De aanzwellende protesten in Iran na de dood van de vrouw Mahsa Amini |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de toenemende protesten in Iran naar aanleiding van de dood van de Iraanse vrouw Mahsa Amini na haar gewelddadige arrestatie door de religieuze politie?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de dubieuze omstandigheden rondom de dood van de vrouw en het handelen van de religieuze politie hierbij?
Ik heb de Iraanse autoriteiten opgeroepen om een gedegen en onpartijdig onderzoek in te stellen naar de dood van Mahsa Amini. Deze boodschap heb ik gedeeld in gesprek met de Iraanse Minister van Buitenlandse Zaken tijdens de AVVN in New York en sindsdien ook publiekelijk herhaald. Diezelfde boodschap is tevens in heldere bewoordingen kenbaar gemaakt in gesprekken op hoog-ambtelijk niveau met de Iraanse Ambassadeur in Den Haag als ook door de Nederlandse Ambassadeur in Iran in zijn gesprekken met de Iraanse autoriteiten aldaar. Ook heeft Nederland hiervoor gepleit in multilateraal verband, waaronder in de VN-Mensenrechtenraad.
De uitkomsten van een eerste Iraanse onderzoek zijn afgelopen vrijdag gepubliceerd, waarin geconcludeerd werd dat Mahsa Amini zou zijn overleden aan onderliggende medische klachten. Haar familie heeft aangegeven dat de uitkomsten van dat onderzoek niet aansluiten bij de zichtbare verwondingen op het lichaam van Mahsa Amini. Dit roept kritische vragen op over de onpartijdigheid van het uitgevoerde onderzoek. Nederland blijft de Iraanse autoriteiten dan ook onverminderd oproepen tot een gedegen en onpartijdig onderzoek naar de dood van Mahsa Amini.
Conform motie van het lid Kuzu c.s. (Kenmerk 21 501-20 nr. 1833, aangenomen op 6 oktober 2022) zal ik dit pleidooi tevens nogmaals herhalen bij de aanstaande Raad Buitenlandse Zaken van 17 oktober 2022.
Deelt u de opvatting dat deze protesten eigenlijk gaan over een veel breder ongenoegen van burgers over de politieke en economische situatie van het land?
De protesten lijken zich te richten op zowel de repressie als ook de slechte economische situatie van het land. Het is van fundamenteel belang dat de Iraanse bevolking het recht heeft om vreedzaam te protesteren, ongeacht de aanleiding of beweegredenen. Burgers hebben immers het recht om te demonstreren voor vrouwenrechten en andere mensenrechten.
Bent u op de hoogte van het feit dat de Duitse Minister van Buitenlandse Zaken zich heeft uitgesproken over de omstandigheden van de dood van de Iraanse vrouw en een oproep heeft gedaan aan de Iraanse overheid om gehoor te geven aan de protesten?2
Ja.
Bent u bereid namens Nederland ook een dergelijk signaal af te geven en een oproep te doen aan Iran om gehoor te geven aan de protesten?
Nederland heeft reeds bij herhaling grote bezorgdheid uitgesproken richting de Iraanse autoriteiten over de huidige situatie in Iran en het geweld van de Iraanse veiligheidsdiensten bij de (pogingen tot) beëindiging van de vreedzame protesten sterk veroordeeld. Zo heb ik de Iraanse autoriteiten opgeroepen om het recht op vreedzaam protest te respecteren. In een gesprek met de Iraanse Minister van Buitenlandse Zaken heb ik tevens benadrukt dat vrouwenrechten mensenrechten zijn en gerespecteerd moeten worden, net als het recht op vreedzaam protest. Deze boodschappen heb ik zelf publiekelijk herhaald en zijn ook in heldere bewoordingen kenbaar gemaakt in gesprekken op hoog-ambtelijk niveau met de Iraanse Ambassadeur in Den Haag als ook door de Nederlandse Ambassadeur in Teheran in zijn gesprekken met de Iraanse autoriteiten aldaar. Nederland heeft hier ook in een gezamenlijke verklaring aandacht voor gevraagd in de VN-Mensenrechtenraad.
Welke overige mogelijkheden ziet u om de mensen die vechten voor hun vrijheid in Iran te ondersteunen, bilateraal of via multilaterale overleggen?
Nederland heeft zich sterk uitgesproken over het recht op vreedzaam protest, zowel in bilaterale gesprekken als ook in multilateraal verband. Nederland zet zich voorts in voor het instellen van EU-Mensenrechtensancties – ook conform motie van de leden Sjoerdsma en Agnes Mulder (Kenmerk 21 501-20 nr. 1826, aangenomen op 6 oktober 2022). Iran zal tevens worden besproken in de Raad Buitenlandse Zaken op 17 oktober 2022, waarbij ik zal pleiten voor een gezamenlijke EU-verklaring om mensenrechtenschendingen van de Iraanse autoriteiten te veroordelen.- conform motie van het lid Kuzu c.s. (Kenmerk 21 501-20 nr. 1834, aangenomen op 6 oktober 2022).
Zou u gezien de urgentie van deze zaak deze vragen zo spoedig mogelijk, en een voor een willen beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk en een voor een beantwoord.
Het bericht 'Een kleine koe die minder krachtvoer eet is ook een vorm van innovatie' |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Een kleine koe die minder krachtvoer eet is ook een vorm van innovatie»?1
Ja.
Klopt het dat er in de Nederlandse stikstofboekhouding maar één soort koe is en dat daarbij standaard uitgegaan wordt van 13 kilogram ammoniakuitstoot per jaar, ongeacht welke managementmaatregelen zijn toegepast bij het verzorgen van de koe? Zo ja, waarom wordt hierin geen onderscheid gemaakt?
Nee dat klopt niet. Er wordt wel degelijk rekening gehouden met managementmaatregelen, zowel in de landelijke stikstofmonitoring voor de stikstofaanpak en de monitoring in het Nationale Emissiemodel voor Ammoniak (NEMA) als in vergunningverlening.
Bij de vergunningverlening voor het agrarische bedrijf worden emissiefactoren gebruikt. Bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) bevat ammoniakemissiefactoren voor emissiearme stalsystemen. Daarin staat ook de emissiefactor voor een traditionele stal voor melkvee. Deze is 13 kg per dierplaats per jaar. Er wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vee. Emissiefactoren zijn gebaseerd op metingen in enkele stallen en zijn gemiddelden. Bij toetsing aan de Wet ammoniak en veehouderij en het Besluit emissiearme huisvesting (Behv) is toepassing van de emissiefactoren die zijn opgenomen in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) verplicht. Beweiding heeft daarbij geen invloed op de hoogte van de emissiefactor. De reden daarvan is dat het Behv alleen uitgaat van de toepassing van de best beschikbare (stal)technieken.
Daarnaast worden de emissiefactoren van deze lijst gebruikt voor de toestemmingsverlening in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarbij is tevens bijlage 2 van de Rav («de PAS maatregelen») relevant. In bijlage 2 staan reductiepercentages van enkele voer- en managementmaatregelen, namelijk voor beweiden en melkureumgehalte voor categorie 1A melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar.
In het eindrapport van de kwartiermaker de heer Tijssens, dat bijgevoegd is bij de kamerbrief over de appreciatie van het rapport Remkes op 14 oktober 20222, worden adviezen gegeven over meer duidelijkheid over doelen voor stalsystemen en het belang van management-, voer- en geneticamaatregelen in het verminderen van ammoniakemissie.
Bent u bereid om, als het onderzoek van het Netwerk Grondig, de Wageningen Universiteit en Universiteit Leiden uitwijst dat managementmaatregelen tot een lagere stikstofuitstoot leiden, managementmaatregelen op de lijst met emissiearme systemen te zetten? Zo ja, wat is volgens u nodig om dit in de uitvoering van het stikstofbeleid op te nemen?
Het onderzoek van Netwerk Grondig, de Wageningen Universiteit en Universiteit Leiden richt zich op het verlagen van de ammoniakemissie op bedrijfsniveau via managementmaatregelen. Bijlage 2 van de Rav lijst bevat reeds reductiepercentages van voer- en managementmaatregelen. Ik onderzoek de mogelijkheden om aan te tonen dat ook bij andere managementmaatregelen de ammoniakemissie met voldoende zekerheid afneemt op bedrijfsniveau. Hiervoor is verbetering van de datakwaliteit op bedrijfsniveau nodig die nauwkeuriger, beter borgbaar en handhaafbaar moet zijn, zoals ook aangegeven in de brief aan uw Kamer van 21 april 20223. Dergelijke zekerheid is noodzakelijk om te kunnen waarborgen dat de natuur geen schade oploopt en natuurvergunningen de toets van de rechter kunnen doorstaan.
Bent u bekend met de tussentijdse resultaten van het onderzoek van het Netwerk Grondig, de Wageningen Universiteit en Universiteit Leiden dat met managementmaatregelen het goed mogelijk is het ammoniakoverschot van een gangbaar melkveehouderijbedrijf te beperken tot 40 kilogram per hectare?
Ja
Bent u ervan op de hoogte dat managementmaatregelen een substantiële bijdrage kunnen leveren aan het reduceren van de ammoniakemissie door koeien, zonder veel kosten en zonder dure technische maatregelen, waardoor deze binnen het bereik van een groot deel van de melkveehouders komt?
Ja. Managementmaatregelen in de melkveehouderij zijn daarom ook een belangrijk onderdeel van de stikstofaanpak. Hiervoor zijn drie sporen ingezet: verdunnen van mest, verlagen van het eiwitgehalte van het rantsoen en verhogen van het aantal uren weidegang. Op 20 juli 2021 is de Kamer geïnformeerd over de uitwerking van de managementmaatregelen melkveehouderij in het kader van de stikstofproblematiek4. Op 19 augustus 2022 is de Kamer geïnformeerd over de Publicatie van de CBS Monitor, waarin een prognose staat van het ruw-eiwitgehalte in het melkveevoerrantsoen5. Daaruit blijkt dat indien het ruw-eiwitgehalte in het melkveerantsoen in 2022 daadwerkelijk zal dalen naar 162 gram ruw eiwit per kilogram drogestof een forse reductiestap wordt gezet via managementmaatregelen.
Bent u het eens dat melkveehouders die voldoen aan minder dan 40 kilogram ammoniak per hectare stal en veldemmissies, daarmee bijdragen aan de generieke reductieopgave van 30 procent op het gebied van ammoniak?
Indien melkveehouders managementmaatregelen nemen om de ammoniakemissie terug te dringen tot maximaal 40 kilogram ammoniak per hectare per jaar uit stal- en veldemissies, dragen ze daarmee bij aan de generieke reductieopgave op het gebied van ammoniak. Om dit ook op bedrijfsniveau te kunnen toerekenen, moet de onderliggende data van deze emissieberekening robuust zijn: voldoende te controleren en te borgen. De berekeningen in de KringloopWijzer voor ammoniakemissie zijn hiervoor nog niet voldoende robuust. Verbetering van de datakwaliteit om emissies te berekenen wordt opgepakt in de aanpak van de (afrekenbare) stoffenbalans, de maatwerkaanpak voor het 7e actieprogramma nitraatrichtlijn en de Kritische Prestatie Indicatoren (KPI) voor kringlooplandbouw.
Bent u bereid, als onderdeel van de stikstofaanpak en gebruikmakend van de stikstoffondsen die het kabinet beschikbaar heeft gesteld, een beloningsaanpak in te richten voor boeren die aantoonbaar hun ammoniakoverschot tot 40 kilogram per hectare beperken?
Ik ben bereid om met de sector en de keten de mogelijkheden te onderzoeken hoe substantiële reductie van de ammoniakuitstoot op bedrijven kan worden gestimuleerd, bijvoorbeeld via een hogere melkprijs of bonussen op de melkprijs in combinatie met toeslagen vanuit het GLB. Inzet daarbij is een duurzame omschakeling en duurzaam verdienmodel, waarbij de veehouder bij voorkeur een eerlijke prijs voor zijn product krijgt. Daarvoor is het noodzakelijk dat in voldoende mate wordt aangetoond dat de reductie per bedrijf (veld en stal) inderdaad bijdraagt aan de generieke reductieopgave op het gebied van ammoniak en de onderliggende data voldoende geborgd en controleerbaar zijn.
De ammoniakuitstoot op bedrijfsniveau maakt al onderdeel uit van de Kritische Prestatie Indicatoren (KPI) set voor kringlooplandbouw die op dit moment in de praktijk wordt getest in verschillende landbouwsectoren. Deze aanpak gaat uit van integrale sturing op duurzaamheidsprestaties. Daarbij wordt ook gekeken wat het effect van een reductie van ammoniakuitstoot is op de andere duurzaamheidsdoelen om afwenteling te voorkomen.
Het voornemen dat nu ook het Openbaar Ministerie in Den Haag wegens capaciteitsproblemen strafzaken wil schrappen |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat nu ook het Openbaar Ministerie (OM) in Den Haag zich genoodzaakt ziet de rechtbank te vragen strafzaken te schrappen wegens capaciteitsproblemen?1
Ik betreur dat het OM zich genoodzaakt ziet dit te doen. Het is niet goed voor het vertrouwen in de rechtstaat als zaken op deze manier worden afgerond.
Zag u dit aankomen? Sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Ik ben uiteraard goed op de hoogte van de druk op de capaciteit en de mede door corona ontstane voorraden bij het OM en de rechtspraak. Dit is al enige tijd onderwerp van gesprek tussen mij en het College van procureurs-generaal. Over het voornemen om de behandeling van de 53 strafzaken te stoppen ben ik op woensdag 21 september jl. geïnformeerd.
In welke andere regio’s dreigt dit nu nog meer te gebeuren?
Er zijn op dit moment geen andere regio’s met een vergelijkbaar voornemen. Ik heb met het College van Procureurs-generaal afgesproken dat ik, mocht een dergelijke situatie zich weer voordoen, tijdig en van tevoren wordt geïnformeerd.
Deelt u de mening dat het niet behandelen van strafzaken vanwege het feit dat er geen capaciteit is bij het OM en de rechtspraak eigenlijk onacceptabel is? Is dit nog te voorkomen, zo ja, hoe?
Bij de aanpak van criminaliteit zal het OM altijd prioriteiten moeten stellen. Er is niet genoeg capaciteit om alle criminaliteit aan te pakken. Ik vind echter dat als strafzaken in behandeling worden genomen deze ook voortvarend en op een juiste manier moeten worden afgerond. Hierbij hebben alle betrokken partijen een rol. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Erkent u dat ook dit het gevolg is van het beleid van vorige kabinetten Rutte? Zo niet, waarom niet?
Naar de oorzaken van toegenomen druk op de capaciteit van de organisaties binnen de strafrechtketen is onderzoek gedaan. Mijn ambtsvoorganger heeft u met een brief van 26 juni 20202 over de uitkomst geïnformeerd. Geconstateerd werd dat verschillende maatschappelijke ontwikkelingen, waaronder digitalisering en internationalisering van criminaliteit en sterk toegenomen inzet voor ondermijnende criminaliteit, het werk complexer hebben gemaakt en hebben bijgedragen aan een hogere werkdruk. Daarnaast heeft een veelheid aan wets-en beleidswijzigingen geresulteerd in een hogere werkdruk, vanwege de organisatorische implicaties ervan voor de betrokken organisaties. In de afgelopen jaren zijn daarnaast door de coronacrisis de voorraden gestegen, waardoor de druk extra is verhoogd.
Hoe wordt geselecteerd welke strafzaken geschrapt zullen worden? Deelt u de mening dat «slachtofferloze delicten» eigenlijk niet bestaan? Hoe worden betrokken partijen hierover geïnformeerd?
Ik deel uw mening dat slachtofferloze delicten eigenlijk niet bestaan. Bij het plegen van delicten is de maatschappij altijd het slachtoffer. Criminaliteit ondermijnt economische, juridische en maatschappelijke structuren en leidt daarmee altijd tot schade.
Bij de selectie van de zaken heeft het OM een afweging gemaakt op basis van de inhoud van de zaak en de verschillende belangen die meespelen. Relevante factoren waren onder meer: dat er geen directe slachtoffers zijn, dat er al schadeherstel heeft plaatsgevonden, dat een andere reactie op het misdrijf is gevolgd of dat de verdachte sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met justitie. Verder is gekeken naar de aard van de feiten: zo wordt er bijvoorbeeld niet getornd aan de vervolging van ernstige geweldsmisdrijven en zedendelicten.
Voor alle zaken geldt dat zij minimaal vier jaar oud zijn. Het zijn zaken die al eerder op zitting zijn besproken, maar niet inhoudelijk zijn afgedaan. In afwachting van een nieuwe zitting kregen andere zaken, bijvoorbeeld met directe slachtoffers, voorrang. De meeste zaken hebben geen directe slachtoffers. In de paar zaken waar sprake was van een direct slachtoffer heeft het OM contact met hen opgenomen en hen de omstandigheden uitgelegd.
Rechtszekerheid en een goede procesorde brengen met zich mee dat de zaken die bleven liggen in het belang van alle partijen wel moeten worden afgedaan. De wet bepaalt dat zaken die al eerder op zitting zijn geweest alleen kunnen worden beëindigd door het OM niet-ontvankelijk te verklaren.
Waarom wordt er bijvoorbeeld voor gekozen ook ontnemingszaken niet te behandelen? Erkent u dat dit pijnlijk en onrechtvaardig is, omdat misdaad niet mag lonen, maar ook onverstandig omdat dit (misdaad)geld uitstekend gebruikt zou kunnen worden om te investeren in OM en rechtspraak?
Ik ben het, net als het OM, met u eens dat de maatschappij erop moet kunnen vertrouwen dat het recht zijn beloop heeft en dat misdaad niet mag lonen.
Onder de zaken bevinden zich inderdaad ontnemingszaken. Daarin wilde het OM crimineel geld afpakken, maar bleek bijvoorbeeld dat er bij de verdachte weinig tot niets te halen viel. In een aantal gevallen is het afpakken al op een andere manier geregeld, bijvoorbeeld doordat de rechter in de bijbehorende strafzaak (die altijd naast een ontnemingszaak loopt) al heeft gevonnist dat het geld van verdachte naar de slachtoffers moet. Het is dus niet per definitie zo dat deze zaken veel geld hadden opgebracht, waarmee de capaciteit van het OM en rechtspraak zou kunnen worden uitgebreid.
De aanpak van zelfbenoemde ‘afvalcoaches” en pro-ana websites |
|
Lisa Westerveld (GL), Mirjam Bikker (CU) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzendingen van Undercover in Nederland (SBS6) van zondag 11 september en zondag 18 september gezien waarin Alberto Stegeman en zijn team zelfbenoemde «afvalcoaches» op het spoor zijn?
Ja.
Herinnert u zich het rapport1 van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen waaruit bleek dat meisjes met een eetstoornis benaderd worden door zogenaamde «pro-anorexia coaches» met het doel hen te misbruiken?
Ja.
Herinnert u de noodkreet van het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) uit 2019 en het uiteindelijke rapport in 2020 waarin al voor deze praktijken wordt gewaarschuwd en waarin in de eerste zin wordt gerefereerd aan een rechtszaak uit 2013 tegen een «pro-ana coach?» Herinnert u het artikel «Anorexia coaches on Kik app prey on people with eating disorders2» uit 2019?
Ja.
Kunt u uitleggen waarom deze praktijken al zo lang bekend zijn, hier meerdere keren Kamervragen over zijn gesteld3, 4, do or de Kamer in moties5 is opgeroepen om actie te ondernemen en uit de uitzending van Undercover in Nederland en tegelijkertijd uit rapportages van het CKM blijkt dat deze zelfbenoemde coaches nog steeds actief zijn?
Het is afschuwelijk dat er in Nederland personen actief zijn die kwetsbare minderjarigen uitbuiten, waaronder minderjarigen met een eetstoornis. Daarom is van belang onverminderd in te zetten op de brede meersporige ingezette aanpak tegen deze vorm van criminaliteit in zowel het hulpverlenings- en preventiekader als in het opsporings- en vervolgingskader. De verschillende actielijnen van deze meersporige aanpak zijn uitgebreid toegelicht in de beantwoording van Kamervragen over het bericht «Hoe pro-ana coaches kwetsbare meisjes misbruiken» en de uitvoering van de motie Van der Graaf c.s. (Kamerstuk 31 015, nr. 197), die op 4 juli 2022 aan uw Kamer is gezonden. Zoals toegelicht in deze beantwoording, wordt ook ingezet op een toekomstbestendige (verdere) aanpak van de pro-ana problematiek, onder andere door het (opnieuw) opnemen van de aanpak van online seksueel kindermisbruik in de Veiligheidsagenda 2023–2026, de verkenning door de politie van de mogelijkheden voor de opzet en uitrol van een (nieuwe) online opsporingsstrategie gericht op seksuele misdrijven en mensenhandel en het op 10 oktober jl. aan uw Kamer aangeboden wetsvoorstel seksuele misdrijven, dat een aantal bestaande strafbaarstellingen online-proof maakt, sexchatting met kinderen beneden de leeftijd van zestien jaar expliciet strafbaar stelt en de strafmaxima voor sommige delicten die zien op seksueel misbruik van kinderen verhoogt. Daarnaast wordt met het wetsvoorstel bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal, dat op dit moment in voorbereiding is en naar verwachting op korte termijn aan uw Kamer zal worden aangeboden, ingezet op de snelle verwijdering van kinderpornografisch materiaal van het internet.
Bent u het met de stelling eens dat dit onderwerp meer urgentie behoeft en dat uit de drie jaar die zijn verstreken sinds het schriftelijk overleg van 4 juni 20196 niet blijkt dat het onderwerp prioriteit heeft?
De aanpak van plegers van seksuele misdrijven en personen die kwetsbare minderjarigen uitbuiten, waaronder minderjarigen met een eetstoornis, is en blijft een prioriteit. De meersporige aanpak die plaatsvindt via verschillende actielijnen en die uitgebreid is toegelicht in de beantwoording van Kamervragen over het bericht «Hoe pro-ana coaches kwetsbare meisjes misbruiken» en de uitvoering van de motie Van der Graaf c.s. (Kamerstuk 31 015, nr. 197) die op 4 juli 2022 aan uw Kamer is, geeft daar ook blijk van.
Hoe staat het met de verkenning door de politie van de mogelijkheden voor de opzet en de uitrol van een digitale opsporingsstrategie naar aanleiding van de aangenomen motie uit 2020 waarin wordt verzocht om een online opsporingsstrategie?7 Kunt u aangeven wat de door uw genoemde impactanalyse door de politie heeft opgeleverd8? Kunt u nader specificeren wat precies de bedoeling is van de pilot digitale opsporingsstrategie voor seksuele misdrijven en mensenhandel? Hoe is het mogelijk dat meer dan twee jaar na indiening van de motie nu pas wordt gestart met een verkenning?
Zoals toegelicht in de Voortgangsbrief aanpak online seksueel kindermisbruik en zeden die op 6 juli 2022 aan uw Kamer is gezonden (Kamerstuk 34 843, nr. 60), is door de politie gestart met de verkenning van de mogelijkheden voor de opzet en uitrol van een online opsporingsstrategie gericht op seksuele misdrijven en mensenhandel. Als onderdeel van deze verkenning wordt ook een impactanalyse uitgevoerd, waarbij mede wordt gekeken naar de voorwaarden voor de opzet en uitrol van de online opsporingsstrategie op seksuele misdrijven en mensenhandel. Denk hierbij bijvoorbeeld aan politiële capaciteit, IV-aanpassingen en financiële middelen. Ook worden het juridische handelingskader en de ethische implicaties van de mogelijke inzet van specifieke digitale opsporingsmiddelen (waaronder webcrawler en lokprofielen) onderzocht.
Na afronding van de verkenning kan, indien is voldaan aan de daarvoor benodigde voorwaarden zoals hierboven benoemd, worden gestart met de pilot voor de (afgebakende) online opsporingsstrategie voor seksuele misdrijven en mensenhandel, die tegelijkertijd een basis zal bieden voor de verkenning van de mogelijkheden voor een bredere opsporingsstrategie. Met deze pilot wordt gedoeld op een eerste ingebruikname van de online opsporingsstrategie enkel voor seksuele misdrijven en mensenhandel. Hoe de pilot vorm zal krijgen kan pas worden vastgesteld nadat de verkenning en de impactanalyse zijn uitgevoerd en de resultaten daarvan zijn opgeleverd. Omdat belang wordt gehecht aan een zorgvuldige uitwerking van de verkenning, is eerder aan uw Kamer gecommuniceerd dat de resultaten eind dit jaar zullen worden opgeleverd door de politie. Inmiddels is gebleken dat de resultaten door de politie begin 2023 opgeleverd worden. Uw Kamer ontvangt deze resultaten met reactie van het kabinet zo spoedig mogelijk daarna.
Waarom gaat u in eerdere beantwoording van schriftelijke vragen9 niet meer in op vragen over het overleg tussen uw ministerie, politie, het Openbaar Ministerie (OM) en het CKM over uitvoering van deze motie? Kunt u aangeven wat er in de afgelopen twee jaar naar aanleiding van deze motie is gebeurd en waartoe het genoemde overleg heeft geleid?
De gekozen aanpak voor afdoening van de motie over de online opsporingsstrategie alsmede de voortgang daarvan zijn met het CKM besproken. Daarnaast vindt tussen het ministerie, de politie en het Openbaar Ministerie (OM) regulier en incidenteel overleg plaats, onder meer over de uitvoering van de motie over het ontwikkelen van een online opsporingsstrategie. Voor het overige wordt verwezen naar de beantwoording van vraag 6.
Klopt het dat de in 2021 aangekondigde «proeftuin» met politie en CKM om de aangiftebereidheid van slachtoffers van seksuele uitbuiting met een leeftijd tot 25 jaar te vergroten niet gaat over slachtoffers van pro-ana coaches?10 Zo ja, waarom wordt hier wel naar verwezen in antwoorden op vragen over deze «coaches»?
De in 2021 gestarte proeftuin met de politie en het CKM richt zich op het vergroten van de aangiftebereidheid van (mogelijke) slachtoffers van seksuele uitbuiting onder de 25 jaar. Slachtoffers van pro-ana coaches blijken echter veelal geen slachtoffer te zijn van mensenhandel, maar van andere misdrijven in de seksuele sfeer (waaronder bijvoorbeeld grooming). De proeftuin is daarom minder van invloed op de slachtoffers van pro-ana coaches dan eerder werd aangenomen. Er wordt echter ook op verschillende manieren gewerkt aan het verbeteren van de aangiftebereidheid van slachtoffers in zedenzaken. In de eerste plaats wordt verwezen naar de in mijn brief van 10 mei 2022 omtrent de voortgang van het plan van aanpak van de zedenrecherche (Kamerstuk 34 843, nr. 56) genoemde verbeteringen van de politie met betrekking tot de bejegening van slachtoffers van zedenzaken en de taakuitvoering door de zedenrecherche. Daarnaast is op 10 oktober jl. het wetsvoorstel seksuele misdrijven ingediend bij uw Kamer. Als gevolg van dat wetsvoorstel krijgen slachtoffers meer mogelijkheden om aangifte te doen van een seksueel misdrijf. De professionals die slachtoffers ondersteunen en begeleiden, kunnen aan de hand van het nieuwe wettelijk kader aan slachtoffers beter duidelijk maken voor welke strafbare feiten een dader vervolgd en berecht kan worden. Ook dit kan bijdragen aan de verhoging van de aangiftebereidheid van zedenslachtoffers, waaronder de slachtoffers van de zogenaamde pro-ana coaches.
Hoe kan het dat uit het programma Undercover in Nederland blijkt dat zelfbenoemde «afvalcoaches» al jarenlang actief zijn, dit vaak dezelfde daders zijn en zij kennelijk ongestoord hun gang kunnen gaan? Wat zegt dat over de effectiviteit van de door u eerder aangekondigde voornemens?
Dat misbruik plaatsvindt van kwetsbare minderjarige slachtoffers door personen die zich voordoen als coach dient stevig en effectief te worden aangepakt, te meer wanneer dat misbruik bij herhaling plaatsvindt door dezelfde daders. De meersporige aanpak via verschillende actielijnen is daarom ook steevast gericht op het voorkomen van herhaald dader- en slachtofferschap (onder meer door hulpverlening aan (mogelijke) daders en slachtoffers) en aanpak van deze daders in het strafrechtelijke kader. Helaas is niet in cijfers inzichtelijk in hoeveel gevallen deze acties en interventies concreet hebben geleid tot voorkoming van nieuwe of herhaalde daders en slachtoffers. Ook kan helaas niet worden ingegaan op individuele zaken, waaronder die van de coaches die tijdens de uitzending van Undercover in beeld zijn gebracht. Wat er nodig is voor een effectieve aanpak van zedenmisdrijven en voor de bescherming van kwetsbare slachtoffers wordt uiteraard wel op reguliere basis binnen de departementen en door het OM en de politie besproken. Daarnaast wordt in de verkenning van de mogelijkheden voor een online opsporingsstrategie, die op dit moment door de politie wordt uitgevoerd, ook stilgestaan bij de eventuele belemmeringen voor een effectieve (online) opsporing van seksuele misdrijven en mensenhandel.
Bent u op de hoogte van het feit dat de coach die in beide uitzendingen van Undercover aan bod komt, één van de coaches was die ook kwam bovendrijven tijdens de onderzoeksperiode van het genoemde CKM-onderzoek eind 2018? Zo ja, hoe kan het dat de vorige Minister van Justitie en Veiligheid aangaf dat de aanpak van deze coaches een «persoonlijke prioriteit» zou worden, terwijl dezelfde daders jarenlang hun gang kunnen gaan? Kunt u een heldere uitleg geven?
Helaas kan niet worden ingegaan op individuele zaken. Sinds de publicatie van het rapport van het CKM is echter via verschillende wegen ingezet op de aanpak van de problematiek van de zogenaamde pro-ana coaches, zoals onder andere toegelicht in de beantwoording van de Kamervragen over het bericht «Hoe pro-ana coaches kwetsbare meisjes misbruiken» en de uitvoering van de motie Van der Graaf c.s. (Kamerstuk 31 015, nr. 197) die op 4 juli 2022 aan uw Kamer is gezonden. Deze aanpak wordt onverminderd voortgezet. Voor het overige wordt verwezen naar de beantwoording van vraag 11.
Kunt u in algemene zin uitleggen hoe het kan dat een dader die bekend is bij de politie, vervolgens weer door kan gaan met dezelfde praktijken?
Met de strafrechtelijke aanpak wordt ingezet op het aanpakken van personen die zich voordoen als coach en misbruik maken van minderjarigen. Het kan echter voorkomen dat een bij de politie vanwege specifiek strafbaar handelen bekende dader voor dat handelen wordt vervolgd en gestraft, maar zich daarna opnieuw schuldig maakt aan (vergelijkbare) strafbare gedragingen. Er is bij elke vorm van criminaliteit sprake van een risico op recidive, maar dat is zeker bij deze specifieke dadergroep het geval, gelet op de persoonlijke kenmerken. De behandeling van dit type dader is doorgaans complex. In de fase van vervolging kan het feit dat sprake is van recidive wel grond zijn voor het openbaar ministerie om een hogere straf te eisen, en uiteindelijk voor de rechter om een hogere straf op te leggen.
Ook kan het voorkomen dat het opsporingsonderzoek ter zake van een bij de politie gemelde of in het vizier gekomen mogelijke dader van strafbare gedragingen uiteindelijk niet wordt voortgezet of dat er uiteindelijk geen vervolging jegens diegene wordt ingesteld. Dit kan verschillende redenen hebben. Iedere zaak in onderzoek bij de politie en het OM is anders voor wat betreft de in die zaak aan de orde zijnde strafbare gedragingen, de omstandigheden en de reden van de beslissing om het opsporingsonderzoek al dan niet voort te zetten of al dan niet de vervolging in te stellen. Een algemeen beeld hiervan kan dan ook niet worden gegeven. Ook kan niet worden ingegaan op individuele zaken.
Zijn er al uitkomsten van de pilot met het «online outreach programma’s» om zo daders eerder op te sporen?11 Is aanpassing van wet- en regelgeving nodig voor opsporing? Zo ja, wordt hieraan gewerkt?
Het online outreach traject van het CKM richt zich niet op het eerder opsporen van daders, maar op de proactieve benadering van (mogelijke) slachtoffers van seksuele uitbuiting die zich bevinden op het internet en sociale media door een getraind team van zorgprofessionals, met het doel hen te signaleren en beschermen. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid financiert een deel van dit traject en Stichting Achmea Slachtoffer en Samenleving financiert de pilot, die specifiek is gericht op de pro-ana problematiek. Momenteel vindt nog een evaluatie van de pilot plaats.
Is er voldoende capaciteit bij politie en justitie om zelfbenoemde «afvalcoaches» en andere vormen van online activiteiten die schadelijk zijn voor (kwetsbare) jong-volwassenen en kinderen aan te pakken? Zo ja, waarin zitten dan de belemmeringen?
Het is van groot belang dat politie en justitie in staat worden gesteld effectief op te treden tegen alle vormen van strafbaar (online) gedrag in het opsporings- en vervolgingskader, waaronder tegen het strafbare handelen van pro-ana coaches. Hiervoor dienen politie en justitie onder andere over voldoende capaciteit te beschikken. De juiste inzet van de beperkte capaciteit van de politie en justitie blijft daarom een constant punt van aandacht. In de impactanalyse die wordt uitgevoerd, als onderdeel van de verkenning van de mogelijkheden voor de opzet en uitrol van een online opsporingsstrategie voor seksuele misdrijven en mensenhandel, wordt overigens ook bezien in hoeverre de politie over voldoende capaciteit beschikt voor het vormgeven van deze online opsporing en de belemmeringen die in dat kader eventueel nog zouden moeten worden weggenomen. Zie omtrent de online opsporingsstrategie en de impactanalyse ook de beantwoording van vraag 6.
In hoeverre is uw voornemen voor betere voorlichting aan jongeren en meer bewustzijn bij hulpverleners daadwerkelijk van de grond gekomen? Hoe wordt de handreiking die is ontwikkeld onder de aandacht gebracht van hulpverleners?
Patiëntenvereniging WEET heeft een website opgezet waar jongeren die op pro anorexia zoekwoorden zoeken terecht kunnen. Op deze website staan onder andere ervaringsverhalen en jongeren kunnen een zelftest doen over hun social media gebruik. Het Kenniscentrum voor Kinder en Jeugdpsychiatrie (KJP) heeft een factsheet en handreiking gemaakt voor hulpverleners.12 Zowel in de factsheet als in de handreiking staan zaken beschreven over de werkwijze van pro-ana coaches, hoe hulpverleners signalen hierover kunnen herkennen en hoe ze het beste het gesprek aan kunnen gaan met jongeren. De factsheet en handreiking zijn op verschillende manieren onder de aandacht gebracht, namelijk via de website en nieuwsbrief van het KJP (waarbij van belang is dat veel jeugdhulp en jeugd ggz instellingen deze nieuwsbrief ontvangen) en via LinkedIn (met een bereik van 34.000 volgers). Het Nederlands Jeugdinstituut heeft de handreiking in het najaar van 2021 ook in hun nieuwsbrief meegenomen. Ook andere organisaties die hebben meegewerkt aan de handreiking, waaronder het Centrum voor Kindermishandeling, zijn gevraagd om de handreiking te verspreiden. Tijdens de Voordejeugd dag in 2021 hebben medewerkers van het KJP een presentatie gegeven over de handreiking. Op de landelijke K-EET (Ketenaanpak eetstoornissen), met zo’n 200 professionals, hadden medewerkers van het KJP een stand met de factsheets en handreikingen.
Hoeveel zelfbenoemde coaches zijn in de afgelopen jaren, in ieder geval sinds 2019, opgespoord en vervolgd? Als dit niet bekend is; bent u bereid dit apart bij te houden?
Het aantal sinds 2019 onderzochte en aangebrachte zaken van seksueel of ander misbruik door zogenaamde pro-ana coaches is niet te specificeren. De politie en het OM registreren de zaken in onderzoek op basis van (mogelijk) gepleegde strafbare feiten ofwel wettelijke delictsomschrijvingen, en niet op basis van de tal van specifieke fenomenen waarop de opsporings- en vervolgingsinzet wordt gepleegd. Het registreren op basis van de vele verschillende bestaande criminaliteitsfenomenen, naast de aan de orde zijnde strafbare gedragingen, zou heel veel vragen van de capaciteit van politie en het OM, terwijl ondertussen niet zeker is wat een dergelijke extra registratielast oplevert. Ook is niet altijd vanaf het begin bekend of en dat het om een specifiek fenomeen gaat.
Bent u bereid om terug te komen op uw antwoorden op eerdere vragen waaruit blijkt dat u niet voornemens bent om pro-ana websites uit de lucht te halen en de motie-Kuik/Van der Graaf uit te voeren?12
Zoals toegelicht in de beantwoording van Kamervragen over het bericht «Hoe pro-ana coaches kwetsbare meisjes misbruiken» en de uitvoering van de motie Van der Graaf c.s. (Kamerstuk 31 015, nr. 197), die op 4 juli 2022 aan uw Kamer is gezonden, wordt een algeheel (strafrechtelijk) verbod op pro-ana websites, platformen en thinfluencers niet opportuun geacht, omdat een dergelijk verbod zich ook (in hoofdzaak) zal richten tegen personen die zelf een eetstoornis hebben en die dergelijke websites of platformen bezoeken en hosten. Dat is onwenselijk. Mensen die aan anorexia lijden, ervaren schaamte en hebben de indruk in een sociaal isolement te verkeren. Een dergelijk verbod zou het stigma rondom anorexia en ondergewicht juist bevestigen en de zoektocht van jongeren met een eetstoornis naar hulp kunnen belemmeren. Ook experts, onderzoeken en ervaringsdeskundigen geven aan dat de focus zou moeten liggen op de psychische klachten die mensen met een eetstoornis hebben. Het beleid is daarom, naast hulpverlening aan personen met een eetstoornis die dergelijke websites en platformen bezoeken en hosten, gericht op het snel offline halen van illegale (waaronder strafbare) content op dergelijke pro-ana websites en sociale media platformen. Illegaal online materiaal kan worden gemeld en verwijderd via de afspraken in het kader van de zelfregulering van de internetsector (Notice and Take Down). Is er sprake van kinderpornografisch materiaal, is er binnenkort ook de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), die een bestuursrechtelijk verwijderbevel kan uitvaardigen en een last onder dwangsom of bestuurlijke boete kan opleggen indien de content niet wordt verwijderd. Het streven is het wetsvoorstel bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal, dat op dit moment in voorbereiding is en de voorgaande bevoegdheden van de ATKM regelt, voor het einde van het jaar bij uw Kamer in te dienen. Daarnaast kunnen aanbieders van communicatiediensten door de officier van justitie (met machtiging van de rechter-commissaris) worden bevolen om strafbaar online materiaal ontoegankelijk te maken (art 125pSv jo art 54a Sr). Tot slot wordt in ieder geval waar sprake is van strafbaar handelen uiteraard wel ook steeds ingezet op aanpak via het opsporings- en vervolgingskader.
Zijn providers van pro-ana websites aangesproken en is daar concreet vervolg aan gegeven, bijvoorbeeld door deze websites offline te halen? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Verwezen wordt naar de beantwoording van vraag 16. Op individuele zaken kan voor het overige niet worden ingegaan.
Voert u gesprekken met sociale mediabedrijven zoals Facebook, Instagram en TikTok over de vraag hoe zij voorkomen dat hun platform gebruikt wordt voor het beïnvloeden van jongeren en volwassenen met een psychische kwetsbaarheid?
Er wordt binnen de departementen gesproken met de internetsector, onder andere ook over de bescherming van kwetsbare jongeren online. Ook kan de Digital Services Act (DSA), die naar verwachting begin 2024 van toepassing wordt, in dit kader een rol spelen. De DSA verplicht zeer grote online platformen om tenminste één keer per jaar een risicoanalyse te verrichten van hun diensten. Zij moeten daarbij onder meer onderzoeken of hun dienstverlening negatieve consequenties heeft voor de fysieke en mentale gezondheid van mensen (artikel 34, eerste lid, onder d, DSA). Als dat het geval is moeten zij maatregelen nemen om deze risico’s te adresseren (artikel 35 DSA). De Europese Commissie houdt hier toezicht op en kan zo nodig handhaven.
Is het een optie om beroepsaanduidingen als «therapeut», «coach» en «psycholoog» een zogeheten «beschermd beroep» te maken zodat niet iedereen zich zo kan noemen? Bent u bereid om dit te onderzoeken?
In de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) bestaat reeds de mogelijkheid om bepaalde beroepen te reguleren in artikel 3 (het «zware regime») of 34 (het «lichte regime») van de Wet BIG. Voor beroepen in het «lichte regime» geldt een beschermde opleidingstitel. Dit betekent dat de titels pas gevoerd mogen worden na het afronden van de opleiding. Voor deze beroepsbeoefenaren geldt geen verplichting tot registratie in het BIG-register en ze zijn ook niet onderworpen aan het wettelijk tuchtrecht.
Op dit moment zijn de volgende beroepen gereguleerd in artikel 34 van de Wet BIG: apothekersassistent, diëtist, ergotherapeut, huidtherapeut, klinisch fysicus, logopedist, mondhygiënist, oefentherapeut, optometrist, orthoptist, podotherapeut, radiodiagnostisch laborant, radiotherapeutisch laborant, tandprotheticus, verzorgende in de individuele gezondheidszorg (VIG’er). Voor beroepen in het «zware regime» geldt een beschermde beroepstitel, is het tuchtrecht van toepassing en is het mogelijk om een zelfstandige bevoegdheid voor voorbehouden handelingen toe te kennen. Deze beroepsbeoefenaren zijn verplicht zich te registreren in het BIG-register en elke 5 jaar te herregistreren. Op dit moment zijn de volgende beroepen gereguleerd in artikel 3 van de Wet BIG: apotheker, arts, fysiotherapeut, gezondheidszorgpsycholoog, klinisch technoloog, orthopedagoog-generalist, physician assistant, psychotherapeut, tandarts, verloskundige en verpleegkundige. Het beroep gezondheidszorgpsycholoog kent twee beschermde specialistentitels: klinisch psycholoog en klinisch neuropsycholoog.
Het uitgangspunt van de wet BIG is dat beroepen niet worden opgenomen tenzij wettelijke regulering noodzakelijk is om patiënten adequaat te beschermen (bijvoorbeeld i.v.m. het verrichten van voorbehouden handelingen). Dit zogenaamde «nee, tenzij» principe sluit ook aan bij de Europese normen van het vrije verkeer van personen en de normen van de Ministers van EZK en SZW voor een open en flexibele (arbeids-)markt, dat verdere professionalisering in de zorg kan bevorderen.
U kunt terugzien dat verschillende «therapeuten» en het beroep GZ-psycholoog reeds gereguleerd zijn, waarmee het voor de patiënt kenbaar zou moeten worden dat zij bij behandeling door deze beroepsbeoefenaren door de werking van de Wet BIG worden beschermd tegen onzorgvuldig en ondeskundig handelen. Er bestaan ook verschillende «coaches», «counselors», «consulenten» en «voedingsprofessionals». Dit zijn onbeschermde titels/termen: iedereen mag zich zo noemen. Ook kan iedereen een eigen aanduiding of titel voor zijn professie bedenken.
In het kader van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is iedere zorgaanbieder verplicht om goede en veilige zorg te bieden. In deze wet is tevens voorzien in een klachtenprocedure. Daarnaast staat het privaatrecht open wanneer er een geschil is en in het uiterste geval het strafrecht. Ook bestaan er verschillende beroepsorganisaties die – los van de Wet BIG – de kwaliteit van de beroepsuitoefening reguleren, onder meer doordat voor hun leden wordt vereist dat zij een geaccrediteerde opleiding hebben afgerond.
Het is van belang dat patiënten (of hun ouders of voogd) zich goed informeren over de kwaliteit (de regulering ervan en welke bescherming dit biedt) van de professional die hij of zij inschakelt. De beroepsverenigingen in de ggz werken momenteel samen met de wetenschappelijke verenigingen aan één landelijk kwaliteitsregister waarin cliënten, naasten en verwijzers het geheel aan kwalificaties van de psycholoog kunnen inzien.
Het illegaal aanbieden van een pony als prijs in een loterij op een paarden- en ponymarkt |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat tijdens de Denekamper paarden- en ponymarkt een loterij plaats heeft gevonden met een pony als prijs?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat volgens artikel 2.13 van de Wet dieren het verboden is om dieren als prijs uit te loven naar aanleiding van wedstrijden, verlotingen, weddenschappen of andere dergelijke evenementen?
Ja.
Wat vindt u ervan dat een pony als prijs in een loterij is aangeboden?
Een belangrijk uitgangspunt rond de gezondheids- en welzijnsregelgeving voor dieren is de intrinsieke waarde van het dier. Het dier is dus «meer» dan een ding. Dat is de reden dat er nogal wat met dieren niet mag wat met «dingen» wel mag. Daarom is het dus ook verboden om dieren als prijs uit te loven en dat onderschrijf ik.
Is het bekend of politie of controleurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) aanwezig waren op de Denekamper paarden- en ponymarkt? Zo ja, waarom hebben zij hier de wet niet gehandhaafd? Zo nee, waarom was er geen toezicht bij een evenement met levende dieren?
De NVWA was niet aanwezig op de Denekamper paarden- en ponymarkt. De NVWA voert haar toezicht risicogebaseerd uit en is niet op alle evenementen met levende dieren aanwezig. Toezicht op evenementen vindt met name naar aanleiding van meldingen plaats.
Wat vindt u ervan dat de voorzitter van de paardenmarkt zegt «absoluut niet» te hebben geweten dat het verloten van een pony wettelijk verboden is? Vindt u dat het bestuur van dierenmarkten in het algemeen op de hoogte moet zijn van de Wet dieren? Zo nee, waarom niet?
De organisatoren van een evenement met dieren dienen op de hoogte te zijn van de regels rond de gezondheid en welzijn van die dieren. Dat geldt dus ook voor het verbod om dieren als prijs uit te loven naar aanleiding van een evenement.
Hoeveel paarden- en ponymarkten worden er jaarlijks in Nederland gehouden?
Hier zijn geen recente cijfers over beschikbaar. Volgens de zienswijze «Paardenmarkten in Nederland» van de Raad voor Dierenaangelegenheden uit 2017 zijn er jaarlijks in Nederland ongeveer 100 paardenmarkten. De Dierenbescherming houdt op haar website hetzelfde aantal aan.
Kunt u bevestigen dat de NVWA zelf benoemt dat de grootste ontoereikende toezichtcapaciteit zich onder andere voordoet bij het toezicht op paarden- en ponymarkten? Zo ja, vindt u het verantwoord om dergelijke markten te laten bestaan, zolang dierenwelzijn niet gegarandeerd kan worden? Kunt u een toelichting bij uw antwoord geven?2
Tijdens paardenmarkten ligt de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de aldaar aanwezige dieren bij de houder. De organisatie is verplicht dierenartsen in te huren die de aanwezige dieren beoordelen.
De NVWA gaf in haar jaarplan 2022 aan dat de grootste ontoereikende toezichtcapaciteit (risico 2 en 3) zich onder meer voordoet bij toezicht op markten met diverse diersoorten waaronder ook paarden. Toezicht door de NVWA vindt op markten overwegend plaats naar aanleiding van meldingen. Daarnaast zet de NVWA zich met het ontwikkelen en toepassen van andere toezichtinstrumenten, zoals communicatie en voorlichting, in voor het verhogen van naleving van regelgeving.
Hoe vaak worden deze paarden- en ponymarkten door de NVWA en/of de politie gecontroleerd?
In 2022 was de NVWA aanwezig op de paardenmarkten van Elst en Bemmel. Ook zullen nog andere paardenmarkten in het najaar van 2022 door de NVWA gecontroleerd worden. De NVWA houdt toezicht kort voor en vanaf het moment dat de markt officieel geopend is.
Hoeveel overtredingen van dierenwelzijn zijn er de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst per jaar, op paarden- en ponymarkten geconstateerd? Tot welke boetes of maatregelen heeft dit geleid?
In 2017 is er één overtreding geconstateerd die ter plekke is hersteld nadat de verantwoordelijke door de dienstdoende inspecteur was aangesproken. In de periode van 2018 tot en met 2020 zijn er geen overtredingen van de wetgeving op dierenwelzijn geconstateerd. In 2021 is er één overtreding vastgesteld die net als in 2017 ter plekke is hersteld na het geven van een mondelinge waarschuwing door de inspecteur. In 2022 zijn tot op heden geen dierenwelzijnsovertredingen vastgesteld.
Het bericht 'De meest gehate sites ter wereld, in de lucht via Flevoland' |
|
Anne Kuik (CDA), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De meest gehate sites ter wereld, in de lucht via Flevoland»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Wat vindt u van de conclusie van het artikel dat websites zoals 8kun en Daily Stormer, die bron zijn van haatzaaiende teksten, racisme, rechts-extremistisch gedachtengoed en kinderporno, en bijna overal in de wereld geweerd worden, nog steeds gehost en gefaciliteerd worden via Nederland?
In Nederland zijn het aanzetten tot haat en geweld en het vervaardigen en verspreiden van kinderporno strafbaar. Dat geldt ook op het internet. Internet-tussenpersonen zijn gehouden op te treden indien zij weten dat er illegaal materiaal op hun servers of platformen staat. Daar spreek ik hen ook op aan. Gelukkig werkt het grootste gedeelte van de internetbedrijven goed mee om illegale content snel te verwijderen. Desondanks kan nooit helemaal worden voorkomen dat hun klanten illegaal materiaal opslaan of online zetten. Voor de aanpak van illegale online content is samenwerking met de internetsector cruciaal.
Het is niet eenvoudig om het opslaan of online plaatsen van illegale content aan te pakken. Het is bij wet verboden om aan internettussenpersonen een algehele monitoringsverplichting op te leggen. Veel Nederlandse datacentra verhuren opslagruimte en verzorgen de aansluiting daarvan op het internet. Hun klanten plaatsen daar hun netwerkapparatuur, servers en opslagruimte voor webhosting. Deze hostingdiensten worden vaak doorverhuurd aan tussenpersonen in andere landen (die de webhosting daar veelal onder een eigen merk leveren), die vervolgens weer webruimte verhuren aan privépersonen of organisaties. Zij kunnen de ruimte bijvoorbeeld gebruiken om hun eigen website in te richten. Datacentra hebben daarom niet altijd zicht op wie aan het eind van de keten precies gebruik maken van hun diensten en welke content er wordt gehost. Wel zijn zij gehouden te acteren indien ze er weet van krijgen dat de content die ze hosten illegaal is. In dit specifieke geval is dat ook gebeurd en is de content niet meer bereikbaar via een Nederlandse server.
De inzet op het bestrijden van illegale content is er in eerste instantie op gericht om deze content zo snel mogelijk te verwijderen danwel ontoegankelijk te maken. Illegaal online materiaal kan worden gemeld en verwijderd via de afspraken in het kader van de zelfregulering van de internetsector (Notice and Take Down). Is er sprake van kinderpornografisch materiaal, dan is er binnenkort ook de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), die een bestuursrechtelijk verwijderbevel kan uitvaardigen en een last onder dwangsom of bestuurlijke boete kan opleggen indien de content niet wordt verwijderd.
Deelt u de mening dat Nederland als gewilde plek voor hosting- en datacentrumdiensten ook koploper moet zijn in het weren van ongewenste en strafbare online content?
Ja die mening deel ik. Nederland is al koploper in de aanpak van online seksueel kindermisbruik en zet zich in voor een Europese aanpak daarvan. Ook met betrekking tot de oprichting van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) loopt Nederland voorop in het bestrijden van strafbare online content. In Nederland wordt al een aantal jaren succesvol samengewerkt tussen de internetsector en overheid op het gebied van illegale content. Overheid en internetsector richten zich daarbij op het zo snel mogelijk offline halen van de aangetroffen illegale content. Een hostingprovider moet acteren als hij er weet van krijgt dat de online content die hij host een illegaal karakter heeft. Het beleid richt zich daarom op het notificeren en doen verwijderen van illegale (dat wil zeggen strafbare of anderszins onrechtmatige) content. Bij het tegengaan van strafbare content (terroristisch of kinderpornografisch materiaal en hate speech) heeft de overheid een actieve rol in de opsporing en vervolging. Bij onrechtmatige (maar niet strafbare) content – content die schade toebrengt aan individuen, zoals privacy-schendingen – is die rol vooral faciliterend, bijvoorbeeld door het subsidiëren van een meldpunt. Via zo’n meldpunt wordt strafbare en onrechtmatige content onder de aandacht gebracht van een internettussenpersoon, die op grond van bestaande wet- en regelgeving gehouden is daarop te acteren. Ongewenste (maar niet onrechtmatige) content (zoals de meeste vormen van desinformatie) wordt niet verwijderd. Wel zijn er andere instrumenten om hierop te reageren (o.a. fact checking, counterspeech, verwijzen naar officiële websites, aanpassen (zoek)algoritmes, etc.).
Zijn er naast de in het artikel genoemde websites nog andere soortgelijke rioolwebsites die via Nederland gehost of gefaciliteerd worden? Heeft u hier voldoende zicht op?
Datacentra hebben niet altijd zicht op wie aan het eind van de keten precies gebruik maken van hun diensten en welke content er wordt gehost. Wel zijn zij gehouden te acteren indien ze er weet van krijgen dat de content die ze hosten illegaal is. Er bestaat geen wettelijk kader voor toezicht op de content die in Nederland wordt gehost.
In hoeverre is er sprake van strafbare feiten als Nederlandse bedrijven websites hosten en faciliteren die haatzaaiende teksten, racisme, rechts-extremistisch gedachtengoed en kinderporno verspreiden?
Criminelen misbruiken diensten van hostingproviders voor illegale activiteiten. Veel hostingproviders treden hier adequaat tegen op. Voor hostingproviders die willens en wetens criminaliteit faciliteren kan een strafrechtelijke aanpak passend zijn. Om de schaalvoordelen van hostingdiensten, dat wil zeggen de grootte van de datacapaciteit die geleverd kan worden, minder toegankelijk te maken voor criminelen, is het van belang dat alle hostingproviders hier maatregelen tegen nemen. Daarnaast heeft de politie onlangs diverse hostingproviders op de hoogte gesteld van criminele dienstverleners die mogelijk misbruik maken van hun systemen. Daarbij is verzocht, indien deze partijen bij deze hostingproviders bekend zijn, deze niet meer als klant te accepteren. Onlangs heeft het Gerechtshof in Den Haag bepaald dat dergelijke dienstverleners onder omstandigheden niet zijn uitgesloten van strafrechtelijke aansprakelijkheid, ook niet als zij geen bevel tot ontoegankelijk maken van gegevens hebben ontvangen. Deze uitspraak biedt mogelijkheden voor vervolging van hostingproviders die criminelen actief helpen.
Welke mogelijkheden heeft u om strafrechtelijk of bestuursrechtelijk op te treden tegen het hosten of faciliteren van dergelijke websites via Nederland?
In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv kan de officier van justitie met een machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken als dit noodzakelijk is ter beëindiging van een strafbaar feit. Dit is geregeld in artikel 125p Sv. Onrechtmatige content kan ontoegankelijk worden gemaakt na een bevel daartoe van de civiele rechter.
Zoals reeds bekend bij uw Kamer, heeft het kabinet de oprichting van een Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) aangekondigd. De Raad van State heeft op 4 mei jl. geadviseerd over het wetsvoorstel bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal. Dit advies wordt nu verwerkt, zodat het wetsvoorstel daarna op korte termijn aan de Kamer kan worden aangeboden. Deze Autoriteit krijgt de wettelijke bevoegdheid aanbieders van hostingdiensten op bestuursrechtelijke basis te verplichten online kinderpornografisch en/of terroristisch materiaal op hun server ontoegankelijk te maken of te verwijderen danwel deze partijen op te dragen passende en evenredige maatregelen te treffen om de opslag en doorgifte van online kinderpornografisch en/of terroristisch materiaal via hun diensten te beperken. Hiermee krijgt de Autoriteit middelen om in te grijpen indien de zelfregulering hapert, bijvoorbeeld wanneer een hoster weigert gehoor te geven aan een verwijderverzoek van illegale content in het zelfreguleringskader. Zoals de naam al zegt, zal de ATKM zich alleen richten op terroristisch en kinderpornografisch materiaal, en blijft online hate speech zoals verspreid via Daily Stormer en 8kun buiten de reikwijdte van deze Autoriteit. Online hate speech kan worden gemeld bij het Meldpunt Internet Discriminatie (MiND). Dit meldpunt wordt door de sector beschouwd als een trusted flagger, waardoor meldingen vanuit dit meldpunt richting de sector in vrijwel alle gevallen leiden tot het verwijderen of ontoegankelijk maken van de gewraakte content.
De inzet bij de bestrijding van illegale content gaat voor een belangrijk deel uit van zelfregulering door de internetsector. De Nederlandse overheid werkt reeds jaren samen met de internetsector aan de bestrijding van illegale content online. Zo is er al in 2008 een Notice-and-Takedown (NTD) gedragscode overeengekomen tussen overheden, internetaanbieders, hostingbedrijven, en andere tussenpersonen.2 Daar is in 2018 een addendum op gekomen voor het verbeteren van de bestrijding van materiaal van online kindermisbruik. Aanvullend bevat de in 2021 geactualiseerde Gedragscode Abusebestrijding maatregelen die hostingproviders kunnen nemen tegen misbruik van hun diensten voor meerdere vormen van illegale activiteiten. Tenslotte zijn ook in EU-verband afspraken gemaakt, zoals de Code of conduct on countering illegal hate speech uit 2016.
De Digital Services Act (DSA) biedt in vergelijking met de Richtlijn Elektronische Handel een meer gepreciseerd kader waarbinnen hostingbedrijven een beroep kunnen doen op uitsluiting van aansprakelijkheid met betrekking tot de informatie die zij hosten. Ook bevat de DSA onderdelen die de bestrijding van illegale content in de toekomst verder kunnen verbeteren. Om hier optimaal uitvoering aan te geven en gebruik van te maken zal de huidige NTD gedragscode de komende tijd vanuit een publiek-private samenwerking nog eens tegen het licht worden gehouden. Bij de onderhandelingen over de DSA heeft Nederland er overigens voor gepleit om aanvullend op dit alles een zorgplicht voor hostingbedrijven op te nemen. Dit voorstel kreeg helaas onvoldoende steun bij andere Lidstaten.3
Aanvullend subsidieert de overheid een aantal meldpunten om illegale content onder de aandacht te brengen van platformen, providers en hosters. Deze meldpunten hebben veelal de status van trusted flagger, en hebben daarmee ook het vertrouwen van de sector. Content die zij als «illegaal» betitelen wordt in dat kader in de meeste gevallen ook daadwerkelijk ontoegankelijk gemaakt. Het kabinet zet de komende jaren in op het verder optimaliseren van opvolging van meldingen van deze meldpunten en zal daarbij ook bezien voor welke andere vormen van illegale content een meldvoorziening dient te worden ingericht.
Bent u bereid om naar aanleiding van dit artikel stappen te ondernemen tegen het hosten of faciliteren van dergelijke websites?
Het huidig wettelijk kader om stappen te ondernemen tegen het hosten of faciliteren van websites die illegale content bevatten, biedt geen ruimte om additionele verplichtingen op te leggen. De systematiek waarbij melding gemaakt kan worden bij het Meldpunt Internet Discriminatie (MiND) werkt goed. In vrijwel alle gevallen leidt een verwijderverzoek van MiND daadwerkelijk tot het verwijderen of ontoegankelijk maken van de content.
Dat betekent niet dat er niet wordt gekeken wat er nog meer kan worden gedaan om deze illegale content aan te pakken. Specifiek ten aanzien van de aanpak van online hate speech voert mijn ministerie momenteel in samenwerking met de Ministeries van BZK, OCW en SZW een inventarisatie uit naar hoe de aanpak van online hate speech vormgegeven en geïntensiveerd kan worden. Hiermee wordt een eerste aanzet gedaan voor een interdepartementale aanpak tegen online hate speech. Uw Kamer wordt voor het einde van het jaar over deze aanpak geïnformeerd.
Wat is de status van het conceptwetsvoorstel Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal? Heeft u zicht op wanneer het wetsvoorstel bij de Kamer kan worden ingediend?
Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt momenteel verwerkt. Het wetsvoorstel zal naar verwachting op korte termijn aan de Kamer worden aangeboden.
Biedt het conceptwetsvoorstel Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal mogelijkheden om dergelijke websites aan te pakken?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de laatste paragraaf van het antwoord op vraag 6.
Zou het geven van een bindende aanwijzing aan aanbieders die betrokken zijn bij de opslag of doorgifte van kinderporno uitgebreid kunnen worden naar aanbieders die betrokken zijn bij opslag of doorgifte van evident racistische of haatzaaiende teksten en complottheorieën? Wat zijn hiervan voor- en nadelen?
Internettussenpersonen die ervan op de hoogte worden gebracht dat de content die zij hosten illegaal is, dienen op grond daarvan te acteren om niet aansprakelijkheid gesteld te kunnen worden. Dat geldt niet alleen voor kinderporno, maar ook voor andere illegale content zoals evident racistische of haatzaaiende teksten.
Het verspreiden van complottheorieën kan gepaard gaan met strafbare feiten, zoals bedreiging, smaad of laster of met onrechtmatige gedragingen. Zo laat het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) van 7 november jl. zien dat geloof in complottheorieën kan leiden tot anti-overheidsextremisme. In die gevallen zijn internet service providers (ISPs) en hosting service providers (HSPs) wel gehouden om te acteren, maar dan op basis van de strafbare of onrechtmatige gedraging en niet omdat het complottheorieën betreft. Daar waar complottheorieën aanzetten tot terrorisme kan de eerdergenoemde Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) straks ingrijpen door het uitvaardigen van een verwijderbevel.
De negatieve gevolgen van langer wachten met de start van een TBS-behandeling. |
|
Joost Sneller (D66) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tbs-experts slaan alarm: «Lange celstraf met tbs is ronduit onverstandig»» van NPO Radio 1/WNL-podcast «Het onderzoeksbureau» over combinatievonnissen waarbij tbs en een gevangenisstraf wordt opgelegd?1, 2
Ja, ik heb hiervan kennis genomen.
Kunt u inzicht verschaffen in het aantal gecombineerde vonnissen waarbij tbs en een gevangenisstraf is opgelegd en wat de duur is van gevangenisstraffen in dergelijke gevallen voordat wordt gestart met de tbs-behandeling?
In de tabel hieronder staat het aantal onherroepelijke strafzaken waarin een vrijheidsstraf in combinatie met tbs met dwangverpleging is opgelegd in de afgelopen 5 jaar. Daarnaast geeft de tabel de duur van de opgelegde gevangenisstraf weer.3
Tbs i.c.m. ontslag van rechtsvervolging1
29
33
39
33
38
Tbs i.c.m. gev.straf < 6 maanden
18
18
15
19
29
Tbs i.c.m. gev.straf 6 maanden t/m 1jr.
26
38
30
39
41
Tbs i.c.m. gev.straf > 1jr. t/m 2jr.
15
21
16
12
17
Tbs i.c.m. gev.straf > 2jr. t/m 3jr.
8
15
17
7
17
Tbs i.c.m. gev. straf > 3 jr. t/m 6 jr.
22
15
21
19
24
Tbs i.c.m. gev. straf > 6 jr. t/m 12 jr.
11
8
14
13
19
Tbs i.c.m. gev.straf > 12 jr. t/m 18jr.
1
1
0
0
8
Tbs i.c.m. gev.straf > 18jr.
1
0
1
3
1
Dat wil zeggen dat er naast de tbs-maatregel geen gevangenisstraf is opgelegd.
In welke mate is volgens u in deze cijfers een trend waar te nemen waarin, onder andere vanwege de afschaffing van de Fokkens-regeling en de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen, steeds later met de tbs-behandeling van start wordt gegaan omdat voorafgaand een vrijheidsstraf ten uitvoer wordt gelegd?
Uit de cijfers bij vraag 2 blijkt enerzijds dat er een toename zichtbaar is van het totale aantal opleggingen per jaar met daarin een toename van het aantal lange straffen (langer dan 6 jaar) in 2021. Tegelijkertijd kan op basis van deze cijfers van de afgelopen vijf jaar niet gesproken worden van een trend.
Onderschrijft u de conclusie van de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) dat personen die tbs opgelegd krijgen psychiatrische patiënten zijn, die voor een geslaagde vermindering van het delictrisico vooral baat hebben bij een hoog niveau van zorg, en dat zij in zowel reguliere detentie als in de Penitentiair Psychiatrische Centra (PPC’s) geen toegang hebben tot de noodzakelijke zorg?3 Zo nee, waarom niet?
Ik ben het eens met de conclusie van de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming dat personen die een tbs-maatregel opgelegd krijgen gebaat zijn bij een hoog niveau van zorg. Ik ben het niet eens met de conclusie dat deze personen tijdens de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voorafgaande aan de tbs-maatregel geen toegang hebben tot de noodzakelijke zorg. Daarbij wil ik er op wijzen dat dit rapport van de RSJ dateert uit 2010 en dat sindsdien onder andere binnen de PPC’s de nodige ontwikkelingen hebben plaatsgevonden met betrekking tot het zorgaanbod.
Bij binnenkomst in de penitentiaire inrichting (PI) wordt bij iedere gedetineerde een medische intake gedaan en de zorgbehoefte in beeld gebracht. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan een gedetineerde ambulante specialistische zorg op een reguliere afdeling binnen de PI ontvangen of kan de gedetineerde worden geplaatst in een Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC). In een PPC krijgen gedetineerden met ernstige psychische problemen en psychiatrische stoornissen begeleiding en behandeling, mede om daarmee het risico op delict gedrag te verminderen. De PPC’s verlenen zorg die kwalitatief gelijkwaardig is aan de GGZ-zorg in de vrije samenleving, rekening houdend met de beperkingen van de penitentiaire setting. Net als bij de forensisch psychiatrische centra, is er bij de PPC’s sprake van druk op de capaciteit. Het is van belang dat de capaciteit in de PPC’s efficiënt benut wordt, dat de juiste patiënt op de juiste plek zit en er voldoende plekken beschikbaar zijn voor gedetineerden met ernstige psychische problematiek.
Hoe beoordeelt u thans de conclusie van de «taskforce behandelduur tbs» (hierna: de taskforce) en de gedragsdeskundigen die zij heeft geconsulteerd om tot hun aanbevelingen te komen, dat uitstel van de behandeling door ten uitvoerlegging van een vrijheidsstraf een negatief effect heeft op het psychiatrisch ziektebeeld van de gedetineerde patiënt, onder meer omdat voor deze groep een verhoogde kans op detentieschade bestaat en omdat onbehandeld laten van de psychiatrische aandoening deze kan verergeren? (Kamerstuk 29 452, nr. 187)
Het is aan de onafhankelijke rechter om te beoordelen welke sanctie passend is. Personen die een combinatievonnis opgelegd krijgen, hebben een ernstig strafbaar feit gepleegd en zijn gedeeltelijk toerekeningsvatbaar. Dat betekent dat zij gedeeltelijk verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor hun daden en daarvoor gestraft moeten worden. Daar hoort het uitzitten van een gevangenisstraf bij. Het gaat hier om ernstige misdrijven, waarbij het strafdoel vergelding en het recht doen aan slachtoffers ook een rol speelt.
Dat neemt niet weg dat ik de conclusie onderschrijf dat schade door het onbehandeld laten van psychiatrische aandoeningen in detentie zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Zoals ik bij vraag 4 heb aangegeven, is het mogelijk om een gedetineerde tijdens de ten uitvoerlegging van een gevangenisstraf in een PPC te plaatsen waar hij de gedurende de detentiefase noodzakelijke psychische of psychiatrische zorg ontvangt. Daarnaast is er binnen het gevangeniswezen ook een pre-passantenafdeling. Op deze afdeling worden gedetineerden met een combinatievonnis tijdens de laatste zes tot twaalf maanden van de detentieperiode voorbereid en gemotiveerd voor de behandeling in een FPC, om daarmee de overgang naar de tbs-kliniek en de start van de tbs-behandeling zo goed mogelijk te laten verlopen. Dit sluit aan bij de aanbeveling die destijds door de «taskforce behandelduur tbs» is gedaan.
Onderschrijft u de conclusie van de RSJ dat uitstel van de behandeling door ten uitvoerlegging van een vrijheidsstraf kan leiden tot een langere behandelduur en tot een verminderde kans op een succesvolle behandeling met resocialisatie als resultaat? Zo ja, hoe beoordeelt u dit mede in het licht van de hoge kosten die de maatschappij betaalt voor een tbs-behandeling? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe reflecteert u op de conclusies van de RSJ en de taskforce in het licht van de strafdoelen resocialisatie, recidivevermindering en beveiliging van de maatschappij? Acht u de tenuitvoerlegging van lange gevangenisstraffen voor aanvang van de tbs-behandeling in het licht daarvan wenselijk?
Vergelding is een belangrijk strafdoel waarmee recht wordt gedaan aan de ernst van het strafbare feit en de belangen van de samenleving, het slachtoffer en de nabestaanden. De kern van elke gevangenisstraf is dat de vrijheid van de veroordeelde wordt ontnomen, waardoor hij gedurende een bepaalde termijn uit de samenleving wordt verwijderd. Aan dit vergeldende kenmerk van de gevangenisstraf moet recht worden gedaan bij de uitvoering van de straf.5 Resocialisatie, recidivevermindering en de beveiliging van de maatschappij zijn ook belangrijke strafdoelen. Om de samenleving te beschermen moet zo veel mogelijk worden voorkomen dat een persoon na zijn straf weer een strafbaar feit pleegt. De straf moet zich daarom ook richten op een veilige terugkeer in de maatschappij.
Het opleggen van een combinatievonnis is een weloverwogen beslissing van de rechter, waarbij de rechter een zorgvuldige afweging heeft gemaakt tussen de verschillende strafdoelen die ons strafrecht kent. De rechter bepaalt aan de hand van de omstandigheden van het geval wat de meest passende sanctie is. De mogelijkheid dat detentieschade kan optreden is één van de omstandigheden die de rechter meeneemt in zijn overwegingen. Dit vraagt om maatwerk. Het is aan de rechter om te beoordelen in welke mate er vergelding moet plaatsvinden.
Welke mogelijkheden heeft de rechterlijke macht, al dan niet in samenspraak met u, op dit moment om in geval van een combinatievonnis een eerdere start van de tbs-behandeling op te leggen? Kunt u specifiek toelichten in hoeveel uitspraken/vonnissen (per jaar) de afgelopen 12 jaar gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 37b, lid 2 wetboek van strafrecht daartoe biedt?
Artikel 37b lid 2 Wetboek van Strafrecht (Sr) biedt de mogelijkheid voor een rechter om, in het geval van een combinatievonnis, in zijn uitspraak een advies op te nemen omtrent het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen. De rechter kan bijvoorbeeld bij een combinatievonnis in het vonnis opnemen dat hij een gevangenisstraf van vijf jaar oplegt en daarbij adviseert, gelet op de noodzaak van behandeling, de tbs-maatregel met dwangverpleging aan te laten vangen na het uitzitten van twee jaar van de opgelegde gevangenisstraf. De uiteindelijke beslissing over de aanvang van de tbs-behandeling zal door mij worden genomen.6 Ik zal daarbij in ieder individueel geval zorgvuldig beoordelen of hiertoe aanleiding is. De veroordeelde kan beroep instellen bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming tegen mijn beslissing tot niet plaatsing in afwijking van het advies van de rechter.7
Ook als de rechter geen advies heeft gegeven als bedoeld in artikel 37b lid 2 Sr, kan ik beslissen een tbs-behandeling op een eerder tijdstip aan te laten vangen indien dringende medische redenen daartoe noodzaken of als de veroordeelde jonger is dan 23 jaar en plaatsing op een eerder tijdstip met het oog op zijn ontwikkeling noodzakelijk is.8 Deze wettelijke mogelijkheden bieden de rechter en mij de gelegenheid om maatwerk te bieden en rekening te houden met de omstandigheden van het geval.
Op de vraag in hoeveel uitspraken de afgelopen 12 jaar gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 37b lid 2 Sr biedt, kan ik geen volledig antwoord geven. Deze gegevens worden niet door de Rechtspraak geregistreerd. Navraag bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) levert op dat tussen 2018 en 2022 acht keer een zaak aan de orde is geweest waarin de rechter een advies heeft gegeven om eerder te starten met een tbs-behandeling.9 Door de Adviescommissie Geestelijk Gestoorde Gedetineerden (AGGG) wordt mede aan de hand van het criterium dringende medische redenen die eerdere plaatsing noodzakelijk maken, getoetst of het advies van de rechter aanleiding geeft tot vervroegde plaatsing in een tbs-kliniek. Hierbij wordt gekeken naar het huidige toestandsbeeld en de zorginhoudelijke behandelbehoefte, mede in vergelijking met het toestandsbeeld tijdens de uitspraak van de rechter. Ook wordt beoordeeld of zich contra-indicaties voordoen. De AGGG adviseert mij vervolgens over de beslissing tot vervroegde plaatsing in een tbs-kliniek. In de meeste gevallen wordt het advies van de rechter gevolgd. In één zaak is in de afgelopen vier jaar het advies niet gevolgd, omdat er een goed behandeltraject was gedurende de detentiefase en er dus geen medische noodzaak was om eerder te starten met een tbs-behandeling.
Ik heb navraag gedaan bij de rechterlijke macht omtrent het ervaren van eventuele obstakels om vaker gebruik te maken van de mogelijk uit artikel 37b lid 2 Sr. In reactie hierop heeft de rechterlijke macht aangegeven geen gegevens te hebben over eventuele obstakels.
Kunt u inzichtelijk maken in hoeverre de rechterlijke macht, al dan niet in samenspraak met u, van die mogelijkheid gebruik maakt en welke (juridische of andere) obstakels de rechterlijke macht eventueel ervaart om vaker gebruik te maken van deze mogelijkheid?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe beoordeelt u zelf de conclusie van advocaat Job Knoester dat van de juridische mogelijkheden terughoudend gebruik wordt gemaakt, mogelijk vanwege een maatschappelijke roep om vergelding?4
Zoals ik bij vraag 9 heb aangegeven heeft de rechterlijke macht laten weten geen gegevens te hebben over eventuele obstakels die rechters ervaren bij het (vaker) toepassen van artikel 37b lid 2 Sr. Daarnaast wil ik benadrukken dat vergelding één van de strafdoelen van ons strafrecht is. Het is aan de rechter om dit strafdoel af te wegen tegen de andere strafdoelen van ons strafrecht en om te bepalen of hij gebruik wil maken van de mogelijkheid uit artikel 37b lid 2 Sr.
Welke risico’s identificeert u voor de veiligheid van het personeel en medegedetineerden bij de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf bij een persoon die tevens tbs opgelegd heeft gekregen?5
Binnen de DJI is constant oog voor de veiligheid van het personeel en de gedetineerden. Per gedetineerde wordt voortdurend bezien welke zorg- en beveiligingsnoodzaak aan de orde is en zo nodig wordt een gedetineerde (ook bij wie een tbs-maatregel is opgelegd) overgeplaatst naar een andere afdeling binnen het gevangeniswezen, zoals een Extra Zorg Voorziening-afdeling (EZV) of een PPC. Binnen het gevangeniswezen werkt op alle reguliere en specialistische afdelingen voldoende opgeleid personeel, dat is getraind en toegerust ten behoeve van de specifieke doelgroep en de taken op de betreffende afdeling. Hiermee worden de risico’s op onveilige situaties zoveel mogelijk beperkt.
Het KiM rapport ‘De zakelijke reiziger centraal’ |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het rapport van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) «De zakelijke reiziger centraal», waarin wordt geconcludeerd dat door zakelijke luchtvaartreizigers loyaliteitspunten vaak ingezet worden voor niet-zakelijke vluchten en dat zij bovendien moeten blijven vliegen om hun status binnen een loyaliteitsprogramma te behouden?1
Ja.
Kent u het rapport van de Britse Commitee on Climate Change waaruit blijkt dat «frequent flyer»-programma’s (fpp’s) een prikkel zijn om veelvliegers nog meer te laten vliegen dan ze al doen?2
Ja.
Kunt u uitzoeken hoeveel extra vluchten van en naar Nederland en hoeveel uitstoot wordt veroorzaakt door de werking van ffp's?
Hoeveel extra vluchten van en naar Nederland en hoeveel uitstoot wordt veroorzaakt door frequent flyer programma’s is onbekend. Het is ook ingewikkeld om hier een inschatting, dan wel berekening, van te maken. Luchtvaartmaatschappijen zouden dan mogelijk privacygevoelige informatie vrij moeten geven over welke tickets geboekt zijn met punten van een loyaliteitsprogramma.
Bent u ervan op de hoogte dat Duitsland expliciet in de wet heeft verankerd dat ffp-punten als inkomen worden belast (§ 37a of the German Income Tax Act (Einkommensteuergesetz – EStG)?
Ja.
Onderkent u dat door deze loyaliteitsprogramm's belastbaar inkomen wordt gegenereerd, dat nu niet belast wordt?
Een loyaliteitsprogramma aangeboden door een luchtvaartmaatschappij stelt klanten in staat punten te verzamelen die vervolgens kunnen worden ingewisseld voor vliegreizen, maar ook andere producten, diensten en kortingen, zoals boodschappen. De punten verzameld door loyaliteitsprogramma’s zijn voor de inkomstenbelasting geen belastbaar inkomen. Een vliegticket wordt wel belast door middel van de vliegbelasting. De vliegbelasting is van toepassing op alle vertrekkende passagiers vanuit Nederland.
Wat zou het effect zijn voor Nederland als hier een vergelijkbaar systeem wordt ingevoerd, in bespaarde vluchten en in belastingopbrengsten?
De effecten van een eventuele belastingheffing op frequent flyer programma’s op het aantal bespaarde vluchten zijn onbekend. De Minister van Financiën is in de eerste plaats verantwoordelijk voor de belastingopbrengsten en welke bronnen als inkomen worden gezien.
Onderschrijft u dat zakelijke veelvliegers hun reizen niet zelf betalen, maar wel cadeaupunten of miles ontvangen die zij kunnen inzetten voor gratis prive-vliegen?
In antwoord op vraag 7 en 8 het volgende. Bij zakelijke reizen kan het zijn dat degene die de kosten voor de reis draagt niet degene is die de punten benut. De punten kunnen soms worden ingezet voor privédoeleinden. Het staat organisaties vrij om hier eigen beleid op te voeren, daar heeft de overheid geen zeggenschap over. Bij de rijksoverheid is het niet toegestaan om punten uit loyaliteitsprogramma’s verkregen uit dienstreizen te gebruiken voor privédoeleinden.
Onderschrijft u dat een heel kleine groep van (zakelijke) veelvliegers onbelast verdient aan vluchten die zij niet betalen en dat dergelijke loyaliteitsprogramma's aanzetten tot nog meer vliegen?
Zie antwoord vraag 7.
Onderschrijft u dat deze programma’s de ambitie van het kabinet in de weg zitten om klimaatschade van vliegen te verminderen?
In de Luchtvaartnota zijn doelen voor verduurzaming van de luchtvaart afgesproken. Om de benodigde CO2-reductie te realiseren zet IenW in op maatregelen die het meest directe klimaateffect behalen. Het gaat dan om het gebruik van duurzame luchtvaartbrandstoffen door middel van een bijmengverplichting van biokerosine en/of synthetische kerosine, het creëren van technologische innovaties en wordt een CO2-plafond per luchthaven onderzocht om zo de CO2-doelen te borgen. Niet alleen nationaal, maar ook juist mondiaal werkt IenW aan de totstandkoming van een ambitieus langetermijndoel voor CO2-reductie, bijvoorbeeld door ReFuelEU Aviation als onderdeel van het Fit-for-55-pakket. Afspraken op mondiaal niveau worden vertaald naar de Nederlandse situatie en waar nodig volgt aanscherping van de doelen in de Luchtvaartnota. Het minder aantrekkelijk maken van Nederlandse Frequent Flyer Programma’s zal niet noodzakelijkerwijs bijdragen aan het reduceren van de CO2-uitstoot van de luchtvaart en draagt ook niet bij aan de energietransitie van de sector.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het volgende commissiedebat Luchtvaart?
Ja.
Het bericht dat er een groot tekort aan officieren van justitie is |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er een groot tekort aan officieren van justitie is?1
Het Openbaar Ministerie heeft momenteel te maken met een hoge werkdruk en ondercapaciteit. Dit is al enige tijd onderwerp van gesprek tussen mij en het College van procureurs-generaal. De zorgen over overbelasting en ondercapaciteit hebben mijn nadrukkelijke aandacht en er zijn en worden maatregelen getroffen, zoals uit onderstaande antwoorden blijkt.
Wat zijn volgens u de gevolgen van deze tekorten op de reeds overbelaste officieren van justitie en hun ondersteunend personeel, de partners in de strafrechtketen en de slachtoffers van misdrijven?
Het werk van officieren van justitie wordt steeds complexer en vraagt om meer specialisatie en maatwerk. Ik erken dat dit op gespannen voet kan staan met de duurzame inzetbaarheid en vitaliteit van individuele medewerkers. Dit kan bijvoorbeeld gevolgen hebben voor het aantal zaken dat het OM in behandeling kan nemen en de doorlooptijd van zaken. Dit raakt dan ook de slachtoffers en de ketenorganisaties.
Erkent u dat dit het gevolg is van het beleid van de vorige kabinetten Rutte? Zo nee, waarom niet?
Naar de oorzaken van toegenomen druk op de capaciteit van de organisaties binnen de strafrechtketen is onderzoek gedaan. Mijn ambtsvoorganger heeft u met een brief van 26 juni 20202 over de uitkomst geïnformeerd. Geconstateerd werd dat verschillende maatschappelijke ontwikkelingen, waaronder digitalisering en internationalisering van criminaliteit en sterk toegenomen inzet voor ondermijnende criminaliteit, het werk complexer hebben gemaakt en hebben bijdragen aan een hogere werkdruk. Daarnaast heeft een veelheid aan wets-en beleidswijzigingen geresulteerd in een hogere werkdruk, vanwege de organisatorische implicaties ervan voor de betrokken organisaties. In de afgelopen jaren zijn daarnaast door de coronacrisis de voorraden gestegen, waardoor de druk extra is verhoogd.
Welke extra inspanningen gaat u samen met het Openbaar Ministerie (OM) leveren om dit op te lossen?
Het OM (en de rechtspraak) krijgt structureel extra budget om de organisatie toekomstbestendig te maken, onder meer in termen van capaciteit, wendbaarheid, kwaliteit van de informatievoorziening, digitalisering en innovatie voor verbetering van de ketensamenwerking. In totaal, inclusief onder meer extra middelen voor ondermijning, krijgt het OM in de periode van 2020 tot 2027 circa 100 miljoen aan extra middelen structureel (zie uiteenzetting vraag 5).
Het OM is bovenop de reguliere instroom van officieren van justitie reeds vorig jaar gestart met het in drie jaar laten instromen en opleiden van 250 officieren van justitie. Daarbij wordt gebruik gemaakt van nieuwe methoden, zoals het organiseren van meer contactmomenten met het OM (bijvoorbeeld via webinars) voor kandidaten en het voeren van langere wervingscampagnes, om ook in de huidige arbeidsmarkt kandidaten te werven en te selecteren. Verder is de wijze van opleiden gemoderniseerd en zijn de loopbaanpaden geconcretiseerd om het werken bij het OM aantrekkelijker te maken. Deze maatregelen zijn ingezet om het tekort aan personeel terug te dringen. Ook is er voor de zomer al extra geld naar de arrondissementsparketten gegaan om maatregelen te kunnen treffen ter verlichting van de werkdruk.
Verder blijkt uit recent tijdsbestedingsonderzoek van het OM dat officieren van justitie relatief veel tijd moeten besteden aan werkzaamheden die niet direct in verband staan met het behandelen van strafzaken, zoals o.a. beleidsoverleggen met ketenpartners. Om de werkdruk te verlichten heeft Het College de ambitie het volume van deze indirecte werktijd terug te dringen. Medewerkers met een ander type functie, zoals beleidsmedewerkers en interventiespecialisten, worden vaker voor dit type werk ingezet. Verder is afgesproken dat Officieren van Justitie die werken in management- en beleidsfuncties een vastgesteld aantal uren per maand op strafzaken worden ingezet.
Tot slot is haperende ICT een van de oorzaken van de hoge werkdruk bij het OM. Het OM heeft hiervoor een programma opgezet gestart om de continuïteit van de ICT te waarborgen en het aantal verstoringen is de laatste maanden afgenomen. Middels het verbeteren van de randvoorwaarden waaronder officieren hun werk moeten doen (zoals het verbeteren van de ICT) – moet het OM beter in staat zijn de werkdruk tegen te gaan.
Herinnert u zich de eerdere vragen over de werkdruk bij het OM?2 Welk deel van de middelen die het kabinet toevoegt aan de begroting van het OM komt ten goede aan de verlichting van de werkdruk en het terugdringen van het tekort aan personeel?
Zoals bij vraag 4 aangegeven, is het OM gestart met het in drie jaar laten instromen en opleiden van 250 officieren van justitie. Daarbij wordt gebruik gemaakt van nieuwe methoden om ook in de huidige arbeidsmarkt kandidaten te werven en te selecteren. Verder is de wijze van opleiden gemoderniseerd en zijn de loopbaanpaden geconcretiseerd om het werken bij het OM aantrekkelijker te maken. Deze maatregelen zijn ingezet om het tekort aan personeel terug te dringen.
Er worden op grond van het Coalitieakkoord middelen ter hoogte van in totaal € 200 mln. ingezet voor de «versterking justitiële keten», waaronder vooral rechtspraak en OM. Het gaat om een oplopende reeks van € 50 mln. in 2022 oplopend naar € 200 mln. vanaf 2025.
De onderstaande gelden voor het OM zijn voor een groot deel bedoeld om onder andere het werk eenvoudiger te maken (bijvoorbeeld informatievoorziening en digitaal betekenen) en de capaciteit te vergroten (bijvoorbeeld algemene- en specifieke versterking) in de periode van 2020–2027. De middelen voor het OM zijn als volgt verdeeld:
Informatievoorziening
35,0
algemene versterking
14,4
specifieke versterking (ZSM, milieu)
6,0
digitaal betekenen
6,0
gerechtskosten
6,0
huisvesting
3,0
diverse wet- en regelgeving (prokuratuur arrest, EOM)
4,6
Dit is exclusief de middelen (25 mln.) voor onder andere ondermijning die eerder aan het OM zijn toegekend.
Wanneer verwacht u dat de tekorten bij het OM zijn opgelost?
Het College neemt – binnen de bestaande mogelijkheden – de nodige beslissingen om tot een verantwoorde en gefaseerde uitbreiding van het aantal officieren te komen. En daarnaast de parketten de ruimte te geven om de werkdruk aan te pakken, of terug te dringen. Ondanks deze grote inspanningen op zowel korte als langere termijn, is sprake van een complex en weerbarstig probleem. Met het in drie jaar werven en opleiden van 250 officieren van justitie wordt aan het oplossen daarvan een substantiële bijdrage geleverd.
Het bericht dat TBS-patiënten die geriatrische zorg nodig hebben nu nergens terecht kunnen. |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht waarin een advocaat beschrijft hoe een cliënt van hem niet de juiste zorg krijgt, terwijl de rechtbank juist bij haar beslissing om de tbs van de cliënt te verlengen had overwogen dat door de tbs-kliniek gezocht zou worden naar een plek waar passende forensische en medisch geriatrische zorg geboden kon worden?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Kunt u uiteenzetten waar tbs-patiënten nu terechtkunnen als zij geriatrische zorg nodig hebben? Klopt het dat er geen speciale afdelingen dan wel instellingen zijn voor deze groep mensen?
Het klopt dat er nog geen speciale afdelingen of instellingen zijn waar tbs-gestelden geriatrische zorg geboden kan worden. Het uitgangspunt is dat tbs-gestelden de zorg ontvangen die zij nodig hebben. DJI en de Forensisch Psychiatrische Centra (hierna: FPC’s) geven waar nodig invulling aan geriatrische zorgvragen. Zo kan een tbs-gestelde onder verantwoordelijkheid van de FPC in een verpleeghuis worden geplaatst. Dat kan als dat geen risico’s voor de veiligheid van de samenleving oplevert. Als dat niet aan de orde is dan levert de FPC binnen de muren van de kliniek de benodigde medische zorg. Indien een specifieke zorgvraag niet in huis aanwezig is, kan de tbs-kliniek deze zorg inkopen bij andere partijen. De meerkosten worden vergoed door DJI.
Klopt het dat er eerder plannen waren om een forensische zorgafdeling op te zetten, waar ook geriatrische zorg geleverd kon worden? Zo ja, wat is er met deze plannen gebeurd?
Het afgelopen jaar zijn er verkennende gesprekken geweest tussen DJI en een FPC. Naar aanleiding van deze gesprekken inventariseert DJI momenteel de omvang van de zorgbehoefte en wat er nodig is om een dergelijke afdeling vorm te geven. Het is een complex vraagstuk omdat in een dergelijke afdeling specifieke kennis van de tbs-behandeling en van geriatrische zorg gecombineerd moeten worden. Daarnaast spelen de afwegingen of er binnen de tbs-gestelden een uniforme doelgroep is die groot genoeg is voor een speciale afdeling, of er zorgaanbieders zijn die dit kunnen vormgeven en hoe de financiering van deze zorg eruit zou zien. Ik zal u op de hoogte houden van de voortgang in de voortgangsbrief forensische zorg van juni 2023. DJI heeft voor de zekerheid de optie voor de realisatie van een dergelijke afdeling meegenomen in de aanbesteding voor het jaar 2024.
Bent u bereid om alsnog op zo kort mogelijke termijn te kijken naar de realisatie van een speciale afdeling, dan wel instelling, waar geriatrische zorg geleverd kan worden voor tbs-patiënten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het artikel 'Bonden dagen Helder voor rechter om uitblijven longcovidfonds zorg' |
|
Wieke Paulusma (D66), Mirjam Bikker (CU) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bonden dagen Helder voor rechter om uitblijven longcovidfonds zorg»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het artikel en het feit dat de bonden tot deze actie overgaan?
Het kabinet is zich bewust van de ingrijpende gevolgen die alle mensen met langdurige post-COVID klachten ondervinden. Ik vind het schrijnend om te horen dat zorgmedewerkers die zorg hebben verleend aan COVID-patiënten nu kampen met langdurige post-COVID klachten. Ik ben mij bewust van de urgentie van de financiële problemen van sommige zorgmedewerkers. Deze zijn in de persoonlijke gesprekken die ik met een aantal van hen had, expliciet onder mijn aandacht gebracht. Deze kwestie vergt echter zorgvuldigheid. Onder andere vanwege het gegeven dat medewerkers uit verschillende sectoren kampen met langdurige post-COVID klachten en hiervan ook gevolgen ondervinden voor hun inzetbaarheid op het werk.
Los van het feit dat de vraag of de overheid aansprakelijk is nog niet is beantwoord en een onverplichte financiële tegemoetkoming een zorgvuldige afweging vergt, staat het iedere burger vrij om naar de rechter te stappen indien hij van mening is dat de overheid niet adequaat reageert.
Bent u het ermee eens dat de financiële situatie en gezondheid van zorgmedewerkers die in de eerste golf Long-COVID opliepen vraagt om snel optreden van de regering? Op welke manier geeft u vorm aan deze urgentie?
In de Kamerbrief van 27 juni 20222 heb ik toegezegd, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, te verkennen hoe zorgmedewerkers die in de eerste golf voor COVID-patiënten hebben gezorgd, toen zelf COVID hebben gehad en nu door post-COVID langdurig ziek zijn en hierdoor niet meer of minder kunnen werken, extra ondersteund kunnen worden.
Vervolgens heeft de Kamer met brede steun uw motie3 aangenomen, waarin de regering wordt verzocht om zo spoedig mogelijk, maar ten minste binnen twee maanden met een brief te komen waarin staat op welke manier verder invulling zal worden gegeven aan de aanpak van de problemen van de eerste golf-groep.
Deze zomer heeft deze verkenning plaatsgevonden van wat voor zorgmedewerkers kan worden gedaan. Het kabinet heeft besloten het beoogde vervolg op de uitkomsten van de verkenning juridisch breder te laten wegen door de Afdeling Advisering van de Raad van State met een verzoek om voorlichting. De urgentie van het vraagstuk is in het verzoek om voorlichting aan de Raad van State benadrukt. Na ontvangst van de voorlichting beslist het kabinet over het vervolg op de verkenning en zal uw Kamer daarover zo spoedig mogelijk per brief informeren. Zoals toegelicht in mijn antwoord op vraag 2 ben ik mij bewust van de urgentie van dit vraagstuk, maar is een uiterst zorgvuldige afweging ook van groot belang.
Kunt u, daar u op 16 september 2022 een uitstelbrief heeft gestuurd naar aanleiding van de aangenomen motie Paulusma- Bikker, op een meer concrete wijze uitweiden waarom u de termijn niet heeft gehaald die in de motie wordt genoemd, aangezien in de motie de regering wordt verzocht om binnen twee maanden met een brief te komen waarin staat op welke manier verdere invulling zal worden gegeven aan de aanpak van de problemen van de «eerste golf»-groep?2, 3
De verkenning over hoe zorgmedewerkers met langdurige post-COVID klachten extra ondersteund kunnen worden heeft meer tijd gevergd. Dit komt mede door de complexiteit van het vraagstuk. Uit recent onderzoek blijkt dat één op de acht mensen die een COVID-infectie hebben doorgemaakt aangeven langdurig klachten te ervaren. Het verschilt van geval tot geval in hoeverre deze mensen daarvan ook gevolgen ondervinden voor hun werk. Het is echter wel duidelijk dat post-COVID zich breed in de samenleving voordoet, en niet alleen onder zorgpersoneel dat voor COVID-patiënten heeft gezorgd. Het vraagt daarom een zorgvuldige juridische weging om een besluit te kunnen nemen om alleen een specifieke groep zorgmedewerkers tegemoet te komen.
In de motie werd speciale aandacht gevraagd voor financiën, her- en bijscholing en mogelijke re-integratie, waarom heeft u ervoor gekozen om niet alvast een antwoord te geven op de hiervoor genoemde onderdelen, gegeven het feit dat vele patiënten al maanden in onwetendheid verkeren?
Ik heb ervoor gekozen om de Kamer op één moment een integrale reactie te geven op de motie, aangezien alle onderdelen betrekking hebben op de vraag hoe deze groep te ondersteunen.
Kunt u alsnog in een aparte brief alvast ingaan op onderwerpen waar de bredere juridische verkenning niet voor vereist is, zodat deze groep alvast enige zekerheid krijgt?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Waarom was de bredere juridische toets niet voorzien vóór de zomer en wanneer is het besluit genomen om deze bredere toets uit te laten voeren?
Deze zomer heb ik, samen met de Minister van SZW, Minister van OCW en de Minister voor PVO, verkend hoe zorgmedewerkers die in de eerste golf zorg hebben verleend aan COVID-patiënten, in die tijd COVID hebben gehad en door post-COVID klachten langdurig ziek zijn geworden waardoor zij niet meer of minder konden werken, extra ondersteund kunnen worden. Hierbij zijn ook de relevante juridische aspecten verkend. De uitkomsten van deze verkenning vragen vervolgens om een nadere juridische duiding (zie mijn antwoord op vraag 4). Het verzoek tot voorlichting aan de Afdeling Advisering van de Raad van State volgt uit de verkenning en kon daarom niet voor de zomer worden voorzien.
Waaruit bestaat deze bredere juridische toets?
De juridische toets heeft betrekking op de mogelijkheden om in financiële zin iets te doen voor een specifieke groep zorgmedewerkers met langdurige post-COVID klachten. De Raad van State is verzocht om voorlichting ten aanzien van de precedentwerking richting bijvoorbeeld andere sectoren, de juridische houdbaarheid van de afbakening en de hoogte van het bedrag. Na ontvangst van de voorlichting van de Raad van State beslist het kabinet over het vervolg op de verkenning en zal uw Kamer daarover zo spoedig mogelijk per brief worden geïnformeerd. Verzoeken om voorlichting aan de Raad van State worden openbaar gemaakt op rijksoverheid.nl.
Op welk termijn verwacht u dat er meer duidelijkheid komt inzake de bredere juridische afweging voor deze groep en de Kamer?
Ik heb in mijn verzoek om voorlichting aan de Raad van State de urgentie van het vraagstuk benadrukt en aangegeven te hopen de voorlichting met spoed te mogen ontvangen. Het streven is om uw Kamer nog dit najaar te informeren over hoe zorgmedewerkers met langdurige post-COVID klachten extra ondersteund kunnen worden.
Kunt u deze vragen, gezien de urgentie, voorafgaand aan het commissiedebat «Ontwikkelen rondom het coronavirus» d.d. 28 september beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Internet kan tientallen euro’s goedkoper in Nederland’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat Nederland de hoogste internetprijzen van Europa heeft? Zo ja, wat is hiervan de reden?1
Uit internationaal vergelijkende onderzoeken blijkt dat de prijzen voor internettoegang in Nederland relatief hoog zijn.2 Er is in deze onderzoeken niet gekeken naar de verklaring van het verschil in prijzen. Factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld de kwaliteit van de netwerken (die in Nederland zeer hoog is) en de mate van concurrentie in de markt (waar in de verdere antwoorden op wordt ingegaan).
Bent u het eens met de conclusie van het artikel dat er op dit moment te weinig concurrentie is op de internetmarkt in Nederland?
Op grond van de Europese Telecomcode (richtlijn (EU) 2018/1972) is het aan de onafhankelijke markttoezichthouder, in Nederland de Autoriteit Consument en Markt (ACM), om een oordeel te vellen over de concurrentie op de internetmarkt.
Deelt u de conclusie van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) in een besluit van 25 augustus 2022 dat de internetmarkt zich kenmerkt als oligopolie en dat er risico’s zijn dat de concurrentie op de internetmarkt verzwakt?
Ja.
Deelt u de conclusie van het artikel dat het internet in Nederland tientallen euro’s goedkoper kan als er meer concurrentie is op de internetmarkt in Nederland?
Het is aan ACM om een oordeel te vellen over de concurrentie en de tarieven op de internetmarkt. In het besluit van de ACM van 25 augustus jl.3 waar de vraagsteller naar verwijst in vraag 3 concludeert de ACM dat de internetmarkt zich kenmerkt als oligopolie en dat de prijzen voor internettoegang in Nederland relatief hoog zijn. Ik verwijs naar het antwoord op de vragen 7 en 8 voor de acties die de ACM neemt om de concurrentie te bevorderen.
Deelt u de mening dat meer concurrentie op de internetmarkt uiteindelijk in het belang is van de Nederlandse consument?
Ja, goede concurrentie is essentieel voor het waarborgen van een goed aanbod van internetdiensten van goede kwaliteit tegen een redelijke prijs en keuzevrijheid voor de consument.
Deelt u de mening dat (snel) internet een basisvoorziening is die overal in Nederland beschikbaar moet zijn tegen een redelijke en in internationaal perspectief marktconforme prijs?
Ja.
Welke mogelijkheden zijn er om de concurrentie op de internetmarkt te bevorderen en welke instrumenten heeft u om bij een groeiende marktmacht van enkele aanbieders regulerend op te treden?
Het is mijn rol om te zorgen voor goede wettelijke kaders die de ACM in staat stellen de rol als onafhankelijk markttoezichthouder goed te kunnen vervullen. Nederland heeft zich bij de Europese onderhandelingen over de Telecomcode met succes ingezet voor een goed reguleringsinstrumentarium voor de ACM en een voortvarende implementatie daarvan in de Telecommunicatiewet.4 Het is aan de ACM als onafhankelijk markttoezichthouder om te bepalen welke regulering zij passend acht om de concurrentie op de internetmarkt te waarborgen. Ik volg dit nauwlettend gezien het grote belang van goede concurrentie, betaalbaarheid en keuzevrijheid op de Nederlandse internetmarkt.
Allereerst is er het sectorspecifieke instrumentarium voor de ACM in de Telecommunicatiewet om de concurrentie in de internetmarkt te waarborgen gezien de kenmerken van deze markt met hoge en niet-tijdelijke toegangsbelemmeringen.5 Dit betreft het maken van periodieke marktanalyses, waarin de ACM beoordeeld of bepaalde telecomaanbieders beschikken over aanmerkelijke marktmacht en zo ja, op welke wijze toegang tot de vaste telecomnetwerken moet worden gereguleerd. Goede toegang tot vaste netwerken voor internetaanbieders die geen of een beperkt eigen netwerk hebben is een essentiële randvoorwaarde voor goede concurrentie op de internetmarkt. De ACM werkt momenteel aan een nieuwe marktanalyse.6 In de marktanalyse zal de ACM rekening houden met de verbeterde toegangstarieven en -voorwaarden waar KPN en Glaspoort aan gebonden zijn op grond van het besluit van 25 augustus jl.
Daarnaast kan de ACM ook toegang tot de vaste netwerken reguleren indien er sprake is van «moeilijk te repliceren netwerkelementen». Hiervan is sprake als het zeer moeilijk is een nieuw netwerk aan te leggen en er aan andere aanvullende voorwaarden (bijvoorbeeld een zeer nadelig effect voor consumenten) wordt voldaan.7 Nederland heeft zich bij de Europese onderhandelingen over de Telecomcode ingezet voor dit aanvullende instrument. Aanbieder YouCa, die aan bod komt in het artikel in het Financieele Dagblad van 18 september, heeft op basis van dit instrument een verzoek om toegang tot het kabelnetwerk van VodafoneZiggo in Amsterdam bij de ACM ingediend. Dit verzoek is bij de ACM in behandeling.8
Naast het sectorspecifieke instrumentarium in de Telecommunicatiewet is er het generieke instrumentarium van de Mededingingswet en de Instellingswet ACM,- dat door de ACM is ingezet in het besluit van 25 augustus jl.
Ziet u voor uzelf een rol weggelegd om concurrentie op de internetmarkt te bevorderen en zo ja, welke stappen onderneemt u hiertoe?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘De meest gehate sites ter wereld, in de lucht via Flevoland’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De meest gehate sites ter wereld, in de lucht via Flevoland»1?
Ja, wij hebben kennisgenomen van dit bericht.
Klopt het bericht dat het Russische hostingbedrijf «VDSina» direct, dan wel indirect, illegale websites online kon/kan hosten via Nederlandse datacenters van bedrijven als Serverius? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
In Nederland zijn het aanzetten tot haat en geweld en het vervaardigen en verspreiden van kinderporno strafbaar. Dat geldt ook op het internet. Internet-tussenpersonen zijn gehouden op te treden indien zij weten dat er illegaal materiaal op hun servers of platformen staat. Daar spreken wij hen ook op aan. Gelukkig werkt het grootste gedeelte van de internetbedrijven goed mee om illegale content snel te verwijderen. Desondanks kan nooit helemaal worden voorkomen dat hun klanten illegaal materiaal opslaan of online zetten. Voor de aanpak van illegale online content is samenwerking met de internetsector cruciaal.
Het is niet eenvoudig om het opslaan of online plaatsen van illegale content aan te pakken. Het is bij wet verboden om aan internettussenpersonen een algehele monitoringsverplichting op te leggen. Veel Nederlandse datacentra verhuren opslagruimte en verzorgen de aansluiting daarvan op het internet. Hun klanten plaatsen daar hun netwerkapparatuur, servers en opslagruimte voor webhosting. Deze hostingdiensten worden vaak doorverhuurd aan tussenpersonen in andere landen (die de webhosting daar veelal onder een eigen merk leveren), die vervolgens weer webruimte verhuren aan privépersonen of organisaties. Zij kunnen de ruimte bijvoorbeeld gebruiken om hun eigen website in te richten. Datacentra hebben daarom niet altijd zicht op wie aan het eind van de keten precies gebruik maken van hun diensten en welke content er wordt gehost. Wel zijn zij gehouden te acteren indien ze er weet van krijgen dat de content die ze hosten illegaal is. In dit specifieke geval is dat ook gebeurd en is de content niet meer bereikbaar via een Nederlandse server.
De inzet op het bestrijden van illegale content is er in eerste instantie op gericht om deze content zo snel mogelijk te verwijderen danwel ontoegankelijk te maken. Illegaal online materiaal kan worden gemeld en verwijderd via de afspraken in het kader van de zelfregulering van de internetsector (Notice and Take Down). Is er sprake van kinderpornografisch materiaal, dan is er binnenkort ook de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), die een bestuursrechtelijk verwijderbevel kan uitvaardigen en een last onder dwangsom of bestuurlijke boete kan opleggen indien de content niet wordt verwijderd.
Klopt het dat websites met rechts-extremistische en neonazistische content, zoals als 8kun en Daily Stormer, in heel weinig landen hun websites online kunnen zetten maar dat hiervoor wel mogelijkheden zijn in Nederland? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Nee, dat klopt niet. Ook in Nederland kan actie worden ondernomen tegen illegale content die aanzet tot discriminatie, haat en geweld, zoals bedoeld in artikel 137d Sr. In Nederland geldt voor wat betreft de aansprakelijkheid van datacentra de Richtlijn Elektronische Handel zoals geïmplementeerd in artikel 6:196c BW en artikel 54a Sr jo artikel 125p Sv. Die richtlijn, die vanaf begin 2024 wordt vervangen door de Digital Services Act (DSA), geldt ook in andere lidstaten van de Europese Unie. Wel kunnen de mogelijkheden om actie te ondernemen en de daarop toepasselijke regelgeving in landen verschillen.
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2, is de inzet op het bestrijden van illegale content er in eerste instantie op gericht om deze content zo snel mogelijk te verwijderen danwel ontoegankelijk te maken. Illegaal online materiaal kan worden gemeld en verwijderd via de afspraken in het kader van de zelfregulering van de internetsector (Notice and Take Down). Is er sprake van kinderpornografisch materiaal, dan is er binnenkort ook de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), die een bestuursrechtelijk verwijderbevel kan uitvaardigen en een last onder dwangsom of bestuurlijke boete kan opleggen indien de content niet wordt verwijderd.
Bent u het ermee eens dat het zeer problematisch is wanneer rechts-extremistische en illegale content online staan via Nederlandse digitale infrastructuur? Zo ja, op welke manieren pakt u dit aan?
Ja die mening delen wij. Nederland is koploper in de aanpak van online seksueel kindermisbruik en zet zich in voor een Europese aanpak daarvan. Ook met betrekking tot de oprichting van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) loopt Nederland voorop in het bestrijden van strafbare online content. In Nederland wordt al een aantal jaren succesvol samengewerkt tussen de internetsector en overheid op het gebied van illegale content. Overheid en internetsector richten zich daarbij op het zo snel mogelijk offline halen van de aangetroffen illegale content. Een hostingprovider moet acteren als hij er weet van krijgt dat de online content die hij host een illegaal karakter heeft. Het beleid richt zich daarom op het notificeren en doen verwijderen van illegale (dat wil zeggen strafbare of anderszins onrechtmatige) content. Bij het tegengaan van strafbare content (terroristisch of kinderpornografisch materiaal en hate speech) heeft de overheid een actieve rol in de opsporing en vervolging. Bij onrechtmatige (maar niet strafbare) content – content die schade toebrengt aan individuen, zoals privacy-schendingen – is die rol vooral faciliterend, bijvoorbeeld door het subsidiëren van een meldpunt. Via zo’n meldpunt wordt strafbare en onrechtmatige content onder de aandacht gebracht van een internettussenpersoon, die op grond van bestaande wet- en regelgeving gehouden is daarop te acteren. Ongewenste (maar niet onrechtmatige) content (zoals de meeste vormen van desinformatie) wordt niet verwijderd. Wel zijn er andere instrumenten om hierop te reageren (o.a. fact checking, counterspeech, verwijzen naar officiële websites, aanpassen (zoek)algoritmes, etc.).
Welke instrumenten heeft de overheid om in te grijpen wanneer illegale content het wereldwijde web in wordt geslingerd via Nederlandse bedrijven? Worden desbetreffende instrumenten daadwerkelijk ingezet? Zijn er bijvoorbeeld verzoeken gedaan aan Serverius om de dienstverlening aan VDSina en daarmee 8kun en Daily Storm stop te zetten? Zo ja, door wie zijn die verzoeken gedaan en wat was hiervan het resultaat? Zo nee, waarom niet?
In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv kan de officier van justitie met een machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken als dit noodzakelijk is ter beëindiging van een strafbaar feit. Dit is geregeld in artikel 125p Sv. Onrechtmatige content kan ontoegankelijk worden gemaakt na een bevel daartoe van de civiele rechter.
Zoals reeds bekend bij uw Kamer, heeft het kabinet de oprichting van een Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) aangekondigd. De Raad van State heeft op 4 mei jl. geadviseerd over het wetsvoorstel bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal. Dit advies wordt nu verwerkt, zodat het wetsvoorstel daarna op korte termijn aan de Kamer kan worden aangeboden. Deze Autoriteit krijgt de wettelijke bevoegdheid aanbieders van hostingdiensten op bestuursrechtelijke basis te verplichten online kinderpornografisch en/of terroristisch materiaal op hun server ontoegankelijk te maken of te verwijderen danwel deze partijen op te dragen passende en evenredige maatregelen te treffen om de opslag en doorgifte van online kinderpornografisch en/of terroristisch materiaal via hun diensten te beperken. Hiermee krijgt de Autoriteit middelen om in te grijpen indien de zelfregulering hapert, bijvoorbeeld wanneer een hoster weigert gehoor te geven aan een verwijderverzoek van illegale content in het zelfreguleringskader. Zoals de naam al zegt, zal de ATKM zich alleen richten op terroristisch en kinderpornografisch materiaal, en blijft online hate speech zoals verspreid via Daily Stormer en 8kun buiten de reikwijdte van deze Autoriteit. Online hate speech kan worden gemeld bij het Meldpunt Internet Discriminatie (MiND). Dit meldpunt wordt door de sector beschouwd als een trusted flagger, waardoor meldingen vanuit dit meldpunt richting de sector in vrijwel alle gevallen leiden tot het verwijderen of ontoegankelijk maken van de gewraakte content.
De inzet bij de bestrijding van illegale content gaat voor een belangrijk deel uit van zelfregulering door de internetsector. De Nederlandse overheid werkt reeds jaren samen met de internetsector aan de bestrijding van illegale content online. Zo is er al in 2008 een Notice-and-Takedown (NTD) gedragscode overeengekomen tussen overheden, internetaanbieders, hostingbedrijven, en andere tussenpersonen.2 Daar is in 2018 een addendum op gekomen voor het verbeteren van de bestrijding van materiaal van online kindermisbruik. Aanvullend bevat de in 2021 geactualiseerde Gedragscode Abusebestrijding maatregelen die hostingproviders kunnen nemen tegen misbruik van hun diensten voor meerdere vormen van illegale activiteiten. Tenslotte zijn ook in EU-verband afspraken gemaakt, zoals de Code of conduct on countering illegal hate speech uit 2016.
De Digital Service Act (DSA) biedt in vergelijking met de Richtlijn Elektronische Handel een meer gepreciseerd kader waarbinnen hostingbedrijven een beroep kunnen doen op uitsluiting van aansprakelijkheid met betrekking tot de informatie die zij hosten. Ook bevat de DSA onderdelen die de bestrijding van illegale content in de toekomst verder kunnen verbeteren. Om hier optimaal uitvoering aan te geven en gebruik van te maken zal de huidige NTD gedragscode de komende tijd vanuit een publiek-private samenwerking nog eens tegen het licht worden gehouden. Bij de onderhandelingen over de DSA heeft Nederland er overigens voor gepleit om aanvullend op dit alles een zorgplicht voor hostingbedrijven op te nemen. Dit voorstel kreeg helaas onvoldoende steun bij andere Lidstaten.3
Aanvullend subsidieert de overheid een aantal meldpunten om illegale content onder de aandacht te brengen van platformen, providers en hosters. Deze meldpunten hebben veelal de status van trusted flagger, en hebben daarmee ook het vertrouwen van de sector. Content die zij als «illegaal» betitelen wordt in dat kader in de meeste gevallen ook daadwerkelijk ontoegankelijk gemaakt. Het kabinet zet de komende jaren in op het verder optimaliseren van opvolging van meldingen van deze meldpunten en zal daarbij ook bezien voor welke andere vormen van illegale content een meldvoorziening dient te worden ingericht.
Klopt het dat 8kun en Daily Stormer niet meer via Nederlandse bedrijven online staan? Zo ja, kunt u dit bevestigen en toelichten? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat klopt. Op het moment dat de tussenpersoon die de content had ondergebracht bij de Nederlandse hoster werd geïnformeerd dat deze websites via zijn servers online werden gezet, is de content verwijderd door deze tussenpersoon. Het Nederlandse datacenter Serverius heeft hiervoor zelf geen actie hoeven te ondernemen.
Welke invloed gaat de Digital Services Act hebben op het ingrijpen bij dit soort praktijken? Is Nederland al klaar voor de komst van de Digital Services Act wat betreft het voorkomen dat websites als 8kun en Daily Stormer via Nederland online kunnen worden gezet? Zo ja, in welke genomen maatregelen is dit zichtbaar? Zo nee, welke stappen moeten nog genomen worden?
De DSA is een volgende stap in de richting om verplichtingen en verantwoordelijkheden van internettussenpersonen én de overheid voor de bestrijding van illegale content aan te scherpen. Zoals onder meer de verplichting voor tussenpersonen om een contactpersoon te hebben voor overheden zodat er snel kan worden opgetreden tegen illegale content. Wanneer websites illegale content bevatten, kunnen deze instrumenten worden benut. De verplichtingen uit de DSA worden op 17 februari 2024 van kracht. De komende tijd wordt gewerkt aan de voorbereiding daarvan in Nederland.
Is de Minister het ermee eens dat het zeer wenselijke is om zo snel mogelijk de structuren en processen in orde te hebben om de Digital Services Act uit te kunnen voeren? Zo nee, waarom niet?
Ja. Dit vereist allereerst keuzes over de organisatie van het toezicht, zodat de toekomstig toezichthouder(s) zich kunnen voorbereiden op hun taken, en de noodzakelijke uitvoeringswetgeving tot stand kan worden gebracht. In het verslag houdende vragen en antwoorden op de begrotingsstaten van de Ministeries van EZK, JenV en BZK die zien op digitale zaken is hier meer informatie over gegeven. In het bijzonder in de antwoorden op vragen 58 t/m 61, 162, 184 t/m 186.
Uitgangspunt voor een succesvolle uitvoering is ook een samenwerking tussen internetsector en overheid die is gebaseerd op wederzijds begrip, vertrouwen en op het wederzijds belang om illegale content te bestrijden. De eerdere zelfreguleringsafspraken uit de genoemde NTD gedragscode illustreren dat dit mogelijk is en dat er bij een groot deel van de internetsector bereidheid bestaat om haar verantwoordelijkheid te nemen in de bestrijding van illegale content online.
Is de Minister het ermee eens dat het onwenselijk is dat Nederlandse bedrijven zaken doen met partijen die berucht zijn om het faciliteren van botnets? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat vinden wij onwenselijk. Internettussenpersonen die ervan op de hoogte worden gebracht dat de content die zij hosten illegaal is, dienen op grond daarvan te acteren om niet aansprakelijkheid gesteld te kunnen worden. Dat geldt niet alleen voor kinderporno, maar ook voor andere illegale content zoals evident racistische of haatzaaiende teksten.
Wat heeft tot nu toe de inventarisatie van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) samen met het Digital Trust Center (DTC) en de Anti-Abuse Network coalitie opgeleverd? Zijn er concrete aanbevelingen of maatregelen op tafel gekomen om meer informatie te delen over kwetsbaarheden? Zo nee, wat is de laatste stand van zaken van de inventarisatie?
Het Anti-Abuse Netwerk (AAN-coalitie) is een samenwerkingsverband waarvan zowel het Digital Trust Center (DTC), het Ministerie van EZK als de politie deelnemer zijn en waarbij het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC), het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) als agenda lid zijn aangesloten. Daarnaast nemen onderzoeksinstellingen en private organisaties deel aan de coalitie. Het AAN werkt aan een veilige en betrouwbare online infrastructuur. De inventarisatie van het AAN heeft knelpunten en randvoorwaarden opgeleverd welke mede als input hebben gediend voor de Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS) welke eerder met uw Kamer is gedeeld. De AAN-coalitie heeft de uitkomsten van haar inventarisatie verwerkt in de «Metrokaart en knelpunten «Technisch Abuse»»4 uit december 2020 waarnaar wordt verwezen in het Cyclotron rapport. Dit rapport is eerder als bijlage bij de brief5 over de NLCS met uw Kamer gedeeld. Op dit moment zijn er bijeenkomsten van de AAN-coalitie en zijn de deelnemers actief betrokken bij de actieplannen die worden uitgewerkt naar aanleiding van de NLCS.
Hoe ziet u het spanningsveld tussen vrij ondernemen met daarbij het vrij verhuren van serverruimte aan (onbekende) partijen en het misbruik maken van de Nederlandse digitale infrastructuur waarbij websites met illegale en rechts-extremistische content online kunnen worden gezet?
In veel gevallen gaat het ondernemerschap goed samen met verantwoordelijk gedrag richting de samenleving. In het geval van de hostingsector blijkt dat onder meer bij bedrijven die zich vrijwillig houden aan de Gedragscode Abusebestrijding en de NTD gedragscode.
Het verhuren van serverruimte aan partijen die daar vervolgens illegale content plaatsen maakt een hosting service provider (HSP) nog geen kwaadwillende actor. Daarvan is pas sprake als evident is dat zij niet slechts slachtoffer zijn van misbruik van hun faciliteiten maar bewust illegale content faciliteren. Zo heeft het Gerechtshof in Den Haag recentelijk bepaald dat een telecommunicatiedienstprovider die zich ervan bewust is dat zijn klanten crimineel gedrag vertonen en/of criminele content aanwezig hebben dan wel verspreiden, en deze klanten daarbij desalniettemin faciliteert, mogelijk strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden, ook als de Officier van Justitie niet vooraf een verwijderbevel heeft afgegeven. Of daar sprake van is, dient per geval te worden beoordeeld.
Het bericht dat kleinschalige jeugdgevangenissen weinig gebruikt worden |
|
Rens Raemakers (D66) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u van mening dat de inzet van Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd (KVJJ) van grote waarde kan zijn om ervoor te zorgen dat jongeren na een straf beter re-integreren in de samenleving?
Ja. De Kleinschalige Voorziening Justitiële Jeugd (hierna: KVJJ) is een voorziening waar jongeren dichtbij hun eigen leefomgeving verblijven met een lager beveiligingsniveau dan in de JJI. Ik ben ervan overtuigd dat het gebruik van de KVJJ de resocialisatie van jongeren ten goede komt, omdat positieve elementen in het netwerk van de jongeren behouden kunnen blijven en eerder ingezette zorg, hulp, onderwijs en/of werk kunnen doorlopen.
Kunt u een reactie geven op het eindrapport van de monitor kleinschalige voorziening Amsterdam, waaruit blijkt dat bij alle ketenpartners groot enthousiasme en breed draagvlak voor deze manier van werken is ontstaan, dat in vrijwel alle onderzochte gevallen dagbesteding en hulpverlening worden gecontinueerd of opgestart en beschermende factoren grotendeels in stand blijven na uitstroom uit de KVJJ?
In het kader van de Verkenning Invulling Vrijheidsbeneming Justitiële Jeugd (VIV JJ) heeft de Academische Werkplaats Risicojeugd in de periode 2016 tot en met 2018 de pilotfase van de KVJJ onderzocht. Daaruit bleek dat de ervaringen met kleinschalige voorzieningen positief waren. Mede op basis van dit onderzoek heeft mijn ambtsvoorganger besloten om het stelsel van justitiële jeugd te wijzigen middels het programma Vrijheidsbeneming op Maat, waar de invoering van de KVJJ onderdeel van uitmaakt1.
Bent u het eens met de stelling van professionals dat er voldoende personeel en geld is gereserveerd en dat er vaak geadviseerd wordt om jongeren in een KVJJ te plaatsen, maar dat de lage bezetting komt door beslissingen van de Divisie Individuele Zaken (DIZ) van het Ministerie van Justitie?
De KVJJ’s beschikken over voldoende personeel en middelen. Dat de lage bezetting te wijten valt aan de beslissingen die DIZ neemt, bestrijd ik. Bij ongeveer 75% van alle aanmeldingen voor plaatsing in de KVJJ besluit DIZ om te plaatsen. Als een jongere niet in een KVJJ wordt geplaatst, dan zijn daar goede redenen voor: er wordt niet voldaan aan de plaatsingscriteria en/of er is sprake van één of meer contra-indicaties. Mijn indruk is dat de lage bezetting veel verschillende oorzaken heeft. DJI zet zich, samen met de (jeugd)strafrechtketen volop in om de knelpunten in de toeleiding weg te nemen, zodat de toeleiding naar de KVJJ beter verloopt. Sinds medio 2021 wordt het functioneren van de KVJJ’s (en de keten daaromheen) gemonitord en de werkwijze van plaatsing wordt meegenomen in de volgende monitor. Dit onderzoek is naar verwachting in april 2023 gereed.
Hoeveel jongeren zijn sinds de introductie in een KVJJ geplaatst?
De gemiddelde bezetting van de KVJJ’s is laag. In bovengenoemde monitor wordt momenteel onderzocht hoe groot de potentiele doelgroep voor deze modaliteit is.
Daarnaast verloopt de toeleiding naar de KVJJ nog niet goed, waardoor de KVJJ onderbenut wordt. Ik zet me in om de mogelijkheden van de KVJJ’s optimaal te benutten, om zo het gewenste maatwerk voor strafrechtelijke jongeren te realiseren. Dit heeft echter tijd nodig. De KVJJ is een relatief nieuwe modaliteit binnen het jeugdstrafrecht, waardoor het nog niet overal in de jeugdstrafrechtketen even bekend is en de werkwijze voor plaatsing nog niet optimaal is ingericht.
Jaartal
Totale instroom KVJJ’s
2017
48
2018
41
2019
32
2020
43
2021
51
2022
391
Per 26-09-2022.
KVJJ
Operationeel sinds
Capaciteit
Gemiddelde bezetting in 2021
Gemiddelde bezetting in 20221
Bezetting op 12-10-2022
Amsterdam
September 2016
8
5,3
4,53
8
Zuid
April 2020
8
1,19
1,41
2
Noord
April 2021
8
0,99
1,82
0
Rijnmond
Augustus 2021
82
0,46
1,54
4
Den Haag
September 2021
83
0,42
1,82
1
Per 13-10-2022.
Bij ingebruikname 4 plekken.
Bij ingebruikname 2 plekken.
Wat was de gemiddelde bezetting van de KVJJ sinds de introductie per jaar?
Zie antwoord vraag 4.
In hoeveel gevallen is een uitspraak van de kinderrechter om een jongere in een KVJJ te plaatsen overstemd door het ministerie? En indien dat gebeurde, waarom week het ministerie af van de uitspraak van de kinderrechter?
De rechter(-commissaris) beslist of vrijheidsbeneming voor een jongere aan de orde is en kan over de plaats van tenuitvoerlegging, zoals een KVJJ, ook advies uitbrengen aan DIZ. Door DJI wordt niet bijgehouden hoe vaak rechters een positief advies geven over plaatsing in een KVJJ.
Welke voorwaarden worden nu door de DIZ gebruikt om jongeren wel of niet in een KVJJ te plaatsen en zijn die voorwaarden opgesteld in samenspraak met de rechtspraak, OM, de advocatuur, reclassering, de Raad voor de Kinderbescherming of andere relevante partijen?
Jongeren worden in een KVJJ geplaatst als ze voldoen aan een aantal criteria (zoals motivatie en aanwezigheid van beschermende factoren) en als er geen contra-indicaties zijn (zoals nabijheid van het slachtoffer en een hoog risico op onttrekking). Jongeren met een verdenking van levensdelicten, ernstige zedendelicten of ernstige psychiatrische problematiek worden niet geplaatst. Voor een volledig overzicht van de huidige plaatsingscriteria verwijs ik naar het informatieblad over de KVJJ voor ketenpartners2. De plaatsingscriteria zijn tot stand gekomen in samenspraak met de jeugdstrafrechtketen3.
Waarom zijn de voorwaarden voor plaatsing in een KVJJ niet al eerder aangepast aangezien de bezetting erg laag is, terwijl professionals erg te spreken zijn over de werking van KVJJ?
In de praktijk worden de plaatsingscriteria door de organisaties in de jeugdstrafrechtketen niet altijd op dezelfde manier geïnterpreteerd. Daarom worden de plaatsingscriteria, in samenspraak met de jeugdstrafrechtketen, momenteel herijkt. Deze herijking zal dit najaar afgerond zijn. Ik verwacht dat de plaatsingscriteria hiermee duidelijker zullen worden en ze een betere onderlinge samenhang krijgen. De plaatsingscriteria worden periodiek op deze wijze tegen het licht gehouden. De uitkomsten van het eindrapport van de monitor kleinschalige voorziening Amsterdam zijn destijds betrokken bij het aanpassen van de plaatsingscriteria.
Daarnaast wordt gekeken of en zo ja, hoe de werkwijze voor plaatsing kan worden vereenvoudigd. Om een jongere in een KVJJ te kunnen plaatsen moet er een aantal administratieve stappen doorlopen worden, wat mogelijk afschrikt om een jongere voor de KVJJ aan te melden. Ook wordt de werkwijze van plaatsing meegenomen in de monitor van de KVJJ. Dit onderzoek is naar verwachting in april 2023 gereed.
Worden bij het aanpassen van de voorwaarden voor plaatsing in een KVJJ onderzoeken en evaluaties betrokken van KVJJ zoals het eindrapport van de monitor kleinschalige voorziening Amsterdam?
Zie antwoord vraag 8.
Op welke termijn zullen de voorwaarden voor plaatsing in een KVJJ aangepast zijn?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om te onderzoeken of de kinderrechter weer de beslissing kan maken of een jongere in een KVJJ geplaatst wordt in plaats van DIZ?
Nee. Sinds het besluit om de KVJJ op te nemen in het stelsel, is het plaatsingsproces van de KVJJ en de rol van DIZ daarin in lijn gebracht met het bredere plaatsingsproces zoals geregeld in hoofdstuk IV van de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen. Dat betekent dat de rechter besluit of vrijheidsbeneming voor een jongere aan de orde is en DIZ besluit, net als bij alle andere strafrechtelijke plaatsingen, namens mij in welke inrichting en afdeling dat gebeurt. Op deze wijze kan centraal worden gestuurd en getoetst op de kwaliteit en uniformiteit van de selectie(voorstellen). Hierdoor wordt rechtsongelijkheid zoveel mogelijk voorkomen: bij elke jongere wordt de vraag of plaatsing in een KVJJ wenselijk is op dezelfde manier gewogen. Daarnaast kan door de plaatsing te centraliseren naast het belang van de jongere, ook het bredere belang van capaciteitsmanagement worden meegewogen. Tenslotte kan op deze wijze goed worden beoordeeld in hoeverre het wenselijk is om een jongere samen te plaatsen met de jongeren die al in een KVJJ verblijven, en kan ook rekening worden gehouden met elementen als delictgeschiedenis en eventuele nabijheid van een slachtoffer.
Bent u bereid om te onderzoeken of het principe van relationele beveiliging niet alleen toegepast wordt of kan worden als leidraad voor de nieuw opgezette KVJJ, maar ook in de JJI en bejegening van risicojeugd in meer open setting, zoals aanbevolen in het eindrapport van de monitor kleinschalige voorziening Amsterdam?
JJI De Hunnerberg heeft een Laagbeveiligde Unit (LBU), waarin jongeren meer vrijheden hebben dan op reguliere leefgroepen. De LBU is een pilot en kan mogelijk op termijn een vast onderdeel gaan worden van de JJI. Zowel op de reguliere leefgroepen van de JJI’s als op de LBU wordt relationele beveiliging toegepast.
De Europese Parlementsverkiezingen van 2024 naar aanleiding van het kabinetsstandpunt over het initiatiefvoorstel van het Europees Parlement over de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen (Europese Kiesakte) d.d. 17 juni 2022 |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Hind Dekker-Abdulaziz (D66) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) toelichten hoeveel niet-Nederlandse EU-ingezetenen tijdens de Europese Parlementsverkiezingen (EP-verkiezingen)in 2019 stemgerechtigd waren en wat uiteindelijk de opkomst was onder deze kiezersgroep?
Anders dan bij de verkiezingen voor gemeenteraden en waterschapsbesturen dienen niet-Nederlandse EU-burgers die bij de Europees Parlementsverkiezingen (hierna: EP-verkiezing) in Nederland willen stemmen voor een Nederlandse kandidaat zich te registreren bij de gemeente waar zij als ingezetene staan ingeschreven. Deze registratie is nodig omdat Europese regelgeving burgers van Europese lidstaten de mogelijkheid geeft om bij de EP-verkiezing te stemmen voor een kandidaat uit de lidstaat van verblijf of de lidstaat van nationaliteit.
Het aantal stemgerechtigden binnen deze groep is daarmee het aantal niet-Nederlandse EU-ingezetenen dat zich heeft geregistreerd om in Nederland te kunnen stemmen voor een Nederlandse kandidaat. Voor de EP-verkiezing in 2019 waren dit 56.637 personen. Voor de EP-verkiezing in 2014 ging het om 48.169 personen.1 Nederland houdt niet bij hoeveel van deze personen daadwerkelijk zijn gaan stemmen.
Kan de Minister van BZK toelichten op welke wijze deze kiezersgroep is geïnformeerd over de registratie voor de EP-verkiezingen?
Niet-Nederlandse EU-burgers die in Nederland verblijven (ook wel mobiele EU-burgers genoemd) worden op verschillende wijzen geïnformeerd over de uitoefening van het kiesrecht in Nederland bij de gemeenteraads-, waterschaps- en EP-verkiezingen. Het kabinet doet dit onder meer door op rijksoverheid.nl relevante informatie over actief en passief kiesrecht bij deze verkiezingen beschikbaar te stellen in zowel het Nederlands als het Engels.
Gemeenten hebben daarnaast voor de registratie voor de EP-verkiezingen een wettelijke verplichting om iedere niet-Nederlandse EU-burger die zich van buiten Nederland in de gemeente vestigt het formulier toe te sturen waarmee deze persoon zich kan registreren om bij de EP-verkiezingen in Nederland te stemmen voor een Nederlandse kandidaat. De begeleidende brief bij dit zgn. Y32-formulier is vertaald in het Engels, Duits en Frans. Ook zijn gemeenten verplicht om ten minste zes weken voor de dag van de kandidaatstelling de mogelijkheid van registratie opnieuw onder de aandacht te brengen.2
In aanloop naar de afgelopen EP-verkiezingen zijn gemeenten middels verschillende nieuwsbrieven van het Ministerie van BZK gewezen op de verplichting tot het informeren van niet-Nederlandse EU-burgers. Ook het registratieformulier en de tekst voor de aanschrijfbrief (vertaald in het Engels, Duits en Frans) zijn daarbij met gemeenten gedeeld.3 In aanloop naar de EP-verkiezingen van 2024 zal ik gemeenten opnieuw wijzen op het belang van het informeren van de niet-Nederlandse EU-burgers in hun gemeente.
Zoals gebruikelijk heeft het Ministerie van BZK de afgelopen EP-verkiezing ook geëvalueerd. Daarbij zijn via een enquête vragen gesteld aan gemeenten over het informeren van de groep niet-Nederlandse EU-burgers. Uit deze enquête kwam naar voren dat 98% van de gemeenten die hebben deelgenomen aan de enquête niet-Nederlandse EU-burgers tenminste zes weken voor de dag van de kandidaatstelling actief gewezen heeft op de mogelijkheid om zich in Nederland te registreren voor de EP-verkiezingen. 62% van de gemeenten gaf aan niet-Nederlandse EU-burgers die voor die tijd buiten Nederland woonachtig waren bij vestiging in de gemeente het Y-32 formulier te hebben gestuurd.4 Dit blijft dus een belangrijk aandachtspunt in de aanloop naar de eerstvolgende Europees Parlementsverkiezingen.
In 2022 heb ik ook met uw Kamer gesproken over het voorstel van de Europese Commissie (hierna: EC) ter herziening van de richtlijn voor kiesrecht van mobiele EU-burgers bij gemeenteraadsverkiezingen (94/80/EG)5 en de verkiezingen van het Europees Parlement (93/109/EG).6 Het hoofddoel van beide wijzigingen is het verbeteren van de informatieverstrekking aan mobiele EU-burgers.
Het BNC-fiche dat is opgesteld naar aanleiding van dit voorstel van de EC geeft het standpunt van het kabinet weer.7 Kortheidshalve verwijs ik daar naar, waarbij ik er uit licht dat het kabinet veel waarde hecht aan het informeren van mobiele EU-burgers over hun actief en passief kiesrecht en dit is dan ook onderdeel van het bestaande beleid.
Het kabinet is daarbij van mening dat Nederland momenteel al voldoet aan de informatieplicht om mobiele EU-burgers tijdig en eenvoudig in ten minste twee talen te informeren over regels voor registratie. Wel zal het kabinet in aanloop naar de EP-verkiezingen van 2024 inzetten op verdere uitbreiding van de informatieverstrekking aan niet-Nederlandse EU-burgers. Zo zal het kabinet o.a. met de Kiesraad in gesprek gaan over het uitbreiden van de Engelstalige informatie op hun website, naast de informatievoorziening op rijksoverheid.nl. Het kabinet zal daarnaast gemeenten vragen om ook op hun eigen website en/of in de begeleidende brief aan kiezers informatie over de verkiezing beknopt in het Engels beschikbaar te stellen.8 Ter ondersteuning van gemeenten zal ik hiervoor teksten en andere relevante communicatiemiddelen in in elk geval het Engels beschikbaar stellen. Informatiematerialen zullen waar mogelijk ook actief worden verspreid onder organisaties die niet-Nederlandse EU-burgers vertegenwoordigen.
Kan de Minister van BZK toelichten of op basis van de opkomst een evaluatie, landelijk dan wel op gemeentelijk niveau, heeft plaatsgevonden onder deze groep? Zo ja, kan de Minister toelichten wat de belangrijkste conclusies en aanbevelingen waren van deze evaluatie? Zo nee, waarom niet?
Nederland houdt niet bij wat het opkomstpercentage is onder deze specifieke groep kiezers. Naar aanleiding van de lage opkomst bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen heeft het kabinet wel onderzoek laten doen naar de niet-stemmer. In dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van het Lokaal Kiezersonderzoek (LKO), alsmede aanvullend kwalitatief onderzoek. Binnen (Nederlandstalige) panels zijn mensen met een andere nationaliteit (zoals niet-Nederlandse EU-burgers) vaak minder goed vertegenwoordigd, wat het lastig maakt om conclusies over deze afzonderlijke groep te trekken. In het onderzoek is daarom ook een aantal experts gevraagd om extra aandacht te schenken aan mogelijke redenen voor het niet-stemmen onder bepaalde groepen. Hierbij wordt ook specifiek aandacht besteed aan niet-Nederlanders met lokaal kiesrecht. Alhoewel deze groep niet geheel overlapt met de groep niet-Nederlandse EU-burgers, biedt het onderzoek wel enkele inzichten over deze groep(en). De resultaten van het onderzoek zijn met de Kamer gedeeld.9 Ook zijn in de evaluatie van de GR-verkiezingen gemeenten, net zoals voorheen bij de EP-verkiezingen, gevraagd of zij hun communicatie gericht hebben op specifieke groepen kiezers, waaronder niet-Nederlandse EU-burgers. Deze evaluatie is op 30 september jl. aan uw Kamer verzonden.
Kan de Minister van BZK specifiek toelichten wat de regeldruk was en of de financiële compensatie voor gemeenten om deze kiezersgroep te informeren toereikend was?
Uit de in antwoord op vraag 2 genoemde enquête blijkt dat 98% van de gemeenten deze kiezersgroep actief informeert in aanloop naar de EP-verkiezingen. Ik heb niet de indruk dat de verplichtingen daartoe te belastend zijn voor gemeenten, ook gezien het belang dat moet worden toegekend aan het informeren van niet-Nederlandse EU-burgers over de uitoefening van hun kiesrecht. Het is aan de gemeenten zelf om een inschatting te maken van de middelen die zij nodig hebben voor het informeren van niet-Nederlandse EU-burgers. Gemeenten kunnen hiervoor gebruik maken van het geld dat zij ontvangen uit het Gemeentefonds.
In hoeverre is de Minister van BZK het ermee eens dat alle gemeenten dezelfde procedure zouden moeten hanteren als het gaat om de organisatie en informatievoorziening voor deze kiezersgroep en hoeveel regie kan het Ministerie van BZK nemen in dit proces?
Lokaal maatwerk staat voorop bij het informeren van de groep niet-Nederlandse EU-burgers. Gemeenten maken dus zelf een inschatting van de meest effectieve manier om in hun gemeente de groep niet-Nederlandse EU-burgers te bereiken. De gemeenten dienen hierbij wel te voldoen aan de wettelijke verplichting. In het verleden hebben Nederlandse gemeenten niet-Nederlandse EU-burgers geïnformeerd door middel van een persoonlijke brief, informatie op de gemeentelijke website, huis-aan-huisbladen, social media, advertenties in de (plaatselijke) krant.10 Het Ministerie van BZK zal het belang van deze informatieverstrekking blijven benadrukken en ondersteuning bieden aan gemeenten met kant-en-klare communicatiemiddelen in zowel het Nederlands als in elk geval het Engels.
Klopt het dat gemeenten eerder verplicht waren om niet-Nederlandse EU-ingezetenen in hun gemeenten te informeren over hoe zij gebruik kunnen maken van hun stemrecht en het daarvoor benodigde formulier naar hen op te sturen? Is dat nog steeds het geval? Zo nee, waarom is die verplichting vervallen?
Het klopt dat gemeenten verplicht zijn om niet-Nederlandse EU-burgers die in Nederland verblijven te informeren over hoe zij gebruik kunnen maken van hun stemrecht. Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag 2 hebben gemeenten een wettelijke verplichting om iedere niet-Nederlandse EU-burger die zich van buiten Nederland in de gemeente vestigt het formulier toe te sturen waarmee deze persoon zich kan registreren om bij de EP-verkiezingen in Nederland te stemmen voor een Nederlandse kandidaat. Ook zijn gemeenten verplicht om ten minste zes weken voor de dag van de kandidaatstelling de mogelijkheid van registratie opnieuw onder de aandacht te brengen.11
Is de Minister van BZK het ermee eens dat het van groot belang is dat gemeenten verplicht worden gesteld niet-Nederlandse EU-ingezetenen proactief, tijdig en correct te informeren over hun Europees stemrecht?
Ik vind het van belang dat niet-Nederlandse EU-ingezetenen proactief, tijdig en correct worden geïnformeerd over hun recht om zich te registreren om in Nederland te stemmen voor een kandidaat op een Nederlandse lijst. Om deze reden is er ook een wettelijke verplichting voor gemeenten om deze groep te informeren op de wijzen zoals in antwoord op vraag 2 is weergegeven.
Kan de Minister van BZK het tijdspad voor de organisatie en voorlichting van de EP-verkiezingen 2024 voor deze specifieke kiezersgroep schetsen?
Net zoals bij voorgaande verkiezingen zal ik ruim voor de EP-verkiezingen op verschillende manieren aandacht besteden aan voorlichting. Zo zal ik in contacten met gemeenten middels verschillende nieuwsbrieven en circulaire opnieuw wijzen op de verplichting niet-Nederlandse EU-burgers te informeren. Zoals aangegeven zal ik hierbij doorgaan met de huidige inspanningen en waar mogelijk en opportuun extra aandacht besteden aan het informeren van deze specifieke doelgroep.
Kan de Minister van BZK toelichten wanneer zij een definitief besluit verwacht met betrekking tot de wijzigingen van de Europese Kiesakte en deelt de Minister de mening dat alle burgers in Nederland, en in het bijzonder niet-Nederlandse EU-ingezetenen, tijdig en correct geïnformeerd moeten worden over eventuele wijzigingen in de Europese Kiesakte en dat dit van groot belang kan zijn voor de opkomst?
Onlangs zijn in Raadsverband de eerste gesprekken gestart over het initiatiefvoorstel van het Europees Parlement aangaande de Europese Kiesakte.12Meerdere lidstaten gaven aan bezwaren te hebben ten aanzien van verschillende elementen uit het initiatiefvoorstel, waaronder de transnationale kieslijsten (EU-breed kiesdistrict), briefstemmen, regels ten aanzien van verkiezingscampagnes en de vaste verkiezingsdag. Nederland neemt conform het kabinetsstandpunt13, de aangenomen motie van het lid Strolenberg c.s.,14 en de overgenomen motie van het lid Bisschop15 aan deze discussies deel.
Het is onduidelijk wanneer een definitief besluit over dit initiatiefvoorstel verwacht kan worden binnen de Raad. Uw Kamer zal conform de vastgestelde afspraken geïnformeerd worden over het verloop van de onderhandelingen van de Europese Kiesakte.16
Ik deel met de leden Dekker-Abdulaziz en Sjoerdsma het belang van het tijdig en correct informeren van alle burgers in Nederland over eventuele wijzigingen in de Europese Kiesakte en het mogelijke belang daarvan voor de opkomst.
Voor de in antwoord op vraag 2 gememoreerde voorgestelde herzieningen van de richtlijn voor kiesrecht van mobiele EU-burgers bij gemeenteraadsverkiezingen (94/80/EG) en de verkiezingen van het Europees Parlement (93/109/EG) geldt dat er nog geen onderhandelingen in Raadsverband geweest zijn. Uw Kamer wordt conform de daarvoor geldende informatieafspraken geïnformeerd over het verloop van de onderhandelingen zodra deze starten.
Het bericht 'Tientallen Deventenaren trekken witte pakken aan om asbest te verwijderen: ‘Dat sjouwen wordt nog zwaar’' |
|
Chris Simons (VVD), Erik Haverkort (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tientallen Deventenaren trekken witte pakken aan om asbest te verwijderen: «Dat sjouwen wordt nog zwaar»»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u bekend met het initiatief van woningbouwcorporatie Rentree en inwoners in de Deventer wijk Zandweerd om samen asbestsaneringswerkzaamheden uit te voeren?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kent u dergelijke initiatieven elders in het land?
Ja. Milieu Centraal stimuleert dergelijke initiatieven met de actie «Week van de asbestvrije schuur». Deze is eerder in 2020 en 2021 georganiseerd en uw Kamer is hierover geïnformeerd in de brief van 1 december 2021 over de voortgang van de asbestdakenaanpak (Kamerstuk 25 834, nr. 187). De actie is bedoeld om particulieren zelf op een veilige manier een klein asbestdak te laten verwijderen, onder de geldende wettelijke voorwaarden zoals een maximale oppervlakte van het dak van 35 m2. Milieu Centraal stelt voor de deelnemende gemeenten een toolkit ter beschikking met daarin ondersteunende informatie en communicatiemiddelen. Gemeenten verzorgen daarmee zelf de opzet en uitvoering van de actieweek, bijvoorbeeld het ter beschikking stellen van benodigde materialen en de afvoer van het afval. De week van de asbestvrije schuur was dit jaar van 12 tot en met 18 september. Dit jaar organiseerden zestien gemeenten een actie of communicatie rondom het verwijderen van kleine asbestdaken.
Kunt u een overzicht geven van de nog aanwezige hoeveelheid asbest op particuliere daken in dorpen en steden?
In de hiervoor genoemde brief van 1 december 2021 is als resterende asbestdakenopgave eind 2021 een oppervlakte van 74 miljoen m2 genoemd, waarbij is aangegeven dat rekening moet worden gehouden met een aanzienlijke marge. Naar schatting2 ligt 20% van de oppervlakte aan asbestdaken op particuliere daken. Ik kan hierbij geen onderscheid maken in particuliere daken in dorpen en steden en in landelijk gebied.
Kunt u een overzicht geven van de nog aanwezige hoeveelheid asbest op bedrijfsdaken in Nederland?
Op bedrijfsdaken ligt naar schatting 75% van de totale resterende oppervlakte van 74 miljoen m2die is genoemd in antwoord 4. De naar schatting resterende 5% ligt op overige daken, waarbij moet worden gedacht aan overheden en stichtingen.
Kunt u een overzicht geven van de nog aanwezige hoeveelheid asbest in overheidsgebouwen en in overheidsinfrastructuur (tunnels, bruggen etc.)?
Dit is helaas niet mogelijk. In 2005 is met het onderzoek «Asbest in Kaart; Historisch onderzoek Asbestgebruik en Methode Asbest-kansenkaart»3 verkend welke hoeveelheid asbest in Nederland is verwerkt. Het rapport concludeert dat in Nederland tussen 1917 en 1993 ruim 1,3 miljoen ton aan asbestvezels is verwerkt in ruim 7,7 miljoen ton asbesthoudend materiaal, waarbij uiteenlopende toepassingen worden beschreven. In het rapport wordt gesteld dat niet valt te becijferen hoeveel van de 7,7 miljoen ton asbesthoudend materiaal die in Nederland is verwerkt waar terecht is gekomen.
Om betrouwbare en gedetailleerde informatie te verkrijgen van waar nu nog asbest aanwezig is en in welke hoedanigheid, zouden voor alle overheidsgebouwen en -objecten van voor 1994 asbestinventarisaties moeten worden uitgevoerd. Een totale hoeveelheid laat zich met een dergelijk onderzoek niet optellen vanwege de diversiteit aan toepassingen en asbesthoudende producten met verschillende concentraties en soorten asbest, verschillende eenheden als vierkante meter, kilogrammen of aantal en zeker ook van belang de staat waarin de asbesttoepassing verkeert.
Als de nog aanwezige hoeveelheid asbest bekend zou zijn, moet dat niet worden gezien als een verwijderingsopgave. Veel toepassingen kunnen zonder gezondheidsrisico’s blijven zitten tot het moment van sloop, verbouwing of renovatie. Wanneer dat natuurlijke moment is aangebroken, voorziet de regelgeving in de verplichting vooraf een asbestinventarisatie te laten uitvoeren om de aanwezigheid van asbest en voor zover van toepassing de noodzaak van verwijderen te onderkennen.
Gelet op de omvang, kosten, beperkte bruikbaarheid en ook de naar verwachting onvoldoende capaciteit van de markt om dit uit te kunnen voeren, acht ik een onderzoek naar aanwezige hoeveelheden asbest in overheidsgebouwen en -objecten niet doelmatig.
Kunt u aangeven welke kosten jaarlijks gemaakt worden voor het saneren van asbest in overheidsgebouwen en overheidsinfrastructuur? Zo nee, bent u bereid dat te laten onderzoeken?
Dit is helaas niet mogelijk. Een onderzoek om dit te achterhalen zou veel tijd en geld kosten vanwege het grote aantal opdrachtgevers (zoals Rijkswaterstaat, Rijksvastgoedbedrijf, provincies, gemeenten, waterschappen). Daarbij komt dat de kosten voor asbestsanering veelal onderdeel zijn van totale projectkosten en de kosten per project zouden moeten worden geanalyseerd. Een dergelijk omvangrijk onderzoek acht ik niet doelmatig.
Het Economisch Instituut voor de Bouw noemt in het rapport «Toekomstperspectieven sloopsector 2019, Ontwikkelingen en vooruitzichten»4 een omzet uit asbestverwijdering van € 660 miljoen in 2018. De omzet was toen gegroeid vanwege de asbestdaken van bijna € 440 miljoen in 2013. Deze cijfers geven een indruk van de totale jaarlijkse uitgaven van overheden, bedrijven, stichtingen en particulieren voor asbestverwijdering.
Bent u bekend met de innovatieve saneringsmethode waarbij schuim, dat vezels isoleert, gehanteerd wordt, waardoor veilig maar veel sneller en dus goedkoper gesaneerd kan worden?
Ja, ik ben bekend met de saneringsmethode waarbij schuim wordt toegepast. Er zijn verschillende methoden en soorten schuim in gebruik als emissiebeperkende maatregel bij de verwijdering van verschillende asbesttoepassingen.
Uw Kamer heeft de motie Stoffer en Geurts aangenomen over emissiebeperkende maatregelen specifiek bij het verwijderen van asbestdaken (Kamerstuk 28 089, nr. 189) waarover ik uw Kamer heb geïnformeerd (brief 17 juni 2022, Kamerstuk 25 834, nr. 188). Ik heb daarin toegelicht dat volgens een uitgevoerde kostenanalyse er geen sprake was van lagere kosten als schuim wordt toegepast bij de sanering van asbestdaken. Voor andere saneringen, met name saneringen binnen een gebouw, is de kostenopbouw anders en zou de toepassing van schuim tot financieel gunstigere uitkomsten kunnen leiden. Overigens zijn er meerdere maatregelen die genomen kunnen worden die tot een kostenverlaging kunnen leiden, bijvoorbeeld omdat het in bepaalde gevallen mogelijk is om ook zonder schuim te saneren in een lagere risicoklasse.
Kunt u aangeven waarom de innovatieve saneringsmethode met schuim door het Validatie en Innovatiepunt Asbest (VIP) niet positief beoordeeld is en realiseert u zich dat de overheid daardoor miljoenen euro’s per jaar meer uitgeeft dan nodig? Kunt u aangeven hoe u dit vrijgaveproces kunt versnellen?
Alle aanvragen met betrekking tot schuim die bij het VIP zijn ingediend, zijn tot nu toe positief beoordeeld.
Het is goed om op te merken dat het gebruik van schuim als emissiebeperkende maatregel altijd mag worden toegepast. Als men echter door het inzetten van schuim de werkwijze wil uitvoeren in risicoklasse 1 (waarbij minder beschermende maatregelen verplicht zijn), moet worden aangetoond door de asbestverwijderaar (werkgever) dat dat op een veilige manier kan en blootstelling van werknemers aan asbestvezels niet boven de grenswaarde uitkomt, bijvoorbeeld door op projectbasis specifieke metingen te doen. Wil men aantonen dat de werkzaamheden landelijk standaard (dus niet alleen op projectbasis) in risicoklasse 1 worden ingedeeld, dan is om die beoordeling uit te voeren door de Minister van SZW het VIP opgericht. Om werkmethoden en soorten schuim te laten beoordelen door het VIP, kunnen leveranciers een aanvraag doen en meetgegevens en informatie over de werkmethode aan het VIP overleggen.
Een producent of leverancier van schuim kan een aanvraag doen bij het VIP. De betreffende leveranciers zijn hiervan reeds geruime tijd op de hoogte. Om eventuele belemmeringen weg te nemen en ter verduidelijking van de procedure is in het kader van een motie van het lid Stoffer5 op 6 juli 2021 een bijeenkomst georganiseerd voor schuimproducenten en -leveranciers. Dit heeft niet bij alle leveranciers geleid tot het doen van een aanvraag.
Alle aanvragen met betrekking tot schuim die wél bij het VIP zijn ingediend, zijn zoals gezegd tot nu toe positief beoordeeld. In de zomer van 2021 is een eerste VIP-advies over een verwijderingsmethode voor verschillende asbesttoepassingen met behulp van schuim door de Minister van SZW goedgekeurd voor landelijk gebruik in risicoklasse 1.6 Recent heeft het VIP positief geadviseerd over een uitbreiding van het werkdomein van deze methode, hetgeen ook is overgenomen door de Minister van SZW. Er loopt momenteel een nieuwe aanvraag met betrekking tot schuim bij het VIP.
De Minister van SZW en ikzelf hechten veel waarde aan het bieden van ruimte voor innovatieve werkwijzen bij het verwijderen van asbest, ook met betrekking tot mogelijke kostenbesparingen, mits dat aangetoond op een veilige manier gebeurt. Wij moedigen leveranciers en producenten daarom aan om, zoals een andere leverancier van een specifieke schuimtoepassing reeds heeft gedaan met succesvolle uitkomst, een aanvraag in te dienen bij het VIP.
Kunt u ervoor zorgdragen dat de antwoorden op bovenstaande vragen de Kamer bereiken voor het commissiedebat Leefomgeving op 12 oktober?
Ja, daar kan ik voor zorgdragen.
Het bericht ‘UWV ontdekt Slowaakse fraude met ziekte-uitkeringen’ |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «UWV ontdekt Slowaakse fraude met ziekte-uitkeringen»?1
Ja, daar ben ik van op de hoogte.
Kunt u aangeven hoe het tekort aan verzekeringsartsen bij het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) invloed heeft op het al dan niet signaleren van fraude?
Voor zover bekend is er geen causaal verband tussen het tekort aan verzekeringsartsen en het al dan niet signaleren van fraude. Handhaven en fraudealertheid is een UWV-brede opgave en een kerntaak van UWV. In onderhavige handhavingscasus was het juist de voortdurende alertheid van alle bij de gevalsbehandeling betrokken medewerkers, waaronder de verzekeringsarts, de medewerker verzuimbeheer en de re-integratiebegeleider, van doorslaggevend belang bij het signaleren van de huidige fraudezaken. Ik waardeer de oplettendheid van de medewerkers bij het UWV.
Bent u op de hoogte van meer vergelijkbare, buitenlandse uitzendbureaus die dergelijke activiteiten inzetten om fraude te plegen met Nederlandse ziekte-uitkeringen?
We hebben geen concrete aanwijzingen dat uitzendbureaus een rol spelen bij de huidige fraudezaken.
Kunt u uitleg geven over hoe het UWV het onterecht uitgekeerde bedrag gaat terugvorderen?
In dit onderzoek ging het half september om 94 uitkeringen, hiermee was een bedrag gemoeid van ruim € 200.000. UWV heeft met de desbetreffende uitkeringsgerechtigden contact gezocht om aanvullende informatie op te vragen en ze op te roepen voor controle door een arts. Inmiddels zijn 69 uitkeringen stopgezet of tegengehouden. Van de resterende 25 lopende uitkeringen wordt nog onderzocht of ze stopgezet kunnen worden. UWV doet verder onderzoek of er sprake is van georganiseerd misbruik en of er zaken zijn die aan het Openbaar Ministerie voor een strafrechtelijk onderzoek kunnen worden overgedragen.
Wanneer er sprake is van onterecht betaalde uitkeringen, moeten deze worden terugbetaald. In grensoverschrijdende situaties wordt zo veel mogelijk dezelfde aanpak gehanteerd als in nationale gevallen. Dat wil zeggen: het terug te betalen bedrag wordt verrekend met een nog lopende uitkering en/of er wordt loonbeslag opgelegd. Heeft de debiteur geen inkomen in Nederland en woont de debiteur in een EU-lidstaat, dan wordt de UWV-zusterorganisatie/uitkeringsinstantie van het desbetreffende land aangeschreven. UWV doet het verzoek om te verrekenen wanneer er een uitkering bij die instantie loopt.
Wanneer er geen uitkering loopt, wordt de zusterorganisatie gevraagd incassomaatregelen te nemen ten behoeve van de vordering van UWV. In de voorliggende casussen zal deze handelwijze ook worden gevolgd.
Hoe verklaart u de stijging van Ziektewet(ZW)-uitkeringen naar Europese Unie(EU)-burgers in de afgelopen jaren (van € 15 miljoen in 2014 naar € 27 miljoen in 2020)?
De stijging van de export van ZW-uitkeringen in de periode 2014–2020 heeft voor een belangrijk deel te maken met de stijging van het totale aantal ZW-uitkeringen en uitgekeerde bedragen. De stijging kan daar echter niet geheel uit worden verklaard
Uit cijfers van het UWV blijkt dat het totaal aantal ZW-uitkeringen tussen 2018 en 2020 steeg met 15%. In diezelfde periode steeg het aantal geëxporteerde ZW-uitkeringen met 17%.
UWV monitort of de stijging de komende jaren aanhoudt en onderzoekt mogelijke verklaringen.
Hoe verloopt de samenwerking tussen UWV, Sociale Verzekeringsbank (SVB), de Belastingdienst en de Nederlandse Arbeidsinspectie ten aanzien van het opsporen van fraude met de export van uitkeringen? Kan deze samenwerking verbeterd worden, bijvoorbeeld door middel van een Frauderaad of het oprichten van een gemeenschappelijk team dat zich richt op het tegengaan van deze fraude?
UWV, de SVB, de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en de Belastingdienst werken in meerdere samenwerkingsverbanden samen om misbruik met o.a. uitkeringen, A1-verklaringen (voor het vaststellen van de toepasselijke wetgeving (SVB)), heffen en innen van premies (Belastingdienst), misstanden met arbeidsomstandigheden (NLA) te signaleren en aan te pakken. De samenwerking tussen de verschillende partners in deze samenwerkingsverbanden wordt als productief ervaren.
Voorbeelden hiervan zijn het samenwerkingsverband Aanpak Misstanden Uitzendsector (AMU) en de Landelijke Stuurgroep Interventieteams (LSI).
Ook zijn er in een aantal landen (Marokko, Turkije, Spanje, Suriname) attachés voor sociale zaken die in opdracht van onder andere de SVB en UWV handhavingstaken uitvoeren op verschillende beleidsterreinen. In strafrechtelijke onderzoeken naar uitkeringsfraude vindt eveneens samenwerking plaats tussen de arbeidsinspectie en UWV of SVB.
Inzake het tweede deel van de vraag of er een frauderaad of gemeenschappelijk team ten behoeve van de aanpak van fraude kan worden opgericht, kan ik het volgende melden. Naar aanleiding van een motie van 13 maart 2019 van de toenmalige Kamerleden Wiersma en Van Dijk heeft mijn voorganger besloten tot de oprichting van een Fraudeberaad. Uw Kamer is daar bij brief van 28 juni 2019 inzake «de stand van zaken uitkeringsfraude» over geïnformeerd (TK-stukken 2018–2019, 17 050, nr. 577). In dit beraad wisselen verantwoordelijke directeuren binnen de diverse instanties (Belastingdienst, Nederlandse Arbeidsinspectie, SVB, UWV en VNG/gemeenten) periodiek kennis uit en stemmen de aanpakken tussen de verschillende uitvoeringsinstanties voor de handhaving van de sociale zekerheid af. Internationale handhaving van de sociale zekerheid (zoals export van uitkeringen of vermogensonderzoek in het buitenland) hoort daar in toenemende mate ook bij en zal als terugkerend agendapunt van het beraad gaan fungeren.
Deelt u de mening dat het wenselijk is om uitgekeerde uitkeringsbedragen, waarmee is gefraudeerd, in het buitenland terug te vorderen, juist omdat het als buitenlandse uitzendkracht hier mogelijk is bij ziekte een uitkering aan te vragen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om het handhavingsinstrument uit te breiden zodat handhaving in het buitenland wel mogelijk is?
In het kader van het borgen van de solidariteit – als fundament van de sociale zekerheid – is het te allen tijde noodzakelijk dat in het geval er uitkeringen onterecht zijn betaald, deze terug te vorderen. Daar gaat bovendien een preventief effect vanuit.
In het antwoord op vraag 4 staat beschreven welke stappen worden doorlopen in het invorderingsproces als de uitkeringsgerechtigde in het buitenland woont. UWV zal in de voorliggende casussen deze handelwijze ook volgen. Volledigheidshalve wil ik daarbij opmerken dat terugvordering in het buitenland moeilijker is dan in Nederland als gevolg van verschillende praktische belemmeringen. De Algemene Rekenkamer benoemt deze belemmeringen in het onderzoek «Een Nederlandse uitkering in het buitenland», 22 juni 2022». De Rekenkamer wijst bijvoorbeeld op het gegeven dat niet altijd duidelijk is welke instantie verantwoordelijk is voor terugvordering. Dat speelt vooral een rol bij landen die een (sterk) gedecentraliseerd sociale zekerheidssysteem hebben. De Rekenkamer stelt tegelijkertijd vast dat UWV, ondanks de praktische beperkingen de handhavingsmogelijkheden die er zijn bij de export van uitkeringen benut. UWV probeert ook afspraken te maken met landen waar veel uitkeringsgerechtigden wonen bilaterale te maken over terug- en invorderen.
Deelt u de mening dat het voor het draagvlak van de sociale zekerheid en het rechtvaardigheidsgevoel van burgers noodzakelijk is om alle uitgekeerde uitkeringsbedragen waarmee is gefraudeerd in het buitenland terug te vorderen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om het terugvorderen van onterechte uitkeringen te intensiveren?
Zoals eerder in het antwoord op de vragen 4 en 7 aangegeven, dienen uitkeringen die onterecht zijn betaald als gevolg van fraude te worden teruggevorderd.
In de beantwoording van deze vragen is ook ingegaan op de mogelijkheden voor terugvordering.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat buitenlandse uitzendkrachten die in Nederland een uitkering hebben aangevraagd deze uitkering naar het buitenland kunnen meenemen zonder dat er adequaat toezicht en handhaving mogelijk is om fraude te voorkomen? Zo ja, welke opties ziet u om de wettelijke mogelijkheid om de handhaving op fraude van export van uitkeringen naar het buitenland te verbeteren?
Zoals mijn ambtsvoorganger in de Kamerbrief van 11 maart 2020 in verband met fraude met ZW-uitkeringen heeft aangegeven, is Nederland gebaat bij een open en naar buiten gerichte economie en een goed werkende interne Europese markt. Daarbij hoort ook dat mensen die in Nederland werken aanspraak kunnen maken op de sociale zekerheid en dat zij hun in Nederland opgebouwde rechten niet verliezen wanneer zij terugkeren naar hun land van herkomst. Dat wordt geregeld in de Europese coördinatieverordening sociale zekerheid (EU-Verordening 883/2004)). Deze Verordening regelt ook dat mensen een uitkering mogen exporteren naar een andere lidstaat.
Goede controle op een rechtmatige verstrekking van uitkeringen is daarbij van wezenlijk belang. Bij de onderhandelingen over de herziening van Verordening 883/2004 heeft Nederland zich de afgelopen jaren dan ook ingezet voor verbeterde handhavingsmogelijkheden bij de export van uitkeringen.
De lange-termijnaanpak Corona |
|
Liane den Haan (GOUD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Wordt er in de lange-termijnaanpak naar uw mening genoeg ingezet op het voorkomen van de verspreiding van het coronavirus in een vroeg stadium? Welke maatregelen worden daarvoor gebruikt?
Het kabinet wil de samenleving zo veel mogelijk open houden. Daartoe heeft het kabinet in de langetermijnstrategie twee nevengeschikte doelen geformuleerd: sociaal-maatschappelijke en economische continuïteit/vitaliteit, en het toegankelijk houden van de zorgketen voor iedereen. Om deze doelen te bereiken moet de verspreiding van het virus geremd worden. Dit is een verantwoordelijkheid voor ons allemaal: de overheid, de sectoren en de burgers.
In de beginfase wordt verspreiding in eerste instantie voorkomen door de basisadviezen op te volgen. De basisadviezen luiden: was vaak je handen, hoest en nies in je elleboog, blijf thuis bij klachten en doe een zelftest, zorg voor voldoende frisse lucht, en haal een vaccin, booster- of herhaalprik. De overheid zet mediacampagnes in om het belang van basisadviezen te onderstrepen. Naast de basisadviezen vanuit de overheid, is er in de langetermijnstrategie van de overheid, in overleg met sectoren, gekeken naar maatregelen die ter preventie kunnen worden getroffen om de virusverspreiding te remmen. Het naleven en benadrukken van de basisadviezen vormt een belangrijk onderdeel van de basis- en preventiemaatregelen in de sectorplannen. Andere veel voorkomende voorbeelden van preventieve maatregelen in de sectorplannen zijn: adequate ventilatie, hygiëne- en schoonmaakprotocollen, looproutes, spat- en kuchschermen, druktemeters, gezondheidschecks, mondkapjesadvies, thuiswerkadvies en het gebruik van zelftesten. Door in te zetten op basis- en preventiemaatregelen wordt de verspreiding van het virus – en verdergaande (contactbeperkende) maatregelen – voorkomen of vertraagd. Het openhouden van de samenleving vraagt dus om een preventieve aanpak waar wij allen een verantwoordelijkheid voor dragen.
Kunt u aangeven welk wetenschappelijk bewijs er is dat aantoont dat de inzet van spat- en kuchschermen helpt in de strijd tegen corona? Kunt u de wetenschappelijke onderzoeken die dit aantonen, bijvoegen?
Het RIVM maakt vanuit infectiebestrijdingslogica onderscheid tussen bronmaatregelen, collectieve maatregelen en individuele maatregelen.1 Bronmaatregelen – maatregelen om verspreiding van corona vanuit een bron (een besmettelijke persoon) te voorkomen – zijn de meeste effectieve maatregelen om verspreiding te stoppen. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn thuisblijven bij klachten en in isolatie gaan na een positieve test. Dit is ook de reden dat het kabinet hamert op het belang van het opvolgen van de basisadviezen. Collectieve maatregelen (zoals de 1,5 meter afstandsnorm, een algemeen mondneusmaskeradvies, adequate ventilatie en spat- en kuchschermen) alsook individuele maatregelen (zoals het dragen van medisch mondneusmasker in drukke binnenruimtes door kwetsbaren) dienen ter afscherming van het restrisico.
Het vaststellen van de effectiviteit van een individuele maatregel op zichzelf is moeilijk, omdat het afhankelijk is van diverse factoren die in de tijd kunnen veranderen. Zo is een spat- of kuchscherm effectief als het op de juiste manier en consequent gebruikt wordt. Daarnaast kijkt het RIVM bij het adviseren van maatregelen naar de som van de maatregelen die gezamenlijk – en in onderlinge samenhang – effectief zijn om de R-waarde te laten zakken.
Kunt u aangeven waarom gekozen is voor de inzet van het coronatoegangsbewijs? Heeft dat bij de vorige uitbraken gewerkt? Voorkomt dit bewijs dat mensen met een besmetting alsnog de deur uitgaan en anderen besmetten?
Een aantal sectoren hebben in hun sectorplannen aangegeven het coronatoegangsbewijs (CTB) als enig werkbaar alternatief te zien om renderend open te kunnen blijven tijdens een zware opleving van het coronavirus. Zonder een alternatieve maatregel zal een maatregel zoals 1,5-meter afstand een grote negatieve impact hebben op het bedrijfsmodel van een aantal ondernemers.
De TU Delft heeft in 2022 op basis van de Deltavariant en de Omikronvariant onderzoek gedaan naar de effectiviteit van het CTB, en concludeert dat het CTB invloed kan hebben op het verlagen van het aantal besmettingen en ziekenhuisopnames onder bezoekers van een CTB-locatie. Verder concluderen de onderzoekers dat de effectiviteit van het CTB in het afremmen van de epidemie afhankelijk is van de epidemiologische context (immuniteit onder de bevolking, vaccineffectiviteit en circulerende virusvarianten), het type CTB dat wordt ingezet (1G, 2G of 3G) en de breedte waarmee het CTB wordt ingezet.2 Zowel de Raad van State als de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)3 als het Maatschappelijk Impact Team (MIT)4 geven aan dat het CTB één van de maatregelen is die nodig kan zijn voor het bestrijden van het coronavirus in de zwaardere scenario’s. Daarom pleiten deze partijen voor het opnemen van deze maatregel in de gereedschapskist.
Het CTB kan, in combinatie met andere maatregelen geldend in een specifieke setting, het risico op verspreiding van het virus verkleinen.
Op dit moment bestaat er geen wettelijke grondslag voor het CTB. Deze grondslag is ook niet voorzien in de Eerste tranche Wpg. Een wetsvoorstel dat onder voorwaarden de inzet van het CTB mogelijk maakt, valt wat het kabinet betreft te overwegen ter ondersteuning van de sectorplannen. Voorwaardelijk hieraan is dat er in uw Kamer draagvlak bestaat voor een dergelijk wetsvoorstel. Hierover gaat het kabinet graag met uw Kamer in gesprek.
Kunt u aangeven hoe en wanneer de motie van het lid Den Haan1 wordt uitgevoerd?
De sectoren hebben hun concept-sectorplan medio juli aangeleverd. Vervolgens hebben diverse experts naar de plannen gekeken. Het gaat hierbij om infectiepreventiespecialisten, arbeidshygiënisten, de RIVM-gedragsunit en juristen van de betrokken departementen. Medio augustus hebben de sectoren de reflecties van voornoemde experts ontvangen. De reflecties dienden als input voor het aanscherpen van de sectorplannen waar nodig. Op basis van de reflecties en adviezen hebben de sectoren eind augustus hun definitieve plannen ingediend.
De sectorplannen zijn vervolgens gewogen door de betrokken ministeries, waarbij is gekeken of de feedback van experts in voldoende mate is verwerkt, en of daarmee sprake is van voldoende solide plannen, zodat in verschillende scenario’s handelingsperspectief bestaat. Hierbij is ook de reflectie van het responsteam van het RIVM meegenomen.7 Vervolgens heeft het kabinet, op basis van de sectorplannen, maatregelenladders opgesteld. Deze maatregelenladders zijn in de meeste gevallen een gecomprimeerde vorm van de sectorplannen. Dit zorgt voor meer uniformiteit, overzicht, en draagt bij aan duidelijke communicatie. Voor sommige sectoren is op bepaalde onderdelen afgeweken van de sectorplannen. Zo is de volgorde van de te nemen maatregelen soms aangepast om meer eenduidigheid tussen sectoren te creëren (bijvoorbeeld een voorgestelde maatregel verplaatst van de interventiefase naar preventiefase). Daar waar sectoren in hun sectorplan geen interventiemaatregelen hebben aangegeven, zijn de meest passend geachte maatregelen door het kabinet aangevuld. Deze aanvulling is in de maatregelenladders duidelijk kenbaar gemaakt door het gebruik van een andere kleur in de maatregelenladder (blauw), zodat het meteen duidelijk is welke maatregelen vanuit sectoren zelf zijn aangedragen, en welke maatregelen een aanvulling zijn vanuit het kabinet. Zo maakt het kabinet kenbaar wat de appreciatie van de overheid is.
Het kabinet heeft daarmee kaders opgesteld voor de sectorplannen, regie gevoerd en heeft de plannen integraal getoetst op tegengestelde belangen. In combinatie met het borgen van de positie van mensen met een kwetsbare gezondheid (zie het antwoord op vraag 3) beschouw ik de motie hiermee als afgedaan.
Kunt u aangeven hoe de positie van mensen met een kwetsbare gezondheid worden geborgd in de lange termijnaanpak die er nu ligt? Wat gaat u doen met de constatering van het responseteam van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat het in de maatregelenladder specifieke maatregelen mist om de meest kwetsbaren in de samenleving te beschermen en ook zijn er geen maatregelen om kwetsbaren in staat te stellen zichzelf te beschermen?
Allereerst is de najaarsvaccinatieronde gestart met het vaccineren van 60-plussers en medische (hoog)risicogroepen, aangezien zij het meest kwetsbaar zijn. Het kabinet houdt binnen de langetermijnstrategie rekening met één of meerdere vaccinatierondes in 2023, al dan niet specifiek voor bepaalde groepen die een verhoogd risico lopen. Daarnaast verstrekt het kabinet – via apotheken – persoonlijke beschermingsmiddelen en zelftesten aan medisch kwetsbaren, en degenen die voor hen zorgen. Deze regeling loopt vooralsnog tot 1 januari 2023. Verder wordt er periodiek overlegd met patiëntenfederaties en cliëntenorganisaties, en is het alternatieve langetermijnplan van VergeetOnsNietErnst (#VONE) meegenomen. Dit plan bevat aanbevelingen die gericht zijn op de positie van mensen met een kwetsbare gezondheid. Een groot deel van deze aanbevelingen werd al toegepast of is overgenomen bij de verdere uitwerking van de langetermijnaanpak. Zoals bijvoorbeeld de verkenning naar een post-covid expertisecentrum, aandacht voor communicatie naar groepen die minder goed te bereiken zijn en het voornemen om een publiekscampagne over het beschermen van kwetsbare groepen te starten. Daarnaast worden mensen met een beperking of chronische ziekte vertegenwoordigd in de praktijkkringen van het MIT. Het MIT benut deze praktijkkringen met maatschappelijke organisaties om te beschikken over actuele kennis, informatie en inzichten voor hun advies.
Het kabinet heeft daarnaast sectoren, bij het opstellen van sectorplannen, expliciet gevraagd aandacht te hebben voor kwetsbare groepen (conform motie Paulusma).5 Sectoren hebben hiervoor een handreiking ontvangen. Infectiepreventiespecialisten en arbeidshygiënisten hebben in hun feedback aan sectoren ook aandacht gevraagd voor kwetsbare groepen (voor zowel bezoekers als voor medewerkers). In de opgestelde maatregelenladders zijn kwetsbare groepen als één van de algemene aandachtspunten benoemd.
Het kabinet ziet dat verschillende sectoren hun eigen ervaringen en inzichten van de afgelopen ruim twee jaar met betrekking tot kwetsbaren groepen hebben verwerkt in de sectorplannen.
Kunt u aangeven wat de laatste stand van zaken is van de onderhandelingen over de antivirale middelen Paxlovid en Lagevrio?
Vanuit de Europese Commissie heb ik begrepen dat er recent vorderingen zijn gemaakt in de onderhandelingen over Paxlovid en dat zij binnenkort een eindresultaat verwachten. Daarnaast heeft de firma een vergoedingendossier voor Paxlovid ingediend, waardoor het hopelijk ook binnen afzienbare termijn op de normale wijze beschikbaar zal komen. Voor Lagevrio geldt dat de vertraging debet is aan het feit dat het middel nog geen handelsvergunning heeft.
Wat is de stand van zaken van de distributie van het middel Evusheld? Kunt u aangeven hoeveel mensen met een kwetsbare gezondheid het middel inmiddels hebben gekregen?
Het middel wordt zeer beperkt ingezet door behandelaren. Ik kan geen uitspraken doen over exacte aantallen omdat de uitleveringen van het RIVM niet één-op-één corresponderen met daadwerkelijke toedieningen van het middel.
Heeft u kennisgenomen van de lange-termijnaanpak in Duitsland? Deelt u de mening dat deze plannen duidelijker en logischer zijn? Zo nee, waarom niet? Zijn er punten uit de aanpak van Duitsland die Nederland zou kunnen overnemen?
Ik ben bekend met de Duitse strategie. Vooraf wil ik opmerken dat er in Duitsland een verschil is tussen de verantwoordelijkheden op federaal niveau en op lokaal niveau. In de Duitse strategie wordt voor het komende najaar onderscheid gemaakt in twee verschillende aanpakken; het winterbanden- en sneeuwkettingenscenario. Het winterbandenscenario bevat een aantal maatregelen die uit voorzorg getroffen worden; dit scenario is per begin september van kracht. Het sneeuwkettingenscenario bevat zwaardere maatregelen die achter de hand gehouden worden.
De maatregelen die Duitsland neemt, komen ook terug in de gereedschapskist in Nederland, met uitzondering van maatregelen die lijken op een coronatoegangsbewijs. Het grootste verschil met Duitsland is dat wij in Nederland op dit moment geen wettelijke grondslag hebben om maatregelen te treffen uit voorzorg of wanneer de epidemiologische situatie vraagt om zwaardere maatregelen ter bestrijding van het virus. Bovendien zijn er ook in Nederland sectoren die zonder het gebruik van een coronatoegangsbewijs geen alternatief hebben voor stevige maatregelen, zoals een afstandsplicht of een mondkapjesplicht.
De strijd tussen Azerbeidzjan en Armenië |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Veroordeelt u, net als Amerikaans democraat Nancy Polesi, de illegale aanvallen van Azerbeidzjan op Armenië die 13 september jl. begonnen zijn?
Beide landen ontkennen de gevechten te zijn begonnen en beide partijen ontkennen het staakt-het-vuren als eerste te hebben geschonden. Het kabinet heeft noch de capaciteit, noch de presentie ter plaatse, om vast te stellen wie de gevechten is begonnen, of wie het staakt-het-vuren als eerste heeft geschonden. Belangrijkste is nu dat het staakt-het-vuren standhoudt en dat het conflict niet escaleert. Daartoe heeft NL, evenals de EU en andere internationale partners zoals de VS, beide partijen opgeroepen.
Spreekt u steun uit voor Armenië in dit conflict?
Het kabinet zet in op de-escalatie en stabiliteit. Steun uitspreken aan één van beide partijen draagt daar op dit moment in deze situatie niet aan bij. Namens de EU spelen de Voorzitter van de Europese Raad Michel, de Hoge Vertegenwoordiger Borrell en de Speciaal Vertegenwoordiger voor de Zuidelijke Kaukasus Klaar een actieve bemiddelende rol tussen Armenië en Azerbeidzjan en Nederland steunt hen daarin.
Een belangrijke stap in het vredesproces werd vorige week gezet en marge van de eerste top van de Europese Politieke Gemeenschap (EPG) in Praag, op 6 oktober jl. Daar hebben de leiders van beide landen elkaar gesproken, op uitnodiging van de Voorzitter van de Europese Raad Michel en President Macron (Frankrijk). Tijdens dit gesprek hebben beide landen hun steun uitgesproken voor het VN Handvest en de Alma Alta 1991 Verklaring1, waarmee zij respect voor elkaars territoriale integriteit en soevereiniteit erkennen. Ook werd afgesproken dat de besprekingen over grensdemarcatie hervat zullen worden.
Daarnaast zijn er afspraken gemaakt over een EU civiele monitoringsmissie (EUMM) op Armeens grondgebied. Azerbeidzjan heeft zich bereid verklaard een dergelijke missie te steunen. De missie zal zich richten op observatie, verslaglegging en advisering m.b.t. monitoring en grensdemarcatie. Het is de bedoeling dat de missie na formele goedkeuring zo snel mogelijk wordt ingezet. Het kabinet is bezig de mogelijkheden te verkennen voor een Nederlandse bijdrage aan deze missie op korte termijn.
Wat doet Nederland om vrede te faciliteren in deze regio?
Zoals in het antwoord op de vorige twee vragen is gezegd, steunt Nederland het EU-bemiddelingsproces. Daarnaast kijkt Nederland hoe het kan bijdragen aan de EU civiele monitoring missie. Nederland heeft eerder cfm. de Motie 35 925-V nr. 37 Ceder c.s. over een onafhankelijk onderzoek naar de feiten in het conflict tussen Armenië en Azerbeidzjan in de EU gepleit voor een fact finding missie. Met de totstandkoming van de monitoringsmissie wordt hieraan invulling gegeven.
Daarnaast kijkt Nederland naar de financiering van specifieke projecten die vrede in de regio kunnen faciliteren, bijvoorbeeld door financiering van een project door de International Commission for Missing Persons.
Krijgt Azerbeidzjan directe giften, subsidies of leningen van Nederland? Zo ja, hoeveel en wanneer?
Nee.
Krijgt Azerbeidzjan via internationale organisaties waar Nederland bij aangesloten is giften, subsidies of leningen? Zoja, hoeveel en wanneer?
De Azerbeidzjaanse overheid ontvangt vanuit gedelegeerde middelen van Nederland geen gelden. Wel steunt Nederland via gedelegeerde middelen de activiteiten van geselecteerde NGO’s en het UNDP, die zich richten op vrouwen en kwetsbare groepen in Azerbeidzjan.
Het door de EU aan Azerbeidzjan gealloceerde budget onder het EU Instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI) voor de periode 2021–2024 bedraagt in totaal EUR 60 miljoen. Dit betreft geen begrotingssteun. Het kabinet hecht bij de verstrekking van EU-steun aan nabuurschapslanden veel waarde aan het principe van conditionaliteit. Landen die commitment tonen en voortgang boeken met noodzakelijke hervormingen verdienen meer financiële steun dan landen waar hervormingen uitblijven of zelfs sprake is van regressie (more for more, less for less).
Ook ontvangt Azerbeidzjan financieringen van organisaties waarvan zowel Nederland als Azerbeidzjan aandeelhouder zijn zoals de Wereldbank, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) en de Europese Investeringsbank (EIB). Volgens opgave van de Wereldbank lopen er momenteel 8 financieringen voornamelijk op het terrein van landbouw en vervoer met een totale committering van USD 629 miljoen2. Voor de EBRD gaat het om 31 actieve financieringen met een committering van EUR 884 miljoen vooral op het gebied van duurzame infrastructuur3.
Bent u van mening dat Armenië hulp nodig heeft van Nederland in dit conflict?
Het conflict tussen Armenië en Azerbeidzjan is zeer complex. Nederland steunt het EU-bemiddelingsproces, waarbij de EU bemiddelaars actief optreden om vrede in de regio te faciliteren. De EUMM is hier een concreet voorbeeld van.
Nederland steunt Armenië op andere manieren, bijvoorbeeld ten aanzien van opbouw van de rechtsstaat en democratie. Deze hulp wordt o.a. geboden via het MATRA-programma.
Wat kan Nederland nog meer doen om Armenië te ondersteunen in deze strijd?
Het kabinet richt zich er allereerst op om te zorgen dat nu de situatie stabiliseert, dat nieuwe vijandelijkheden uitblijven en dat er een duurzame politieke oplossing komt. Daarbij zet NL in op het spoor van de EU.
Is Nederland afhankelijk van handel met Azerbeidzjan?
Nee, Nederland is niet afhankelijk van handel met Azerbeidzjan. Voor Nederland staat Azerbeidzjan op nummer 94 wat betreft landen waar Nederland goederen heen exporteert (cijfers 2020, OEC). In 2020 bedroeg de export van Nederlandse goederen naar Azerbeidzjan € 187 miljoen. In hetzelfde jaar importeerde Nederland voor € 9.05 miljoen uit Azerbeidzjan, waarbij acyclische alcohol het grootste importgoed was.
Bent u bereid binnen de EU te pleiten voor sancties gericht op het regime van Azerbeidzjan?
Op dit moment draagt het pleiten voor sancties in EU-verband tegen de regering van Azerbeidzjan niet bij aan een vreedzame oplossing.
Wat voor andere acties kan Nederland ondernemen om Azerbeidzjan tot de orde te roepen?
Nederland heeft op hoog ambtelijk niveau de zorgen over mogelijke escalatie van het conflict overgebracht aan de vertegenwoordigers van zowel Azerbeidzjan als Armenië. Beide landen hebben zich publiekelijk gecommitteerd aan de vredesonderhandelingen. Op 5 oktober jl. heeft Azerbeidzjan, na bemiddeling door de VS, 17 Armeense gevangenen vrijgelaten.
Daarnaast heeft op 5 oktober jl. een gesprek plaatsgevonden op het Ministerie van Buitenlandse Zaken met de Azerbeidzjaanse ambassadeur naar aanleiding van het verschijnen van een video waarop te zien is dat Azerbeidzjaanse soldaten Armeense krijgsgevangenen neerschieten. Het Azerbeidzjaanse Openbaar Ministerie heeft een onderzoek aangekondigd naar de gebeurtenissen in deze video. Nederland heeft bij die gelegenheid afschuw over de video uitgesproken en er bij Azerbeidzjan op aangedrongen dat dit onderzoek onafhankelijk en effectief is en de resultaten openbaar worden gemaakt.
Nederland hecht groot belang aan accountability en alle mogelijke schendingen van het internationaal humanitair oorlogsrecht door ieder land dienen te worden onderzocht en de daders dienen te worden vervolgd.
Bent u bereid net als Nancy Pelosi een bezoek af te leggen aan Armenië op korte termijn? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet nu eerst in op EU-bemiddeling. De Speciale Vertegenwoordiger van de EU voor de Zuidelijke Kaukasus is namens de EU meteen na het oplaaien van het geweld afgereisd naar Jerevan en Bakoe, waar hij op hoog niveau gesprekken heeft gevoerd met beide landen.
Bent u bereid elke vraag afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken te beantwoorden?
Ja.
De Kamerbrief 'Mogelijke overschrijding handhavingspunten Rotterdam The Hague Airport' |
|
Raoul Boucke (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is het effect van het overnemen van commerciële vluchten van Schiphol op de geluidsnormen van Rotterdam The Hague Airport?
De handhavingspunten voor geluid en de daaraan gekoppelde grenswaarden zijn in de Omzettingsregeling Rotterdam The Hague Airport (RTHA) opgenomen. Mede op basis hiervan bepaalt de luchthaven de capaciteit. Aangezien RTHA een slot-gecoördineerde luchthaven is, wijst de (onafhankelijke) slotcoördinator vervolgens op basis van de door RTHA bepaalde capaciteit de slots toe aan luchtvaartmaatschappijen. Dit heeft geen betrekking op politie- en traumahelikopters. Het gebruik van politiehelikopters wordt bepaald door de Nationale Politie en van traumahelikopters door het Traumacentrum. Er wordt tussen handelsverkeer (commerciële vluchten) en politie- en traumahelikopters ook niet geprioriteerd.
Het is een verantwoordelijkheid van de luchthaven om ervoor te zorgen dat de vluchten die op RTHA uitgevoerd worden binnen de grenswaarden blijven. Deze worden door de Inspectie Leefomgeving Transport (ILT) gehandhaafd. Aangezien RTHA slechts een beperkt aantal vluchten van Schiphol overgenomen heeft, is de bijdrage daarvan aan de grenswaarden ook beperkt. Bij een dreigende overschrijding zoals gemeld in de brief van 12 september jl.,1 is het voorts aan de luchthaven om er in overleg met de gebruikers voor te zorgen dat de grenswaarden uiteindelijk niet overschreden worden, en om daartoe keuzes te maken.
Hoe kijkt u naar de afweging van prioritering van vluchten?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom heeft u het in uw brief niet over het verminderen van commerciële vluchten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe wordt de geluidsruimte op Schiphol ingedeeld, specifiek tussen passagiersvluchten en inzet van MMT en politieverkeer?
Voor Schiphol wordt er voor de geluidsruimte onderscheid gemaakt tussen handelsverkeer (commerciële vluchten) en niet-handelsverkeer, waar maatschappelijk verkeer (zoals politie- en traumahelikopters) onderdeel van uitmaakt. Van niet al het verkeer dat onder niet-handelsverkeer valt is de geluidsbelasting bekend. Daarom wordt de geluidsbelasting van niet-handelsverkeer bepaald door de geluidsbelasting van handelsverkeer met 2,5% te verhogen. In een brief aan uw Kamer van 19 november 20182 en in de Milieueffectrapportage3 van het Nieuw Normen- en Handhavingstelsel (NNHS) is dit toegelicht.
Spelen financiële redenen mee met uw besluit om een tweede geluidsruimte niet toe te kennen aan operationele diensten?
Er is geen sprake van een besluit: zoals in de brief van 12 september jl. aangegeven, is het creëren van een aparte gebruiksruimte voor geluid voor spoedeisende hulpverlening en politietaken op dit moment juridisch niet mogelijk. In de Luchtvaartnota 2020–2050 is aangegeven dat luchthavens met vluchten voor spoedeisende hulpverlening en politietaken een aparte gebruiksruimte in luchthavenbesluiten krijgen. In dit kader zijn de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Justitie en Veiligheid betrokken.
Heeft de luchthaven contact gehad over het besluit met de politie en het Erasmus MC? Zo ja, wat was hun reactie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre zijn het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Justitie en Veiligheid betrokken bij dit besluit en de totstandkoming daarvan?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt de inzet van de traumahelikopter bij Rotterdam The Hague Airport beperkt nu er mogelijke overschrijding is van de handhavingspunten?
In de brief aan uw Kamer van 12 september jl. is aangegeven dat ik aan RTHA gevraagd heb om in overleg met de gebruikers maatregelen te nemen om de mogelijke overschrijding van grenswaarden te voorkomen. Wat de effecten van de te nemen maatregelen zullen zijn op de inzet van de politie- en traumahelikopter en (bij gevolg) voor de traumazorg en de uitvoering van politietaken is nog niet aan te geven. Uitgangspunt is dat luchthavens publieke voorzieningen zijn, waarbij gezondheid en veiligheid voorop staan. Commercieel verkeer en vrachtverkeer mogen dus niet ten koste gaan van de inzet op gezondheid (trauma-heli) en veiligheid (politie, onder andere luchtsteun voor de Dienst speciale interventie).
Wat is hiervan het gevolg voor de traumazorg in de regio die de helikopter gestationeerd bij Rotterdam The Hague Airport bedekt?
Zie antwoord vraag 8.
Welke gevolgen heeft eventuele beperking van de inzet voor de uitvoering van politietaken?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u inzichtelijk maken wat de effecten en resultaten zijn van de inzet van maatschappelijk verkeer zoals politie- en traumahelikopters vanaf Rotterdam The Hague Airport?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid geeft aan dat in 2020 in heel Nederland vijftig mensenlevens gered zijn dankzij zoekacties van politiehelikopters. Op aanwijzing van de helikopterbemanning werden 150 verdachten op heterdaad aangehouden. In veel gevallen zijn politiehelikopters een zogenoemde «force multiplier» waarbij de ogen vanuit de lucht zorgen voor veel extra slagkracht door overzicht en bieden extra veiligheid voor de politiecollega’s op straat.
Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geeft aan dat er in Nederland momenteel vier helikopters voor Mobiel Medische Teams (MMT) zijn, waaronder die in Rotterdam, die een bovenregionale functie hebben. Zij verlenen urgente, vaak hoog-complexe prehospitale zorg die alleen door een dergelijk team kan worden verleend. Het gaat hierbij onder andere om levensreddende voorbehouden handelingen die alleen door een arts mogen en kunnen worden uitgevoerd. Dit betreft bijvoorbeeld patiënten die ter plaatste onder anesthesie gebracht moeten worden en waarvan de luchtweg middels intubatie gezekerd moet worden, om de ademhaling gecontroleerd over te kunnen nemen en te verbeteren. In 2021 werden per dag gemiddeld 1 tot 2 patiënten geïntubeerd door het MMT-team van Rotterdam, nog los van andere levensreddende en/of gezondheidsschadebeperkende handelingen die alleen dit team kan uitvoeren.
Bent u het ermee eens dat de onvoorziene toename van het aantal traumavluchten vergeleken met de prognose slechts in het belang is voor de acute hulp van burgers?
De inzet van traumahelikopters maakt een belangrijk onderdeel uit van acute medische hulp. Daarnaast hebben operationele diensten een inspanningsverplichting om geluidsoverlast voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken.
Bent u het ermee eens dat er in de handhavingspunten rekening moet worden gehouden met onvoorziene uitruk van MMT en politie?
De luchthaven en haar gebruikers moeten ervoor zorgen dat de vluchten die op RTHA uitgevoerd worden binnen de grenswaarden blijven. Zij moeten dus met elkaar bezien hoe gepland en ongepland verkeer ingepast kunnen worden. In dat kader is het van belang dat luchthaven en operationele diensten goed monitoren hoe het gebruik door maatschappelijk verkeer zich ontwikkelt, om zodoende tijdig te kunnen bijsturen waar dat mogelijk is.
Voor het nieuw vast te stellen Luchthavenbesluit voor RTHA zal een aparte gebruiksruimte worden opgenomen voor vluchten ten behoeve van spoedeisende hulpverlening en de uitoefening van politietaken. Hiervoor zijn ook goede prognoses van de operationele diensten nodig over de inzet van dit verkeer voor de komende jaren, zodat van een potentiële overschrijding geen sprake hoeft te zijn. Daarbij merk ik op dat in het geval van een onverwachte overschrijding als gevolg van onvoorziene of ongeplande omstandigheden (bijvoorbeeld als gevolg van een ramp) in de Wet luchtvaart is bepaald dat geen handhavingsmaatregelen worden ingezet.
Tot slot, het maatschappelijk verkeer heeft een belangrijke maatschappelijke functie. Tegelijkertijd moet er ook bij dit verkeer oog zijn voor het feit dat dit verkeer impact heeft op de omgeving van de luchthaven. Daarom spannen de operationele diensten zich in om eventuele hinder zoveel als mogelijk te beperken en bijvoorbeeld bij de aanschaf van helikopters rekening te houden met de omgevingsimpact. Verder geldt dat als het gebruik van politie- en traumahelikopters blijft toenemen er opnieuw een afweging gemaakt moet worden over het accommoderen van dit verkeer en de locatie daarvan.
Hoe zorgt u er op de langere termijn voor dat traumazorg en de inzet van politie in de toekomst niet in de knel komt door de regels omtrent geluidshinder?
Zie antwoord vraag 13.