Het ontbreken van een nationaal zwemdiploma en garanties voor veiligheid en kwaliteit van het zwemonderwijs |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de bevindingen van Radar «Zwemonderwijs in Nederland onder de maat»? Deelt u de mening dat het een slechte zaak is dat heel veel ouders niet weten dat er geen regels zijn voor de eisen en uitgiftes van zwemdiploma’s? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Het is zorgwekkend dat bijna een kwart van de ouders vindt dat zijn of haar kind niet goed heeft leren zwemmen op de zwemlocatie. Kwalitatief goede zwemles is van groot belang voor ieder kind.
Echter, wanneer de zwemvaardigheid bij uitgifte van een diploma gegarandeerd is, is het in de kern geen probleem wanneer ouders niet op de hoogte zijn van de regelgeving rondom zwemdiploma’s.
Begrijpt u de grote zorgen van ouders over de kwaliteit van de zwemlessen en de zwemvaardigheid van hun kinderen?
Ik vind dat ouders mogen verwachten dat hun kind kan zwemmen wanneer het een zwemdiploma heeft behaald. Daarom kan ik mij goed voorstellen dat ouders bezorgd zijn als ze merken dat dit niet het geval is. Zelfredzaamheid in en om het water is een belangrijke vaardigheid voor opgroeiende kinderen.
Vindt u het verantwoord dat er geen regels zijn voor het uitgeven van zwemdiploma’s, iedereen dus zelf de eisen mag bedenken en diploma’s mag printen, dat zwemonderwijzers zelf niet gediplomeerd hoeven te zijn om zwemles te geven en kinderen die nog niet goed genoeg kunnen zwemmen toch een diploma uitgereikt kunnen krijgen?
Dat bijna een kwart van de ouders zich zorgen maakt over de kwaliteit van de zwemles is een signaal dat ik serieus neem. Op dit moment ligt een hoge mate van verantwoordelijkheid bij de branche zelf om op een verantwoorde wijze zwemles te geven. Mede om die reden trek ik samen met de branche op om na te denken over manieren waarop de kwaliteit van zwemles in de toekomst geborgd kan worden.
Deelt u de mening dat ouders er op moeten kunnen vertrouwen dat zwemlessen veilig zijn en kwalitatief goed zijn, en het zwemonderwijs er in ieder geval toe leidt dat kinderen zich goed kunnen redden in het water, zeker als er een diploma is afgegeven (bij welke aanbieder dan ook)?
Ja.
Wat is uw visie op het zwemonderwijs in Nederland en welke stappen gaat u op dit dossier zetten in deze kabinetsperiode? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de verzamelbrief zwemvaardigheid en zwemveiligheid van 19 april 2022 schreef ik aan de Kamer dat zwemvaardigheid een belangrijk onderdeel is van de Nederlandse (sport)cultuur. Daarbij ga ik mij inzetten om ieder kind in Nederland in de basisschoolleeftijd in aanraking te laten komen met zwemles. Waar mogelijk ondersteun ik de branche bij eventuele drempels die ouders en kinderen ervaren om na die kennismaking zwemles te blijven volgen.
Naar welke mogelijkheden kijkt u samen met de Nationale Raad Zwemveiligheid (NRZ) om de kwaliteit van zwemonderwijs in de toekomst te garanderen, zoals u stelt in uw reactie aan Radar? Kunt u uw antwoord toelichten?2
De NRZ verkent wat de voor- en nadelen zijn van verschillende scenario’s van regulering van zwemonderwijs, te weten:
Het eindproduct van deze exercitie is een afwegingskader waarbij de NRZ beschrijft wat opbrengsten maar ook de eisen van de verschillende scenario’s zijn. Ook zal bekeken worden wat overheden en andere (veld)partijen zouden kunnen bijdragen.
Om input voor deze scenario’s op te halen zijn alle zwemlesaanbieders uitgenodigd om mee te denken, ook de aanbieders die niet zijn aangesloten bij de NRZ.
Onderzoekt u ook de mogelijkheden om wetgeving op te stellen omtrent het zwemonderwijs, zodat kinderen en ouders altijd kunnen vertrouwen op goede zwemlessen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de verdiepingsslag van het sportstelsel van de toekomst verken ik diverse governance-vormen, inclusief (eventuele) wettelijke verankering daarvan. Zwemles is onderdeel van deze verdiepingsslag. Deze inspanning loopt parallel aan de brancheconsultatie van de NRZ (zie antwoord 6).
Bent u bereid om één Nationaal Zwemdiploma in te voeren, waarbij verschillen in methoden van zwemlessen mogelijk blijven maar er wel nadrukkelijk eisen aan zwemlesaanbieders worden gesteld, zodat ouders erop kunnen vertrouwen dat veiligheids- en kwaliteitseisen in het zwemonderwijs zijn gegarandeerd? Zo niet, waarom niet?
Als uit de brancheconsultatie en de verdiepingsslag blijkt dat één Nationaal Zwemdiploma benodigd is om de kwaliteit van het zwemonderwijs te garanderen dan ben ik bereid te onderzoeken op welke wijze dit te realiseren is.
Bent u bereid om de voorstellen die gedaan zijn in het «Actieplan Zwemvaardigheid en zwemveiligheid in Nederland, hoe het risico op verdrinkingen te verkleinen» over te nemen? Zo niet, welke niet, en waarom niet?3
Veel van de voorstellen uit «Actieplan Zwemvaardigheid en zwemveiligheid in Nederland, hoe het risico op verdrinkingen te verkleinen» worden op dit moment ten uitvoer gebracht of hebben een plek in het Nationaal Plan Zwemveiligheid 2021–2024 van de NRZ. Dit betreft:
Het voorstel tot herinvoering van schoolzwemmen neem ik niet over. Schoolzwemmen is geen wettelijke taak voor het onderwijs en daarmee blijft het in de vrije keuzeruimte van scholen. Als scholen of gemeenten de wens hebben deze vrije ruimte te gebruiken voor schoolzwemmen juich ik dat toe. Schoolzwemmen is een mooie manier om kinderen te bereiken die niet vanzelfsprekend in aanraking komen met zwemles.
Om drempels te verlagen voor scholen en gemeenten die graag schoolzwemmen willen aanbieden, stel ik bestedingsbudget van het sportakkoord beschikbaar en ben ik met de collega van OCW in overleg of we gemeenten kunnen stimuleren om zwemles onderdeel te laten zijn van het aanbod van Rijke Schooldag.
Tot slot zal ik op basis van de brede brancheconsultatie van de NRZ en de resultaten van de verdiepingsslag toekomstig sportstelsel bezien of ik het voorstel om te komen tot een Nationaal Zwemdiploma al dan niet overneem. Zie ook antwoord 8.
Het verbieden van mobiele telefoons door GXO |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staken omdat je mobiele telefoon niet mee naar binnen mag: «We zijn slaven»?»1
Ja.
Vindt u het verbieden van mobiele telefoons van werknemers getuigen van het volwassen behandelen van het personeel door werkgever GXO?
Op basis van het instructierecht van de werkgever (art. 7:660 BW) kan een werkgever het gebruik van mobiele telefoons of andere voorwerpen op de werkvloer verbieden. Deze bevoegdheid is eenzijdig; instemming van de werknemers is niet nodig. Voorwaarde van een instructie is dat deze redelijk en billijk is.
Ik heb van GXO vernomen dat het gebruik van mobiele telefoons in het warehouse uit veiligheidsoverwegingen niet is toegestaan. In het warehouse wordt met heftrucks en computergestuurde apparatuur gewerkt waardoor het – net als in het verkeer – niet veilig is om tijdens het werk gebruik te maken van een mobiele telefoon. Daar waar het voor het werk noodzakelijk is om onderling te communiceren, wordt met portofoons gewerkt aangezien op veel plekken in het warehouse geen bereik is.
Overigens heb ik van GXO vernomen dat naar aanleiding van onrust onder de medewerkers en zorgen over hun veiligheid is besloten om toe te staan dat mobiele telefoons naar binnen mogen in het warehouse mits ze niet tijdens het werk worden gebruikt.
Bent u ook om die reden van mening dat het verbieden van het meenemen van mobiele telefoons op de werkvloer door GXO bespottelijk is?
Zie antwoord vraag 2.
Is het überhaupt toegestaan dat een werkgever verbiedt mobiele telefoons of andere voorwerpen op de werkvloer mee te nemen? Zo ja, wat zijn de wettelijke regels hiervoor?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens dat het zeer opmerkelijk is dat dit besluit is genomen, nadat er filmpjes zijn gemaakt van een levensgevaarlijke werksituatie?
Het niet toestaan van mobiele telefoons in een warehouse uit veiligheidsoverwegingen is gebruikelijk. Ik heb van GXO vernomen dat het ging om een bestaande instructie.
Deelt u de mening dat het erop lijkt dat deze werkgever het verbod op het meenemen van mobiele telefoons niet heeft genomen vanwege veiligheidsvoorschriften, maar eerder om misstanden op de werkvloer te verbergen?
Zie antwoord vraag 5.
Ook geven werknemers aan dat ze vaak dezelfde dag nog worden afgebeld om te kunnen werken en daardoor geen salaris ontvangen, klopt het dat een werkgever bij afzegging binnen vier dagen toch het recht heeft op loon voor de afgesproken uren?
Ja. Met de Wet arbeidsmarkt in balans is geregeld dat oproepkrachten recht hebben op loon als hun werkgevers binnen vier dagen alsnog afzegt. Het merendeel van de uitzendkrachten heeft een oproepcontract. Als het klopt dat uitzendkrachten op een oproepcontract dezelfde dag nog worden afgezegd zonder loon hiervoor te ontvangen is dat in strijd met de wet.
Hoe oordeelt u verder over de opmerkingen van werknemers dat zij van mijn mening zijn dat zij als «slaven» worden behandeld?
Dat baart mij zorgen. Werknemers moeten te allen tijde goed worden behandeld. Zij moeten onder de correcte arbeidsvoorwaarden, conform wetgeving (zoals de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag) en, indien van toepassing, cao en onder goede arbeidsomstandigheden kunnen werken. Indien zij van mening zijn dat hiervan geen sprake zou zijn, moedig ik hen aan om een melding te doen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie.
Bent u vanwege al deze signalen over GXO bereid om de Arbeidsinspectie te verzoeken een inspectie uit te laten voeren bij dit bedrijf?
De Nederlandse Arbeidsinspectie werkt programmatisch en risicogericht, en is onafhankelijk toezichthouder. Bij haar keuzes betrekt de Arbeidsinspectie ook de actualiteit. De Arbeidsinspectie heeft een project gericht op uitzendarbeid en distributiecentra. In dat kader hebben de arbeidsomstandigheden in distributiecentra haar aandacht.
De implicaties van het afsluiten van een nieuw WHO-verdrag gebaseerd op artikel 19 van de WHO-Constitutie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het «Besluit van de inspecteur-generaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 24 november 2021 tot vaststelling van het Specifiek interventiebeleid tabak en rookwaren»?1
Ja.
Klopt het dat voor de wettelijke basis van dit besluit wordt gerefereerd aan richtlijn 2014/40/EU betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten? Bent u bekend met artikel 7 van deze EU-richtlijn waarin staat dat wettelijk optreden nodig is voor de uitvoering van het Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) inzake tabaksontmoediging (WHO Framework Convention on Tobacco Control)?2
De belangrijkste wettelijke bepalingen met betrekking tot het specifieke interventiebeleid tabak en rookwaren van de NVWA zijn de Tabaks- en rookwarenwet en het daarop gebaseerde Tabaks- en rookwarenbesluit en de Tabaks- en rookwarenregeling. Daarnaast geldt inderdaad richtlijn 2014/40/EU betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2011/37/EG (hierna: de Tabaksproductenrichtlijn).
Ik ben bekend met artikel 7 van de Tabaksproductenrichtlijn. In dit artikel wordt evenwel niet verwezen naar het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging. Dit gebeurt wel in artikel 1 waarin onder andere wordt aangegeven dat de richtlijn tot doel heeft uitvoering te geven aan het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging en dat wordt uitgegaan van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid, met name voor jongeren.
Bent u bekend met het initiatief van de Wereldgezondheidsassemblee (WHA) om de pandemische paraatheid te versterken,3 waarbij via artikel 19 van de WHO-Constitutie een legaal bindende overeenkomst wordt bewerkstelligd?4
Ik ben bekend met het initiatief van de WHA om de pandemische paraatheid te versterken. Het is echter nog niet vastgesteld onder welk artikel van de WHO-Constitutie het nog uit te onderhandelen instrument zal komen te vallen.
Klopt het dat het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging door zowel Nederland als de EU is ondertekend? Betekent dit dat indien Nederland besluit om door middel van artikel 31 uit dit verdrag te stappen, Nederland op basis van EU-richtlijnen nog steeds verplicht kan worden om aan de voorwaarden van het verdrag te voldoen? Kan het niet tot uitvoer brengen van de relevante bepalingen van richtlijn 2014/40/EU tot gevolg hebben dat de EU een inbreukprocedure start omdat Nederland niet voldoet aan EU-richtlijnen die ten gevolge van het WHO-verdrag ontstaan, waardoor Nederland effectief niet onder het WHO-verdrag uit kan komen?
Het klopt dat het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging in 2003 door zowel Nederland als de EU is ondertekend. Het Verdrag is vervolgens voor beiden in 2005 in werking getreden. De inhoud van het WHO-Kaderverdrag valt gedeeltelijk onder de bevoegdheid van de lidstaten en gedeeltelijk onder de exclusieve bevoegdheid van de EU. Op enkele terreinen van het tabaksontmoedigingsbeleid – zoals productregulering en reclame en sponsoring – hebben de lidstaten namelijk hun nationale bevoegdheid gedeeltelijk aan de EU overgedragen. Deze onderwerpen zijn o.a. in de Tabaksproductenrichtlijn gereguleerd. De lidstaten zijn gehouden Europese richtlijnen te implementeren in hun nationale recht. Ook als Nederland het verdrag opzegt is Nederland gehouden aan de wetgeving van de EU, want er is sprake van een gezamenlijke bevoegdheid.
Klopt het dat in artikel 9, lid (b) van het meest recente concept-rapport, het «verbeteren, updaten en versterken van de leidende en coördinerende rol van de WHO» worden genoemd als een voordeel bij het creëren van een nieuw verdrag op basis van artikel 19 van de WHO constitutie?5 Is het juist om te concluderen dat in dit concept-rapport expliciet wordt verwezen naar het WHO Framework Convention on Tobacco Control?6 Klopt het dat op basis van dit bestaande artikel 19 instrument, landen worden verplicht onderdelen van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging om te zetten in nationale wetgeving, waardoor landen verplicht worden maatregelen te nemen? Kan dit dus bij een vergelijkbaar instrument omtrent pandemische paraatheid betekenen dat Nederland verplicht wordt bepaalde maatregelen te nemen via directe WHO-bepalingen, dan wel via EU-richtlijnen?
In de door u genoemde rapportage worden inderdaad voorbeelden genoemd van thema’s waarop lidstaten zouden kunnen samenwerken en wordt ingegaan op de mogelijke juridische vorm die daarbij zou kunnen worden gekozen. Daarbij wordt ook de structuur van het FCTC-verdrag, als een mogelijke juridische vorm voor een dergelijk instrument genoemd. In zijn algemeenheid is het zo dat Nederland gebonden is aan internationale verdagen die wij afsluiten. Verder is het zo dat indien de EU-lidstaten ervoor kiezen om gemeenschappelijk wetgeving aan te nemen, Nederland daaraan gebonden is. Op dit moment is het echter te vroeg te vroeg om hierop vooruit te lopen. Zowel de inhoud, als de juridische vorm van het nog uit te onderhandelen WHO-instrument, staan nog niet vast.
Bent u bekend met artikel 8, tweede lid, van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging? Klopt het dat Nederland door middel van dit artikel wordt verplicht om nationale wetgeving te maken om blootstelling aan tabaksrook in verschillende locaties, waaronder werkplekken in binnenruimtes, te voorkomen? Kunt u uitsluiten dat Nederland als gevolg van het aanstaande nieuwe WHO-verdrag met betrekking tot «pandemische paraatheid», zonder hierover zelf nader te kunnen oordelen, in de toekomst wellicht wordt verplicht nationale wetgeving te maken naar aanleiding van toekomstige nieuwe WHO-bepalingen, dan wel via EU-richtlijnen op basis van dit verdrag?
Ja, ik ben bekend met artikel 8, tweede lid, van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging. De Hoge Raad heeft overwogen dat indien noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van dat verdrag volgt dat geen rechtstreekse werking van de verdragsbepaling is beoogd, de inhoud van die verdragsbepaling beslissend is. Het gaat er dan om, aldus de Hoge Raad, of deze onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Aan artikel 8, lid 2, WHO Kaderverdrag komt volgens de Hoge Raad rechtstreekse werking toe. Dit betekent dat deze bepaling Nederland verplicht voor «indoor public places» effectieve wettelijke maatregelen te nemen tegen blootstelling aan tabaksrook. Dit heeft in Nederland geleid tot aanpassing van de wetgeving.
De inhoud en juridische vorm van het nog uit te onderhandelen WHO-instrument met betrekking tot pandemische paraatheid, staan nog niet vast en daarmee evenmin of er EU-richtlijnen op basis van dit instrument zullen komen. Het is wel inherent aan verdragen in het algemeen dat deze bepalingen kunnen bevatten die aanleiding geven tot aanpassing van nationale wetgeving. Mocht Nederland partij worden bij het nog uit te onderhandelen WHO-instrument met betrekking tot pandemische paraatheid, dan zal het te zijner tijd moeten beoordelen of voor uitvoering van het verdrag, aanpassing van wetgeving nodig is. Hier zal bij de parlementaire goedkeuring in de toelichting op het instrument aandacht aan worden besteed en uw Kamer kan dan een oordeel daarover geven.
Als Nederland partij wordt bij een dergelijk pandemie-instrument dan kan het inderdaad zijn dat specifieke bepalingen na ratificatie van het instrument door het Nederlandse parlement, via aanpassing van Europese regelgeving direct of indirect hun werking zullen hebben in nationale wetgeving wanneer het maatregelen betreft waar een exclusieve EU-competentie voor geldt.
Klopt het dat in artikel 8, lid (a) van het eerder benoemde concept-rapport wordt gesproken over Equity, waarbij lidstaten dit opvatten als een inspannings- én resultaatsverplichting? Betreft dit slechts het delen van informatie en ondersteuning in het produceren van goederen, of kan hierbij sprake zijn van een overdracht van goederen vanuit Nederland naar een andere lidstaat? Wat zijn mogelijke gevolgen voor de toegang tot en autonomie over bijvoorbeeld persoonlijke beschermingsmiddelen als deze onder het gezag van de WHO zullen vallen? Kunt u uitsluiten dat Nederland de zeggenschap over zijn eigen voorraden en productie over zal (moeten) dragen aan de WHO?
Het rapport waar het lid van de FvD fractie naar verwijst, betreft een verslag van een werkgroepbijeenkomst, waar mogelijke thema’s zijn besproken, die relevant zouden kunnen zijn voor een pandemie-instrument van de WHO. De precieze invulling van het thema «equity» en de vraag of en op welke wijze dit uitdrukking zal krijgen in het uiteindelijke instrument, is nog niet besproken. De daadwerkelijke onderhandelingen over de inhoud van het instrument moeten nog beginnen. Maar in zijn algemeenheid is het nastrevenswaardig dat alle landen op de wereld kunnen beschikken over beschermingsmiddelen en of medicijnen, nodig voor het indammen van uitbraken van besmettelijke ziekten. Dat is ook een Nederlands belang.
Klopt het dat in artikel 8, lid (i) van het concept-rapport wordt vermeld dat lidstaten «de noodzaak zien voor nationaal en wereldwijd gecoördineerde acties om misinformatie, desinformatie en stigmatisering aan te pakken als die de publieke gezondheid ondermijnen»? Klopt het dat bijvoorbeeld artikel 11, eerste lid, onder b en artikel 13, tweede lid, van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, leiden tot specifieke eisen die binnen vijf jaar na bekrachtiging omgezet moeten worden in nationale wetgeving?
Zoals het verslag van de WHO-werkgroep voor «pandemische paraatheid en bestrijding» aangeeft, is tijdens de betreffende vergadering gesproken over het thema misinformatie, desinformatie en stigmatisering.
Dit thema is ook in diverse rapporten van expertpanels aan de orde gekomen op basis van wereldwijde ervaringen in de Covid-19 crisis.
Nederland heeft richtlijn nr. 2001/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 juni 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (PbEG L 194) al voor de inwerkingtreding van het WHO Kaderverdrag in Nederland in 2005, geïmplementeerd in de Tabaks- en rookwarenwet, waardoor de voorschriften, genoemd in artikel 11, eerste lid, onder b, hier al van toepassing waren. Ook met de implementatie van richtlijn nr. 2003/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame en sponsoring voor tabaksproducten (PbEG L 152), voldeed Nederland al op een eerder tijdsstip aan de eisen gesteld in artikel 13, tweede lid, van het Verdrag.
Bent u bekend met artikel 14, vierde lid, onder b van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, waarin wordt gesteld dat wanneer een tabaksproduct «waarschijnlijk een onjuiste indruk kan creëren», dit al genoeg is om een advertentie te verbieden? Kunt u uitsluiten dat bij mogelijke ratificatie van een dergelijk verdrag omtrent pandemische paraatheid de WHO Nederland zal verplichten om bepaalde zaken als nepnieuws te bestempelen of zelfs te censureren?
Artikel 14, vierde lid, onder b stelt geen eisen aan reclame. Ik veronderstel dat u artikel 13, vierde lid, onder a bedoelt. In de Tabaks- en rookwarenwet is een veelomvattend reclameverbod voor tabaksproducten en aanverwante producten opgenomen. Op grond van dit verbod is elke vorm van commerciële mededeling, die het bekendheid geven aan of het aanprijzen van een tabaksproduct of aanverwant product tot doel dan wel rechtstreeks of onrechtstreeks tot gevolg heeft, niet toegestaan. Daarnaast is elke handeling in de economische sfeer, met als doel de verkoop van producten te bevorderen, verboden. De NVWA bekijkt per geval of uitingen onder het reclameverbod vallen.
De inhoud en juridische vorm van het nog uit te onderhandelen WHO-instrument met betrekking tot pandemische paraatheid staat nog niet vast. De vraag of en op welke wijze een thema als misinformatie, desinformatie en stigmatisering, zoals besproken door de WHO-werkgroep pandemische paraatheid en bestrijding en zoals dat aan de orde is gekomen in diverse rapporten van expertpanels op basis van wereldwijde ervaringen in de Covid-19 crisis, een plaats zal krijgen in het uiteindelijke instrument is daarom nog niet te beantwoorden. Ik kan mij echter voorstellen dat indien een verdrag bepalingen zou bevatten die strijdig zijn met bijvoorbeeld de Nederlandse Grondwet, dat een reden kan zijn om zo’n verdrag niet te ondertekenen of te ratificeren. Ik heb op dit moment echter geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat van zo’n situatie sprake zal zijn.
Bent u bekend met het bericht dat de Europese Raad op 3 maart 2022 groen licht heeft gegeven om onderhandelingen te starten voor een WHO-verdrag aangaande «pandemische paraatheid»?7 Kunt u toezeggen dat de Nederlandse afvaardiging voor het Intergouvernementele Onderhandelingsorgaan zich bij de onderhandelingen in zal zetten om de Nederlandse autonomie en soevereiniteit omtrent pandemische paraatheid te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben bekend met dit bericht. In december 2021 heeft de Europese Commissie – volgens de daarvoor geldende procedure op basis van artikel 219 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (WVEU) – een aanbeveling uitgebracht, waarin zij de Raad verzocht om een machtiging voor de onderhandelingen over, onder meer, het internationaal pandemie-instrument binnen het WHO-kader. De Raad heeft die machtiging bij Besluit 2022/451 aan de Commissie verleend. Het besluit machtigt de Commissie om, voor aangelegenheden die onder de EU-bevoegdheid vallen, te onderhandelen over het internationaal pandemie-instrument. De onderhandelingsrichtsnoeren – in de bijlage bij het besluit – schetsen de doelstellingen en beginselen van dat verdrag. Deze richtsnoeren kunnen indien nodig worden herzien en verder ontwikkeld, afhankelijk van het verloop van de onderhandelingen. Hoe de praktische uitwerking van de wisselwerking over nationale competenties er precies uit zullen zien, is nog niet vastgelegd. In ieder geval zal de volksvertegenwoordiging in staat zijn haar grondwettelijke controlerende taak uit te voeren, omdat zowel instemming met de ratificatie van het instrument door de Staten-Generaal als instemming met de eventuele aanpassingen in de nationale wet- en regelgeving noodzakelijk zijn. Daarnaast zal ook de Raad van Ministers op Europees niveau het verdrag moeten goedkeuren.
Nederland zal zich bij de onderhandelingen inzetten voor een verdrag dat zoveel mogelijk aansluit bij onze inzet voor pandemische paraatheid en een veiligere wereld.
Bent u bekend met de openingsopmerking van de directeur-generaal van de WHO bij de eerste sessie van het Intergouvernementele Onderhandelingsorgaan op 24 februari 2022?8 Bent u bekend met de volgende zin uit zijn bijdrage: «Voluntary mechanisms have not solved and will not solve these challenges»? Hoe beoordeelt u dit als openingsopmerking bij onderhandelingen waar de Nederlandse autonomie en soevereiniteit omtrent onderdelen van de gezondheidszorg mogelijk ter discussie staan?
Ja, ik ben bekend met de openingsopmerking van de directeur-generaal van de WHO bij de eerste sessie van het Intergouvernementele Onderhandelingsorgaan op 24 februari 2022 en de zin uit zijn bijdrage: «Voluntary mechanisms have not solved and will not solve these challenges«. Ik interpreteer zijn woorden zo, dat hij oproept tot afspraken tussen lidstaten, die daadwerkelijk bijdragen aan het bestrijden en voorkomen van pandemieën, wereldwijd. Het kabinet zal het eindresultaat van de onderhandelingen beoordelen op zijn meerwaarde voor Nederland en voor de wereld.
Hoe beoordeelt u de volgende doelstelling uit dezelfde speech: «by empowering WHO to fulfil its mandate as the directing and coordinating authority on international health work, including for pandemic preparedness and response»? Hoe definieert u de term «directing» in deze context?
De WHO speelt een centrale rol in het werk rondom het versterken van gezondheidssystemen en coördineren van inzet van de internationale gemeenschap op gezondheid. Zo is de WHO onder meer verantwoordelijk voor de implementatie en toezicht op de naleving van de Internationale Gezondheidsregeling uit 2005, die een belangrijke basis vormt voor de wereldwijde paraatheid en bestrijding van ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen. We hebben de WHO niet voor niets. De WHO moet ons helpen bij het vormgeven van goed (internationaal) volksgezondheidbeleid. In die zin passen de woorden van de DG van de WHO bij het mandaat dat we hem gegeven hebben.
Deelt u de visie dat Nederland een mogelijk nieuw WHO-verdrag aangaande «pandemische paraatheid» niet moet ratificeren indien dit leidt tot een scenario zoals in de vragen 5 tot en met 9 wordt geschetst of overeenkomstige inbreuken op de Nederlandse autonomie en/of soevereiniteit tot gevolg heeft? Zo nee, waarom niet? Welke stappen zult u zetten om te voorkomen dat de EU vergelijkbare bepalingen zal ratificeren en door middel van EU-richtlijnen Nederland verplicht deze uit te voeren?
Infectieziekten stoppen niet bij grenzen en daarom is internationale samenwerking en solidariteit cruciaal om een pandemie het hoofd te bieden. De inhoud van het eventuele pandemie-instrument staat nog niet vast en de onderhandelingen daarover zullen mogelijk tot in 2024 doorlopen. De inzet van Nederland zal nog nader vormkrijgen, maar is erop gericht om tot bindende afspraken te komen voor het verbeteren van de preventie, paraatheid en aanpak van pandemieën door lidstaten en die aansluiten bij de visie van Nederland op dit vlak en waarbij nauwe samenwerking is met multilaterale instellingen, met name de WHO. Pas aan het einde van de onderhandelingen kan worden bepaald of Nederland partij wenst te worden bij het instrument en of de regering dit ter goedkeuring zal voorleggen aan de Staten-Generaal.
Inzake Europese wetgeving aangaande de implementatie van aspecten van dit verdrag, die vallen onder de competentie van de Europese Unie, geldt dat het recht tot het doen van voorstellen voor nieuwe wetgeving ligt bij de Europese Commissie. Het is vervolgens aan de lidstaten en het Europees Parlement om hierover te oordelen.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Samenwerkingsverbanden die ondoorzichtig zijn en veel geld kosten |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Zijn er cijfers over hoeveel samenwerkingsverbanden de samenleving kosten? Zo ja, kunt u die naar de Kamer sturen?1
Hier houden we op Rijksniveau geen cijfers van bij, maar we weten dat gemeenten rond de 20%2 van hun begroting uitgeven via samenwerkingsverbanden. Voor kleine gemeenten ligt dit percentage hoger. Ik wil hierbij aantekenen dat het niet zo is dat zonder samenwerkingsverbanden deze kosten wegvallen. Als gemeenten de taken die zij in samenwerking uitvoeren zelf zouden uitvoeren, kost dit ook geld. Gemeenten kiezen bewust voor samenwerking en ik ga ervan uit dat zij een goede afweging maken tussen de publieke waarde die samenwerking oplevert en de (financiële) kosten. De samenwerkingsverbanden waarin gemeenten zowel een bestuurlijk als financieel belang hebben noemen we «verbonden partijen». Het kan hierbij gaan om gemeenschappelijke regelingen, vennootschappen (waarin de gemeente een direct of indirect belang kan hebben), corporaties, verenigingen en stichtingen. Alle gemeenten kennen in hun begroting een paragraaf «verbonden partijen» waarin de bestuurlijke en financiële risico’s per samenwerkingsverband worden benoemd. Daarnaast kennen veel gemeenten een register verbonden partijen, al is het niet meer verplicht om een dergelijk register bij te houden. In de begrotingsparagraaf en het register wordt inzichtelijk gemaakt wat precies de bestuurlijke, juridische en financiële positie is van de gemeente per samenwerkingsverband, wat het publieke belang is van deelname en wat de kosten en risico’s zijn. De kosten van verbonden partijen komen dus terug in de begrotingen van individuele gemeenten en vallen daarmee onder de controle van individuele gemeenteraden.
In hoeverre worden deze kosten meegenomen bij de overweging om gemeenten te herindelen?
Dit speelt doorgaans geen grote rol, aangezien samenwerking voor fusiegemeenten vaak wenselijk blijft. Het aantal samenwerkingsverbanden waarin een gemeente participeert neemt meestal ook niet af na herindeling. Wanneer gemeenten een herindeling overwegen, werken zij meestal meerdere scenario’s uit. Onderdeel van die scenario’s is de vraag in welke mate samenwerking met andere gemeenten noodzakelijk is na herindeling en in welke vorm. Hierbij spelen verschillende bestuurlijke en financiële argumenten een rol.
Kunt u aangeven hoeveel vermeende kostenbesparingen fusiegemeenten opleveren als dat afgezet wordt tegen de kostenvermeerdering van samenwerkingsverbanden?
Nee, dit is niet mogelijk. Herindeling en samenwerking zijn twee verschillende eenheden. Herindeling is vrijwel nooit een volwaardig alternatief voor samenwerking, tenzij dezelfde gemeenten op vrijwel al hun taken al met elkaar samenwerken. Dit is echter zelden het geval. Er is mij geen recent voorbeeld bekend waarin een gemeente koos voor een herindeling om daarmee kosten te besparen op samenwerkingsverbanden. Bij de keuze voor herindeling speelt doorgaans een breder scala aan overwegingen dan alleen kostenbesparing. Eén van de argumenten om tot herindeling over te gaan is vaak wel dat gemeenten hierdoor hopen effectiever te kunnen sturen op samenwerkingsverbanden en/of om binnen de regio een krachtiger samenwerkingspartner te kunnen zijn.
Hoe kan het dat niet duidelijk is hoeveel samenwerkingsverbanden er zijn?
Zoals ik hierboven heb toegelicht zijn er vele soorten samenwerkingsverbanden. Deze zijn in kaart gebracht3 en terug te vinden op de overheidswebsite regioatlas.nl. Het gaat hierbij om samenwerkingsverbanden waarin tenminste twee overheden participeren, waarvan minstens één decentrale overheid en waarbij de samenwerking ook is vastgelegd. Alle samenwerkingsverbanden die onder deze definitie vallen zijn in kaart gebracht, dit zijn dus ook samenwerkingsverbanden die niet onder de definitie «verbonden partij» vallen. Ten slotte is het goed om te benoemen dat gemeenten zelf een goed beeld hebben van de samenwerkingsverbanden waarin zij participeren. In elke gemeentebegroting is te vinden aan welke verbonden partijen een gemeente deelneemt en daarnaast houden de meeste gemeenten een register verbonden partijen bij.
Denkt u dat de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere wetten in verband met het versterken van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen de fundamentele problemen van het gebrek aan democratische controle en zeggenschap bij gemeenschappelijke regelingen oplost?
De wijziging van de Wgr draagt hieraan bij, maar lost niet alle problemen op die betrekking hebben op democratische controle en zeggenschap. De wijziging brengt wel een verbetering aan in de relatie tussen individuele gemeenteraden en afzonderlijke gemeenschappelijke regelingen. Daarnaast wil ik benadrukken dat binnen de huidige wet en regelgeving nog ruimte is om de democratische legitimiteit van samenwerkingsverbanden te verbeteren door anders te handelen. Veel hangt namelijk af van de kwaliteit van sturing op samenwerkingsverbanden en sturing binnen een samenwerkingsverband. De «governance» van samenwerkingsverbanden is soms ingewikkeld en vraagt om expertise bij ambtenaren en bestuurders. De afgelopen jaren is vanuit BZK daarom het initiatief genomen om verschillende producten te ontwikkelen die laten zien welke mogelijkheden er zijn, vaak gebaseerd op voorbeelden uit het land. In de praktijk zien wij dat steeds meer gemeenten een professionaliseringsslag maken, bijvoorbeeld door betere inbedding van de governance van verbonden partijen binnen de eigen organisatie. Dit gebeurt bijvoorbeeld door vaststelling van een kadernota verbonden partijen inclusief afwegingskader voor het aangaan van samenwerkingsrelaties, het cyclisch monitoren van verbonden partijen en het aanbrengen van een betere scheiding tussen de opdrachtgeversrol en eigenaarsrol op ambtelijk en bestuurlijk niveau. Hierdoor zien we dat steeds meer gemeenten ook in staat zijn om de sturing op en sturing binnen samenwerkingsverbanden te verbeteren. Tegelijkertijd onderken ik dat er op dit vlak nog veel is te winnen.
In hoeverre heeft het onderzoek gevolgen voor de aanstaande voorgenomen herindelingen?
Aangezien we graag zien dat herindelingen van onderop tot stand komen is het aan gemeenten om de uitkomsten van het door u bedoelde onderzoek mee te nemen in hun overwegingen om een herindelingsinitiatief te nemen. Ik beoordeel elk herindelingsinitiatief op basis van het Beleidskader gemeentelijke herindeling. Regionale samenhang is hierbij één van de criteria. We vragen van herindelingsgemeenten om te beargumenteren hoe de voorgenomen herindeling bijdraagt aan de samenhang in de regio en het functioneren van samenwerkingsverbanden. Ik voorzie daarom geen gevolgen voor aanstaande herindelingen. Mijn positieve oordeel over de herindeling van de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne die momenteel voorligt, verandert hier niet door.
Erkent u het probleem dat hoogleraar Allers schetst, dat politieke kwesties worden gedepolitiseerd door de beslissingsbevoegdheid over te dragen aan een samenwerkingsverband, waardoor uiteindelijk niemand meer verantwoordelijkheid draagt? Wat is uw analyse over dit geschetste gevolg? Kunt u dit uitgebreid motiveren?
Ik herken dit niet als een breed probleem binnen samenwerkingsverbanden. In beginsel is het goed dat er scherp wordt gekeken naar welke taken minder «politiek» van aard zijn en daarom om minder politieke sturing vragen. Dit kan de efficiëntie en kwaliteit van de taakuitvoering ten goede komen. Met name bij de meer uitvoerende samenwerkingsverbanden werkt het goed als taken zoveel mogelijk gestandaardiseerd worden. Dit kan doorslaan naar depolitisering, waarbij beslissingen die weldegelijk een «politiek randje» hebben binnen de (ambtelijke) organisatie van het samenwerkingsverband worden gemaakt. Dit risico bestaat echter ook bij gemeentelijke organisaties, provincies of het Rijk. De gemeentelijke vertegenwoordigers in samenwerkingsverbanden blijven te allen tijde verantwoording verschuldigd aan het eigen bestuur over hun handelen in het bestuur van gemeenschappelijke regelingen. Daarnaast krijgen gemeenteraden met de aanstaande wijziging van de Wgr verschillende instrumenten om hier voortijdig op bij te sturen of achteraf te reconstrueren wat er met welke beweegredenen gebeurd is, bijvoorbeeld via een gemeenschappelijke adviescommissie of een gezamenlijke raadsenquête.
Erkent u het probleem dat hoogleraar Peters schetst dat wanneer samenwerkingsverbanden wel zelf keuzes maken dit betekent dat niet-gekozen ambtenaren bepalen wat belangrijk is, waardoor er een eigenstandige organisatie ontstaat waar raadsleden geen grip op hebben? Wat is uw analyse over dit geschetste gevolg? Kunt u dit uitgebreid motiveren?
Nee. In het antwoord op vraag 7 ben ik al ingegaan op de bestuurlijke verantwoordelijkheid en de mogelijkheden voor raden om te sturen of te controleren. In aanvulling hierop zijn gemeenschappelijke regelingen vormen van verlengd lokaal bestuur. Dit betekent dat de besturen van deze verbanden bestaan uit leden van de bestuursorganen die samenwerken. Deze besturen nemen de besluiten, niet de ambtenaren. Gemeenteraden moeten toestemming geven aan colleges voordat deze een gemeenschappelijke regeling kunnen aangaan. Net als op gemeentelijk niveau de besluiten van het college van B&W en de gemeenteraad ambtelijk voorbereid (kunnen) worden, kunnen besluiten van het (algemeen) bestuur van een gemeenschappelijke regeling door de ambtelijke organisatie van de regeling worden voorbereid. Een zekere mate van verlies aan zeggenschap en controle is evenwel inherent aan verlengd lokaal bestuur en samenwerking in het algemeen. Dit kan echter, zoals ik hierboven ook heb betoogd, voor een groot deel worden ondervangen door een professionele sturing (governance) op en binnen samenwerkingsverbanden waarbij ook wordt geïnvesteerd in de relatie tussen deelnemende colleges en raden. De wijziging van de Wgr die per 1 juli 2022 in werking treedt geeft bovendien meer mogelijkheden aan raden en raadsleden om hun verantwoordelijkheden richting gemeenschappelijke regelingen waar te maken. Te denken valt aan de mogelijkheid van zienswijzen voor een besluit genomen wordt of het instellen van een gemeenschappelijke adviescommissie van raadsleden.
Vindt u, ondanks deze geschetste problemen, nog steeds dat gemeenschappelijke regelingen enkel een vorm van verlengd lokaal bestuur zijn? Begrijpt u dat het er sterk op lijkt dat gemeenschappelijke regelingen een zelfstandige laag vormen in het bestuurlijke landschap of zelfs een soort «schaduwoverheid» vormen? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Gemeenschappelijke regelingen zijn een vorm van verlengd lokaal bestuur. Het geheel aan samenwerkingsverbanden vormt in mijn ogen geen schaduwoverheid. In mijn antwoorden op vraag 7 en 8 ben ik uitgebreider ingegaan op de geschetste problematiek. In aanvulling hierop wil ik benadrukken dat het merendeel van de samenwerkingsverbanden in Nederland goed functioneert. Zij hebben een grote meerwaarde binnen ons bestel en zullen ook nodig blijven om publieke waarde te realiseren voor onze inwoners.
Bent u bereid ook de problemen van de structurele kostenoverschrijdingen en de overige geschetste problemen mee te nemen als u met de aangekondigde voorstellen over de bestuurlijke inrichting komt? Zo nee, waarom niet?
Ik herken de problematiek dat raden weinig sturingsmogelijkheden ervaren ten opzichte van gemeenschappelijke regelingen en zich aangetast voelen in hun budgetrecht. Dat is ook één van de redenen geweest voor de komende wijziging van de Wgr. Voor de voorbereiding van deze wijziging is veel overleg gevoerd met raadsleden tijdens regiobijeenkomsten in heel Nederland over wat zij als problemen ervaren en hoe deze problemen opgelost kunnen worden. Wel maak ik hierbij nogmaals de kanttekening dat gemeenten zelf eigenaar en opdrachtgever zijn van gemeenschappelijke regelingen en in deze rollen veel sturingsmogelijkheden hebben. Er zijn mogelijkheden om als individuele deelnemer in een regeling of als deelnemers gezamenlijk, meer grip te krijgen op de financiële koers van een samenwerkingsverband. Om gemeenteraden hier handvatten voor te geven, heeft mijn voorganger verschillende ondersteuningsproducten5 laten ontwikkelen. Hier ligt een belangrijke opgave voor gemeenten.
Het meest recente IPCC-rapport in relatie tot Bonaire, Statia en Saba |
|
Sylvana Simons (BIJ1), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het IPCC-rapport van werkgroep 2 «Climate Change 2022: impacts, adaptations and vulnerability» (AR6), en dan met name het hoofdstuk en de factsheet over «Small Islands»?1
Ja.
Wat is wat u betreft de betekenis van dit IPCC-rapport voor Bonaire, Statia en Saba? Kunt u dit uitgebreid toelichten?
Het IPCC-rapport bevat voor kleine eilanden zoals Bonaire, Sint Eustatius en Saba zorgwekkende informatie over de klimaateffecten van klimaatverandering, zoals de grotere kans op zware tropische stormen, stormvloeden, verminderde beschikbaarheid van zoet water, aantasting en verlies van kustecosystemen zoals koraalriffen door opwarming van het zeewater en zeespiegelstijging. Een meer specifieke duiding van de betekenis is op basis van de in het IPCC-rapport beschikbare gegevens niet mogelijk; het rapport bevat geen afzonderlijke beoordeling van het Caribisch gebied. De risico’s van klimaatverandering voor kleine eilanden, waaronder Caribisch Nederland, zijn voor het kabinet een belangrijke reden om mondiaal in te zetten op het beperken van de mondiale temperatuurstijging tot maximaal 1,5 graad. In de kamerbrief van 22 maart 2022 (Kamerstuk 32 813, nr. 1005) heeft het Kabinet zijn ambities verwoord op het gebied van verduurzaming van de energievoorziening voor Caribisch Nederland. De eilanden hebben te maken met vraagstukken op het terrein van klimaat en energie. Het gaat daarbij om verduurzaming van de elektriciteitsproductie, duurzame vormen van koeling van gebouwen, een veilige drinkwatervoorziening en meer zelfstandige voedselproductie. Een aanpak van deze vraagstukken is niet alleen in het belang van het klimaat, maar biedt ook kansen om de leefbaarheid te vergroten, de kosten van nutsvoorzieningen te verlagen en de economieën te vergroenen. Het Kabinet heeft de ambities om met het Koninkrijk een showcase te zijn voor de verduurzaming van kleine eilandstaten (small island states). Hiervoor is een goede samenwerking tussen de verschillende departementen van het Rijk, de besturen van de openbare lichamen van Caribisch Nederland belangrijk.
Heeft u, wellicht in het kader van de vele rapporten die de afgelopen jaren aan de regering zijn aangeboden of in opdracht van de regering zijn uitgevoerd over gevolgen van de klimaatcrisis voor Nederland, inzicht in de gevolgen van de klimaatcrisis voor Bonaire, Statia en Saba tot en met het jaar 2100 en daarna? Zo ja, wat zijn de belangrijkste gevolgen voor natuur en koraal, mens, dier, infrastructuur, economie, veiligheid en cultuur?2
Voor een gedetailleerde beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar hoofdstuk 2 en pagina 25 van het Klimaatsignaal21 van het KNMI waarin de klimaattrends en mogelijke impacts daarvan op Caribisch Nederland worden beschreven. Kort samengevat zijn voor dit gebied vooral veranderingen in temperatuur en neerslag relevant, alsmede de impact van orkanen en de mogelijk daardoor veroorzaakte stormvloeden.
Wat zijn de belangrijkste verschillen in klimaatimpact en adaptatienoodzaak voor de bewoners van Bonaire, Statia en Saba versus de inwoners van Nederlandse gemeenten op het Europese vasteland? Waar lopen de inwoners van Bonaire, Statia en Saba meer risico?
Het belangrijkste verschil is dat Caribisch Nederland meer te maken heeft met orkanen en de mogelijk daardoor veroorzaakte stormvloeden. Zie voorts het antwoord op vraag 3.
Hebben de burgers van Bonaire, Statia en Saba over het algemeen meer of minder middelen en mogelijkheden om de komende klimaatrisico’s het hoofd te bieden dan Nederlanders op het Europese vasteland?
De klimaatrisico’s waarvoor burgers hun middelen en mogelijkheden moeten inzetten verschillen tussen burgers onderling en in sterke mate tussen burgers in enerzijds Caribisch Nederland en anderzijds Europees Nederland. Dit komt doordat het huidige klimaat en de geografie verschillen, waardoor klimaatverandering en klimaatrisico’s verschillen. Hierdoor is een vergelijking tussen de mogelijkheden van de burgers in Caribisch Nederland en die van de burgers in Europees Nederland niet eenvoudig. De rol van de overheid, zowel van de rijksoverheid als van decentrale overheden, is een zorgplicht voor het welzijn en de veiligheid van alle burgers, onder wie ook toekomstige generaties. Waar nodig komt de overheid burgers dus te hulp wanneer zij het hoofd moeten bieden aan de komende klimaatrisico’s. Klimaatadaptatie is een onderwerp dat van de overheden maar zeker ook van bedrijven en burgers de volle aandacht vraagt.
Kunt u aangeven waarom wat u betreft het beperken van de wereldwijde temperatuur tot maximaal 1,5 graad essentieel is voor Nederland en dan voornamelijk de bijzondere gemeentes in het Caribische gedeelte van het Koninkrijk, Bonaire, Statia en Saba?
Door het beperken van de mondiale temperatuurstijging tot maximaal 1,5 graad (niet van de temperatuur zelf, zoals gesteld in de vraag) voorkomen we grote negatieve effecten op ecosystemen, de economie en de gezondheid voor Caribisch Nederland.
Wat is het CO2-emissiegat tussen de wettelijke CO2-reductiedoelstelling voor 2030 van 55 procent (en het streefcijfer van 60 procent) en de 1,5 graadsambitie van het kabinet?
De 1,5-graadsambitie van het kabinet is vertaald in een aanscherping van het klimaatdoel tot tenminste 55% en zo mogelijk 60% in 2030 ten opzichte van 1990. Dit reductiepercentage is volgens het kabinet in lijn met wat volgens het laatste IPCC-rapport van werkgroep III nodig is voor het beperken van de mondiale temperatuurstijging tot maximaal 1,5 graad in 2100. Daarvoor is mondiaal voor alle broeikasgassen samen ongeveer 43% reductie ten opzichte van 2019 nodig. Dat komt overeen met 37% reductie ten opzichte van 2010 en ca. 18% reductie ten opzichte van 1990. Ook het doel van de EU en Nederland om in 2050 netto-nul-uitstoot van broeikasgassen te bereiken, oftewel 100% reductie, gaat aanzienlijk verder dan wat het IPCC aangeeft dat wereldgemiddeld nodig is. Volgens IPCC dienen voor het 1,5-graad-doel de mondiale CO2-emissies rond 2050 een netto-nul-niveau te bereiken, maar geldt voor alle broeikassen samen dat rond 2050 een reductie van 84% ten opzichte van 2019 nodig is, wat neerkomt op ca. 76% ten opzichte van 1990. Zie ook IPCC AR6 WGIII, SPM, tabel SPM.1. De KEV 2022, die dit najaar verschijnt, zal een eerste indicatie geven of het ingezette beleid voldoende is om de doelen van het kabinet te realiseren.
Kunt u dit CO2-emissiegat dat nog rest om in lijn met 1,5 graad te komen uitdrukken in een specifiek CO2-reductiepercentage of een CO2-budget voor relevante jaartallen?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 7 is er geen sprake van een CO2-emissiegat.
Bent u van mening dat de CO2-reductiedoelstellingen van de regering in dienst moeten staan van het beschermen van Nederlanders, zowel op het Europese vasteland als in het Caribische gedeelte van het Koninkrijk, tegen de ingrijpende gevolgen van de klimaatcrisis? Zo nee, waarom niet?
De CO2-reductiedoelstellingen staan in dienst van het beperken van de mondiale uitstoot en daarmee in dienst van alle mondiale burgers dus inclusief de burgers van het Caribische deel van het Koninkrijk. Daarom werk ik in Europees Nederland met IPO, VNG en de Unie van Waterschappen samen aan de uitvoering van het Klimaatakkoord en met de Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitalisering, andere bewindspersonen en de bestuurscolleges van de openbare lichamen aan onder andere duurzame energieproductie.
Acht u het wenselijk dat Bonaire, Statia en Saba uitgesloten blijven van de Nederlandse Klimaatwet, het Klimaatplan 2021–2030, de NDC’s onder het Parijsakkoord, de Klimaat- en Energieverkenningen (KEV) en de Regionale Energestrategiën (RES)? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, aangezien de genoemde documenten betrekking hebben op de Nederlandse situatie binnen de Europese context. Vanuit het principe van «comply or explain» bekijkt het kabinet hoe maatwerkmaatregelen op het gebied van klimaat en energie kunnen worden getroffen in Caribisch Nederland. Met de Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitalisering en de bestuurscolleges van de openbare lichamen ben ik reeds actief in gesprek om te komen tot aanvullende investeringen op energiegebied in overeenstemming met het advies van TNO (Kamerstuk 32 813, nr. 1005). Het kabinet zet zich samen met de eilandsbesturen en de nutsbedrijven in om op korte termijn forse stappen te zetten in de verduurzaming van de elektriciteitsproductie op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Indien het volgens u terecht is dat Bonaire, Statia en Saba uitgesloten blijven van de Nederlandse Klimaatwet, het Klimaatplan 2021–2030, de NDC’s onder het Parijsakkoord, de Klimaat- en Energieverkenningen (KEV) en de Regionale Energestrategiën (RES), welke doelstellingen zijn er dan wel op het gebied van klimaat-, biodiversiteit- en energie?
Er zijn geen specifieke klimaatdoelen, maar op het gebied van energie komt het kabinet voor het zomerreces met een Kamerbrief over de routekaart naar een 100% duurzame elektriciteitsproductie.
Klopt het dat de enige generieke maatregel die zowel in Europees als Caribisch Nederland geldt, de Demonstratieregeling Energie-innovatie (DEI) is?
Nee, ook andere generieke maatregelen staan open voor aanvragen uit heel Nederland, zoals het Groeifonds. Een uitdaging bij een generieke maatregel van het Rijk is dat deze op activiteiten is gericht die veelal de schaal van Caribisch Nederland te boven gaan, net zoals zo’n maatregel veelal de schaal van een Europees Nederlandse gemeente met 1.900 inwoners (zoals het kleinste openbare lichaam van Caribisch Nederland) à 19.000 inwoners (zoals het grootste openbare lichaam van Caribisch Nederland) te boven gaat. Hierom zijn er ook maatwerkmaatregelen voor Caribisch Nederland, zoals de steun voor de verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening op Saba en Sint Eustatius in de periode 2014–2019.
Welke toegang tot financiële middelen lopen Bonaire, Statia en Saba mis omdat ze uitgesloten zijn van deze kaders en maatregelen? Wat is het verschil in kennisniveau binnen de rijksoverheid over de gevolgen van de klimaatcrisis (klimaatscenario’s, klimaatimpact en adaptatienoodzaak) voor Bonaire, Statia en Saba versus gemeenten op het Nederlandse Europese vasteland?
In het kader van het Deltaprogramma hebben de gemeenten in Europees Nederland een klimaatstresstest uitgevoerd waarin potentiële kwetsbaarheden voor verschillende klimaatthema’s kunnen worden geïdentificeerd. De rijksoverheid en verschillende internationale organisaties bieden hiervoor verschillende ondersteunende methodieken aan. Europees Nederlandse gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor het uitvoeren van klimaatstresstesten en het opstellen van een klimaatadaptatieplan. Vanuit het Deltafonds draagt het Rijk 200 miljoen euro bij aan een impulsregeling voor de gemeenten op het Europese vasteland, met als doel om eenmalig een versnelling van de uitvoering van maatregelen te bereiken. Daarnaast investeren Rijk en regio in het robuuster maken van de zoetwatervoorziening en in het waterveiligheidsprogramma. De meeste kaders en wetten waarop deze geldstromen zijn gebaseerd gelden niet voor Caribisch Nederland. Zie voorts het antwoord op vraag 3 en op vraag 12.
Zijn er (naast het Deltaprogramma, het Waterprogramma, het Nationaal Waterplan, de Nationale Klimaatadaptatiestrategie en het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie) water en/of klimaatbeschermingsprogramma’s waarbij de rijksoverheid een coördinerende rol speelt, en waar Bonaire, Statia en Saba van zijn uitgesloten? Zo ja, welke?
Er zijn geen andere waterprogramma’s waarin het Rijk een coördinerende rol speelt dan de bovengenoemde.
Waarom zijn Bonaire, Statia en Saba, in tegenstelling tot andere gemeenten, uitgesloten van deze programma’s? En wat is de appreciatie van het kabinet hiervan?
De Nationale Klimaatadaptatiestrategie, het Nationaal Waterprogramma en het Deltaprogramma zijn de basis voor een samenhangende aanpak van klimaatadaptatie in Nederland binnen de Europese context. Het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie is specifiek tot stand gekomen voor de uitwerking van Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. De Europees Nederlandse gemeenten hebben een grote eigen verantwoordelijkheid voor het klimaatbestendig maken van de ruimtelijke inrichting in hun gebieden. Het Nationaal Waterprogramma en het Deltaprogramma gelden op grond van de bepalingen van de Waterwet, niet in Caribisch Nederland. In de Nationale Klimaatadaptatiestrategie wordt de mogelijkheid genoemd dat het Rijk ondersteuning biedt aan Caribisch Nederland. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onderzoekt in het kader van het Natuur- en milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030 (NMBP-CN) momenteel samen met Caribisch Nederland hoe Caribisch Nederland kan komen tot een klimaatadaptatiestrategie. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat deelt kennis en expertise, zoals ook gebeurt voor gemeenten in Europees verband.
Is het basisbeschermingsniveau van 0,001 pocent in 2050 (dat wil zeggen dat de kans op overlijden door een overstroming voor iedereen achter de dijken uiterlijk in 2050 niet groter is dan 1 op 100.000 per jaar zoals besloten ligt in de Deltabeslissing Waterveiligheid) ook van toepassing op de burgers van Bonaire, Statia en Saba? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Nee. De Waterwet is in beginsel niet van toepassing op Caribisch Nederland, met uitzondering van artikel 5.32 waarin een specifieke verantwoordelijkheid in het geval van een (dreigende) watersnoodramp is vastgelegd. Deze wet is gemaakt voor de situatie in Europees Nederland en daarmee niet geschikt om een op een toe te passen in Caribisch Nederland. Dat betekent echter niet dat er in Caribisch Nederland geen wetgeving van toepassing is op water in brede zin van het woord. Ik wil u dit kader dan ook wijzen op de onderstaande wetten:
Zo kent het NMBP-CN, dat als grondslag zowel de Wet Vrom BES als ook de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES heeft, ook aspecten als het omgaan met klimaatverandering. Daarnaast kan de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES de openbare lichamen handvatten bieden voor het omgaan met de gevolgen van klimaatverandering. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onderzoekt momenteel op welke wijze de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES ter ondersteuning en versterking van het NMBP-CN en lokale ruimtelijke ordeningsplannen kan dienen. In mijn antwoord op vraag 18 ga ik in op de mogelijkheden die ruimtelijke inrichting en ruimtelijke ordening bieden om de waterveiligheid in Caribisch Nederland op orde te houden.
Welke andere waterveiligheidsnormen of klimaatadaptatieveiligheidsnormen gelden voor inwoners van gemeenten in Nederland?
In Europees Nederland zijn de volgende normen van toepassing:
Kunt u per waterveiligheidsnorm aangeven of deze zowel gelden voor de inwoners van gemeenten op Europees Nederland als voor de inwoners van Bonaire, Statia en Saba?
De openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kennen geen systeem van waterveiligheidsnormen. Dit hangt samen met het gegeven dat Caribisch Nederland boven de zeespiegel is gelegen en geen dichtbevolkte en diep gelegen polders kennen zoals in het laaggelegen Europees Nederland. Daar waar in Europees Nederland de nadruk ligt op bescherming tegen overstromingen, ligt het handelingsperspectief in Caribisch Nederland in het tijdig waarschuwen van de bewoners en het inzetten van de crisisorganisatie. Ruimtelijke inrichting en ruimtelijke ordening bieden handvatten voor de lokale overheden om de waterveiligheid in Caribisch Nederland op orde te houden. Tenslotte heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een verantwoordelijkheid bij een (dreigende) watersnood op grond van artikel 5.32 van de Waterwet.
Kunt u een overzicht geven van de beleidsinitiatieven vanuit de rijksoverheid op klimaatadaptatie en waterveiligheid op Bonaire, Statia en Saba sinds de toetreding van deze eilanden als gemeentes van Nederland op 10 oktober 2010?
De invoering van het huidige waterveiligheidsbeleid in 2017 was voor het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een logisch moment om een quickscan uit te voeren naar onder meer de kansen en gevolgen van overstromingen vanuit zee. Door middel van bronnenonderzoek en interviews met experts zowel in Europees Nederland als in Caribisch Nederland is een beeld van de waterveiligheidssituatie geconstrueerd. De quickscan is gedeeld met de vertegenwoordigers van Caribisch Nederland. Vervolgens is om aan de wens van de vertegenwoordigers van Caribisch Nederland tegemoet te komen door het KNMI extra geïnvesteerd in de verbetering van het inzicht in het golfsysteem in het gebied. Hiermee kunnen betere voorspellingen ten aanzien van golfopzet worden gedaan.
Recent heeft het KNMI de quick scan «Past and future sea level around the BES-Islands» gepubliceerd. In een Klimaatbericht is aan de uitkomsten een artikel gewijd. Het KNMI verwacht voor Caribisch Nederland in de toekomst een iets snellere stijging van de zeespiegel in vergelijking met het wereldgemiddelde.
Kunt u een overzicht geven van eventuele beleidsinitiatieven die nu in de maak zijn op het gebied van klimaatadaptatie en waterveiligheid met betrekking tot Bonaire, Statia en Saba?
In het kader van de uitvoering van het Natuur- en milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030 zal in 2022 een overzicht opgesteld worden van de impacts van en kwetsbaarheid voor klimaatverandering op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Op basis hiervan zal in nauwe samenwerking met Bonaire, Sint Eustatius en Saba een strategie ontwikkeld worden voor aanpassing aan klimaatverandering. Veel van de maatregelen en activiteiten met betrekking tot het NMBP dragen zowel bij aan adaptatie aan klimaatverandering en het herstel van biodiversiteit zoals: herbebossing, revegetatie, voorkomen van erosie en versterken kustzone door mangrove. Voor de uitvoering van het NMBP is in het kader van het Coalitieakkoord 35 mln. euro gereserveerd voor de uitvoering in de periode 2022–2025.
Momenteel werkt het KNMI aan «light-klimaatscenario’s» voor Caribisch Nederland, waarbij bijvoorbeeld gekeken wordt naar zeespiegelstijging en het effect van stormen in het zuidelijk deel van de Caribische Zee. Met deze informatie kan de impact van de opwarming van de aarde op bijvoorbeeld de landbouw en de natuur beter in kaart gebracht kan worden. Bonaire, Sint Eustatius en Saba kunnen de uitkomsten ook als bouwsteen gebruiken bij besluitvorming in het kader van ruimtelijke ordening en ruimtelijke inrichting. De uitkomsten worden eind 2023 verwacht.
Kunt u aangeven hoe de verdeling van verantwoordelijkheden is tussen de verschillende departementen met betrekking tot klimaatadaptatiebeleid en waterveiligheid binnen de rijksoverheid met betrekking tot Bonaire, Statia en Saba?
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister voor Natuur en Stikstof en de Minister voor Volkshuisvestiging en Ruimtelijke Ordening hebben bevoegdheden in de Wet maritiem beheer BES, de Wet VROM BES, de Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES, de Wet grondslagen natuurbeheer- en bescherming BES en artikel 5.32 van de Waterwet. Dit artikel in de Waterwet stelt dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat de bevoegdheid heeft om maatregelen in Caribisch Nederland te treffen in het geval van een (dreigende) watersnood.
Kunt u aangeven hoe volgens de rijksoverheid de beleidsverantwoordelijkheden verdeeld zijn tussen de rijksoverheid enerzijds, en de Openbare Lichamen op de eilanden anderzijds, met betrekking tot klimaatadaptatie op Bonaire, Statia en Saba?
Voor Caribisch Nederland geldt in beginsel dezelfde verantwoordelijkheidsverdeling als voor Europees Nederland. De openbare lichamen zijn primair zelf verantwoordelijk voor klimaatadaptatie. Zoals ook voor andere verantwoordelijkheden van de openbare lichamen geldt, kan een openbaar lichaam het Rijk om hulp vragen als het niet zelfstandig in staat is de verantwoordelijkheid te dragen. Zie voor de rol van het Rijk het antwoord op vraag 20 en de antwoorden op vraag 15, 16 en 21.
Deelt u de mening dat energiearmoede goed te bestrijden is door de energietransitie te versnellen en te investeren in duurzame energie-infrastructuur, in plaats van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen tegen volatiele prijzen te verlengen door in te zetten op fossiele energie-infrastructuur? Zo nee, op welke manier bent u van mening dat afhankelijkheid van volatiele fossiele energie prijzen, bijdraagt aan het verlagen van de energie-armoede?
De energierekening van huishoudens kan dalen door een lager tarief voor elektriciteit. Dit tarief hangt af van de kosten. De kosten bestaan deels uit de volatiele inkoopkosten voor brandstof. Deze brandstofkosten kunnen dalen door een groter deel van de elektriciteit op te wekken met duurzame productiemiddelen. De kosten van de voorziening stijgen echter anderzijds weer door de kosten (grotendeel afschrijving en financieringskosten) van deze middelen voor duurzame productie. Het hangt dan ook van het verschil tussen de besparing op brandstofkosten en de kosten van duurzame productiemiddelen af, of investering in duurzame energie-infrastructuur effectief is in de bestrijding van energiearmoede.
In Caribisch Nederland liggen – mede door de overvloed van wind en zon – kansen voor duurzame elektriciteit. Dit is niet alleen belangrijk voor de natuur, maar verduurzaming betekent ook minder afhankelijkheid van volatiele olieprijzen, waardoor in Caribisch Nederland de tarieven stabiliseren en op termijn kunnen dalen. Naast de kosten van energie zet het Kabinet zich ook in om de kosten van drinkwater ten opzichte van de kostprijs te verlagen, alsook om de kosten van andere basisbehoeften te verlagen.
Bent u bekend met het rapport «Duurzame en betaalbare energie in Caribisch Nederland: de ontwikkeling van de elektriciteitsvoorziening», waaruit blijkt dat er manieren zijn om de energieopwekking voor de eilanden tot 80 of zelfs 100 procent te verduurzamen? Was dit ook het streven de afgelopen jaren? Is dat nu het streven? Is het beleid hier ook op gericht, welke termijn is eraan verbonden en zijn hier voldoende financiële middelen voor beschikbaar waardoor de doelstellingen kunnen worden gehaald? Zo ja, kunt u dan ook deze garantie geven dat de percentages duurzame energieopwekking uit het rapport gehaald kunnen worden? Zo nee, wat is er voor nodig om deze percentages wel te halen en bent u bereid die maatregelen te treffen?3
De afgelopen jaren is er conform het rapport «Duurzame en betaalbare energie in Caribisch Nederland: de ontwikkeling van de elektriciteitsvoorziening» gewerkt aan de verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening. Hierbij is het aandeel duurzame elektriciteit op Saba en Sint Eustatius gestegen van 0% in 2015 tot respectievelijk 40% (2019) en 46% (2018). Uw Kamer heeft op 22 april 2021 de motie-Boucke c.s. (Kamerstuk 35 632, nr. 15) aangenomen waarin de regering verzocht wordt om met de openbare lichamen een routekaart met bijbehorende financiële middelen op te stellen hoe Caribisch Nederland stappen kan zetten naar een klimaatneutrale energievoorziening. Ik heb onderzoeksbureau TNO opdracht gegeven om de mogelijkheden voor verdere verduurzaming in kaart te brengen. Ik heb het rapport met de onderzoeksresultaten aan uw Kamer gestuurd, (Kamerstuk 32 813, nr. 1005). Ik beoog voor het zomerreces de routekaarten aan uw Kamer te sturen.
Het kabinet heeft de ambitie om met het Koninkrijk een showcase te zijn voor de verduurzaming van kleine eilandstaten (small island states).Hiervoor is een goede samenwerking tussen de verschillende departementen van het Rijk en de besturen van de openbare lichamen van Caribisch Nederland belangrijk. De komende jaren draag ik hier als Minister voor Klimaat en Energie onder de coördinerende rol van Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitalisering graag aan bij.
Kunt u garanderen dat de 10 miljoen euro die ter beschikking is gesteld aan Bonaire Brandstof Terminals B.V. (BBT), voldoende is om Bonaire tot 100 procent te verduurzamen? Zo ja, op welke manier en welke termijn is daaraan verbonden? Zo nee, bent u het ermee eens dat er dan in elk geval gekeken moet worden of een samenwerking met het Water- en Energiebedrijf Bonaire (WEB), die concrete verduurzamingsplannen heeft, wel kan leiden tot maximale percentages op het gebied van duurzame energie-opwekking?
Bonaire Brandstof Terminals B.V. kan op basis van 10 mln. euro meer financiering voor verduurzaming aantrekken en tegen lagere financieringskosten dan veel andere bedrijven. Dit volstaat niet om de elektriciteitsproductie op Bonaire tot 100% te verduurzamen, zoals beschreven in het rapport van TNO (Kamerstuk 32 813, nr. 1005). De elektriciteitsproducent van Bonaire (ContourGlobal), WEB en BBT werken samen aan de verduurzamingsplannen van Bonaire. Hier lopen momenteel ook ambtelijke gesprekken over met mijn ministerie en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Wanneer kan de Kamer de «routekaart naar een duurzame energievoorziening» voor Bonaire, Statia en Saba verwachten?
Voor het zomerreces van 2022.
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voor het verzamel-commissiedebat BES van 23 maart 2022?
Dit is vanwege de complexiteit en breedte van de vragen, de uitvoering van werkzaamheden voor Caribisch Nederland en de interdepartementale afstemming niet gelukt.
Zou u ook de vragen van de leden Boucke, Wuite (beiden D66), Van Raan en Wassenberg (beiden PvdD) aan de Minister voor Klimaat en Energie en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de uitzending van Zembla «Bedreigd Nederlands Koraal» van 17 februari 2022, ingezonden op 3 maart 2022, voor dit verzamel-commissiedebat BES kunnen beantwoorden?
De beantwoording van deze vragen heeft uw Kamer voorafgaand aan dit verzamel-commissiedebat BES bereikt (Aanhangsel van de Handelingen 2021/2022, nr. 2197).
Evaluaties na politiedoden met onbegrepen gedrag, in het bijzonder naar aanleiding van de dood van Sammy Baker |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat gebruikelijkerwijs in den lande er een periodiek casuïstiekoverleg plaatsvindt tussen bijvoorbeeld medewerkers van ambulance, GGD, politie en GGZ/acute psychiatrie rondom situaties van escalatie waarbij personen met onbegrepen gedrag zijn betrokken, maar een multidisciplinaire evaluatie met deze partijen niet plaatsvindt na gevallen van politie-ingrijpen met een dodelijke afloop, waarbij het een persoon betreft die onbegrepen gedrag vertoonde? Is er aangaande de inzet van multidisciplinaire evaluaties een standaard vastgelegd bij de politie?
Indien politie-ingrijpen een dodelijke afloop heeft dan is het standaard-protocol dat na het incident de Officier van Justitie in kennis wordt gesteld en dat er een onderzoek plaatsvindt door de Rijksrecherche.
De politie heeft niet standaard periodiek casuïstiekoverleg met betrokken netwerkpartners rondom situaties van escalaties met personen met verward gedrag. Wel heeft de politie in alle eenheden korte lijnen met betrokken netwerkpartners en is er geregeld contact rondom personen met verward gedrag (zoals GGZ-instellingen). Hierbij kunnen zowel escalaties in individuele gevallen als de onderlinge samenwerking in het algemeen aan de orde komen.
In bijvoorbeeld de politie-eenheid Amsterdam is de politie wekelijks in gesprek met multidisciplinaire ketenpartners in de spoedeisende psychiatrie om de algehele samenwerking voortdurend te verbeteren en stroomlijnen. Dit is het stedelijk crisisketenoverleg.
Klopt het dat er in de specifieke situaties rondom de dood van Sammy Baker en Cyprian Broekhuis waarbij beide personen zorg nodig hadden maar waarbij aanhouding leidde tot de dood, dus ook geen multidisciplinaire evaluaties hebben plaatsgevonden?
Op individuele gevallen kan ik niet ingaan. Voor de toelichting op de algemene werkwijze na een incident met een dodelijke afloop verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
In het geval dat dit evaluatiegesprek niet heeft plaatsgevonden, bent u bereid om in gesprek te gaan met politie Amsterdam over manieren waarop in het geval van Sammy Baker, zo’n evaluatie alsnog kan plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens met de stelling dat in situaties zoals die omtrent de dood van Sammy Baker en Cyprian Broekhuis, een gestroomlijnde samenwerking tussen politie, politie-onderhandelaars en psychiatrisch geschoolde hulpverlening van het grootste belang is? En ziet u het belang van het standaardiseren van voornoemde multidisciplinaire evaluaties, juist met oog op het voorkomen van dodelijke zorgbehoevende slachtoffers met onbegrepen gedrag in de toekomst?
De afgelopen jaren hebben de betrokken departementen van JenV, VWS en BZK samen met de VNG en andere betrokken (lokale) partijen hard gewerkt aan een persoonsgerichte aanpak voor mensen met verward gedrag op lokaal en/of regionaal niveau. Hierbij zijn ook al goede resultaten behaald. VWS heeft inmiddels een landelijk meldnummer ingericht voor de melding van niet-acute signalen over personen en er zijn inmiddels ook lokale meldpunten daarvoor ingericht. Ook zijn er afspraken gemaakt over het vervoer van personen met verward gedrag, die nu regionaal uitgewerkt/geïmplementeerd worden. Duidelijk is dat het (te) vaak voorkomt dat de politie wordt ingezet bij meldingen over personen met verward gedrag. Vaak is bij deze meldingen sprake van psychiatrische problematiek, een verdenking van een strafbaar feit, dan wel een risico voor veiligheid van de samenleving.
In het kader van de preventieparagraaf in het regeerakkoord wordt op dit moment uitgewerkt hoe politie en GGZ samen met andere betrokken partijen nog intensiever kunnen gaan samenwerken en ervoor kunnen zorgen dat personen met verward gedrag de juiste zorg en/of brede ondersteuning wordt geboden. Ik zal uw Kamer hier voor de zomer nader over informeren. Hiermee kan worden voorkomen dat hun situatie escaleert en zij onnodig in aanraking komen met politie en justitie. Vroegsignalering en preventie zijn daarbij cruciaal. Voor alle betrokken partijen staat voorop dat escalatie dient te worden voorkomen. Hiervoor is niet alleen informatie-uitwisseling van zorgwekkende signalen over personen cruciaal maar ook het elkaar snel weten te vinden bij urgente vragen.
Bent u bereid om een standaard te creëren binnen de politie voor de inzet van multidisciplinaire evaluaties na gevallen van politie-ingrijpen met een dodelijke afloop waarbij het een persoon betreft die onbegrepen gedrag vertoonde?
Vastgesteld kan worden dat in elke politie-eenheid korte lijnen bestaan en dat er geregeld contact is met betrokken netwerkpartners rondom personen met verward gedrag (zoals GGZ-instellingen). Hiermee wordt beoogd vroegtijdig informatie over signalen over personen te hebben waarmee escalatie en mogelijk politie-ingrijpen kan worden voorkomen. Iedere politie-eenheid is anders en bij de gehanteerde werkwijzen wordt rekening gehouden met lokale omstandigheden en afspraken tussen de ketenpartners. Ik zie daarom geen noodzaak voor het vaststellen van een standaard voor multidisciplinaire evaluaties.
Bent u bekend met uw reactie van 7 maart 2022 op het verzoek van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport op het bericht dat positief geteste zorgmedewerkers toch kunnen worden ingezet in ziekenhuizen en de consequenties daarvan voor uitbreiding van het coronatoegangsbewijs (ctb) met werk?1
Ja.
Waarom reageert u in de brief niet op de consequentie van het inzetten van positief geteste medewerkers in ziekenhuizen voor de wetgeving die nog altijd niet is ingetrokken en die voorstelt de coronatoegangsbewijzen uit te breiden met werk?
Zorginstellingen hebben de wettelijke plicht om onder alle omstandigheden zorg te blijven verlenen. De mogelijkheid tot het inzetten van positief geteste zorgmedewerkers in ziekenhuizen strookt met deze wettelijke verplichting. De inzet van positief geteste zorgmedewerkers in ziekenhuizen kan alleen in uitzonderlijke situaties en is gebonden aan strenge voorwaarden.
Vanaf 23 maart 2022 eindigt de inzet van het coronatoegangsbewijs (hierna: ctb) op basis van 1G in hoog risico omgevingen. De tijdelijke wet differentiatie coronatoegangsbewijzen (ctb op basis van 2G) wordt ingetrokken. Het ctb op basis van 3G wordt niet meer ingezet.
De Raad van State gaf eerder aan dat het onlogisch is om wel een ctb te vragen aan bezoekers, maar niet aan werknemers werkzaam op ctb-plichtige locaties. Mede hierom houdt het kabinet het wetsvoorstel voor inzet van het coronatoegangsbewijs op de arbeidsplaats aan. Dit betekent dat het kabinet afziet van het toepassen van het ctb in de zorg, zoals het kabinet ook in de Kamerbrief over de langetermijnstrategie COVID-19 van 1 april jl. heeft toegelicht.
Waarom verwees u naar de stand van zakenbrief van 15 februari 2022 waarin zou staan hoe het kabinet denkt over coronatoegangsbewijzen terwijl daarin staat: «Het wetsvoorstel voor inzet van het coronatoegangsbewijs op de arbeidsplaats wil ik aanhouden vanuit de wens nader af te wegen of het verstandig is om dit instrument «in de gereedschapskist» te hebben om een coronatoegangsbewijs te kunnen vragen aan werknemers in sectoren waar het coronatoegangsbewijs voor bezoekers wordt toegepast. Eerder gaf de Raad van State aan dat het niet logisch is om op plaatsen wel een ctb aan bezoekers te vragen, maar niet aan medewerkers die met de bezoekers in contact komen. Ik wil de tijd nemen voor nader onderzoek ten behoeve van verbetering van de regeling op iets langere termijn»?
Het doel van het ctb is om de samenleving voor iedereen eerder te heropenen en langer open te houden. Het ctb wordt alleen ingezet indien proportioneel en noodzakelijk. In de stand van zakenbrief van 15 februari 2022 heeft het kabinet de zienswijze over het ctb toegelicht. Onderdeel van deze toelichting is het aanhouden van het wetsvoorstel Tijdelijke wet verbreding inzet coronatoegangsbewijzen. Het aanhouden van dit wetsvoorstel stelt het kabinet in staat om te onderzoeken of het wetsvoorstel een bijdrage kan leveren aan het doel van het ctb.
Deelt u de mening dat wanneer positief geteste medewerkers kunnen worden ingezet op hun werk, uitbreiding van de coronatoegangsbewijzen met werk niet anders dan van de baan moet zijn en het wetsvoorstel Tijdelijke wet verbreding inzet coronatoegangsbewijzen derhalve moet worden ingetrokken? Zo nee waarom niet? Kunt u deze keer wel een uitgebreide inhoudelijke reactie geven?2
Het beschermen van de toegankelijkheid van de gehele zorgketen voor iedereen is een van de twee nevengeschikte en gelijkwaardige doelen van het coronabeleid. In uitzonderlijke situaties kan het daarom mogelijk zijn dat positief geteste zorgmedewerkers in ziekenhuizen onder voorwaarden worden ingezet om hiermee te voorkomen dat patiënten niet de zorg krijgen die nodig is.
Het beschermen van de sociaalmaatschappelijke en economische continuïteit is het andere hoofddoel van het coronabeleid van het kabinet. Het aanhouden van het wetsvoorstel Tijdelijke wet verbreding inzet coronatoegangsbewijzen stelt het kabinet in staat om te onderzoeken of de mogelijkheid tot het beschikken over een ctb-plicht voor werknemers werkzaam in ctb-plichtige sectoren kan bijdragen aan dit hoofddoel. Namelijk indien het ctb kan bijdragen aan het op een veilige manier eerder heropenen of langer openhouden van sectoren. Daarbij ziet het kabinet af van het toepassen van het ctb in de zorg, zoals het kabinet ook in de Kamerbrief over langetermijnstrategie COVID-19 van 1 april jl. heeft toegelicht.
De mogelijkheid tot het inzetten van positief geteste zorgmedewerkers in ziekenhuizen en het aanhouden van het wetsvoorstel Tijdelijke wet verbreding inzet coronatoegangsbewijzen zijn niet tegenstrijdig, maar dragen beide bij aan de hoofddoelen van het coronabeleid van het kabinet.
Een verlaging van de benzineprijs, zoals in België |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over een verlaging van de benzineprijs naar 1,70 euro per liter, die de Belgische regering wil realiseren?1
Ik ben bekend met het nieuwsartikel waar vraag 1 naar verwijst. Het accijnstarief op benzine bedraagt in België momenteel 60 cent per liter. Dit ligt 24,1 cent hoger dan het Europese minimumtarief van 35,9 cent per liter voor benzineaccijns. In hoeverre een dergelijke accijnsverlaging voldoende is om de benzineprijs te verlagen naar 1,70 euro per liter hangt af van de brandstofprijzen op dat moment.
Klopt het dat deze verlaging bereikt kan worden door de accijns op benzine te verlagen naar het Europese minimumtarief?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat daarnaast ook overwogen wordt om de BTW op aardgas tijdelijk te verlagen naar zes cent per m3?
Ja. De Belgische regering heeft inmiddels bekend gemaakt dat het btw-tarief op aardgas tijdelijk wordt verlaagd naar 6%.
Deelt u de mening van de Belgische Minister van Financiën Vincent van Peteghem dat de «hoge prijzen aan de pomp onbetaalbaar worden» en «we nu moeten ingrijpen»? Zo ja, welke conclusie trekt u hieruit? Zo nee, waarom niet?
De energie- en brandstofprijzen zijn de afgelopen weken door de oorlog in Oekraïne ongekend hard gestegen en raken veel huishoudens hard in de portemonnee. Het kabinet wil, naast de specifieke maatregel gericht op huishoudens met een laag inkomen, ook huishoudens in brede zin helpen en de gevolgen voor de koopkracht dempen. Afgelopen vrijdag 11 maart jl. heeft het kabinet daarom aangekondigd voornemens te zijn om per 1 april de accijns voor benzine en diesel tijdelijk te verlagen met 21%.2. De verlaging van de accijnstarieven is tijdelijk en geldt voor 9 maanden. Daarnaast is het kabinet voornemens om per 1 juli de btw over de energierekening te verlagen van 21% naar 9%. Deze verlaging geldt voor zes maanden.
Deelt u de mening van de MR-politicus Georges-Luis Bouchez dat «automobilisten niet meer mogen worden uitgeperst als een citroen»? Zo ja, welke conclusie trekt u hieruit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat de Belgische regering de komende dagen al een knoop doorhakt over een financieel noodpakket? Waarom moet dit dan in Nederland wachten tot de Voorjaarsnota, dus tot eind mei?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom kan in België wel, wat in Nederland niet kan? Zijn zij dan zo slim, of zijn wij dan zo dom?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel heeft de hogere dan gemiddelde benzineprijs inmiddels opgeleverd voor de schatkist in de vorm van meer accijns- en BTW-inkomsten?
De brandstofaccijnzen zijn een vaste belasting per liter brandstof. De accijnsinkomsten stijgen daardoor niet mee met de brandstofprijzen. De btw-inkomsten zijn wel mede afhankelijk van de hoogte van de brandstofprijzen. Indien er meer btw op brandstof binnenkomt, dan wil dit nog niet zeggen dat de totale btw-inkomsten van het rijk met hetzelfde bedrag toenemen. Door de hogere uitgaven aan brandstoffen verbruiken huishoudens mogelijk minder brandstof en besteden zij minder aan andere producten. Immers is hun beschikbare inkomen niet direct meegestegen met de hogere prijzen. Deze lagere consumptie zorgt juist weer voor minder btw-inkomsten. Wat het saldo is van deze twee tegengestelde richtingen op de totale btw inkomsten is op voorhand niet te zeggen. Daarnaast zijn er ook andere budgettaire doorwerkingen van de veranderde macro-economische en geopolitieke omstandigheden te verwachten.
Hoeveel zou het aan gederfde accijns- en BTW-inkomsten BTW kosten, om de benzineprijs in Nederland terug te brengen naar het Europees gemiddelde?
Uit cijfers van de Weekly Oil monitor van de Europese Commissie volgt dat de prijs van benzine in Nederland tussen de 12 eurocent en 19 eurocent hoger ligt dat het Europese gemiddelde. Dit is exclusief de tijdelijke accijnsverlaging die het kabinet afgelopen vrijdag 11 maart jl. heeft aangekondigd. Met de veronderstelling dat tankstations een verlaging van de belasting volledig doorgeven aan de consument zou dit neer komen op een accijnsverlaging tussen de 10 eurocent en 16 eurocent. Inclusief btw komt dit neer op een verlaging van de belastingen met 12 eurocent en 19 eurocent. De budgettaire derving van zo een verlaging wordt tussen de € 315 miljoen en € 505 miljoen ingeschat.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat of gelijktijdig met uw plannen om de koopkracht te repareren?
Het kabinet heeft op vrijdag 11 maart jl. aanvullende koopkrachtmaatregelen voor 2022 aangekondigd, waaronder een verlaging van het btw-tarief op energie en een verlaging van de accijnstarieven3.
Het jachtbeleid |
|
Roelof Bisschop (SGP), Thom van Campen (VVD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland over de landelijke vrijstelling van de jacht op de vos?1
Ja.
Hoe waardeert u het onverbindend verklaren van de vrijstelling voor de jacht op de vos, een belangrijke predator van weidevogels, in de Regeling natuurbescherming in verband met de blijkbaar gebrekkige aansluiting op de bepaling in de Wet natuurbescherming (artikel 3.15)?
In artikel 3.1 van de Regeling natuurbescherming (hierna: Rnb) wordt vrijstelling verleend van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) voor de bestrijding door grondgebruikers ter voorkoming van dreigende schade aan flora of fauna of aan eigendommen van de in artikel 3.1 van het Besluit natuurbescherming aangewezen schadeveroorzakende vogels en dieren, waaronder de vos. Deze zogenoemde landelijke vrijstelling voor schadebestrijding wordt verleend op grond van artikel 3.15, tweede lid, van de Wnb.
In haar uitspraak d.d. 16 februari 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland artikel 3.1, tweede lid, van de Rnb onverbindend verklaard ten aanzien van de vos. Deze zaak betreft een beroep tegen een ontheffing, verleend door gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, voor onder meer het gebruik ’s nachts van het geweer voor de bestrijding van de vos. De rechtbank is van oordeel dat de vrijstelling onbevoegd in de Rnb is opgenomen, omdat in artikel 3.15, tweede lid, van de Wnb de formulering «bij ministeriële regeling» ontbreekt. Volgens de rechtbank moet de vrijstelling daarom in de vorm van een vrijstellingsbesluit worden genomen.
Ik ben het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat ik onbevoegd ben om de vrijstelling in artikel 3.1, tweede lid, van de Rnb op te nemen. Van onbevoegdheid is geen sprake, want de vrijstelling is door het bevoegde orgaan verleend binnen de door artikel 3.15 van de Wnb voorgeschreven kaders. Ik ben daarom voornemens om hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak.
Bent u voornemens op zeer korte termijn in overleg te treden met provincies over de aanpak naar aanleiding van deze uitspraak?
Op 9 maart jl. heeft overleg plaatsgevonden tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en de provincies over de aanpak naar aanleiding van deze uitspraak.
Bent u voornemens op zeer korte termijn ervoor te zorgen dat onderhavige vrijstelling en andere vergelijkbare vrijstellingen juridisch goed geregeld worden en dat provincies hierop kunnen anticiperen, zodat het komende broedseizoen predatoren van weide- en akkervogels bejaagd kunnen blijven worden?
Momenteel bereid ik, vooruitlopend op behandeling van het hoger beroep, een uitvoeringsbesluit voor, waarin vrijstelling wordt verleend krachtens artikel 3.15, tweede lid, van de Wnb. Hiermee zou het formele gebrek, dat door de rechtbank is geconstateerd, zijn verholpen. Een dergelijk nieuw vrijstellingsbesluit vereist vanzelfsprekend een zorgvuldige motivering en besluitvorming, met inbegrip van de mogelijkheid van inspraak, en kan dus niet op hele korte termijn worden genomen.
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Bureau Waardenburg en de Jagersvereniging op basis van warmtebeeldtellingen dat erop wijst dat de populatieomvang van haas, konijn en ree wordt onderschat, omdat zoogdieren steeds meer in de nachtelijke uren actief zijn terwijl reguliere tellingen overdag plaatsvinden?2
Het rapport van Bureau Waardenburg gaat over de vraag op welke momenten van de dag of nacht en met hulpmiddelen als warmtebeeldcamera’s en verrekijkers/zichttellingen méér of minder dieren worden gezien. De conclusie van het onderzoek is dat bij nachtelijke tellingen en met warmtebeeldcamera’s meer dieren worden gesignaleerd dan met zichttellingen overdag. Er worden geen conclusies getrokken over een mogelijke toename van nachtactiviteit van deze dieren.
Hoe waardeert u de analyse dat sprake is van onderschatting van de wildstand omdat de tellingen die ten grondslag liggen aan de Rode Lijst vooral gebaseerd zijn op tellingen overdag?
Zoals ik aangaf bij vraag 5 geeft het rapport van Bureau Waardenburg gaat over de vraag op welke momenten van de dag en met welke hulpmiddelen méér of minder dieren worden gezien. Het gaat echter niet over een mogelijke vertekening van trends of de betrouwbaarheid daarvan. Er worden dan ook geen conclusies getrokken over betrouwbaarheid of vertekening van trends en ook niet over een mogelijke toename van nachtactiviteit van deze dieren of de populatiegrootte.
Deelt u de analyse dat onder meer hazen in de loop van de tijd door externe factoren als toenemende menselijke activiteiten en toenemende predatie steeds meer in de nacht in plaats van overdag actief zijn?
Gezien het feit dat de haas ten prooi kan vallen aan op zicht jagende roofdieren en roofvogels, is het voor de hand liggend dat zij in de schemering en nacht actiever zijn dan overdag. Dat met warmtebeeldcamera’s ’s-nachts méér dieren worden geteld dan met zichttellingen overdag is daarom heel wel denkbaar. Daaruit kan echter niet worden geconcludeerd dat de huidige trendberekeningen onbetrouwbaar en/of vertekend zijn.
Indien inderdaad een verschuiving van dagactiviteit naar meer nachtactiviteit is opgetreden, dan kan dat gevolgen hebben voor de trend, maar daar zijn geen aanwijzingen voor.
Worden de uitkomsten van het genoemde onderzoek betrokken bij het onderzoek naar de staat van instandhouding van wildsoorten door Wageningen Environmental Research en de beleidsreactie daarop?
Wageningen Environmental Research heeft haar rapport reeds afgerond. Ik zal laten onderzoeken of en hoe de uitkomsten van het onderzoek van Bureau Waardenburg in de toekomst meegenomen kan worden bij het bepalen van de staat van instandhouding van soorten op de wildlijst.
Hoe waardeert u de inschatting van het Dutch Wildlife Health Centre op basis van Duits onderzoek dat de hazenpopulatie (ook) in Nederland de afgelopen drie jaar met een kwart is toegenomen?3
De hazenpopulatie kan per jaar sterk schommelen. De weersomstandigheden kunnen een behoorlijke invloed hebben op overleving, maar bijvoorbeeld ook op het succes van de voortplanting4. 2019 en 2020 kende een relatief droge lente en zomer wat positief is voor de overleving van jonge hazen. Desondanks is er sprake van een dalende trends sinds 1997.
Wordt de genoemde analyse eveneens betrokken bij het onderzoek naar de staat van instandhouding van wildsoorten door Wageningen Environmental Research en de beleidsreactie daarop?
De gegevens uit het meetnet Dagactieve Zoogdieren van het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) zijn door de Wageningen Environmental Reasearch gebruikt bij het bepalen van de staat van instandhouding van de haas.
Zijn de cijfers en inzichten van faunabeheereenheden, die de wettelijke taak hebben om gegevens over wildpopulaties te verzamelen, integraal betrokken bij het genoemde onderzoek van Wageningen Environmental Research? Zo niet, gaat u ervoor zorgen dat dit alsnog gebeurt dan wel dat deze gegevens betrokken worden in het vervolgtraject?
De cijfers van de faunabeheereenheden zijn door Wageningen Environmental beoordeeld en konden niet meegenomen worden voor het bepalen van de populatietrend. Het huidige protocol en het enkele telmoment zorgen ervoor dat de gegevens niet gevalideerd kunnen worden door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Omdat het wenselijk is om deze tellingen in de toekomst ook te kunnen gebruiken, wil ik samen met alle betrokken partijen werken aan verbetering van het telprotocol en de verzameling van gegevens.
Deelt u de mening dat het hanteren van 1950 als referentiejaar voor de Rode Lijst geen goed beeld geeft, omdat destijds geen sprake was van structurele, landsdekkende monitoringsprogramma’s en ook van ander landgebruik?
In Nederland hebben we afgesproken om voor alle rode lijsten het referentiejaar 1950 als standaard aan te houden. De rodelijststatus wordt gebaseerd op enerzijds de actuele situatie en anderzijds de trends in verspreiding en populatieomvang.
Voor de verspreiding wordt voor zoogdieren de Zoogdieratlas van Van Wijngaarden et al. uit 1971 (die is gebaseerd op de periode 1946–1969) als representatief gezien voor 1950. Wat betreft de populatieomvang zijn er niet voor alle soorten goede tellingen vanaf 1950. Voor haas en konijn zijn er pas sinds respectievelijk 1997 en 1984 telreeksen beschikbaar om betrouwbare populatietrends te bepalen. De in de rode lijst zoogdieren genoemde trends voor haas en konijn zijn dan ook niet de trends vanaf 1950 maar vanaf deze jaartallen.
Rode lijsten zijn een instrument om de ontwikkeling van een soortgroep in Nederland te volgen. Langjarige trends zijn van belang om juist de effecten van veranderingen in het landschap zichtbaar te maken. Een vast referentiejaar is van belang om te voorkomen dat het probleem van een «shifting baseline» optreedt. (Shifting baseline = als het referentiejaar opschuift terwijl de populatie steeds afneemt, wordt een kleinere afname geconstateerd dan bij een vast referentiejaar). Rode lijsten hebben een belangrijke signaleringsfunctie. Beleidskeuzes worden echter gebaseerd op de criteria vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn die gaan over de staat van instandhouding. Dit is daarom ook het gehanteerde criterium in de Wet natuurbescherming. Het besluit om de jacht op konijn en haas (in drie provincies) niet te openen is gebaseerd op dit criterium uit de Wet natuurbescherming, en niet op de rodelijststatus.
Gaat het bij de cijfers die zijn gebruikt voor de periode 1950–1980 om landsdekkende dan wel voor het hele land representatieve cijfers?
De afschotcijfers van de winters van 1960 tot en met 1979 zijn verzameld door het Ministerie van LNV5. Landelijke afschotcijfers van winter 1980–1981 t/m winter 2010–2011 zijn geregistreerd door de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV). In het basisrapport van de Rode Lijst Zoogdieren zijn deze cijfers gebruikt voor het bepalen van de (historische) populatietrend6.
Welke referentiejaren voor de beoordeling van de staat van instandhouding van wildsoorten hanteren omliggende landen?
De staat van instandhouding vindt zijn oorsprong in de Habitatrichtlijn. Het jaar van inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn (1994) is het referentiejaar voor het bepalen van «gunstige referentiewaarden voor de componenten «populatie» en «verspreidingsgebied»». Het in een gunstige staat van instandhouding brengen en herstellen is een verplichting voor alle soorten die genoemd staan in bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn.
Gaat u in overleg met alle betrokken partijen die tellingen uitvoeren en/of wettelijk vastgestelde taken in het jachtdomein uitvoeren over de wijze waarop tellingen uitgevoerd worden en de uniformering daarvan en over de duiding van genoemde onderzoeken met betrekking tot de staat van instandhouding van wildsoorten alvorens maatregelen te nemen?
Zie ook mijn antwoord op vraag 11. Zoals aangekondigd in mijn brief aan uw Kamer, die ik parallel aan deze beantwoording aan uw Kamer heb gestuurd, ben ik voornemens voor het komend jachtseizoen de jacht op het konijn in alle provincies en voor de haas in de provincies Utrecht, Limburg en Groningen niet te openen. Voor de wilde eend, houtduif en fazant wil ik eerst meer inzicht krijgen op provinciaal niveau. Op basis van dit inzicht zal ik een besluit nemen over het al dan niet openen van de jacht op deze soorten in het jachtseizoen 2023/2024. Voor het jachtseizoen 2022/2023 blijft de jacht vooralsnog geopend.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het tweeminutendebat Natuur?
Een gedegen beantwoording kostte meer tijd.
Oplossingen voor de stijgende brandstofprijzen. |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Erkent u dat de stijgende brandstofprijzen tot grote financiële problemen leiden bij veel gezinnen, huishoudens en bedrijven?
De brandstofprijzen zijn de afgelopen tijd inderdaad fors gestegen. Dit raakt veel huishoudens direct in de portemonnee. Om de gevolgen te dempen heeft het kabinet afgelopen vrijdag 11 maart aangekondigd dat het onder andere voornemens is om per 1 april de accijns voor benzine en diesel tijdelijk te verlagen met 21%.1 Het accijnstarief van benzine daalt met 17,3 cent per liter en het accijnstarief van diesel met 11,1 cent. De verlaging van deze accijnstarieven is een tijdelijke maatregel en geldt voor 9 maanden.
Klopt het dat de stijgende brandstofprijzen leiden tot extra btw-opbrengsten en het Rijk dus financieel profiteert van hogere brandstofprijzen en kunt u dit inzichtelijk maken?
Nee dit klopt niet. Brandstofaccijnzen zijn een vaste belasting per liter brandstof. De accijnsinkomsten stijgen daardoor niet mee met de brandstofprijzen. De btw-inkomsten zijn wel mede afhankelijk van de hoogte van de brandstofprijzen: Indien er meer btw op brandstof binnenkomt, dan wil dit nog niet zeggen dat de totale btw-inkomsten met hetzelfde bedrag toenemen. Immers, door de hogere uitgaven aan brandstoffen verbruiken huishoudens mogelijk minder brandstof en besteden zij minder aan andere producten. Het beschikbare inkomen is namelijk niet direct meegestegen met de hogere prijzen. Deze lagere consumptie zorgt juist weer voor minder btw-inkomsten voor het rijk. Wat het saldo is van deze twee tegengestelde richtingen op de totale btw inkomsten is op voorhand niet te zeggen. Daarnaast zijn er ook andere budgettaire doorwerkingen van de veranderde macro-economische en geopolitieke omstandigheden te verwachten.
Bent u bereid de btw-opbrengst te bevriezen zodat de brandstofprijzen minder snel stijgen en het Rijk niet profiteert van de stijgende brandstofprijzen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hierboven reeds is uiteengezet, is er geen sprake van automatische totale extra btw inkomsten voor het Rijk als gevolg van hogere brandstofprijzen en zijn er ook andere budgettaire doorwerkingen denkbaar. Het gebruiken van eventuele dergelijke meevallers zou in strijd zijn met de begrotingsregels die er juist in voorzien dat externe factoren zoals prijzen en conjunctuur niet van invloed zijn op de ruimte om de belastingen beleidsmatig tussentijds te wijzigen. Dit maakt het mogelijk dat bij tegenvallende ontvangsten we ook niet direct de belastingen moeten verhogen.
Is het mogelijk de verhoging van de onbelaste reiskostenvergoeding, zoals voorgesteld in het coalitieakkoord, versneld door te voeren en bent u daartoe op korte termijn bereid? Zo nee, waarom niet?
De onbelaste reiskostenvergoeding kan om uitvoeringstechnische redenen niet gedurende het jaar worden verhoogd. Het kabinet heeft er daarom voor gekozen om te kijken naar maatregelen die wél op korte termijn kunnen en bovendien direct compensatie bieden voor de hoge energieprijzen.
Bent u bereid de accijnzen op brandstof tijdelijk te verlagen, om zo de stijgende rekening voor burgers en bedrijven enigszins te verlichten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Welke maatregelen overweegt u verder om de oplopende kosten voor brandstof voor gezinnen, huishoudens en bedrijven te beperken?
Zie antwoord vraag 1.
Wilt u deze vragen voor het debat over de koopkracht (zoals aangevraagd tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 8 maart jl.) beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Toezichthouder heeft dubbel gevoel bij reclames WOZ-aanslag’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Toezichthouder heeft dubbel gevoel bij reclames WOZ-aanslag»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het belangrijk is dat er laagdrempelige rechtsbescherming is tegen de vaststelling van de WOZ-waarde?
Ja, het is belangrijk dat de rechtsbescherming van de burger tegen de vaststelling van de WOZ-waarde laagdrempelig is.
Klopt het dat het aantal bezwaren bij woningen in de periode 2015–2019 landelijk is toegenomen van 160.000 tot 204.000?
Ja.
Klopt het dat het aandeel no cure no pay-bedrijven in dezelfde periode is gestegen van 17% naar 43%?
Ja.
Hoeveel gemeenschapsgeld ontvangen no cure no pay-bedrijven jaarlijks van gemeenten in procedures tegen WOZ-beschikkingen?
Allereerst is het van belang te melden dat de burger de persoon is die recht heeft op een proceskostenvergoeding indien een beroepsmatige rechtsbijstandverlener of deskundige wordt ingeschakeld. Bij het inschakelen van een no cure no pay-bedrijf wordt in veel gevallen door de burger opdracht gegeven aan de gemeente om de te ontvangen vergoeding rechtstreeks aan het no cure no pay-bedrijf over te maken.
In 2019 bedroegen de ingeschatte vergoedingen aan no cure no pay-bedrijven 12 miljoen euro; voor 2020 is de ingeschatte vergoeding 17 miljoen euro. De cijfers zijn afkomstig van de inventarisatie van de Waarderingskamer en het betreft vergoedingen waarvan de gemeente vermoedt dat er is gewerkt op basis van no cure no pay. De gemeente kan echter niet altijd beoordelen welke afspraken er zijn gemaakt tussen een bedrijf (gemachtigde) en een burger (belanghebbende).
Klopt het dat het slagingspercentage bij professionele bezwaarmakers nauwelijks hoger is dan wanneer bewoners zelf bij hun gemeente aankloppen: 52% om 49%?
Ja. Waarbij de kanttekening wordt geplaatst dat het slagingspercentage bij professionele bezwaarmakers 49% bedroeg tegenover 52% van de door burgers zelf ingediende bezwaren. (WODC rapport, samenvatting III)
Onderschrijft u het advies van de Waarderingskamer, dat huiseigenaren er in veel gevallen beter aan doen hun gemeente te bellen als er mogelijk een foute taxatie is gedaan?
Ja. In contact treden met de gemeente is in het algemeen een eenvoudige, laagdrempelige en volledig kosteloze handeling. Ik realiseer me echter terdege, dat er daarnaast mensen zijn die een drempel ervaren om zich tot de overheid te richten. Ook voor hen is het van belang dat er een laagdrempelige rechtsbescherming is. Het is daarom van belang dat de burger een gemachtigde, waaronder een no cure no pay-bedrijf, kan inschakelen.
Deelt u de verwachting van de Waarderingskamer dat door een verbetering van de taxatieverslagen de behoefte tot procederen bij een deel van de huiseigenaren zal verminderen?
Ik ben er een groot voorstander van dat de burger eenvoudig kan zien waarop de WOZ-waarde gebaseerd is. Of de verbetering van het taxatieverslag ook tot minder procederen leidt, durf ik niet op voorhand te zeggen. Er zijn immers meerdere redenen waarom burgers procederen tegen een WOZ-waardebeschikking.
Wanneer kan de Kamer een inhoudelijke reactie tegemoetzien op het rapport «Van beroep in bezwaar; Werkwijze en verdienmodel «no cure no pay»-bedrijven WOZ en BPM», met name op het deel van het rapport dat ziet op de werkwijze en het verdienmodel van no cure no pay-bedrijven bij procedures tegen WOZ-beschikkingen, zoals aangekondigd in de brief van de Minister voor Rechtsbescherming van 12 februari 2021?2
Het streven is om de kabinetsreactie op het rapport «Van beroep in bezwaar; Werkwijze en verdienmodel «no cure no pay»-bedrijven WOZ en BPM» voor de zomer naar uw Kamer te sturen.
Wat vindt u van de signalen dat betrokkenen brieven van de Belastingdienst ontvangen in reactie op inzageverzoeken in hun persoonsgegevens in de Fraudesignaleringsvoorziening (FSV) waarin verzoeken om inzage formeel worden afgewezen met een beroep op de «uitzonderingsgronden van artikel 23 van de Algemene verordening gegevensbescherming en artikel 41 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming»?
Het uitgangspunt is om mensen zo veel mogelijk inzage te geven in hun registratie in FSV. Mensen hebben hier ook recht op, op grond van de AVG. Er zijn ca. 6.553 inzageverzoeken gedaan waarvan er ca. zijn 5.836 afgehandeld (stand 7 april). Artikel 23 AVG en artikel 41 UAVG geven in sommige gevallen gronden op basis waarvan wij een verzoeker geen inzage of informatie kunnen geven. Voor inzage in FSV kunnen met name lid h1 en lid i2 van toepassing zijn, die zien op toezichttaken en de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.
Zoals in de brief van 17 juni 20213 is beschreven, betekent dit in de praktijk dat een uitzondering is gemaakt wanneer de veiligheid van derden, zoals burgers die een melding hebben gedaan, in het geding is of wanneer zwaarwegende opsporings- of toezichtbelangen kunnen worden geschaad. Als geen inzage kan worden gegeven, wordt dit aan de verzoeker gemeld.
Ten slotte ontvangt de Belastingdienst ook inzageverzoeken over FSV van mensen die niet in FSV stonden. In dat geval wordt dit ook gemeld.
Wat vindt u van een dergelijke formele afwijzing met alleen algemene verwijzing naar wetsartikelen (waarin overigens een reeks van afwijzingsgronden staat), zonder dat daarop nadere toelichting of duidelijkheid wordt gegeven of een mogelijkheid tot contact voor nadere toelichting wordt geboden?
Ik begrijp dat het voor betrokkenen als onbevredigend wordt ervaren om een relatief algemene afwijzing te ontvangen. Artikel 41, tweede lid, onderdeel h, van de UAVG geeft aan dat betrokkenen het recht hebben om van de beperking (op het recht op inzage) op de hoogte te worden gesteld, tenzij dit afbreuk kan doen aan het doel van de beperking. Het is niet altijd mogelijk om iemand specifiek te vertellen waarom in zijn geval geen verdere inzage mogelijk is, zonder juist die informatie prijs te geven die niet gedeeld mag worden. Soms kan geen inzage worden gegeven omdat toezicht- of opsporingsbelangen of de belangen van de privacy van derden zwaarder wegen dan het recht op inzage. Dat kan zijn wanneer de oorsprong van een registratie in FSV een melding van een burger is en inzage de rechten en veiligheid van die burger kan schaden. In dat geval kan dus ook niet verteld worden dat die melding de reden is dat geen inzage kan worden geven. Op basis van die informatie zou de verzoeker immers ook een conclusie kunnen trekken.
Begrijpt u dat een dergelijke algemene formele afwijzing bij betrokkenen die meer informatie willen hebben over hun FSV-registratie, als onbevredigend en onduidelijk wordt ervaren en daarmee weerstand oproept?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van deze formele manier van communicatie, terwijl juist in het kader van de toeslagenaffaire, waar de FSV-registratie niet los van gezien kan worden, is toegezegd zorgvuldig en begrijpelijk met betrokkenen te communiceren?
Ik ben het met de vraagsteller eens dat communicatie van de overheid, zeker op dit gevoelige onderwerp, begrijpelijk en invoelend hoort te zijn. Ik laat de wijze van communicatie in het kader van de FSV-registratie nader bekijken. De brieven die verzoekers ontvangen worden daarom herzien met meer oog voor het menselijke aspect. Brieven moeten natuurlijk wel juridisch correct onderbouwd zijn. Daarom is het helaas niet altijd mogelijk om formele termen te vermijden.
Bent u bereid de wijze van communicatie door de Belastingdienst op inzageverzoeken in het kader van de FSV-registratie nader te bekijken en deze te herzien met oog voor de menselijke maat?
Zie antwoord vraag 4.
Het grote verschil in prognoses voor tekorten aan zorgmedewerkers in de verpleeghuizen tussen november 2020 en nu. |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van 9 november 2020 van uw voorganger?1
Ja.
Bent u bekend met uw brief van 20 januari 2022?2
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de brief van uw voorganger van november 2020 spreekt over een tekort van 31.700 zorgmedewerkers in de verpleeghuizen in 2022 en 54.100 in 2030? Zijn deze tekorten uitgedrukt in fte of is de deeltijdfactor toegepast?
Vanwege de onzekerheid door de coronapandemie zijn in 2020 twee scenario’s ontwikkeld, een corona basisscenario en een corona tweede golf scenario. Op basis van deze prognoses lag het verwachte personeelstekort in de verpleeghuiszorg voor 2022 tussen 29.600 en 31.700 werknemers. Voor 2030 werd een tekort tussen de 54.100 en 70.200 werknemers verwacht. Deze tekorten zijn uitgedrukt in werknemers. De deeltijdfactor is toegepast.
Klopt het dat uw brief van januari 2022 spreekt over een tekort van 17.900 zorgmedewerkers in onze verpleeghuizen in 2022 en 51.900 in 2031? Zijn deze tekorten uitgedrukt in fte of is de deeltijdfactor toegepast?
In de laatste prognose wordt voor 2022 een tekort van 17.900 werknemers verwacht en 51.900 werknemers voor 2031. De deeltijdfactor is hierop toegepast.
Hoe verklaart u dit wonderlijk grote verschil in net ruim een jaar tijd? Is in de tussentijd sprake geweest van een verandering van definitie?
Voor de nieuwe prognose van het verwachte personeelstekort heeft ABF Research het Prognosemodel Zorg en Welzijn op meerdere manieren doorontwikkeld. Ten eerste is het prognosemodel geactualiseerd met hoofdzakelijk realisatiecijfers over 2020 voor wat betreft zorggebruik en verschillende arbeidsmarktgegevens. Veranderingen in realisatiecijfers over het aantal werknemers, openstaande vacatures en de spanningsindicator zorgen voor een lager starttekort in de verpleeghuiszorg dan bij de vorige prognose.
Daarnaast zijn op basis van nieuwe inzichten de aannames in verband met COVID-19 gewijzigd. In de periode 2021 tot en met 2023 wordt onder meer verondersteld dat het zorggebruik zich in stappen herstelt tot het niveau van de trendmatige prognose en het ziekteverzuim weer daalt tot het niveau van voor corona.
Verder heeft er op meerdere vlakken een doorontwikkeling plaatsgevonden in het prognosemodel om tot betere prognoses te komen. Zo is de methode voor de raming van het personeelsaanbod gewijzigd. De geraamde ontwikkeling volgt hierdoor trends die specifiek zijn voor de sector zorg en welzijn in plaats van trends van de gehele Nederlandse beroepsbevolking. Deze aangepaste aanpak zorgt voor wijzigingen in de ontwikkeling van het personeelsaanbod. Daarnaast is om tot een stabielere prognose te komen het aantal werknemers per beroepsgroep bepaald op basis van alle vier beschikbare AZW werknemersenquêtes. Bij de vorige prognose werden gegevens van één werknemersenquête gebruikt.
Bent u bekend met het antwoord van uw voorganger op vraag 805 van de feitelijke vragen over de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van het jaar 2022?3
Ja.
Klopt het dat er een tekort is van 13.600 fte zorgmedewerkers ten opzichte van het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg?
Voor de implementatie van het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg is op advies van het Centraal Planbureau (CPB) een fasering aangebracht. Deze fasering was ingegeven door de situatie op de arbeidsmarkt. Concreet betekende dit dat in de periode 2018–2021 het extra personeel voor betere kwaliteit gerealiseerd diende te zijn. In het antwoord van mijn voorganger waaraan in vraag 6 gerefereerd wordt, is aangeven dat eind derde kwartaal 2020 de groei van het personeel voor extra kwaliteit op schema lag van het door het CPB voorgestelde ingroeipad. Om het volledige ingroeipad te realiseren diende er op dat moment nog 13.600 fte bij te komen. De meest recente cijfers (tot medio 2021) laten zien dat de groei nog steeds op schema lag. Het betekent dat er daarna (tot het eind van 2021) nog ruim 5.000 fte gerealiseerd moet worden. Dat laatste is nog niet bekend.
Dit ligt lager dan het bij vraag 4 genoemde aantal van 17.900. Bij vraag 4 gaat het over werknemers, hier over fte. Daarnaast hebben de prognose van ABF en de verantwoording m.b.t. het kwaliteitsbudget verschillende doelen en daarmee samenhangend kijken ze dus niet naar niet precies dezelfde zaken en zijn er verschillen in aannames. Hierna wordt een (niet-uitputtend) aantal zaken genoemd die het verschil verklaren. In de prognose van ABF wordt het volledige personeelbestand in beschouwing genomen, terwijl het bij het kwaliteitsbudget alleen om zorgpersoneel gaat. Ten tweede speelt mee dat het aandeel van personeel niet in loondienst (uitzendkrachten, zpp’ers) steeds groter wordt, juist om tekorten te voorkomen. In het onderzoek van ABF wordt geen rekening gehouden met deze ontwikkeling, bij de realisatie van het kwaliteitsbudget wel. Ten derde houdt de prognose van ABF deels rekening met vacatures die aan het begin van de onderzoeksperiode open stonden, terwijl bij het kwaliteitsbudget gekeken wordt naar de ontwikkeling van de werkgelegenheid in een bepaalde periode. Tot slot zijn er verschillen in veronderstellingen m.b.t. de verhoudingen in volumegroei tussen zorg in verpleeghuis, vpt en mpt.
Wat betekent het voor de kwaliteit van zorg dat de minimumbezetting van twee medewerkers op acht bewoners tijdens piektijden al zo langdurig niet wordt bereikt en dus simpelweg te weinig mensen op de werkvloer staan om bewoners te verzorgen, te wassen, aan te kleden, haren te kammen, tanden te poetsen, eten te geven, medicijnen te geven, wonden te verzorgen, naar het toilet te begeleiden en inco’s te verschonen, laat staan een praatje te maken of een wandelingetje te maken?
Zo lang het ingroeipad voor het extra personeel niet volledig gerealiseerd is, bestaat de mogelijkheid dat nog niet volledig aan het huidige Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg voldaan wordt. Dat is ook afhankelijk van de wijze waarop zorginstellingen het personeel inzetten en daarbij van andere hulpbronnen gebruik maken (bijvoorbeeld technologie).
In het kader van haar toezichtfunctie heeft de IGJ de afgelopen jaren bij alle instellingen voor verpleeghuiszorg een bezoek afgelegd. De resultaten van deze inspecties op hoofdlijnen zijn te vinden op Verpleeghuiszorg in beeld | Verpleeghuiszorg | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (igj.nl).
Bent u bekend met de financiële bijlage van het coalitieakkoord «Omzien naar elkaar, vooruit kijken naar de toekomst» waarin op pagina vijf gesproken wordt over een extra bezuiniging op het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg van 350 miljoen euro, dat het equivalent is van 6.000 fte zorgmedewerkers?
Ja.
Bent u bekend met de Hoofdlijnenbrief VWS welke u op 4 maart 2022 samen met de Minister en Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport naar de Kamer zond en waarin u deze extra bezuiniging schaamteloos het «doorontwikkelen» van het kwaliteitskader verpleegzorg (passende zorg) noemt?4
Zie antwoord vraag 9.
Hoe gaat u de kwaliteit van zorg op peil brengen en voldoende zorgmedewerkers aan het bed regelen als u bovenop de forse tekorten nog eens 6000 zorgmedewerkers gaat wegbezuinigen? Kunt u uw antwoord als het gaat om «anders werken» kwalitatief onderbouwen?
Het is belangrijk de zorg in de context van de samenleving te bekijken. Goede zorg en ondersteuning is essentieel voor het samen leven. Dat geldt voor iedereen en zeker ook voor ouderen. Omgekeerd geldt dat het beroep dat de zorg op de arbeidsmarkt doet reeds buitengewoon hoog is en – als we doorgaan op dezelfde voet – dit de komende jaren zal blijven groeien. Gegeven de vraag naar arbeid in andere sectoren is het niet realistisch te veronderstellen dat het aantal mensen dat in de zorg werkt kan meegroeien met de groei van de zorgvraag.
Tegen deze achtergrond is in het coalitie-akkoord opgenomen om tot een doorontwikkeling van het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg te komen. Dat vraagt van eenieder om op een andere wijze naar het kwaliteitskader te kijken. De kern van het kwaliteitskader moet het uitgangspunt blijven: persoonsgerichte zorg en kwaliteit van leven voor ouderen. Met de doorontwikkeling van het kwaliteitskader worden meer uitkomstgerichte normen in het kader opgenomen. De wijze waarop zorginstellingen dat vervolgens realiseren wordt minder stringent geregeld. De inzet van informele zorg en ondersteunende technieken en innovaties, in combinatie met meer zorg thuis, krijgt daardoor meer ruimte. Iets dat in het huidige kader grotendeels ontbreekt. Er zijn inmiddels vele goede praktijken van effectieve interventies waarbij – met de inzet van de juiste technologie – zowel een goede kwaliteit van zorg en ondersteuning geborgd wordt als het beroep van de zorg op de arbeidsmarkt in enige mate beperkt wordt. De komende periode is het belangrijk dit anders werken verder te ontwikkelen en breder toe te passen. Hierover zal ik u voor de zomer nader informeren, als onderdeel van het programma Wonen Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO).
Bedreigingen aan het adres van de Russisch-Orthodoxe kerk in Nederland |
|
Mirjam Bikker (CU), Don Ceder (CU) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Russisch-Orthodoxe kerk Amsterdam beklad, diensten afgelast»1 en «Voorlopig geen rondleidingen in Russisch-Orthodoxe Kerk na bedreigingen»?2
Ja.
Deelt u onze afkeuring over bedreigingen aan het adres van de Russisch-Orthodoxe kerk, een kerkgenootschap waar overigens ook veel Oekraïners onder vallen? Bent u het ermee eens, ook vanuit uw functie als Minister van Eredienst, dat het een fundamentele aantasting is van de vrijheid van godsdienst wanneer kerkelijke samenkomsten en activiteiten worden afgeschaald of zelfs afgelast vanwege bedreigingen?
Bedreiging van de Russisch-Orthodoxe kerk verdient, net als iedere andere vorm van bedreiging, afkeuring. Met de vraagstellers deel ik de opvatting dat het een fundamentele aantasting van de vrijheid van godsdienst is wanneer kerkelijke samenkomsten en religieuze activiteiten moeten worden afgeschaald of afgelast vanwege bedreigingen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de Russisch-Orthodoxe kerk in Amsterdam en Groningen om te bezien hoe op de kortst mogelijke termijn diensten en activiteiten weer normaal kunnen plaatsvinden?
Als Minister van Justitie en Veiligheid vind ik het van groot belang dat kerkgenootschappen en genootschappen op levensbeschouwelijke grondslag, net als ieder ander, gespaard blijven van zorgen over hun veiligheid en concrete bedreigingen. De verantwoordelijkheid voor de handhaving van de openbare orde in de gemeenten waar dit speelt of heeft gespeeld ligt echter op lokaal niveau. Dit geldt evenzeer voor de beveiliging van kerkgenootschappen en genootschappen op levensbeschouwelijke grondslag. Het is dan ook aan de lokale driehoek om te bepalen hoe met bedreigingen wordt omgegaan en hoe daarover met betrokkenen wordt gecommuniceerd. Kerkgenootschappen en genootschappen op levensbeschouwelijke grondslag die vragen hebben over hun veiligheid zou ik aanraden contact te zoeken met de politie. Genootschappen die worden geconfronteerd met concrete bedreigingen roep ik op daarvan aangifte te doen bij de politie.
Het lot van de Russisch-Orthodoxe gemeenschap heb ik mij niettemin, ook in het licht van de oorlog in Oekraïne, aangetrokken. In een poging deze gemeenschap in deze roerige tijden een hart onder de riem te steken ben ik op 12 maart jl. op werkbezoek geweest bij de Russisch-Orthodoxe Parochie van de Heilige Nikolaas van Myra te Amsterdam.
Bent u bereid het lokaal gezag in steden met een Russisch-Orthodoxe gemeenschap op te roepen in contact te treden met de Russisch-Orthodoxe gemeenschap ter plaatse om hen zo ook een plek te bieden waar zij terecht kunnen met zorgen over hun veiligheid of concrete bedreigingen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen binnen afzienbare tijd beantwoorden?
Ik heb gepoogd deze vragen binnen afzienbare tijd te beantwoorden. Ik erken dat dit sneller had gemoeten.
De Rijswijkse moordzaak |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de podcastserie van NRC-journalist Anna Korterink naar de toedracht rond de gewelddadige moord op drie leden van een amateurmuziekband op 7 maart 1985 te Rijswijk?1
Ja, ik heb hiervan kennis genomen.
Wat vindt u van de veronderstelling dat hier sprake zou kunnen zijn van vergismoorden, omdat de Bevrijdingsraad voor Suriname en de uitgevers van de Weekkrant Suriname die ook in hetzelfde pand gevestigd waren, bekend stonden als tegenstanders van het Surinaamse regime van Desi Bouterse?
Door het onderzoeksteam in deze zaak zijn destijds verschillende scenario’s onderzocht, waaronder de mogelijkheid van vergismoorden.
Wat is uw algemene oordeel over de wijze waarop destijds onderzoek is gedaan naar deze moord? En waarom geldt na al die tijd nog steeds geheimhouding?
Als Minister geef ik geen oordeel over het onderzoek dat destijds is verricht. Van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) heb ik vernomen dat de zaak toentertijd is onderzocht door een recherchebijstandsteam van zo’n 20 rechercheurs. Volgens het OM hebben zij alle in verband met dit zeer ernstige misdrijf verkregen informatie onderzocht en in dat kader verschillende scenario’s bekeken. Het onderzoek is uiteindelijk beëindigd omdat er geen aanknopingspunten meer waren of werden gezien om op door te rechercheren.
Nu het een niet-opgehelderde zaak betreft die nog onder de aandacht is van het cold caseteam van politie Den Haag, is er – met het oog op de belangen van opsporing en de privacy van slachtoffers en nabestaanden – geen aanleiding om onderzoeksgegevens openbaar te maken.
Waarom is destijds besloten om het onderzoek naar deze drievoudige moordzaak te sluiten? In hoeverre is deze beslissing beïnvloed door de mogelijke link met het toenmalige Surinaamse regime?
Het onderzoek is beëindigd omdat het geen verdere aanknopingspunten meer bevatte om op door te rechercheren. Uit de ter beschikking staande informatie is niet gebleken dat er andere redenen waren om het onderzoek te beëindigen.
Welke initiatieven zijn tot nu toe ondernomen in de richting van het herdenken van de slachtoffers van deze moorden en contact met nabestaanden?
Voor zover bekend zijn hier vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid toentertijd geen initiatieven voor ontplooid. Daarbij moet ik opmerken dat het achterhalen van mogelijke activiteiten ook wordt bemoeilijkt door het grote tijdsverloop sinds deze vreselijke gebeurtenis in 1985.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid ondersteunt wel de organisatie van lotgenotencontact via Slachtofferhulp Nederland (SHN) en staat daarnaast in nauw contact met lotgenotenorganisaties zoals de Federatie voor Nabestaanden van Geweldsslachtoffers (FNG). De FNG organiseert meerdere herdenkingsbijeenkomsten per jaar waar nabestaanden samen hun dierbaren kunnen herdenken. Indien daar behoefte aan bestaat kunnen de nabestaanden van deze gebeurtenis in contact worden gebracht met genoemde organisaties.
Bent u het eens met de stelling dat er door deze podcastserie voldoende aanleiding bestaat om het justitiële onderzoek naar de ware toedracht van deze afschuwelijke moorden te heropenen en te onderzoeken of er nog strafrechtelijke vervolgstappen mogelijk zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u hiervoor?
Het doen van nader onderzoek naar deze moorden is op zich mogelijk, maar heeft niet de hoogste prioriteit van het cold caseteam van de politie, nu deze feiten inmiddels verjaard zijn. Strafrechtelijke vervolgstappen behoren derhalve niet meer tot de mogelijkheden.
Dubbele belasting op energie en brandstof |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat er in ons land bij verschillende aankopen belasting wordt betaald over een andere belasting, waardoor de productprijzen onnodig hoog zijn, bijvoorbeeld in het geval van btw-heffing over de rekening aan de benzinepomp waar al accijns bij is opgeteld of btw-heffing over de energierekening waar de energiebelasting al bij is gerekend? Wat is hiervoor de rechtvaardiging en inhoudelijke onderbouwing?
Het heffen van btw over andere belastingen en heffingen zoals accijnzen en energiebelasting volgt uit de Europese Btw-richtlijn.1 In Nederland is dan ook conform de Europese Btw-richtlijn in de Wet op de omzetbelasting 1968 bepaald dat voor de btw-heffing als vergoeding wordt aangemerkt: het totale bedrag dat ter zake van de levering in rekening wordt gebracht, de omzetbelasting daar niet onder begrepen. Over andere belastingen of heffingen die in de vergoeding zijn begrepen dient derhalve ook btw te worden berekend.
Deelt u de mening dat het rechtvaardiger zou zijn als btw geheven zou worden over de productprijs exclusief accijns, aangezien het een belasting betreft over «toegevoegde waarde», en daarna pas de accijns erbij wordt opgeteld?
Nee. Het kabinet is niet voornemens een dergelijke beleidswijziging te overwegen, en zal dit daarom ook niet onderzoeken. Deze wijziging is op grond van de Europese Btw-richtlijn namelijk niet mogelijk. De in de Europese Unie geharmoniseerde btw-systematiek, berust op het beginsel dat op goederen en diensten een algemene verbruiksbelasting wordt geheven waarbij de heffing moet worden berekend over het bedrag dat de consument besteedt (daarin begrepen belastingen, rechten en heffingen, met uitzondering van de btw). Deze uniforme grondslag beperkt de complexiteit van het stelsel. De hoogte van de accijnzen wordt vastgesteld in de wetenschap dat daar btw over geheven zal worden.
Deelt u de mening dat het, zeker te midden van een oorlog en geopolitieke crisis die de energie- en brandstofprijzen door het dak doen gaan, bijzonder onrechtvaardig is dat burgers met extra hoge kosten te maken hebben omdat er belasting over belasting wordt betaald? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven aangegeven, is er geen sprake van onrechtvaardige belasting over belasting. Dit neemt niet weg dat door de oorlog in Oekraïne de energie en brandstofprijzen de afgelopen weken ongekend hard zijn gestegen. Dit raakt veel huishoudens fors. Om de gevolgen voor de koopkracht te dempen stelt het kabinet onder andere voor om de brandstofaccijnzen tijdelijk te verlagen en energie tijdelijk over te brengen naar het verlaagde btw-tarief.
Waarom sluit u belastingverdragen met andere landen die tot doel hebben dubbele belasting voor bedrijven te voorkomen, maar houdt u dubbele belasting voor burgers in stand? Is dat niet oneerlijk?
Nederland sluit verdragen om te voorkomen dat twee landen ongecoördineerd over hetzelfde heffen. Nederland sluit die verdragen voor zowel burgers als bedrijven om dubbele belasting voorkomen. Zij worden in die zin gelijk behandeld.
Kunt u een overzicht verstrekken van alle aankopen waarop dit fenomeen van belasting op belasting van toepassing is, en per categorie aangeven hoeveel deze de huidige berekeningswijze met dubbele belastingen de staat oplevert? Met andere woorden: hoeveel zou de staat aan belastinginkomsten mislopen als btw geheven zou worden over de productprijs excl. accijns?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid te onderzoeken wat alle, financiële en niet-financiële, gevolgen zouden zijn als deze dubbele belasting zou worden afgeschaft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het tijdelijk afschaffen van accijns op brandstof een budgettair effect zou hebben van rond de vier miljard euro?1 Bent u bereid dit te overwegen zolang de oorlog in Oekraïne en de geopolitieke crisis als gevolg daarvan duren?
Het is niet mogelijk de accijnzen af te schaffen. Nederland is gebonden aan de minimumtarieven van de EU. Om de gevolgen van de oplopende prijzen voor de koopkracht te dempen heeft het kabinet wel voorgesteld een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen in te voeren. Dit leidt tot een budgettaire derving in 2022 van 1,0 miljard euro.
De aanbestedingsregels van de aankoop en productie van defensiematerieel |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
Bent u op de hoogte van de Europese aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten, waar ook Defensie zich aan moet houden?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat deze regels tot langdurige aankoopprocedures leiden?2
Het aanbestedingsproces maakt onderdeel uit van het voorzien-in proces. Voor projecten met een financiële omvang van EUR 25 miljoen of meer wordt het Defensie Materieelproces (DMP) doorlopen, zoals dat met uw Kamer is afgesproken (Kamerstuk 27 830, nr. 197 van 3 februari 2017). Het DMP bestaat bij omvangrijke projecten veelal uit drie fasen, namelijk: A (behoeftestelling), B (onderzoek) en D (verwervingsvoorbereiding). De C-fase (vervolgonderzoek) is uitsluitend aan de orde als sprake is van een ontwikkelingstraject. In het Commissiedebat Hoofdlijnen Defensiebeleid van 17 maart j.l. heb ik u toegezegd dat Defensie, in samenwerking met de betrokken departementen, en in overleg met uw Kamer het DMP wil actualiseren en wendbaarder maken. We kijken hierbij naar het «voorzien-in proces» in de breedte en identificeren processtappen die structureel vertragend zijn. In de Kamerbrief over de voortgang uitvoering motie Valstar c.s. (kenmerk BS2022014345) informeer ik u nader over alle initiatieven om de wendbaarheid van Defensie te vergroten.
Defensie kan voor overheidsopdrachten gebruikmaken van in de Aanbestedingswet 2012 (AW2012) en de Aanbestedingswet op het gebied van Defensie en Veiligheid (ADV) genoemde procedures. Genoemde wetten bevatten ook uitzonderingsmogelijkheden waarbij de genoemde procedures niet behoeven te worden gevolgd en waardoor Defensie zich bijvoorbeeld direct tot een gewenste leverancier kan wenden. Dat is ook het geval bij urgentie («dwingende spoed») (AW 2012) en in crisissituaties (ADV).
Tot slot, het voorzien-in proces is breder dan alleen de aanbesteding. Andere factoren, zoals vertraagde leveringen van grondstoffen en computerchips, kunnen ook invloed hebben op de looptijd van het proces.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van CDS Onno Eichelsheim van vorige week dat de aanbestedingsregels voor de aankoop en productie van materieel versoepeld dienen te worden gezien de geplande extra investeringen?3
Ja.
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2 onderzoekt Defensie de mogelijkheden en ruimte om het voorzien-in proces wendbaarder te maken. Binnen dat onderzoek wordt onder andere gekeken in hoeverre de nationale en Europese aanbestedingsregelgeving snellere inkoop kan accommoderen of dat aanpassing daarvan gevergd is. Daarnaast beziet Defensie op welke wijze in Europees verband zo goed mogelijk gezamenlijk kan worden ingekocht.
Ziet u deze aanbestedingsregels als een bureaucratische kink in de kabel inzake de wensen van het kabinet om Defensie snel weer op orde te krijgen vanwege de oorlog in Oekraïne?
De aanbestedingsregelgeving is geen «bureaucratische kink in de kabel». Zelfs in het geval dat aanbestedingsregelgeving niet van toepassing zou zijn op Defensie geldt alsnog dat een goede offerteaanvraag dient te worden opgesteld, dat marktpartijen tijd nodig zullen hebben om een offerte op te stellen en dat het contracteringsproces de nodige tijd kost.
Bent u voornemens om deze aanbestedingsregels voor de «aankoop en productie van materieel» te versoepelen?
Het kabinet onderkent het belang van een snel en wendbaar verwervingstraject. In dat licht en zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 kijkt Defensie in samenspraak met andere departementen naar de mogelijkheden en ruimte om het voorzien-in proces te versnellen en wordt daarbij ook gekeken naar de mogelijkheden om de nationale en Europese aanbestedingsregels aan te passen indien dat nodig is.
Hoe staat u tegenover het idee om een dispensatieperiode van vijf jaar aan Defensie te verlenen voor deze aanbestedingsregels, gezien de huidige operationele noodzaak?
Deze vraag valt samen met de vraag over het voornemens zijn tot versoepeling van de aanbestedingsregels voor de aankoop en productie van materieel en graag verwijs ik u naar het antwoord bij vraag 5.
Kunt u uiteenzetten wat uw mening is om net zoals Duitsland een lange termijn «defensiefonds» op te stellen waardoor er ruim budget voor Defensie geoormerkt blijft, zelfs na Rutte-IV?4
Op weg naar een toekomstbestendige krijgsmacht heeft Defensie de ambitie om de krijgsmacht te herstellen, te moderniseren en te versterken. Dit realiseert Defensie binnen een schokbestendig Defensie Materieelbegrotingsfonds (DMF). Het DMF zorgt voor meer stabiliteit in de begrotingen over langere periode. Hierdoor kan Defensie de investeringen over een langere periode plannen, in samenhang met beheer en onderhoud. Het fonds is niet alleen bedoeld om materieelprojecten te bekostigen, maar ook voor bijbehorende investeringen en daaraan gerelateerde instandhoudingsuitgaven. Denk aan ICT en infrastructuur. Mocht een project in tijd verschuiven, dan blijft het geld daarvoor in het fonds beschikbaar.
Per 1 januari 2021 is het Defensie Materieelbegrotingsfonds (DMF) in werking getreden. Hiermee heeft Defensie invulling gegeven aan de Motie-Belhaj/Voordewind van 5 juni 2018 (Kamerstuk 34 919, nr. 19). Met deze motie is de regering verzocht wetgeving voor te bereiden voor het instellen van een begrotingsfonds voor defensiematerieel, conform de systematiek van het Infrastructuurfonds, omdat dit bijdraagt aan de continuïteit van de investeringsplanning.
In 2020 is het Defensie Materieelbegrotingsfonds (DMF) voor het eerst aan de Kamer aangeboden (Kamerstuk 35 570 K nr. 1 van 21 september 2020). Waar voorheen de investeringsmiddelen onder artikel 6 (investeringen) van de reguliere Defensiebegroting (Hoofdstuk X) vielen en de middelen voor instandhouding onder de artikelen van de defensieonderdelen vielen, maken de middelen voor investeringen en instandhouding van het materieel, de infrastructuur en de IT-middelen nu deel uit van het DMF. Door een apart fonds voor de investeringen en instandhouding te creëren, is Defensie beter in staat invulling te geven aan het voorzien in een meerjarig integraal beheer van de financiering en bekostiging van de ontwikkeling, verwerving, instandhouding en afstoting van het materieel, de IT-middelen en de infrastructuur van Defensie.
Bent u op de hoogte van de vertraging in de vervanging van de vier Walrusklasse-onderzeeboten?5
Ja.
Kunt u uiteenzetten wat sinds de laatste kamerbrief de huidige status is van het vervangingsproject van de vier Walrusklasse-onderzeeboten?6
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de voortgangsrapportage over het programma vervanging onderzeebootcapaciteit, die op 1 april 2022 aan uw Kamer is gestuurd (Kamerstuk 34 225, nr. 35).
Kunt u uiteenzetten waardoor er vertraging is opgelopen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Nee, zoals medegedeeld in mijn brief van 1 april 2022 aan uw Kamer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2298) heeft de afstemming en de samenhang met de Kamerbrief over de voortgang motie Valstar c.s. (kenmerk BS2022014345) ervoor gezorgd dat de termijn van drie weken niet gehaald is.
De zorgelijke situatie bij de voormalige kerncentrale in Tsjernobyl |
|
Tom van der Lee (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten, van onder andere het Internationaal Atoomenergie Agentschap en de autoriteiten in Oekraïne, over de zeer zorgelijke situatie bij de voormalige kerncentrale in Tsjernobyl, waar 200 personeelsleden nu al twee weken zonder aflossing bivakkeren, de stroomvoorziening is uitgevallen en er ook geen extern toezicht meer is op stralingsniveaus?1
Ja.
Welke mogelijkheden ziet het kabinet om al dan niet via multilaterale organisaties met spoed te zorgen dat de bemensing van de centrale, de stroomvoorziening en de controle op stralingsniveaus weer op een adequaat niveau worden gebracht?
Het Internationaal Atoom Energie Agentschap (IAEA) houdt de situatie nauwlettend in de gaten en is ook de aangewezen partij om het mitigeren van risico’s ter plaatse te coördineren. DG IAEA Rafael Mariano Grossi heeft voorstellen gedaan over beveiliging van alle locaties in Oekraïne waar zich nucleair en/of radioactief materiaal bevindt incl. de kerncentrales. Deze heeft hij op 10 maart jongstleden in het Turkse Antalya besproken met de ministers van buitenlandse zaken van Oekraïne en Rusland. Verdere gesprekken tussen beide partijen en het IAEA lopen nog.
Nederland steunt de inspanningen van het IAEA in deze kwestie. Het IAEA is de ter zake bevoegde technische internationale organisatie, waarbij zowel Oekraïne en Rusland zijn aangesloten.
Welke organisatie kan het beste de diplomatieke inspanningen coördineren om hierop snel afspraken te maken met vooral de Russische autoriteiten, bijvoorbeeld als het gaat om het toelaten van additionele noodapparatuur en reparatiewerkzaamheden aan stroomvoorziening?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe lang kunnen de noodgeneratoren de stroomvoorziening gaande houden en zijn er maatregelen mogelijk om die leveringsduur te verlengen, zolang de structurele stroomvoorziening niet hersteld is?
De noodgeneratoren kunnen een aantal dagen de stroomvoorziening gaande houden. Daarna zullen mensen en middelen beschikbaar moeten zijn om de generatoren van brandstof te voorzien en klein onderhoud uit te voeren.
Overigens is de aansluiting van Tsjernobyl op het Oekraïense elektriciteitsnet per 14 maart hersteld.
Wat is er nodig en/of mogelijk om een nieuwe shift van personeelsleden toegang tot te centrale te laten verkrijgen?
Het afwisselen van personeelsleden is alleen mogelijk wanneer veilige toegang tot de centrale verkregen kan worden. Gezien de zeer onoverzichtelijke situatie op de grond op dit moment, is het onmogelijk om in te schatten of en, zo ja, wanneer dit mogelijk is. Dat geldt ook voor de eventuele inzet van alternatieve deskundige medewerkers.
Dit vormt onderdeel van de gesprekken die de DG van het IAEA, voert met Rusland en Oekraïne om afspraken te maken over veiligheid.
Op 21 maart heeft het IAEA bekend gemaakt dat een deel van de staf in Tsjernobyl is gewisseld.
Zijn er alternatieve deskundige medewerkers beschikbaar (desnoods uit andere landen) die eventueel ingezet kunnen worden als Rusland onverhoopt weigert om het huidige personeel te laten vervangen door andere Oekraïense collega’s?
Zie antwoord vraag 5.
Wat kan bij een worstcasescenario de schade zijn aan de volksgezondheid – binnen en buiten Oekraïne – als de stroomvoorziening definitief wegvalt of uitgeputte personeelsleden op een gegeven moment benodigde werkzaamheden niet meer top tijd kunnen verrichten?
Op korte termijn is de veiligheid op de Tsjernobyl site gewaarborgd en zijn er vanuit radiologisch oogpunt geen schadelijke gevolgen te verwachten voor mens en milieu, zowel binnen als buiten Oekraïne. Dit wordt bevestigd door het IAEA en de Western European Nuclear Regulators Association (WENRA).
Ook een worstcasescenario leidt volgens experts vanuit radiologisch oogpunt hoogstwaarschijnlijk niet tot ernstige gevolgen, omdat stroomvoorziening niet noodzakelijk is voor de veiligheid van de aanwezige splijtstof. De op de Tsjernobyl site aanwezige splijtstof bestaat uit twee delen. Een klein deel van de aanwezige splijtstof is in droge opslag kluizen opgeslagen. Deze behoeven geen actieve koeling en daarmee is dus geen stroomvoorziening noodzakelijk om de veilige opslag van dit materiaal te garanderen. Het grootste deel van de verbruikte splijtstof is opgeslagen in een waterbassin voor nakoeling. Deze splijtstof is inmiddels zodanig afgekoeld dat het in het bassin aanwezige water voldoende koelcapaciteit heeft. Er wordt stroom gebruikt voor actieve koeling om de conditie van de verbruikte splijtstof optimaal te houden, dat wil zeggen, om corrosie van de splijtstofelementen op lange termijn te voorkomen. Op korte termijn vormt het uitvallen van de stroom ook voor deze splijtstof geen risico, op langere termijn zal het risico zeer beperkt zijn.
Personeel op de Tsjernobyl site houdt zich vooral bezig met het uitvoeren van metingen, herstellen van defecten en het onderhoud plegen aan de installaties. Indien deze werkzaamheden in het gedrang komen, leidt dit op de korte termijn niet direct tot serieuze veiligheidsconsequenties. Desalniettemin dient het personeel zijn werkzaamheden goed te kunnen uitvoeren. Dit is een van de principes voor waarborgen van veiligheid van het IAEA
Bent u bereid al het mogelijke te doen om een nieuwe ramp bij Tsjernobyl te voorkomen en deze vragen met spoed te beantwoorden?
Ja.
De oproep om Rusland uit te sluiten van INTERPOL |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van verschillende landen – waaronder het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Canada, Nieuw Zeeland en Australië – om Rusland uit te sluiten van INTERPOL?1
Ja.
Bent u bekend met signalen dat Rusland het systeem van INTERPOL kan gebruiken om critici overal ter wereld op te jagen en te vervolgen, vaak zonder enkele vorm van bewijslast?
Ja.
Wat zijn de overwegingen van deze landen om op te roepen tot het uitsluiten van Rusland van INTERPOL?
De overwegingen voor het verzoek aan het INTERPOL Secretariaat Generaal zijn gelegen in de risico-inschatting dat, als gevolg van het conflict met Oekraïne, een grote kans bestaat dat de Russische Federatie Interpol systemen zal proberen te gebruiken voor doeleinden waarvoor INTERPOL volgens haar constitutie niet mag worden gebruikt. Het doel van de oproep van deze landen is het mogelijke misbruik van de Russische Federatie van de INTERPOL-systemen te belemmeren. INTERPOL beoogt een apolitieke en neutrale organisatie te zijn met als taak mondiaal politieorganisaties te ondersteunen bij het voorkomen en bestrijden van criminaliteit. Elke activiteit van politieke of militaire aard is in INTERPOL-verband uitdrukkelijk verboden.
Hoe denken andere Europese lidstaten over het uitsluiten van Rusland van INTERPOL?
Er zijn meerdere Europese lidstaten die een brief aan het INTERPOL Secretariaat Generaal hebben gestuurd met het verzoek te adviseren over het opleggen van preventieve dan wel corrigerende maatregelen ten aanzien van National Central Bureau (NCB) Moskou.
In hoeverre heeft u bilateraal als multilateraal contact over dit onderwerp met het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Oekraïne?
Zoals ik u eerder informeerde,2 heeft het kabinet in goed overleg met het Verenigd Koninkrijk besloten ook een brief te schrijven aan het INTERPOL Secretariaat Generaal met het verzoek om de Executive Committee van INTERPOL te adviseren over het opleggen van corrigerende maatregelen. Voorafgaand aan verzending van deze brief heeft de Minister van Justitie de brief van Oekraïne aan het INTERPOL Secretariaat Generaal met hetzelfde verzoek ontvangen en gelezen. Over dit specifieke onderwerp is geen direct contact geweest met de Verenigde Staten of Oekraïne.
Hoe vaak heeft Rusland in het verleden waarschuwingen gekregen van INTERPOL vanwege schendingen binnen het INTERPOL-systeem?
De INTERPOL-regels kennen geen rechtsbasis voor formele waarschuwingen. Als vermoed wordt dat een signaleringsaanvraag voor een notice (bijvoorbeeld een red notice, bedoeld ter lokalisering en arrestatie van een gezocht persoon) niet conform de INTERPOL-regels is opgesteld, wordt door het INTERPOL Generaal Secretariaat (IPSG) contact opgenomen met de desbetreffende National Central Bureau (NCB) en krijgt deze NCB de mogelijkheid om de aanvraag aan te vullen of te corrigeren om alsnog te voldoen aan de regels en kwaliteitseisen. Voldoet de aanvraag alsnog niet, dan wordt de notice niet door IPSG gepubliceerd.
Anders dan bij notices, kunnen lidstaten zelf zogenaamde diffusions plaatsen. Dit zijn minder formele vormen van alarmeringen, door NCB’s zelf onder een selectie van lidstaten worden verspreid. Zij worden door IPSG direct na verspreiding op conformiteit gecontroleerd en zo nodig verwijderd. Het IPSG geeft aan dat het uit hoofde van zijn mandaat met regelmaat ter monitoring en ter onderzoek van gegevensverwerking met NCB Moskou in contact treedt.
Bent u bereid om actief de oproep te steunen om Rusland uit te sluiten van INTERPOL? Zo ja, gaat u zich hier ook binnen de EU sterk voor maken?
Lidstaten kunnen niet van INTERPOL worden uitgesloten. Er kunnen wel correctieve maatregelen worden opgelegd door de Executive Committee. Het vrij gebruik van Interpol systemen wordt hiermee beknot. De Executive Committee besluit hierover op advies en na onderzoek door het Secretariaat Generaal. De Minister van Justitie en Veiligheid heeft op 4 maart jl. per brief de Secretaris Generaal van INTERPOL verzocht de noodzaak tot het opleggen van corrigerende maatregelen ten aanzien van de Russische Federatie te beoordelen. Ook andere landen hebben vergelijkbare verzoeken gericht aan het INTERPOL Secretariaat Generaal. Inmiddels heeft de INTERPOL Executive Committee de maatregelen bekrachtigd, welke op 10 maart jl. in werking zijn getreden. NCB Moskou staat onder verscherpt toezicht en alle verzoeken tot plaatsing van internationale signaleringen in het Interpol-systeem afkomstig van NCB Moskou worden eerst beoordeeld door het Secretariaat Generaal en pas na een grondige toets op de regels van gegevensbescherming en gegevensverwerking verspreid onder ontvangende landen. Deze maatregelen zullen in ieder geval gelden tot de volgende bijeenkomst van de Executive Committee. Daar zal ook een analyse en evaluatie van de activiteiten van het NCB Moskou in relatie tot de INTERPOL-systemen worden gepresenteerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De licht verhoogde kans op borstkanker voor GGD’ers door constante desinfectie van de handen met ethanol |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Licht verhoogde kans op borstkanker voor GGD’ers»?1
In de zorgsector wordt aan de hand van infectiepreventierichtlijnen en protocollen gewerkt om infecties te voorkomen. Handhygiëne, waaronder het gebruik van ethanol bevattende handdesinfectiemiddelen, is een onderdeel van infectiepreventie. Desinfecterende handgels met ethanol zijn biocide producten en moeten alvorens op de markt te worden gebracht zijn toegelaten door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Het Ctgb maakt risicobeoordelingen en stelt vast hoe een handdesinfectiemiddel veilig gebruikt kan worden. Op basis daarvan worden de gebruiksvoorschriften vastgesteld.
Sinds de uitbraak van het coronavirus is het gebruik van ethanol bevattende handgels toegenomen. Het is aannemelijk dat diverse groepen mensen tijdens de coronapandemie vaker in contact komen met ethanol bevattende handgel. Het RIVM heeft daarom in 2021 op verzoek van de Ministeries van SZW en VWS2 onderzoek gedaan om na te gaan of, en in welke mate, frequenter gebruik van ethanol bevattende handgel de kans op nadelige gezondheidseffecten vergroot. Het blijkt dat de totale hoeveelheid ethanol waarmee mensen over een langere periode in aanraking komen zo laag is, dat het geen darmkanker of verminderde vruchtbaarheid veroorzaakt. Wel berekent het RIVM dat de kans op borstkanker zeer licht toeneemt. Het RIVM heeft de kansen op borstkanker op een rij gezet bij verschillende frequenties van het gebruik op een dag en de totale periode waarin handgel wordt gebruikt
Als het risico op borstkanker door het vaker dan 25 keer per dag desinfecteren van de handen met ethanol verhoogd is van 143.000 naar 143.015 per 1 miljoen mensen, om hoeveel GGD-medewerkers gaat het dan?
Gedurende de pandemie zijn er vele duizenden mensen ingezet voor de enorme test- en vaccinatieoperatie waarbij het gebruik van desinfectiemiddelen en de werkzaamheden per persoon sterk verschillen. Alle werkinstructies en richtlijnen zijn erop gericht om corona bij GGD-medewerkers zoveel als mogelijk te voorkomen. Uit het RIVM-rapport van 4 juni 2021 blijkt dat bij een jaar lang 25 keer per dag desinfecteren van de handen met een desinfectiemiddel met ethanol, er 0,0015% extra risico wordt gelopen om gedurende het leven borstkanker te krijgen.
Van hoeveel zorgmedewerkers zorgbreed wordt verlangd dat ze meer dan 25 keer per dag hun handen desinfecteren met ethanol? Tot hoeveel extra borstkankergevallen leidt dat?
Voor handhygiëne hoeven door zorgmedewerkers niet noodzakelijk desinfecterende middelen te worden gebruikt. In veel gevallen voldoet het gebruik van water en zeep.
Op IC’s, op verpleegafdelingen en in operatiekamers is handhygiëne onderdeel van het bredere pakket van infectiepreventie. Er zijn IC’s waar zorgmedewerkers regelmatig hun handen ontsmetten met ethanol, omdat het niet altijd mogelijk is om water en zeep te gebruiken. Ik heb er geen zicht op om hoeveel zorgmedewerkers dit gaat en in hoeverre de norm van 25 keer per dag hierbij wordt betracht en of dat deze mogelijk in incidentele gevallen wordt overschreden.
Waarom is het beleid aangepast tot maximaal 25 keer per dag desinfecteren met ethanol als 25 keer per dag aantoonbaar leidt tot meer bostkankergevallen?
De werkinstructie met betrekking tot het desinfecteren van de handen met ethanol is door GGD GHOR Nederland gewijzigd op basis van een RIVM rapport uit 2021: Beoordeling van gezondheidsrisico’s bij gebruik van ethanol bevattende handgel. In dit rapport worden de risico’s voor de ontwikkeling van borstkanker, darmkanker en verminderde vruchtbaarheid beoordeeld op basis van standaardscenario’s met verschillende frequenties van gebruik. Het RIVM berekent dat de totale hoeveelheid ethanol waarmee mensen die handgel gebruiken over een langere periode in aanraking komen zo laag is, dat het geen darmkanker of verminderde vruchtbaarheid veroorzaakt. Wel neemt de kans op borstkanker zeer licht toe. Vrouwen hebben zonder gebruik van handdesinfectie met ethanol een kans van ongeveer 143.000 op 1.000.000 mensen om tijdens hun leven borstkanker te ontwikkelen. Wanneer iemand een jaar lang 25 keer per werkdag handgel met ethanol gebruikt wordt deze kans 143.015 op 1 miljoen.
In de van toepassing zijnde LCI-richtlijn van het RIVM worden instructies gegeven over de momenten waarop handhygiëne moet worden toegepast, maar wordt geen specifiek handdesinfectiemiddel genoemd, noch een maximum aantal keren gebruik.
Tot hoeveel minder besmettingen met corona leidt het 25 keer per dag desinfecteren met ethanol door GGD-medewerkers?
Bij infectiepreventie, dat een breed pakket aan maatregelen behelst, is naast onder meer het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen, het toepassen van handhygiëne één van de basismaatregelen tegen de verspreiding van corona. Tijdens werkzaamheden op test- en vaccinatielocaties is het risico op een coronabesmetting altijd aanwezig. Alle persoonlijke bescherming, werkinstructies en richtlijnen zijn er daarom op gericht om een coronabesmetting bij medewerkers te voorkomen. De combinatie van maatregelen, gekoppeld aan een goede uitvoering, biedt de hoogst mogelijke infectiepreventie. Het is daarmee ook niet te bepalen tot hoeveel minder besmettingen het enkele gebruik van ethanol bevattende handgel leidt.
Wegen deze borstkankergevallen voor u op tegen een verminderde kans op besmetting van corona?
Er is – na het onderzoek van RIVM – aandacht geweest voor zowel de licht verhoogde kans op borstkanker als een optimale bescherming tegen corona bij het gebruik van desinfectie, op dusdanige wijze dat er wordt voldaan aan de gebruiksvoorschriften.
Waarom zijn de desinfectieregels (150 keer op werkdag van 6 uur) niet eerder aangepast, aangezien het sinds mei 2021 de gouden standaard (CDC/WHO) is dat corona zich vooral verspreidt (mainroute) via het inademen van elkaars adem (inhalation of virus)?
Infectiepreventie behelst een breed pakket aan maatregelen waarbij rekening wordt gehouden met de diverse transmissieroutes. Naast het toepassen van handhygiëne is het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen, waaronder mondkapjes, een van de basismaatregelen tegen de verspreiding van corona. Alle werkinstructies en richtlijnen in het kader van infectiepreventie zijn erop gericht om – vanwege de hoge blootstelling aan potentieel besmettelijke mensen – een besmetting met SARS-CoV-2 bij GGD-medewerkers zoveel als mogelijk te voorkomen. In de nieuwe werkwijze wordt op test- en vaccinatielocaties het strengste scenario, van maximaal 25 keer per dag desinfecteren met ethanol gehanteerd.
Als volgens de wet medewerkers hun handen niet meer dan 32 keer per dag mogen desinfecteren met ethanol, waarom werden zij dan verplicht om dit 150 keer op een werkdag van 6 uur te doen?
Tijdens de enorme test- en vaccinatieoperatie voor het bestrijden van de pandemie was het beleid er altijd op gericht om het risico op besmetting zoveel mogelijk te beperken. De LCI-richtlijn stelt dat medewerkers na ieder patiëntencontact handhygiëne toepassen. Alle werkinstructies en richtlijnen in het kader van infectiepreventie zijn erop gericht om – ondanks het contact met potentieel besmette mensen – corona bij GGD-medewerkers zoveel als mogelijk te voorkomen. Door de onzekerheid over de verschillende coronavarianten en de gezondheidsrisico’s die daarmee gepaard gingen, is er veel aandacht besteed aan desinfectie en bescherming tegen corona.
Waarom hield de GGD zich niet aan de wet? Bij wie kunnen de GGD-medewerkers die borstkanker ontwikkelen door het overmatig en tegen de wettelijke regels in desinfecteren van de handen met ethanol terecht? Krijgen zij een schadevergoeding?
Het beleid was er tijdens de pandemie altijd op gericht om het risico op besmetting zoveel mogelijk te beperken. Zie ook mijn antwoorden op vraag 7 en 8. In de afgelopen maanden is, nadat het rapport is verschenen, een risico-afweging gemaakt door een expertgroep van de Landelijke Coördinatie Covid-19 Bestrijding (LCCB), waarbij de voorgestelde nieuwe werkwijze voldoet aan de strengste toxicologische norm, het aantal malen handdesinfectie per dag dat volgt uit het scenario dat het Ctgb gebruikt, van maximaal 25 keer per dag desinfecteren met ethanol.
GGD-medewerkers kunnen voor alle vragen over hun specifieke situatie terecht bij de door de werkgever (de regionale GGD of het uitzendbureau) aangewezen contactpersoon.
Gaat de GGD de tienduizenden medewerkers die hiermee te kamen hebben gehad een brief sturen en op de risico’s wijzen? Zo nee, waarom niet?
De GGD’en die ethanol bevattende handgel gebruikten hebben hun medewerkers geïnformeerd. GGD GHOR Nederland heeft hiervoor een informatiepakket samengesteld en beschikbaar gemaakt voor de 25 GGD’en. Dit pakket bevat onder andere informatiebrieven voor medewerkers waarin medewerkers worden gewezen op het risico van de voormalige werkwijze met frequente handdesinfectie met alcohol bevattende middelen.
Voor vragen van medewerkers zijn door de werkgever (de regionale GGD of het uitzendbureau) aangewezen contactpersonen beschikbaar, zoals vermeld in antwoord op vraag 9.
Waarom wordt het beleid nu pas, negen maanden na het RIVM-rapport, gewijzigd?
De 25 regionale GGD’en hebben te maken met professionele hygiënerichtlijnen waar zij hun werkwijzen op hebben gebaseerd. De GGD’en hebben naar aanleiding van het bovengenoemde RIVM-rapport (zie mijn antwoord op vraag 1) intern onderzoek gedaan. In afwachting van het onderzoek zijn de regels niet aangepast omdat de GGD GHOR Nederland secuur wilde kijken naar een nieuwe werkinstructie. Na een uitgebreide analyse van de regels en richtlijnen ten aanzien van grenswaarden voor gebruik van desinfectiemiddelen door een expertgroep van de GGD-en hebben de GGD’en besloten om de werkwijze aan te passen. Elke regionale GGD heeft een zelfstandige verantwoordelijkheid en bepaalt zelf hoe deze het advies opvolgt.
Hoeveel borstkankergevallen waren te voorkomen geweest als de regels direct, negen maanden geleden, waren aangepast?
Uit het rapport van het RIVM blijkt dat er, indien er een jaar lang 25 keer per dag handen zijn gedesinfecteerd met een desinfectiemiddel met ethanol, er 0,0015% extra risico wordt gelopen om gedurende het leven borstkanker te krijgen. Het is niet mogelijk om een inschatting te maken, aangezien bij het ontstaan van borstkanker vele factoren een rol spelen.
Hoeveel borstkankergevallen waren te voorkomen geweest als de wettelijke regels van het begin af aan gerespecteerd waren geweest?
Zie mijn antwoord op vraag 12.
Wie is er verantwoordelijk voor de gezondheidsschade die deze medewerkers hebben opgelopen door het overmatig desinfecteren van handen met ethanol? De GGD als werkgever? Of de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of het Ministerie van VWS als hoeders van de wet?
GGD-medewerkers kunnen voor vragen over hun specifieke situatie terecht bij de door de werkgever (de regionale GGD of het uitzendbureau) aangewezen contactpersoon (zie ook mijn antwoord op vraag 9).
Wat zijn de gezondheidsrisico’s van de alternatieve desinfectiemiddelen die nu worden ingezet in plaats van ethanol?
De veiligheid van alternatieve middelen wordt bepaald door de samenstelling van het middel, de frequentie en wijze van gebruik.
Zowel middelen op basis van ethanol, als op basis van andere werkzame stoffen worden gebruikt volgens de strengst voorgeschreven grenswaarde. Bij het gebruik van desinfectiemiddelen moeten zowel het belang van desinfectie (voorkomen van besmetting) als de mogelijke effecten op de gezondheid worden afgewogen. Bij een gebruik volgens de voorschriften wordt de gezondheid van de gebruiker voldoende beschermd. Tevens kan worden afgewogen of handen wassen met water en zeep een optie is.
