Gesprekken die op EU-niveau worden gevoerd met de Taliban |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Euractiv-artikel waarin vermeld staat dat er voor de zomer gesprekken gevoerd zullen worden tussen EU-ambtenaren en een Talibandelegatie met als doel om Afghanen mogelijk terug te sturen?1
Ja
Bent u door de Europese Commissie of andere betrokken landen op de hoogte gesteld van deze gesprekken?
Ja
Zullen er ook Nederlandse ambtenaren deelnemen aan deze gesprekken? Op welke manier is Nederland betrokken bij deze gesprekken?
EU-lidstaten, inclusief Nederland, hebben de week voorafgaand aan het gesprek de uitnodiging ontvangen voor dit gesprek in Brussel. Nederland onderhoudt minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. Dit gesprek was hier onderdeel van. Naar aanleiding van deze uitnodiging is besloten dat een Nederlandse ambtenaar op operationeel niveau het gesprek zou bijwonen.
Kunt u de Kamer informeren over wat er besproken zal worden met de Talibandelegatie?
Op 16 oktober jl., hebben verschillende lidstaten, waaronder Nederland, een brief gestuurd aan Eurocommissaris Brunner met de oproep om op Europees niveau vrijwillige terugkeer van personen zonder verblijfsrecht in de EU te stimuleren en de mogelijkheden voor gedwongen terugkeer naar Afghanistan te onderzoeken, voor lidstaten die dat willen. Uw Kamer heeft een afschrift van deze brief ontvangen2. De Commissie heeft gevolg gegeven aan deze oproep door over deze onderwerpen op operationeel niveau met de facto autoriteiten te spreken. De gesprekken in Brussel waren een voortzetting hierop.
Klopt het dat de gesprekken als doel hebben om mensen met de Afghaanse nationaliteit waaronder asielzoekers in Europa terug te sturen naar Afghanistan? Zo ja, over welke doelgroep gaat het?
Zie antwoord op vraag 4.
Ziet u Afghanistan als een veilig en vrij land, specifiek voor bijvoorbeeld vrouwen en meisjes en mensen die in het verleden kritiek hebben geuit op de Taliban?
De situatie in Afghanistan is onverminderd ernstig, in het bijzonder voor vrouwen en meisjes, die te maken hebben met vergaande beperkingen van hun rechten en vrijheden. In het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan is rekening gehouden met de zeer kwetsbare positie van vrouwen en meisjes.
Als er Afghaanse asielzoekers terug zouden worden gestuurd naar Afghanistan, kunt u dan zeker weten dat zij daar geen gevaar zullen lopen zoals verplicht onder het non-refoulement principe? Zo ja, hoe?
Zoals ook benadrukt in antwoord op vraag 6, is de situatie in Afghanistan onverminderd ernstig, in het bijzonder voor vrouwen en meisjes, die te maken hebben met vergaande beperkingen van hun rechten en vrijheden. Het niet naleven van deze leefregels kan voor vrouwen en meisjes verstrekkende gevolgen hebben voor hun veiligheid, bewegingsvrijheid, toegang tot onderwijs, werk en maatschappelijke participatie.
In de systematiek van het tot stand komen van landgebonden asielbeleid wordt er op basis van de informatie uit het door Buitenlandse Zaken gepubliceerde ambtsbericht gekeken welke (groepen) personen risico lopen op vervolging of ernstige schade. Een geüpdatet versie van het landgebonden asielbeleid is 28 mei jl. met uw Kamer gedeeld. Wanneer daarvan sprake is, verzet het beginsel van non-refoulement zich tegen afwijzing van de asielaanvraag. Afhankelijk van de mate van vervolging kan er worden geoordeeld dat er sprake is van groepsvervolging of kan een risicoprofiel worden aangewezen. Uiteindelijk gaat het om een individuele beoordeling waarbij geldt dat ook personen die niet onder groepsvervolging vallen of niet zijn aangemerkt als risicoprofiel nog steeds in aanmerking kunnen komen voor bescherming. In het landgebonden asielbeleid voor Afghanistan is rekening gehouden met de zeer kwetsbare positie van vrouwen en meisjes.
Momenteel leidt die individuele beoordeling bij Afghaanse vrouwen en meisjes in vrijwel alle gevallen tot vergunningverlening. Nederland blijft zich in EU- en VN-verband inzetten voor het beschermen van mensenrechten, en roept in deze gremia de Taliban op om mensenrechten te beschermen, in het bijzonder de rechten van vrouwen en meisjes, te respecteren in overeenstemming met internationale verdragsverplichtingen.
Is het terugsturen van Afghaanse vrouwen en meisjes naar een land waar zij zeer onderdrukt leven niet überhaupt onethisch?
Zie antwoord vraag 7.
Ziet u de Taliban als een normale gesprekspartner?
Nederland erkent het Taliban-regime niet als de legitieme vertegenwoordiging van de Afghaanse bevolking. Het normaliseren van de relatie met de Taliban is niet aan de orde. Wel onderhoudt Nederland minimale operationele contacten met de de facto autoriteiten in Afghanistan. De gesprekken in Brussel passen in dit kader.
Bent u van mening dat een dergelijke bijeenkomst een stap zet in de richting van het erkennen van het Talibanregime? Acht u dat wenselijk? Zo nee, waarom niet?
Nee, het onderhouden van minimale operationele contacten is geen stap richting erkenning van het Taliban regime. Het kabinet steunt het initiatief van de Europese Commissie en gelooft dat er middels het operationele EU spoor mogelijk een handelingsperspectief is om terugkeer naar Afghanistan vanuit EU lidstaten te bevorderen. Erkenning van het Taliban regime is niet aan de orde.
Kunt u deze vragen voor het eerstvolgende commissiedebat op 27 mei a.s. over de JBZ-Raad beantwoorden?
Nee.
Bent u bekend met het bericht «Opgepakte verdachte steekpartij Winschoten is dief van knuffels voor Jeffrey en Emma»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schandalig en onacceptabel is dat deze Syriër, na zijn veroordeling voor diefstal op een herdenkingsplek van vermoorde Nederlandse kinderen, nog steeds in Nederland verblijft en opnieuw strafbare feiten pleegt?
Hoewel ik niet op deze individuele casuïstiek kan ingaan, hecht ik eraan te benadrukken dat ik crimineel gedrag veroordeel en dat dit kabinet in de aanpak van overlast en crimineel gedrag van asielzoekers strenger wil optreden bij recidive.
Hoeveel keer moet een Syriër in Nederland een misdrijf plegen voordat u hem het land uit zet? Is er voor u überhaupt nog een grens?
Een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling is reden voor de IND om te onderzoeken of naast strafrechtelijke consequenties, ook verblijfsrechtelijke consequenties kunnen worden toegepast. Dat kan ook betekenen dat een afgegeven asielvergunning wordt ingetrokken. Daarbij moet wel worden voldaan aan hoge eisen van Europees Unierecht. De Kwalificatierichtlijn vereist dat, als een vreemdeling internationale bescherming nodig heeft, er voor het weigeren of intrekken van een asielvergunning sprake moet zijn van veroordeling wegens een (bijzonder) ernstig misdrijf.
Na een afwijzend besluit of een intrekking van de IND start de DTenV het terugkeerproces. Dit kan, afhankelijk van de situatie, vanuit strafdetentie of (aansluitend in) vreemdelingenbewaring plaatsvinden.
Op 18 december 2024 heeft toenmalig Minister Faber uw Kamer geïnformeerd over aanscherping van het openbare-ordebeleid in asielzaken.2 Die beleidsaanscherping is onverkort van kracht en betekent dat we in asielzaken het maximale doen.
Het is aan de officier van justitie om te bepalen of in individuele gevallen vervolging wordt ingesteld en voor welke afdoening wordt gekozen.
Kunt u aangeven waarom deze en andere criminele Syriërs nog steeds niet zijn uitgezet, ondanks de overduidelijke overlast en criminaliteit die zij veroorzaken? Gaat u dit alsnog doen?
Zie antwoord vraag 3.
Begrijpt u, gelet op dit soort weerzinwekkende incidenten en de vele andere misdrijven door asielzoekers en statushouders, waarom de opstand onder de Nederlandse bevolking steeds groter wordt? Zo ja, waarom voert u dan nog steeds geen onmiddellijke, volledige asielstop in en waarom zet u niet massaal criminele vreemdelingen uit?
Tegen de achtergrond van de recente asielrellen, herhaal ik op dit punt wat ik ook in het Commissiedebat van 13 mei jl. met uw Kamer heb gewisseld. Onze rechtstaat mag niet worden ondermijnd door intimidatie, bedreiging en geweld. Het Nederlandse toelatingsbeleid is gebaseerd op individuele toetsing en rechtsstatelijke uitgangspunten. Dit kabinet kiest voor meer grip op migratie door de instroom te verlagen en vertrek van uitgeprocedeerde asielzoekers te verhogen. Daarbij ben ik bereid om alle juridische ruimte te gebruiken, maar zoals al vaker aangegeven bestaat er geen juridische ruimte voor een asielstop.
Zo geeft dit kabinet nu prioriteit aan het implementeren van het Europese Migratiepact, waarmee meer grip op de Europese instroom wordt verkregen.
Om effectieve terugkeer en vertrek van niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen te bevorderen is het streven van het kabinet om met de nieuwe Terugkeerverordening de terugkeerprocedure simpeler, efficiënter en doeltreffender te maken en de samenwerking met landen buiten de Europese Unie te versterken, onder andere via migratiepartnerschappen.
Om de geïntensiveerde inzet op brede, strategische partnerschappen en de samenwerking met derde landen vorm te geven wordt er in een ambtelijke taskforce internationale migratie samengewerkt met betrokken departementen waaronder Buitenlandse Zaken en uitvoeringsorganisaties.
Ten slotte komt het kabinet met een nieuw wetsvoorstel voor de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders op basis van een zorgvuldige procedure, advisering en gesprekken met maatschappelijke organisaties.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Vreemdelingen- en Asielbeleid op 13 mei aanstaande?
Ik heb ernaar gestreefd uw vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Bent u bekend met het bericht dat inwoners van Loosdrecht zich door de komst van een asielzoekerscentrum (azc) voor alleenstaande mannelijke asielzoekers diep verdeeld voelen en als racisten worden weggezet?1
Ja.
Heeft u begrip voor de terechte woede en veiligheidszorgen van inwoners, met name vrouwen en gezinnen, over de komst van 70 alleenstaande mannelijke vreemdelingen op een locatie waar kinderen spelen en langsfietsen? Zo ja, waaruit blijkt dat concreet, of laat u hen totaal aan hun lot over?
Ik heb begrip voor de zorgen en gevoelens die inwoners van de gemeente Wijdemeren hebben over de komst van de noodopvanglocatie in Loosdrecht. Het is belangrijk dat inwoners deze zorgen ook kunnen uiten en worden gehoord. Daarom vinden er voorafgaand aan de opening van een locatie inspraakavonden plaats in de betreffende gemeenten en worden er maatregelen getroffen op het gebied van veiligheid, zoals dat altijd gebeurt alvorens nieuwe locaties opengaan. Dit heeft ook plaatsgevonden in Loosdrecht. Uitingen van geweld zijn op geen enkele manier acceptabel.
Klopt het dat bewoners pas enkele dagen van tevoren zijn geïnformeerd over het azc in het voormalige gemeentehuis, zonder veiligheidsplan en zonder enige inspraak?
Het is juist dat de omwonenden enkele dagen van tevoren zijn geïnformeerd. Er hebben inloopavonden plaatsgevonden waarbij de opbrengst van de inloopavonden is gebruikt om het veiligheidsplan verder vorm te geven. Het klopt dan ook niet dat er geen veiligheidsplan voorhanden was. Ook na de inloopavonden zijn er op diverse moment gesprekken gevoerd met omwonenden.
Is dit de toekomstige blauwdruk van uw asielbeleid: de zelf veroorzaakte asielcrisis afwentelen op kleine Nederlandse dorpen als Loosdrecht omdat u weigert de instroom te stoppen?
Ik herken het geschetste beeld over het soort asielbeleid dat het kabinet nastreeft niet. Het kabinet zet zich op verschillende manieren in om de instroom te beperken. Zo wordt uitvoering gegeven aan de Wet Tweestatusstelsel zoals deze is aangenomen in de Eerste Kamer. Daarnaast wordt uitvoering gegeven aan het Europese Migratiepact dat op 12 juni in werking is getreden. Hierin zijn verschillende instroombeperkende maatregelen opgenomen die de instroom van asielzoekers naar Nederland moet verminderen. Daarnaast wordt ook de Spreidingswet in stand gehouden en wordt het interbestuurlijk toezicht uitgevoerd. Van gemeente wordt verwacht dat zij opvang realiseren.
Wat vindt u ervan dat in Loosdrecht op 18 maart 2026 geen gemeenteraadsverkiezingen zijn gehouden, er dus geen democratisch mandaat ligt en onder leiding van een waarnemend VVD-burgemeester desondanks een azc wordt doorgedrukt tegen de wil van een groot deel van de inwoners?
Ik neem afstand van de wijze waarop u de burgemeester van Wijdemeren kwalificeert. Deze burgemeester heeft samen met het college van burgemeester en wethouders en met steun van de gemeenteraad invulling gegeven aan mijn verzoek om voor het acute tekort aan opvangplekken opvangplekken te realiseren. Ik ben de gemeente Wijdemeren daar zeer erkentelijk voor.
Mede op grond van de Wet algemene regels herindeling blijven de gemeenteraadsleden en het college van Wijdemeren volledig in functie tot de officiële fusiedatum met de gemeente Hilversum op 1 januari 2027. Tot 1 januari 2027 beschikt het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren derhalve over een volwaardig democratisch mandaat op basis van de gemeenteraadsverkiezingen van 16 maart 2022. Het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren heeft op basis van de wettelijke taken en bevoegdheden het besluit inzake de opvang van asielzoekers genomen en heeft daarover democratische verantwoording afgelegd aan de gemeenteraad.
Bent u bekend met de uitspraken van de waarnemend burgemeester, ter rechtvaardiging van zijn besluit, dat «er een crisis is» en dat «als we niet uitkijken, er weer mensen op het gras in Ter Apel of in sporthallen moeten slapen»?
Ik ben bekend met deze uitspraken. Op dit moment is de situatie in de asielopvang, dat het COA heeft moeten overgaan tot gecontroleerde toegang in Ter Apel. Op dit moment wachten mensen op het gras in Ter Apel tot er een opvangplek bij het COA beschikbaar is. Voor de korte termijn is er echter met spoed noodopvang nodig. Gemeenten die dit afgelopen periode hebben gerealiseerd ben ik dankbaar gezien de nijpende situatie.
Vindt u dat de belangen van alleenstaande mannelijke asielzoekers zwaarder wegen dan de veiligheid, rust en leefbaarheid van Nederlandse vrouwen, kinderen en gezinnen in Loosdrecht?
Ik hecht belang aan zowel de veiligheid en leefbaarheid van de inwoners van Loosdrecht als de veilige en leefbare opvang van asielzoekers. Dat dit een tegenstelling zou zijn, herken ik niet.
Bent u het eens met de stelling dat hieruit blijkt dat er sprake is van systematische benadeling van Nederlanders en bevoordeling van vreemdelingen?
Nee.
Heeft u de beelden gezien van het politieoptreden tegen demonstrerende inwoners?
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat optreden tegen gewelddadige demonstranten noodzakelijk is, maar dat bruut politieoptreden tegen vreedzame, onschuldige inwoners met terechte zorgen niet bij onze rechtsstaat past? Zo nee, waarom niet?
Demonstreren is een grondrecht. Intimidatie of bedreiging van lokaal bestuur of gezag en vernieling is nooit acceptabel. Hier spreek ik me met klem tegen uit en als kabinet staan we vierkant achter lokaal bestuur en politie als zij optreden tegen intimidatie, geweld en vernieling.
Hoe verklaart u de dubbele maat waarbij honderden klimaatactivisten de A12 mogen blokkeren, door de politie worden begeleid en zonder enige straf wegkomen, terwijl demonstraties van bezorgde burgers in Loosdrecht worden neergeslagen en zij binnen enkele dagen worden veroordeeld?
Demonstreren is een grondrecht, maar dient te gebeuren binnen de grenzen van de wet. Wanneer er sprake is van geweld, intimidatie en bedreigingen dan wel andere overtredingen van de wet wordt er lokaal ingegrepen. Op dat moment wordt door het lokaal gezag bepaald wat de passende manier van handelen is. De inhoud van de boodschap speelt hierbij geen rol.
Bent u bereid de burgemeester tot de orde te roepen wegens het disproportionele politiegeweld, zelf in te grijpen en een streep te zetten door het azc? Zo nee, waarom niet?
De burgemeester heeft het gezag over de politie bij de inzet voor het handhaven van de openbare orde. De burgemeester legt verantwoording af aan de gemeenteraad over de uitoefening van zijn gezag. Ik treed hier niet in. Als kabinet steunen wij het lokale bestuur.
Ten aanzien van de stelling dat er disproportioneel geweld door de politie is gebruikt willen wij opmerken dat de ongeregeldheden in Loosdrecht werden gekenmerkt door geweld tégen de politie. Dat is onacceptabel. Daarnaast merk ik op dat de politie geweld als uiterste redmiddel gebruikt en dat gebruik van geweld door de politie altijd wordt getoetst.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden, doch ten minste ruim vóór de geplande komst van het azc?
Ik heb deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Een plan B voor de asielnoodmaatregelenwet en de Novelle |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraak in het commissiedebat over de Tweede cyclus van de spreidingswet van 23 april jongstleden dat u de maandag voorafgaand aan de stemming over de asielwetten in de Eerste Kamer (telefonisch) contact heeft gehad met «enkele mensen», ter voorbereiding van een plan B?
Mijn uitspraken ten tijde van genoemd debat zijn mij bekend.
Klopt het dat u in ieder geval contact heeft gehad met de Minister-President en eerste vicepremier Yeşilgöz?1
Zoals meermaals met de Kamer is gedeeld2, is het voor het goede functioneren van het parlementaire proces noodzakelijk dat er ruimte bestaat voor vertrouwelijke contacten tussen deelnemers aan dat proces. Dat geldt met het oog op de eenheid van kabinetsbeleid in het bijzonder voor communicatie tussen de leden van het kabinet onderling. Om geen onnodige onduidelijkheid over de gang van zaken te laten bestaan, ben ik desalniettemin tijdens het in vraag 1 genoemde debat al op deze kwestie ingegaan. Ik heb aangegeven dat ik enkele collega bewindspersonen kort voor de stemmingen vooraf wilde informeren over hoe ik zou reageren mocht een van de wetsvoorstellen worden verworpen. Dat betroffen de Minister-President en eerste vicepremier. Ik heb daaraan verder niets toe te voegen.
Met welke personen heeft u vooraf aan de stemmingen nog meer (telefonisch) contact gehad wat relevant is met betrekking tot het tot stand komen van plan B?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2. Buiten degenen die ik noemde in het antwoord op vraag 2 heb ik vanzelfsprekend hierover ook contact gehad met mijn ministerie. In de aanloop naar de stemmingen heb ik vanaf maandag met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen. Dat was niet zoals de vraagstelling suggereert als zodanig een «plan B». Wat de scenario’s van de gesneuvelde onderdelen van de asielnoodmaatregelenwet inhouden, heb ik ook toegelicht tijdens het genoemde debat. Drie onderdelen van de Asielnoodmaatregelenwet worden niet ook geregeld in de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026, te weten de afschaffing van de rechterlijke dwangsom, de uitbreiding van de mogelijkheden voor ongewenstverklaring en de strafbaarstelling van terugkeerfrustreerders. Ik heb er kennis van genomen dat leden Diederik van Dijk en Boomsma inmiddels opnieuw een amendement over het afschaffen van rechterlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken hebben ingediend. Ditmaal in het kader van het traject dat zal gaan leiden tot de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring.3
Voor de uitbreiding van de ongewenstverklaring heb ik inmiddels een nota van wijziging ingediend in datzelfde traject. Voorts kom ik met een zorgvuldig proces rondom de strafbaarstelling van de terugkeerfrustreerders om te voorkomen dat het politiek rommelige proces dat hieraan in de vorige periode vooraf is gegaan, opnieuw plaatsvindt, en om ervoor te zorgen dat ertoe doende advisering plaatsvindt en er voldoende gesprek is met maatschappelijke organisaties. Over de ontwikkelingen langs deze drie lijnen zal ik vanzelfsprekend op de gebruikelijke wijze met uw Kamer communiceren en verantwoording afleggen.
Kunt u een volledig overzicht met namen, functies en het tijdstip van contact met de Kamer delen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat was de inhoud van deze (telefoon)gesprekken?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft u ervoor gekozen om juist voorafgaand aan de stemming in de Eerste Kamer deze contacten te leggen?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer exact is gestart met de voorbereiding van dit «plan B»? Kunt u een precieze tijdlijn geven van de ambtelijke en politieke besluitvorming?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Zoals al opgemerkt heb ik in de aanloop naar de stemmingen op 21 april vanaf maandag 20 april met hierbij betrokken ambtenaren gesproken over de mogelijke scenario’s voor het verloop van de stemmingen en hoe daarna vervolgens te handelen.
In welke ministerraad of ander overleg is besloten om dit alternatieve wetgevingstraject op te starten? Wanneer en door wie en in opdracht van wie is besloten om plan B bekend te maken aan het publiek?
Tijdens het meergenoemde commissiedebat gaf ik al aan dat niet voorafgaand aan de stemmingen in de ministerraad of anderszins over alternatieven is besloten.
In wiens opdracht is een plan B gemaakt?
Zoals in het antwoord op vraag 7 al is aangegeven is vanaf maandag 20 april gesproken over de mogelijke scenario’s. Na de stemmingen gaf ik de opdracht om daadwerkelijk alternatieven uit te werken.
Was de fractie van D66 in de Eerste Kamer voorafgaand aan de stemming op de hoogte van het bestaan van dit «plan B»?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u zelf, direct of indirect, informatie over dit «plan B» gedeeld met leden van de Eerste Kamer, in het bijzonder met senatoren van D66?
Zie antwoord vraag 3.
Welke senatoren van zowel D66 als andere Eerste Kamerfracties waren op de hoogte van plan B?
Dat is bij mij niet bekend. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2 tot en met 6, 10, 11 en 16.
Kunt u ondubbelzinnig uitsluiten dat senatoren van D66 of van andere Eerste Kamerfracties voorafgaand aan de stemming op de hoogte waren van het bestaan van alternatieve wetgeving?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u uitsluiten dat kennis over een dergelijk «plan B» van invloed is geweest op het stemgedrag in de Eerste Kamer?
Het is niet aan mij wat van invloed is op het stemgedrag van leden van de senaat. Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen 12 en 13.
Deelt u de opvatting dat het gelijktijdig voorbereiden van nieuwe wetgeving, terwijl bestaande wetsvoorstellen nog in behandeling zijn, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer?
De inzet is te allen tijde geweest ervoor te zorgen dat de wetsvoorstellen het zouden halen. Het voorbereiden op mogelijke uitkomsten van de stemmingen doet geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van het wetgevingstraject richting de Eerste Kamer. Verder verwijs ik u naar de antwoorden op vragen 7 en 9.
Bent u bereid alle relevante documenten, waaronder memo’s, gespreksverslagen, appberichten en e-mails met betrekking tot deze contacten en de voorbereiding van «plan B» en de aankondiging daarvan, aan de Kamer te doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Vreemdelingen- en asielbeleid van van 13 mei?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst' |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «COA mag pendelbus asielboot niet stopzetten en gaat in gesprek met gemeente over toekomst»?1
Ja
Klopt het dat er op dit moment nog een pendelbus rijdt van en naar de asielopvanglocatie MS Galaxy en dat deze vanaf mei wordt geschrapt?
Na gesprekken tussen het COA en de gemeente heeft het COA in april 2026 besloten om de pendelbus langs de lopende afspraken uit de bestuursovereenkomst in te blijven zetten ter bevordering van de bereikbaarheid van de locatie. Alle bewoners van de locatie kunnen hier gebruik van maken en zijn hierover geïnformeerd. Het gebruik van de bus is conform de gemaakte afspraken altijd mogelijk geweest voor de gehele groep bewoners. Onder de gebruikers bevonden zich ook schoolgaande kinderen. Deze doelgroep woont inmiddels niet meer op het asielschip. Het COA houdt centraal geen registratie bij van het aantal bewoners dat gebruik maakt van de pendelbus. Operationeel wordt echter gemonitord en geëvalueerd of de pendelbus aansluit bij een behoefte van de bewoners en of deze nodig is voor de bereikbaarheid van de COA locatie. Hieruit blijkt dat de pendelbus op dit moment nodig is.
Klopt het dat de pendelbus oorspronkelijk was bedoeld voor naar school gaande kinderen, maar dat deze doelgroep inmiddels niet meer woont op het asielschip?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u inzichtelijk maken in welke mate momenteel gebruik wordt gemaakt van de pendelbus?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe is de financiering van de pendelbus opgebouwd en hoeveel kost deze bus per maand? Betaalt het Rijk mee aan deze pendelbus?
De inzet van de pendelbus is onderdeel van gemaakte afspraken tussen het COA en de gemeente rondom opvang van bewoners op de boot. Het COA zet publieke middelen zo doelmatig en efficiënt in als mogelijk is. Juist ter bevordering daarvan worden onderliggende financiële afspraken niet geopenbaard. De pendelbus wordt gefinancierd uit het COA-kader voortkomend uit de rijksbegroting.
Kunt u aangeven wat het standpunt van de gemeente Amsterdam betekent voor de (toekomst van de) opvangplekken op de opvanglocatie, nu de gemeente tegen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) heeft gezegd dat de pendelbus behouden moet blijven?
Zoals aangegeven is de pendelbus onderdeel van de bestuursovereenkomst met het COA en zijn het COA en de gemeente gekomen tot een passende oplossing. Op operationeel niveau evalueren het COA en de gemeente periodiek of de inzet van de pendelbus in een behoefte voorziet en of deze noodzakelijk is voor de bereikbaarheid van de COA locatie.
Kunt u uiteenzetten welke juridische verplichtingen bestaan om de bereikbaarheid van een opvanglocatie te borgen en in hoeverre die verplichtingen noodzakelijkerwijs neerkomen op een aparte pendelbus in plaats van regulier Openbaar Vervoer (OV) of andere voorzieningen?
Er bestaat geen expliciete wettelijke norm die de bereikbaarheid van opvanglocaties met ov en/of alternatief vervoer vastlegt. Goede bereikbaarheid is echter wel onderdeel van het COA plan van eisen. In de praktijk wordt dit geborgd via de lokale vergunningverlening en het omgevingsrecht aangevuld met bestuurlijke afspraken tussen gemeente, vervoerder en COA. De kern is dat bewoners en bezoekers de locatie redelijkerwijs moeten kunnen bereiken.
Bent u het eens met de stelling dat alleen in uitzonderlijke gevallen pendelbussen ingezet moeten worden en dat zoveel als mogelijk voor asielzoekers dezelfde voorzieningen moeten gelden als voor Nederlanders?
Het heeft de voorkeur dat asielopvang voldoende bereikbaar is zonder inzet van een pendelbus. Het is echter van primair belang dat opvang kan worden geboden aan iedereen die daar recht op heeft. De inzet van noodopvang zoals de Galaxy in Amsterdam, in dit geval inclusief afspraken over bereikbaarheid en mobiliteit, is daarom voorlopig noodzakelijk vanwege de grote druk op de asielopvang. Het inzetten van een pendelbus is echter ook bij dit soort noodopvang geen standaardpraktijk. Alleen wanneer de bereikbaarheidssituatie geen andere mogelijkheden biedt wordt deze optie overwogen.
Het bericht 'Legal advisers help migrants pose as gay to get asylum, undercover BBC investigation finds' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Legal advisers help migrants pose as gay to get asylum, undercover BBC investigation finds»?1
Ja.
Zijn er in Nederland signalen dat adviseurs, tussenpersonen of organisaties asielzoekers helpen bij het construeren van valse verklaringen of bewijsstukken op grond van seksuele gerichtheid? Acht u het risico reëel dat dit ook in Nederland voorkomt?
Het is niet uit te sluiten dat vreemdelingen ook in Nederland hulp krijgen bij het construeren van een asielrelaas op grond van seksuele gerichtheid. Daarbij zijn verschillende varianten denkbaar en deze vorm van fraude is lastig te onderkennen. Op dit moment zijn echter geen concrete signalen dat adviseurs, tussenpersonen of organisaties asielzoekers helpen bij het opstellen van valse verklaringen of bewijsstukken.
Komt het in Nederland voor dat de aanvraag van asielzoekers wordt ingewilligd omdat zij claimen te behoren tot een (vervolgde) lhbtiq+-gemeenschap, om vervolgens na inwilliging een heteroseksuele partner over te laten komen? Zo ja, hoe vaak kwam dit voor in 2025 en 2024?
Vooropgesteld: een asielzoeker hoort geen verblijfstitel te verkrijgen door
valse verklaringen af te leggen over de seksuele gerichtheid. Dit is misleiding van de autoriteiten en mag niet worden beloond. Waar mogelijk zal in zulke gevallen de verleende verblijfsvergunning worden ingetrokken.
De IND registreert momenteel asielmotieven niet op gestructureerde, telbare wijze en daarmee kan niet worden bepaald hoeveel vreemdelingen een vergunning asiel hebben verkregen op basis van de seksuele gerichtheid. De seksuele gerichtheid van vreemdelingen wordt ook niet op gestructureerde wijze in de systemen geregistreerd.
Wordt binnen de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) of andere ketenpartners bijgehouden of sprake is van patronen van gecoachte verklaringen, laat opgeworpen asielmotieven of opgebouwd steunbewijs bij dit type aanvragen? Zo nee, waarom niet?
De IND is alert op fraude. Daarvoor is een informatieknooppunt2 ingericht waar signalen van buitenaf maar ook door IND medewerkers zelf kunnen worden doorgegeven. Hier worden deze signalen verzameld, geregistreerd en wordt de informatie waar mogelijk verrijkt. Vervolgens wordt beoordeeld of dit aanleiding geeft om verder onderzoek te doen en/of kenbaar binnen de organisatie te delen zodat ook medewerkers hierop kunnen acteren.
De IND houdt niet bij hoe vaak specifiek gecoachte verklaringen, laat opgeworpen asielmotieven of opgebouwd steunbewijs zijn aangevoerd in aanvragen waarin LHBTIQ+ is aangevoerd als motief. De IND onderkent dat fraudesignalen rond dit motief kunnen binnenkomen en is hier zeer alert op. Indien deze signalen reden genoeg vormen om daarop te handelen, zal de IND dat doen. De mogelijkheden daarvoor zijn het doen van aangifte, het betrekken van de signalen (en dus mogelijk valse of fraudeleuze stukken) bij de beoordeling (afwijzing) van de aanvraag en/of het opnieuw beoordelen van een reeds verleende vergunning.
Wat gebeurt er als na inwilliging blijkt dat een asielzoeker heeft gelogen over zijn geaardheid om meer kans te krijgen op een verblijfsstatus? Hoe vaak werd dit in 2025 en in 2024 geconstateerd?
Wanneer de IND na inwilliging van de asielaanvraag een fraudesignaal ontvangt zal hier verder onderzoek naar gedaan worden en kan dit leiden tot een mogelijke intrekking van de verblijfsvergunning.
Om tot een intrekking over te kunnen gaan dient de IND aan te tonen dat er sprake is van een intrekkingsgrond. De bewijslast rust op de IND wat betekent dat de IND zal moeten bewijzen dat er zowel nu als destijds sprake is geweest van een onterecht beroep op asielbescherming. Het toetsingskader ten behoeve van een intrekking is daarmee complex.
Zoals toegelicht in antwoord op vraag 3, wordt de (seksuele) gerichtheid niet gestructureerd geregistreerd.
Hoe wordt in de Nederlandse implementatie van het EU Asiel- en Migratiepact geborgd dat screening, identificatie en registratie beter helpen om dit soort misbruik vroegtijdig te herkennen?
Met invoering van het Migratiepact wordt de screening van vreemdelingen die in Ter Apel asiel aanvragen bij de IND ondergebracht. Tijdens de screening wordt ook informatie opgehaald ter voorbereiding van de behandeling van de asielaanvraag. Met deze informatie worden direct alle relevante onderzoeken gestart. Vervolgens vindt zo snel mogelijk het gehoor plaats. Het streven is dat dit binnen twee maanden plaatsvindt. Hierdoor heeft de IND snel alle informatie om de asielaanvraag te beoordelen maar ook om signalen van fraude te herkennen.
Bent u bereid in kaart te brengen of binnen de implementatie van het Pact aanvullende maatregelen nodig zijn om misbruik van asielgronden tegen te gaan, zonder afbreuk te doen aan de bescherming van daadwerkelijk vervolgde lhbtiq+-personen?
Zoals reeds aangegeven, is er reeds een systeem ingericht om fraude te signaleren en tijdig op signalen van fraude te acteren. Dit systeem blijft onverminderd van kracht, zowel voor asielzaken (waar het Pact op van toepassing is), als ook reguliere en nareiszaken. Voor nu zie ik geen aanleiding om hierop nog aanvullende maatregelen in kaart te brengen.
Het bericht dat er een snelle toename is van het aantal asielzoekers met “nationaliteit onbekend” |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht in de Telegraaf «Ter Apel stroomt vol met mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Zie de inhoudelijke beantwoording hieronder.
Naar welke cijfers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid verwijst het artikel? Waar zijn die gepubliceerd?
De cijfers die in het artikel worden aangehaald zien op het aantal eerste asielaanvragen en de nationaliteiten van de aanvragers. Deze cijfers worden maandelijks door de IND gepubliceerd in Asylum Trends, te vinden via https://ind.nl/nl/over-ons/cijfers-en-publicaties/asieltrends.
Kunt u verklaren waarom er sprake is van een snelle toename van het aantal asielzoekers met nationaliteit onbekend?
De samenstelling van de categorie «nationaliteit onbekend» kan niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden.
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft.
Klopt het dat een groot deel van deze groep bestaat uit Palestijnen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat sommige vreemdelingen hun nationaliteit niet willen prijsgeven tijdens de procedure? Waarom is dat? En hoe kan hun relaas worden beoordeeld en daarmee het recht op asiel als ze hun nationaliteit niet willen prijsgeven?
Het klopt dat er niet altijd duidelijkheid is over de nationaliteit van de vreemdeling. De beoordeling van de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is onderdeel van de asielprocedure. Dat een vreemdeling geregistreerd staat met onbekende nationaliteit hoeft hier echter niet mee te maken te hebben. Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten of om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld dan wel om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt.
Dat een vreemdeling met onbekende nationaliteit geregistreerd staat, wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. Als de vreemdeling geen bekende nationaliteit heeft, maar er is geen twijfel over de identiteit en herkomst van de vreemdeling, kan de aanvraag getoetst worden aan het land van gebruikelijk verblijf. Het niet kunnen toewijzen van een nationaliteit hoeft dus niet in de weg te staan aan het kunnen beoordelen van de aanvraag.
Wat is bekend over de vraag langs welke route Palestijnse asielzoekers naar Nederland komen? Door hoeveel veilige landen hebben zij gereisd alvorens ze hier zijn aangekomen?
Zoals aangegeven in de voorgaande beantwoording lijkt het hier grotendeels te gaan om personen die al een asielstatus hebben in Griekenland. In algemene zin is niet te zeggen door hoeveel landen deze vreemdelingen hebben gereisd alvorens ze een aanvraag indienden in Nederland.
Is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers (of anderen van deze groep nationaliteit onbekend) te relateren of toe te schrijven aan een bepaalde recente keuze, beleidswijziging of besluit door de Nederlandse overheid? Kunt u hier een toelichting op geven?
Nee, niet zover mij bekend.
Of is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers te relateren aan een besluit, beleidswijziging of keuze van een ander land op de route? Kunt u hier een toelichting op geven?
Zie de antwoorden op de vragen 3, 4, 6 en 9.
Op welke manier hebben de Belgen het in augustus vorig jaar moeilijker gemaakt voor Palestijnen om bescherming te krijgen in dat land, en in hoeverre speelt dat een rol?
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk» worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Op welke manier wordt gecontroleerd of Palestijnse asielzoekers lid zijn van, een functie hadden of hebben bij, dan wel banden of affiniteit hebben met Hamas of een andere terreurorganisatie?
Bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND standaard of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, of dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zogenaamde 1F-gedragingen (ernstige misdrijven). Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van deze screening? Bent u van mening dat we adequaat zicht hebben op mogelijke banden met Hamas?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u het eens met de stelling dat deze toename van asielzoekers onwenselijk is? Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dit verder toeneemt?
Dit kabinet wil meer grip krijgen op migratie. Naast de specifieke inzet beschreven in antwoord 9, geldt dat belangrijke stappen daarin de inwerkingtreding van het Pact en de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel zijn.
Het bericht 'Ter Apel stroomt vol mensen met ’onbekende nationaliteit’: ’Grootste deel is Palestijn’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ter Apel stroomt vol mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Ja
Hoe verhoudt het aantal asielaanvragen van januari en februari 2026 dat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zich tot dezelfde periode in 2025? Is er sprake van een stijging, en zo ja, met hoeveel procent?
In 2026 tot en met februari werden 750 eerste asielaanvragen geregistreerd van vreemdelingen met een onbekende nationaliteit. In dezelfde periode in 2025 waren dat nog ca. 130 eerste asielaanvragen. Het aantal in 2026 tot en met februari is daarmee 489% hoger dan in dezelfde periode in 2025.
(Bron: IND Asylum Trends, januari 2026 en maart 2026. Cijfers afgerond op tientallen)
Hoeveel van de asielaanvragen in januari en februari 2026 die zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zijn afkomstig van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond? Hoe verhoudt dit aantal zich tot dezelfde periode in 2025?
De gevraagde cijfers kunnen niet als zodanig uit het IND-systeem gehaald worden. Iemand staat in dit geval immers geregistreerd onder «onbekende nationaliteit».
Vanwege de toename van registraties onder «onbekende nationaliteit» heeft de IND in december 2025 en januari 2026 de instroom binnen deze categorie op AC Ter Apel echter bijgehouden. Uit dit dossieronderzoek blijkt dat 98% van de bijna 600 gecontroleerde personen aangaf Palestijns te zijn. Ongeveer 84% kwam uit Gaza, 4% uit de Westelijke Jordaanoever en 12% elders. Opvallend is dat ongeveer 70% van deze gecontroleerde personen al een status in Griekenland heeft.
Voor de aanvragers die al bescherming hebben in Griekenland onderzoekt de IND of de aanvraag in Nederland ontvankelijk moet worden geacht, omdat de vreemdelingen niet naar Griekenland kunnen terugkeren, of dat de aanvraag als niet-ontvankelijk moet worden afgedaan. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Daarnaast is de relatief hoge instroom van (staatloze) Palestijnen in de afgelopen jaren te verklaren door de conflicten in Syrië en, recenter, Libanon en de Palestijnse gebieden.
Wat zijn andere verklaringen voor de stijging van het aantal asielaanvragen die door de IND zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit»?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre heeft de IND inzicht in de samenstelling van de asielaanvragen die worden geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit?» Beperkt deze vorm van registratie de mogelijkheid van de IND en van uw ministerie om bij te sturen bij een plotselinge en onverwachte toename van de asielinstroom?
Er zijn verschillende redenen waarom een vreemdeling geregistreerd kan staan met een onbekende nationaliteit. Het kan onder meer gaan om vreemdelingen die geen aannemelijke nationaliteit opgeven of stellen hun nationaliteit niet te weten, om in Nederland geboren kinderen van ouders van wie de nationaliteit niet is vastgesteld of om vreemdelingen die de nationaliteit hebben van een land dat niet (meer) bestaat of door Nederland niet wordt erkend. In die laatste categorie vallen onder meer burgers van de voormalige Sovjet-Unie die nooit de nationaliteit van één van de nieuwe landen hebben gekregen of vreemdelingen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die (nog) niet als staatloos kunnen worden aangemerkt.
Dat een Palestijn geregistreerd staat onder «onbekende nationaliteit» wil niet zeggen dat ook onbekend is waar de vreemdeling vandaan komt en waar hij zijn gebruikelijke woon- en verblijfplaats had. In dat geval kan het asielrelaas tegen deze achtergrond beoordeeld worden.
Welk beoordelingskader past de IND toe bij het beoordelen van asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond die al decennia in Syrië of Libanon verblijven? Heeft deze groep een grotere kans op een verblijfsvergunning dan Syriërs of Libanezen? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak?
In elke asielaanvraag beoordeelt de IND eerst wat de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling is. Voor Palestijnen geldt dat dit, waar het om nationaliteit en herkomst gaat, sterk uiteenloopt en afhankelijk is van het land waar iemand zich bevond en het nationaliteitsbeleid dat daar wordt gevoerd. Daarom beoordeelt de IND eerst uit welk land de vreemdeling met een Palestijnse achtergrond afkomstig is en of hij de nationaliteit van dat land heeft of dat hij staatloos is. Wanneer een Palestijn de nationaliteit heeft verkregen van een land, dan toetst de IND de asielaanvraag op dezelfde wijze als de aanvragen van andere asielzoekers uit dat land.
Bij de beoordeling van een asielaanvraag van een Palestijn zonder nationaliteit van een land, toetst de IND altijd eerst aan artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Hiermee wordt vastgesteld of diegene onder het mandaat van UNRWA valt. Personen die bescherming of bijstand genieten van UNRWA zijn namelijk uitgesloten van de vluchtelingenstatus. Kortweg geldt dat deze personen direct recht hebben op de vluchtelingenstatus wanneer de bescherming of bijstand door de UNRWA ophoudt, om redenen buiten de invloed of onafhankelijk van de wil van de staatloze Palestijn (bijv. wegens een gewapend conflict), tenzij een andere uitsluitingsgrond van toepassing is, zoals artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Als artikel 1D niet van toepassing is op de asielaanvraag van een staatloze Palestijn, toetst de IND de asielaanvraag binnen de standaard asielprocedure aan de hand van het geldende kader of landenbeleid.
Bent u van plan om lessen te trekken uit de door België in augustus 2025 getroffen maatregelen om het voor asielzoekers met een Palestijnse achtergrond lastiger te maken om een verblijfsvergunning te krijgen?
In het artikel waarnaar u in uw vragen verwijst, staat dat een Palestijnse asielzoeker in België minder kans heeft om asielbescherming te krijgen en geen recht heeft op opvang als hij al een verblijfsstatus heeft in een ander Europees land. In het Nederlandse beleid, ontleent aan het Unie-recht, wordt het verzoek van de asielzoeker niet-ontvankelijk verklaard als hij al bescherming heeft in een andere EU-lidstaat. Hierbij past wel de kanttekening dat ten aanzien van asielzoekers die in Griekenland bescherming hebben gekregen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van 28 juli 2021 het risico opnam dat zij bij terugkeer in dat land niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. Naar aanleiding van die uitspraak beoordeelt de IND de aanvragen van Griekse statushouders inhoudelijk, tenzij de statushouder als zelfredzaam kan worden beschouwd. Voor zover ik heb begrepen, heeft de Belgische Raad van Vreemdelingenbetwisting in verschillende arresten daterend van 20 februari 2026 een soortgelijke conclusie bevestigd.
Ten aanzien van het onthouden van opvang aan de groep asielzoekers die al bescherming heeft gekregen in een andere lidstaat, schorste de Belgische Raad van State in een uitspraak van 27 maart 2026 de instructie van de Belgische Minister en stelde prejudiciële vragen aan het EU-Hof van Justitie over dit vraagstuk vragen. Uiteraard betrek ik de uitkomst van die procedure bij de eventuele handelingsperspectieven.
Het uitgangspunt blijft dat Nederland weer statushouders aan Griekenland kan overdragen. Het kabinet is doorlopend met de Commissie en Griekenland in gesprek en verkent waar zij actief kan ondersteunen bij het wegnemen van de bestaande belemmeringen. In dat kader steunt Nederland sinds januari 2025 voor de duur van twee jaar twee opvangtehuizen voor (jonge) Griekse statushouders van Movement on the Ground, een non-gouvernementele organisatie. Statushouders krijgen daar onderdak in een gemeenschappelijk huis in Athene, waar ze wonen met anderen, en worden begeleid en ondersteund bij de integratie in de Griekse samenleving (school, werk etc.).
Gezien de ontstane situatie heb ik, na contact met Movement on the Ground, besloten dat ook vanuit Nederland naar Griekenland terugkerende statushouders gebruik kunnen maken van deze plekken. Daarmee kan hun in Nederland ingediende asielverzoek «niet-ontvankelijk» worden verklaard. Daarbij zal het wel nog gaan om kleinere getallen. Maar samen met Griekenland, maar ook met België en Duitsland die met hetzelfde probleem zitten, en de Europese Commissie blijf ik in gesprek om ook structureel te voorzien in een oplossing voor de hele groep.
Aan de IND heb ik gevraagd om zaken van Griekse statushouders niet inhoudelijk te behandelen in afwachting van goede afspraken over terugkeer en opvang met Griekenland. Op die manier wordt voorkomen dat deze Griekse statushouders in Nederland asielbescherming verkrijgen in afwachting van deze nadere afspraken. Hiermee geef ik tevens invulling aan de motie van het lid Elian (VVD) daarover.
Bent u van plan om soortgelijke maatregelen te treffen om het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond ook in Nederland te laten afnemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke andere maatregelen kan Nederland verder nemen om het aantal asielzoekers met een Palestijnse achtergrond dat naar Nederland komt zoveel mogelijk te beperken? Bent u van plan deze maatregelen ook daadwerkelijk te implementeren? Zo nee, waarom niet?
Buiten de beschreven situatie van de Griekse statushouders, geldt dat de instroom van asielzoekers afhankelijk is van een groot aantal interne en externe op elkaar inwerkende factoren. Naast nationale maatregelen en EU-maatregelen, is instroom in belangrijke mate afhankelijk van internationale en geopolitieke ontwikkelingen. In het bijzonder is dat het geval als wordt gekeken naar de redenen van asielmigranten om te vertrekken. Deze complexiteit betekent niet dat sturen op asielmigratie onmogelijk is, maar wel dat sturing niet alleen moet plaatsvinden met enkele afzonderlijke maatregelen, maar met een samenhangend pakket aan maatregelen op het brede terrein van migratie en asiel, zowel nationaal als in EU-verband. De inwerkingtreding van het Pact op 12 juni aanstaande is daarbij belangrijk, net als de recent aangenomen wet invoering tweestatusstelsel.
In hoeverre kan de uitbreiding van het «veilig derde landen-concept» ertoe leiden dat asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond sneller kunnen worden afgewezen? Wanneer denkt u dat de effecten hiervan zichtbaar zullen zijn in de instroomcijfers?
Vanaf 12 juni 2026 is het bandencriterium niet langer een verplichtende voorwaarde om het veilig derde land-concept te kunnen toepassen. Onder het Pact kan de IND een derde land tegenwerpen als veilig derde land:
De overige bestaande voorwaarden blijven daarbij van toepassing, zoals het vereiste dat de vreemdeling in het derde land kan verzoeken om effectieve bescherming. De IND maakt steeds een individuele beoordeling.
Het bovenstaande is van toepassing op alle verzoekers die om internationale bescherming vragen, dus ook op asielzoekers met een Palestijnse achtergrond.
Hoe groot schat u het risico dat een stijging van het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond kan leiden tot extra gezinshereniging en nareis vanuit Gaza en de Westelijke Jordaanoever? Op welke wijze wordt hierbij voorkomen dat gezinshereniging wordt misbruikt om terroristen naar Nederland te laten komen?
Nareis is een bijzondere vorm van gezinshereniging die bedoeld is om het gezinsleven van de asielstatushouder zoals dat bestond vóór de vlucht te herstellen. Wanneer iemand een nareisaanvraag indient, beoordeelt de IND of de statushouder en de potentiële nareizigers aan de voorwaarden voor nareis voldoen. Dat is steeds een individuele toets. Daarbij beoordeelt de IND op basis van alle feiten en omstandigheden of er daadwerkelijk sprake is van een feitelijke gezinsband. Dit houdt in dat de referent daadwerkelijk invulling heeft gegeven aan de gezinsband. De referent moet de feitelijke gezinsband tussen hem en zijn gezinslid op het moment van binnenkomst met documenten en verklaringen onderbouwen. Het is mogelijk dat de feitelijke gezinsband is verbroken wanneer de gezinsleden lang gescheiden van elkaar hebben geleefd.
Ook beoordeelt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Zie voor het toetsingskader C.2/7.10 en verder van de Vreemdelingencirculaire.
Onder meer bij brief van 27 juni 20252 is uw Kamer geïnformeerd over verschillende evaluaties over het onderkennen van signalen van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terrorisme in de asiel- en nareisprocedure. Geconstateerd is dat de asiel- en nareisprocedure voldoende is ingericht om signalen te onderkennen die hier op wijzen.
Klopt het dat een groot deel van de asielzoekers met een Palestijnse achtergrond verblijvend in Syrië en Libanon al decennialang gescheiden leven van eventuele gezinsleden in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, deelt u de opvatting dat nareisaanvragen hierdoor nauwelijks kans van slagen zouden mogen hebben?
Zie antwoord vraag 11.
Het vaststellen van de leeftijd van asielzoekers |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zo bepaalt Nederland de leeftijd van asielzoekers» in NRC?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de zogeheten «schouw» waarbij ambtenaren op basis van uiterlijke kenmerken zoals baardgroei, adamsappel en zithouding de leeftijd van asielzoekers trachten vast te stellen, in de praktijk leidt tot tegenstrijdige conclusies over dezelfde persoon?
Met de inwerkingtreding van het Europese Asiel- en Migratiepact per 12 juni jl. is de rol van DISA m.b.t. de leeftijdsschouw komen te vervallen. Als er vermoedens zijn van evidente meerderjarigheid en de vreemdeling zijn gestelde minderjarigheid niet met authentieke identiteitsdocumenten kan onderbouwen, houdt de IND thans een leeftijdsinterview. In het rapport van het leeftijdsinterview worden alle observaties over uiterlijke- en lichamelijke kenmerken, gedrag en verklaringen opgenomen. Indien niet kan worden geconcludeerd tot evidente meerderjarigheid dan is de conclusie dat de vreemdeling vooralsnog minderjarig is.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat in het algemeen de leeftijdsschouw, thans leeftijdsinterview geheten, zorgvuldig is en het beleid zoals de Minister dat in paragraaf C1/2.1 van de Vc 2000 en in de Werkinstructie 2025/1 heeft uitgewerkt, op een zorgvuldige wijze is vormgegeven en redelijk is. De leeftijdsschouw is naar het oordeel van de Afdeling in het algemeen een bruikbaar middel voor de vaststelling of er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van een vreemdeling.
Hoeveel van de circa vierduizend alleenstaande minderjarige vreemdelingen die zich jaarlijks melden, beschikken over geen enkel identiteitsdocument en in hoeveel gevallen wordt de opgegeven leeftijd simpelweg overgenomen zonder enige objectieve verificatie?
De ervaring is dat slechts een minderheid van de asielzoekers identiteitsdocumenten overlegt waarmee hun identiteit kan worden gestaafd. De personalia van de vreemdeling, inclusief de leeftijd, worden thans geregistreerd in Eurodac. Daarmee is bekend welke leeftijd de gestelde alleenstaande minderjarige vreemdeling in de andere lidstaat heeft opgegeven. Wanneer in het Eurodac resultaat geen personalia zijn opgenomen, wordt beoordeeld of onderzoek noodzakelijk is.
Kunt u uiteenzetten waarom het röntgenonderzoek van het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) – de enige beschikbare methode met enige medisch-wetenschappelijke grondslag – slechts in een fractie van de gevallen wordt ingezet (142 keer in 2023, 157 in 2024, 42 in 2025), terwijl er jaarlijks duizenden ongedocumenteerde asielzoekers binnenkomen die beweren minderjarig te zijn?
Het Europese Unierecht bepaalt dat, voor toepassing van het medisch leeftijdsonderzoek, eerst minder-invasieve methodes moeten worden toegepast.2 Enkel in die gevallen waarbij de twijfel over de leeftijd aanhoudt, kan het medisch leeftijdsonderzoek als sluitstuk worden ingezet. Daarbij moet ook worden opgemerkt dat het medisch leeftijdsonderzoek belangrijke beperkingen kent. Er bestaat geen sluitende, wetenschappelijke methode om iemands leeftijd te bepalen. Het is met het huidige röntgenonderzoek enkel mogelijk om de beoordeling van de radiologen te vertalen naar een mogelijke leeftijdscategorie en daarmee de vraag te beantwoorden of de vreemdeling mogelijk minderjarig is. De resultaten van het medisch leeftijdsonderzoek zijn in beperkt aantal gevallen effectief, onder meer omdat uit het onderzoek moet volgen dat de gestelde amv ook op het moment van indiening van de asielaanvraag al minimaal 18 jaar oud was.
Deelt u de mening dat het argument van «stralingsbelasting» als reden om röntgenonderzoek te beperken niet in verhouding staat tot de enorme financiële en maatschappelijke consequenties van het ten onrechte toekennen van een minderjarigenstatus, waaronder het recht op gezinshereniging en bescherming tegen uitzetting?
Zie antwoord vraag 4.
Welke consequenties verbindt u aan het feit dat asielzoekers zich in Italië en Griekenland bewust als meerderjarig laten registreren om sneller te kunnen doorreizen naar Noord-Europa, om zich vervolgens in Nederland als minderjarig te presenteren?
Staat een vreemdeling in een andere lidstaat als meerderjarig geregistreerd en is het resultaat van het leeftijdsinterview vooralsnog minderjarig, dan kan dat voor de IND aanleiding zijn om een zogeheten artikel 51 AMbV onderzoek te doen. In dat verband wordt onderzoek gedaan naar in de andere lidstaat overgelegde documenten en de wijze waarop leeftijdsbepaling heeft plaatsgevonden (op basis van verklaringen, of meer onderzoek).
Bent u bereid röntgenonderzoek of een andere objectieve, medische leeftijdsbepaling verplicht te stellen voor iedere asielzoeker die zich zonder identiteitsdocumenten als minderjarige meldt?
Zoals hiervoor toegelicht, is het Unierechtelijke uitgangspunt om bij aanhoudende twijfel over de leeftijd als uiterste maatregel een medisch leeftijdsonderzoek toe te passen.
Indien het antwoord op vraag zeven ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u aangeven hoeveel de Nederlandse staat de afgelopen drie jaar heeft uitgegeven aan opvang, voogdij, rechtsbijstand en procedures voor personen die zich als alleenstaande minderjarige vreemdeling hebben aangemeld maar achteraf meerderjarig bleken te zijn?
Het aantal personen dat zich als alleenstaande minderjarige vreemdeling heeft aangemeld, maar achteraf meerderjarig bleek te zijn, is niet precies uit systemen te herleiden omdat dit op verschillende momenten in het proces kan plaatsvinden. Naar schatting wordt ongeveer vijf procent van de vreemdelingen die een leeftijdsschouw krijgt, meerderjarig verklaard. Naar schatting wordt ongeveer 10 procent van de vreemdelingen die een medisch leeftijdsonderzoek ondergaan, meerderjarig verklaard.
Ten aanzien van het verschil in kosten tussen amv en volwassen asielzoekers, kan ik opmerken dat het niet heel concreet is te berekenen wat de Nederlandse staat de afgelopen drie jaar heeft uitgegeven aan personen die zich als amv hebben aangemeld en achteraf meerderjarig bleken te zijn. Dit is namelijk van diverse factoren (omvang van de groep, duur in een amv locatie etc.) afhankelijk en om die reden niet zomaar te bepalen. In zijn algemeenheid kan ik wel aangeven dat er een verschil zit in de kosten voor de opvang van een amv ten opzichte van de opvang van een meerderjarige bij het COA.
In de begroting 2026 is voor het COA rekening gehouden met een gemiddelde kostprijs van € 30.700 voor de opvang van meerderjarige asielzoekers per persoon per jaar, terwijl de gemiddelde kostprijs voor de opvang van een amv € 88.000 per persoon per jaar bedraagt. Het verschil in kosten heeft hoofdzakelijk te maken met de intensiteit van begeleiding. De begrote kosten 2026 voor Nidos ten aanzien van de begeleiding in het kader van de voogdij bedraagt € 10.477 per amv per jaar.
Indien de kosten volgens vraag negen niet worden bijgehouden, bent u bereid dit voortaan te registreren?
Zie antwoord vraag 9.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het huidige systeem van leeftijdsbepaling een perverse prikkel vormt voor asielzoekers om over hun leeftijd te liegen en dat Nederland hierdoor fungeert als trekpleister voor oneigenlijk gebruik van de minderjarigenregeling?
Er is een zorgvuldig proces leeftijdsbepaling ingericht om leeftijdsfraude tegen te gaan. De huidige werkwijze van leeftijdsbeoordeling kent echter beperkingen omdat geen sluitende methode voor leeftijdsbepaling bestaat. We blijven, ook in gesprek met NFI, betrokken op nieuwe wetenschappelijke inzichten en ontwikkelingen in andere lidstaten om de werkwijze waar mogelijk te optimaliseren.
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid de gehele systematiek van leeftijdsbepaling fundamenteel te herzien en daarbij het uitgangspunt te hanteren dat wie zijn identiteit en leeftijd niet kan aantonen, als meerderjarige wordt behandeld?
Dit door u voorgestelde uitgangspunt is in strijd met jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en met het Unierecht. Daaruit volgt dat de IND in beginsel moet uitgaan van het vermoeden dat de vreemdeling minderjarig is en deze vreemdeling als minderjarig moet behandelen. Als na onderzoek de conclusie is dat een vreemdeling als meerderjarig moet worden beschouwd, moet de IND motiveren waarom van de meerderjarigheid wordt uitgegaan.
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Het bericht 'Problemen op asielboot Rotterdam houden aan, ook steeds meer kinderen in zorgelijke omstandigheden: ‘Lopen blijvende schade op’' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van EenVandaag «Problemen op asielboot Rotterdam houden aan, ook steeds meer kinderen in zorgelijke omstandigheden: «lopen blijvende schade op»»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht van EenVandaag.
Bent u het eens met de verpleegkundige en arts dat de schepen geen geschikte plek zijn voor kinderen?
Rotterdam heeft met het COA en het Rijk bestuurlijk afgesproken dat op de MS Silja uitsluitend statushouders worden opgevangen. De plaatsing van bewoners vindt plaats door het COA, die verantwoordelijk is voor de opvang en begeleiding.
Nederland kampt momenteel met een tekort aan (nood)opvangplekken. Tegelijkertijd is er sprake van een toenemende instroom van nareisgezinnen met een verblijfsstatus. Omdat de MS Silja is aangewezen voor statushouders, worden deze gezinnen in combinatie met het landelijke tekort aan opvangplekken veelal op deze locatie geplaatst.
Verblijf in noodopvang, waaronder scheepsaccommodaties, is niet wenselijk, in het bijzonder voor kinderen, en geen structurele oplossing. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat er verschillen zijn in de diverse noodopvanglocaties op het gebied van geboden voorzieningen, en niet elke noodopvanglocatie onderdoet voor een reguliere locatie. Zolang er landelijk onvoldoende reguliere opvangplekken beschikbaar zijn, blijft het COA afhankelijk van noodopvang – ook voor kinderen. Ik zet mij, onder meer via uitvoering van de Spreidingswet, onverminderd in voor het realiseren van voldoende duurzame en reguliere opvangplekken, zodat kinderen in de toekomst niet langer in noodvoorzieningen hoeven te worden opgevangen.
Na eerdere signalen is door alle samenwerkingspartners extra inzet gepleegd op de Silja om de situatie voor kinderen, gezinnen en jonge vrouwen te verbeteren. Zo zijn er extra partijen ingezet voor begeleiding en welzijn, zijn specifieke ruimtes per leeftijdscategorie ingericht en is personeel met pedagogische expertise ingezet. Ook is het activiteitenaanbod uitgebreid, onder meer via een welzijnspartij. Daarnaast is een peutergroep gestart en is de aansluiting op voorschoolse educatie verbeterd.
De toeleiding naar onderwijs is versterkt, waardoor er inmiddels vrijwel geen wachttijden meer zijn voor plaatsing in het primair en voortgezet onderwijs. Voor kinderen die nog niet direct kunnen starten, zijn voorbereidende activiteiten ingericht. Verder worden er extra binnen- en buitenspeelvoorzieningen gerealiseerd.
Hoe is het überhaupt mogelijk geweest om kinderen op deze locaties te plaatsen waar zij verblijven in kamers zonder ramen en zij zonder hun ouders slapen? Is dit in het belang van het kind, zoals omschreven in artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag?
Door het structurele tekort aan opvangplekken in het hele land is het COA afhankelijk van noodopvanglocaties waar helaas ook kinderen worden opvangen. Op de Silja verblijft de helft van de bewoners in inpandige hutten die geen ramen hebben. Doordat het tweepersoons hutten zijn, kunnen niet alle kinderen bij hun ouders slapen. De ouders slapen wel altijd in de directe nabijheid van hun kinderen.
Worden er nog andere artikelen uit het Kinderrechtenverdrag geschonden?
Het kabinet is gehouden aan internationale verplichtingen, waaronder het VN-Kinderrechtenverdrag. Mochten er signalen binnenkomen dat hier mogelijk niet (volledig) aan wordt voldaan, zal ik dit zeer serieus nemen en zal dit altijd worden onderzocht.
Is het uitlegbaar dat kinderen onnodige mentale problematiek oplopen en zelfs permanente schade kunnen oplopen door langere tijd opgevangen te worden op de boot?
Ik erken dat langdurig verblijf op noodopvanglocaties, zoals de Silja, niet bevorderlijk is voor het psychisch welzijn van kinderen. Het verblijf op dergelijke locaties betreft een tijdelijke noodmaatregel om te voorkomen dat mensen zonder opvang en onderdak komen te zitten. Daarbij is er op dit schip helaas sprake van situaties waarin verblijf langer duurt dan wenselijk is, in verband met de moeizame doorstroom van deze mensen met een verblijfsvergunning naar vervolghuisvesting.
Ik zet mij, in samenwerking met het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de medeoverheden en corporaties, ervoor in dat statushouders zo snel mogelijk kunnen uitstromen naar huisvesting in de gemeente. Voor de uitstroom van statushouders zijn en worden maatregelen genomen, waaronder tijdelijke financiële ondersteuning voor gemeenten bij huisvesting van statushouders. Gemeenten kunnen gebruikmaken van verschillende stimuleringsregelingen van het Rijk die (al dan niet ten dele) zijn gericht op het beter benutten van de huidige woningvoorraad of het toevoegen van nieuwe woningvoorraad om zo huisvesting van statushouders te stimuleren. Daarnaast wordt ingezet op opschaling van verschillende vormen van alternatieve huisvesting zoals flexwoningen en woningdelen, op permanente of tijdelijke locaties. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening wil hier voor de zomer afspraken maken met gemeenten en corporaties in een convenant.
Op welke manier werkt u eraan om kinderen zo snel mogelijk van deze boten te halen en in geschiktere locaties op te vangen waar zij de nodige zorg kunnen krijgen?
De situatie in de asielopvang is momenteel zeer gespannen. Er is sprake van een aanzienlijk tekort aan opvangplekken, dat naar verwachting de komende maanden verder zal toenemen. Tegen die achtergrond is het op korte termijn helaas niet mogelijk om plaatsingen van kinderen in noodopvang volledig te beëindigen. Dat blijft echter wel het doel waar naartoe wordt gewerkt.
Het kabinet zet zich, onder meer via uitvoering van de Spreidingswet, in om het aantal duurzame en reguliere opvangplekken uit te breiden. Zodra er binnen de opvangcapaciteit meer ruimte ontstaat en het COA meer flexibiliteit krijgt in het plaatsingsbeleid. Hierbij heeft het beëindigen van de plaatsing van kinderen en andere kwetsbare mensen in noodopvanglocaties hoge prioriteit.
Hoe strookt deze gang van zaken met aangenomen motie Westerveld (Kamerstuk 19 637, nr. 3515)? Hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Zie antwoord vraag 6.
Worden er extra maatregelen getroffen om infectieziekten tegen te gaan op de boot? Is de locatie geschikt voor kwetsbare groepen? Waarom verblijven zij nu wel op deze boot?
Het COA doet het maximale om de hygiëne op het schip zo goed mogelijk te houden, zo wordt het schip elke week helemaal gereinigd. Op het schip is verder een huisartsenpost aanwezig en de Jeugdgezondheidszorg ziet kinderen voor bijvoorbeeld inentingen. Bij constatering van infectieziekten worden maatregelen getroffen al dan niet in samenwerking met de GGD.
Helaas moet het COA binnen de huidige capaciteitsproblematiek soms kwetsbare groepen plaatsen op het schip. Voor een deel van de kwetsbare asielzoekers is opvang op het schip niet geschikt en daarvoor wordt een andere oplossing gevonden.
Waarom worden zwangere vrouwen op deze boten geplaatst tegen medisch advies in?
Ik herken niet dat zwangere vrouwen tegen medisch advies in geplaatst worden op opvanglocaties in de vorm van een boot. Zwangere vrouwen kunnen verblijven op de Silja, behalve als er een waterpokken-uitbraak is. Zij worden getest of ze immuun zijn. Zijn ze niet immuun, dan verhuizen ze naar een andere opvanglocatie.
Hoe kan het dat er na de brandbrief vanuit artsen die werkzaam zijn op het schip geen maatregelen zijn getroffen? Is er iets veranderd nadat zij deze brief schreven?
Zoals ook toegelicht in vraag 2, naar aanleiding van de signalen en zorgen die vorig jaar zijn geuit zijn deze uiterst serieus genomen en er is door alle samenwerkingspartners extra inzet gepleegd om de situatie voor kinderen, gezinnen en jonge vrouwen te verbeteren. Zo zijn er extra partijen ingezet voor begeleiding en welzijn, zijn specifieke ruimtes per leeftijdscategorie ingericht en is personeel met pedagogische expertise ingezet. Ook is het activiteitenaanbod uitgebreid, onder meer via een welzijnspartij. Daarnaast is een peutergroep gestart en is de aansluiting op voorschoolse educatie verbeterd.
De toeleiding naar onderwijs is versterkt, waardoor er inmiddels vrijwel geen wachttijden meer zijn voor plaatsing in het primair en voortgezet onderwijs. Voor kinderen die nog niet direct kunnen starten, zijn voorbereidende activiteiten ingericht. Verder worden er extra binnen- en buitenspeelvoorzieningen gerealiseerd.
Daarnaast is extra aandacht voor de fysieke en mentale gezondheid van bewoners, waaronder kinderen en zwangere vrouwen. Er wordt laagdrempelige toegang tot zorg geboden en waar nodig wordt specialistische zorg ingeschakeld. Signalering van medische en psychosociale problematiek vindt continu plaats en wordt meegenomen in de gezamenlijke overleggen.
Er vindt doorlopend intensief ambtelijk overleg plaats tussen de verschillende samenwerkingspartners. Ook is er frequent overleg op operationeel, tactisch en bestuurlijk niveau. De gemeente is daarnaast structureel aanwezig op de Silja. In deze overleggen worden de leefomstandigheden, zorg, veiligheid en de situatie van kinderen en gezinnen continu gemonitord. Verbeterpunten worden gezamenlijk besproken en waar nodig uitgevoerd.
Wat zijn de gevolgen voor de samenleving als potentiële burgers van ons land allerlei mentale problemen oplopen op deze asielboten?
Langdurig verblijf in noodopvanglocaties, waaronder boten, is onwenselijk en kan negatieve gevolgen hebben voor het welzijn en de ontwikkeling van bewoners.
Het kabinet zet zich daarom in om de opvangomstandigheden te verbeteren, de inzet van noodopvang terug te dringen een het aantal reguliere opvanglocaties te vergroten door inzet van de Spreidingswet. Tegelijkertijd wordt ingezet op toegang tot onderwijs, zorg en passende begeleiding om de nadelige effecten van het verblijf op noodopvanglocaties zoveel mogelijk te beperken.
Drugs in COA-locaties |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente berichtgeving over signalen van drugshandel in COA-locaties?1
Ja.
Wat is uw reactie hierop? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de beelden die in de reportage getoond worden met betrekking tot vermeende drugshandel vanuit de COA-locatie in Budel?
Het bezit van illegale drugs en de handel daarin is op COA-locaties verboden. Bewoners worden hierop bij aankomst expliciet gewezen in relatie tot de huisregels. Het COA doet aangifte van strafbare feiten (zoals drugshandel) en/of doet melding bij de politie in situaties waarbij de openbare orde en veiligheid in het geding is. In die gevallen worden illegale drugs in beslag genomen. Aanvullend kan het COA een passende maatregel opleggen en kan de IND het aanvraagproces versnellen.
Welke (recente) cijfers zijn u bekend over drugshandel, -bezit en -gebruik in COA-locaties?
Wat strafrechtelijke registratie van misdrijven door COA-bewoners betreft; de jaarlijkse Incidentenmonitor van het WODC geeft inzicht in het aantal afgehandelde misdrijven, waaronder drugsmisdrijven, van COA-bewoners.
Parallel publiceert het COA op haar website een overzicht van incidenten per locatie van het voorgaande jaar. Drugshandel, -bezit en -gebruik worden weliswaar door COA geregistreerd, maar niet als specifieke categorieën gerubriceerd. Daarom kan geen cijfermatig inzicht van dit type incidenten op COA-locaties worden gegeven.
Op welke wijze wordt hierop gecontroleerd in COA-locaties?
Op basis van de huisregels zijn COA-medewerkers onder voorwaarden bevoegd om de woonruimte te betreden ter verplichte kamercontroles. Er vinden standaard periodieke kamercontroles plaats op COA-locaties. Dit is tevens een contactmoment met de bewoner en dat draagt bij aan signalering en sociale veiligheid. Daarnaast kan COA extra kamercontroles uitvoeren bij signalen van strafbare feiten, zoals drugsbezit of -handel.
Wat wordt verstaan onder de categorie «door het OM afgehandelde drugsmisdrijven» in het jaarlijkse WODC-onderzoek naar incidenten en misdrijven door bewoners van COA- en tgo-locaties (in 2024 respectievelijk 30 en 15 zaken)?2
Deze categorie betreft een door het Openbaar Ministerie geclassificeerde indeling van delicten. Bij drugsmisdrijven (Opiumwet) gaat het om Harddrugs (art. 2, 10, 10a) en Softdrugs (art. 3, 11, 11a, 11b).
Van hoeveel drugsgerelateerde zaken was vorig jaar in COA-locaties sprake onder andere in de in het onderzoek genoemde categorieën, zoals «incidenten» of «afdoening politie»?
De Incidentenmonitor van het WODC geeft een jaarlijks overzicht van het aantal geregistreerde incidenten per jaar, uitgesplitst naar type incidenten. Die uitsplitsing kan echter niet systematisch worden gespecificeerd naar de categorie illegaal drugsbezit of drugshandel.
Wat is de standaardprocedure wanneer een bewoner van een COA-locatie zich schuldig maakt aan het dealen van drugs?
Bij feitelijke signalen dat een bewoner van een COA-locatie dealt in drugs of illegale drugs bezit, wordt er een melding gemaakt bij de politie. De politie kan dan een strafrechtelijk onderzoek starten.
Aanvullend kan het COA een passende maatregel opleggen en kan de IND het aanvraagproces versnellen.
Wat is de standaardprocedure wanneer er sprake is van harddrugsbezit bij een bewoner van een COA-locatie?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u van beide gevallen aangeven hoe vaak hiervan de afgelopen vijf jaar sprake is geweest, in welke COA-locaties en tot welke straffen en sancties dit heeft geleid?
Er is geen volledig overzicht te geven van dit aantal delicten op COA-locaties omdat uit de politieregistraties niet kan worden herleid of het om een COA-locatie en/of een COA-bewoner gaat.
De jaarlijkse Incidentenmonitor van het WODC geeft inzicht in het aantal afgehandelde drugsmisdrijven door het Openbaar Ministerie en de rechter in eerste aanleg.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat Asiel en Migratie beantwoorden?
Ik heb ernaar gestreefd de vragen zo spoedig als mogelijk te beantwoorden.
Het bericht 'Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs»?1
Ja.
Hoe duidt u de stijging van het aantal meldingen van eergerelateerd geweld, van 673 gevallen in 2024 naar 757 in 2025?
Een eenduidig antwoord op deze vraag is niet te geven. Er zijn meer vragen over casussen met een vermoeden van een eermotief bij het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEC EGG) binnengekomen. Dat kan komen omdat er een daadwerkelijke toename van het aantal zaken is. Dat kan echter ook komen door de gegroeide bekendheid van het LEC EGG binnen de politie-eenheden.
In hoeverre is volgens u sprake van een daadwerkelijke toename van eergerelateerd geweld, los van een toename aan meldingen?
Dat is niet bekend.
Klopt het dat in een aanzienlijk deel van de gemelde zaken personen met een Syrische achtergrond betrokken zijn, zoals gemeld in het artikel? Zo ja, hoe duidt u die cijfers?
Dat klopt. De afgelopen 10 jaren zijn mensen met een Syrische achtergrond de grootste groep nieuwkomers in Nederland.
Klopt het dat een deel van deze zaken voorkomt bij personen die nog maar relatief kort in Nederland verblijven? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor het asiel- en integratieproces?
Het klopt dat een deel van deze zaken voorkomt bij personen die nog maar relatief kort in Nederland verblijven.
Binnen het integratieproces is het belangrijk om aandacht te besteden aan het zelfbeschikkingsrecht als onderdeel van de kennisoverdracht over het vrijheidsrecht. Hier is in het inburgeringsprogramma dan ook breed aandacht voor. Het zelfbeschikkingsrecht, het recht van het individu op eigen keuzes en zelfstandigheid, en het belang en de betekenis van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw komen in de inburgering terug in de onderdelen Voorbereiding op de inburgering, Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM) en het participatieverklaringstraject (PVT). KNM en PVT zijn verplichte onderdelen in het inburgeringstraject voor iedere inburgeringsplichtige. In het azc leren asielstatushouders via de Voorbereiding op de inburgering over zelfbeschikking. In de module Democratie en rechtstaat van het programma wordt ingegaan op vrouwen- en lhbtiq+ rechten.
In de zogenaamde eindtermen (dat wat inburgeraars moeten kennen en weten) van het inburgeringsexamen KNM is het zelfbeschikkingsrecht expliciet opgenomen. Bij de eindtermen over de integriteit van het lichaam zijn expliciete voorbeelden van schadelijke praktijken, zoals huiselijk geweld, besnijdenis van meisjes en eerwraak toegevoegd. Hierbij wordt benadrukt dat alle ongewenste intimiteit en geweld strafbaar is. De nieuwe eindtermen zijn op 1 juli 2025 in werking getreden. Inburgeraars worden in de B1 en onderwijsroute op deze kennis getoetst. In het verplichte onderdeel PVT is er aandacht voor de kernwaarden van vrijheid waaronder het zelfbeschikkingsrecht, gelijkwaardigheid, solidariteit en participatie. Aan het eind van het traject moeten alle inburgeringsplichtigen de Participatieverklaring ondertekenen. Hiermee verklaren ze kennis te hebben genomen van de waarden en spelregels van de Nederlandse samenleving, deze te respecteren, de universele mensenrechten te eerbiedigen en daarmee niet in strijd te (zullen) handelen.
In de verzamelbrief inburgering van 16 oktober 2025 heeft de toenmalige Staatssecretaris Participatie en Integratie aangekondigd in te zetten op het verbeteren van de kennis over signalering van onveiligheid in de gemeentelijke inburgeringspraktijk. Voorlichting over de bestaande meldcodes voor huiselijk geweld en kindermishandeling en ongewenste (schadelijke) praktijken is op dit moment niet standaard aanwezig voor medewerkers die werken met inburgeraars.
Voor de betekenis hiervan voor het asielproces verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 10.
Wordt in de asielopvang en bij gemeenten actief gesignaleerd op risico’s of verdenkingen van eergerelateerd geweld? Zo ja, welke instrumenten en protocollen worden hiervoor gebruikt en hoe wordt expertise gedeeld met politie, Veilig Thuis en andere betrokken instanties?
Voor zowel het COA als gemeenten staat het beschermen van slachtoffers van eergerelateerd geweld voorop. In het geval van (vermoedens van) eergerelateerd geweld wordt er melding gedaan bij Veilig Thuis. Bij eergerelateerd geweld speelt eermotief in een collectieve context en daarom zijn er speciale interventies van toepassing. Zo is er een specifiek stappenplan van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor vermoedens van eergerelateerd geweld. In het geval van de complexe problematiek van eergerelateerd geweld wordt daarom door het COA en lokale teams de expertise van de politie en het LEC EGG (Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld) ingeschakeld.
Het stoppen van geweld, het inschakelen van hulp en het bieden van veilige opvang staat voor het COA voorop. In acute onveilige situaties handelt het COA direct om het geweld te stoppen en de veiligheid te waarborgen. Het COA doet dit in samenspraak met de politie. Dat kan betekenen dat de dader van (dreiging) van geweld in hechtenis wordt genomen dan wel per direct wordt overgeplaatst naar een andere COA-locatie. In sommige gevallen wordt maatwerk geboden waarbij het slachtoffer wordt overgeplaatst naar een (geheime) opvanglocatie of een beveiligde locatie voor vrouwenopvang in een gemeente. Een plaatsing in de vrouwenopvang gaat in overleg met de politie en Veilig Thuis. Slachtoffers van eergerelateerd geweld worden door het COA aangemoedigd om bij de politie aangifte te doen.
Hoe is de samenwerking georganiseerd tussen politie, Veilig Thuis, gemeenten, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en andere betrokken organisaties wanneer signalen van eergerelateerd geweld ontstaan binnen migrantengemeenschappen of in de asielopvang?
De IND is één van de organisaties die kan handelen op signalen van eergerelateerd geweld. De IND handelt op signalen indien mogelijk sprake is van vreemdelingrechtelijke gevolgen. De IND heeft daarvoor het Handhavingsinformatieknooppunt (HIK) ingericht. Bij het HIK worden fraude-en handhavingssignalen over vreemdelingen centraal verzameld, verwerkt en geanalyseerd. Hier kunnen ook signalen van eergerelateerd geweld onder vallen. De signalen kunnen worden ingebracht door klantdirecties van de IND (intern), maar ook door ketenpartners en derden zoals de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA), de politie, gemeenten en (anonieme) tipgevers. Een melding kan worden gedaan via de site van de IND (Fraude of misbruik melden | IND). Voor het verwerken, oppakken en afhandelen van de signalen kan worden samengewerkt met andere ketenpartners.
Welke maatregelen worden genomen om potentiële slachtoffers van eergerelateerd geweld, waaronder vrouwen, minderjarigen en LHBTI-personen, tijdig te beschermen?
De aanpak van eergerelateerd geweld maakt onderdeel uit van de bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Het wordt binnen de aanpak beschouwd als een specifieke verschijningsvorm van huiselijk geweld waarbij over het algemeen de reguliere maatregelen worden toegepast en deze maatregelen waar nodig worden aangevuld met specialistische expertise.
Professionals volgen ingeval van vermoedens van eergerelateerd geweld de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze meldcode helpt hen bij het tijdig handelen wanneer er signalen zijn van geweld. Specifiek voor vermoedens van eergerelateerd geweld is een apart stappenplan ontwikkeld.
Daarnaast kunnen professionals voor ondersteuning en advies contact opnemen met het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld. Zij helpen onder andere bij het inschatten van risico’s en dreigingen.
Slachtoffers kunnen verder rekenen op bescherming via door de rechter opgelegde contactverboden, gebiedsverboden en huisverboden. Wanneer sprake is van acute onveiligheid kunnen slachtoffers de politie inschakelen voor hulp. Verder is voor slachtoffers van eergerelateerd geweld en slachtoffers die (hoog) risico lopen op (dodelijk) eergerelateerd geweld de specialistische opvang beschikbaar. Slachtoffers worden via deze route op een veilige plek opgevangen en ondersteund.
Daarnaast zijn er verschillende maatregelen die potentiële slachtoffers van eergerelateerd geweld, waaronder vrouwen, minderjarigen en lhbtiq+ personen, beogen te beschermen. Het Ministerie van OCW en SZW ondersteunen de Alliantie Verandering van Binnenuit 2.0 waarin Movisie, het consortium zelfbeschikking en LCC+ werken aan voorlichting en dialoogbijeenkomsten binnen christelijke en migrantengemeenschappen om mentaliteitsverandering te bereiken richting acceptatie van gendergelijkheid, seksuele- en genderdiversiteit en persoonlijke vrijheid in het algemeen. Het Ministerie van VWS zet eveneens in op bewustwording en toeleiding naar hulp binnen gesloten gemeenschappen door de inzet van sleutelpersonen.
Verder wordt binnen de versterkte aanpak lhbtiq+ veiligheid (Kamerstuk II, 2025/2026, 30 420, nr. 437) expliciet aandacht besteed aan het bevorderen van de veiligheid van lhbtiq+ personen in huiselijke kring.
Deelt u de opvatting dat eergerelateerd geweld een ernstige aantasting vormt van de Nederlandse rechtsorde en fundamentele vrijheden?
Ja.
Welke gevolgen kan betrokkenheid bij eergerelateerd geweld hebben voor het verkrijgen of behouden van een verblijfsvergunning, ook wat betreft verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd?
De IND beoordeelt bij iedere openstaande aanvraag om een verblijfsvergunning of er sprake is van openbare orde aspecten. Eergerelateerd geweld kan hier als strafbaar feit vanzelfsprekend onder vallen en wordt dan betrokken bij de beoordeling. Hoe zwaar een veroordeling weegt en of hij ernstig genoeg is om een verblijfsvergunning af te wijzen of in te trekken, is afhankelijk van onder meer het concrete misdrijf en de opgelegde straf. Beide blijken uit het vonnis van de strafrechter.
Welke toets de IND hanteert bij de beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde is afhankelijk van het soort vergunning waarvoor de aanvraag loopt en de grond voor vergunningverlening. Ook worden openbare orde aspecten betrokken bij de beoordeling of vergunninghouders van een vergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd nog recht hebben op het behoud van deze vergunning.
Voor reguliere aanvragen geldt dat sprake moet zijn van een veroordeling en een opgelegde straf wegens een misdrijf. Zolang de vreemdeling nog geen rechtmatig verblijf heeft, en er nog geen sprake is van een intrekking of verlenging, kan een enkele veroordeling in principe voldoende zijn om de aanvraag af te wijzen. De IND moet echter wel beoordelen of een afwijzing evenredig is, gelet op de individuele situatie. Afhankelijk van het verblijfsdoel kan ook het Unierechtelijke openbare orde criterium van toepassing zijn. Dit houdt in dat het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving moet vormen. Dit criterium is vooral van toepassing op aanvragen waarin aan het Europees recht wordt getoetst.
In het geval van een intrekking van de verblijfsvergunning regulier of de afwijzing van een aanvraag voor een verlenging van een verblijfsvergunning regulier, of de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd vanwege een gevaar voor de openbare orde moet er, naast de hiervoor genoemde voorwaarden, worden voldaan aan de zogenoemde glijdende schaal: een tabel waarin de opgelegde straf wordt afgezet tegen de duur van het rechtmatige verblijf in Nederland. Hoe langer een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft, hoe hoger de opgelegde straf moet zijn voordat de vreemdeling in aanmerking komt voor intrekking van het verblijfsrecht. Voor het weigeren van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd moet er bovendien sprake zijn van een strafbedreiging van 3 jaar of meer gevangenisstraf.
Voor een asielvergunning gelden de volgende kaders. Als een vreemdeling is aangemerkt als verdragsvluchteling (de «a-status»), kan de vergunning worden geweigerd of ingetrokken als er sprake is van een onherroepelijke veroordeling voor een «bijzonder ernstig misdrijf». Daarnaast moet er sprake zijn van een gevaar voor de gemeenschap. Als de vreemdeling geen verdragsvluchteling is, maar wel in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming (de «b-status») moet er sprake zijn dat de vreemdeling voor zijn aankomst in Nederland een ernstig misdrijf heeft gepleegd, van een veroordeling voor een «ernstig misdrijf» na zijn aankomst in Nederland of dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap. Het laatste geval wordt beoordeeld aan de hand van het eerdergenoemde Unierechtelijke openbare ordecriterium.
Het is van belang hierbij op te merken dat een enkele verdenking in de meeste gevallen dus niet voldoende is om een vergunning te weigeren of in te trekken.
Ook als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een asielvergunning, kan openbare orde worden tegengeworpen. Dit kan ertoe leiden dat er ook een zwaar inreisverbod op grond van de openbare ordeaspecten wordt opgelegd.
In hoeverre kan een verdenking, vervolging of veroordeling voor eergerelateerd geweld aanleiding zijn om een verblijfsvergunning te weigeren of in te trekken?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar een verblijfsvergunning geweigerd of ingetrokken vanwege betrokkenheid bij geweld binnen de familie- of eersfeer?
Dat is niet bekend. In de IND-systemen wordt niet op grond van een misdrijf geregistreerd of de verblijfsvergunning wordt ingetrokken of geweigerd, maar slechts of sprake is van een gevaar voor de openbare orde.
Acht u het huidige instrumentarium binnen het vreemdelingenrecht voldoende om op te treden tegen personen die zich schuldig maken aan eergerelateerd geweld, of ziet u aanleiding om dit aan te scherpen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 10 heb toegelicht, kan eergerelateerd geweld leiden tot een afwijzing van de aanvraag of intrekking van de vergunning (zowel voor reguliere zaken als voor asiel- en nareiszaken). Alle individuele omstandigheden van het geval worden betrokken bij deze beoordeling.
Daarnaast wil ik verwijzen naar de brief over aanscherping van de zogenoemde glijdende schaal die de Minister van Asiel en Migratie op 9 juni 2026 naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.
De toename van eerwraak in Nederland |
|
Marina Vondeling (PVV), Marjolein Faber (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat eerwraak onacceptabel is?
Ja, eerwraak is onacceptabel. Het is een misdrijf dat binnen ons Wetboek van Strafrecht strafbaar wordt gesteld als (poging tot) moord of doodslag.
Welke prioriteit geeft de politie aan dergelijke zaken? Aan hoeveel meldingen van eerwraak wordt opvolging gegeven binnen de strafrechtsketen?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, wordt eerwraak binnen ons Wetboek van Strafrecht gekwalificeerd als moord of doodslag. Beide vallen onder de zwaarste categorie geweldsdelicten en hebben altijd prioriteit bij de politie. Bij het vervolgen van moord- of doodslagzaken wordt niet apart geregistreerd op eerwraak. Of een eermotief een rol heeft gespeeld bij de gepleegde moord of doodslag blijkt veelal uit de feiten en omstandigheden van de zaak, voor zover de strafrechter deze context tot uitdrukking brengt in het vonnis dan wel arrest.
Bent u het ermee eens dat eerwraak uitzetting tot gevolg moet hebben, niet alleen de dader maar ook het hele gezin?
Eerwraak is een ernstig misdrijf en als het mogelijk is, zal de verblijfsvergunning van de dader worden ingetrokken. Daarbij is het kabinet gehouden aan geldende wet- en regelgeving. Voor het intrekken van de verblijfsvergunning op grond van gevaar voor de openbare orde, is ten minste een onherroepelijke gerechtelijke veroordeling van de desbetreffende vreemdeling nodig. Alleen de dader kan het land worden uitgezet; wanneer gezinsleden geen strafbaar feit hebben gepleegd, is er geen reden om hen uit te zetten.
Naarmate een vreemdeling langer in Nederland verblijft, dient de opgelegde straf zwaarder te zijn; deze zogenoemde «glijdende schaal» is neergelegd in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarnaast is de IND gehouden om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel of er specifieke redenen zijn, zoals de aanwezigheid van kleine kinderen, die de intrekking van de verblijfsvergunning zouden kunnen belemmeren. En bij een aantal categorieën vreemdelingen (asielstatushouders, EU-burgers en hun gezinsleden, langdurig ingezetene derdelanders en Turken die verblijfsrecht ontlenen aan het Associatieverdrag met EU-Turkije) moet de IND op grond van het EU-recht toetsen of de vreemdeling nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de fundamentele belangen van de samenleving.
Bent u het ermee eens dat eerwraak een cultureel probleem is en haaks staat op het eigen kabinetsbeleid van tolerantie?
Ja. Het kabinet onderkent dat eergerelateerd geweld vaak een culturele achtergrond kent die regelmatig een oorsprong heeft in het herkomstland van de dader.
Wilt u een overzicht verstrekken en daarbij het volgende opnemen: het aantal meldingen uitgesplitst naar strafbaar feit met daarin een onderverdeling van het aantal daders uitgesplitst naar land van herkomst?
De politie registreert zaken waarbij mogelijk sprake is geweest van eerwraak niet aan de hand van de gevraagde gegevens.
Bent u het ermee eens dat de islam hier een duidelijke rol inspeelt en botst met de westerse democratie? Bent u het ermee eens dat de ongebreidelde asielinstroom uit veelal islamitische landen een directe oorzaak vormt van de toename van deze misdrijven in Nederland? Zo ja, wanneer gaat u eindelijk een asielstop en een stop op nareis invoeren?
De context van eergerelateerd geweld is complex. Verschillende thema’s zoals cultuur, familie, genderverhoudingen, mensenrechten, migratie, integratie en religie zijn relevant binnen de aanpak. Het uitlichten van slechts één van die thema’s, zoals religie, doet geen recht aan een constructieve aanpak van eergerelateerd geweld en kan bovendien stigmatiserend werken.1
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven onderkent het kabinet dat eergerelateerd geweld vaak een culturele achtergrond kent die regelmatig een oorsprong heeft in het herkomstland van de dader. Het kabinet hecht eraan meer grip te krijgen op migratie en geeft daaraan invulling met een brede agenda binnen de kaders van het internationaal recht.
Het bericht 'Merz bij bezoek Syrische president: '80 procent van Syriërs zal terugkeren’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Merz bij bezoek Syrische president: «80 procent van Syriërs zal terugkeren»»?1
Ja.
Hoeveel Syrische asielzoekers en statushouders verbleven op 1 maart 2026 in Nederland?
Het totaal aantal Syrische asielzoekers per 1 april is 17.310.
Het totaal aantal Syrische statushouders per 1 april is 76.200.
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd?
Het gaat om 70.840 personen, per 1 april 2026.
Hoeveel Syrische statushouders hadden op 1 maart 2026 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd?
Dit betreft 5.360 personen per 1 april 20262.
Wat is op dit moment het beleid ten aanzien van openstaande asielaanvragen van Syriërs? Hoe zorgt u ervoor dat deze aanvragen zoveel mogelijk worden afgewezen?
Een asielaanvraag wordt op basis van de individuele merites van de zaak beoordeeld. In het geval van Syrië wordt daarbij gebruik gemaakt van het landgebonden asielbeleid. Landgebonden asielbeleid komt zorgvuldig tot stand op basis van actuele, feitelijke informatie over een land van herkomst. Op 22 april jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over enkele wijzigingen in het landenbeleid Syrië. Voor heel Syrië blijft de laagste gradatie van artikel 15c aangewezen. Voor druzen heb ik een risicoprofiel aangewezen, naast de al aangewezen risicoprofielen voor LHBTIQ+ en alawieten. Het algemene uitgangspunt dat in Syrië in het algemeen geen sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief, is komen te vervallen.
Bent u op dit moment actief bezig met het herbeoordelen en intrekken van al afgegeven asielvergunningen aan Syriërs? Zo nee, waarom niet?
Ook in bovengenoemde brief van 22 april jl. en bijbehorende nota ga ik daarop in. Daar verwijs ik dan ook naar.
De inzet van dit kabinet blijft, in lijn met de keuze van mijn voorganger, om over te gaan tot het herbeoordelen van al afgegeven verblijfsvergunningen zodra dat kan, waarbij ik rekening houd met de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid. Uit de EU Kwalificatierichtlijn en de vanaf 12 juni in werking tredende Kwalificatieverordening en jurisprudentie van het EU Hof van Justitie volgt dat de internationale beschermingsstatus enkel mag worden verleend aan en voortgezet bij personen die aan de voorwaarden voor internationale bescherming voldoen. Aan de herbeoordelingen van een verblijfsstatus worden echter andere juridische voorwaarden gesteld dan de voorwaarden die gelden voor de beoordeling van asielaanvragen. Uit art. 11 en art. 16 van de Kwalificatierichtlijn, geïmplementeerd in artikel 3.37g Voorschrift Vreemdelingen, volgt dat bij veranderde omstandigheden in het land van herkomst beoordeeld wordt of de wijziging van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reële risico op ernstige schade weg te nemen.
Uit het algemeen ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat de positieve ontwikkelingen die reeds werden ingezet inzake de ruimte om kritiek te leveren op de overgangsregering zich door bleven zetten. In algemene zin komt een beeld naar voren uit het ambtsbericht van een mensenrechtensituatie die, met name in het controlegebied van de overgangsregering, voldoende ingrijpend verbeterd lijkt te zijn ten opzichte van de situatie ten tijde van het Assad-regime. Tegelijkertijd wijzen de geweldsuitbarstingen in de kuststreek in maart 2025 en in Suweida gedurende de verslagperiode van het ambtsbericht van januari 2026, op een gepolariseerde samenleving waar nog veel spanning heerst. Ook de recente ontwikkelingen in het noordoosten van het land wijzen op een situatie die nog niet aangemerkt kan worden als «van niet-voorbijgaande aard». Aangezien op basis van de landeninformatie niet kan worden geconcludeerd dat de veranderde omstandigheden in het land van herkomst een niet-voorbijgaand karakter hebben, is herbeoordeling conform de voorwaarden van het Unierecht thans niet aan de orde.
Bij een volgend ambtsbericht zal opnieuw worden bezien of dit wel het geval is. Ik heb de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht om in Q4 een nieuw ambtsbericht te publiceren, mits de zorgvuldigheid van het onderzoek dit tijdpad toelaat.
Bent u op dit moment actief bezig met het vrijwillig en gedwongen terugsturen van Syriërs die zijn afgewezen of waarvan de verblijfsvergunning is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Reeds direct na de val van het Assad-regime meldden zich Syriërs bij de Dienst Terugkeer en Vertrek voor ondersteuning bij terugkeer naar Syrië. De DTenV heeft deze ondersteuning ook direct geboden. In de eerste maanden ging het daarbij met name om het organiseren van de daadwerkelijke terugkeer door het boeken en financieren van vliegtickets en ondersteuning bij het verkrijgen van vervangende reisdocumenten. Naar aanleiding van de informatie in het ambtsbericht van vorig jaar konden Syriërs ook weer gebruik maken van de reguliere herintegratieondersteuning. Sinds de val van Assad zijn inmiddels meer dan 1400 personen3 vrijwillig teruggekeerd naar Syrië. Onder de personen die vrijwillig zijn teruggekeerd zitten zowel personen die nog in afwachting zijn van een beslissing op hun asielaanvraag, personen zonder verblijfsrecht en personen in bezit van een vergunning voor (on)bepaalde tijd. Gedwongen terugkeer heeft nog niet plaatsgevonden. Wel blijven we in gesprek met de Syrische autoriteiten over het mogelijk maken van terugkeer, zowel gedwongen als vrijwillig. Nederland heeft hier in Damascus reeds op politiek en hoogambtelijk niveau gesprekken over gevoerd met de Syrische autoriteiten. Daarnaast draagt Nederland bij aan het verbeteren van sociaaleconomische omstandigheden en de veiligheidssituatie in Syrië zodat Syriërs die terugkeren ook duurzaam kunnen re-integreren.
Tijdens het IMRF heeft Nederland samen met Syrië een bijeenkomst georganiseerd over de vraag hoe terugkeer de wederopbouw kan ondersteunen en hoe reconstructie-inspanningen op hun beurt duurzame terugkeer mogelijk maken. De komende tijd zal de dialoog met Syrië worden voortgezet om samen tot concrete mogelijkheden voor samenwerking te komen.
Hoeveel Syriërs zijn tot dusver in 2026 teruggekeerd? Hoeveel van deze Syriërs zijn vrijwillig teruggekeerd, en hoe vaak is er sprake geweest van gedwongen terugkeer?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van de Duitse bondskanselier Friedrich Merz, het herbeoordelen van afgegeven verblijfsvergunningen van Syriërs moet worden geïntensiveerd? Zo nee, waarom niet?
Bij mijn brief d.d. 22 april 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het landenbeleid Syrië. In deze brief heb ik u laten weten dat het de inzet van het Kabinet is om tot herbeoordelen over te gaan zodra dat kan maar dat dit op dit moment nog niet aan de orde is. Ik heb de Minister van Buitenlandse Zaken verzocht opnieuw onderzoek te verrichten naar de situatie in Syrië en daarover eind dit jaar een nieuw ambtsbericht te publiceren. Aan de hand van dit ambtsbericht zal worden bezien of de situatie in Syrië dermate is ontwikkeld dat er tot herbeoordelen overgegaan kan worden.
Nederland onderschrijft het door Duitsland benoemde belang van terugkeer van Syriërs. Daarbij ziet Nederland dat het investeren in wederopbouw een positieve bijdrage kan leveren aan (vrijwillige) terugkeer. Verder onderkent Nederland, net als Duitsland, dat de terugkeer van Syriërs een gunstige invloed kan hebben op het realiseren van wederopbouw. Het kabinet zet daarom in op het vrijwillig laten terugkeren van grote aantallen Syriërs, zoals ook nader toegelicht in mijn brief aan uw Kamer van 24 april jl4.
Overlastgevend gedrag van asielzoekers is per definitie onaanvaardbaar. Daarom geven we in algemene zin ook prioriteit aan overlastgevers in het terugkeerproces. Nederland zet in dat verband ook in op terugkeer van vertrekplichtige Syrische vreemdelingen.
Deelt u de mening dat, in navolging van de uitspraken van Merz, hierbij versneld moet worden gewerkt aan de terugkeer van overlastgevende en criminele Syriërs, en van Syriërs die niet goed zijn geïntegreerd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Onderschrijft u ook de doelstelling om binnen 3 jaar 80% van de Syrische vluchtelingen vrijwillig of gedwongen te laten terugkeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 10, zet het kabinet in op het laten vertrekken van zoveel mogelijk Syriërs. Het hanteert daarbij geen streefgetallen of -percentages.
Bent u bereid om vrijwillige terugkeer van Syrische statushouders met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zoveel mogelijk te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 7 en 8 zijn er reeds mogelijkheden voor ondersteuning bij vrijwillige terugkeer naar Syrië. Deze ondersteuning staat ook open voor personen met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Samen met Buitenlandse Zaken, andere EU-lidstaten en internationale organisaties wordt gekeken hoe Syrië verder kan worden ondersteund bij de wederopbouw. Daarin zal ook nadrukkelijk de mogelijkheid van het bedrijfsleven in Nederland en de EU worden meegenomen alsmede de inzet van de Syrische diaspora.
Bent u bereid om te onderzoeken of het Nederlandse bedrijfsleven een rol kan spelen bij de wederopbouw van Syrië, waarbij dit beleid gekoppeld kan worden aan het terug laten keren van Syrische vakkrachten die bij de wederopbouw kunnen helpen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bekend met de documentaire van het YouTube-kanaal Dutch Travel Maniac, waarin anonieme beveiligers, (voormalige) bewoners en winkeliers uitgebreid verklaren over structurele misstanden op COA-locaties, waaronder het aanmeldcentrum Ter Apel en AZC Budel?
Ja.
Kunt u bevestigen dat er op COA-locaties, zoals volgens de documentaire in Ter Apel en Budel het geval is, op structurele basis drugs worden verhandeld, waaronder cocaïne, speed en hasj?
Ik erken dat drugshandel, zoals volgens de documentaire in Ter Apel en Budel het geval is, voorkomt. Dat dit op structurele basis zou gebeuren, kan ik niet op basis van beschikbare cijfers bevestigen.
Indien het antwoord op vraag twee bevestigend luidt, op welke locaties is dit het geval en welke maatregelen zijn er tot dusver genomen om dit te bestrijden?
Zie antwoord vraag 2.
Indien het antwoord op vraag twee ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat er bij het betreden van AZC-terreinen geen standaard fouillering of controle op contrabande plaatsvindt, met uitzondering van het gebouw van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Na eerste binnenkomst van de vreemdeling bij het aanmeldcentrum Ter Apel of Budel vindt er een veiligheidsfouillering aan lichaam, kleding en bagage plaats. Dit om de veiligheid van de (andere) aanvragers en medewerkers te waarborgen. De IND maakt momenteel gebruik van de diensten van de Rijksbeveiligingsdienst (RBO) voor het uitvoeren van deze werkzaamheden.
Zowel het AZC-terrein in Ter Apel als in Budel is extra beveiligd door plaatsing van camera’s en een hekwerk. In Ter Apel is er een extra beveiligingsteam (intern bijstandsteam) van Trigion ingezet. Veiligheid op de locatie borgt het COA dus middels bewaking en toegangscontrole. Het zorgen voor een veilige leefomgeving voor alle bewoners en medewerkers heeft de hoogste prioriteit.
Indien het antwoord op vraag vijf bevestigend luidt, acht u dit verantwoord gegeven de aanhoudende signalen over wapenbezit en drugshandel op deze locaties en bent u bereid structurele toegangscontroles in te voeren?
Om de veiligheid op locatie te borgen is op de COA-locaties in Ter Apel en Budel bewaking en toezicht aanwezig. Bij vermoedens van strafbare feiten wordt direct opgetreden. Met deze werkwijze zie ik nu geen aanleiding om de bestaande toegangscontrole aan te passen met permanente veiligheidsfouillering.
Indien het antwoord op vraag vijf ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verklaart u dat bewoners van AZC’s wapens zoals machetes, keukenmessen en glasscherven in hun bezit kunnen hebben op het terrein?
Vooropgesteld: het bezit van wapens op COA-locaties is verboden. Bewoners worden hier bij aankomst expliciet op gewezen in relatie tot de COA-huisregels. Daarin is onder meer opgenomen dat illegale drugs en wapens verboden zijn. Desondanks komt incidenteel wapenbezit voor, wat in de praktijk verband houdt met breder overlastgevend en crimineel gedrag. Het COA doet aangifte van strafbare feiten (zoals wapenbezit) en/of doet melding bij de politie in situaties waarbij de openbare orde en veiligheid in het geding is. In die gevallen worden de wapens in beslag genomen. Aanvullend kan het COA een passende maatregel opleggen en kan de IND het aanvraagproces versnellen.
Welke maatregelen worden getroffen om wapenbezit op COA-locaties te voorkomen en te bestrijden?
Wapenbezit en illegale drugs zijn volgens de huisregels van het COA verboden. Op basis van de huisregels zijn COA-medewerkers onder voorwaarden bevoegd om de woonruimte te betreden ter verplichte kamercontroles. Er vinden standaard periodieke kamercontroles plaats op COA-locaties. Dit is tevens een contactmoment met de bewoner en dat draagt bij aan signalering en sociale veiligheid. Daarnaast kan COA extra kamercontroles uitvoeren bij signalen van strafbare feiten, zoals wapenbezit. Bij feitelijke signalen van wapenbezit of illegale drugs, wordt er een melding gemaakt en/of aangifte gedaan bij de politie. De politie start dan strafrechtelijk onderzoek. Waar van toepassing legt het COA een maatregel op conform het Maatregelenbeleid van het COA en kan de IND het aanvraagproces versnellen.
Is het u bekend dat beveiligers op COA-locaties verklaren dat er op wekelijkse basis massale vechtpartijen en steekincidenten plaatsvinden en dat er dagelijks kleinere opstootjes zijn?
Ja, dit signaal is bekend. Trigion noteert in opdracht van COA als beveiligingsbedrijf systematisch alle incidenten die plaatsvinden op iedere opvanglocatie van COA waar zij een toezichthoudende of uitvoerende taak hebben.
Kunt u een overzicht geven van het aantal geregistreerde geweldsincidenten op COA-locaties over de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar type incident en locatie?
Jaarlijks publiceert het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum een overzicht van incidenten en verdachtenregistraties van misdrijven onder COA-bewoners die betrokken zijn bij overlast of verdacht worden van een misdrijf. De eerstvolgende zogeheten Incidentenmonitor (rapportagejaar 2025) wordt voor het zomerreces met uw Kamer gedeeld.
Parallel publiceert het COA op haar website een overzicht van incidenten per locatie van het voorgaande jaar. De geregistreerde incidenten uitgesplitst naar soort incident en COA-locatie van eerdere jaren is online op de website van het COA te raadplegen.1
Klopt het dat beveiligers op COA-locaties structureel te maken hebben met fysiek geweld, waaronder bijten, bespugen en bedreigingen met wapens?
De laatste jaren is het aantal incidenten, gerelateerd aan middelengebruik, sterk toegenomen. Dit heeft ook impact op de medewerkers van het COA helemaal als dat gepaard gaat met agressie-incidenten.
Wat doet u om de veiligheid van COA-medewerkers, daarmee dus ook de beveiligers, te waarborgen?
Die inzet kent meerdere fronten. Primair wordt de veiligheid geborgd met permanent toezicht en beveiliging en het inschakelen van de politie bij strafbare feiten. COA huurt voor de beveiliging professionele beveiligingsbedrijven in. Trigion noteert in opdracht van COA als beveiligingsbedrijf systematisch alle incidenten die plaatsvinden op iedere opvanglocatie van COA waar zij een toezichthoudende of uitvoerende taak hebben.
Daarnaast wordt ingezet op zorg en preventie op het gebied van middelengebruik van bewoners.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat het COA verantwoordelijkheid hiervoor afschuift naar de externe inhurende beveiligingsorganisatie?
Ik herken mij niet in dat beeld. Voor een veilige leefomgeving voor bewoners en medewerkers is de inzet van gekwalificeerde externe beveiligers onmisbaar. COA heeft een wettelijke taak voor wat betreft de opvang en begeleiding, maar heeft geen taak of bevoegdheden om strafrechtelijk op te treden. Daarom schakelt COA bij strafbare feiten de politie in.
Op lokaal niveau heeft COA vaak goede samenwerking met politie en gemeente, zodat gezamenlijk op een veilige leefomgeving op en rond de COA locatie wordt ingezet.
Herkent u het beeld dat beveiligers vrezen voor hun baan indien zij misstanden naar buiten brengen?
Nee, dat beeld herken ik niet. Beveiligingsbedrijf Trigion registreert in opdracht van COA systematisch alle incidenten die plaatsvinden op iedere opvanglocatie van COA waar zij een toezichthoudende of uitvoerende taak hebben.
Medewerkers van Trigion worden aangemoedigd om eventuele misstanden (ook vermeende) te rapporteren. Dit kan en mag ook anoniem. Elke melding, anoniem of niet, wordt serieus opgepakt en geëvalueerd. Voor het melden (ook anoniem) heeft Trigion specifieke procedures.
De mogelijkheid om (anoniem) te melden is zeker bekend bij de medewerkers van Trigion, maar wellicht minder bij tijdelijk of recent in dienst getreden medewerkers. Het COA zal bij Trigion aandacht vragen om de bekendheid van bestaande procedures verder te vergroten.
Ik betreur dat het in deze uitzending gaat om anonieme melding(en) buiten de gangbare procedures om. Deze manier van melden maakt dat gericht optreden niet mogelijk is.
Indien het antwoord op vraag 15 ontkennend luidt, waarom geven anonieme beveiligers dit dan aan?
Zie antwoord vraag 15.
Bent u bereid een klokkenluidersregeling specifiek voor personeel op COA-locaties in te richten of te versterken, zodat misstanden veilig kunnen worden gemeld?
Het COA besteedt veel aandacht aan veilig werken en integriteit op locaties, zowel schriftelijk, digitaal als via het inrichten van loketten of centrale informatiepunten. Misstanden kunnen nu al veilig worden gemeld. Ik zie daarom geen aanleiding om aanvullend nog een specifieke regeling in te richten.
Hoe reflecteert u op de stelling dat asielzoekers die daadwerkelijk uit oorlogsgebieden zijn gevlucht, verklaren zich structureel onveilig te voelen op COA-locaties en dat sommigen meubels tegen hun kamerdeur plaatsen om veilig te kunnen slapen?
Ik vind het onaanvaardbaar dat asielzoekers die gevlucht zijn voor oorlog en geweld, zich hier op COA-locaties onveilig voelen. Laat helder zijn: dat bewoners zelf veiligheidsmaatregelen zouden nemen, mag niet de oplossing zijn. COA-medewerkers zijn erop getraind om adequaat te handelen bij signalen van onveiligheid. Indien sprake is van overlast of overtreden huisregels kan het COA conform haar Maatregelenbeleid aan de betreffende bewoner een passende maatregel op te leggen.
Hoe reflecteert u op het feit dat vrouwen en gezinnen met kinderen in AZC’s aangeven zich niet vrij te kunnen bewegen vanwege intimidatie en seksuele intimidatie door medebewoners?
Ik onderstreep op dit punt de norm zoals eerder benoemd in antwoord op vraag 18. Het kabinet zet zich verder in om kwetsbare bewonersgroepen, waaronder kinderen, nog meer te beschermen. Daarom wordt nu de ambitie van het regeerprogramma uitgewerkt om betrokken daders sneller onder verscherpt toezicht te plaatsen en verblijfsrechtelijke consequenties toe te passen.
Het COA spant zich in om alleenstaande vrouwen op kamers te plaatsen waar ze zoveel mogelijk bescherming of veiligheid ervaren. Alleenstaande vrouwen worden nooit in een kamer geplaatst samen met mannen. Op de locaties wordt de fysieke veiligheid zo goed als mogelijk gewaarborgd.
Het COA valt wettelijk verplicht onder de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (net zoals alle beroepssectoren waarin professionals met kinderen en gezinnen werken). Het COA werkt met opgeleide aandachtsfunctionarissen voor de meldcode. Zij zijn getraind om signalen van geweld en onveiligheid (ook buiten het gezin) te herkennen en voeren de regie over de meldcode. Signalen van onveiligheid worden gemeld bij Veilig Thuis.
Indien nodig wordt bij acute dreiging en op advies van de politie of Veilig Thuis beschermde opvang aangeboden buiten het COA (bijvoorbeeld een plaatsing in de vrouwenopvang). Hierbij geldt dat voor vrouwelijke asielzoekers hetzelfde recht op bescherming bestaat als die geldt voor vrouwen in de Nederlandse samenleving. Ook streeft het COA ernaar om op elke opvanglocatie een contactpersoon mensenhandel en mensensmokkel aan te stellen. Deze is kennisdrager op dit gebied en het interne en externe aanspreekpunt bij zorgen over mogelijke uitbuiting van bewoners.
Kunt u bevestigen dat er gevallen bekend zijn waarin bewoners van AZC’s zich schuldig hebben gemaakt aan aanranding en dat de betreffende daders slechts een zogenaamde «time-out» kregen, bestaande uit een tijdelijke overplaatsing naar een soberere kamer, waarna zij terugkeerden naar dezelfde locatie?
Vooropgesteld: aanranding is een ernstig zedendelict en volstrekt onacceptabel gedrag. Bij (vermoedens van) strafbare feiten doet het COA daarom aangifte en/of melding bij de politie. COA stimuleert ook bewoners aangifte en/of melding te doen van strafbare feiten. Het is vervolgens aan de politie om nader onderzoek te doen. De politie stuurt uiteindelijk het proces-verbaal naar het Openbaar Ministerie (OM). De officier van justitie beoordeelt vervolgens of er voldoende bewijs is en of de verdachte strafrechtelijk wordt vervolgd.
Ik hecht eraan deze route zo te benoemen, om te verduidelijken dat COA als opvang- en begeleidingsinstantie slechts beperkte middelen en bevoegdheden heeft om bij incidenten op locatie zelf te normeren. Bij strafbare feiten zoals aanranding zijn primair politie en Openbaar Ministerie aan zet. Waar mogelijk legt het COA conform haar Maatregelenbeleid daarnaast ook nog maatregelen op. Deze maatregelen kunnen variëren van een waarschuwing tot intrekking van maximaal alle verstrekkingen inclusief ontzegging van toegang tot de opvanglocatie of een overplaatsing naar de handhaving en toezichtlocatie (htl). De meeste van deze maatregelen worden bij beschikking opgelegd en dienen voldoende te worden gemotiveerd.
Indien het antwoord op vraag twintig bevestigend luidt, acht u dit een passende sanctie bij zedendelicten?
Bij ernstige incidenten, zoals een zedendelict, moet hard worden opgetreden. De primaire route is aangifte bij de politie gevolgd door een strafrechtelijk traject. Daar waar mogelijk legt het COA daarnaast een passende maatregel op kan de IND de aanvraagprocedure versnellen.
Indien het antwoord op vraag twintig ontkennend luidt, waarom geven beveiligers en (oud)bewoners dit dan aan?
Zie antwoord vraag 21.
Klopt het dat de zogenaamde Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) op het terrein van Ter Apel zodanig is ingericht dat bewoners eenvoudig over het hek kunnen klimmen en zich weer vrij in het centrum van Ter Apel kunnen begeven?
De vbl is de vrijheidsbeperkende locatie voor uitgeprocedeerde asielzoekers2 – mogelijk wordt in de vraagstelling de verscherpte toezichtlocatie bedoeld. De vtl is geen gevangenis, maar een plek met extra begeleiding en toezicht. Mensen kunnen derhalve naar buiten. De verscherpte toezichtlocatie (vtl) en procesbeschikbaarheidslocatie (pbl) in Ter Apel zijn wel middels een hoog hek gescheiden van de rest van de locatie. In geval van plaatsing in de vtl/pbl krijgen mensen een locatieverbod voor de rest van de locatie. Het komt voor dat mensen die geplaatst zijn op vtl/pbl alsnog proberen om over het hek te klimmen om zodoende toegang te hebben tot de rest van de locatie.
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, welke maatregelen worden getroffen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 23.
Kunt u reflecteren op de verklaring van beveiligers dat naar schatting 80% van de incidenten niet wordt gerapporteerd of openbaar gemaakt?
Het COA instrueert eigen medewerkers om incidenten consequent te registeren. Op die manier vindt dossieropbouw plaats en wordt overlastgevend gedrag genormeerd.
Het COA is daarbij mede afhankelijk van bewoners van de locatie voor het rapporteren van incidenten waar COA medewerkers zelf geen getuige van zijn geweest. Tegelijkertijd moet worden erkend dat de situatie in Ter Apel, mede gelet op de hoge bezetting, regelmatig onder druk staat. Dat neemt niet weg dat het uitgangspunt blijft dat incidenten moeten worden gerapporteerd.
Kunt u uitsluiten dat het COA tijdens inspectiedagen of bezoeken van Tweede Kamerleden bewust bewoners per touringcar laat wegrijden van locaties om de bezettingsgraad en de situatie gunstiger voor te stellen dan deze in werkelijkheid is?
Het COA heeft mij verzekerd dat hier geen sprake van is. Het is immers het COA die de afgelopen jaren aandacht heeft gevraagd voor de bezettingsgraden op locaties en daarmee de noodzaak voor uitbreiden van structurele capaciteit.
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, op basis waarvan kunt u dit uitsluiten?
Zie antwoord vraag 26.
Indien het antwoord op vraag 26 ontkennend luidt, bent u bereid hier onafhankelijk onderzoek naar te laten doen?
Zie antwoord vraag 26.
Klopt het dat bewoners die bij dergelijke verplaatsingen worden betrokken financiële compensaties ontvangen?
Nee.
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, om welke bedragen gaat het en uit welke begrotingspost worden deze gefinancierd?
Zie antwoord 29.
Bent u bereid structurele, onaangekondigde inspecties op COA-locaties in te voeren, zodat een realistisch beeld van de dagelijkse situatie kan worden verkregen?
De Inspectie Justitie en Veiligheid (Inspectie JenV) houdt toezicht op uitvoeringsorganisaties die werken binnen de domeinen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De Inspectie JenV voert regelmatig locatiebezoeken op COA-locaties uit, in Ter Apel is zelfs sprake van doorlopend toezicht. De Inspectie JenV opereert onafhankelijk en bepaalt op basis van de informatiebehoefte en risico’s waar zij toezicht uitvoert.
Klopt het dat de eerste screening door de IND in sommige gevallen bestaat uit slechts een beperkt aantal ja/nee-vragen?
Nee, dat klopt niet. De eerste screening wordt thans uitgevoerd door Dienst Identificatie en Registratie Asielzoekers (DISA). Tijdens dit eerste contactmoment is het doel om een asielzoeker te identificeren en registreren. Hiervoor worden gestandaardiseerde vragen gesteld om feiten te checken, verkennende open vragen ter identificering en biometrie afgenomen. De registratie dient als start voor het vervolgproces bij de IND en toelating tot de opvang.
Indien het antwoord op vraag 32 bevestigend luidt, acht u dit toereikend om potentiële veiligheidsrisico’s te identificeren?
Zoals toegelicht in antwoord 32 zijn er meer mogelijkheden om veiligheidsrisico’s te identificeren, waaronder de afname van biometrie.
Wordt er bij de aanmelding in Ter Apel gebruikgemaakt van gezichtsherkenning of biometrische verificatie? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit in te voeren?
DISA neemt biometrische gegevens (vingerafdrukken) en gezichtsopnamen (foto’s) af met behulp van de Basis Voorziening Identiteit vaststelling (BVID)-zuil. Deze gegevens worden vergeleken met de bestaande gegevens in de nationale en internationale (politie) informatiesystemen HAVANK, EUVIS, EURODAC en SIS. Bij een «hit» in een van de systemen informeert DISA de Koninklijke Marechaussee (KMar) en/of politie.
Wat is uw reactie op het signaal dat asielzoekers massaal paspoorten en identiteitsdocumenten weggooien of verscheuren voorafgaand aan hun aanmelding en dat er gehandeld wordt in valse paspoorten via mensensmokkelnetwerken?
Het komt voor dat asielzoekers zich van identiteitsdocumenten ontdoen of valse/vervalste identiteitsdocumenten overleggen. De ervaring is dat slechts een minderheid van de asielzoekers identiteitsdocumenten overlegt waarmee hun identiteit kan worden gestaafd.
Wanneer een persoon asiel heeft aangevraagd, is het OM op dat moment niet-ontvankelijk volgens jurisprudentie van de Hoge Raad. De zaak wordt dan geseponeerd. Vanzelfsprekend blijft de mogelijkheid bestaan om verdachte (ook) te vervolgen voor andere feiten.
Het vervolgingsbeleid van het OM laat onverlet dat de IND in het kader van de asielaanvraag het overleggen van valse identiteitsdocumenten of onjuiste verklaringen over identiteit, nationaliteit en herkomst betrekt in de beoordeling van de asielaanvraag.
Welke maatregelen worden getroffen om identiteitsfraude tegen te gaan?
Valse of vervalste identiteitsdocumenten die in de asielprocedure zijn overlegd, worden door IND altijd overhandigd aan politie of KMar. Bij een redelijk vermoeden van fraude met identiteits- of brondocumenten wordt aangifte gedaan. Ook wordt deze informatie betrokken bij de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag.
Artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag heeft ten doel echte vluchtelingen die noodgedwongen gebruik hebben moeten maken van valse of vervalste documenten om hun land te verlaten te beschermen tegen strafrechtelijke vervolging mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden. Het is dan onvermijdelijk dat strafvervolging eerst kan plaatsvinden nadat in de asielprocedure is vastgesteld dat de vreemdeling geen vluchteling is.
Er wordt daarom door het OM navraag gedaan bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst of verdachte asiel heeft aangevraagd en na één week wordt nagegaan of de IND dit heeft bevestigd. Wanneer een verdachte asiel heeft aangevraagd, is het OM op dat moment niet-ontvankelijk volgens jurisprudentie van de Hoge Raad. De zaak wordt dan geseponeerd. Als blijkt dat niet binnen een week asiel is aangevraagd, zal het OM in beginsel overgaan tot strafvervolging. Vanzelfsprekend blijft de mogelijkheid bestaan om verdachte (ook) te vervolgen voor feiten anders dan artikel 231 Sr.
Kunt u toelichten waarom de politie, zoals door meerdere bronnen uit de documentaire wordt gesteld, beperkt in staat is om op te treden tegen bewoners van AZC’s die zich schuldig maken aan strafbare feiten, omdat deze geen Nederlandse identiteit hebben?
De politie is niet beperkt omdat bewoners van een AZC geen Nederlandse identiteit zouden hebben, strafbare feiten zijn voor iedereen strafbaar. De dagelijkse orde en naleving van huisregels liggen bij het COA en de particuliere beveiliging. De politie treedt in de praktijk op zodra er een strafbaar feit is of als het COA/de beveiliging de politie inschakelt, bij spoed komt de politie uiteraard direct.
Is het u bekend dat winkeliers in de omgeving van AZC’s te maken hebben met bedreigingen, bespuging, diefstal en seksuele intimidatie door bewoners?
Het is mij bekend dat ondernemers en omwonenden overlast ondervinden van een groep asielzoekers. Daarom is de inzet vanuit de lokale driehoek, strafrechtketen en vreemdelingenketen erop gericht om de daders snel en effectief aan te pakken om zo het draagvlak voor de opvang van vluchtelingen, die ook last hebben van het gedrag van sommige medebewoners, te behouden.
Bent u bereid met de betrokken gemeenten in gesprek te gaan over aanvullende maatregelen ter bescherming van lokale ondernemers?
Overlast wordt op lokaal niveau ervaren. Daarom is naast een nationale aanpak lokaal maatwerk nodig. Om deze lokale aanpak binnen gemeenten te ondersteunen, is ook voor 2026 budget beschikbaar gesteld voor (gedeeltelijke) financiering van lokale maatregelen. Deze regeling geeft gemeenten de mogelijkheid om zelf te bepalen welke maatregelen het beste bij de ervaren problematiek past, zoals inzet van beveiligers of cameratoezicht in winkelgebied.
Hoe beoordeelt u het feit dat omwonenden van het AZC in Lochem een vergoeding van 1.000 euro van de overheid ontvangen om hun woningen beter te beveiligen? Wat zegt dit volgens u over de veiligheidssituatie rondom AZC’s?
In dit verband verwijs ik naar de beantwoording van Kamervragen van 30 maart jl.3
Deelt u de mening dat het onverantwoord is om nieuwe AZC’s te openen zolang de veiligheid op bestaande locaties niet op orde is, zowel voor bewoners als voor omwonenden en personeel?
Het openen van een nieuwe COA-locatie gebeurt altijd met aandacht voor veiligheid, waarbij het COA samenwerkt met gemeenten, politie en andere hulpdiensten. Veiligheid is een integraal onderdeel van de opvangstrategie.
Indien het antwoord op vraag 41 ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 41.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar de wijze waarop het COA omgaat met veiligheidsincidenten, de registratie daarvan en het functioneren van interne klachtenprocedures?
In dit verband verwijs ik naar de rol van de Inspectie van Justitie en Veiligheid, zie antwoord 31.
Bent u bekend met het bericht «Meer besneden meisjes en vrouwen in Nederland, duizenden meisjes lopen risico op genitale verminking»?1
Ja.
Vindt u het acceptabel dat genitale verminking van meisjes en vrouwen in Nederland de laatste vijf jaar niet gedaald is maar juist gestegen en beseft u zich dat deze barbaarse islamitische praktijken het rechtstreekse gevolg is van de ongecontroleerde massa immigratie?
Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige en onacceptabele schending van de lichamelijke integriteit en mensenrechten van meisjes en vrouwen. Het kabinet zet zich onverminderd in om deze praktijk te voorkomen en te bestrijden.
Uit het onderzoek van Pharos blijkt dat het geschatte aantal meisjes en vrouwen in Nederland dat VGV heeft ondergaan licht is gestegen: van ongeveer 41.000 in 2018 naar ongeveer 43.000 in 2023. De stijging hangt vooral samen met demografische ontwikkelingen en met een verfijning in de onderzoeksmethode. Er wonen meer meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig zijn uit landen waar VGV voorkomt. Daarnaast zijn in het huidige onderzoek alle meisjes en vrouwen uit Irak meegenomen. In de studie uit 2018 werden alleen meisjes en vrouwen uit de Koerdisch Autonome Regio in Irak meegenomen. Deze aanpassing vergroot de onderzoekspopulatie en heeft daarmee invloed op de schatting. Het is belangrijk te benadrukken dat het onderzoek werkt met schattingen en niet met exacte aantallen. De onderzoekers passen prevalentiecijfers uit landen van herkomst toe op de populatie meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig is uit landen waar VGV voorkomt. Als deze populatie groeit, kan ook het geschatte aantal meisjes en vrouwen met VGV toenemen.
De onderzoekers geven aan dat deze stijging niet betekent dat VGV vaker in Nederland wordt uitgevoerd. Er zijn geen signalen dat VGV na migratie in Nederland plaatsvindt. Veel vrouwen en meisjes die in de schatting zijn meegenomen, hebben VGV al vóór hun komst naar Nederland ondergaan.
Verder laat het onderzoek zien dat het geschatte aantal meisjes dat in de komende twintig jaar reëel risico loopt is gedaald: van ongeveer 4.190 in 2018 naar ongeveer 2.606 in 2023. Volgens de onderzoekers hangt deze daling vooral samen met een verfijning van het rekenmodel, waarin rekening wordt gehouden met veranderende opvattingen na migratie en vooral het lagere risico onder de tweede generatie. Dit duidt erop dat preventie en bewustwording effect hebben.
VGV komt wereldwijd voor in verschillende landen en gemeenschappen en is niet exclusief verbonden aan één religie of herkomst. Vrouwelijke genitale verminking wordt niet veroorzaakt door immigratie, maar komt voort uit sociale normen, culturele opvattingen (over vrouwelijkheid, huwelijk, seksualiteit en sociale acceptatie) en tradities, en sociale verwachtingen die daaruit voortkomen. Mensen handelen niet enkel op basis van persoonlijke overtuigingen maar ook vanuit normen en verwachtingen vanuit de gemeenschap of familie. Pharos merkt op dat deze normen in veel landen waar vrouwelijke genitale verminking voorkomt veranderen, onder meer na migratie en onder invloed van onderwijs, wetgeving, preventie en bredere maatschappelijke ontwikkelingen. Dreigende vrouwelijke genitale verminking kan reden zijn om asielbescherming te bieden. Op die wijze kan asielbescherming ondersteunend zijn aan het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking. Vrouwelijke genitale verminking is in Nederland strafbaar als een vorm van mishandeling.
Hoeveel gevallen van genitale verminkingen van meisjes en vrouwen vonden er in de laatste vijf jaar binnen Nederland plaats en hoeveel in het buitenland?
Op basis van signalen van professionals en beschikbare kennis stelt Pharos dat VGV in Nederland zelf niet wordt uitgevoerd. Voor meisjes bestaat het risico om tijdens verblijf in het buitenland te worden besneden. Op dit moment doet Pharos een uitvraag onder professionals met de vraag in hoeverre zij te maken hebben gehad met minderjarige meisjes die in Nederland wonen of onder Nederlands recht vallen, en van wie zij wisten of vermoedden dat zij na migratie zijn besneden. Uit een tussentijdse analyse onder bijna 250 professionals, zoals JGZ-professionals, huisartsen en gynaecologen, komen tot nu toe geen bevestigde gevallen naar voren van meisjes die na migratie, terwijl zij in Nederland woonden, zijn besneden. Het is mogelijk dat vrouwen en meisjes in landen van herkomst slachtoffer zijn geworden van vrouwelijke genitale verminking en op latere leeftijd naar Nederland verhuizen.
In Nederland wordt daarom vooral ingezet op preventie en voorlichting, onder andere via de jeugdgezondheidszorg, zorg en ondersteuning voor slachtoffers, en samenwerking met betrokken gemeenschappen, sleutelpersonen en ketenpartners. De verklaring tegen meisjesbesnijdenis kan aan ouders worden meegegeven als zij afreizen naar het land van herkomst. Deze verklaring is beschikbaar in acht talen en bevat informatie over hoe schadelijk meisjesbesnijdenis is en dat dit strafbaar is in Nederland.
UNICEF schat dat op dit moment ten minste 230 miljoen meisjes en vrouwen in 31 landen leven met de gevolgen van VGV. In de afgelopen tien jaar is het percentage meisjes van 15 tot 19 jaar dat de praktijk heeft ondergaan gedaald van 41 procent naar 34 procent (UNICEF, 2025). Nederland ondersteunt partners die schadelijke praktijken zoals VGV tegengaan, zoals via het Future4Binti programma (2026–2030) in Oost-Afrika.
Vindt u het acceptabel dat hulpverleners en dokters terughoudend zijn om het gesprek aan te gaan uit «angst om culturele grenzen te overschrijden»? Zo nee, wat gaat u hiertegen ondernemen?
Het is van groot belang dat professionals het gesprek over VGV tijdig en zorgvuldig aangaan wanneer er signalen of risico’s zijn. Terughoudendheid die de bescherming van meisjes in de weg staat is niet wenselijk. Het uitgangspunt is dat signalen van mogelijke VGV altijd serieus worden genomen en dat professionals weten hoe zij, met oog voor culturele sensitiviteit én de veiligheid van het kind, het gesprek kunnen voeren en passende stappen kunnen zetten. Om die reden wordt ingezet op het versterken van de deskundigheid en het handelingsperspectief van professionals, onder andere via richtlijnen, training en voorlichting. De Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling biedt professionals een stappenplan om signalen van onder andere VGV zorgvuldig te beoordelen en hierop te handelen. Daarnaast zijn er diverse trainingen gericht op gespreksvoering beschikbaar en wordt een richtlijn ontwikkeld voor de Jeugdgezondheidszorg waarin handvatten voor professionals zijn opgenomen.
Hoeveel meldingen zijn er de laatste vijf jaar gedaan door hulpverleners en dokters vanwege vermoeden van genitale verminking van meisjes en vrouwen en is hier ook sprake van terughoudendheid? Deelt u de mening dat artsen en schooldokters een meldplicht zouden moeten hebben?
Er zijn geen landelijke cijfers over het aantal meldingen van vermoedens van VGV in de afgelopen vijf jaar. Dit kan onder meer samenhangen met de verborgen aard van VGV en het feit dat VGV vaak in het buitenland plaatsvindt. Als (zorg)professionals in Nederland een slachtoffer zien dat al VGV heeft ondergaan, wordt veelal ingezet op ondersteuning en hulp van het slachtoffer in plaats van melden bij Veilig Thuis.
Het kabinet is niet voornemens om een meldplicht in te stellen, een meldplicht kan juist averechts werken en een drempel vormen om hulp te zoeken. In Nederland wordt gewerkt met de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, die professionals ondersteunt bij het signaleren en beoordelen van signalen om zo de nodige passende stappen te zetten. Bij signalen van vrouwelijke genitale verminking is het belangrijk dat professionals contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is aan organisaties om kennis en kunde over de meldcode onder werknemers blijvend te bevorderen. In de meldcode is opgenomen dat bij acuut en structureel geweld het de professionele norm is om een melding te doen bij Veilig Thuis. Daarnaast loopt er momenteel een verkenning naar een brede adviesplicht om de adviesfunctie te versterken, waarbij professionals advies moeten vragen als zij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling (waaronder vrouwelijke genitale verminking) hebben.
Bent u bereid met extra wetgeving en/of beschermingsmaatregelen te komen ter bestrijding van genitale verminking van vrouwen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Vrouwelijke genitale verminking is momenteel al strafbaar als (zware) mishandeling op grond van de artikelen 300 tot en met 303 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In aanvulling op deze bestaande wetgeving, wordt momenteel gewerkt aan een implementatiewetsvoorstel ter uitvoering van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Richtlijn EU 2024/1385). Dit wetsvoorstel – dat naar verwachting op korte termijn aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden aangeboden – bevat een aantal nadere aanscherpingen van het strafrechtelijk kader. Het gaat onder andere om het strafbaar stellen van degene die een vrouw of meisje ertoe dwingt of beweegt om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan (of daar een poging toe doet). Daarmee wordt eveneens uitvoering gegeven aan de motie-Eerdmans om verheerlijking en propaganda van vrouwelijke genitale verminking strafbaar te stellen (Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 961), zoals eerder toegezegd (Handelingen II 2024/25, nr. 89, item 3, p. 9).
Verder is uw Kamer in december 2025, middels de voortgangsbrief over de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, geïnformeerd over de beleidsreactie op het onderzoeksrapport «Over Grenzen: een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventieve beschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijke genitale verminking». In deze beleidsreactie wordt – in reactie op één van de aanbevelingen – vermeld dat juridisch zal worden onderzocht of en hoe preventieve beschermingsbevelen mogelijk kunnen worden gemaakt, mede in relatie tot het verbetertraject van het tijdelijk huisverbod, waarin ook wordt verkend of er aanvullende bestuursrechtelijke beschermingsmaatregelen moeten worden gecreëerd. Deze beleidsverkenning is inmiddels gestart. In de verkenning worden ook de mogelijkheden onderzocht van een uitreisverbod ingeval van een risico op vrouwelijke genitale verminking, zoals opgenomen in het coalitieakkoord. De eerste bevindingen van deze verkenning zullen begin 2027 met uw Kamer worden gedeeld.
Tot slot merk ik op dat de aanpak van vrouwelijke genitale verminking onderdeel uitmaakt van de bredere aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het kabinet heeft met het plan «Stop femicide!» stevige maatregelen getroffen ten aanzien van vroegsignalering, een versterkte samenwerking en het bieden van tijdige en effectieve bescherming aan (potentiële) slachtoffers. Op 10 juli 2025 is de Kamer reeds geïnformeerd over de voortgang van de prioriteiten uit dit plan van aanpak. Daarnaast is de Kamer middels eerdergenoemde Kamerbrief geïnformeerd over de aanstelling van een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld, die – naar verwachting – voor de zomer zal worden aangesteld.
Deelt u de mening dat ouders die hun dochter laten besnijden strafrechtelijk vervolgd moeten worden en dat, indien zij een verblijfsvergunning hebben, deze onmiddellijk moet worden ingetrokken?
Zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 6, is vrouwelijke genitale verminking een ernstig misdrijf en in Nederland strafbaar gesteld als (zware) mishandeling. Afhankelijk van hun precieze rol, is het in voorkomende gevallen mogelijk dat personen die de genitale verminking niet zelf toebrengen, zich schuldig maken aan strafbare deelneming hieraan. Verder biedt artikel 284 Sr de mogelijkheid om personen die een vrouw of meisje dwingen genitale verminking te ondergaan (ook als dit in het buitenland plaatsvindt) strafrechtelijk te vervolgen. Zoals hiervoor bij vraag 6 aan de orde is gekomen, zal de strafbaarheid met het daar genoemde implementatiewetsvoorstel verder worden uitgebreid naar personen die een vrouw of meisje ertoe bewegen om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan. Het is aan het openbaar ministerie om in een concreet geval te beoordelen of sprake is van strafbaar handelen en of strafrechtelijke vervolging aangewezen is.
Wanneer een vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan vrouwelijke genitale verminking dan zal zo mogelijk de verblijfsvergunning van de dader worden ingetrokken. Voor het intrekken van de verblijfsvergunning op grond van gevaar voor de openbare orde, is ten minste een onherroepelijke rechterlijke veroordeling van de desbetreffende vreemdeling nodig. Naarmate een vreemdeling langer in Nederland verblijft, dient de opgelegde straf zwaarder te zijn; deze zogenoemde «glijdende schaal» is neergelegd in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarnaast is de IND gehouden om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel of er specifieke redenen zijn, zoals de aanwezigheid van kleine kinderen, die de intrekking van de verblijfsvergunning zouden kunnen belemmeren. En bij een aantal categorieën vreemdelingen, asielstatushouders, EU-burgers en hun gezinsleden, langdurig ingezetene derdelanders en Turken die verblijfsrecht ontlenen aan het Associatieverdrag met EU-Turkije, moet de IND op grond van het EU-recht toetsen of de vreemdeling nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de fundamentele belangen van de samenleving.
Deelt u de mening dat imams en andere personen die genitale verminking van meisjes en vrouwen aanbevelen, daar rechtstreeks toe aanzetten of dit anderszins faciliteren strafrechtelijk vervolgd moeten worden en indien zij een verblijfsvergunning of een dubbele nationaliteit hebben na hun straf het land uitgezet moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Het in het openbaar oproepen tot en verheerlijken van vrouwelijke genitale verminking is op dit moment in voorkomende gevallen al strafbaar, namelijk als anderen daarmee worden aangespoord tot het toebrengen van zulke genitale verminking. In dat geval kan immers sprake zijn van opruiing (artikel 131 Sr) of het aanzetten tot geweld tegen vrouwen wegens hun geslacht (artikel 137d Sr). Verder is het dwingen van vrouwen en meisjes om genitale verminking te ondergaan strafbaar (artikel 284 Sr) en is het mogelijk dat personen die genitale verminking faciliteren zich in voorkomende gevallen schuldig maken aan strafbare deelneming aan dat feit. Zoals in reactie op vraag 6 aan de orde is gekomen, wordt met het wetsvoorstel tot implementatie van Richtlijn EU 2024/1385 de strafbaarheid verder uitgebreid tot personen die een vrouw of meisje ertoe bewegen vrouwelijke genitale verminking te ondergaan, waarmee eveneens uitvoering wordt gegeven aan de daar al genoemde motie-Eerdmans.
Wat betreft het intrekken van de verblijfsvergunning geldt hetgeen in het antwoord op vraag 7 is aangegeven. Hetzelfde is ook van toepassing op vreemdelingen die een dubbele nationaliteit hebben, tenzij één van die nationaliteiten die van Nederland is. Nederland mag geen eigen onderdanen het land uitzetten.
Wanneer gaat u stoppen met het importeren van deze barbaarse islamitische praktijken en kondigt u een asielstop af?
Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige en onacceptabele schending van de lichamelijke integriteit en mensenrechten van meisjes en vrouwen. Zoals geformuleerd in antwoord op vraag 2 wordt vrouwelijke genitale verminking niet veroorzaakt door immigratie en kan asielbescherming ondersteunend zijn aan het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking. Het kabinet hecht eraan meer grip te krijgen op migratie en geeft daaraan invulling met een brede agenda binnen de kaders van het internationaal recht.
De uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 (ECLI ECLI:NL:RVS:2026:1600) |
|
Ulysse Ellian (VVD), Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uitspraak 202600650/2/V6 (ECLI:NL:RVS:2026:1600) van de Raad van State?1
Ja.
Welke impact heeft deze uitspraak op andere Gazanen die een Machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) hebben om naar Nederland af te reizen en in Nederland willen verblijven op grond van een reguliere verblijfsvergunning?
De uitspraak ziet op een voorlopige voorziening in een specifieke casus en betreft de vraag naar consulaire ondersteuning en de juridische kwalificatie daarvan. Dit dient niet te worden opgevat als een algemeen oordeel over consulaire bijstand aan alle personen in Gaza met een mvv-inwilliging. De afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en de daaropvolgende toelating tot Nederland blijven onverkort plaatsvinden op basis van de geldende wettelijke criteria en individuele toetsing door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
Bestaat het risico dat Gazanen die op grond van deze uitspraak met een mvv naar Nederland komen op enig moment tijdens hun verblijf in Nederland een asielaanvraag zullen indienen? Zo ja, deelt u de mening dat dit oneigenlijk gebruik is van een door Nederland afgegeven mvv?
Het kan niet worden uitgesloten dat personen die op basis van een regulier verblijfsdoel naar Nederland komen, op enig moment een asielaanvraag indienen. Het indienen van een asielaanvraag is een recht dat voortvloeit uit internationale en Europese verplichtingen. Het enkele feit dat iemand eerder op reguliere gronden is toegelaten, maakt het indienen van een asielaanvraag op zichzelf niet onrechtmatig of oneigenlijk. Wel wordt iedere aanvraag individueel beoordeeld op basis van de geldende criteria.
Deelt u de mening dat er geen mvv afgegeven mag worden als het gevaar bestaat dat iemand eenmaal in Nederland asiel aanvraagt? Hoe zorgt u dat dit niet gebeurt?
De beoordeling van een mvv-aanvraag vindt plaats aan de hand van de voorwaarden die gelden voor het specifieke verblijfsdoel, bijvoorbeeld voor gezinsmigratie, arbeid of studie. Het mogelijk indienen van een asielaanvraag vormt in die toets geen zelfstandig afwijzingscriterium. De IND voert vooraf een uitgebreide toets uit, waaronder een beoordeling van de openbare orde en nationale veiligheid. Hiermee wordt geborgd dat alleen personen die aan de voorwaarden voldoen, worden toegelaten.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is het indienen van een asielaanvraag een recht dat voortvloeit uit internationale en Europese verplichtingen. Het enkel feit dat er een kans bestaat dat iemand een asiel aanvraag indient is geen reden voor weigering van een mvv.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat het diplomatiek bijstaan of zelfs het evacueren van mensen met een mvv een normale procedure wordt in het kader van consulaire bijstand?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken biedt in algemene zin consulaire bijstand aan Nederlands paspoorthouders en in voorkomende gevallen aan personen die in bezit zijn van een verblijfsvergunning. Het is uiteindelijk aan de Minister van Buitenlandse Zaken aan wie en op welke wijze consulaire bijstand wordt verleend.
In correspondentie met de Raad van State is kenbaar gemaakt dat de Minister van Buitenlandse Zaken zich naar vorm noch naar inhoud kan vinden in de getroffen voorziening en aangedrongen op een zo spoedig mogelijke agendering van de bodemprocedure. In de bodemprocedure zal dit standpunt nader verdedigd worden. Dit laat uiteraard onverlet dat uitvoering zal worden gegeven aan de getroffen voorzieningen in de desbetreffende zaken.
Deelt u de mening dat consulaire bijstand niet bedoeld is voor het evacueren van mvv-houders en dat deze uitspraak dus ook geen precedent mag zijn voor toekomstige mvv-houders?
Zie antwoord vraag 5.
Wat kunt u doen om te voorkomen dat de studenten tijdens of na afloop van hun studie alsnog asiel aanvragen in Nederland?
Er bestaan geen mogelijkheden om het indienen van een asielaanvraag te voorkomen, nu dit een fundamenteel recht betreft. Wel wordt voorafgaand aan toelating zorgvuldig getoetst of aan alle voorwaarden voor het verblijfsdoel wordt voldaan, waaronder voldoende middelen van bestaan en inschrijving bij een erkende onderwijsinstelling. Indien een persoon gedurende of na afloop van het verblijf niet langer aan de voorwaarden voldoet, kan dit gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
Ziet u wettelijke mogelijkheden om mensen die met een mvv naar Nederland zijn gereisd het recht om asiel aan te vragen in ons land te ontzeggen?
Het recht om een asielaanvraag in te dienen is verankerd in internationale verdragen, waaronder het Vluchtelingenverdrag, en in Europese regelgeving. Dit recht kan niet worden ontzegd aan personen die met een mvv zijn ingereisd.
Kunt u toelichten hoe u oordeelt over deze uitspraak gedaan door de bestuursrechter, terwijl consulaire bijstand geen onderdeel is van het bestuursrecht en in beginsel bedoeld is voor onderdanen van ons land en dus niet voor mensen die een visum voor Nederland hebben gekregen?
In correspondentie met de Raad van State is kenbaar gemaakt dat de Minister van Buitenlandse Zaken zich naar vorm noch naar inhoud kan vinden in de getroffen voorziening. Daarbij wordt ook aangegeven dat hier volgens de Minister geen taak voor de bestuursrechter ligt. Dit laat uiteraard onverlet dat uitvoering zal worden gegeven aan de getroffen voorzieningen in de desbetreffende zaken.
Bestaat er een risico dat Gazanen die op grond van deze uitspraak met een mvv naar Nederland af kunnen reizen zullen proberen om via gezinshereniging nareizigers naar Nederland te laten komen? Zo ja, wat kunt u doen om dat te voorkomen?
Indien een persoon een verblijfsstatus verkrijgt die recht geeft op gezinshereniging, kan hij of zij onder de daarvoor geldende voorwaarden een aanvraag indienen. Daarbij is van belang onderscheid te maken tussen nareis in het kader van asiel en reguliere gezinshereniging. In de hier bedoelde situatie is geen sprake van nareis voor asielstatushouders, maar van reguliere migratie. Dit betekent dat betrokkenen, indien zij gezinsleden willen laten overkomen, zijn aangewezen op de reguliere gezinsherenigingsprocedure. Deze procedure kent eigen, strikte voorwaarden, waaronder het aantonen van een daadwerkelijk gezinsverband, het voldoen aan het middelenvereiste en een toets aan openbare-ordeaspecten. Iedere aanvraag wordt individueel aan deze wettelijke vereisten getoetst. Dit kader geldt generiek en is niet specifiek voor deze groep.
Hoe beoordeelt u overweging 7.1 van bovengenoemde uitspraak, waarin wordt gesteld dat Nederland mogelijk gedwongen kan worden om Gazanen tot ons land toe te laten die naar Jordanië afreizen om hun mvv af te halen, maar waarvan vervolgens blijkt dat zij hebben gelogen over hun identiteit? Op grond van welk wettelijk voorschrift zou Nederland deze plicht hebben?
In algemene zin geldt dat toelating tot Nederland altijd afhankelijk is van het voldoen aan de wettelijke voorwaarden, waaronder identificatie en verificatie van de identiteit. Deze controle vindt zowel voorafgaand aan de afgifte van de mvv op de post plaats als bij verdere toelatingsprocedures. Indien blijkt dat onjuiste of misleidende informatie is verstrekt, kan dit leiden tot weigering of intrekking van de mvv of verblijfsvergunning. Er bestaat geen algemene wettelijke plicht om personen toe te laten indien achteraf blijkt dat zij onjuiste gegevens hebben verstrekt.
Indien er aanwijzingen zijn dat een persoon een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, wordt de aanvraag afgewezen dan wel een eerdere inwilliging heroverwogen en zo nodig ingetrokken. Deze aspecten worden voorafgaand aan de afgifte van een mvv getoetst aan de hand van nationale en internationale systemen, waaronder het Schengeninformatiesysteem. Tegelijkertijd geldt dat ook op de post, voorafgaand aan feitelijke afgifte van de mvv, opnieuw wordt beoordeeld of nog aan alle voorwaarden wordt voldaan. Indien zich feiten of omstandigheden voordoen waaruit blijkt dat dit niet het geval is, wordt dit gemeld aan de IND en kan dit alsnog leiden tot weigering van afgifte of intrekking van de eerdere beslissing. De bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde heeft daarbij een zwaarwegend karakter. Personen die een dergelijk risico vormen, komen niet in aanmerking voor toelating.
Nederland kan in beginsel niet worden verplicht om personen tot het grondgebied toe te laten indien achteraf blijkt dat zij onjuiste of misleidende informatie hebben verstrekt over hun identiteit bij de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) of als de identiteit niet overeenkomt met de desbetreffende mvv. In het geval van ondersteuning bij vertrek uit Gaza, staat Nederland garant voor het vertrek van deze personen naar Nederland binnen de kaders die afgesproken zijn in bilaterale afspraken met Jordanië. Indien deze personen niet naar Nederland kunnen vertrekken, kan dat negatieve gevolgen hebben voor de relatie met Jordanië.
Geldt deze plicht ook voor Gazanen waarvan pas in Jordanië blijkt dat zij lid zijn (geweest) van een terroristische organisatie, die verdacht worden van het plegen van een terroristisch misdrijf of die op enige andere manier een gevaar vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid? Deelt u de mening dat dit een volstrekt onwenselijke situatie is? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid om te nemen om dit risico bij Gazanen maximaal te beperken?
Zie antwoord vraag 11.
Op welke manier bent u van plan invulling te geven aan de door de voorzieningenrechter opgelegde «inspanningsverplichting» om te bereiken dat de verzoeker de grens kan oversteken? Kunt u bevestigen dat de inspanningsverplichting uitsluitend ziet op het gebruik van de «diplomatieke weg» en geen feitelijke evacuatie of andere vorm van logistieke ondersteuning behelst?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal conform de uitspraken uitvoering geven aan de voorlopige voorzieningen getroffen door de voorzieningenrechter van de Raad van State. De voorzieningen verplichten de Minister van Buitenlandse Zaken om zich via diplomatieke weg in te spannen om ervoor te zorgen dat de verzoekers Gaza kunnen verlaten om de mvv op te halen. In dat kader zal geen feitelijke evacuatie of andere vorm van logistieke ondersteuning worden georganiseerd, in lijn met de inspanningsverplichting opgelegd door de voorzieningenrechter en met het verzoek van betrokkenen.
In hoeverre verwacht u dat deze uitspraak, waarin de lage drempel van de inspanning wordt benadrukt, zal leiden tot een toename van soortgelijke verzoeken van Gazanen die reeds over een mvv-toezegging beschikken? Deelt u de mening dat zo’n toename onwenselijk is?
Het staat personen met een mvv-inwilliging vrij om een verzoek in te dienen voor ondersteuning bij vertrek uit Gaza. Op dit moment biedt het Ministerie van Buitenlandse Zaken deze ondersteuning echter niet.
In hoeverre acht u de zorg terecht dat deze uitspraak een aanzuigende werking kan hebben op aanvragen van personen uit Gaza en andere conflictgebieden die voor studie naar Nederland willen komen?
Er is op dit moment geen significante stijging van het aantal studieaanvragen van personen uit Gaza. Niet kan worden uitgesloten dat bredere bekendheid met de mogelijkheden tot vertrek uit Gaza kan leiden tot meer verzoeken. Daarbij geldt nog steeds dat elke aanvraag individueel wordt beoordeeld en dat de toelatingscriteria onverkort van toepassing blijven.
Klopt het dat deze personen daarbij ook familieleden mee mogen nemen indien zij daar de voogdij over dragen, zoals het geval was bij een student aan de Universiteit Maastricht?
Het meereizen van familieleden is uitsluitend mogelijk indien wordt voldaan aan de geldende wettelijke kaders. Voor reguliere verblijfsdoelen, zoals studie, geldt dat gezinsleden alleen onder specifieke voorwaarden kunnen meereizen, bijvoorbeeld als sprake is van een kerngezin. Constructies waarbij voogdij wordt overgedragen worden kritisch beoordeeld en moeten voldoen aan regelgeving. Er is geen generiek recht om via dergelijke constructies familieleden mee te laten reizen.
Deelt u de mening dat het onlogisch is om studenten uit Gaza de mogelijkheid te bieden aan Nederlandse universiteiten te studeren, terwijl Joodse studenten zich op Nederlandse universiteiten momenteel zeer onveilig en zelfs bedreigd voelen?
Nee. De onveiligheid die Joodse studenten op universiteiten ervaren is onacceptabel. Het kabinet zet zich op verschillende manieren in voor de veiligheid van deze studenten en voor een veilige leer- en werkomgeving in het onderwijs. De toelating van buitenlandse studenten aan Nederlandse universiteiten staat hier los van. Het is aan de instellingen om, binnen de kaders van wet- en regelgeving, te bepalen welke studenten zij toelaten op hun instelling.
Het interview met een asielrechter in NRC Handelsblad. |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente interview met een asielrechter in NRC Handelsblad?1
Ja.
Hoe heeft het aantal prejudiciële verzoeken vanuit Nederland aan het Europees Hof inzake asielkwesties zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld?
Met asielkwesties begrijp ik u dat u doelt op zaken gerelateerd aan asielverzoeken, inclusief opvang en asielzaken die we niet in behandeling willen nemen op grond van de Dublinverordening. Zaken die gerelateerd zijn aan reguliere verblijfsdoelen en -vergunningen, laat ik hier buiten.
Uitgaande van deze afbakening kan ik u zeggen dat vanaf 2015 in 66 zaken asielgerelateerde prejudiciële vragen zijn gesteld. In 2015 ging het om 2 zaken, in 2016 om 3 zaken, in 2017 om 9 zaken, in 2018 om 1 zaak, in 2019 om 3 zaken, in 2020 om 1 zaak, in 2021 om 13 zaken, in 2022 om 6 zaken, in 2023 om 5 zaken, in 2024 om 5 zaken, in 2025 om 14 zaken en in 2026 (tot nu toe) om 4 zaken.
Welk deel van het totale aantal prejudiciële vragen over asielkwesties is de afgelopen tien jaar gesteld vanuit Nederland?
Deze vraag kan ik niet beantwoorden. De definitie van asielzaken van het Hof van Justitie van de EU in haar zoekmachine, te vinden op www.curia.europa.eu, lijkt een andere te zijn dan die door mij gehanteerd.
Zijn dergelijke verzoeken in voorgaande jaren ook voor een groot deel terug te voeren op één of enkele specifieke rechter(s)?
Dat is feitelijk te constateren omdat deze uitspraken worden gepubliceerd op openbaar te raadplegen bronnen. De namen van de rechters worden daarbij vermeld. In zoverre is dus na te gaan welke rechters daarbij betrokken zijn.
Ziet u grote verschillen in de manier waarop asielzaken worden behandeld door verschillende rechtbanken? Kunt u dit nader toelichten en specificeren?
De wijze waarop een rechter een asielbesluit toetst wordt in grote mate bepaald door de Procedurerichtlijn, de Vreemdelingenwet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Grondwet. Belangrijk uitgangspunt is daarbij dat rechters onafhankelijk en onpartijdig zijn. In algemene zin merk ik op dat ik geen fundamentele verschillen zie in de manier waarop asielzaken worden behandeld door rechters van de verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag. Zo worden in de regel door alle rechtbanken beroepen tegen de weigering een verblijfsvergunning asiel te verlenen (of in geval van intrekking) ter zitting behandeld. De rechter heeft gelet op het bepaalde in artikel 8:72 van de Awb verschillende uitspraakbevoegdheden. Onder andere de achtergrond van de individuele zaak, de rechtsvraag die voorligt en de motivering van het besluit zal mede bepalen of een rechter aanleiding ziet om al dan niet meer regie te voeren, door een geconstateerd motiveringsgebrek te laten herstellen in beroep, of bijvoorbeeld een zaak door een meervoudige kamer te laten behandelen.
Uiteraard worden er ook verschillen gezien waarbij bijvoorbeeld de ene rechter vaker aanleiding ziet om een geschil finaal te beslechten (in plaats van na constatering van een motiveringsgebrek terug te verwijzen) dan de ander, of eerder aanleiding ziet om een prejudiciële vraag te stellen, of dat er door rechters verschillend aangekeken wordt tegen een voorliggende rechtsvraag hetgeen tot verschillende uitkomsten leidt. Zo zien we, of hebben we in het verleden gezien, dat door rechtbanken verschillend wordt aangekeken tegen bijvoorbeeld de wijze waarop de IND de geloofwaardigheid beoordeelt, het landenbeleid (zoals ten aanzien van de huidige 15c situatie in Syrië) danwel of iemand op grond van de Dublinverordening aan een bepaalde lidstaat kan worden overgedragen. Gelet op de onafhankelijkheid van de rechter is divergerende jurisprudentie inherent aan het systeem en belangrijk voor de ontwikkeling van het recht. Indien de IND of de rechtszoekende zich niet in dit oordeel kan vinden kan dit aanleiding zijn om hoger beroep in te stellen. Het instrument hoger beroep is daarmee erg belangrijk om de rechtseenheid te bewaken en te bevorderen, maar eventueel ook om aan de Afdeling te vragen uitspraken te beoordelen, bijvoorbeeld in het geval de IND van mening is dat de vreemdeling – anders dan de rechtbank meent – niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.
Welke aanpassingen zijn de afgelopen vijf jaar gedaan aan de asielprocedure en/of de beoordeling van asielverzoeken als gevolg van de antwoorden op prejudiciële vragen? Hoe beoordeelt u de aanpassingen?
Tussen 2021 en 2026 zijn ongeveer 30 wijzigingen doorgevoerd in nationale regelgeving of uitvoeringsbeleid naar aanleiding van arresten gewezen vanuit het HvJEU, in zowel Nederlandse zaken als andere lidstaten. Sommige van deze wijzigingen hebben een minder vergaande impact dan andere gehad, bijvoorbeeld omdat de omvang van de betreffende doelgroep relatief klein was of omdat de wijziging relatief eenvoudig te implementeren was. Andere uitspraken hebben meer impact gehad, zoals de volgende twee voorbeelden.
Een eerste voorbeeld is het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Y t. Duitsland.2 In deze zaak was door Griekenland een vluchtelingenstatus verleend, maar was het voor Duitsland niet mogelijk om het aldaar gedane verzoek niet-ontvankelijk te verklaren omdat er sprake was een reëel risico in Griekenland onderworpen te worden aan onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artike 4 van het Handvest. Het Hof komt in deze zaak tot de conclusie dat Duitsland niet verplicht is om de vluchtelingenstatus van deze verzoeker te erkennen op de enkele grond dat die status hem in Griekenland is verleend, maar moet zij niettemin ten volle rekening houden met die beslissing en met de elementen die deze beslissing ondersteunen. Als gevolg van dit arrest zal Nederland indien het asielverzoek van een statushouder in een andere lidstaat niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard, altijd het volledige asieldossier van de andere lidstaat moeten opvragen, welke vervolgens moet worden vertaald om inzichtelijk te krijgen welke elementen ten grondslag hebben gelegen aan de verleende internationale bescherming in die lidstaat en zal gemotiveerd moeten worden aangegeven waarom er desondanks geen verblijfsvergunning wordt verleend. Met het opvragen van het dossier en het vervolgens vertalen van dit dossier gaat veelal veel tijd gemoeid, in deze periode zit de vreemdeling in de opvang bij het COA en zal veelal de inhoud van het dossier niet maken dat IND alsnog de verblijfsvergunning gaat inwilligen. Dit ook omdat de vreemdeling niet altijd (uitgebreid) gehoord is in de betreffende lidstaat.
Een ander voorbeeld is het arrest van het Hof van Justitie van 9 november 20233 waaruit volgt dat bij de beoordeling van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn niet langer volstaan kan worden met het beoordelen van de algemene veiligheidssituatie in een bepaald of een bepaald gebied binnen dit land. Ook individuele en persoonlijke omstandigheden van de vreemdelingen moeten worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of er een reëel risico is op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling heeft vervolgens in de uitspraak van 17 juli 20244 geoordeeld dat er geen «drempel» is om individuele en persoonlijke omstandigheden in het kader van 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn te betrekken. Indien er sprake is van willekeurig geweld en dit geweld plaatsvindt binnen een internationaal of binnenlands conflict is er een verplichting voor de IND om deze individuele aspecten te betrekken. Indien de mate van willekeurig geweld zodanig is dat dit slechts een zeer beperkt aantal burgerslachtoffers geeft, is niet voorstelbaar dat de individuele omstandigheden daadwerkelijk aanleiding gaan geven tot de conclusie dat de vreemdeling een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dit geeft daarmee extra motiveringslasten terwijl het niet leidt tot vaker bescherming moeten bieden.
Deelt u de opvatting dat de asielprocedure de afgelopen jaren steeds complexer en tijds- en arbeidsintensiever is geworden, mede als gevolg van prejudiciële vragen en antwoorden en nieuwe jurisprudentie en dat dit onwenselijk is? Welke mogelijkheden ziet u om dit effect tegen te gaan?
Ik deel de opvatting dat de afgelopen jaren de asielprocedure steeds complexer en daarmee tijds- en arbeidsintensiever is geworden, wat veel impact heeft op de uitvoering. Belangrijk is dat migratierecht uitvoerbaar blijft.
In richtlijnen en verordeningen worden vaak open normen opgenomen, of blijkt dat onderwerpen niet opgenomen zijn of onvoldoende duidelijk zijn ingeregeld. Dit is veelal de aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Daarnaast toetst het Hof van Justitie aan het Europees recht, zoals de richtlijnen en verordeningen opgenomen in het Migratiepact en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Het Hof van Justitie stelt het recht vast zoals het is en toetst dus niet het mogelijke effect op de uitvoering.
Mijn inzet is dan ook om zoveel mogelijk concrete bepalingen uit te onderhandelen. Dit verkleint het risico op invulling door het Hof op een wijze die de lidstaten niet hebben voorzien. Daarnaast bespreek ik waar nodig met de Commissie en like-minded lidstaten of, en zo ja, op welke wijze aanpassingen van Unierechtelijke bepalingen noodzakelijk zijn. Ook bezie ik na rechterlijke uitspraken kritisch wat de reikwijdte van het arrest is, zodat het effect van de uitspraak zo uitvoerbaar als mogelijk is.
Welke specifieke aanpassingen van de asielprocedure of de beoordeling van aanvragen als gevolg van prejudiciële vragen acht u onwenselijk, gezien de gevolgen?
In de loop der jaren zijn verschillende aanpassingen gedaan in het asielbeleid. Het past bij de aard van het migratiebeleid dat dit niet statisch is, maar evolueert al naar gelang veranderingen in de geopolitieke situatie, de doelstellingen van kabinet of uw Kamer, of actuele inzichten. Daaronder kan jurisprudentie van het Hof vallen die tot wijzigingen noopt, wiens taak het is om ervoor te zorgen dat het recht van de Unie in de hele EU op dezelfde wijze wordt uitgelegd en toegepast. Het is dus inherent aan het op Europees niveau willen streven naar één gemeenschappelijk asielsysteem. Het kabinet acht het niet passend om gelet op de taak en het ambt van het Hof eventuele gevolgen van de jurisprudentie als «onwenselijk» te typeren. Uiteraard kan het wel zo zijn -zoals in de beantwoording op vraag 7 ook aangegeven- dat een uitleg van een Unierechtelijke asielbepaling door het Hof verstrekkende gevolgen heeft voor de uitvoering. Het kabinet zal bij een dergelijke uitspraak in Europees verband bespreken of deze uitleg aanleiding geeft tot een aanpassing en/of verduidelijking van de betreffende Unierechtelijke bepaling, waarbij ook de opportuniteit ervan zal worden meegenomen. Als voorbeeld hiervan noemt het kabinet de Nederlandse inzet op het punt van de toetsing van het beginsel van non-refoulement in de terugkeerprocedure, hetgeen een weerslag heeft gevonden in de Raadspositie van de Terugkeerverordening.
Zijn er aanpassingen in dit kader waarvan u het wenselijk en mogelijk acht om de wetgeving op Europees niveau aan te passen om onwenselijke gevolgen recht te zetten? Kunt u dit toelichten?
Het kabinet verwijst allereerst naar de Raadspositie op de Terugkeerverordening waarin, in reactie op de uitleg van het Hof van bepalingen van de Terugkeerrichtlijn, enkele bepalingen zijn verduidelijkt en/of aangepast, met het oog op een effectief terugkeersysteem. Ook in de verordeningen en richtlijn van het Asiel- en migratiepact, hebben meerdere van de Nederlandse standpunten een plaats gekregen. Zoals geantwoord op vraag 8, zal het kabinet ook naar aanleiding van toekomstige rechterlijke uitspraken, zoals over de uitleg van de bepalingen van het Asiel- en migratiepact, bezien of de uitwerking daarvan in de uitvoeringspraktijk aanleiding geeft tot een aanpassing van de regelgeving. Het behoud van een efficiënte asielprocedure is een belangrijk uitgangspunt daarbij. Hierbij is ook van belang dat in enkele van de verordeningen van het Pact is opgenomen dat de Commissie voor medio 2028, en vervolgens om de vijf jaar, verslag uitbrengt aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze verordeningen in de lidstaten en stelt, zo nodig, wijzigingen voor.
Kunt u zo specifiek mogelijk aangeven hoe vaak het gebeurt dat een rechter de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) opdraagt om een asielzoeker een verblijfsvergunning toe te kennen, zoals in het artikel wordt gemeld? Hoe heeft deze praktijk zich in de afgelopen jaren ontwikkeld?
Vragen 10 en 11 zal ik tezamen beantwoorden. Het wordt door de IND niet in de systemen geregistreerd wanneer een rechtbank naast gegrondverklaring van het beroep tevens de opdracht geeft om een verblijfsvergunning (asiel) toe te kennen. Om die reden zijn geen aantallen te noemen. Hoewel exacte cijfers niet worden bijgehouden, komt dit naar indruk van de IND slechts enkele malen per jaar voor. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Zijn ook deze besluiten voor een groot deel door te voeren op één of enkele specifieke rechtbank(en)? Om welke verhoudingen gaat het?
Zie antwoord vraag 10.
Wat is de concrete stand van zaken rond de verkenning van de vraag of nationale beleidskaders of aanpassing van wet- en regelgeving kunnen bijdragen aan het inkaderen van jurisprudentie op het gebied van asiel en migratie, waarnaar ook wordt verwezen in de brief van 19 december 2025 aan de informateur in reactie op haar vragen aan de Ministers van en voor Asiel en Migratie en waaraan gerefereerd wordt in het artikel van NRC? Wat heeft deze verkenning tot nu toe opgeleverd?
Hierover bent u op 22 mei jl. geïnformeerd.
Wat is uw oordeel over het feit dat de rechter in het artikel aangeeft dat zij in februari bij een uitspraak heeft voorgesteld dat de IND bij oude zaken niet meer tot de hoogste rechter moet doorprocederen? Vindt u dat het de taak van een rechter is om dergelijke opmerkingen te plaatsen? Welke gevolgen worden hieraan verbonden?
Het past mij als bewindspersoon niet om te oordelen over overwegingen in een specifieke rechterlijke uitspraak. In zijn algemeenheid geldt dat het de taak is van de rechter om over een concrete zaak te oordelen die aan hem wordt voorgelegd (artikel 13 van de Wet algemene bepalingen). De rechter heeft verschillende uitspraakbevoegdheden waaronder de overweging ten overvloede. Bij een overweging ten overvloede maakt de rechter gebruik van de gelegenheid die het doen van een uitspraak biedt om in de motivering daarvan iets te zeggen wat voor de uitspraak strikt genomen niet noodzakelijk is, maar wat hij toch naar aanleiding van de zaak mee wil geven aan partijen. Dit kan bijvoorbeeld een signaal betreffen ten behoeve van de uitvoering.
De IND maakt steeds een zorgvuldige afweging bij de beoordeling wel of geen hoger beroep in te stellen, waarbij zowel de individuele belangen van de vreemdeling worden meegenomen, als de belangen van de Staat en de samenleving bij rechtszekerheid en rechtsgelijkheid vanwege mogelijke precedentwerking.
Bent u van mening dat met dergelijke oproepen en uitspraken de grens tussen rechtspreken en (politiek) activisme in de rechtszaal vervaagt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat dit onwenselijk is en welke mogelijkheden ziet u om dit tegen te gaan?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 13 past het mij als bewindspersoon niet om te oordelen over overwegingen in een specifieke rechterlijke uitspraak. Zoals eveneens aangegeven in het antwoord op vraag 13, behoort het opnemen in een uitspraak van een overweging ten overvloede tot de uitspraakbevoegdheden van de rechter. Dit kan bijvoorbeeld een signaal zijn ten behoeve van de uitvoering. Rechterlijke uitspraken in zaken die in de maatschappelijke belangstelling staan kunnen en mogen voorwerp zijn van discussie. Onze rechtsstaat is gebaat bij debat en dialoog, zowel binnen als met de rechtspraak.
Het tegen de afspraken in openhouden van de asielopvang in Hardenberg door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het besluit van het COA om het asielzoekerscentrum (azc) in Hardenberg en de noodopvanglocatie in Loozen voorlopig alsnog open te houden, ondanks de al jaren geldende afspraak dat deze per 8 maart van dit jaar gesloten zouden worden?1
Het besluit om het azc Hardenberg voorlopig open te houden is onwenselijk, maar ingegeven door acute krapte in de opvang. Op 24 maart 2026 is de noodopvang in Loozen gesloten. Landelijk zijn er onvoldoende vervangende opvangplekken beschikbaar om alle mensen uit de locatie in Hardenberg elders onder te brengen. Wel is de bezetting van het azc Hardenberg gedaald. Het gebrek aan voldoende opvangplekken komt mede doordat niet alle plaatsen uit de verdeelbesluiten van de Spreidingswet zijn gerealiseerd en daarnaast een achterstand op de taakstelling huisvesting is van 9.760 (d.d. 20 maart 2026). Onder deze omstandigheden is het noodzakelijk om asielzoekers langer op deze locatie te laten verblijven om zo te voorkomen dat mensen geen onderdak meer hebben.
Wat is uw oordeel over het feit dat het COA twee weken voor de overeengekomen sluitingsdatum nog per brief aan omwonenden van het azc liet weten dat het op 8 maart leeg zou zijn?
Ik begrijp de teleurstelling over de brief aan omwonenden waarin de beoogde sluiting per 8 maart aangekondigd werd. Er is vanuit het COA maar ook het departement veelvuldig gesproken met de gemeente over het langer openhouden van de locatie. Daarnaast heeft het COA ingezet op het verlengen van andere locaties en het versnellen van openingen van nieuwe locaties. Ook is ingezet op het ontlasten van het COA door nareizigers tijdelijk te huisvesten in hotels. Ondanks deze inzet was het op 8 maart niet verantwoord om de locatie te sluiten.
Op grond waarvan is het COA in deze tussentijd van slechts twee weken van gedachten veranderd? Welke stappen zijn er vóór deze periode en sinds het versturen van de brief gezet om ervoor te zorgen dat de asielopvanglocaties wel op de afgesproken datum konden sluiten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat denkt u dat dit alles doet met het vertrouwen van de inwoners van Hardenberg in de landelijke overheid? Kunt u zich voorstellen dat deze gang van zaken tot grote onrust en frustratie heeft geleid?
Ik begrijp dat deze gang van zaken het vertrouwen kan schaden en lokaal tot teleurstelling en frustratie leidt. Dat is uiterst ongewenst. Door met gemeenten en provincies in gesprek te blijven wil ik ervoor zorgen dat onderling vertrouwen weer wordt versterkt.
Deelt u de mening dat hier sprake is van onbehoorlijk bestuur richting de gemeente Hardenberg? Zo nee, waarom niet?
De gang van zaken in Hardenberg is onfortuinlijk geweest. Het streven is altijd om bestuursovereenkomsten na te leven. Tegelijkertijd heeft het COA een wettelijke taak om asielzoekers op te vangen. Om dit mogelijk te maken heeft het kabinet onder meer afgesproken uitvoering te geven aan de Spreidingswet en de geldende verdeelbesluiten van mijn ambtsvoorganger. Ondanks de inspanning van veel gemeenten zijn helaas nog niet alle plekken uit de verdeelbesluiten van de Spreidingswet gerealiseerd. Mede hierdoor is er een tekort aan opvangplekken en konden de locaties in de gemeente Hardenberg niet tijdig sluiten. Voorafgaand hieraan is uitvoerig contact geweest tussen de gemeente, het COA en het departement.
Hoe kan het COA überhaupt asielopvang blijven verrichten op deze twee locaties nu de bestuursovereenkomst en de omgevingsvergunning zijn verlopen? Op welke (juridische) gronden doet het COA dit?
Er is momenteel geen juridische grondslag voor verblijf op deze locaties. In de jurisprudentie is wel ruimte om onder bijzondere omstandigheden van handhaving af te zien. Het COA doet er alles aan om zo snel mogelijk de bewoners van de locatie in Hardenberg een nieuwe opvangplek te geven.
Hoe kunt u van gemeenten verwachten dat zij nog meewerken aan verzoeken voor nieuwe asielopvanglocaties wanneer het COA keiharde afspraken en voorwaarden daaromtrent op deze manier eenzijdig schendt?
Ik verwacht dat alle gemeenten hun verantwoordelijkheid nemen ten aanzien van het realiseren van asielopvang. Tegelijkertijd besef ik mij dat het niet nakomen van afspraken het vertrouwen kan schaden. Daarom hecht het kabinet er veel belang aan dat overheden een betrouwbare partner zijn en afspraken nakomen. Door met gemeenten in gesprek te blijven wil ik, samen met het COA, ervoor zorgen dat onderling vertrouwen weer wordt versterkt en er goed wordt samengewerkt. Hierin is het werken aan structurele oplossingen waarin zowel een rol voor het kabinet als medeoverheden ligt, van belang. Eén van deze oplossingen is het uitvoeren van de Spreidingswet. Zoals ook in het coalitieakkoord beschreven zet het kabinet hierop in. Hierom zijn op 9 april de brieven in het kader van het interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van wet aan gemeenten verzonden.
Hoe kunt u van gemeenten verwachten dat zij opvolging geven aan verplichtingen in de Spreidingswet wanneer het COA zich zelf niet aan een overeenkomst met een gemeente houdt?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u zich voorstellen dat deze gang van zaken in veel plaatsen leidt tot nog grotere zorgen over het nakomen van afgesproken sluitingsdata door het COA, zoals in Albergen waar eerder al een azc werd doorgedrukt door het COA en het kabinet? Wat gaat u doen om die zorgen weg te nemen en te zorgen voor harde garanties?
Zie antwoord vraag 7.
Wanneer treedt de dwangsom van 81.000,– per dag die de gemeente Hardenberg aan het COA heeft opgelegd in werking en welke juridische stappen (zoals de zienswijze die vandaag door het COA is ingediend) worden tot die tijd doorlopen?
Het College van burgemeester & Wethouders van de gemeente Hardenberg heeft bij besluit van 17 maart jl. het COA een last onder dwangsom opgelegd. In het besluit is een hersteltermijn verstrekt van een week. Dit betekent dat de dwangsom per 24 maart j.l. in werking is getreden omdat het azc Hardenberg nog niet is gesloten. Overigens heeft het College de dwangsommen verlaagd naar in totaal € 62.500,- voor beide locaties. Zoals eerder aangegeven, is de noodopvang in Loozen gesloten.
Wanneer denkt het COA zelf het azc en de noodopvanglocatie te kunnen sluiten en welke stappen worden daartoe gezet?
De druk op de opvang is hoog. Er is een bezettingsgraad van 103%. Alle bedden zijn bezet. Dit heeft er helaas toe geleid dat de locaties in Hardenberg niet tijdig zijn gesloten. Mensen die recht hebben op opvang op straat zetten is nooit een oplossing. Een stabiel opvanglandschap is wel een oplossing, vandaar dat het kabinet hierop inzet. Onder andere door het uitvoeren van de Spreidingswet en door het realiseren van een stabiele financiering voor het COA.
Deelt u de mening dat ongeacht de logistieke problemen van het COA één ding voorop moet staan, namelijk dat het COA haar belofte aan de gemeente Hardenberg en haar inwoners gewoon moet nakomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat het azc en de noodopvanglocatie alsnog per direct dicht gaan?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe gaat u voorkomen dat er een precedentwerking ontstaat en dat het COA gemaakte afspraken vaker niet gaat nakomen?
Het COA streeft ernaar alle gemaakte afspraken na te komen. Het is geenszins de intentie van het COA om afspraken vaker niet na te komen. Onder deze omstandigheden is het tijdelijk noodzakelijk om de asielzoekers langer op de locatie te laten verblijven om zo te kunnen voldoen aan de wettelijke opvangtaak. Het uitvoeren van de Spreidingswet en de stabiele financiering van het COA zullen op termijn ervoor zorgen dat COA haar afspraken kan nakomen.
Het bericht dat de Dienst Identificatie en Screening Asiel (DISA) stopt |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dienst Identificatie en Screening Asiel (DISA) stopt: 80 banen weg in Ter Apel» van RTV Noord?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat deze 80 mensen ineens ontslagen worden? Begrijpt u dat het voor hen voelt als een klap in het gezicht?
De DISA is opgericht als tijdelijke organisatie2. Onder invoering van het Migratiepact neemt de IND als aangewezen screeningsautoriteit per 12 juni aanstaande het screeningsproces van de DISA over. Omdat er sprake is van een andere procesgang vanaf 12 juni 2026 bij de IND die volgt uit de Europese Screeningsverordening, is gebleken dat het niet mogelijk is om alle medewerkers van de DISA over te laten gaan naar de IND. Er is sprake van een verzwaring van taken en verantwoordelijkheden binnen het nieuwe proces ten opzichte van het huidige door DISA uitgevoerde identificatie en registratie (I&R) proces. De verschillen tussen de functies zijn daarmee te groot. Een aantal functionarissen van DISA – waarvan de functietaken overeenkomsten vertonen met de functietaken bij de IND – zet de werkzaamheden voort bij de IND in het proces Ontvangst en Voorbereiding Asielaanvraag (OVA). Voor de overige functionarissen bij de DISA geldt het Van Werk Naar Werk-beleid waarmee zij actief worden begeleid naar passend werk binnen of buiten de Rijksoverheid. Dit betreft maatwerk en zal per persoon verschillen. Hoewel DISA vanaf de start een tijdelijke organisatie was, begrijp ik de teleurstelling van de medewerkers nu de einddatum in zicht is.
Waarom is er dan niet voor gekozen om de 80 banen van de DISA in Ter Apel te laten doorvloeien naar de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Zie het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat de foutmarge bij de screening onder de DISA is teruggebracht naar onder de 5 procent? Klopt het dan dat deze werknemers geschikt zijn voor dit werk en sneller aan de slag kunnen dan nieuw op te leiden werknemers?
De DISA heeft zijn (tijdelijke) taak op professionele wijze uitgevoerd, daar ben ik de dienst zeer erkentelijk voor. Omdat het OVA-proces andere elementen bevat, waaronder de voorbereiding en tijdigheid van de aanvraag, worden van de medewerker in het OVA-proces andere competenties verwacht dan van de DISA medewerkers. Om die reden is een vergelijking van geschiktheid niet te maken.
Wat is de impact op Oost-Groningen dat er 80 banen verdwijnen? Wat is het signaal dat hiermee wordt afgegeven aan Ter Apel?
Laat ik vooropstellen dat ik de regio Oost-Groningen en in het bijzonder Ter Apel zeer erkentelijk ben voor hun hulp en inspanningen aan en met de werkzaamheden in de migratieketen. Het is correct dat de DISA per 12 juni van zijn wettelijke taak wordt ontheven en de functie van I&R-medewerker bij de DISA vanaf dat moment niet langer bestaat. Daar staat tegenover dat vanaf die datum de IND in Ter Apel start met het OVA-proces waar ook bemensing voor noodzakelijk is.
Wat zijn de kosten van het zo snel optuigen en weer afschaffen van deze dienst?
De DISA kostte qua opzetten en inrichten in 2025 23,5 miljoen euro. Omdat de DISA tot 11 juni 2026 zijn wettelijke taken nog uitvoert, diverse (huur)contracten opgezegd worden maar ook de personeelslasten vanaf 12 juni 2026 nog steeds toegerekend worden aan de DISA is de prognose dat er in 2026 nog maximaal 15 miljoen euro benodigd is. Na de afbouw kunnen de personeelslasten van de DISA en bijbehorende personeelszorg nog doorlopen tot 2028. Daarnaast geldt dat een deel van de kosten van het I&R proces dienen te worden gemaakt, ongeacht welke dienst dit uitvoert. Dit betreft bijvoorbeeld operationele kosten die per definitie worden gemaakt.
Begrijpt u dat medewerkers spreken over weggegooid geld, omdat er 40 miljoen in een dienst is gestoken die na een jaar weer verdwijnt?
Ter uitvoering van het Hoofdlijnenakkoord van het voormalig kabinet, is de DISA, conform de door de Minister ondertekende startnotitie, als tijdelijke organisatie opgericht om de identificatie en registratie van asielzoekers uit te voeren voor de periode van 1 januari 2025 tot 12 juni 2026. Bij de inrichting van DISA is vanaf de start als uitgangspunt gehanteerd dat het ketenbrede I&R-proces zo ingericht en ontworpen is, dat de activiteiten «inpasbaar» zijn in een bestaande organisatie.
De destijds beschikbaar gestelde middelen van 16,8 miljoen euro waren het startbudget van de DISA en zijn aangevuld met extra begrotingsmiddelen. De kosten voor de uitvoering van I&R taken worden altijd gemaakt, ongeacht welke dienst dit uitvoert. Ik heb begrip voor het standpunt van de medewerkers omdat zij hun capaciteiten en deskundigheid aan de DISA beschikbaar hebben gesteld. Dat is veel waard.
Kunt u specifiek reageren op de uitspraak van een van hen, die aangeeft: «Je tuigt met belastinggeld iets op en dan gooi je het in de prullenmand. Inclusief personeel»?
Zie antwoord op vraag 7.
Hoeveel kosten had het gescheeld als de werknemers bij de dienst wel waren overgenomen door de IND?
De functies in het I&R proces zijn niet één op één te vergelijken met de functies in het OVA-proces. Dit heeft onder andere te maken met de te verrichten taken, opleidingsniveau en type medewerker dat nodig is voor een functie in het OVA-proces. Er is zoveel mogelijk gekeken naar overeenkomsten in de functies in het I&R proces en het OVA-proces. Een deel van de mensen gaat zoals gezegd over naar de IND. Een inschatting van fictieve omscholingskosten van DISA naar IND is niet te maken. Ook binnen de IND worden medewerkers omgeschoold om in het OVA-proces te kunnen werken.