Het DNB-rapport ‘Van herstel naar balans’ en signalen dat PEP’s door Wwft-instellingen worden geweerd als klant |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het rapport van De Nederlandsche Bank (DNB) «Van herstel naar balans»?1
Ja.
In dit rapport pleit toezichthouder De Nederlandsche Bank voor een meer risicogebaseerde aanpak van financieel-economische criminaliteit, «waarbij niet angst om het fout te doen de boventoon voert». Onderschrijft u deze conclusie van DNB?
Ja, ik onderschrijf de conclusie van het belang van een risicogebaseerde aanpak. Dat is immers ook het uitgangspunt in de wet- en regelgeving. Voor een verdere toelichting hierop verwijs ik naar de brief met mijn reactie op het onderzoek van DNB. Deze brief is parallel met de beantwoording van deze vragen aan uw Kamer verzonden.
Is deze benadering van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) door DNB een totaalaanpak, in die zin dat deze wordt gedeeld door de andere toezichthouders en handhavers van de Wwft, zoals de Autoriteit Financiële Markten, het Bureau Financieel Toezicht, de deken van de orde van advocaten en de Belastingdienst?
Het onderzoek van DNB richt zich primair op de toepassing van de Wwft door banken en het toezicht dat DNB daarop uitvoert. DNB geeft aan dat in de afgelopen jaren een deel van de bancaire sector in onvoldoende mate de Wwft heeft nageleefd, maar dat de banken inmiddels hun inspanningen en investeringen op dit vlak aanzienlijk hebben vergroot. DNB loopt tevens langs de gevolgen van deze inspanningen, bijvoorbeeld voor de toegang tot het betalingsverkeer. De aandachtspunten die DNB noemt zijn dan ook louter gebaseerd op de toepassing van de Wwft in de bancaire sector. Het rapport geeft geen inzicht in de naleving van de Wwft door andere instellingen en het Wwft-toezicht op deze andere instellingen. Daarbij geldt dat Wwft-instellingen en hun cliënten onderling veel verschillen. De conclusies uit het onderzoek van DNB kunnen derhalve niet als een totaalaanpak worden gezien.
Wel geldt in algemene zin dat een risicogebaseerde aanpak één van de uitgangspunten is in de Wwft. Van Wwft-instellingen wordt verwacht dat zij hun poortwachtersrol risicogebaseerd invullen, dit blijft onveranderd. Een dialoog over een gebalanceerde toepassing ervan wordt ook breder gedeeld door andere toezichthouders en handhavers.
Ruimte voor instellingen om in te spelen op de hoogte van de risico’s op witwassen is een belangrijk element voor een effectieve en efficiënte aanpak van witwassen. DNB constateert in haar onderzoek dat banken de bestaande ruimte onvoldoende hebben benut. DNB noemt dan ook dat ze meer aandacht wil hebben voor de vraag of banken voldoende ruimte bieden voor minder zware maatregelen bij lage risico’s. Een dialoog tussen instellingen en toezichthouders, zoals DNB voorstelt in haar onderzoek, draagt bij aan het verbeteren van de informatiepositie over en weer. Daarnaast zal DNB op basis van deze dialoog guidance opstellen om de instellingen beter te ondersteunen bij de uitvoering van hun verplichtingen. Aangezien DNB signaleert dat een mogelijke oorzaak van het onterecht afwijzen van klanten door banken gelegen is in een niet-goed uitgevoerde risicobeoordeling, verwacht ik dat de dialoog tussen DNB en de banken bijdraagt aan een oplossing.
Ik onderschrijf de gekozen benadering van DNB. In de beleidsagenda witwassen, die ik op 23 september samen met de Minister van Justitie en Veiligheid naar uw Kamer heb gestuurd, is «ruimte waar mogelijk» één van de drie speerpunten. Als één van de prioriteiten ga ik inzetten op het borgen van toegang tot het betalingsverkeer. Hierbij wil ik de klantengroepen die moeite hebben met toegang tot het betalingsverkeer in contact brengen met banken om op die manier gezamenlijk de knelpunten te bespreken en op te lossen en om te zorgen voor een goede invulling van de risicogebaseerde benadering in de regelgeving. De vervolgacties die DNB neemt, helpen hier ook bij.
Ik heb verder kennisgenomen van de op 18 oktober gedane uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in de zaak bunq. Omdat deze uitspraak over een specifieke zaak gaat, is het niet aan mij om hierover een oordeel te geven. De inschatting welke gevolgen deze uitspraak heeft voor de wijze waarop DNB haar toezicht inricht, ligt primair bij DNB.
Kunnen Wwft-instellingen er vanuit gaan dat deze lijn van «geen angst om het fout te doen» ook wordt onderschreven door het Openbaar Ministerie, nu elke overtreding van de Wwft op dit moment in beginsel gekwalificeerd wordt als een misdrijf?
Ook het Openbaar Ministerie deelt het uitgangspunt dat de risicogebaseerde aanpak één van de uitgangspunten is van de Wwft. Dat overtreding van Wwft-verplichtingen door instellingen is gekwalificeerd als misdrijf in de Wet economische delicten, doet hier geen afbreuk aan. Uit de memorie van toelichting bij de Wwft2 volgt dat de aard en ernst van overtredingen van de Wwft een strafrechtelijke sanctie kan vergen. Ook de samenhang met andere strafbare feiten of de behoefte aan een opsporingsonderzoek met bijbehorende bevoegdheden kan reden vormen voor strafrechtelijke handhaving. Overtreding van een aantal voorschriften uit de Wwft is daarom strafbaar gesteld en wordt gekwalificeerd als misdrijf in de Wet economische delicten. Over de vraag of Wwft-overtredingen bestuursrechtelijk, tuchtrechtelijk of strafrechtelijk moeten worden afgedaan, vindt in de praktijk overleg plaats tussen het Openbaar Ministerie en de toezichthouders. Het Openbaar Ministerie overweegt altijd of strafrechtelijke vervolging opportuun en proportioneel is, op het moment dat overtreding van de Wwft wordt geconstateerd.
Gaat u bewerkstelligen dat er op basis van de DNB-lijn uniform beleid komt waaraan alle toezichthouders zich committeren, zodat Wwft-instellingen duidelijke kaders hebben waaruit blijkt wat hun wettelijke plicht is, zonder dat sprake is van open normen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke plannen heeft u om de door DNB genoemde hiaten in de uitvoering van de Wwft te verhelpen?
In de bij de beantwoording van vraag 3 en 5 genoemde beleidsagenda aanpak witwassen, staan de prioriteiten en vervolgacties van het kabinet om de aanpak van witwassen verder te verbeteren. Veel van de aanbevelingen van DNB komen terug in de vervolgacties. Voor een reactie op de specifieke punten in het onderzoek van DNB, verwijs ik naar mijn bij de beantwoording van vraag 2 genoemde brief met de beleidsreactie op het DNB-onderzoek.
Bent u bekend met signalen dat sommige Wwft-instellingen Politically Exposed Persons (PEP’s) en daaraan gerelateerde personen zoals gezinsleden niet willen accepteren als klant of zelfs uit het klantenbestand willen verwijderen, terwijl er in feite sprake is van een laag risico?
Op 30 mei jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de bevindingen die zijn gedaan in een onderzoek van EY naar de uitvoerbaarheid van een aantal aspecten van de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn.3 In dat onderzoek is onder meer gekeken naar de persoonlijke ervaringen van een aantal (binnenlandse) PEPs. Daaruit volgde onder meer dat het verscherpt cliëntenonderzoek door deze PEPs als disproportioneel wordt ervaren. Zij gaven aan meermaals te zijn verzocht een veelheid aan (persoonlijke) informatie aan te leveren bij Wwft-instellingen, terwijl zij menen dat hun PEP-status niet tot meer risico’s op witwassen leidt. Ook gaven zij aan dat de intensiteit van het verscherpt cliëntenonderzoek uiteenloopt en dat in sommige gevallen de relatie is beëindigd.
Het kabinet vindt het belangrijk dat er een evenwichtige verhouding is tussen enerzijds het verscherpt cliëntenonderzoek en anderzijds de relevante risico’s die zich voordoen bij PEPs. Daarom heb ik in de beleidsreactie aanpak witwassen een aantal acties genoemd op dit terrein, zoals het voornemen om met betrokken partijen mogelijkheden te bezien om de informatieverzoeken door Wwft-instellingen efficiënter en minder bezwarend te maken en te spreken over het creëren van duidelijkheid richting PEPs over wat van hen wordt verwacht.
Het feit dat Wwft-instellingen verscherpt cliëntenonderzoek verrichten naar PEPs, familieleden van PEPs en naaste geassocieerden, houdt verband met de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Europese en internationale regelgeving waarop de Wwft is gebaseerd. De achterliggende gedachte hierbij is dat relaties met personen die een prominente politieke functie bekleden, voor de financiële sector een groot reputatierisico en juridisch risico met zich mee kunnen brengen, zeker wanneer die personen afkomstig zijn uit landen die een relatief hoge corruptiegraad hebben. Dergelijke personen verdienen dan ook in het licht van de strijd tegen corruptie bijzondere aandacht. De verscherpte maatregelen gelden zowel ten aanzien van PEPs als voor hun familieleden en naaste geassocieerden.
Is het, om een voorbeeld van het bovenstaande te geven, gerechtvaardigd dat een levensverzekeraar – zoals blijkens signalen lijkt te gebeuren – een PEP-gerelateerd persoon dwingt te vertrekken als klant, enkel omdat de klant PEP is, zonder dat er sprake is van concrete risico’s?
Nee, de maatregelen ten aanzien van PEPs, hun familieleden en naaste geassocieerden zijn uitdrukkelijk preventief van aard. Een zakelijke relatie afwijzen enkel en alleen omdat een cliënt een politiek prominente persoon is, druist dan ook in tegen de gedachte achter de Wwft en de Europese anti-witwasrichtlijn waarop de Wwft is gebaseerd. Zoals hiervoor al werd opgemerkt, zijn Wwft-instellingen bij PEPs wel verplicht verscherpt cliëntenonderzoek te verrichten en dat kan ertoe leiden dat zij meer informatie opvragen bij de PEP. De intensiteit van dat verscherpt cliëntenonderzoek kan per geval verschillen omdat dit mede afhankelijk is van de risico’s die zich in een bepaald geval voordoen.
Kunt u bevestigen dat een dergelijke opstelling niet acceptabel is en kunt u, in samenwerking met de toezichthouders, hier richting de Wwft-instellingen aandacht aan besteden?
Het enkel en alleen weigeren van een cliënt omdat deze een PEP is, is inderdaad onbehoorlijk en druist in tegen de gedachte achter de Wwft en de regelgeving waarop de Wwft is gebaseerd. Ik vind dan ook dat de toepassing van de regelgeving op PEPs beter kan. Dit is één van de prioriteiten in de beleidsagenda aanpak witwassen. Ik vind het belangrijk dat er een evenwichtige verhouding is tussen enerzijds het verscherpt cliëntenonderzoek en anderzijds de relevante risico’s die zich voordoen bij PEPs. In de beleidsagenda kondig ik als één van de vervolgacties aan om gesprekken met de sector te voeren over de juiste toepassing van de regels voor PEPs. Voor een verdere toelichting hierop verwijs ik naar de beleidsagenda aanpak witwassen.
Hoe gaat u instellingen aanspreken die in hun voorwaarden dienstverlening aan PEP’s uitsluiten? Gaat u hierover in gesprek met de relevante toezichthouders om dit maatschappelijk onacceptabele gedrag aan de orde te stellen?
Ik ben niet bekend met voorwaarden waarin PEPs bij voorbaat categorisch worden uitgesloten vanwege het feit dat zij een PEP zijn. Zoals gezegd druist het enkel en alleen weigeren van een cliënt omdat deze een PEP is, in tegen de gedachte achter de Wwft. Als opvolging van de beleidsagenda aanpak witwassen, zal ik gesprekken voeren met relevante partijen over de juiste toepassing van de regels met betrekking tot PEPs en over het creëren van duidelijkheid richting PEPs over wat van hen wordt verwacht. Graag verwijs ik voor verdere details naar de bij de beantwoording van vraag 3 en 5 genoemde beleidsagenda aanpak witwassen.
Bij wie kunnen deze personen terecht? Bent u bereid om in geval van de onheuse behandeling van PEP’s, waardoor zij uitgesloten worden van verzekeringen en/of bancaire faciliteiten, een meldpunt in het leven te roepen bij een van de toezichthouders zodat deze waar nodig kunnen acteren?
Indien een cliënt (al dan niet een politiek prominente persoon) van mening is dat een Wwft-instelling hem of haar onheus behandelt, dan kan deze cliënt dit aangeven bij (het klachtenloket van) de betreffende Wwft-instelling. Daarnaast kan een cliënt een klacht indienen bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid). Het voorgaande laat uiteraard onverlet dat het een cliënt vrijstaat een juridische procedure aan te spannen. Het is verder mogelijk om signalen bij de toezichthouders in te dienen. Die kunnen een individueel geschil niet oplossen, maar het signaal wel verder gebruiken bij bijvoorbeeld guidance.
Welke andere maatregelen bent u bereid te nemen om de toegang van PEP’s tot de dienstverlening van Wwft-instellingen te garanderen, ervan uitgaande dat er geen sprake is van materiële Wwft-risico’s anders dan het feit dat deze persoon een PEP-status heeft?
Voor de maatregelen die ik neem, verwijs ik naar de beleidsagenda aanpak witwassen. Daarin noem ik verschillende vervolgacties om te zorgen voor een evenwichtige verhouding tussen enerzijds het verscherpt cliëntenonderzoek en anderzijds de relevante risico’s die zich voordoen bij PEPs, hun familieleden en naaste geassocieerden. De komende periode ga ik de vervolgacties samen met publieke en private belanghebbenden verder uitwerken.
Kunt u ingaan op de door mij gestelde vragen tijdens het commissiedebat Financiële Markten (d.d. 30 juni 2022) over het feit dat Marokko sinds kort op de lijst van de Europese Commissie van derde landen met een hoog risico staat? Kunt u hierbij aangeven wat de exacte gevolgen zijn van een plaatsing op deze lijst voor zowel Wwft-instellingen als voor klanten?
In februari 2021 heeft de FATF Marokko op haar grijze lijst geplaatst van landen met strategische tekortkomingen in hun nationale regimes met betrekking tot het voorkomen en bestrijden van witwassen en financieren van terrorisme. Het doel van de lijst is om de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering te beheersen en het financiële stelsel te beschermen tegen deze risico’s. De Europese Commissie heeft deze plaatsing in maart 2022 overgenomen op de EU-lijst van hoog-risico derde landen. Voor transacties met ingezetenen van landen die op de lijst staan, dient verscherpt cliëntenonderzoek plaats te vinden door Wwft-instellingen. Verscherpt cliëntenonderzoek brengt met zich dat Wwft-instellingen cliënten moeten onderwerpen aan een verscherpte controle en onder andere aanvullende informatie over de cliënt, de beoogde zakelijke relatie en transacties moeten verzamelen (zie artikel 9, eerste lid, Wwft). Voor cliënten heeft dit tot gevolg dat zij meer informatie moeten verstrekken aan Wwft-instellingen. Zoals toegezegd tijdens het tweeminutendebat Financiële Markten van 28 september jl., stuur ik uw Kamer binnenkort een brief met een uitgebreidere toelichting op dit vraagstuk.
Naheffingen bij schijnzelfstandigheid |
|
Senna Maatoug (GL) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe vaak zijn bij zelfstandigen geen werknemersafdrachten gedaan, terwijl dit wel moest?
Het is naar de aard van de zaak niet mogelijk om aan te geven wat het aantal zzp’ers is dat volgens het arbeidsrecht eigenlijk als werknemer zou moeten worden aangemerkt.1 Hoe hoog de non-compliance op dit terrein precies is, is niet duidelijk; daarom is geen informatie voorhanden hoe vaak het voorkomt dat een opdrachtgever ten onrechte geen loonheffingen heeft afgedragen.
Klopt het dat voormalig (schijn)zelfstandigen worden geconfronteerd met naheffingen in het geval zij hun recht halen? Hoe vaak is dit het geval? Als u dit niet inzichtelijk heeft, kunt u dit in kaart brengen?
In de situatie dat een opdrachtgever ten onrechte een arbeidsrelatie niet heeft aangemerkt als een dienstbetrekking (en geen sprake is van kwaadwillendheid) wordt een aanwijzing gegeven aan de opdrachtgever/werkgever. Als deze aanwijzing niet wordt opgevolgd, wordt een correctieverplichting opgelegd om alsnog voor die arbeidsrelatie de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen in te houden en af te dragen en de premie voor de werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet af te dragen. De correctieverplichting en naheffingsaanslag kan worden opgelegd met terugwerkende kracht tot het moment van de aanwijzing. Bij het niet (geheel) voldoen aan de correctieverplichting kan de Belastingdienst een naheffingsaanslag opleggen aan de opdrachtgever/werkgever voor het bedrag dat er naar schatting niet of te weinig is gecorrigeerd.
Vaststelling van een dienstbetrekking kan ook gevolgen hebben voor de inkomstenbelasting van de opdrachtnemer, die voor de betreffende arbeidsrelatie dan gekwalificeerd wordt als werknemer. Zo kan er, afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval, bijvoorbeeld geen recht op ondernemersfaciliteiten bestaan en geen kostenaftrek mogelijk zijn als blijkt dat sprake is van een dienstbetrekking. De inkomstenbelasting is verschuldigd door de opdrachtnemer en kan niet worden verhaald op de opdrachtgever. Een wijziging in het inkomen van de belastingplichtige, bijvoorbeeld doordat de ondernemersfaciliteiten niet meer van toepassing zijn door het vervallen van het ondernemerschap, kan ook van invloed zijn op inkomensafhankelijke regelingen zoals toeslagen. De vaststelling dat sprake is van een dienstbetrekking kan gezien de toepassingsvoorwaarden ook gevolgen hebben voor de Tozo.
Deze regeling wordt niet door de Belastingdienst uitgevoerd, maar de Belastingdienst dient wel inlichtingen te verstrekken aan de bevoegde instanties op basis van art. 64 van de Participatiewet.
Voor alle belastingdienstkantoren geldt dat er gewerkt wordt op basis van eenheid van beleid en uitvoering. Er is dus geen verschil in behandeling tussen verschillende belastingkantoren.
Omdat het handhavingsmoratorium geldt voor de loonheffingen en niet voor de inkomstenbelasting kan er wel een navorderingsaanslag voor de inkomstenbelasting worden opgelegd aan de werkende. Tot nu toe zijn er binnen de directie MKB van de Belastingdienst, die de aangiften inkomstenbelasting van ZZP’ers behandelt, geen signalen bekend dat er in de in vraag 2 beschreven situatie een navorderingsaanslag is opgelegd.
De Algemene Rekenkamer heeft recent een data-analyse uitgevoerd naar de repressieve handhaving bij zelfstandigen in haar rapport «Focus op handhaving Belastingdienst bij schijnzelfstandigheid» en concludeerde dat de Belastingdienst terughoudend omgaat met de handhaving op schijnzelfstandigheid bij individuele opdrachtnemers.2
Worden naheffingen gebruikt als dreigement om te voorkomen dat mensen die eigenlijk werknemer zijn hun recht halen? Heeft u instrumenten om hier tegenop te treden? Wat gaat u hier aan doen?
Wanneer naheffingen gebruikt worden als dreigement om te voorkomen dat werkenden hun recht halen, is dit een onwenselijke situatie. Op de situatie of dit in de praktijk door opdrachtgevers gebruikt wordt richting werkenden heb ik geen zicht. Naheffingen in de loonheffingen worden opgelegd aan de opdrachtgever. De naheffingsaanslag loonheffingen is een aangelegenheid tussen de Belastingdienst en de opdrachtgever. De werknemer is hierbij in beginsel geen partij.
In ons juridische systeem heeft iedere burger of instantie in beginsel de mogelijkheid om zijn recht te halen. Dit is ook van toepassing in de in deze vraag omschreven situatie.
Hoe gaan de verschillende belastingkantoren om met schijnzelfstandigheid en naheffingen van werkgeverspremies, premies voor werknemersverzekeringen en naheffingen in verband met de loonheffing, met de inkomstenbelasting en fiscale faciliteiten, zoals aftrekposten, toeslagen en de Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandige Ondernemers (TOZO)? Bij wie worden deze verhaald? Bestaat er een verschil in behandeling tussen verschillende belastingkantoren en zo ja, welke verschillen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat de rekening van schijnzelfstandigheid niet bij (kwetsbare) werkenden mag worden gelegd, zeker niet als grote bedrijven niets hoeven te betalen en de wet niet wordt gehandhaafd?
Het uitgangspunt is dat iedereen zijn of haar arbeidsrelatie moet inrichten binnen de wettelijke kaders en iedere partij die een bepaalde arbeidsrelatie aangaat daarvoor verantwoordelijk is alsmede voor de rechten en plichten die passen bij die arbeidsrelatie. Dit is onafhankelijk van het feit dat men een groot bedrijf, een klein bedrijf of een individuele werkende is. Ik deel dan ook de opvatting dat voorkomen moet worden dat een (van beide) partij(en) de rekening van schijnzelfstandigheid betaalt. Ik ben me ervan bewust dat er in de praktijk een machtsverhouding tussen werkende en degene die het werk verschaft kan bestaan of worden ervaren. In de kabinetsreactie op de rapporten van ARK en ADR3 is toegezegd de handhaving op de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen te herijken en versterken. Nog dit jaar zal de voortgangsbrief zzp naar de Kamer worden verzonden, waarin wordt aangeven hoe dit de komende tijd vorm gaat krijgen.
Herinnert u zich de uitspraak van de Staatsecretaris, uit het debat zelfstandige zonder personeel van 30 juni jongstleden, dat als er onterecht geen loonheffing is afgedragen door de opdrachtgever, dat de loonheffing niet wordt verhaald op de opdrachtnemer, die eigenlijk een werknemer was? Geldt dat ook voor de inkomstenbelasting voor zover de inkomsten in de inkomstenbelasting als winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden zijn opgegeven?
Het handhavingsmoratorium en daarbij behorende beperking met betrekking tot handhaven met terugwerkende kracht geldt alleen voor de opdrachtgevers en voor de loonheffingen. Voor de inkomensheffing bij de opdrachtnemer kan de Belastingdienst zoals gebruikelijk toetsen of sprake is van ondernemerschap en als dat niet het geval is kan de Belastingdienst – als de feiten daartoe aanleiding geven – stellen dat sprake is van loon uit dienstbetrekking. Omdat het handhavingsmoratorium niet geldt voor de inkomstenbelasting kan er een navorderingsaanslag voor de inkomstenbelasting worden opgelegd. Tot nu toe zijn er binnen directie MKB van de Belastingdienst, die de aangiften inkomstenbelasting van ZZP’ers behandelt, geen signalen bekend dat er in de in vraag 6 beschreven situatie een navorderingsaanslag is opgelegd. Voor de omzetbelasting geldt een aparte toets of sprake is van ondernemerschap. Informatie hierover is beschikbaar op de website van de Belastingdienst.
Wanneer een opdrachtnemer jarenlang heeft aangegeven als zelfstandige te hebben gewerkt voor de inkomensheffing en over dezelfde jaren – bijvoorbeeld op grond van een rechterlijke uitspraak – een loonvordering gaat indienen, kan dit leiden tot vragen van de Belastingdienst. Het is namelijk niet mogelijk tegelijkertijd twee verschillende standpunten voor de inkomensheffing in te nemen, namelijk voor dezelfde uren tegelijk zelfstandige én werknemer te zijn.
De daadwerkelijke effecten voor de omzetbelasting en inkomensheffingen zijn mede afhankelijk van overige feiten en omstandigheden bij een opdrachtnemer. Het is niet mogelijk hierover in algemene zin conclusies te trekken of toezeggingen te doen over de gevolgen die individuen kunnen gaan ervaren. Situaties kunnen dermate verschillen dat vrijwel in ieder geval een nader onderzoek nodig is.
Gaat u zich ervoor inspannen dat de Belastingdienst de rekening niet gaat verhalen bij werkenden, onder andere bestaande uit; werkgeverspremies, premies voor werknemersverzekeringen, naheffingen in verband met de loonheffing, inkomstenbelasting en fiscale faciliteiten, zoals aftrekposten, toeslagen en de TOZO. Kunt u toezeggen dat individuen geen negatieve gevolgen gaan ervaren door de Belastingdienst? Zo nee, waarom niet? Hoe wordt hierover gecommuniceerd?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bekend met artikel 20 en artikel 125 van de Wet financiering sociale verzekeringen die het respectievelijk verbieden en strafbaar stellen dat de werkgever de door hem verschuldigde premie verhaalt op de werknemer? Is dit aan de orde in Nederland? Heeft u instrumenten om hier tegenop te treden? Wat gaat u hier aan doen?
Ik ben bekend met artikel 20 en artikel 125 van de Wet financiering sociale verzekeringen. Er zijn bij mij geen signalen bekend dat werkgevers, tegen deze wet in, in het geval van bewezen schijnzelfstandigheid in strijd met de Wet financiering sociale verzekeringen premies die zij verschuldigd zijn verhalen op de werknemer. Deze wet is van toepassing op de premies voor sociale verzekeringen en niet op de loonbelasting. De Wet financiering sociale verzekeringen biedt het instrument om strafrechtelijk op te treden tegen een werkgever indien die situatie zich (in de toekomst wel) zou voordoen.
Herinnert u zich dat de Staatssecretaris in datzelfde debat zelfstandige zonder personeel heeft aangegeven dat het vervolgens de vraag is of een opdrachtgever de loonheffing gaat verhalen op de opdrachtnemer? Deelt u de opvatting dat opdrachtgevers de rekening (waaronder de loonheffing, maar niet uitsluitend de loonheffing) niet bij opdrachtnemers mogen leggen, bijvoorbeeld door uit te betalen loon in te houden? Heeft u instrumentarium om dit aan te pakken? Gaat u zich hiervoor inspannen? Kunt u toezeggen dat individuen hierdoor geen negatieve gevolgen gaan ervaren? Zo nee, waarom niet?
De loonheffing bestaat uit loonbelasting en premie volksverzekeringen. De werknemer is de belastingplichtige voor de loonbelasting. De loonheffing wordt ingehouden op het loon van de werknemer en afgedragen door de werkgever. De werkgever mag de ten onrechte niet ingehouden loonheffing die van hem is nageheven, in beginsel verhalen op zijn werknemer. Of de werkgever daadwerkelijk een verhaalsrecht heeft wordt bepaald door de uitleg van de overeenkomst tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Voor premies werknemersverzekeringen wordt verwezen naar het antwoord op vraag 8.
Deelt u de opvatting dat de vrijwaringsbepalingen omtrent belastingen en verzekeringen, waaronder loonbelastingen, premies en bijdragen aan sociale zekerheid, die sommige bedrijven in hun overeenkomsten met opdrachtnemers hebben staan, nietig zijn in het geval van schijnzelfstandigheid? Kunt en gaat u hier tegen optreden? Zo nee, waarom niet?
Vrijwaringsclausules worden opgenomen in contracten tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Zolang dit binnen de kaders van de wet is, staat het beide partijen vrij om dit contract in te vullen zoals gewenst. Het is dan ook niet aan een bewindspersoon om hier een uitspraak over te doen, die beoordeling is aan de rechter.
Uit jurisprudentie komt naar voren dat een vrijwaringsclausule in beginsel geldig is, tenzij een beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Deze (beperkte) uitzondering biedt een mogelijke ontsnapping voor degene die wordt geconfronteerd met een beroep op een vrijwaringsclausule. Het is aan de rechter om te oordelen of schijnzelfstandigheid hier voldoende grond voor vormt.
De zorgbonus voor pgb-zorgverleners en de tegemoetkoming voor mantelzorgers naar aanleiding van het antwoord op eerdere Kamervragen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is het inmiddels geregeld dat Zvw-pgb zorgverleners een zorgbonus over 2020 en 2021 krijgen als zij voldoen aan de gestelde criteria en wanneer kunnen zij de bonus verwachten, gelet op het feit dat u in uw beantwoording van eerdere Kamervragen aangeeft dat er gewerkt wordt aan een oplossing om ook deze zorgverleners een zorgbonus te geven?1
Dit is nog niet geregeld.
Indien het nog steeds niet is geregeld, kunt u dan aangeven wat de stand van zaken is?
Met mijn brief van 22 april jongstleden2 waarmee ik de eerdere Kamervragen van het lid Westerveld (GL) over de zorgbonus voor pgb-zorgverleners en de tegemoetkoming voor mantelzorgers heb beantwoord, heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken op dat moment bij de zorgbonus voor pgb-zorgverleners die via de Zorgverzekeringswet betaald worden.
In die brief heb ik toegelicht dat pgb-zorgverleners die bekostigd worden via de Zvw nog niet zijn meegenomen in de eerdere uitwerking van de bonusregeling. In de brief van 26 oktober 20213 is nader ingegaan op de reden hiervan en de vraagstukken die zich bij de uitwerking van een regeling voor deze groep pgb-zorgverleners voordoen en de voorwaarden die aan de orde zijn om tot openstelling van een subsidieregeling over te gaan. Voorwaarden daarbij zijn dat de regelgeving op het gebied van privacy – mede gezien de verwerking van bijzondere persoonsgegevens – wordt geborgd, voldaan wordt aan de voorwaarden voor uitvoering zoals benoemd in mijn brief van 22 april jl en dat de regeling uitvoerbaar is.
Bij de ontwikkeling en uitvoering van de regeling spelen verschillende vraagstukken op het gebied van privacy. De reden hiervan is dat circa de helft van de groep pgb-budgethouders met een pgb-budget bekostigd uit de Zvw en de o.g.v. deze wet bekostigde werkzame zorgverleners niet bekend zijn bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB; de organisatie die de pgb bonus voor de andere wetten heeft uitgevoerd). Deze budgethouders declareren de kosten voor pgb-Zvw zorg rechtstreeks bij zorgverzekeraars. De voor deze groep budgethouders werkzame zorgverleners zijn ook niet bekend bij de zorgverzekeraar, waar de budgethouder de kosten voor werkzaamheden verricht door deze zorgverlener(s), in declaratie brengt. Dit bemoeilijkt uitvoering van de subsidieregeling door de SVB. Het ontbreekt namelijk aan zicht op de doelgroep, een wettelijke grondslag voor verwerking van de (bijzondere) persoonsgegevens van de budgethouder en zorgverlener en aan de benodigde informatie om te toetsen of de subsidie rechtmatig kan worden verstrekt.
Naast de mogelijkheid van het verkrijgen van een wettelijke grondslag onderzoek ik in overleg met de SVB onder meer de door u benoemde mogelijkheid van een beroep op uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene, één van de specifieke uitzonderingen die zijn opgenomen in artikel 9 lid 2 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) als uitzonderingsgrond voor het verbod op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens.
Indien de hierboven benoemde aspecten tot een positief resultaat leiden en wordt voldaan aan de voorwaarden voor openstelling, waarbij de regelgeving op het gebied van privacy en de Comptabiliteitswet belangrijke aandachtspunten zijn, kan de regeling met mijn akkoord worden gepubliceerd en kan tot openstelling van het aanvraagloket voor beide bonussen (2020 en 2021) worden overgegaan. Ik verwacht u in het eerste kwartaal van 2023 hier nader over te informeren.
Klopt het dat budgethouders die vanuit de Zvw zorg regelen met een pgb jaarlijks bericht ontvangen van hun zorgverzekeraar met wijzigingen in de pgb-regelementen en dat zij jaarlijks een nieuwe toekenningsbeschikking met informatie over de hoogte van hun pgb ontvangen?
Het klopt dat verzekeraars budgethouders op de hoogte kunnen brengen van wijzigingen in de respectievelijke pgb-reglementen. Dit kan jaarlijks zijn, maar ook tussentijds bij bijvoorbeeld een wetswijziging. Daarbij is het aan de zorgverzekeraar op welke wijze en met welke regelmaat zij budgethouders op de hoogte brengen.
Budgethouders ontvangen van verzekeraars geen toekenningsbeschikking, maar een toekenningsverklaring. Dit omdat de verzekeraars privaatrechtelijk georganiseerd zijn en daarom niet kunnen beschikken. Wel klopt het dat zorgverzekeraars de bij hun aangesloten budgethouders kunnen benaderen over informatie over de toekenningsverklaring. Ook hier geldt dat dit niet noodzakelijk jaarlijks is en de verzekeraars zelf kiezen op welke wijze communicatie plaatsvindt.
Waarom kunnen zorgverzekeraars de budgethouders niet op de hoogte brengen van de mogelijkheid hun zorgverleners voor te dragen voor een zorgbonus als zij voldoen aan de voorwaarden? Is het mogelijk om de gegevens in samenspraak met en goedkeuring van desbetreffende zorgverlener (desnoods met het verstrekken van de zorgovereenkomst van de budgethouder en zorgverlener) te delen om de zorgbonus uit te kunnen betalen?
Het niet in beeld hebben van de doelgroep brengt vraagstukken met zich mee op het gebied van communicatie, het gebied van gegevensverwerking én rechtmatige verstrekking van de subsidie. Het enkel informeren van de doelgroep over de regeling biedt daarmee nog geen oplossing voor de uitvoeringsvraagstukken die vormgeving van deze regeling met zich brengt.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 vermeld is een grondslag nodig voor de behandeling van een aanvraag, omdat de SVB hierbij persoonsgegevens verwerkt van zowel de pgb-budgethouder als de betreffende pgb-zorgverlener. We hebben dit ook met de Autoriteit Gegevensbescherming besproken.
Bij het verwerken van gegevens kan het onderscheid worden gemaakt tussen gewone en bijzondere persoonsgegevens. De grondslagen voor het verwerken van gewone persoonsgegevens zijn limitatief opgenomen in artikel 6 van de AVG. Het verwerken van bijzondere persoonsgegevens is verboden, tenzij een verwerkingsverantwoordelijke zich kan beroepen op een van de specifieke uitzonderingen die zijn opgenomen in artikel 9 lid 2 van de AVG.
Het feit dat iemand een pgb heeft zegt iets over de medische achtergrond van de pgb-budgethouder. Daarmee is het een bijzonder persoonsgegeven namelijk een gegeven omtrent de gezondheid. Hierdoor is naast een grondslag in artikel 6 AVG ook een uitzonderingsgrond in artikel 9 AVG noodzakelijk.
Een van die uitzonderingen kan zijn een uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene. Ik onderzoek op dit moment onder meer of dit kan leiden tot de noodzakelijke grondslag voor gegevensverwerking.
Daarnaast dient ook de Comptabiliteitswet in acht te worden genomen. Indien een grondslag beschikbaar is voor verwerking van de (bijzondere) gegevens, dient de aanvraag met bewijsstukken getoetst te worden aan de voorwaarden voor subsidieverstrekking. Dit met het oog op de rechtmatige uitvoering van de subsidieregeling. Toetsing van de authenticiteit van bewijsstukken levert hierbij vraagstukken op die ik nader onderzoek.
Waarom is het specifiek bij Zvw-pgv zorgverleners een probleem dat de zorgverzekeraar geen zicht heeft op het voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor een zorgbonus, terwijl dit ook geldt voor andere verstrekkers voor zowel de pgb zorgverleners als de natura zorgaanbieder?
De uitvoering van een subsidieregeling betreft een publieke taak en kan om die reden niet worden uitgevoerd door private zorgverzekeraars. Een verstrekking van de zorgbonus op grond van de bonusregeling via zorgverzekeraars aan pgb-zorgverleners is om die reden niet mogelijk. De SVB, als zijnde uitvoerder van de pgb-zorgbonusregeling Wmo 2015, Jeugdwet, Wlz heeft niet volledig zicht op de groep budgethouders met een pgb-Zvw. Budgethouders met een pgb-Zvw hebben namelijk, anders dan budgethouders met een pgb bekostigd uit de Wmo 2015, Jeugdwet, Wlz, de vrije keuze of zij het pgb door de SVB laten beheren of in eigen beheer houden. Budgethouders die het pgb-Zvw in eigen beheer hebben zijn niet in beeld bij de SVB. Dit zicht is noodzaak om tot een uitvoerbare regeling te komen die ook, met het oog op de Comptabiliteitswet en privacywetgeving, rechtmatig kan worden vormgegeven.
Overigens komt het voor dat zorgverleners via een zogenoemde combi-overeenkomst werken. Dan werken zij onder zowel de Zvw, als een van de andere pgb-wetten. In dat geval geldt dat de zorgverlener al in aanmerking heeft kunnen komen voor de bonus.
Het bericht 'Tienduizenden mbo'ers nog zonder boeken: 'bang voor een leerachterstand'' |
|
Zohair El Yassini (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van NOS «Tienduizend mbo’ers nog zonder boeken: «bang voor een leerachterstand»»?1
Ja.
Wanneer is bij de boekenleverancier Struders.nl duidelijk geworden dat door technische problemen hun systemen «niet lekker» samen bleken te werken met systemen van hun logistieke uitvoerder, waardoor er een enorme achterstand is ontstaan bij de levering van schoolboeken?
Studers heeft laten weten dat de distributie van boeken met ingang van dit studiejaar op een andere manier is georganiseerd. Bij het overzetten van de systemen is daarbij een fout ontstaan met de orderadministraties. Inmiddels heeft Studers dit probleem grotendeels opgelost en is het overgrote deel van de leveringsachterstanden ingehaald. Ook is ervoor gezorgd dat de meeste studenten die nog geen boek hebben ontvangen, wel beschikken over een digitale licentie. Op korte termijn zouden alle studenten hierover moeten beschikken.2
Deelt u de mening dat, terwijl het schooljaar al twee weken geleden is gestart, meer dan een maand wachten op schoolboeken door een technische storing bij boekenleverancier Struders.nl niet acceptabel is?
Het is heel vervelend dat een deel van de studenten langer heeft moeten wachten op schoolboeken. Zoals in vraag 2 is aangegeven, kwam dit grotendeels door problemen die bij Studers zijn ontstaan bij het overgaan tot een nieuwe werkwijze. Nu die problemen grotendeels zijn verholpen, zouden de meeste nieuwe bestellingen volgens Studers voortaan binnen zes werkdagen geleverd moeten worden.3
Kunt u aangeven wat de gevolgen van dit leverprobleem zijn voor de leerontwikkeling en studiesucces van deze mbo-studenten?
De leverproblemen hebben ervoor gezorgd dat een deel van de studenten op een later moment (een deel van) hun bestellingen van boeken hebben ontvangen. De MBO Raad heeft mij laten weten dat instellingen en docenten hun best hebben gedaan om ervoor te zorgen dat de studenten die nog niet over al het materiaal beschikten, zo optimaal mogelijk hun studiejaar konden starten. Dit hebben zij gedaan door lessen aan te passen en door hun studenten te voorzien van alternatieve leermiddelen, het aandragen van alternatieve openbare bronnen en door het kopiëren van boeken. Hierdoor zijn de gevolgen voor de leerontwikkeling en studiesucces zoveel mogelijk beperkt. Dit betekent echter niet dat studenten helemaal geen last ondervinden van de leveringsproblemen. Van instellingen verwacht ik daarom dat zij waar mogelijk samen met studenten tot passende oplossingen komen, om eventuele ontstane leerachterstanden te voorkomen en te beperken.
Ben u van mening dat door de leveringsachterstanden van schoolboeken er leerachterstanden zullen ontstaan bij een deel van de mbo’ers?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor de toetsweken op mbo-scholen nu tien tot vijftien procent van de mbo-studenten niet vanaf het begin van het schooljaar beschikking hadden tot alle studiebenodigdheden?
Toetsweken hebben een ontwikkelingsgericht doel en zijn geen (deel)examens waar studenten op kunnen zakken. Mbo-instellingen bepalen zelf de opbouw van het curriculum en de momenten waarop toetsweken plaatsvinden. Afhankelijk van de impact van de vertraagde levering van studiebenodigdheden aan studenten, kunnen mbo-instellingen dus zelf bepalen hoe zij de toetsweken deze periode op een goede en passende manier inrichten. Daarnaast worden de generieke examenonderdelen Nederlands en Engels centraal getoetst. Het College voor Toetsen en Examens neemt deze examens af en hiervoor zijn speciale afnamemomenten vastgesteld. Deze afnamemomenten zijn echter zo ruim, dat mbo-instellingen voldoende flexibiliteit hebben om de toetsing aan te passen op eventuele gevolgen van de latere levering van studiebenodigdheden.
Is er hierdoor sprake van een valse start voor deze mbo-studenten?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u het ook onbegrijpelijk dat mbo-studenten nog steeds moeten wachten op licentiecodes voor digitale schoolboeken en -middelen, terwijl deze codes op verschillende manieren al verstuurd hadden kunnen worden naar mbo-studenten?
De digitale licenties voor digitale leermiddelen worden vaak aangeboden in combinatie met fysieke producten. Normaal gesproken worden de digitale licenties vrijgegeven op het moment dat de fysieke producten verstuurd worden. Omdat de levering van fysieke producenten vertraging heeft opgelopen, werden de digitale licenties in eerste instantie ook later geleverd. Inmiddels is het leveren van de digitale licenties losgekoppeld van de levering van de fysieke producten. Hierdoor zouden de meeste getroffen studenten inmiddels over hun digitale licenties moeten beschikken, of die op zeer korte termijn moeten ontvangen.
Deelt u de mening dat, om een leerachterstand en studievertraging te voorkomen, er zo snel mogelijk een alternatief voor de te laat geleverde studieboeken gevonden moet worden?
Zie antwoord vraag 4.
Zo ja, welke rol ziet u hierbij weggelegd voor het toekennen van tijdelijke digitale licenties voor de studieboeken als middel om de vertraging te overbruggen?
Volgens Studers zouden de meeste studenten inmiddels hun digitale licenties moeten hebben, of op korte termijn moeten krijgen. Indien studenten hun digitale licentie nog niet hebben ontvangen, dan kunnen uitgevers in overleg en op verzoek van mbo-instellingen tijdelijke digitale licenties verstrekken. Dit kan tijdelijk verlichting bieden, echter dienen de tijdelijke licenties op een later moment handmatig gekoppeld te worden aan de aangeschafte licenties, wat tijdsintensief is. Daarom kan het voor instellingen op dit moment in gevallen beter zijn om te wachten op de aangeschafte licenties.
Zijn er gesprekken gevoerd met leveranciers en scholen over het uitgeven van tijdelijke digitale licentiecodes?
Zie antwoord vraag 10.
Is er een constructie mogelijk waarin studenten die nu en in de toekomst last hebben van te late levering van bestelde boeken tijdelijk toegang krijgen tot digitale licentiecodes van de boeken, hetzij via school, hetzij rechtstreeks van de leveranciers?
Voor oplossingen op de korte termijn verwijs ik naar mijn antwoorden op de vragen 4 en 10. Voor de langere termijn zijn betere afspraken nodig tussen marktpartijen en het onderwijs om dergelijke problemen in de toekomst te voorkomen. Ik roep partijen op en zal hen waar nodig aansporen om hun verantwoordelijkheid voor de continuïteit van het onderwijs te nemen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het tweeminutendebat Digitalisering in het onderwijs2?
Ja.
Het niet publiceren van kennisgroepstandpunten |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belastingdienst, wees transparant over fiscale regels»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de huidige praktijk is rondom het opstellen van een bindend advies door een kennisgroep en het communiceren van dit standpunt naar de buitenwereld?
Bij de uitvoering van wet- en regelgeving staat de Belastingdienst dagelijks voor keuzes bij de toepassing hiervan op individuele belastingplichtigen. Als daarbij vragen opkomen over hoe een bepaalde wettelijke regel moet worden uitgelegd en toegepast, zal een kennisgroep van de Belastingdienst zich hierover buigen.
In deze kennisgroep zitten experts op het terrein waarover de vraag wordt gesteld. De kennisgroep neemt na een uitgebreide analyse een standpunt in. De inspecteur is gehouden dit kennisgroepstandpunt toe te passen in het voorliggende geval en in gelijke gevallen2. Daarmee hebben kennisgroepstandpunten dezelfde betekenis als formeel vastgesteld, dat wil zeggen bij beleidsbesluit vastgesteld, beleid.
Kennisgroepstandpunten hebben veelal betrekking op concrete gevallen en lenen zich daardoor niet zonder meer voor een generieke toepassing. Kennisgroepstandpunten die zich daar wel voor lenen worden zo veel mogelijk simultaan bewerkt tot een generieke norm die wordt opgenomen in een beleidsbesluit dat wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Afhankelijk van de detaillering en zwaarte van het standpunt en gelet op de beoogde doelgroep, kan worden gekozen voor een passendere publicatie, zoals een leidraad, een antwoord op de website van de Belastingdienst of een handboek.
Welke juridische status hebben de bindende adviezen die opgesteld zijn door een kennisgroep? Klopt het dat deze dezelfde waarde hebben als formeel vastgesteld beleid? Zo nee, op welke basis worden de uitkomsten van kennisgroepsessies dan uitgedragen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat belet u om de adviezen uit kennisgroepen te bundelen en makkelijk toegankelijk te maken voor de buitenwereld? Bent u bereid dit stelselmatig en op korte termijn na de besluiten te doen in het vervolg?
Voor publicatie van kennisgroepstandpunten die zich lenen voor een generieke toepassing, geldt dat deze worden verwerkt in een beleidsbesluit. Uit het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) volgt dat dergelijke kennisgroepstandpunten in een concept beleidsbesluit worden vervat en zo spoedig mogelijk gepubliceerd in de Staatscourant. Daarmee zijn deze standpunten in principe breed beschikbaar en bestaat er in principe geen ongelijkheid in informatiepositie tussen groepen belastingplichtigen
Deze huidige werkwijze heeft als doel om te zorgen voor eenheid van beleid en uitvoering binnen de Belastingdienst en de vertaalslag te maken van het vraag-antwoordmodel van het standpunt van de kennisgroep naar een voor belastingplichtigen raadpleegbaar beleid. Dit heeft echter tot gevolg dat er enige tijd zit tussen het intern vaststellen van het standpunt en het openbaar maken daarvan in het beleidsbesluit.
Voor het vergroten van transparantie is binnen de Belastingdienst enige tijd geleden een begin gemaakt met het inventariseren van mogelijkheden om standpunten van kennisgroepen op een laagdrempelige en toegankelijke wijze openbaar te maken, nog voordat deze, voor zover nodig, in een beleidsbesluit zijn verwerkt.
Dat heeft geleid tot de inrichting van een voor burgers en bedrijven toegankelijke website die de komende maanden getest zal worden. Zodra blijkt dat deze website voldoet aan alle randvoorwaarden, zullen alle kennisgroepstandpunten via deze website worden gepubliceerd en daarmee op een toegankelijke wijze raadpleegbaar zijn. De kennisgroepstandpunten zullen zo snel mogelijk, maar uiterlijk op 1 april 2023, op deze extern raadpleegbare website gepubliceerd worden. Ik zal deze ontwikkelingen in de tussentijd laten verwerken in het BFB.
Hoe beziet u de ongelijkheid die ontstaat in de informatiepositie van grote belastingkantoren en reguliere burgers? Bent u, net als de PvdA, van mening dat dit soort bedrijven geen voordeel mogen hebben boven anderen? Waarom hebben zij überhaupt die voordelen gekregen?
Zie antwoord vraag 4.
Is het uw voornemen om de praktijk van het bekendmaken van kennisgroepadviezen aan te passen zodat deze breder beschikbaar zijn? Zo ja, kunt u toelichten hoe u dit wilt invullen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De impact van Nederlandse import op natuurverlies wereldwijd |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwe rapport van het Wereld Natuur Fonds Nederland genaamd «The impact of Dutch imports on nature loss worldwide»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie van het rapport, dat de productie voor de Nederlandse import van slechts 8 grondstoffen – soja, palmolie, mais, kokosnoot, cacao, hout en rundvlees/leer – beslag legt op gronden ter grootte van wel vier keer het landoppervlak van Nederland?
Het beeld dat uit dit rapport naar voren komt, stemt overeen met het beeld uit andere studies. Het is bekend dat Nederland en andere Europese landen, die via Nederland grondstoffen invoeren, een aanzienlijk landbeslag kennen voor de productie van deze grondstoffen. Onder meer het PBL heeft hier in haar recente Compendium voor de Leefomgeving2 uitgebreid over gerapporteerd. Daarbij geeft het PBL aan dat ondanks het hoge welvaart- en consumptieniveau in Nederland, het landgebruik per inwoner relatief laag is (0.62 ha per Nederlander, tegenover ca. 0.90 ha per Europeaan). Het grootste aandeel land is daarbij nodig is voor het verbouwen van voedsel (32% van de voetafdruk in 2019) en hout voor bijvoorbeeld de bouw (ook 32%) en voor de productie van papier (15%). Het PBL geeft daarbij ook aan dat ondanks een bevolkingsgroei van bijna 16% sinds 1990 het ruimtebeslag voor onze voeding is afgenomen. Dit komt volgens het PBL vooral door een toegenomen productiviteit in de landbouw.
In het WWF rapport wordt voor de daarin onderzochte grondstoffen een landbeslag van viermaal de oppervlakte van Nederland berekend, mede door het ook toerekenen aan Nederland van alle doorvoer, al dan niet na bewerking, van de opgenomen grondstoffen. Dit geeft een enigszins vertekend beeld van onze eigen Nederlandse voetafdruk. Niettemin komt het algemene beeld overeen met dat uit andere studies en is elke voetafdruk die boven de draagkracht en/of ecologische grenzen van onze aarde gaat niet duurzaam. Het kabinet zet daarom ook in op het verder verkleinen van onze voetafdruk en deze afgestemd te krijgen op de draagkracht van onze aarde (Kamerstuk 26 407, nr. 130), en erkent het kabinet het gegeven dat de voetafdruk horende bij ons leefpatroon substantieel dient te worden teruggedrongen. De productie van alle grondstoffen, waaronder ook minerale grondstoffen worden begrepen, moet daarop aangepast worden en het kabinetsbeleid is daar ook op gericht, zowel lokaal, nationaal als op Europees en mondiaal niveau.
Een belangrijk aspect van het beleid van het kabinet is derhalve om onze voetafdruk verder te verkleinen en afgestemd te krijgen op de draagkracht van onze aarde (Kamerstuk 26 407, nr. 130). Zoals eerder aangekondigd (Kamerstuk 2022Z06909) ben ik dan ook bereid om inzichtelijk te maken welke stappen nodig zijn om de Nederlandse voetafdruk te verkleinen en hoe het kabinet dit wil aanpakken. We zullen dit opnemen in het National Biodiversity Strategy and Action Plan (NBSAP), waarin we de verplichtingen in het kader van het VN-Biodiversiteitsverdrag (CBD) zullen verankeren in ons nationale beleid. Ik zal de Kamer in 2023 over de voortgang hiervan informeren.
Wat vindt u ervan dat de productie van zes van deze grondstoffen gepaard gaat met een CO2-uitstoot van 43.6 miljoen ton per jaar, wat gelijk staat aan 24% van de totale Nederlandse binnenlandse broeikasgasuitstoot in 2019?
In algemene zin geldt dat Nederland niet alleen binnen de eigen landsgrenzen de uitstoot dient te verminderen, maar ook daarbuiten. De Nederlandse inzet is dan ook om, naast het bereiken van klimaatneutraliteit op eigen grondgebied, ook onze internationale voetafdruk substantieel te verkleinen. Dit is ook benoemd in de International Klimaat Strategie. Verder komt het kabinet hier onder meer op terug in het NBSAP.
Erkent u gezien deze cijfers dat de inzet van het kabinet niet alleen moet zijn het verduurzamen van de import van ontbossingsproducten, maar vooral ook het verminderen van de vraag naar ontbossingsproducten?
De inzet van Nederland is al langer gericht op de verduurzaming van de productie en handel in de belangrijke agrarische grondstoffen, zoals soja, palmolie, cacao en hout. Nederland stimuleert en steunt de ontwikkeling van private mondiale duurzaamheidstandaarden van bedrijven, banken en maatschappelijke organisaties, door bijvoorbeeld deel te nemen aan de Round Table on Responsible Soy (RTRS voor soja) en de Roundtable on Sustainable Palm Oil (RSPO voor palmolie). Sinds 2015 werkt Nederland ook met andere gelijkgezinde Europese landen samen in het kader van de Amsterdam Declarations Partnership om ontwikkeling van Europese maatregelen te stimuleren, waaronder een ambitieus wettelijk (verplichtend) kader, als onderdeel van de inzet dat agrogrondstoffenketens uiterlijk in 2025 ontbossingsvrij zijn. Een van de resultaten van deze inspanningen is het voorstel van de Europese Commissie voor een ontbossingsverordening, met het verbod op het op de Europese markt aanbieden van een groot aantal producten met een directe link met ontbossing of bosachteruitgang. Hierbij is geen sprake van verminderen, maar van stoppen. Ook de omslag naar kringlooplandbouw, zoals omschreven in het coalitieakkoord, zal leiden het verkleinen van de ecologische voetafdruk.
Maakt het verminderen van het beslag dat Nederland legt op (landbouw)gronden elders voor de import van deze grondstoffen deel uit van uw beleidsplannen? Zo ja, kunt u concreet toelichten op welke manier u deze impact gaat verkleinen? Zijn hier streefcijfers voor opgesteld? Zo nee, waarom niet?
Zoals gemeld in de kabinetsreactie op het rapport van het Intergouvernementele Platform voor Biodiversiteit en Ecosysteemdiensten (IPBES) over internationale biodiversiteit heeft het kabinet als streefdoel voor 2050 een halvering van de ecologische voetafdruk van Nederland in de wereld geformuleerd (Kamerstuk 26 407, nr. 130). En zoals hiervoor ook bij vraag 2 aangegeven, zal ik inzichtelijk maken welke stappen nodig zijn om de Nederlandse voetafdruk te verminderen en hoe het kabinet dit wil aanpakken middels het National Biodiversity Strategy and Action Plan (NBSAP).
Op welke manier maakt het verminderen van de uitstoot die gepaard gaat met de productie van deze grondstoffen in het buitenland deel uit van uw beleidsagenda? Zijn hier streefcijfers voor?
We zullen dit aspect meenemen in de toegezegde uitwerking van de beleidsdoelstelling om de ecologische voetafdruk terug te brengen.
Wat vindt u ervan dat de productie van rundvlees en leer in het buitenland bestemd voor Nederlandse import beslag legt op grond ter grootte van 95% van het landoppervlak van heel Nederland? Erkent u gezien deze cijfers, dat de transitie naar een plantaardiger dieet een prominenter onderdeel zou moeten vormen van de BuHa-OS agenda? Zo ja, op welke manier bent u van plan dit te gaan implementeren? Zo nee, waarom niet?
Ik wil niet op de precieze getallen en percentages in het rapport ingaan, vanwege alle specifieke achterliggende keuzes en aannames die tot de gepresenteerde uitkomsten leiden. Wel betreft het ook hier voor een zeer aanzienlijk deel doorvoer en moet de gewenste verduurzaming van en/of eisen aan de productie van ook deze goederenstromen (voor een groot gedeelte bestemd voor afzet op de interne EU markt) primair via EU-beleid en -regelgeving worden opgepakt.
Specifiek over de transitie naar een plantaardiger dieet kan ik melden dat middels de Nationale Eiwitstrategie het kabinet inzet op het verhogen van het aandeel plantaardig in onze consumptie. Dit streven is overeenkomstig het doel in het Klimaatakkoord om een gezonde balans te creëren in de verhouding van dierlijke en plantaardige eiwitten in ons dieet. Om de plantaardige eiwitconsumptie te stimuleren is verbetering nodig van de huidige consumentenproducten op productsamenstelling en nutritionele waarde. Productinnovatie is aan de markt. In samenhang hiermee is innovatie nodig op het niveau van grondstoffen, informatie over impact op duurzaamheid en gezondheid, de voedselomgeving, voedselcultuur, de sociale norm en voedselvaardigheden. Door middel van een gezamenlijke aanpak, met publiek-private samenwerking en soms ook publieke inzet, wordt ingezet op het bereiken van een gezonde balans in ons dieet.
De transitie naar een plantaardiger dieet valt primair onder de beleidsagenda van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In veel van de gebieden waar met OS-gelden gewerkt wordt, is sprake van (klein)veehouderij binnen kleinschalige gemengde bedrijven. Daar draagt vee bij aan het in stand houden van bodemvruchtbaarheid en consumptie van dierlijke producten aan het tegengaan van ondervoeding van jonge kinderen. Daarnaast zijn in grote delen van de Sahel en de Hoorn van Afrika de agro-ecologische omstandigheden zodanig, dat extensieve veehouderij de enig mogelijke vorm van lokale voedselproductie is.
Bent u het eens met de conclusie van het WNF, dat Nederland als doorvoerland een belangrijke wereldwijde verantwoordelijkheid heeft in het voorkomen van ontbossing en schade aan de leefomgeving en gezondheid van lokale bevolkingen? Hoe bent u van plan deze verantwoordelijkheid te dragen? Kunt u hierbij concrete maatregelen noemen binnen het nationale beleid, die apart staan van de Europese ontbossingswet?
Ik deel dat Nederland als doorvoerland een eigenstandige verantwoordelijkheid heeft, binnen de ook hiervoor aangegeven Europese (EU) context en wet- en regelgeving betreffende de interne markt. Nederland heeft zich altijd ambitieus en ook leidend opgesteld bij het opstellen van eisen aan brede duurzaamheid van ingevoerde agroproducten en hout afkomstig uit hoog-risicogebieden van elders wat betreft klimaat (ontbossing) en natuur (biodiversiteit), maar ook wat betreft de positie van kleine boeren, inheemse volkeren, arbeidsomstandigheden en goede landbouwpraktijken. Tot op heden vooral via publiek en/of privaat gesteunde programma’s en bijvoorbeeld specifieke steun aan de ontwikkeling van mondiale duurzaamheidsstandaarden ter vergroting van de impact op de noodzakelijke verdere verduurzamingen. Daarnaast zet het kabinet in op internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen met als doel dat Nederlandse bedrijven middels gepaste zorgvuldigheid risico’s op schade voor mens en milieu in hun waardeketen identificeren, aanpakken en voorkomen. In lijn met het coalitieakkoord bevordert het kabinet EU-wetgeving en voert het nationale IMVO-wetgeving in die rekening houdt met een gelijk speelveld met de omringende landen.
Kunt u puntsgewijs reageren op de aanbevelingen die het WNF in het rapport doet aan overheden? Bent u bereid deze aanbevelingen op te volgen?
In het rapport worden verschillende aanbevelingen gedaan aan overheid, bedrijven, financiële instellingen en burgers om door Nederland geïmporteerd verlies aan natuur wereldwijd te beperken. Wat betreft aanbevelingen die specifiek aan de overheid zijn gedaan, gaan die over onze inzet binnen de EU om producten «ontbossingsvrij te maken» en om samen te werken met andere belangrijke producerende en consumerende landen. Dat is ook onze inzet.
In algemene zin kan ik daarover aangeven dat Nederland in het op 28 januari 2022 aan de Kamer gestuurde BNC-fiche over de EU-verordening betreffende ontbossingsvrije producten (Kamerstuk 22 112, nr. 3281) haar oordeel en wens voor een ambitieuze Europese «Ontbossingsverordening» heeft verwoord. Vanwege het mondiale perspectief en noodzaak voor stopzetting van verdere ontbossing en biodiversiteitsverlies, ook door conversie in andere kwetsbare ecosystemen, onderstreep ik graag nog specifiek het door WNF naar voren gehaalde grote belang van sterke samenwerkingsverbanden met productie- en consumptielanden. Dit is een van de Nederlandse speerpunten in de Ontbossingsverordening, omdat het door de Commissie geprojecteerde resultaat in de Impact Assessment van de Ontbossingsverordening van «At least 71,920 hectares of forest saved from EU-driven deforestation and forest degradation annually starting in 2030» nog drastisch omhoog moet om de ambitie van een werkelijk ontbossingsvrije aarde te bereiken.
Wat is de laatste stand van zaken betreffende het uitbreiden van de reikwijdte van de Europese ontbossingswet? Bent u bereid bij de Europese Commissie te blijven aandringen op uitbreiding van de wet naar andere kwetsbare ecosystemen, zoals savannes en graslanden, en ontbossingsproducten die nog niet in het voorstel zijn opgenomen?
De trilogen tussen Commissie, Raad en het Europees Parlement zijn in september gestart. Het streven van Commissie en Parlement is om voor de komende biodiversiteitstop (CoP-15), die van 7 t/m 19 december zal plaatsvinden in Montreal, een akkoord te bereiken. Door de verdergaande positie van het Europees Parlement op onder meer de reikwijdte van de Verordening, zijn er mogelijk kansen met name op het punt van grondstoffen om uit te breiden met rubber en mais. Op dit moment is echter niet met zekerheid te stellen of hiervoor voldoende draagvlak is binnen de Raad. Wel blijft Nederland zich inzetten voor uitbreiding, waar mogelijk in samenwerking met andere lidstaten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het notaoverleg over de beleidsnota Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 28 september?
Nee.
Het artikel ‘Academische tirades tegen conservatieven; Studenten Erasmus komen in het geweer: 'We willen dat de universiteit een neutrale instelling is'’ |
|
Hatte van der Woude (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Academische tirades tegen conservatieven; Studenten Erasmus komen in het geweer: «We willen dat de universiteit een neutrale instelling is»»?1
Ja.
Hoe duidt u dit zoveelste signaal dat studenten en docenten met een mening die afwijkt van de heersende «norm» zich niet vrij kunnen uiten in hun eigen onderwijsinstelling?
De publicatie in De Telegraaf waarnaar verwezen wordt, betreft het relaas van twee studenten bestuurskunde en sociologie, die ook actief zijn in de centrale studentenraad. Zo sprak een van hen zich uit tegen een regenboogzebrapad op de campus en kreeg hier vervolgens kritiek via een appgroep. Een ander voorbeeld dat zij aandroegen is dat de Europese Unie als instituut in een studieboek kritiekloos zou worden aangeprezen. De student had het gevoel dat het geen zin heeft om hier tijdens college vragen over te stellen.
Ik zie in deze voorbeelden geen bedreiging van de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting of de kwaliteit van het onderwijs. De studenten zijn het niet eens met bepaalde uitingen, en de universiteit weerhoudt hen er niet van om zich daarover uit te spreken binnen de universiteit. De berichtgeving hierover geeft daar ook geen concrete signalen over. Deze studenten kunnen het gesprek aangaan met betrokken docenten en bestuurders, zo nodig een klacht indienen bij de instelling of bezwaar maken tegen beslissingen. Ook kunnen zij kwesties agenderen in de studentenraad. Ik hecht daarbij te verwijzen naar de reactie van het College van Bestuur die ook in het bericht van De Telegraaf is opgenomen: «Als instituut bieden wij ruimte en faciliteiten voor discussie over een veelheid van gevoelige onderwerpen en politieke meningen. Iedereen in onze gemeenschap mag zich uitspreken en zijn/haar mening hebben over deze onderwerpen op een respectvolle manier. Ook als het schuurt».
Deelt u de mening dat de universiteit bij uitstek de plek moet zijn waar maatschappelijk debat gevoerd wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Debatten over maatschappelijke kwesties moeten gevoerd kunnen worden in de publieke sfeer, in het onderwijs, de kunsten, in het parlement, in de media, op het internet, op straat en in cafés. En ja, zeker ook op de universiteiten. Op de universiteiten is het goed gebruik dat die debatten voldoen aan de eisen die aan het academische debat worden gesteld. Daarbij zijn onder andere weerlegbaarheid, argumentatie, kritiek, nieuwsgierigheid en respect belangrijke uitgangspunten. Het academische debat vindt ook plaats onder deskundige begeleiding en is een cruciaal onderdeel van het academische onderwijs.
Herkent u het herhaaldelijk terugkerend signaal dat docenten hun persoonlijke politiek ideologische opvattingen onderdeel maken van hun colleges? Zo nee, hoe beoordeelt u deze berichten?
Instellingen hebben de taak om het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef van hun studenten te bevorderen. Het bespreekbaar maken van politieke, sociale en ethische kwesties kan daar onderdeel van zijn. Het komt wel eens voor dat een student of docent zich beklaagt over ideologische opvattingen die binnen de universitaire gemeenschap bestaan, zoals de student in het bericht van De Telegraaf die vindt dat de Europese Unie als instituut kritischer benaderd zou moeten worden tijdens het college.
Deelt u de mening dat docenten vrij zijn elke partijpolitieke voorkeur te hebben en ook vrij mogen uiten dat ze die hebben, maar studenten niet het gevoel mogen geven dat een andere opvatting dan die van de docent niet de «juiste» is? Zo nee, waarom niet?
Zeker. Docenten zijn vrij om politieke opvattingen te uiten maar dienen zich altijd bewust te zijn van de academische omgeving en hun positie daarin. Een goede docent nodigt studenten daarbij uit tot dialoog.
Deelt u de mening dat de relatie tussen student en docent geen gelijkwaardige is, omdat de student door de docent wordt beoordeeld en de student zich dus altijd ingekaderd zal voelen door de ruimte die hij van de docent krijgt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat wilt u doen om de politieke neutraliteit terug te brengen in de collegezalen?
Studenten en hun docenten staan inderdaad niet op gelijke voet, om tal van redenen. Er is sprake van een afhankelijkheidsrelatie mede doordat de docent de voortgang en leerresultaten van de student beoordeelt. Docenten hebben daarbij echter geen carte blanche. Opleidingen hanteren een systeem van toetsing en examinering, waardoor beoordelingen valide, betrouwbaar en voldoende onafhankelijk zijn. Dan nog kunnen sommige studenten zich geremd voelen in het openlijk bevragen of delen van politieke opvattingen. Politieke neutraliteit biedt daar geen oplossing voor, maar wel een veilige en inclusieve leeromgeving die ruimte geeft aan een diversiteit van perspectieven. Over de bevordering daarvan heb ik met Universiteiten van Nederland en de Vereniging Hogescholen afspraken gemaakt in het Bestuursakkoord 2022 hoger onderwijs en wetenschap.
Klopt het dat studenten en docenten op de Erasmus Universiteit worden gevraagd hun pronouns te vermelden? Zo ja, deelt u de mening dat dit een onwenselijke ontwikkeling is, omdat mensen zelf moeten weten of zij het belangrijk vinden om zich zo te presenteren?
De Erasmus Universiteit Rotterdam heeft aangegeven dat er geen centraal beleid bestaat voor docenten of studenten om hun voornaamwoorden te vermelden. Faculteiten, medewerkers en studenten mogen dit zelf bepalen. De universiteit gaf wel aan dat binnen de betreffende afdeling docenten de tip kregen dat het drempelverlagend kan werken om tijdens een introductieronde de te verkiezen pronouns te noemen. Deze tip komt voort uit het advies vanuit de studentengeleding binnen de faculteitsraad. Het betreft hier dus een suggestie, geen verplichting. Dit vind ik overigens geen onwenselijke ontwikkeling, juist omdat mensen hierdoor worden uitgenodigd om zich te presenteren zoals zij zelf wensen.
Hoe ver is het vervolgonderzoek van de Inspectie van het Onderwijs gevorderd, nadat zij eerder heeft geconstateerd, zoals vermeld in de Staat van het Onderwijs 2022, dat 30% van de studenten geen volmondig ja kan zeggen op de vraag of zij zich vrij voelen zich uit te spreken, en eveneens dat 30% van de studenten meent dat docenten actuele maatschappelijke onderwerpen die voor spanningen zorgen niet durven te bespreken?
Van de ondervraagde studenten zegt 7% zich niet vrij te voelen om hun mening te geven. Zo’n 12% van de ondervraagde studenten geeft aan dat docenten actuele maatschappelijke onderwerpen niet bespreekbaar maken wanneer deze zorgen voor spanningen in het onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs bevraagt studenten hier nu verder op en zal de resultaten meenemen in de Staat van het Onderwijs 2023.
Is er al een begin gemaakt met gesprekken met Universiteiten van Nederland (UNL) en de Vereniging Hogescholen die u heeft toegezegd in het antwoord op eerdere schriftelijke vragen over docenten die racistisch en homofoob genoemd worden?2
Ja. Ik zal uw Kamer voor het einde van dit kalenderjaar op de hoogte stellen van de uitkomsten.
In bovengenoemd artikel stelt UNL met zoveel woorden dat er niet zoveel aan de hand is; blijkt ook uit uw gesprekken met UNL dat zij dit standpunt innemen? Zo ja, hoe gaan gesprekken met UNL dan bijdragen aan een zuivere analyse van en oplossing voor het probleem? Gaat u desnoods andere partijen daarbij betrekken om deze kwalijke ontwikkeling het hoofd te bieden?
In het artikel wordt de suggestie gewekt dat sommige studenten op de Erasmus Universiteit Rotterdam niet de ruimte krijgen om zich uit te spreken. Zoals aangegeven heeft de Inspectie van het Onderwijs eerder in kaart gebracht in hoeverre studenten van alle instellingen zich vrij voelen om zich te uiten. Ik ben in gesprek met UNL en de Vereniging Hogescholen omdat ik wil weten hoe zij de cijfers van de inspectie duiden.
UNL heeft mij laten weten zich niet te herkennen in het beeld dat in de HJ Schoo-lezing geschetst is en benadrukt dat universiteiten bij uitstek de plek bieden voor open debat waarbij aandacht moet zijn voor de sociale veiligheid van studenten en medewerkers. UNL wijst erop dat het soms hoort te schuren binnen universiteiten – en dat dit ook onderdeel van de academische vorming van studenten is. Het boycotten van mensen hoort daar niet bij, aldus UNL. Vanzelfsprekend zullen ook de studentenorganisaties geconsulteerd worden. Ik zal uw Kamer voor het einde van dit kalenderjaar op de hoogte stellen van mijn bevindingen.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Onderwijs ontsnapt aan chaos met overname schoolboekenleverancier TLN’ en het bericht ‘Schoolboeken te laat geleverd: ‘Rommelig begin van nieuw schooljaar’’ |
|
René Peters (CDA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat door problemen bij één marktpartij de levering van schoolboeken aan meer dan een miljoen leerlingen in het voortgezet- en beroepsonderwijs in gevaar dreigde te komen?1, 2
Het is uitermate vervelend dat een deel van de scholieren en studenten langer heeft moeten wachten op hun schoolboeken. In het voortgezet onderwijs is dit voor een belangrijk deel te wijten aan internationale verstoringen in de logistiek. Hoewel de getroffen uitgever in het voortgezet onderwijs zich met overmacht geconfronteerd zag, had de communicatie aan scholen eerder op gang kunnen komen, zodat praktische oplossingen die de problemen voor scholen konden verzachten beter bekend waren.
In het mbo bestaat eveneens een leveringsprobleem. Hier is het probleem veroorzaakt doordat een van de grootste distributeurs (Studers) een belangrijk deel van haar logistieke dienstverlening heeft uitbesteed aan een gespecialiseerd bedrijf. Deze uitbesteding is niet vlekkeloos verlopen waardoor een gedeelte van de mbo-studenten een deel van hun leermiddelen te laat heeft ontvangen.
Instellingen en docenten in beide sectoren hebben hun best gedaan om ervoor te zorgen dat de leerlingen en studenten die nog niet over al het materiaal beschikten, zo goed mogelijk hun studiejaar konden starten. Dit hebben zij gedaan door lessen aan te passen en door hun studenten te voorzien van alternatieve leermiddelen, het aandragen van alternatieve openbare bronnen en door het kopiëren van boeken. Ook is ervoor gezorgd dat de meeste studenten en leerlingen die nog geen boek hebben ontvangen, wel beschikken over een digitale licentie. Op korte termijn zouden alle studenten hierover moeten beschikken.
Ik waardeer het dat scholen en docenten de afgelopen weken samen met uitgevers en distributeurs de schouders eronder hebben gezet om tot noodoplossingen te komen. Maar voorkomen is beter dan genezen. Ik wil onderstrepen dat deze partijen een verantwoordelijkheid hebben voor de continuïteit van het onderwijs. Coöperatie SIVON en stichting SEM evalueren op dit moment met alle betrokkenen de leveringsproblemen van de afgelopen periode. Ik zal op basis van de uitkomsten van deze evaluatie een gesprek beleggen met schoolbesturen en marktpartijen en SEM. Het doel is om bindende afspraken te maken over rolverdeling en verantwoordelijkheid zodat deze problemen zich in de toekomst niet meer voordoen.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel de prijzen van methodes op het gebied van Nederlands en wiskunde in de afgelopen drie jaar zijn gestegen?
In de afgelopen drie jaar zijn de prijzen van de methodes op het gebied van Nederlands en wiskunde per jaar gemiddeld 3 tot 4 procent gestegen.3 Deze prijsstijging geldt voor producten die over de jaren heen vergelijkbaar zijn. In de afgelopen jaren is gelijktijdig het gebruik van het nieuwe licentiefolioproduct (LiFo) in het voortgezet onderwijs sterk toegenomen. Met dit product bieden uitgevers een digitale licentie aan voor alle leerjaren en niveaus en hebben scholen de optie om een papieren leerwerkboek aan te schaffen. LiFo biedt scholen meer mogelijkheden om te variëren binnen de methode, maar pakt in de praktijk ook duurder uit. Deze verandering van productvorm kan niet verdisconteerd worden in een geaggregeerde prijsontwikkeling en is daarmee geen onderdeel van de 3 tot 4 procent.
In hoeverre moeten partijen die schoolboeken verkopen transparant zijn over de prijsopbouw, al helemaal aangezien er maar weinig concurrentie is op de markt en er een door de overheid gereguleerd boekenbudget voor scholen is?
De aanschaf van lesmateriaal is een aangelegenheid tussen scholen en markpartijen. Zij regelen in onderlinge contracten de voorwaarden waaronder producten en diensten geleverd worden. Ik onderschrijf het belang van transparantie op de leermiddelenmarkt, zodat scholen en docenten over alle informatie beschikken om doordachte keuzes te kunnen maken voor leermiddelen. In de beleidsreactie op de evaluatie van de Wet Gratis Schoolboeken kom ik met maatregelen die scholen beter zicht geven op de prijs en kwaliteit van leermiddelen.
Indien deze transparantie niet bestaat, bent u van mening dat dit wel noodzakelijk is?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe zou deze transparantie moeten worden geregeld?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven op welke plekken in de keten er problemen zijn rondom de levering van schoolboeken?
In het voortgezet onderwijs is er sprake van een te late levering van lesboeken bij een van de grote uitgeverijen (Noordhoff) door een logistiek probleem. Door een staking in de containerhaven van Hamburg deze zomer is een aantal containers met een vertraging in Rotterdam gelost. Wat daarnaast voor vertraging zorgde is dat een deel van de scholen pas vlak voor de zomer hun bestellingen hebben geplaatst. Dit maakte het voor distributeurs en uitgevers lastig om tijdig de juiste voorraden te bestellen.
In het mbo bestaat eveneens een leveringsprobleem. Hier is het probleem veroorzaakt doordat een van de grootste distributeurs (Studers) een belangrijk deel van haar logistieke dienstverlening heeft uitbesteed aan een gespecialiseerd bedrijf. Deze uitbesteding is niet vlekkeloos verlopen waardoor een deel van de mbo-studenten later (een deel van) hun leermiddelen hebben ontvangen.
De ontstane problemen zijn door een combinatie van incidentele en structurele factoren tot stand gekomen, mede als gevolg van toenemende afhankelijkheden in de leermiddelenketen. Er is structurele coördinatie nodig en betere afspraken tussen marktpartijen en het onderwijs om dergelijke problemen in de toekomst te voorkomen. Ik roep partijen op en zal hen waar nodig aansporen om hun verantwoordelijkheid voor de continuïteit van het onderwijs te nemen.
De golf aan explosies en toename van (zelfgemaakte) explosieven |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dit is hoe makkelijk je grondstoffen voor explosieven kunt kopen»?1
Ja.
Deelt u onze mening dat het onderzoek van Omroep Brabant pijnlijk blootlegt met hoeveel gemak iemand grondstoffen voor zelfgemaakte explosieven kan aanschaffen?
In Nederland geldt de Wet Precursoren voor Explosieven (Wpe), gebaseerd op EU verordening 2019–1148, die gaat over zowel het verbieden als het reguleren van de verkoop van bepaalde grondstoffen waar je zelfgemaakte explosieven mee kunt maken. Onder deze wet is het niet toegestaan voor particulieren om zogenaamde vergunningsplichtige stoffen aan te schaffen, te bezitten of verhandelen. Deze stoffen mogen wel verkocht worden onder bepaalde percentages, die ook genoemd staan in de wet. Het gaat bijvoorbeeld om waterstofperoxide of ammoniumnitraat.2 Daarnaast zijn er stoffen waarvoor alleen een meldplicht geldt3, maar die mogen wel worden gekocht door particulieren, zoals bijvoorbeeld aceton, hexamine en aluminiumpoeders. De meldplicht houdt in dat verdachte transacties, verdwijningen en vermissingen gemeld moeten worden bij het Meldpunt Verdachte Transacties Chemicaliën. Deze meldplicht geldt overigens ook voor vergunningsplichtige stoffen.
Dit jaar zijn 68 verdachte Transacties gemeld bij het meldpunt, waarvan 12 keer vergunningsplichtige stoffen, 36 keer meldingsplichtige stoffen en 20 keer overige stoffen. De stof waarover het meeste gemeld wordt is aceton.
Het blijkt niet uit het artikel dat het de onderzoekers van Omroep Brabant gelukt is om vergunningsplichtige stoffen boven de toegestane limiet te kopen. Logischerwijs, aangezien het is toegestaan, is het wel gelukt om goederen met alleen een meldplicht te kopen. Een verdachte transactie moet gemeld worden bij het meldpunt. In de Wpe staat dat marktdeelnemers en onlinemarktplaatsen moeten beschikken over passende, redelijke en evenredige procedures voor het opsporen van verdachte transacties.4 Hoe dat er precies uitziet, kan verschillen per marktdeelnemer. Brancheverenigingen kunnen zelf vaststellen, eventueel in overleg met de NCTV, welke maximumhoeveelheden toegestaan zijn om in een keer te kopen. Het beoordelen van een verdachte transactie is afhankelijk van verschillende factoren waaronder de hoeveelheid, percentages, combinaties van stoffen en eventueel verdacht gedrag. Het personeel moet, dat staat ook opgenomen in de Wpe5, daarover goed worden geïnformeerd en getraind zodat men weet hoe hiermee om te gaan. Vanuit de NCTV is hierover veel contact met brancheverenigingen, die de afgelopen jaren veel geïnvesteerd hebben in trainingen en lesmateriaal. Uit het onderzoek van Omroep Brabant blijkt dat hiervoor blijvend aandacht nodig is. De NCTV en de brancheverenigingen zijn blijvend in gesprek om te kijken of, hoe en waar eventueel verbeteringen gemaakt kunnen worden.
Herinnert u zich de reactie van uw voorganger op de vragen van het lid Kathmann over het bericht dat de politie zich zorgen maakt over de toename van zelfgemaakte bommen?2 Welke ontwikkelingen ziet u sindsdien?
Ja. De politie ziet dat zelfgemaakte explosieven niet alleen meer gebruikt worden voor plofkraken, maar in toenemende mate ook voor het plegen van gerichte aanslagen op woningen en voertuigen veelal binnen het criminele milieu. Hiervoor wordt in toenemende mate illegaal verhandeld professioneel vuurwerk gebruikt. Het onderstreept het belang van de opsporing van de illegale handel in dit soort vuurwerk. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd middels de antwoordbrief op de motie Van der Plas over het tegengaan van illegaal vuurwerk.7
Welke aanvullende maatregelen kunt u nemen om grondstoffen als hexamine, aceton en aluminiumpoeders, die gebruikt kunnen worden om zelf explosieven te maken, moeilijker verkrijgbaar te maken?
De stoffen zoals genoemd in deze vraag vallen alle drie onder de meldplicht en zijn verkrijgbaar voor particulieren. De meldplicht houdt in dat gestolen, vermiste of verdwenen goederen binnen 24 uur gemeld moeten worden. Het houdt ook in dat winkels of bedrijven aankopen van verdachte hoeveelheden dienen te melden. De brancheverenigingen hebben, veelal in overleg met de NCTV (zie het antwoord op vraag 2), vastgesteld bij welke stof en welke hoeveelheid een verdachte transactie plaatsvindt, omdat dit per sector en per precursor kan verschillen. Zo staan drogisterijen verkopen van aceton boven de drie flesjes per keer niet toe, en melden zij pogingen tot aankopen boven deze hoeveelheid. Zij trainen daarvoor hun personeel en passen hun kassasystemen daarop aan. Daardoor zijn stoffen moeilijker verkrijgbaar.
Om winkels en bedrijven blijvend te informeren over de nieuwe en aangescherpte regelgeving die sinds vorig jaar van kracht is, zal het Ministerie van Justitie en Veiligheid (de NCTV) begin 2023 een nieuwe campagne lanceren waarin meer aandacht komt voor wat een verdachte transactie is, ook voor ondernemers die niet in winkels, maar bijvoorbeeld online verkopen. Daarnaast zal de NCTV met brancheverenigingen, winkels, online marktplaatsen en het bedrijfsleven in gesprek blijven over het melden van verdachte transacties. Tot slot ziet ik als Minister van Justitie en Veiligheid toe op juiste uitvoering van de wetgeving en zullen ernstige overtredingen gemeld worden bij de opsporingsautoriteiten.
Klopt het dat in de afgelopen 2,5 jaar bij 21 procent van de delicten waarbij explosies werden gebruikt een verdachte is opgepakt? En is het juist dat 8 van de 95 zaken in Brabant in die periode tot een veroordeling hebben geleid?3
In de systemen van de politie en het Openbaar Ministerie wordt dit soort informatie niet apart geregistreerd. Het is daarom niet mogelijk om de juistheid van de cijfers te bevestigen. Omroep Brabant heeft bij de inventarisatie gebruik gemaakt van informatie uit de media, politiepersberichten en van het Openbaar Ministerie.
Vindt u net als wij dat dit aantal aanhoudingen en veroordelingen opvallend laag is? Welke acties kunt u ondernemen om ervoor te zorgen dat verdachten sneller opgepakt en effectiever vervolgd kunnen worden?
Ik kan niet beoordelen of het aantal aanhoudingen en veroordelingen opvallend laag is. Zoals onderzoeker Krüsselmann in het artikel zegt is het voor politie en justitie moeilijk een vinger te krijgen achter wie dit doen en zijn deze onderzoeken ingewikkeld en kosten ze veel inzet en tijd. Zij meldt ook dat het grootste struikelpunt in onderzoeken volgens politie en justitie het gebrek aan medewerking van slachtoffers is.
De nieuwe Amerikaanse wet die de export van geavanceerde chips en machines naar China verder aan banden wil leggen |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Exclusive: Biden to hit China with broader curbs on U.S. chip and tool exports» van Reuters van 12 september 2022?1
Ja.
Hebben Amerikaanse functionarissen contact gezocht met de Nederlandse regering met de vraag om een soortgelijk beleid uit te vaardigen dat Nederlandse bedrijven verbiedt technologie aan China te verkopen die Amerikaanse bedrijven ook niet meer zouden mogen exporteren, zoals in het artikel vermeld staat?
Op zowel politiek- als werkniveau is er regelmatig overleg met o.a. de Verenigde Staten over de export van geavanceerde technologieën, waaronder halfgeleidertechnologie. In deze gesprekken wordt ook gesproken over Amerikaanse beleidsinitiatieven, in het bijzonder de gevolgen daarvan voor Nederlandse bedrijven. Wanneer relevante Nederlandse beleidswijzigingen zich voordoen, zal ik u uiteraard informeren.
Bent u bekend met het artikel «US wants Dutch supplier to stop selling chipmaking gear to China» van Bloomberg van 5 juli 2022?2
Ja.
Klopt het dat de Amerikaanse plaatsvervangend Minister van Handel, Don Graves, Minister Schreinemacher op 1 juni jongstleden heeft verzocht om een exportverbod in te stellen voor de oudere deep ultraviolet lithography (DUV) machines voor het vervaardigen van chips, bovenop het al bestaande exportverbod op de geavanceerdere EUV machines?
Vanwege de vertrouwelijkheid van dit gesprek kan ik geen uitspraken doen over de precieze besproken inhoud.
Houdt u er rekening mee dat er ook andere, met name economische, redenen aan het voorgestelde exportverbod op DUV-machines (dat gesteund wordt door Japan) ten grondslag kunnen liggen? Hoe uit zich dit?
Ja. Halfgeleidertechnologie speelt een sleutelrol in technologisch leiderschap, en daarmee ook in het geopolitieke en economische domein. Beslissingen om export te controleren, raken dus aan meerdere belangen, inclusief economische. Het kabinet houdt hier rekening mee, zeker in deze veranderende internationale context. Dat er verschillende belangen spelen en de exportcontrolebeslissingen ook economische impact kunnen hebben, uit zich onder meer in de gevoeligheid van de gesprekken hierover, waardoor ik hier geen verdere uitspraken kan doen.
Deelt u de mening dat het al dan niet instellen van een dergelijk verbod invloed heeft op zowel de Nederlandse als de Europese digitale autonomie en daarom om een geopolitieke afweging vraagt?
Ja. Toegang tot halfgeleiders en aanverwante technieken is in hoge mate bepalend voor het concurrentie- en innovatievermogen van veel industriële sectoren (waaronder defensie, mobiliteit en energie) en van groot belang om de klimaat- en digitaliseringsdoelen te behalen in Europa (ook wel de «twin transitions»). Halfgeleidertechnologie heeft, vanwege het strategische belang en de geglobaliseerde inrichting van de waardeketen, een sleutelrol in de geopolitieke verhoudingen en daarmee de open strategische autonomie van de EU. Het kabinet zet zich er dan ook voor in om ook in de toekomst op dit vlak internationaal koploper te blijven. Dit vraagt om een geopolitieke afweging, waarbij goede samenwerking met gelijkgezinde partners van groot belang is.
Bent u het ermee eens dat de onderhandelingspositie van Nederland op dit gebied sterker is wanneer er in Europees verband wordt onderhandeld? Zo ja, zult u bij besluiten over dit onderwerp de samenwerking zoeken met de Europese Commissie?
Exportcontrole is een nationale competentie en er is dus geen handelingsbevoegdheid bij de Europese Commissie. Wel streeft Nederland naar eensgezind Europees optreden. Hiervoor is er regelmatig overleg met onze Europese partners over dit onderwerp, inclusief de Europese Commissie.
De impact van geldstress en schulden op de (mentale) gezondheid van mensen |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kuipers , Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat geldstress kan leiden tot meer mentale en ook fysieke klachten?1
Ja, uit diverse onderzoeken blijkt dat er een sterke wisselwerking is tussen armoede en gezondheid. Het recente advies «Van schuld naar schone lei» van de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS) bevestigt dat schulden ook een volksgezondheidsprobleem zijn2. Mensen met problematische schulden hebben vaker te maken met psychische klachten en/of stoornissen, ze ervaren meer en vaker lichamelijke klachten en beperkingen. Tegelijkertijd spelen gezondheidsproblemen vaak een cruciale rol bij problematische schulden.
Verwacht u dat de druk op de zorg zal toenemen, specifiek op de huisartsen en ggz, nu steeds meer mensen niet rond kunnen komen? Zo ja, gaat u extra maatregelen nemen om ondersteuning te bieden? Zo nee, waarom niet?
We weten dat er een verband is tussen stress vanwege geldzorgen en de fysieke- en mentale gezondheid. Huisartsen en GGZ-hulpverleners zien dit ook terug in hun praktijk. In welke mate de economische situatie doorwerkt in de zorg is op voorhand niet te zeggen. Dit kabinet neemt maatregelen gericht op het borgen van bestaanszekerheid, schulden te voorkomen en op te lossen. Ik verwijs hiervoor naar de Kamerbrief «Aanpak geldzorgen, armoede en schulden» 3 van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, van 12 juli. Deze aanpak is breed en richt zich onder andere op vroeg signalering, en daarbij snellere en beter toegankelijke hulp en meer mogelijkheden om uit geldzorgen te blijven en schulden te voorkomen en sneller uit schulden te komen.4 Daarbij werken het Ministerie van VWS en SZW samen aan verschillende acties om de samenwerking tussen het zorg- en het sociaaldomein te versterken. Bijvoorbeeld het ondersteunen en stimuleren van samenwerking tussen sociaal domein, huisartsenzorg en ggz voor van huisartsenpraktijken met het signaleren en bespreekbaar maken van geldzorgen, en het warm overdragen van patiënten naar schuldhulpverlening.5 Hierdoor zijn patiënten beter geholpen, verminderd de druk op de zorg en hebben gemeenten problemen eerder en beter in beeld. Ook hebben SZW en VWS de SER om advies gevraagd over maatregelen binnen het stelsel van de arbeidsmarkt, de sociale zekerheid en het sociaal domein om gezondheidsachterstanden aan te pakken. Het advies van de SER kan mogelijk bijdragen aan het terugdringen van gezondheidsachterstanden.
Naast bovenstaande maatregelen ben ik samen met de Minister voor Langdurige Zorg en Sport en de bewindspersonen van SZW en OCW de landelijke aanpak «Mentale Gezondheid: van ons allemaal» gestart.6 Wij zetten daarmee in op een beweging voor een mentaal gezond Nederland. De mentale gezondheid van de Nederlandse bevolking staat namelijk al langer onder druk. Dit als gevolg van verschillende sociaal maatschappelijke ontwikkelingen waaronder geldzorgen door de stijgende (energie)kosten. Eén van de activiteiten die we vanuit de aanpak ondernemen op het gebied van ondersteuning is dat we samen met Mind Us kijken hoe we de inzet van laagdrempelige inloopmogelijkheden voor mensen kunnen verbeteren, onder andere door deze beter in kaart te hebben en daarmee beter vindbaar te maken. Ook werken we samen met MIND Us aan het beter verbinden van deze initiatieven in de buurt met belangrijke vindplekken online, zoals chats en websites, maar ook luisterlijnen. Met deze activiteiten zetten we in op het versterken van de mentale gezondheid van alle Nederlanders en bieden we laagdrempelige ondersteuning waar gewenst.
Hoe neemt u deze kennis mee in discussies binnen het kabinet over maatregelen tegen de stijgende energierekening?
Deze kennis neem ik en mijn collega’s in het kabinet mee in de gesprekken over maatregelen en oplossingen tegen de stijgende energierekening. Het kabinet heeft onlangs aanvullende maatregelen genomen om de hoge energieprijzen te compenseren. 7 Nog voordat het prijsplafond vanaf 1 januari in werking treedt, krijgen huishoudens al een tegemoetkoming van 190 euro in de maanden november en december.8
Deelt u onze mening dat de impact van maatregelen op de (mentale) gezondheid van mensen zou moeten worden meegenomen in beleidskeuzes over de stijgende energierekening? Zo ja, hoe gebeurt dat nu? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is zich ervan bewust dat gezondheidsvraagstukken sociale vraagstukken zijn en visa versa. Dit versterkt onze ambities om financiële problemen te voorkomen en op te lossen. De investeringen in sociale vraagstukken kennen domein overstijgende baten. Het kabinet werkt mede daarom hard aan maatregelen gericht op het ondersteunen van de mensen die het hardst worden geraakt door de stijgende energierekening.9
Hoe zijn de gevolgen van geldstress op de (mentale) gezondheid meegenomen in de overwegingen om tot een fonds energieschulden te komen, waarmee mensen alleen worden geholpen als ze al zwaar in de financiële problemen zitten en dus al de schadelijke gevolgen van geldstress hebben ervaren?
Het kabinet heeft verschillende maatregelen getroffen om geldzorgen, -stress, schulden en armoede zoveel mogelijk te voorkomen en terug te dringen. We staan aan de lat voor een grote opgave. Dat wil niet zeggen dat het kabinet de doelstellingen laat varen. Het kabinet versterkt met een uitzonderlijk groot pakket aan koopkrachtmaatregelen in de Miljoenennota 2023 de inkomenspositie van mensen om de negatieve effecten van de hoge prijzen te dempen. In aanvulling hierop heeft het kabinet op 20 september 2022 aangekondigd met aanvullende maatregelen ten aanzien van de energierekening te komen, waaronder de instelling van een tijdelijk prijsplafond voor kleinverbruikers, zoals huishoudens, zzp’ers en kleine bedrijven10. Door dit plafond worden schommelingen in de energieprijzen deels opgevangen door de overheid en ontstaat er voor kleinverbruikers meer zekerheid over de energiekosten.
Ondanks alle maatregelen, en de energiebesparende maatregelen die men zelf kan nemen, kan de situatie zich voordoen dat er toch huishoudens zijn die in de financiële problemen komen. Zonder hulp zullen deze huishoudens problematische schulden gaan opbouwen. Om dit te voorkomen wordt momenteel de mogelijkheid van een tijdelijk noodfonds verkend.
Deelt u onze mening dat het voor het mentale welzijn beter zou zijn om mensen te helpen voordat ze in de geldproblemen komen (bijvoorbeeld door een prijsplafond voor energie) dan als ze al grote geldproblemen hebben (bijvoorbeeld via het fonds energieschulden)? Zo ja, hoe kunnen mensen dit terug gaan zien in kabinetsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het altijd beter is om geldproblemen te voorkomen. Daarom heeft het kabinet verschillende maatregelen genomen om financiële problemen te voorkomen, zoals een tijdelijk prijsplafond voor gas en elektriciteit, het verhogen van sociaal minimum en de intensivering van vroegsignalering en een korting op de energie rekening in november en december 2022.
Hoe verhoudt de keuze voor een fonds energieschulden zich tot de inzet van dit kabinet op preventie bij mentale gezondheid? Staan deze twee zaken niet haaks op elkaar?
Nee. Het kabinet neemt maatregelen om financiële problemen te voorkomen én op te lossen, zoals in het antwoord op vraag 6 is geschetst. De situatie kan zich voordoen dat er toch huishoudens zijn die in de financiële problemen komen. Voor die groep wordt nu de mogelijkheid van een tijdelijk noodfonds verkend.
Met de kabinetsbrede aanpak «Mentale Gezondheid: van ons allemaal» zet ik mij samen met mijn collega’s uit het kabinet, mensen uit de doelgroep en verschillende betrokken veldpartijen in op het bevorderen van de mentale gezondheid. Want de urgentie om gezamenlijk aan de slag te gaan op mentale gezondheid is hoog. Er bestaan namelijk al langer zorgen over de mentale gezondheid van de Nederlandse bevolking. Zo noemt de Volksgezondheidstoekomstverkenning 2020 dit een van de grootste gezondheidsrisico’s voor de toekomst.11 We hebben bij het uitwerken van de aanpak aandacht voor achterliggende problematiek en sociaal maatschappelijke vraagstukken (zoals armoede, bestaanszekerheid, sociale basis etc.) en zetten in op een mental health in all-policies benadering.
De vergunningsaanvragen in de visserijsector |
|
Thom van Campen (VVD), Peter Valstar (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Herinnert u zich de schriftelijke vragen van de leden Valstar en Van Campen over de garnalenkotters en de benodigde aanvraag van nieuwe vergunningen op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) van 24 februari jongstleden?1
Ja.
Klopt het dat vigerende vergunningen op basis van de Wnb in de visserijsector verlopen op 1 januari 2023? Op grond van welk besluit, bepaling of uitspraak verlopen deze vergunningen? Klopt het ook dat ondernemers voor 1 juli 2022 een nieuwe vergunning hadden moeten aanvragen? Zo ja, waarom is dit het geval? Geldt dit alleen voor garnalenvissers of ook voor andere vissers?
De vigerende vergunningen lopen inderdaad op 1 januari 2023 af. De looptijd is in een specifiek, in de vergunningen opgenomen voorschrift vastgelegd. Ook de voorgaande natuurvergunningen zijn telkens voor een afgebakende periode verleend.
Vanuit het Ministerie van LNV is vroegtijdig aan de vertegenwoordigers van de garnalensector geadviseerd om zo spoedig mogelijk een nieuwe vergunning aan te vragen. Daarbij is 1 juli 2022 genoemd als uiterste datum waarop aangevraagd zou moeten worden om, vanwege de opvolgende besluitvormingsprocedure (inclusief inspraakperiode), tijdig te kunnen beslissen. De besluitvormingsprocedure beslaat meerdere maanden.
Vanuit de sector zijn, nog lopende het vooroverleg over deze aanvragen, op 30 juni jl. diverse vergunningaanvragen ingediend. Deze waren echter niet volledig. Daarom was er een noodzaak tot het vragen om aanvulling. Deze aanvullende informatie is inmiddels aangeleverd. Ook deze informatie blijkt niet volledig. Daarom is een tweede aanvullingsverzoek bij de aanvragers neergelegd.
Aan iedere aanstaande vergunning aanvrager wordt standaard geadviseerd om vroegtijdig in overleg met het ministerie te treden en ruim voorafgaand aan het verlopen van een nog geldige natuurvergunning, een aanvraag in te dienen. Dit is een algemene lijn en geldt dus, onder andere, ook voor andere vissers.
Hoeveel vigerende vergunningen op basis van de Wnb bestaan er op dit moment in de garnalenvisserij en kunt u een overzicht geven van de uitgegeven vergunningen in de afgelopen tien jaar?
Momenteel beschikken in totaal 218 Nederlandse vissers/visserijbedrijven over een natuurvergunning. Daarvan worden 9 vergunningen momenteel niet gebruikt, de overige wel. Er zijn 40 Belgische vergunninghouders, 21 daarvan benutten hun vergunning daadwerkelijk.
Per besluit van 22 april 2009 is een vergunning verleend met een looptijd tot en met 31 december 2013 (ook voorafgaand aan die vergunning werden er natuurvergunningen voor deze visserij verleend). Daarna volgde een vergunning loze periode van 1 april 2014 tot en met 10 februari 2015.
Per besluit van 11 februari 2015 is een vergunning verleend aan 179 vissers/visserijbedrijven met een looptijd tot en met 31 december 2016.
Per besluit van 11 februari 2015 is daarnaast nog een natuurvergunning verleend aan een tweede groep van 80 vissers/visserijbedrijven met eenzelfde looptijd tot en met 31 december 2016.
Per besluit van 15 december 2016 zijn natuurvergunningen verleend aan diverse vissers/visserijbedrijven tot en met 31 december 2022.
Per besluit van 16 februari 2017 zijn natuurvergunningen verleend aan diverse vissers/visserijbedrijven met allemaal eenzelfde looptijd tot en met 31 december 2022.
Per besluit van 17 mei 2018 is met dezelfde looptijd een vergunning verleend aan diverse Belgische vissers/vissersbedrijven voor een viertal Nederlandse Natura 2000-gebieden. Deze vergunning is op verzoek van de Belgische vissers inmiddels ingetrokken.
Hoeveel ondernemers in de garnalenvisserij hebben tot 1 juli 2022 een nieuwe vergunningsaanvraag op basis van de Wnb gedaan? Zijn er daarna nog aanvragen gedaan. Zo ja, hoeveel aanvragen? Bestaat er nog een mogelijkheid om deze in behandeling te nemen? Indien nee, waarom niet?
In verband met de stikstofeisen hebben momenteel in totaal 193 individuele vissers/visserijbedrijven een natuurvergunning aangevraagd. Zij hebben allen op 30 juni 2022 hun aanvraag ingediend. Daarna zijn geen nieuwe aanvragen gedaan. Eventueel nog nieuw te ontvangen aanvragen kunnen te allen tijde in behandeling genomen worden, uiteraard mits zij volledig en juist zijn onderbouwd. Voor de doorloop in procedure, ook in relatie tot de nu al ingediende vergunningaanvragen, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2. Tot op heden zijn de natuurvergunningen altijd verleend aan individuele vissers en visserijbedrijven op basis van een collectief geldende onderbouwing. In de nieuwe aanvragen doen zij dat ook, maar differentiëren zij hun eigen aanvraag op het punt van stikstof.
Hoeveel ondernemers in de garnalenvisserij hebben sinds de openstelling op 1 september jongstleden gebruik gemaakt van de «saneringsregeling visserij»?2
Op dit moment kunnen vissers zich aanmelden voor deze regeling. De Brexit Adjustment Reserve-saneringsregeling is echter niet gericht op garnalenvissers, omdat deze voor het overgrote deel niet geraakt zijn door de gevolgen van de Brexit. Ze vissen immers voornamelijk dicht onder de kust en niet in de wateren van het Verenigd Koninkrijk.
Wat is uw reactie op de argumentatie van de Nederlandse Vissersbond dat de visserij bestaand gebruik is, de maximaal mogelijke emissies en deposities sinds de referentiedatum 10 juni 1994 en ook ten opzichte van latere referenties zijn afgenomen en daardoor een passende beoordeling van effecten als gevolg van stikstofemissies niet nodig zou zijn?
De Landsadvocaat heeft mij over deze kwestie geadviseerd. Het verzoek om nader advies aan de Landsadvocaat vloeit voort uit een bestuurlijk gemaakte afspraak tussen de sectorvertegenwoordigers en het Ministerie van LNV. De sectorvertegenwoordigers hadden mij hierom verzocht. Ik heb mij nauwkeurig op het afgegeven advies beraad en geconcludeerd dat er geen sprake is van bestaand recht of bestaand gebruik.
De Landsadvocaat acht het uiterst onzeker of de specifieke vereisten voor het kunnen claimen van een dergelijk bestaand recht zijn in te vullen. Kortweg gesteld is het in de eerste plaats juridisch onzeker of, na het vervallen van de altijd tijdelijke afgegeven natuurvergunningen, dan teruggevallen kan worden op de visserijwetvergunningen als referentie voor een bestaand recht. En zou dat al kunnen dan zal ten tweede per visser/visserijbedrijf nog fysiek achterhaald moeten worden of en zo ja welk exacte bestaand recht, die visserijvergunning dan bevat qua gebruiksruimte. Ook acht de Landsadvocaat het juridisch niet verdedigbaar om in meer algemene zin, de visserijwet- en regelgeving aan te merken als grondslag voor een bestaand recht.
Het specifieke advies heb ik inmiddels met de sector gedeeld.
Wat is de huidige stand van zaken van de subsidieregeling (i.e. ingangsdatum, budget, inschrijvingsvoorwaarden) voor de garnalenvissers ten behoeve van de technische maatregelen om de stikstofuitstoot te verminderen, zoals genoemd in de antwoorden op eerder genoemende schriftelijke vragen?
De subsidieregeling is in concept gereed, deze is echter nog niet gepubliceerd omdat het vraagstuk over een eventueel aanwezig bestaand recht daarin ook relevant was (zie ook mijn antwoord op vraag 6). Indien een dergelijk bestaand recht aangenomen zou kunnen worden, is de aanschaf van een katalysator immers niet meer noodzakelijk en zouden vissers dus onnodig kosten maken. Beoogd wordt nu om de regeling in januari 2023 open te kunnen stellen.
Herkent u de kritiek dat deze subsidieregeling veel te laat komt voor de vissers om nog voor het einde van dit jaar de nodige investeringen te doen zodat ze aan de voorwaarden voor een nieuwe Wnb-vergunning kunnen voldoen? Indien ja, waarom is deze regeling zo laat? Indien nee, waarom niet?
Ik herken deze kritiek voor een deel, het was de bedoeling om de regeling open te stellen per 1 september. Dit had de sector de tijd gegeven om een katalysator aan te schaffen met subsidie. Ik heb de redenatie dat de garnalenvisserij een bestaand recht zou kunnen stellen, op nadrukkelijk verzoek van de sector zelf, aan de Landsadvocaat voorgelegd. Dit proces heeft helaas meer tijd gekost dan destijds voorzien. Ik vind het logisch dat de betrokken vissers eerst wachten met de aanschaf totdat duidelijkheid is over de kwestie rondom het bestaand recht. Het staat de vissers overigens natuurlijk geheel vrij om nu toch al een katalysator zelf, dus zonder subsidie, aan te schaffen.
Wat zegt u tegen ondernemers in de visserijsector die grote investeringen moeten doen in bijvoorbeeld een nieuwe motor of katalysator om aan de gestelde stikstofnormen te voldoen – bovendien in een economisch onzekere tijd – zonder de zekerheid te hebben dat die investering zinvol zal blijken bij een nieuwe Wnb-vergunningsaanvraag?
Ik heb alle begrip voor hun huidige lastige positie hierin. Ik zet mij ervoor in om hen zo spoedig mogelijk de gewenste duidelijkheid te geven.
De Minister voor Natuur en Stikstof is voornemens ook die ruimte te bieden door voor 9 maanden te gedogen (onder strikte voorwaarden). Tevens heeft zij de intentie om bij eventuele vergunningverlening, deze vergunning voor de aangevraagde zes jaar af te geven en zal ik een subsidieregeling openstellen om de vissers te stimuleren een katalysator aan te schaffen.
Hierbij geldt, zoals voor elke vergunning op grond van de Wet natuurbescherming, dat de Minister voor Natuur en Stikstof altijd de mogelijkheid heeft om waar noodzakelijk op een lopende vergunning in te grijpen. Dit kan alleen op zwaarwegende gronden en op basis van objectieve, wetenschappelijke kennis.
De marktordening van Carbon Capture and storage (CCS) |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u beschrijven op welke wijze u de marktordening ten aanzien van CO2-opslag onder de Noordzee wil gaan vormgeven?
Zie het antwoord bij vraag 2.
Op basis van welke argumenten kiest u voor een publieke, private of publiek-private route ten aanzien van de CO2-transportinfrastructuur en de gasvelden waarin de CO2 wordt opgeslagen? Hoe weegt u daarin de publieke belangen die een rol spelen?
De wijze waarop de marktordening ten aanzien van CO2-opslag onder de Noordzee wordt vormgegeven staat beschreven in de brief van de toenmalige Minister van Economische Zaken en Klimaat over de rol van staatsdeelnemingen in CCS van 5 juli 2021 (Kamerstuk 32 813, nr. 758).
In 2017 hebben de staatsdeelnemingen Gasunie, EBN en het Havenbedrijf Rotterdam het initiatief genomen om hun ervaring en expertise in te zetten om CO2-transportinfrastructuur in het Rotterdamse havengebied en opslaglocaties onder de Noordzeebodem te ontwikkelen (Porthos). Deze deelnemingen hebben destijds het voortouw genomen, met name omdat er nog veel onzekerheid was t.a.v. de randvoorwaarden zoals de ETS-prijs, subsidies en marktinteresse. Na het opzetten van Porthos is er marktinteresse ontstaan om CO2-transportinfrastructuur en opslagfaciliteiten te ontwikkelen, beheren en exploiteren. Zo is het project Aramis momenteel in ontwikkeling, een initiatief van het consortium Shell, TotalEnergies, Gasunie en EBN. Maar er zijn ook partijen die transport van CO2 per schip ontwikkelen (Carbon Collectors), en heeft een consortium met o.a. Neptune deze zomer aangekondigd bestaande gasinfrastructuur te willen inzetten voor transport en grootschalige opslag van CO2 onder de Noordzee.
Het is nu dan ook mijn inzet om vooral deze marktpartijen de ruimte te bieden om de markt voor CCS organisch te laten groeien en verder te ontwikkelen. Voor staatsdeelnemingen voorzie ik daarbij de volgende rollen:
Gegeven de interesse van marktpartijen om de markt van CCS verder te ontwikkelen zijn andere instrumenten doeltreffender en doelmatiger om relevante belangen te borgen dan de inzet van een staatsdeelneming, te weten:
De hierboven geschetste marktordening is wat mij betreft de juiste route. Inmiddels zijn de kaders helder: er is subsidie via de SDE++ voor emittenten, er is interesse vanuit de markt, en er zal naar verwachting op den duur meer grensoverschrijdende concurrentie ontstaan tussen CO2 transport- en opslagprojecten die in andere Europese landen worden ontwikkeld. Door nu de marktordening anders in te steken, bijvoorbeeld door het geven van een verdergaande rol aan staatsdeelnemingen of het inzetten op aanvullende regulering, kan er weer onzekerheid ontstaan bij marktpartijen die nu juist het initiatief nemen. Dit kan de ontwikkeling van de CCS-markt verder vertragen en doelen verder uit zicht plaatsen. Niet alleen is hier geen aanleiding voor, het is dus ook risicovol voor de verduurzaming van onze industrie.
Klopt het dat in het CCS-project Aramis twee olie- en gasbedrijven (Shell en TotalEnergies) een belangrijke rol spelen en dat er daarmee een risico is op een te grote marktmacht voor deze partijen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat er geen misbruik wordt gemaakt van deze positie?
Ja, het klopt dat Shell en TotalEnergies de initiatiefnemers zijn van het Aramis-project. In september 2021 hebben EBN en Gasunie zich bij het consortium gevoegd om het project verder te ontwikkelen. Het Aramis-project ontwikkelt CO2-transportinfrastructuur naar een gebied in het noordwesten van de Noordzee waar zich een groot opslagpotentieel bevindt. Hier liggen ook (bijna) uitgeproduceerde gasvelden van Shell en Total die voor opslag gebruikt kunnen worden. Om van start te kunnen gaan, gaat Aramis uit van een minimaal volume van ca. 5 Mton. Dit wordt de «launching phase» genoemd. Op 27 juni 2022 jongstleden heeft de Autoriteit Consument en Markt (ACM) toestemming gegeven aan Shell en TotalEnergies om samen te werken bij de CO2-opslag in lege gasvelden op de Noordzee voor deze «launching phase». De ACM stelt dat samenwerking in deze fase van het project noodzakelijk is om dit initiatief van de grond te krijgen en de klimaatvoordelen te realiseren. Gelet hierop stelt de ACM dat het niet erg is dat de concurrentie tussen Shell en TotalEnergies in de «launching phase» in geringe mate wordt beperkt.
Het risico op marktmacht is inderdaad aanwezig indien één of twee grote spelers cruciale delen van een keten in hun beheer hebben. Shell en TotalEnergies zullen bij het Aramis project voorzien in twee onderdelen van de keten: (1) CO2-opslag, te weten lege opslagvelden die in eigendom zijn van Shell of TotalEnergies en (2) transport waarbij straks meerdere emittenten (bedrijven die CO2 afvangen en aanbieden) en meerdere eigenaren van lege opslagvelden zich kunnen aansluiten.
Voor CO2-opslag is het niet evident dat er een te groot risico op marktmacht kan ontstaan voor Shell en TotalEnergies. Op den duur zullen meerdere aanbieders zich kunnen aansluiten op de hoofdinfrastructuur van Aramis, waardoor verschillende eigenaren van CO2-opslagvelden met elkaar zullen concurreren op het opslagtarief. Aramis is momenteel al in gesprek met andere operators om aansluiting op de infrastructuur voor opslag te realiseren. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 en 2 is een exploitant van een transportnetwerk voor CO2 op grond van de Mijnbouwwet ook verplicht om derden toegang te verlenen op redelijke, transparante en niet-discriminerende voorwaarden. Beroep op een gebrek aan capaciteit of verbindingsmogelijkheden kan niet worden gedaan indien dit met het uitvoeren van de nodige capaciteitsverhogende werkzaamheden kan worden opgeheven, voor zover dit economisch verantwoord is of de verzoeker bereid is de werkzaamheden te betalen.
Voor CO2-transport kan een situatie ontstaan dat de infrastructuur in beheer van Aramis leidt tot een monopoliepositie, wat een risico met zich meebrengt op misbruik van marktmacht. De toegang van nieuwe CCS-aanbieders wordt echter geborgd via de Mijnbouwwet. Hierin is, conform de eisen van de Europese CCS-richtlijn, de verplichting opgenomen om non-discriminatoire toegang tot transportinfrastructuur en opslaglocaties te verlenen aan derde partijen die zich willen aansluiten op de infrastructuur van Aramis (open access). Over de verplichting om toegang te verlenen en de voorwaarden daarvoor kunnen eventueel nadere regels worden gesteld, indien dat nodig blijkt.
Marktmacht kan niet alleen gepaard gaan met een discriminatoire toegang van nieuwe CCS-aanbieders. Het kan ook tot hogere prijzen leiden voor de Nederlandse industrie die afhankelijk is van CCS voor haar verduurzaming op korte termijn. Naast het vereiste dat de prijs redelijk, transparant en niet-discriminerend moet zijn, wordt dit risico gemitigeerd door het beleid dat reeds is ingezet. Zo kunnen emittenten gebruik maken van een SDE++-subsidie om hun CO2-afvang te bekostigen. De subsidie is gebaseerd op een kostenplusbenadering voor het Aramis-consortium. In combinatie met het Europese ETS-systeem zorgt dit ervoor dat Shell en TotalEnergies niet te hoge prijzen in rekening kunnen brengen bij de gebruiker. Het zou dan immers goedkoper zijn voor emittenten om CO2 uit te stoten dan af te vangen. Daarnaast zal er op den duur ook concurrentie ontstaan voor de transportleiding wat de potentiële marktmacht van Aramis inperkt. Zo zal het consortium op den duur moeten concurreren met aanbieders die CO2 per schip vervoeren. Dit scenario wordt binnenkort werkelijkheid. Recent heeft Yara bekend gemaakt een overeenkomst te hebben afgesloten met het Noorse project Northern Lights om haar CO2 via schip aan te leveren bij een Noors opslagveld. Ik ben ook in gesprek met de Noorse overheid om, voor zover nodig, afspraken hiervoor vast te leggen.
Tot slot is CCS voor veel emittenten een tussenoplossing. Op den duur zal Aramis niet alleen concurrentie ondervinden van andere CCS-initiatieven. Het zal ook moeten concurreren met andere toepassingen voor verduurzaming (elektrificatie, waterstof). Gegeven deze ontwikkelingen acht ik het risico dat de marktmacht van Aramis publieke belangen schaadt gering. Middels het MIEK zullen de ontwikkelingen binnen CCS-infrastructuurprojecten gemonitord worden.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de toegang tot het Aramis-project, de voorwaarden waaronder en de tarieven voor alle partijen goed geregeld zijn en ook worden gereguleerd en gemonitord?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat u een externe partij opdracht heeft gegeven een analyse te maken van de benodigde marktordening? Bent u bereid de bevindingen met de Kamer te delen?
Er is geen opdracht verschaft aan een externe partij om een analyse te maken van de benodigde marktordening voor de CCS-markt. De marktordening is immers al op grote lijnen vastgesteld en gecommuniceerd naar uw Kamer in de brief van 5 juli 2021 jl.
Wel heb ik in aanloop naar de openstelling van de SDE++ ronde van deze zomer een onafhankelijk adviseur gevraagd om de huidige knelpunten in de ontwikkeling van de CCS-markt in kaart te brengen. Deze bevindingen zullen gebruikt worden om vervolgstappen te formuleren om knelpunten weg te nemen.
Kent u het bericht «Fabrikant had invloed op goedkeuring emissiearme stalvloer, rechter vindt die inspraak «niet juist»»?1
Ja, dat ken ik.
Klopt het dat de Eco-vloer waar het in dit artikel om gaat, de meest gebruikte emissiearme stalvloer voor de melkveehouderij is en dat dit één van de stalvloeren is waar de Raad van State recent van heeft geoordeeld dat de werking te onzeker is?2
Het klopt dat als het gaat om stalsystemen, de eco-vloer de meest geïmplementeerde vloer is. Volgens de NEMA systematiek3 gaat het bij 80,3% van de melkveestallen om traditionele stallen zonder stalsystemen. In 19,7% van de melkveestallen zijn stalsystemen geïmplementeerd. Van die 19,7% is in 3,8% van alle melkveestallen de Eco-vloer geïmplementeerd. Ten aanzien van de overige 15,9% van de melkveestallen gaat het om andere stalsystemen (met uitzondering van één systeem, allemaal vloeren).
Het klopt dat de uitspraken4 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 september jl. onder andere deze vloer betreffen. Deze uitspraken zijn gedaan in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).
De ammoniakemissiefactoren voor emissiearme stalsystemen zijn vastgelegd in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Bij toetsing aan de Wet ammoniak en veehouderij en het Besluit emissiearme huisvesting (Behv) is toepassing van de emissiefactoren, die zijn opgenomen in de Rav, verplicht. Daarnaast worden de emissiefactoren van deze lijst gebruikt voor de toestemmingsverlening in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Zij worden gebruikt als input voor AERIUS-Calculator. AERIUS-Calculator is een instrument om stikstofdepositie te berekenen. In dat kader heeft de Raad van State aangegeven dat met onvoldoende zekerheid is te zeggen dat de berekende reductie in de praktijk wordt gehaald. Als het gaat om de omgevingsvergunning milieu voldoet de Eco-vloer nog steeds aan de geldende emissiegrenswaarde van het Behv, omdat deze ook na aanpassing van de emissiefactor onder de maximale emissiegrenswaarde van 8,6 kg ammoniak per dierplaats per jaar blijft.
Kunt u bevestigen dat ambtenaren van het voormalige Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M, nu het Ministerie van IenW) het advies van de Technische Adviespool (TAP) om de Eco-vloer van fabrikant Anders Beton niet als emissiearme techniek goed te keuren, niet hebben overgenomen?3 Zo ja, waarom is dat advies niet overgenomen?
Er wordt bij nieuwe technieken gewerkt met een berekende proefstalfactor zodat de innovatie getest kan worden in echte stallen. Voor het komen tot een definitieve emissiefactor moeten in minimaal vier proefstallen in een jaar tijd meerdere metingen worden uitgevoerd. Het ging hier om metingen die voor het eerst door een andere partij dan Wageningen Livestock Research (WLR) werden uitgevoerd.
Het advies van de Technische Advies Pool (TAP) was om in een nieuwe proefstal metingen te doen, omdat één proefstal niet voldeed aan het meetprotocol. Dit meetprotocol bleek na de metingen op meerdere wijzen te interpreteren te zijn en is daarop gelijk aangepast.
Er was echter geen tijd meer om nog een jaar extra te meten omdat hiermee zou worden afgeweken van de termijn om uiterlijk binnen vijf jaar na vaststelling van een voorlopige emissiefactor een definitieve emissiefactor vast te stellen. Deze vijf jaar komt voort uit de beleidsregels die gelden voor voorlopige emissiefactoren6
Gezien de bijzondere situatie dat de fabrikant niet kwalijk kon worden genomen dat het meetprotocol niet eenduidig was en omdat de beleidsregels vereisen dat de voorlopige emissiefactor na uiterlijk vijf jaar vervangen wordt door een definitieve emissiefactor, is besloten om de emissiefactor op basis van de drie wel goedgekeurde meetreeksen met toepassing van een correctiefactor vast te stellen op factor 7.
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van I&M een emissiefactor van 7 kg ammoniak per dierplaats per jaar op wilde nemen, maar dat dit onder druk van de fabrikant (die zelfs dreigde met een schadeclaim) is verlaagd naar 6 kg ammoniak per dierplaats per jaar? Zo ja, waarom is dit verlaagd?
Nee, dat kan ik niet bevestigen. Het ging hier om een lang en intensief traject. De emissiefactor is in 2016 vastgesteld op 7 kg per dierplaats. Deze factor is gebaseerd op de goedgekeurde meetreeksen, waar bovenop een correctiefactor moet worden toegepast. De fabrikant is gemeld dat deze door extra metingen in nieuwe stallen informatie kan aanleveren die mogelijkerwijs leiden tot een lagere emissiefactor. De fabrikant heeft vervolgens per mail verzocht om van de eerder goedgekeurde meetreeksen een afwijkende meetreeks te schrappen. Hiermee is niet akkoord gegaan. Er mogen altijd meer meetreeksen uitgevoerd worden, maar goedgekeurde meetreeksen kunnen niet geschrapt worden. De meetreeksen van de proefstallen die waren goedgekeurd, worden dus meegenomen samen met eventuele nieuwe meetreeksen in een nieuwe berekening van de emissiefactor.
In 2019 heeft de fabrikant twee nieuwe proefstallen bemeten. Op basis van de in totaal 5 meetreeksen is in 2019 een emissiefactor van 6 kg per dierplaats vastgesteld. Zoals echter uit het onderzoek van de Stichting Advisering bestuursrechtspraak voor milieu en ruimtelijke ordening (STAB) is gebleken, is de correctiefactor abusievelijk niet toegepast op de meetreeksen van de eerste drie proefstallen. Hierdoor kwam de emissiefactor op 6 kg per dierplaats per jaar uit in plaats van op 7 kg per dierplaats per jaar, zoals die al in 2016 was vastgesteld. Ik ben voornemens de emissiefactor aan te passen. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (STAB) heeft nagerekend en bevestigd dat 7 kg ammoniak de correcte emissiefactor had moeten zijn?
Ja, dat klopt. Uit het onderzoek blijkt dat in 2019, bij het vaststellen van de emissiefactor op basis van aanvullende meetreeksen in twee nieuwe stallen, de correctiefactor die in 2016 was vastgesteld, abusievelijk niet is toegepast op de eerdere meetreeksen. De STAB concludeert dan ook terecht in haar onderzoek niets over deze correctiefactor terug te vinden in de stukken die gaan over de vaststelling van deze emissiefactor in 2019. Ik ben voornemens om de emissiefactor aan te passen.
Deelt u het inzicht dat hier sprake is geweest van handjeklap tussen de fabrikant en het Ministerie van I&M? Deelt u het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant dat deze gang van zaken «niet juist» is?
Nee, ik deel deze mening niet. De toelating van nieuwe stalsystemen verloopt volgens de stalbeoordelingsprocedure die met waarborgen is omgeven. Fabrikanten dienen de meetrapporten (voor melkrundveestallen minimaal vier stallen) in bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De Technische Advies Pool (TAP) beoordeelt alle ingediende meetrapporten. Via RVO kunnen fabrikanten vragen over deze beoordeling stellen of eventueel aanvullende informatie indienen.
Het is altijd mogelijk om extra meetreeksen in te dienen; er geldt volgens het meetprotocol7 alleen een minimumaantal te meten stallen. Het is niet mogelijk om goedgekeurde meetreeksen te schrappen. De TAP kan zelf via RVO ook aanvullende informatie bij de fabrikant of meetinstantie opvragen. Na de eerste beoordeling van de aanvraag heeft RVO contact met de fabrikant, om openstaande vragen te beantwoorden of over de procedure. Om die reden is er regelmatig contact tussen fabrikant en RVO. De TAP brengt op basis van de meetrapporten een advies uit voor de hoogte van de emissiefactor. Het Ministerie van IenW neemt hierop het besluit.
Was de Staatssecretaris (of haar voorganger) op de hoogte van deze deal met fabrikant Anders Beton? Zo ja, hoe heeft zij hierop gereageerd? Zo nee, hoe kan dat?
Zoals uit voorgaande antwoorden blijkt was er van een deal geen sprake.
Op het moment dat de aanpassing van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav), waar de aanpassing van de emissiefactor van 7 naar 6 onderdeel van uitmaakt, is voorgelegd aan de Staatssecretaris was er geen aanleiding om specifiek iets over deze vloer te melden, omdat niet is afgeweken van het advies van de TAP RAV. Uit het onderzoek van de STAB is nu, een aantal jaren later, bekend geworden dat door een omissie de correctiefactor, die speciaal voor de eerste drie meetreeksen was berekend, niet is toegepast.
Was de Minister (of haar voorganger op het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) op de hoogte van deze gang van zaken, die uiterst relevant is omdat het Ministerie van LNV eindverantwoordelijk is voor de uitgifte van natuurvergunningen op basis van deze staltechnieken en voor de naleving van de Europese natuurbeschermingswetten?
Ik hecht er belang aan te benadrukken dat ik op dit beleidsterrein nauw samenwerk met zowel de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) als de Minister voor Natuur en Stikstof (NenS), ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid. Voor de uitvoering van de toestemmingverlening in het kader van de Wet natuurbescherming is het niet nodig dat de Minister van LNV en de Minister voor NenS direct op de hoogte zijn van alle processen waarin (mogelijk) aanpassing van emissiefactoren een rol spelen.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 worden emissiefactoren inderdaad ook gebruikt voor vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming. Zij worden gebruikt als input voor AERIUS-Calculator. AERIUS-Calculator is een instrument om stikstofdepositie te berekenen. Het proces is echter zo ingericht dat jaarlijks een actualisatie van AERIUS-Calculator plaatsvindt. Daarin worden ook de wijzigingen van bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij meegenomen. Dat geldt ook voor de emissiefactor die in deze rechtszaak centraal staat.
Over de bovengenoemde constateringen van de STAB in de – destijds nog lopende – rechtszaak bij de rechtbank Oost-Brabant heb ik het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) op 18 februari 2022 geïnformeerd.
Zo ja, hoe heeft zij hierop gereageerd? Zo nee, hoe kan dat en wat is haar reactie richting het Ministerie van IenW dat dit niet is gedeeld met het Ministerie van LNV?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 heb ik het Ministerie van LNV geïnformeerd over genoemde rechtszaak en over mijn voornemen om de betreffende emissiefactor te verhogen van 6 kg ammoniak per dierplaats per jaar naar 7 kg ammoniak per dierplaats per jaar. De internetconsultatie, die onderdeel uit maakt van de procedure om een wijziging van de Regeling ammoniak en veehouderij vast te stellen, is gestart. De vaststelling van een wijziging van de Regeling ammoniak en veehouderij vindt zoals gebruikelijk in overeenstemming met het Ministerie van LNV plaats.
Hoe beoordeelt u het dat fabrikanten van staltechnieken blijkbaar een zeer grote inspraak hebben in de beoordeling van die technieken? Wat betekent dit voor de andere beoordeelde staltechnieken op de Rav-lijst (Regeling ammoniak en veehouderij)? Wat gaat u doen om te voorkomen dat dergelijke inmenging in de toekomst nog mogelijk is?
Fabrikanten hebben geen inspraak in de beoordeling van de technieken. De emissiefactoren worden bepaald aan de hand van meetrapporten van meetreeksen die zijn gedaan volgens het Nederlandse meetprotocol. Uiteraard spelen fabrikanten hierin een rol omdat zij voor de beoordelingsprocedure gegevens moeten verstrekken. Vragen van fabrikanten en aanvragers voor een voorlopige emissiefactor lopen via RVO en kunnen niet rechtstreeks aan de TAP worden gesteld. Wanneer er ingewikkelde dossiers zijn, vindt er soms overleg plaats tussen RVO, de fabrikant en de TAP. Tijdens deze gesprekken wordt er niet gediscussieerd over de hoogte van de emissiefactor; die moet blijken uit de meetrapporten.
Kunt u aangeven waarom het Ministerie van LNV de provincie Utrecht heeft bijgestaan in het hoger beroep in de zaak over de emissiearme stalvloeren,4, 5 als bij de rijksoverheid reeds bekend was dat de emissiefactor van de Eco-vloer onder druk te rooskleurig was beoordeeld?
Het klopt dat de Minister van LNV de provincie Utrecht heeft bijgestaan in het hoger beroep waarin de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 7 september 2022 uitspraak heeft gedaan. Zoals aangegeven in beantwoording van eerdere Kamervragen van de leden Ouwehand en De Groot (Aanhangsel van de Handeling, vergaderjaar 2020–2021, nr. 2203) is daarmee uitvoering gegeven aan de motie van de leden Van Campen en Boswijk.
Kunt u de interne memo’s en verslagen van overleggen en alle andere vormen van communicatie tussen de TAP en de fabrikant, die als bijlage bij het advies van de STAB aan de rechtbank Oost-Brabant in de zaak ECLI:NL:RBOBR:2022:1323 zitten,6 met de Kamer delen?
In bijlage 1 van deze Kamerbrief vindt u de gevraagde stukken die ook met de STAB zijn gedeeld. Het eerste document is een gespreksverslag tussen fabrikant, RVO en voormalig IenW (IenM) en het tweede document een mailwisseling tussen RVO (RAV in mailaanhef) en fabrikant. Er is geen communicatie rechtstreeks tussen TAP en fabrikant. Dit verloopt via RVO (RAV).
Kunt u de adviezen van het expertpanel (met daarin onder andere Wageningen University & Research (WUR), Witteveen+Bos, ECN en het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO)) aan de TAP over de Eco-vloer met de Kamer delen? Wat is er met deze adviezen gebeurd?
Het advies van het expertpanel is in 2016 opgesteld, dus voor de vaststelling van de emissiefactor van 7 kg per dierplaats. Het advies maakt onderdeel uit van een integrale beoordeling van alle meetrapporten tegelijk van een aantal verschillende melkveevloeren die toentertijd in een korte tijd zijn ingediend bij RVO. Dit om de beoordeling zo gelijk als mogelijk te laten verlopen. Deze meetrapporten zijn allemaal gemeten met toepassing van meetprotocol 2013. De fabrikant van de vloer waar uw vragen over gaan, had al eerder metingen verricht volgens protocol 2011. Het idee was om deze meetrapporten mee te nemen in deze integrale beoordeling voor een zo gelijk mogelijke beoordeling.
In bijlage 2 is het technisch rapport te vinden en het screeningsformulier dat opgesteld is voor de beoordeling van de verschillende melkveevloeren die tegelijk werden beoordeeld. Ook hier werd geconstateerd dat de meetreeks van dezelfde proefstal niet voldeed aan het meetprotocol, waardoor geen emissiefactor kon worden opgesteld. De TAP heeft een advies opgesteld waarin wordt geadviseerd een extra proefstal meting te doen (zie bijlage 3). Dit advies is uiteindelijk niet overgenomen (zie antwoord op vraag 3).
Kunt u de adviezen van de TAP aan het Ministerie van I&M over de Eco-vloer met de Kamer delen? Wat is er met deze adviezen gebeurd?
De adviezen van de TAP zijn meegestuurd naar de STAB en in bijlage 3 opgenomen. Het document met titel «RAV14019 integrale beoordeling meetrapporten melkveestallen in samenhang» betreft het eindadvies meetrapport. Dit is het eindadvies over de eerste vier meetrapporten. In het antwoord op vraag 3 ga ik in op wat met het eerste advies is gebeurd in 2016.
In 2019 zijn nieuwe meetrapporten aangeleverd; het tweede en derde document in bijlage 3 betreffen de beoordeling van de TAP van deze meetrapporten. Het vierde document betreft de oplegnotitie van de leaflet waar de emissiefactor staat die op basis van de meetresultaten is berekend. De beoordeling van de meetrapporten en het advies van de TAP zijn overgenomen.
Heeft het Ministerie van IenW dan wel het Ministerie van LNV enige andere signalen binnengekregen over andere «emissiearme» staltechnieken waarvan de emissienormen op de Rav-lijst mogelijk niet kloppen of te onzeker zijn? Zo ja, welke?
In het tussenadvies van de bestuurlijke werkgroep evaluatie geurhinder uit 201511 werden twijfels geuit over de prestaties van luchtwassers. Dit heeft ertoe geleid dat het toenmalige Ministerie van Infrastructuur en Milieu aan Wageningen University & Research (WUR) opdracht heeft gegeven nader onderzoek te doen naar de rendementen voor geurverwijdering van de luchtwassers, met name combiluchtwassers. Over de resultaten van dit onderzoek en aanpassing van emissiefactoren is uw Kamer op 3 april 2018 geïnformeerd12. Bij brief van 30 november 202113 heeft uw Kamer de rapportage «Onderzoek naar verbeterpunten voor combiluchtwassers in de praktijk» ontvangen. In die brief zijn ook vervolgstappen aangekondigd.
Een CBS-analyse14 gaf in 2019 aanleiding tot twijfels over de effectiviteit van emissiearme stalsystemen, omdat deze analyse indicaties bevat dat de stikstofverliezen uit emissiearme stallen mogelijk groter zijn dan op basis van de emissiefactoren verwacht kan worden. Op basis van de CBS-studie kan geen onderscheid gemaakt worden tussen de werking van verschillende systemen binnen de groep emissiearme stallen. In 2020 deed de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) vervolgens onder meer het voorstel om op basis van een stakeholderconsultatie aanbevelingen te formuleren voor verbetering van de effectiviteit van bestaande en nieuw te bouwen emissiearme stalsystemen15. Dat onderzoek is vervolgens uitgevoerd door Wageningen Livestock Research (WLR). Uw Kamer is hierover eerder geïnformeerd, onder andere in de brief van 13 oktober 202016. Het rapport17 heb ik op 14 oktober jl. naar uw Kamer gezonden.
Deelt u het inzicht dat zogenaamde «emissiearme» staltechnieken te vaak niet werken, dat hiermee gesjoemeld wordt, dat het tot schaalvergroting en intensivering van de veehouderij leidt en dat het de problemen in de veehouderij hiermee niet integraal worden aangepakt?
Zoals in het antwoord op vraag 15 aangegeven, heb ik WLR gevraagd om een onderzoek te doen naar de effectiviteit van stalsystemen in de praktijk.
Dit rapport heb ik op 14 oktober jl. aan uw Kamer gezonden. Zoals aangegeven in de begeleidende brief (Kamerstuk 29 383, nr. 382) verwacht ik uw Kamer in november de beleidsreactie op het rapport te kunnen sturen, waarin nader ingegaan zal worden op deze vraag.
Gaat u stoppen met het subsidiëren van technische lapmiddelen tegen de schade van de veehouderij met miljarden belastinggeld?
Zoals aangegeven in de brief van de Minister voor Natuur en Stikstof aan uw Kamer van 12 september 202218, bestuderen de Minister van LNV, de Minister voor NenS en ik de uitspraken19. Daarbij wordt ook gekeken naar de gevolgen voor het verstrekken van subsidies voor het ondersteunen van veehouders bij het doen van stalaanpassingen en voor ondersteuning van veehouders bij onderzoek en ontwikkeling van innovatieve stalsystemen. Op dit moment staat er geen subsidieregeling gericht op investeringen of onderzoek en ontwikkeling open. Voordat er nieuwe openstellingen komen, wordt uiteraard bekeken hoe de middelen op een goede manier ingezet kunnen worden.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja
Het rapport ‘Meedoen zonder beperkingen’ van de Nationale ombudsman |
|
Don Ceder (CU) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het rapport «Meedoen zonder beperkingen» van de Nationale ombudsman?1
Ja.
Bent u het eens dat wet- en regelgeving erop gericht zou moeten zijn dat financiële zekerheid haalbaar is voor jongeren met een beperking, en werken zou moeten lonen?
Ik acht het van het grootste belang dat financiële zekerheid voor jongeren met een beperking haalbaar is en dat werken moet lonen.
Is bij de totstandkoming van de Wajong en de Participatiewet in uw ogen voldoende onderzocht of het uitgangspunt van zelfredzaamheid en hulp uit de sociale omgeving een realistische verwachting is? Erkent u met de Nationale ombudsman dat de overheid te hoge verwachtingen heeft van de zelfredzaamheid van jongeren met een beperking? Zo ja, welke stappen onderneemt het kabinet om dit recht te zetten?
Het uitgangspunt voor de Wajong en Participatiewet is dat mensen die dat nodig hebben ondersteuning kunnen krijgen. Gemeenten en UWV begeleiden jongeren met een arbeidsbeperking naar werk, zij kunnen hiervoor maatwerk en ondersteuning leveren met de hen ter beschikking staande instrumenten. Dit vergt veel inspanningen van alle betrokkenen.
De Nationale ombudsman heeft met zijn rapport Meedoen zonder beperkingen een beeld gegeven van de knelpunten die jongeren met een beperking in de Participatiewet en de Wajong ervaren en daarnaast ook aanbevelingen gedaan tot verbetering. Ik ben hem daarvoor zeer erkentelijk. Het rapport van de Nationale ombudsman kan bijdragen aan een goed debat over wenselijke verbeteringen voor deze kwetsbare groep jongeren. De Nationale ombudsman heeft gevraagd om binnen drie maanden met een reactie te komen op het rapport. Uiteraard reageer ik op het rapport. Ik zal de Kamer een afschrift van mijn reactie doen toekomen.
De vraag of de overheid te hoge verwachtingen heeft van de zelfredzaamheid van jongeren met een beperking is lastig in algemene zin te beantwoorden, omdat de groep jongeren met beperkingen heel divers is. Zo zijn er jongeren met een beperking die volledig kunnen werken en jongeren die alleen gedeeltelijk kunnen werken. Verder zijn er jongeren met een beperking die veel ondersteuningsbehoefte hebben en jongeren die met minder ondersteuning toe kunnen.
Cruciaal is dat jongeren met een beperking de ondersteuning krijgen die zij gezien hun mogelijkheden en omstandigheden nodig hebben om te voorzien in inkomen en te kunnen werken naar vermogen. Dat is de opdracht waar wij voor staan. Dit is een opgave voor alle partijen: Rijk, gemeenten en UWV, werkgevers en de jongeren zelf met hun sociale omgeving.
Het kabinet zet zich daarvoor in met diverse maatregelen. Zo is het wetsvoorstel Breed Offensief dat nu bij de Eerste Kamer ter behandeling ligt erop gericht om de kansen op duurzaam werk voor mensen met een beperking in de Participatiewet te verbeteren. Voorts heb ik bij brief van 21 juni jl. de Kamer geïnformeerd over het brede traject Participatiewet in balans en de in dit verband voorgestelde maatregelen die ik naar aanleiding van signalen over «hardheid» in de Participatiewet zal uitwerken. Deze uitwerking vindt plaats in nauwe samenwerking met betrokken partijen: gemeenten, maar ook vertegenwoordigers van cliëntenorganisaties. Ik werk daarbij toe naar een Participatiewet die eenvoudiger is en een toereikend bestaansminimum biedt, die mensen passende ondersteuning biedt om mee te doen in de samenleving en met rechten en verplichtingen die zinvol en begrijpelijk zijn en nageleefd kunnen worden. Onderdeel daarvan is het voornemen tot verruiming van de bijverdiengrenzen in de Participatiewet, zodat werken lonender wordt. Ik streef ernaar om de Kamer hierover binnenkort te informeren. Ook de banenafspraak is een belangrijk instrument om meer banen te realiseren voor mensen met een arbeidsbeperking. Ik werk toe naar een verbetering van de banenafspraak, over de stappen op dit punt heb ik de Kamer geïnformeerd in mijn brief van 7 juli jl.2.
Samen met UWV werk ik verder aan een effectevaluatie van de Wajong-dienstverlening. In 2023 informeer ik uw Kamer over de resultaten van verschillende onderzoeken naar de ondersteuning van UWV in een syntheserapport. Onderdeel hiervan is een onderzoek naar het willen, kunnen en doen van klanten in de dienstverlening bij UWV en de mogelijkheid op basis hiervan tot concrete handelingsperspectieven te komen voor de uitvoering om betere dienstverlening te bieden. Op basis van het syntheserapport ontwikkelen we de dienstverlening indien nodig verder door.
Van groot belang is tot slot dat het kabinet heeft aangekondigd om het wettelijk minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen met ingang van 1 januari 2023 met 10% te verhogen. Dit komt tegemoet aan de roep om versterking van de koopkracht van mensen, ook van jongeren met een beperking.
Bent u het eens dat de huidige wet- en regelgeving knelt voor jongeren met een beperking die willen gaan werken? Hoe beziet u de conclusies uit dit rapport met het oog op de huidige krapte op de arbeidsmarkt? Wordt in de plannen aangaande de arbeidsmarktkrapte ook gezocht naar mogelijkheden om jongeren met een beperking een kans te geven op een passende baan?
Zoals ik in antwoord 3 heb aangegeven wordt thans naar aanleiding van signalen over «hardheid» in de Participatiewet gewerkt aan de uitwerking van de maatregelen die zijn benoemd in het traject Participatiewet in balans.
De huidige krapte op de arbeidsmarkt biedt kansen voor werkzoekenden die nu nog langs de kant staan, en dus ook voor jongeren met een arbeidsbeperking, om aan het werk te komen. Dat maakt het des te belangrijker om de drempels om aan het werk te komen voor deze jongeren weg te nemen.
Voor de zomer ontving u de Kamerbrief Aanpak krapte op de arbeidsmarkt3 over de kabinetsbrede aanpak van de arbeidsmarktkrapte. Het kabinet zet zich actief in voor mensen die aan de kant staan en dus ook voor het begeleiden van jongeren met een beperking naar een passende baan.
Zo zetten we het Europees Sociaal Fonds (ESF+) tijdens de looptijd van het programma (tot eind 2027) in voor mensen die een kwetsbare positie hebben op de arbeidsmarkt. Binnen ESF+ loopt een specifiek project voor jongeren uit het VSO/PRO-onderwijs voor aansluiting op de arbeidsmarkt en gemeenten kunnen activiteiten aanbieden voor de begeleiding van jongeren naar werk. Daarnaast, en aanvullend op de reguliere dienstverlening van gemeenten en UWV, lanceerden de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en ik het korte termijn actieplan Dichterbij dan je denkt. Met dit plan intensiveren wij de matching tussen werkgevers en werkzoekenden uit het zogenaamde onbenut arbeidspotentieel (waaronder ook werkzoekende jongeren met een arbeidsbeperking). Via landelijke en regionale communicatie willen we werkgevers ertoe aanzetten om mensen uit het onbenut arbeidspotentieel een kans te geven en daarvoor gebruik te maken van wervingsmethoden die deze doelgroep aan het werk kunnen helpen op passende banen. Bijvoorbeeld via scholing en leerwerktrajecten kunnen gemeenten en UWV werkzoekende jongeren met een beperking helpen aan een baan.
Tot slot verhogen we zoals gezegd structureel het minimumloon en hebben de Ministeries van OCW, SZW, gemeenten, onderwijs, UWV, (jongeren)vakbonden, werkgevers en SBB een gezamenlijke werkagenda vastgesteld voor een aanpak van de jeugdwerkloosheid, ook voor jongeren met een beperking. Momenteel worden de tijdelijke maatregelen van de Aanpak Jeugdwerkloosheid, onderdeel van het aanvullend sociaal pakket en het Nationaal Programma Onderwijs, verankerd in wet- en regelgeving om zo een soepele overgang voor jongeren met een structurele achterstand op de arbeidsmarkt te waarborgen van school naar werk en bij uitval weer terug. Het kabinet heeft hiervoor structureel middelen uitgetrokken.
Wat is uw reactie op de aanbevelingen van de Nationale ombudsman om jongeren proactief en in begrijpelijke taal te informeren over hun rechten en plichten, te zorgen voor persoonlijke begeleiding, te zorgen dat werken van toegevoegde waarde is en te zorgen voor financiële zekerheid? Worden deze aanbevelingen meegenomen in de plannen voor de aanpassing van de Participatiewet en in ander kabinetsbeleid?
In algemene zin vind ik dit zinvolle aanbevelingen. Zoals hierboven aangegeven is er al veel beleid op dit terrein ingezet. Ook heb ik aangegeven dat ik met een reactie kom op het rapport. Daarin zal ik meer in detail ingaan op de aanbevelingen uit het rapport. Ik wil daarbij kijken hoe de aanbevelingen praktisch zouden kunnen worden vertaald en wat daarvoor nodig is. Ik zal de Kamer een afschrift van mijn reactie doen toekomen.
Constaterende dat er geregeld wordt gesteld – ook door de Nationale ombudsman – dat jongeren met een beperking eigenlijk niet thuishoren in de Participatiewet, wat is het kabinetsstandpunt hierover na bestudering van dit rapport? Is het kabinet het eens met de stellingname dat er – volgens de Nationale ombudsman – een stelselverandering zou moeten komen om recht de doen aan de kwetsbaarheden en behoeften van jongeren met een beperking?
Sinds de invoering van de Participatiewet in 2015 hebben jongeren met een beperking die kunnen werken aanspraak op ondersteuning in het kader van de Participatiewet en zo nodig recht op een uitkering. Jongeren die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn kunnen een beroep doen op de Wajong 2015.
Het kabinet realiseert zich de kwetsbaarheden en behoeften van jongeren met een beperking. Naar aanleiding van de evaluatie van de Participatiewet door het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft het vorige kabinet een aantal aandachtspunten benoemd voor toekomstig beleid4. Deels zijn deze aandachtspunten vertaald in het wetsvoorstel Breed Offensief.
In het Coalitieakkoord van dit kabinet is niet voorzien in een stelselverandering zoals bedoeld in vraag 6. Wel benoemt het Coalitieakkoord de ambitie dat iedereen in Nederland een goed bestaan verdient en moet mee kunnen doen. Ook zijn in het Coalitieakkoord verschillende maatregelen benoemd die relevant zijn voor jongeren met een beperking. Het betreft onder meer de wijziging van de kostendelersnorm, het traject Participatiewet in balans, verruiming van de vrijlatingsgrenzen in de Participatiewet, de ambitie om meer mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt naar werk begeleiden en de verruiming van beschut werk. Ik houd u op de hoogte van de voortgang van deze maatregelen.
Het wederom sluiten van een gedeelte van het Kroondomein ’t Loo |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Leonie Vestering (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Het Kroondomein gaat even dicht, maar «niet omdat de Koning wil jagen»»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de Koning dat hij maximaal een halve dag per jaar zou jagen, volgens zijn rentmeester?
Ja. Om precies te zijn heeft de rentmeester het volgende gezegd: «Gemiddeld een dagdeel per jaar».
Is de stelling van de rentmeester waar en kunt u die bevestigen en voor uw verantwoording nemen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarop baseert u zich?
Ik beschik niet over andere informatie dan de berichtgeving.
Kunt u aangeven waarom grote delen van het Kroondomein ruim drie maanden gesloten worden terwijl de Koning daar slechts, volgens zijn rentmeester, enkele uren zou jagen?
Het niet openstellen van een deel van het gebied is een beheerkeuze. Zoals het kabinet eerder uiteen heeft gezet (Kamerstuk 33 576, nr. 133), komt het beheer van het Kroondomein de Kroondrager toe, en kan de Kroondrager op grond van zijn positie als vruchtgebruiker dit naar eigen inzicht doen, met inachtneming van toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de artikelen 10 en 41 van de Grondwet.
Kunt u aangeven waarom uitvoering van het faunabeheerplan in het Kroondomein langdurige sluiting van het gebied zou vereisen of rechtvaardigen, waar dat in alle andere natuurgebieden niet het geval is? Kunt u het verschil duiden op niet mis te verstane wijze?
Het niet openstellen van een deel van het gebied is een beheerkeuze en staat in principe los van het faunabeheerplan. Zoals het kabinet eerder uiteen heeft gezet (Kamerstuk 33 576, nr. 133), komt het beheer van het Kroondomein de Kroondrager toe, en kan de Kroondrager op grond van zijn positie als vruchtgebruiker dit naar eigen inzicht doen, met inachtneming van toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de artikelen 10 en 41 van de Grondwet.
Erkent u dat jacht en/of populatiebeheer de rust van de natuur verstoort? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe passen jacht en/of populatiebeheer in een natuurgebied, en zeker één met rustgebieden?
Alle vormen van menselijke activiteit (zo ook recreatie) in natuurgebieden verstoren de rust, maar niet allemaal in gelijke mate. Populatiebeheer kan worden uitgevoerd op een manier die nauwelijks verstorend werkt.
Erkent u dat de toenmalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in 2021 stelde dat het Kroondomein jaarlijks drie maanden op slot ging vanwege de «persoonlijke levenssfeer» van de Koning? Zo ja, deelt u de mening dat de persoonlijke levenssfeer geen wettelijke grond biedt tot het sluiten van duizenden hectares van het Kroondomein voor ruim drie maanden tijdens het jachtseizoen? Zo nee, waarom niet?2
In de subsidiebeschikking werd ruimte gelaten om een groter gebied af te sluiten dan 1 hectare, indien dit in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de Kroondrager werd geacht. Daarnaast geldt, zoals de Minister van LNV heeft aangegeven in haar brief van 4 september 2018 (Kamerstuk 33 576, nr. 133): «De openstelling tussen 25 december en 14 september is vast onderdeel van het beheer en, naar de overtuiging van de rentmeester en de raad van beheer van het Kroondomein, essentieel voor de balans tussen houtproductie, de aanwezigheid van grote hoefdieren en de recreatiemogelijkheden». Zie ook het antwoord van 20 april 2021 op Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 2430) van het lid Sneller.
Zoals het kabinet eerder uiteen heeft gezet (Kamerstuk 33 576, nr. 133), komt het beheer van het Kroondomein de Kroondrager toe, en kan de Kroondrager op grond van zijn positie als vruchtgebruiker dit naar eigen inzicht doen, met inachtneming van toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de artikelen 10 en 41 van de Grondwet.
Erkent u dat in 2016 de Koninklijke jacht als reden voor het sluiten van het Kroondomein werd genoemd, zoals te lezen valt uit de nota van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat het uitoefenen van de Koninklijke jacht geen belang is dat een grond mocht vormen voor het verlenen van vrijstelling van de openstellingsverplichting die voor iedere andere terreinbeheerder geldt? Zo nee, waarom niet?2, 3
«Koninklijke jacht» werd genoemd in een interne ambtelijke nota van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Opvattingen van ambtenaren in de verstrekte documenten zijn onderdeel geweest van een proces ter voorbereiding op de uiteindelijke besluitvorming. Uiteindelijk is hetgeen in de definitieve besluitvorming terugkomt leidend.
Bent u het ermee eens dat het sluiten van het Kroondomein tegen de wens van de Tweede Kamer is, gezien de aangenomen motie van het lid Arissen uit 2018, die oproept om het Kroondomein jaarrond open te stellen? Zo nee, waarom niet?4
Nee. Op 3 april 2018 aanvaardde de Tweede Kamer de motie van het lid Arissen. Zoals het kabinet in reactie op die motie uiteen heeft gezet (Kamerstuk 33 576, nr. 133), komt het beheer van het Kroondomein de Kroondrager toe, en kan de Kroondrager op grond van zijn positie als vruchtgebruiker dit naar eigen inzicht doen, met inachtneming van toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de artikelen 10 en 41 van de Grondwet. Voor het kabinet is er geen grond invloed uit te oefenen op specifieke keuzes die in het kader van het beheer van het Kroondomein zijn gemaakt. Het kabinet heeft aangegeven om die reden de motie van het lid Arissen niet te kunnen uitvoeren.
Herinnert u zich dat de Tweede Kamer de Koning vorig jaar opnieuw heeft opgeroepen om het Kroondomein jaarrond open te houden? Zo ja, bent u bereid om de Koning alsnog te verzoeken het Kroondomein jaarrond open te stellen? Zo nee, waarom niet?5
Zoals het kabinet eerder uiteen heeft gezet (Kamerstuk 33 576, nr. 133), komt het beheer van het Kroondomein de Kroondrager toe, en kan de Kroondrager op grond van zijn positie als vruchtgebruiker dit naar eigen inzicht doen, met inachtneming van toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder de artikelen 10 en 41 van de Grondwet (zie ook de brief als reactie van het kabinet op de motie Arissen (Kamerstuk 33 576, nr. 133)).
Deelt u de mening dat de Koning onterecht subsidie heeft ontvangen voor de vorige subsidieperiode, nu in de begrotingswet voor het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat 2016, uitdrukkelijk bepaald is dat de Minister slechts bevoegd was om de Kroondrager te subsidiëren onder dezelfde voorwaarden als die golden voor gesubsidieerden onder de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer (SVNL) Gelderland 2016, dus met een openstellingsverplichting? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de subsidie van vorige periode terug te vorderen?
De subsidie is terecht verleend. De Tweede Kamer is op 30 juni 2022 door de Minister geïnformeerd over de uitkomst van de bezwaarprocedure (Kamerstuk 35 925-I, nr. 15). Ook de beslissing op bezwaar dateert van 30 juni 2022.
Kunt u aangeven hoeveel natuurbeheersubsidie er wordt verstrekt per hoeveel hectare natuur-en landschapstype en welke concrete activiteiten hiermee worden gesubsidieerd voor de periode van 2022–2027?
De subsidie natuur- en landschapsbeheer bedraagt maximaal € 513.935,– per jaar, oftewel maximaal € 3.083.613,– over het hele subsidietijdvak. Deze bedragen zijn inclusief de verschillende aanvullende bijdragen (monitoringsbijdrage, voorzieningenbijdrage en schapenbijdrage). Aan deze subsidie zijn de volgende activiteiten gekoppeld:
beheersubsidie voor het in stand houden van de in het berekeningsformulier genoemde natuur- en landschapsbeheertypen. De meest geschikte wijze van in stand houden wordt bepaald door de subsidieontvanger;
monitoringsbijdrage: vergoeding voor het uitvoeren van metingen en het vastleggen van de ontwikkelingen op het natuurterrein;
voorzieningenbijdrage: vergoeding voor het recreatief toegankelijk maken en houden van een natuurterrein;
schapenbijdrage: vergoeding voor het beheer van (bepaalde) natuurbeheertypen middels begrazing met schapen.
Het gaat hier om in totaal 2.874 hectare natuur en 24 hectare landschap. Voor de precieze verdeling per natuurtype verwijs ik u naar de beschikking (Kamerstuk 35925-I, nr.7 die naar uw Kamer is gestuurd en het bijgesloten berekeningsformulier bij de beschikking op de aanvraag voor de periode 2022–2027.
Kunt u aangeven hoeveel natuurbeheersubsidie er in de voorafgaande subsidieperiode (2016–2021) werd verstrekt per hoeveel hectare natuur-en landschapstype en welke concrete activiteiten hiermee werden gesubsidieerd? Wat zijn de verschillen in natuurbeheer en/of in de natuur- en landschapsbeheertypen en waarom is er gekozen voor verschillend beheer en/of verschillende typen?
De subsidie natuur- en landschapsbeheer bedroeg voor de periode 2016-2021 maximaal € 568.013,– per jaar, oftewel maximaal € 3.408.078,– over het hele subsidietijdvak. Deze bedragen zijn inclusief de verschillende aanvullende bijdragen (monitoringsbijdrage, voorzieningenbijdrage en schapenbijdrage). Aan deze subsidie zijn voor de verschillende natuurtypes dezelfde activiteiten gekoppeld als in vraag 12 is omschreven.
De totale oppervlakte natuur in de beschikking van 2016-2021 bedroeg 6.296 hectare en de oppervlakte landschap 19 hectare.
Voor de precieze verdeling per natuurtype verwijs ik u naar de oude beschikking (Kamerstuk 35 570-I-14) die naar uw Kamer is gestuurd en het bijgesloten berekeningsformulier bij de beschikking.
Ten opzichte van de vorige subsidieperiode zijn er betrekkelijk kleine wijzigingen doorgevoerd in het natuurbeheerplan van de provincie Gelderland voor 2022, op basis waarvan het beheer wordt gevoerd en subsidie wordt aangevraagd.
De grootste verschillen tussen de twee beschikkingen zitten hem in het slechts gedeeltelijk aanvragen van natuurbeheersubsidie voor droge heide (164 hectare minder in 2022), Dennen-, eiken- en beukenbos (1.488 hectare minder in 2022) en droog bos met productie (1.754 hectare minder in 2022).
Dat het totale subsidiebedrag voor het natuurbeheer slechts met een beperkt bedrag is afgenomen, komt doordat de vergoedingen voor specifieke natuurtypen landelijk in sommige gevallen (percentueel) fors zijn verhoogd. Zo is de beheersubsidie voor droog bos met productie toegenomen van € 4,46 per hectare tot € 33,51 per hectare. Voor de overige natuurbeheertypen geldt een gemiddelde stijging van 29%. Dit komt primair door de volgende drie zaken:
Hogere normkosten van het benodigde beheer.
De vergoeding in het natuurbeheersubsidiestelsel is landelijk toegenomen van een dekking van 75% van de normkosten, tot 84% van de normkosten. Hierdoor hoeft niet langer 25% van de genormeerde kosten zelf gedragen te worden, maar nog slechts 16%.
De subsidie voor de periode 2022–2027 is gebaseerd op geïndexeerde bedragen. De indexering bedraagt over de gehele periode 3,36%. Dit is gebruikelijk bij de SNL. In de periode 2016–2021 was hier geen budget voor beschikbaar, waardoor dit niet heeft plaatsgevonden.
Kunt u aangeven hoeveel subsidie er gaat en ging naar agrarisch natuurbeheer voor hoeveel hectare en welke type agrarisch natuurbeheer en welke concrete activiteiten in zowel de subsidieperiode van 2022–2027, als de voorafgaande subsidieperiode (2016–2021) hiermee zijn gesubsidieerd?
In de periode 2016–2021 werd voor het pakket droge dooraderingop 87,65 hectare maximaal € 136.917,– subsidie toegekend en voor het pakket natte dooradering op 57,10hectare maximaal € 85.307,– subsidie.
Voor de periode 2022–2027 bedraagt de subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer maximaal € 246.573,79 per jaar voor 160,27 hectare droge dooradering. Hierbij heeft een verschuiving plaatsgevonden, waardoor het gehele aangevraagde agrarisch natuurareaal in 2022 onder droge dooradering valt.
Bij het agrarisch natuurbeheer gaat het om het realiseren van een leefgebied door het uitvoeren van bepaalde activiteiten op landbouwgronden. Elk jaar dient een minimale oppervlakte leefgebied (de zogenaamde «min») gerealiseerd te worden. Er is ook een maximale subsidiabele oppervlakte (de zogenaamde «max»). Er kan niet meer subsidie dan voor de «max» verstrekt worden. Het agrarisch natuurbeheer is flexibel, dat wil zeggen dat er theoretisch elk jaar op een perceel landbouwgrond andere subsidiabele activiteiten uitgevoerd kunnen worden.
In de periode 2016–2022 heeft het Kroondomein op haar landbouwgronden kruidenrijk grasland, botanisch waardevol grasland, wintervoedselakkers en kruidenrijke akkers gerealiseerd. Daarnaast heeft zij enkele hoogstamboomgaarden in stand gehouden. Het Kroondomein is voornemens dit agrarisch beheer voort te zetten gedurende de periode 2022–2027. Concreet heeft het Kroondomein de volgende activiteiten uitgevoerd c.q. zal zij deze gaan uitvoeren:
Nr. activiteit
Omschrijving activiteit
1
Het in acht nemen van een rustperiode van datum x tot datum y (geen landbouwkundige activiteiten in deze periode)
7
Het gebruik van chemische onkruidbestrijding is beperkt tot maximaal 10% van de oppervlakte van het perceel
9
Een bepaald percentage van de oppervlakte van het perceel bestaat van datum x tot datum y uit één of meerdere toegestane gewassen
17
Het gewas wordt minimaal 1 keer per jaar gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd
19
Van datum x tot datum y zijn in transect een bepaald aantal indicatorsoorten uit een lijst van gewenste soorten op de oppervlakte van het perceel aanwezig
22
Jaarlijks is een bepaald minimumpercentage van de elementen gesnoeid
24
Snoei- en/of maaiafval is
In de jaren 2016 en 2017 was aan het realiseren van kruidenrijk grasland ook de onderstaande activiteiten verbonden:
Nr. activiteit
Omschrijving activiteit
2
Geen landbouwkundige activiteiten in de rustperiode (sinds 2018 opgenomen in activiteit
25
Geen beweiding gedurende de rustperiode
In dezelfde periode was:
aan het realiseren van botanisch waardevol grasland ook de activiteit 25 verbonden;
aan het realiseren van wintervoedselakker ook de activiteiten 1 en 2 verbonden;
aan het in stand houden van hoogstamboomgaarden de activiteit 7 verbonden.
De concrete activiteiten komen overeen met de beheerpakketten zoals deze zijn vastgesteld voor het ANLb door BIJ128.
Kunt u aangeven wat de verschillen zijn tussen de huidige agrarische natuurbeheersubsidies en de activiteiten die hiermee ontwikkeld worden en de voorafgaande subsidieperiode (2016–2021)?
Het Kroondomein heeft aangegeven de benodigde beheermaatregelen voor het realiseren en behouden van kruidenrijk grasland, botanisch waardevol grasland, wintervoedselakkers en kruidenrijke akkers, ook in de periode 2022-2027 voort te zetten. Dit betreft de activiteiten 1, 7, 9, 17, 19, 22 en 24 uit de tabel in antwoord op vraag 14.
Kunt u uitleggen waarom in deze subsidieperiode gebruik is gemaakt van geïndexeerde tarieven, terwijl in de voorafgaande periode gebruik werd gemaakt van niet-geïndexeerde tarieven en wat de budgettaire gevolgen hiervan zijn?
Voor de tarieven van de verschillende natuur- en landschapsbeheertypen wordt aangesloten bij de tarieven zoals die door de provincie Gelderland ten behoeve van het begrotingsjaar 2016 (lump sum-aanvraag 2016–2021) respectievelijk het begrotingsjaar 2022 (lump sum-subsidie 2022–2027) zijn vastgesteld. Ten tijde van de lump sum-aanvraag 2016–2021 waren de beschikbare middelen onvoldoende om de tarieven te indexeren. Hierdoor heeft het Kroondomein in de periode 2016–2021 minder subsidie gekregen dan andere aanvragers (in de provincie Gelderland) die dezelfde natuur- en/of landschapsbeheertypen in stand hielden. Voor 2022 bedroeg dit percentage 3,36%. Dat betekent dat de bedragen voor de periode 2022–2027 in totaal met 3,36% zijn verhoogd.
Kunt u aangeven wat de exacte directe en indirecte bijdrage is van het Rijk aan de betaling van het Koninklijk jachtdepartement en hoe die te rechtvaardigen is, gelet op het ene dagdeel dat de Koning zou jagen in het kroondomein? Hoe verhouden de kosten voor de uitvoering van «faunabeleid» zich tot die in bijvoorbeeld de terreinen van Staatsbosbeheer, gerelateerd aan de oppervlakte van het terrein?
Er is geen Koninklijk jachtdepartement. Binnen het departement Faunabeheer wordt een bedrag geraamd van € 195.000, met name voor het onderhoud van de wegen en de wildrasters, de zogenoemde infrastructurele kosten van Kroondomein Het Loo. Daarnaast wordt een bedrag geraamd van € 92.000 voor de exploitatie van de terreinauto’s en een bedrag van € 16.000 aan materiële uitgaven voor reiskosten, opleidingen, accountantskosten, etc. De formatie van dit departement betreft circa 6 fte. De personeelsuitgaven voor deze zes faunabeheerders bedragen € 495.000. Bij gebrek aan vergelijkbare gegevens is een vergelijking met andere terreinen niet te maken.
Kunt u deze vragen beantwoorden binnen de wettelijke termijn of tenminste vóór de behandeling van de begroting van de Koning?
Dat is helaas niet gelukt.
De bedreiging van het wokisme |
|
Joost Eerdmans (EénNL), Nicki Pouw-Verweij (JA21) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het totaal ontkennen door uw voorganger van alarmerende signalen over politieke intimidatie door een woke-cultuur en cancel-praktijk in het hoger onderwijs?1
Ik ben op de hoogte van de vragen die de leden van de JA21-fractie eerder stelden.
Hoe beoordeelt u deze ontkenning, nu opnieuw blijkt dat wokisme wel degelijk een grote bedreiging vormt, zoals blijkt aan Erasmus Universiteit Rotterdam waar studenten met een conservatiever wereldbeeld zich stilhouden omdat ze bang zijn voor boze, negatieve reacties?2
De publicatie in De Telegraaf waarnaar verwezen wordt, betreft het relaas van twee studenten bestuurskunde en sociologie die ook actief zijn in de centrale studentenraad. Zo sprak een van hen zich uit tegen een regenboogzebrapad op de campus en kreeg hierop vervolgens kritiek via een appgroep. Een ander voorbeeld dat zij aandroegen is dat de Europese Unie als instituut in een studieboek kritiekloos zou worden aangeprezen. De student had het gevoel dat het geen zin heeft om hier tijdens college vragen over te stellen.
Ik zie in deze voorbeelden geen bedreiging van de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting of de kwaliteit van het onderwijs. De studenten zijn het niet eens met bepaalde uitingen, en de universiteit weerhoudt hen er niet van om zich daarover uit te spreken binnen de universiteit. De berichtgeving hierover geeft daar ook geen concrete signalen over. Deze studenten kunnen het gesprek aangaan met betrokken docenten en bestuurders, zo nodig een klacht indienen bij de instelling of bezwaar maken tegen beslissingen. Ook kunnen zij kwesties agenderen in de studentenraad. Ik hecht daarbij te verwijzen naar de reactie van het College van Bestuur die ook in het bericht van De Telegraaf is opgenomen: «Als instituut bieden wij ruimte en faciliteiten voor discussie over een veelheid van gevoelige onderwerpen en politieke meningen. Iedereen in onze gemeenschap mag zich uitspreken en zijn/haar mening hebben over deze onderwerpen op een respectvolle manier. Ook als het schuurt».
Deelt u de constatering van de Minister van Justitie en Veiligheid, Dilan Yeşilgöz-Zegerius, die in haar Schoo-lezing waarschuwt voor de verstikkende invloed van het wokisme op onze universiteiten?3
De Minister van Justitie en Veiligheid onderstreepte in haar lezing het belang van de democratische rechtsstaat als open samenleving. Zij stelt terecht dat ons vermogen om te groeien, om te leren, om te ontwikkelen, gevoed wordt door wederzijdse kritiek en open discussies. Ook waarschuwt zij voor ongefundeerde verdachtmakingen en wantrouwen tegen wetenschap, media en de overheid en stelt ze dat we moeten opstaan tegen intolerantie en intimidatie in het maatschappelijke verkeer. Dit is een oproep die ik natuurlijk van harte onderschrijf. Iedereen, de universiteitsbesturen voorop, is het eens over het belang van academische vrijheid binnen universiteiten.
Deelt u de constatering van uw collega Yeşilgöz dat mensen die vinden dat zij mogen bepalen welke informatie of mening juist is en welke niet, wat kwetsend en wat niet, wie wel deugt en wie niet, en dat allemaal onder de vlag van inclusie in werkelijkheid alleen bezig zijn met uitsluiten?
Over feiten en meningen, over wat kwetsend is en over welk gedrag wenselijk is, moet debat en dialoog mogelijk zijn op een respectvolle manier Debat gaat soms gepaard met een zekere felheid en geestdrift. Dit is iets anders dan iemand de mond snoeren of uitsluiten. Het zou de kwaliteit van het debat over maatschappelijke kwesties ten goede komen als men elkaar over en weer niet te snel afrekent op toon, maar zich richt op de inhoud.
Wanneer informeert u de Kamer over de uitkomsten van het gesprek dat u voert met de universiteiten over het risico op zelfcensuur wegens een klimaat van woke en cancelen en over de acties die worden ingezet om de academische vrijheid te verdedigen?
In antwoord op een schriftelijke vraag van het lid Van der Woude (VVD)4 heb ik aangekondigd in gesprek te gaan met de Universiteiten van Nederland en de Vereniging Hogescholen, mede naar aanleiding van bevindingen van de Inspectie van het Onderwijs over het studie- en werkklimaat. Ik zal uw Kamer voor het einde van dit kalenderjaar op de hoogte stellen van de uitkomsten.
De petities van de Nederlandse Federatie Omgevingslawaai Motorvoertuigen (NEFOM) en de gemeente Bergen betreffende geluidsoverlast motorvoertuigen in Nederland. |
|
Kiki Hagen (D66), Lisa van Ginneken (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petities van NEFOM en de gemeente Bergen, zoals aan de Kamer aangeboden op 6 september?1 2
Ja.
Bent u bekend met de uitkomsten van het rapport Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluiden (2018): het doel heiligt de middelen?3
Ja.
Wanneer komt het kabinet met een uitwerking van de adviezen van het RIVM?
Aan de hand van de aanbevelingen van het RIVM worden verschillende opties voor het geluidbeleid verder uitgewerkt. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de specifieke adviezen per type geluidsbron en aan de gevolgen en financiële haalbaarheid van beleidsopties. Ik verwacht uw Kamer rond het eind van dit jaar hierover te kunnen informeren.
In hoeverre heeft u reeds opvolging gegeven aan de aanbevelingen uit het rapport Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluiden (2018): het doel heiligt de middelen?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3 verwacht ik uw Kamer rond het eind van dit jaar nader te informeren over de te kiezen richtingen voor het geluidbeleid.
Ik hecht eraan om eerst uw Kamer daar over te informeren alvorens verdere opvolging te geven aan de aanbevelingen uit het RIVM-rapport.
Welke concrete stappen heeft u tot dusver gezet naar aanleiding van het bovengenoemde rapport? Kunt u dit specificeren per geluidsbron (algemeen, wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer en windturbines)?
Bij het antwoord op vraag 3 en 4 heb ik aangegeven op welke termijn ik volgende stappen zal zetten. In aanvulling daarop kan ik voor windturbinegeluid aangeven dat momenteel een plan-mer voor de nieuwe milieuregels wordt opgesteld, waarvan ik de resultaten eind dit jaar verwacht. De motie Schonis vormde niet de aanleiding voor deze plan-mer, maar de WHO-richtlijnen worden er uiteraard wel bij betrokken.
Welke concrete stappen bent u nog van plan te zetten? Kunt u dit specificeren per geluidsbron (algemeen, wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer en windturbines)?
Zoals aangegeven bij de antwoorden op de vragen 3, 4 en 5 ga ik er vanuit uw Kamer rond het eind van dit jaar nader te kunnen informeren over verdere concrete stappen voor deze geluidbronnen.
Heeft u in kaart waar geluidsoverlast de huidige normen overtreed en hoe groot het probleem van geluidsoverlast precies is in Nederland?
Op verzoek van IenW inventariseert het RIVM4 op jaarlijkse basis de mate van hinder in de woonomgeving onder de Nederlandse bevolking. Hieruit blijkt dat wegverkeer de belangrijkste bron van geluidsoverlast vormt, waarbij geluid van bromfietsen en motoren ten opzichte van ander wegverkeer iets vaker als ernstig hinderlijk wordt ervaren en ook wat vaker tot slaapverstoring leidt dan ander wegverkeer. Naast wegverkeer zijn ook vliegverkeer, bouw- en sloopactiviteiten, recreatie en buren of (huis)dieren belangrijke bronnen van geluidhinder.
Het optreden van geluidsoverlast betekent niet automatisch dat normen worden overschreden; er kan ook overlast worden ervaren als aan de normen wordt voldaan. Aan geluidsnormen wordt in het algemeen voldaan, hoewel overschrijdingen in de praktijk niet altijd te voorkomen zijn. Het streven is en blijft om volledig aan de normen te voldoen.
Het RIVM heeft in het rapport «Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluiden (2018): het doel heiligt de middelen» de mate van blootstelling aan geluid van weg-, rail- en vliegverkeer en windturbines in Nederland in kaart gebracht. Het RIVM adviseert om het geluidbeleid meer te richten op het verminderen van die blootstelling in algemene zin, en is niet specifiek gericht op de bestrijding van de geluidsoverlast waarvoor in de petities aandacht wordt gevraagd.
Bent u het ermee eens dat geluidsoverlast adequaat moet worden aangepakt? Klopt het dat dit nu vaak niet het geval is?
Ik deel het beeld dat geluidsoverlast een belangrijk milieuprobleem is en dat we het moeten aanpakken waar dit mogelijk is.
Ik ben bekend met de geluidsoverlast die veroorzaakt wordt door voertuigen die niet voldoen aan de emissie eisen die voor het voertuig gelden, of door het gedrag van de bestuurder daarvan. De ervaren overlast vindt relatief vaak op specifieke locaties plaats. Tegelijkertijd is het aantal instrumenten om hier generiek tegen op te treden beperkt. Momenteel loopt een onderzoek naar de mogelijkheden voor aanpak van overlast gevende motorvoertuigen. De aanbevelingen uit dit onderzoek zullen worden meegenomen in de komende Kamerbrief over de uitwerking van de adviezen van het RIVM.
Bent u aangehaakt bij het experiment van de gemeente Amsterdam om in de strijd tegen geluidsoverlast «lawaaiflitspalen» in te zetten?
Ik ben bekend met dit experiment. Het Ministerie van IenW werkt hierin samen met de gemeenten door middel van uitwisseling van kennis en ervaring, maar heeft geen formele rol als het gaat om het inzetten van een dergelijk experimenteel instrument. Dat is de verantwoordelijkheid van het lokaal bevoegd gezag, in samenwerking met het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Ziet u een mogelijkheid om een dergelijk experiment ook landelijke opvolging te geven en de kamer te informeren over de onderzoeksresultaten?
Vanwege de mogelijk gunstige effecten op de leefomgeving volg ik dit experiment met interesse. Vanzelfsprekend zal de Kamer te zijner tijd over de resultaten van dit experiment worden geïnformeerd, in afstemming met de verantwoordelijke Minister van Minister van Justitie en Veiligheid.
Het bericht 'Grutte fragen by Waadferiening: wat betsjut ferkeap NAM foar gaswinning?' |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grutte fragen by Waadferiening: wat betsjut ferkeap NAM foar gaswinning?»?1
Ja.
Deelt u de observatie dat de organisatie die de oorspronkelijke vergunningsaanvragen voor gaswinning onder de Waddenzee heeft aangevraagd in feite een andere is dan de organisatie die deze mijnbouw in de toekomst uitvoert?
Indien een overdracht plaatsvindt van bedrijfsonderdelen waartoe gaswinning onder de Waddenzee behoort, zullen die activiteiten inderdaad door een andere marktpartij worden uitgevoerd. Het staat iedere marktpartij vrij om op basis van eigen genomen afwegingen te besluiten om bepaalde bedrijfsonderdelen aan te trekken of af te stoten. De NAM heeft dus de mogelijkheid om te concluderen dat door de beperkte ruimte die zij zien om verder te investeren in de zogeheten kleine velden, zij het beter achten dat deze bedrijfsonderdelen overgenomen worden door een ander mijnbouwbedrijf dat met wellicht meer investeringsruimte.
Welke consequenties heeft dit voor zowel de uitvoering als de handhaving van bestaande vergunningen voor gaswinning onder de Waddenzee vanuit de dorpen Blija, Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM)?
Vanaf het moment van overname is de nieuwe partij de vergunninghouder en zullen de rechten en plichten met betrekking tot die mijnbouwactiviteiten gelden voor de nieuwe partij. Dit betekent dat de nieuwe partij zijn activiteiten moet uitvoeren conform het bepaalde bij of krachtens de Mijnbouwwet (inclusief de voorwaarden of beperkingen die aan de vergunning of instemming zijn verbonden) en daarop ook het toezicht op wordt gehouden. Voor de uitvoering en handhaving gelden dezelfde eisen en worden dezelfde toetsen uitgevoerd, als voor de NAM het geval was. Daarbij merk ik op dat voor de overdracht van de vergunning mijn toestemming nodig is en ik daarvoor de beoogde nieuwe vergunninghouder toets aan de eisen van de Mijnbouwwet, bijvoorbeeld of deze partij beschikt over voldoende technische en financiële mogelijkheden (zie artikel 9 van de Mijnbouwwet).
Deelt u de zorg dat er, indien er voor gaswinning bij Ternaard toch een vergunning wordt afgegeven, in feite niets bekend is over het nieuwe bedrijf dat deze gaswinning uitvoert en we dus op dit moment niet weten welk bedrijf aan mijnbouw zal doen in dit uitermate kwetsbare gebied?
Ik deel uw zorgen op dit punt niet. Op het moment dat de gaswinning daadwerkelijk mag worden uitgevoerd zoals u in uw vraag stelt, is bekend welke partij dat doet, namelijk de vergunninghouder. Omdat voor de overdracht van de vergunning mijn toestemming nodig is en ik daarvoor de beoogde nieuwe vergunninghouder toets aan de eisen van de Mijnbouwwet, is gewaarborgd dat bekend is welke partij mijnbouwactiviteiten uitvoert en dat deze partij aan de eisen van de Mijnbouwwet voldoet.
Deelt u de conclusie dat, indien een ander bedrijf dan de NAM deze winning bij Ternaard van plan is uit te voeren, de vergunningsaanvraag in feite opnieuw moet worden ingediend, aangezien bijvoorbeeld ook de financiële mogelijkheden van het winningsbedrijf worden meegenomen in de beslissing over de vergunning?
Ik deel de conclusie in die zin dat ik bij de overdracht van welke winningsvergunning dan ook door de NAM aan een andere partij de financiële en technische mogelijkheden van de nieuwe partij meeweeg in de beslissing over de overdracht. Dit is van belang aangezien de overnemende partij in de rechten en plichten van de NAM treedt.
Het bericht 'Cardiologen krijgen zonder toestemming miljoenen euro’s van medische bedrijven' |
|
Corinne Ellemeet (GL), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cardiologen krijgen zonder toestemming miljoenen euro’s van medische bedrijven»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat cardiologen miljoenen euro’s ontvangen van medische bedrijven zonder het ziekenhuisbestuur hierover te informeren? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening. In de gedragscode medische hulpmiddelen (GMH) is opgenomen dat afspraken omtrent vergoeding van kosten van individuele zorgprofessionals schriftelijk moeten worden vastgelegd en dat de betrokken zorgprofessional deze afspraken meldt aan het bestuur van de zorginstelling2. Naar aanleiding van het nieuwsbericht ga ik op korte termijn met de Stichting Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH) en de inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in gesprek over de naleving en het toezicht hierop. Over de opbrengsten van deze gesprekken zal ik, zoals eerder toegezegd, uw Kamer in het eerste kwartaal van 2023 informeren.
Deelt u de mening dat ondanks uw beantwoording op eerdere Kamervragen (2022Z12943) waarin u nog stelde dat u voldoende maatregelen neemt tegen fraude in de zorgsector, er gezien dit bericht meer maatregelen genomen moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment is er geen aanleiding om voor de aanpak van fraude in de zorg maatregelen te treffen anders dan die zijn beschreven in de brief van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport van 29 juni3 en die ik heb genoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen4. In het geval van ongeoorloofd gunstbetoon is mijn beeld dat bestaande regelgeving en maatregelen adequaat zijn, het komt aan op naleving en toezicht.
Hoe beoordeelt u de beslissing van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die hier een rol in heeft omdat zij handhaaft op basis van de Wet medische hulpmiddelen, dat handhaving van de beleidsregels van deze zelfde wet is geregeld via zelfregulering?
Het is goed om een onderscheid te maken tussen toezicht en zelfregulering in het geval van gunstbetoon. De IGJ houdt namelijk toezicht op naleving van de Wet medische hulpmiddelen (Wmh), waarin een verbod op gunstbetoon is opgenomen. In artikel 6 lid 3 van de Wet medische hulpmiddelen (Wmh) is dit verbod opgenomen, waarbij er ook enkele uitzonderingen zijn gemaakt. De beleidsregels gunstbetoon geven een nadere uitleg aan het wettelijk verbod op gunstbetoon.
Zelfregulering vindt alleen plaats bij de Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH), waarin afspraken door het veld zijn gemaakt ten aanzien van gunstbetoon. De IGJ en de Stichting GMH hebben afspraken gemaakt over de zelfregulering op het gebied van gunstbetoon. Aangezien zelfregulering bevorderlijk is voor het toezicht op en de naleving van de vereisten op het gebied van gunstbetoon, onderschrijf ik het belang hiervan.
Deelt u de mening dat de Gedragscode medische hulpmiddelen niet naar behoren functioneert? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De uitzending van Nieuwsuur laat zien dat er belangrijke aandachtspunten zijn ten aanzien van de gedragscode. De aandachtspunten geven, zoals eerder aangegeven, aanleiding om met de IGJ en de Stichting GMH in gesprek te gaan over de gedragscode.
Deelt u onze mening dat de IGJ een actievere rol moet gaan spelen in het handhaven van de Wet medische hulpmiddelen, inclusief beleidsregels? Zo ja, hoe gaat u dit regelen? Zo nee, waarom niet?
De uitzending van Nieuwsuur geeft voor mij aanleiding om met de IGJ in gesprek te gaan over welke acties zij kunnen oppakken op dit dossier. Ik wil hierbij aangeven dat de IGJ al langere tijd aandacht heeft voor het thema gunstbetoon. De casuïstiek uit de Nieuwsuur-uitzending zal ook als belangrijk signaal worden meegenomen in het lopende toezicht op dit dossier. Daarnaast gaat de IGJ op korte termijn in gesprek met de betrokken veldpartijen om de zelfregulering te evalueren.