Het feit dat babysterftecijfers bij asielzoekers zeven keer hoger liggen dan het landelijk gemiddelde |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Babysterfte bij asielzoekers zeven keer zo hoog. Gynaecologen en verloskundigen slaan alarm» van De Leeuwarder Courant van 11 oktober 2022?1
Ja
Wat vindt u van het feit dat de kans op babysterfte bij asielzoekers in Nederland veel hoger ligt dan het gemiddelde?
Op basis van het aangehaalde onderzoek, lijkt de kans op babysterfte onder asielzoekers hoger te liggen dan het gemiddelde. Dit is vanzelfsprekend onwenselijk.
Hierbij wil ik wel opmerken dat ruim de helft van de vrouwen die tijdens hun verblijf bij het COA bevalt, reeds zwanger was bij aankomst. Voor hen geldt dat zij voor een (belangrijk) deel van hun zwangerschap geen zorg in Nederland hebben ontvangen omdat zij ook nog niet in Nederland waren. In hoeverre er wel zorg en begeleiding is geweest in het land van herkomst of onderweg wordt uit het onderzoek niet duidelijk. Goede zorg aan het begin en voorafgaand aan een zwangerschap (bijvoorbeeld het slikken van foliumzuur) is belangrijk voor het verdere verloop van de zwangerschap.
Is het hoge babysterftecijfer onder asielzoekers eerder geconstateerd? Zo ja, welke beleidsplannen waren daaruit voortgekomen om het tegen te gaan? Zijn deze geëvalueerd? Wat was de uitkomst van de evaluatie? Zo nee, waarom is dit niet eerder onderzocht?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) doet regelmatig onderzoek naar de medische zorg voor asielzoekers, inclusief geboortezorg. Wanneer de IGJ onvolkomenheden constateert worden aanbevelingen en aanwijzingen gedaan naar de betrokken partijen. Deze worden vervolgens ook opgevolgd. De IGJ ziet er op toe dat aan de aanbevelingen en aanwijzingen worden opgevolgd. Naar aanleiding van de aanbevelingen van de IGJ (toen nog IGZ) is in 2010 een ketenwerkgroep geboortezorg asielzoekers opgericht en zijn samenwerkingsafspraken met alle betrokken partijen vastgelegd in de ketenrichtlijn geboortezorg.
Wat vindt u van het feit dat de kans op sterfte van een pas bevallen moeder in een asielzoekerscentrum (azc) tot tien keer zo hoog ligt als normaal?
Uit de in het artikel genoemde onderzoeken haal ik niet dat de kans op sterfte van een pas bevallen moeder tot tien keer hoger ligt. Het is onduidelijk waarop deze stelling gebaseerd is. Zonder nadere achtergrond kan ik deze vraag helaas niet beantwoorden. Vanzelfsprekend is het wenselijk dat de kans op overlijden van pas bevallen moeders zo laag mogelijk, nihil, is. Dat is niet anders voor asielzoekers.
Is de hoge moedersterfte onder pas bevallen asielzoekers eerder geconstateerd? Zo ja, welke beleidsplannen waren daaruit voortgekomen om het tegen te gaan? Zijn deze geëvalueerd? Wat was de uitkomst daarvan? Zo nee, waarom is dit niet eerder onderzocht?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u van het feit dat uit onderzoek (waar het genoemde artikel naar verwijst)2 blijkt dat constante overplaatsing en personen die niet komen opdagen op hun afspraak verklarende factoren zijn voor de verhoogde kans op baby- en moedersterfte in azc's?
In het artikel en de onderzoeken waarnaar wordt verwezen wordt aangegeven dat er meerdere oorzaken kunnen zijn voor de verhoogde kans op baby- en moedersterfte. Daarbij wordt ook het aantal verhuizingen genoemd. Of en in hoeverre dit daadwerkelijk het geval is wordt verder niet onderbouwd. Het uitgangspunt is dat asielzoekers zo min mogelijk verhuizen, zeker waar het gaat om kwetsbare groepen, zoals kinderen en zwangere vrouw. In beginsel worden zij ook niet in (crisis)noodopvang geplaatst maar in een regulier asielzoekerscentrum. Daarnaast worden zwangere vrouwen in principe 6 weken voor de uitgerekende datum tot 6 weken na de geboorte van het kind niet verhuisd. Ook ten aanzien van het missen van afspraken wordt aangegeven dat verhuizing een rol kan spelen. Of er ook andere redenen zijn waardoor afspraken niet worden opgevolgd of worden gemist is niet onderzocht. Helaas brengt de huidige opvangproblematiek met zich mee dat het kan voorkomen dat ook de kwetsbare groepen tijdelijk wel in (crisis)noodopvang terecht komen omdat zij anders mogelijk op straat zouden moeten verblijven.
Bent u van plan iets met de bevindingen, zoals genoemd in vraag 6, te doen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn deze plannen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u het eens met de stelling dat asielzoekers, buiten de opvang om, onvoldoende toegang hebben tot goede zorg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Ik ben van mening dat de toegang tot de medische zorg voor asielzoekers voldoende is geborgd ook al brengt de huidige opvangproblematiek zeker uitdagingen met zich mee. Door de inzet van Gezondheidszorg Asielzoeker (GZA) in samenwerking met Arts en Specialist is er op vrijwel alle locaties toegang tot een huisarts of basisarts met een huisarts op afstand. Er wordt daarnaast gebruik gemaakt van een praktijklijn die is ingezet vanuit GZA, een 24/7 bereikbare telefoondienst inclusief tolkvoorziening die triage kan verrichten en waar nodig (bijvoorbeeld bij spoedgevallen) doorverwijzen naar een (spoed)huisarts. Zo nodig verwijst deze (spoed)huisarts weer door naar 2de lijnzorg. Voor de continuïteit van de zorg wordt gebruik gemaakt van een centraal beheerd medisch dossier dat beschikbaar is voor de huisartsen op de locaties. Dus ook in geval van verhuizingen is het medisch dossier beschikbaar voor de nieuwe huisarts of zorgverlener. Voor de zorg voor asielzoekers geldt dat gebruik wordt gemaakt van de reguliere zorg. Voor de asielzoekers geldt net als voor andere personen in Nederland dat personeelstekorten bij zorgverleners kunnen spelen. Dit kan betekenen dat ook asielzoekers in bepaalde gevallen op een wachtlijst terecht kunnen komen.
Bent u het eens met de stelling dat de zorg voor nieuwkomers te complex is voor hen om daar snel hun weg in te kunnen vinden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om de zorg voor nieuwkomers te verbeteren?
De wijze waarop de medische zorg is georganiseerd kan voor nieuwkomers inderdaad complex zijn. Zo is het gebruik van een huisarts als voorportaal naar vervolgzorg in veel landen niet op die manier geregeld. Om asielzoekers hiervan op de hoogte te brengen en over voor te lichten kent het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) de zogeheten gidsfunctie gezondheidszorg. Via deze gidsfunctie worden asielzoekers, aan het begin van hun verblijf, voorgelicht over de zorg op het centrum en in Nederland. Verder signaleren de medewerkers van het COA in het dagelijks contact met de bewoners mogelijke problemen, bespreken deze met de bewoners en verwijzen door naar de zorgverlening. Ook op latere momenten gedurende hun verblijf kunnen zij voor vragen terecht bij de medewerkers van het COA, die hen ondersteunen bij de toegang tot de zorg en de zorgverleners op locatie waar mogelijk faciliteren. Asielzoekers kunnen daarnaast terecht op de website van het COA, MyCOA.nl, waar informatie is terug te vinden over de medische zorg in Nederland. Om de taalbarrière te overbruggen kunnen tolken worden ingeschakeld.
Deelt u de mening dat het inhumaan beleid in asielzoekerscentra (denk aan slechte slaapplekken, kou, schurftuitbraken en dergelijke) verder bijdraagt aan het vergroten van risico op moeder- en babysterftecijfers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om deze situatie te verbeteren?
Ik deel de mening niet dat er sprake is van inhumaan beleid. Iedere asielzoeker heeft recht op opvang en voorzieningen. Helaas is het wel zo dat door een gebrek aan opvangplekken moet worden teruggevallen op noodopvanglocaties en crisisnoodopvang. Dit brengt ook uitdagingen mee in het bieden van kwalitatief goede opvang. Er wordt iedere dag door de medewerkers in de migratieketen hard gewerkt om voldoende opvangplekken te realiseren en daar ook de voorzieningen te bieden waar de mensen recht op hebben.
Wat vindt u van het feit dat meerdere wetenschappelijke studies3 aantonen dat blinde vlekken, vooroordelen, discriminatie, racisme en minder empathie vanuit zorgverleners naar patiënten met een niet-westerse achtergrond leiden tot gezondheidsverschillen en verslechterde zorg? Deelt u deze conclusies? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen?
Omdat er ook in zorg, welzijn en sport sprake is van discriminatie, is dit jaar de VWS-brede aanpak discriminatie en gelijke kansen gestart. Deze aanpak laat zien dat er op verschillende terreinen al de nodige stappen worden gezet, maar dat er ook nog veel onbekend is. Wat al wel gezegd kan worden, is dat het belangrijk is om blinde vlekken in beeld te brengen. Daarbij is onderzoek, zoals de publicaties waar u naar verwijst, van belang. Deze resultaten dienen dan ook serieus te worden genomen, en te worden bezien in een breder geheel van reeds bestaande onderzoeken op het onderwerp van discriminatie in de zorg. Hoe groot het probleem binnen de zorg- en welzijnssector daadwerkelijk is in Nederland, wordt de komende periode verder onderzocht. In een eerste inventarisatie worden hiaten en kennis in kaart gebracht, waarbij wordt gekeken hoe groot het probleem van discriminatie in de zorg is en wat werkt in de aanpak hiervan. De resultaten zullen naar verwachting in februari 2023 binnenkomen. Hierna volgt een landelijk vervolgonderzoek naar nog aan te wijzen thema’s op het gebied van discriminatie en gelijke kansen in de zorg, welzijn en sport.
Heeft u onderzocht of (institutionele) discriminatie vanuit de zorg ook een deel van de gezondheidsverschillen en hoge sterftecijfers onder asielzoekers verklaart? Zo nee, bent u bereid om dit te onderzoeken en de aanbevelingen uit dit onderzoek op te nemen in het beleid voor betere zorg voor asielzoekers? Zo nee, waarom niet?
Landelijk expertisecentrum Pharos heeft in opdracht van het Ministerie van VWS literatuuronderzoek gedaan naar de huidige kennis over de impact van discriminatie op de gezondheid van mensen en op gezondheidsverschillen in de maatschappij. Zij hebben zich in dit onderzoek niet uitsluitend gericht op de doelgroep asielzoekers. Dit jaar is de VWS-brede aanpak discriminatie en gelijke kansen gestart waarbij onderzoek een van de belangrijke pijlers is. Er zal eerst een verkennend onderzoek worden uitgevoerd dat inzichtelijk maakt hoe groot het probleem van discriminatie in de zorg is. Deze verkenning wordt in het voorjaar van 2023 gevolgd door een groot landelijk onderzoek naar discriminatie en belemmering van gelijke kansen in zorg en welzijn.
Denkt u dat (institutionele) discriminatie vanuit zorgaanbieders een deel van de hogere babysterftecijfers onder asielzoekers kan verklaren? Zo ja, bent u bereid dit te laten onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij antwoord op de vragen 6 en 7 kunnen er meerdere redenen zijn die ten grondslag liggen aan een hogere babysterfte maar om antwoord te kunnen geven op deze vraag is het van belang om de uitkomsten van de hierboven genoemde onderzoeken te hebben.
Heeft Artsen zonder Grenzen (AzG) reeds zijn bevindingen met u gedeeld over de gezondheidsstatus van asielzoekers en toegang tot zorg toen deze organisatie op Ter Apel ter plekke kwam? Zo ja, wat waren deze bevindingen? Zo nee, bent u van plan om een evaluatie in te plannen met AzG?
Ik ben Artsen zonder Grenzen (AzG) zeer erkentelijk voor de hulp die zij hebben geboden in Ter Apel. Bij brief van 2 september jl. hebben AzG en Dokters van de Wereld (DvdW) hun reactie gegeven op mijn brief van 26 augustus jl. (Kamerstuk 19637–2992). AzG en DvdW hebben daarin tot het volgende opgeroepen:
Creëer helderheid in rol en taakverdeling tussen GZA, GGD, huisartsen en maatschappelijke initiatieven.
Creëer helderheid in de vergoedingsregelingen voor lokale zorgprofessionals.
Waarborg continuïteit van zorg in Ter Apel en op CNO-locaties.
In voorgaande antwoorden ben ik reeds ingegaan op de medische zorg voor asielzoekers, waaruit blijkt dat de oproep van AzG en DvdW ter harte is genomen.
Het onderzoek dat JOB MBO deed naar ongebruikte leermiddelen |
|
Zohair El Yassini (VVD), Peter Kwint (SP) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB MBO) waaruit blijkt dat 93 procent van de mbo-studenten ongebruikte schoolboeken moet kopen?1
Ik heb kennis genomen van het onderzoek dat is uitgevoerd door JOB MBO. Het is zorgelijk dat mbo-studenten betalen voor leermiddelen die ze uiteindelijk niet gebruiken. Met de sector zijn heldere afspraken gemaakt om dit probleem te adresseren. Ik concludeer helaas dat de afspraken vooralsnog niet hebben geleid tot de gewenste resultaten.
Hoeveel mbo-scholen houden zich op dit moment aan de verplichte terugkoopregeling en bent u bereid om met de scholen in gesprek te gaan die geen terugkoopregeling hanteren?
Na uitvraag is gebleken dat 43 van de 57 mbo-instellingen een regeling voor ongebruikte leermiddelen hebben ingesteld. Van de instellingen die (nog) geen regeling hebben ingesteld zijn er op dit moment zeven bezig met het instellen daarvan. Eén instelling geeft aan geen onderwijsbenodigdheden van de student te vragen maar boeken en licenties te betalen en deze in bruikleen te geven aan de student, een terugkoopregeling is daarom niet aan de orde. Ik zeg hierbij toe in gesprek te gaan met de instellingen die nog geen regeling hebben ingesteld.
Hoe maakt u werk van het onder de aandacht brengen van deze verplichte terugkoopregeling bij studenten?
Iedere instelling moet de regeling ongebruikte leermiddelen breed bekend maken. Ik zal in mijn vervolggesprekken hen oproepen dit te doen. De sectorraad, JOB MBO en OCW hebben recentelijk een brochure «schoolkosten in het mbo» opgesteld waarin studenten worden geïnformeerd over de regeling ongebruikte leermiddelen. Om te zorgen dat meer studenten worden bereikt zal ik informatie over de regeling ongebruikte leermiddelen ook publiceren op de website van de rijksoverheid.
Bent u bereid om één universele terugkoopregeling in het leven te roepen, die geldt op iedere mbo-school, zodat scholen zelf geen onrealistische voorwaarden kunnen stellen?
De verplichting voor het instellen van een regeling ongebruikte leermiddelen geldt sinds vorig studiejaar. Ik vind het in dat opzicht te vroeg om over te gaan tot «één universele terugkoopregeling». De vorm en eisen van de regeling ongebruikte leermiddelen kunnen verschillen. Het is belangrijk dat de voorwaarden redelijk van aard zijn en kunnen rekenen op draagvlak van studenten. Medezeggenschapsraden hebben instemming op het schoolkostenbeleid. Instellingen moeten de regeling ongebruikte leermiddelen dan ook ter instemming aan hun medezeggenschapsraden voorleggen.
Hoe gaat u er samen met scholen en docenten voor zorgen dat boekenlijsten worden herzien, zodat ongebruikt lesmateriaal van deze lijsten verdwijnen?
Ik ga instellingen die nog geen regeling ongebruikte leermiddelen hebben ingesteld aanspreken dit alsnog zo snel mogelijk te doen. Ik verwacht dat de regeling ongebruikte leermiddelen bij iedere instelling ertoe leidt dat een kritische periodieke evaluatie van de leermiddelenlijsten plaatsvindt. Ongebruikte leermiddelen moeten immers door de instelling worden teruggekocht.
Bent u bereid om de motie van de leden El-Yassini en Kwint alsnog uit te voeren?2 Kunt u dit toelichten?
U heeft mij in uw motie gevraagd instellingen wettelijk te verplichten lesmaterialen of boeken die niet worden gebruikt, terug te kopen. Ik constateer dat de meeste instellingen gehoor hebben gegeven aan het instellen van een regeling ongebruikte leermiddelen. De instellingen die dat nog niet hebben gedaan zal ik daarop aanspreken. Wanneer blijkt dat instellingen zich toch niet aan de afspraak houden kan alsnog tot deze stap worden overgegaan.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat MBO van 9 november 2022?
Ja.
Het levensbelang van de natuur voor mens, dier en het oplossen van de klimaat- en biodiversiteitscrises |
|
Leonie Vestering (PvdD), Eva Akerboom (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Twee crises, één oplossing: meer natuur» en «WNF: populaties wilde dieren blijven afnemen, er moet nu iets gebeuren»?1, 2
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat sinds 1970 dierpopulaties met 69 procent zijn afgenomen, voornamelijk als gevolg van landbouw, klimaatverandering, overbevissing, stroperij en vervuiling?
Dit is opnieuw een zeer zorgwekkend bericht dat aansluit bij de berichtgeving van eerdere rapporten, waaronder van het Intergovernmental Platform on Biodiversity and Ecosystem Services 3. Ik blijf mij inzetten voor het beschermen en versterken van de Nederlandse natuur en de daarin levende soorten. Daarnaast zet Nederland zich internationaal in voor het behoud van biodiversiteit en de bescherming van soorten. Dit zal ook tot uitdrukking komen in de Nederlandse onderhandelingsinzet bij de bijeenkomsten van het VN-Biodiversiteitsverdrag (CBD) en het VN verdrag over de handel in bedreigde soorten (CITES), later dit jaar.
Onderschrijft u de onlosmakelijke link tussen klimaatverandering en biodiversiteitsverlies? Onderschrijft u hoe klimaatverandering impact heeft op de natuur als gevolg van bosbranden en droogte, maar hoe vice versa biodiversiteit en natuur bijdragen aan het opvangen en mitigeren van de klimaatverandering door onder andere het opslaan van CO₂ in zowel bomen als oceanen?
Klimaatverandering en biodiversiteitsverlies zijn twee van de grootste uitdagingen van deze tijd en twee kanten van dezelfde medaille. Met het verlies aan biodiversiteit verliezen we niet alleen natuur, maar ook een deel van onze beste verdediging tegen klimaatverandering. Ik zet mij er dan ook voor in om klimaat en biodiversiteit in samenhang aan te pakken op zowel nationaal als internationaal niveau.
Erkent u dat de wereld in een beslissende fase is gekomen (de jaren tot 2030 worden ook wel de «deciding decade» genoemd), waarin alles op alles gezet moet worden om de natuur en biodiversiteit van de ondergang te redden, terwijl het redden van de natuur ook de oplossing is van de klimaatcrisis? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederland zijn eigen voetafdruk in de komende jaren drastisch naar beneden bijstelt?
Klimaatverandering en biodiversiteitsverlies zijn het meest succesvol te bestrijden als dat in onderlinge samenhang gebeurt. Voor beide crises geldt dat de komende jaren cruciaal zijn om de schadelijke gevolgen te beperken. Het kabinet zet daar op in middels onder meer een forse reductie van broeikasgassen, het versnellen van de circulaire economie en de transitie naar een natuurinclusieve samenleving. In het kader van het nationale strategie en actieplan biodiversiteit (NBSAP) zal het kabinet met een nadere uitwerking komen van de stappen die gezet worden om de Nederlandse (ecologische) voetafdruk te verkleinen (zie ook Kenmerk 2022Z17173).
Onderschrijft u de conclusie van de directeur van het Wereld Natuur Fonds (WNF) dat de oplossing voor zowel de klimaat- als de biodiversiteitscrises meer natuur is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke rol zouden gezonde oceanen en specifiek de Noordzee hierin kunnen spelen?
Het realiseren van meer natuur op land en zee kan een belangrijke bijdrage leveren aan het oplossen van zowel de klimaat- als de biodiversiteitscrises. Gezonde zeeën en oceanen vervullen belangrijke functies voor klimaat, natuur en economie. Daarom moeten we bij ons gebruik de ecologische draagkracht van zeeën en oceanen in acht nemen. Door een combinatie van bescherming, herstel en duurzaam gebruik kan deze draagkracht geborgd blijven en wordt het natuurlijk kapitaal, van onder meer de Noordzee, vergroot. Het kabinet maakt zich hard voor de uitvoering van het Noordzeeakkoord waarin de energie-, voedsel- en natuurtransitie samenkomen.
Gezien het belang van natuur, bent u het eens met eerdere rapporten van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) waarin staat dat er minstens 150.000 hectare nieuwe natuur bij moet in Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat er meer natuur (van waarde voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten) bijkomt in Nederland?3, 4
Rapportages van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) geven inderdaad aan dat uitbreiding van leefgebied nodig is voor het uiteindelijk realiseren van een gunstige staat van instandhouding van de natuur in Nederland. De schatting van 150.000 hectare hoort bij een specifiek scenario dat PBL heeft doorgerekend: scenario «Hoger doelbereik». In het coalitieakkoord is uitbreiding van het natuurareaal ook als ambitie opgenomen om de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn dichterbij te brengen. Via het Nationaal Programma Landelijk Gebied wil het kabinet een verdere impuls geven aan de inrichting van het landelijk gebied, ook voor wat betreft de natuur. Later dit jaar ontvangt uw Kamer de nadere uitwerking van het NPLG voor onder andere de natuurdoelen. Dat geeft ook meer inzicht in de verwachte hectareopgave in het landelijk gebied, zowel met betrekking tot natuurgebieden als natuurinclusief landbouwareaal.
Wat dacht u toen u las dat mede-opsteller van het rapport van het WNF, Monique Grooten, stelt dat de toekomst van de aarde op ons bord ligt en we snel meer plantaardig zullen moeten gaan eten?
Het belang van een verandering in ons dieet van dierlijke naar plantaardige eiwitten onderschrijf ik. Daarom heb ik de doelstelling van een verandering van 6040% nu naar 5050% in 2030 opgenomen als een van de doelstellingen van het nieuwe voedselbeleid in de brief aan de Kamer van 29 maart jl. (Kamerstuk 31 532, nr. 271) en in de Nationale Eiwit Strategie (Kamerstuk 35 925-XIV, nr. 156). Via het Voedingscentrum worden consumenten geïnformeerd en gestimuleerd om meer volgens de Schijf van Vijf te eten, met daarbinnen een balans tussen plantaardige en dierlijke eiwitten. Er loopt daarnaast een onderzoek voor een versnellingsagenda, gericht op de extra stappen die nodig zijn om deze doelstelling te bereiken. Ik verwacht daar de eerste resultaten van begin volgend jaar. Deze zullen meegenomen worden in een nadere concretisering van het voedselbeleid, waarover ik u komend voorjaar per brief zal informeren.
Een lijst van 500-600 piekbelasters |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kunt u toelichten hoe de verwarring over het bestaan van «een lijst van 500–600 piekbelasters» is ontstaan en wat precies de informatie richting de heer Remkes was, waar hij zijn veronderstelling op baseerde?
Als bijlage bij mijn brief van 14 oktober 2022 heeft u de exacte informatie zoals die aangeleverd aan de heer Remkes ontvangen (Kamerstuk 35 334, nr. 202). Zoals in die brief toegelicht, is op verzoek van de heer Remkes ambtelijk een inschatting gemaakt van de potentiële orde-grootte-effecten van een aanpak gericht op piekbelasters. Deze analyse is evenwel gedaan op basis van geanonimiseerde data en niet op basis van een lijst van 500–600 concrete bedrijven. Om welke bedrijven het gaat, is afhankelijk van beleidsuitgangspunten en instrumentarium.
Kunt u de eerdere adviezen en studies van en voor het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, waarin ook sprake was van «piekbelasters» en «piekvervuilers», zoals het eerdere advies van de heer Remkes, RIVM-rapporten, de studie van het Ministerie van Financiën en de «Top 100» voor ammoniak en stikstofdioxide (NO2) en andere, samenvatten en appreciëren voor gericht beleid op piekbelasters?
Bovengenoemde adviezen en rapporten onderstrepen de potentie van een aanpak waarin gericht de uitstoot van de grootste piekbelasters wordt teruggebracht of weggenomen. Waar de top-100-lijsten voor ammoniak (NH3) en stikstofdioxide (NO2) informatie geven over de uitstoot, is bij de aanpak van piekbelasters met name de depositie van die bedrijven op de natuur, in het bijzonder stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden van belang. Met gebiedsspecifiek maatwerk gericht op piekbelasters kunnen stikstofdeposities effectiever worden weggenomen. Voor de nadere definiëring van wie piekbelasters zijn, zijn de hoeveelheid depositie, de eigenschappen van de stof (NOx of NH3), de soort en de karakteristieken van de emissiebron en de afstand tot een N2000-gebied relevant. Instrumenten kunnen zich vervolgens nog richten op specifieke subsets van piekbelasters, bijvoorbeeld de piekbelasters op die Natura 2000-gebieden waarvan de huidige en/of voorziene toekomstige staat het meest zorgelijk is.
Met de maatregel gerichte aankoop (MGA) gericht op agrarische piekbelasters wordt in de huidige aanpak stikstof reeds invulling gegeven aan gebiedsgerichte depositiereductie. Ook wordt ingezet op gebiedsgericht maatwerk voor industriële piekbelasters. Zoals toegezegd in het stikstofdebat van 23 juni jongstleden en tevens conform de motie-Van Campen (VVD) (Kamerstuk 33 576, nr. 302) werk ik de aanpak hiervoor verder uit samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. In de korte termijn aanpak die thans wordt uitgewerkt in het kader van het advies van de heer Remkes zullen de genoemde adviezen en de reeds lopende trajecten worden betrokken.
Wordt het idee om «piekbelasters» met voorrang en binnen een jaar uit te kopen of te onteigenen en de «winst» meegenomen in de gebiedsprocessen?
Het kabinet heeft in zijn reactie op het advies Remkes d.d. 14 oktober 2022 aangegeven om met betrekking tot piekbelasters de gefaseerde aanpak van de heer Remkes te hanteren: aanpassen, verplaatsen en daarna het gesprek aangaan over (vrijwillig) stoppen. Met provincies wordt momenteel overlegd over hoe dit proces het beste is te organiseren. Hierbij komt ook de samenhang van de piekbelastersaanpak met de gebiedsprocessen aan de orde. Beoogd is dat de inzetbare stikstofruimte die een aanpak oplevert met prioriteit naar het legaliseren van de PAS-meldingen gaat.
Wordt het idee om de «winst» van het beëindigen van «piekbelasters» te verdelen onder Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders meegenomen in gebiedsprocessen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er een overlap tussen de bedrijven met de grootste ammoniakemissies en de bedrijven met de grootste stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden?
De omvang van de ammoniakemissie is een belangrijke factor. Voor de depositie op natuurgebieden zijn echter onder andere ook de ligging ten opzichte van en de afstand tot die natuur medebepalend.
Is er een overlap tussen de bedrijven met de grootste depositie en de lijst met PAS-melders?
Op dit moment is er geen lijst met piekbelasters waar de aanpak op zal zien, samengesteld. De mate waarin er sprake is van overlap, is daarmee niet te duiden.
Wat vindt u van het advies van de heer Remkes om Nederland in «zones» te verdelen, ingedeeld naar wat er in een bepaald gebied mogelijk is?
In het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de verschillende typen gebieden in ons land, zoals de hoge zandgronden, veenweidegebieden en de kleigebieden. Ieder type gebied heeft zijn eigen natuur-, water- en bodempotenties met daarbij behorende opgaven voor natuur, stikstof, water en klimaat. Deze opgaven werken door in de ruimtelijke planvorming. Door onderscheid te maken tussen gebieden vanuit de opgaven die er spelen, wordt duidelijk wat er wel en niet in een gebied mogelijk is. Een zonering, zoals ook de heer Remkes voorstelt, kan ondersteunend werken aan de gebiedsprogramma’s. Het kabinet heeft reeds aangegeven dat het werken met een zonering «bottom-up» vorm zou moeten krijgen. Vanuit deze gedachte past het advies bij de uitgangspunten van het NPLG en de gebiedsgerichte aanpak die het kabinet voorstaat.
Als er een dergelijke indeling wordt gemaakt, hoeveel (ongeveer) van de PAS-melders zouden dan in een «rode zone» vallen?
Zo’n indeling is op dit moment niet gemaakt. Zodoende is ook niet te zeggen hoeveel PAS-meldingen (ongeveer) in een van de verschillende zones zouden vallen.
Het bericht 'Groep 7/8 van cbs De Wegwijzer moet op zoek naar een andere school' |
|
René Peters (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat door het lerarentekort twee klassen op zoek moeten naar een andere school?1
Allereerst begrijp ik de zorgen en emoties die er bij leerlingen, ouders en personeel zijn in deze situatie. Kinderen hebben goed onderwijs en stabiliteit nodig en deze school is een belangrijke schakel in het dorp. Ik begrijp daarom dat dit een zwaar besluit moet zijn geweest voor de school. Ik vind het zorgwekkend dat het lerarentekort tot dit soort situaties leidt. Het toont voor mij dan ook de noodzaak aan om samen met alle betrokken partijen de tekorten aan te pakken. Het tekort aan leraren zet een grote druk op het onderwijs en leidt tot veel stress, onmacht en ongemak, zoals ook bij deze situatie het geval is. Bovendien vormt het een risico voor de kwaliteit en continuïteit van het onderwijs.
Daarom moeten alle registers open om de tekorten aan te pakken. Daarbij is het van belang dat we regionaal samenwerken om dit soort situaties te voorkomen. Op 1 juli stuurden wij hierover naar uw Kamer onze strategie voor de aanpak van de tekorten en op 21 oktober heeft uw Kamer hierover een update gekregen.2
Verwacht u bij meer kleinere dorpsscholen dat vanwege het lerarentekort klassen op zoek moeten naar een andere school?
Er zijn er geen concrete signalen dat meer klassen bij kleinere dorpsscholen vanwege het lerarentekort op zoek moeten naar een andere school. Dat neemt niet weg dat de tekorten op veel plekken urgent zijn en dat we alles moeten doen wat nodig is om de tekorten tegen te gaan.
Hoe wilt u omgaan met de opheffingsnorm indien vanwege het lerarentekort klassen op zoek moeten naar een andere school?
Zoals wij in de Kamerbrief Lerarenstrategie hebben beschreven, zijn er in grote steden nog veel relatief kleine scholen.3 Dit is zowel vanuit kwaliteit als inzet van personeel niet effectief. We moeten de discussie durven aangaan of scholen niet meer samengevoegd kunnen worden, rekening houdend met de toegankelijkheid van het onderwijs.
De opheffingsnormen voor het basisonderwijs zijn niet voor alle scholen hetzelfde. In dichtbevolkte gebieden ligt de opheffingsnorm voor een basisschool tegen de 200 leerlingen. Voor een school in een zeer dunbevolkte gemeente geldt de minimale norm van 23 leerlingen. Het is niet voor niets dat in dunbevolkte gemeentes een andere opheffingsnorm van toepassing is. Het is namelijk onwenselijk als kinderen in het basisonderwijs grote afstanden moeten reizen om naar school te kunnen. Het vraagt maatwerk om per lokale en regionale situatie te bepalen wat voor de kinderen het beste is. Dat bevestigt voor mij het belang van een regionale aanpak voor de continuïteit van het onderwijs.
Welke afstand vindt u acceptabel dat kinderen moeten reizen om naar een basisschool te gaan?
Wettelijk is geregeld dat een basisschool niet hoeft te sluiten wanneer de school de enige school van de geloofsrichting binnen een straal van 5 kilometer is en ten minste 50 leerlingen heeft. Wanneer de school de enige openbare basisschool binnen 10 kilometer is over de weg gemeten en ten minste 23 leerlingen heeft, hoeft deze ook niet te sluiten. Deze uitgangspunten vind ik acceptabel.
Welke rol ziet u voor wie als het gaat om de ontwikkeling van het sluiten van klassen en de zorg dat ook in de regio’s basisonderwijs op redelijke afstand blijft worden aangeboden?
Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het onderwijs en het aanstellen van (voldoende) personeel. Dat is gezien de tekorten op dit moment niet eenvoudig. Het vraagt inzet van alle betrokkenen, zowel regionaal als landelijk, om de tekorten aan te pakken.
Zoals aangegeven in de brief Lerarenstrategie, is in de regio winst te behalen. Door meer samen te werken bij het werven, opleiden en professionaliseren, bij het zorgen voor duurzame inzetbaarheid en breder goed personeelsbeleid kunnen de tekorten effectiever worden aangepakt. Daarom stimuleert OCW de regionale samenwerking op de onderwijsarbeidsmarkt via bijvoorbeeld de Regionale aanpak personeelstekorten (RAP).
Ook op landelijk niveau moeten we er alles aan doen om de tekorten aan te pakken en de juiste maatregelen te nemen. Zoals in de Kamerbrief Lerarenstrategie beschreven, komt er een landelijke strategie.4 Ook wijs ik op de verschillende regelingen om zij-instromers en onderwijsassistenten te stimuleren de opleiding tot leraar te volgen.
Het bericht ‘VWS blijft dwangsommen betalen voor het niet openbaren Sywert-communicatie’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «VWS blijft dwangsommen betalen voor het niet openbaren Sywert-communicatie»?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom u nog altijd niet kunt voldoen aan de uitspraak van de rechter om de interne communicatie rondom de zogenaamde «Sywert-deal» vrij te geven?
Wij verwijzen hiervoor naar de brief die we op 12 oktober jongstleden2 naar uw Kamer hebben gezonden. Hierin hebben wij u onder andere gemeld dat ten eerste recent is verduidelijkt dat voor zover bewindspersonen via chatberichten met elkaar overleggen, dit overleg bescherming verdient uit oogpunt van eenheid van kabinetsbeleid. Deze lijn strekt zich ook uit tot passages in andere chat- en sms berichten waarin verslag wordt gedaan van deze overleggen. De betrokken chat- en sms berichten dienen hierop te worden beoordeeld. Eerder was er Rijksbreed onvoldoende helderheid over hoe in deze context omgegaan moest worden met chat- en sms berichten.
Ten tweede is duidelijk geworden dat de voor het desbetreffende verzoek geselecteerde chat- en sms berichten nog niet compleet zijn. Tijdens het zienswijze traject is gebleken dat de selectie van (onderdelen van) berichten niet eenduidig is geweest en dat niet alle corona gerelateerde chat- en sms berichten daarin zijn meegenomen. De geselecteerde chat- en sms berichten dienen hierop te worden aangevuld en te worden beoordeeld. Dit is van belang zodat een zo volledig mogelijk beeld van de desbetreffende chatconversaties ontstaat.
Hieraan ligt ten grondslag dat het op een juiste manier bewaren van chat- en sms berichten uitermate complex is gebleken en extra aandacht verdient uit oogpunt van archief- en privacy regelgeving. Het samenspel van de archiefwetgeving, Woo en privacy-rechtelijke regels waaraan bij dit verzamel- en bewaarproces moet worden voldaan, maakt de situatie extra complex. Het selecteren en beoordelen van de documenten vergt veel capaciteit, te meer omdat de wijze van archivering en de stand van de informatiehuishouding maken dat veel werkzaamheden handmatig dienen te gebeuren. Denk daarbij ook aan het gereed maken van de chat- en sms berichten voor de beoordeling op grond van de Woo. Er dient een (technisch) proces plaats te vinden om de berichten op een correcte manier doorzoekbaar te maken, ze te kunnen bewaren en vervolgens ook geschikt te maken om juridisch te laten beoordelen op grond van de Woo. Dit maakt dat eerst dit proces moet worden doorlopen, voordat het openbaarmakingsproces in gang kan worden gezet.
Hoe verhoudt zich de hinder die uw departement ondervindt van de overvraging van informatieverzoeken met betrekking tot de coronapandemie, ten opzichte van de hinder die het Nederlandse volk en de Kamer ondervindt van het gebrek aan openheid en transparantie van het kabinet over de gemaakte beleidskeuzes met betrekking tot de coronapandemie in het algemeen en de Sywert-deal in het bijzonder?
Het Ministerie van VWS werkt met man en macht om de informatie openbaar te maken. We hechten net zo zeer aan transparantie als u, VWS wil zo transparant mogelijk zijn over de crisisbestrijding. Het gaat echter om zeer veel en omvangrijke documenten. Noch de Wob, noch de Woo is toegerust voor zo’n grote hoeveelheden documenten.
Bij de totstandkoming van de Woo is onvoldoende voorzien in (crisis)situaties, waarin door de hectiek en de vereiste snelheid van handelen omvangrijke hoeveelheden documenten zich niet altijd in de reguliere document management systemen bevinden. Het vergt zeer veel capaciteit om de documenten te verzamelen, selecteren en beoordelen. Mede gezien de grote hoeveelheden documenten waar het hier over gaat en de huidige arbeidsmarkt, die het complex maakt de beschikbare capaciteit op peil te houden, laat staan uit te breiden, vergt openbaarmaking meer tijd.
Om toch zo veel mogelijk verzoekers te kunnen voorzien van informatie, heeft het Ministerie van VWS een aangepaste werkwijze voor de afhandeling van Woo-verzoeken betreffende de coronabestrijding. Bij deze werkwijze worden stukken rondom de coronacrisis gefaseerd vrijgegeven. Dit betekent dat er per categorie en per maand documenten openbaar worden gemaakt. Deze werkwijze is ingevoerd gelet op de grote hoeveelheid corona-gerelateerde documenten (op dit moment meer dan 7,2 miljoen) die krachtens de Woo zo snel mogelijk moeten worden verwerkt. En het gaat om een zeer groot aantal Wob-verzoeken (inmiddels ruim 380). De Raad van State heeft in haar uitspraken van 20 oktober 20213 de behandeling van verzoeken om informatie over het coronavirus in stand gelaten. Het Ministerie van VWS heeft inmiddels zo’n 600.000 documenten verwerkt, en 108 corona-gerelateerde verzoeken afgedaan, voorzover het gaat over corona-gerelateerde documenten als mails en nota’s.
Kunt u aangeven op welke absolute of relatieve weigeringsgronden u zich baseert om de communicatie nog steeds niet vrij te geven? Kunt u een uitgebreide verklaring geven met een uiteenzetting van de gronden met betrekking tot de betreffende communicatie?
Nee. De weigeringsgronden zijn onderdeel van het nog te nemen Woo-besluit. Voor de redenen van de vertraging verwijs ik u naar het antwoord van vraag 2.
Bent u niet van mening dat het openbaar maken van deze communicatie het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient?
Ja. Het Ministerie van VWS doet er alles aan om verzoekers zo snel en zo doelgericht mogelijk van informatie te voorzien met in achtneming van de zorgvuldigheidseisen die de Woo stelt. Zo stelt de wet ook eisen betreffende privacy en bedrijfsgeheimen.
Kunt u uitleggen waarom van de communicatie die op dit moment wel al is verzameld nog nader bepaald moet worden wat kan worden vrijgegeven en wat niet? Welke informatie zou potentieel niet vrijgegeven kunnen worden en waarom niet? Welke afwegingen worden daarbij gemaakt? Prevaleert het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering hierbij (inmiddels) niet boven ieder ander belang?
We verwijzen u hiervoor naar het antwoord op vraag 2. De chat- en sms berichten dienen nog beoordeeld te worden op vertrouwelijkheid uit oogpunt van eenheid van kabinetsbeleid. We kunnen niet vooruitlopen op de uitkomst van die beoordeling of de daarin te maken afwegingen. Dit is onderdeel van het nog te nemen Woo-besluit.
Aangezien er grote sommen gemeenschapsgeld gemoeid waren met de zogenaamde «Sywert-deal», bent u dan niet van mening dat het Nederlandse volk recht heeft op volledige en compleet transparante verantwoording over en specificaties van deze deal?
Ja, met dien verstande dat op grond van de Woo ook bepaalde zorgvuldigheidsvereisten in acht genomen moeten worden. Het Ministerie van VWS doet er alles aan om verzoekers zo snel en zo doelgericht mogelijk van informatie te voorzien met in achtneming van deze zorgvuldigheidseisen.
Reflecteert u inmiddels anders op de uitspraak die hoogleraar staatsrecht de heer Voermans in juni jongstleden al deed, dat het weigeren deze communicatie vrij te geven «in strijd met zowat alle openbaarheids- en archiefregels die we hebben» is? Bent u inmiddels wel van mening dat het handelen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in deze kwestie ernstig in strijd is met deze openbaarheids- en archiefregels? Of bent u het eens met de uitspraken van ambtenaren van het Ministerie dat deze keuze «juridisch verdedigbaar» is? Zo ja, kunt u dat dan verantwoorden?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe reflecteert u op het feit dat het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport inmiddels duizenden euro’s aan dwangsommen moet betalen, welke worden bekostigd middels gemeenschapsgeld, waarmee de burger dus defacto zelf opdraait voor het feit dat hem democratische bestuursvoering wordt ontzegd? Op welke manier vindt u dit te rechtvaardigen?
We betreuren dat het niet gelukt is om binnen de door de rechter opgelegde termijn volledig aan de desbetreffende Wob/Woo-verzoeken te voldoen. Dat geldt ook voor het verbeuren van dwangsommen. We zijn doordrongen van het belang van tijdige besluitvorming en transparantie. Alles is er dan ook op gericht om zo snel als mogelijk op de verzoeken om informatie te beslissen (voor zover dat nog niet gebeurd is) en het verbeuren van dwangsommen te voorkomen.
Welk bedrag aan dwangsommen acht u nog redelijk om te moeten betalen voor het niet vrijgeven van de betreffende communicatie? Zit er een maximum aan dit bedrag en welke afwegingen liggen ten grondslag aan deze bepaling, met het oog op het daarmee gemoeide gemeenschapsgeld?
Zie antwoord vraag 9.
Aangepaste bivalente vaccins tegen het coronavirus en boostercampagnes |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de recente berichtgeving van een internist-infectioloog van het OLVG, waarin deze internist-infectioloog aangeeft dat recente studies laten zien dat doorgemaakte natuurlijke infecties misschien wel net zo goed werken als een booster-vaccinatie, met name tegen Omikronvarianten en dat de verschillende Omikronvarianten sowieso doorgaans een mild verloop hebben?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het Twitterbericht waar in de vraag naar wordt verwezen.
Hoe reflecteert u in dat licht bezien op uw beantwoording van de tweede vraag van de eerder gestelde schriftelijke vragen van het lid Van Haga over bivalente vaccins en de boostercampagnes? Kunt u inzichtelijk maken op welke manier het aannemelijk is dat de Omicronvariant potentieel nog steeds zal zorgen voor een (te) grote druk op de zorg?2
Ik vind niet dat ik op basis van een Twitterbericht mijn eerdere beantwoording moet herzien. De aanname dat de omikronvariant van het virus geen risico voor de volksgezondheid zou vormen is niet juist. De varianten van het virus die op dit moment circuleren zijn weliswaar minder ziekmakend, maar ook een infectie met deze varianten kan leiden tot ernstige ziekte, langdurige klachten of zelfs sterfte. Daarnaast zijn omikronvarianten van het coronavirus zeer besmettelijk gebleken en kan een stijging in het aantal besmettingen nog steeds leiden tot een verhoogde druk op de zorg.
De studies waar in het Twitterbericht naar verwezen wordt, zijn bovendien vrijwel allemaal gepubliceerd in de periode voorafgaand aan de medisch-wetenschappelijke advisering van het OMT-Vaccinaties (OMT-V) over de najaarsronde en de inzet van bivalente vaccins. Ik vertrouw erop dat de experts die in het OMT-V plaatsnemen alle relevante wetenschappelijke literatuur hebben meegewogen om tot een gedegen en goed onderbouwd advies te komen over het aanbieden van een herhaalprik in het najaar. Er bestaat een brede internationale wetenschappelijke consensus over de meerwaarde van de bivalente vaccins.
Waarom roept u de gehele bevolking vanaf twaalf jaar op voor het halen van een booster, aangezien inmiddels slechts 22% van de Nederlandse bevolking nog geen natuurlijke infectie heeft doorgemaakt en de effectiviteit van boosters tegen ernstige COVID-19-infecties aanzienlijk minder is onder een populatie die al grotendeels immuniteit heeft bereikt dan wanneer de bevolking nog veel SARS-COV-2 naïeve personen telt?3, 4
Na verloop van tijd zien we zowel na vaccinatie als na infectie een afname van bescherming tegen COVID-19. Dit komt onder andere door de opkomst van nieuwe varianten. Het is daarom nog steeds van toegevoegde waarde dat ook de mensen die al een infectie hebben doorgemaakt zich laten vaccineren. De verwachting is dat de aangepaste bivalente vaccins een bredere bescherming geven en beter beschermen tegen de nu circulerende varianten dan het originele vaccin. Vooral voor ouderen en kwetsbaren is het van belang om de herhaalprik te halen, daarom worden zij persoonlijk uitgenodigd door middel van een brief. De overige bevolking van 12 jaar en ouder krijgt de mogelijkheid om de herhaalprik te halen, maar geen persoonlijke uitnodiging.
Kunt u uw antwoord dat «in deze studies zien we tot nu toe dat elke vaccinatie nog steeds veel toegevoegde waarde geeft in de afweerreactie» nader toelichten, aangezien uit andere studies blijkt dat de beschermingsfactor van boosters onder een populatie met een hoge mate van (natuurlijke) immuniteit aanzienlijk daalt?5
Het klopt dat een eerste infectie of vaccinatie het grootste effect heeft op de immuunrespons. Daarom zijn de eerste vaccinaties, een basisserie gevolgd door een boostervaccinatie, het belangrijkst. Na verloop van tijd zien we zowel na vaccinatie als na infectie een afname van bescherming tegen COVID-19. Dit komt onder andere door de opkomst van nieuwe varianten. De verwachting is dat de aangepaste bivalente vaccins de bescherming weer op peil brengen, en daarbij een bredere bescherming geven en beter beschermen tegen de nu circulerende varianten dan het originele vaccin.
Kunt u uitleggen waarom er toch opnieuw een bevolkingsbrede boostercampagne wordt uitgerold, terwijl deze boosters voor veel mensen waarschijnlijk nauwelijks toegevoegde waarde meer hebben, omdat zij al gevaccineerd en/of natuurlijk geïnfecteerd zijn en vaccinatie bovendien niet effectief is tegen transmissie van het virus?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb toegelicht is de herhaalprik ook van toegevoegde waarde voor personen die al gevaccineerd zijn en/of een infectie hebben doorgemaakt. Daarom heeft het OMT-V hiertoe geadviseerd. De herhaalprik beschermt goed tegen ernstige ziekte en sterfte en draagt op deze manier bij aan het voorkomen van een te grote druk op de zorg. Tevens zijn er inmiddels meerdere wetenschappelijke studies verschenen waaruit blijkt dat vaccinatie transmissie van het coronavirus tegengaat. Dit is ook gebleken uit verschillende onderzoeken die het afgelopen jaar door het RIVM zijn uitgevoerd6. Ook het OMT-V benoemt dat het aannemelijk is dat de vernieuwde vaccins een rol kunnen spelen bij het verminderen van transmissie. Daarom heb ik er, op basis van het OMT-V-advies, voor gekozen om iedereen van 12 jaar en ouder de mogelijkheid te bieden een herhaalvaccinatie met een vernieuwd vaccin te halen. Doel hiervan is het zo veel mogelijk voorkomen van besmetting en het kunnen openhouden van de samenleving. Er blijft echter altijd een zekere mate van onzekerheid over de exacte bescherming tegen transmissie, omdat dit sterk afhankelijk is van de op dat moment dominante variant van het virus.
Vindt u het met de bevindingen over (de effectiviteit van) boosters, nog steeds geoorloofd om de vaccinatiegraad eventueel mee te nemen in de overweging voor het wel of niet invoeren van (vrijheidsbeperkende) coronamaatregelen? Zo ja, kunt uitleggen hoe u dat te verantwoorden vindt, ervan uitgaande dat de effectiviteit van boosters onder de Nederlandse bevolking waarschijnlijk niet heel groot is en de vaccins bovendien niet beschermen tegen transmissie?
Beide beweringen in deze vraag zijn onjuist. Ik acht het niet zinnig om te speculeren over het verantwoorden van maatregelen «ervan uitgaande dat de effectiviteit van boosters onder Nederlandse bevolking waarschijnlijk niet heel groot is en de vaccins bovendien niet beschermen tegen transmissie». De COVID-19-vaccins zijn namelijk bijzonder effectief, zoals ik in de bovenstaande antwoorden heb toegelicht. Een recente publicatie van het RIVM heeft dat belang nogmaals aangetoond.7
Bent u het eens met de conclusie van de internist-infectioloog van het OLVG dat wij zouden moeten stoppen met testen en traceren en dat het in dit stadium beter is het virus te laten rondgaan onder de grotendeels inmiddels beschermde populatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat u uw vaccinatiestrategie voor de komende tijd dan herzien?
Nee, ik ben het er niet mee eens dat we moeten stoppen met testen en traceren. Testen en traceren zijn nog altijd belangrijk, onder andere ter bescherming van mensen met een verhoogde kans op een ernstig verloop en mensen die langdurig klachten houden nadat ze COVID-19 hebben gehad (post-COVID). Het advies is daarom nog steeds: heb je klachten, doe een (zelf)test. Voor het overgrote deel van de mensen is een zelftest voldoende. En het advies is ook nog steeds: ga in isolatie na een positieve (zelf)test en informeer je contacten. Verder zijn er verschillende instrumenten om nieuwe varianten tijdig op te sporen. Om daarnaast zicht te houden op onder meer de verspreiding van het virus en het aantal besmettingen zijn surveillance-databronnen ingericht. De reden waarom het nog steeds belangrijk is dat mensen zich laten vaccineren heb ik in de voorgaande antwoorden toegelicht. Ik zie op dit moment geen reden om het test- en traceerbeleid of de vaccinatiestrategie voor de komende tijd te herzien.
Gaat u de Nederlandse burger op de hoogte stellen van het waarschijnlijk kleine effect van boostervaccinaties tegen ernstige Covid-19 infectie? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat er op geen enkele manier meer vaccinatiedruk of dwang mag worden opgelegd aan de bevolking, zeker nu studies de effectiviteit van boostervaccins waarschijnlijk weinig toereikend achten?
De conclusie dat «studies de effectiviteit van boostervaccins waarschijnlijk weinig toereikend achten» is onjuist. Daarom span ik mij in om burgers op een toegankelijke en feitelijke manier te informeren over het belang van vaccinatie tegen COVID-19. De keuze om zich wel of niet te laten vaccineren is een persoonlijke keuze van burgers zelf.
Zo ja, betekent dat dan dat u gaat stoppen met proberen de burger middels politiek gestuurde beeldvorming en framing aan te een boosterprik te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Deelt u de mening dat het voorkomen van het inmiddels zeer kleine risico van een (ernstig verlopende) Covid-19 infectie niet opweegt tegen het risico op potentiele bijwerkingen van herhaaldelijk vaccineren met nieuwe vaccins, als de effectiviteit van boostervaccinaties onder een grotendeels al (natuurlijk) geïmmuniseerde bevolking niet groot is? Zo nee, waarom niet? Kunt u een uitgebreide risico-analyse geven waaruit blijkt dat het doorzetten van een bevolkingsbrede boostercampagne de voorkeur heeft?
Ik ben in de beantwoording van eerdere schriftelijke vragen van het lid Van Haga (Groep Van Haga) al meermaals en uitgebreid ingegaan op de grote hoeveelheid wetenschappelijk bewijs met betrekking tot de gezondheidswinst die dankzij COVID-19-vaccinatie kan worden bewerkstelligd. Dit weegt ook bij de herhaalprik op tegen de kleine kans op doorgaans milde bijwerkingen. Ik heb hier niets aan toe te voegen.
Het voornemen om vóór de verlenging van de toelating van het landbouwgif glyfosaat (Round-up) te stemmen |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland tijdens de Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF) vergadering van 13 en 14 oktober 2022 vóór het voorstel zal stemmen om de toelating van glyfosaat met een jaar te verlengen, zonder dat de wettelijk verplichte veiligheidstoetsen zijn afgerond?
Ja, het gaat hier om de procedurele verlenging van de werkzame stof glyfosaat met maximaal één jaar. De reden hiervoor is dat de wetenschappelijke beoordeling meer tijd kost doordat de grote hoeveelheid reacties uit de publieke consulatie die moeten worden verwerkt. Alvorens de herbeoordeling zorgvuldig te kunnen afronden.
Zo ja, waarom kiest u hiervoor? Kunt u uitsluiten dat hier economische belangen meewegen?
Verordening (EG) 1107/2009 voorziet in het procedureel verlengen van de goedkeuring van een werkzame stof op het moment dat de herbeoordeling niet tijdig is afgerond buiten de schuld van de toelatinghouder. Dit is hier het geval (zie ook vraag 1).
Ik hecht eraan dat alle wetenschappelijke inzichten, ook die tot een andere conclusie komen, worden betrokken, omdat dit de afweging voor het al dan niet hernieuwen van de goedkeuring beter mogelijk maakt. In mijn stemverklaring heeft Nederland aangedrongen op snelheid, want hoe eerder het volledige inzicht beschikbaar is, hoe eerder een besluit genomen kan worden. De economische belangen zijn niet in deze afweging meegenomen (Kamerstuk 27 858, nr. 581).
Tijdens de stemming bleek geen gekwalificeerde meerderheid van lidstaten te zijn voor het Commissievoorstel (64,73% voor; een gekwalificeerde meerderheid is er vanaf 65%). De Europese Commissie zal het voorstel binnenkort opnieuw voorleggen aan het zogenoemde beroepscomité. Mocht ook dan geen gekwalificeerde meerderheid voor of tegen het voorstel zijn, dan is de Europese Commissie gemachtigd om een eigenstandig besluit op het voorstel te nemen. In eerdere beroepscomités is gebleken dat de Europese Commissie dan haar eerdere voorstel volgt.
Kunt u bevestigen dat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft geoordeeld dat glyfosaat «waarschijnlijk kankerverwekkend voor de mens» is? Is dit oordeel meegenomen in de nieuwe risicobeoordeling?1
Ja, dat klopt. Echter, uit de recente classificatie van ECHA blijkt dat er voldoende wetenschappelijk bewijs is dat de werkzame stof glyfosaat niet aan te merken is als kankerverwekkend.2
Kunt u bevestigen dat wetenschappers en de Parkinson Vereniging glyfosaat aanwijzen als één van de meest verdachte landbouwgiffen die de ziekte van Parkinson kunnen veroorzaken, ook op jonge leeftijd? Kunt u bevestigen dat er in de huidige herbeoordeling niet op de lange-termijn neurologische effecten (zoals Parkinson) is getoetst?2
Er zijn verschillende wetenschappelijke inzichten over het al dan niet veroorzaken van neurologische aandoeningen door het gebruik of de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. In de lopende herbeoordeling van glyfosaat is de beschikbare wetenschappelijke informatie over mogelijke neurologische effecten meegenomen.
Ik heb uw Kamer recent geïnformeerd over het rapport van het RIVM «Gewasbeschermingsmiddelen met mogelijke neurologische effecten: een analyse van werkzame stoffen op basis van de chemische structuur». Volgens dit rapport heeft glyfosaat geen chemische structuur die lijkt op die van stoffen die met neurologische effecten in verband worden gebracht. Dit neemt niet weg dat de datavereisten op het gebied van neurologische aandoeningen aangescherpt kunnen worden. Daar span ik mij actief voor in. EFSA werkt op Europees niveau aan het verbeteren van de beoordelingsmethodiek voor neurologische aandoeningen (Kamerstuk 27 858, nr. 573).
Verordening (EG) nr. 1107/2009 gaat uit van het voorzorgsprincipe. Dit betekent dat werkzame stoffen alleen goedgekeurd worden als uit de Europees geharmoniseerde beoordeling blijkt dat er geen onaanvaardbare risico’s zijn voor mens, dier en milieu.
De Europees geharmoniseerde toelatingsprocedure voorziet op dit moment in een getrapte benadering voor het aspect «toxiciteit voor mensen». Dit betekent dat er standaard (proefdier)studies en openbare wetenschappelijke literatuur opgenomen dienen te worden in het aanvraagdossier. In deze proefdierstudies wordt ook naar mogelijke neurotoxische effecten gekeken. Als tijdens de beoordeling hiervan blijkt dat er aanwijzingen zijn voor mogelijke motorische en neurologische aandoeningen, dan dient de aanvrager aanvullende specifieke (proefdier)studies uit te voeren, gericht op neurotoxische effecten. Gelet op het belang heeft Nederland bij de Europese Commissie gepleit de datavereisten voor neurologische aandoeningen voortaan standaard op te nemen in de goedkeuringsprocedure voor werkzame stoffen en in de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen (Aanhangsel van de Handelingen, 2020–2021, nr. 3261).
Kunt u bevestigen dat er restanten van glyfosaat en het afbraakproduct aminomethylfosfonzuur (AMPA) worden gevonden op ons voedsel, maar dat er niet wordt getest op de «veilige» normen van AMPA? Kunt u bevestigen dat langdurige blootstelling aan lage doses AMPA in verband wordt gebracht met diverse vormen van kanker, nierschade, ADHD, autisme, Alzheimer, Parkinson, miskramen en huidziekten? Is dit meegenomen in de nieuwe risicobeoordeling?3, 4
Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan ertoe leiden dat er restanten daarvan worden aangetroffen in of op ons voedsel. De mogelijke risico’s voor de consument worden echter afgedekt door onder andere het vaststellen en controleren van maximale residulimieten.
De mogelijke risico’s van blootstelling aan het afbraakproduct AMPA door consumenten via de inname van voedingsmiddelen zijn onderdeel van de lopende herbeoordeling van de werkzame stof glyfosaat.
Kunt u bevestigen dat de Europese Unie glyfosaat reeds heeft geclassificeerd als (chronisch) toxisch voor het waterleven en dat in Nederland op veel plekken glyfosaat in het water wordt aangetroffen? Kunt u bevestigen dat op zeker 30 drinkwaterinnamepunten de normen voor glyfosaat worden overschreden? Heeft u dit meegewogen in uw oordeel over de verlenging van de toelating?5
Ja, het is al vele jaren bekend dat de werkzame stof schadelijk is voor de ogen (categorie 1) en chronisch gevaar oplevert voor het aquatisch milieu (categorie 2). Het Ctgb houdt hier rekening mee bij het beoordelen van aanvragen voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen op basis van de werkzame stof glyfosaat.
In de publicatie van het PBL waar het lid Vestering naar verwijst wordt gemeld dat in de periode 2014–2017 jaarlijks gemiddeld ca. 30 normoverschrijdingen bij drinkwaterinnamepunten werden gemeten en dat glyfosaat de belangrijkste probleemstof was. Op basis van de monitoringdata heeft het Ctgb bij de recente herbeoordeling van middelen op basis van glyfosaat maatregelen genomen om het drinkwater te beschermen7.
Het consortium dat de herbeoordeling uitvoert (waaronder het Ctgb), EFSA en ECHA ziet momenteel nog onvoldoende aanwijzingen dat de werkzame stof glyfosaat niet zou voldoen aan de goedkeuringsvoorwaarden van Verordening (EG) 1107/2009 (Kamerstuk 27 858, nr. 581). Dit is waarom ik heb besloten nu in te kunnen stemmen met een procedurele verlenging, in afwachting van de definitieve herbeoordeling. Dit neemt niet weg dat ik uw zorg deel over de toxiciteit voor het waterleven, en daarom hecht aan verdere verlaging van emissies.
Heeft u de wetenschappelijke studie over het schadelijke effect van glyfosaat op hommels, in combinatie met de voedselschaarste voor hommels – die in veel landbouwgebieden een feit is – meegewogen in uw oordeel over de verlenging van de toelating?6
Ja. Het consortium dat de herbeoordeling uitvoert (waaronder het Ctgb), EFSA en ECHA ziet momenteel nog onvoldoende aanwijzingen dat de werkzame stof glyfosaat niet zou voldoen aan de goedkeuringsvoorwaarden van Verordening (EG) 1107/2009 (Kamerstuk 27 858, nr. 581). Dit neemt niet weg, dat ik dit artikel onder de aandacht zal brengen van EFSA.
Kunt u bevestigen dat uit de Monsanto Papers (die openbaar zijn geworden tijdens Amerikaanse rechtszaken tegen glyfosaat) is gebleken dat toenmalige producent Monsanto gigantisch lobbyde en zelfs fraudeerde om ervoor te zorgen dat glyfosaat in 2017 als niet-kankerverwekkend zou worden geclassificeerd? Kunt u uitsluiten dat dergelijke lobby- en fraudepraktijken momenteel niet gaande zijn? Zo ja, hoe?7
Uw Kamer is geïnformeerd over de (inter)nationale ontwikkelingen rond de werkzame stof glyfosaat. Hierin is ook stilgestaan bij de «Monsanto papers» en het feit dat EFSA tot de conclusie is gekomen dat er geen reden is om aan te nemen dat de chemische industrie de Europese beoordeling van de werkzame stof glyfosaat heeft beïnvloed (Kamerstuk 27 858, nr. 394).
Wat bedoelt u met de zin «Het consortium dat de herbeoordeling uitvoert (waaronder het Ctgb), EFSA en ECHA zien momenteel nog onvoldoende aanwijzingen dat de werkzame stof glyfosaat niet zou voldoen aan de goedkeuringsvoorwaarden van Verordening (EG) 1107/2009»? Betekent dit dat het ernaar uitziet dat glyfosaat een nieuwe toelating zal krijgen? Zo ja, voor hoeveel jaar?8
Het consortium dat de herbeoordeling uitvoert (waaronder het Ctgb), EFSA en ECHA ziet momenteel nog onvoldoende aanwijzingen dat de werkzame stof glyfosaat niet zou voldoen aan de goedkeuringsvoorwaarden van Verordening (EG) 1107/2009 (Kamerstuk 27 858, nr. 581). Dit is waarom ik heb ingestemd met een procedurele verlenging.
Ik hecht eraan dat bij de (her)beoordeling van een werkzame stof alle wetenschappelijke inzichten mee worden gewogen, ook inzichten die tot een andere conclusie komen. Op basis hiervan kan de afweging worden gemaakt over het al dan niet (hernieuwd) goedkeuren van een werkzame stof op het niveau van de Europese Unie. Het is aan de Europese Commissie om met een voorstel te komen voor het al dan niet hernieuwen van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat. Ik kan niet vooruitlopen op de inhoud van dit voorstel.
Kunt u bevestigen dat op het gebied van landbouwgif het voorzorgsprincipe geldt, waarbij stoffen niet toegelaten moeten worden tenzij bewezen is dat ze veilig zijn? Zo ja, waarom stemt u in het licht van bovenstaande dan voor de verlenging van de toelating van glyfosaat?
Ja. Verordening (EG) nr. 1107/2009 gaat uit van het voorzorgsprincipe. Dit betekent dat werkzame stoffen alleen goedgekeurd worden als uit de Europees geharmoniseerde beoordeling blijkt dat er geen onaanvaardbare risico’s zijn voor mens, dier en milieu.
Ik verwijs u voor het antwoord op het 2e deel van de vraag naar het antwoord op vraag 2.
Herinnert u zich de motie van het lid Vestering die de regering verzoekt zich in te zetten voor een aanpassing van de Europese regelgeving om de toelating voor pesticiden te laten vervallen bij het verstrijken van de goedkeuringsperiode, in plaats van deze procedureel te verlengen? Deelt u het inzicht dat de Tweede Kamer zich hiermee kritisch heeft uitgelaten over procedurele verlengingen in het algemeen? Waarom neemt u dit niet mee in uw besluit over de procedurele verlenging van glyfosaat?9
Ik herinner me deze motie en de reactie daarop. Uw Kamer is geïnformeerd over het feit dat de inzet gericht is op het verruimen van de beoordelingscapaciteit van de bevoegde autoriteiten in de verschillende lidstaten in de Europese Unie, omdat deze bevoegde autoriteiten de wetenschappelijke risicobeoordeling uitvoeren voor de goedkeuring van werkzame stof. Dit kan ertoe leiden dat de noodzaak om over te gaan tot procedurele verlenging van de goedkeuring van werkzame stoffen veel kleiner wordt. EFSA heeft niet de taak om wetenschappelijke risicobeoordelingen uit te voeren. Het aanpassen van Verordening (EG) 1107/2009 om EFSA een extra taak te geven, zou ten koste gaan van de reguliere taken van EFSA (de ontwikkeling van het toetsingskader voor de risicobeoordelaars van lidstaten en de organisatie van een peer review en extra toets op het rapport van de rapporterende lidstaat).(Kamerstuk 21502-32, nr. 1337).
Ik begrijp dat uw Kamer kritisch is op het procedureel verlengen van de goedkeuring van werkzame stoffen. Ik verwijs uw Kamer voor het derde deel van de vraag naar het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen één voor één en met spoed beantwoorden?
Ja.
De oplopende kosten bij verpleeghuizen |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van EenVandaag gezien waarin zorgbestuurders aandacht vragen voor de grote zorgen die er zijn over de oplopende kosten voor verpleeghuizen? Wat is uw reactie?1
Ja, ik heb de genoemde uitzending van EenVandaag gezien.
Op welke manier moeten zorginstellingen de gestegen kosten voor voeding, energie, verwarming en wasserij gaan opvangen? In hoeverre zijn de tarieven nog toereikend?
Via mijn brief van 17 oktober3 over de inventarisatie van energiekosten in de (semi-)collectieve sector op VWS-terrein heb ik gereageerd op de zorgen bij bestuurders over de oplopende energiekosten. Zoals aangegeven in deze brief vindt nu een inventarisatie plaats van de (maatschappelijke) gevolgen van de hoge energiekosten. Op basis van deze inventarisatie beoordeel ik samen met het kabinet of er aanvullende maatregelen nodig zijn om de continuïteit van zorg te borgen. Bovendien heb ik uw Kamer in september4 geïnformeerd over mijn verzoek aan de NZa om de tarieven voor 2023 te actualiseren op basis van de loon- en prijsontwikkelingen uit de Macro-Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Planbureau (CPB).
Door de tarieven voor 2023 tussentijds te verhogen op basis van de MEV wordt voorkomen dat zorgaanbieders en de budgethouders in de Wlz en de Zvw pas vanaf 2024 worden gecompenseerd voor de thans voorziene stijging van lonen en prijzen in 2022 en 2023.
Deelt u de mening dat de medewerkers in deze zorginstellingen ook geconfronteerd wordt met inflatie en gestegen kosten voor levensonderhoud en dus meer salaris zouden moeten krijgen?
Medewerkers in verpleeghuizen hebben net als alle andere Nederlanders te maken met inflatie en gestegen kosten. Daarom heeft het kabinet een omvangrijk pakket aan maatregelen genomen om de koopkracht van burgers te ondersteunen. Hier profiteren ook zorgmedewerkers van. Daarnaast zijn in de cao VVT door sociale partners afspraken gemaakt over cao-loonstijgingen in 2022 en 2023.
Hoe kunnen zorginstellingen met deze kostenstijgingen nog overgaan tot loonsverhoging?
Jaarlijks stelt het kabinet de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (de ova) beschikbaar. Daarbij geldt dat de stijgende inflatie zich vertaalt in hogere looneisen en hogere cao-lonen in de markt. Deze hogere lonen worden conform de in het ova-convenant vastgelegde rekenregels automatisch vertaald in een hogere ova om ook in de zorg die hogere loonstijging mogelijk te maken. Voor 2022 bedroeg de ova 2,2 miljard euro en voor 2023 bedraagt deze 3 miljard euro.
Welke ruimte hebben zorginstellingen nog voor investeringen in medewerkers, capaciteitsuitbreiding of innovatie?
Zoals aangegeven bij antwoord 2 inventariseer ik op dit moment de gevolgen van de hoge energiekosten.
Bent u bereid te besluiten tot een eenmalige compensatie van zorgorganisaties voor de hogere inflatie voor de verpleeg-, verzorgingshuizen en thuiszorg, zodat een dreigend begrotingstekort over 2022 voorkomen kan worden en zorginstellingen niet in de kou komen te staan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe en wanneer gaat u hier duidelijkheid over bieden?
Zoals aangegeven bij antwoord 2 inventariseer ik op dit moment de gevolgen van de hoge energiekosten.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór de behandeling van de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de week van maandag 17 oktober 2022?
Het is helaas niet gelukt om deze vragen te beantwoorden vóór de behandeling van de begroting.
Ik hoop u met mijn hiervoor genoemde brief van 17 oktober op hoofdlijnen reeds voldoende te hebben geïnformeerd in het licht van de vragen in dit stuk.
Het bericht ‘Stap-subsidieregeling blijkt funest voor kleine opleiders’ |
|
Kiki Hagen (D66), Marijke van Beukering-Huijbregts (D66) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Stap-subsidieregeling blijkt funest voor kleine opleiders»?1
Ja, ervan uitgaande dat gedoeld wordt op het Volkskrant artikel «STAP-budget nekt de kleine opleider: geen cursisten meer want bij de buurman is het gratis».2
Is bij de invoering van het STAP-budget specifiek aandacht besteed aan de impact van deze regeling op kleine opleiders? Wat is hier uitgekomen?
De STAP-regeling is een lerende regeling en belangrijk was in de eerste plaats om een divers scholingsaanbod te creëren waaruit burgers konden kiezen. Toelating tot het scholingsregister verloopt in eerste instantie via keurmerken zodat de kwaliteit van het onderwijsaanbod gegarandeerd kan worden. Er is daarbij gekozen voor een ingroeimodel met een gefaseerde instroom van keurmerken zodat dat de uitvoeringssystematiek van het STAP-budget ook niet overbelast zou worden.
Klopt het dat kleine opleiders met geaccrediteerde opleidingen uitgesloten kunnen worden van de STAP-subsidieregeling omdat zij geen keurmerk hebben?
Het klopt dat opleiders en opleidingen uitgesloten kunnen worden als ze niet in het bezit zijn van een keurmerk. Om toegang te krijgen tot het scholingsregister is één van deze 6 erkenningen nodig:
De opleider is erkend door het Ministerie van OCW.
De opleider beschikt over het NRTO-keurmerk.
De opleider biedt opleidingen aan die leiden tot een door het NLQF ingeschaalde kwalificatie.
De opleider is erkend door een sector- en brancheorganisatie.
De opleider is erkend door CEDEO.
De opleider biedt opleidingen aan met CPION-erkenning.
Is een opleider of een opleider niet in het bezit van een van deze zes erkenningen, dan komt hij niet in aanmerking voor de STAP-subsidieregeling. Vanaf 31 oktober jl. kunnen ook andere erkennende organisaties of keurmerken een verzoek indienen voor toelating tot het scholingsregister. De verwachting is dat door de toename in keurmerken en erkennende organisaties die toegang hebben tot het STAP-budget, er meer mogelijkheden zijn voor opleiders om zich aan te sluiten bij een van deze keurmerken.
Wat vindt u ervan dat er een ongelijk speelveld is ontstaan tussen kleine opleiders en grote opleidingsinstituten als gevolg van de voorwaarden om in aanmerking te komen van de STAP-subsidieregeling?
Voor kleine opleiders kan het lastig zijn zich aan te sluiten bij het scholingsregister voor het STAP-budget. Zij zijn vaak niet verbonden aan een keurmerk of erkenning, onder andere omdat zij hiervoor de financiële middelen ontberen of niet kunnen voldoen aan de omzetseis die sommige keurmerken als voorwaarde stellen. De toelating via keurmerken en erkennende instellingen dient om het toezicht op de kwaliteit van de opleider en opleidingen te waarborgen. De keurmerken of erkennende instellingen hebben daarnaast ook een rol in de handhaving van de voorwaarden van de STAP-regeling.
Ik ben me ervan bewust dat de eisen die keurmerken stellen nadelig kunnen zijn voor kleine opleiders. Het is belangrijk dat er een divers scholingsaanbod beschikbaar is voor het STAP-budget en dat ook nieuwe innovatieve (en vaak kleine) opleiders toegang hebben tot scholingsregister STAP. In overleg met het opleidingsveld en brancheorganisaties wordt bekeken hoe we de toegang tot het scholingsregister voor de kleine opleiders kunnen vergemakkelijken, zoals toegezegd aan uw Kamer tijdens het recente commissiedebat Arbeidsmarktbeleid van 20 oktober jl.
Bent u het eens dat het onwenselijk is dat partijen verschillende voorwaarden kunnen hanteren om opleiders erkenning of een keurmerk te geven zodat zij kunnen worden opgenomen in het scholingsregister?
Erkennende organisatie en keurmerken hanteren hun eigen voorwaarden met betrekking tot de kwaliteit van onderwijs. Wel is het gewenst dat zij gemeenschappelijk aan een aantal basisvoorwaarden voldoen. Om het voor erkennende organisaties, keurmerken en brancheorganisaties duidelijk te maken aan welke kwaliteitseisen zij moeten voldoen, is het Raamwerk nieuwe erkenningen ontwikkeld.3 Nieuwe potentiële toetreders kunnen daarin de kwaliteitseisen zien waaraan zij moeten voldoen om in aanmerking te komen voor toelating tot het scholingsregister en hiervoor een verzoek indienen.
Bent u op de hoogte dat een voorwaarde bijvoorbeeld de hoogte van de omzet kan zijn en dat kleine opleiders daar niet aan kunnen voldoen?
Ja, zie ook het antwoord op vraag 4 en 8.
Wanneer is het in het artikel genoemde vernieuwde toetsingskader klaar en treedt het in werking? Welke beleidsopties worden hierin overwogen?
Het Raamwerk nieuwe erkenningen is op 31 oktober jl. gepubliceerd en is gelijk in werking getreden. Vanaf die datum kunnen andere erkennende instellingen, keurmerken en brancheorganisaties een verzoek indienen voor toelating tot het scholingsregister. Het Raamwerk vormt de theoretische onderbouwing en bevat essentiële kwaliteitscriteria, waarmee keurmerken of erkennende instanties beoordelen of opleiders voldoen aan bepaalde kwaliteitscriteria. Toepassing van dit raamwerk zorgt ervoor dat het STAP scholingsregister via de desbetreffende erkenningsregelingen en keurmerken opleiders en opleidingen bevat die voldoende kwaliteiten hebben, bijdragen aan de doelstellingen van STAP, en misbruik en oneigenlijk gebruik proberen te voorkomen.
Bent u het eens dat het onwenselijk is dat organisaties die keurmerken toekennen een omzetminimum hanteren, met als gevolg dat kleine opleiders buiten de boot kunnen vallen omdat zij geen keurmerk kunnen verkrijgen en hierdoor een forse terugloop kunnen ervaren van hun klandizie met als mogelijk gevolg faillissement voor deze opleiders?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om hierover het gesprek aan te gaan met brancheorganisaties en andere keurmerkverstrekkende partijen die dergelijke omzetminima hanteren om een keurmerk te kunnen verkrijgen?
Ja en deze gesprekken zijn inmiddels ook opgestart.
Bent u het eens dat het STAP-budget in de huidige arbeidsmarkt vooral ook een kans kan zijn om tijdelijk meer te sturen op scholing voor krapteberoepen en houd u hier rekening mee bij het vernieuwde toetsingskader?
STAP-budget kan gericht worden ingezet op doelgroepen en arbeidsmarktdoelen. Op dit moment is er sprake van een algehele krapte op de arbeidsmarkt. Een gerichte inzet van het STAP-budget naar een bepaalde sector zal dus ten koste gaan van andere sectoren. Het ligt daarom voor de hand om het STAP-budget meer in te zetten voor groepen die meer baat hebben bij (om- en bij)scholing. Daarom worden de beschikbare middelen van € 500 miljoen, die binnen het coalitieakkoord gereserveerd zijn voor leerrechten, voor de periode 2023 tot en met 2026 ingezet via het STAP-budget voor mensen die maximaal mbo-4 zijn opgeleid. Voor 2023 is gekozen voor een extra compartiment, maar voor andere jaren kan nog gekeken worden naar een alternatieve invulling. Daarbij kan verkend worden hoe extra prikkels gecreëerd kunnen worden om mensen te stimuleren scholing te volgen voor maatschappelijk relevante sectoren.
Daarnaast zal, naar aanleiding van de motie Dassen, een plan gemaakt worden voor scholing naar maatschappelijk relevante sectoren, zonder inbreuk te doen op de keuzevrijheid van het STAP-budget. Dit kan bijvoorbeeld door het inbouwen van een voorrangspositie voor scholing richting tekortsectoren.4 Uw Kamer wordt hierover in het eerste kwartaal van 2023 geïnformeerd.
Het STAP-budget is verder aanvullend op alle investeringen die de overheid, werkgevers en sectoren al doen op het gebied van scholing en ontwikkeling. Zo zijn er al diverse instrumenten ingezet om scholing richting kraptesectoren te faciliteren zoals het ontwikkelen van een passend aanbod voor bij- en omscholing binnen het mbo en hbo, en het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en welzijn (TAZ) waar wordt ingezet op het opleiden voor tekortberoepen en -regio’s, voldoende (stage)begeleiding en goede randvoorwaarden voor een leven lang ontwikkelen in de sector zorg.
Het tweede OVV rapport over de Nederlandse aanpak van de coronacrisis |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers , Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het tweede rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) over de Nederlandse aanpak van de coronacrisis?1, 2
Ja
Onderschrijft u de conclusies van dit rapport? Kunt u reflecteren op de bevindingen?
In de kabinetsreactie op het tweede deelrapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) geeft het kabinet een gezamenlijke reactie op de bevindingen van de OvV. Deze kabinetsreactie verwacht het kabinet zodra gereed aan uw Kamer te sturen.
Kunt u verklaren waarom uw departement en het kabinet in de periode tussen september 2020 en juli 2021, waarover dit rapport gaat, besloot tot ingrijpende coronamaatregelen, terwijl weinig bekend was over de effecten daarvan, waarmee de onderbouwing voor het invoeren van deze maatregelen in retrospectief onderuit gehaald wordt?
Gedurende de coronapandemie is er veel onderzoek uitgevoerd om de effectiviteit van maatregelenpakketten te onderbouwen en te evalueren. De actuele inzichten zijn steeds meegewogen in de besluitvorming. De maatregelenpakketten die in de afgelopen jaren zijn genomen, waren dan ook vanuit epidemiologisch oogpunt steeds effectief. Met betrekking tot dit onderwerp heb ik de Kamer uitgebreid geïnformeerd in mijn brief van 11 november 2022.3
Kunt u uitleggen waarom het kabinet de keuzes voor het invoeren van deze maatregelen destijds wel presenteerde als (wetenschappelijk) onderbouwd effectief, terwijl dat niet het geval was? Is bewust gekozen voor het achterwege laten en/of verdraaien van deze informatie? Zo ja, wat waren hiervoor de overwegingen en de verantwoording?
Met betrekking tot dit onderwerp heb ik uw Kamer geïnformeerd in mijn brief van 11 november 2022.4 Zie ook het antwoord op vraag 3.
Bij de besluitvorming over de maatregelen heeft het kabinet steeds de meest recente wetenschappelijke inzichten over de verspreiding van het virus en de effectiviteit van de maatregelen gebruikt. Het kabinet heeft deze adviezen met uw Kamer gedeeld, zie hiervoor onder andere alle adviezen van het OMT en de Gezondheidsraad. Voorafgaand aan elk debat werd een technische briefing georganiseerd waarin deze informatie ook met uw Kamer werd gedeeld.
Waarom heeft u de Kamer niet geïnformeerd over het feit dat de onderbouwing voor de coronamaatregelen minimaal was? Is deze informatie bewust voor de Kamer achtergehouden?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u uitleggen waarom, ondanks het gegeven dat de Kamer herhaaldelijk heeft gevraagd naar de effecten van de maatregelen, deze maatregelen desondanks nooit adequaat zijn onderzocht? Hoe kijkt u nu terug op deze keuze?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de overheid door deze beeldvorming en deze manier van communiceren aan het verspreiden van desinformatie, framen en misleiden van de burger en de Kamer heeft gedaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, van bewust misleidende en onjuiste informatie is vanuit de overheid nooit sprake geweest.
Wat vindt u van de conclusie dat de communicatie van de overheid over de coronacrisis niet transparant was? Onderschrijft u die conclusie en kunt u uitleggen waarom de communicatie op een dusdanige manier verlopen is? Is bewust gekozen voor een dergelijke communicatiestrategie? Welke lessen trekt u hieruit en hoe gaat u uw communicatiestrategie in de toekomst verbeteren?
Transparantie en het geven van zoveel en zo duidelijk mogelijke feitelijke informatie is en blijft het fundament van de overheidscommunicatie. De communicatieaanpak heeft zich, mede op basis van evaluaties en onderzoek, gedurende de coronabestrijding continu doorontwikkeld. Dat lerende effect vind ik van groot belang. Het laat zien dat het kabinet regelmatig stilstaat bij wat goed gaat en wat beter kan, en dat het kabinet de aanpak daarop kan aanpassen.
Hoe reflecteert u op de rol van het Outbreak Management Team (OMT), naar aanleiding van de conclusies uit het OVV-rapport? Gaat dit orgaan naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport in de toekomst anders vormgeven en/of inzetten? Zo ja, hoe?
De OVV beveelt in zijn tweede deelrapport aan om een »reglement van orde» voor het OMT op te stellen.5 Deze aanbeveling sluit aan bij verbeterpunten die het RIVM en de voorzitter van het OMT zelf ook gezien hebben.
Het OMT zal hier, vanuit zijn onafhankelijke positie, op reageren richting de OVV. Het kabinet zal de reactie van het OMT meesturen met de aanstaande kabinetsreactie op het tweede deelrapport.
Waarom is nog steeds weinig bekend over het werkelijke, zowel positieve als negatieve, effect van de maatregelen op het bestrijden van de pandemie en op de samenleving? Waarom is er nog steeds nauwelijks geëvalueerd?
Met betrekking tot dit onderwerp heb ik de Kamer uitgebreid geïnformeerd in mijn brief van 11 november 2022.6
Deelt u de meningn dat het gebrek aan monitoring en evaluatie van de maatregelen, het adequaat uitvoeren van de komende parlementaire enquete bemoeilijkt en dat dit onwenselijk is, omdat het na een crisis met een dusdanig grote impact als de coronapandemie van groot belang is dat de bestuurlijke macht en het uitgevoerde beleid gecontroleerd worden?
Ik deel de mening dat het belangrijk is om tijdens én na een ingrijpende crisis te evalueren en reflecteren. Een parlementaire enquête is hiervoor een belangrijk instrument. Het is belangrijk om stil te staan bij wat goed gaat en wat beter kan en daar onze aanpak op aan te passen. Dit is een aanpak waar ik achter sta.
Zoals reeds in mijn brief van 11 november 2022 beschreven, is er gedurende de coronapandemie veel onderzoek uitgevoerd om de effectiviteit van maatregelenpakketten te onderbouwen en te evalueren.7 Ook de rapporten van de OvV vormen een grondige evaluatie van de aanpak van de Covid-19 crisis. Deze onderzoeken en rapporten bevatten waardevolle informatie voor de enquêtecommissie.
Aangezien er door ontoereikende monitoring en evaluatie nog steeds weinig bekend is over de effecten van de coronamaatregelen, is het naar uw mening dan nog steeds opportuun om te overwegen dezelfde maatregelen wettelijk te verankeren in de Wet publieke gezondheid (Wpg)? Waarom een juridisch instrumentarium optuigen voor mogelijk en waarschijnlijk, in ieder geval deels, ineffectieve en schadelijke maatregelen? Heroverweegt u de wijziging van de Wpg naar aanleiding van de conclusies van dit rapport? Zo nee, waarom niet?
Om bij een volgende pandemie slagvaardig en flexibel te opereren is het noodzakelijk ook het wettelijk kader daarvoor op onderdelen te herzien. Daarvoor is op dit moment het wetsvoorstel Eerste tranche wijziging van de Wet publieke gezondheid bij de Tweede Kamer aanhangig.
Zie voor een reflectie op monitoring en evaluatie mijn brief aan uw Kamer van 11 november 2022.8
Gaat u de toekomstige coronastrategie naar aanleiding van de conclusies van dit rapport herzien? Gaat u terughoudender zijn in het opnieuw invoeren van coronamaatregelen, of deze helemaal niet meer inzetten? Bent u voornemens om, zoals het OVV adviseert, zo spoedig mogelijk te evalueren en voor de uitkomst van die evaluatie in ieder geval geen coronamaatregelen meer in te voeren? Zo ja, op welke termijn gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Als de verspreiding van het virus om maatregelen vraagt, zal ik die nemen. Daarbij houd ik rekening met de omstandigheden van dat moment. Ik verwijs met betrekking tot dit onderwerp verder naar mijn brief aan uw Kamer van 11 november 2022.9
Kunt u verklaren waarom in de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor 2023 en de jaren daarna opnieuw miljarden zijn begroot voor coronagerelateerde maatregelen, terwijl het effect van deze maatregelen dus onduidelijk is? Hoe verantwoordt u deze uitgaven met de kennis en conclusies uit het OVV-rapport? Waarom moet de burger betalen voor beleid waarvoor geen onderbouwing kan worden gegeven?
Het effect van coronamaatregelen is niet onduidelijk, zie de antwoorden 3 t/m 6. Het kabinet zal zeker op de korte termijn voorbereid moeten blijven op de mogelijkheid van nieuwe oplevingen en nieuwe virusvarianten. Dat betekent ook dat hiervoor middelen beschikbaar moeten zijn.
Staat u nog altijd achter de beleidskeuzes die destijds zijn gemaakt, zoals het invoeren van de avondklok en de mondkapjesplicht? Zo ja, waarom, als u nu weet dat de effectiviteit hiervan onbekend is en de schade waarschijnlijk wel aanzienlijk?
Het kabinet heeft op basis van de destijds beschikbare kennis en ervaring maatregelen getroffen om verspreiding van het virus tegen te gaan. De maatregelenpakketten en hun (neven)effecten worden vanaf het begin van de pandemie geëvalueerd en gemonitord ten behoeve van (toekomstige) besluitvorming.
Ik verwijs graag opnieuw naar mijn brief van 11 november.10
Had u, met de kennis van nu, destijds andere keuzes gemaakt bij de aanpak van de coronapandemie? Zo ja, hoe had u het coronabeleid anders vormgegeven?
In mijn brief van 4 november jl. aan uw Kamer over pandemische paraatheid worden de eerste lijnen geschetst voor de visie op een versterkte pandemische paraatheid van de zorg en infectieziektebestrijding.11 De agenda is gericht op de voorbereiding op een toekomstige pandemie. Hierin zijn de lessen van de coronacrisis meegenomen.
Deelt u de mening dat op basis van dit rapport en ander voortschrijdend inzicht het coronatoegangsbewijs nooit meer in de zogenaamde «gereedschapskist» van in te zetten maatregelen terecht mag komen en dat er daarnaast nooit meer mag worden overgegaan tot welke inperking van grondrechten en vrijheden dan ook, zonder sluitende (wetenschappelijke) onderbouwing?
Op dit moment is het wetsvoorstel Eerste tranche wijziging van de Wet publieke gezondheid bij de Tweede Kamer aanhangig. In het verslag van de commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn (vergelijkbare) vragen gesteld over de door u aangehaalde themas. Momenteel heb ik de Nota naar aanleiding van het Verslag (NnavV) in voorbereiding. In de Nota naar aanleiding van het Verslag
met betrekking tot de Eerste tranche wijziging van de Wet publieke gezondheid ga ik hier nader op in. Ik verwacht de NnavV binnen afzienbare tijd aan te bieden aan de Tweede Kamer. Ik verwijs u naar deze beantwoording.
Schuldhulpverlening en het krijgen van een baan |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u er bekend mee dat mensen die schuldhulpverlening krijgen, hun loon moeten laten uitbetalen aan de bewindvoerder?
Niet alle mensen in de schuldhulpverlening hebben ook een bewindvoerder. Als iemand onder bewind is gesteld, worden zijn of haar financiën beheerd door een bewindvoerder. Het inkomen van de betrokkene wordt gestort op een beheerrekening. Deze rekening staat op naam van de betrokkene zelf. De bewindvoerder ziet erop toe dat vanuit de beheerrekening de vaste lasten worden betaald, zoals huur, energie en verzekeringen en leefgeld wordt uitgekeerd aan de betrokkene. Indien de betrokkene ook in een schuldregeling zit, wordt hiervoor vanuit de beheerrekening geld ingehouden.
Als iemand in een schuldregeling zit, maar niet onder bewind staat, betaalt diegene of zelf de afdracht voor de schuldregeling, of loopt dit via budgetbeheer bij de schuldhulpverlener. In dat laatste geval kan het gaan om een beheerrekening op naam van de betrokkene zelf, waar de budgetbeheerder een volmacht voor heeft. Een andere mogelijkheid is een derdengeldenrekening in beheer van de gemeente of kredietbank. Deze staat niet op naam van de betrokkene.
Kunt u zich voorstellen dat dit een obstakel kan vormen voor mensen om aan een baan te komen, omdat dit vooroordelen kan oproepen bij werkgevers?
Ik kan mij voorstellen dat mensen met schulden te maken krijgen met stigmatisering en veroordeling uit de omgeving en dat dit een obstakel kan vormen bij het zoeken naar een baan. Een beheerrekening bij onder bewindstelling hoeft echter geen dergelijk obstakel te vormen, omdat de beheerrekening op naam van de schuldenaar zelf staat. De betrokkene kan de bewindvoerder daarnaast verzoeken om hierover niet te communiceren met de werkgever.
In het geval van schuldhulpverlening bij de gemeente, kan de betrokkene de schuldhulpverlener vragen om een rekening op eigen naam, in plaats van een derdengeldenrekening.
Vindt u dat mensen die schuldhulpverlening krijgen dit moeten kunnen verbergen van (toekomstige) werkgevers?
Zoals omschreven bij het antwoord op vraag 2 is deze mogelijkheid er al. In het geval van beslaglegging op het loon is deze mogelijkheid er overigens niet. Dit kan voor de werknemer in sommige gevallen gepaard gaan met schaamte. Het kan voor een werknemer met schulden juist ook prettig zijn als de werkgever wel van de situatie op de hoogte is, omdat schulden vaak gepaard gaan met stress en andere (fysieke) klachten. Zo ontstaat er bij de werkgever meer begrip voor de werknemer.
Mijn ministerie zet zich in om de proactieve houding van werkgevers verder te versterken en om het stigma op schulden en armoede tegen te gaan. Gelukkig is er grote bereidheid bij werkgevers om zich in te zetten. Wij werken samen met brancheorganisaties, werkgevers aan aantoonbaar effectieve interventies. Zo stimuleert mijn ministerie de verdere uitrol van de Nederlandse Schuldhulproute waar werkgevers op kunnen aansluiten. Op deze manier maken werkgevers een financiële scan en toeleiding naar de juiste hulp op laagdrempelige wijze beschikbaar voor hun medewerkers. Andere initiatieven die ik toejuich zijn de Nationale Coalitie Financiële Gezondheid en het project Financieel fitte werknemers, waarmee kennisuitwisseling en samenwerking tussen werkgevers op het gebied van financiële gezondheid van werknemers wordt gestimuleerd.
Wat kunt u doen om deze drempel voor mensen om te solliciteren en een baan te krijgen weg te nemen?
Zoals uitgelegd hoeft schuldhulpverlening en/of de uitbetaling van het loon op een beheerrekening geen drempel te zijn bij het vinden van werk.
Het bericht 'Agressieve verkoper van energiecontracten start eigen energiemaatschappij. Radar Checkt!' |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat u dacht toen u (terug-)keek naar de Radaruitzending van 26 september als het gaat om de energieleverancier HEM?1
Ik vind de in de Radaruitzending getoonde problematiek rondom energieleverancier HEM zorgelijk. Consumenten zijn vrij om in Nederland een energiecontract te kunnen afsluiten op basis van een divers aanbod met verschillen in tariefopbouw en looptijd. Tegelijkertijd zijn er ook spelregels en toezicht om te borgen dat leveranciers daarbij redelijke voorwaarden hanteren. Op zijn minst roept de uitzending de vraag op of die regels goed zijn nageleefd in dit geval. Ik vind het daarom belangrijk dat de toezichthouder scherp let op eventuele overtredingen van deze regels en zo nodig optreedt waar die niet nageleefd worden.
Wat vindt u van vaste contracten van vijf jaar met variabele tarieven? Zou u dit betitelen als een wurgcontract?
Vaste contracten van vijf jaar met variabele tarieven zijn niet gangbaar en in combinatie met een (hoge) opzegvergoeding biedt het de consument geen voordelen, maar wel risico’s bij een stevige prijsverhoging. Het biedt de energieleverancier zekerheid, omdat de consument zich bindt aan het energiecontract voor bepaalde tijd en de energieleverancier zijn inkoop daarop kan aanpassen. Het biedt de consument daarentegen geen zekerheid, want de tarieven zijn variabel en kunnen dus tussentijds verhoogd worden terwijl de leverancier vanwege de vaste looptijd van het contract wel een opzegvergoeding kan vragen als de consument het contract zou willen opzeggen. Er lijkt dus sprake van een potentieel scheve verdeling van risico’s bij zo’n contract. Ik vind dit een onwenselijke situatie gezien de kwetsbare positie waar consumenten zich in de huidige marktomstandigheden in bevinden, waar leveranciers ook voor gevraagd worden oog voor te hebben.
Mogen energieleveranciers dit soort contracten aanbieden aan consumenten die ZZP-er zijn en daardoor als zakelijke klant worden aangemerkt? Wie houdt hier toezicht op?
Voor het aanbieden van leveringscontracten moeten leveranciers zich houden aan de wettelijke regels die van toepassing zijn op het afsluiten van leveringscontracten, zoals het vereiste dat de voorwaarden, verbonden aan de leveringsovereenkomst transparant, eerlijk en vooraf bekend zijn en de verplichting bij het leveren van energie redelijke tarieven en voorwaarden te hanteren. Voor kleinverbruikers geldt, ook als zij handelen als een zzp-er, daarnaast aanvullende bescherming vanuit het Burgerlijk Wetboek. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op de naleving van deze regels.
Op basis van welke (wettelijke) bepaling mag een bedrijf energie leveren zonder leveringsvergunning van de Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
Een wederverkoper kan op basis van een bemiddelingsovereenkomst alleen handelen en niet leveren in naam van de vergunninghoudende energieleverancier. De wettelijke basis van de bemiddelingsovereenkomst is in Nederland opgenomen in boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (afdeling 7.7.3). Voor het kunnen leveren aan kleinverbruikers is in principe een leveringsvergunning noodzakelijk.
Vindt u het wenselijk dat de ACM het toestaat om vergunningen als «wederverkoop van energie aan kleinverbruikers» door te laten verkopen aan bedrijven zonder vergunning? Zo neen, wat gaat u hieraan doen?
Het is mogelijk om als wederverkoper (tussenpersoon) leveringscontracten aan kleinverbruikers aan te bieden. De wederverkoper handelt dan als bemiddelaar in naam van de opdrachtgever (de vergunninghoudende energieleverancier). In het contract dat hij namens de energieleverancier aan de kleinverbruiker aanbiedt, moet vervolgens de naam van de achterliggende leverancier, – de leverancier die de vergunning houdt-, vermeld staan als contracterende partij.
De daadwerkelijke leveringsovereenkomst komt tot stand tussen deze leverancier en de kleinverbruiker. Deze leverancier blijft ten allen tijde aansprakelijk voor het handelen van de wederverkoper. De vergunninghoudende leverancier blijft ook in de constructie van wederverkoop verplicht zich aan de daartoe geldende wettelijke regels voor het aanbieden van leveringscontracten van elektriciteit en gas aan kleinverbruikers te houden. De ACM houdt toezicht op het handelen van leveranciers bij het aangaan van contracten met kleinverbruikers en – in het verlengde daarvan – de wijze waarop leveranciers hun wederverkopers aanspreken op het rechtmatig handelen bij het aangaan van leveringsovereenkomsten.
Kunt u aangeven wat er voor nodig is om de vergunningverlening te verscherpen om dit soort schimmige doorverkooppraktijken te voorkomen?
Zie het antwoord op vraag 10, 11 en 12.
Bent u ook verbaasd dat HEM uiteindelijk een eigen leveringsvergunning heeft gekregen, terwijl er binnen de ACM meerdere signalen bekend waren over de dubieuze handel en wandel van de eigenaren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij de vergunningaanvraag van Allround Holland Energie B.V. heeft de ACM getoetst of de aanvrager beschikt over de benodigde organisatorische, financiële en technische kwaliteiten. Hier heeft zij aan voldaan en zij heeft een vergunning gekregen van de ACM. Een vergunninghoudende energieleverancier moet echter blijvend voldoen aan genoemde vergunningvereisten. Hier houdt de ACM toezicht op. Wanneer de ACM klachten ontvangt over een vergunninghoudende energieleverancier, kan dit aanleiding zijn voor een onderzoek. De ACM heeft in het interview met Radar aangegeven bekend te zijn met de klachten over HEM. Ik heb mede gelet op deze berichtgeving met de ACM gesproken en mijn zorgen gedeeld over de praktijk bij HEM.
Kunt u voorts aangeven hoe het mogelijk is dat een energieleverancier die zich niet aan de regels houdt toch zijn leveringsvergunning behoudt, zoals dat bij HEM het geval is? Vindt u dat het toezicht hier voldoende wordt toegepast?
Het is aan de ACM om te beoordelen of er voldoende reden is om een leveringsvergunning in te trekken.
Wanneer is het volgens u gerechtvaardigd dat een energieleverancier haar leveringsvergunning verliest?
In het geval dat een energieleverancier naar oordeel van de ACM als onafhankelijk toezichthouder niet meer aan de (wettelijke en andere) vergunningsvereisten voldoet.
Vindt u dat de ACM voldoende in staat is om consumenten te beschermen tegen energieleveranciers die zich niet aan de regels houden? Zo nee, waarom niet, en hoe gaat u dit dan verbeteren?
Het aanscherpen van toezicht op leveranciers en het stellen van extra eisen is hard nodig en heeft mijn volle aandacht. Zo heb ik dit najaar hiervoor aangescherpte beleidsregels in het kader van vergunningverlening vastgesteld en heeft de ACM het toezicht op energieleveranciers aangescherpt. Deze beleidsregels zijn inmiddels in werking getreden. Verdere aanscherping wordt uitgewerkt onder de Energiewet.
Het is de ACM die aanvragen van vergunningen beoordeelt en toezicht houdt op vergunninghouders, ook op vergunninghouders die via wederverkopers energiecontracten sluiten. Zoals aangekondigd in mijn brief van 20 september 2022 (Kamerstuk 29 023, nr. 347), is het toetsingskader voor de vergunningverlening en het toezicht op energieleveranciers onlangs aangescherpt. De daartoe aangekondigde Beleidsregels zijn inmiddels vastgesteld door ACM en mijzelf. Maandag 3 oktober 2022 zijn de Beleidsregels gepubliceerd en ze zijn van kracht met ingang van 4 oktober 2022.2 Hierdoor moeten energieleveranciers aan strengere eisen voldoen als het gaat om risicomanagement en hun financiële positie om een betrouwbare levering te kunnen garanderen.
Daarnaast heb ik uw Kamer in het Vragenuur van 27 september 2022 gemeld dat in het concept wetsvoorstel voor de Energiewet een extra benodigde kwaliteit van «deskundigheid» voor vergunninghoudende leveranciers opgenomen is. Ook krijgt de ACM de mogelijkheid gebruik te maken van de Wet Bibob bij het toezicht op vergunninghoudende leveranciers.
Consumenten worden in Nederland verder beschermd door regels over onder meer precontractuele informatieverplichtingen, verkoop aan de deur, op straat en aan de telefoon, het verbod op oneerlijke en agressieve handelspraktijken. De ACM ziet ook toe op de naleving van deze regels door energieleveranciers en kan optreden als ze overtreden worden, bijvoorbeeld door een boete op te leggen. Desalniettemin blijf ik alert op signalen uit de markt en bekijk ik waar verdere aanscherping van de bescherming van consumenten nodig is.
Vindt u dat de ACM genoeg doet om te voorkomen dat energieleveranciers contracten aanbieden die niet aan de regels voldoen?
Zie antwoord vraag 10.
Wat gaat u doen om bestaande of toekomstige vergelijkbare praktijken aan te pakken en de consument beter te beschermen tegen cowboys op de energiemarkt?
Zie antwoord vraag 10.
Waar kunnen de klanten van HEM terecht om hun recht te halen als zij onder valse voorwendselen zijn binnengehaald voor een wurgcontract? Hoe gaan u en de ACM deze mensen helpen?
Energiemaatschappijen moeten consumenten eerlijk en tijdig informeren over het contract dat zij sluiten. Daarnaast moeten ze eerlijke tarieven en voorwaarden hanteren. Consumenten met klachten over een energiemaatschappij kunnen hun recht halen bij de Geschillencommissie Energie of bij de burgerlijke rechter.
Ik raad consumenten die een klacht hebben over een energiemaatschappij aan om deze ook te melden bij de ACM. De ACM is bevoegd om op te treden tegen overtredingen van leveranciers, bijvoorbeeld door boetes op te leggen of door de vergunningverlening van energiemaatschappijen opnieuw tegen het licht te houden.
Garandeert u dat ACM mensen die bizarre bedragen voor het beëindigen van het wurgcontract helpt om die «boetes» terug te krijgen? Zo neen, waarom niet?
Eerder gaf ik al aan (hoge) opzegvergoedingen bij contracten van een bepaalde duur met variabele tarieven maatschappelijk onwenselijk te vinden. Het is aan de rechter te oordelen of het vragen van dergelijke vergoedingen wel rechtmatig is. De ACM heeft nu alleen mogelijkheden om in dergelijke gevallen op te treden wanneer een leverancier een tariefswijziging doorvoert die geen verband houdt met de stijging van de inkoopkosten en een opzegvergoeding in rekening brengt.
Strikt genomen staat de wet niet aan deze praktijk in de weg omdat de wetgever indertijd bij contracten van bepaalde duur geen rekening hield met contracten van bepaalde duur mét variabele tarieven. Dergelijke contracten zijn zeker niet gebruikelijk. Consumenten en bedrijven met een aansluiting voor kleinverbruik kunnen echter wel terecht bij de Geschillencommissie Energie of de rechter, zoals ook genoemd in het antwoord op vraag 13.
Het bericht dat er buitensporig vaak inzage in de persoonsgegevens – via de BRP - van slachtoffers van het toeslagenschandaal heeft plaatsgevonden |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de reden waarom persoonsgegevens van slachtoffers van het toeslagenschandaal buitensporig vaak opgevraagd worden door overheidsinstanties, zoals de politie? Kunt u uitsluiten dat dit nog altijd gebeurt?1
Het is voor de politie niet bekend welke personen gedupeerden van de toeslagenaffaire zijn. Bij het contact tussen een politiefunctionaris en een persoon (of deze persoon nu in hoedanigheid van verdachte, slachtoffer, benadeelde, getuige, onderhavige is aan politiecontrole, of omstander is) is voor de politiefunctionaris niet kenbaar of de betrokkene in kwestie wel of geen gedupeerde van de toeslagenaffaire is. Bij het verwerken van gegevens naar aanleiding van een dergelijk contact wordt dit dan ook niet geregistreerd.
Omdat niet geregistreerd staat bij de politie of er sprake is van een gedupeerde, kan de politie dus niet nagaan of erkende gedupeerden van de toeslagenaffaire bovenmatig veel in bevragingen in de BRP vanuit de politie voorkomen. In de begeleidende brief bij de beantwoording van deze Kamervragen en in het antwoord op vraag 10 is uiteengezet wat de aanleiding voor de bevraging in de BRP zou kunnen zijn geweest. Als een individuele gedupeerde wil weten welke gegevens van hem of haar bij de politie bekend zijn, dan kan de gedupeerde daartoe een inzageverzoek bij de politie doen.2
Wat buitensporig is, kan niet in zijn algemeenheid worden vastgesteld, dat hangt af van de grootte en de taak of taken van de gebruiker van de BRP. Ons zijn ook geen signalen bekend over buitensporige bevragingen van de BRP, anders dan het FTM artikel.
Moet de inzage in de Basisregistratie Personen door een gemeente worden goedgekeurd of kunnen overheidsdiensten zich automatisch toegang verschaffen?
Wij beantwoorden deze vraag voor de BRP in het algemeen. Er wordt niet per geval aangegeven waarvoor er gegevens worden opgevraagd, maar wel in algemene zin. Voor iedere gebruiker van de BRP wordt voorafgaand aan het verkrijgen van toegang tot de BRP door de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) getoetst welke persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak van de gebruiker. Dit wordt vastgelegd in een autorisatiebesluit. Gebruikers van de BRP mogen de BRP enkel gebruiken binnen de kaders van het autorisatiebesluit. Daarbij merken wij op dat het centraal in de BRP bijhouden van de exacte reden van raadpleging ervoor zorgt dat er meer (gevoelige) gegevens centraal worden bewaard. Dat zou ertoe leiden dat er in de BRP veel meer informatie moet worden bewaard dan nodig is voor de uitvoering van de wet BRP, wat bovendien de risico’s voor burgers in het geval van datalekken en met betrekking tot profilering vergroot.
Gebruikers dienen na het opvragen van de gegevens zelf bij te houden wat de concrete reden van het gebruik van de BRP was. Als de burger precies wil weten waarvoor de BRP-gegevens zijn gebruikt, kan hij of zij een inzageverzoek indienen bij de organisatie die de BRP-gegevens heeft opgevraagd. Op grond van de AVG zijn organisaties die BRP-gegevens opvragen zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van de doeleinden van de gegevensverwerking. De desbetreffende organisatie zal dus een reden (doeleinde) moeten kunnen gegeven voor het gebruik van de BRP-gegevens
Zie ook het antwoord op uw vragen over de datahonger van de overheid d.d. 18 mei 2022 (antwoord op de eerste, tweede en zevende vraag).3
Wordt er gevraagd of aangegeven waarom er in gegevens gekeken wordt van familieleden van iemand wiens gegevens worden opgevraagd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Krijgt een gemeente een signaal als er buitensporig vaak in de persoonsgegevens van iemand wordt gekeken?
Nee. De Minister van BZK, feitelijk RvIG, beheert de centrale voorziening van de BRP waaruit gegevens kunnen worden opgevraagd. Wat buitensporig is, kan niet in zijn algemeenheid worden vastgesteld, dat hangt af van de grootte en de taak of taken van de gebruiker van de BRP. Er kan daarom ook geen signaal over worden afgegeven.
Specifiek met betrekking tot de politie is het volgende van belang. De taken en doelgroep van de politie zijn breed (verdachte, slachtoffer, benadeelde, getuige, onderhavig aan politiecontrole, of omstander). Al deze mensen kunnen in aanraking komen met de politie, waarna de politie gegevens over diegene zal moeten opzoeken in de BRP. Voorgaande brengt ook met zich mee dat RvIG niet kan bepalen of en wanneer er sprake is van «buitensporig vaak» in de persoonsgegevens van iemand kijken. Daarvoor zou RvIG van iedere persoon moeten weten wat de precieze aanleiding is voor het opvragen van de BRP-gegevens. Dat is niet mogelijk gelet op het grote aantal gebruikers van de BRP en daarbij ook onwenselijk, omdat er dan (bijzondere) persoonsgegevens moeten worden bijgehouden in de BRP zonder noodzaak.
Erkent u dat het raar is dat zelfs Ministeries inzage vragen in de persoonsgegevens? Kunt u aangeven welke afdelingen dit betreft en welke redenen er zijn om iemands persoonsgegevens te controleren?
Nee, dat erkennen wij niet. Het doel van de BRP is het voorzien van overheidsorganen (waaronder Ministers) van de in de BRP opgenomen gegevens, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taak.4 Ministeries kunnen persoonsgegevens nodig hebben voor de uitvoering van hun taken, indien die taken onder directe ministeriële verantwoordelijkheid vallen. Bijvoorbeeld de Minister van BZK voor het kunnen aanbieden van de voorziening DigiD of het beheer van het donorregister onder verantwoordelijkheid van de Minister van VWS. Op de website van RvIG is een overzicht te vinden van de ministeries die toegang hebben tot de BRP, en voor welke taken: BRP-besluiten-Ministeries.
Kunt u aangeven of er een verband is tussen de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst en de vele opvragingen van andere overheidsinstanties? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
PricewaterhouseCoopers (PwC) heeft onderzoek gedaan naar de gegevensverstrekking uit of over de FSV in het rapport «gegevensdeling met derden». De Belastingdienst heeft aanvullend onderzoek verricht dat is gevalideerd door PwC. Over dit onderzoek bent u voor de laatste maal door de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst geïnformeerd op 4 november 2022.
In die brief is opgenomen dat de 536 gegevensverstrekkingen die PwC heeft gevonden nader zijn onderzocht. Daaruit blijkt dat de omvang van de gegevensverstrekking aan derden beperkter is dan eerder geconstateerd. Van de 536 verstrekkingen heeft de Belastingdienst geconstateerd dat er in 128 verstrekkingen geen persoonsgegevens staan of dat de burger niet in de FSV staat. Van de overgebleven verstrekkingen bevat minstens 108 verstrekkingen geen informatie uit of over de FSV. In de verstrekkingen waar wel sprake is van FSV wordt in de meeste gevallen enkel FSV in de verstrekking vermeld zonder dat er informatie uit de FSV is verstrekt. Daarnaast is geconstateerd dat het overgrote deel van de verstrekkingen plaatsvond op basis van een informatieverzoek en dat de verstrekte informatie niet uit de FSV komt. Na analyse blijven er 296 verstrekkingen over die betrekking hebben op 505 mensen. Uit de nadere analyse van de Belastingdienst blijkt dat de ontvangers van de 4 exportbestanden een verbintenis hadden met de Belastingdienst en dat het daarom geen gegevensverstrekking aan derden is. Deze verstrekkingen zijn wel als een datalek aangemerkt, maar er zijn geen gevolgen geconstateerd. Uit het onderzoek met samenwerkingspartners van de Belastingdienst naar de gevolgen van gegevensverstrekking blijkt dat, op enkele gevallen na, er geen vervolgactie is ingezet op basis van de gegevensverstrekking. In de gevallen waarbij de samenwerkingspartner wél een vervolgactie heeft ingezet, ging het om informatie die de samenwerkingspartner op basis van een informatieverzoek heeft ontvangen.
Verstrekking
Aantal
Toelichting
4
Geen gegevensverstrekking
128
Geen gegevensverstrekking
108
Geen gegevensverstrekking
296
Gegevensverstrekking, circa 65% op basis van een informatieverzoek.
Totaal aantal verstrekkingen
536
Gezien er uit deze onderzoeken niet blijkt dat er grootschalige informatieverstrekking uit of over FSV heeft plaatsgevonden aan andere organisaties, is het onaannemelijk dat de FSV heeft geleid tot «grootschalige» bevraging van de BRP door overheidsorganisaties in die zin dat de persoonsgegevens van heel veel burgers in de BRP zijn bevraagd.
Los van de FSV, verstrekt de Belastingdienst fiscale informatie van een persoon aan andere overheidsorganisaties, indien daar door een organisatie om verzocht wordt en hier een wettelijke basis voor is. Ook verstrekt de Belastingdienst fiscale informatie aan andere organisaties ter uitvoering van een wettelijke taak.
Naast dat deze informatieverstrekking in de wet is vastgelegd, is ook in veel gevallen een convenant opgesteld. Die convenanten zijn openbaar beschikbaar.
Met welke instanties zijn er (gegevens van) FSV-lijsten of soortgelijke gegevens gedeeld?
Zie antwoord vraag 6.
Indien er geen gegevens zouden zijn gedeeld met andere instanties dat mensen gesignaleerd staan op een FSV-lijst, hoe verklaart u dat de opvragingen van andere instanties vele malen talrijker zijn dan voor mensen die niet gesignaleerd staan op een FSV-lijst?
Het artikel van FTM spreekt niet over extra raadplegingen van de BRP door de FIOD, het Ministerie van Financiën en anderen. Dit herkennen wij ook niet. In het geval van de politie kan niet worden vastgesteld of sprake is van overmatige bevragingen.
Daarnaast is het zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 1 voor de politie niet bekend welke personen gedupeerden van de toeslagenaffaire zijn. Bij het contact tussen een politiefunctionaris en een persoon (of deze persoon nu in hoedanigheid van verdachte, slachtoffer, benadeelde, getuige, onderhavige is aan politiecontrole, of omstander is) is voor de politiefunctionaris niet kenbaar of de betrokkene in kwestie wel of geen gedupeerde van de toeslagenaffaire is. Bij het verwerken van gegevens naar aanleiding van een dergelijk contact wordt dit dan ook niet geregistreerd. De politie heeft aangegeven dat zij niet kan nagaan of erkende gedupeerden van de toeslagenaffaire bovenmatig veel in bevragingen in de BRP vanuit de politie voorkomen, omdat niet geregistreerd staat bij de politie of er sprake is van een gedupeerde.
Zoals beschreven in de begeleidende brief zijn er wel diverse gronden op basis waarvan gegevens worden verstrekt aan de politie.
Welke gegevens zijn er overgenomen uit FSV-lijsten en gedeeld met andere instanties dan de Belastingdienst?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat bij sommige slachtoffers het krijgen van brieven om toeslagen terug te betalen gelijk loopt met de start van buitensporige inzage van politie, FIOD, Ministerie van Financiën en anderen? Hoe kunt u dit verklaren?
Zie antwoord vraag 8.
Heeft het kenmerk «opzet grove schuld» achter iemands naam invloed gehad op het buitensporig in mogen zien van de persoonsgegevens?
Nee. Het kenmerk «opzet grove schuld» wordt niet geregistreerd in de BRP noch gebruikt bij de toets of een organisatie toegang krijgt tot persoonsgegevens in de BRP.
Bent u bereid een verplichting in te stellen voor instanties waarom zij een bevraging doen uit andere systemen, zodat mensen meer inzage kunnen krijgen in hun gegevens en wat er met hun gegevens gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Die plicht geldt al op grond van de AVG (artikel 5, tweede lid («verantwoordingsplicht»)). Iedere verwerkingsverantwoordelijke is zelfstandig verplicht om daaraan te voldoen.
Denkt u dat wanneer artikel 32a van de Wet politiegegevens in werking was getreden de toeslagenouders wél een fatsoenlijke verklaring van de politie zouden hebben gekregen over waarom er zo vaak inzage in de persoonsgegevens heeft plaatsgevonden? Kunt u uw antwoord toelichting?
Artikel 32a van de Wet politiegegevens (Wpg) gaat over logging in geautomatiseerde systemen van de invoer van gegevens in systemen en op termijn ook van het verzamelen, wijzigen, raadplegen, verstrekken (o.a. in de vorm van doorgifte), combineren of vernietigen van politiegegevens. Het ontbreken van een verklaring voor de bevragingen is niet gelegen in het feit dat er geen logging plaatsvindt van bevragingen. Er vindt wel degelijk logging plaats op grond van de algemene verplichting tot gegevensbeveiliging uit artikel 4a van de Wpg. Er kan echter geen onderzoek worden gedaan door de politie naar bevragingen op toeslagenouders, omdat het voor de politie niet kenbaar is welke personen toeslagenouders zijn. De politie kan daarom niet nagaan of toeslagenouders bovenmatig veel in bevragingen in de BRP vanuit de politie voorkomen, en zo ja, wat daarvan de achterliggende redenen zou kunnen zijn. Als een individuele gedupeerde wil weten welke gegevens van hem of haar bij de politie bekend zijn, dan kunnen zij daartoe een inzageverzoek bij de politie doen. In de begeleidende brief bij deze Kamervragen is een link opgenomen naar een website met meer informatie hoe een dergelijk verzoek kan worden gedaan.
Kunt u aangeven wanneer artikel 32a van de Wet politiegegevens in werking zal treden?
Artikel 32a Wpg moet – conform de uitzonderingsmogelijkheid geboden in Richtlijn 2016/680 – uiterlijk in mei 2023 in werking treden. Dat kan middels een koninklijk besluit. Deze uitzondering is mogelijk gemaakt omdat systemen aangepast moeten worden zodat deze kunnen loggen. Het blijft ook na mei 2023 overigens tot 2026 mogelijk om een uitzondering te vragen voor specifieke systemen die om technische redenen nog niet kunnen loggen.
Kunt u tevens aangeven waarom het zo lang moet duren en of dat bij de inzage in de verwerking van politiegegevens ook zonder logplicht onder dat recht op inzage valt?
Het recht op inzage in de gegevens wordt geregeld door artikel 25 van de Wet politiegegevens, daaronder valt ook inzage in de doelen en de rechtsgrond van de verwerking. Daaronder valt verder een overzicht van de ontvangers van politiegegevens gedurende een periode van vier jaar, dus aan wie politiegegevens verstrekt zijn (lid 1, onderdeel c). Voor zover loggegevens tegemoet komen aan de onderdelen van artikel 25, valt dit onder het inzagerecht. Verder verwijzen wij u voor de beantwoording van deze vraag naar het antwoord op vraag 14.
Bent u bereid instanties te verplichten dat een verzoek wordt gedaan voor inzage in bevragingen van persoonsgegevens, dit overzicht compleet dient te zijn, en er dus niet een overzicht kan worden gegeven van slechts enkele systemen binnen een instantie waarin een persoon voor kan komen? Zo nee, kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Voor de politie geldt dat het recht op inzage conform artikel 25 van de Wpg het inzien van persoonsgegevens en het krijgen van informatie over de doelen en de rechtsgrond van de verwerking; de betrokken categorieën van politiegegevens; de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; het recht te verzoeken om rectificatie, vernietiging of afscherming van de verwerking van hem betreffende politiegegevens; het recht een klacht in te dienen bij de Autoriteit persoonsgegevens, en de contactgegevens van die autoriteit; de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens.
Tegelijk is het goed om hier te onder de aandacht te brengen dat in artikel 27 van de Wet politiegegevens hier een uitzondering op wordt gemaakt en dat het verzoek kan worden afgewezen op grond van een aantal limitatief opgesomde uitzonderingsgronden.
Op overige organisaties die persoonsgegevens verwerken is de AVG van toepassing. De AVG regelt dat op iedere verwerkingsverantwoordelijke de verantwoordingsplicht rust (artikel 5, tweede lid, AVG). Iedere organisatie die gegevens verwerkt, waaronder gegevens uit de BRP, is verplicht om te voldoen aan de verplichting om inzage te kunnen geven in de doeleinden van de verwerking en eventuele verdere verwerkingen (artikel 15 AVG). Overzichten van verwerkingsactiviteiten dienen compleet te zijn.5
Bent u bereid instanties te verplichten dat indien er een verzoek wordt gedaan voor inzage in bevragingen van persoonsgegevens, dit overzicht compleet dient te zijn en dus ook moet bevatten met welke instanties deze gegevens nog meer zijn gedeeld? Zo nee, kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Die plicht geldt al op grond van de AVG (artikel6. Iedere verwerkingsverantwoordelijke is zelfstandig verantwoordelijk om daaraan te voldoen.
Waarom vindt u het nog altijd geoorloofd dat steeds meer instanties, en daarmee ook steeds meer mensen, inzage hebben in de persoonlijke gegevens van mensen zonder dat ze daarbij hoeven aan te geven waarom ze deze gegevens opvragen of hoe zij deze gegevens verder verwerken? Ziet u het gevaar als, zoals u eerder wenste, ook bijvoorbeeld banken toegang hebben tot dergelijke gegevens? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Het verwerken van persoonsgegevens zonder dat daarbij kan worden aangegeven waarom de gegevens worden verwerkt zou inderdaad – behoudens uitzonderingen – ongeoorloofd zijn. Op iedere verwerkingsverantwoordelijke rust de verantwoordingsplicht (artikel 5, tweede lid, AVG). Zie voor de verdere beantwoording van deze vraag mijn antwoord op uw vragen over de datahonger van de overheid d.d. 18 mei 2022 (antwoord op de tweede vraag).7 Iedere organisatie die gegevens verwerkt, waaronder gegevens uit de BRP, moet voldoen aan de verplichting om inzage te kunnen geven in de doeleinden van de verwerking en eventuele verdere verwerkingen.
Vindt u het rechtvaardig dat slachtoffers van het toeslagenschandaal nog altijd geen inzicht hebben in welke gegevens met welke diensten zijn gedeeld? Zo nee, hoe kan het dat deze mensen al zo lang op antwoorden moeten wachten? Zo ja, kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
In de systemen van Toeslagen staat niet geregistreerd of en welke informatie van gedupeerde ouders in het verleden is gedeeld met andere organisaties. Het is voor de medewerkers van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) daarom ook niet mogelijk om dit inzichtelijk te maken.
Wanneer gedupeerden in de FSV geregistreerd stonden, zijn zij door de Belastingdienst hierover geïnformeerd. De Belastingdienst informeert hen dan ook over de reden van registratie, wat de effecten van registratie zijn geweest en indien dit aan de orde is, met welke organisaties hun gegevens uit of over FSV zijn gedeeld.
Fraude Signaleringen Belastingdienst |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
In de brief van de Staatssecretaris van 22 april 2021 wordt gemeld dat binnengekomen signalen die als gevolg van het stopzetten van de fraudesignaleringsvoorziening (FSV) niet konden worden opgepakt op dat moment was opgelopen tot circa 13.000 signalen, inclusief Toeslagen. Om welk aantal gaat dit per 1 oktober 2022?1
Tijdens het vragenuur van 18 oktober jl. over berichtgeving in NRC2 heb ik het getal van 25.000 signalen in dat artikel bevestigd. Het betrof een interne schatting, die sindsdien is aangescherpt. De Belastingdienst ontvangt via verschillende kanalen intern en extern informatie die als «signaal» gekwalificeerd kan worden. Per maand komen er ongeveer 800 mails met signalen binnen in de postbussen die daarvoor hoofdzakelijk gebruikt worden. Hoeveel individuele signalen de mails precies bevatten kan alleen bepaald worden door ze inhoudelijk te beoordelen, wat nu niet gebeurt. Gegeven dit maandelijks aantal zijn er naar schatting 22.400 signalen binnengekomen sinds het stilleggen van dit signalenproces in juli 20203.
Daarnaast kunnen burgers vermoedens van (kleinschalige) belastingfraude schriftelijk bij het Belastingkantoor in de betreffende regio delen. Naar schatting betreft het enkele honderden signalen. Het valt niet precies te zeggen hoeveel signalen de brieven die langs deze weg zijn binnengekomen bevatten, omdat ze momenteel niet beoordeeld en als signaal geregistreerd worden.
Voor Toeslagen geldt dat de aanpak van misbruik en oneigenlijk gebruik, het Intensief Toezichtproces (ITO), stilligt en wordt herijkt. Op dit moment liggen er ongeveer 7.000 berichten waaraan nog geen gevolg is gegeven. Het proces zal geborgd en gefaseerd worden opgestart, naar verwachting in begin 2023. Dit betreft een ander proces dan het signalenproces van de Belastingdienst. De Staatssecretaris van Toeslagen en Douane zal u hierover verder informeren.
Op basis van de bovenstaande stromen zijn er dus naar schatting ongeveer 30.000 signalen binnengekomen sinds het uitzetten van de bovenstaande signalenprocessen. Dit is inclusief het aantal van 13.000 signalen tot april 2021. Ook dat aantal betrof een schatting.
Klopt het dat meldingen van fiscale fraude via Misdaad Anoniem wel doorgezonden worden naar de Belastingdienst, maar hier niet in behandelingen zijn genomen? Zo ja, om hoeveel meldingen gaat dat tussen 22 april 2021 en 1 oktober 2022? Zo nee, wat is de tijd tussen melding en het oppakken hiervan bij de Belastingdienst?
Meldingen via Meld Misdaad Anoniem worden beoordeeld door de informatiedesk FIOD. De FIOD pakt de signalen die relevant zijn voor strafrechtelijk onderzoek zelf op. De voor de Belastingdienst relevante meldingen worden doorgestuurd naar de Belastingdienst. Gegeven het stilliggen van dit signalenproces bij de Belastingdienst worden deze meldingen daar niet opgepakt, maar wel bewaard. In de periode van april 2021 tot oktober 2022 heeft de FIOD ongeveer 1.200 signalen van Meld Misdaad Anoniem zelf opgepakt en ongeveer 2.000 signalen naar de Belastingdienst doorgestuurd.
Klopt het dat meldingen bij een belastingkantoor wel worden doorgezonden naar de centrale Belastingdienst, maar hier niet in behandelingen zijn genomen? Zo ja, om hoeveel meldingen gaat dat tussen 22 april 2021 en 1 oktober 2022?
Er is binnen de Belastingdienst geen scheiding tussen lokale belastingkantoren en een «centrale Belastingdienst». Wel is het zo dat burgers vermoedens van (kleinschalige) belastingfraude schriftelijk bij het Belastingkantoor in de betreffende regio kunnen delen. Vóór het stilleggen van dit signalenproces werden deze meldingen vervolgens ook in dat kantoor opgepakt. Sindsdien worden deze meldingen inderdaad niet behandeld. Naar schatting betreft het enkele honderden signalen. Het valt niet precies te zeggen hoeveel signalen de brieven die langs deze weg zijn binnengekomen bevatten, omdat ze momenteel niet beoordeeld en als signaal geregistreerd worden.
Klopt het dat meldingen bij de informatiedesk Fiod niet in behandelingen zijn genomen? Zo ja, om hoeveel meldingen gaat dat tussen 22 april 2021 en 1 oktober 2022?
Dat klopt niet. Meldingen die binnenkomen bij de informatiedesk FIOD worden daar beoordeeld. De uitkomst van behandeling kan drieërlei zijn: Ten eerste kan de melding als niet-relevant worden beoordeeld en dan wordt deze afgesloten. Ten tweede kan het om een voor de FIOD relevante melding gaan. In dit geval blijft de melding binnen de FIOD en wordt daar behandeld. Ten derde kan de melding relevant zijn voor een partner, zoals de Belastingdienst. In dit geval wordt de melding naar desbetreffende partner doorgestuurd. Zoals hierboven uitgelegd behandelt de Belastingdienst deze meldingen momenteel niet.
Is het fraudebeleid naar de mening van de Staatssecretaris momenteel «in control»? Zo nee, welke acties en deadlines hiervoor lopen er momenteel nog?
De aanpak van fraude maakt onderdeel uit van de handhavingsstrategie van de Belastingdienst. De aanpak van fiscale fraude is belangrijk, omdat het niet opvolgen van fiscale fraude het maatschappelijk draagvlak voor het betalen van belasting aantast. Daarom vind ik het niet goed dat een deel van de signalen over mogelijke fraude op dit moment niet kan worden opgevolgd. Ik heb uw Kamer daar in het vragenuur van 18 oktober jl. en op 30 mei jl. met de voortgangsrapportage4 over het programma Herstellen, Verbeteren, Borgen (HVB) nader over geïnformeerd. Er vindt desondanks nog steeds intensief en regulier toezicht plaats, zodat mogelijke fraude wordt aangepakt. Een voorbeeld hiervan is de aanpak van verhuld vermogen, die zich richt op het identificeren en tegengaan van het verhullen van inkomen en vermogen. Meldingen aan de FIOD die om onderzoek van de FIOD vragen worden nog steeds opgepakt. Er wordt ook de samenwerking gezocht met andere overheidsinstanties, bijvoorbeeld wanneer de reikwijdte van de mogelijke regelovertreding verder gaat dan het fiscale. Casussen uit het toezicht die kwalificeren voor het strafrecht worden overgedragen aan de FIOD. De FIOD is daarmee – onder gezag van het OM – een belangrijke speler in het opsporen en de bestrijding van fiscale fraude. De Belastingdienst werkt aan de versterking van de fraudeaanpak en het hervatten van het signalenproces met als doel de aanpak van fraude slagvaardiger en beter uitlegbaar te maken.
Het bericht ‘Tientallen klachten van misbruik en mishandeling in Gelders jeugddorp’ |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Ruud Verkuijlen (VVD), Simone Richardson (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tientallen klachten van misbruik en mishandeling in Gelders jeugddorp»?1
Ja.
Zijn deze misstanden ook ter sprake gekomen bij het bezoek van de Staatssecretaris aan dit jeugddorp op 14 september jongstleden? Zo nee, waarom niet?2
Nee, deze misstanden zijn niet besproken. Voorafgaand aan mijn werkbezoek aan de Glind hebben mij geen signalen bereikt over misstanden. Indien dat wel het geval was, was ik het gesprek hierover zeker aangegaan.
Hebben externe toezichthouders al eerder signalen bereikt over onveilige omstandigheden in jeugddorp de Glind? Zo ja, vanaf wanneer waren deze externe toezichthouders hiervan op de hoogte en welke stappen zijn toen ondernomen? Zo nee, hoe kan het dat dit nog niet bekend was bij de betrokken toezichthouders?
In de periode 2018 tot begin oktober 2022 ontving de IGJ 8 signalen en 5 meldingen over zorgaanbieders uit de Glind. Bij iedere melding bepaalt de IGJ welke vervolgstappen nodig zijn. Dat kan onmiddellijke actie zijn, maar het kan ook zijn dat de IGJ een zorgaanbieder bijvoorbeeld vraagt om zelfstandig onderzoek te doen. Meldingen die de IGJ ontvangt over geweld, misbruik of grensoverschrijdend gedrag binnen een gezinshuis, worden altijd opgevolgd. Ook neemt de IGJ meldingen die worden ontvangen mee in toekomstig toezicht. Veel van de zorgaanbieders in de Glind betreffen gezinshuizen.
Over de precieze inhoud van meldingen en de afhandeling doet de IGJ nooit mededelingen. Dat is vanwege de vertrouwelijkheid van de informatie en de privacy van betrokkenen. En omdat meldingen (ook oudere) meegenomen kunnen worden in toekomstig toezicht of onderdeel zijn van lopend toezicht.
Hoe reflecteert u op de constatering van oud-pleegkinderen dat sprake is van een gesloten systeem dat vermeende daders de hand boven het hoofd hield? Welke stappen worden nu ondernomen ten aanzien van de zorgaanbieder?
Het is zeer te betreuren dat oud-pleegkinderen geen klacht durfden in te dienen of aangifte durfden te doen tegen vermeende daders van de misstanden in de Glind. Het gesloten systeem zoals in de uitzending van omroep Gelderland over de Glind in de jaren ‘80 en ‘90 is beschreven, is inmiddels veranderd. Het is sinds het begin van de jaren ‘90 niet meer verplicht om als hulpverlener in De Glind te wonen. Voor de gezinshuiskinderen wordt gekeken wat een passende school/ opleiding voor hen is, waardoor zij ook buiten de Glind naar een reguliere basisschool of school voor voortgezet onderwijs kunnen gaan.
In 2016 is de Stichting Jeugddorp de Glind opgericht, naast Stichting Intermetzo (de voorganger van Pluryn), die ook gezinswonen aanbiedt als zorgaanbieder. Ook andere zorgaanbieders hebben zich ondertussen gevestigd in het dorp met één of meerdere gezinshuizen, woonvormen of logeervoorzieningen. De verschillende zorgaanbieders werken binnen het dorp samen op het gebied van bijvoorbeeld vrijetijdsvoorzieningen. Intercollegiaal overleg of het bespreken van het (vermoeden) van misstanden kan hierdoor makkelijk plaatsvinden tussen professionals die geen afhankelijkheidsrelatie ten aanzien van elkaar hebben in de privésfeer.
De grootste franchise-gevende organisatie van gezinswonen (Gezinshuis.com) heeft sinds enkele jaren geen kantoor meer in de Glind en daarmee geen directe belangen, anders dan het vertegenwoordigen van haar formule bij zorgaanbieders en bij een groot deel van de gezinshuizen in het dorp. De positionering van Gezinshuis.com buiten de Glind draagt bij aan haar onafhankelijke positie.
De lopende meldingen en signalen die over de betrokken zorgaanbieders worden gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), zullen zorgvuldig door de IGJ worden behandeld en zo nodig worden onderzocht. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Hoe wordt recht gedaan aan de groep oud-pleegkinderen die hun verhaal hebben verteld? Hoe wordt erop toegezien dat deze oude meldingen alsnog worden behandeld?
Pluryn heeft een telefoonlijn opgezet voor deze groep slachtoffers.
Pluryn is ook onderzoek aan het voorbereiden. Ik heb begrepen dat ze zowel onderzoek laten doen naar de stukken die in de archieven bewaard zijn, als methodologisch onderzoek, bijvoorbeeld door middel van focusgroepen met (oud)medewerkers en (oud)cliënten. De uitkomsten van beide onderzoeken zijn bedoeld om zowel helder te krijgen wat er gebeurd is met meldingen, maar ook om te leren hoe nu en in de toekomst om te gaan met (gevoelens van) onveiligheid van cliënten en medewerkers en dit te voorkomen.
Slachtoffers kunnen ook bellen met de telefoonlijn van Slachtofferhulp Nederland. Zij bieden hulp en ondersteuning en geven persoonlijk advies aan onder meer slachtoffers van geweld of seksueel misbruik.
Slachtoffers die tussen 1945–2019 slachtoffer zijn van geweld en behoefte hebben aan een luisterend oor of zoekende zijn naar hulp of ondersteuning, kunnen bellen met de telefoonlijn van het Centraal Informatie en Expertisepunt. Dat is speciaal opgericht voor slachtoffers van geweld. Er is ook een mogelijkheid tot chatten.
Indien zij dit nog niet gedaan hebben, kunnen de slachtoffers ook een financiële tegemoetkoming vragen bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Mensen die tussen 1945–2019 als minderjarige onder verantwoordelijkheid van de overheid in aanraking kwamen met geweld in de vorm van jeugdzorg waar zij verbleven, komen in aanmerking voor deze vergoeding.
Zijn er voldoende mogelijkheden voor bewoners en jeugdbeschermers om veilig meldingen te doen, intern en extern, van onveilige situaties binnen het jeugddorp? Zijn bewoners en jeugdbeschermers hier ook voldoende van op de hoogte?
Er zijn nu diverse mogelijkheden voor bewoners maar ook voor jeugdbeschermers om veilig een melding te doen, indien zij over een zorgaanbieder klachten hebben, of onveiligheid of geweld ervaren. De mogelijkheden voor het doen van meldingen en het indienen van klachten zijn bekend bij de jeugdbeschermers en ook bewoners weten waar zij terecht kunnen bij klachten of onveilige situaties.
Allereerst hebben kinderen, ouders en pleegouders, op grond van de Jeugdwet, klachtrecht. Jeugdhulpaanbieders waaronder gezinshuizen moeten een klachtenregeling opstellen waarin in ieder geval voorzien wordt in een klachtencommissie met een onafhankelijk voorzitter die de klachten kan behandelen. Wordt de klacht niet naar tevredenheid afgehandeld dan kan de klager zich wenden tot de Nationale ombudsman of de Kinderombudsman.
Er bestaat tenslotte ook de mogelijkheid een tuchtklacht in te dienen.
Daarnaast moeten jeugdhulpaanbieders zoals gezinshuizen beschikken over een onafhankelijk vertrouwenspersoon, zoals een vertrouwenspersoon van het AKJ (Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg). Jeugdigen en hun ouders kunnen daar terecht voor hulp bijvoorbeeld bij het indienen van een (tucht)klacht over een jeugdhulpaanbieder. De vertrouwenspersoon van het AKJ komt in het geval van een gezinshuis vier keer per jaar langs om een gesprek te voeren met de jeugdige. Bij klachten kan ook een gesprek worden gevoerd met de betreffende jeugdprofessional eventueel in aanwezigheid van diens leidinggevende. Indien sprake is van acuut gevaar dan kan de vertrouwenspersoon de situatie zelf signaleren bij de IGJ.
Er kan ook gemeld worden bij het Landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) van de IGJ. Het LMZ geeft advies en informatie bij klachten over de kwaliteit van zorg en geeft aan welke stappen mensen/ jeugdigen met klachten kunnen zetten.
Naast het LMZ heeft de IGJ een apart meldpunt voor (ex-)medewerkers en zorgaanbieders.
Zijn er op dit moment overeenkomstige signalen bekend bij andere jeugdinstellingen?
De IGJ zal meldingen door jeugdhulpaanbieders en signalen en meldingen die bij het LMZ binnen komen over jeugdinstellingen zorgvuldig behandelen en zo nodig onderzoeken. Over de inhoud van deze signalen en meldingen en over de afhandeling ervan doet de IGJ nooit mededelingen in verband met de vertrouwelijkheid van de informatie en de privacy van betrokkenen.
Bent u bereid om breder onderzoek te doen naar veilige leefomstandigheden binnen dit soort woonvormen naar aanleiding van deze casus en de Kamer hierover voor het einde van het jaar te informeren? Zo nee, waarom niet?
Begin dit jaar heb ik het onderzoek naar veiligheidsbeleving onder jongeren in de jeugdzorg met verblijf naar uw Kamer gestuurd3. In mijn beleidsreactie en eveneens in het door de Tweede Kamer aangevraagde VSO heb ik aangegeven dat ik dit onderzoek naar veiligheidsbeleving in 2023 wil herhalen.
Specifiek naar aanleiding van deze casus heeft zorgaanbieder Pluryn aangegeven dat zij onderzoek gaan laten uitvoeren over wat er in de Glind gespeeld heeft. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Het Schadefonds Geweldsmisdrijven voert de tijdelijke regeling slachtoffers jeugdzorg uit waarmee slachtoffers die tussen 1945–2019 in de jeugdzorg verbleven een tegemoetkoming kunnen krijgen van € 5.000. Ik wil een onderzoek laten uitvoeren naar de gegevens die het Schadefonds Geweldsmisdrijven heeft opgehaald bij het uitvoeren van de regeling. Uit de gegevens van het Schadefonds Geweldsmisdrijven zijn mogelijk rode draden of patronen te herkennen waaruit lessen kunnen worden getrokken om de veiligheid van jeugdigen waar nodig te verbeteren. Een extra onderzoek voordat deze onderzoeken zijn uitgevoerd, heeft hierdoor op dit moment weinig meerwaarde.
Klopt het dat de plenaire behandeling, onder voorbehoud, in de Eerste Kamer op 8 november 2022 plaatsvindt en de eerstvolgende waterschapsverkiezingen op 15 maart 2023 worden gehouden?
Ja.
Wat betekent de rijkelijk late behandeling van het wetsvoorstel op 8 november voor de implementatie van (mogelijke) wijzigingen voor de eerstvolgende waterschapsverkiezingen?
Door de nog niet afgeronde parlementaire behandeling van het initiatiefvoorstel kan helaas op dit moment nog geen duidelijkheid worden gegeven aan betrokkenen bij de aankomende waterschapsverkiezingen.
De Eerste Kamer heeft op 10 oktober jl. verslag uitgebracht. Daarin zijn vergelijkbare vragen gesteld en zorgen geuit over het goed kunnen verlopen van de waterschapsverkiezingen in 2023. Uiterlijk 4 november 2022 zal op de vragen van de Eerste Kamer worden gereageerd. Daarmee is de beantwoording vanuit de regering tijdig gereed voor de plenaire behandeling van 8 november in de Eerste Kamer.
Klopt het dat het uitblijven van een beslissing of het eventueel terugsturen van het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer zou betekenen dat er na de komende waterschapsverkiezingen op 15 maart 2023 geen wijzigingen kunnen worden aangebracht in de Waterschapswet?
Specifiek voor het nu voorliggende initiatiefvoorstel wordt opgemerkt dat onder meer tijdens het plenaire debat in de Tweede Kamer daarover is aangegeven dat de wetswijziging, uiteraard indien de Eerste Kamer dit initiatiefvoorstel aanvaardt, uiterlijk op 1 december van dit jaar in het Staatsblad moet zijn gepubliceerd in verband met de uiterste datum waarop – nieuwe – politieke groeperingen zich kunnen laten registreren (19 december dit jaar).
In zijn algemeenheid geldt overigens dat wetswijzigingen altijd mogelijk zijn, uiteraard mits aangenomen door de Staten-Generaal. Een wetsvoorstel dat al bij een van de Kamers ligt kan in principe ook gewijzigd worden (procedure novelle indien het bij de Eerste Kamer ligt). Besluitvorming over de wetgeving na de komende waterschapsverkiezingen betekent dat huidige wetgeving blijft gelden voor het verkiezingsproces in 2023.
Bent u het ermee eens dat de lange duur van het behandelproces van het wetsvoorstel onduidelijkheid creëert bij betrokkenen van de aankomende waterschapsverkiezingen en er daarom op zeer korte termijn duidelijkheid dient te worden verschaft over de toekomst van de geborgde zetels?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u het standpunt dat de wijzigingen aan de Waterschapswet – in welke vorm dan ook – niet meer kunnen worden doorgevoerd als de behandeling van het initiatiefvoorstel pas op 8 november in de Eerste Kamer plaatsvindt? Zo ja, bent u bereid om provincies en waterschappen duidelijkheid te bieden dat er tijdens de aankomende verkiezingen niets zal veranderen aan het systeem waarop bestuurders van waterschappen worden gekozen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen – gezien de urgentie – binnen één week beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Gemeenten willen stekker uit Kredietbank in Assen trekken' |
|
Hülya Kat (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gemeenten willen stekker uit Kredietbank in Assen trekken»?1
Ja.
Ziet u meerwaarde in het hebben van een regionale kredietbank die integrale dienstverlening levert aan meerdere gemeenten ten opzichte van een versnipperd landschap van commerciële dienstverleners?
De combinatie van een Kredietbank die ook schuldhulpverlening aanbiedt, heeft voordelen doordat er snel geschakeld kan worden. Mensen met schulden kunnen daardoor goed geholpen worden. Vooral voor kleine gemeenten zijn samenwerkingen met andere gemeenten van waarde vanwege de schaalgrootte en de mogelijkheden die dat biedt voor professionalisering.
Een dergelijke samenwerking komt in verschillende vormen voor. Zo zijn er ook gemeenten die de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening in gezamenlijkheid uitvoeren via een andere uitvoeringsorganisatie. Regionale kredietbanken blijken namelijk niet altijd de logische weg naar de schuldhulpverlening te zijn. We zien dat niet alle mensen met schulden de Kredietbank weten te vinden voor hulp. Om de toegang tot de schuldhulpverlening laagdrempeliger te maken heeft een integraal gemeenteloket de voorkeur. De meerwaarde van zo’n loket is dat niet alleen de schuldhulpverlening daar belegd is, maar ook de toegang tot andere voorzieningen in het sociaal domein. Deze integrale aanpak verbetert de vroegsignalering en zorgt voor betere hulp aan mensen bij wie sprake is van multiproblematiek. Voor integrale dienstverlening zijn gemeenten dus niet alleen aangewezen op kredietbanken.
Ziet u een risico dat gemeenten per saldo duurder uit zijn als zij allen individueel hun schuldhulpverlening moet gaan aanbesteden dan wanneer zij dit gezamenlijk regelen via een regionale Kredietbank?
Er zijn voor gemeenten op het vlak van efficiëntie en financiën voordelen aan het samen uitbesteden van hun taken. Daarnaast zijn de tarieven en verantwoordelijkheden voor gemeenten die met dezelfde partij werken niet altijd gelijk. In het geval van de GKB staan Assen, Meppel en Hoogeveen via de gemeenschappelijke regeling garant voor de GKB. Eventuele tekorten worden altijd door hen aangevuld. Andere gemeenten die ook diensten van de GKB afnemen hebben deze verantwoordelijk niet. Het kan voor gemeenten per saldo dus goedkoper zijn om een gemeenschappelijke regeling te beëindigen en de schuldhulpverlening anders aan te besteden. Zij kunnen er dan overigens alsnog voor kiezen om de schuldhulpverlening in gezamenlijkheid aan te besteden. Veel gemeenten kiezen voor een gezamenlijke aanbesteding.
Zijn er meer Kredietbanken waarbij financiële tekorten de continuïteit van de dienstverlening bedreigen?
Op dit moment zijn er geen andere Kredietbanken bij mij bekend met financiële tekorten. Overigens geldt dat, mochten er zich financiële tekorten voordoen bij Kredietbanken, deze de continuïteit van de dienstverlening niet bedreigen. Gemeenten in de gezamenlijke regeling staan garant voor tekorten en vullen deze altijd aan. Hierdoor komt de dienstverlening van een Kredietbank niet in het geding.
Zo ja, wat zijn de oorzaken van deze financiële tekorten?
Zoals hierboven aangegeven, zijn er op dit moment zijn geen andere Kredietbanken bij mij bekend met financiële tekorten.
Hoeveel Kredietbanken zijn er in de afgelopen decennia omgevallen en wat waren hiervan de oorzaken?
Er zijn geen Kredietbanken opgeheven de afgelopen decennia.
Wat betekent het wegvallen van de Kredietbank voor de beschikbaarheid van saneringskredieten in de betreffende gemeenten?
De betreffende gemeenten zullen in het geval van opheffing van de KBG een nieuwe aanbesteding doen voor hun schuldhulpverlening en de verstrekking van saneringskredieten. Zij zullen erop toe zien dat de portefeuille aan lopende dossiers en saneringskredieten met zorg worden overgedragen. De beschikbaarheid van saneringskredieten komt dus niet in het geding.
Wat betekent het wegvallen van de Kredietbank voor de dienstverlening in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslagen private schulden?
Het wegvallen van de Kredietbank zal geen invloed hebben op de hersteloperatie Kinderopvangtoeslagen, omdat de GKB Assen hier geen rol in vervult. Gedupeerden kunnen zich via een portal aanmelden waar onder toezicht van Sociale Banken Nederland doorverwijzing wordt verzorgd naar een van de partijen die de verdere afhandeling doet.
Wat betekent het wegvallen van de Kredietbank voor de beschikbaarheid van sociaal krediet tegen een lage rente in de betreffende gemeenten?
Mocht de Kredietbank opgeheven worden dan zullen de gemeenten Assen, Meppel en Hoogeveen sociale kredieten blijven aanbieden. Via een aanbesteding zal hiervoor een geschikte partij gevonden moeten worden.
Ziet u een risico in het gegeven dat er nog geen nieuwe organisatie is gevonden die de schuldhulpverlening namens de gemeenten moet gaan uitvoeren?
Nee; de GKB wordt niet zomaar opgegeven als er nog geen alternatief is. De gemeenten Assen, Meppel en Hoogeveen zullen in het geval van opheffing eerst verkennen of, en zo ja hoe, zij in de toekomst samen zullen werken bij het aanbesteden van hun opdracht. Daarbij zullen zij zorgdragen voor de overdracht van de dossiers.
Wat kunt u zeggen over het onderzoek dat de European Public Prosecutor’s Office heeft verricht bij de Belastingdienst? Waarom is er onderzoek gedaan?
Op welke andere plekken is onderzoek gedaan in het kader van dit onderzoek?
Welke vervolgstappen van het European Public Prosecutor’s Office verwacht u? Volgen er meer onderzoeken in Nederland?
Welke dienstonderdelen van de Belastingdienst huisvesten in het kantoor in Den Haag?
Wanneer informeert u de Tweede Kamer over het onderzoek?
Het bericht 'Energy union or deindustrialisation' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Energy Union or Energy union or deindustrialisation»?1
Ja.
Herinnert u zich de artikelen «Fabrieken worden stilgelegd door energieprijzen en dat gaan we merken»2 en «Europese metaalbedrijven vrezen permanente sluiting van fabrieken»?3
Ja.
Erkent u dat de hogere energieprijzen in Europa in vergelijking tot andere landen, namelijk negen keer hoger in Augustus ten opzichte van de prijzen in de Verenigde Staten de-industrialisatie van Europa in gang zet?
Ik erken dat de hoge energieprijzen in Europa reden zijn tot zorg, en dat deze hoge prijzen de concurrentiepositie van delen van de (energie-intensieve) industrie onder druk zet. Deze zorg leeft ook bij mijn collega’s elders in Europa.
Ik ben dan ook in direct contact met een aantal van de grote bedrijven die onder de hoge energieprijzen lijden. In augustus waren de energieprijzen inderdaad significant hoger dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Gelukkig is sindsdien de gasprijs in Europa met 70% gedaald. Dit biedt echter geenszins zekerheid op de lange termijn. Zoals toegezegd in het Commissiedebat Bedrijfslevenbeleid van 19 oktober jl., zal ik uw Kamer voor het einde van het jaar informeren over de impact van de gestegen energieprijzen op de industrie en de wijze waarop het kabinet hierin zal gaan acteren.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is de strategische en groene industrie binnen Europa voor te toekomst te behouden? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze mening. Zoals ook aangegeven in mijn industriebrief van deze zomer en de brief over de verduurzaming van de industrie hecht het kabinet eraan om een strategische en groene industrie binnen Europa te behouden. Dit voorkomt dat CO2-emissies simpelweg worden verplaatst, vermindert onze afhankelijkheid van derde landen voor belangrijke goederen en zorgt voor een diverse en daarmee veerkrachtigere economie.
Deelt u de mening dat de huidige eisen en doelen [omtrent energiebesparing, staatssteun, afroming van winsten en maximale vulgraden] die door de Europese Unie gesteld zijn, maar ingevuld en uitgevoerd worden door de landen zelf waarbij er grote verschillen ontstaan door budgettaire capaciteit tussen landen, kan leiden tot een ongelijk speelveld en daarmee instabiliteit van de interne markt? Zo nee, waarom niet?
De plannen van de EU op dit gebied houden al rekening met het verschil in welvaart en budgettaire ruimte tussen lidstaten. De middelen uit de Green Deal, het RepowerEU programma en de Recovery and Resilience Facility komen in het bijzonder aan de minder kapitaalkrachtige lidstaten ten goede en minder aan lidstaten zoals Nederland. Ook gezamenlijke inkoop is een maatregel die de effecten van ongelijke marktmacht tussen lidstaten tegengaat. Er zijn dus al waarborgen getroffen voor het bevorderen van een gelijk speelveld.
Deelt u de mening dat de ontwikkeling van een Europees afschakelplan ervoor kan zorgen dat de cruciale sectoren kunnen blijven draaien? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Als ook aangegeven in de Kamerbrief van 9 september inzake de voortgang van het BH-G (Kamerstuk 29 023, nr. 342) wordt de afschakelstrategie in nauw overleg met de belangrijke handelspartners België en Duitsland vormgegeven. De komende periode zal een nadere analyse van grensoverschrijdende keteneffecten van deze landen worden gemaakt en met deze landen worden besproken. Indien nodig zal de afschakelstrategie daarop worden aangepast.
Deelt u de mening dat de ontwikkeling van een Europese Energie Unie noodzakelijk is om te zorgen dat de-industrialisatie wordt voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze mening deels. In reactie op de huidige energiecrisis en de stijging van energieprijzen in de EU worden zowel in EU-verband als op nationaal niveau veel maatregelen genomen om de gevolgen van de stijgende energiekosten voor burgers en bedrijven te verzachten en ook om de oorzaken van de gestegen energieprijzen aan te pakken. Samenwerking op Europees niveau is dan ook zeer belangrijk. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Deelt u de resultaten van het onderzoek van het University College Dublin dat een Europese Energie Unie – waarbij de energie- en gasprijs op Europees niveau worden losgekoppeld, er gezamenlijk ingekocht wordt en het pan-Europese supergrid wordt afgemaakt, energieprijzen binnen de Europese Unie met 32% dalen?4 Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek – waaraan de VOLT-fractie refereert – gaat niet in op een Europese Energie Unie maar betreft een studie naar de voordelen van een mogelijk pan-Europees «super grid». Een conclusie van dit onderzoek is dat de energiekosten met 32% zouden kunnen dalen als gevolg van verdere versterking van de pan-Europese transmissienetwerken. Het klopt dat uitbreiding en versterking van Europese transmissienetten een belangrijke voorwaarde is voor het slagen van de energietransitie. De resultaten van dit onderzoek vloeien voort uit van een groot aantal aannames. Dit maakt het moeilijk te beoordelen hoe reëel dit cijfer is.
Deelt u de mening dat een Europese Energie Unie het opbouwen van strategische reserves makkelijker maakt omdat landen niet meer met elkaar concurreren? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. Ten eerste kan een gezamenlijke gasinkoop bijdragen aan het makkelijker opbouwen van strategische reserves. Dit kan echter ook zonder een Europese Energie Unie, zoals de VOLT-fractie deze voor zich ziet. Voorts kan een gezamenlijke Europese Energie Unie uiteindelijk bijdragen aan lagere kosten die de burgers betalen voor energie. Vandaag de dag vormen ook moeilijk te beheersen externe factoren een belangrijke oorzaak van hogere energieprijzen. Voor een weerbaar Europees energiesysteem is de Europese Energie Unie geen doel op zich. Het gaat er wat mij betreft dan vooral om dat de EU als geheel niet alleen een geïntegreerd energiesysteem heeft, maar ook in staat is deze te voeden met overwegend hernieuwbare energie van eigen bodem. Dát maakt weerbaarder voor schokken van buitenaf.
Deelt u de mening dat een gezamenlijke Europese Energie Unie de kosten die de burgers betaalt voor energie verlaagt en het Europese energiesysteem weerbaarder maakt voor schokken van buitenaf? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Wat is de positie van Nederland ten aanzien van de verschillende aspecten van een Europese Energie Unie zoals hierboven benoemd en ten aanzien van een Europese Energie Unie als geheel? Bent u bereidt om u in Europees verband hard te maken voor de totstandkoming van een Europese Energie Unie?
Zie antwoord vraag 9.