Het bericht ‘Gebrekkig spooronderhoud leidde tot ontspoorde trein bij Groningen’ |
|
Stieneke van der Graaf (CU) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gebrekkig spooronderhoud leidde tot ontspoorde trein bij Groningen»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht «Gebrekkig spooronderhoud leidde tot ontspoorde trein bij Groningen».
Deelt u de visie van ProRail dat één van de oorzaken van het ongeluk het uitstellen van onderhoudswerkzaamheden is?
Ja, in het rapport van ProRail concludeert zij dat één van de oorzaken het niet tijdig uitvoeren van onderhoud door de aannemer in 2012 en 2016 is waarmee de levensduur van het betrokken spoorgedeelte zou zijn verlengd. ProRail concludeert niet dat de vervanging niet uitgesteld had mogen worden, maar wel dat het inspectieregime van de aannemer en het toetsingsregime van ProRail ontoereikend zijn geweest. Voor de instandhouding van het spoor tot de uitgestelde vervanging heeft ProRail te veel vertrouwd op het proces van de aannemer voor onderhoud en inspecties. De aannemer had onder andere in 2020 een integrale inspectie moeten uitvoeren.
Zijn er meer locaties bekend waar al meer dan 10 jaar geen uitgebreide beoordeling van het spoor is gedaan?
Nee, op dit moment zijn bij ProRail geen gebieden bekend waar al meer dan 10 jaar geen beoordeling van het spoor is gedaan. Deze beoordeling bestaat uit verschillende onderdelen. ProRail is verantwoordelijk voor het beheren van de infra van het spoor. Het gaat om ca. 7.000 km spoor, ca. 6300 wissels, ca. 2400 overwegen en ca 11.600 seinen. Om hier een goede uitvoering aan te geven heeft ProRail contracten met onderhoudsaannemers die bepaalde gebieden onderhouden op basis van prestatieafspraken, zogeheten Prestatie Gericht Onderhoud (hierna PGO). De PGO-aannemer is verplicht een risicoanalyse uit te voeren en in combinatie met de specifieke eisen die gelden voor de spoorinfrastructuur wordt er een inspectie- en onderhoudsplan opgesteld. De PGO-aannemer is hierbij verplicht om minimaal eenmaal per jaar aan te tonen dat de spoorinfrastructuur voldoet aan de vastgestelde eisen conform het PGO-contract (de beoordeling van de infra). ProRail heeft als opdrachtgever de verplichting om de uitgevoerde onderhoudsactiviteiten en inspectieresultaten «steekproefsgewijs» te verifiëren en valideren, en om actie te ondernemen bij eventuele afwijkingen of als de risico’s niet voldoende zijn beheerst. Verder maakt ProRail gebruik van meettreinen waarmee zij de staat van het spoor in beeld brengt en waarvan zij de data ter beschikking stelt aan PGO-aannemers als extra input voor hun inspectie- en onderhoudsplannen.
Klopt het dat meettreinen, treinen die de actuele stand van het spoor meten, de rails in Groningen sinds 2008 niet meer hebben onderzocht?
Ja, de sporen waarop deze ontsporing in Groningen heeft plaatsgevonden waren sinds 2008 niet meer door een meettrein gemeten. Dat had te maken met de «permanente» opstelling van treinen op dit spoor, waardoor een meting door een meettrein niet mogelijk was. De overige doorgaande sporen zijn wel gemeten door een meettrein. In dit geval had een fysieke inspectie moeten plaatsvinden van de sporen die ontoegankelijk waren voor een meettrein om de risico’s te kunnen inschatten en eventuele maatregelen te nemen, maar dat is niet op tijd gebeurd.
Wat is de gebruikelijke frequentie waarop meettreinen het spoor inspecteren?
De inspectiefrequentie door een meettrein is afgestemd op de snelheid waarmee op de rails wordt gereden en de belasting van het spoor en/of wissels. Er zijn sporen die slechts één keer per jaar worden gemeten. Er zijn ook sporen die meer frequent, tot vier keer per jaar, worden gemeten. De inspectiefrequentie voor de spoorgeometrie is weergegeven op de kaart onder het antwoord van vraag 7, die afkomstig is van ProRail en tevens is te vinden op de website van ProRail2.
Zijn er meer spoortracés waar langer dan 10 jaar geen meettrein overheen gereden heeft?
Ja, als het gaat om de inzet van meettreinen maakt ProRail een weloverwogen keuze waar wel (en met welke frequentie) en waar niet gemeten wordt met een meettrein, en waar in dat geval een fysieke inspectie toereikend is. Redenen waarom niet met de meettrein wordt gemeten zijn onder andere de lage snelheid (< 40 km/uur), de geringe mate van gebruik (gepasseerd jaarlijkse tonnage), logistieke redenen («permanent» opgestelde treinen) of technische redenen (de lengte van het spoor is te kort om te kunnen meten).
Bent u bereid de Kamer een overzicht te verschaffen van spoortracés waar langer dan 10 jaar geen meettrein overheen heeft gereden?
Ja, op onderstaande kaart, die tevens te vinden is op de website van ProRail2, is te zien op welke sporen de meettrein niet rijdt.
Waar en hoe vaak meet de (geometrie) meettrein in 2022
Is het u bekend dat ProRail aangeeft dat zij als het gaat om de instandhouding van het spoor, te veel vertrouwt op «het proces van de aannemer en inspecties»? Deelt u die mening? Zo ja, bent u van plan dit proces anders in te richten?
Ja, op pagina 9 van haar rapport schrijft ProRail: «Voor het – tot de vervanging – in standhouden van het spoor vertrouwt ProRail te veel op het proces van de aannemer voor onderhoud en inspecties.» Het rapport van ProRail gelezen hebbende, deel ik die mening. Het is nu aan ProRail om haar processen tegen het licht te houden en waar nodig en mogelijk procesverbeteringen door te voeren. Dit doet zij in een programma dat is gericht op de aantoonbaarheid van de veilige berijdbaarheid van het spoor. ProRail legt momenteel de laatste hand aan een herijking van het programmaplan. Het is van groot belang dat ProRail hier zorgvuldig opvolging aan geeft, omdat het gaat om de veiligheid van de spoorgebruikers en ik van ProRail verwacht dat zij goed zicht heeft op de staat van het spoor. De ILT houdt daarom toezicht op de voortgang van de uitvoering van het programmaplan door ProRail. Ook is met ProRail afgesproken dat zij mij, als verlener van de beheerconcessie aan ProRail, over de uitvoering van het programma informeert via de jaarverantwoording.
Ik vertrouw erop de vragen hiermee voldoende te hebben beantwoord.
Het nieuwsbericht ‘Faillissement door verkoopverbod tabak? Lobby klopte cijfers op’ |
|
Pieter Omtzigt , Laurens Dassen (Volt) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Faillissement door verkoopverbod tabak? Lobby klopte cijfers op»?1
Ja.
Hoe worden de resultaten en de werkwijze gecontroleerd van onderzoeksbureaus die in opdracht van bewindspersonen en ministeries onderzoek doen, alvorens de informatie naar de Kamer wordt gestuurd en mede bepalend worden voor de totstandkoming van overheidsbeleid? Kunt u aangeven hoe dat in zijn algemeenheid gecontroleerd wordt en hoe dat in dit specifieke geval gedaan is?
Ik erken het belang van kwaliteit van onderzoek dat uitgezet is door de overheid en dat onderzoeksresultaten gebaseerd dienen te zijn op feitelijke onderzoeksuitkomsten. Bij het uitzetten van onderzoeken werken we met aanbestedingsregels, raamovereenkomsten en werkafspraken. Vanuit het opdrachtgevende ministerie zijn bewindspersonen en ministeries met name betrokken bij de fase van de vraagarticulatie vanuit de kennisbehoefte, de opdrachtnemende partij is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de uitvoering. Voor de uitvoering zijn er documenten die waarborgen bieden voor onafhankelijk onderzoek en onafhankelijke oordeelsvorming, zoals overzichtelijk gebundeld in de brief (Kamerstuk 31 490, nr. 306) die de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in oktober 2021 naar de Kamer stuurde. Zo bieden de Algemene Rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van diensten 2018 (hierna: ARVODI) een eenvormige set van algemene voorwaarden voor dienstverleningsovereenkomsten tussen de Staat der Nederlanden (alle ministeries en daaronder ressorterende diensten) en derden. Artikel 28 van de ARVODI gaat specifiek in op integriteit en het voorkomen van belangenverstrengeling. Uitgangspunt is dat belangenverstrengeling of andere integriteitskwesties te allen tijde moeten worden voorkomen.
Ook wordt in de modelovereenkomsten voor beleidsgericht onderzoek verwezen naar de Europese gedragscode voor Wetenschappelijke Integriteit, All European Academies (hierna: ALLEA). In de ALLEA-gedragscode worden de professionele, wettelijke en ethische verantwoordelijkheden beschreven. De gedragscode is van toepassing op zowel publiek als particulier gefinancierd onderzoek. In de code zijn onder andere opgenomen de beginselen van wetenschappelijke integriteit en goede onderzoekspraktijken.
Voor ambtenaren geldt de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) als leidend minimum kader voor het handelen. De GIR geeft een overzicht van de belangrijkste rijksbrede afspraken op het gebied van integriteit en biedt houvast bij het maken van afwegingen en nemen van beslissingen bij integriteitskwesties. De GIR benoemt ook de regels en afspraken omtrent betrokkenheid bij onafhankelijk onderzoek en (wetenschappelijke) integriteit. Als opdrachtgever dient de ambtenaar ervoor te zorgen dat de onderzoeker in alle veiligheid en onafhankelijkheid zijn werk kan doen. Verder hebben sommige organisaties een Chief Science Officer en/of een Vertrouwenspersoon Wetenschappelijke Integriteit aangesteld. Hier kunnen medewerkers terecht die vragen hebben over wetenschappelijke integriteit.
In het specifieke geval van het onderzoek uit het nieuwsbericht is de werkwijze van het onderzoeksbureau (de onderzoeksopzet) in de offertefase met VWS gedeeld en vervolgens door VWS kritisch gelezen en goedgekeurd. Nadat grote supermarktketens geen medewerking aan het onderzoek wilden verlenen, zijn er wijzigingen aangebracht in de onderzoeksopzet: de branchevereniging voor onder meer franchisenemers in de supermarktsector is geïnterviewd en via de branchevereniging is met franchisenemers gesproken. De verkregen inzichten uit de interviews zijn vervolgens getoetst aan de beschikbare literatuur en bij onafhankelijke experts. Deze wijzigingen zijn gedurende het onderzoek aan VWS medegedeeld.
Hoe wordt gecontroleerd dat onderzoeken die worden uitgevoerd door onderzoeksbureaus in opdracht van bewindspersonen en ministeries representatief zijn voor de gehele branche en bovendien gebaseerd zijn op feitelijke onderzoeksresultaten? Kunt u aangeven hoe dat in zijn algemeenheid gecontroleerd wordt en hoe dat in dit specifieke geval gedaan is?
Representativiteit van onderzoek en feitelijkheid van onderzoeksresultaten zijn belangrijke voorwaarden voor de kwaliteit van onderzoek. Vanuit het ministerie zijn wij met name betrokken bij de fase van de vraagarticulatie vanuit onze kennisbehoefte, de opdrachtnemende partij is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de uitvoering.
In het specifieke geval van het onderzoek uit het nieuwsbericht is de onderzoeksopzet besproken en goedgekeurd door VWS. Bij de selectie van onderzoeksbureaus speelt kwaliteit een belangrijke rol. Deze wordt beoordeeld aan de hand van de onderzoeksopzet en de ervaring en het profiel van het team dat het onderzoek gaat uitvoeren. Zoals genoemd in de beantwoording van vraag 2 zijn er door omstandigheden wijzigingen aangebracht in de initieel aangedragen onderzoeksopzet. Deze zijn aan VWS medegedeeld.
Hoe wordt gecontroleerd dat onderzoeken die worden uitgevoerd door onderzoeksbureaus in opdracht van bewindspersonen en ministeries niet gebaseerd zijn op oneigenlijke lobbypraktijken? Kunt u aangeven hoe dat in zijn algemeenheid gecontroleerd wordt en hoe dat in dit specifieke geval gedaan is?
Nederland kent een traditie waarin de inbreng van maatschappelijke partijen bij de vorming van beleid en wetgeving positief wordt gewaardeerd. Dit mag er echter niet toe leiden dat onderzoek in opdracht van de overheid niet meer objectief en neutraal wordt uitgevoerd. Daartoe dienen ook de codes en documenten, zoals genoemd in het antwoord op vraag 2. Dat is natuurlijk geen garantie dat het altijd leidt tot objectieve rapportages; want het blijft mensenwerk. Transparantie over de werkwijze is daarom essentieel. Hiermee leggen onderzoekers verantwoording af over de werkzaamheden en worden ministeries, het parlement en de maatschappij in staat gesteld deze te controleren.
In het specifieke geval van het onderzoek uit het nieuwsbericht is de onderzoeksopzet van tevoren gedeeld en besproken met VWS. In dit onderzoek zijn zienswijzen van diverse maatschappelijke partijen meegenomen. Deze zienswijzen zijn vervolgens getoetst bij onafhankelijke experts en eveneens getoetst aan de beschikbare wetenschappelijke literatuur.
Waarom is de Kamer niet geïnformeerd over de werkwijze van het onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek en de totstandkoming van de cijfers?
De Tweede Kamer is op 17 december 2021 geïnformeerd over het onderzoeksrapport «Beperken tabaksverkoop tot tabaksspeciaalzaken» uitgevoerd door onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek (32 011, nr. 92). In het rapport van SEO Economisch Onderzoek dat is meegezonden, is de Tweede Kamer in het hoofdstuk «Onderzoeksaanpak» geïnformeerd over de werkwijze van het onderzoeksbureau.
Deelt u de mening dat een standaard voor onafhankelijk onderzoek dat door de overheid gefinancierd nodig is en hoe gaat u dat bereiken?
Zoals aangegeven in de brief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer van 1 oktober 2021 (Kamerstuk 31 490, nr. 306) bieden naar overtuiging van het kabinet de bestaande codes en documenten voldoende waarborgen voor onafhankelijk onderzoek en onafhankelijke oordeelsvorming.
Hoe gaat u motie-Omtzigt c.s. uitvoeren die de regering verzoekt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) opdracht te geven om standaarden en protocollen op te stellen voor onafhankelijkheid van advisering en onafhankelijkheid van onderzoek, en hen de vrijheid te geven daar de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) bij te betrekken?2
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft Uw Kamer middels de brief van 5 april jl. (Kamerstuk 25 295, nr. 1825) in antwoord op de motie-Omtzigt c.s. over het opstellen van standaarden en protocollen door de WRR (Kamerstuk 25 295, nr. 1805, was nr. 1804) hierover reeds eerder geïnformeerd. In de brief is aangegeven dat de Minister van BZK vanuit haar coördinerende verantwoordelijkheid voor de organisatie en kwaliteit van de rijksdienst deze motie binnen het kabinet zal oppakken. In antwoord op de motie-Omtzigt c.s. is aangegeven dat bij de uitvoering van de motie de bijzondere positie van de WRR ten opzichte van de regering en het parlement relevant is. Zoals vastgelegd in de Instellingswet W.R.R. stelt de WRR zelf het eigen werkprogramma vast. In het licht hiervan heeft de Minister van BZK naar aanleiding van de motie contact opgenomen met de WRR. Daaruit is gebleken, dat de WRR binnen afzienbare tijd met de indieners van voornoemde motie in gesprek zal willen gaan om de achtergrond van de vraag beter te begrijpen en te bezien of deze binnen het werkprogramma past. Op 13 oktober vindt een gesprek plaats van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken met de WRR.
Hoe rijmt u deze casus met artikel 5.3 van het Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging (Framework Convention on Tobacco Control, FCTC) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit 2005, mede ondertekend en geratificeerd door Nederland? Bent u het ermee eens dat de overheid in deze casus artikel 5.3 heeft geschonden?
De overheid heeft in deze artikel 5.3 van het Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging niet geschonden. Uit artikel 5.3 volgt dat verdragspartijen maatregelen moeten nemen om het tabaksontmoedigingsbeleid te beschermen tegen de commerciële belangen van de tabaksindustrie. Ik verwijs u naar de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de verplichtingen van dit artikel naar de brief die voormalig Staatssecretaris van Rijn hierover naar de Tweede Kamer heeft gestuurd.3 Uitgangspunt van de Nederlandse overheid is dat de overheid geen contact heeft met de tabaksindustrie, tenzij dat in verband met uitvoeringstechnische kwesties die rijzen bij vastgesteld beleid of vastgestelde regelgeving noodzakelijk is. Daar is in de onderhavige casus aan voldaan. Het onderzoeksbureau heeft in het kader van het onderzoek gesproken met het Vakcentrum, een belangenbehartiger van zelfstandige supermarkten. Deze zienswijzen zijn vervolgens getoetst bij onafhankelijke experts en eveneens getoetst aan de beschikbare wetenschappelijke literatuur.
Hoe gaat u in de toekomst voorkomen dat de Kamer foutief geïnformeerd wordt, althans een verkeerd beeld wordt voorgehouden, mede door derden die trachten de regeringsprocessen- en besluiten te beïnvloeden?
Oneigenlijke beïnvloeding en andere vormen van belangenverstrengeling bij onderzoek dienen te allen tijde te worden voorkomen. De bestaande codes en documenten, zoals in mijn antwoord op vraag 2 benoemd, bieden waarborgen voor onafhankelijk onderzoek en onafhankelijke oordeelsvorming. Conform de ALLEA-gedragscode gaan onderzoekers voorzichtig en weloverwogen te werk bij het ontwerpen, uitvoeren, analyseren en documenteren van onderzoek. Het Rijk onderschrijft de beginselen uit de ALLEA gedragscode eveneens. Belangenbehartiging door derden vormt voorts onderwerp van het debat n.a.v. de initiatiefnota van de leden Dassen en Omtzigt over wettelijke maatregelen om de integriteit van bewindspersonen en de ambtelijke top te bevorderen (Kamerstuk 36 101).
Overeenkomstig de GRECO-aanbevelingen over de personen die de hoogste leidinggevende functies bekleden (Bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 35 000-VII, nr. 91), welke regels en richtlijnen bent u van plan in te voeren over de wijze waarop de personen die de hoogste leidinggevende functies bekleden (onder meer bewindspersonen en topambtenaren) in contact treden met lobbyisten en andere derden die ernaar streven regeringsprocessen- en besluiten te beïnvloeden?
Gedragsregels omtrent de omgang van bewindspersonen met derden/lobbyisten zullen worden opgenomen in de gedragscode voor bewindspersonen, die najaar 2022 aan de Tweede Kamer zal worden gezonden. Daarenboven zijn recent de regels omtrent het opnemen van afspraken in de openbare agenda’s van bewindspersonen aangepast. In reactie op Kamervragen van de leden Sneller en Bromet heeft het kabinet aangegeven dat het de motie van deze leden (Kamerstuk 35 925 VII, nr. 18) onverkort zal uitvoeren. De openbare agenda’s van bewindspersonen worden gebruiksvriendelijker, het streven is contactgegevens op te nemen bij de agenda-items met een korte beschrijving van het betreffende onderwerp. Ook worden de agenda-items gecategoriseerd, conform de motie van de leden Sneller en Bromet (Kamerstuk 35 925 VII, nr. 18 zodat kan worden gezocht op trefwoorden. Hiermee wordt voorzien in de vraag naar meer transparantie. De aanbevelingen van GRECO in de vijfde evaluatieronde zijn niet van toepassing op topambtenaren, die gebonden zijn door de Gedragscode Integriteit Rijk.
Overeenkomstig de GRECO-aanbevelingen over de personen die de hoogste leidinggevende functies bekleden (Bijlage bij Kamerstukken II 2018/19, 35 000-VII, nr. 91), hoe gaat u de transparantie vergroten ten aanzien van contacten en onderwerpen met betrekking tot het lobbyen bij personen die de hoogste leidinggevende functies bekleden?
Zie antwoord op vraag 10.
Kunt u aangeven hoe u de motie Dassen cs. gaat uitvoeren?3
Het kabinet zal een hoogleraar met expertise op het gebied van belangenbehartiging en politieke besluitvorming vragen om advies over een lobbyregister, en hierover najaar 2022 nader berichten. Uitgangspunt bij deze adviesaanvraag is dat een lobbyregister ten aanzien van bewindspersonen wordt ingevoerd, zoals ook is verzocht in de motie Dassen cs. In de adviesaanvraag zal onder meer worden verzocht aandacht te besteden aan de vraag wat precies onder lobbyisten moeten worden verstaan, hoe bij een registratie bureaucratische lasten binnen de perken kunnen blijven en hoe ervaringen vanuit andere landen kunnen worden betrokken. Ook is het van belang dat een lobbyregister niet onbedoeld beperkingen oplegt aan mensen met wie een bewindspersoon graag in contact komt en die geen lobbyist zijn.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Het risico op een overval op tabaksspeciaalzaken. |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de eigenaresse van een tabakswinkel zwaar getraumatiseerd is als gevolg van een gewapende overval?1
Ja.
Hebt u gezien dat zowel het raam als de voordeur van de betreffende winkel volledig zijn geblindeerd waardoor niemand van buiten kan zien wat er binnen gebeurt en andersom?
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) van deze winkeliers eist dat zij ramen en voordeur volledig afplakken om aan de regel te voldoen dat rookwaren van buitenaf niet zichtbaar zijn?
Nee, dat klopt niet. De NVWA eist niet van winkeliers dat zij hun ramen en voordeur volledig afplakken.
Voor verkooppunten van tabaks- en aanverwante producten geldt een uitstalverbod. Het uitstalverbod geldt onder voorwaarden niet voor bepaalde uitgezonderde speciaalzaken2. De wetgeving eist van hen dat te koop aangeboden tabaks- en aanverwante producten van buiten de speciaalzaak niet zichtbaar zijn. Daar houdt de NVWA toezicht op.
Uitgezonderde speciaalzaken hebben een aantal opties om aan deze wetgeving te voldoen en het is aan hen om daar zelf keuzes in te maken. Zo kunnen ze bijvoorbeeld besluiten de producten zodanig af te schermen dat deze niet van buitenaf zichtbaar zijn, of de opstelling in hun winkel hieraan aanpassen.
Tijdens de controles beoordelen de inspecteurs van de NVWA of de producten van buitenaf zichtbaar zijn, door op een afstandje te kijken. De inspecteur van de NVWA verplicht niet tot het afdekken van de ramen, die keuze is aan de ondernemer zelf. Dit wordt ook zo gecommuniceerd via de website van de NVWA en door de inspecteurs die de controles uitvoeren.
Is het juist dat deze regel alleen geldt voor een beperkte groep tabaksspeciaalzaken die vanwege de strikte definitie van tabaksspeciaalzaak en de daaraan verbonden vereisten niet onder het uitstalverbod vallen?
Nee, er is geen regel die verplicht tot het afplakken van ramen en deuren. Uitgezonderde (tabaks)speciaalzaken hoeven niet te voldoen aan het uitstalverbod en zijn (onder voorwaarden) vrijgesteld van het verbod op reclame in de winkel mits tabaksproducten en aanverwante producten en reclame niet van buitenaf zichtbaar zijn.
Wat vindt u van de praktische vuistregel van brancheorganisatie NSO Retail dat het voor tabaksspeciaalzaken volstaat als voorbijgangers die op het trottoir langs de winkel lopen en een blik naar binnen werpen geen rookwaar zien?
Tijdens de controles beoordelen de inspecteurs of de producten van buitenaf zichtbaar zijn, door op een afstandje te kijken
Realiseert u zich dat, wanneer mensen met hun neus tegen de etalage staan of op de drempel van de ingang staan om naar binnen te gaan, het niet altijd te vermijden is dat tabaksproducten van buitenaf zichtbaar zijn?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bekend met het feit dat tabakswinkels behoren tot een risicosector als het gaat om gewapende overvallen?
Voor retail-winkels in algemene zin geldt dat de risico’s mede bepaald worden door de verkoop van aantrekkelijke en gemakkelijk te verhandelen buit, in combinatie met al dan niet genomen preventieve maatregelen, zoals het alleen cashless betalen of het hebben van camera’s in een winkel.
Weet u dat het Platform Criminaliteitsbestrijding (NPC) het advies geeft dat winkels in het kader van beperking van overvalrisico’s transparant moeten zijn?
Het NPC3 bespreekt op bestuurlijk niveau thema’s die landelijke, regionale en lokale aanpakken kan ondersteunen. Het NPC geeft geen dergelijke concrete adviezen.
Door de politie wordt in het algemeen aan retail-winkels het advies gegeven ervoor te zorgen dat er zichtlijnen zijn, ofwel wordt transparantie bepleit, zodat een eventuele overval zichtbaar is en omstanders, andere winkelmedewerkers of mensen die langs lopen zo spoedig mogelijk alarm kunnen slaan.
Op verzoek van het Ministerie Justitie en Veiligheid zal vanuit het Centrum voor Criminaliteitspreventie worden meegedacht met tabakswinkeliers hoe zij de tabakswaren zodanig kunnen opstellen dat zij voldoen aan voornoemde wetgeving en er tegelijkertijd zichtlijnen blijven houden voor de veiligheid van winkelier, medewerkers, klanten en andere omstanders.
Vindt u het gerechtvaardigd om van kleine winkeliers te eisen dat ze zichzelf en hun medewerkers in gevaar brengen vanwege de strikte afplakeis van de NVWA?
De NVWA stelt geen afplakeis aan kleine winkeliers.
Uitgezonderde speciaalzaken hebben een aantal opties om aan de wetgeving te voldoen en het is aan hen om daar zelf keuzes in te maken.
Zo kunnen ze bijvoorbeeld besluiten de producten toch af te schermen of de opstelling in hun winkel zodanig aan te passen dat de producten niet van buitenaf zichtbaar zijn. Als men dat ook niet wil of niet kan zal men iets met een andere afscherming moeten doen. Tijdens de controles beoordelen de inspecteurs of de producten van buitenaf zichtbaar zijn, door op een afstandje te kijken. Er wordt door de inspecteur van de NVWA niet verplicht tot het afdekken van de ramen, die keuze is aan de ondernemer zelf.
Weegt het volledige gebrek aan doeltreffendheid van deze eis van de NVWA wat u betreft op tegen de substantiële verhoging van het risico dat winkeliers en hun medewerkers lopen op een gewapende overval en het gevaar en potentiële trauma’s die hiermee gepaard gaan?
Zie het antwoord op vraag 9
Wilt u hierover snel met de branche in gesprek gaan?
Op verzoek van het Ministerie Justitie en Veiligheid zal vanuit het Centrum voor Criminaliteitspreventie worden meegedacht met tabakswinkeliers hoe zij de tabakswaren zodanig kunnen opstellen dat zij voldoen aan de wetgeving en er tegelijkertijd zichtlijnen blijven houden voor de veiligheid van winkelier, medewerkers, klanten en andere omstanders.
De Denktank Desinformatie. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Denktank Desinformatie (hierna te noemen DD) uit de onderstaande Kamerstukken en met hoe deze DD op social media «desinformatie» over onder andere vaccins bestrijdt?1
Vanzelfsprekend ben ik daar mee bekend. Uw Kamer is meerdere malen geïnformeerd over de oprichting en de werkwijze van de denktank desinformatie. Zie de Kamerbrieven van mijn voorganger over het actieplan Verder met Vaccineren2.
Kunt u aangeven wie, naast de toenmalige Staatssecretaris, met de werving en selectie van de leden van de DD waren en zijn belast? Zo nee, waarom niet?
In 2019, vóór de uitbraak van COVID-19, is de Vaccinatiealliantie, bestaande uit een groep van meer dan 100 professionals waaronder artsen, verpleegkundigen, doktersassistenten, apothekers, verloskundigen, communicatiedeskundigen, wetenschappers en beleidsmakers, gestart in het kader van het actieplan Verder met Vaccineren. Alle deelnemers hebben zich uitgesproken voor het belang van vaccineren en maken zich hier vanuit hun eigen positie en rol hard voor. Aanleiding voor de start van de Vaccinatiealliantie was de dalende trend van de vaccinatiegraad voor vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma en de herhaalde oproep vanuit de Tweede Kamer om op te treden tegen desinformatie. De denktank desinformatie is in 2019 gestart onder de vlag van de Vaccinatiealliantie. Tijdens de eerste bijeenkomst van de Vaccinatiealliantie is door de toenmalige Staatssecretaris een oproep gedaan aan de deelnemers of zij wilden participeren aan de denktank desinformatie.
Evenals mijn voorganger maak ik mij hard voor het weerspreken van desinformatie over vaccinaties en het vindbaar maken van de juiste informatie. Het gaat hierbij om het al dan niet moedwillig verkondigen of verspreiden van feitelijke onjuistheden over vaccinaties.
Desinformatie ondermijnt het vertrouwen in vaccinaties. Dat is schadelijk voor de volksgezondheid. Met vaccinaties voorkomen we een veelheid van infectieziekten, kunnen we jonge kinderen een gezonde start geven en hen en andere kwetsbaren beschermen. Ik sta dan ook voor het belang van vaccinaties, wil bevorderen dat mensen vertrouwen hebben in vaccinaties en beslissen over vaccineren aan de hand van feitelijk juiste, betrouwbare informatie.
Tijdens de eerste bijeenkomsten zijn de uitgangspunten voor respectievelijk de Vaccinatiealliantie als de denktank desinformatie besproken met de deelnemers, en die zijn als volgt:
Kortom, de deelnemers van de denktank konden zich vrijwillig hiervoor aanmelden, er heeft – behalve een oproep tot deelname tijdens de eerste bijeenkomst van de Vaccinatiealliantie – geen werving en selectie door VWS plaatsgevonden.
Uw Kamer is meerdere malen geïnformeerd over de oprichting en de werkwijze van de denktank desinformatie. Zie de Kamerbrieven van mijn voorganger over het actieplan Verder met Vaccineren3.
Kunt u gezien de rol van uw ministerie bij deze DD, aangeven op welke wijze de leden van DD zijn geworven en welke selectiecriteria zijn toegepast? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een overzicht van de namen van de DD en/of hun functies en kwalificaties aan de Kamer verstrekken? Zo nee, waarom niet?
In de denktank zitten professionals met medische, wetenschappelijke en communicatie-expertise. De namen en functies van de individuele deelnemers van de denktank maak ik niet openbaar in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de deelnemers. In de documenten die openbaar worden gemaakt, zijn in sommige documenten daarnaast organisatienamen niet altijd openbaar gemaakt, bijvoorbeeld omdat het openbaar maken van die organisatienamen leidt tot herleidbaarheid naar personen.
Om u toch een beeld te geven van de deelnemers en deelnemende organisaties, deel ik hierbij met u dat de volgende organisaties betrokkenen zijn bij de denktank desinformatie: onder andere Universiteit Utrecht, Maastricht University, Wageningen University & Research, Radboud UMC, VUMC, Erasmus MC, AJN Jeugdartsen Nederland, VWS, RIVM, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), CBG, GGD, Facebook, Google, TNO en Lareb.
Zijn er ook journalisten of redacteuren, werkzaam bij een week-, dag- of vakblad, betrokken bij de DD en het bestrijden van «desinformatie» op social media? Zo ja, bij welke uitgevers? Indien u dat niet weet, kunt u dat onderzoeken en uitsluiten? Zo nee waarom niet?
Voor zover mij bekend is, zijn er geen journalisten of redacteuren deelnemer van de denktank. Het is uiteraard niet uit te sluiten dat deelnemers van de denktank publiceren op basis van hun expertise en functie.
Kunt u – gezien de uit het eerdergenoemde Kamerstuk blijkende coördinerende rol van uw ministerie – aangeven in welk proces werd en wordt bepaald wat «desinformatie» is? Kunt u aangeven hoe dat steeds met nieuwe inzichten (van bijvoorbeeld tanende vaccin-effectiviteit, nieuwe bijwerkingen, medicatie, etc.) werd en wordt getoetst alvorens de DD «desinformatie» bestreed en bestrijdt op social media? Zo nee, waarom niet?
De denktank desinformatie richt zich onder andere op het weerspreken van desinformatie op sociale media en het beschikbaar en vindbaar maken van de juiste en betrouwbare informatie. Deelnemers van de denktank reageren op persoonlijke titel en vanuit eigen expertise (bijvoorbeeld medisch, wetenschappelijk en communicatief) op basis van de meest recent beschikbare wetenschappelijke kennis. Er is geen toetsingsproces ingericht hiervoor, deelnemers van de denktank maken zelf, op basis van hun expertise, de afweging of zij reageren en wat deze reactie inhoudt.
Kunt u aangeven welke andere ministeries, overheidsinstanties, bedrijven en instellingen nog meer betrokken waren en zijn, naast het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, bij de DD en in welke rol? Indien u dat niet weet, bent u bereid dat te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Weet u of leden van de DD of hun werkgevers een vergoeding hebben ontvangen of uren mogen schrijven voor hun activiteiten voor de DD en zo ja, hoeveel? Indien u dat niet weet, kunt u dat onderzoeken en daarover verslag doen? Zo nee, waarom niet?
De deelnemers van denktank ontvangen hiervoor geen financiering van VWS.
Kunt u aangeven hoe de coördinerende rol van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het mandaat dat aan de DD is gegeven zich verhoudt tot eerdere antwoorden op de Kamervragen2 van de leden Agema en van der Plas over influencers – antwoorden waarin de Minister van Justitie en Veiligheiden (mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) zegt dat haar ministerie geen influencers gebruikt om de publieke opinie te beïnvloeden?
Anders dan bij de influencers die zijn ingezet binnen de campagne «Alleen Samen» waarnaar verwezen wordt in bovenstaande vraag, is er geen sprake van een overeenkomst van opdracht tussen deelnemers aan de denktank desinformatie en het Ministerie van VWS. De deelnemers aan de denktank ontvangen geen financiering voor deelname en er is aan hen ook geen mandaat verstrekt voor het bestrijden van desinformatie namens VWS. Deelname aan de denktank vindt plaats op basis van vrijwilligheid. Ten tijde van de oprichting van de denktank desinformatie in 2019, voor de uitbraak van COVID-19, was er ook geen aanleiding gebruik te maken van influencers voor het verhogen van de vaccinatiegraad voor vaccinaties uit het Rijksvaccinatieprogramma.
Kunt u aangeven welke feedback de DD aan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of andere ministeries gaf en kunt u daarvan alle relevante documenten aan de Kamer ter inzage geven? Zo nee, waarom niet?
Deelnemers van de denktank delen signalen van desinformatie of misinformatie met elkaar. Dit gebeurt live tijdens de bijeenkomsten die VWS voorzit, of per mail. VWS is initiator en deelnemer van de denktank en kan signalen die naar VWS worden gestuurd doorzetten naar de andere deelnemers van de denktank. De deelnemers van de denktank hebben daarnaast zelf een besloten Facebookgroep opgericht. VWS maakt geen deel uit van de Facebookgroep.
Signalen van desinformatie komen op verschillende wijzen bij deelnemers van de denktank terecht. Het kunnen bijvoorbeeld berichten zijn die worden gedeeld op sociale media, maar ook bijdragen die op websites verschijnen of brieven die worden verzonden naar leden van de denktank vanwege hun beroep of functie. Naast signalen die gedeeld zijn binnen de denktank, zijn er ook veel andere typen documenten die betrekking hebben op de denktank, zoals vergaderstukken.
Het verzamelen en beoordelen van alle documenten, die direct en indirect betrekking hebben op de denktank, is een proces dat veel tijd kost. Om die reden is het niet mogelijk de documenten te verstrekken binnen de beantwoordingstermijn van deze schriftelijke vragen. Vooruitlopend op de verdere verstrekking van relevante documenten, stuur ik u – waar sprake is geweest van een vastgesteld verslag van de bijeenkomsten -bij de beantwoording van deze Kamervragen allereerst deze verslagen. Conform de eerder gemaakte afspraken met de deelnemers over het besloten en het vertrouwelijke karakter van de denktank, en bovendien de privacy van de desbetreffende deelnemers en de bescherming van diens persoonlijke levenssfeer zijn alle tot personen herleidbare gegevens onleesbaar gemaakt. Dit geldt in sommige documenten ook voor organisatienamen, bijvoorbeeld wanneer die bijdragen aan de herleidbaarheid naar personen. Overige, relevante documenten zal ik binnen een termijn van drie maanden delen met de Kamer. Ook voor deze documenten geldt dat alle tot personen herleidbare gegevens onleesbaar worden gemaakt.
Kunt u aangeven of de DD ook namen of accounts doorgaf (aan uw ministerie of aan andere overheidsinstanties) van mensen die zogenaamd «desinformatie» zouden verspreiden? Indien u dat niet weet, kunt u dat onderzoeken en uitsluiten? Zo nee, waarom niet?
In het kader van het tegengaan van de verspreiding van desinformatie kan het voorkomen dat er namen of accounts gedeeld worden. De focus hierbij ligt op het tegengaan van het verspreiden van feitelijk onjuiste informatie, niet op de namen of accounts.
Kunt u van elk recent- en oud-lid van de DD laten onderzoeken of hij of zij mensen rapporteerde of rapporteert bij organisaties zoals bijvoorbeeld Twitter, Facebook of Linkedin, zodat berichten die volgens hem of haar «desinformatie» bevatten, werden verwijderd of accounts werden opgeschort? Zo nee, waarom niet?
Deelnemers van de denktank maken zelf de keuze of zij een reactie geven op desinformatie en wat die reactie inhoudt. Daarbij kunnen zij berichten op sociale media rapporteren zoals dat door een ieder ander gedaan kan worden. Online platformen hanteren hun eigen gebruikersvoorwaarden over hoe om te gaan met dergelijke meldingen. Ik zie geen aanleiding hier nader onderzoek naar te laten doen.
Kunt u alle documenten, gesprekken en berichtenverkeer die direct of indirect betrekking hebben op de DD ter beschikking stellen aan de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Signalen van desinformatie komen op verschillende wijzen bij deelnemers van de denktank terecht. Het kunnen bijvoorbeeld berichten zijn die worden gedeeld op sociale media, maar ook bijdragen die op websites verschijnen of brieven die worden verzonden naar leden van de denktank vanwege hun beroep of functie. Naast signalen die gedeeld zijn binnen de denktank, zijn er ook veel andere typen documenten die betrekking hebben op de denktank, zoals vergaderstukken.
Het verzamelen en beoordelen van alle documenten, die direct en indirect betrekking hebben op de denktank, is een proces dat veel tijd kost. Daarom stuur ik u als bijlage bij de beantwoording van deze Kamervragen allereerst de verslagen van de bijeenkomsten. Conform de eerder gemaakte afspraken met de deelnemers over het besloten en het vertrouwelijke karakter van de denktank, en bovendien de privacy van de desbetreffende deelnemers en de bescherming van diens persoonlijke levenssfeer zijn alle tot personen herleidbare gegevens onleesbaar gemaakt. Overige, relevante documenten zal ik binnen een termijn van drie maanden delen met de Kamer. Ook voor deze documenten geldt dat alle tot personen herleidbare gegevens onleesbaar worden gemaakt.
Kunt u onderzoeken en aan de Kamer laten weten wat de betrokkenheid van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) bij de DD is? Kunt u onderzoeken en aan de Kamer laten weten of de NCTV zich inhoudelijk heeft bemoeid of nog bemoeit met wat door de DD al dan niet als desinformatie beschouwd diende en dient te worden? Zo ja, kunt u de Kamer de resultaten uit dat onderzoek op korte termijn doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
De NCTV is geen deelnemer van de denktank desinformatie. Zoals blijkt uit de openbaar gemaakte verslagen heeft de NCTV – vanwege diens expertise op het gebied van desinformatie – in samenwerking met andere organisaties wel een werksessie tijdens een bijeenkomst van de Vaccinatiealliantie over desinformatie begeleid. Alle deelnemers aan de Vaccinatiealliantie – dus ook leden van de denktank – konden zich aanmelden voor deze werksessie.
In enkele gevallen is er informatie uitgewisseld met de NCTV.
Kunt u aan de Kamer laten weten of in het geval van betrokkenheid van de NCTV bij de DD, er sprake is geweest van het noemen of doorgeven van namen van personen die volgens de DD of de NCTV desinformatie verspreiden of verspreiden? Zo ja, kunt u de Kamer de resultaten uit dat onderzoek op korte termijn doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Het bericht ‘Postchaos in 's-Heer Arendskerke nog niet voorbij: 'Het is nu tijd om verdere stappen te nemen’’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Postchaos in ’s-Heer Arendskerke nog niet voorbij: «Het is nu tijd om verdere stappen te nemen»»?1
Ja.
Was u voor deze berichtgeving op de hoogte van problemen met de postbezorging in ’s-Heer Arendskerke? Zo ja, hoe lang bent u al bekend met dit probleem?
Nee.
Kunt u zich de schriftelijke Kamervragen over het bericht «Weer geen post in Kattendijke: «We noemen het hier al postgate»» nog herinneren?2
Ja.
Bent u bereid, aangezien u in de antwoorden op deze eerdere vragen aangaf de mening te delen dat de postbezorging overal in Nederland op orde dient te zijn, conform de eisen aan de Universele Postdienst (UPD), en dat inwoners er dus van verzekerd moeten kunnen zijn dat hun post wordt bezorgd, het probleem met de postbezorging in ’s-Heer Arendskerke te bespreken met PostNL (uitvoerder van de UPD) en te zorgen, zo nodig in samenspraak met de gemeente en inwoners van ’s-Heer Arendskerke, voor een structurele oplossing?
Inderdaad is het uitgangspunt dat de postbezorging overal in Nederland op orde moet zijn, conform de eisen aan de UPD. Incidentele problemen met de postbezorging zijn niet altijd te voorkomen. Alhoewel het kwaliteitsniveau van de postbezorging in Nederland tot de hoogste ter wereld behoort, kan er sprake zijn van omstandigheden die ook PostNL niet geheel in de hand heeft of kan voorzien. Krapte op de arbeidsmarkt, winterse omstandigheden, disfunctioneren van individuele postbezorgers, COVID-19 zijn daar voorbeelden van. Dergelijke omstandigheden kunnen leiden tot tijdelijke problemen bij de bezorging van post. Het is aan PostNL om hier zo snel mogelijk actie op te ondernemen, zodat weer wordt voldaan aan de eisen van de Postregelgeving. Het is aan ACM om hier toezicht op te houden en om zo nodig handhavend op te treden.
Voor wat betreft de situatie in de regio Goes heb ik van PostNL begrepen dat zij in direct, persoonlijk contact zijn met betrokkenen in ’s-Heer Arendskerke om bezorgfouten te voorkomen. Verder is het bedrijf druk bezig om nieuwe postbezorgers te werven, zodat de bezorging snel weer op het niveau is dat van PostNL verwacht mag worden. Het is in deze regio echter erg lastig om personeel te krijgen.
Bent u bereid verder te onderzoeken of er meer gemeenten zijn waar dit probleem zich voordoet, dit eventueel in samenwerking met PostNL, gezien het feit dat dit in korte tijd in twee Zeeuwse gemeenten aan de orde is, en de Kamer hierover te informeren?
PostNL dient jaarlijks aan ACM te rapporteren over de kwaliteit van de postbezorging. ACM heeft een toezichthoudende rol op het terrein van de wettelijke kwaliteitsnormen voor postbezorging. Zij kan handhavend optreden indien PostNL in gebreke blijft. Over het jaar 2021 heeft ACM ook een boete opgelegd aan PostNL, die overigens door PostNL wordt aangevochten. Verder heeft het kabinet op 24 juni maatregelen aangekondigd om de problemen op de arbeidsmarkt aan te pakken.
Aanhoudende diefstal, intimidatie en agressie veroorzaakt door asielzoekers. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Woede om asieloverlast, ze fluiten mijn dochter van 14 na»?1
Ja.
Wat is de status van uw belofte op eerdere Kamervragen waarbij u heeft gesteld dat het uitgangspunt van het openbare-ordebeleid is dat vreemdelingen die misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland?2 Hoeveel mensen zijn op basis van een misdrijf vanaf 1 januari teruggestuurd naar het land van herkomst? Kunt u hier gedetailleerd antwoord op geven?
Zoals aangegeven in reactie op eerdere Kamervragen en u ook in uw vraag aangeeft, is uitgangspunt van het openbare-ordebeleid dat vreemdelingen die misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor een verblijf in Nederland.3 Dit is geen belofte, maar staand beleid dat wordt uitgevoerd.
De IND kan de vluchtelingenstatus of een subsidiaire beschermingsstatus alleen weigeren of intrekken op grond van openbare orde indien de vreemdeling (onherroepelijk) is veroordeeld voor een (bijzonder) ernstig misdrijf. Hiervoor moet voldaan zijn aan een aantal voorwaarden, waarvoor ik u verwijs naar de antwoorden op eerder genoemde Kamervragen.4
De Staat van Migratie, die uw Kamer op 7 juli jl. is toegezonden, laat het aantal verblijfsvergunningen asiel zien dat is ingetrokken en het aantal asielaanvragen dat is afgewezen op grond van de openbare orde. Dit kunnen zowel eerste als opvolgende asielaanvragen zijn.5
De IND bepaalt of om redenen van openbare orde een verblijfsvergunning kan worden geweigerd of ingetrokken. In 2021 zijn op grond van openbare orde 20 verblijfsvergunningen asiel ingetrokken en 20 asielaanvragen afgewezen. In 2020 ging het om 40 intrekkingen en 30 afwijzingen. In 2019 ging het om 30 intrekkingen en 30 afwijzingen.6
Als een vreemdeling in aanraking komt met de strafrechtketen (als verdachte/pleger van een misdrijf) wordt zijn dossier overgedragen aan de DT&V. De DT&V houdt bij hoeveel vreemdelingen in de strafrechtketen aantoonbaar vertrokken zijn uit Nederland. In 2021 zijn er ca. 740 VRIS-ers aantoonbaar vertrokken uit Nederland. In 2022 t/m mei waren dit er ca. 270. Deze cijfers worden ook maandelijks openbaar gemaakt in de Kerncijfers Asiel en Migratie.
Wat vindt u van het feit dat bewoners stellen dat de asieloverlast alsmaar erger wordt? Kunt u in uw beantwoording concreet ingaan op de vraag hoe u deze mensen gaat helpen?
Dat overlast van asielzoekers ook impact heeft op bewoners in de gemeente Westerwolde, is mij bekend en neem ik uiterst serieus. De migratieketen staat onder grote druk en alle inspanningen van betrokken partijen zijn erop gericht om de huidige situatie in de asielopvang te verbeteren om zo ook verdere overlast in Ter Apel te voorkomen.
Met inzet van beveiligers en politie proberen we overlast als asociaal gedrag op straat en winkeldiefstal te voorkomen om zo het woonklimaat voor bewoners en de werkomstandigheden voor ondernemers te verbeteren. Naast de preventieve aanpak wordt ook ingezet op een breed palet aan vreemdelingenrechtelijke, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in de aanpak van overlast.
Voor het treffen van passende maatregelen kan de gemeente Westerwolde opnieuw een beroep doen op de specifieke uitkering ten behoeve van de lokale aanpak van overlastgevende asielzoekers (SPUK) waarmee een maximale bijdrage van € 150.000,– kan worden aangevraagd.
Om ondernemers verder tegemoet te komen, zijn in overleg met de gemeente Westerwolde de beschikbare middelen voor de SODA-regeling aangevuld en opgehoogd tot een bedrag van € 25.000,–, zodat de regeling verder doorgang kan vinden.
Voorts ben ik momenteel de mogelijkheden en haalbaarheid van een aparte opvang aan het onderzoeken voor vreemdelingen met een kansarme aanvraag. In deze opvanglocatie geldt een sober regime en het vereiste dat de bewoners op locatie beschikbaar dienen te zijn voor het snel kunnen doorlopen van de procedure. De verwachting is dat een dergelijke locatie zal bijdragen aan het verminderen van de overlast aangezien vreemdelingen met een kansarme asielaanvraag relatief vaak betrokken zijn bij een incident of misdrijf.7
Heeft u de bereidheid om bewoners en ondernemers financieel te compenseren voor de kosten die zij maken om zichzelf tegen geboefte te beveiligen? Kunt u hier gedetailleerd antwoord op geven?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer is het voor u een keer genoeg voor wat betreft het opvangen van asielzoekers? Op welk momentum sluit u de grenzen? Kunt u hier gedetailleerd antwoord op geven?
Iedereen heeft recht op een eerlijke asielprocedure. Tijdens de asielprocedure hebben asielzoekers recht op opvang en begeleiding, dit gebeurt grotendeels in asielzoekerscentra. Vanzelfsprekend is elke vorm van overlast en criminaliteit onacceptabel en zet ik samen met onder meer partijen uit de migratieketen, de politie, het Openbaar Ministerie en gemeenten in op het voorkomen van overlastgevend gedrag en een harde aanpak. Zoals u bekend is het kabinet van mening dat het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen geen realistische, laat staan een structureel wenselijke oplossing is voor het complexe migratievraagstuk.
Het bericht 'Advies: stop met de crisisaanpak van asielzoekers, creëer meer buffercapaciteit aan opvangplekken' |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Advies: stop met de crisisaanpak van asielzoekers, creëer meer buffercapaciteit aan opvangplekken»1, «Kabinet pakt vastgelopen asielopvang aan als nationale crisis»2, «Nog geen akkoord veiligheidsregio’s en kabinet over asielopvang»3, «Inspecties: rechten van jonge vluchtelingen geschonden»4 en «Kabinet en veiligheidsregio’s steggelen nog over asielopvang»?5
Ja.
Deelt u met de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) en de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) de mening dat migratie één van de fundamenten van onze samenleving vormt, en dat dit geldt voor zowel gereguleerde vormen, zoals arbeids- en studiemigratie, als voor niet-gereguleerde vormen zoals asielmigratie? Zo nee, waarom niet?
Migratie is van alle tijden en heeft een grote invloed gehad op de Nederlandse geschiedenis en samenleving. Uitgangspunt voor dit kabinet is dat migratie, in welke vorm dan ook, van grote invloed zal blijven, in het bijzonder op de demografische ontwikkeling van Nederland. Hieruit volgt de ambitie dat migratie moet aansluiten op de draagkracht en behoefte van de Nederlandse samenleving. Deze ambitie staat niet op zichzelf, maar is van belang om het draagvlak voor de komst en het verblijf van migranten te behouden en versterken. Wanneer migratie de samenleving overvraagt, kalft het draagvlak immers af. Om die reden wil het kabinet meer grip krijgen op migratie. Een uitgebreide toelichting op de kabinetsinzet kan gelezen worden in de Staat van Migratie 2022.6
Gezien het feit dat migratie niet weg te denken is uit onze samenleving en dat de internationale geopolitiek, klimaatverandering en imperialisme er blijvend voor zorgen dat mensen gedwongen op de vlucht slaan, kunt u uitleggen waarom asielopvang in Nederland tot op de dag van vandaag gestoeld is op ad-hoc beleid waarbij het «chronische gebrek aan anticipatie en een krampachtig vasthouden aan [niet werkende] financieringssystematiek en bestuurlijke inrichting ervoor zorgen dat de kwaliteit van de opvang geregeld door de humanitaire ondergrens zakt»?6 Bent u voornemens deze problematiek aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse asielopvang is in de eerste plaats gestoeld op beginselen volgend uit wet- en regelgeving op het terrein van asielbescherming. Dat laat onverlet dat het kabinet erkent dat de huidige situatie van onvoldoende beschikbaarheid van asielopvang en de focus op de kortetermijnmaatregelen ten koste gaat van de kwaliteit van de opvang en een negatieve invloed heeft op het draagvlak voor het asielbeleid en de uitvoering daarvan. Dat het anders moet, is evident en daarom werkt het kabinet aan de realisatie van een stabiel en flexibel opvanglandschap. Stabiel door structureel voldoende reguliere opvanglocaties beschikbaar te hebben om gemiddelde schommelingen in het aantal asielzoekers aan te kunnen en flexibel door standaard reservecapaciteit voorhanden te hebben of snel beschikbaar te kunnen maken. Daarnaast is het van belang om instroom beheersbaar te laten zijn en tegelijkertijd uitstroom van vergunninghouders uit de opvang te bevorderen. Tot slot moet het mogelijk zijn om in tijden van lagere bezetting de opvangvoorzieningen ook in te zetten voor huisvesting van andere aandachtsgroepen die met spoed een tijdelijk onderkomen zoeken. Leidraad voor de realisatie van deze uitgangspunten is de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen.8
Deelt u de mening dat de asielopvang in Nederland niet moet worden beschouwd als een incidentele crisis die om de paar jaar moet worden opgelost, maar dat het opvangen van asielzoekers als een maatschappelijke verantwoordelijkheid gezien moet worden die duurzaam en humaan beleid vereist? Zo nee, waarom niet?
De opvang en begeleiding van asielzoekers is een maatschappelijke, maar evenzeer een juridische verantwoordelijkheid. Nederland heeft zich via internationale en Europese wet- en regelgeving verbonden aan het opvangen en begeleiden van asielzoekers. De Europese Opvangrichtlijn verdient bijzondere vermelding in dit verband.9 De normen uit deze richtlijn zijn een minimum voor Nederland om zich aan te houden. Daarmee wordt beoogd de menselijke waardigheid ten volle te eerbiedigen. Omdat deze normen hun beslag hebben gekregen in het Nederlandse asielbeleid, kan het vigerende beleid met recht humaan worden genoemd.10 Dat betekent uiteraard niet dat het beleid niet vatbaar is voor structurele verbetering. De inzet van het kabinet om een stabiel en flexibel opvanglandschap te realiseren, getuigt hiervan (zie onder 3). Daarbij wil ik opmerken dat uit de activering van de crisisstructuur niet kan worden afgeleid dat de asielopvang wordt beschouwd als «een incidentele crisis die om de paar jaar moet worden opgelost». Wel is het een gegeven dat door de jaren heen grote schommelingen in de asielinstroom en -opvang hebben plaatsgevonden. Het is nu zaak om het asielsysteem daar nog beter op toe te rusten.
Hoe beoordeelt u het asielbeleid, in het kader van mensenrechtenbescherming, nu asielzoekers in Ter Apel bijvoorbeeld al nachtenlang noodgedwongen op een stoel moeten slapen en duizenden kinderen en jongeren in asielzoekerscentra (AZC’s) gebrekkige zorg en onderwijs krijgen?
Internationale en Europese wet- en regelgeving, onder meer op het terrein van mensenrechtenbescherming, geven in belangrijke mate invulling aan het Nederlandse asielbeleid. Nederland biedt in beginsel opvang met een toereikend en zelfs hoger kwaliteitsniveau ten opzichte van de minimumnormen die volgen uit de Europese Opvangrichtlijn. De gebruikelijke kwaliteit staat echter onder grote druk door het tekort aan reguliere opvangplekken. Dit wordt vooral zichtbaar aan het begin van het asielproces in Ter Apel. Het komt helaas voor dat nieuw binnenkomende asielzoekers de nacht doorbrengen op stoelen, in tenten of in de buitenlucht. Omdat dit voor inhumane en onveilige situaties zorgt, wordt binnen de crisisstructuur alles op alles gezet om de acute tekorten in de asielopvang op te lossen en de enorme druk op Ter Apel te verlichten. Omdat de situatie in Ter Apel niet stabiel is, valt niet uit te sluiten dat de onwenselijke omstandigheden aanhouden.
Hoewel de situatie nergens zo acuut is als in Ter Apel, geldt ook voor (crisis)noodopvanglocaties dat sprake is van een afwijkend kwaliteitsniveau ten opzichte van de opvang die normaliter wordt geboden. Deze locaties hebben een afdoende, doch lager kwaliteitsniveau11 en zijn daardoor minder geschikt voor langdurig verblijf, zeker waar het kwetsbare asielzoekers betreft. Specifiek ten aanzien van kinderen is het van het grootste belang dat zij zo kort mogelijk op dergelijke locaties verblijven. De realiteit is dat een passende opvangplek op een reguliere locatie in de huidige situatie niet snel genoeg beschikbaar is. In de tussentijd wordt door betrokken partijen met de grootst mogelijke inzet geprobeerd om de noodopvanglocaties zo kindvriendelijk mogelijk te maken. Het is staand beleid om kwetsbare asielzoekers, waaronder kinderen, niet op te vangen in de crisisnoodopvang. Wanneer dit onverhoopt wel gebeurt, wordt gewerkt om hen zo snel mogelijk elders op te vangen. Zoals toegezegd tijdens het commissiedebat op 6 juli 2022 geef ik uw Kamer na het zomerreces een actuele stand van zaken omtrent de situatie van kinderen in de (crisis)noodopvang.
Gezien het feit dat de structurele financiering voor het opvangen van asielzoekers in de gemeenten met ruimte voor buffers minder kostbaar is dan de kosten voor het ad-hoc op- en afschalen van opvanglocaties, kunt u uitleggen waarom u blijft vasthouden aan de tweede benadering?
Ik herken mij niet in het beeld uit de vraagstelling onder 6. In het coalitieakkoord is immers opgenomen dat de financiering van de organisaties in de asielketen stabieler en daarmee toekomstbestendiger moet worden. Daartoe zijn structureel middelen toegekend aan de organisaties in de asielketen ter hoogte van 200 miljoen euro. Voor het COA betekent dit dat het budget voor de komende vijf jaren op EUR 1,1 miljard ligt. Naast de middelen uit het coalitieakkoord zijn bovendien aanvullende middelen toegekend op basis van de zogeheten Meerjaren Productie Prognose (MPP). Vanwege deze constructie kan de financiering onder druk komen te staan in het geval de eindbezetting van het COA hoger uitvalt dan verwacht in de MPP. Om dat te ondervangen, wordt beoogd de aanvullende middelen meerjarig in de begroting te verwerken. Hierdoor ontstaat meer stabiliteit in de financiering, zeker ten opzichte van eerdere jaren waarbij de middelen veelal voor een kortere periode werden toegekend.
Stabiliteit in financiering is vooral van belang wanneer de aantallen asielzoekers met recht op opvang teruglopen. Dit voorkomt namelijk dat direct moet worden afgeschaald in personeel of capaciteit, waardoor schommelingen beter kunnen worden opgevangen. Om die reden zijn sinds 2021 middelen beschikbaar om reservecapaciteit aan te houden. Op de langere termijn gaat het om ongeveer 2.000 opvangplekken.12 Bij een teruglopende bezetting kan de vrijgekomen capaciteit, uitgaande van het asielsysteem zoals beschreven in de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen, worden benut voor tijdelijke bewoning door andere groepen woningzoekenden. De inzet is om de Uitvoeringsagenda versneld tot uitvoering te brengen (zie onder 12).
Bent u voornemens het advies van het ROB en de ACVZ op te volgen en de financieringssystematiek in te richten op het noodzakelijke aantal beschikbare bedden, inclusief buffers voor de lange termijn, zodat humane opvangplekken voor asielzoekers worden gewaarborgd? Zo ja, welke vervolgstappen gaat u zetten om dit te bewerkstelligen? Zo nee, waarom bent u niet bereid het advies van de ROB en de ACVZ op te volgen? Hoe verhoudt een dergelijke onwelwillendheid zich tot het feit dat u de vastgelopen opvang nu als landelijke crisis beschouwt?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven wat de status is van de plannen van u en van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening om uiterlijk begin volgend jaar een wet in te voeren die gemeenten zal verplichten niet alleen statushouders, maar ook asielzoekers op te nemen?
De verkenning naar een juridisch instrumentarium voor asielopvang is afgerond. Op basis van de uitkomsten heeft het kabinet geconcludeerd dat het nodig is om een wettelijke taak te beleggen bij gemeenten om opvangvoorzieningen mogelijk te maken. De verkende varianten voor een dergelijke taak worden nauwgezet beschreven in de brief aan uw Kamer van 8 juli 2022,13 maar op hoofdlijnen gaat het om (1) het beleggen van een wettelijke taak bij iedere gemeente, zodat de asielopvang evenredig wordt verdeeld of (2) het beleggen van de taak bij enkele gemeenten op basis van een jaarlijks verdeelbesluit, te nemen door (2a) gedeputeerde staten ofwel (2b) door het Rijk.
Nadere uitwerking vindt deze zomer plaats in nauw overleg met de medeoverheden. Uw Kamer wordt daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Bent u voornemens structureel voldoende financiering beschikbaar te stellen aan gemeenten om asielzoekers op te vangen en te begeleiden, om woningen geschikt te maken voor de doorstroom en huisvesting van statushouders en zowel de sociale samenhang in gemeenten als de kans van slagen van gemeentelijke opvangverplichtingen te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten ontvangen voor de vestiging van een opvanglocatie een uitkering op grond van het Faciliteitenbesluit opvangcentra 1994. De uitkering dient ter compensatie van middelen die gemeenten normaliter uit het Gemeentefonds ontvangen, ware het niet dat asielzoekers nog niet hoeven te worden ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Het is mogelijk dat de uitvoering van de nieuwe wettelijke taak gepaard gaat met extra kosten. In het kader van de eerder genoemde uitwerking (zie onder 8) wordt daarom gekeken naar financiële gevolgen in lijn met de vereisten van artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet en artikel 108 Gemeentewet. Uitgangspunt is een reële compensatie, waarbij geldt dat de daadwerkelijke hoogte en omvang vragen om een politiek-bestuurlijke afweging.
Op het gebied van huisvesting zet het kabinet in op de realisatie van meer woningen voor alle woningzoekenden, waaronder vergunninghouders. Het programma Woningbouw, dat op 11 maart 2022 aan uw Kamer is gestuurd,14 beschrijft de aanpak om de woningbouw te versnellen. Gemeenten kunnen aanspraak maken op de regeling Woningbouwimpuls voor de bouw van betaalbare woningen. Per augustus 2022 wordt de vierde tranche hiervan opengesteld. Daarnaast is op 18 juli 2022 een nieuwe regeling aandachtsgroepen gepubliceerd voor gemeenten. Het doel is om meer betaalbare woningen voor alle aandachtsgroepen te realiseren, inclusief vergunninghouders. Dit is onderdeel van het programma Een thuis voor iedereen, waarover uw Kamer op 11 mei 2022 is geïnformeerd.15 Tot slot is voor de zomer de taskforce versnelling tijdelijke huisvesting van start gegaan. De taskforce ondersteunt gemeenten bij het realiseren van flexwoningen en het transformeren van gebouwen. In lijn met het programma Een thuis voor iedereen en het Woningbouwprogramma wordt EUR 100 miljoen vanuit de middelen voor de Woningbouwimpuls versneld ingezet voor de transformatie van bestaande gebouwen en de bouw van nieuwe flexwoningen voor onder meer vergunninghouders.
Gezien het feit dat gemeenten een gebrek aan beleidsruimte ervaren, wat het effectief monitoren en coördineren van opvangplekken moeilijk maakt, bent u bereid gemeenten meer ruimte te geven de opvang en huisvesting van asielzoekers naar eigen inzicht te organiseren? Bent u bereid meer ruimte te bieden voor een gedecentraliseerde aanpak waarin gemeenten zelf het soort maatwerk kunnen bepalen dat nodig is om hun gemeentelijke opvangverplichtingen te volbrengen? Zo nee, waarom niet?
Het staat buiten kijf dat de opvang en begeleiding van asielzoekers in de bestuurlijke praktijk een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle Nederlandse overheden is. Strikt juridisch bezien, geldt echter dat de verplichtingen die voortvloeien uit internationale en Europese wet- en regelgeving op het niveau van de staat zijn belegd. Het is derhalve aan het Rijk om de nationale rechtsorde zodanig in te richten dat dergelijke verplichtingen kunnen worden nageleefd, daarbij ook rekening houdend met een zekere mate van uniformiteit. Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om de uitvoering van de asielopvang op Rijksniveau te organiseren en daartoe een aparte organisatie op te richten met de wettelijke taak voor de opvang en begeleiding van asielzoekers.16 Van in de vraagstelling genoemde »gemeentelijke opvangverplichtingen« is geen sprake.
Twee nuanceringen zijn op zijn plaats. Allereerst is er een verschil tussen het opvangen van asielzoekers en het beschikbaar stellen van locaties. In de beleidsreactie op het advies van het ROB en de ACVZ wordt de stellingname onderbouwd dat het Rijk verantwoordelijk moet blijven voor asielopvang. Dat laat onverlet dat het kabinet wél een noodzaak ziet voor een wettelijke taak van gemeenten om opvangvoorzieningen mogelijk te maken (zie onder 8). Daarnaast merk ik op dat gemeenten op dit moment al ruimte hebben om mee te denken over de invulling van de asielopvang en daaraan een bijdrage te leveren. Omdat het kabinet de meerwaarde van dergelijke lokale accenten van harte onderschrijft, biedt de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen nog meer ruimte daartoe. Zo kunnen gemeenten met het COA bepalen hoe specifieke regionale opvanglocaties worden ingericht. Deze gezamenlijke afspraken kunnen gaan over het eigendom en beheer van de locatie, alsmede het aanbod van diensten en activiteiten.
Kunt uitleggen waarom het wel mogelijk is in korte tijd een grote hoeveelheid opvanglocaties voor Oekraïense ontheemden beschikbaar te stellen terwijl vluchtelingen uit andere landen alleen maar in aanmerking komen voor kortdurende noodopvang? Bent u van mening dat Oekraïense vluchtelingen meer recht hebben op humane opvanglocaties dan vluchtelingen van buiten Europa? Zo nee, hoe verklaart u het grote contrast tussen de geboden hulp aan Oekraïense vluchtelingen en vluchtelingen die elders vandaan komen?
Iedereen die in Nederland bescherming zoekt tegen oorlog en geweld heeft evenveel recht op opvang. In februari 2022 zag Nederland zich geconfronteerd met buitengewone omstandigheden als gevolg van de plotselinge hoge instroom van ontheemden uit Oekraïne. Vanaf het begin is de inzet van betrokken partijen geweest om in samenhang te zoeken naar opvangplekken voor ontheemden uit Oekraïne en asielzoekers die elders vandaan komen, juist om verschillen in de wijze waarop zij behandeld worden te voorkomen. Wel constateer ik dat een ander juridisch kader van toepassing is op ontheemden uit Oekraïne. Zij vallen namelijk onder de reikwijdte van de Europese richtlijn tijdelijke bescherming die op 4 maart 2022 via een Raadsbesluit is geactiveerd.17 Verder was het nodig om, door middel van het staatsnoodrecht, burgemeesters een formele taak te geven ten aanzien van het opvangen van personen die anders niet opgevangen hadden kunnen worden door het COA. Deze regels zijn onder grote druk tot stand gekomen, met het reële risico op onvoorziene effecten. Dit neemt niet weg dat het kabinet nog altijd een gelijkwaardige opvang voor beide doelgroepen voorstaat. Het streven is om materiele en procedurele verschillen in de opvang en geboden verstrekkingen zoveel mogelijk te voorkomen.
Hoe beoordeelt u het idee om van alle permanente satelliet- en regionale opvanglocaties een deel van de capaciteit vrij te houden voor het opvangen van asielzoekers om leegstand te voorkomen, en een ander deel open te stellen voor bewoning door andere doelgroepen, bijvoorbeeld spoedzoekers, zoals mensen die net gescheiden zijn of tijdelijke arbeidsmigranten? Kunt u een uitgebreide reactie hierop geven?
Het geopperde idee sluit naadloos aan bij het toekomstbeeld van het asielsysteem zoals beschreven in de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen. Belangrijk onderdeel daarvan is dat satellietlocaties en regionale opvanglocaties kunnen worden ingericht als zogeheten flexibele opvangvormen. Dit zijn vormen waar naast asielzoekers en vergunninghouders, gelijktijdig of volgtijdelijk, ook andere groepen woningzoekenden tijdelijk kunnen worden ondergebracht. Voor de asielopvang is het voordeel dat bij schommelingen sneller kan worden op- en afgeschaald, zonder dat locaties moeten worden geworven of gesloten. Het voordeel voor de betrokken gemeente(n) is dat deze opvangvormen tijdelijk woonruimte kunnen bieden voor andere groepen die met spoed een woning zoeken. Het mengen van groepen bewoners heeft bovendien een positief effect op inburgering alsook het lokaal draagvlak voor asielopvang.
De Uitvoeringsagenda wordt met medeoverheden op onderdelen geactualiseerd c.q. verrijkt en versneld tot uitvoering gebracht. Daarbij wordt onder andere de (door)ontwikkeling van flexibele opvangvormen betrokken. In de huidige vorm van de Uitvoeringsagenda is de toepassing van flexibele opvangvormen beperkt tot de situatie dat opvangcapaciteit van het COA wordt benut voor tijdelijke woonruimte in geval van leegstand. Een nieuwe ontwikkeling is dat binnen de crisisstructuur wordt gewerkt aan de realisatie van zogeheten tussenvoorzieningen door gemeenten. Gegeven de huidige situatie zijn die in eerste instantie bedoeld voor een snellere uitplaatsing van vergunninghouders. Het is echter niet ondenkbaar dat tussenvoorzieningen op termijn ook kunnen worden ingezet voor opvang van asielzoekers. Eenmaal verkend, zullen de mogelijkheden hiertoe een plek krijgen in de geactualiseerde Uitvoeringsagenda.
Waarom zoekt u niet proactief naar noodlocaties (zoals in Heumensoord), waar in crisissituaties snel noodopvang kan worden gerealiseerd, om te voorkomen dat dergelijke locaties moeten worden gezocht wanneer daar eigenlijk geen tijd meer voor is? Bent u bereid gemeenten te verplichten proactief locaties aan te wijzen, en deze qua bezit, vereisten op het gebied van ruimtelijke ordening, vergunningen en nutsvoorzieningen gebruiksklaar te maken zodat daar snel een noodopvanglocatie kan worden ingericht? Bent u bereid gemeenten te ondersteunen met de benodigde geldmiddelen en menskracht bij het realiseren daarvan? Zo nee, waarom niet?
Het COA zet zich voortdurend in om te zorgen dat de capaciteit in haar vastgoedportefeuille aansluit op de verwachte capaciteitsbehoefte. De beschikbare capaciteit kan echter veranderen als lopende bestuursovereenkomsten met reguliere en tijdelijke (nood)opvanglocaties niet worden verlengd of vervangen. Ook de verwachte capaciteitsbehoefte is aan verandering onderhevig. De capaciteitsbehoefte is gebaseerd op de doorvertaling van de MPP. Inherent aan een prognosemodel als de MPP en dus de capaciteitsbehoefte is dat deze is omgeven met vele aannames, risico’s en onzekerheden, De uitkomsten bieden geen garantie voor daadwerkelijke realisatie. Deze omstandigheden maken dat de beschikbaarheid van voldoende opvangplekken bewerkelijk is, zoals het huidige capaciteitstekort illustreert,
Nu de vastgelopen asielopvang wordt aangepakt als nationale crisis, welke stappen en plannen kunnen we van het crisisorganisatieteam verwachten?
Vooropgesteld moet worden dat het doel van de crisisstructuur is om de doorstroom in de migratieketen te verbeteren. Alle inzet is erop gericht om snelle resultaten te boeken, maar tegelijkertijd is een structurele oplossing niet van de ene op de andere dag gevonden. Daarom hanteert het kabinet een stapsgewijze aanpak bestaande uit plannen voor de korte, middellange en lange termijn om voldoende opvang- en huisvestingscapaciteit te realiseren. Stip op de horizon is in ieder geval de realisatie van een stabiel en flexibel opvanglandschap (zie onder 3). De gezamenlijke inzet en verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen zal bepalen in hoeverre we hierin slagen. Voor de precieze inhoud van de plannen verwijs ik naar de brief die uw Kamer op 24 juni 2022 heeft ontvangen.18 In de Kamerbrief van 28 juli 2022 wordt de actuele stand van zaken gegeven.19 Tot slot wil ik benoemen dat de ontwikkelingen op het gebied van de crisisbesluitvorming elkaar razendsnel opvolgen. Dat heeft tot gevolg dat het beeld zeer snel verandert en het kabinet zich daar continu op moet aanpassen. Ik span mij, samen met mijn collega’s, in om uw Kamer tijdig en accuraat te informeren.
Kunt u uitleggen waarom het crisisorganisatieteam is ondergebracht bij de NCTV? Overwegende dat de NCTV een uitgebreide geschiedenis kent van onwettelijk en onrechtmatig handelen en etnisch profileren, wat maakt de NCTV volgens u gekwalificeerd om de rechten, belangen en noden van asielzoekers te garanderen, waarborgen en beschermen?
Het in de vraag geschetste beeld wordt niet herkend. De afgelopen periode is de situatie in de migratieketen onder kritieke druk komen te staan. Vanwege de almaar verslechterende situatie was volgens het kabinet de inzet noodzakelijk van een optimaal flexibele en wendbare crisisorganisatie van de rijksoverheid die in alle situaties bestuurlijk en operationeel snel en slagvaardig kan handelen. Hiertoe is op 17 juni 2022 de structuur voor nationale crisisbesluitvorming geactiveerd. De Minister van Justitie en Veiligheid is de coördinerend Minister op het gebied van crisisbeheersing. Het is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid die steevast invulling aan deze coördinerende verantwoordelijkheid geeft, zo ook in deze crisisstructuur die specifiek is gericht op het verbeteren van de doorstroom in de migratieketen. De structuur bestaat uit het Interdepartementaal Afstemmingsoverleg (IAO), de Interdepartementale Commissie Crisis Beheersing (ICCb) en de Ministeriele Commissie Crisisbeheersing (MCCb). Ook is het Nationaal Kernteam Communicatie (NKC) actief. Binnen de crisisstructuur wordt nauw samengewerkt met veiligheidsregio’s, gemeenten, IND, COA en andere partners.
Gezien het tekort aan personeel één van de knelpunten is waardoor een structurele oplossing voor het opvangen van asielzoekers niet kan worden gerealiseerd, hoe bent u van plan het gebrek aan personeel aan te pakken?
Het COA werkt hard aan de werving van nieuw personeel. Dit is niet alleen van belang in het kader van de opvang van asielzoekers, maar ook om de hoge werkdruk op de huidige medewerkers te verminderen. Ondanks de krappe arbeidsmarkt is het COA erin geslaagd om in de afgelopen periode 1.400 mensen aan te nemen. In de komende periode moeten nog 1.000 mensen worden geworven. Om die opgave te realiseren, zet het COA verschillende instrumenten in. Zo kan gedacht worden aan aangepaste wervingscampagnes. Waar het COA voorheen gewend was om lokaal te werven rond een specifieke locatie wordt nu gewerkt aan brede wervingscampagnes. Andere voorbeelden zijn referral recruitment, waarmee wordt geworven via (huidige en oude) medewerkers en andere relaties, en actief gebruik van sociale media.
Bepaalde vacatures zijn bijzonder lastig in te vullen, bijvoorbeeld op het gebied van ICT en alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Door een gerichte strategie voor het aantrekken van personeel wordt, stapsgewijs en met een passend actieplan, gezocht naar de meest geschikte medewerkers. In dat kader is niet uitgesloten dat het COA bepaalde functievereisten versoepelt. Dat betekent overigens niet dat de kwaliteit van de personele capaciteit uit het oog wordt verloren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor aanvang van het commissiedebat over Vreemdelingen- en Asielbeleid op 30 juni 2022?
Om recht te doen aan de omvang en gedetailleerde aard van de vragen was het niet mogelijk om de beantwoording binnen de gevraagde termijn gereed te hebben.
De gevaren die boeren op snelwegen veroorzaken |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Boeren massaal over de snelweg naar actiedag in Stroe, politie machteloos»?1
Ja.
Wat waren de gevolgen van het spookrijden en het blokkeren van vluchtstroken voor de verkeersveiligheid en voor de doorgang van ambulances?
Sinds woensdag 22 juni zijn er op meerdere momenten blokkades op de snelwegen en toegangswegen geweest. Er zijn op 22 juni op de wegen in beheer van Rijkswaterstaat vijf ongevallen geregistreerd in het interne systeem van Rijkswaterstaat die direct te relateren zijn aan de aanwezigheid van tractoren op het hoofdwegennet. Het valt niet uit te sluiten dat het totale aantal hoger ligt. Ook zijn hierbij eventuele ongevallen op autowegen en autosnelwegen in beheer van andere wegbeheerders niet meegerekend, zoals bijvoorbeeld ambulances die geen doorgang konden vinden.
Onderschrijft u de constatering van een chirurg uit het St. Antonius Ziekenhuis dat deze acties levensgevaarlijk zijn?2
Ja.
Waarom worden tractoren niet direct van de snelweg afgeleid, eventueel op straffe van aanhouding?
Het doen stilhouden van een rijdend landbouwvoertuig kan risico’s opleveren voor de veiligheid van medeweggebruikers of politiemedewerkers. Wanneer om die reden door de politiemedewerkers ter plaatse wordt besloten een voertuig niet stil te houden, wil dat niet zeggen dat bestuurders van deze voertuigen wegkomen met strafbare feiten.
Na vaststelling van de identiteit op basis van beeldmateriaal of op andere wijze volgt een bekeuring of aanhouding.
Deelt u de grote zorgen dat de politie naar eigen zeggen «simpelweg niet opgewassen tegen deze machines» is?3 Het mag toch nooit zo zijn dat het recht van de sterkste bepaalt tegen wie de politie optreedt en tegen wie niet?
De wet geldt voor iedereen. Er wordt door de politie handhavend opgetreden, direct of achteraf. Handhaving kan op verschillende manieren gebeuren. Het lokaal gezag maakt hierin afwegingen waarin ook de veiligheid van wegverkeer en politiemedewerkers wordt betrokken. In dit geval is ter plaatse waar mogelijk gehandhaafd en is er ook geverbaliseerd, zowel ter plaatse als achteraf.
Herinnert u zich het antwoord van vorig jaar, dat één boete was opgelegd bij blokkades op de A1 voor bellen achter het stuur, en dat er geen aanhoudingen werden verricht?4
Ja.
Denkt u dat uit dat optreden van de politie een afschrikwekkende werking is uitgegaan waardoor boeren dit soort acties in het vervolg niet zouden herhalen?
Van belang is dat personen die zich schuldig maken aan strafbare feiten daar niet mee wegkomen. Er wordt door de politie handhavend opgetreden. Wanneer dat ter plaatse niet lukt, gebeurt dat achteraf.
Hoe duidt u de uitspraak van de politie dat het niet hun «doel [is] om zo veel mogelijk boetes uit te schrijven»?5 Hoe kan worden voorkomen dat boeren dit soort acties herhalen als het beeld wordt gecreëerd dat boeren niet voor boetes hoeven te vrezen?
Het doel is duidelijk te maken dat strafbare feiten en gevaarlijke situaties niet worden geaccepteerd en daar waar mogelijk wordt ingegrepen. Dit is herhaaldelijk door politie en OM gecommuniceerd. Wanneer het de politie door de omstandigheden niet lukt om deze feiten te voorkomen of om daarop direct te handhaven, wordt ingezet op opsporing en vervolging achteraf. Het is cruciaal dat personen die doelbewust de wet overtreden daar niet mee wegkomen.
Hoe komt het dat de politie niet in staat of niet bereid was in alle situaties te handhaven? Is daarbij overwogen bijstand in te schakelen van de Koninklijke Marechaussee?
Ik wijs u op de voorgaande antwoorden. Er was voor de gezagen geen aanleiding om de Koninklijke Marechaussee te verzoeken om bijstand te leveren.
Hoeveel tractoren zijn op 22 juni 2022 op de snelweg gesignaleerd? Hoeveel van hen hebben een boete gekregen? Hoeveel aanhoudingen zijn er verricht?
Het is bij Rijkswaterstaat niet bekend hoeveel tractoren zich op 22 juni 2022 op de snelweg hebben bevonden en evenmin hoeveel bestuurders daarvan of automobilisten een snelweg hebben geblokkeerd. Rijkswaterstaat heeft namelijk geen systeem waarmee die informatie wordt verzameld. Bij politie is dit evenmin bekend.
Omdat opgelegde boetes bij de politie niet op doelgroepen worden geregistreerd, is het niet mogelijk om precies na te gaan hoeveel tractorbestuurders een boete hebben ontvangen. Wel is duidelijk dat de politie op 22 juni 2022 enkele honderden bekeuringen meer heeft uitgeschreven dan op andere woensdagen in 2022. Op 22 juni 2022 heeft de politie veertien aanhoudingen verricht die samenhangen met de voornoemde landelijke actiedag. Sinds 22 juni 2022 zijn in totaal in ieder geval 700 extra verkeersboetes uitgeschreven voor overtredingen die zijn te relateren aan de boerenprotesten. Het daadwerkelijke aantal ligt mogelijk hoger. Daarnaast zijn de afgelopen weken ruim honderd personen aangehouden vanwege overtredingen en misdrijven die verband houden met de boerenprotesten. Ook hierbij geldt dat het daadwerkelijke aantal mogelijk hoger ligt, omdat onderzoeken nog lopen.
Hoeveel automobilisten hebben op 22 juni 2022 snelwegen geblokkeerd? Hoeveel van hen hebben een boete gekregen? Hoeveel aanhoudingen zijn er verricht?
Zie antwoord vraag 10.
Wat gaat u in het vervolg doen om dit te voorkomen?
De politie treedt op onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie en de burgemeester.
Rondom recente acties heeft ter ondersteuning van het bevoegd gezag bestuurlijke afstemming plaatsgevonden met vertegenwoordigers van het lokaal bestuur, OM en politie.
De volgende uitgangspunten zijn als advies voor de lokale driehoeken gedeeld met burgemeesters:
De overheid treedt zichtbaar en merkbaar op tegen blokkades en andere buitenwettelijke acties.
Demonstreren mag, blokkeren niet. De overheid begrenst vroegtijdig en treedt waar mogelijk direct op. Blokkades worden zoveel mogelijk voorkomen dan wel zo snel mogelijk beëindigd (oplopend van vrijwilligheid naar vormen van dwang/handhaving).
Blokkades op en rondom snelwegen zijn niet acceptabel. Dit is voornamelijk gelegen in:
Gevaarzetting (ongevallen, gewonden, mogelijk zelfs dodelijke slachtoffers, bermbranden, gevaarlijke stoffen).
Snelweg is geen geschikte locatie, alternatieve locaties om te demonstreren worden in overleg met het lokaal bevoegd gezag aangewezen
Artikel 2 van de Wet openbare manifestaties biedt de mogelijkheid om een betoging in verband met de verkeersveiligheid te beperken of te verbieden.
Waar directe handhaving niet mogelijk is wordt ingezet op opsporing en vervolging na de acties. Er wordt ingezet op een hoge pakkans.
Het strafrechtelijk onderzoek van de FIOD naar medische specialisten |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Aukje de Vries (staatssecretaris financiën) (VVD), Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het strafrechtelijk onderzoek van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) naar medisch specialisten vanwege het vermoeden dat zij jarenlang betalingen hebben ontvangen van een leverancier van medische hulpmiddelen in ruil voor voorkeursbeleid voor hun producten?1
Ik ben bekend met de berichten hierover in de media. Omdat het OM geen informatie verstrekt over (lopende) strafrechtelijke onderzoeken, heb ik hier geen nadere informatie over.
Hoeveel medische specialisten worden verdacht van het aannemen van steekpenningen van de hulpmiddelenindustrie?
Uw vraag kan ik niet beantwoorden, omdat dit onderdeel is van een strafrechtelijk onderzoek.
Hoeveel geld hebben deze specialisten vermoedelijk verdiend met deze steekpenningen?
Zie antwoord op vraag 1.
Wat vindt u ervan dat dit soort constructies lang kunnen bestaan waardoor gemeenschapsgeld, bestemd voor goede zorg, wordt ingezet voor corrupte doeleinden van de industrie?
Ik kan geen uitspraken doen in relatie tot deze zaak. In het algemeen vind ik fraude en niet-integer handelen in de zorg verwerpelijk. Ik verwacht van zorgorganisaties, zorgprofessionals en andere betrokken partijen dat zij zorgvuldig en integer handelen. Hoewel de grote meerderheid van de zorgprofessionals zich dagelijks met hart en ziel inzet voor de zorg aan patiënten, is er helaas ook een kleine groep die soms de randen opzoekt en er zelfs overheen gaat. Wij maken ons samen met zorgaanbieders, patiënt- en cliëntorganisaties, zorgverzekeraars en handhavers hard tegen iedereen die ons zorgstelsel probeert te ondermijnen. Deze kwestie laat weer zien hoe belangrijk het is dat dit hoog op de agenda staat en prioriteit heeft. Het is goed dat het OM en de FIOD dit uitermate serieus nemen. Ik wacht de uitkomsten van het onderzoek met interesse af.
Wat bent u van plan te doen om dit soort praktijken in de toekomst te voorkomen?
Ik kan zoals aangegeven geen uitspraken doen in relatie tot deze zaak. Bij brief van 29 juni 20222 heeft de Minister voor Langdurige Zorg en Sport u geïnformeerd over onze brede ambitie op te treden tegen fraude in de zorgsector en daarmee de aanpak van niet-integere zorgaanbieders.
In de brief is onder andere ingegaan op het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz). In dit wetsvoorstel worden onder meer wettelijke normen opgenomen over de omgang met tegenstrijdige belangen binnen zorgorganisaties. Het toezicht van de NZa zal met het wetsvoorstel worden verruimd, zodat eerder kan worden opgetreden als er sprake is van niet integer gedrag bij bijvoorbeeld de omgang met tegenstrijdige belangen binnen zorgorganisaties.
Daarnaast zijn vanaf verslagjaar 2022 medisch specialistisch bedrijven (msb’s) en maatschappen ook jaarverantwoordingsplichtig. Daardoor krijgen toezichthouders en inkopers beter zicht op de financiële stromen binnen msb’s en maatschappen.
Kunt u aangeven of en hoe het Initiatiefwetsvoorstel Wet transparantieregister zorg van het lid Kuiken, dat de financiële relaties tussen de farmaceutische- en hulpmiddelenindustrie en bijvoorbeeld medische specialisten moet openbaren, kan bijdragen om misbruik te voorkomen?2
Het initiatiefwetsvoorstel Transparantieregister Zorg van het lid Kuiken ligt momenteel ter voorbereiding in uw Kamer. Ik kan hier niet vooruitlopend op het oordeel van uw Kamer verder inhoudelijk op in gaan. Ik wacht daarvoor eerst de verdere behandeling van dit initiatiefwetsvoorstel af.
Kunt u aangeven welke rol de internationale constructies om het geld weg te sluizen hebben gespeeld bij het ontvangen van steekpenningen?
Zie antwoord op vraag 1.
Neemt u afdoende maatregelen om bovengenoemde constructies in de toekomst onmogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Voor de maatregelen tegen fraude in de zorgsector en daarmee de aanpak van niet-integere zorgaanbieders, verwijs ik naar het antwoord op vraag 5. Tevens wijs ik op het fenomeenonderzoek complexe juridische structuren van zorgaanbieders, dat door de NZa is uitgevoerd,4 en het integraal barrièremodel waartoe dat onderzoek geleid heeft. Het barrièremodel, ontwikkeld door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV), maakt inzichtelijk welke partijen drempels kunnen opwerpen om het risico op het weglekken van zorggelden te reduceren.
Het WEF |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Het World Economic Forum (WEF) stuurt, zo is inmiddels bekend dankzij de correspondentie die het afgelopen half jaar door de regering is vrijgegeven, regelmatig brieven en uitnodigingen naar leden van het kabinet, brieven die echter zelden (lijken te) worden beantwoord door het kabinet. Is dit correct?
Uitnodigingen van het WEF zijn niet rechtstreeks beantwoord aan de organisatie van het WEF. Dit verliep via de Permanente Vertegenwoordiging (PV) van Nederland te Genève. De PV Genève vormt de tussenschakel voor de ministeries en het WEF, en verzorgt de ondersteuning bij het coördineren van het bezoek van de Nederlandse bewindspersonen aan het WEF.
Of heeft de Kamer (nog) niet alle antwoorden die vanuit het kabinet naar het WEF zijn gestuurd ontvangen? Indien dit het geval is, kan de Kamer ook de antwoorden van het kabinet aan het WEF alsnog ontvangen?
Het verzoek dat destijds is gedaan, is geïnterpreteerd als direct contact tussen Den Haag en het WEF, niet het contact met de PV. De communicatie met en van de PV is wel opvraagbaar (zie het antwoord op vraag 3).
Tot slot, in de brief van 9 februari 20221 wordt Minister Kaag uitgenodigd door het WEF voor de jaarlijkse WEF bijeenkomst van 22 tot en met 26 mei in Davos. Heeft de Minister deze uitnodiging beantwoord? Indien dit niet het geval is, hoe kon het WEF in dat geval weten dat Minister Kaag naar deze bijeenkomst zou komen? Indien dit wel het geval is, kan de Kamer het antwoord van het kabinet op deze brief en uitnodiging van het WEF (alsnog) ontvangen?
Zoals hierboven beschreven, is dit via de PV Genève gecommuniceerd aan het WEF. In de bijlage treft u de bevestigingsmail van het Ministerie van financiën aan de PV Genève. De PV heeft dit mondeling medegedeeld aan het WEF.
De oproep van provincies en gemeenten aangaande het realiseren van passende juridische kaders voor gebouwgebonden financierings- en ontzorgingsinstrumenten |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van provincies en gemeenten aangaande het realiseren van passende juridische kaders voor gebouwgebonden financierings- en ontzorgingsinstrumenten?1
Ja
Deelt u de mening van de provincies en gemeenten dat gebouwgebonden financierings- en ontzorgingsinstrumenten van groot belang zijn voor het grootschalig verduurzamen van woningen?
De verduurzaming van de gebouwde omgeving is urgent. Tot 2030 moeten er 1,5 miljoen koopwoningen worden geïsoleerd en verduurzaamd. Dat doel kan alleen worden gehaald als via we een mix van instrumenten inzetten, zoals toegelicht in het beleidsprogramma versnelling verduurzaming gebouwde omgeving (PVGO). Voor woningeigenaren betekent dat onder meer dat we werken aan bredere en betere financieringsmogelijkheden, duidelijke en goed toegankelijke informatie en volledige ontzorging voor wie dat wil.
Gebouwgebondenheid van een financierings- of ontzorgingsinstrument betekent dat deze gekoppeld is aan de woning en dat de betalingsverplichtingen, openstaande schuld en de eventuele dienstverlening door de aanbieder die de woning verduurzaamt bij verkoop van de woning automatisch overgaan op de volgende eigenaar. De achterliggende gedachte is dat de zekerheid dat de financiering overgaat drempels voor het verduurzamen van de woning kan wegnemen, bijvoorbeeld wanneer een huishouden verwacht binnen een paar jaar te verhuizen of voor ouderen die niet weten hoe lang ze nog in het huis blijven wonen.
Woningeigenaren hebben nu al verschillende aantrekkelijke mogelijkheden om de verduurzaming van hun woning te financieren, bijvoorbeeld een aanvullende verduurzamingshypotheek, de energiebespaarlening van het Nationaal Warmtefonds (vanaf 1 oktober 2022 tegen 0% rente voor lage inkomens) of een consumptief krediet bij een andere kredietverstrekker. Ook zijn er steeds meer initiatieven die woningeigenaren van A tot Z ontzorgen bij de verduurzaming van de woning. Met gebouwgebonden financierings- en ontzorgingsinstrumenten is in Nederland nog vrijwel geen praktijkervaring opgedaan. Onderzoek laat echter wel zien dat bepaalde groepen woningeigenaren er belangstelling voor hebben.2 In die zin deel ik de mening van provincies en gemeenten dat gebouwgebonden financierings- en ontzorgingsinstrumenten zouden kunnen bijdragen aan het halen van de doelen van het PVGO. Wel moet worden bezien of gebouwgebonden financiering verantwoord kan worden verstrekt gelet op de financiële positie van de consument.
Klopt het dat het ontbreken van passende juridische kaders het gebruik van gebouwgebonden financierings- en ontzorgingsinstrumenten in de weg zit? Bent u van plan deze knelpunten op te lossen?
In eerdere verkenningen is geconstateerd dat het uitgangspunt van volledige automatische overgang van financiering van eigenaar op eigenaar niet kon worden gerealiseerd.3 Een specifieke appreciatie van de Gemeentelijke Verduurzamingsregeling is gegeven in antwoorden op Kamervragen over die regeling van 19 mei 2020.4 Ik heb in het Commissiedebat Klimaatakkoord gebouwde omgeving van 6 april jl. toegezegd te zullen bezien of en hoe deze knelpunten kunnen worden opgelost. Ik hoop dit onderzoek op korte termijn te kunnen afronden en zal daarna uw Kamer informeren.
Kunt u een inhoudelijke reactie geven op deze oproep van provincies en gemeenten, en aangeven welke aanbevelingen u opvolging gaat geven?
Ik heb kennisgenomen van de oproep van provincies en gemeenten en de brief waarin Bouwend Nederland, Techniek Nederland, Nederlandse Vereniging Duurzame Energie, Stroomversnelling, Consumentenbond, Vereniging Eigen Huis en De Nederlandse Verwarmingsindustrie de oproep van provincies en gemeenten ondersteunen. Ik betrek de aanbevelingen in het onderzoek, maar kan hier op dit moment nog niet inhoudelijk op reageren.
Kunt u nader ingaan op de Gemeentelijke Verduurzamingsregeling (GVR) van de gemeente Wijk bij Duurstede, wat de knelpunten en kansen van deze regeling zijn, en op welke manier deze regeling breed inzetbaar kan worden gemaakt?2
De Gemeentelijke Verduurzamingsregeling en Gebouwgebonden Verduurzamingsdienst hebben gemeenschappelijk dat met de woningeigenaar een plan wordt gemaakt voor vergaande verduurzaming van de woning bestaande uit een combinatie van maatregelen als spouwmuur-, vloer- en dakisolatie, HR++ glas, ventilatie, zonnepanelen of een (hybride) warmtepomp. Eén aanbieder is verantwoordelijk voor het totale pakket, coördineert de uitvoering, garandeert tot op zekere hoogte de energieprestatie van de verduurzaamde woning en biedt nazorg. De woningeigenaar wordt hiermee volledig ontzorgd.
De maandelijkse termijnen die de woningeigenaar betaalt, zijn gekoppeld aan de verwachte, met erkende rekenmethoden berekende besparing op de energierekening, uitgaande van een looptijd van 30 jaar waarin de huidige en volgende eigenaren de investering terugbetalen. Bij beide initiatieven is de basisgedachte dat de financieringsoplossing verantwoord is voor de consument, omdat de maandelijkse termijnen kunnen worden betaald uit de besparing op de energierekening en de woning in principe woonlastenneutraal wordt verduurzaamd.
Beide initiatieven gebruiken een verschillend juridisch kader. De Gemeentelijke Verduurzamingsregeling heeft een publiekrechtelijk karakter: de woningeigenaar betaalt de maandelijkse termijnen aan de gemeente in de vorm van een op verzoek van de woningeigenaar opgelegde baatbelasting. De gebouwgebonden verduurzamingsdienst heeft een privaatrechtelijk karakter: de woningeigenaar betaalt de maandelijkse termijnen rechtstreeks aan de aanbieder van de dienst, als vergoeding voor de geleverde energieprestatie inclusief service, onderhoud en vervanging van installaties.
Ik doe samen met de Ministers voor Klimaat en Energie, van Financiën en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderzoek naar beide initiatieven. Op uw vraag naar de knelpunten, kansen en of en op welke manier beide initiatieven breed inzetbaar kunnen worden gemaakt, kom ik spoedig terug.
Kunt u nader ingaan op de Gebouwgebonden Verduurzamingsdienst van gemeente Amersfoort, wat de knelpunten en kansen van deze regeling zijn, en op welke manier deze regeling breed inzetbaar kan worden gemaakt?
Zie antwoord vraag 5.
De schrijnende situatie van een Iraniër die met de dood wordt bedreigd |
|
Jasper van Dijk |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Buurt in actie voor illegale Navid uit Iran»?1
Ik heb het artikel gelezen maar zoals u weet kan ik niet ingaan op individuele gevallen.
Wat zegt het volgens u dat buurtbewoners in actie komen om Navid een legale verblijfsstatus te geven?
De betrokkenheid van de buurtbewoners vind ik een mooi gebaar van solidariteit. Voor zover u met uw vraag doelt op de legitimiteit die dit al dan niet verleent aan de verblijfsaanvragen van betrokkene, ben ik in algemene zin van mening dat betrokkenheid van burgers niet per definitie hoeft te betekenen dat er een grondslag bestaat voor het verlenen van een verblijfsvergunning.
Hoe kunt u van een vluchteling verwachten dat die tijdens een reis van duizenden kilometers lang bewijs meeneemt van bedreiging van zichzelf en zijn familie?
Het startpunt voor de beoordeling van de asielaanvraag zijn de verklaringen van de vreemdeling. Tegelijk mag verwacht worden dat een vreemdeling zijn aanvraag en verklaringen zo goed als redelijkerwijs mogelijk met documenten weet te onderbouwen. Als (bepaalde) documenten ontbreken wordt nagegaan waarom de vreemdeling de betreffende documenten niet heeft. Als een relevant element niet voldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken, zoals documenten, wordt aan de hand van de geloofwaardigheidsindicatoren de geloofwaardigheid van het asielrelaas beoordeeld. Ook daarin kunnen indicatieve documenten een rol spelen. Een asielaanvraag zal niet enkel worden afgewezen omdat iemand bepaalde documenten niet kon meenemen uit of verkrijgen in zijn land van herkomst, of omdat hij deze onderweg is verloren.
Hoe stelt u bekeerlingen in staat hun bekering te bewijzen om te voorkomen dat zij ten onrechte terug worden gestuurd en met de dreiging van de doodstraf worden geconfronteerd?
De geloofwaardigheidsbeoordeling vindt, zoals ook vermeld in antwoord 3, grotendeels plaats aan de hand van de verklaringen van de asielzoeker. De algemene geloofwaardigheidsindicatoren die in de werkinstructie met nummer 2014/10 benoemd worden, zijn ook van toepassing op bekeringszaken. Daarnaast heeft de IND een werkinstructie met nummer 2022/3 die specifiek ziet op de geloofwaardigheidsbeoordeling in bekerings- en afvalligheidszaken. Op basis van deze werkinstructie, toetst de IND of het aannemelijk is dat de door de vreemdeling gestelde bekering gebaseerd is op een diepgewortelde innerlijke overtuiging. Daarbij wordt gekeken naar de kennis van het nieuwe geloof, de activiteiten die in dit kader zijn verricht en de motieven voor, en het proces van, bekering. Een bekering kan aanvullend worden onderbouwd met bijvoorbeeld verklaringen van derden. Te denken valt aan een verklaring van kerkelijke personen of instanties.
In iedere bekeringszaak dient bovendien een bekeringscoördinator geraadpleegd te worden. Voor alle zaken – ook niet bekeringszaken – geldt dat indien de IND twijfelt over de beoordeling van de geloofwaardigheid er collegiaal overleg met een (senior) medewerker mogelijk is. Eventueel kan nader onderzoek in de vorm van een aanvullend gehoor opgestart worden. Ook kunnen deskundigen, bijvoorbeeld landenspecialisten, worden geraadpleegd.
Hoe acht u het mogelijk iemand terug te sturen wiens familie openlijk is bedreigd door het regime nadat een protestvideo van hem online is verschenen?
Als gezegd kan niet worden ingegaan op individuele gevallen. Op het moment dat een asielzoeker terug moet keren houdt dat in dat deze persoon geen recht op asielbescherming heeft in Nederland. Betrokkene heeft in dergelijke gevallen de volledige asielprocedure doorlopen, eventuele rechtsmiddelen uitgeput en daarbij is vastgesteld dat betrokkene geen individueel risico loopt op ernstige schade of vervolging bij terugkeer. Nederland heeft op dat moment aan al haar verplichtingen voldaan in het kader van het (internationaal) vreemdelingenrecht en er kan dus overgegaan worden tot terugkeer.
Bent u bereid het dossier van Navid te laten toetsen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst als schrijnend geval? Zo nee, waarom niet?
Zoals u in uw vraag aangeeft is het aan de IND om te toetsen op schrijnendheid. Dit gebeurt ambtshalve bij de eerste asielaanvraag wanneer hiervoor aanleiding bestaat. Indien een vreemdeling meent dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die zijn aanvraag kunnen ondersteunen staat het hem vrij om een herhaalde aanvraag in te dienen. Bij deze aanvraag vindt echter geen schrijnendheidstoets plaats. In dit proces is geen rol voor mij weggelegd en ik zal deze zaak daarom ook niet aan de IND voorleggen.
De situatie in Ter Apel |
|
Jasper van Dijk |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het tienpuntenplan zoals dat op 21 juni door het College van burgemeester en Wethouders van Westerwolde aan de Kamer is voorgelegd?1 Wat is daarop uw reactie?
Ja, ik heb met interesse kennisgenomen van het tienpuntenplan. Op 24 juni 2022 bracht ik een werkbezoek aan de gemeente Westerwolde, inclusief de locatie Ter Apel. In navolging van het tienpuntenplan heb ik uit de eerste hand mogen vernemen welke problemen inwoners, ondernemers, het betrokken personeel en nieuw binnenkomende asielzoekers ervaren. Ik kan niet vaak genoeg benadrukken dat dit een zeer onwenselijke situatie is die ik ten zeerste betreur. Tegelijkertijd is de problematiek dusdanig complex dat een structurele oplossing niet snel en eenvoudig voorhanden is. Het is dan ook niet uitgesloten dat de onwenselijke omstandigheden aanhouden. Dat de gemeente Westerwolde in het tienpuntenplan stelt «het geduld voorbij» te zijn, kan ik ten volle begrijpen.
Graag sta ik stil bij het belang van de locatie Ter Apel en de samenwerking met de gemeente Westerwolde. Ter Apel is uniek in zijn soort. Het is de plek waar asielzoekers het asielproces starten, maar het is ook de plek waar asielzoekers opvang krijgen en, bij wijze van sluitstuk, voorbereidingen treffen op hun vertrek uit Nederland.2 Het asieldomein wordt hier over de volle breedte zichtbaar, vandaar ook de aanwezigheid van een veelheid aan organisaties. Zij werken met grote inzet en toewijding aan de uitvoering van het asielbeleid. De intensieve ketensamenwerking en concentratie van expertise is een kracht, maar ook een risico. Door de grote onderlinge afhankelijkheden hebben knelpunten en problemen binnen de keten gevolgen voor de organisaties die daarvan deel uitmaken. Helaas geldt dit ook voor de wijdere omgeving en in dit geval de gemeente Westerwolde. Ik ben vastbesloten in mijn streven om, hoe complex ook, de situatie in Ter Apel te verbeteren.
Ik wil mijn waardering uitspreken voor de gemeente Westerwolde die, ondanks de huidige problematiek, bereid blijft om op constructieve wijze mee te denken over mogelijke maatregelen. Een gedetailleerde reactie op de verschillende maatregelen geef ik in het antwoord op vraag 3. In algemene zin onderschrijf ik de strekking van het tienpuntenplan, namelijk dat de opvang van personen die vluchten voor oorlog en geweld vereist dat gemeenten een evenredige bijdrage leveren. De enorme druk op Ter Apel is namelijk onhoudbaar en moet verminderen. Voor degenen die oneigenlijk gebruik (en zelfs misbruik) maken van het fundamentele recht om asiel aan te vragen, is geen plek in Nederland. Overlastgevend of gewelddadig gedrag is volstrekt onacceptabel, óók van asielzoekers.
Bent u het eens met de strekking van het plan snel een einde te maken aan de enorme druk op Ter Apel, de onveiligheid en het gebrek aan capaciteit?
Het is evident dat de locatie Ter Apel structureel ontlast moet worden. Om een einde te maken aan de enorme druk op Ter Apel, de onveiligheid en het gebrek aan capaciteit, moet de situatie in breder perspectief worden geplaatst. De gevolgen manifesteren zich weliswaar op lokaal niveau in Ter Apel, maar het onderliggende probleem heeft betrekking op de doorstroom in de asielketen. Als zodanig is het een probleem van nationale omvang en betekenis dat, vanwege de nijpende situatie in Ter Apel, met urgentie geadresseerd moet worden. Om die reden heeft het kabinet op 17 juni 2022 besloten om de structuur voor nationale crisisbesluitvorming te activeren.3
Ik kan u verzekeren dat alle inzet erop is gericht om snelle resultaten te boeken, in de eerste plaats om de acute tekorten in de asielopvang op te lossen en de nijpende situatie op de locatie Ter Apel te verhelpen. Tegelijkertijd is het streven om structurele verbetering te realiseren. Om die reden hanteert het kabinet een stapsgewijze aanpak bestaande uit plannen voor de korte, middellange en lange termijn om voldoende opvang- en huisvestingscapaciteit te creëren. Stip op de horizon is in ieder geval de realisatie van een stabiel en flexibel opvanglandschap. De gezamenlijke inzet en verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen zal bepalen in hoeverre we hierin slagen.
Voor de precieze inhoud van de plannen verwijs ik naar de brief die uw Kamer op 24 juni 2022 heeft ontvangen.4 In de Kamerbrieven van 28 juli 2022 en 9 augustus 2022 wordt de actuele stand van zaken beschreven.5, 6 Tot slot wil ik benoemen dat de ontwikkelingen op het gebied van de crisisbesluitvorming elkaar razendsnel opvolgen. Dat heeft tot gevolg dat het beeld zeer snel verandert en het kabinet zich daar continu op moet aanpassen. Ik span mij, samen met mijn collega’s, in om uw Kamer tijdig en accuraat te informeren.
Kunt u per maatregel aangeven wat uw oordeel is?
Recent heb ik aanvullende maatregelen aangekondigd ter voorkoming en aanpak van overlast en criminaliteit door een in omvang beperkte groep asielzoekers. Een van de maatregelen betreft het opzetten van een nieuwe opvangmodaliteit, de zogeheten procesbeschikbaarheidslocatie (PBL). De PBL is bedoeld voor de opvang van asielzoekers met een kansarme asielaanvraag, te weten asielzoekers in spoor 1 (Dublinclaimanten) en spoor 2 (veilige landers). In de PBL zal een sober regime gelden. In het belang van het versneld afdoen van deze asielaanvragen wordt van betrokkenen vereist steeds beschikbaar te zijn op locatie. Van (semi)gesloten opvang is echter geen sprake, aangezien dit op juridische bezwaren stuit. De brief die ik op 29 juni 2022 aan uw Kamer heb gestuurd, bevat meer informatie over de PBL en andere maatregelen.7
Tevens wordt ingezet op versobering van de opvang(voorzieningen) van Dublinclaimanten op bestaande opvanglocaties. Dit houdt in ieder geval in dat betrokkenen bepaalde verstrekkingen, zoals artikelen voor persoonlijke hygiëne, in natura ontvangen. Ook andere mogelijkheden tot versobering worden bezien, dit met inachtneming van de uitvoeringsconsequenties. Een versoberd opvangregime is passend in het licht van de ambitie van een beperkte behandelduur van deze aanvragen en daarmee de beperkte verblijfsduur in de opvang.8
Verschillen fraudevormen zijn reeds strafbaar. Asielzoekers die fraude plegen of anderszins onheus gebruik maken van de asielprocedure, maken misbruik van de geboden gastvrijheid. Ik voeg hieraan toe dat ook bestuursrechtelijke sancties kunnen worden getroffen. Toepassing hiervan ligt meer in de rede, aangezien het vreemdelingenrecht een onderdeel is van het bestuursrecht. Bovendien moet het strafrecht worden beschouwd als ultimum remedium. Belangrijke bestuursrechtelijke sanctie om te noemen is de mogelijkheid om een reeds verleende verblijfsvergunning in te trekken. Om tot intrekking over te gaan moet evenwel aan de strenge voorwaarde worden voldaan dat er concreet bewijs is dat onjuiste gegevens zijn verstrekt in de procedure en dat die gegevens bovendien van doorslaggevend belang zijn geweest bij het toekennen van een vergunning.
De mogelijkheid om een «nieuwe» asielaanvraag te doen, is verankerd in Europese wet- en regelgeving. Hieraan ligt ten grondslag dat na afwijzing van een eerste asielaanvraag altijd sprake kan zijn van veranderde omstandigheden, zowel in het land van herkomst als in de situatie van de persoon zelf. Aangezien dit tot gevolg kan hebben dat terugkeer niet mogelijk is, dient het mogelijk te zijn om een nieuwe aanvraag in te dienen. Wel kan worden ingezet op een snelle afhandeling van dergelijke aanvragen. Snelle procedures kunnen immers de prikkel wegnemen om nieuwe kansloze aanvragen te doen. In een speciale «opvolgende aanvraagkamer» geeft de IND hier al uitvoering aan. Naast snelle procedures is een ontmoedigingsmaatregel op het terrein van rechtsbijstand ingevoerd. Daar geldt namelijk dat een lagere vergoeding wordt toegekend bij herhaalde asielaanvragen die worden afgewezen.
Overlastgevend of gewelddadig gedrag is volstrekt onacceptabel. Er bestaat al een breed pakket aan stevige maatregelen. Hierbij kan gedacht worden aan de persoonsgerichte aanpak van asielzoekers die de meeste overlast veroorzaken («Top-X-aanpak»), de maatwerkgerichte inzet van ketenmariniers en de financiering van lokale maatregelen om overlastgevende asielzoekers aan te pakken. Aanvullende maatregelen ter voorkoming en aanpak van overlast en criminaliteit zijn ook voorzien. Naast het opzetten van een PBL (zie onder 1) gaat het om nieuwe maatregelen om overlast op bestaande opvanglocaties tegen te gaan, inzet op vreemdelingenbewaring, toepassing van het middel van de ongewenstverklaring en aanpak van overlast in het openbaar vervoer.9 Veroordeling voor een (bijzonder) ernstig misdrijf kan onder bepaalde voorwaarden een grond zijn om geen verblijfsvergunning te verlenen.10
Ingevolge jurisprudentie van het EU-Hof van Justitie hebben Dublinclaimanten tot aan hun overdracht recht op opvang. Bij wijze van alternatief wordt ingezet op een snelle afhandeling van dergelijke aanvragen, gevolgd door overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat. Hiervoor is nodig dat de verantwoordelijke lidstaat de overdracht accepteert en dat de overdracht binnen de overdrachtstermijn plaatsvindt. Naast snelle procedures wordt ook gewerkt aan het opzetten van een PBL en het versoberen van de opvang(voorzieningen) op bestaande opvanglocaties (zie onder 1). Dit kan de komst en het verblijf in Nederland ontmoedigen en daardoor bijdragen aan een reductie van de benodigde opvangcapaciteit.
Het kabinet zet in op de realisatie van nieuwe aanmeldcentra, aanvullend op het reeds bestaande netwerk van gelijksoortige voorzieningen, zoals in Budel en Zevenaar. Uiteindelijke doel is de doorontwikkeling van de aanmeldcentra tot Gemeenschappelijke Vreemdelingen Locaties. Op 6 juli 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd dat de zoektocht naar nieuwe aanmeldcentra heeft geleid tot een mogelijkheid op een kavel in Bant, op loopafstand van het bestaande azc in Luttelgeest.11 Met de ontwikkeling van een locatie aldaar ontstaat perspectief om de locatie Ter Apel structureel te ontlasten en de afhankelijkheid van die ene locatie te reduceren. Realisatie vindt bij voorkeur plaats met medewerking van de gemeente Noordoostpolder. Bij belangwekkende ontwikkelingen zal ik uw Kamer uiteraard informeren.
Op basis van de reprimande-regeling kunnen winkeldieven bij het eerste vergrijp een waarschuwing krijgen in plaats van strafvervolging. Het Openbaar Ministerie is bevoegd om te beslissen of de reprimande-regeling wordt toegepast en dit doet dit in samenspraak met politie. Omdat voor deze regeling landelijk gemaakte afspraken gelden, is het niet mogelijk de regeling specifiek voor Ter Apel af te schaffen. Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om prioriteiten te bepalen in de door hen opgepakte zaken. Tegen deze achtergrond heb ik de wens van de gemeente Westerwolde hieromtrent onder de aandacht gebracht bij de politie en het Openbaar Ministerie.
Recent zijn de uitkomsten van de verkenning naar een juridisch instrumentarium bekend gemaakt. Het kabinet concludeert dat het voor de realisatie van voldoende opvangcapaciteit nodig is om een wettelijke taak bij gemeenten te beleggen om opvangvoorzieningen beschikbaar te stellen. Daarnaast is het van belang dat deze wettelijke taak voor gemeenten zo wordt vormgegeven dat het toezicht bij onverhoopte taakverwaarlozing effectief te realiseren is. Daarmee wordt materieel een aanwijzingsbevoegdheid gecreëerd. Een nadere uitwerking van bovenstaande uitkomsten is nodig, gevolgd door de voorbereiding van een wetsvoorstel. In de brief die ik op 8 juli 2022 met uw Kamer heb gedeeld, staat een uitgebreide toelichting bij het juridisch instrumentarium.12
Asielzoekers moeten zich in ieder geval een keer melden bij het aanmeldcentrum in Ter Apel, namelijk na aankomst in Nederland. Binnen de huidige kaders kunnen bepaalde processtappen namelijk alleen daar worden doorlopen, zoals identificatie en registratie en medische checks. Vervolgens gaan asielzoekers doorgaans naar een (crisis)(nood)opvanglocatie elders. Dat asielzoekers zich op verschillende momenten moeten melden in Ter Apel is dus eerder uitzondering dan regel, met de kanttekening dat het in de huidige situatie wel vaker voorkomt. Ook hier geldt dat maatregelen worden gezocht en getroffen om de locatie Ter Apel te ontlasten. Zo geldt sinds begin 2022 dat het niet voor alle nareizigers verplicht is om zich in Ter Apel te melden. In plaats daarvan kunnen zij terecht in Zevenaar. Momenteel wordt onderzocht of de doelgroep kan worden uitgebreid.13
Net als in 2020 en 2021 kunnen gemeenten ook in 2022 een aanvraag indienen voor een zogeheten specifieke uitkering voor maatregelen tegen overlast en criminaliteit door asielzoekers. Hiervoor heb ik in 2022 een budget van 1,25 miljoen euro beschikbaar gesteld. Dit is een verhoging ten opzichte van de ter beschikking gestelde budgetten in 2020 en 2021 (beide jaren 1 miljoen). De uitkering geeft gemeenten de mogelijkheid tot (gedeeltelijke) financiering van lokale (kleinschalige) maatregelen die het beste bij hun problematiek passen. In het concrete geval van de gemeente Westerwolde betekent dit dat de extra financiële middelen kunnen worden aangewend voor de inzet van extra BOA.14 Ook het COA financiert enkele BOA’s die lokaal worden ingehuurd en ingezet. Ik hecht eraan om te benoemen dat, ondanks alle maatregelen die worden getroffen, overlast en criminaliteit nooit helemaal voorkomen kunnen worden.
Wat onderneemt u verder om de nijpende situatie in Ter Apel te verhelpen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het Rode Kruis zich heeft teruggetrokken uit Ter Apel omdat vluchtelingen al 12 uur geen eten en drinken kregen? Hoe gaat u dit voorkomen in de toekomst?
Allereerst wil ik mijn dank betuigen aan het Rode Kruis voor het plaatsen van 50 tenten op het parkeerterrein bij Ter Apel. Ook op andere manieren helpen zij om de noden van asielzoekers te verlichten. Van het Rode Kruis begreep ik dat zij op 16 juni 2022 inderdaad hebben besloten om de tenten te verwijderen. De reden zou gelegen zijn in de constatering dat de organisatie geen goede ondersteunende hulp kon bieden. Ik snap dat het Rode Kruis zich grote zorgen maakt over de situatie in Ter Apel, met name op die bewuste dag. Om die reden heeft het kabinet op 17 juni 2022 besloten om de structuur voor nationale crisisbesluitvorming te activeren. Ik herhaal dat alle inzet binnen de crisisstructuur erop is gericht om de acute tekorten in de asielopvang op te lossen en daardoor de nijpende situatie in Ter Apel te verhelpen. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op vragen 2 en 4.
De grote belangstelling voor de regeling ‘impulsaanpak winkelgebieden’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fonds aanpak noodlijdende winkelgebieden fors overtekend: 16 miljoen meer dan beschikbaar is»?1
Ja.
Bent u van mening dat, met het oog op de snelle veranderingen in de winkelstraat, de urgentie hoog is om winkelgebieden klaar te maken voor de toekomst?
Ja.
Bent u voornemens om, conform de toezegging van de voormalig Staatssecretaris van Economische Zaken, met de Tweede Kamer te kijken hoe geld uit de impulsregeling naar voren kan worden gehaald als er ruim meer goede aanvragen zijn ingediend dan er budget beschikbaar is?2
Wanneer veel meer goede projectaanvragen zijn ingediend dan kunnen worden gehonoreerd met het beschikbare budget voor deze openstellingsronde, dan zal ik dat zeker overwegen. Dat is nu echter nog niet aan de orde.
Bent u bereid om het geld uit de impulsaanpak dat gereserveerd staat voor de vierde en laatste tranche (2024) naar voren te halen en te verdelen over de tweede (2022) en de derde tranche (2023)?
Daarvoor zie ik op dit moment geen aanleiding. Er zijn in de eerste openstellingsronde 16 projecten ingediend die gezamenlijk 38 miljoen euro subsidie vragen. Er is voor deze ronde 22 miljoen euro beschikbaar.
Momenteel wordt de businesscase van de projectaanvragen beoordeeld op validiteit. Wanneer de projectaanvragen in financieel-technische zin akkoord zijn, dan worden de aanvragen inhoudelijk beoordeeld door de Adviescommissie Impulsaanpak Winkelgebieden. De commissie stelt een ranking op, waarbij de beste projecten het hoogst zullen eindigen. Deze projecten komen het eerst in aanmerking voor subsidie, tot het beschikbare budget is uitgeput. In de maand augustus zullen de beschikkingen worden afgegeven. Dan wordt ook duidelijk welke projectaanvragen niet voor subsidie in aanmerking komen. Het valt te verwachten dat nog enkele projectaanvragen worden afgewezen. Gemeenten worden in de gelegenheid gesteld om hun aanvragen, zonodig na een verbeterslag, opnieuw in te dienen voor een volgende openstellingsronde.
Hoe gaat u de projecten die onder deze regeling uitgevoerd gaan worden, gebruiken om andere gemeenten en private partijen te inspireren ook te investeren in transformatie en revitalisering van winkelgebieden?
Nieuwe kennis en inzichten worden actief opgehaald en gedeeld om gemeenten en andere geïnteresseerde partijen te activeren. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een breed scala aan communicatiemiddelen als websites, nieuwsbrieven, informatiebijeenkomsten en publicaties. We laten betrokkenen aan het woord, zodat hun persoonlijke ervaring en motivatie gaat leven. Hierbij werken we nauw samen met allerlei partijen, waaronder de partijen achter de Retailagenda, die dicht bij de verschillende relevante doelgroepen staan. Voorbeelden zijn de brancheorganisaties in retail en vastgoed en organisaties van gemeenten als VNG en G40, maar ook bijvoorbeeld Platform 31 en De Nieuwe Winkelstraat.
Hoe wilt u, naast de uitvoering van de regeling «impulsaanpak winkelgebieden», die door het vorige kabinet in het leven is geroepen, invulling geven aan het door dit kabinet in het regeerakkoord geformuleerde ambitie om leegstand tegen te gaan en samenwerking tussen retail, cultuur en horeca te stimuleren?
Om leegstand verder tegen te gaan werkt mijn ministerie nauw samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de gemeenten, onder andere op het terrein van transformatie. Bijvoorbeeld bij de uitwerking van het Nationaal Transformatieplan en de Verkenning Binnensteden van de G6-gemeenten. Binnen de Retailagenda wordt samengewerkt met alle partijen die actief betrokken zijn bij de transitie van de retail en de vitale binnensteden. Daarbij wordt uitdrukkelijk ingezet op het nog beter aansluiten van cultuur en horeca.
De lange wachttijden bij de ggz |
|
Rens Raemakers (D66) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zware depressie? 17 maanden wachten op hulp»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat zorgverzekeraars in het verleden ieder jaar 300 miljoen euro overhielden en er dus sprake was van onderbesteding, terwijl dit geld ook gebruikt kon worden voor bijvoorbeeld zogenoemde wachttijdmonitors?
Het klopt het dat een aantal jaren (tot en met 2018) sprake is geweest van een forse onderuitputting van het macrokader voor de geneeskundige ggz, terwijl er tegelijkertijd sprake was van wachttijden. Ik vind dat een onwenselijke combinatie, maar het laat ook zien dat de wachttijden een taai probleem vormen – waar meerdere factoren aan ten grondslag liggen – en dat de aanpak van wachttijden niet alleen een geldkwestie is. Sindsdien zijn er dan ook diverse maatregelen in gang gezet om de wachttijden aan te pakken. Zorgverzekeraars pakken met het in het gang zetten van die maatregelen duidelijk hun rol. Op dit moment is onderuitputting van het macrokader niet langer aan de orde. Over de ggz financiën voor de komende jaren worden nieuwe afspraken gemaakt in het IZA.
Wat gaat u eraan doen om te voorkomen dat geestelijke gezondheidszorg (ggz)-instellingen moeten sluiten vanwege een personeelstekort, terwijl hier patiënten opgevangen worden met dusdanig hoogcomplexe problemen die nergens anders opgevangen kunnen worden?
Ik deel uw zorgen op dit punt, het mag inderdaad niet zo zijn dat patiënten met een specialistische, complexe en intensieve zorgbehoefte verstoken blijven van zorg als gevolg van personeelstekorten. In dit licht is het opvallend dat het aantal gezondheidszorg (GZ) psychologen de afgelopen vijf jaar met meer dan twintig procent is toegenomen. Dit zou juist voor meer behandelcapaciteit moeten zorgen. Een verklaring voor deze twee tegengestelde bewegingen is dat we vaak zien dat personeel er voor kiest om (al dan niet als ZZP’er) lichtere zorg aan te bieden in plaats van te werken binnen de instellingen die complexe specialistische en intensieve zorg bieden. Dat vind ik zorgwekkend. Ik ben daarom op dit moment met het veld in gesprek over de vraag wat ervoor nodig is om het werken binnen de instellingen zelf aantrekkelijker te maken. Ik zie daarbij een grote rol weggelegd voor de werkgevers zelf, maar we moeten ook nagaan of de prikkels in het systeem nu goed staan. Het is van belang om het zorgpersoneel en instellingen te stimuleren om zich te (blijven) ontfermen over complexe(re) patiënten. Ik wil daarom in het kader van het Integraal Zorg Akkoord (IZA) afspraken maken met zorgaanbieders, professionals en zorgverzekeraars op dit punt, om te zorgen dat ook patiënten met een complexe(re) zorgvraag op goede en passende zorg kunnen blijven rekenen.
Hoe kijkt u aan tegen het omvormen van grote ggz-instellingen tot kleine ggz-instellingen, om het voor personeel aantrekkelijker te maken hier te gaan werken?
Ook binnen grotere organisaties kan goed werkgever- en werknemerschap zorgen voor een aantrekkelijke werkomgeving. Wat de beste schaalgrootte is om de gestelde doelen – waaronder het aantrekkelijker maken van de werkomgeving – te bereiken is een afweging die ggz-instellingen zelf kunnen maken.
Bent u bereid om de wachtlijsten in de ggz voor zorgverzekeraars beter inzichtelijk te maken?
Het verbeteren van transparantie op het gebied van de wachtlijsten is vanaf het begin één van de belangrijkste speerpunten van de wachttijdenaanpak geweest. Er zijn sinds 2020 dan ook grote stappen in gezet. Zo zijn aanbieders door de aanpassing van de Transparantieregeling2 verplicht om de gemiddelde wachttijden door te geven aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en hebben we sinds begin 2021 ook inzicht in het aantal wachtenden. In vervolg op deze stappen maakt de NZa problemen in de toegang tot- en wachttijden in de ggz verder inzichtelijk, bijvoorbeeld door onderzoek te doen naar het aantal dubbel- en voorkeurswachtenden.3
Ook wil ik in het IZA afspraken maken over de structurele vragen die in de ggz moeten worden aangepakt, toegankelijkheid en wachttijden zijn daarbij voor mij belangrijke thema’s. Uw Kamer zal hierover op een later moment nader worden geïnformeerd.
Hoe gaat u, aangezien in het artikel staat beschreven dat een zorginstelling niet de verplichting heeft om aan te schuiven bij een regiotafel hoogcomplexe ggz (waar gesproken wordt over hoe cliënten met een hoogcomplexe zorgvraag het best geholpen kunnen worden), de deelname van zorginstellingen aan de regiotafels bevorderen, zodat samen naar oplossingen gezocht kan worden?
De deelname aan een bovenregionale casuïstiektafel hoogcomplexe ggz is inderdaad geen harde verplichting voor ggz-aanbieders, hoewel partijen zich er – via koepelpartijen de Nederlandse ggz en MeerGGZ – wel aan gecommitteerd hebben. Ik spreek partijen dan ook op hun verantwoordelijkheid aan wanneer dat nodig is.
Ook kunnen zorgverzekeraars deelname aan de bovenregionale casuïstiektafels onderdeel maken van de contractuele afspraken die zij met ggz-aanbieders maken.
Bent u al in gesprek gegaan met de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) over het probleem dat mensen niet bij instelling A behandeld kunnen worden omdat ze te complex zijn en vervolgens ook moeten wachten bij instelling B? Zo ja, welke oplossing is daar uit voortgekomen?
Zie mijn antwoord op vraag 5 ten aanzien van het verbeteren van transparantie op het gebied van wachttijden in de ggz. Daarnaast zal ik het genoemde punt meenemen in de gesprekken die nu lopen in het kader van het IZA, waarbij zoals vermeld de toegankelijkheid van de ggz en de wachttijden belangrijke aandachtspunten zijn. Overigens zal een afspraak hierover breder zijn dan de NVvP; het zijn de aanbieders en verzekeraars die ik primair aanspreek waar het over de wachttijden in de ggz gaat.
Wanneer kunnen we de tijdens het commissiedebat GGZ / Maatschappelijke opvang / Suïcidepreventie door u toegezegde brief over de handhavingsmogelijkheden met betrekking tot de zorgplicht van de zorgverzekeraars verwachten?
Deze brief is op 22 juni 2022 naar de Tweede Kamer verzonden4.
Heeft het tijdens het commissiedebat GGZ / Maatschappelijke opvang / Suïcidepreventie door u toegezegde gesprek met Zorgverzekeraars Nederland en de NZa, om duidelijkheid te verschaffen over het inkopen van de zorgbehoefte, al plaatsgevonden en wat kwam daaruit?
Naar aanleiding van het commissiedebat van 11 mei jl. heb ik de signalen van verschillende Kamerleden over het niet verhogen van omzetplafonds bij bepaalde (kleinere) zorgaanbieders die zorg leveren waarvoor wachttijden bestaan gedeeld met Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en NZa. Het contact over deze signalen met ZN en de NZa is nog gaande. Dit omdat ik het van belang vind dat deze specifieke signalen zorgvuldig en in een bredere context worden bekeken.
Het bericht ‘Prijsexplosie GHB vanwege oorlog in Oekraïne, verslaafden stoppen met de drug’ |
|
Songül Mutluer (PvdA), Mirjam Bikker (CU) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Prijsexplosie GHB vanwege oorlog in Oekraïne, verslaafden stoppen met de drug»?1
Ja.
Herkent u de kansen en risico’s die verslavingsdeskundigen zien als gevolg van de plotselinge prijsstijging, waardoor gebruikers plotseling moeten stoppen? Hoe beoordeelt u deze kansen en risico’s?
Er is geen eenduidige informatie of er sprake is van een prijsstijging van GHB. Indien sprake is van een prijsstijging is het mogelijk dat sommige verslaafde gebruikers kunnen overstappen naar andere meer betaalbare middelen (zoals alcohol, XTC/MDMA en amfetamine) die een gelijke werking hebben om hun onthoudingsklachten te onderdrukken. Dit laatste is uiteraard onwenselijk. Het zou beter zijn als gebruikers overgaan tot behandeling van hun verslaving.
Deelt u de opvatting dat het van belang is om laagdrempelige en toegankelijke hulpverlening te bieden en bekendheid te geven aan het aanbod om mensen te helpen op een verantwoorde wijze van hun verslaving af te komen? En dat deze situatie nog meer aanleiding geeft om de inzet hierop te versnellen?
Ik deel deze opvatting. Laagdrempelige toegang tot goede verslavingszorg is van groot belang en hierin is samen met partijen in het veld in geïnvesteerd. Het Trimbos instituut heeft in samenwerking met partners, een gemeentelijke casus-gerichte GHB-aanpak ontwikkeld. In deze aanpak gaat het over het centraal stellen van de cliënt en het verstevigen van de samenwerking tussen verslavingszorg, gemeente, politie en andere netwerkpartners. Een aantal gemeenten in Nederland voert deze aanpak momenteel uit met behulp van een ontwikkelde handreiking voor gemeenten die ondersteunt bij het opzetten van deze aanpak. Deze handreiking wordt regelmatig bijgewerkt. Daarnaast organiseert het Trimbos-instituut intervisiebijeenkomsten voor de gemeentelijke projectleiders die met de aanpak werken en is er eind 2021 een webinar georganiseerd voor het algemene publiek. Gemeenten die kampen met GHB-problematiek kunnen door het Trimbos-instituut een onderzoek laten uitvoeren naar de aard en omvang van de problematiek in de gemeente (een Scanner), wat kan leiden tot gerichte aanbevelingen voor de gemeente in de aanpak van GHB-problematiek.
Tevens heeft het Nijmegen Insitute for Scientist-Practitioners in Addiction (Nispa) in 2020 in samenwerking met instellingen voor verslavingszorg, het Bongers Instituut en het Trimbos-instituut een handreiking uitgebracht over hoe behandeling van de groep (zeer) problematische GHB-gebruikers vormgegeven moet worden. Deze handreiking bevat praktische informatie voor zowel professionals als voor ervaringsdeskundigen, patiënten en naasten. Tot slot wordt momenteel door Novadic-kentron in samenwerking met het Nijmegen Institute for Scientist-Practitioners in Addiction (NISPA-Radboud) gewerkt aan nieuwe innovatieve behandelingen die het effect van de bestaande behandeling en de toegang tot zorg voor personen met een GHB verslaving moet verbeteren.
Bent u bereid de voorlichting voor GHB-gebruikers en in het bijzonder mensen met een GHB-verslaving per direct op te schalen, bijvoorbeeld op sociale media, waarbij zij worden gewezen op hulpverlening en verslavingszorg? Zo ja, hoe geeft u dit vorm? Zo nee, welke stappen overweegt u om wel te zetten?
Het is zinvol om in te zetten op toeleiding naar zorg bij de groep GHB gebruikers. Door het vergroten van de bekendheid over het beschikbare aanbod om van de verslaving af te komen, zowel bij de zorgverlener als de gebruiker, kan dit worden bewerkstelligd. Sociale media kan hiervoor ingezet worden, waarbij gebruikers worden gewezen op hulpverlening en verslavingszorg. Het Trimbos-instituut, maar ook verslavingszorginstellingen, bepalen zelf hoe zij het meest effectief gebruik kunnen maken van sociale media voor de voorlichting over de beschikbare hulpverlening en zorg.
Gebruikers van GHB kunnen terecht op de websites https://www.drugsinfo.nl/ghb en https://www.drugsenuitgaan.nl/ghb. Op de website drugsenuitgaan.nl kunnen zij ook een gebruikerstest doen om te kijken of het gebruik riskant is. Naast het risico op «out gaan» wordt ook het risico op verslaving benadrukt. Mensen die de drugsinfolijnen bellen en bij wie problematisch gebruik wordt vermoed, worden doorverwezen naar de huisarts. Afhankelijk van de behoeften van de beller, wordt doorverwezen naar een andere instantie.
Bent u voorts bereid met spoed het gesprek te voeren met de aangewezen zorgpartners over de vraag hoe er voldoende hulpverlening en verslavingszorg beschikbaar kunnen zijn voor mensen die al dan niet noodgedwongen afkicken, zodat zij op een veilige en duurzame manier van hun verslaving af komen?
Ik blijf in gesprek met de betrokken zorgpartners om zo samen tot de beste oplossingen voor voldoende hulpverlening en verslavingszorg te komen. Er zijn reeds goede initiatieven bewerkstelligd zoals de ontwikkeling van een handreiking door het Nispa, onder andere in samenwerking met instellingen voor verslavingszorg, over hoe behandeling van de groep (zeer) problematische GHB gebruikers vormgegeven moet worden.
Op welke wijze houdt u er zicht op of gebruikers overstappen op andere gevaarlijke middelen, conform de vrees van Novadic-Kentron? Op welk moment verbindt u daar beleidsvoornemens aan?
Er zijn in Nederland diverse monitors actief op het gebied van middelengebruik, zoals het Drugs Informatie en Monitoring Systeem (DIMS). Het Trimbos-instituut monitort het gebruik van middelen met verschillende monitors en periodieke onderzoeken. Ook verslaving aan middelen kan weer beter in beeld gebracht worden met behulp van het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS). Het LADIS systeem is sinds 1 juli jl. weer in werking en draagt bij aan het verkrijgen van informatie in de ontwikkelingen binnen de verslavingszorg, zoals de verslavende middelen die verslaafden gebruiken en het aantal mensen dat zich heeft aangemeld voor verslavingszorg. Gelet op de vrees van Novadic-Kentron blijven we alert op signalen die aanleiding geven tot ingrijpen.
Hoe wordt voorkomen dat hier substitutie optreedt en criminelen een nieuwe «markt» aanboren?
De beste manier om substitutie te voorkomen is door de vraag weg te nemen. Het is daarom belangrijk mensen die verslaafd zijn aan middelen toe te leiden naar een behandeling, zodat zij ook geen behoefte ervaren om een substituut voor GHB te vinden. De inzet op drugspreventie2 ondersteunt ook de aanpak van drugscriminaliteit. Immers: hoe minder gebruikt wordt, hoe kleiner de vraag. Een vraag die een gevaarlijke en gewelddadige keten mede in stand houdt. De aanpak van de criminaliteit die met de productie en handel van drugs gepaard gaat en de ondermijnende effecten die deze criminaliteit op de samenleving heeft, vallen onder de coördinerende verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid. Het hele kabinet zet zich hiervoor in. Mijn inzet op drugspreventie is daarin een belangrijke schakel.
Naast het wegnemen van de vraag is het belangrijk om het aanbod en de bijbehorende georganiseerde drugscriminaliteit terug te dringen. De aanpak van georganiseerde criminaliteit is van groot belang voor dit kabinet en zal de komende periode topprioriteit zijn. In de Kamerbrief van 26 april jl. over de aanpak van georganiseerde criminaliteit op hoofdlijnen heeft de Minister van Justitie en Veiligheid het belang van een consistente en samenhangende repressieve en preventieve aanpak benadrukt.3 In deze brede aanpak gelden vier inhoudelijke prioriteiten: voorkomen, doorbreken van criminele netwerken en verdienmodellen, bestraffen en beschermen. Er zijn structurele middelen beschikbaar gesteld voor de aanpak van drugscriminaliteit.
Het artikel ‘Arbeidsmigranten profiteren van leefgeld voor Oekraïense vluchtelingen: ‘Mogelijk misbruik’’ |
|
Bente Becker (VVD), Zohair El Yassini (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Arbeidsmigranten profiteren van leefgeld voor Oekraïense vluchtelingen: «Mogelijk misbruik»»1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de leefgeldregeling bedoeld is om ontheemde Oekraïners te ondersteunen die als gevolg van de verschrikkelijke oorlog in hun thuisland hebben moeten vluchten? En deelt u de opvatting dat het onwenselijk is indien leefgeld terecht komt bij mensen die niet ontheemd zijn, omdat dit ten koste gaat van de steun aan de gevluchte Oekraïners die dit nu juist hard nodig hebben?
Ik deel de mening dat de voorzieningen in de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (ROOO), waaronder het leefgeld, bedoeld zijn om ontheemden uit Oekraïne te ondersteunen die als gevolg van de verschrikkelijke oorlog in hun thuisland hebben moeten vluchten. De regeling is bewust ruimer opgezet omdat arbeidsmigranten die terug zouden willen keren naar Oekraïne maar die mogelijkheid niet meer hebben ook ontheemd zijn. Daarom kunnen ook deze mensen gebruik maken van de regeling.
Hebt u cijfers over de hoeveelheid aanvragen voor leefgeld ingediend door Oekraïense arbeidsmigranten die al voor de Russische inval in Oekraïne in Nederland woonachtig waren? In hoeveel gevallen werden deze aanvragen goedgekeurd? In welke gemeenten zijn deze signalen bij u bekend?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aantal arbeidsmigranten die al in Nederland verbleven en onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) vallen. Ontheemden die inkomsten hebben uit arbeid en voor wie onderdak elders is voorzien kunnen materieel geen aanspraak maken op de voorzieningen.
Klopt het dat gemeenten op basis van de huidige regelgeving in een dergelijk geval een aanvraag voor leefgeld niet zomaar kunnen weigeren? Hoe beoordeelt u dit?
Wanneer iemand onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) valt, dan kan een gemeente de aanvraag niet weigeren. De burgemeesters kunnen op basis van art. 7 lid sub b en art. 13 ROOO de verstrekkingen intrekken indien blijkt dat de ontheemde inkomsten uit arbeid heeft of opvang (of onderdak) elders is voorzien. Ontheemden die inkomsten hebben uit arbeid en voor wie onderdak elders is voorzien kunnen materieel geen aanspraak maken op de voorzieningen.
Klopt het dat gemeenten op dit moment geen manier hebben om te verifiëren of een aanvrager voldoet aan alle voorwaarden2 die gesteld zijn voor het (blijven) ontvangen van leefgeld? Hoe beoordeelt u het verzoek van de gemeenten om hier wel zicht op te kunnen krijgen?
Op dit moment moet een ontheemde die gaat werken dit zelf aangeven bij de gemeente om het leefgeld te beëindigen. Momenteel wordt de Regeling opvang ontheemden Oekraïne geactualiseerd. Hierin wordt ook bezien of gemeenten inzage kunnen krijgen in de gegevens van het UWV om zo te weten of een ontheemde werkt. Zo hoeft een ontheemde niet meer zelf aan te geven dat hij/zij is gaan werken.
Hebt u cijfers over de hoeveelheid aanvragen voor leefgeld door Oekraïense burgers die na het doen van de aanvraag naar het buitenland vertrokken zijn? Op welke wijze wordt hierop gecontroleerd door gemeenten? Zijn zij naar uw inschatting voldoende in staat om te kunnen beoordelen of hiervan sprake is en om aanvragen voor leefgeld te weigeren indien dit het geval is?
Een ontheemde is verplicht zich uit te schrijven uit de BRP wanneer hij/zij vertrekt uit Nederland. Gemeenten registreren deze uitschrijvingen en zorgen er vervolgens voor dat het leefgeld gestopt wordt. Inmiddels hebben bijna 8.000 ontheemde Oekraïners, en 230 derdelanders zich uitgeschreven uit de BRP.
Hebt u zicht op de mate waarin Oekraïense arbeidsmigranten door werkgevers, uitzenders of huisvesters onder druk worden gezet om leefgeld aan te vragen? Zo nee, bent u bereid om dit te onderzoeken? Welke stappen gaat u ondernemen om deze malafide en zeer verwerpelijke praktijk aan te pakken dan wel te voorkomen?
Op dit moment heb ik geen zicht op de mate waarin Oekraïners die reeds in Nederland verbleven om arbeid te verrichten voor de inval van Rusland in Oekraïne door werkgevers, uitzenders of huisvesters onder druk worden gezet om leefgeld aan te vragen. Met u ben ik van mening dat dit een onwenselijke praktijk zou zijn. Zoals hierboven aangegeven moet een ontheemde die gaat werken of reeds werkt dit doorgeven aan de gemeente. Het recht op leefgeld vervalt op het moment dat iemand arbeid verricht. Ik zal bekijken hoe we dit kunnen onderzoeken en welke maatregelen we, indien dit nodig blijkt, kunnen nemen.
Welke andere stappen gaat u nemen om tegemoet te komen aan de verzoeken van gemeenten om meer zicht en controle te kunnen hebben op de juiste besteding van leefgeld, om te voorkomen dat Oekraïense ontheemden het slachtoffer worden van oneigenlijk gebruik van de leefgeldregeling? Bent u bereid om hierover met spoed het gesprek aan te gaan in het kabinet? Zo nee, waarom niet?
Er wordt gewerkt aan een aanpassing van de ROOO, waarbij onderzocht wordt of inzage in gegevens van het UWV kan worden gerealiseerd door een wettelijke verankering op te nemen in de wet SUWI. Met deze inzage kunnen gemeenten zien of ontheemden werken en gelijktijdig leefgeld ontvangen. Hiermee krijgen gemeenten meer zicht en controle op de juiste besteding van leefgeld.
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.
Een veel kleinere zwijnenpopulatie als gevolg van voedselschaarste |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Veel minder zwijnen»?1
Ja.
Is het waar dat er als gevolg van voedselschaarste en kleinere aanwas sprake is van een veel kleinere zwijnenpopulatie dan in eerdere jaren? Zo ja, hoe groot is het geschatte aantal dieren dat nu aanwezig is op de Veluwe volgens de voorjaarstellingen? Zo nee, waar blijkt dat uit?
De reproductie van wilde zwijnen is afhankelijk van het voedselaanbod. Wanneer er minder te eten is worden er inderdaad minder biggen geboren. Dit is een natuurlijk proces. Navraag bij de provincie Gelderland leert dat zij geen aanwijzingen heeft dat sprake zou zijn van een veel kleinere zwijnenpopulatie. De betreffende faunabeheereenheden zijn verantwoordelijk voor de tellingen. Voor de aantallen dieren verwijs ik u naar een recente publicatie2 van de Faunabeheereenheid Gelderland.
Deelt u de mening dat een landelijk jachtverbod in draag- en zoogtijd van wilde zwijnen een logisch signaal zou zijn in de richting van de provincies, gelet op het feit dat er in belangrijke mate predatie plaatsvindt door grote inheemse roofdieren zoals de wolf in relatie tot de kleinere populatie zwijnen van dit moment? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid een landelijk jachtverbod in te stellen per 1 juli wanneer het afschot van pasgeboren wilde zwijnenbiggen gepland staat?
Wilde zwijnen zijn niet opgenomen in artikel 3.20, tweede lid van de Wet natuurbescherming. Derhalve is er geen sprake van jacht op wilde zwijnen, maar van beheer. In de Wet natuurbescherming is het faunabeheer en zo ook het beheer van wilde zwijnen gedecentraliseerd naar de provincies. Gedeputeerde staten zijn in dezen bevoegd gezag en besluiten over de door de Faunabeheereenheid Gelderland vastgestelde faunabeheerplannen waarin het beheer beschreven staat. Het faunabeheerplan dient tevens ter onderbouwing van de aanvraag om ontheffing die vervolgens door gedeputeerde staten wordt afgegeven onder de daarin opgenomen voorwaarden. Het is niet aan mij om te treden in de afwegingen en besluiten die de provincie hierbij neemt.
Zoals eerder aangegeven in antwoord op uw vragen (kenmerk 2021D24569) kan in gebieden waar de wolf gevestigd is jacht, schadebestrijding en populatiebeheer plaatsvinden, overeenkomstig de voor die gebieden geldende goedgekeurde faunabeheerplannen en daaruit voortvloeiende ontheffingen.
Deelt u de mening van prof dr. Josef Reichholf dat jacht geen regulerende werking heeft? Zo nee waarom niet?2
Ik deel deze mening niet. Jacht is een van de regulerende activiteiten om populaties te beheren. Regulering is toegestaan als deze geschiedt met het oog op nauwkeurig omschreven doelstellingen die betrekking hebben op het natuurbeheer en op bepaalde maatschappelijke belangen, en als de staat van instandhouding van de betrokken diersoorten niet in het geding komt. Voor degenen die bij jacht zijn betrokken, voorziet de Wet natuurbescherming in regels over het deskundige gebruik van middelen en over het goed jachthouderschap.
Deelt u de mening dat het toenemend aantal wolven in Nederland noopt tot een herbezinning ten aanzien van het afschot van grote hoefdieren die tot het voedselpakket van de wolf behoren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Op dit moment zijn er geen aanwijzingen dat de aanwezigheid van de wolf en het beheer van grote hoefdieren tot conflicten leidt. Zoals ik al eerder aangeef in mijn beantwoording is het niet aan mij om te treden in de afwegingen en besluiten die de provincie neemt in het kader van schadebestrijding en populatiebeheer.
Kunt u aangeven hoe groot het aantal edelherten en wilde zwijnen is dat voor 2022 op de nominatie staat om afgeschoten te worden volgens de planning van de provincie Gelderland?
Mijn ministerie beschikt niet over deze gegevens. Deze aantallen worden bepaald door de betreffende faunabeheereenheden. De afschotvergunningen zijn geopenbaard en voor een ieder toegankelijk. Ik verwijs u hiervoor graag door naar Faunabeheer Gelderland4 en Kroondomein Het Loo.5
De moordpartij op honderden Amhaarse burgers in Ethiopië |
|
Don Ceder (CU) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de moordpartij op honderden Amharen die heeft plaatsgevonden in de Ethiopische provincie Wollega, waarschijnlijk begaan door het Oromo Liberation Front (OLF)?1 Veroordeelt u deze terreurdaad? Bent u bereid binnen de Europese Raad de andere lidstaten op te roepen om deze daad als EU te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met het verschrikkelijke nieuws dat zeker tweehonderd en mogelijk meer Ethiopiërs, voor het merendeel van de Amhaarse etniciteit, zijn omgekomen bij aanvallen in de Ethiopische regio Oromia op 18 juni jl. De Ethiopische regering heeft de Oromo Liberation Army (OLA), door de Ethiopische regering aangeduid als «OLF Shene», beschuldigd als verantwoordelijke voor deze gewelddaad. Ik ben tevens ermee bekend dat OLA verantwoordelijkheid voor deze daad afwijst.
Ik veroordeel deze gewelddaad ten zeerste, en sluit mij aan bij de oproep van de Ethiopische Mensenrechtencommissie (EHRC) aan de Ethiopische regering om al het mogelijke te doen om nieuwe aanvallen op burgers of uitbarstingen van geweld te voorkomen en om een duurzame oplossing te vinden voor de spanningen in deze regio. Deze gewelddadigheden zijn helaas onderdeel van een bredere cyclus van geweld in Oromia en in de aangrenzende regio’s Amhara, Benishangul-Gumuz, en Gambella.
De Hoge Vertegenwoordiger (HV) van de EU heeft een dringende oproep gedaan tot de-escalatie en bescherming van de burgerbevolking.
Klopt het dat het OLF samenwerkt met het Tigray People’s Liberation Front (TPLF), die nog steeds een gewapende strijd voert tegen de regering?2
OLF is een erkende politieke partij in Ethiopië. Voor zover bekend is geen sprake van samenwerking met TPLF. OLA, of OLF Shene, is een gewapende groepering die een formele alliantie heeft afgekondigd met de TPLF, die een gewapende strijd voert tegen de regering.
Wat is de bedoeling geweest van het EU-bezoek aan de leiders van de gewapende opstandelingen in Tigray?3 Is er bij deze ontmoeting druk op het TPLF uitgeoefend om de wapens neer te leggen, zoals de EU herhaaldelijk heeft gedaan bij de Ethiopische regering en waarvoor ook de hulprelatie tussen de EU-landen en Ethiopië bevroren is?
Het doel van het bezoek aan de Tigrese hoofdstad Mekelle door EU-Commissaris Lenarcic (crisisbeheer) en het hoofd van de EU Delegatie in Ethiopië, Kobia, was om de humanitaire situatie in de regio te observeren en de situatie te bespreken met de leiders van TPLF.
Beide partijen (de Ethiopische regering en TPLF) hebben zich inmiddels gecommitteerd aan onderhandelingen om de huidige oorlog tot een vreedzaam einde te brengen. Commissaris Lenarcic heeft TPLF opgeroepen zich in te spannen voor een duurzame en vreedzame oplossing van het gewapende conflict.
Bent u het ermee eens dat de druk die de VS, de EU en Nederland uitoefenen op de Ethiopische regering om vredesbesprekingen te houden, alleen tot vrede kan leiden als het TPLF en het OLF hun pogingen tot geweld staken?
Ik ben van mening dat de Ethiopische regering, TPLF en alle andere gewapende groepen, af moeten zien van geweld als onderdeel van besprekingen die moeten leiden tot een duurzaam vredesakkoord.
Op welke manier denkt u dat de EU en Nederland eraan kunnen bijdragen dat de huidige situatie in Ethiopië niet verder escaleert in etnisch geweld en gewapende opstanden?
Nederland heeft sinds de uitbraak van het conflict ingezet op zowel een onderhandelingsproces tussen de federale overheid en de TPLF, als een nationale dialoog. Het onderhandelingsproces moet leiden tot een permanent staakt-het-vuren in Noord-Ethiopië. Ook moet het proces een aantal heikele politieke kwesties behandelen die specifiek de situatie in het noorden aangaan, zoals de status van het betwiste westelijke deel van Tigray. Nederland en de EU hebben herhaaldelijk steun betuigd aan de pogingen van de Speciale Vertegenwoordiger van de Afrikaanse Unie, voormalig Nigeriaans president Obasanjo, om onderhandelingen tussen de regering en TPLF te starten.
De Ethiopische regering heeft tevens een nationale dialoog aangekondigd, maar prominente oppositiegroepen hebben zich uitgesproken tegen de huidige opzet van de dialoog, die zij als partijdig ervaren. Nederland en de EU kunnen een ondersteunende rol spelen bij een geloofwaardige en inclusieve dialoog. Het primaat dient echter bij Ethiopiërs zelf te liggen.
Daarnaast zet Nederland via ontwikkelingssamenwerking al jaren in op een multidimensionale benadering van de problematiek in Ethiopië. Hiermee draagt Nederland bij aan het creëren van werkgelegenheid voor jongeren, respect voor rechten van vrouwen en meisjes, de opbouw van de rechtsstaat, en programma’s op het gebied van voedselzekerheid en gezondheidszorg. Deze vormen van samenwerking versterken de weerbaarheid van kwetsbare groepen in de samenleving en verminderen de kans dat gebrek aan perspectief uitmondt in het gebruik van geweld.
Mbo-studenten die niet worden toegelaten in Utrechtse cafés, andere uitgaansgelegenheden en sportfaciliteiten |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u dat mbo-studenten meermaals zijn geweigerd bij Utrechtse horecagelegenheden, terwijl studenten van de hogeschool en de universiteit daar wel werden binnengelaten?1 Erkent u dat hier sprake is van discriminatoire gronden?
Het onnodig onderscheid maken in opleidingsniveau is ongewenst. Het mbo vormt samen met het hbo en wo een brede waaier aan opleidingsmogelijkheden, ieder met zijn eigen waarden en unieke kwaliteiten. Duidelijk moet zijn dat mbo’ers onmisbaar zijn voor onze samenleving. Het vakmanschap en de innovatiekracht van de mbo’ers verdient waardering. Ik zet me daarom nadrukkelijk in voor een gelijkwaardige behandeling van mbo-studenten ten opzichte van ho- en wo-studenten.
In antwoord op de vraag of er sprake is van discriminatoire gronden verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 5.
In hoeverre heeft u überhaupt zicht op de manieren waarop mbo-studenten in onze samenleving zoal worden uitgesloten, bijvoorbeeld ook bij studentenkortingen?
Ik zet me in voor een gelijkwaardige behandeling van álle studenten in Nederland, hierin zie ik nog vele mogelijkheden voor verbetering. Dat zit ook in bewustwording van taalgebruik, waarbij soms nog onnodig onderscheid wordt gemaakt tussen mbo-, ho- en wo-studenten.
De betrokkenheid van mbo-studenten in het studentenleven kan eveneens gelijkwaardiger. Ik ben daarom blij dat sinds dit jaar ook een groep mbo-studenten welkom is bij de algemene introductieweek in Utrecht. Ik hoop dat bestuurders van andere steden het goede voorbeeld van Utrecht overnemen.
Een gelijkwaardige behandeling van mbo-studenten is ook een prioriteit en onderdeel van de Werkagenda mbo waar ik de Kamer dit najaar over zal informeren. Het JOB MBO, de organisatie die mbo-studenten vertegenwoordigt, werkt mee in de totstandkoming van deze Werkagenda. Zo spreken we niet alleen over jongeren en studenten, maar vooral ook met hen en houden we dankzij de signalen die zij afgeven zicht op de gelijkwaardige behandeling van mbo-studenten.
Zijn er inmiddels gesprekken gevoerd met de café-eigenaar? Zo ja, wat hebben deze gesprekken opgeleverd?
Ik heb samen met wethouder Dennis de Vries op 5 juli een gesprek gevoerd met de café-eigenaar in kwestie. Waar studenten van het hbo en de universiteit beschikken over een fysieke studentenkaart, is dat voor een deel van de mbo-studenten niet het geval. Voorwaarde om de kroeg binnen te komen volgens de eigenaar is het laten zien van een fysieke studentenkaart.
Op dezelfde avond is er door mij samen met wethouder Dennis de Vries een positief en constructief gesprek gevoerd met studenten van de Utrechtse mbo-studentenraad SR030. Er zijn in Utrecht ook veel positieve ontwikkelingen rond de inclusiviteit van mbo-studenten, zoals deelname aan de introductieweek voor studenten, de mogelijkheid om te sporten bij de studentensportverenigingen en de eerste mbo-studentenvereniging in de stad.
Klopt het dat het wettelijk niet verboden is om mbo-studenten te weigeren?
Dat klopt inderdaad. Het staat een café-eigenaar vrij een doelgroepenbeleid te voeren waarbij het café op bepaalde momenten of structureel alleen toegankelijk is voor studenten die staan ingeschreven bij een hoger onderwijsinstelling. Personen die niet tot de doelgroep behoren kunnen dan de toegang worden geweigerd. Hoewel het wettelijk niet verboden is, hoop ik door in gesprek te gaan met de betrokken personen, wel een maatschappelijke norm te stellen en duidelijk te maken dat het weigeren van mbo-studenten op basis van hun opleidingsniveau onwenselijk is.
Zou discriminatie bij horecagelegenheden naar opleidingsniveau niet moeten vallen onder «of op welke grond ook» in artikel 1 van onze Grondwet? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Artikel 1 van de Grondwet verbiedt álle mogelijke vormen van discriminatie, ook discriminatie naar opleidingsniveau. Artikel 1 van de Grondwet ziet echter in de eerste plaats op verticale rechtsverhoudingen, dat wil zeggen op de relatie tussen overheid en burgers. De burger die meent door een andere burger te worden gediscrimineerd vanwege zijn opleidingsniveau, kan daarom niet rechtstreeks een beroep doen op artikel 1 van de Grondwet.
In horizontale rechtsverhoudingen, waarmee de relatie tussen burgers onderling wordt bedoeld, kunnen burgers wel een beroep doen op verschillende gelijke behandelingswetten die op een aantal belangrijke maatschappelijke terreinen tot stand zijn gekomen, zoals de arbeidsmarkt en het aanbieden van diensten. Een voorbeeld hiervan is de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: Awgb).
In deze gelijke behandelingswetten wordt het recht op gelijke behandeling afgewogen tegen andere grondrechten, zoals de vrijheid van vereniging en de godsdienstvrijheid. Die afweging is voor een aantal belangrijke persoonskenmerken zoals geslacht, ras en godsdienst gemaakt, maar niet ten aanzien van onderscheid naar opleidingsniveau. Dit betekent dat de burger die meent door een andere burger te worden gediscrimineerd vanwege zijn opleidingsniveau geen beroep kan doen op de gelijke behandelingswetten.
Dit neemt niet weg dat ik een gelijkwaardige behandeling van studenten op basis van hun opleidingsniveau een belangrijk onderwerp vind. Dat is de reden dat ik over deze situatie het gesprek ben aangegaan, in de hoop dat het een bredere maatschappelijke discussie op gang brengt over hoe wij opleidingen erkennen en waarderen.