Boetes voor huisartsen die niet-toegestane medicijnen tegen Corona voorschreven |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Boetes voor artsen die niet-toegestane medicijnen tegen Corona voorschreven»?1, 2
Ja.
Kunt u uitleggen waarom in de protocollen van de beroepsgroep expliciet staat opgenomen dat voor het gebruik van de off-label medicatie Ivermectine en/of Hydroxychloroquine bij COVID-19 geen plek is? Wat zijn hiervoor de medische overwegingen?
Het is niet aan mij om de protocollen van de medische beroepsgroepen te duiden – deze worden door en voor de beroepsgroep zelf opgesteld.
Kunt u verklaren waarom sommige andere experimentele behandelingen van COVID-19-infecties, zoals vaccineren met een nieuw vaccin waarover nog relatief weinig bekend was, wel geoorloofd zijn, maar het inzetten van Ivermectine en Hydroxychloroquine niet, terwijl over de antivirale werking en de potentiele bijwerkingen daarvan veel data beschikbaar is?
Ik wil allereerst duidelijk maken dat de coronavaccins die in Nederland worden ingezet geen experimentele behandelingen zijn, dat is een onjuiste bewering. Verder geldt in Nederland doorgaans dat geneesmiddelen worden ingezet voor de indicaties waarvoor zij op de markt zijn gebracht. Hier zijn enkele uitzonderingen op, bijvoorbeeld dat een arts een middel off-label (d.w.z. voor een andere indicatie) kan voorschrijven wanneer dit in de richtlijnen van de beroepsgroep is opgenomen. Het inzetten van ivermectine en hydroxychloroquine voor de behandeling van COVID-19 is niet opgenomen in de richtlijn van de beroepsgroep, dit wordt zelfs expliciet afgeraden, en is derhalve niet geoorloofd.
Deelt u de mening dat het in crisissituaties soms belangrijk is om beslissingen te nemen die buiten de gebaande paden en protocollen vallen? Zo ja, bent u dan niet van mening dat de betreffende artsen bij het voorschrijven van deze off-label medicatie gepoogd hebben te handelen in het belang van hun patiënten door aan preventie en vroegsignalering te doen, teneinde hen met veilige en non-invasieve behandelingen te behoeden voor een ernstig verlopende COVID-19-infectie? Zo ja, bent u dan niet van mening dat dat gegeven moet prevaleren boven het feit dat deze artsen off-label medicatie hebben voorgeschreven?
Ook bij crisissituaties moet het uitgangspunt zijn dat alleen werkzame en veilige geneesmiddelen worden toegepast. Dit geldt ook voor een preventieve behandeling. Het off-label voorschrijven van geneesmiddelen die niet aan deze voorwaarden voldoen, acht ik niet in het belang van de patiënt.
Weet u wat het effect is geweest van de behandelingen met off-label medicatie die de patiënten van deze artsen hebben gekregen? Hoeveel van deze mensen hebben alsnog een ernstig verlopende COVID-infectie doorgemaakt? Bij hoeveel van deze mensen namen hun klachten significant af na de behandeling met deze off-label medicatie? Als u hiervan niet op de hoogte bent, gaat u hiernaar dan nog onderzoek doen?
Deze cijfers heb ik niet en ik ben niet voornemens hier onderzoek naar te doen. Er zijn reeds veel data beschikbaar uit gecontroleerde klinische studies. De huidige consensus binnen de medische beroepsgroepen is dat zowel ivermectine als hydroxychoroquine niet werkzaam zijn tegen COVID-19.
Bent u ervan op de hoogte dat door de betreffende artsen duizenden hulpvragen zijn afgehandeld door middel van het inzetten van Ivermectine en Hydroxychloroquine en kunt u uitleggen waarom er door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en uw departement nooit gevraagd is naar de resultaten van deze behandelkeuzes van artsen? Vindt u niet dat het in het nationaal belang, in het belang van de volksgezondheid en in het belang van de toekomstige zogenaamde «pandemische paraatheid» is om de resultaten hiervan in kaart te brengen?
Ivermectine en Hydroxychloroquine zijn niet goedgekeurd voor de indicatie behandeling van een COVID-19 infectie. Er zijn geen data overlegd over de werkzaamheid en veiligheid van deze middelen voor bovengenoemde indicatie, waardoor geen beoordeling heeft plaatsgevonden. Uit de Geneesmiddelenwet volgt de hoofdregel dat een geneesmiddel slechts mag worden voorgeschreven voor de indicatie waarvoor het is geregistreerd. Alleen onder bepaalde voorwaarden is het mogelijk om hiervan af te wijken (het off-label voorschrijven). Zie ook het antwoord op vraag 5.
Bij mogelijk off-label gebruik baseert de inspectie zich op de wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen die door de beroepsverenigingen worden opgesteld op basis van een kritische beschouwing van (inter)nationale literatuur.
Bent u ervan op de hoogte dat de IGJ voor het kunnen uitschrijven van boetes gegevens heeft opgevraagd die raken aan de privacywetgeving, bijvoorbeeld middels het opvragen van uitgeschreven recepten voor off-label medicatie? Kunt u verklaren op welke gronden de privacywetgeving voor deze doeleinden geschonden mocht worden? Op welke manier vindt u deze werkwijze van de IGJ te rechtvaardigen?
Van strijdigheid met privacywetgeving is geen sprake. Op grond van onder andere artikel 100, zesde lid, van de Geneesmiddelenwet is de inspectie bevoegd tot het opvragen van een recept.
Waarom gaat de IGJ direct over tot het uitgeven van geldboetes en worden niet eerst andere middelen ingezet, zoals bijvoorbeeld het aanscherpen van toezicht? Is het direct overgaan tot het uitschrijven van boetes bovendien niet tegen de eigen richtlijn van de IGJ zelf, waarin staat dat alvorens wordt overgegaan tot bestuursrechtelijke maatregelen, eerst geopteerd moet worden voor advies-, stimulerings, en corrigerende maatregelen?
Van een verplichting voor IGJ tot het altijd eerst kiezen voor adviserende of stimulerende maatregelen is geen sprake. Op grond van artikel 101 van de Geneesmiddelenwet is een overtreding van artikel 68 bestuurlijk beboetbaar. De IGJ heeft in diverse gevallen geoordeeld dat het opleggen van een bestuurlijke boete een passende maatregel is in die zaken en heeft hiervoor de «Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid Welzijn en Sport» gevolgd. Daarin is opgenomen dat direct een bestuurlijke boete opgelegd wordt. IGJ handelt op basis van meldingen en signalen die zij daarover ontvangt. Bovendien heeft de IGJ op haar website meermaals aandacht gevraagd voor dit onderwerp, namelijk in de nieuwsberichten van 26 maart 2020, 8 april 2020, en 25 maart 2021. In die nieuwsberichten is ook gecommuniceerd dat dit off-label voorschrijven in strijd is met de wet en dat de inspectie zou ingrijpen als dit toch zou gebeuren.
Vindt u het uitschrijven van deze in sommige gevallen hoge geldboetes proportioneel voor deze kwestie, zeker gezien het feit dat er geen mensen schade hebben opgelopen van het gebruik van deze off-label medicatie en er bovendien goede resultaten mee geboekt zijn? Zo ja, waarom vindt u het opleggen van geldboetes geoorloofd?
De IGJ heeft zoals hierboven weergegeven in diverse gevallen geoordeeld dat het opleggen van een bestuurlijke boete een passende maatregel is en heeft hiervoor de «Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid Welzijn en Sport» gevolgd. Tegen de besluiten hiertoe kunnen rechtsmiddelen worden aangewend.
Is de IGJ in de keuze voor het direct overgaan tot het uitschrijven van geldboetes beïnvloed door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport? Zo ja, op welke manier en vindt u het gerechtvaardigd dat het ministerie zich actief mengt in de beleidskeuzes van de Inspectie?
De IGJ is als toezichthouder onafhankelijk in haar oordeel en maakt haar eigen afwegingen. De IGJ heeft in de betreffende gevallen op onafhankelijke wijze geoordeeld dat een boete een passende maatregel was en heeft deze boetes in mandaat opgelegd.
Waarom wordt het voorschrijven van andere off-label medicatie voor andere aandoeningen vaak wel degelijk gedoogd, maar wordt het protocol bij de behandeling van COVID-19 dusdanig strikt gehanteerd? Kunt u uitleggen waarin het verschil zit, zeker gezien het feit dat sommige andere medicatie die off-label wordt voorgeschreven soms hevige bijwerkingen kent en de off-label medicatie die voorgeschreven werd voor COVID-19 niet? Gaat u, met het oog op het gelijkheidsbeginsel, artsen die voor andere aandoeningen wel off-label medicatie voorschrijven voortaan ook beboeten? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn eerdere beantwoording van 14 juni 20223 reeds uiteen heb gezet, volgt uit de Geneesmiddelenwet de hoofdregel dat een geneesmiddel mag worden voorgeschreven voor de indicatie waarvoor het is geregistreerd. Deze indicatie(s) (welke klachten of ziektes) staan in het registratiedossier dat door het CBG of EMA is beoordeeld. Alleen onder bepaalde voorwaarden is het mogelijk om hiervan af te wijken (het off-label voorschrijven). IGJ ziet toe op de naleving van deze regels en handhaaft als de regels niet worden nageleefd. Sinds 29 december 2018 is de mogelijkheid een bestuurlijke boete op te leggen vanwege off-label gebruik van medicijnen indien dit niet onder de juiste voorwaarden plaatsvindt, opgenomen in de Geneesmiddelenwet.
Off-label voorschrijven mag als daarover binnen de beroepsgroep protocollen of standaarden zijn ontwikkeld. Er zijn geen protocollen of standaarden van de beroepsgroep die het gebruik van ivermectine en hydroxychloroquine toestaan. Sterker nog, in de standaarden en protocollen van de beroepsgroep staat expliciet dat voor het off-label gebruik van deze middelen bij Covid-19 geen plek is. Voor deze 16 artsen was het off-label voorschrijven daarom niet toegestaan.
Op de website van de IGJ informeert de inspectie voorschrijvers over het off-label voorschrijven van medicijnen.4
Gaat u het gebruik van off-label medicatie zoals Ivermectine en Hydroxychloroquine heroverwegen bij de (lange termijn) aanpak van COVID-19, aangezien verscheidene onderzoeken inmiddels laten zien dat deze middelen wel degelijk een positief resultaat lijken te kunnen hebben op het voorkomen van een ernstig verlopende COVID-19 infectie? Worden de protocollen omtrent deze medicatie aangepast? Zo ja, worden de geldboetes die nu zijn uitgeschreven terugbetaald aan de betreffende artsen?
Ik heb u, zowel in deze beantwoording, alsook in de beantwoording van eerdere Kamervragen, en in plenaire debatten en in commissiedebatten, meermaals toegelicht dat ik de behandelrichtlijnen niet vaststel en ik hier geen invloed op heb. Dit is ook juist, wetenschappelijke data moeten op inhoud worden beoordeeld door de betrokken medische experts.
Terhandstellingskosten |
|
Corinne Ellemeet (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de terhandstellingskosten de kosten van medicijnen, zeker als het gaat over medicijnen die maar in kleine hoeveelheden geleverd mogen worden, vele malen overstijgen?
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat de terhandstellingskosten de kosten van medicijnen kunnen overstijgen. Terhandstellingkosten staan los van de kosten van een geneesmiddel. De terhandstellingskosten zijn de vergoeding voor de door de apotheek geleverde zorg. Deze zorg bestaat onder andere uit het nagaan of een patiënt een medicijn veilig kan gebruiken, het controleren of de sterkte van het voorgeschreven medicijn juist is en het informeren van de patiënt over juist gebruik van het medicijn. Een apotheker overlegt regelmatig met de voorschrijvende arts of gaat op zoek naar alternatieven in het geval van een tekort. De tijd die een apotheker hier in steekt is ook verwerkt in de terhandstellingskosten. De apotheker speelt als medicatiespecialist een belangrijke rol in goed en veilig geneesmiddelengebruik.
Welke afspraken zijn er met apothekers en andere zorgverleners over de terhandstellingskosten?
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is verantwoordelijk voor de prestaties en prestatiebeschrijvingen in de farmaceutische zorg. Deze prestaties zijn vastgelegd in een beleidsregel van de NZa.1 In de apotheekzorg gelden vrije tarieven. Dit betekent dat de NZa geen landelijke tarieven vaststelt, maar dat zorgverzekeraars en zorgverleners (in dit geval apotheken) zelf tarieven afspreken die gemiddeld voldoende kostendekkend zijn om kwalitatief goede zorg te kunnen leveren.
Hoe kan het dat de hoogte van de terhandstellingskosten zo verschillend is? Is het mogelijk om hier concrete landelijke afspraken over te maken en bijvoorbeeld een maximumprijs af te spreken?
Voor ieder afzonderlijk geneesmiddel moet de apotheker zorgactiviteiten verrichten, zoals de eerder genoemde controles. Een apotheek mag daarom over het algemeen voor ieder receptgeneesmiddel dat ter hand wordt gesteld een terhandstellingsprestatie in rekening brengen bij de patiënt of diens zorgverzekeraar.
Dat betekent dat de totale terhandstellingskosten voor de patiënt of diens zorgverzekeraar hoger zijn wanneer meerdere geneesmiddelen ter hand worden gesteld.
Zoals bij vraag 2. beschreven kunnen er geen landelijke tarieven worden vastgesteld aangezien de tarieven zijn vrijgegeven.
Is het mogelijk terhandstellingskosten, zeker als deze kosten herhaaldelijk worden gemaakt bij dezelfde patient, uit te sluiten van het eigen risico? Zo nee, waarom niet?
Op verzekerde zorg is in beginsel het eigen risico gewoon van toepassing en dus ook op alle zorg zoals apothekers die plegen te bieden. Ik vind het niet wenselijk om de terhandstelling uit te zonderen van het eigen risico, ook niet als het gaat om herhaalde terhandstellingen bij dezelfde patiënt. Ik verwacht ook dat een uitzondering voor de (herhaalde) terhandstelling voor de meeste verzekerden geen financieel voordeel zou opleveren. Het eigen risico is namelijk ook van toepassing op de verstrekte geneesmiddelen zelf en op de meeste andere zorg waar de verzekerden gebruik van maken.
Bent u bereid om, met oog op de kwetsbare financiële positie van chronisch zieken, met zorgverzekeraars en apothekers afspraken te maken om de hoogte van herhaaldelijke terhandstellingskosten naar beneden te brengen?
In de apotheekzorg gelden vrije tarieven. Dit betekent dat de NZa geen landelijke tarieven vaststelt. Het is aan zorgverzekeraars en zorgverleners (in dit geval apotheken) zelf om passende tarieven af te spreken. Om rekening te houden met de kwetsbare financiële positie van chronisch zieken neemt het kabinet al enkele maatregelen die zien op eigen betalingen voor o.a. geneesmiddelen. Zo wordt het verplicht eigen risico bevroren op € 385,00 per jaar tot en met 2025. Die maatregel is met name voordelig voor patiënten die het verplicht eigen risico volledig betalen en een zodanig inkomen hebben dat zij zorgtoeslag ontvangen. De zorgtoeslag wordt in 2023 bovendien met € 412,00 verhoogd. Ook worden de eigen bijdragen voor extramurale geneesmiddelen in het jaar 2023 gemaximeerd op € 250,00 per jaar.
Het bericht ‘Marokkanen ‘ten einde raad’ door problemen en fraude bij visa’ |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Marokkanen «ten einde raad» door problemen en fraude bij visa»?1
Ja.
Hoe verklaart u dat de streeftermijn van 15 kalenderdagen herhaaldelijk niet wordt gehaald bij visumaanvragen?
De behandeltermijn visumaanvragen van 15 kalenderdagen wordt in het merendeel van de ingediende visumaanvragen niet overschreden. Na de versoepeling van COVID-reisbeperkingen is er een snel toegenomen vraag naar visa voor kort verblijf voor het Schengengebied. Hierdoor kunnen aanvragers te maken krijgen met langere wachttijden om een afspraak te maken voor het aanvragen van een visum. Het is een belangrijke prioriteit om in de aanvraagbehoefte te voorzien, en het ministerie werkt er aan de besliscapaciteit op te voeren naar het pre-Corona niveau. Hierbij staat het ministerie voor een aantal personele uitdagingen. Andere Schengenlanden hebben met vergelijkbare uitdagingen te maken.
Hoe verklaart u dat het in sommige gevallen Marokkanen zelfs al sinds april niet lukt om een afspraak te maken met Visa Facilitation Services (VFS) Global?
Zie ook het antwoord op vraag 2. Daarnaast speelt de opkoop van afsprakenslots door tussenpersonen een rol in de langere wachttijden die aanvragers kunnen ondervinden.
Bent u het eens dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassade ondanks de uitbesteding aan VFS Global eindverantwoordelijk blijven voor Nederlandse visumaanvragen?
Ja.
Wat gaat u eraan doen om aan deze verantwoordelijkheid te voldoen en ervoor te zorgen dat o.a. Marokkanen weer in staat zijn om familie op te zoeken?
Het verhogen van de capaciteit van de behandeling van de wereldwijd ingediende visumaanvragen is een belangrijke prioriteit. Om in de aanvraagbehoefte te voorzien is het ministerie bezig om de personele behandelcapaciteit op te voeren door de werving van nieuwe medewerkers en de doorontwikkeling van digitale systemen. De krapte op de arbeidsmarkt en de opleiding van nieuwe medewerkers zijn daarbij uitdagingen, waardoor dit helaas langer duurt dan gehoopt. Het streven is dat de Schengenvisumverlening eind dit jaar 80% bedraagt van de productie in het pre-Covid jaar 2019, waarmee visumaanvragers in staat worden gesteld hun visumaanvraag weer binnen de geldende termijn te kunnen indienen. Daarbij zal met voorrang gekeken worden naar de landen waar dit tot bijzondere knelpunten leidt.
Wat vindt u van het feit dat Marokkanen hierdoor belangrijke familieaangelegenheden zoals verjaardagen, bruiloften en begrafenissen moeten missen en hun familieleden al lange tijd niet kunnen zien?
Het ministerie betreurt het ongemak en de teleurstelling die dit kan veroorzaken. In het geval van begrafenissen of andere noodsituaties zet het ministerie zich op basis van humanitaire gronden in om de visumaanvraag met spoed te behandelen.
Wat vindt u van het feit dat visumaanvragen die meestal 40 euro kosten nu door fraudeurs worden doorverkocht voor 200 euro?
Wij keuren deze praktijk ten zeerste af. Op de VFS website worden mensen gewaarschuwd niet van deze diensten gebruik te maken.
Hoe verklaart u dat deze tussenpersonen wel aan een afspraak kunnen komen, hoewel het voor veel Marokkaanse mensen onmogelijk lijkt?
Een afsprakensysteem dient toegankelijk te zijn voor een ieder die een afspraak wil maken. Er zijn diverse manieren waardoor tussenpersonen aan een afspraak kunnen komen: bijvoorbeeld door het gebruik van speciale software en de inzet van menskracht om het afsprakensysteem continu te monitoren voor vrijkomende slots.
Wat gaat u eraan doen om de fraudeurs die alle beschikbare afspraken opkopen om deze vervolgens illegaal door te verkopen aan te pakken en de aanvragers voor fraude te behoeden nu blijkt dat huidige maatregelen niet helpen?
Er zijn technische maatregelen genomen om te voorkomen dat commerciële partijen afspraken reserveren om deze vervolgens door te verkopen. Voorbeelden van maatregelen zijn dat een afspraak direct op naam gemaakt moet worden en de naam achteraf niet meer aangepast kan worden in het systeem. Wordt een afspraak geannuleerd, dan wordt deze niet meer direct vrijgegeven, maar dit gebeurt op een willekeurig moment. Ook is het niet meer mogelijk om «blokreserveringen» te maken. Deze maatregelen hebben weliswaar enig effect gehad, maar hebben het probleem niet volledig opgelost. Momenteel worden nog andere technische maatregelen voorbereid om te proberen de omvang van deze problematiek verder terug te dringen.
Hoe staat het nu met de capaciteit bij het Ministerie van Buitenlandse zaken om over de visumaanvragen te beslissen?
De capaciteit wordt regelmatig verhoogd en we streven ernaar tegen het einde van dit jaar 80% van de pre-COVID-aantallen te kunnen verwerken. Hiermee worden visumaanvragers in staat gesteld hun visumaanvraag weer binnen de geldende termijn te kunnen indienen. Daarbij blijft afhankelijkheid van externe factoren, o.a. de arbeidsmarkt en opleiding, genoemd onder beantwoording van de vragen 2 en 5, gelden.
Wanneer is deze capaciteit weer op het niveau dat visumaanvragen binnen de 15 kalenderdagen behandeltermijn vallen?
Zie antwoord bij de vragen 5 en 10.
Het artikel ‘Tien jaar stilstand reden recordkrapte’ |
|
Bart Smals (VVD), Daan de Kort (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Tien jaar stilstand reden recordkrapte»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het zaak is om, zeker nu sprake is van een ongekende krapte op de arbeidsmarkt, er een unieke kans is om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt of oudere werknemers naar werk te begeleiden, maar dat hiervoor wel zaak is dat vaart wordt gemaakt met maatregelen die dit vereenvoudigen?
Iedereen die wil en kan werken of meer uren wil werken moet de mogelijkheid hebben dit te doen, zeker nu er sprake is van een krappe arbeidsmarkt. Het is onze overtuiging dat mensen met een arbeidsbeperking meer kunnen bijdragen aan onze samenleving, als we hen daartoe kansen bieden. Eventuele obstakels die werk in de weg staan moeten zoveel mogelijk worden weggenomen. Zie ook het hierop volgende antwoord.
Deelt u de opvatting van de voorzitter van het UWV dat het gezien de huidige krapte op de arbeidsmarkt zaak is voor werkgevers om minder «kieskeurig» te zijn bij het aannemen van werknemers? Zo ja, hebt u dit overgebracht in uw contacten met werkgevers? Mocht u dit niet hebben overgebracht, bent u bereid dit te doen?
Het is belangrijk dat meer werkgevers kansen bieden aan mensen die een steuntje in de rug nodig hebben om aan de slag te gaan. Hier is het kabinet in de brief van 24 juni 2022 over de aanpak van de arbeidsmarktkrapte op ingegaan. Er zijn verschillende initiatieven om werkgevers over de streep te trekken om meer banen te realiseren voor mensen met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Zo werken VNO-NCW en MKB-NL – via hun projectenorganisatie NL onderneemt Maatschappelijk! – samen aan een najaarsoffensief van bijeenkomsten en activiteiten voor werkgevers, waarin krapte en inclusie centraal staan. Hierin komen de routes uit het actieplan Dichterbij dan je Denkt, de activiteiten van regionale mobiliteitsteams voor ondersteuning van kandidaten die dat nodig hebben en de inzet voor de banenafspraak samen. Naast bijeenkomsten worden vragen van werkgevers opgepakt in samenwerking met bijvoorbeeld de werkgeverservicepunten en vindt een bel-actie plaats naar grotere werkgevers over genoemde thema’s. Daarnaast is november de maand van de 1.000 voorbeelden om werkgevers te inspireren, stimuleren en faciliteren om specifiek mensen die tot de doelgroep banenafspraak behoren, aan te nemen. Uitgangspunt hierbij is «goed voorbeeld doet goed volgen», vandaar dat voorbeelden van inclusieve werkgevers worden uitgelicht.
Ziet u in een bredere toepassing van de no-riskpolis ook een oplossing voor het wegnemen van de risico’s voor werkgevers die hen nu nog weerhouden om een bredere blik te hanteren bij het aannemen van werknemers? Zo ja, bent u bereid om hiertoe stappen te zetten?
De voormalig Minister van SZW Wouter Koolmees informeerde uw Kamer op 2 juli 2021 over diverse onderzoeken naar de no-riskpolis. Uit de onderzoeken kwam naar voren dat de no-riskpolis voor bepaalde groepen en onder specifieke omstandigheden kan helpen op de weg naar werk(behoud). De no-riskpolis hoeft echter niet per se doorslaggevend te zijn in de afweging van werkgevers om iemand in dienst te nemen.
De no-riskpolis is daarmee niet vanzelfsprekend een oplossing voor de beperkte arbeidsparticipatie van bepaalde groepen. Om de krapte op te lossen kunnen meerdere factoren van belang zijn. Om te kunnen bepalen of een bepaalde groep gebaat zou zijn bij de no-riskpolis, dienen we te begrijpen waarom de arbeidsparticipatie van deze groepen achterblijft en welke drempels ze precies ervaren op weg naar het vinden of behouden van werk.
We hebben oog voor een juiste afbakening van de doelgroep van de no-riskpolis. Zo verkennen we op dit moment de mogelijkheden voor een (pilot met een) no-riskpolis voor langdurig bijstandsgerechtigden. Zoals de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen in haar brief van 28 november jl.2 en tijdens het debat over de begroting SZW aangaf, kan een pilot meer inzicht bieden in de vraag of een no-riskpolis voor deze doelgroep werkt. Bij de begroting is het amendement van het lid De Kort3 aangenomen, dat voorziet in financiële middelen voor het samen met UWV en gemeenten uitwerken van een concreet voorstel voor een pilot. Ook loopt er momenteel een onderzoek naar de afbakening van de doelgroep voor de banenafspraak (wie onder de banenafspraak valt, heeft recht op een no-riskpolis). Het streven is om dit onderzoek begin 2023 af te ronden. Op basis van de uitkomsten en de financiële consequenties wordt een besluit genomen over het breder toegankelijk maken van de instrumenten voor de doelgroep banenafspraak (waaronder de no-riskpolis) en het al dan niet verbreden van de doelgroep banenafspraak en het verhogen van de ambitie. Dit uiteraard ook na overleg met de partijen in De Werkkamer en UWV.
Zijn werkgevers naar uw inschatting voldoende op de hoogte van de mogelijkheid van de no-riskpolis en andere tegemoetkomingen bij het aannemen van mensen met een arbeidsbeperking of werknemers boven de pensioengerechtigde leeftijd, zoals loonkostensubsidie? Hoe beoordeelt u bijvoorbeeld het feit dat slechts 17% van de werkgevers gebruik maakt van werkgeversservicepunten? Bent u bereid om meer in te zetten op voldoende voorlichting richting werkgevers over deze mogelijkheden?
Er is de afgelopen jaren, sinds de banenafspraak, veel aandacht geweest voor het belang van het aannemen van mensen met een arbeidsbeperking en ook voor de mogelijkheden die er ten aanzien van ondersteuning bestaan voor werkgevers. Er is voor werknemers boven de AOW-leeftijd een verlicht arbeidsrechtelijk regime waardoor het voor werkgevers aantrekkelijker wordt om AOW’ers in dienst te houden of aan te nemen. In de kamerbrief Seniorenkansenvisie4 van 24 november jl. bent u geïnformeerd over de publiekscommunicatie doorwerken na AOW-leeftijd die de komende tijd wordt vormgegeven en ingezet. Deze publiekscommunicatie heeft als doel om werkgevers beter bekend te maken met de mogelijkheden die de wet Werken na de AOW-gerechtigde leeftijd biedt.
Specifiek ten aanzien van de werkgeversservicepunten geldt dat we het belangrijk vinden om de bekendheid te vergroten. Met de campagne werkgevers anno nu in 2020 is ingezet op het beter op de kaart zetten van de werkgeversservicepunten (waaronder de website werkgeversannonu.nl). Met ingang van 1 januari 2021 is het besluit SUWI aangepast, waarin eenduidige naamgeving van de werkgeversservicepunten wordt geregeld om de herkenbaarheid en vindbaarheid te vergroten.
Op welke termijn worden welke stappen gezet om de arbeidsmarktinfrastructuur te vereenvoudigen, bijvoorbeeld met behulp van de voorgenomen «Werkcentra», zodat werkgevers op één plek terecht kunnen met hun arbeidsmarktgerelateerde vragen? Deelt u de opvatting dat het zaak is om de inzet hierop te versnellen?
In de kamerbrief van 11 oktober jl., waarin u bent geïnformeerd over de uitgangspunten voor de uitbreiding van de arbeidsmarktinfrastructuur staat dat er geen tijd te verliezen is, gezien de huidige krapte en de grote maatschappelijke opgaven waar we voor staan. De ambitie van het kabinet is om in iedere arbeidsmarktregio (in totaal 35) minimaal één (ook digitaal) loket in te richten met overal dezelfde naam (bijvoorbeeld «Werkcentrum») dat toegang biedt tot integrale arbeidsmarktdienstverlening. Bij dit regionaal loket kunnen werkenden, werkzoekenden en werkgevers met al hun arbeidsmarkt gerelateerde vragen terecht. De komende periode werken we de uitgangspunten samen met de betrokken partijen verder uit. Zoals is aangeven in de kamerbrief, is de planning om uw Kamer voor de zomer van 2023 te informeren over de nadere uitwerking.
Welke andere mogelijkheden ziet u om werkgevers te ontzorgen bij het aannemen van mensen met een arbeidsbeperking, oudere werknemers of andere werknemers waarvoor werkgevers nu nog teveel risico’s zien?
Voor het ontzorgen van werkgevers bij het aannemen van mensen met een arbeidsbeperking zijn diverse instrumenten beschikbaar. Zo komt de no-riskpolis werkgevers tegemoet in de loonkosten als iemand uit o.a. de doelgroep banenafspraak ziek uitvalt. Met loonkostensubsidie en loondispensatie komen gemeenten en UWV werkgevers tegemoet in de loonkosten als zij mensen in dienst nemen die niet zelfstandig het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Met het loonkostenvoordeel is daarnaast een financiële tegemoetkoming beschikbaar voor werkgevers die mensen uit onder meer de doelgroep banenafspraak en oudere uitkeringsgerechtigde werknemers vanaf 56 jaar in dienst nemen. Met de inzet van een jobcoach maken UWV en gemeenten persoonlijke begeleiding voor mensen uit de doelgroep banenafspraak op de werkvloer mogelijk.
Als het gaat over mensen met een arbeidsbeperking en oudere werkzoekenden dan is het van belang dat deze groep nog beter de weg naar de arbeidsmarkt weet te vinden en dat obstakels die werk in de weg staan worden weggenomen. Juist in deze tijden van krapte op de arbeidsmarkt zijn er kansen voor mensen die nog aan de kant staan.
We werken daarom toe naar een verbetering van de banenafspraak. Over de stappen op dit punt is de Kamer geïnformeerd in de brief van 7 juli jl. We blijven in gesprek met betrokkenen over hoe we gezamenlijk meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk kunnen helpen en houden. Naast de banenafspraak is ook het wetsvoorstel Breed Offensief belangrijk voor de baankansen van mensen met een arbeidsbeperking. Het wetsvoorstel bevat maatregelen om de kans op werk voor deze mensen te vergroten. Op 5 juli jl. is door uw Kamer met grote meerderheid ingestemd met het wetsvoorstel. De Eerste Kamer heeft op 29 november jl het wetsvoorstel als hamerstuk aangenomen.
Als het om senioren gaat, heeft uw Kamer onlangs de Seniorenkansenvisie (SKV) ontvangen. Naast het ontzorgen van werkgevers, zijn wij van mening dat we anders naar deze groep moeten kijken. We zijn er sterk van overtuigd dat senioren meer kunnen bijdragen aan onze maatschappij, mits zij daar de kans toe krijgen. Op zoek naar effectieve nieuwe interventies bij werkgevers, zetten we in op een praktijkverkenning. De vraag hoe het loonkostenvoordeel ouderen kan worden ingezet om werkzoekende senioren aantrekkelijker te maken in de beeldvorming bij werkgevers, nemen we daarin mee. In het verlengde daarvan wordt onderzocht of het wenselijk en mogelijk is om de arbeidskosten van 55-plussers te verlagen, conform de motie van de leden Van Haga/Léon de Jong.
Tot slot, is onze ambitie om bij de uitbreiding van de arbeidsmarktinfrastructuur in iedere arbeidsmarktregio minimaal 1 loket in te richten dat toegang biedt tot integrale arbeidsmarktdienstverlening van een publiek privaat samenwerkingsverband. De huidige Werkgeversservicepunten, Leerwerkloketten en het regionaal mobiliteitscentrum worden onderdeel van dit samenwerkingsverband. Voor werkgevers wordt het dan makkelijker om gebruik te maken van dienstverlening omdat zij bij 1 loket terecht kunnen met al hun vragen over het aannemen van o.a. mensen met een arbeidsbeperking of oudere werknemers en de regelingen die daarvoor beschikbaar zijn.
Deelt u de analyse dat de starre wetgeving rondom arbeidsverhoudingen een belemmering vormen voor werkgevers bij het aannemen van werknemers met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt? Zo ja, hoe vertaalt deze analyse zich in uw implementatie van de door de Commissie Borstlap aanbevolen arbeidsmarkthervormingen rondom «vast minder vast»?
In de huidige krappe arbeidsmarkt is het over het algemeen gemakkelijker voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt om aan de slag te gaan. Op dat gebied zien we ook positieve ontwikkelingen: er is een afname van het aantal langdurige werklozen, het aantal mensen in de bijstand en het aantal mensen dat beschikbaar is voor de arbeidsmarkt maar niet recent heeft gezocht naar werk. Arbeidswetgeving en andere wetgeving op sociaal terrein zijn bedoeld om mensen de zekerheid te bieden van een bestaansminimum, bij voorkeur binnen een arbeidsrelatie en als het nodig is daarbuiten. Deze regelgeving maakt dat het voor werkgevers in sommige gevallen duurder is om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan te nemen. Daarom zijn er maatregelen om het voor werkgevers zo aantrekkelijk en gemakkelijk mogelijk te maken dit toch te doen. Zie hiervoor onder meer de genoemde maatregelen in de antwoorden op vraag 5 en 7.
Het kabinet beoogt de totstandkoming van duurzame arbeidsovereenkomsten te bevorderen, met maatregelen die zowel de zekerheid van mensen in een flexibel contract moeten laten toenemen, als de wendbaarheid van ondernemingen moeten vergroten. Uw Kamer heeft hierover in juli een brief ontvangen met de hoofdlijnen van het beleid op deze onderwerpen. Begin 2023 ontvangt u een brief over de voortgang van de uitwerking daarvan.
Ziet u nog mogelijkheden tot deregulering die kunnen bijdragen aan het bieden van meer kansen voor mensen met een arbeidsbeperking en oudere werknemers of andere werknemers waarvoor werkgevers nu nog teveel risico’s zien?
In het antwoord op vraag 7 zijn wij ingegaan op maatregelen om het aantrekkelijker en eenvoudiger te maken voor werkgevers om onder meer mensen met een arbeidsbeperking of ouderen aan te nemen. Specifiek voor wat betreft werknemers boven de pensioengerechtigde leeftijd voegen we hierbij nog toe dat uit het SEO-onderzoek «Evaluatie Wet werken na de AOW» blijkt dat een groot deel van de werkgevers niet bekend is met het verlichte arbeidsrechtelijke regime dat sinds de invoering van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd geldt voor werknemers die de AOW-leeftijd hebben bereikt5. Zo heeft een werkgever een kortere loondoorbetalingsverplichting bij ziekte en is de werkgever bij ontslag geen transitievergoeding verschuldigd. Om werkgevers te wijzen op het verlichte arbeidsrechtelijke regime en de mogelijkheden die de wet Werken na de AOW-gerechtigde leeftijd biedt, zal zoals aangegeven in de Seniorenkansenvisie6 de komende tijd een publiekscommunicatie doorwerken na AOW-leeftijd worden vormgegeven en ingezet.
Kunt u voorbeelden geven van cao’s die het aannemen of in dienst nemen van ouderen of mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in de weg zitten, bijvoorbeeld omdat het in dienst blijven na de pensioengerechtigde leeftijd niet mogelijk is? Bent u bereid hiervan een inventarisatie te doen en de Kamer hierover te informeren?
In cao’s kunnen afspraken worden gemaakt over beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd (pensioenontslagbeding, waarbij de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd) en over doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd (of er doorgewerkt mag worden, onder welke contractvorm, maximale leeftijd tot wanneer er mag worden doorgewerkt). Deze afspraken worden jaarlijks onderzocht door SZW (hoofdstuk «Oudere werknemers» in de cao-rapportage). Uit de rapportage blijkt dat voor 59% van de werknemers die onder een cao in het onderzoek vallen, de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op het moment dat de werknemer de AOW-gerechtigde (of de overeengekomen pensioengerechtigde) leeftijd bereikt; voor nog eens 31% van de werknemers is opgenomen dat een pensioenontslagbeding van kracht is tenzij werkgever en werknemer anders overeenkomen. Voor 72% van de werknemers met een cao is een bepaling opgenomen over de mogelijkheid om door te werken na de AOW-gerechtigde leeftijd. Hieruit volgt dat een cao met een pensioenontslagbeding, daarnaast ook een afspraak kan bevatten over de mogelijkheid tot doorwerken. Een pensioenontslagbeding hoeft dus niet per se belemmerend te werken voor het in dienst nemen of behouden van oudere werknemers. Bovendien kunnen werkgevers in de praktijk afwijken van de afspraken, door op individuele basis doorwerken toe te staan. We beschikken niet over informatie waaruit blijkt hoe vaak hiervan sprake is.
Hoeveel cao’s een afspraak bevatten over een pensioenontslagbeding in combinatie met een afspraak over doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd (of in hoeveel cao’s een pensioenontslagbeding juist niet samengaat met een afspraak over doorwerken), is op dit moment niet bekend, omdat deze aspecten tot op heden los van elkaar zijn geanalyseerd en niet in samenhang. Op dit moment loopt de dataverzameling voor de volgende cao-rapportage die medio 2023 naar de Kamer wordt gestuurd. De onderzoekers hebben toegezegd in deze rapportage de hierboven genoemde aspecten in samenhang tot elkaar te bezien.
Wat is de stand van zaken rondom het doorbetalen van loon door mkb’ers in geval van ziekte? Kunt u aangeven wat de stand van zaken rondom gesprekken die hierover met sociale partners gevoerd worden?
In het coalitieakkoord is afgesproken om loondoorbetaling bij ziekte te verbeteren door de re-integratie in het tweede ziektejaar in principe te richten op terugkeer naar werk bij een andere werkgever (het tweede spoor). Dit is in lijn met het SER MLT-advies. Begin 2023 wordt uw Kamer hierover nader geïnformeerd.
Kunt u een internationale vergelijking geven van de regels van loondoorbetaling bij ziekte? Bent u bereid om nader te onderzoeken wat de impact van de Nederlandse regelgeving op dit punt is op de bereidheid van werkgevers om werknemers met meer afstand tot de arbeidsmarkt of oudere werknemers aan te nemen?
Het stelsel van loondoorbetaling bij ziekte zoals we dat in Nederland hebben, kan internationaal gezien als ruim worden bestempeld7. Het stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid zou in zijn geheel bezien moeten worden om een juiste vergelijking tussen landen te maken.
Tijdens het Kamerdebat over de krapte op de arbeidsmarkt van 29 september jl. is een motie van Azarkan en Gündoğan aangenomen die de regering verzoekt te onderzoeken of een loondoorbetalingstermijn van twee jaar bij ziekte een belemmering vormt tot het deelnemen aan de arbeidsmarkt. In reactie op de motie gaf de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tijdens het debat aan dit te willen beleggen bij de Onafhankelijke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel. Deze commissie is gevraagd te komen met oplossingsrichtingen vanuit een meervoudige probleemanalyse omtrent de belangrijkste knelpunten in het huidige stelsel van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Het verzoek daarbij is om de probleemanalyse in context te zetten met een internationale vergelijking van stelsels. De periode van loondoorbetaling bij ziekte is onderdeel van dit vraagstuk.
De uitspraak van de Rechtbank Amsterdam tussen de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB) |
|
Ulysse Ellian (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam inzake het geschil tussen de AP en de KNLTB van 22 september 2022?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van de Raad van State inzake het geschil tussen de AP en VoetbalTV van 22 juli 2022?2 Wat is uw reactie op deze uitspraak?
Met de uitspraak ben ik bekend. De Raad van State heeft geoordeeld dat de AP ten onrechte niet de andere belangen die VoetbalTV heeft aangevoerd bij haar beoordeling heeft betrokken. VoetbalTV stelde namelijk dat het niet uitsluitend een commercieel belang had bij het maken van beelden van voetbalwedstrijden. De vraag of een louter commercieel belang op zichzelf kan dienen als grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens, is nog niet beantwoord. Over ditzelfde vraagstuk heeft de rechtbank Amsterdam in de zaak tussen de AP en de Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond (KNLTB) op 22 september een tussenuitspraak3 gedaan, waarin zij heeft besloten prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) te stellen. Een van de vragen is of een zuiver commercieel belang kan gelden als gerechtvaardigd belang. De rechtsontwikkeling op dit punt is dus nog gaande. Het past mij om de uitkomsten daarvan af te wachten.
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere Kamervragen over het bericht VoetbalTV daagt privacywaakhond AP voor de rechter om uitblijven besluit van 10 september 2020?3
Ik ben bekend met deze antwoorden.
Bent u bekend met het artikel van NRC van 3 juli 2022 «Brussel vindt Nederlandse privacywaakhond te strikt»?4 Wat is uw reactie op dit artikel?
Dit artikel is mij bekend. In het Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB) zijn de Europese gegevensbeschermingsautoriteiten verenigd en worden richtsnoeren opgesteld om de uitleg van de AVG te harmoniseren en om handhaving gelijker in te richten. Laatstelijk in 2014 is door de voorganger van de EDPB, de «Artikel 29-werkgroep», een advies uitgebracht over de uitleg van het begrip «gerechtvaardigd belang».6 Over de uitleg van dit begrip heeft de Rechtbank Amsterdam prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU. Deze procedure duurt gemiddeld twee jaar. De beantwoording door het HvJEU zal vervolgens van toepassing zijn in alle Europese lidstaten. De Rechtbank stelt deze vraag om meer duidelijkheid te krijgen, omdat uiteindelijk de interpretatie van Unierechtelijke begrippen aan het HvJEU is. Ik vind het een goede zaak wanneer daardoor rechtseenheid ontstaat over de uitleg van deze norm.
Is de brief van de Europese Commissie in het artikel van NRC gedeeld met het kabinet? Zo ja, wat was destijds de reactie van het kabinet op deze brief, zo nee, waarom niet en vindt u niet dat dit soort zienswijzen onder de aandacht zouden moeten worden gebracht van de Minister voor Rechtsbescherming?
De brief is destijds niet gedeeld met het kabinet. Uiteraard volg ik de ontwikkelingen in het gegevensbeschermingsrecht met belangstelling. Dat laat onverlet dat de Europese Commissie in beslotenheid met een toezichthouder als de AP moet kunnen corresponderen zonder daarbij de regering van de desbetreffende lidstaat te betrekken.
Is de brief van de Europese Commissie door de AP ingebracht in de juridische procedures tegen VoetbalTV en de KNLTB? Zo nee, wat vindt u daarvan?
De stukken die worden gewisseld binnen de beslotenheid van een (in dit geval nog lopende) gerechtelijke procedure zijn tussen de partijen en de rechter. Tijdens een gerechtelijke procedure geldt altijd een vorm van beslotenheid over de stukken die tussen de verschillende partijen en de rechter worden gedeeld. Dat is ook in deze zaak het geval.
Als de brief van de Europese Commissie niet in betreffende juridische procedures is gedeeld, bent u in dat geval bereid te laten onderzoeken of de AP in deze procedures onrechtmatig heeft gehandeld?
Voor een dergelijk onderzoek zie ik geen aanleiding. Het is niet aan het kabinet om zich te mengen in gerechtelijke procedures waarin het zelf geen partij is.
Is het achterhouden van relevante informatie zoals de zienswijze van de Europese Commissie in een juridisch geschil wat u betreft wenselijk in onze democratische rechtsstaat?
De beoordeling welke stukken voor de beslechting van een geschil noodzakelijk zijn, is aan de rechter, niet aan het kabinet.
Deelt u het oordeel van de Europese Commissie uit maart 2020 dat de lijn van de AP veel te strikt is? Acht u de motivering van de Europese Commissie om de AP hierop te wijzen steekhoudend?5 Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2. De rechtsvraag of een zuiver commercieel belang een gerechtvaardigd belang in de zin van artikel 6, eerste lid onder f, van de AVG kan zijn (en het verwerken van persoonsgegevens met het oog daarop rechtmatig kan zijn), is in het kader van prejudiciële vragen voorgelegd aan het HvJEU. Ik vind het passend om het oordeel van het HvJEU af te wachten.
Kunt u er bij de AP op aandringen dat zienswijzen van de Europese Commissie over de interpretatie van de AVG voortaan op de website van de AP worden gepubliceerd? Zo nee, waarom niet?
Daartoe ben ik niet voornemens. De Europese Commissie gaat, als opsteller en verzender ervan, in de eerste plaats zelf over de publicatie van haar documenten.
Is er sinds de uitspraak van de Raad van State van juli 2022 contact geweest met de AP en is de AP gewezen op de consequenties die de uitspraak met zich meebrengt voor het handhavingsbeleid van de AP? Zo ja, wat is uit dit contact gekomen?
Er is geen contact geweest tussen mijn departement en de AP in de hier bedoelde zin naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State.
Is sinds de inwerkingtreding van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) ooit de Landsadvocaat om advies gevraagd over de interpretatie van het begrip «gerechtvaardigd belang»? Zo ja, wat was de strekking van dit advies?
Het kantoor van de Landsadvocaat, Pels Rijcken, is niet om advies gevraagd. De AP had Pels Rijcken wel gevraagd om haar bij te staan in de procedure over de aan de KNLTB opgelegde boete. Pels Rijcken heeft echter laten weten dat het haar niet vrijstond om als advocaat voor de AP op te treden vanwege conflicterende belangen.
Deelt u nog steeds de mening dat het onwenselijk is dat de AVG in Nederland strikter wordt toegepast dan in andere EU-lidstaten? Zo ja, waarom houdt de AP tot op heden nog altijd vast aan een striktere interpretatie van het begrip «gerechtvaardigd belang» dan andere EU-lidstaten?
Door de AVG gelden in Europese lidstaten in beginsel gelijke normen wat betreft gegevensbescherming en privacy. Op een aantal punten biedt de AVG ruimte aan landen om nadere regels vast te stellen, of dienen lidstaten in lidstaatrechtelijk recht zaken te regelen, zoals bijvoorbeeld uitzonderingen op het verbod om bijzondere persoonsgegevens te verwerken. In de Uitvoeringswet algemene verordening gegevensbescherming (UAVG), maar ook in sectorwetgeving wordt uitvoering gegeven aan deze ruimte. Unierechtelijke begrippen dienen echter unierechtelijk te worden uitgelegd. In de European Data Protection Board (EDPB) zijn de Europese privacytoezichthouders verenigd en worden guidelines gemaakt om de uitleg van de AVG te harmoniseren en om handhaving gelijker in te richten. Laatstelijk in 2014 is door de voorganger van de EDPB, de «Article 29 Working Party», een advies uitgebracht over de uitleg van het begrip «gerechtvaardigd belang»8. Over de uitleg van dit begrip heeft de Rechtbank Amsterdam prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Deze procedure duurt gemiddeld twee jaar. De beantwoording door het Hof zal vervolgens van toepassing zijn in alle Europese lidstaten.
Welke stappen zijn er sinds 2020 gezet om de AP het belang van rechtseenheid onder de aandacht te brengen en wat heeft de AP sindsdien gedaan om rechtseenheid te bevorderen?
De AP is lid van de EDPB en heeft in samenwerking met de andere Europese privacytoezichthouders in 2022 al meer dan tien guidelines vastgesteld ter bevordering van de rechtseenheid binnen Europa.
Bent u bereid in het kader van het terugdringen van onnodige juridische procedures in gesprek te gaan met de AP om het boetebesluit jegens de KNLTB te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Gezien de onafhankelijke positie van de AP en het feit dat er op dit moment een juridische procedure loopt over dit boetebesluit, ben ik niet voornemens met de AP hierover in gesprek te gaan. De AP treedt op grond van artikel 52 van de AVG onafhankelijk op bij de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden die haar overeenkomstig deze verordening zijn toegewezen. Dat geldt ook voor juridische procedures.
De uitgelekte mail van het directieteam van de NPO omtrent omroep Ongehoord Nederland |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen of deze mail, zoals die in een recente aflevering van Roddelpraat is gepresenteerd, inderdaad door de directie van de NPO is verzonden en bent u op de hoogte van de inhoud van deze mail?1
Ja. Vier dagen eerder heeft de NPO een persbericht verspreid van gelijke strekking. Zie https://pers.npo.nl/persberichten/reactie-npo-op-uitzending-ongehoord-nieuws-15-september.
Kunt u uitleggen wat de directie van de NPO precies bedoelt als zij stelt dat «de grens van de redactionele vrijheid is bereikt»?
De NPO heeft mij laten weten dat hiermee is bedoeld dat iedere omroep zich dient te houden aan de gemaakte afspraken. Onder die afspraken vallen ook de redactionele vereisten waar programma’s aan dienen te voldoen zoals beschreven in de Mediawet en nader neergelegd in de Journalistieke Code NPO. Deze Code wordt door ON! onderschreven, zoals blijkt uit een bericht aan mijn ambtsvoorganger van 2 juni 2021. De uitzending heeft tot veel beroering geleid en tot meer dan 1900 klachten bij de Ombudsman. De Ombudsman doet nu onderzoek en het wachten is op de bevindingen.
Kunt u uitleggen wat de directie van de NPO bedoelt als zij stelt dat het bereiken van deze grens «niet zonder de nodige consequenties mag blijven»?
De Mediawet regelt dat de NPO de bevoegdheid heeft om bij gebrek aan bereidheid tot samenwerking of bij het niet naleven van bindende regelingen aan een omroep een financiële sanctie op te leggen. De NPO heeft op 25 oktober 2022 gecommuniceerd over een voorgenomen sanctie aan Ongehoord Nederland. Zoals gezegd is dit een zelfstandige bevoegdheid van de NPO.
Bent u op de hoogte van de stappen die de directie zegt te willen gaan nemen? Op welke wijze bent u over deze gang van zaken geïnformeerd of op welke wijze bent u bij deze kwestie betrokken?
Ik heb kennis genomen van het gegeven dat de NPO in juli van dit jaar een financiële sanctie aan ON! heeft opgelegd wegens gebrek aan samenwerking omdat er niet voldaan werd aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen die binnen de sector gehanteerd worden, zoals uit het rapport van de Ombudsman van 7 juni 2022 naar voren komt. Verder heb ik vernomen dat de NPO overweegt een tweede financiële sanctie aan ON! op te leggen wegens gebrek aan samenwerking. Ik ben hier verder niet bij betrokken omdat dit een zelfstandige eigen bevoegdheid van de NPO betreft.
Bent u van mening dat het niet de rol van de directie van de NPO is om het Commissariaat van de Media te verzoeken onderzoek te doen? Zo nee, waarom niet?
Het staat een ieder, dus ook de NPO, altijd vrij om bij het Commissariaat voor de Media als toezichthouder op de naleving van de Mediawet aandacht te vragen voor gebeurtenissen waarbij de Mediawet in het geding zou kunnen zijn. Het Commissariaat beslist als onafhankelijk toezichthouder zelf over welke zaken worden onderzocht.
Vindt u dat deze uitlatingen van de directie van de NPO haaks staan op de Mediawet, die in artikel 2.2 stelt dat de NPO juist samenwerking moet bevorderen?
De NPO heeft op grond van artikel 2.2 de Mediawet de taak om samenwerking te bevorderen. Op grond van artikel 2.154 van de Mediawet kan de NPO een sanctie opleggen als een omroep onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst. In de voorgenomen sanctie stelt de NPO dat daarvan sprake is.
Vindt u dat deze uitlatingen van de directie van de NPO haaks staan op de eigen statuten, die stellen dat de NPO zich ten doel stelt juist samenwerking te bevorderen?2
Zie antwoord vorige vraag.
De modernisering van de Rijkswet op het Nederlanderschap |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Ruben Brekelmans (VVD), Tunahan Kuzu (DENK), Agnes Mulder (CDA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de volgende passage uit het regeerakkoord: «Voor mensen met een meervoudige nationaliteit die alleen de Nederlandse nationaliteit als enkelvoudige nationaliteit wensen maar hun andere nationaliteit(en) niet kunnen afstaan, ondersteunen we een privaatrechtelijk Nederlands register ongewenste nationaliteit»?
Ja, ik ben bekend met desbetreffende passage uit het coalitieakkoord.
Bent u bekend met de volgende passage uit het regeerakkoord: «De Rijkswet Nederlanderschap leidt in sommige situaties tot onwenselijke problemen. We herzien het automatisme waarbij Nederlanders met een meervoudige nationaliteit buiten het EU-grondgebied (na tien jaar) hun Nederlanderschap verliezen en maken het voor hen makkelijker het Nederlanderschap te behouden naast hun andere nationaliteit of, voor degenen die het na 1 april 2003 verloren, te herkrijgen»?
Ja, ik ben bekend met desbetreffende passage uit het coalitieakkoord.
Kunt u voor beide passages aangeven wanneer het kabinet verwacht het (wets)voorstel gereed te hebben? Bent u bereid deze voorstellen zo snel mogelijk af te maken?
De passage over het ondersteunen van een privaatrechtelijk register ongewenste nationaliteit betreft geen wetsvoorstel of actieve uitwerking van het Kabinet. Het betreft het voornemen om, wanneer een maatschappelijk initiatief voor een privaatrechtelijk register wordt opgepakt, dit als overheid te ondersteunen. De precieze vorm van ondersteuning hangt af van een eventueel initiatief en de behoeften daarbij.
Een verkenning naar een Register Ongewenste Nationaliteit komt voort uit een viertal moties van Kamerlid Belhaj (D66) c.s. Deze moties zijn ingediend op 4 februari 2021 als vervolg van de initiatiefnota van Kamerlid Paternotte (D66) «Bescherm Nederlanders met een ongewenste tweede nationaliteit». Aanleiding van deze initiatiefnota was het Manifest «Keuzevrijheid in nationaliteit», aangeboden aan de Tweede Kamer, opgesteld door twaalf Nederlanders met een tweede Marokkaanse nationaliteit
Naar aanleiding en ter uitvoering van de motie Belhaj en Peters1, heeft het Ministerie van BZK een klankbordgroep samengesteld die de mogelijkheden voor een register ongewenste nationaliteit heeft onderzocht. Op 9 mei jl. is de Kamer geïnformeerd2 over o.a. het advies van de klankbordgroep en het standpunt van het Kabinet met betrekking tot het register. In deze brief staat dat vanuit de klankbordgroep, de aanbeveling is gekomen voor een publiekrechtelijk register. Vanuit de overheid wordt een publiekrechtelijke register echter niet als wenselijk gezien, vooral omdat er geen enkel recht aan kan worden ontleend, het de ervaringen/problemen die betrokkenen ervaren niet oplost en de overheid deze gegevens niet nodig heeft. Daarnaast dient de overheid voorzichtig om te gaan met persoonsgegevens.
Sinds de vorige Kamerbrief zijn er vervolggesprekken geweest met een deel van de initiatiefnemers van het Manifest «Keuzevrijheid in nationaliteit», onder andere over de (on)mogelijkheden van een register en het (onderliggende) doel van een register. De Kamer zal op korte termijn met een Kamerbrief over de uitkomsten van die gesprekken en de kabinetsinzet op het thema ongewenste tweede nationaliteit worden geïnformeerd.
Antwoord op vragen 3 en 4 bij passage coalitieakkoord vraag 2
De afspraak uit het coalitieakkoord tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) bevat twee onderdelen. Enerzijds is beoogd het automatisme te herzien waarmee het Nederlanderschap verloren gaat na een verblijf van dertien jaar3 buiten het Koninkrijk en het gebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.4 Anderzijds wordt het mogelijk het Nederlanderschap te herkrijgen als dat na 1 april 2003 op deze grond verloren is gegaan.
Ik bereid een wetsvoorstel voor dat de Rijkswet op het Nederlanderschap op deze twee onderdelen wijzigt. Daarin wordt de verliesregeling in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN zodanig gewijzigd dat het daarin opgenomen automatisme wordt herzien. Tevens wordt een nieuw optierecht geïntroduceerd waarmee het Nederlanderschap kan worden herkregen als dat na 1 april 2003 verloren is gegaan als gevolg van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Ik streef ernaar een conceptwetsvoorstel in het eerste kwartaal van 2023 in (internet)consultatie te geven.
Bent u bereid een eerste interpretatie te geven van de onder vraag 1 en 2 genoemde passages uit het regeerakkoord?
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden?
Bij deze ontvangt u de beantwoording.
Het rapport 'Sociale minima in de knel' van de Nationale ombudsman |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van de Nationale ombudsman over sociale minima, gepubliceerd op 17 oktober 2022?1
Ja.
Wat is uw reactie op de hoofdconclusie van dit rapport dat het huidige sociaal minimum te laag is?
Het waardevolle rapport van de Nationale Ombudsman geeft op heldere wijze weer welke knelpunten (zoals de hoogte van het sociaal minimum) burgers met een inkomen op het sociaal minimum ervaren. Deze signalen zijn bij mij bekend. Ik vind het schrijnend dat er nu situaties ontstaan waarin mensen niet meer in de basisbehoeften kunnen voorzien. Dit vereist actie op de korte termijn, maar ook een grondige zoektocht naar wat er op de langere termijn nodig is. Op de korte termijn kampen we met uitzonderlijk hoge inflatie. Deze situatie raakt huishoudens hard. Daarom heeft het kabinet in het koopkrachtpakket ook veel geld uitgetrokken voor de ondersteuning van huishoudens rond het sociaal minimum.
Het kabinet verhoogt het minimumloon met 10% vanaf 1 januari 2023, en als gevolg daarvan stijgt ook het sociaal minimum. Tegelijkertijd is de huidige situatie van hoge inflatie niet volledig representatief voor de structurele situatie.
De vraag over de structurele toereikendheid is lastiger te beantwoorden. De Commissie sociaal minimum is hiervoor ingesteld en doet nader onderzoek naar de hoogte, de toereikendheid en de systematiek van het sociaal minimum. De commissie zal haar eindrapport voor 30 juni 2023 opleveren. Ik zal het eindrapport vervolgens delen met uw Kamer. Tot slot heeft dit kabinet in het coalitieakkoord afgesproken dat het sociaal minimum elke vier jaar wordt herijkt. Daarvoor zal het rapport van de Commissie Sociaal Minimum nuttige input zijn.
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de Nationale ombudsman dat de overheid meer proactief moet zijn in het opzoeken van burgers en hen actief moet wijzen op de inkomensvoorzieningen waar zij recht op hebben, gezien het feit dat velen geen gebruik hiervan durven te maken uit angst dat zij deze terug moeten betalen?
Ik onderschrijf deze aanbeveling van de Nationale Ombudsman. Gemeenten en uitvoeringsinstanties kunnen al veel doen om mensen te ondersteunen richting een aanvraag en om hen voor te lichten ter voorkoming van terugvorderingen. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan meer maatregelen. In een reactie van 6 oktober jl. op het rapport «Met te weinig genoegen nemen», beschrijf ik mede namens de Staatssecretaris Toeslagen en Douane, de Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst en het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) onze inzet op het tegengaan van niet-gebruik en het voorkomen van terugvorderingen bij inkomensvoorzieningen. Onze inzet sluit aan op de thema’s die de Nationale Ombudsman hanteert in zijn aanbevelingen, te weten: proactieve benadering en persoonlijk contact, benutten van intermediairs, en gebruik van beschikbare data en gegevensuitwisseling. Graag verwijs ik u voor de acties per thema naar de reactiebrief die ik aan de Ombudsman heb gestuurd, en waarvan ik u ook een afschrift heb doen toekomen.2 Een deel van die acties brengt de Nationale Ombudsman ook in de huidige reflectie naar voren. Ook voorbij de acties blijven proactieve benadering en preventie, onder andere in het kader van voorkomen van terugvorderingen, continue aandachtspunten, onder meer in het traject Herijking handhavingsinstrumentarium3, het IBO Vereenvoudiging sociale zekerheid4 en de uitvoering van de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden.
Wat is uw visie op hoe de overheid het vertrouwen van mensen in Nederland terug kan winnen, nu volgens de Nationale ombudsman de armoedebestrijding en bescherming van de koopkracht wordt gezien als belangrijkste taak van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid terwijl het vertrouwen in datzelfde ministerie extreem laag is?
In september concludeerde het SCP dat het vertrouwen van mensen in de politiek laag blijft. Ongeveer de helft van de Nederlanders geeft de politiek een onvoldoende (SCP, Burgerperspectieven bericht 1 – 2022). Deze conclusie gaat niet specifiek over het Ministerie van SZW, maar over de landelijke politiek. Volgens het SCP is laag vertrouwen in de politiek niet per definitie een probleem. In een democratie horen burgers de politiek kritisch te volgen. Het SCP waarschuwt wel tegen afhaken en beveelt de overheid aan te luisteren, betrouwbaar te zijn, keuzes uit te leggen, daarnaar te handelen en vooral concrete resultaten te boeken op onder meer de hoge kosten van het levensonderhoud. Dat is een van de ambities uit het Coalitieakkoord. Voor schulden en armoede is het Coalitieakkoord uitgewerkt in de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden die het kabinet begin juli presenteerde. Ook de aanbevelingen van de Nationale Ombudsman sluiten aan bij de aanpak. Om armoede en schulden te bestrijden neemt het kabinet samengevat vijf maatregelen:
Armoede en schulden bestrijden vereist samenwerking binnen het kabinet en ook met gemeenten, maatschappelijke organisaties, werkgevers, vrijwilligers, schuldeisers en de mensen om wie het gaat. Ik heb het vertrouwen dat we er gezamenlijk voor kunnen zorgen dat iedereen kan rekenen op een stabiel en voldoende besteedbaar inkomen, uit werk of uit een vangnet wanneer dat nodig is. Zo krijgen mensen de ruimte om mee te doen in de samenleving en om zichzelf te ontwikkelen.
Hoe ziet u de aanbeveling om beleid en uitvoering op het gebied van armoedebestrijding te ontwerpen vanuit het perspectief van de burger, in plaats van pleisters te plakken op hardvochtig(e) en discriminerend(e) wetten en beleid zoals de Participatiewet?
Ik onderschrijf de aanbeveling om in het armoedebeleid uit te gaan van het perspectief van de burger. In de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden geef ik aan dat een cultuuromslag vanuit de overheid nodig is: van systemen naar mensen. We zijn veel van mensen gaan verwachten in onze samenleving. In deze complexe maatschappij, met een dichtbegroeid woud van regelgeving, is de rationale burger die feilloos alle wet- en regelgeving kent het uitgangspunt geworden. We weten al langer dat het niet reëel is om te verwachten dat iedereen alles overziet. Een kentering in kijken, denken en handelen is nodig. De uitgangspunten zijn steeds: vertrouwen, oog hebben voor de behoeften van mensen, niet over maar met mensen en gedeelde verantwoordelijkheid.
Met de «Participatiewet in Balans» zet ik mij in om wet- en regelgeving meer aan te laten sluiten op het doenvermogen van mensen. Het traject is opgepakt als een brede maatschappelijke opgave. Samen met bijstandsgerechtigden, gemeenten, de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en andere partijen zijn ervaren hardheden en knelpunten geïnventariseerd, achterliggende oorzaken geanalyseerd en oplossingsrichtingen geformuleerd. De inbreng van alle betrokkenen is van ongekende waarde geweest. De inbreng heeft woorden gegeven aan hoe de Participatiewet in de praktijk wordt ervaren. Mijn inzet op meer rekening houden met de leefwereld en het doenvermogen van mensen binnen het traject «Participatiewet in Balans» heb ik met u gedeeld middels de brieven van 21 juni en 28 november jl.
Hoe ziet u de rol van de centrale overheid in het ondersteunen dan wel aansturen van gemeenten zodat bestaanszekerheid voor iedereen gegarandeerd wordt, ongeacht in welke gemeenten zij zich bevinden?
De centrale overheid is verantwoordelijk voor het stelsel van sociale zekerheid en inkomensafhankelijke toeslagen dat de bestaanszekerheid ondersteunt voor degenen die niet in staat zijn hier zelfstandig in te voorzien. Dit stelsel van inkomensvoorzieningen en toeslagen wordt deels centraal en deels decentraal uitgevoerd. De uitvoering van de Participatiewet is welbewust decentraal georganiseerd, juist zodat er maatwerk kan worden toegepast, dat is afgestemd op de vraagstukken die spelen binnen de gemeentelijke grenzen.
Met het traject «Participatiewet in Balans» worden verschillende stappen gezet om de bestaanszekerheid beter te borgen en participatie te bevorderen. Ik denk hierbij onder meer aan de verruiming van de bijverdiengrenzen, het harmoniseren van de jongerennormen, een bufferbudget om grote inkomensschommelingen op te vangen bij mensen die aan het werk gaan en de mogelijkheid om in specifieke situaties waar nodig met terugwerkende kracht bijstand te verlenen. Bij de uitwerking worden gemeenten en andere stakeholders betrokken. Mijn inzet hierop heb ik met u gedeeld middels de brieven van 21 juni en 28 november jl.
In hoeverre en op welke wijze zult u actie ondernemen om de aanbevelingen van de Nationale ombudsman uit dit rapport op te volgen, aanvullend op het huidige pakket voor armoedebestrijding dat op Prinsjesdag is aangekondigd? Kunt u uw acties onderbouwen? Wanneer informeert u de Kamer over uw plannen?
Het kabinet is voornemens om begin 2023 te komen met een gecombineerde reactie op een aantal recente rapporten van de Nationale Ombudsman5, waaronder dit rapport. Daarin zal nader worden ingegaan op de verschillende aanbevelingen.
Daarnaast raken de aanbevelingen van de Nationale Ombudsman aan de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden. Op 23 november jl. heb ik het implementatieplan voor deze aanpak aan uw Kamer aangeboden6. Daarin heb ik aangegeven dat ik twee keer per jaar zal rapporteren over de voortgang. Hierbij zal ik ook ingaan op de voortgang op onderwerpen die de Nationale Ombudsman heeft aangestipt (zoals bijv. het tegengaan van niet-gebruik en de hoogte van het sociaal minimum).
Kunt u uw acties opsplitsen aan de hand van de drie groepen in het rapport – statushouders, mensen met een beperking en jongeren tot 21 jaar die leven van de bijstand – aangezien zij door de Nationale ombudsman zijn aangeduid als de meest kwetsbare groepen en zij daardoor een prioritaire en specifieke aanpak nodig hebben?
In het traject «Participatiewet in Balans» wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de positie van jongeren tot 21 jaar die niet altijd een beroep kunnen doen op hun ouders voor financiële ondersteuning. Hierbij zet ik in op het harmoniseren van de jongerennorm, zodat gemeenten uniform de bestaanszekerheid kunnen borgen én daarmee beter in kunnen spelen op de verscheidene hulpvragen van deze diverse groep jongeren, waaronder ook jonge alleenstaande statushouders. Daarnaast streef ik ernaar dat gemeenten de mogelijkheid krijgen om ook ten aanzien van het in behandeling nemen van de bijstandsaanvraag van een jongere maatwerk kunnen toepassen. Zo kan een gemeente de vierweken-zoektermijn indien deze voor jongeren tot 27 jaar onwenselijke effecten heeft, buiten beschouwing laten.
Bijstandsgerechtigde statushouders die onder de Wet Inburgering 2021 inburgeringsplichtig zijn, worden gedurende de eerste zes maanden dat ze woonachtig zijn in de gemeente financieel ontzorgd om financiële problemen te voorkomen. De huur, de premie voor de zorgverzekering en de rekeningen voor gas, water en licht worden vanuit de uitkering betaald. Daarnaast hebben gemeenten de taak begeleiding aan te bieden om ze meer financieel zelfredzaam te maken. Hiermee wordt beoogd financiële problematiek te voorkomen. Het kabinet houdt met gemeenten de vinger aan de pols ten aanzien van de knelpunten die hierbij in de uitvoering ervaren worden.
Met betrekking tot mensen met een beperking heb ik op 13 oktober jl. Kamervragen beantwoord van het lid Ceder (ChristenUnie).7 Ik acht het van groot belang dat jongeren met een beperking de ondersteuning krijgen die zij gezien hun mogelijkheden en omstandigheden nodig hebben om te voorzien in inkomen en te kunnen participeren naar vermogen. Dit is een opgave voor alle partijen.
De regering heeft reeds diverse maatregelen in gang gezet. Zo is het wetsvoorstel Breed Offensief, dat onlangs door de Eerste Kamer is aangenomen, erop gericht om de kansen op duurzaam werk voor mensen met een beperking in de Participatiewet te verbeteren. Voorts werk ik aan het brede traject «Participatiewet in Balans» en de in dit verband voorgestelde maatregelen. Over de uitwerking van deze maatregelen heb ik uw Kamer onlangs geïnformeerd. Ook werkt het kabinet samen met betrokken partijen aan een verbetering van de banenafspraak. Over de stappen die daarvoor worden gezet heb ik uw Kamer geïnformeerd in mijn brief van 7 juli jongstleden.8 Samen met UWV wordt verder gewerkt aan een effectevaluatie van de Wajong-dienstverlening. Tot slot wil het kabinet het WML met ingang van 1 januari 2023 met 10% verhogen. Dit werkt ook door in de aan de WML-gekoppelde uitkeringen en komt tegemoet aan de roep om versterking van de koopkracht, ook van jongeren met een beperking. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 komt het kabinet begin 2023 met een gecombineerde reactie op de recente rapporten van de Nationale Ombudsman.
Bent u het eens dat de 10% minimumloonverhoging slechts een inflatiecorrectie betreft en dat het minimumloon met ingang van 1 januari 2023 substantieel verhoogd moet worden naar 15 euro per uur? Kunt u uw antwoord toelichten?
De bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 8,05% (inclusief reguliere indexatie stijgt het minimumloon met 10,15%) is onderdeel van het bredere pakket met hogere toeslagen en meer zekerheid voor huishoudens door het tijdelijke prijsplafond voor de energierekening. Dit pakket ondersteunt kwetsbare huishoudens en middeninkomens en stelt hen beter in staat om te gaan met het hogere prijsniveau. De minimumloonsverhoging geeft de laagste inkomens structureel een betere uitgangspositie en verbetert hun bestendigheid tegen toekomstige financiële schokken. Het kabinet is daarom niet voornemens om het minimumloon verder te verhogen. Het is op dit ook moment ook niet meer uitvoerbaar om de verhoging van het minimumloon op 1 januari 2023 aan te passen. Het UWV heeft aangegeven de gevolgen hiervan niet te kunnen verwerken, de uiterlijke termijn hiervoor was 1 oktober 2022.
Kunt u, gezien de urgentie van de situatie, uw antwoorden op bovenstaande vragen zo spoedig mogelijk delen?
Ik heb gestreefd naar zorgvuldige en zo tijdig mogelijke beantwoording.
Europese belemmeringen voor het invoeren van een kwaliteitseis voor bio-ethanol |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het commissiedebat Duurzaam vervoer van 29 juni jl., waarin u aangaf de reactie van de Europese Commissie op de vraag of de richtlijn Brandstofkwaliteit de invoering van een kwaliteitseis voor ethanol verbiedt te willen afwachten, dat het een terechte vraag is waarom andere lidstaten wel een kwaliteitseis hebben ingevoerd en dat u niet voornemens was om extra belemmeringen op te werpen voor bio-ethanol?
Ja, dat herinner ik me.
Bent u bekend met het bevestigende antwoord van de Europese Commissie1 op de vraag van Europarlementariër Tom Berendsen (EVP) of het klopt dat het lidstaten vrijstaat om voor te schrijven dat enkel zuivere ethanol bijgemengd kan worden in benzine, voor zover deze ethanol voldoet aan de kwaliteitsvereisten van Richtlijn 2009/30/EG met betrekking tot brandstofkwaliteit? Is ditzelfde antwoord door de Commissie ook naar u gecommuniceerd in antwoord op uw vragen?
Het schriftelijke antwoord van Eurocommissaris de heer Timmermans namens de Europese Commissie is tweeledig en in die zin kan uit het antwoord van de Commissie niet geconcludeerd worden dat het lidstaten vrijstaat om voor te schrijven dat enkel zuivere ethanol bijgemengd kan worden in benzine, voor zover deze ethanol voldoet aan de kwaliteitsvereisten van Richtlijn 2009/30/EG met betrekking tot brandstofkwaliteit (FQD-richtlijn). De Commissie geeft in de tweede alinea van haar antwoord juist aan dat het lidstaten niet is toegestaan om gedenatureerde dan wel zuivere ethanol voor bijmenging in benzine te verbieden, indien deze ethanol voldoet aan de FQD-eisen. In termen van de FQD-richtlijn: het is lidstaten niet toegestaan om het in de handel brengen van brandstoffen te verbieden, beperken of belemmeren, indien deze brandstoffen voldoen aan de eisen van de FQD.
De Commissie nuanceert vervolgens het antwoord, door op te merken dat het lidstaten wel is toegestaan om het gebruik van één soort ethanol te stimuleren, zolang een dergelijke nationale bepaling in overeenstemming is met het EU-recht. Als voorbeeld haalt de Commissie het stimuleren van bijvoorbeeld zuivere ethanol aan, om zodoende te kunnen worden meegeteld voor het bereiken van het bijzonder nationaal streefcijfer voor vervoer in het kader van de Richtlijn hernieuwbare energie (RED). Vertaald naar het Nederlandse RED-systeem van energie voor vervoer, verankerd in titel 9.7 van de Wet milieubeheer, zou dit betekenen dat alleen het leveren van een biobrandstof met zuivere ethanol in aanmerking zou komen voor verkrijging van hernieuwbare brandstofeenheden (HBE’s). HBE’s vertegenwoordigen een marktwaarde en dus zou het leveren van een biobrandstof met zuivere ethanol een prijsvoordeel opleveren ten opzichte van leveringen van biobrandstof met gedenatureerde ethanol.
Echter, in de Nederlandse praktijk zou een keuze om biobrandstof met zuivere ethanol via het RED-systeem van energie voor vervoer te stimuleren, tegelijkertijd leiden tot strijdigheid met de hiervoor aangehaalde verbodsbepaling uit de FQD. De (gemaximeerde) jaarverplichting voor conventionele biobrandstoffen die voor HBE’s in aanmerking komen worden in Nederland feitelijk volledig gerealiseerd met tot benzine-E10 bijgemengde bio-ethanol. Tankstations zijn immers wettelijk verplicht om met hun benzinepompen ten minste voor de helft benzine-E10 aan te bieden (naast bijvoorbeeld Euro 98). Met HBE’s gestimuleerde benzine-E10, indien bijgemengd met zuivere ethanol, zal een prijsvoordeel opleveren ten opzichte van benzine-E10, bijgemengd met gedenatureerde ethanol, en deze uit de markt drukken. Kortom, het aan de ene kant stimuleren van bijmenging in benzine-E10 met zuivere ethanol in het kader van de RED door het ontvangen van HBE’s, leidt aan de andere kant tot het beperken of belemmeren van het in de handel brengen van gedenatureerde ethanol in E10-benzine, hetgeen niet is toegestaan ingevolge de FQD.
Het antwoord van Eurocommissaris de heer Timmermans namens de Commissie stemt overeen met het antwoord dat het Ministerie van IenW ambtelijk vanuit de Commissie heeft ontvangen.
Deelt u de constatering dat er geen Europese belemmeringen zijn om ook in Nederland een kwaliteitseis voor bio-ethanol in te voeren, aangezien er geen bepaling in de Richtlijn Brandstofkwaliteit (FQD) is die lidstaten verbiedt het gebruik van enkel ongedenatureerde ethanol voor te schrijven en de Renewable Energy Directive (RED) lidstaten vrijlaat bij het inzetten van de instrumenten die zij nodig achten om de doeleinden van de RED te realiseren?
Nee, die constatering deel ik niet zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 2.
Onderkent u het feit dat met het inzetten van bio-ethanol tot 95% aan broeikasgasemissies kan worden gereduceerd en dat het invoeren van een kwaliteitseis ervoor kan zorgen dat het invoeren van juist minder duurzame bio-ethanol uit bijvoorbeeld de Verenigde Staten wordt voorkomen?
Dit is een mogelijk gevolg, maar uit het onderzoek van TNO blijkt dat ook andere effecten kunnen optreden, waardoor juist de gewenste ontwikkeling en inzet van geavanceerde bio-ethanol wordt belemmerd.
Bent u bereid, gezien het antwoord van de Europese Commissie dat er geen Europese wetgeving is die een kwaliteitseis voor bio-ethanol verbiedt, het feit dat andere lidstaten al gebruik maken van een dergelijke kwaliteitseis, en uw eigen voornemen om geen extra belemmeringen op te werpen voor bio-ethanol, opnieuw te bezien of er ook in Nederland een kwaliteitseis voor bio-ethanol kan worden ingevoerd en deze zo spoedig mogelijk uit te werken?
Zoals ik reeds heb toegelicht in mijn Kamerbrief2 van 24 juni 2022 ben ik niet voornemens de kwaliteitseis in te voeren.
Zoals in deze brief is aangegeven maakt de kwaliteitseis geen onderscheid op basis van CO2-reductie, maar op basis van ethanolspecificatie. Hierdoor zal voor niet-Europese ethanol meer invoerheffing moeten worden betaald. Hieronder valt ook geavanceerde ethanol van buiten de EU, dat door deze extra kosten minder aantrekkelijk wordt voor importeurs. Hoewel er momenteel slechts beperkte productiecapaciteit voor geavanceerde ethanol buiten de EU is, kunnen toekomstige ontwikkelingen snel gaan.
Bovendien laten de recente cijfers van de Nederlandse Emissieautoriteit3 zien dat het aandeel ethanol uit geavanceerde grondstoffen sterk groeit. De REDII stimuleert dit ook, doordat steeds hogere CO2-reductie-eisen worden gesteld aan nieuwe ethanolinstallaties. Daarmee zou een kwaliteitseis op bio-ethanol zelfs negatieve effecten op de uitstoot van CO2 kunnen hebben, terwijl de verplichting juist CO2-reductie als doel stelt.
De RED III biedt concretere handvatten om specifieker CO2-reductie in de keten te belonen. Ik overweeg dit bij de nationale implementatie ook door te voeren. Daarvoor zijn bij de RED II implementatie ook handvatten in onze nationale wetgeving opgenomen (de broeikasgasreductie-eenheid, BKE), met uitgestelde inwerkingtreding.4
Het bericht 'De Jonge: gemeenten moeten ‘een tandje erbij doen’ om statushouders aan een woning te helpen' |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Dringt het wel tot u door dat
Ik ben mij er van bewust dat er op dit moment een groot tekort bestaat aan (betaalbare) woningen. Daarom heeft het kabinet besloten om tot en met 2030 900.000 woningen bij te bouwen, waarvan ten minste twee derde betaalbare huur- en koopwoningen. Ook zet het kabinet met het programma «Een thuis voor iedereen» in op voldoende betaalbare woningen voor alle aandachtsgroepen, met een evenwichtige verdeling over gemeenten en met de juiste zorg en begeleiding.
Deelt u de mening dat het te ziek voor woorden is dat statushouders (beter gezegd: gelukzoekers) ondertussen door u aan alle kanten worden gepamperd en in de watten gelegd?
Nee, ik deel deze mening niet. Ik kan mij daarnaast niet vinden in uw typering van statushouders die u in deze vraag en in overige vragen hanteert.
Hoe legt u uit dat gelukzoekers nog altijd massaal mét voorrang een woning krijgen, maar Nederlanders niet?
Sinds 1 juli 2017 is de verplichte urgentiestatus van vergunninghouders uit de Huisvestingswet 2014 gehaald. Gemeenten kunnen zelf bepalen welke categorieën woningzoekenden zij als urgentiecategorie kunnen opnemen. Gemeenten maken op basis van de lokale woningmarkt en hun taakstelling een afweging om vergunninghouders als urgentiecategorie te huisvesten. Tijdige huisvesting is van groot belang voor vergunninghouders, omdat zij zo eerder kunnen integreren en participeren in de Nederlandse samenleving. Daarnaast wordt de druk op de opvang verlicht. Gemiddeld wordt de afgelopen jaren tussen de 5 á 10% van vrijkomende woningen uit de sociale woningvoorraad aan vergunninghouders toegewezen. In de tweede helft van 2022 kan dit percentage hoger liggen, omdat in bestuurlijke afspraken is vastgesteld dat in dit halfjaar 20.000 vergunninghouders gehuisvest worden om zo de asielopvang te ontlasten.
Hoe legt u uit dat gelukzoekers een inboedelvergoeding krijgen om hun woning in te richten, maar Nederlanders niet?
Statushouders die voor het eerst een woning krijgen toegewezen beschikken veelal niet over meubels of andere huisraad. De uitkering (en toeslagen) die zij ontvangen zijn niet toereikend om deze (eenmalige) kosten te voldoen en de statushouder was ook nog niet in de gelegenheid om hiervoor middelen te reserveren. Daarom stellen gemeenten vaak een inrichtingskrediet beschikbaar vanuit de bijzondere bijstand. Dit kan een lening zijn – die moet worden terugbetaald – of een gift. Gemeenten hebben op dit gebied beleidsvrijheid. Er bestaan daarmee verschillen tussen gemeenten in de vorm en de hoogte van het bedrag. Dergelijke inrichtingskredieten kunnen uiteraard ook aan andere huishoudens beschikbaar worden gesteld die in vergelijkbare omstandigheden verkeren.
Hoe legt u uit dat ongeveer het enige wat Nederlanders zonder dak boven hun hoofd nog krijgen, een doorverwijzing naar de daklozenopvang is?
Gemeenten kijken naar wat mensen die zich melden nodig hebben op verschillende leefgebieden. Dat is niet alleen een dak boven het hoofd, maar ook inkomen, school/werk en een netwerk om op terug te vallen.
Deelt u de mening dat Nederlanders – door u – in hun eigen land keihard worden gediscrimineerd ten gunste van gelukzoekers die hier niet thuishoren?
Nee, deze mening deel ik niet.
Deelt u de mening dat het motto «Nederlanders laatst, gelukzoekers eerst» u bijzonder goed past?
Nee, deze mening deel ik niet.
Hoe kunt u Nederlandse woningzoekenden zo verraden door óók nog te stellen dat er een «een tandje bij moet om statushouders [gelukzoekers dus] aan een woning te helpen»?
Het is van groot belang vergunninghouders zo snel mogelijk te huisvesten na het verkrijgen van hun verblijfsvergunning. Op deze manier kunnen vergunninghouders beginnen aan participatie en integratie in de Nederlandse samenleving. Daarnaast is de druk op de asielopvang op dit moment groot. Daarom is met medeoverheden afgesproken om in de tweede helft van 2022 20.000 vergunninghouders te huisvesten, om zo de opvang op korte termijn te ontlasten. Om deze reden heb ik gevraagd aan gemeenten om «een tandje er bij te doen» om statushouders te helpen aan een woning, omdat deze additionele opgave een extra inspanning van gemeenten vraagt. Deze extra inzet vormt een voorsprong op de taakstelling van de eerste helft van 2023.
Waarom doet u er niet «een tandje erbij» om Nederlanders aan een woning te helpen, «een tandje erbij» om de wachtlijsten voor de Nederlanders weg te werken en «een tandje erbij» om al die Nederlandse gezinnen, alleenstaanden, jongeren en ouderen aan een dak boven hun hoofd te helpen?
Het volkshuisvestingsbeleid is erop gericht om te zorgen voor voldoende betaalbare woningen voor iedereen. De ambitie om 900.000 woningen te bouwen waarvan 250.000 sociale huurwoningen tot en met 2030 is meer dan «een tandje erbij». Het programma Een thuis voor iedereen richt zich op voldoende betaalbare woningen voor alle mensen die in een kwetsbare positie zitten, waaronder dakloze mensen, met daarbij benodigde zorg en ondersteuning. Het programma Wonen en zorg voor ouderen komt binnenkort uit.
Waarom wilt u zó graag nóg meer gelukzoekers mét voorrang aan een woning helpen, met als gevolg dat Nederlandse woningzoekenden nóg langer moeten wachten?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3 en 8.
Bent u ertoe bereid óók eens zoveel moeite te doen voor Nederlanders? Bent u trouwens de Minister voor Volkshuisvesting of de Minister voor Gratis Woningen voor Gelukzoekers?
Deze vraag en veel van de overige gestelde vragen zeggen vooral veel over de vragensteller.
Kermisterreur in Amsterdam |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rellen verpesten kermis in Osdorp»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat ontspoorde jongeren de samenleving stelselmatig ontwrichten? Kunt een gedetailleerd antwoord verstrekken met een plan van aanpak hoe u reljeugd in den lande met lik-op-stuk-beleid actief gaat bestrijden?
We weten dat in delen van Nederland jongeren opgroeien in kwetsbare wijken en onder omstandigheden die een voedingsbodem zijn voor ongewenst en/of zelfs strafbaar en crimineel gedrag.
Daarom zet ik samen met de Minister voor Rechtsbescherming fors in op het voorkomen dat jongeren het criminele pad opgaan. In mijn brief d.d. 1 juli 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de brede preventieaanpak van (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit. De aanpak is gericht op het bieden van kansen op een mooie toekomst met behulp van onder andere toeleiding naar school en werk, maar tegelijkertijd ook op het stellen van duidelijke grenzen wanneer jongeren toch over de schreef gaan. Bijvoorbeeld door het invoeren van supersnelrecht waarbij jongeren meteen lik op stuk krijgen bij het plegen van een misdaad. Zodat kinderen al jong leren dat misdaad niet loont. Amsterdam is met de wijk Nieuw-West (waar Osdorp onder valt) één van de gemeenten die betrokken is bij deze aanpak.
Wat vindt u van het feit dat reljeugd gisteren voor de derde avond op rij na het sluiten van de kermis in Osdorp de confrontatie heeft gezocht met de politie? Kunt u een gedetailleerd antwoord verstrekken over hoe u de kosten voor de tientallen agenten die werden ingezet om de orde te herstellen gaat verhalen op deze kermisterroristen, evenals de gemiste omzet voor ondernemers van de kermis, die op last van de gemeente de rest van de week, tot en met zondag, om 19.00 uur moet sluiten?
Dit geweld, waarbij onder andere met vuurwerk naar de politie is gegooid, is niet acceptabel. Het is goed dat hierop stevig is ingegrepen door de burgemeester, officier van justitie en politie. Er zijn 26 personen aangehouden.
Kosten gemaakt door politie voor handhaving van de openbare orde worden niet doorberekend. Dit werk hoort bij de overheidstaak en is onderdeel van maatschappelijke kosten. De politie gaat wel over tot verhaal van kosten wanneer eigendommen van politie worden beschadigd.
Ten aanzien van de door u genoemde ondernemers geldt dat zij veel last hebben van de situatie. Dit is zeer betreurenswaardig. Indien zij rechtstreeks schade hebben geleden door een strafbaar feit, dan kunnen zij zich met een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kunnen voegen in het strafproces of zich wenden tot de burgerlijke rechter.
Heeft u naast het verhalen van de kosten de bereidheid om bezit van reljeugd, zoals scooters, af te pakken en reljeugd voor langere tijd te trakteren op gebiedsverboden of een avondklok, zodat deze respectloze jeugd heropgevoed kan worden? Kunt u hier gedetailleerd op reageren?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2.
Het stoppen van fossiele subsidies in 2023 |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Erkent u dat Nederland met het ondertekenen van de Glasgowverklaring voor het in lijn brengen van internationale overheidssteun met de energietransitie zich eraan gecommitteerd heeft om directe overheidssteun voor internationale fossiele energiesector voor het einde van 2022 te stoppen met uitzondering van beperkte en duidelijk gedefinieerde omstandigheden die consistent zijn met een 1.5°C-scenario?
Ja. Op 3 november 20221 heb ik aan uw Kamer een brief verstuurd, met daarin de uitwerking van het voorgenomen beleid.
Bent u het met het Internationaal Energie Agentschap eens dat elke nieuwe investering in de winning van olie, kolen en gas, niet compatibel is met het bereiken van net-zero in 2050 en 1.5°C opwarming in 2100?1
Volgens het IEA is er in het Net-Zero Emissions Scenario geen ruimte voor nieuwe olie- en gasvelden, anders dan de velden die reeds goedgekeurd zijn. Verder zijn er geen investeringen in kolenmijnen of uitbreiding van kolenmijnen benodigd.
Kunt u garanderen dat de uitwerking van de ondertekening van de verklaring vasthoudt aan het stoppen met fossiele steun (downstream en midstream) voor einde 2022? En dat enkel het stapsgewijs uitfaseren niet compatibel is met het commitment aan de verklaring?
Op 3 november 2022 is een brief naar uw kamer verstuurd met de uitwerking van de COP26-verklaring. Die brief beschrijft in detail de reikwijdte van de implementatie van de COP26-verklaring. Dit betreft activiteiten gericht op exploratie en winning, verwerking, op- en overslag en transport van fossiele brandstoffen en elektriciteitsopwekking middels fossiele brandstoffen. Verkoop en gebruik van fossiele brandstoffen in gebouwde omgeving, fossiel gedreven transportmiddelen (voer- en vaartuigen), landbouw en industrie (inclusief staal en plastics) vallen buiten de definitie van de fossiele energiesector. Het kabinet kiest niet voor stapsgewijze uitfasering, maar voor beëindiging van nieuwe steun, die niet in lijn is met de verklaring, per eind 2022.
Bent u het ermee eens dat nieuwe investeringen in olie, gas en kolen niet vallen onder de uitzonderingsgrond uit de verklaring, omdat deze uitzonderingsgrond uitgaat van comptabiliteit met een 1.5°C-opwarmingsscenario?
In de brief die uw Kamer op 3 november 2022 heeft ontvangen, is het uitgangspunt geformuleerd dat geen nieuwe investeringen in de fossiele energie sector worden gedaan, behoudens enkele uitzonderingen die in lijn zijn met de 1,5°C doelstelling en de korte termijn Europese energieleveringszekerheid.
Bent u het ermee eens dat de verklaring alleen ruimte biedt voor 1.5°C-compatibele uitzonderingen en dat dit daarom de ondergrens zou moeten zijn van hoe Nederland deze uitzonderingen definieert?
De verklaring biedt ruimte voor uitzonderingen, die in lijn zijn met een 1,5°C-scenario. Het kabinet onderschrijft deze hoofdlijn. Daarbij behoudt het kabinet ruimte voor projecten, die toezien op de Europese energieleveringszekerheid en aanvragen die zijn ingediend voor 1 januari 2023. Er is een beoordelingskader3 opgesteld aan de hand waarvan bekeken zal worden of exporttransacties in lijn zijn met de COP26-verklaring.
Bent u het ermee eens dat het feit dat enkele landen, zoals Noorwegen en Zuid-Korea, de verklaring niet hebben ondertekend, niet van invloed moet zijn op hoe Nederland uitvoering geeft aan de verklaring, omdat Nederland in het volledig ondertekenen van de verklaring immers alle relevante factoren reeds heeft afgewogen?
Bij de uitwerking van de COP26-verklaring is vooral afstemming gezocht met medeondertekenaars, met hierbij in het bijzonder oog voor Frankrijk, België en Duitsland. Het kabinet hecht aan een gelijkwaardig speelveld, en zal daarom de nadere invulling van het beleid van medeondertekenaars nauwlettend volgen. Het voorgenomen beleid zal aangepast worden als de beleidsontwikkeling bij de andere ondertekenaars daar aanleiding toe geeft. Landen die de COP26-verklaring niet hebben ondertekend, zoals Noorwegen en Zuid-Korea, zijn uiteraard wel relevant voor het internationaal gelijkwaardige speelveld. Het kabinet blijft zich inspannen om landen tot ondertekening te bewegen.
Erkent u dat het in het belang is van de Nederlandse geloofwaardigheid in de internationale klimaatdiplomatie, zeker ook richting de COP in Egypte, als zij haar oproep tot «actie, actie, actie» en de ondertekening van het commitment voor einde 2022 fossiele steun te beëindigen, niet afzwakt door enkel stapsgewijs uit te faseren?
In de Kamerbrief van 7 juli 20224 heeft het kabinet aangegeven tijdig voor de COP27-conferfentie in Egypte beleid te zullen publiceren. Op 3 november 2022 is een brief aan Uw Kamer verstuurd, waarin het voorgenomen beleid om nieuwe steun aan de internationale fossiele energiesector te beëindigen, is gepresenteerd.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De aangenomen motie om uitgekochte bedrijven ruimhartig te compenseren, maar financiële instellingen niet |
|
Senna Maatoug (GL) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven op welke manier u van plan bent opvolging te geven aan de motie Maatoug en Van der Plas (36 200, nr. 96)? Erkent u dat het bij deze motie niet zozeer gaat om het medeverantwoordelijk stellen van (alle) ketenpartners omdat deze financieel van het huidige voedselsysteem geprofiteerd hebben, maar van het komen tot een eerlijke verrekening van verliezen ten aanzien van financiële risico’s die onvoldoende adequaat beheerst zijn?
Afgelopen jaar zijn er moties ingediend die verzoeken te onderzoeken hoe banken en leveranciers en afnemers met langlopende contracten zijn te verplichten tot een verplicht, substantieel aandeel in de transitiekosten (motie-Thijssen c.s.1), om uitgekochte bedrijven ruimhartig te compenseren, maar financiële instellingen niet (motie-Maatoug en Van der Plas2) en om te onderzoeken om een deel van de agrarische bankleningen af te waarderen en de besparingen die hierdoor ontstaan ten goede te laten komen aan de verduurzaming van de landbouw (motie-Beckerman3). In het coalitieakkoord is opgenomen dat er een niet-vrijblijvende bijdrage van banken, toeleveranciers, de verwerkende industrie en de retail wordt verwacht aan de transitie naar kringlooplandbouw met een goed verdienmodel, zodat boeren in staat gesteld en maatschappelijk gewaardeerd worden om de benodigde verandering te realiseren, waarbij jonge boeren toekomst krijgen. De bijdrage die het kabinet van de andere ketenpartijen vraagt, dient dus die doelstellingen.
Het kabinet onderzoekt integraal en in samenhang – ter opvolging van de hiervoor genoemde moties – de mogelijke beleidsopties waarmee een financiële bijdrage van banken aan de landbouwtransitie en de stikstofopgave kan worden geborgd. Hierbij wordt zowel gekeken naar boeren die stoppen, als boeren die willen omschakelen naar duurzame landbouw (en een schuldenlast hebben). Er wordt in dit kader een breed scala aan opties onderzocht, inclusief de voor- en nadelen, juridische en praktische haalbaarheid en economische doeltreffendheid en doelmatigheid, alsmede de samenhang met de bijdrage die van de overige ketenpartijen wordt verwacht. Na het afronden van dit onderzoek – naar verwachting voor de zomer – zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten. Parallel is het kabinet als onderdeel van het Landbouwakkoord in gesprek met de ketenpartijen, waaronder banken, over de niet-vrijblijvende bijdrage die zij kunnen leveren en het kabinet wil daar met hen afspraken over maken.
Vallen financiële vergoedingen die ondernemers ontvangen voor vrijwillige bedrijfsbeëindiging in de regel onder het (hypotheek- of) pandrecht? Wat zijn de juridische en beleidstechnische mogelijkheden om overheidsvergoedingen bij vrijwillige bedrijfsbeëindigingen niet onder het pandrecht te laten vallen, zodat deze niet opeisbaar worden voor financiële instellingen waarbij schulden uitstaan? Kunt u hiervoor scenario’s schetsen?
Publiek gefaciliteerde vrijwillige bedrijfsbeëindiging in de landbouw komt er in de regel op neer dat een overheid ondernemers een vergoeding in de vorm van een subsidie verstrekt voor het definitief en onherroepelijk beëindigen van een agrarische activiteit. Eerder is bijvoorbeeld de – inmiddels gesloten – saneringsregeling varkenshouderijlocaties (Srv) tot stand gekomen.4 Daarnaast zijn de landelijke regeling beëindiging veehouderijlocaties (Lbv), de Landelijke
beëindigingsregeling veehouderijlocaties plus (Lbv-plus) en de Maatregel Gerichte Aankoop-2 (MGA-2) in voorbereiding.5 De subsidie is gebaseerd op het waardeverlies van de productiecapaciteit en de marktwaarde van het productierecht. In ruil voor de subsidie aanvaart de ondernemer de verplichting om te stoppen met het houden van dieren, het productierecht te laten doorhalen en de productiecapaciteit tot nul af te bouwen. Op de betreffende locatie mag geen veehouderij meer plaatsvinden.
Over de verhouding van een vergoeding voor bedrijfsbeëindiging van overheidswege en een ter zekerheidsstelling van bestaande leningen verstrekt recht van pand- of hypotheek kan in algemene zin het volgende worden gezegd. Als de overheid een subsidie verstrekt aan een ondernemer voor het beëindigen van de agrarische activiteit, is het aan de ondernemer om te bepalen wat daarmee wordt gedaan. De ondernemer kan de subsidie gebruiken om de productiecapaciteit tot nul af te bouwen, maar ook om bestaande leningen af te lossen of nieuwe leningen aan te trekken – bijvoorbeeld om een andere onderneming te starten. In dat laatste geval kan de ondernemer de subsidievordering verpanden aan een bank als zekerheid voor de nieuwe financiering die hij aantrekt in het kader van de nieuwe activiteiten. Bij de subsidieverstrekking kunnen de overheid en de ondernemer echter ook afspreken dat de subsidievordering (de vordering van de ondernemer op de overheid) onoverdraagbaar en/of onverpandbaar is. In dat geval kan de ondernemer de subsidie nog steeds gebruiken om de productiecapaciteit tot nul af te bouwen of bestaande leningen aan de bank af te lossen, maar kan hij deze niet inzetten als zekerheid voor een nieuwe lening. De subsidie zal in beginsel niet onder eventuele bestaande pandrechten van de bank vallen. Dergelijke pandrechten omvatten alleen vorderingen die voortvloeien uit een rechtsverhouding die al bestond op het moment van het vestigen van een pandrecht. Dat zal bij een subsidie doorgaans niet het geval zijn.
In feite komt vraag 3 neer op de vraag hoe geborgd kan worden dat financiële instellingen een financiële bijdrage leveren aan de landbouwtransitie en de stikstofopgave. Zoals opgemerkt in het antwoord op de vorige vraag worden op dit moment de mogelijke beleidsopties onderzocht waarmee geborgd kan worden dat banken een financiële bijdrage leveren aan de landbouwtransitie en de stikstofopgave. Na het afronden van dit onderzoek – naar verwachting voor de zomer – zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten. In mijn antwoord op deze en de volgende vragen loop ik daar niet op vooruit, maar zal ik meer ten algemene antwoord geven op de gestelde vragen.
Welke andere juridische mogelijkheden zijn er, los van vrijwillige afspraken met financiële instellingen, om te voorkomen dat vergoedingsgeld van de belastingbetaler voor vrijwillige bedrijfsbeëindiging niet alleen naar ondernemers, maar ook naar financiële instellingen vloeit?
Zie antwoord vraag 2.
Zal eventuele gedwongen uitkoop vallen onder het kader van de Onteigeningswet? Kunt u toelichten hoe dit juridisch in elkaar zit?
Gedwongen uitkoop betekent feitelijk dat de activiteit van de ondernemer via verplichtende instrumenten wordt beëindigd en dat daarvoor een vergoeding wordt betaald. Daarvoor bestaan verschillende mogelijkheden.
Eén mogelijkheid is de intrekking van een natuurvergunning tegen vergoeding van nadeelcompensatie op grond van artikel 5.4 van de Wet natuurbescherming. Na invoering van de Omgevingswet, waarin de Wet natuurbescherming opgaat, wordt dit geregeld in artikel 8.103, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij intrekking van de natuurvergunning moet een vergoeding worden verleend voor het nadeel dat de betrokken ondernemer lijdt door het feit dat deze de eerder vergunde activiteit niet langer (volledig) kan uitoefenen. Het gaat dan alleen om nadeel voor zover dat onevenredig is in vergelijking met de lasten die andere ondernemers lijden als gevolg van de integrale aanpak van de stikstofproblematiek.
Eerder heeft het kabinet in navolging van de uitspraak van de Raad van State inzake Porthos in een brief van 25 november van de Minister van Natuur en Stikstof (Kamerstuk 35 334, nr. 108) aangegeven dat de voorbereiding van de inzet van verplichtend instrumentarium zomer 2023 worden afgerond. Over onteigening zegt die brief: «Daarnaast kunnen in gevallen waarin is voorzien in een bestemmingswijziging in het kader van ruimtelijke ordening ook gesprekken worden gestart met ondernemers die een zogenoemd minnelijk traject willen starten (formeel voorafgaand aan onteigening) met als insteek vrijwillige beëindiging tegen schadeloosstelling. Dit kan alleen gelden voor ondernemers die (grotendeels) in natuurgebied (Natuur Netwerk Nederland of Natura 2000-gebied) zijn gelegen.»
Onteigening is een instrument waarbij – anders dan bij de intrekking van een vergunning – de eigendom van onroerende zaken wordt verkregen, tegen volledige schadeloosstelling. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.6 De bevoegdheid tot onteigening in het fysieke domein is thans geregeld in de Onteigeningswet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet gaan de regels rond onteigening grotendeels over naar de Omgevingswet.7 Daarin is tevens vastgelegd dat er noodzaak en urgentie moet zijn om te onteigenen. Onteigening kan plaatsvinden als de overheid een nieuwe vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van een onroerende zaak heeft mogelijk gemaakt in een omgevingsplan, in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of door een projectbesluit. De procedure tot onteigening volgt dus steeds op een overheidsbesluit over de gewenste vorm van verwezenlijking van de functie die aan een onroerende zaak is toegedeeld. De procedure onder de Omgevingswet maakt daarbij een nadrukkelijker scheiding tussen de onteigening zelf en de schadeloosstelling dan de huidige Onteigeningswet. In het bestuursrechtelijk spoor komt de onteigeningsbeschikking tot stand waar beroep tegen openstaat bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij, de schadeloosstelling wordt vastgesteld door de civiele rechter. De overdracht van de eigendom gebeurt bij onteigeningsakte en kan voorafgaan aan de definitieve schadeloosstelling.
Een overheid moet voorafgaand aan en tijdens de procedure van onteigening blijven proberen de onroerende zaken op minnelijke wijze te verwerven van de eigenaar. Als een eigenaar stelt bereid en in staat te zijn het plan dat de overheid voor ogen staat zelf te realiseren, wordt dit in eerste instantie getoetst door de Kroon (na de inwerkingtreding van de Omgevingswet door de bestuursrechter). Slaagt de eigenaar met dit verweer dan ontbreekt in beginsel de noodzaak tot onteigening en realiseert de eigenaar de nieuwe functie zelf.
Klopt het dat de Onteigeningswet bepaalt dat een ondernemer die onteigend wordt, er niet op achteruit mag gaan in vermogen, als ook in inkomen? Klopt het dat dit in financiële zin enkel gaat om het eigen vermogen van een ondernemer, en niet om het vreemd vermogen?
Voor onteigening geldt schadeloosstelling als grondwettelijk vereiste voor degene die onteigend wordt.8 Met het begrip «schadeloosstelling» wordt tot uitdrukking gebracht dat de door de onteigening geleden schade volledig vergoed wordt. De onteigeningswet specificeert dit vereiste door te bepalen dat de schadeloosstelling een volledige vergoeding vormt voor alle schade, die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt.9 Het doel van de schadeloosstelling is te bewerkstelligen dat de onteigende na de onteigening zowel wat vermogen als wat inkomen betreft in een gelijkwaardige positie blijft als daarvoor.10 De regels over schadeloosstelling bij onteigening in de Omgevingswet11 brengen hier geen verandering in.
Wat zijn de mogelijkheden van een financiële instelling om onderpand op te eisen bij een onteigeningsprocedure? Hoe gaat dit juridisch in zijn werk? Op welke manier zorgt dit in juridische rechten en plichten voor een andere systematiek dan bij vrijwillige uitkoop?
Een schuldeiser met een recht van hypotheek heeft in onteigening geen recht op afzonderlijke schadevergoeding, maar kan zijn rechten uitoefenen op de schadeloosstelling zoals die op grond van de rechterlijke beslissing toekomt aan de onteigende. Daarvoor is wel vereist dat de schuldeiser is tussengekomen in de onteigeningsprocedure.12
De hypotheekhouder kan zich in dat geval beroepen op art. 3:229 BW, op grond waarvan een recht van hypotheek van rechtswege een recht van pand meebrengt op alle vorderingen tot vergoeding (zoals de schadeloosstelling) die in de plaats van de met het recht van hypotheek belaste zaak treden.13 De schuldeiser oefent het recht van pand na onteigening en mits tussengekomen in de onteigeningsprocedure uit op het bedrag van de werkelijke waarde en de waardevermindering van het overblijvende, zoals dat bedrag toekomt aan de onteigende. De hypotheekhouder moet zich rechtstreeks verhalen op dat deel van de schadeloosstelling voor onteigening dat een relatie heeft met de waarde van het verhypothekeerde goed. Daarbij geldt dat als onroerende zaken die met een hypotheek zijn belast ten dele worden onteigend, er bij de bepaling van de inkomensschade ten gevolge van de onteigening van uit mag worden gegaan dat de onteigende het door de onteigening vrijkomend kapitaal zal gebruiken voor aflossing van de hypothecaire schuld.14
Voor de systematiek bij vrijwillige uitkoop verwijs ik graag terug naar het antwoord op vragen 2 en 3 hiervoor.
Volgt uit de voorgaande vragen dat uit de Onteigeningswet wel een verplichting voortvloeit om een ondernemer te compenseren, maar niet per definitie ook een verplichting om ook een financiële instelling te compenseren voor die leningen die deze uit heeft staan bij de ondernemer?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u in het licht van voorgaande vraag toelichten wat de rol is van de rechter in het toekennen van schadevergoedingen? Op welke manier beperkt dit de mogelijkheid om met beleid sturing te geven aan een eerlijke verdeling van de verliesrekening als gevolg van waardevermindering van de productiecapaciteit?
In de tweede fase van de onteigeningsprocedure wordt de omvang van de schadeloosstelling bepaald door de burgerlijke rechter. De regels over schadeloosstelling, mede bezien in de context van het grondwettelijk recht op schadeloosstelling en de rol van de rechter in ons staatsbestel, bieden geen ruimte voor herverdelend beleid.
Op welke manier is vanuit het perspectief van de aanspraak die financiële instellingen via pandrecht kunnen maken op zekerheden, een verschil tussen vrijwillige en gedwongen uitkoop? Is het, met andere woorden, mogelijk om de vergoeding aan ondernemers bij gedwongen uitkoop, buiten de boedel te houden van zekerheden waar een financiële instelling als schuldeiser aanspraak op maakt?
Zoals opgemerkt in het antwoord op vraag 1 wordt op dit moment onderzocht hoe kan worden geborgd dat banken een financiële bijdrage leveren aan de landbouwtransitie en de stikstofopgave. Op de verschillende mogelijkheden en scenario’s wordt daarom op dit moment niet ingegaan. Voor een vergoeding of schadeloosstelling van de overheid aan ondernemers geldt in beginsel hetzelfde als voor een subsidie. Ik verwijs daarom graag naar het antwoord op vragen 2 en 3.
Op basis van welke waarderingsgrondslag eisen financiële instellingen in de regel onderpanden op, op het moment dat niet aan kredietverplichtingen voldaan wordt? Is het mogelijk voor een financiële instelling om aanvullende zekerheden op te eisen enkel en alleen gebaseerd op de verwachting dat de onroerende bedrijfsgoederen, die bij een positieve solvabiliteit qua omvang van zekerheden zouden volstaan, in de toekomst minder waard worden? Met andere woorden, kan een financiële instelling dit marktrisico afdekken door aanvullende zekerheden te vorderen?
De pand- of hypotheekhouder gaat niet op basis van een waarderingsgrondslag over tot uitwinning ingeval van parate executie: hij verhaalt zijn vordering op de opbrengst uit een openbare verkoop van het betreffende goed. Of een kredietverstrekker aanvullende zekerheid op kan eisen op basis van louter de verwachting dat onroerende bedrijfsgoederen, die bij een positieve solvabiliteit qua omvang van zekerheden zouden volstaan, in de toekomst minder waard worden, is niet in algemene zin te beantwoorden. Dit is afhankelijk van de inhoud van de kredietovereenkomst en de inhoud van de akte waarmee het zekerheidsrecht is gevestigd.
Voor zover een financiële onderneming met aanvullende zekerheid een marktrisico zou kunnen afdekken, geldt in ieder geval voor banken dat niet-renderende blootstellingen voor hun volledige bedrag dienen te worden gecategoriseerd en zonder rekening te houden met het bestaan van enige zekerheid.15 De beoordeling van kredietrisico moet zich dus exclusief richten op wanbetalingsrisico, zonder de effecten van kredietrisicolimiterende factoren zoals zekerheden mee te wegen.
Kunt u een inschatting geven hoeveel er sinds de PAS-uitspraak (Programma Aanpak Stikstof) van de Raad van State is geïnvesteerd in de verdere intensivering van de veehouderij? En hoeveel hiervan door middel van bancaire financiering tot stand is gekomen?
Mijn ministerie beschikt niet over cijfers omtrent de totale investeringen in de verdere intensivering van de veehouderij. Op basis het Bedrijveninformatienet (BIN) worden door Wageningen Economic Research de gemiddelde brutoinvesteringen per bedrijf voor diverse veehouderijsectoren in kaart gebracht.16 Welk aandeel hiervan verdere intensivering betrof, valt daaruit niet af te leiden. Evenmin welk aandeel hiervan specifiek door middel van bancaire financiering tot stand is gekomen. Gemiddeld genomen is het aandeel bancaire financiering in de langlopende schulden van agrarische bedrijven rond de 90%.17
Melkveehouderij
79.300
95.200
57.300
Varkenshouderij
101.300
117.600
97.400
Leghennenhouderij
342.900
79.400
102.100
Vleeskuikenhouderij
260.800
235.700
57.200
Vindt u dat er bij vrijwillige uitkoop in financiële zin sprake is van een materialiserend transitierisico (transitierisico’s ontstaan immers ook als gevolg van beleid, en er vindt waardeverlies van de productiecapaciteit plaats)? Waarom wel/niet?
Ja. Het transitierisico omvat het risico op alle kosten die voortkomen uit de transitie naar een duurzame economie. De kans op waardeverlies van productiecapaciteit als gevolg van beleidskeuzes gericht op het versnellen van de transitie kan daarmee in mijn ogen als een transitierisico worden beschouwd – ongeacht de precieze vormgeving van deze beleidskeuzes.
Vindt u dat er bij eventuele gedwongen uitkoop, mocht dit aan de orde komen, in financiële zin sprake zou zijn van een materialiserend transitierisico? Waarom wel/niet?
Zie antwoord vraag 12.
Vindt u dat financiële instellingen vanuit risicomanagementperspectief financieel verantwoordelijk gehouden moeten worden voor dit waardeverlies, voor dat deel dat zij gefinancierd hebben? Bent u het met GroenLinks eens dat dit een logisch gevolg is van het principe dat financiële instellingen in principe eerst zelf de verliezen van niet adequaat beheerste risico’s moeten dragen?
Financiële instellingen delen met alle andere partijen die deel uitmaken van het Nederlandse agrocomplex een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de landbouw zoals die zich in het verleden heeft ontwikkeld. Derhalve hebben alle partijen ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het meewerken aan en het realiseren van een structurele omslag naar een duurzaam landbouwsysteem. Geen enkele partij, ook niet de financiële instellingen, kan zich daaraan onttrekken, maar ook geen enkele partij kan worden aangemerkt als enige verantwoordelijke voor een specifiek deel van eventueel waardeverlies als gevolg van de transitie.
Dit laat onverlet dat banken verplicht zijn beleid te voeren dat gericht is op het beheersen van relevante risico’s, waaronder ook krediet- en concentratierisico’s. Dit geldt ook bij het verstrekken van financiering aan landbouwondernemingen. Tot de relevante risico's behoren in toenemende mate ook klimaat- en milieugerelateerde risico's en transitierisico's. Die kunnen immers gevolgen hebben voor klant en instelling zelf. Daarbij geldt de kanttekening dat de vereisten op het gebied van risicobeheer niet bepalen wie er voor enig waardeverlies verantwoordelijk of aansprakelijk is of wat daarin de juiste verdeling is of zou moeten zijn. Los van de juridische kaders, verwacht het kabinet van financiers dat zij dienstbaar, duurzaam en integer krediet verstrekken met oog voor de individuele positie van de klant.
Hoe wilt u omgaan met het dilemma waarin enerzijds financiële instellingen verantwoordelijk gehouden dienen te worden voor verliezen als gevolg van niet adequaat beheerste transitierisico’s, en anderzijds deze transitierisico’s zich in de toekomst zullen materialiseren via uitkoopregelingen (met als hypothetisch voorbeeld de uitkoop van een kolencentrale), waardoor deze mogelijk onder het pandrecht vallen, waarna enkel en alleen de belastingbetaler voor de kosten opdraait?
Samen met De Nederlandsche Bank (DNB) spant de Minister van Financiën zich ervoor in dat de financiële instellingen hun duurzaamheidsrisico’s, waaronder transitierisico’s, adequaat in kaart brengen en beheersen. Dit geldt zowel voor de risico’s als gevolg van klimaatverandering, als die welke ontstaan door de achteruitgang van biodiversiteit en natuurkwaliteit. De realiteit is echter dat dit nog onvoldoende gebeurt, zoals recent onder meer geconstateerd door DNB18 en de Europese Centrale Bank (ECB)19. Om dit te adresseren, zet Nederland zich bijvoorbeeld in Europa in voor het meenemen van klimaatrisico’s in prudentiële raamwerken voor banken en verzekeraars. Het is aan de instellingen zelf om binnen de grenzen van de geldende wet- en regelgeving in hun risicomanagement deze risico’s te beheersen, bijvoorbeeld door meer kapitaal aan te houden voor risicovolle blootstellingen of het niet meer (in die mate) aangaan of het afstoten ervan. De ultieme consequentie van het onvoldoende beheersen van transitierisico’s door financiële ondernemingen kan zijn dat er verliezen dienen te worden genomen door de onderneming in kwestie. Zoals in antwoord op de vorige vraag is aangegeven geldt dat de vereisten op het gebied van risicobeheer niet bepalen wie er voor enig waardeverlies verantwoordelijk of aansprakelijk is of wat daarin de juiste verdeling is of zou moeten zijn.
Kunt u aangeven op welke manier u op verschillende dossiers inmiddels invulling heeft gegeven aan het uitgangspunt van het vorige kabinet, dat het wenselijk is «dat vooraf een denkkader wordt ontwikkeld voor de mate waarin dergelijke duurzaamheidsrisico’s door bedrijven en consumenten gedragen dienen te worden, en in welke mate door de overheid» (35 446, nr. 3)?
Zoals in de reactie op de initiatiefnota aangekondigd, heeft er een aantal gesprekken tussen het Ministerie van Financiën en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) over dit thema plaatsgevonden. De WRR zal het rapport Rechtvaardigheid in klimaatbeleid. Over de verdeling van klimaatkosten op 16 februari aanbieden aan de Ministers voor Klimaat en Energie en van Infrastructuur en Waterstaat.20 Daarin zal naar verwachting de vraag centraal staan hoe lastenverdelingen rechtvaardig kunnen worden opgepakt. Hierbij zal de WRR gebruik maken van een literatuurstudie (onder meer vanuit ethische en filosofische disciplines), een onderzoek naar wat burgers rechtvaardige lastenverdelingen vinden en een aantal illustratieve voorbeelden op het gebied van mitigatie- en adaptatiebeleid. De studie gaat dus niet sec over verliesdeling in relatie tot financiële markten, maar over lasten als gevolg van het brede klimaatbeleid.
Een actueel voorbeeld van hoe dit vraagstuk in de praktijk gestalte krijgt binnen de dossiers, is het onderzoeken van de beleidsopties om de verzekerbaarheid van klimaatgerelateerde schade te borgen. Hierbij speelt ook het nauw verwante vraagstuk van een mogelijk te laag risicobewustzijn en mogelijk dientengevolge lage verzekeringsgraad van burgers bij het verzekeren van in principe verzekerbare klimaatrisico’s. Wanneer bepaalde schade inderdaad niet verzekerbaar is, is de vraag of dit maatschappelijk ongewenst is en welke oplossing daarvoor het beste is. Dit is zowel een vraag naar de rol van de markt, als naar de rol van de overheid. Mogelijke oplossingen voor onverzekerbare klimaatschade hebben gemeen dat ze zien op het spreiden van financieel risico. De verhouding tussen overheid en markt in die spreiding kan, afhankelijk van het risico en/of de schade, verschillen. Het kabinet is al bezig met een nadere uitdieping van dit vraagstuk.
Hoe bent u van plan de overwegingen uit bovenstaande vragen te betrekken in de uitvoering van de motie Maatoug/Van der Plas (36 200, nr. 96)?
Ik dank het lid Maatoug voor de overwegingen uit de bovenstaande vragen. Deze zullen worden meegenomen in het onderzoek dat onder meer naar aanleiding van de motie-Maatoug/Van der Plas wordt uitgevoerd naar de mogelijke beleidsopties waarmee een financiële bijdrage van banken aan de landbouwtransitie en de stikstofopgave kan worden geborgd. Na het afronden van dit onderzoek – naar verwachting voor de zomer – zal ik uw Kamer informeren over de uitkomsten.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de uitvoering van de motie Thijssen c.s. (33 576, nr. 292), dat wil zeggen het onderzoek naar in hoeverre ketelpartners verplicht kunnen worden financieel bij te dragen aan de transitie naar een duurzaam voedselsysteem?
Het bovengenoemde onderzoek wordt tevens uitgevoerd ter opvolging van de motie-Thijssen c.s. Hierbij wordt zowel gekeken naar boeren die stoppen, als boeren die transitie willen doormaken (en een schuldenlast hebben). Er wordt in dit kader een breed scala aan opties onderzocht, inclusief de voor- en nadelen, juridische en praktische haalbaarheid en economische doeltreffendheid en doelmatigheid, alsmede de samenhang met de bijdrage die van de overige ketenpartijen wordt verwacht. Na het afronden van dit onderzoek zal ik de Kamer informeren over de uitkomsten.
MH17-verdachte Igor Girkin |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Oekraïne honderdduizend dollar heeft uitgeloofd voor (tips die leiden tot) de overdracht van MH17-verdachte Igor Girkin aan het Oekraïense leger?1
Ja.
Worden Oekraïense maatregelen en acties gericht op Girkin gecommuniceerd of afgestemd met Nederland, aangezien hij één van de vier hoofdverdachten is in de MH17-zaak?
Nederland en Oekraïne werken, met de andere JIT-landen, nauw samen waar het gaat om het strafrechtelijk onderzoek naar het neerhalen van vlucht MH17. Over lopende strafzaken en interstatelijke communicatie in dat kader, kan ik geen uitspraken doen.
Herinnert u zich nog dat Oekraïne, ondanks felle bezwaren van Nederland, een belangrijke MH17-verdachte (Vladimir Tsemach) als onderdeel van een gevangenenruil liet vertrekken naar Rusland?2
Ja.
Heeft u Oekraïne ditmaal al laten weten dat het voor Nederland enorm belangrijk is dat Girkin aan Nederland wordt uitgeleverd, en heeft u reeds toezeggingen gekregen van Oekraïne hieromtrent?
Girkin staat al sinds de vervolgingsbeslissing in de strafzaak MH17 internationaal gesignaleerd. Het OM heeft laten weten dat, indien Girkin in Oekraïne wordt aangehouden, om zijn uitlevering zal worden gevraagd. Deze boodschap is ook aan de Oekraïense autoriteiten overgebracht.
Indien u nog geen toezeggingen heeft gekregen, bent u dan bereid om Oekraïne op het hoogste niveau diplomatiek onder druk te zetten om Girkin te zijner tijd aan Nederland uit te leveren?
Zie antwoord vraag 4.
Wilt deze vragen ruim voor de geplande uitspraak in de MH17-zaak op 17 november 2022 beantwoorden?
Deze vragen worden binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.
Het bericht 'Inspectie: burgers onvoldoende beschermd tegen geluidsoverlast windmolens' |
|
Renske Leijten (SP), Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u verklaren hoe het kan dat op basis van een Wet open overheid-verzoek wordt geantwoord dat de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheidstoets (HUF) er in 2009 niet was, terwijl die er wel bleek te zijn? Hoe reflecteert u op deze informatiehuishouding?1
Bij het betreffende Woo-verzoek is aangegeven dat alle opgevraagde documenten al betrokken zijn geweest bij een eerder relatief recent besluit (19-08-2021) op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Voor dat besluit was een omvangrijke zoekactie gedaan met behulp van zoektermen in de archieven van het toenmalige Ministerie van VROM en zijn de aangetroffen documenten deels openbaar gemaakt middels een Wob-besluit. Omdat de Woo alleen toeziet op informatie die nog niet openbaar is, is vanwege die eerdere omvangrijke inventarisatie aangenomen dat een nieuwe zoekslag niet meer informatie zou opleveren dan bij het eerdere Wob-besluit reeds openbaar gemaakt is. En op reeds openbare informatie is de Woo niet van toepassing. Na een Woo-verzoek specifiek gericht op de HUF-toets is deze wel aangetroffen en bij een Woo-besluit betrokken en openbaar gemaakt. Ik vind het erg vervelend om te constateren dat bij de eerdere zoekactie de HUF-toets helaas niet is aangetroffen.
Staat u achter de opvatting van destijds dat in deze HUF-rapportage persoonlijke beleidsopvattingen staan en waardoor het niet met de Kamer gedeeld kon worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
De rapportage HUF-beoordeling «wijziging milieuregels windturbines» is in 2009 op grond van de Wob opgevraagd. Van de rapportage zijn toen de eerste twee paragrafen vrijgegeven. De rest van de rapportage is gelakt, omdat het persoonlijke beleidsopvattingen bevatte die op grond van de Wob niet openbaar moesten worden gemaakt. Dit besluit heeft destijds bij de rechter stand gehouden2.
Deelt u de mening dat de HUF-toets onderdeel is van de besluitvorming en op die grond behoort te worden gedeeld, zeker bij navraag, met de volksvertegenwoordiging? Zo nee, waarom niet?
Conform de nieuwe instructie onder de Woo is hier opnieuw een beoordeling in gemaakt en is de HUF-toets inclusief persoonlijke beleidsopvattingen alsnog openbaar gemaakt in niet tot personen herleidbare vorm3.
Deelt u de mening dat een advies van een verantwoordelijke inspectie die waarschuwt dat bewoners onvoldoende beschermd zijn door een geluidsnorm op basis van een jaargemiddelde, onderdeel moet zijn van de informatie die de Kamer krijgt? Op welke manier heeft u gehoor gegeven aan dit advies en op welke manier heeft u het beleid hierop aangepast?
De HUF-beoordeling geeft als belangrijk punt van zorg aan dat de normering op basis van een jaargemiddeld geluidniveau niet goed handhaafbaar zou zijn. In de nota van toelichting bij de wijziging milieuregels windturbines4 (paragraaf 12.3 en 13) is aangegeven dat mede naar aanleiding van het advies van de inspectie het punt van de handhaafbaarheid bij de opstelling van de regeling veel aandacht heeft gekregen. Besloten is het reken- en meetvoorschrift op dat punt verder aan te scherpen en te verduidelijken. Eventuele handhaving richt zich niet op het meten van het jaargemiddelde geluidniveau op de gevel van de woning, maar op het controleren van het geluidvermogen (geluidproductie zoals gemeten bij de windmolen zelf, bij verschillende windomstandigheden). Daarmee kunnen in het geval van klachten de opgaven van het geluidvermogen van de fabrikant relatief eenvoudig gecontroleerd worden. Met dit geluidvermogen (en andere gegevens zoals afstand tot de woning, bodemeigenschappen en de lokaal te verwachten windsnelheden en windrichting over het jaar heen) kan het jaargemiddelde gevelniveau bij normaal gebruik worden bepaald, wat vervolgens aan de normstelling kan worden getoetst. Hiermee kan tussentijds worden gehandhaafd, dus niet pas achteraf via de draaigegevens van de windmolen, omdat de handhaving is gericht op controle van het geluidvermogen van de windmolen zelf.
Een ander punt van zorg betreft de bescherming tegen nachtelijke (piek)hinder, die niet goed geborgd zou zijn met een jaargemiddelde norm. Om de bescherming tegen nachtelijk geluid te waarborgen, is als reactie op de zorgen gekozen voor een aanvullende norm voor de nacht. Verder is verduidelijkt dat cumulatie van geluid van meerdere windturbines is meegenomen in de regelgeving, aangezien de norm geldt voor het gecombineerde geluid van alle windturbines op een windpark.
Is te achterhalen hoe er destijds landelijke geluidsnormen voor windmolens zijn opgesteld, zonder dat er acht geslagen is op de adviezen van de inspecties in de HUF-toets? Hoe reflecteert u op deze besluitvorming?
Ik deel de mening niet dat er geen acht is geslagen op de adviezen van de inspectie. Zoals uit het antwoord op vraag 4 blijkt, zijn naar aanleiding van de adviezen verbeteringen aangebracht. Bij de totstandkoming van de landelijke geluidregels was er op basis van destijds beschikbaar onderzoek naar hinderlijkheid van geluid van windmolens een goed beeld van de hinder die mensen ervaren bij een bepaald, over langere tijd berekend geluidniveau op de gevel van hun woning. Hierbij is geconstateerd dat de kans op hinder bij de gekozen grenswaarde goed vergelijkbaar is met hetgeen bij de normering voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai als maximaal toelaatbaar wordt beschouwd. Deze bescherming werd als toereikend gezien.
Erkent u dat de bezwaren van bewoners en de schade aan hun gezondheid als gevolg van geluidshinder voorspeld worden in de HUF-toets en dat de bezwaren en gezondheidsschade voorkomen hadden kunnen worden als de toets serieus was genomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Het advies van de Inspectie betreft vooral de zorg over de handhaafbaarheid van een jaargemiddelde norm en niet de hoogte van de norm zelf. Naar aanleiding van het advies is het reken- en meetvoorschrift verder aangescherpt en verduidelijkt en is een aanvullende norm voor nachtelijk geluid opgenomen, zie de antwoorden op vraag 4 en 5. Uit een overzichtsstudie van het RIVM blijkt dat geluid van windmolens kan leiden tot hinder en mogelijk ook slaapverstoring, maar geen direct verband laat zien met andere gezondheidseffecten. De geluidsnormering biedt een mate van bescherming tegen ernstige hinder die op basis van de best beschikbare wetenschappelijke informatie toereikend werd geacht. Net als voor andere geluidbronnen geldt dat hiermee niet helemaal te voorkomen is dat mensen hinder van geluid ondervinden, omdat ook een afweging plaatsvindt met andere belangen, zoals duurzame energievoorziening.
Vindt u dat er voldoende inhoudelijk is omgegaan met de bezwaren van bewoners en dat er naar behoren getoetst kon worden of de windmolens voldoen aan de geluidsnormen? Vindt u het niet op zijn minst opmerkelijk om geluid op basis van een «jaargemiddelde» te meten, omdat dit geen recht doet aan piek-hinder?
Het is niet vreemd om geluid te meten op basis van een jaargemiddelde. Dit gebeurt ook voor veel andere geluidbronnen zoals weg- en railverkeer. Deze jaargemiddelde geluidmaten worden door de WHO en de Europese richtlijn voor omgevingsgeluid ook aangeraden om verwachte hinder en slaapverstoring te bepalen. Door een jaargemiddelde norm wordt niet alleen het maximale geluidniveau, maar ook het aantal keer dat deze «piekhinder» kan optreden sterk beperkt. Dit komt doordat de hoogste geluidniveaus in sterke mate bijdragen aan het gemiddelde, zeker gedurende de nacht omdat het geluid dan extra zwaar wordt meegewogen. Bij windmolens is geen sprake van kortstondig luid piekgeluid zoals dat soms bij industriegeluid kan voorkomen.
Er zijn meerdere momenten waarop getoetst kan worden of de windmolens voldoen aan de wettelijke geluidsnormen. Voorafgaand aan de plaatsing moet worden getoetst of de berekende jaargemiddelde geluidbelasting op de gevel van woningen voldoet aan de norm. Bij bestaande windparken moet de eigenaar van de windmolen op basis van jaarlijkse draaigegevens aan kunnen tonen dat wordt voldaan aan de geluidsnormen. Daarnaast kan bij klachten via metingen worden gecheckt of het geluidvermogen (geluidniveau bij de windmolen zelf) overeenkomt met het vooraf ingeschatte geluidvermogen. Op deze manier kan dus ook tussentijds gehandhaafd worden.
Op welke manier waarborgt u dat de nieuwe norm voldoende handhaafbaar is zonder afhankelijk te zijn van informatie van de exploitant?
Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 7 en ook op vraag 4, is handhaving niet afhankelijk van de informatie van de exploitant, maar is ook tussentijdse controle mogelijk via meting van het geluidvermogen. In de praktijk zien we dat sommige bevoegd gezagen aangeven problemen te ervaren met de handhaving omdat zij van mening zijn dat deze alleen na afloop van het jaar kan plaatsvinden. Daarom kijken we hier met aandacht naar bij het opstellen van nieuwe normering.
Wilt u borgen dat bij nieuwe afstandsnormen en geluidsnormen niet opnieuw met gemiddelden gewerkt zal worden, waardoor schadelijke effecten worden weggepoetst? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het hanteren van een jaargemiddelde geluidsnorm betekent niet dat schadelijke effecten worden weggepoetst, aangezien in de middeling de maximale geluidniveaus zwaar meewegen. Zoals bij het antwoord op vraag 7 aangegeven, beperkt dit in sterke mate het maximale geluidniveau, evenals het aantal keer dat dit kan optreden. In de lopende plan-milieueffectrapportage (plan-mer) voor het vaststellen van nieuwe algemene milieuregels voor windturbines wordt hier opnieuw aandacht aan besteed. Ik kan echter niet op de uitkomsten vooruitlopen.
Bent u bereid om op basis van nieuw gestelde normen de al bestaande windmolenparken, en al vergunde projecten, opnieuw te toetsen aan dat beleid en indien nodig compenserende maatregelen te nemen, dan wel bedrijven te vragen dit te doen, om bewoners in hun zorgen tegemoet te komen?
Indien er op grond van de bevindingen in de plan-mer aanleiding is om de normering aan te passen, zal ik bekijken wat nodig is om bewoners rond bestaande windparken en al vergunde projecten tegemoet te komen. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de eerder gemaakte keuzes en rechtszekerheid van de exploitant.
Hoe kijkt u naar de conclusie van het onderzoek van Arcadis, gedaan in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, dat de Nederlandse geluidsnormen lager zijn dan in de vergeleken landen? Op welke manier gaat u de andere conclusies uit het rapport wegen in het opstellen van de nieuwe normen (Kamerstuk 33 612, nr. 80)?
Uit het onderzoek blijkt dat de Nederlandse geluidsnormen niet sterk afwijken van die in omringende landen: er zijn landen met een strengere normering, maar ook landen die ongeveer even streng zijn. De conclusies van het onderzoek naar de effecten van afstandsnormen worden meegenomen in de plan-mer procedure. Zoals al aangegeven kan ik op de uitkomsten hiervan niet vooruitlopen.
Wat heeft de onduidelijke en ondeugdelijke bescherming van omwonenden van windparken volgens u gedaan met het draagvlak van wind-op-land? Deelt u de mening dat strenge en duidelijke normen het draagvlak voor wind-op-land kunnen vergroten?
Ik deel de mening niet dat de bescherming tot nu toe onduidelijk of ondeugdelijk is geweest. In de normering is destijds gekozen voor voldoende bescherming op grond van de best beschikbare wetenschappelijke informatie. De mate van bescherming tegen hinder is in lijn met de bescherming tegen hinder door andere geluidbronnen. Een duidelijke en goed onderbouwde normering is uiteraard van belang voor zowel de bescherming van omwonenden als het draagvlak voor windenergie op land. Bij het stellen van normen moeten we rekening houden met verschillende belangen. Enerzijds zullen deze voldoende bescherming moeten bieden tegen hinder en anderzijds moeten we ook de duurzame energiedoelstellingen halen die binnen Europa zijn afgesproken. In de zoektocht naar de meest geschikte locaties wordt gekeken waar windmolens de minste hinder opleveren, al zullen er altijd situaties blijven waarin omwonenden overlast hebben.
Vindt u het ook pijnlijk dat er nu haast lijkt te zijn om windmolenparken op basis van de oude normen te vergunnen, nu blijkt dat deze normen onvoldoende rekening houden met de belasting voor omwonenden? Lopen deze projecten risico nu helder is dat de HUF-toets uit 2009 is genegeerd in de besluitvorming?
Deze constatering deel ik niet. De landelijke milieunormen kunnen, als gevolg van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtsspraak van de Raad van State van 30 juni 2021, niet meer worden toegepast voor nieuwe windparken. Uit de jurisprudentie is niet gebleken dat onvoldoende rekening is gehouden met de belasting voor omwonenden, alleen dat bij het opstellen van de regelgeving niet de juiste (plan-mer) procedure is gevolgd. Decentrale overheden kunnen, op basis van een lokale milieubeoordeling, lokale milieunormen vaststellen en vergunningen afgeven. Dit gebeurt volgens een zorgvuldig proces.
Met welke partijen spreekt u bij het opstellen van de nieuwe normen? Op welke manier worden private belangen en zorgen van bewoners gewogen bij het opstellen van de nieuwe normen?
Er wordt momenteel gewerkt aan de plan-milieueffectrapportage (plan-mer) voor het vaststellen van nieuwe algemene milieuregels voor windturbines. De nieuwe algemene milieuregels voor windturbineparken worden opgesteld met toepassing van de reguliere AMvB-procedure. Er zal inspraak mogelijk zijn voor een ieder op zowel het milieueffectrapport als de concept-AMvB via de internetconsultatie. Uitgaande van deze procedure met brede participatie, (internet)consultatie, toetsen, advies van de Commissie m.e.r., voorhang en advies van de Raad van State wordt verwacht dat de nieuwe regels eind 2023 in werking kunnen treden.
Deelt u de mening dat er nu gekozen moet worden, vanuit het voorzorgsprincipe, voor strengere normen die in de toekomst niet wederom ter discussie gesteld zullen worden?
Op basis van de plan-mer kan een zorgvuldige afweging gemaakt worden over het beschermingsniveau voor de relevante milieuaspecten. Inhoudelijk kan ik hier niet op vooruit lopen.
Het bericht dat oudgedienden van de Britse luchtmacht training geven en kennis overdragen aan de Chinese krijgsmacht |
|
Alexander Hammelburg (D66) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Christophe van der Maat (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «China Recruiting Former R.A.F. Pilots to Train Its Army Pilots, U.K. Says»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over dit bericht?
Het mogelijk rekruteren van Britse (ex)-vliegers door China is zorgelijk.
Worden er door China in Nederland of bij bondgenoten actief militaire oudgedienden gerekruteerd? Zo ja, wat doet u daaraan? Zo nee, heeft u hier zicht op?
Zoals in het openbare MIVD jaarverslag 2021 staat, onderkent Nederland dat China streeft naar een moderne krijgsmacht van wereldklasse en dat China omvangrijke en structurele inlichtingenactiviteiten uitvoert om dit doel te bereiken.2 De MIVD doet actief onderzoek naar deze Chinese activiteiten om de dreiging tegen te gaan. Vanwege het gerubriceerde karakter van dit onderzoek kunnen hierover in het openbaar geen uitspraken worden gedaan. Uw Kamer wordt hierover via de geëigende kanalen geïnformeerd.
Ziet de huidige wetgeving erop toe dat dienende en oudgediende medewerkers van Defensie mogen werken voor buitenlandse mogendheden in functies waarbij kennis en kunde die de directe of indirecte veiligheid in het geding kunnen brengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
De huidige wetgeving voorziet erin dat in geval militairen in actieve dienst zonder verlof daartoe en met inachtneming van de geheimhoudingsplicht in vreemde krijgsdienst treden, de strafbaarheid daarvan conform het Wetboek van Militair Strafrecht als desertie kan worden beschouwd. Voor burgers geldt dat in krijgsdienst treden bij een vreemde mogendheid alleen strafbaar is indien dit plaatsvindt wanneer een oorlog met die staat in het vooruitzicht ligt.
Op basis van de Wet ambtenaren defensie en de Ambtenarenwet 2017 geldt dat iedere (militair) ambtenaar verplicht is tot geheimhouding van enig gegeven, de dienst betreffende, tegenover een ieder die tot kennisneming daarvan niet bevoegd is, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt. Strafrechtelijke handhaving volgt uit het Wetboek van Strafrecht. Ook vloeit uit deze wetten voort dat medewerkers nevenwerkzaamheden moeten melden als die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met de functievervulling kunnen raken. Het verbieden van nevenactiviteiten is aan de orde indien goede vervulling van de functie of de dienst, onvoldoende gegarandeerd kan worden.
Voor zittend Defensiepersoneel, dat op basis van een verklaring van geen bezwaar (VGB) werkzaam is bij Defensie, geldt bovendien dat zij bij herhaling worden onderworpen aan een veiligheidsonderzoek door de MIVD, waarbij «loyaliteit» en «ongewenste beïnvloeding» een van de beoordelingsfactoren zijn (Beleidsregel veiligheidsonderzoeken 2021). 3 In dienst treden bij een andere mogendheid kan dus leiden tot een intrekking van de VGB en daarmee ontheffing uit de functie.
Bovenstaande is niet van toepassing op mensen die niet meer in dienst van Defensie zijn. Wel blijft voor hen, ook na beëindiging van het dienstverband, de wettelijke geheimhoudingsplicht gelden.
Is dit onderwerp van gesprek in internationale gremia zoals de Raad Buitenlandse Zaken Defensie, de NAVO of de Joint Expeditionary Force?
Het kabinet beziet momenteel samen met het Verenigd Koninkrijk en andere internationale partners of aanvullende acties, in aanvulling op de mogelijkheden zoals beschreven in antwoord op vraag 4, nodig en mogelijk zijn.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het schrijnende tekort aan forensisch artsen |
|
Ingrid Michon (VVD), Songül Mutluer (PvdA), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Kuipers , Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de brandbrief «grenzen forensische geneeskunde bereikt» van de 25 GGD’en?1
Ja.
Hoe vaak is het sinds deze brandbrief voorgekomen dat er geen forensisch arts beschikbaar was voor lijkschouw, forensisch medisch onderzoek of medische arrestantenzorg binnen de daarvoor voorgeschreven tijd?
Uit informatie van de GGDGHOR en de politie blijkt dat het sinds de verzending van de aangehaalde brandbrief in meerdere regio’s is voorgekomen dat een dienst niet kon worden gevuld – wij gaan ervan uit dat uw Kamer een dergelijke situatie beschrijft als «code zwart» – omdat er geen forensisch arts beschikbaar was. Dit ondanks dat veel forensisch artsen al meer diensten draaien dan gewenst. In de regio Limburg kwam dit eind vorig jaar gemiddeld 3 keer per maand voor en ook in de regio Oost is dit meerdere keren voorgevallen. De werkzaamheden in deze diensten zijn, indien mogelijk, doorgeschoven naar een volgende dienst. Bij bijvoorbeeld een lijkschouw is dat vaak nog wel mogelijk, maar bij bijvoorbeeld bloedonderzoeken naar gebruik van drugs of alcohol niet, omdat deze binnen een bepaalde tijdsspanne uitgevoerd moeten worden. Deze onderzoeken kunnen dan niet meer worden uitgevoerd. Daarnaast moeten de opsporingsinstanties, andere zorgverleners en slachtoffers en nabestaanden in het hele land vaker langer dan gewenst (en afgesproken) wachten op een forensisch arts.
Hoe vaak is sindsdien code zwart bij de GGD’en voorgekomen?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben zich sinds de brandbrief situaties voor gedaan waarbij mogelijke sporen van bijvoorbeeld kindermisbruik of kindermishandeling niet tijdig konden worden veiliggesteld doordat er geen forensisch arts beschikbaar was?
Bij mij zijn, ook na navraag gedaan te hebben, geen signalen bekend dat er zich situaties hebben voorgedaan waarbij mogelijke sporen van kindermisbruik of kindermishandeling niet tijdig veilig konden worden gesteld doordat er geen forensisch arts beschikbaar was.
Welke oplossingen zijn er op dit moment voor het sporenonderzoek bij minderjarige slachtoffers van zedendelicten? Wordt voor de leeftijdsgroep 0–12 jaar nog steeds gebruik gemaakt van het landelijk onderzoeks- en expertisebureau Forensisch Medisch Onderzoek (FMO) en zo ja, hoe duurzaam is deze oplossing? Is er daarnaast ook een oplossing voor de leeftijdsgroep 13–15 jaar, waar op 10 juni 2022 nog geen oplossing voor was?2
In de huidige situatie wordt tijdelijk gebruik gemaakt van het Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO voor het acuut zedenonderzoek in de leeftijd 0 t/m 12 jaar. Dit bureau vormt tevens een vangnet voor de leeftijdsgroep 13 t/m 15 jaar voor die situaties waarin het NFI voorheen de onderzoeken uitvoerde. Deze inzet loopt door tot eind 2023. Op dit moment worden scenario’s voor een duurzame oplossing uitgewerkt samen met de GGD-en, het NFI en het LOEF.
Deelt u de ernstige zorgen over deze situatie en de mening dat hier zo snel mogelijk een structurele oplossing voor moet komen?
Ja.
Welke stappen zijn er vanuit uw drie ministeries gezet sinds de laatste antwoorden aan de Kamer3 om tot een structurele oplossing te komen?
Bij brief van 15 november 2021 is uw Kamer geïnformeerd over de noodzakelijke structurele maatregelen om de forensische geneeskunde en daarmee ook de dienstverlening aan gemeenten, politie en OM op de lange termijn te versterken.4
De uitvoering van deze maatregelen vergt een structurele investering van ca. € 20 miljoen per jaar. Vanuit het Ministerie van JenV is met een ingroei in 2023 en 2024 structureel 9,5 miljoen beschikbaar. Hiermee kunnen de belangrijkste knelpunten worden aangepakt. Er wordt op dit moment nog gezocht naar aanvullende middelen. Ik ben in gesprek met de Ministers van VWS en BZK over het vervolg.
Welke resultaten hebben de pilots bij de GGD’en voor taakherschikking in de forensische geneeskunde opgeleverd en welke mogelijkheden bieden deze resultaten voor structurele borging van de forensische zorg?
Deze herschikking heeft opgeleverd dat in vrijwel alle regio’s nu (forensisch) verpleegkundigen werkzaam zijn in de uitvoering binnen de forensische geneeskunde. Het betreft dan vooral inzet bij de uitvoering van bloedproeven (onderdeel van het forensisch medisch onderzoek) en de medische arrestantenzorg. Daarnaast worden er in vijf regio’s ook basisartsen ingezet voor deze taken. De opgedane ervaringen met de inzet van deze professionals zijn positief en worden gedeeld met andere regio’s. Uit de pilots komt ook naar voren dat door taakdifferentiatie forensisch artsen ruimte krijgen om zich meer te richten op de meer specialistische en complexere taken, waarvoor ze zijn opgeleid. Uit de pilots blijkt eveneens dat door de genoemde taakherschikking (forensisch) verpleegkundigen en de basisartsen een inhoudelijk aantrekkelijk takenpakket geboden kan worden. Dit versterkt de interesse in het vak en biedt mogelijkheden voor doorontwikkeling, bijvoorbeeld via het volgen van de opleiding forensische verpleegkunde of forensische geneeskunde.
De inzichten uit de pilots voor taakherschikking kunnen een impuls geven aan de dienstverlening op het terrein van de forensische geneeskunde, mits het mogelijk is de (forensisch) verpleegkundigen en basisartsen een volwaardig takenpakket te bieden en mogelijkheden voor doorontwikkeling. Deze voorwaarden worden in 2023 verder verkend.
Het bericht dat studentgegevens ondanks kritiek massaal in de cloud zijn gezet |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Studentgegevens ondanks kritiek massaal in de cloud gezet»?1
Ik herken de bezorgdheid die uw Kamer hierover uit. Het gebruik van clouddiensten is sterk groeiend vanwege de voordelen die het biedt. Er zijn internationaal vele aanbieders, en het is afhankelijk van de leverancier en contractbepalingen of de privacy in het geding zou zijn of niet. Net als bij andere vormen van uitbesteding is het nodig de voordelen en de risico’s af te wegen. Dat is een afweging die een kennisinstelling zelf maakt. Dat maakt dat ik over digitale veiligheid, privacy en de daarbij horende risico’s al langer in gesprek ben met de sector.
Waarom hebben het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, universiteiten en hogescholen de waarschuwingen van experts in de wind geslagen en driekwart van hun studentgegevens opgeslagen bij datacenters van Microsoft en Amazon?
Ik deel de stelling niet dat universiteiten en hogescholen de waarschuwingen in de wind hebben geslagen. In de gesprekken die ik met de sector voer, merk ik dat digitale veiligheid serieus wordt genomen. We maken gezamenlijk werk van digitale veiligheid. Een belangrijk voorbeeld zijn Data Protection Impact Assessments (DPIA’s). Dit zijn risicoanalyses die we samen met SURF, Kennisnet en SIVON faciliteren2 op producten die in het onderwijs veel gebruikt worden. Daardoor kunnen instellingen beter geïnformeerde afwegingen maken over de privacy van leerlingen en studenten.
Een eerder uitgevoerde DPIA van Microsoft maakte duidelijk dat er voor het gebruik van bepaalde Microsoft-producten geen grote risico’s overblijven, mits de gebruiker een aantal mitigerende maatregelen neemt. Bij het assessment van Google zijn privacyrisico’s geconstateerd, met name over hun omgang met metadata. Vervolgens zijn met Google afspraken gemaakt over het mitigeren van deze geconstateerde risico’s. In algemene zin is het beheersen van risico’s ook een essentieel onderdeel in de Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS) 2022–2028 die recent is gepubliceerd.3
In meerdere Kamerbrieven heb ik uiteengezet welke maatregelen (hoger) onderwijsinstellingen precies nemen om de digitale veiligheid en de cyberweerbaarheid van de sector te vergroten, zo ook in mijn laatste Kamerbrief over digitale veiligheid4. Bij die maatregelen ligt prioriteit op het vergroten van bewustzijn rondom cyberdreigingen, het borgen van risicomanagement om meer inzicht te krijgen in de risico’s en deze op kosteneffectieve wijze te mitigeren én aandacht voor (keten-) samenwerking om kennis-en informatiedeling over risico’s, monitoring en detectie te vergroten. Verder is in de Nationale Leidraad Kennisveiligheid een hoofdstuk over cyberveiligheid opgenomen. Tot slot werkt SURF met de aangesloten instellingen, onderwijskoepels, ketenpartners en marktpartijen doorlopend aan het verbeteren en waarborgen van de digitale veiligheid.
Erkent u dat het cloudgebruik omstreden is, omdat de privacy in het geding is? Welke mogelijke gevaren liggen op de loer door dit cloudgebruik?
Zoals ik bij vraag 1 schreef zijn er internationaal vele aanbieders, en het is afhankelijk van de leverancier en contractbepalingen of de privacy in het geding zou zijn of niet. Net als bij andere vormen van uitbesteding is het zinvol de voordelen en de risico’s af te wegen en dat doen de instellingen ook.
Om de veiligheid van gegevensverwerkingen te waarborgen en te voorkomen dat een verwerking inbreuk maakt op de AVG, moet de verwerkingsverantwoordelijke de aan de verwerking inherente risico’s beoordelen. Zo kan die op grond van een objectieve en zo concreet mogelijke risicobeoordeling passende technische en organisatorische maatregelen nemen. Die maatregelen moeten passen bij de grootte van het risico. Als een verwerking toch een hoog risico blijft inhouden, dan is voorafgaand aan de verwerking een DPIA verplicht, zodat op basis daarvan maatregelen kunnen worden genomen om die risico’s te voorkomen of te reduceren.
Mocht de verwerking van persoonsgegevens door Clouddiensten van buiten de Europese Unie plaatsvinden, dan is het verder belangrijk dat inzichtelijk wordt gemaakt hoe dit rechtmatig plaatsvindt. Een dergelijke verwerking kan rechtmatig zijn, mits voldaan aan de voorwaarden van hoofdstuk V van de AVG. Daarbij is het van belang dat de richtsnoeren die op 18 juni 2021 zijn vastgesteld door het Europees Comité voor Gegevensbescherming (EDPB) worden gevolgd. Deze richtsnoeren beogen bedrijven en organisaties conform de AVG handvatten te bieden bij de beoordeling welke aanvullende maatregelen zij kunnen treffen bij de verwerking van persoonsgegevens door derden.
Waarom kiezen hogescholen en universiteiten ervoor om studentgegevens op te slaan bij datacenters van buitenlandse techreuzen? Bent u bereid om hier een stokje voor te steken?
Instellingen zijn zelf eigenaar van data en «verwerkingsverantwoordelijke» zoals bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Ze zijn dan ook vrij en zelf verantwoordelijk voor het vormgeven en aangaan van samenwerkingen op het gebied van ICT en het gebruik van clouddiensten.
Instellingen moeten zeer zorgvuldig met persoonsgegevens omgaan en zij moeten de juiste technische en organisatorische maatregelen nemen om risico’s voor betrokkenen zoveel mogelijk te beperken. Daarbij moet geldende wet- en regelgeving worden nageleefd. Dat wordt onder andere geëffectueerd met de eerdergenoemde DPIA’s en geborgd met de implementatie van de Nationale Leidraad Kennisveiligheid. Zoals ik eerder noemde moeten instellingen gedetailleerde risicoanalyses uitvoeren. Op basis van die analyses kan SURF onderhandelen met leveranciers, om te borgen dat met name niet-Europese leveranciers zich aan Europese (en Nederlandse) wetgeving houden.
De Nederlandse onderwijswereld gebruikt, net als de rest van de maatschappij, op grote schaal de digitale diensten van een beperkte groep van grote Amerikaanse techbedrijven. In ons veld helpt SURF met het bevorderen of onderzoeken van mogelijke Europese alternatieven onder meer om vendor lock-in te voorkomen. Zo is SURF actief in de European Open Science Cloud van de EU en lid van GAIA-X. Daarnaast draait bijvoorbeeld SURFdrive, voor het opslaan en delen van data, op daar onderliggende Europese open software zoals ownCloud. Ook wordt momenteel, in het kader van de Cyberbeveiligingsverordening (Cyber Security Act), een Europees certificatieschema ontwikkeld voor de clouddiensten. De cyberbeveiligingsverordening is een Europese verordening, die een Europees kader introduceert op het gebied van cyberbeveiligingscertificering.
Klopt het dat Amerikaanse opsporingsdiensten toegang kunnen hebben tot de studentgegevens van Nederlandse studenten? Welke andere (buitenlandse) instanties hebben inzage in deze gegevens?
Onder de AVG (GDPR) is doorgifte van persoonsgegevens naar een land buiten de Europese Economische Ruimte (EER) alleen toegestaan als dat land persoonsgegevens even goed beschermt als landen binnen de EER.5 Nationale wetgeving in de VS kent bevoegdheden voor inlichtingendiensten om toegang te verkrijgen tot persoonsgegevens van EU-burgers. Datadoorgifte tussen de EU en de Verenigde Staten (VS) was mogelijk via de EU-VS Privacy Shield afspraken. Op 16 juli 2020 heeft het Hof van Justitie van EU deze afspraken echter ongeldig verklaard. Het beschermingsniveau was onvoldoende. Dit betekent dat voor doorgifte van persoonsgegevens aan de VS, het EU-VS privacy shield niet meer gebruikt mag worden en de gegevensverantwoordelijke aanvullende waarborgen moet treffen.
Op 25 maart 2022 maakten president Von der Leyen en president Biden bekend dat ze een principeakkoord hebben bereikt over nieuwe afspraken voor datadoorgifte. Op 7 oktober 2022 ondertekende president Biden een Executive Order voor implementatie van deze afspraken. De Executive Order introduceert nieuwe bindende waarborgen om alle door het Hof van Justitie van de EU aan de orde gestelde punten aan te pakken, de toegang tot EU-gegevens door Amerikaanse inlichtingendiensten te beperken en een Data Protection Review Court in te stellen.6
SURF werkt ook actief aan dit onderwerp. Binnen de Taskforce Beyond Privacy Shield werkt SURF samen met de onderwijs- en onderzoekssector om te bepalen hoe de sector het beste met deze situatie kan omgaan. Er wordt gezamenlijk gewerkt aan aanbevelingen en best practices voor een veilige internationale uitwisseling van persoonsgegevens en alternatieven voor het EU-VS Privacy Shield. SURF en de leden kunnen deze aanbevelingen en best practices gebruiken binnen de eigen organisatie.7
De Cloud Act en wet- en regelgeving uit andere landen maakt het in theorie mogelijk dat opsporingsdiensten toegang krijgen tot deze gegevens. Een risicobeoordeling kan als uitkomst hebben dat dat risico niet onacceptabel groot is. Echter, het is niet uitgesloten dat nadere regelgeving dit anders maakt. Aan het einde van dit jaar wordt namelijk onder meer nadere guidance verwacht van de EDPB (privacytoezichthouders van de EU lidstaten) aangaande internationale doorgifte van persoonsgegevens. Onder meer het Strategisch Leveranciersmanagement Microsoft (SLM) Rijk volgt deze ontwikkelingen op de voet.
Bent u van mening dat studentgegevens niet door commerciële partijen bewaard moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Universiteiten en hogescholen zijn vrij om de softwareleveranciers te kiezen die het beste bij hun activiteiten passen, of deze partijen nu een winstoogmerk hebben of niet. Uiteraard zijn de eerder genoemde waarborgen en risicoanalyses belangrijk bij het kiezen van leveranciers.
Van welke andere commerciële bedrijven zijn universiteiten en hogescholen nog meer afhankelijk? Vindt u dat deze commerciële afhankelijkheid onwenselijk is en de vrije keuze van universiteiten en wetenschappelijke integriteit ondermijnt?
Een lijst van alle commerciële bedrijven waarmee instellingen zaken doen kan ik niet te geven. De keuze voor leveranciers is onderdeel van de autonomie die universiteiten en hogescholen hebben. Bij elke afspraak tot commerciële dienstverlening bestaat een zekere afhankelijkheid. Deze is niet inherent beperkend voor de vrije keuze van universiteiten, en ondermijnt niet inherent de wetenschappelijke integriteit. Dergelijke risico’s moeten onderdeel zijn van de afweging van de instelling, voordat en terwijl de dienst wordt afgenomen. Dit geldt voor commerciële en voor niet-commerciële dienstverlening.
Verder is het belangrijk om open source alternatieven te verkennen, op nationaal en Europees niveau. Dit heeft mijn voorganger ook eerder in Brussel aangekaart bij de Europese Commissie en hen verzocht om de ontwikkeling van openbare opensource alternatieven voor grote particuliere digitale platforms te ondersteunen.
Bent u bereid om in samenspraak met deskundigen en onderwijsinstellingen de mogelijkheid van een alternatief in eigen beheer te onderzoeken, zodat hogescholen en universiteiten niet meer afhankelijk zijn van techreuzen?
Zoals ik bij vraag 4 benoemde voert SURF projecten uit waarin wordt gekeken naar open source alternatieven, o.a. voor open source leeromgeving, open source samenwerkingsomgeving (waar de bekende officeapplicaties incl. videobellen een subonderdeel van kunnen zijn), open source enquête tools en meer keuzes in grafische software, ook in open source varianten. De verkenningen moeten antwoord geven op vragen over o.a. de gebruiksvriendelijkheid, de toepasbaarheid binnen een bestaande organisatie, support en ondersteuning, beheer, security, privacy, betrouwbaarheid en kansen van die software in relatie tot andere onderwijssystemen.
Mijn voorganger heeft de Europese Commissie verzocht om de ontwikkeling van openbare opensource alternatieven voor grote particuliere digitale platforms te ondersteunen.8 Vooralsnog heeft dit in EU-verband niet tot concrete vervolgacties op onderwijsgebied geleid.9 Nederland zal hiervoor aandacht blijven vragen. Ook zal Nederland een gezonde(re) marktwerking, publieke waarden en onderwijskwaliteit blijven agenderen in het Europese debat.
Kunt u een overzicht geven van de bedragen die worden overgemaakt naar deze techreuzen door hogescholen en universiteiten voor de data-opslag?
Het is niet mogelijk om een dergelijk overzicht te geven, omdat het veld decentraal georganiseerd is en de instellingen autonoom keuzes maken. Dergelijke afspraken worden niet bij OCW gemeld.
Bent u bereid om met hogescholen en universiteiten in gesprek te gaan om een einde te maken aan het opslaan van studentgegevens bij techreuzen?
In dit vraagstuk vind ik het niet zozeer van belang of de gegevens bij een «techreus» zijn opgeslagen of bij een andere commerciële of niet-commerciële aanbieder. Het opslaan van gegevens in de cloud kent, naast risico’s, ook voordelen voor de instellingen. Ik ben bereid om, naast de inspanningen die ik eerder noemde, in de periodieke gesprekken die ik met de instellingen voer, het gesprek aan te gaan over het opslaan van studentgegevens bij derden. Een einde maken aan het extern opslaan van gegevens is daarbij echter geen uitgangspunt door de autonomie die instellingen hebben en de risicoanalyses en maatregelen die door de instellingen worden toegepast.
Belemmerende regels voor multifunctionele landbouw |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de problemen waar agrarische ondernemers die een neventak, zoals kinderopvang, willen starten, tegenaan lopen en van de aangedragen oplossingen?1, 2
Ja.
Hoe waardeert u de ontwikkeling van multifunctionele landbouw in het licht van de gewenste versterking van het verdienmodel van boeren en het verkleinen van de afstand tussen boeren en burgers/consumenten?
Uit recent onderzoek van Wageningen Economic Research blijkt dat de omzet van multifunctionele landbouw inmiddels is gestegen tot naar schatting ruim een miljard euro in 2020. Deze sector draagt vanwege het karakter van de diensten (bijvoorbeeld zorg, natuurbeheer, recreatie) ook bij aan de economische ontwikkeling en de maatschappelijke en ecologische kwaliteit van een gebied. Ik zie dat multifunctionele landbouw daarom ook een belangrijke rol kan spelen in zowel het verdienmodel van de boer en dat het ook een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verkleinen van de afstand tussen boeren en burgers.
Wat is via de samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven in het platform Multifunctionele Landbouw in de afgelopen jaren concreet bereikt om knelpunten met betrekking tot ruimtelijke ordening (bestemmingsplannen), regeldruk en vergelijkingscijfers ten behoeve van financiering aan te pakken?
In de afgelopen jaren heeft de samenwerking in het Platform Multifunctionele Landbouw (MFL) op diverse manieren bijgedragen aan de verdere doorontwikkeling van de multifunctionele landbouw.
Zo is het voorjaar een nieuwe omzetmeting van de multifunctionele landbouw uitgevoerd. Daarnaast zijn er recent diverse workshops over multifunctionele landbouw georganiseerd voor agrarische adviseurs. Tevens zijn in het Kennis op Maat-project3 diverse brochures voor ondernemers geactualiseerd, die ondernemers kunnen helpen bij het opzetten en doorontwikkelen van een neventak.
Neemt u multifunctionele landbouw mee in het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en het bijbehorende transitiefonds?
Ik ben in gesprek over het position paper over Multifunctionele landbouw dat LTO recent heeft uitgebracht, over de belangrijkste uitdagingen voor de ontwikkeling van MFL-activiteiten. In overleg met de partijen in het Platform MFL ga ik de komende tijd kijken hoe multifunctionele landbouw verder gestimuleerd kan worden, en welke middelen daarvoor nodig zijn.
Hoe waardeert u de constatering dat het in veel gemeenten nog lastig blijkt te zijn om vergunningen te krijgen voor onder meer kinderopvang bij boerderijen vanwege onbekendheid en starre bestemmingsplannen?
Ik heb hiervan kennisgenomen, en heb LTO gevraagd om deze belemmeringen in kaart te brengen. Ik ben nu in gesprek met o.a. de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) om te kijken hoe en waar we deze belemmeringen kunnen wegnemen.
Hoe waardeert u de constatering dat in verschillende gemeenten multifunctionele bedrijven belemmerd worden in hun ontwikkeling, omdat specifieke eisen gesteld worden aan de algemene voorwaarde dat het moet gaan om een neventak van het landbouwbedrijf (zoals omzetverhoudingen tussen neven- en hoofdtak, winkeloppervlak)?
Het is aan de betrokken gemeenten om in vergunningsverlening te toetsen aan de relevante wet- en regelgeving; daar kunnen ook door lokale omstandigheden verschillen optreden tussen eisen die gesteld worden in verschillende gemeentes.
Deelt u de mening dat bijvoorbeeld de eis dat de neventak niet meer dan 50 procent van de omzet van het bedrijf mag uitmaken voor agrarische bedrijven, moeilijk werkbaar is en ook geen recht doet aan het feit dat bij een hoger omzetpercentage nog steeds sprake kan zijn van een volwaardige landbouwtak?
Het kan zijn dat in sommige gemeenten bijvoorbeeld de vergunning voor kleinschalig kamperen gekoppeld is aan het uitoefenen van een actief agrarisch bedrijf, en dat daarbij een specifiek omzetpercentage is opgenomen. Eén van de redenen hiervoor is mogelijk de wens tot behoud van de agrarische hoofdfunctie van een gebied. Gemeenten kunnen die koppeling heroverwegen. Ik heb de VNG gevraagd om te inventariseren hoe dat nu bij verschillende gemeenten geregeld is en ga hierover verder in gesprek, ook om te kijken of dat mogelijk in de toekomst tot belemmeringen kan leiden wanneer boeren in de transitie zich gaan oriënteren op het verbreden van het verdienmodel
Bent u bereid ervoor te zorgen dat in overleg met de sector, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) een handreiking wordt opgesteld voor ontwikkeling en ruimtelijke inpassing van multifunctionele landbouw, zodat medeoverheden het wiel niet steeds opnieuw hoeven uit te vinden, best practices benut kunnen worden en onnodige beperkingen voorkomen worden?
Ja, daartoe ben ik bereid. Ik heb contact gelegd met de VNG hierover, en op dit moment wordt er aan een voorstel gewerkt om de «Handreiking Multifunctionele Landbouw en Ruimtelijke Ordening» uit 20114 te actualiseren. De informatie uit deze handreiking kan door gemeenten worden toegepast bij gemeentelijke beleidsafwegingen en bij het maken van plannen op het terrein van ruimtelijke ordening, economie en milieu.
Heeft u kennisgenomen van de negatieve gevolgen van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) voor zorgboerderijen?3
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Hoe gaat u erop toezien dat bij nieuwe wet- en regelgeving rekening wordt gehouden met de gevolgen voor zorgboerderijen en onwerkbare regelgeving voorkomen wordt?
Bij elk voorstel voor nieuwe wet- en regelgeving wordt gekeken naar de regeldruk die een dergelijk voorstel met zich brengt. Daarbij worden ook de uitvoerbaarheid en werking van regelgeving meegewogen.
Deelt u de constatering dat het voor het verkrijgen van financiering voor multifunctionele landbouw van groot belang is dat sectorbrede vergelijkingscijfers en kengetallen, bijvoorbeeld over de bezetting van zorgboerderijen, beschikbaar komen?
Ja, het is in het belang van de boeren, accountants en financiers dat er steeds meer kengetallen komen voor multifunctionele landbouwbedrijven voor de verdere doorontwikkeling van de sector.
Welke rol zou u kunnen spelen om ervoor te zorgen dat dergelijke vergelijkingscijfers en kengetallen ontwikkeld worden? Bent u voornemens in overleg met de sector hierop in te zetten?
Het ministerie kan een rol spelen bij de kennisontwikkeling. Wel verwacht ik dat ondernemers, accountants en banken hier ook in bijdragen, zodat deze vergelijkingscijfers en kengetallen ook van waarde kunnen zijn voor de betrokken partijen.
Welke (andere) maatregelen heeft u voor ogen om de ontwikkeling van multifunctionele landbouw te stimuleren en te faciliteren?
Zoals ik heb aangegeven ga ik verder in gesprek over de position paper die LTO recent heeft uitgebracht over de belangrijkste uitdagingen voor de ontwikkeling van MFL-activiteiten. Met LTO en de andere betrokken partijen in het Platform MFL gaan we de komende tijd kijken welke maatregelen er nodig zijn om de verdere doorontwikkeling van multifunctionele landbouw te stimuleren en te faciliteren.
Het energieplafond en blokverwarming |
|
Pieter Omtzigt |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
Herinnert u zich dat motie-Omtzigt c.s. (Kamerstuk 36 200, nr. 119), die met algemene stemmen is aangenomen en dat die motie verzoekt bij de verdere uitwerking van het prijsplafond een voorstel te doen voor situaties waarin er meerdere huishoudens per aansluiting zijn, inclusief ook bijvoorbeeld woon-zorgcomplexen, kleinschalige zorghuizen, zoals Thomashuizen, en complexen voor studentenhuisvesting?
Ja.
Herinnert u zich tevens de motie-Omtzicht over ervoor zorgen dat energiebedrijven onder het prijsplafond een vergoeding krijgen op basis van de inkoopprijs met een kleine mark-up gebaseerd op reële kosten (Kamerstuk 36 200, nr. 118)?
Ja
Bent u ervan op de hoogte dat veel gebruikers van blokverwarming geen inzicht hebben in hun kosten, omdat zij geen inzicht krijgen (bij bijvoorbeeld de verhuurder) in de kostenopbouw van de geleverde energie, dat zij niet weten hoeveel elke eenheid verbruikte energie kost (als zij al meters hebben) en pas maanden na afloop van het jaar de afrekening krijgen?
De artikelen 8, 8a en 8b van de Warmtewet en het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie bevatten reeds een groot aantal verplichtingen ten aanzien van het meten en factureren van warmte die ook van toepassing zijn op aanbieders van blokverwarming. Op grond daarvan zijn deze aanbieders nu al verplicht om gebruikers van blokverwarming het in de vragen genoemde inzicht te bieden.
Ik ben er desondanks van op de hoogte dat het voor sommige gebruikers van blokverwarming lastig is om hun energiekosten in te zien, bijvoorbeeld omdat zij een woning huren en geen inzage krijgen in het jaarlijkse afrekenoverzicht en energiecontract dat de verhuurder met de energieleverancier heeft afgesloten. Huurders hebben echter op grond van artikel 7:259 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op inzage in de kosten van de door de verhuurder geleverde energie en/of warmte zoals in het geval van blokverwarming. Huurders behoren hiervoor de relevante stukken uiterlijk zes maanden na het verstrijken van het kalenderjaar van hun verhuurder te ontvangen. Huurders kunnen hun verhuurder hierom verzoeken en als het nodig is een procedure starten bij de Huurcommissie en/of de kantonrechter.
Uitzondering hierop is de situatie waarin een verhuurder een all-in-prijs hanteert. In dat geval maakt de verhuurder geen onderscheid tussen de huurprijs en de servicekosten en zijn er voor de verhuurder geen wettelijke mogelijkheden om de all-in-prijs te verhogen, bijvoorbeeld omdat de energieprijzen stijgen. Het risico van stijgende energieprijzen ligt daardoor bij de verhuurder. Dat betekent dat het voor de huurder, die gebruiker is van het warmteleveringssysteem, in principe niet mogelijk is de verschillende kosten in te zien: die prijs is afgesproken en ligt vast. Huurders die behoefte hebben aan een opsplitsing van de huurprijs en de servicekosten voor gas, water en licht kunnen hun verhuurder daarom vragen op grond van artikel 7:258 BW. Ook daarvoor geldt dat huurders een procedure kunnen te starten bij de Huurcommissie.
In een Vereniging van Eigenaars (VvE) met blokverwarming worden de energiekosten van een individuele appartementseigenaar/gebruiker niet automatisch berekend op basis van het individuele verbruik van de appartementseigenaar of huurder. Wanneer in het splitsingsreglement van de VvE is opgenomen dat het individuele energieverbruik wordt berekend conform breukdeel van het appartementsrecht, dan is de splitsingsakte leidend.
Deelt u de mening dat het, zeker met hoge energieprijzen, voor afnemers van blokverwarming duidelijk moet zijn hoeveel energie zij gebruiken en welke kosten zij maken? Wilt u ervoor zorge dat er ook minimumstandaarden – bij voorkeur in de wet – komen waaraan die informatie moet voldoen?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat mensen die blokverwarming gebruiken, gebruik kunnen maken van het energieplafond?
In mijn brief van 7 oktober heb ik aangegeven dat het kabinet zich maximaal inspant om een oplossing te vinden en de Kamer hierover uiterlijk bij de publicatie van de prijsplafondregeling zal informeren. Voor 2023 streeft het kabinet naar een specifieke tegemoetkoming voor huishoudens met blokaansluitingen (warmte en elektriciteit). Een regeling hiervoor, die de hoogste prioriteit heeft, wordt onder coördinatie van de Belastingdienst uitgewerkt.
Huishoudens met een eigen individuele aansluiting voor elektriciteit en gas zullen voor het energieverbruik via die aansluitingen onder het prijsplafond gaan vallen.
Wilt u ook specifiek ingaan op de situatie dat er blokverwarming is, maar dat huishoudens ook een eigen elektriciteit en gasaansluiting (voor bijvoorbeeld koken) hebben?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat het geld voor het prijsplafond niet terecht komt bij de organisatie die de blokverwarming exploiteert, immers zeker bij flats, die een gebruik onder het prijsplafond hebben, zou de bewoner geen enkel negatief effect voelen van een extra winstmarge van de exploitant.
Het prijsplafond geldt voor het daadwerkelijke verbruik. De gehanteerde volumegrens betreft een maximum. Indien het daadwerkelijk verbruik onder de volumegrens blijft zal het prijsplafond dus alleen van toepassing zijn voor dat daadwerkelijke verbruik.
Bent u ervan de hoogte dat er nog veel meer situaties zijn, waarin meerdere huishoudens een aansluiting delen zoals Thomashuizen, waar veel bewoners samen een energie aansluiting delen, mantelzorgwoningen, waarbij er twee wooneenheden achter een aansluiting zitten, oude gebouwen (bijvoorbeeld een school) dat is omgevormd tot een kleinschalig appartementencomplex, waar de bewoners via tussenmeters het energieverbruik kennen, winkels met twee of meerdere bovenwoningen, die samen een energie aansluiting hebben, complexen met studentenwoningen, sommigen zelfstandig (studio), sommigen met gedeelde voorzieningen, die samen een elektriciteitsaansluiting hebben, huishoudens die legaal op een camping/vakantiepark wonen en een energierekening krijgen van de beheerder? Kunt u in deze gevallen aangeven hoe mensen gebruik kunnen maken van het prijsplafond?
Ik ben mij er van bewust dat er heel veel verschillende situaties zijn. Dat maakt het vinden van een oplossing voor al die situaties ook complex. In mijn brief van 4 oktober heb ik aangegeven alternatieven voor de in die brief beschreven blokverwarmingssituaties te gaan onderzoeken. Ik probeer daarbij ook zoveel mogelijk rekening te houden met alle verschillende situaties, maar realiseer me daarbij tegelijkertijd dat het vinden van een oplossing voor iedere situatie lastig is. Omdat genoemd onderzoek op dit moment nog loopt kan ik de Kamer op dit moment nog niet informeren over de resultaten en conclusies.
Kunt u aangeven hoe de 190 euro-regeling uitwerkt voor alle huishoudens met een een gedeelde energie-aansluiting zoals hierboven beschreven? Wilt u daarbij specifiek ook ingaan op huishoudens die wel een gedeelde verwarming hebben, maar ook een eigen energieaansluiting?
De regeling is zo vormgegeven dat energieleveranciers voor de maanden november en december dit jaar een subsidie van 190 euro per kleinverbruikersaansluiting met een verblijfsfunctie kunnen aanvragen, die direct verwerkt wordt in de energierekening van de klant. Zodoende ontvangen alle kleinverbruikers met een eigen elektriciteitsaansluiting de tegemoetkoming direct op de energierekening. Omdat het overgrote deel van de woningen met gedeelde verwarming wel een eigen elektriciteitsaansluiting heeft, wordt met deze regeling het grootste deel van de huishoudens met gedeelde verwarming bereikt. In die gevallen waarin meerdere huishoudens gebruik maken van één kleinverbruiksaansluiting voor elektriciteit zal de energieleverancier éénmaal subsidie kunnen aanvragen en verwerken in de energierekening. Dit betekent dat in deze gevallen de huishoudens achter deze aansluiting de tegemoetkoming moeten delen. Vanwege de plotselinge en urgente aard van het probleem, gaat het om een tijdelijke regeling die op zeer korte termijn tot stand gekomen is en daarom geen nauwkeurigere afbakening of maatwerk kan bevatten. Daardoor was het niet mogelijk om voor uitzonderingsgevallen, zoals wanneer er meerdere huishoudens gebruik maken van één elektriciteitsaansluiting, een werkbare oplossing te vinden.
Klopt het dat huishoudens met een vast contract en huishoudens die minder dan 190 euro kosten per maand betalen, ook de 190 euro per maand krijgen in november en december? Zo ja, wat is de gedachte daarachter?
Dit klopt. Omwille van het korte tijdpad is het niet mogelijk om te differentiëren op basis van de hoogte van de rekening bij het uit te keren bedrag.
Op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat de regelingen (190 euro regeling en het prijsplafonds) tijdig ingediend worden bij de Kamer, zodat zij vooraf goedgekeurd (of geamendeerd) kunnen worden? Kunt u daarvoor een precies tijdspad schetsen?
De benodigde wijziging van de begroting is middels een incidentele suppletoire begroting bij uw Kamer wordt ingediend. Gelet op het tijdpad is de regeling ten aanzien van de 190 euro in november en december van dit jaar reeds gepubliceerd. Ook ten aanzien van de regeling voor het prijsplafond is het omwille van de snelheid niet mogelijk om de regeling voorafgaande met de Kamer te delen. De hoofdlijnen van de regeling zijn wel al eerder met de Kamer besproken.
Kunt u deze vragen een voor een en zeer spoedig – het liefst binnen ongeveer een week – beantwoorden, aangezien veel mensen grote stress hebben over hun energierekening?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.