De opkoop van stikstofruimte uit boerderijen ten behoeve van het verbreden van de A27 bij Amelisweerd |
|
Pieter Grinwis (CU), Stieneke van der Graaf (CU) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u bij het in gang zetten van het Tracébesluit A27 gewogen wat het inzetten van ammoniakruimte uit boerenbedrijven ten behoeve van het verbreden van een snelweg (waarvoor ook nog bomen moeten worden gekapt) doet met het vertrouwen in de overheid tijdens een stikstofcrisis, zeker gezien de marktmacht van een grote partij als Rijkswaterstaat? Wat zijn uw overwegingen geweest hierbij?
Het Tracébesluit voor de Ring Utrecht is in 2020 vastgesteld en daarvoor loopt op dit moment een beroepsprocedure bij de Raad van State. Intussen zijn begin 2021 naar aanleiding van de tussenuitspraak van de Raad van State over het project A12/A15 Ressen – Oudbroeken (ViA15) de uitgangspunten voor het berekenen van stikstofneerslag op Natura 2000-gebieden gewijzigd. Het te onderzoeken gebied voor stikstof (en daarmee de mogelijk te nemen maatregelen) is vergroot van 5 naar 25 km van het project en alle wegvakken met netwerkeffecten als gevolg van het project. Hierdoor was het noodzakelijk om het stikstofonderzoek te actualiseren naar de laatste inzichten en de geldende wet- en regelgeving.
Bovendien onderschrijf ik nog steeds de doelstellingen van het project, namelijk het verbeteren van de bereikbaarheid/doorstroming, de verkeersveiligheid en de leefbaarheid rond de weg. Het project betreft het aanleggen van extra rijstroken en het scheiden van drukke, kruisende verkeersstromen. Daarnaast worden voor verbetering van de leefbaarheid rond de weg nieuwe, hogere geluidsschermen geplaatst en wordt een deel van de weg overkapt.
Hoeveel boerenbedrijven zijn c.q. vergunningruimte is precies wanneer en waar tegen welke prijs opgekocht? Hoe verhield de betaalde prijs zich tot de destijds actuele marktwaarde van agrarische grond in de omgeving?1
Met acht agrarische bedrijven is op vrijwillige basis een overeenkomst gesloten, waarin is overeengekomen dat activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd, de vergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken en de depositiereductie die dat oplevert, ingezet kan worden ter mitigatie van mogelijke effecten als gevolg van het project.
In bijlagen bij het tracébesluit staat beschreven wanneer met welke bedrijven een overeenkomst is gesloten en is per bedrijf onder andere in beeld gebracht wat de toegestane feitelijk gerealiseerde capaciteit is, hoeveel ammoniakemissie is ingezet voor mitigatie en hoeveel depositieruimte dit oplevert.2
De in de overeenkomst genoemde bedragen betreffen gevoelige informatie die de onderhandelingspositie van de Staat raakt. In het geval agrarisch onroerend goed is verworven, dan is de marktwaarde hiervan getaxeerd door een erkend taxateur.
Waarom is er alleen gekozen voor de opkoop van boerenbedrijven en niet voor andere bedrijvigheid, zoals een papierfabriek?
Daar is niet bewust voor gekozen. De overeenkomsten zijn op vrijwillige basis gesloten. De acht agrarische ondernemers hebben interesse getoond om een overeenkomst te sluiten.
Hoe komt het dat voor het aanleggen van wegen binnen zeer afzienbare tijd stikstofruimte gecreëerd kan worden, terwijl dat voor PAS-melders of natuurherstel maar niet lukt? Vindt u dat niet buitengewoon wrang? Zo ja, wat doet u eraan? Zo nee, waarom niet?
Het is niet zo dat voor de aanleg van wegen eerder stikstofruimte kan worden gevonden dan voor andere doeleinden. Omdat het stikstofonderzoek en het zoeken naar stikstofruimte veel tijd en capaciteit kost, lopen veel wegenprojecten jaren vertraging op. Ook voor andere doeleinden, zoals de natuur, PAS-melders en woningbouw wordt gewerkt aan reductie van stikstofdepositie en het verkrijgen van stikstofruimte. Dat leidt nu ook tot de eerste stikstofruimte voor PAS-melders. Half september worden ontwerpbesluiten genomen om de eerste zes meldingen in Limburg te legaliseren.
Waarom heeft Rijkswaterstaat gekozen voor een route van extern salderen en niet voor een route die de agrarische belangen beter borgt, zoals via de nationale stikstofbank die in ontwikkeling is?
Ik juich de komst van een nationale stikstofbank voor rijksprojecten toe. Op dit moment bestaat deze echter nog niet. Daarom heeft IenW er geen gebruik van kunnen maken.
Het Ministerie van IenW heeft voor het project Ring Utrecht overeenkomsten gesloten met agrarische bedrijven die hun vergunde activiteiten vrijwillig willen aanpassen of beëindigen. Een nationale stikstofbank – waarin op termijn ook ruimte uit overeenkomsten met agrarische bedrijven geregistreerd kan worden – zal de agrarische belangen niet beter borgen.
Waarom heeft Rijkswaterstaat de stikstofvraag die logischerwijs aan de orde komt bij de voorgenomen verbreding van de A27 geen onderdeel gemaakt van het gebiedsproces van de provincie(s)?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 kan de procedure over het Tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht bij de Raad van State niet op pauze worden gezet. Daarom kon niet worden gewacht op de eventuele uitkomsten van de gebiedsprocessen.
Waarom is er bij de vergunningaanvraag en het extern salderen voor de verbreding van de A27 niet gewacht tot de plannen voor de mobiliteitssector om stikstof te reduceren zijn gepresenteerd, zodat er een integrale afweging gemaakt kan worden voor grote mobiliteitsprojecten als deze?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zet zich al geruime tijd in voor een verduurzaming van de mobiliteit. Dit gebeurt onder meer door een beter OV, meer fietsgebruik, het terugdringen van de stikstofuitstoot door het steeds schoner worden en elektrificeren van voertuigen, het voorbereiden van Betalen naar gebruik en het bevorderen van thuiswerken. Deze maatregelen zijn echter in beginsel niet inzetbaar als mitigerende maatregel in het kader van toestemmingverlening. De reductie van stikstofuitstoot en -depositie dankzij deze maatregelen komt, op een enkele uitzondering na, volledig ten goede aan de verbetering van de natuur.
Bovendien kan, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, de procedure over het Tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht bij de Raad van State niet op pauze worden gezet.
Hoeveel is de stikstofreductieopgave voor mobiliteit door tracébesluiten sinds 2018 toegenomen? Hoeveel ruimte is opgehaald c.q. hoeveel kleiner is hierdoor de opgave voor de landbouw geworden sinds die tijd? Wordt dit verwerkt in de nationale verdeling van de stikstofreductieopgave en de bijdrage van elke sector daarin en zo ja, hoe? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met het feit dat tot voor kort beschikbare ammoniakemissieruimte is en wordt ingezet voor extra uitstoot van stikstofoxiden?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) houdt in haar ramingen van stikstofemissies op voorhand rekening met de realisatie van wegenprojecten uit het MIRT. De stikstofreductieopgave voor mobiliteit is sinds 2018 dan ook niet toegenomen door Tracébesluiten.
Generieke bronmaatregelen voor wegverkeer hebben in de achterliggende decennia gezorgd voor een sterke afname van de stikstofemissies door wegverkeer en ook de komende decennia zullen deze zorgen voor een verdere afname. Uit de Emissieregistratie van het RIVM blijkt dat de NOx-emissies door wegverkeer tussen 2010 en 2018 zijn gedaald met ongeveer 30%, ondanks de toename van het totaal aantal gereden kilometers. Uit ramingen van het PBL volgt dat de stikstofemissies van wegverkeer richting 2030 verder zullen dalen.3 Tussen 2018 en 2030 voorziet het PBL een daling van de totale NOx-emissies door wegverkeer met ruim 50%, waarbij op voorhand dus al rekening is gehouden met de realisatie van wegenprojecten uit het MIRT.
Begin 2023 komt het kabinet met indicatieve NOx-emissiereductiedoelen voor onder andere de sectoren industrie en mobiliteit. Deze doelen zullen, tegelijkertijd met de regionale doelen voor NH3, op 1 juli 2023 definitief worden vastgesteld. De Minister voor Natuur en Stikstof heeft uw Tweede Kamer op 9 september geïnformeerd over het verdere proces om tot sectorale NOx-emissiereductiedoelen te komen. Met het vaststellen van de indicatieve sectordoelen kan ook bepaald worden of de richtinggevende regionale emissiereductiedoelen NH3 bijgesteld moeten worden.
Vindt u het wenselijk dat op deze wijze ammoniakemissieruimte verdwijnt uit de landbouw zonder dat dit bijdraagt aan natuurherstel en aan perspectief voor de landbouw? Waarom wel/niet? Hoe gaat u voorkomen dat de opgaven voor de andere sectoren extern gesaldeerd mogen blijven worden met stikstofemissieruimte uit de landbouw? Hoe gaat u daarbij uw eigen uitvoeringsdiensten, zoals Rijkswaterstaat, en staatsdeelnemingen, zoals Schiphol, zodanig bij de les houden dat in de toekomst de landbouw niet meer wordt gezien en behandeld als een bron van stikstofemissieruimte voor infrastructurele wensen?
Het Ministerie van IenW heeft voor het project Ring Utrecht overeenkomsten gesloten met agrarische bedrijven die hun vergunde activiteiten vrijwillig willen aanpassen of beëindigen. Er is geen reden om bij het zoeken naar stikstofruimte schotten tussen sectoren op te werpen. Als overheid staan we voor realisatie van meerdere maatschappelijke opgaven in het fysieke domein. Zo komt, zoals al aangegeven in het antwoord op vraag 7, de reductie van stikstofuitstoot en -depositie dankzij maatregelen in de mobiliteitssector, ook, op een enkele uitzondering na, volledig ten goede aan de natuur.
Hoe verhoudt dit tracébesluit zich met het regeerakkoord, waar ruimte is gegeven aan de Utrechtse regio om met een alternatieve beleidsoplossing te komen waardoor de verbreding van de A27 niet meer nodig zal zijn? Welk proces doorloopt u met de regio? Kan worden toegezegd dat er geen onomkeerbare besluiten worden genomen totdat beide partijen het erover eens zijn dat dit proces afgerond is?
Het Tracébesluit is in overeenstemming met het regeerakkoord vastgesteld. In 2020 is het Tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht vastgesteld. Daarvoor loopt op dit moment een gerechtelijke procedure bij de Raad van State. Op dit moment ligt er geen uitgewerkt alternatief voor uitvoering van het huidige Tracébesluit. Omdat de procedure bij de Raad van State niet op pauze kan worden gezet in afwachting van een mogelijk alternatief, wordt de procedure daar voortgezet. U bent eerder geïnformeerd dat het stikstofonderzoek van het Tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht zou worden geactualiseerd om te voldoen aan gewijzigde inzichten ten aanzien van de maximale rekenafstand. Recent bent u geïnformeerd dat de actualisatie heeft plaatsgevonden.
Zoals eerder aangegeven in beantwoording van de Kamervragen van het lid Alkaya (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 2374) werkt de regio aan een alternatief. Als de regio een alternatief gereed heeft, ga ik met hen in gesprek en kan, als het alternatief de problematiek op het gebied van veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid op gelijkwaardige wijze oplost, het Tracébesluit worden aangepast.
Realisatie van het Tracébesluit is niet aan de orde zolang de gerechtelijke procedure bij de Raad van State loopt. Als het Tracébesluit op enig moment onherroepelijk is vastgesteld en de regio op dat moment (nog) geen alternatief zou hebben, dan overleg ik vanzelfsprekend voorafgaand aan (het starten van) een aanbesteding eerst met de regio of en wanneer een alternatief te verwachten is. Hoe dan ook zal bij een onherroepelijk besluit de schop niet direct de grond in gaan. Het gaat om een omvangrijke realisatieopgave en daarvoor is nog een uitgebreide aanbestedingsprocedure nodig.
Zijn medeoverheden, waaronder de provincies Gelderland en Utrecht, door u op de hoogte gesteld van dit provinciegrens-overschrijdende extern salderen, aangezien dit de afspraak is, zoals blijkt uit het antwoord op Kamervragen van het lid Bisschop van 13 oktober 2020?2 Zo ja, kunt u een afschrift van de correspondentie en/of een verslag van dat overleg bij de beantwoording van deze vraag voegen? Zo nee, waarom niet?
Beide provincies zijn in een bestuurlijk gesprek de hoogte gesteld van de voorgenomen overeenkomsten. Van dit gesprek is geen verslag vastgelegd.
Is er, zoals voorgeschreven in de Gelderse beleidsregels, in het koopcontract tussen Rijkswaterstaat en de agrariër/verkoper in kwestie opgenomen hoe de stallen worden gesloopt? Zo nee, waarom niet?
Sommige bedrijven worden geheel opgekocht (dus met huiskavel, erf, stallen en weilanden) en bij anderen is alleen een overeenkomst gesloten waarin is overeengekomen dat activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd en de vergunning geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken. In het laatste geval is het aan de eigenaar om te bepalen wat er verder met het bedrijf gebeurt binnen de geldende wet- en regelgeving en met inachtneming van de overeenkomst dat de stikstof-emitterende activiteit niet wordt voortgezet of wordt beperkt. Daarom is in de overeenkomsten geen sloopverplichting opgenomen.
Klopt het dat er voor de verbreding van de A27 «restmitigatie» uit eerdere externe saldering voor de A15 opnieuw wordt aangevoerd door Rijkswaterstaat? Hoe verhoudt «restmitigatie» zich juridisch tot de regels over extern salderen, aangezien een vergunning niet twee keer ingetrokken mag worden én in het desbetreffende contract staat dat de vergunning ingetrokken moest worden voor 31 december 2021?
Het is juist dat stikstofruimte van één bedrijf is ingezet bij project ViA15 én bij project A27/A12 Ring Utrecht. De stikstofruimte van dit bedrijf is voor het project ViA15 alleen gebruikt ter saldering van de stikstofbijdragen van het project ViA15 op het Natura 2000-gebied Binnenveld. De stikstofruimte die als gevolg van de intrekking van de natuurvergunning ontstaat op andere Natura 2000-gebieden dan Binnenveld, is niet ingezet voor het project ViA15 en was dus nog beschikbaar voor het project A27/A12 Ring Utrecht. De stikstofruimte is dus niet «dubbel» ingezet.
Het gaat om één vergunning die maar één keer wordt ingetrokken. Van belang is dat de bedrijfsactiviteiten worden gestaakt, voordat de ViA15 en de A27/A12 Ring Utrecht worden opengesteld.
Klopt het dat de beleidsregels zijn aangepast, waardoor het mogelijk gemaakt is om alvast contracten af te sluiten, vóór de daadwerkelijke aanvraag voor saldering wordt ingediend? Zo nee, hoe zit het dan wel in elkaar?
Nee, er zijn geen beleidsregels aangepast om dit mogelijk te maken.
In de overeenkomsten is vastgelegd wanneer de activiteiten uiterlijk worden beëindigd. De vergunningen van de acht bedrijven worden in ieder geval ingetrokken, voordat de A27/A12 Ring Utrecht wordt opengesteld, dus voordat enig effect als gevolg van ingebruikname van het project op Natura 2000-gebieden kan optreden.
Wat is destijds de onderliggende regel voor deze beleidswijziging geweest, aangezien er per saldo méér stikstof wordt uitgestoten wanneer er gesaldeerd mag worden met stikstofruimte die al lange tijd niet meer in gebruik is? Hoe oud mogen deze contracten zijn als ze gebruikt worden voor externe saldering en hoeveel tijd mag er dus tussen originele stikstofuitstoot van de saldogever en nieuwe stikstofuitstoot van de saldonemer zitten? Bent u bereid deze beleidswijziging terug te draaien? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van een beleidswijziging. Er wordt enkel stikstofruimte ingezet die het gevolg is van de feitelijk gerealiseerde capaciteit (gerealiseerde stallen) op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten. Daarnaast worden enkel overeenkomsten gesloten met bedrijven die recentelijk nog een representatieve hoeveelheid dieren hadden staan.
Hoeveel stikstofruimte heeft het Rijk in vervolg op deze beleidswijziging al opgekocht voor toekomstige projecten? Om hoeveel boerderijen c.q. vergunningruimte gaat het en waar zijn deze boerderijen gelegen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 14 en 15 is geen sprake van een beleidswijziging. Tot nu toe zijn ten behoeve van extern salderen met in totaal 19 bedrijven overeenkomsten gesloten. Van 13 van deze bedrijven is stikstofruimte ingezet voor de projecten ViA15 en A27/A12 Ring Utrecht. De zes bedrijven waarvan nog geen ruimte is ingezet, zijn gelegen in Didam, Helvoirt, Kamerik, Weesp, Westbroek en Zegveld.
Acht u, reflecterend op deze casus, de hele gang van stikstofzaken in het kader van het Tracébesluit A27/A12 Ring Utrecht 2020 een ordentelijke wijze van (samen)werken of vindt u het via deze wijze eenzijdig ophalen van stikstofruimte bij de boer een staaltje koehandel dat niet voor herhaling vatbaar is? Wat kan en moet er volgens u beter en hoe gaat u dat borgen?
Het stikstofonderzoek en de aankoop van stikstofruimte voor dit project zijn ordentelijk verlopen en conform interbestuurlijke afspraken.5 De bottleneck zit echt bij de huidige staat van de natuur als gevolg van onder andere een jarenlange overbelasting door stikstof. Hiervoor heeft het kabinet de Structurele aanpak stikstof vastgesteld en aanvullend neemt het kabinet maatregelen in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied. Er wordt volop gewerkt aan de implementatie hiervan, maar de uitvoering kost tijd. Hierdoor zullen ook de komende jaren in veel gevallen uitgebreide onderzoeken moeten worden uitgevoerd en allerlei projectspecifieke maatregelen worden genomen – zoals het aankopen op vrijwillige basis van stikstofruimte van bijvoorbeeld veehouderijen – om projecten mogelijk te kunnen maken.
De noodsituatie in Pakistan wegens overstromingen |
|
Stieneke van der Graaf (CU), Don Ceder (CU) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de noodsituatie in Pakistan?1
Ja.
Bent u bereid om op korte termijn noodhulp beschikbaar te stellen voor Pakistan? Zo ja, hoeveel en waarvoor?
Ja. Nederland heeft reeds noodhulp beschikbaar gesteld voor Pakistan. Dit gebeurt via het Nederlandse Rode Kruis (NRK) en de Dutch Relief Alliance (DRA). Het NRK besloot om EUR 500.000 beschikbaar te stellen voor noodhulp aan Pakistanen die huis en haard hebben verloren. Het gaat daarbij vooral om het bieden van medische hulp, tenten en veilig drinkwater. De DRA verleent noodhulp voor een bedrag van EUR 3 miljoen. Er wordt ingezet op voedselhulp, opvang, protectie, water, sanitatie en hygiëne.
Ook ondersteunt Nederland de uitzending van crisisexperts, die de coördinatie en verlening van noodhulp in de getroffen gebieden versterken. Zo zijn twee rampendeskundigen van het Nederlandse Rode Kruis uitgezonden, evenals een waterexpert van het Dutch Surge Support.
Bovenstaande hulp vindt plaats in aanvulling op reeds bestaande Nederlandse steun. Nederland financiert haar humanitaire partnerorganisaties zoals de VN en de Internationale Rode Kruis/ Rode Halve Maan-beweging ongeoormerkt en flexibel. Mede dankzij die steun konden deze organisaties snel aan de slag in Pakistan.
Zo stelde het VN Central Emergency Fund(CERF), waar Nederland dit jaar als topdonor EUR 75 miljoen bijdroeg, USD 10 miljoen beschikbaar. Het speciale crisisfonds van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), waaraan Nederland jaarlijks EUR 1 miljoen bijdraagt, maakte eveneens USD 10 miljoen vrij. Het noodhulpfonds van de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen (IFRC) besloot bijna EUR 500.000 bij te dragen. Nederland financiert het IFRC-noodfonds dit jaar voor EUR 2,8 miljoen.
Bovendien kondigde de Europese Commissie aan EUR 2,35 miljoen beschikbaar te stellen voor o.a. voedselhulp, onderdak en acute gezondheidszorg.
De overstromingen in Pakistan, maar ook ander extreem weer en de droogte elders, onderstrepen hoe relevant het is dat het Koninkrijk der Nederlanden internationaal aandacht en om acties vraagt als co-host van de VN 2023 Waterconferentie in maart 2023.
Bent u bereid om bij het beschikbaar stellen van noodhulp zowel lokale organisaties als maatschappelijke organisaties (zoals bijv. de Dutch Relief Alliance) te betrekken?
Ja. Een goede en snelle rampenrespons redt levens. Nationale en lokale organisaties bevinden zich het dichtst bij de noodsituatie. Nederland zet zich internationaal in voor het versterken van die lokale hulporganisaties. Dit gebeurt conform afspraken die zijn gemaakt in het kader van de Grand Bargain en binnen bestaande partnerschappen met de VN, het Rode Kruis en de Dutch Relief Alliance (DRA).
Voor de DRA en het Nederlandse Rode Kruis (NRK) geldt dat zij jaarlijks een acute crisisreserve ontvangen, die zij naar eigen inzicht en conform vastgelegde besluitvormingsprocedures kunnen inzetten. Zowel de DRA als het NRK hebben middelen uit hun acute crisisreserves beschikbaar gesteld voor noodhulpverlening aan de Pakistaanse bevolking, zie Vraag 2.
De aanhoudende oversterfte |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat sinds week tien van dit jaar wekelijks meer mensen overlijden dan op basis van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)-model verwacht werd? Zo ja, heeft u hiervoor een verklaring en/of gaat u hier onderzoek naar doen?
Uit de sterftecijfers van het CBS kan geconstateerd worden dat er in het begin van 2022 geen sprake was van oversterfte. Sinds week 10 lag volgens het CBS het aantal overledenen boven de verwachte sterfte, maar binnen het interval van gewoonlijke fluctuaties. Hierdoor was er tot week 13 geen sprake van oversterfte. Vanaf week 13 tot week 33 is er in iedere week sprake van oversterfte (alleen week 21 ligt net onder de grens) volgens de berekeningen van het CBS. Om deze oversterfte nader te duiden, zijn onder andere de doodsoorzakenstatistieken nodig. Op dit moment zijn de doodsoorzakenstatistieken beschikbaar bij het CBS tot en met mei 2022 (voorlopige cijfers)1. Hierbij is het belangrijk om aan te geven dat hoeveel mensen overlijden afhankelijk is van een groot aantal factoren. De oorzaak voor een periode van oversterfte is daarom niet eenduidig aan te wijzen (zie ook het antwoord op vraag 3).
Bent u op de hoogte van het feit dat sinds week dertien van dit jaar elke week sprake is van oversterfte, de weken 21 en 31 uitgezonderd? Deelt u de mening dat dit hoogst ongebruikelijk is, zeker omdat na een periode van oversterfte vaak een periode van ondersterfte volgt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ervan op de hoogte dat deze toename in aantallen overlijdens niet toegeschreven kan worden aan corona-infecties, aangezien de meer dan verwachte sterfte veel hoger is dan de sterfte die corona-gerelateerd is? Zo ja, hoe verklaart u deze sterfte dan? Gaat u onderzoek doen naar de mogelijke andere oorzaken van deze sterfte, bijvoorbeeld naar een eventuele, onverwachte toename van bepaalde aandoeningen?
De cijfers over de (over)sterfte zijn gebaseerd op de berichten over het aantal overledenen die het CBS dagelijks van gemeenten ontvangt. Deze berichten bevatten geen informatie over de doodsoorzaak. Die informatie ontvangt het CBS later via een doodsoorzakenverklaring. Voor alle overledenen tot en met mei 2022 is op dit moment de doodsoorzaak bekend (voorlopige cijfers). In de periode januari 2022 tot en met april 2022 overleden circa 4.400 personen aan COVID-19. Naast de COVID-19-epidemie is er vanaf half maart 2022 dertien weken lang een griepepidemie in Nederland geweest2. Ook waren er aanzienlijk lange, zeer warme, zelfs hete perioden in de zomer. Net als in veel andere landen overleden veel mensen extra in vooral juli, mogelijk door de hittegolf. In landen waar het koeler was, was de sterfte toen niet verhoogd. Hierover is meer te lezen in het laatste verschenen nieuwsbericht van het CBS3.
Bent u op de hoogte van het feit dat de toename van overlijdens direct volgt op de start van de nieuwe vaccinatiecampagne en het zetten van herhaalprikken? Houdt u er rekening mee dat deze nieuwe ronde vaccinaties van invloed zou kunnen zijn op de toename van sterfte? Zo nee, waarom niet? Kunt u een uitgebreide analyse geven waarom u dit verband uitsluit?
In het oversterfteonderzoek van het CBS en het RIVM4 is gekeken naar het risico op overlijden binnen acht weken na COVID-19 vaccinatie. Uit dit onderzoek blijkt voor geen enkele leeftijdsgroep of vaccindosis een verhoogd risico op overlijden aan andere oorzaken dan COVID-19 gevonden na COVID-19 vaccinatie. Onderzoeken in andere landen met nog grotere populaties, zoals de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, laten ook geen verhoogd sterfterisico na vaccinatie zien. Vaccinatie heeft een sterk beschermend effect tegen overlijden aan COVID-19 en heeft daardoor veel (over)sterfte voorkomen. Uiteraard hecht ik belang aan verder onderzoek naar mogelijke oorzaken van de oversterfte en stimuleer dit door middel van de uitvoering van traject 3 van het oversterfte onderzoek via ZonMw5.
Hoe verklaart u het feit dat er een correlatie is tussen het aantal vaccinaties dat per week toegediend wordt en het aantal extra overlijdens in de week daaropvolgend? Kunt u inzichtelijk maken welke andere oorzaken behalve vaccinatie aannemelijk zijn en waar u deze vermoedens op baseert?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhoudt het gegeven dat wereldwijd het aantal mensen dat sterft met/aan een corona-infectie is gedaald tot op het niveau van voor de eerste coronagolf en op dit moment dus niet langer sprake is van een epidemie, zich tot de aanhoudende oversterfte van de afgelopen tijd?
Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is COVID-19 nog steeds een pandemische ziekte. In lijn daarmee, is COVID-19 in Nederland nog steeds een epidemische ziekte. De oversterfte van de afgelopen tijd is (nog) niet (volledig) onderzocht. Volgens de laatste publicaties van het CBS is er in 2022 sprake van oversterfte (zie antwoord 1 en 2). Cijfers over doodsoorzaken zijn op dit moment tot en met mei 2022 beschikbaar bij het CBS. Om een beeld te krijgen van de redenen en oorzaken van de oversterfte in 2022 dienen naast deze gegevens ook andere bronnen gebruikt te worden. Ik vind het belangrijk dat ook hier gedegen onderzoek naar gedaan gaat worden. In het huidige oversterfte onderzoek, waarbij traject 3 recentelijk van start is gegaan, wordt gekeken naar de oversterfte in de periode 2020–20216.
Is, gezien de onzekerheid rondom de veiligheid van de coronavaccins, de afname van de werkzaamheid van vaccinatie en de ontwikkeling van het coronavirus wereldwijd, niet een herijking van het beleid gewenst? Waarom wordt het vaccinatieprogramma niet (tijdelijk) gestaakt, bijvoorbeeld om te meten of de oversterfte na het stoppen met vaccineren afneemt?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op uw schriftelijke vragen van 25 juli jl.7, worden vaccins alleen goedgekeurd door het EMA en het CBG als de werkzaamheid, kwaliteit én veiligheid voldoende zijn aangetoond. Dat is voor alle COVID-19-vaccins die in Nederland worden gebruikt het geval. Als er twijfel is over de kwaliteit, werkzaamheid of veiligheid van vaccins, is dat reden om het zekere voor het onzekere te nemen. Op dit moment is dat niet aan de orde. Door te vaccineren voorkomen we juist dat mensen ernstig ziek worden of overlijden door COVID-19. Ik zie dan ook geen aanleiding om het vaccinatieprogramma (tijdelijk) te staken.
Het bericht ‘Onwel geworden arrestant Borne overleden’ |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht van het Parool van 25 augustus 2022: «Onwel geworden arrestant Borne overleden»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de man die op 18 augustus na zijn arrestatie in Borne (Overijssel) tijdens het politievervoer naar het politiebureau onwel is geworden afgelopen donderdag 25 augustus is overleden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Kunt u vertellen waarom volgens u en volgens de politie deze arrestant onwel is geworden tijdens of na zijn arrestatie? Zo nee, waarom niet?
Vooruitlopend op de conclusies van het onderzoek kan ik niet inhoudelijk ingaan op deze specifieke zaak, de vragen 3 t/m 14 en 16 t/m 26 kan ik om die reden niet individueel beantwoorden. Wel kan ik het volgende melden.
Indien in de context van het politie-ingrijpen een dodelijke afloop ontstaat dan is het standaard-protocol dat na het incident de officier van justitie in kennis wordt gesteld en dat er een onderzoek plaatsvindt door de Rijksrecherche.3 Conform protocol doet de Rijksrecherche onderzoek naar dit incident. De Rijksrecherche onderzoekt of het optreden van de betrokken politieambtenaren conform de daarvoor geldende regels – waaronder de proportionaliteit en subsidiariteit – heeft plaatsgevonden. Ter ondersteuning van het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal kan gebruik worden gemaakt van voorhanden beeldmateriaal. Ook bodycamopnamen zijn vatbaar voor onderzoek door de Rijksrecherche. Naar verwachting zal het onderzoek nog enkele maanden duren. Na afloop van het onderzoek is het aan de officier van justitie om op basis van de feiten te beoordelen of de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoende in acht genomen zijn.
Kunt u vertellen wat de aanleiding vormde voor de politie om over te gaan tot arrestatie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u bevestigen of ontkennen dat één van de agenten een knie op de reeds bewusteloze man zette? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u de beelden van RTV Oost2 gezien waarop het zichtbaar is dat één van de agenten een knie op de reeds bewusteloze man zette? Zou u uw zienswijze willen geven op het handelen van deze agent? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uw zienswijze geven op het feit dat het er op beelden van RTV Oost naar uit ziet alsof de man, die bewusteloos lijkt, uit de auto wordt getrokken en op straat wordt gelegd? Kunt u aangeven waarom de man uit de auto werd getrokken? Klopt het dat de man al in zijn eigen auto bewusteloos was en dus niet tijdens het politietransport? Kunt u aangeven wat de noodzaak was voor de politieagent om zijn knie op de borst van de Hengeloër te plaatsen?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u dat deze arrestatie voldoet aan de vereisten van proportionaliteit? Zo ja, waarom wel? Zo nee, hebben de politieagenten volgens u buitenproportioneel gehandeld?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u een feitenrelaas met de Kamer delen met de precieze gebeurtenissen en de omstandigheden? Kunt u tevens met de Kamer delen welke geweldsmiddelen bij deze aanhouding door de politie zijn gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de Rijksrecherche onderzoek doet naar het incident/politieoptreden? Bent u bereid het onderzoeksopzet van de rijksrecherche dan wel de onderzoeksvragen (eventueel vertrouwelijk) te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het Openbaar Ministerie laat weten dat conclusies van het onderzoek van de Rijksrecherche nog wel even op zich kunnen laten wachten. Kunt u desondanks een indicatie geven van wanneer u verwacht dat de resultaten van het onderzoek van de Rijksrecherche naar de gebeurtenissen bekend gemaakt zullen worden en op welke wijze deze bekend gemaakt zullen worden?
Zie antwoord vraag 3.
Worden de video- en fotobeelden die in het bezit zijn van RTV Oost en eventuele beelden van getuigen betrokken bij het onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of de betrokken agenten, tijdens de aanhouding met bodycams uitgerust waren en of deze beelden meegenomen zullen worden in het onderzoek van de Rijksrecherche? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de Hengeloër ten tijde van de aanhouding op donderdag 18 augustus rond 20.15 uur bij bewustzijn was? Zo nee, kunt u toelichten wat zijn toestand was?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de betrokken politiemedewerkers in onderhavige casus in afwachting van het onderzoek door de Rijksrecherche niet buiten functie zijn gesteld? Zo nee, waarom zijn de betrokken politiemensen gedurende het onderzoek naar de zaak niet direct op non-actief gesteld? Kunt u aangeven waarom de politie, reeds voor afronding van het Rijksrecherche-onderzoek, het volgende aangeeft: «De collega’s die bij de arrestatie van de onwel geworden man waren betrokken, zijn in dat onderzoek geen verdachte. We hebben er vertrouwen in dat dit onderzoek op een objectieve en zorgvuldige manier wordt gedaan. Op dit moment zien wij geen enkele aanleiding om een maatregel tegen de betrokken collega’s te treffen»?
Met de inwerkingtreding van de Wet geweldsaanwending opsporingsambtenaar per 1 juli jl. vindt onderzoek door de Rijksrecherche naar het gebruik van geweld door politieambtenaren plaats binnen het kader van het feitenonderzoek. Binnen een feitenonderzoek wordt onderzocht of het geweld is toegepast conform de daarvoor geldende regels. Daartoe kunnen – anders dan voorheen – de daarvoor benodigde onderzoeksbevoegdheden worden uitgeoefend zonder dat de betrokken politieambtenaar als verdachte wordt aangemerkt. Indien de resultaten van het feitenonderzoek daartoe aanleiding geven, kan hierna alsnog een regulier opsporingsonderzoek worden ingesteld, waarbinnen de betrokken politieambtenaar als verdachte wordt aangemerkt. De politie wacht de uitkomsten van het onderzoek af en ziet op dit moment geen aanleiding om maatregelen te treffen tegen de betreffende medewerkers.
Kunt u en kan de politie op dit moment uitsluiten dat er sprake is van een causaal verband tussen het politieoptreden en het overlijden van de Hengeloër? Zo ja, op basis waarvan stelt u dit? Zo nee, welke concrete aanwijzingen zijn er voor een causaal verband tussen het politieoptreden en het overlijden van de Hengeloër?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of de patholoog in zijn/haar voorlopige bevindingen de doodsoorzaak heeft vastgesteld?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of er nog een toxicologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven wat de aanleiding vormde voor de politie om deze Hengeloër staande te houden en een drugsonderzoek uit te voeren?
Zie antwoord vraag 3.
Door wie is deze Hengeloër vervoerd naar het ziekenhuis? Is dit door de politie gebeurd of door een ambulance?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft de politie instructies gegeven aan medewerkers van het ziekenhuis over wat wel en niet extern gecommuniceerd mag worden?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven wat de eerste bevindingen waren van het ziekenhuis? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of er in het ziekenhuis is geconstateerd dat er wel of niet sprake was van fysiek letsel? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is de aanleiding geweest voor de snelle reactie van de Rijksrecherche en het besluit om de aanhouding en het politieoptreden te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitsluiten dat het overlijden van deze Hengeloër een gevolg is van de geweldstoepassing door politie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er volgens u bij dit politieoptreden de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoende in acht genomen? Zo ja, waar baseert u dit dan op? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven hoe vaak de politie in de afgelopen 4 jaar (2019, 2020, 2021 en 2022) uit eigen beweging een disciplinair onderzoek heeft gestart tegen politiemedewerkers na signalen van (mogelijk) buitenproportioneel geweld?
De politie beschikt niet over de gevraagde aantallen van uit eigen beweging gestarte disciplinaire onderzoeken na signalen van (mogelijk) buitenproportioneel geweld. De politie beschikt wel over algemene cijfers van het totaalaantal afgeronde disciplinaire en lijnonderzoeken en de opgelegde maatregelen. Deze gegevens publiceert de politie in de jaarverantwoording4. Ten aanzien van de opgelegde maatregelen wordt onderscheid gemaakt tussen het type gedraging en de wijze van afdoening.
Uit de «review Kwaliteit interne onderzoeken»5 is eerder al gebleken dat de registratie van dergelijke onderzoeken binnen de politie niet altijd afdoende was en daarom is de politie begin 2022 gestart met een vorm van eenduidige registratie binnen de gehele organisatie. Dit met als doel om relevante sturingsinformatie op te halen en te monitoren. Het landelijke informatiebeeld groeit in kwaliteit en uniformiteit, waardoor op termijn concreet op data gestuurd kan worden. Registratie en monitoring zullen nog verder worden doorontwikkeld. Eind 2021 is de politie gestart met het werken met landelijke registratiecategorieën om eenduidige vastlegging en duiding te bevorderen. Er zijn interne afspraken gemaakt over rijkere vastleggingen waardoor zicht wordt verkregen op het aantal onderzoeken en de doorlooptijden.
Kunt u aangeven hoe vaak de politie in de afgelopen 4 jaar (2019, 2020, 2021 en 2022) na een disciplinair onderzoek tegen politiemedewerkers, naar aanleiding van signalen van (mogelijk) buitenproportioneel geweld, is overgegaan tot disciplinaire straffen/berispingen en hoe vaak het OM hierop volgend een strafrechtelijk onderzoek heeft gestart?
In de afgelopen jaren is respectievelijk 14 (2021), 6 (2020) en 11 (2019) keer overgegaan tot disciplinaire straf na misbruik van geweldsbevoegdheid. Het betreft hierbij zaken waar het geweld niet subsidiair en/of proportioneel was of gewoonweg niet was toegestaan. Omdat het veelal gaat om nog lopende onderzoeken is het niet mogelijk om tussentijds cijfers te delen van 2022, dit kan alleen na afloop van het lopende jaar. Het gaat hier om de zaken waarin misbruik van geweldsbevoegdheid de primaire aanleiding vormde voor het overgaan tot disciplinair straffen.
De Rijksrecherche doet altijd onderzoek in geval er sprake is van confrontaties met opsporingsambtenaren met de dood of zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
Cijfers over strafrechtelijke onderzoeken die zouden volgen uit disciplinaire onderzoeken worden niet als zodanig bijgehouden. Daarbij wordt benadrukt dat het gaat om verschillende trajecten.6
Kunt u aangeven of het door de Korpschef ingestelde landelijk strafmaatregel (SMO) effectief is gebleken in de afgelopen jaren?
Om uniformiteit over de op te leggen maatregel binnen de politie te waarborgen is door de korpschef een landelijk strafmaatoverleg (SMO) ingesteld. Het SMO bestaat uit vijf HRM-juristen die niet eerder een rol hebben gehad in de betreffende zaak, een technisch voorzitter, een secretaris en de inbrenger van het voornemen tot disciplinaire strafoplegging (ook een HR-jurist). Het SMO adviseert of de voorgestelde disciplinaire straf passend en evenredig is op basis van onder meer (interne) jurisprudentie. De instelling van het SMO heeft geleid tot een structurele landelijke afstemming van de strafmaat in disciplinaire zaken waar dat voorheen niet het geval was. Er is nu ook een landelijk beeld beschikbaar voor adviseurs en bevoegd gezag. In beide opzichten is het SMO effectief gebleken.
Bent u bereid de bovenstaande vragen afzonderlijk te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
De meeste vragen hebben betrekking op gebeurtenissen die thans onderwerp zijn van onderzoek door de rijksrecherche. Vooruitlopend op de conclusies van het onderzoek kan ik niet inhoudelijk ingaan op deze specifieke zaak. Om die reden wordt niet elke vraag afzonderlijk beantwoord.
Het gestrande onafhankelijk onderzoek naar uithuisplaatsingen van kinderen door schuldenproblematiek en/of het toeslagenschandaal |
|
Lilian Marijnissen , Renske Leijten |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
Kunt u uitleggen waarom het initiatief om onafhankelijk te onderzoeken of er bij het uithuisplaatsen van de 1675 kinderen in het toeslagenschandaal sprake was van schuldenproblematiek, is gestrand?1
De Raad voor de Rechtspraak heeft een toelichting gegeven op hun keuze om niet samen met de Rijksuniversiteit Groningen op te trekken.2 In de kern komt het erop neer dat een deel van de uithuisplaatsingen nog voorligt bij de rechter omdat lopende uithuisplaatsingen jaarlijks opnieuw worden beoordeeld. Daarom past het niet om door een derde partij onderzoek laten doen naar rechtbankdossiers. Dit is pas mogelijk nadat de zaken afgesloten zijn.
Welke bemoeienis heeft u zelf gehad met dit onderzoek de afgelopen tijd? Kunt u hiervan een volledig overzicht geven?
Ik heb geen bemoeienis gehad met dit onderzoek.
Erkent u dat uw wens de zaken te laten onderzoeken door de inspecties er mede toe heeft geleid dat dit onafhankelijke onderzoek niet van de grond is gekomen? Hoe reflecteert u op het gevolg van uw afwijzing om een onafhankelijk onderzoek te gelasten?
Van een afwijzing door mij is geen sprake. De Raad voor de Rechtspraak heeft verkennende gesprekken gevoerd met de Rijksuniversiteit Groningen maar besloot vervolgens om niet samen op te trekken. Het inspectieonderzoek werd reeds in november 2021 door de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) geïnitieerd en is begin dit jaar van start gegaan. Het onderzoek van de Inspectie is onafhankelijk. Daarnaast werk ik op verzoek van uw Kamer aan de instelling van een onafhankelijke onderzoekscommissie.
Bent u het eens met de uitspraak van senior-rechter Bart Tromp dat reflecteren niet mogelijk is als je de feiten niet kent? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is een feit dat de toeslagenaffaire grote problemen heeft verzaakt in een groot aantal gezinnen. Het is ook bekend dat de jeugdbescherming veel gezinnen tegenkomt waarbij schuldenproblematiek speelt. Voor het doen van uitspraken over het verband tussen de toeslagenaffaire en het handelen van jeugdbescherming is onderzoek nodig. Daarom heeft de rechtspraak ook besloten onderzoek uit te voeren in de dossiers waarin de feiten besloten liggen.
Erkent u dat er door bijna een jaar lang gesteggel over het doen van onderzoek, er A- kostbare tijd van kinderlevens en gezinnen verloren gaat en B- het vertrouwen in de overheid, de rechterlijke macht en de jeugdzorgketen nog verder wordt beschadigt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, ik deel deze opvatting niet. Het inspectieonderzoek naar de doorwerking van de toeslagenaffaire in de jeugdbescherming is reeds in januari van dit jaar gestart. Het opzetten en uitvoeren van onderzoek kost tijd. Dit heeft geen invloed op de uithuisplaatsingen zelf.
Verder biedt het Ondersteuningsteam sinds april ondersteuning en hulp aan gedupeerde ouders en kinderen die te maken hebben (gehad) met een uithuisplaatsing. Ook kunnen ouders en kinderen vanaf 12 jaar te allen tijde een verzoek indienen om een lopende uithuisplaatsing te beëindigingen. Dat staat los van het belang van onafhankelijk onderzoek naar de rol van de toeslagenaffaire bij uithuisplaatsingen.
Erkent u dat het met de oplopende inflatie en groeiende groepen mensen die in armoede zullen raken het juist van cruciaal belang is om te weten hoe schuldenproblematiek meeweegt bij uithuisplaatsingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe schuldenproblematiek meeweegt bij uithuisplaatsingen is inderdaad een belangrijke vraag. De rechtspraak heeft niet voor niets besloten om dossieronderzoek te gaan doen. Het onderzoek van de IJenV naar de doorwerking van de toeslagenaffaire in de jeugdbescherming geeft naar verwachting ook inzicht in de mate waarin schuldenproblematiek bij deze gezinnen heeft meegewogen. De IJenV bekijkt namelijk welke factoren een rol speelden bij het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel bij gedupeerde gezinnen. Er is overigens nu geen indicatie dat rechters enkel op basis van het bestaan van schuldenproblematiek bij de ouders besluiten tot uithuisplaatsing van een kind.
De toenemende financiële problemen in gezinnen heeft de nadrukkelijke aandacht van het kabinet en ook van gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor schuldhulpverlening en jeugdhulp.
Wilt u binnen de kortst mogelijk termijn toch het onderzoek van Tromp met de Rijksuniversiteit Groningen gelasten om geen verdere tijd te verliezen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op dit moment zie ik geen aanleiding voor nog een onderzoek omdat het inspectieonderzoek al loopt, er een onderzoekscommissie in voorbereiding is en de rechtspraak zelf een reflectietraject is gestart en dossieronderzoek zal gaan doen.
Het tegenhouden van onafhankelijk onderzoek naar uithuisplaatsing kinderen toeslagenouders |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Onafhankelijk onderzoek naar uithuisplaatsing kinderen toeslagenouders tegengehouden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is dat er onafhankelijk onderzoek komt dat duidelijk maakt of kinderen van toeslagenouders vanwege schuldenproblematiek uit huis zijn geplaatst? Zo ja, waarom? En zo ja, waarom wordt dat dan nog niet uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat onafhankelijk onderzoek naar de relatie tussen de toeslagenaffaire en uithuisplaatsingen noodzakelijk is. Dit krijgt vorm door het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV). Hierover is uw Kamer in november 2021 geïnformeerd.2 Daarnaast heb ik reeds aan uw Kamer gemeld te werken aan de instelling van een onderzoekscommissie die aanvullend onderzoek zal doen naar het verband tussen de toeslagenaffaire en uithuisplaatsingen.3 Voorts vind ik het positief dat de rechtspraak zelf aan reflectie en onderzoek doet. De bestuursrechters reflecteerden eerder al, eveneens naar aanleiding van het de toeslagenaffaire. Het rapport dat deze werkgroep opleverde getuigt van het vermogen om grondig en kritisch naar het eigen functioneren te kijken.4 Bij het reflectieprogramma van de familie- en jeugdrechters zijn behalve rechters, raadsheren en juridisch medewerkers ook vier externe adviseurs betrokken. Deze adviseurs komen uit de wetenschap, ontwikkelingspsychologie en advocatuur. Ook bij het geplande dossieronderzoek van de rechtspraak naar de uithuisplaatsingen van kinderen uit gedupeerde gezinnen zal een externe begeleidingscommissie zijn.
Deelt u de mening dat de in het artikel genoemde motie waarin stond dat toeslagenouders en hun kinderen een herbeoordeling aan moeten kunnen vragen, geen reden mag zijn om een onafhankelijk onderzoek naar deze uithuisplaatsingen te belemmeren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Van belemmering van onafhankelijk onderzoek naar de uithuisplaatsingen onder gedupeerden is geen sprake en mag geen sprake zijn. De rechtspraak heeft zelf een toelichting gegeven op hun beslissing om verkennende gesprekken voor een onderzoek door de Rijksuniversiteit Groningen te staken.5 Onafhankelijk onderzoek krijgt vorm door het al lopende onderzoek van de IJenV. Aanvullend werk ik aan de instelling van een onderzoekscommissie. Het doen van onafhankelijk onderzoek staat los van de herbeoordelingen (of herzieningen) waartoe ouders of de Gecertificeerde instelling kunnen verzoeken. In mijn brief van 3 juni jl. ben ik ingegaan op de wijze waarop invulling gegeven wordt aan de motie Omtzigt-Marijnissen.6 In oktober informeer ik uw Kamer nader over de uitvoering van onder meer deze motie.
Kunnen de uitkomsten van een onafhankelijk onderzoek niet juist bijdragen aan herstel van de band tussen ouders en kinderen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Onafhankelijk onderzoek naar het verband tussen de toeslagenaffaire en uithuisplaatsingen heeft mijns inziens inzicht en erkenning als doel. Voor individuele (her)beoordeling zal per gezin bekeken moeten worden of de uithuisplaatsing nog noodzakelijk is en of terugplaatsing mogelijk is. Iedere aanvraag of verlenging van een machtiging uithuisplaatsing moet onderbouwd worden vanuit de veiligheid en ontwikkeling van het kind. Uiteindelijk weegt een kinderrechter af of de uithuisplaatsing in het belang van het kind is. Hiervoor is geen wetenschappelijk onderzoek naar het verband nodig maar vooral een goede analyse van de gezinssituatie, opvoedmogelijkheden van de ouders en de behoeften van het kind in een concrete zaak.
Is de Raad voor de Rechtspraak naar uw mening een instelling die onafhankelijk onderzoek kan doen naar het dat er functioneren van rechters bij de genoemde uithuisplaatsingen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Aangezien een deel van de uithuisplaatsingen nog voorligt bij de rechter (lopende uithuisplaatsingen worden jaarlijks opnieuw beoordeeld), past het niet om door een derde partij onderzoek laten doen naar rechtbankdossiers. Dit is pas mogelijk nadat de zaken afgesloten zijn. Daar kan nog veel tijd overheen gaan. Uitgangspunt in ons rechtsbestel is dat rechters in appel oordelen over beslissingen in eerste aanleg, dat is een essentieel onderdeel van onafhankelijke rechtspraak. Ik vind het mede daarom positief dat de rechtspraak zelf aan reflectie en onderzoek doet. De bestuursrechters reflecteerden eerder al, eveneens naar aanleiding van het de toeslagenaffaire. Het rapport dat deze werkgroep opleverde getuigt van het vermogen om grondig en kritisch naar het eigen functioneren te kijken.7 Bij het lopende reflectieprogramma van de familie- en jeugdrechters zijn behalve rechters, raadsheren en juridisch medewerkers ook vier externe adviseurs betrokken. Deze adviseurs komen uit de wetenschap, ontwikkelingspsychologie en advocatuur. Ook bij het geplande dossieronderzoek van de rechtspraak (dat dus naast het reflectietraject staat) naar de uithuisplaatsingen van kinderen uit gedupeerde gezinnen zal een externe begeleidingscommissie zijn.
Denkt u dat ouders die slachtoffer zijn van de kindertoeslagaffaire een onderzoek naar de rol van rechters door rechters vertrouwen? Zo ja, waar is uw mening op gebaseerd? Zo nee, wat betekent dat volgens u?
Ik kan niet namens gedupeerde ouders spreken. Wel viel mij in de gesprekken die ik met ouders en kinderen over dit onderwerp heb gevoerd telkens op hoe belangrijk zij het vinden dat er geleerd wordt van het verleden. Inzicht en erkenning zijn voor hen niet alleen belangrijk voor het hier en nu maar ook voor de toekomst. Overigens zal het eigen onderzoek van de Rechtspraak begeleid worden door een commissie waarin (onafhankelijke) wetenschappers zitting hebben.
Hoe gaat u er zorg voor dragen dat het onafhankelijk onderzoek door de Rijksuniversiteit Groningen gehouden gaat worden?
Op dit moment zie ik geen aanleiding om nog een onderzoek te initiëren omdat het inspectieonderzoek al loopt, de onderzoekscommissie in voorbereiding is en de rechtspraak een reflectietraject is gestart en dossieronderzoek naar de uithuisplaatsingen gaat doen
De intentie om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken |
|
Suzanne Kröger (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Kinderombudsman: asieldeal is in strijd met Kinderrechtenverdrag»?1 Wat is uw reactie op deze kritiek?
Ja. Met de Kinderombudsman heb ik op 29 augustus jl. een constructief gesprek gevoerd over, onder meer, dit onderwerp.
Bent u van mening dat ondanks de zware kritiek van de Kinderombudsman op het voornemen om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken deze maatregel wel verenigbaar is met het Kinderrechtenverdrag? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kinderrechtenverdrag verplicht landen om gezinsherenigingsaanvragen van kinderen met welwillendheid, menselijkheid en spoed te behandelen. Het grote belang van het kind om te herenigen met de gezinsleden is iets wat Nederland van harte onderschrijft. Bij de inhoudelijke beoordeling van de nareisaanvraag blijft het belang van het kind dan ook leidend. Het besluit op de aanvraag neemt de IND nog altijd zo snel als praktisch mogelijk is.
De getroffen maatregel dient daarbij zoveel mogelijk te voorkomen dat het kind met de gezinsleden in Nederland geen opvang kan worden geboden die aan onze eigen normen en standaarden voldoet. Met de garantie dat met de maatregel de gezinshereniging slechts met maximaal 6 maanden wordt uitgesteld, meent het kabinet een balans te hebben gevonden tussen het belang van het kind bij zowel geschikte huisvesting als bij de uitoefening van het recht op gezinshereniging.
Heeft u verder kennis genomen van andere kritische reacties van migratierechtexperts op uw voornemen om het recht van statushouders op gezinshereniging te beperken?2
Ja.
Welke (departementale) juridische analyses liggen ten grondslag aan deze kabinetsbeslissing? Wilt u deze z.s.m. de Kamer doen toekomen?
De documenten ten behoeve van de kabinetsbeslissing genomen in de week van 26 augustus vindt u bijgevoegd. 3
Een beperking op het terrein van nareis botst al snel met bijvoorbeeld de EU-gezinsherenigingsrichtlijn. Daar zijn de ambtelijke adviezen steeds duidelijk in geweest. Dat is voor het kabinet dan ook de reden geweest om de maatregel in te richten op de wijze die u heeft kunnen lezen in de brief aan uw Kamer. Dan doel ik op de inhoud van de maatregel, de beperking in duur van de maatregel en een individuele beperking in tijd voor de betreffende personen.
Hoeveel mensen die in het buitenland verblijven en in aanmerking komen voor gezinshereniging verwacht u dat door deze maatregel later herenigd zullen worden met familie in Nederland?
De maatregel geldt alleen voor nareizigers die nog geen besluit op hun aanvraag hebben gekregen. De IND en het COA hebben enige tijd nodig om tot implementatie over te kunnen gaan en handelen hier zo spoedig mogelijk naar.
Het zou naar verwachting tot eind december 2023 ruwweg tussen de 6000 en 8000 nareizigers betreffen die maximaal zes maanden later dan gebruikelijk naar Nederland kunnen reizen.
Bieden in tegenstelling tot de opvatting van migratierechtexperts volgens u de Gezinsherenigingsrichtlijn en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) juridische ruimte voor de voorgestelde beperking van het recht op gezinshereniging? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie dat het categorisch onmogelijk maken van gezinshereniging of het inzetten van de maximale ruimte van de Gezinsherenigingsrichtlijn als standaard wachttermijn niet mag en dat altijd een individuele toetsing moet plaatsvinden?
Het Europees verdrag voor de rechten van de mens wijst lidstaten erop dat iedereen recht heeft op respect voor het familie- en gezinsleven. Bij de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag wordt hier niet aan voorbij gegaan.
De Gezinsherenigingsrichtlijn staat het niet toe dat lidstaten eisen dat het gezinslid in Nederland beschikt over geschikte huisvesting. De IND zal deze omstandigheden dan ook niet betrekken bij de beoordeling van de nareisaanvraag. Het ontbreken ervan zal een eventuele inwilliging niet in de weg staan. Als de gezinsleden aan de staande voorwaarden voldoen, zal de IND overgaan op inwilliging.
Als de IND eenmaal heeft vastgesteld dat er recht is op hereniging wordt slechts met de afgifte van een visum daartoe gewacht tot het gezin in Nederland ook daadwerkelijk van geschikte huisvesting kan uitgaan of tot er maximaal zes maanden zijn verstreken. De gezinshereniging wordt daarmee uitgesteld, niet afgesteld.
Wat vindt u van de inschatting van migratierechtexperts dat Nederland met grote waarschijnlijkheid uiteindelijk in het ongelijk zal worden gesteld? In hoeverre steunt dat de veronderstelling dat deze beperking vooral bedoeld is om te traineren?
Deze maatregel wordt enkel genomen omdat het kabinet van oordeel is dat deze maatregel, als onderdeel van een breder pakket, noodzakelijk is om zeker te stellen dat we een einde kunnen maken aan de situaties in Ter Apel die we hebben gezien. Situaties waarin we aan mensen geen opvang kunnen bieden of in het beste geval opvang op een manier die niet voldoet aan onze eigen normen en standaarden.
Met de inrichting waar het kabinet uiteindelijk voor heeft gekozen, wordt primair getracht aanzienlijke verlichting te bieden in de acute situatie in de opvangcrisis.
Bent u het ermee eens dat met het oog op de verstrekkende persoonlijke gevolgen het van belang is dat voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze beperking moet zijn vastgesteld dat de voorgestelde beperking in overeenstemming is met EU-recht? Zo nee, waarom niet?
Met de inrichting waar het kabinet uiteindelijk voor heeft gekozen, wordt getracht de impact zo beperkt mogelijk te houden en toch tegelijkertijd de acute situatie in de opvangcrisis aanzienlijke verlichting te bieden. De getroffen individuele waarborgen dienen er mede toe om de juridische uitlegbaarheid te versterken. In elke situatie is het uiteindelijk aan de rechtspraak om te oordelen over de juridische houdbaarheid.
Bent u bereid om deze vragen per omgaande te beantwoorden?
Uw vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het inzamelpercentage van kleine plastic flesjes |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u zich herinneren dat het lid Van Esch tijdens het tweeminutendebat Circulaire economie in februari 2022 vroeg wat het inzamelpercentage van de kleine plastic flesjes was en dat u daarop aangaf dat het bedrijfsleven op 1 augustus 2022 verslag zou doen van de behaalde resultaten en u de Kamer hier kort na 1 augustus over zou informeren?1
Ja.
Heeft u de inzamelpercentages van de kleine plastic flesjes inmiddels van het bedrijfsleven ontvangen? Zo ja, wanneer? Zo nee, wat gaat u doen om deze alsnog zo snel mogelijk te ontvangen?
Op grond van het Besluit beheer verpakkingen moeten producenten en importeurs die drank in een kunststoffles van 3 liter of minder in Nederland op de markt brengen (verder: het verpakkende bedrijfsleven), in een kalenderjaar 90 gewichtsprocent van de hoeveelheid in de handel gebrachte flessen gescheiden inzamelen. Dit inzamelpercentage geldt conform het Besluit beheer verpakkingen vanaf kalenderjaar 2022. Op grond van de Regeling verslaglegging verpakkingen dienen uiterlijk op 1 augustus gegevens over het afgelopen kalenderjaar te worden verstrekt. Ik heb in augustus van dit jaar dus de gegevens over 2021 ontvangen. Aangezien het minimumpercentage voor gescheiden inzamelen van plastic flessen in 2021 nog niet gold, bevat deze rapportage nog geen gegevens daarover.
Kunt u een overzicht geven van de inzamelpercentages van plastic flessen, uitgesplitst naar kleine plastic flesjes en grote plastic flessen en uitgesplitst per maand vanaf 1 juli 2021 (de start van de inzameling van de kleine plastic flesjes) tot nu? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven beschreven gaat het om een jaarlijkse verplichting, voor alle plastic flessen van 3 liter of minder. Een uitsplitsing per maand wordt daarbij niet gemaakt, evenmin als een onderscheid tussen grote en kleine flessen. Ook geldt het minimale inzamelpercentage pas vanaf 2022. In 2023 ontvang ik dus voor het eerst een rapportage hierover.
Wat is uw reactie op de inzamelpercentages van de kleine plastic flesjes en de trend van deze inzamelpercentages het afgelopen jaar?
Zoals hierboven toegelicht heb ik nog geen rapportage ontvangen over de inzamelpercentages van kunststofflessen en wordt geen onderscheid gemaakt tussen grote en kleinere flessen (met een inhoud van 3 liter of minder).
Klopt het dat het gezamenlijke inzamelpercentage van de grote plastic flessen en kleine plastic flesjes naar beneden wordt getrokken door het inzamelpercentage van de kleine plastic flesjes? Zo nee, waarom niet?
Zoals hierboven toegelicht heb ik nog geen rapportage ontvangen over de inzamelpercentages van kunststof flessen en wordt geen onderscheid gemaakt tussen grote en kleinere flessen (met een inhoud van 3 liter of minder).
Zijn er naar uw mening maatregelen nodig om het inzamelpercentage van de kleine plastic flesjes te verhogen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen?
Het is aan het verpakkende bedrijfsleven om het wettelijk vastgestelde inzamelpercentage te behalen. Als daartoe maatregelen nodig zijn, is het aan hen om die te nemen. Uiteraard zal ik dit goed volgen en indien nodig hen hierop aanspreken.
Indien er geen overzicht kan worden gegeven van de inzamelpercentages van de kleine plastic flesjes – zoals kan worden opgemaakt uit de Lijst van vragen en antwoorden over het Jaarverslag Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat 20212 – waarom heeft u in het tweeminutendebat Circulaire economie dan de indruk gewekt dat het inzamelpercentage van de kleine plastic flesjes op 1 augustus 2022 wel aan u beschikbaar zou worden gesteld?
Zoals hierboven uiteengezet ontvang ik in 2023 voor het eerst gegevens over het minimum inzamelpercentage dat geldt vanaf 2022. Wel ontving ik in augustus 2022 gegevens gerelateerd aan verplichtingen die in 2021 golden, waaronder de verplichte recyclingpercentages van verpakkingen. Dit heeft mogelijk tot verwarring geleid in de beknopte beantwoording van de gestelde vraag bij het tweeminutendebat. Ik hoop met deze antwoorden alsnog duidelijkheid te kunnen geven.
Heeft het bedrijfsleven een overzicht van de inzamelpercentages van de kleine plastic flesjes, per maand vanaf de start van de inzameling van kleine plastic flesjes tot nu, ook al is dit niet opgenomen in de rapportage? Zo ja, gaat u dit overzicht alsnog opvragen?
Uitvoeringsorganisatie Statiegeld Nederland geeft op hun website3 op eigen initiatief aan dat binnen een jaar na invoering van statiegeld op flessen kleiner dan 1 liter, een inzamelpercentage van 80% (voor alle statiegeldflessen) wordt behaald. Ook geeft Statiegeld Nederland daar aan maatregelen en initiatieven te nemen om de doelstelling van 90% te halen, waaronder een publiekscampagne en een uitbreiding van het aantal inleverlocaties.
Ik zie geen noodzaak voor een aparte rapportage over inzamelresultaten van grote en kleine flessen en zal daarvan geen overzicht opvragen. Met de invoering van statiegeld ook voor kleine flessen, is dit onderscheid juist irrelevant geworden. Ik zal het verpakkend bedrijfsleven houden aan de wettelijke inzameldoelstelling van 90% voor alle plastic flessen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er in de toekomst in de rapportage over de inzamelresultaten van plastic drankflessen wel onderscheid zal worden gemaakt tussen de inzamelpercentages van grote plastic flessen en kleine plastic flesjes?
Ik zie geen noodzaak voor een aparte rapportage over inzamelresultaten van grote en kleine flessen. Met de invoering van statiegeld ook voor kleine flessen, is dit onderscheid juist irrelevant geworden. Ik zal het verpakkend bedrijfsleven houden aan de wettelijke inzameldoelstelling voor alle plastic flessen.
Hoe kunt u afleiden hoe succesvol de invoering van statiegeld op kleine plastic flesjes is, als het inzamelpercentage van de kleine plastic flesjes en de trend hiervan niet beschikbaar zijn?
Het al dan niet behalen van de wettelijke doelstelling van 90% inzameling is een indicatie van het succes van het statiegeldsysteem voor alle flessen. Een verdere indicatie is de constatering dat kleine plastic flesjes, sinds ook daar statiegeld op van toepassing is, aanzienlijk minder vaak in het zwerfafval worden aangetroffen. Uw Kamer is per brief van 5 april geïnformeerd over de resultaten van de monitoring van drankverpakkingen in het zwerfafval4, waaruit blijkt dat het aantal flesjes in het zwerfaval met ca 40% is afgenomen sinds de invoering van statiegeld op kleine flesjes. Zwerfafval van plastic flessen blijft onder de aandacht van de structurele monitoring van zwerfafval. Uw Kamer ontvangt binnenkort de volgende halfjaarlijkse monitoringsresultaten.
Deelt u de mening dat het essentieel is om te weten wat de inzamelpercentages zijn van grote plastic flessen en kleine plastic flesjes afzonderlijk, zodat er gerichte maatregelen kunnen worden genomen om het gezamenlijke inzamelpercentage te verhogen, zoals een innameplicht en/of een uitbreiding van de statiegeldregeling naar flessen met een andere inhoud dan frisdrank en water? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals ik hierboven heb aangegeven houd ik het bedrijfsleven aan de wettelijke doelstelling die geldt voor alle flessen. Als die doelstelling niet gehaald wordt, is het aan hen om nadere of gerichtere maatregelen te treffen. Daarnaast houd ik trends in het zwerfafval in de gaten, inclusief ten aanzien van plastic flessen.
Bent u, gelet op het bericht van Statiegeld Nederland van februari 2022 dat 80% van alle plastic statiegeldflessen (groot en klein) retour komt3, nog steeds in de veronderstelling dat de wettelijke inzameldoelstelling van 90% op 31 december 2022 zal worden gehaald? Zo ja, waar baseert u dit op? Zo nee, welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de wettelijke inzameldoelstelling wel zal worden gehaald?
Zoals ik hierboven heb aangegeven, houd ik het bedrijfsleven aan de wettelijke doelstelling die geldt voor alle flessen. Het is aan hen om indien nodig nadere of gerichtere maatregelen te treffen om te zorgen dat de doelstelling gehaald wordt.
Welke consequenties worden eraan verbonden als de wettelijke inzameldoelstelling van 90% niet wordt gehaald op 31 december 2022?
Indien de wettelijke doelstelling niet wordt gehaald, kan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) handhavend optreden. Welke actie wordt ondernomen, zal afhangen van de situatie in de praktijk en het is aan de ILT om dit te beoordelen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Kunt u deze vragen spoedig beantwoorden, aangezien u heeft toegezegd de Kamer kort na 1 augustus te informeren over de behaalde inzamelpercentages?
Ik heb mijn best gedaan de vragen spoedig te beantwoorden.
Content op websites |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe vaak heeft de politie de afgelopen vijf jaar in totaal jaarlijks contact opgenomen met bedrijven om hen erop te wijzen dat er strafbare content en/of content in strijd met hun gebruikersovereenkomst op hun website wordt gepubliceerd?
Zoals recent aangegeven in antwoord op vragen van uw Kamer neemt de politie geen contact op met bedrijven met als doel een account te verwijderen. De politie kan wel, net als eenieder, in het kader van zelfregulering door platformen, contact opnemen met bedrijven om hen erop te wijzen dat er stafbare content en/of content in strijd met hun gebruikersovereenkomst op hun website wordt gepubliceerd.1 De beoordeling daarvan is vervolgens aan het bedrijf. De politie kan daarnaast in specifieke, bij wet bepaalde gevallen,2 de officier van justitie vragen om een bevel tot ontoegankelijkmaking te richten aan bedrijven als Twitter. De officier van justitie heeft daarbij een voorafgaande rechterlijke machtiging nodig (artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering). De politie registreert dit soort meldingen niet op zodanige wijze dat de gevraagde informatie uit de politiesystemen kan worden gehaald.
Kan u deze (jaarlijkse) cijfers (verder) uitsplitsen naar «strafbare content» en «gebruikersovereenkomst»? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
In het geval van «strafbare content», kan u de cijfers verder uitsplitsen naar het wetsartikel op basis waarvan de politie de content strafbaar acht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Is het een taak van de politie bedrijven te informeren wanneer hun gebruikersovereenkomst zou worden geschonden? Waarom is dat zo? Kunnen en moeten bedrijven dat niet zelf doen? Is dit bovendien niet een vorm van ongeoorloofde staatssteun? Hoeveel uur heeft de politie de afgelopen jaren besteed aan het controleren van het naleven door klanten van de gebruikersovereenkomsten van particuliere bedrijven?
De politie heeft geen taak bedrijven te informeren wanneer hun gebruikersovereenkomst wordt geschonden. De politie levert een bijdrage aan de handhaving van de rechtsorde. Dit betekent soms dat zij signalen aan derden afgeeft, zodat deze maatregelen kunnen nemen die bijdragen aan het beperken en voorkomen van (verdere) schade door strafbare feiten of het voorkomen of beëindigen van (ernstige) openbare orde schendingen.
Welke bedrijven werden door de politie de afgelopen vijf jaar benaderd omdat er strafbare content of content in strijd met de gebruikersovereenkomst van deze bedrijven zou zijn gepubliceerd op hun website? Kan u op zijn minst een top vijf geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe vaak heeft de politie de afgelopen vijf jaar jaarlijks contact opgenomen met Twitter om erop te wijzen dat er stafbare content en/of content in strijd met de gebruikersovereenkomst van Twitter op Twitter zou zijn gepubliceerd?
Zie antwoord vraag 1.
Kan u deze cijfers (dus alleen voor Twitter) uitsplitsen naar «strafbare content» en «gebruikersovereenkomst»? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
In het geval van «strafbare content», kan u de cijfers (wederom alleen voor Twitter dus) verder uitsplitsen naar het wetsartikel op basis waarvan de politie de content op Twitter strafbaar acht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft Twitter de aanwijzingen van de politie in alle gevallen opgevolgd? Zo nee, waarom niet? Op welke wijze heeft Twitter de aanwijzingen opgevolgd? Zijn tweets verwijderd? Of accounts geschorst naar aanleiding van «aanwijzingen» van de politie?
Zie antwoord vraag 1.
Kan u nader ingaan op de aard van de «aanwijzingen»? Vroeg de politie via de «aanwijzingen» bijvoorbeeld om bepaalde tweets te verwijderen? Of om accounts te schorsen? Tijdelijk? Of zelfs permanent? Kortom, kan u de «aanwijzingen» van de politie aan Twitter categoriseren en vervolgens aangeven hoe vaak Twitter, de afgelopen jaren, welk soort «aanwijzing» van de politie heeft gekregen?
Zie antwoord vraag 1.
Indien Twitter de aanwijzingen van de politie niet zou hebben opgevolgd, wat zouden hiervan dan de gevolgen voor Twitter kunnen zijn? Zou de politie het OM hebben kunnen vragen tot vervolging van Twitter over te gaan? Heeft de politie dit laatste ook ooit aan Twitter laten weten?
De politie kan slechts verwijderverzoeken doen, waarbij een beroep wordt gedaan op de zelfregulering van de internetsector. Het niet opvolgen van een dergelijk verzoek heeft geen rechtsgevolgen. Wel kunnen platformen als Twitter zich onder omstandigheden schuldig maken aan het plegen van een strafbaar feit en daarvoor worden vervolgd.3
Tot slot, heeft de politie de afgelopen vijf jaar ook ooit met de traditionele media (NPO, Volkskrant, NRC, Trouw, RTL, .......) contact opgenomen om hen erop te wijzen dat er stafbare content en/of content in strijd met hun gebruikersovereenkomst op hun website wordt gepubliceerd?
Zie antwoord vraag 1.
Kan u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ik heb ervoor gekozen dit niet te doen, omdat het antwoord op een aantal vragen eensluidend is.
Het bericht dat Hongarije toestemming geeft voor het bouwen van twee Russische kerncentrales |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Hongarije toestemming geeft voor de bouw van twee Russische kerncentrales in het land door het Russische bedrijf Rosatom?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van het feit dat de oorlog in Oekraïne Hongarije er niet toe heeft bewogen om af te zien van de bouw van deze nieuwe kerncentrales? Wat zegt dit volgens u over de banden tussen premier Orbán en president Poetin?
Gezien de Russische militaire agressie in Oekraïne en het hierop volgende EU-beleid om tegen Rusland op te treden, komt het Hongaarse besluit duidelijk niet overeen met de geest van dit EU-beleid. Dit Hongaarse besluit straalt daarmee negatief af op de EU-eenheid in deze oorlog. Hongarije schendt met het besluit over de bouw van twee reactoren geen EU-regelgeving. Overeenkomstig de beginselen van het Europees energiebeleid is de keuze voor de eigen energiemix aan de lidstaten.
Wat betekent dit volgens u voor de eenheid die Europa uitstraalt in dit conflict?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens met het feit dat de bouw van deze kerncentrales, die voor 80% gefinancierd worden met Russisch geld, lijnrecht ingaat tegen de rationale achter de Europese sanctiepakketten tegen Rusland die juist willen voorkomen dat de Russische staatskas gevuld wordt door handel met Europese landen, ondanks dat de Russische kernenergie niet valt onder de huidige Europese sanctiepakketten?
Ja.
Bent u bereid om dit onderwerp nog formeel of informeel te adresseren tijdens het aanstaande informele Raad Buitenlandse Zaken op 30–31 augustus 2022 en de Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken hier op aan te spreken?
Het kabinet kaart het belang van EU-eenheid, de noodzaak druk op Rusland op te voeren en het belang van het zo snel mogelijk afbouwen van energieafhankelijkheid van Rusland continu aan in relevante bijeenkomsten in multilateraal en bilateraal verband, waaronder in de Raad Buitenlandse Zaken, en zal dit blijven doen.
Kunt u aangeven waarom het nucleaire agentschap Rosatom, een van Ruslands grootste staatsbedrijven dat een zeer groot belang heeft in Europa, na zeven sanctierondes nog steeds niet toegevoegd is aan de sanctielijst van de Europese Unie?
Nederland is binnen de EU voortdurend in gesprek over het toevoegen van entiteiten aan de EU-sanctielijsten. Het kabinet kijkt hierbij naar de brede mogelijkheden die er onder het sanctieregime bestaan, waaronder het nemen van beperkende maatregelen tegen entiteiten die materieel of financieel bijdragen aan acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen, entiteiten die materiële of financiële steun verlenen aan of profijt trekken van de regering van de Russische Federatie en entiteiten die betrokken zijn bij economische sectoren die een aanzienlijke bron van inkomsten vormen voor de regering van de Russische Federatie. Voor het plaatsen van entiteiten op de EU-sanctielijsten dient te worden voldaan aan de desbetreffende listingscriteria, uitgangspunten van EU-eenheid en doelstellingen van de sancties.
Bent u bereid om binnen de Europese onderhandelingen over een achtste sanctiepakket er serieus voor te pleiten om Rosatom toe te voegen aan de lijst met gesanctioneerde bedrijven?
Het kabinet is voorstander van aanvullende sanctiemaatregelen, maar doet geen uitlatingen over specifieke listingsvoorstellen. De reden is dat dit mogelijk de effectiviteit van dergelijke maatregelen ondermijnt gelet op onder andere het verrassingseffect.
Het rapport ‘What is a fair emissions budget for The Netherlands’ |
|
Christine Teunissen (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met nieuwe rapport van NewClimate Institute (NCI) «What is a fair emissions budget for The Netherlands? How The Netherlands can integrate the principle of common but differentiated responsibilities and capabilities in their climate target»?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusie van dit rapport dat een eerlijk klimaatdoel (fair share) voor Nederland nul uitstoot in 2030 (of zelfs negatief) is? Zo ja, welke gevolgen geeft u aan dit rapport? Zo nee, waarom niet?
Nee. Volgens het kabinet zijn de aangescherpte Nederlandse klimaatdoelen voor 2030 (ten minste 55% en streven naar 60%-reductie) en 2050 (klimaatneutraal oftewel netto-nul-broeikasemissies) op basis van het IPCC in lijn met het 1,5 gradendoel van het Akkoord van Parijs. Dit wordt ook ondersteund door het PBL.
Er is geen objectieve basis voor een eerlijke verdeling van de mondiale emissiereductieopgave. Wel klopt het dat volgens het klimaatverdrag uit 1992 en het Akkoord van Parijs de ontwikkelde landen het voortouw dienen te nemen. Dat hebben ze met het Kyoto protocol gedaan en doet de EU nu met haar reductiedoel van 55%-reductie in 2030 en klimaatneutraliteit in 2050. Het doel om de nationale uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55 procent en zo mogelijk 60% in 2030 te reduceren ten opzichte van 1990 ligt significant hoger dan de wereldwijde reductie van broeikasgassen in IPCC-scenario’s voor beperking van de mondiale opwarming tot 1.5°C aan het eind van deze eeuw. Volgens die scenario’s is hiervoor in 2030 een reductie nodig van alle broeikasgassen samen van ongeveer 43% ten opzichte van 2019. Dit komt overeen met 37%-reductie t.o.v. 2010 en ca. 18%-reductie t.o.v. 1990.
Hetzelfde geldt voor het nationale en Europese doel om netto nul uitstoot van broeikasgassen in 2050 te bereiken. Volgens de IPCC-scenario’s dienen voor het 1.5°C-doel de mondiale CO2-emissies rond 2050 een netto nul niveau te bereiken, maar geldt voor alle broeikassen dat rond 2050 een reductie van 84% t.o.v. 2019 nodig is, wat neer komt op ca.76% t.o.v. 1990 (Zie IPCC AR6 WGIII, SPM, tabel SPM.1). Het doel van de EU en Nederland om in 2050 netto nul uitstoot van broeikasgassen te bereiken, oftewel 100% reductie, gaat dus aanzienlijk verder dan wat het IPCC aangeeft dat wereldgemiddeld nodig is. Daarmee zijn de Nederlandse en EU-klimaatdoelen voor 2030 en 2050 ook in lijn met de afspraak dat ontwikkelde landen, waaronder Nederland en de EU, het voortouw nemen bij de bestrijding van klimaatverandering.
Onderschrijft u de methode waarlangs de conclusies van dit rapport zijn opgesteld? Zo nee, waar zit/zitten volgens u de zwakheden of fouten?
Nee. Ik zie de volgende aandachtspunten bij de methode die in het rapport is gehanteerd.
Het NCI gaat uit van het koolstofbudget dat resteert om met 67% zekerheid de mondiale temperatuurstijging tot 1,5 graden te beperken zonder overschrijding van de 1,5 graden. De haalbaarheid daarvan wordt niet met scenario-analyses onderbouwd. Het IPCC beschrijft in haar laagste scenariocategorie (C) scenario’s met geen of zeer beperkte overschrijding van de 1,5 graden (C1) en scenario’s met meer overschrijding waar ingezet wordt op netto negatieve emissies die de mondiale temperatuurstijging terug brengen tot 1,5 graden later in de eeuw (C2). Daarbij gaat het om scenario’s die uitgaan van 50% zekerheid dat het 1,5 gradendoel wordt bereikt. De analyse van scenario’s voor 1,5 graden in IPCC’s laatste assessment maakt duidelijk dat zelfs bij 50% zekerheid het zeer moeilijk is om overschrijding van de 1,5 graden nog te vermijden gezien de extreem snelle mondiale emissiereducties die dat zou vergen. Als wordt uitgegaan van de C1-categorie van IPCC dan zijn de mondiale CO2-emissies rond 2050 netto-nul en niet in 2037 zoals in de NCI-analyse.
In de berekening van het Nederlandse koolstofbudget neemt het NCI-rapport aan dat in Nederland geen netto negatieve emissies door CO2-vastlegging mogelijk zijn. Daarbij kijkt het alleen naar vastlegging in landgebruik en het gebruik van biomassa in combinatie met CCS en niet naar andere technieken zoals direct air capture (DAC). Ook wordt er niet gekeken naar mogelijkheden voor internationale samenwerking. Op basis daarvan wordt het Nederlandse koolstofbudget extra beperkt.
Staat u nog achter de ambitie van het kabinet om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graad en de biodiversiteit te versterken? Zo nee, hoe is dat veranderd?2
Ja.
Erkent u dat de huidige Nederlandse klimaatdoelen aantoonbaar niet in lijn zijn met belangrijke onderdelen van het Parijsakkoord? Zo nee, op welke manier onderbouwt u dat?
Nee, zie het antwoord op vraag 2
Erkent u dat de uitgangspunten van dit rapport dezelfde zijn als die van het Kabinet, namelijk het onderschrijven van het Klimaatakkoord van Parijs? Zo nee, waar zit het verschil in de uitgangspunten?
Nee, zie het antwoord op vraag 3.
Wat is uw reactie op de conclusie van NCI: «For contributing its full fair share, the Netherlands» emissions allocations need to be below zero in 2030 already and need to remain there going forward»?
Zoals in mijn antwoord op vraag 3 is aangegeven dienen de mondiale CO2-emissies rond 2050 netto-nul te zijn als wordt uitgegaan van de C1-categorie van IPCC.
Klopt het dat dit rapport en het rapport van de Finse Klimaatraad over klimaatneutraliteit vergelijkbare uitgangspunten hanteren met betrekking tot het CO2-budget? Zo nee, waarom niet?3
Er zijn overeenkomsten maar ook verschillen tussen dit rapport en het rapport van de Finse Klimaatraad over klimaatneutraliteit. De beide rapporten gaan op basis van het IPCC speciale rapport over 1,5 graden uit 2018 uit van een resterend CO2-budget van 400Gton om de opwarming met 67% kans te beperken tot 1.5 graden en veronderstellen geen scenario’s met tijdelijke overschrijding van de 1,5 graden. Beide rapporten nemen ook landgebruik CO2 en niet-CO2-emissies mee in hun berekeningen, maar het is niet duidelijk in hoeverre de methoden daarvoor verschillen. Beide rapporten gebruiken verschillende verdelingsprincipes voor het berekenen wanneer nationale emissies netto nu moeten zijn.
Erkent u de conclusie van NCI: «The government’s proposed target pathway of reducing emissions by 55%, 70% and 80% in 2030, 2035 and 2040, and achieve climate neutrality in 2050 exceeds the Netherlands» fair share budget by about 2400 MtCO2e, or 14 times current annual emission levels.»? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 3 en 4. Voorts wil ik erop wijzen dat de huidige reductiedoelstellingen van het kabinet volgens het PBL al grenzen aan wat uitvoerbaar is.
Bent u bereid om de Nederlandse klimaatdoelen aan te scherpen middels een rechtvaardig koolstofbudget dat volledig in lijn is met het Parijsakkoord? Zo nee, waarom niet?
Nee, de huidige klimaatdoelen zijn volgens het kabinet en PBL in lijn met Akkoord van Parijs.
Deelt u de conclusie dat de verschillende koolstofbudgetruimtes, en dus de tijd die nog rest gegeven de budgetruimtes, de ruimte bepalen waarbinnen de politiek heeft te handelen (mede gegeven ook de internationaalrechtelijke verdragen)? Zo nee, waarom niet?
Onder klimaatwetenschappers is het inderdaad zeer gebruikelijk om de klimaatopgave te vertalen in de beschikbare koolstofbudgetruimte. Die koolstofbudgetruimte wordt mede bepaald door de mogelijkheden van het gebruiken van negatieve emissies.
Wat is uw reactie op de stelling: «The Netherlands» so far have not argued why their proposed target is a fair contribution or takes up a fair share of the remaining carbon budget»? Kunt u alsnog onderbouwen waarom de huidige Nederlandse klimaatdoelen voldoen aan een minimale interpretatie van fair share?
Onder het Akkoord van Parijs heeft niet Nederland, maar de EU zich aan een Nationally Determined Contribution gecommitteerd en wordt door de EU mede namens Nederland beargumenteerd waarom de EU-bijdrage in lijn is met de afgesproken klimaatdoelstellingen en een eerlijke en ambitieuze bijdrage daaraan vormt. Daarnaast, zoals aangekondigd in het ontwerpbeleidsprogramma Klimaat, wil het kabinet met het klimaatbeleid programmeren op 60%-reductie, zodat 55% in 2030 met grote waarschijnlijkheid wordt gehaald.
Deelt u de mening dat het 14 keer opgebruiken van het fair share koolstofbudget zeer onrechtvaardig is? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2 en 3 waarin ik aangeef dat ik de manier waarop het rapport het fair share voor nederland bepaalt niet onderschrijf.
Onderschrijft u het gegeven dat het sneller opmaken van het fair share CO2-budget de overlevingskansen van volgende generaties, zowel in Nederland als daarbuiten, aanzienlijk verkleint? Zo nee, waarom niet?
Het opmaken van de koolstofbudgetruimte beperkt inderdaad de overlevingskansen van volgende generaties. In het antwoord op vraag 2 en 3 heb ik echter aangegeven dat ik de manier waarop het rapport het fair share voor Nederland bepaalt niet onderschrijf.
Erkent u dat er nog steeds exportkredietverzekeringen worden verstrekt door de Nederlandse overheid voor grote fossiele brandstofprojecten in ontwikkelingslanden, en dat er nog steeds jaarlijks miljarden liters vieze brandstoffen vanuit de Nederlandse havens naar ontwikkelingslanden worden verscheept?4
Tijdens de COP26-conferentie heeft Nederland de verklaring ondertekend voor het in lijn brengen van internationale overheidssteun met de groene energietransitie («de COP26-verklaring»). De COP26-verklaring biedt, onder erkenning van de bevindingen van de IPCC en IEA’s net zero-analyse, richting voor nieuw beleid (beëindiging nieuwe directe overheidssteun aan de internationale unabated fossiele energiesector voor 1 januari 2023). Het kabinet heeft op 8 november 2021 aangegeven in overleg met stakeholders te werken aan een zorgvuldige implementatie met behoud van kennis en banen, in het bijzonder voor de exportkredietverzekering. Op 7 april en 7 juli jl. zijn brieven aan uw Kamer gestuurd, waarin de voortgang, het verdere proces en het internationale speelveld beschreven werd. Het kabinet streeft ernaar om tijdig voor COP27 een meer gedetailleerde invulling van het beleid aan uw Kamer te versturen.
Op welke manieren zorgt Nederland nog meer voor een toename van CO2-uitstoot in ontwikkelingslanden? Graag een opsomming. Wanneer gaat u een eind maken aan deze schadelijke praktijken?
De binnenlandse productie en consumptie maken vaak onderdeel uit van ketens die de landsgrenzen overstijgen. In het ontwerpBeleidsprogramma (Kamerstuk 32 813, nr. 1049) geeft het kabinet aan dat er oog is voor de hele consumptie- en productieketen. De blik reikt daarmee verder dan Nederland. Het kabinet ziet ook een belangrijke inspanningsopgave om emissies in de keten te verminderen om een maximaal mondiaal klimaateffect te realiseren. Het is belangrijk dat er inzicht komt in ketenemissies, om het klimaateffect in de keten zo groot mogelijk te laten zijn en te kunnen meenemen in het instrumentarium. Dit vergt ook inzet op EU-niveau.
Kunt u aangeven wat wel nodig is om wel binnen de grenzen van het fair share koolstofbudget te blijven? Graag een toelichting.
Het bericht Acht boerderijen (deels) dicht voor extra stikstof door verbreding A27 en A12 bij Utrecht |
|
Joris Thijssen (PvdA), Laura Bromet (GL), Suzanne Kröger (GL), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Acht boerderijen (deels) dicht voor extra stikstof door verbreding A27 en A12 bij Utrecht»?1
Ja.
Waarom wacht u niet de uitkomst af van het alternatief waaraan, ondanks dat er volgens het tracébesluit geen alternatief is, de provincie Utrecht en de gemeente Utrecht werken, waarvoor mogelijk minder of geen stikstofruimte nodig zou zijn?
Het Tracébesluit voor de Ring Utrecht is in 2020 vastgesteld en daarvoor loopt op dit moment een beroepsprocedure bij de Raad van State. Op dit moment ligt er geen uitgewerkt alternatief voor het huidige Tracébesluit. Omdat de procedure bij de Raad van State niet op pauze kan worden gezet in afwachting van een alternatief, wordt de procedure daar voortgezet.
Als de regio een alternatief gereed heeft, ga ik met hen in gesprek. Als het alternatief de problematiek op het gebied van veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid op gelijkwaardige wijze oplost kan het Tracébesluit worden aangepast.
Voor welke andere projecten kan de stikstofruimte worden ingezet die nu wordt toegewezen aan de verbreding van de A27 en A12, en welke afweging zit daarachter? Waarom zet u de nu beschikbare stikstofruimte niet in voor bijvoorbeeld woningbouw, natuurherstel, PAS-melders of uitbreiding van het OV?
De stikstofruimte had ook kunnen worden ingezet voor andere IenW-projecten die stikstofruimte nodig hebben op dezelfde specifieke locaties in dezelfde specifieke Natura 2000-gebieden. Om dit preciezer te duiden, moeten eerst berekeningen en ecologische beoordelingen voor andere projecten worden uitgevoerd. Het zal in ieder geval gaan om projecten die netwerkeffecten hebben in hetzelfde gebied als de A27/A12 Ring Utrecht, zoals de A28/A1 Knooppunt Hoevelaken.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, kan de procedure bij de Raad van State niet op pauze worden gezet en was daarvoor een nadere onderbouwing nodig. Daarom is de stikstofruimte voor dit project ingezet.
Voor andere doelen (bijvoorbeeld woningbouw, natuurherstel en de legalisatie van PAS-meldingen) heeft het kabinet andere bronmaatregelen voorzien, die worden gefinancierd vanuit andere budgetten. Dat leidt nu ook tot de eerste stikstofruimte voor PAS-melders. Half september worden ontwerpbesluiten genomen om de eerste zes meldingen in Limburg te legaliseren.
Welk signaal gaat er volgens u uit van het inzetten van schaarse stikstofruimte voor een zeer omstreden project, terwijl het land op slot zit en het boeren aan perspectief ontbreekt?
Ik onderschrijf de doelstellingen van het project: de doorstroming, de verkeersveiligheid en de leefbaarheid rond de weg verbeteren. Het project betreft het aanleggen van extra rijstroken en het scheiden van drukke, kruisende verkeersstromen. Daarnaast worden voor verbetering van de leefbaarheid rond de weg nieuwe, hogere geluidsschermen geplaatst en wordt een deel van de weg overkapt.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 kan de procedure bij de Raad van State niet op pauze worden gezet. In dat kader is onlangs een nadere onderbouwing opgesteld.
Bij toestemmingverlening via saldering wordt een zorgvuldige procedure doorlopen. Daarnaast is er voor 7 MIRT-projecten, woningbouw en PAS-melders de mogelijkheid om via het stikstofregistratiesysteem (SSRS) toestemming te verlenen. Op dit moment wordt ruimte uit de Saneringsregeling varkenshouderij via het SSRS gebruikt voor het legaliseren van de eerste PAS-melders. Zodoende deel ik de stelling niet dat hier een signaal vanuit gaat.
Heeft u een overzicht van projecten waarvoor het Rijk de komende jaren stikstofruimte nodig zal hebben, een prioritering hiervan en een plan voor hoe het Rijk aan de benodigde stikstofruimte gaat komen? Zo ja, kunt u dit overzicht delen? Zo nee, bent u van plan of bereid om een dergelijk overzicht op te stellen?
In de MIRT-brief van juni 2022 is de werkvolgorde gegeven van aanlegprojecten waarvan op dat moment werd verwacht dat deze een beroep doen op de beperkt beschikbare stikstofdeskundigen.2 Voor deze projecten zullen als eerste stikstofberekeningen worden opgesteld en mogelijke effecten op de natuur worden beoordeeld. Als significant negatieve effecten van een project op Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten, zal worden gezocht naar mitigerende maatregelen.
Van andere projecten van het Rijk die niet op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat liggen, heb ik geen overzicht.
Deelt u de analyse dat het Rijk het goede voorbeeld moet geven en vol moet inzetten op stikstofreductie en de verduurzaming van onze mobiliteitssector, en dat de verbreding van de A27 en A12 hier niet in past?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zet vol in op verduurzaming van de mobiliteit. Dit gebeurt onder meer door een beter OV, meer fietsgebruik, het terugdringen van de stikstofuitstoot door het steeds schoner worden en elektrificeren van voertuigen, het voorbereiden van Betalen naar gebruik en het bevorderen van thuiswerken.
De bereikbaarheidsproblematiek blijft echter groot, evenals de noodzaak om te werken aan het vergroten van de verkeersveiligheid en het verbeteren van de leefbaarheid rondom infrastructuur. Hierdoor blijven investeringen in het wegennet noodzakelijk. Ook het gekozen Voorkeursalternatief bestaat uit een combinatie van investeringen in weg en OV: naast een wegverbreding is ook de Uithoflijn gerealiseerd.
Kunt u wetenschappelijk onderbouwen dat wegverbredingen zoals deze helpen om files op te lossen?
IenW brengt bij elk besluit voor een wegverbreding de effecten van het project in beeld. De effecten zullen bij ieder project van elkaar verschillen. De effecten van de wegverbreding in het TB A27/A12 Ring Utrecht zijn in beeld gebracht in het deelrapport MER A27/A12 Ring Utrecht Tweede Fase (2016). De kwaliteit van de gebruikte informatie voor besluitvorming over Tracébesluiten voor wegverbredingen zoals opgenomen in het MER is onafhankelijk getoetst door de Commissie voor de m.e.r. De Commissie voor de m.e.r. geeft aan dat zij in haar advies rekening houdt met actuele relevante ontwikkelingen op wetenschappelijk gebied. In 2020 is aanvullend de oplegnotitie verkeer 2020 van de A27/A12 Ring Utrecht uitgevoerd. De onderzoeken gaven aan dat de wegverbreding in het TB A27/A12 Ring Utrecht de files (congestie) op het hoofdwegennet meer dan halveert ten opzichte van de situatie zonder project. Voor het verkeersonderzoek is gebruik gemaakt van het Nederlands Regionaal Model (NRM) van Rijkswaterstaat. Op het NRM vinden onafhankelijke audits en reviews plaats. Hierin is geconstateerd dat het NRM van goede kwaliteit is en uitgaat van wetenschappelijk geaccepteerde theorieën.
Meerdere ontwikkelingen op het gebied van kernenergie |
|
Silvio Erkens (VVD), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aankondiging van Rolls Royce en ULCE Energy om te werken aan de bouw van kleine kerncentrales in Nederland?1
Ja.
Hoe apprecieert u deze veelbelovende private ontwikkeling, die naast de twee kerncentrales uit het coalitieakkoord kan leiden tot een groter aandeel kernenergie in Nederland?
Deze specifieke samenwerking tussen Rolls-Royce, ULC-Energy en Constellation is gericht op het realiseren van een zogenaamde «kleine modulaire reactor» (Small Modular Reactor, SMR). Ik begrijp dat beide partijen hiervoor tevens een Memorandum of Understanding zijn aangegaan met de Amerikaanse firma Constellation Energy Corporation.
SMR is de verzamelnaam voor een heel divers scala aan reactorconcepten in verschillende stadia van ontwikkeling. Een groot aantal partijen, nationaal en internationaal, is hierbij actief betrokken en ik volg de actualiteiten met interesse. Voor SMRs zijn er meerdere toepassingen denkbaar waarin ze een rol zouden kunnen spelen; naast de productie van elektriciteit bijvoorbeeld ook als bron van hoge-temperatuur warmte voor de energie-intensieve industrie of voor de productie van waterstof. Als de beoogde voordelen van SMRs zich inderdaad in de praktijk voordoen, dan zou het een interessante complementaire energiebron kunnen zijn in de energiemix.
Sommige concepten zijn al in een vergevorderd stadium van ontwikkeling, maar in het Westen zijn er op dit moment nog geen SMRs verwezenlijkt. Op basis van de marktconsultatie van KPMG (Kamerstuk 32 645, nr. 96) lijkt de realisatie van SMRs op meerdere locaties in Nederland nu (nog) niet haalbaar. Een belangrijke voorwaarde voor de introductie van SMRs is namelijk de beschikbaarheid van locaties waar deze gerealiseerd kunnen worden en waar ook maatschappelijk draagvlak bestaat.
Ziet u specifieke kansen voor kleine modulaire kernreactoren bij de verduurzaming van de Nederlandse industrieclusters? Bent u bekend met industrieclusters die interesse hebben in atoomstroom? Hoe neemt u deze plannen mee in de CES’sen?
Er zijn twee industrieclusters die aangeven dat kernenergie een mogelijke toepassing kan hebben. In de CES van de Schelde-DeltaRegio worden nieuwe kerncentrales nadrukkelijk genoemd als bron van CO2-vrije elektriciteit voor de verduurzaming van de industrie. In de CES van Chemelot wordt ook verwezen naar een mogelijk rol voor SMRs in de toekomst. Clusters kunnen zelf het initiatief nemen om kernenergie op te nemen in vraag en/of aanbod.
In de CES-en wordt gevraagd inzicht op clusterniveau te bieden in elektriciteitsvraag en -aanbod. Uitvraag naar elektriciteit is met name gericht op hernieuwbare elektriciteit en de integratie daarvan in het industriecluster. Voor veel clusters geldt dat de beschikbaarheid van voldoende CO2-vrije elektriciteit een randvoorwaarde is voor elektrificatie. Dit zijn soms baseload processen met grote vermogens (zoals elektrisch kraken), waar een wisselend elektriciteitsaanbod uit wind en zon tot uitdagingen leidt. Hier kan kernenergie een rol vervullen in de verduurzaming van de industrie.
Bent u bekend met het zojuist afgeronde onderzoek van de provincie Limburg over de mogelijkheden voor kernenergie in Limburg? Hoe apprecieert u deze conclusies? Hoe werkt u samen met de provincie aan een mogelijk vervolgonderzoek?2
Ja.
De provincie Limburg heeft onderzoek laten doen naar de mogelijkheden voor kernenergie in Limburg, en meer specifiek in de vorm van SMRs. Dit is mede in het licht van de toenemende vraag naar beschikbaar regelbaar vermogen vanuit grote industriële clusters,
Een van de conclusies van het onderzoek is, dat de vraag naar beschikbaar regelbaar vermogen vanaf 2030–2035 gedeeltelijk zou kunnen worden ingevuld door SMRs. Volgens het onderzoek is realisatie van grote, conventionele reactoren in Limburg niet waarschijnlijk, mede wegens gebrek aan koelwatercapaciteit in de provincie.
Hoe faciliteert en ondersteunt u private ontwikkelingen op het gebied van nucleaire innovatie en private initiatieven?
Nederland heeft zich verbonden aan het doel om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Dit betekent dat in de komende decennia een omschakeling moet plaatsvinden in ons energiegebruik en de manier waarop we in onze energiebehoefte voorzien. Om de klimaatdoelen te bereiken en de omschakeling in het energiesysteem te bewerkstelligen zijn alle opties nodig. Daarom acht ik het wenselijk dat we ook onderzoek blijven doen naar nieuwe vormen van CO2-vrije nucleaire energie opwekking.
De Nederlandse overheid draagt al vele jaren financieel bij aan onderzoeken naar nieuwe vormen van CO2-vrije nucleaire energie opwekking, zoals ook SMRs en gesmolten-zout-technieken. Dit zal in de toekomst voortgezet worden. Deze onderzoeken worden bijvoorbeeld uitgevoerd door de Nuclear Research & Consultancy Group (NRG) in Petten en door de Technische Universiteit Delft.
Het Ministerie van EZK is al jaren op verschillende niveaus van de organisatie in overleg met diverse partijen op gebied van SMRs, thorium, en kernfusie. Partijen worden op weg geholpen door ze in contact te brengen met de juiste instanties, zoals bijvoorbeeld de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) waar ze informatie kunnen inwinnen over vergunningstrajecten en technische beoordelingskaders.
Voor een concept-specifieke technologie op het gebied van thorium is in 2020 een VroegeFaseFinanciering (VFF) van 350.000 euro verstrekt aan Thorizon; een startup, die een plan ontwikkelt voor een reactor op basis van gesmolten zout. Dit jaar heeft Thorizon met succes aanspraak gemaakt op een bijdrage van 1.5 miljoen euro van Invest-NL.
De gesmolten-zout-techniek is een mogelijke toepassing van kernenergie in het toekomstig energiesysteem. Of deze technologie in de toekomst daadwerkelijk een rol kan spelen, zal nog moeten blijken uit de verdere ontwikkeling van reactorontwerpen door marktpartijen.
Bent u ook bekend met de recente aankondiging van een Nederlandse startup om aan de slag te gaan met een thoriumpilotcentrale? Hoe apprecieert u die ontwikkeling? Hoe heeft u dit proces ondersteunt?3
Zie antwoord op vraag 5
Bent u ook bekend met het bericht «SCK leidt onderzoek naar kleine modulaire kerncentrales van vierde generatie en krijgt daarvoor 100 miljoen euro ter beschikking»?4
Ja.
Hoe waardeert u deze inzet van onze zuiderburen op specifiek onderzoek naar innovatieve kleine modulaire reactoren (SMR’s), ook als u de Belgische investering van € 100 miljoen afzet tegen de gelden die Nederland beschikbaar stelt voor onderzoek naar nieuwe generatie kernreactoren?
De komende decennia dient er zowel nationaal als internationaal een omschakeling plaats te vinden in ons energiegebruik en de manier waarop we in onze energiebehoefte voorzien. De opgave om CO2-vrije vormen van energie te gebruiken om klimaatdoelen te halen is mondiaal. Ik vind het daarom ook goed dat de Belgische overheid onderzoek faciliteert naar nieuwe vormen van kernenergie. Alle opties zijn immers nodig en de inzet van SMRs kan een mogelijke optie voor het toekomstig energiesysteem zijn.
Met deze investering voor vier jaar gaat België onderzoek doen op het vlak van o.a. technologie, passieve veiligheid, het verminderen van langlevend afval en economische haalbaarheid.
In Nederland geeft EZK jaarlijks een onderzoeksbudget van ruim 7 miljoen euro aan NRG waarmee ook onderzoek naar SMRs en gesmolten-zout-reactoren wordt verricht.
België kent een ander nucleair landschap dan Nederland: er is een veel groter aandeel kernenergie in de energiemix en ook een ander innovatie-ecosysteem. Deze impuls kan worden bezien als een vorm van kennismanagement en -behoud tegen de achtergrond van de sluitende kerncentrales. In lijn met EU-beleid is het ook goed dat landen niet concurreren op onderzoeksgebieden. In plaats daarvan moeten ze specialiseren op nationaal relevante thema’s en samenwerken op gebieden waar gedeelde interesses zijn.
Deelt u de mening dat er ook in Nederland meer geïnvesteerd zou moeten worden in innovatieve nucleaire technologie, zoals SMR’s, thorium en andere nieuwe reactortypes? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 5
Welke overheidsfondsen en instrumenten staan ter beschikking tot nieuwe nucleaire innovaties? Wanneer gaat u de topsector energie openstellen voor nucleaire innovaties?
Zoals ik heb aangegeven bij mijn antwoord op vragen 5, 6, 9 en 11 staan in principe de volgende instrumenten open voor nucleaire innovaties: VroegeFaseFinanciering, het Nationaal Groeifonds, en Invest-NL. Of er ook daadwerkelijk met succes een beroep kan worden gedaan op deze fondsen en instrumenten is afhankelijk van het aansluiten van gehanteerde doelen en uitgangspunten van deze fondsen en instrumenten op de aanvragen die worden ingediend.
Zoals ik uw Kamer eerder al informeerde (Kamervragen (Aanhangsel), 2021–2022, nr. 3353) vindt binnen de Topsector Energie een korte verkenning plaats over de rol die de Topsector kan spelen in de Nederlandse bevordering van innovatie rondom kernenergie. Het streven is om eind dit jaar deze verkenning af te ronden en daarna uw Kamer hierover te informeren.
Bent u in gesprek geweest met partijen op het gebied van SMR’s of thorium? Hebben deze partijen geprobeerd om met u in contact te komen? Hoe zijn zij ondersteunt bij hun initiatieven?
Zie antwoord op vraag 5
In hoeverre had of heeft u contact met uw Belgische collega als het gaat om een gezamenlijke inzet op het gebied van nucleaire technologie en innovatieve technieken?
In 2016 hebben België en Nederland middels een Politieke Verklaring inzake Energiesamenwerking afgesproken te verkennen in hoeverre de samenwerking tussen beider instituten voor nucleair onderzoek kan worden versterkt.
Dit jaar, in april, had ik op de Thalassa Top in Gent contact met mijn Belgische collega. Aangezien het verstandig is om de samenwerking te intensiveren, is afgesproken deze Politieke Verklaring te actualiseren met daarin ook aandacht voor nucleair onderzoek.
Welke mogelijkheden ziet u om, naar aanleiding van de investering die België nu doet, meer in te zetten op samenwerking met België op het gebied van onder andere kennisontwikkeling over SMR’s en andere nieuwe technieken? Ziet u ook andere samenwerkingsverbanden met bijvoorbeeld Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk?
Onderzoekers uit Nederland werken al jaren op reguliere basis nauw samen met Belgische onderzoekers op het gebied van o.a. veiligheidsanalyses, geavanceerde reactoren, en thermohydraulica (zie bijvoorbeeld Nureth19: Lead the Flow!). Dit vindt plaats in de vorm van bilaterale samenwerkingen maar ook in internationale consortia die worden gefinancierd door de Europese Commissie in het kader van Euratom Horizon. Ook met Franse onderzoekers vindt samenwerking plaats op gebied van o.a. splijtstoffen, recycling en transmutatie. Intensieve samenwerking met Britse onderzoekers is door o.a. door Brexit en de pandemie de laatste jaren enigszins bemoeilijkt.
Ik sta open voor een versterking van internationale samenwerking. Het is daarbij van belang dat een mogelijke extra impuls voor internationale samenwerking op effectieve wijze bijdraagt aan het versterken van de kennisinfrastructuur. Bij voorbereidingen om te komen tot de bouw van nieuwe kerncentrales hoort ook een toename van de internationale activiteiten die ik onderneem. Daarbij blijf ik alert op kansen voor internationale samenwerking op het gebied van kennisontwikkeling over innovatieve technieken.
Kunt u een laatste stand van zaken geven rondom het European SMR Partnership, zoals ook aangekondigd door Eurocommissaris Simson?5
Na de bijeenkomst in juni 2021 over het European SMR Partnership is in maart dit jaar de eerste bijeenkomst van het Steering Committee van de European SMR pre-Partnership geweest. Het doel van dit comité is om een verkenning uit te voeren naar mogelijke voorwaarden en condities (inclusief financieel) waaronder de constructie en ingebruikname van SMRs in Europa in het volgende decennium en verder mogelijk kan zijn. Dit in overeenstemming met wet- en regelgeving vanuit de EU en Euratom in het bijzonder. Hierbij wordt met name gekeken naar:
Er wordt binnen de verschillende werkstromen samengewerkt door industrie, toezichthouders, onderzoekers en de Europese Commissie. Ook vanuit Nederland is op een aantal niveaus deelname aan deze werkstromen.
Men verwacht in 2023 drie tot vier SMR ontwerpen uit te kunnen kiezen waarop de verdere activiteiten gericht zijn. Ook wordt vanaf dit najaar de verdere vorm van samenwerking binnen een toekomstig SMR Partnership doorontwikkeld.
Bent u bekend met het feit dat NuScale, één van de veelbelovende SMR-ontwerpen, in de VS een veiligheidscertificaat heeft gekregen van de Nuclear Regulatory Commission (NRC)? Is het mogelijk om het vergunningstraject voor nieuwe kernreactoren te harmoniseren tussen de Europese lidstaten en tevens te versnellen? Welke inspanningen doet u daartoe?
Ja.
Nucleaire veiligheid is een nationale verantwoordelijkheid. Voor het vergunningstraject betekent dit, dat de bevoegde autoriteit van een land (in Nederland de ANVS), een vergunningaanvraag en de daarbij behorende veiligheidsonderbouwing moet beoordelen en goedkeuren voordat een vergunning afgegeven kan worden. Zonder afbreuk te doen aan de eigen verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de veiligheid zoekt de ANVS in een dergelijk traject de samenwerking op met collega’s uit het buitenland en maakt gebruik van hun expertise. Een voorbeeld daarvan is de huidige samenwerking tussen de ANVS en de Nuclear Regulatory Commissie (de Amerikaanse regulator). Dit in het kader van het vergunningverleningstraject van het Amerikaanse bedrijf SHINE, dat van plan is een nucleaire installatie voor de productie medische isotopen te bouwen in Veendam. De ANVS participeert ook actief in het SMR pre-partnership, zie ook het antwoord op vraag 14.
Problemen met tolkenvoorzieningen in de zorg |
|
Maarten Hijink |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Hoe oordeelt u over de bureaucratische werkwijze van het UWV voor het aanvragen van tolkvoorzieningen door mensen met een auditieve beperking en door belangenorganisaties voor mensen met een auditieve beperking? Kunt u uw antwoord toelichten?1, 2
In 2021 heeft onderzoeksbureau Ruigrok NetPanel in opdracht van UWV onderzoek gedaan naar de ervaringen van tolkgebruikers met de tolkvoorziening. Hierin beoordelen tolkgebruikers de dienstverlening van UWV gemiddeld met een 7,7 en is het merendeel van de gebruikers tevreden (60%) of zeer tevreden (30%). Daarnaast is in 2021 door Berengroep in opdracht van UWV een tevredenheidsonderzoek uitgevoerd onder tolken Nederlandse Gebarentaal en onder schrijftolken over de dienstverlening van UWV en Tolkcontact. Hierin geeft 64% van de respondenten de dienstverlening van UWV een 8 of hoger en wordt de dienstverlening gemiddeld met een 7,58 beoordeeld. De ervaringen van tolkgebruikers en tolken met de dienstverlening van UWV kunnen derhalve als overwegend positief beschouwd worden.
De uitvoering van de tolkvoorzieningen is bij een bestuursorgaan belegd, om rechtsbescherming van gebruikers bij een aanvraag, en daarmee de mogelijkheid om in bezwaar en beroep te gaan, te garanderen. Ten tijde van de behandeling Wet centraliseren tolkvoorzieningen auditief beperkten leef- en werkdomein is in 2019 gekozen voor UWV als uitvoerder, omdat UWV reeds de tolkvoorzieningen voor het werk- en onderwijsdomein uitvoerde. Hierdoor was UWV het bestuursorgaan met de meeste ervaring met zowel de doelgroep als met het uitvoeren van vergelijkbare regelingen. UWV heeft daarbij een deel van de werkzaamheden belegd bij de Berengroep (Tolkcontact). Gezien de genoemde tevredenheid van tolkgebruikers en tolken, ben ik nog steeds van mening dat UWV het meest geschikte bestuursorgaan is om de tolkvoorziening te beleggen.
Waarom duurt de aanvraag voor een tolkvoorziening tussen de tien werkdagen en acht weken? Deelt u de mening dat dit een veel te lange periode is? Zo ja, kunt u deze periode laten verkorten? Zo neen, waarom niet?
De termijn van 8 weken betreft een wettelijke termijn, waarbinnen UWV verplicht is een aanvraag verwerkt te hebben.3 Het is wenselijk dat aanvragen sneller verwerkt worden dan deze wettelijke termijn en daarom hanteert UWV een streeftermijn van 10 dagen. Bij spoedsituaties kunnen gebruikers via Tolkcontact direct een tolk regelen en wordt de aanvraag achteraf behandeld. In het onderzoek van Ruigrok NetPanel geeft 69% van de respondenten aan tevreden of zeer tevreden te zijn met de snelheid waarmee UWV beslist over aanvragen en geeft 25% van de gebruikers aan de behandelsnelheid van UWV neutraal te beoordelen of hier geen mening over te hebben. Ik acht het daarom niet noodzakelijk de periode te laten verkorten.
Met welke reden kunnen extra tolkvoorzieningen buiten de standaard-uren niet in het buitenland gebruikt worden, waardoor het voor mensen onmogelijk wordt om een uitstapje te maken of bijvoorbeeld een congres bij te wonen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Gebruikers van de tolkvoorziening hebben standaard recht op 30 uren aan tolkdiensten per jaar in het leefdomein en in het geval van zowel een auditieve als visuele beperking 168 uren per jaar. Deze tolkuren kunnen naar wens van de gebruiker worden ingezet. Tolkgebruikers hebben daarnaast de mogelijkheid om extra tolkuren aan te vragen als maatwerk.
Per 1 januari 2022 zijn de kaders voor de maatwerkaanvragen van de tolkvoorziening leefdomein aangepast, waarbij er voor maatwerkaanvragen een maximum van acht uur per dag gesteld is en aanvragen voor het buitenland in principe niet gehonoreerd worden. Deze kaders zorgen ervoor dat UWV de maatwerkaanvragen op een transparante wijze kan beoordelen. Daarnaast dragen de kaders bij aan de houdbaarheid van de tolkvoorziening met het oog op het aantal beschikbare tolken, evenals de financiële houdbaarheid.
Als er door de kaders schrijnende situaties ontstaan, dan blijft maatwerk mogelijk. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het inzetten van een tolk bij een ziekenhuisbezoek in het buitenland.
Om welke reden stelt het UWV dat schrijftolken niet meer dan acht uur per dag kunnen declareren als er sprake is van extra tolkvoorzieningen buiten de standaard uren in het buitenland? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen waarom er voor schrijftolken in het leefdomein en voor organisaties pas vanaf twee uur en vijf minuten een teamtolk ingezet kan worden en in het werkdomein pas vanaf anderhalf uur, waardoor schrijftolken in die situaties respectievelijk twee uur en vijf minuten of anderhalf uur non-stop moeten tolken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Afhankelijk van de duur, intensiteit en complexiteit van een tolkopdracht is de inzet van een teamtolk mogelijk. In het werkdomein is dit mogelijk bij tolkopdrachten die langer duren dan één uur. Ik ben voor het leefdomein op dit moment bezig met het verkennen van de impact van het verlagen van de minimumduur van teamtolkopdrachten van twee uur naar opdrachten die langer dan één uur duren.
Bent u nog steeds van mening dat het UWV geschikt is om de tolkvoorzieningen te beheren, aangezien belangenorganisaties kritische geluiden hebben geuit over het beleggen van de uitvoering van de tolkvoorziening bij het UWV ten tijde van de behandeling van de Wet centraliseren tolkvoorzieningen auditief beperkten leef- en werkdomein? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Welke maatregelen gaat u nemen om de bureaucratische werkwijze van tolkvoorzieningen bij het UWV te verminderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit de tevredenheidsonderzoeken genoemd in het antwoord op de vragen 1 en 6 blijkt dat de ervaringen van tolkgebruikers en tolken met de dienstverlening van UWV overwegend positief zijn. Dit laat onverlet dat ik samen met UWV en de Ministers van OCW (tolkvoorziening onderwijsdomein) en SZW (werkdomein) doorlopend werk aan het optimaliseren van de tolkvoorziening. Bijvoorbeeld inzake de inzet van de teamtolk. Daarbij nemen we de signalen vanuit de belangenorganisaties uiterst serieus.
De instroom van buitenlandse studenten en de onderwijskwaliteit in Nederland |
|
Olaf Ephraim (FVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Enquête: toestroom buitenlandse studenten zet kwaliteit onder druk»?1
Daar heb ik kennis van genomen.
Bent u op de hoogte van de uitkomsten van bovengenoemde enquête en zo ja, hoe reflecteert u daarop?
Ik ben op de hoogte van de uitkomsten van deze enquête. Hoewel de enquête geen representatieve steekproef is, geeft het wel een aantal belangrijke signalen. Ik was reeds van de meeste signalen op de hoogte en het beeld dat ik heb van de uitdagingen die internationale studenten ondervinden in Nederland wordt verder bevestigd door de uitkomsten van deze enquête, zoals uitdagingen in de informatievoorziening rondom huisvesting en corona- en vaccinatieregels in Nederland en het signaal dat door corona de werkgelegenheid voor internationale studenten over het algemeen is afgenomen. Op onderdelen brengt de enquête ook extra detail, zoals over de uitdagingen met betrekking tot de Nederlandse zorgverzekering.
Kunt u uitleggen waarom er ieder jaar zoveel buitenlandse studenten naar Nederland komen? Worden deze studenten actief geworven door de onderwijsinstellingen en/of door bedrijven en/of het Rijk? Krijgen de onderwijsinstellingen geld van de overheid voor het aantrekken van buitenlandse studenten en zo ja, op basis van welke criteria en hoeveel geld per student?
Nederland is een populair land voor internationale studenten en dan vooral de universiteiten. Dit komt met name door de hoge kwaliteit en betaalbaarheid van het hoger onderwijs in Nederland en het aanbod van Engelstalige opleidingen. In het recent gesloten bestuursakkoord (Kamerstuk 31 288, nr. 969) tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de Vereniging van Hogescholen (VH) en Universiteiten van Nederland (UNL) is afgesproken dat de universiteiten zeer terughoudend zijn met internationale wervingsactiviteiten gericht op uitbreiding tenzij zij zich bevinden in krimpregio’s en/of werven voor opleidingen die cruciaal zijn voor de tekortsectoren. Onderwijsinstellingen krijgen geen geld van de overheid voor het aantrekken van buitenlandse studenten. Hogeronderwijsinstellingen worden vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gedeeltelijk bekostigd op basis van het aantal studenten dat zij opleiden. Dit geldt voor Nederlandse en EER-studenten. Het bedrag dat een instelling krijgt is hetzelfde als voor een Nederlandse student en ligt tussen de € 4.300 en € 13.000 per student per jaar, afhankelijk van het type opleiding. Criteria zijn dat het een eerste bachelor- of eerste masteropleiding betreft en dat de student binnen de nominale studieduur studeert. Voor niet-EER-studenten ontvangen hogeronderwijsinstellingen geen bekostiging van OCW. Deze studenten betalen het hogere instellingscollegegeld.
Bent u op de hoogte van het feit dat universiteiten deze zomer alarm hebben geslagen omdat er voor veel studenten uit het buitenland geen huisvesting beschikbaar was? Zo ja, waarom wordt er dan vanuit het Rijk geen werk gemaakt van het inperken van de stroom studenten uit het buitenland?
Ik ben daarvan op de hoogte. In het eerder genoemde bestuursakkoord is reeds aangegeven dat het een collectief belang is dat de internationale studentenstromen beter beheersbaar worden en dat gestreefd wordt naar een stelsel dat duurzaam en in balans is, waarbij de waardevolle aspecten van internationalisering behouden blijven en er tevens voldoende ruimte is voor behoud van de kwaliteit en toegankelijkheid van het hoger onderwijs. Hier moet fundamenteel over nagedacht worden en dit zal geadresseerd worden in de toekomstverkenning die deze maand start. Op basis van de eerste uitkomsten uit deze toekomstverkenning informeer ik begin 2023 de Tweede Kamer over de vervolgstappen op dit onderwerp. Vooruitlopend hierop zijn reeds afspraken gemaakt met de universiteiten onder andere over werving, proactieve voorlichting richting internationale studenten over wat hen wel/niet geboden kan worden en terughoudendheid van universiteiten met het wijzigen van de onderwijstaal van opleidingen naar het Engels.
Hoe reflecteert u op de groeiende wooncrisis in Nederland en de jaarlijkse instroom van studenten uit het buitenland? Deelt u de mening dat het in het licht van het nijpende woningtekort onverantwoord is om studenten naar ons land te halen, als wij hen nergens kunnen onderbrengen en dit daarnaast de woningmarkt nog verder verstopt?
Woningnood is op dit moment helaas een gegeven in onze samenleving, voor studentenhuisvesting is dit niet anders. In het recent afgesloten Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting 2022–2030 wordt onder andere de realisatie van een groot aantal studentenwoningen aangekondigd (Kamerstuk 33 104, nr. 30). Desalniettemin kan dit betekenen dat er op plaatsen die erg aantrekkelijk zijn, zoals Amsterdam, uitdagingen blijven bestaan. Duidelijke communicatie hierover richting internationale studenten is dan ook essentieel. Hierover zijn daarom ook afspraken gemaakt met de universiteiten in het bestuursakkoord: de universiteiten geven proactief voorlichting aan internationale studenten over wat hen wel/niet geboden kan worden, bijvoorbeeld als het gaat om huisvesting.
Erkent u dat de grote hoeveelheid buitenlandse studenten een te grote zorglast voor onderwijsinstellingen met zich meebrengt, aangezien deze studenten meer begeleiding en facilitering nodig hebben dan Nederlandse studenten, wat vervolgens ten koste gaat van de tijd en de (financiële) middelen die ten behoeve komen van het curriculum en de colleges? Zo ja, deelt u de mening dat dit onwenselijk is, aangezien dat zowel een kwalitatieve, als een kwantitatieve verarming van ons onderwijs tot gevolg heeft?
Ik erken dat er voldoende ruimte en tijd moet zijn om zowel de Nederlandse als de internationale studenten goede begeleiding te bieden, zonder dat dit ten koste gaat van bijvoorbeeld het curriculum of de colleges. De mening dat de hoeveelheid buitenlandse studenten een te grote zorglast voor onderwijsinstellingen met zich meebrengt, deel ik niet. Onderwijsinstellingen kiezen er zeer bewust voor om buitenlandse studenten op te leiden en horen daarbij ook de benodigde ondersteuning te bieden. Een opleiding volgen kent vele aspecten. Buitenlandse studenten kunnen van grote meerwaarde zijn voor alle studenten in een opleiding en voor het curriculum. Dit kan meespelen in de afweging van de hogeronderwijsinstelling om internationale studenten te verwelkomen en het beschikbaar stellen van extra begeleiding en facilitering voor deze studenten. Investeringen aan de ene kant zijn dan ook niet een-op-een te vergelijken met opbrengsten aan de andere kant, ik deel de mening van kwalitatieve en kwantitatieve verarming daarom niet.
Kunt u uiteenzetten wat de gevolgen zullen zijn van de devaluering van Nederlands onderwijs, een trend die inmiddels al enige tijd aan de gang is, voor de toekomstige samenleving en de economie? Wat gaat het gebrek aan onderlegging betekenen voor de arbeidsmarkt en het bedrijfslevens? Hoeveel geld en welke schade gaat het de samenleving kosten wanneer er steeds meer te weinig adequaat geschoolde mensen op de arbeidsmarkt komen?
Het kabinet erkent dat het hoger onderwijs en onderzoek in Nederland investeringen vergt en investeert deze kabinetsperiode dan ook fors in hoger onderwijs en onderzoek. In mijn beleidsbrief van afgelopen juni is aangegeven hoe deze investeringen ingezet zullen worden (Kamerstuk 31 288, nr. 964). Daarbij is het uitgangspunt dat een gezond en duurzaam stelsel voor hoger onderwijs en wetenschap essentieel is voor de ontwikkeling van studenten, docenten en onderzoekers, voor wetenschappelijke doorbraken en voor het aangaan van maatschappelijke uitdagingen. Deze investeringen hebben daarom naar verwachting positieve gevolgen voor de toekomstige samenleving en de economie. Daarbij kan ook het opleiden van internationaal talent een positieve bijdrage leveren aan adequaat geschoolde mensen op de Nederlandse arbeidsmarkt.
Hoe verhouden zich de kosten die Nederland maakt voor het faciliteren van buitenlandse studenten tot de baten die het ons land op de langer termijn oplevert? Kunt u inzichtelijk maken of de investeringen die worden gedaan in buitenlandse studenten zich ook terugvertalen in winst voor de Nederlandse samenleving en economie?
In 2019 heeft het Centraal Planbureau onderzoek gedaan naar de economische effecten van internationalisering in het hoger onderwijs en mbo2. Hieruit blijkt dat het saldo van opbrengsten en kosten gezien over de hele levensloop voor alle typen studenten in het hoger onderwijs positief is voor hbo- en wo-studenten uit zowel EER- als niet-EER-landen. Het saldo voor studenten uit niet-EER-landen is substantieel groter. De nettobijdrage over de levensloop van een wo-student uit een niet-EER-land is gemiddeld € 96.300. Voor een student aan een hbo-opleiding is dit gemiddeld € 68.500. Studenten uit EER-landen hebben een kleinere nettobijdrage, gemiddeld € 5.000 voor een hbo-student en gemiddeld € 16.900 voor een wo-student. Oorzaken voor dit verschil zijn de hogere blijfkans onder niet-EER-studenten3, het gegeven dat de Nederlandse overheid voor hen geen rijksbijdrage betaalt en dat deze studenten ook geen aanspraak kunnen maken op studiefinanciering (ook niet onder bepaalde voorwaarden). Daarnaast is de nettobijdrage van studenten met een wo-opleiding voor zowel EER- als niet-EER-landen hoger dan die van hbo-studenten. Dit verschil wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de gemiddeld veel hogere inkomens van deze groep en de daarmee samenhangende hogere belasting- en premieopbrengsten na de studie4. Naast dat de buitenlandse studenteninstroom financieel netto positief uitpakt voor de Nederlandse samenleving en economie, zorgen buitenlandse studenten ook voor een stimulerend studieklimaat aan onze hogeronderwijsinstellingen en een betere aansluiting op internationale wetenschappelijke ontwikkelingen.
Deelt u de mening dat het adequaat opleiden van Nederlandse studenten de eerste prioriteit moet zijn voor het Nederlandse onderwijssysteem? Onderschrijft u dan ook dat wij vooral moeten investeren in de educatie van onze autochtone studentenpopulatie en bijvoorbeeld moeten proberen om in eerste instantie al onze eigen jonge mensen te voorzien van een goede opleiding?
Het Nederlandse onderwijssysteem leidt op voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Toegankelijkheid voor Nederlandse studenten is een van de uitgangspunten in het Nederlandse hoger onderwijs. Het hoger onderwijs in Nederland is dan ook zeer toegankelijk voor Nederlandse studenten. Met het juiste diploma uit het voortgezet onderwijs zijn Nederlandse studenten bij alle opleidingen direct toelaatbaar, slechts een beperkt aantal opleidingen hanteert een capaciteitsfixus. In dat geval zijn aspirant-studenten wel toelaatbaar, maar kan niet iedere kandidaat wegens capaciteitsgebrek ook worden toegelaten. De plaatsen worden op basis van selectie verdeeld. In studiejaar 2021–2022 kon vijf procent van de studenten niet de opleiding van hun eerste keus volgen (Kamerstuk 31 288, nr. 972) Al deze studenten konden wel elders in het hoger onderwijs worden toegelaten, bijvoorbeeld op een studie in een aanverwant vakgebied. Tegelijkertijd is internationalisering in het hoger onderwijs en investeren in internationaal talent om verschillende redenen van groot belang. Het draagt onder andere bij aan een stimulerend studieklimaat, aan een betere aansluiting op internationale wetenschappelijke ontwikkelingen en vormt een deel van het antwoord op de vraag van de arbeidsmarkt naar meer hoogwaardig opgeleid talent.
Deelt u daarnaast de mening dat het het welzijn en het ontwikkelings- en toekomstperspectief van studenten uit het buitenland geen goed doet als wij hen in Nederland niet kunnen bieden waarvoor zij naar ons land gekomen zijn?
Ik deel de mening dat het het welzijn en het ontwikkelings- en toekomstperspectief van studenten uit het buitenland geen goed doet als we hen in Nederland niet kunnen bieden waarvoor zij naar ons land gekomen zijn. Essentieel daarvoor is onder andere dat de verwachtingen van de studenten over hun komst naar Nederland realistisch zijn. Hiervoor is reeds een aantal acties in gang gezet voor de korte termijn via het bestuursakkoord. Daarnaast is het van belang dat er balans bewerkstelligd wordt in internationalisering in het hoger onderwijs in Nederland, waar ik komende tijd over in gesprek ga met de relevante partijen in het kader van de toekomstverkenning.
In mijn brief aan uw Kamer afgelopen juni over internationalisering heb ik aangekondigd dat ik met instellingen en andere stakeholders, zoals studenten en regionale partijen naar oplossingen wil zoeken, om een balans te bewerkstellingen en te komen tot een toekomstbestendig bestel (Kamerstukken II, 31288–963). Het bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap en een toekomstverkenning maken hier deel van uit. Afgelopen juli is het bestuursakkoord gesloten tussen Universiteiten van Nederland (UNL), de Vereniging Hogescholen (VH) en het Ministerie van OCW, waarin vooruitlopend op de toekomstverkenning met de universiteiten concrete afspraken zijn gemaakt over internationalisering voor de korte termijn (Kamerstuk 31 288, nr. 969). Deze afspraken gaan onder andere over de terughoudendheid van universiteiten bij internationale wervingsactiviteiten en een proactieve houding van universiteiten richting internationale studenten over wat hen wel/niet geboden kan worden. Internationalisering staat hoog op de agenda van de toekomstverkenning en begin 2023 wordt uw Kamer geïnformeerd over vervolgstappen op dit onderwerp. Daarnaast is op 7 september 2022 het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting 2022–2030 door de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aangeboden aan uw Kamer (Kamerstuk 33 104, nr. 30). Dit actieplan wordt gedragen door de universiteiten, de studenten, de gemeenten, de sociale en commerciële studentenhuisvesters, Nuffic, het Ministerie van BZK en het Ministerie van OCW. Het actieplan heeft onder andere als doel om in de periode van 2022–2030 tot een uitbreiding van 60.000 nieuwe studentenwoningen te komen. Tevens is de Regeling huisvesting aandachtsgroepen (RHA) van het Ministerie van BZK ook voor de aandachtsgroep studenten opengesteld om de bouw van studentenhuisvesting te stimuleren.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de druk op en de kwaliteit van het Nederlands hoger - en universitair onderwijs niet nog verder afneemt en de buitenlandse studenten die op dit moment in Nederland zijn opgeleid worden naar verwachting?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Bent u bereid om het wettelijk mogelijk te maken, dat onderwijsinstellingen eenzijdig zouden moeten kunnen besluiten om buitenlandse studenten te weigeren, ook als zij voldoen aan de toelatingseisen voor de betreffende opleiding, als daardoor de kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd? Zo nee, waarom niet? Kunt u een uitgebreide verklaring geven?
In mijn brief aan uw Kamer over internationalisering afgelopen juni heb ik uw Kamer laten weten dat ik nog niet verder ga met het wetsvoorstel Taal en Toegankelijkheid en dat ik het wetsvoorstel voorlopig aanhoud (Kamerstuk 31 288, nr. 963). Het vraagstuk van de groeiende internationale instroom kan namelijk niet worden losgezien van vraagstukken zoals de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs, Nederlands als academische taal en studentenhuisvesting, waar in de toekomstverkenning die deze maand start op wordt ingegaan. Ook wil ik de (internationale) studenteninstroom in samenhang bezien met de regionale en internationale arbeidsmarkt en de krapte die in sommige sectoren heerst. Op basis van de eerste uitkomsten van de toekomstverkenning informeer ik begin 2023 de Tweede Kamer over de vervolgstappen op dit onderwerp. Om die reden is het nog te vroeg om te reageren op de specifieke optie die wordt voorgesteld in deze vraag.
Het bericht dat heel Schiphol sinds 2008 onrechtmatig in bedrijf is |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bizarre ontdekking: heel Schiphol al sinds 2008 onrechtmatig in bedrijf»?1
Ja.
Klopt de berichtgeving dat het Luchthavenverkeersbesluit (LVB) uit 2008 niet volledig op de juiste wijze tot stand is gekomen? Zo ja, wat is er precies allemaal nagelaten of misgegaan? Zo nee, kunt u aangeven op welke punten het artikel feitelijk onjuist is?
De wijziging van het Luchthavenverkeerbesluit in 2008 (hierna: LVB 2008) is een algemene maatregel van bestuur en daarmee een algemeen verbindend voorschrift. In de Wet luchtvaart zijn de vereisten opgenomen voor de totstandkoming van een (wijziging van een) Luchthavenverkeerbesluit. In die wet is onder meer een voorhangprocedure bij de Staten-Generaal voorgeschreven. Volgens die vereisten is gelijktijdig met de bekendmaking in de Staatscourant het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd.
Voor de totstandkoming van het LVB 2008 zijn niet alleen de vereisten op grond van de Wet luchtvaart in acht genomen, maar is ook een m.e.r. procedure doorlopen. Voor de beoordeling van de natuurwaarden is voor een groot deel teruggevallen op het MER «Schiphol 2003». In het MER onderliggend aan het LVB 2008 (MER «Korte termijn» (2007)) is geconcludeerd dat de conclusies van het MER «Schiphol 2003» ook van toepassing zijn voor het LVB 2008. Voor het LVB 2008 geldt dat er minder vliegtuigbewegingen en overeenkomstige vlieghoogtes mogelijk zijn dan het langetermijnscenario van het MER «Schiphol 2003». In dat kader is destijds de conclusie getrokken dat er op geen enkel punt sprake was van significante effecten op beschermde soorten en/of gebieden in relatie tot de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet.
In de bezwaarprocedure in het kader van het handhavingsverzoek van Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: MOB) en anderen, heeft Schiphol onder andere aangevoerd dat er geen vergunningplicht zou bestaan, omdat het in artikel 9.4, achtste lid, van de Wet natuurbescherming neergelegde overgangsrecht van toepassing zou zijn. In de beslissing op bezwaar (1 oktober 2020) op dit handhavingsverzoek heeft de Minister van LNV het standpunt ingenomen dat ten aanzien van de toepassing van het overgangsrecht geldt dat met de inzichten van nu niet zonder meer kan worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het LVB 2008 en de daaraan ten grondslag liggende natuurtoetsen. Dit omdat naar het oordeel van de Minister van LNV de natuurtoets bij het LVB 2008 naar de huidige inzichten niet volledig is geweest. In die natuurtoets heeft geen complete passende beoordeling plaatsgevonden van de mogelijke effecten van stikstofdepositie van het luchtverkeer van en naar Schiphol op Natura 2000-gebieden. Gelet hierop is de Minister van LNV het oordeel toegedaan dat het overgangsrecht van de Wet natuurbescherming geen betrekking heeft op het LVB 2008. Als gevolg hiervan is Schiphol een vergunningplicht aangezegd.
Op dit moment loopt die vergunningprocedure. In die procedure worden de mogelijke effecten van stikstofdepositie van het luchtverkeer van en naar Schiphol op Natura 2000-gebieden geactualiseerd en beoordeeld. Dit laat onverlet dat voor de totstandkoming van het LVB 2008 de vereisten op grond van de Wet luchtvaart in acht zijn genomen en de m.e.r. procedure is doorlopen.
Klopt het dat er destijds «geen complete passende beoordeling heeft plaatsgevonden van de mogelijke effecten van stikstofdepositie van het luchtverkeer van en naar Schiphol op Natura 2000-gebieden»?
Zie het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat daarmee niet is voldaan aan de eisen die gesteld worden aan een LVB?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 heeft de Minister van LNV het standpunt ingenomen dat met de kennis van nu de natuurtoets niet volledig is geweest. Als gevolg hiervan kan geen geslaagd beroep op het overgangsrecht van de Wet natuurbescherming worden gedaan.
Wat zijn de consequenties voor de geldigheid van het LVB uit 2008?
Dit LVB geldt onverkort. De consequentie is wel dat Schiphol een natuurvergunning heeft moeten aanvragen. Die procedure loopt nu.
Betekent het citaat uit de Wob-stukken «dat heeft als consequentie dat ik thans niet zonder meer kan uitgaan van de rechtmatigheid van het LVB van 2008 en de daaraan ten grondslag liggende natuurtoetsen» dat de LVB 2008 niet langer rechtsgeldig is?
Zie het antwoord op vraag 5.
Hoelang is deze informatie bekend bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en waarom heeft u de Kamer hier niet eerder over geïnformeerd? Hoelang is deze informatie bekend bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en waarom heeft u de Kamer hier niet eerder over geïnformeerd?
De beslissing op bezwaar is genomen in 2020. Daarmee kwam vast te staan dat Schiphol een natuurvergunning moest aanvragen. De genoemde e-mails dateren van eind 2021. Op dat moment was al sprake van een lopende vergunningprocedure. Bovendien is het LVB 2008 rechtsgeldig; zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 5.
Wat vindt u ervan dat wanneer een I&W-ambtenaar wijst op de beslissing op bezwaar van LNV (waarin de gebrekkige rechtmatigheid van het LVB 2008 wordt vastgesteld) deze van zijn collega te horen krijgt dat er nu «geen andersluidende standpunten» rondgestuurd gaan worden? Hoezo was de positie «andersluidend»?
Voor het doorlopen van de m.e.r.-procedure ter voorbereiding op de wijziging van het LVB is binnen het ministerie een ambtelijke functiescheiding aangebracht. Uit het betreffende document is op te maken dat de ambtenaar vanuit de rol als bevoegd gezag voor de m.e.r.-procedure vooruitlopend op de beantwoording van resterende juridische vragen nog geen standpunt kan innemen over de interpretatie van het overgangsrecht dat is opgenomen in de Wnb.
Klopt het dat het conform de Wet Luchtvaart (artikel 8.1a lid2 verboden is om de luchthaven Schiphol in bedrijf te hebben, indien voor deze luchthaven geen geldig en passend LVB bestaat?
Voor de luchthaven Schiphol is een rechtsgeldig LVB in werking. Dit betreft het LVB 2003 en de latere wijzigingen (o.a. LVB 2008) hierop. De in uw vraag aangehaalde situatie is niet aan de orde.
Kunt u aangeven op basis van welke wetgeving (of vrijstelling daarvan) Schiphol momenteel nog in bedrijf is?
De luchthaven Schiphol is in bedrijf op basis van besluiten (waaronder het Luchthavenverkeerbesluit en Luchthavenindelingbesluit) genomen op grond van de Wet luchtvaart.
Kunt u aangeven welke besluit(en) aan het in bedrijf laten van Schiphol, terwijl er geen geldig en passend LVB bestaat, ten grondslag lig(t/gen)?
Geen. Deze situatie is niet aan de orde.
Kunt u uitsluiten dat er, terwijl u stelt dat er zicht op legalisatie is, nu illegaal geopereerd wordt?
Er gelden op dit moment diverse AmvB’s (waaronder het Luchthavenverkeerbesluit en Luchthavenindelingbesluit) en tegelijkertijd wordt er op dit moment door Schiphol gewerkt om zo snel als mogelijk te komen tot een natuurvergunning voor de luchthaven Schiphol. Daarna kan ook de wijziging van het LVB worden doorgevoerd.
Indien Schiphol nu illegaal opereert, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Zie het antwoord op vraag 12.
Kunt u uitsluiten dat het niet in achtnemen van de effecten op de natuur een bewuste keuze is geweest om meer groei mogelijk te maken?
Ja.
Deelt u de mening dat een bedrijf dat bewust na zou laten om zijn vergunningen in orde te brengen daarmee ook bewust kiest voor het risico dat het later met drastische correcties te maken krijgt?
Dat deel ik, echter daarvan is hier geen sprake.
Welke rol heeft uw ministerie gespeeld in de totstandkoming van dit LVB uit 2008? Welke verantwoordelijkheid geeft het u dat uw voorganger een besluit heeft gepubliceerd dat niet rechtsgeldig lijkt te zijn?
Op voordracht van de Minister van IenW is deze wijziging van het LVB opgesteld en aan de Tweede Kamer aangeboden in het kader van voorhang. De milieueffecten die daaraan ten grondslag liggen, zijn door Schiphol inzichtelijk gemaakt. De gepubliceerde wijziging van het LVB is rechtsgeldig tot stand gekomen.
Zijn er nog andere wetten in materiële zin (AmvB’s of ministeriële regelingen) bekend die niet volledig op de juiste wijze tot stand zijn gekomen? Indien dat zo is, worden er daarbij ook feiten en wetsteksten genegeerd om politiek wenselijke uitkomsten te bereiken?
De wijziging van het LVB 2008 is rechtsgeldig tot stand gekomen. Er worden geen feiten en wetteksten genegeerd om politiek wenselijke uitkomsten te bereiken.
Waarom wordt gesteld dat er «beleidsmatig afwegingsruimte is» voor het opstellen van het vlootscenario, zoals uit de volgende zinsnede uit de Wob blijkt; «Beleidsmatig is er wel afwegingsruimte over de invulling van de criteria voor wat nog gezien kan worden als een realistische aanname voor de onderbouwing van zowel (1) de omvang vliegverkeer (aantal vliegbewegingen) als (2) vlootsamenstelling (NOx-emissies per vliegbeweging)»? Welke beleidsmatige afwegingsruimte wordt hier precies bedoeld?
Omdat er geen methode is die beschrijft hoe de vlootsamenstelling in de referentiesituatie en de aan te vragen situatie dient te worden afgeleid heeft het bevoegd gezag (Minister voor Natuur en Stikstof) binnen het toetsingskader van de Wet natuurbescherming zelf een beoordelingskader opgesteld. Daarbij heeft het bevoegd gezag een afweging gemaakt zodat de afleiding van de vlootsamenstelling voldoet aan de volgende uitgangspunten:
Uitgangspunt is in lijn met het, na de ontwerpvergunning verschenen, toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r. dat voor de berekening van de stikstofemissies in de referentiesituatie moet worden uitgegaan van een gebruik dat zich in werkelijkheid kon voordoen. Dit betekent dat de selectie van vliegtypes representatief dient te zijn: de samenstelling van de vloot heeft zich realistisch gezien moeten kunnen voordoen.
Verder moet de manier waarop de selectie van vliegtuigtypes in de referentiesituatie plaatsvindt, in lijn met het advies van de Commissie voor de m.e.r., voor een correcte beoordeling qua methodiek vergelijkbaar zijn met de manier waarop deze selectie plaatsvindt voor de aangevraagde activiteit.
Deelt u de mening dat het opstellen van de te gebruiken vlootsamenstelling een apolitieke en technische exercitie zou moeten zijn? Waarom wordt er hier dan besproken dat het invullen van de criteria voor de vlootsamenstelling «beleidsmatig wat afwegingsruimte geeft»?
Zie het antwoord op vraag 18.
Kunt u bevestigen dat met vrij grote nauwkeurigheid valt vast te stellen wat de historische vlootsamenstelling moet zijn geweest in een gegeven jaar gedurende de afgelopen decennia en bijvoorbeeld op de referentiedatum? Zo nee, waarom niet?
Ja, om die reden is Schiphol voorgeschreven gebruik te maken van historische gegevens over de vliegtuigtypes zoals deze werkelijk zijn voorgekomen. Dit is door de Minister voor Natuur en Stikstof aangegeven in de brief waarmee Schiphol in kennis is gesteld over de uitgangspunten ten aanzien van de referentiesituatie, en de daarin te betrekken vlootsamenstelling.
Kunt u garanderen dat de uiteindelijke vlootsamenstelling niet gekozen wordt om de uitstoot uit het verleden te vergroten/optimaliseren en zo de resterende stikstofopgave voor de aangevraagde natuurvergunning van Schiphol nu kunstmatig te verlagen?
Zie het antwoord op vraag 18.
De aanpak van de inhumane situatie bij Aanmeldcentrum Ter Apel |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat in het kabinet is afgesproken dat gemeenten in totaal 20.000 statushouders moeten huisvesten, dat elke veiligheidsregio 225 extra crisisnoodopvang plekken realiseert en dat uiteenlopende projecten worden opgezet om de opvangcrisis te bestrijden?1 In hoeverre is dit additioneel ten opzichte van eerdere verzoeken die in juli zijn gedaan?
Het kabinet heeft met de gemeenten afgesproken dat gemeenten zich inspannen om 20.000 statushouders te huisvesten. Met betrekking tot het verzoek van het Kabinet aan de Veiligheidsregio’s om 225 extra crisisnoodopvang plekken te realiseren gaat het inderdaad om een additioneel verzoek. Wat betreft het huisvesten van 20.000 statushouders moeten gemeenten voldoen aan de taakstelling die zij hebben gekregen. Zoals opgenomen in de bestuurlijke afspraken gaat het hier om het huisvesten van minstens 15.300 statushouders in gemeenten in de tweede helft van 2022, dit is onderdeel van reeds bestaande taakstelling uitplaatsing vergunninghouders plus de reeds aanwezige achterstand. Daarnaast is het streven om in totaal meer dan 20.000 statushouders te huisvesten in de tweede helft van 2022, dit is inclusief de reeds afgesproken, maar nog niet gerealiseerde versnelling van 7500 statushouders. Daarmee wordt vooruitgelopen op de naar verwachting fors hogere taakstelling in het eerste half jaar van 2023.
Kunt u aangeven in hoeverre en op welke termijn met de genoemde maatregelen de huidige inhumane situatie rond Aanmeldcentrum Ter Apel wordt bestreden? Klopt onze veronderstelling dat de genoemde maatregelen vooral op middellange termijn extra opvangplekken opleveren, maar dat de actuele schrijnende nood er niet mee wordt opgelost?
De afspraken die het kabinet heeft gemaakt met de Veiligheidsregio’s zien op het realiseren van crisisnoodopvangplekken op de korte en middellange termijn. Daarnaast is afgesproken om gezamenlijk toe te werken naar een situatie waarin per 10 september 2022 geen mensen meer buiten in schrijnende situaties voor het terrein voor het aanmeldcentrum in Ter Apel moesten overnachten. Om die reden is alle inzet erop gericht om deze situatie te beëindigen. Met dank aan het Ministerie van Defensie en de gemeente Hogeland is op 10 september 2022 het voorportaal op het terrein van de Marnewaard in gebruik genomen. De locatie is bedoeld om de personen op te vangen totdat zij terecht kunnen in Ter Apel voor de registratie, waarna zij zullen worden ondergebracht in opvanglocaties elders in het land. De afgelopen tijd hebben onder meer het COA, de Veiligheidsregio’s en het Rode Kruis hard gewerkt om genoeg opvangplekken te realiseren. De afgelopen twee weken zijn er vaak genoeg plekken gerealiseerd zodat mensen niet gedwongen buiten hoefden te slapen. Het blijft een uitdaging om genoeg opvang plekken te blijven realiseren. De recente afspraken komen bovenop de inspanningen die reeds geleverd worden, niet alleen qua crisisnoodopvang, maar ook de in gebruik name van twee cruiseschepen als opvanglocatie in de gemeente Velsen en in de gemeente Amsterdam. Deze cruiseschepen zijn ingericht op ieder ruim 1.000 opvangplekken.
Klopt het dat het toezicht op alleenstaande kinderen (AMV’s) op dit moment zowel binnen als buiten de poort in Aanmeldcentrum Ter Apel zeer beperkt is? Wat gaat u doen om er vandaag nog voor te zorgen dat deze kinderen de juiste bescherming krijgen?
Op het terrein voor het aanmeldcentrum in Ter Apel heeft het COA eerder sanitaire voorzieningen geplaatst en gezorgd voor het schoonmaken van de voorzieningen.
Worden op dit moment adequate praktische maatregelen genomen, zoals bijvoorbeeld extra mobiele sanitaire voorzieningen, het verstrekken van hygiëneproducten, kookvoorzieningen en het voorzien in beddengoed, schone kleding en dergelijke? Zo nee, waarom niet?
De afgelopen tijd hebben onder andere COA, de Veiligheidsregio’s en het Rode Kruis hard gewerkt om genoeg opvangplekken te realiseren. Hierdoor hebben de afgelopen nachten geen mensen gedwongen buiten geslapen voor de hekken van het aanmeldcentrum in Ter Apel.
De Nederlandse krijgsmacht ondersteunt al bij de opvang van ontheemden en asielzoekers. Op de militaire locaties Marine Etablissement Amsterdam, Walaardt Sacré Kamp te Huis ter Heide, Legerplaats De Harskamp en de Willem-Lodewijk van Nassaukazerne te Zoutkamp worden momenteel asielzoekers respectievelijk ontheemden tijdelijk gehuisvest. Aanvullend op deze ondersteuning, realiseert Defensie extra tijdelijke vooropvang te Zoutkamp. Deze tijdelijke huisvesting is op 10 september jl. gerealiseerd.
Klopt het bericht dat u ervan uitgaat dat ook komende nacht nog asielzoekers buiten zullen slapen?2 Bent u het met ons eens dat geen dag langer kan worden volstaan met wat nu al gedaan wordt en dat bijvoorbeeld humanitaire inzet van de Nederlandse krijgsmacht serieus moet worden overwogen? Zo ja, bent u bereid om de Nederlandse krijgsmacht te vragen zich nu al voor te bereiden op het bieden van adequate hulp als een verzoek daartoe van de Veiligheidsregio wordt gedaan? Zo nee, waarom niet?
Bij de beantwoording is de actualiteit meegenomen.
Bent u bereid om deze vragen per ommegaande te beantwoorden?
Het bericht ‘Den Haag vindt na Gazprom geen gasleverancier, gemeente wil ontheffing’ |
|
Raoul Boucke (D66), Faissal Boulakjar (D66) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Minister dwingt gemeenten tot nieuwe dure gascontracten, geld gaat naar Rusland» en «Den Haag vindt na Gazprom geen gasleverancier, gemeente wil ontheffing»?1
Ja.
Klopt het dat de Europese tak van Gazprom in de praktijk Duits is? Zo ja, wat is de reden dat deze contracten volgens u onder de sancties vallen? Waarom zien andere landen, waaronder Italië en Frankrijk, dit anders?
Voor de toepasselijkheid van de sancties is bepalend of sprake is van een contract met een entiteit die in Russisch eigendom is. Wat betreft SEFE Energy Ltd. (voormalig Gazprom Marketing/Gazprom Energy) en SEFE Securing Energy for Europe GmbH (de aandeelhouder van SEFE Energy Ltd.) was dit tot 11 november jl. het geval. Tot die tijd was er weliswaar sprake van een grote mate van zeggenschap van de Duitse Staat via een aangestelde bewindvoerder, maar de eigendomsrechten waren nog steeds volledig in Russische handen. Daarom vielen de contracten die door aanbestedende diensten zijn gesloten onder de sancties.
Duitsland heeft SEFE Securing Energy for Europe GmbH («SEFE GmbH») op 11 november jl. genationaliseerd ter verdere borging van de energiezekerheid in Duitsland. Door deze wijziging in eigendomsstructuur, waardoor zowel controle als eigendom in Duitse handen is, valt het bedrijf niet meer binnen de reikwijdte van artikel 5 duodecies van Verordening 833/2014, ofwel artikel 5 van de Europese sanctiewet.
Het kabinet heeft bij verschillende lidstaten een uitvraag gedaan over de SEFE-contracten. Uit deze inventarisatie blijkt dat vooralsnog geen lidstaten (meer) contracten aanhouden met SEFE. Zo zijn in sommige landen andere dochtermaatschappijen van Gazprom actief, of kochten overheidspartijen niet rechtstreeks bij een (deels) Russische gasleverancier. De uitzondering hierop is het Verenigd Koninkrijk, maar dat land is niet gebonden aan de Europese sanctiewetgeving.
Is het kabinet voornemens om de ontheffing aan gemeente Den Haag te verlenen? Zijn of worden er aan andere gemeenten ontheffingen verleend? Wat betekent het afgeven van ontheffingen voor de Europese afspraken over sancties tegen Rusland?
De ontheffingsaanvraag van de gemeente Den Haag is op 30 augustus 2022 door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ontvangen en de ontheffing is inmiddels verleend. Ook aan andere gemeenten zijn reeds ontheffingen verleend. De mogelijkheid voor het afgeven van een ontheffing is voorzien in de Europese sanctieverordening en doet dus niet af aan de sanctieverplichting. Een ontheffing maakt een (tijdelijke) afwijking van de sanctieverplichting mogelijk.
In mijn brief van 15 november jl. (TK 2022D47565) heb ik aangegeven dat vanwege de nationalisatie van SEFE GmbH het niet meer nodig is om een ontheffing aan te vragen om de contracten met SEFE Energy Ltd. aan te kunnen houden.
Wat is het verschil tussen de gemiddelde prijs voor gas in de lopende contracten en de prijs die gemeenten gemiddeld zullen moeten gaan betalen bij een nieuw contract? Klopt het dat gemeenten «tientallen miljoenen» extra kwijt zullen zijn bij het afsluiten van nieuwe contracten? Hoe waardeert u deze extra kosten ten opzichte het belang van sancties tegen Rusland?
Uit de informatie die ik heb ontvangen blijkt dat er een groot prijsverschil is tussen de prijs in de lopende contracten met SEFE Energy Ltd. en de prijs die gemeenten moeten betalen voor nieuwe contracten op basis van de actuele marktprijzen. Er bestaat echter geen volledig overzicht van alle lopende (energie)contracten van gemeenten. Er valt dus niet precies te zeggen wat het gemiddelde prijsverschil is. Hoeveel gemeenten extra kwijt zijn als direct gevolg van de sanctie is ook afhankelijk van de resterende looptijd van de contracten met SEFE Energy Ltd. Uit sommige ingediende ontheffingsaanvragen blijkt wel dat met het afsluiten van nieuwe contracten vaak meerkosten zijn gemoeid, die variëren (in euro’s) van een paar ton tot een paar miljoen per (inkoop)organisatie.
Hoe kan worden gegarandeerd dat bij nieuwe contracten niet alsnog (een deel van) de winsten naar Rusland vloeien? Wat als dit – gelet op de hoge gasprijzen – meer is dan de winsten voor Rusland onder de lopende contracten?
Er mogen geen nieuwe overheidsopdrachten gegund worden aan Russische partijen; er is bovendien een maximum gesteld aan het gedeelte Russische toeleveranciers (10%). Dit leidt ertoe dat de levering van Russisch gas via de nieuwe contracten wordt beperkt.
Wat is de reden dat de aanbesteding van de gemeente Den Haag geen nieuwe gasleverancier heeft opgeleverd?
Het kabinet kan niet ingaan op de details van de gedane aanbesteding van de gemeente Den Haag. Dat is aan de gemeente Den Haag zelf. In het algemeen kunnen er meerdere redenen zijn waarom een aanbesteding mislukt, waaronder prijs, eisen in het bestek, volume dat wordt gevraagd etc.
Wat doet u om de gemeenten te helpen om een nieuwe gasleverancier te vinden? Hoe zorgt u er hierbij voor dat gemeenten niet de hoofdprijs betalen of dat zij gecompenseerd worden voor de extra kosten die zij moeten maken? Ziet u kansen voor samenwerking tussen gemeenten bij het afsluiten van gascontracten en welke rol kunt u hierbij spelen?
Gemeenten konden al een ontheffing aanvragen als bijvoorbeeld geen nieuwe leverancier gevonden kan worden, om zo te zorgen dat ze niet zonder gas komen te zitten terwijl ze verder zoeken naar een nieuwe gasleverancier. Ik hoor van diverse gemeenten dat dit al wel is gelukt. Hierover wordt vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) al een aantal maanden het gesprek gevoerd met onder meer de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), waterschappen, Interprovinciaal Overleg (IPO), en meerdere andere partijen.
Omdat vanwege de nationalisatie van SEFE GmbH de bestaande contracten met SEFE Energy Ltd. aangehouden kunnen worden, verwacht ik niet dat gemeenten nog in de problemen komen bij het vinden van een gasleverancier.
Aan alle partijen die een contract met SEFE hadden, maar deze voortvarend hebben opgezegd, ben ik voornemens een tegemoetkoming te geven voor de meerkosten die zij tussen 10 oktober en 31 december 2022 hebben gemaakt. Ook ga ik graag verder in gesprek met de partijen die een contract hebben opgezegd dat na 1 januari 2023 door zou lopen, gelet op de verruiming van de ontheffingsmogelijkheid tot en met 31 maart 2023. Hierbij weeg ik mee dat deze groep na 1 januari 2023 ook deels gebruik kan maken van de andere maatregelen die zijn aangekondigd om het effect van de hoge energieprijzen te dempen.
Daarnaast moedig ik gemeenten, net als alle partijen in Nederland, aan om te kijken wat er mogelijk is om energieverbruik in het algemeen te verlagen om zo de kosten te drukken.
Wat doet u om gemeenten te helpen om energie te besparen zonder dat de gemeentelijke dienstverlening hieronder te lijden heeft?
Wij zijn op dit moment in gesprek met gemeenten naar aanleiding van deze casuïstiek, en vragen hierbij expliciet naar mogelijkheden die zij zelf zien om te besparen en waar ze mogelijk hulp bij nodig hebben. Dit kan bijvoorbeeld steun zijn voor het gebruik van schonere technieken, het leveren van kennis en expertise etc. Ook kunnen gemeenten aanvragen indienen voor de subsidie duurzaam maatschappelijk vastgoed (DuMaVa) voor verduurzamingsmaatregelen van gemeentelijk vastgoed.
Klopt het dat gemeenten geen instrumenten voorhanden hebben om energiebesparende maatregelen op te leggen in hun gemeenten? Bent u voornemens om landelijke regels in te stellen die energiebesparing verplichten of om gemeenten de mogelijkheid te geven om dit zelf te verplichten?2
Nee. De landelijke energiebesparingsplicht verplicht bedrijven en instellingen met een verbruik van 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas alle energiebesparende maatregelen met een vijf jaar terugverdientijd uit te voeren. Gemeenten en hun omgevingsdiensten hebben dus een belangrijke rol in het toezicht op de landelijke energiebesparingsplicht voor bedrijven en instellingen. Het kabinet verbreedt deze plicht en scherpt deze plicht momenteel aan en heeft ook meer middelen vrijgemaakt voor de handhaving er van. Daarnaast kunnen gemeenten besparingsmaatregelen uitvoeren in eigen kantoren en bedrijfsvoering in hun gemeente. Niet alle mogelijke energiebesparende maatregelen verdienen zich in vijf jaar terug en bedrijven met een beperkt energiegebruik vallen niet onder de plicht. Lokale afspraken of voorschriften (o.a. op basis van de Woningwet) kunnen in sommige gevallen hier invulling aan geven.
Het bericht minister dwingt gemeenten tot nieuwe dure gascontracten, geld gaat naar Rusland |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Minister dwingt gemeenten tot nieuwe dure gascontracten, geld gaat naar Rusland?»1
Ja.
Kunt u uitleggen welk nut het heeft om gemeenten te dwingen contracten met Gazprom Energy te verbreken als Russisch gas alsnog wordt gebruikt, maar tegen een veel hogere prijs?
De verplichting voor gemeenten om hun contracten met Russische entiteiten per 10 oktober 2022 op te zeggen vloeit rechtstreeks voort uit de Europese sanctieverordening.
Kunt u aangeven of u van tevoren ermee bekend was dat het opzeggen van lopende contracten met Gazprom Energy een averechts effect kon hebben, waardoor er nu extra geld naar Rusland vloeit? Zo ja, welke afweging zijn er toen gemaakt?
Dat het opzeggen van de lopende contracten een prijsverhogend effect zou kunnen hebben voor aanbestedende diensten was bekend bij de totstandkoming van deze sanctiebepaling. Dit is een effect dat zich overigens niet alleen voor gascontracten zou kunnen voordoen, maar ook voor andere producten en diensten die van Russische partijen werden afgenomen. Dit hing deels samen met de grote vraag naar producten na de COVID-19-pandemie en de verstoringen die in de leveranciersketens nog aanwezig waren. Dat door de opzegging van lopende contracten Russische leveranciers de vrijgevallen capaciteit of leveringsmogelijkheden opnieuw – tegen een hogere prijs – op de Europese of mondiale markt zouden kunnen verhandelen, was ook voorzien. Dat is een eenmalig en tijdelijk neveneffect van onder andere deze specifieke sanctiebepaling. Bij de totstandkoming van het vijfde sanctiepakket waren de enorme prijsstijgingen die we deze zomer op de Europese gasmarkt gezien hebben niet voorzien.
Zoals bekend zijn inmiddels op EU-niveau intensieve gesprekken gaande om tot voorstellen te komen die de effecten van de excessieve prijsontwikkeling kunnen mitigeren en de economische voordelen voor Rusland als energieleverancier kunnen beperken. De concrete voorstellen die de Commissie naderhand heeft gepresenteerd, zal Nederland met open vizier beoordelen.
Begrijpt u dat u met het nemen van deze beslissing gemeenten met tientallen miljoenen euros aan extra kosten opzadelt, waardoor er geen geld is voor andere belangrijke zaken?
Ja. De gevolgen van de oorlog en de Europese sancties die daardoor nodig zijn, zijn breed voelbaar in de samenleving – onder meer door de hoge gasprijzen. Dit raakt iedereen, dus ook de aanbestedende diensten en speciale sectorbedrijven. Dit ontslaat ons echter niet van de verplichting om Oekraïne te helpen en om de sanctieverordeningen na te komen.
Overigens is er ook een aantal contracten die rond deze tijd af zouden lopen. Daarmee ontstaat sowieso al een noodzaak op opnieuw aan te besteden, ondanks deze sanctie.
Het is voorts voor alle aanbestedende diensten, net als voor bijvoorbeeld burgers en bedrijven, vooral belangrijk dat ze zo snel mogelijk stappen zetten om gas te besparen, waardoor uiteindelijk meer geld over blijft voor reguliere taken. Het kabinet is en blijft met alle partijen die dat willen in gesprek over ondersteuning hierbij.
Klopt het dat u gemeenten niet zal compenseren voor de extra kosten, ondanks dat ze door u worden gedwongen om deze kosten te maken? Waarom niet?
Zoals aangegeven in mijn Kamerbrief van 20 oktober jl. (Kamerstuk 36 045, nr. 115) ben ik voornemens een tegemoetkoming te geven aan alle gemeenten die een contract hadden, voor de meerkosten die zij hebben gemaakt tussen 10 oktober en 31 december 2022.
Met de partijen die een contract hebben opgezegd dat na 1 januari 2023 door zou lopen ga ik graag verder in gesprek om te onderzoeken welke meerkosten zij precies hebben gemaakt en of ook voor deze groep een tegemoetkoming in de rede ligt, gelet op de verruiming van de ontheffingsmogelijkheid tot en met 31 maart 2023. Hierbij weeg ik mee dat deze groep na 1 januari 2023 ook deels gebruik kan maken van de andere maatregelen die zijn aangekondigd om het effect van de hoge energieprijzen te dempen.
Waarom bent u ervan overtuigd dat SEFE (de nieuwe naam van Gazpromdochters) nog steeds Russisch is, terwijl de Duitse regering aangeeft dat de Europese tak van Gazprom nu in feite in Duitse handen is na interventie van de Duitse regering?
Voor SEFE GmbH (voormalig Gazprom Germania GmbH), de moedermaatschappij van SEFE Energy Ltd. (voormalig Gazprom Marketing/Gazprom Energy), gold tot 11 november jl. dat weliswaar sprake was van een grote mate van invloed van de Duitse Staat via een aangestelde bewindvoerder, maar de eigendomsrechten evenwel nog steeds bij de Russische aandeelhouder van SEFE Germania GmbH berustten. Dit is zowel bevestigd in de contacten met de Duitse autoriteiten, de documenten van de Duitse overheid, als het Duitse handelsregister. De Russische eigenaren waren weliswaar (tijdelijk) in hun zeggenschap beknot, maar hun eigendomsrechten waren ze niet kwijtgeraakt. Op 11 november jl. heeft de Duitse overheid SEFE GmbH genationaliseerd2, daarmee is het eigendom nu ook in Duitse handen.
Heeft u andere informatie tot uw beschikking dan bijvoorbeeld Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk, die alleen wel meedoen met SEFE? Zo niet, waarom maakt u dan een andere afweging?
In beginsel hebben genoemde landen allemaal dezelfde informatie, en ook dezelfde rechten en plichten die voortvloeien uit de opgelegde sanctieregels. De uitzondering hierop is het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland, die niet onder de Europese sanctieregels vallen. Wel kan het zijn dat andere lidstaten, binnen de kaders van de sanctieregels, andere afwegingen maken over bijvoorbeeld het verlenen van ontheffingen. Hoewel het kabinet ervoor pleit om zo eenduidig mogelijk de sancties te implementeren, kunnen er andere afwegingen spelen voor andere landen. Om die reden heb ik, zoals toegelicht in de Kamerbrief van 6 september jl. (Kamerstuk, 36 045, nr. 108) de Europese Commissie gevraagd om nadere duiding van het toepassing van de sanctiemaatregel op SEFE.
Heeft u bewijzen dat er nog steeds inkomsten van SEFE naar Rusland vloeien? Zo niet, waarom vraagt u gemeente dan om hun contracten op te zeggen, ondanks de roep van Duitsland om dit juist niet te doen?
Het Ministerie van EZK heeft contact gezocht met de Duitse autoriteiten en met SEFE Energy Ltd. om duidelijkheid te krijgen over de eigendom van SEFE. Mede op basis van die gesprekken is geconcludeerd dat SEFE Energy Ltd., ondanks de aanstelling van een Duitse bewindvoerder bij de moedermaatschappij SEFE GmbH, nog in Russisch eigendom was. Hierdoor konden inkomsten hetzij via uitkeringen, hetzij via waardevermeerdering ten goede komen aan Russische eigenaren en uiteindelijk de Russische Staat. De andere partijen hebben bij die gesprekken geen uitsluitsel kunnen geven dat er geen voordelen of opbrengsten (al dan niet op korte, middellange of lange termijn) naar de Russische eigenaren en de Russische Staat gaan. Met de nationalisatie van SEFE GmbH is het uitgesloten dat inkomsten van SEFE naar Rusland vloeien en is er ook geen noodzaak meer om lopende contracten vroegtijdig te beëindigen.
Bent u ermee bekend dat experts vinden dat u juist de sancties schendt door gemeenten te dwingen om nieuwe contracten af te sluiten, waarmee er juist meer geld naar Rusland gaat? Bent u het met deze experts eens?
Ik begrijp dat er vragen zijn over de effectiviteit van de sancties. De verplichting voor aanbestedende diensten om contracten met Russische partijen te beëindigen vloeit rechtstreeks voort uit de Europese sanctieverordening. Voor nieuwe energiecontracten die worden gesloten is een maximum gesteld aan het gedeelte Russische toeleveranciers (10%). Dit leidt ertoe dat daardoor terugstroom van Russisch gas via de nieuwe contracten wordt beperkt.
Voor de effectiviteit van en het draagvlak voor de sancties tegen Rusland is het van belang dat lidstaten de sancties zoveel mogelijk eenduidig toepassen. Daarom heb ik de Europese Commissie gevraagd zo snel mogelijk te komen tot nadere duiding over het de toepassing van de sancties.
Bent u bereid om toe te geven dat u hier een grote fout maakt die gemeenten onnodig in financiële problemen brengt? Zo niet, waarom niet?
De sanctieverordening vereist dat bestaande contracten met partijen die voor meer dan 50% in eigendom zijn van Russische entiteiten beëindigd moeten worden. Dit was tot de nationalisatie van SEFE GmbH op 11 november jl. het geval bij SEFE Energy Ltd. Juridisch gezien vielen de contracten met SEFE Energy Ltd. onder de sanctie en moesten daarom worden beëindigd. Ik heb hieraan uitvoering gegeven om de economische banden met Rusland te verbreken en de afhankelijkheid van Russisch gas af te bouwen. Tegelijkertijd heb ik aanbestedende diensten de gelegenheid geboden een ontheffing te verkrijgen als zij geen alternatief konden vinden.
In de afgelopen maanden heb ik gezien dat een deel van de aanbestedende diensten moeite heeft met het vinden van een nieuw contract of vanwege de sterke stijging van de gasprijzen een contract moest afsluiten met veel hogere tarieven. Dit bracht veel hogere kosten met zich mee die een aantal partijen in grote problemen zou brengen. Bovendien waren er vragen over de eenduidige toepassing van de sanctie door lidstaten. Deze signalen wilde ik niet negeren. Daarom heb ik besloten om ontheffingen te verlenen tot 31 maart 2023 aan een ieder die daarom verzoekt. Nu de nationalisatie van SEFE GmbH een feit is, kunnen bestaande contracten met SEFE aangehouden worden.
Bent u bereid om uw beslissing te herzien? Zo niet, waarom niet?
Met de nationalisatie van SEFE GmbH door de Duitse autoriteiten is er geen verplichting meer om bestaande contracten op te zeggen.
Het artikel 'Internationale zorgen over vluchtende alleenreizende kinderen uit Oekraïne' |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u zich in de bevindingen die geschetst worden over de stand van zaken omtrent de registratie van onbegeleide Oekraïense vluchtelingenkinderen in Nederland gedurende de eerste maanden van de oorlog? Zo niet, waarom?1
Het artikel waar u naar verwijst, is geschreven over de situatie rond de periode maart 2022.
Kort nadat de eerste amv’s uit Oekraïne naar Nederland kwamen, is afgesproken dat deze amv’s, die arriveerden met een volwassen begeleider die niet de ouder of wettelijk voogd is, bij aankomst door gemeenten gemeld konden worden bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). In de gevallen dat de amv’s uit Oekraïne zonder volwassen begeleider arriveerden, konden deze bij Nidos worden gemeld. Deze afspraken hebben toentertijd tot verwarring geleid, waardoor registratie en monitoring van deze groep niet altijd plaatsvond.
Dit is aanleiding geweest om met betrokken partijen (Ministerie van Justitie en Veiligheid, de RvdK, Nidos en de VNG) de afspraken te herzien. Deze nieuwe procesafspraken zijn in juni jl. gestart. Hierover is uw Kamer reeds geïnformeerd middels de verzamelbrief van 8 juli jl.2 De bevindingen uit het artikel worden daarom slechts ten dele herkend.
Volgens de nieuwe procesafspraken dient iedere minderjarige die zonder ouder(s) binnenkomt bij een gemeente te worden aangemeld bij Nidos. Nidos beoordeelt op basis van een intake met de minderjarige (en waar mogelijk met de ouder(s) op afstand) of het aanvragen van tijdelijke voogdij gepast is. Nidos schakelt de RvdK in wanneer een minderjarige bij een gastgezin verblijft. Dit gastgezin wordt vervolgens gescreend door de RvdK.
Erkent de Staatssecretaris dat de registratie van vluchtende alleenreizende kinderen uit Oekraïne beter op orde is in landen als België, Tsjechië, Frankrijk en Italië, die – in tegenstelling tot Nederland – naast het aantal alleenreizende kinderen ook het gender en de leeftijd registeren? Zo niet, waarom?
Het kabinet onderschrijft het belang van een zo secuur mogelijke identificatie, registratie en opvang van alle personen die uit Oekraïne vluchten op dit moment. Vanwege hun kwetsbaarheid, is dit proces bij kinderen nog meer zwaarwegend.
Zoals bij vraag 1 uitgelegd zijn er nieuwe procesafspraken gemaakt om alleenstaande minderjarige vreemdelingen beter in beeld te krijgen. Hierbij worden ook persoonlijke gegevens geregistreerd. Dit is nodig om een gedegen onderzoek te kunnen doen naar de situatie en eventuele aanvraag van voogdijschap van de minderjarige. Waar dat mogelijk is, kijken we bij het verbeteren van ons proces ook over de grens. In het kader van de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen zijn met name het Solidariteitsplatform en het Blueprint-netwerk, beiden geleid door de Europese Commissie, hiervoor de geëigende kanalen. In deze Europese platforms worden ervaringen, signalen en lessen bij de registratie van alleenstaande minderjarige vreemdelingen tussen lidstaten uitgewisseld, ook met de in de vraag benoemde lidstaten. In de beantwoording van vraag 10 en 11 ga ik hier nader op in.
Klopt het dat in Nederland geen registratie plaatsvond van de leeftijd en het gender van alleenreizende vluchtende kinderen? Worden deze gegevens nog steeds niet geregistreerd? Zo niet, waarom?
Iedere onbegeleide minderjarige moet gemeld worden bij Nidos. Bij elke melding worden door Nidos verschillende gegevens, waaronder geboortedatum, geslacht, en contactgegevens van het kind, eventuele begeleider en diens ouder(s), geregistreerd.
Klopt het dat Nederland relatief gezien nog altijd weinig vluchtende alleenreizende kinderen registreert in vergelijking met andere Europese lidstaten? Zo ja, hoe verklaart u dit?
Sinds de bovengenoemde nieuwe procesafspraken zijn ingegaan, zien wij een stijging van het aantal meldingen bij Nidos, en het aantal amv's dat wordt geregistreerd. De meeste minderjarigen die in Nederland aankomen, worden vergezeld door een volwassen begeleider, die vaak in bezit is van notariële aktes waarin de wensen van de ouders voor wat betreft de begeleiding van de kinderen zijn opgenomen. Op die manier is de begeleiding en verzorging van de minderjarige in Oekraine al geformaliseerd. Hierop wordt bij de beantwoording van vraag 8 en 9 uitgebreider ingegaan.
Klopt het dat zij alleen worden geregistreerd wanneer zij zichzelf melden? Zo ja, hoe wordt voorkomen dat mensenhandelaren de weg naar registratie voor deze groep belemmeren?
Iedere minderjarige die zonder ouder(s) binnenkomt bij een gemeente moet worden gemeld bij Nidos. Wij zien dat meldingen via verschillende kanalen binnenkomen, zowel vanuit de begeleider van de minderjarige als gemeente ambtenaren. Uitgangspunt is dus signalering vanuit gemeenten, en omgeving. Hiervoor is de handreiking «signaleren van kinderen en jongeren uit Oekraïne» gemaakt. Tot nu toe zijn er geen meldingen binnengekomen van mensenhandel binnen de groep amv's. Verschillende organisaties, waaronder de IND, Rode Kruis, en VluchtelingenWerk, zijn door Nidos geïnformeerd over het aanmeldingsproces. Deze organisaties kunnen ook zelf alleenstaande minderjarigen melden bij Nidos.
Vooralsnog is het beeld dat gemeenten amv's goed signaleren bij aankomst.
Welke concrete acties heeft u ondernomen sinds de aangenomen motie Koekkoek c.s. over gecentraliseerde informatievoorziening over de registratie van onbegeleide vluchtelingenkinderen (Kamerstuk 19 637, nr. 2872)?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer kan het plan voor gecentraliseerde informatievoorziening en voorlichting over het belang en de noodzaak van de registratie van onbegeleide vluchtelingenkinderen – waar bovenstaande motie om verzoekt – verwacht worden?
Er is uitvoering gegeven aan bovenstaande motie in de verzamelbrief Opvang Oekraïne van 8 juli jl.3
In hoeverre is de juiste kennis en kunde in de gemeenten m.b.t. signalering en begeleiding van alleenreizende kinderen volgens u verbeterd sinds de aangenomen motie Koekkoek c.s. (Kamerstuk 19 637, nr. 2872)? Is er sprake van verbetering? Zo ja, hoe meet u dit?
Zoals hierboven is gesteld is er een handreiking «signaleren van kinderen en jongeren uit Oekraïne» gemaakt voor gemeenten. Dit dient hen te helpen bij het signaleren van amv's. Daarbij is volgens de nieuwe procesafspraken het uitgangspunt dat iedere minderjarige die zonder ouder(s) aankomt, ook al is deze vergezeld door een volwassen begeleider, gemeld wordt bij Nidos. Dit heeft ervoor gezorgd dat gemeenten niet meer zelf de afweging hoeven te maken over hoe voogdij is geregeld tussen de persoon met wie de minderjarige reist, en of er dus een onderzoek moet worden ingesteld door de RvdK. De kennis en kunde is hierdoor sec belegd bij Nidos die met een jarenlange ervaring een gedegen afweging kan maken of voogdij nodig is, en of eventuele screening nodig is.
Bij alle meldingen weegt het Nidos zorgvuldig af of een voorziening in de voogdij vanuit Nidos noodzakelijk is. Voor deze afweging verzamelt het Nidos informatie. Deze informatie wordt uitgevraagd bij de melder, de minderjarige, ouders (indien zij te bereiken zijn), en de begeleiders in Nederland. Dit wordt gedaan door professionele, SKJ geregistreerde jeugdbeschermers en zij worden hierin ondersteund door juristen en gedragswetenschappers. Sinds 14 juni is er ook specialistische ondersteuning door Nidos opgezet in de vorm van een Meldpunt waar zowel mensen van buitenaf als intern advies kan worden ingewonnen. Bij twijfel wordt er ook contact gezocht met de Oekraïense autoriteiten in Nederland.
Alle zaken die bij de RvdK liepen zijn onderzocht of afgesloten. Sinds de nieuwe procesafspraken zien we een stijging van het aantal meldingen bij Nidos. Op 19 september jl. gaat dit bij elkaar om 500 meldingen. In 50 zaken is Nidos belast met voogdijschap. Voor ca. 30 minderjarigen loopt nog een verzoek van Nidos aan de rechtbank. Voor ca. 150 minderjarigen is door Nidos het verzoek om te worden benoemd als voogd van de minderjarige niet aangevraagd bij de rechtbank omdat er geen voorziening in de voogdij noodzakelijk was. Daarbij kan worden gemeld dat er tot op heden geen gedwongen voogdijmaatregel is uitgesproken. Voor de overige ca. 270 minderjarigen loopt nog een onderzoek bij Nidos.
Hebben de tot nu toe ondernomen concrete acties geleid tot een stijging in het aantal registraties van het aantal vluchtende, alleenreizende kinderen uit Oekraïne?
Zie antwoord vraag 8.
Wat doet u in Europees verband om ervoor te zorgen dat andere lidstaten de registratie van vluchtende alleenreizende kinderen uit Oekraïne te verbeteren? Kunt u dit onderwerp ter sprake brengen in de volgende Europese Raadsvergadering en de Kamer hierover informeren?
Zoals reeds benadrukt, acht het kabinet het waarborgen van de veiligheid van alleenreizende kinderen die vluchten voor het conflict in Oekraïne van groot belang. Omdat de veiligheid van deze kinderen naast een nationaal vraagstuk ook een Europese dimensie kent, onderschrijft het kabinet het belang van het uitwisselen van best practices en informatie met andere Europese lidstaten op het gebied van registratie. Door de vergaderingen die van hoog tot laag (ambtelijk) niveau plaatsvinden, kan Nederland continu leren van andere landen en bezien of het proces zo optimaal is geregeld. Ook levert Nederland zelf een actieve bijdrage vanuit de ervaringen op nationaal niveau. Zo wordt tijdens bijeenkomsten van het Solidarity Platform, geleid door de Europese Commissie, aandacht besteed aan casuïstiek (bijvoorbeeld verzoeken vanuit de Oekraïense autoriteiten aangaande deze groep) en aan lessen die lidstaten onderling met elkaar kunnen delen. Daarnaast is het onderwerp in de afgelopen maanden ook onderwerp van gesprek geweest tijdens bijeenkomsten van het Integrated Political Response Mechanism (IPCR), momenteel onder leiding van Tsjechië. Tijdens deze bijeenkomsten stond gezamenlijke interactie met de Oekraïense autoriteiten over de aanwezigheid en veiligheid van alleenstaande minderjarige vreemdelingen eveneens centraal. Tot slot deelt het Blueprint-netwerk – dat onder leiding staat van de Europese Commissie en waarin alle lidstaten inclusief de Schengen-geassocieerde landen zijn vertegenwoordigd – elke week de meest actuele kwantitatieve gegevens over registraties van amv’s met elkaar. Nederland levert ook daar een bijdrage aan.
Spreekt u met uw Belgische, Tsjechische, Franse en/of Italiaanse collega’s over mogelijk te nemen maatregelen ter verbetering van de registratie van onbegeleide vluchtende Oekraïense kinderen in Nederland? Zo ja, wat leveren die gesprekken concreet op?
Zie antwoord vraag 10.