De beeldvorming van leven met Down Syndroom |
|
Nico Drost (CU), Mirjam Bikker (CU), Chris Stoffer (SGP), Hilde Palland (CDA), Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
Kuipers , Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Geschokte reacties om gedeelte in biologieboek over downsyndroom» en «Uitgeverij Noordhoff schrapt artikel over downsyndroom»?1, 2
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat ouders en kinderen met Downsyndroom zich gekwetst voelen door deze passage, hoewel de betreffende passage niet wordt opgenomen in het lesmateriaal en ouders daar opgelucht over zijn?
Ja, ik kan me voorstellen dat mensen zich gekwetst voelen door deze passage.
Uitgeverij Noordhoff heeft aangegeven dat zij de passage inmiddels heeft ingetrokken en Noordhoff heeft excuses aangeboden. Overigens ging het in deze zaak niet om een passage in lesmateriaal, maar om een inleiding op een toetsvraag waar leerlingen op moesten reflecteren.
Hoe verhouden zich dergelijke gedeeltes tot artikel 1 van de Grondwet, waarin de gelijke behandeling van mensen met een handicap binnenkort zelfs expliciet verankerd wordt? Vindt u het verenigbaar met de kernwaarden van de democratische rechtsstaat als zulke opvattingen over mensen met een handicap in het onderwijs onweersproken blijven?
Mensen met het syndroom van Down hebben een volwaardige positie in onze maatschappij. De betreffende passage was, zo stelt uitgeverij Noordhoff in de artikelen, bedoeld om leerlingen te leren informatie te interpreteren en te beredeneren. Daarbij is het van groot belang onderwerpen te kunnen behandelen waarover verschillend wordt gedacht. Een uitgever mag er dus ook voor kiezen een dergelijke passage te gebruiken in een vraag. Uitgevers zijn zelf verantwoordelijk voor het lesmateriaal dat ze ontwikkelen. De opvatting van de arts in de betreffende passage weerspiegelt dus niet de opvatting van de uitgever. Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor de keuze en inzet van lesmateriaal.
Scholen hebben tegelijkertijd wel altijd de verplichting actief de basiswaarden van de democratische rechtstaat te bevorderen. Dat betekent dat een docent ook altijd moet vertellen dat het recht op gelijke behandeling een grondrecht is. En in de praktijk dient lesmateriaal – van welke aard dan ook – altijd binnen de context van de specifieke les ingezet te worden.
Op welke wijze wordt het gesprek met leerlingen in de klas op basis van deze passage in een veilige sfeer gevoerd over passend en inclusief onderwijs en een inclusieve samenleving, bedenkend dat leerlingen zelf of hun broertje of zusje het Downsyndroom kunnen hebben? Op welke manier krijgt de brede reikwijdte van het recht op leven uit artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) hierin een plek?
Scholen in het funderend onderwijs hebben de wettelijke opdracht om de basiswaarden van de democratische rechtsstaat actief te bevorderen. Dat heeft onder andere betrekking op het tegengaan van discriminatie en het bevorderen van verdraagzaamheid, ook ten aanzien van personen met een handicap. Het recht op leven, zoals dat in het EVRM is verankerd, kan via deze basiswaarden aan bod komen in het onderwijs. Daarnaast hebben scholen de plicht om zorg te dragen voor een vrij en veilig schoolklimaat. Dat heeft betrekking op iedere leerling, ongeacht eventuele beperking. Daarnaast hebben scholen de opdracht leerlingen kritisch te leren denken, reflecteren en handelen. Daar mogen ook «schurende» opvattingen bij gebruikt worden.
Op welke manier verhoudt een dergelijke kwetsende passage in lesmateriaal zich tot de waarde van een inclusieve samenleving waar scholieren in onderwezen worden? Doet een dergelijke passage voldoende recht aan de overkoepelende waarde van de menselijke waardigheid die het uitgangspunt vormt van de wettelijke burgerschapsopdracht?
Het kabinet vindt het belangrijk dat jongeren samen opgroeien, samen leren en met respect en tolerantie met elkaar omgaan. Om zo te ervaren dat iedereen anders is en anders denkt, en dat iedereen gelijkwaardig is en dus ook zo behandeld moet worden. Dat hoopt dit kabinet middels inclusief onderwijs te stimuleren. Zo draagt inclusief onderwijs bij aan gelijkwaardige behandeling en gelijkwaardige deelname aan de samenleving.
Daarbij moeten scholen, zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, er te allen tijde voor zorgen dat leerlingen zich vrij en veilig kunnen voelen en dat ze de basiswaarden van de democratische rechtstaat actief bevorderen. De drie basiswaarden van de rechtstaat vormen de basis voor een veilige schoolcultuur. Daarnaast mogen scholen op basis van een eigen levensovertuiging invulling geven aan het onderwijs, zolang dat niet in strijd is met de basiswaarden van de democratische rechtstaat en geen andere wetten op het gebied van non-discriminatie overtreedt.
Zoals in vraag 2 gezegd heeft uitgeverij Noordhoff aangegeven dat zij de passage inmiddels heeft ingetrokken en Noordhoff heeft excuses aangeboden. Overigens ging het in deze zaak niet om een passage in lesmateriaal, maar om een inleiding op een toets vraag waar leerlingen op moesten reflecteren.
Wat is de visie van het kabinet op de plek en waarde van kinderen met Downsyndroom of andere verstandelijke beperkingen? Welke beleidsinzet pleegt u om deze visie te realiseren?
Alle mensen met een beperking hebben recht op gelijke behandeling en gelijkwaardig meedoen (VN-verdrag voor de rechten van personen met een Handicap). Dit geldt ook voor kinderen met het downsyndroom of een andere verstandelijke beperking: zij hebben recht om op gelijke voet mee te kunnen doen met andere kinderen. Deze visie is en wordt vertaald in wet- en regelgeving (waaronder de Wet gelijke behandeling handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz)) en programma’s zoals Volwaardig Leven (2019–2021) en diens opvolger de Toekomstagenda Gehandicaptenzorg en het programma Zorg voor de Jeugd (2018–2021).
Gelijkwaardig meedoen gaat niet alleen over de (toegang tot) zorg- en ondersteuning maar juist over alle levensdomeinen die van belang zijn voor kinderen en volwassenen met een beperking. Van (passend) onderwijs tot werkgelegenheid en van toegankelijke recreatieve en sportieve voorzieningen tot vervoer. Op al deze thema’s werkt het kabinet samen met alle betrokken partijen om bovenstaande visie te verwezenlijken.
Welke inzet pleegt u om ouders met een ongunstige testuitslag goed te laten begeleiden in het nemen van een geïnformeerde keuze over de continuering van de zwangerschap?
Alle zwangere vrouwen in Nederland die geïnformeerd willen worden over prenatale screening krijgen een waardevrij counselingsgesprek met een speciaal hiervoor opgeleide verloskundig zorgverlener aangeboden. In dit gesprek worden vrouwen geïnformeerd over prenatale screening waarbij er ook aandacht is voor mogelijke uitslagen van de prenatale screening en voor het leven met een kind met één van de aandoeningen (down-, edwards-, patausyndroom). Deze counseling valt onder de prenatale screening en gaat over alle onderdelen van de prenatale screening (NIPT, 13- en 20-wekenecho). Bij een ongunstige testuitslag informeert de zorgverlener de zwangere en verwijst de zwangere door voor een gesprek in een Centrum voor Prenatale Diagnostiek (PND-centrum), waar eventueel vervolgdiagnostiek kan plaatsvinden om de ongunstige testuitslag te bevestigen. Op dat moment valt de begeleiding van de zwangere onder de zorgverzekeringswet. Als het vervolgonderzoek aangeeft dat sprake is van een aandoening of een lichamelijke afwijking (in het geval van een echo) bij het kind dan krijgt de zwangere een uitgebreid gesprek met bijvoorbeeld een gynaecoloog, een klinisch geneticus of een kinderarts. In dat gesprek wordt onder meer verteld over de aandoening of afwijking van het kind en wat dit betekent, wat de verwachte kwaliteit van leven is met deze afwijking, welke behandelmogelijkheden er zijn, hoe oud het kind kan worden en welke beslissingen de zwangere kan nemen. Aanvullend kan de zwangere ervoor kiezen om bijvoorbeeld met de huisarts, maatschappelijk werker of patiëntenorganisaties te praten. Sommige mensen waarvan het kind mogelijk het downsyndroom heeft, hebben behoefte aan meer informatie. Zij kunnen worden verwezen naar de down poli. Daar werken artsen die alleen kinderen met het downsyndroom zien. Deze artsen hebben naast oog voor de medische kant van het downsyndroom ook aandacht voor bijvoorbeeld de psychosociale problematiek die bij deze kinderen kan voorkomen. Het is dus (mede) afhankelijk van de informatiebehoefte van ouders met wie zij contact hebben.
Welke vorderingen maakt de programmacommissie van het RIVM ten behoeve van het reguliere programma prenatale screening om verloskundigen en gynaecologen beter op te leiden in de te geven voorlichting over het Downsyndroom?
Het doel van het prenatale counselingsgesprek is de zwangere (en haar partner) te begeleiden om een weloverwogen geïnformeerde beslissing te nemen over het wel of niet laten uitvoeren van prenatale screening. De counselor begeleidt een zwangere zodat zij de informatie, inclusief de mogelijke uitslagen, begrijpt en kan wegen. Hierbij wordt aangesloten wat de zwangere al weet of nog wil weten. De counselor zal onder meer vertellen over de aandoeningen waar prenatale screening zich op richt. In het geval van de NIPT gaat dit over down-, edwards- en patausyndroom en eventuele nevenbevindingen. De counseling is in deze fase dus niet alleen gericht op het downsyndroom maar heeft een bredere insteek, namelijk het geven van die informatie die de zwangere in staat stelt een weloverwogen keuze te maken om wel of niet deel te nemen aan prenatale screening. Mocht de zwangere meer voorlichting willen krijgen over het downsyndroom dan zal de counselor de zwangere in contact brengen met de juiste persoon en/of organisatie die deze voorlichting kan geven.
Het klopt dat in de aanloop naar 1 april 2023, de datum waarop de NIPT onderdeel is van het reguliere programma prenatale screening, onder regie van het RIVM-Centrum voor Bevolkingsonderzoek gewerkt is aan de scholing voor counselors. Zo is bijvoorbeeld de e-learning vernieuwd. In deze vernieuwde e-learning staan de bekwaamheden van counselors centraal. Dit om de zwangere goed te kunnen begeleiden bij het maken van een geïnformeerde keuze. De e-learning biedt naast gesprekstechnieken ook feitenkennis over de onderzoeken, aandoeningen en juridische kaders. Counselors prenatale screening zijn verplicht deze e-learning te volgen.
In het geval de zwangere een afwijkende testuitslag krijgt, is de counseling aan zorgpartijen en kan de zwangere terecht bij een PND-centrum waar de vervolgdiagnostiek plaatsvindt. Daarnaast kan de zwangere terecht bij een maatschappelijk werker, psycholoog en patiëntenorganisaties, maar bijvoorbeeld ook bij de down poli. Deze counseling is echter geen onderdeel meer van het landelijke programma prenatale screening, onder regie van het RIVM. Zie ook mijn antwoord bij vraag 7. Een goede ondersteuning van zwangeren en hun partners bij een afwijkende uitslag vind ik belangrijk. Ook dat zij hierbij de weg kunnen vinden naar onder meer patiëntenorganisaties als de zwangere daar behoefte aan heeft. Daarom heb ik in het kader van de begrotingsbehandeling 2023 (Kamerstuk 36 200-XVI) toegezegd het gesprek met ouderverenigingen te zullen voeren over de begeleiding van zwangeren en hun partners bij een afwijkende uitslag en eventuele knelpunten daaromtrent. Deze gesprekken vinden op korte termijn plaats.
Bent u van plan om te evalueren wat de invloed is van de wijziging van bekostiging van de prenatale screening die per 1 april 2023 ingaat op zwangerschapsafbrekingen en op geboortes van kinderen met het Downsyndroom? Zo nee, waarom niet?
Ik sta altijd open voor maatschappelijke signalen naar aanleiding van bekostigingswijzigingen, maar een onderzoek ligt niet voor de hand. Voorop staat dat iedereen in deze maatschappij welkom is en dat iedere zwangere de vrijheid heeft, na een afwijkende uitslag van prenatale screening, ervoor te kiezen een kind met ziekte of een syndroom ter wereld te laten komen. Dit is een keuze op basis van persoonlijke overwegingen die per individu heel verschillend kunnen zijn. Daar komt bij dat, onder meer vanwege privacyoverwegingen, het niet is aangewezen om in de registratie de beweegredenen van een zwangerschapsafbreking op te nemen.
Op welke manier zet u zich ervoor in dat ouders en kinderen met het syndroom van Down volledig en volwaardig mee kunnen doen aan de samenleving? Welke financiële, administratieve en praktische drempels die zij ervaren in bijvoorbeeld het aanvragen van zorg, hulpmiddelen, het combineren van zorg en werk kunt u beslechten?
Zoals onder vraag 6 omschreven, wordt de visie van het kabinet vertaald in wet- en regelgeving en diverse programma’s. Voorbeeld van een concrete actie is het experiment onderwijszorgarrangementen (start januari 2023), waarin ruimte wordt geboden om meer maatwerk te kunnen bieden aan kinderen met een complexe ondersteuningsbehoefte op het gebied van onderwijs en zorg. Een ander voorbeeld is de subsidie aan Stichting Werk en Mantelzorg. Deze stichting helpt werkgevers om in de organisatie of het bedrijf rekening met mantelzorgers te houden, zodat zij de combinatie werk en zorg beter kunnen volhouden.
Het bericht ‘Pubers met granaten en tonnen winst door cybercrime: ‘Almere visvijver criminelen’' |
|
Ruud Verkuijlen (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in de Telegraaf van vrijdag 10 februari 2023 met de titel «Almere nieuwe kraamkamer van criminelen»?1
Ja.
Herkent u het door de politie geschetste beeld van Almere als een gemeente waarin met name de aanwas van jongeren in de georganiseerde criminaliteit tot grote zorg aanleiding geeft?
De politie herkent het beeld dat er in Almere jongeren worden geronseld voor de georganiseerde (drugs)criminaliteit en online criminaliteit. Dit is helaas een landelijk zorgwekkend beeld. Daarom investeert dit kabinet structureel in de preventie van jeugdcriminaliteit om te voorkomen dat kleine jongens grote criminelen worden. Hierover is op dit moment ook contact met Almere over de maatregelen die daar worden genomen en de wijze waarop de gemeente hierbij ondersteund kan worden. In Midden-Nederland zijn meerdere criminele clusters actief, waarvan het merendeel te linken is aan de georganiseerde drugscriminaliteit. Samen met het relatieve hoge aandeel jongeren en jongvolwassenen maakt dat de regio een kraamkamer is voor jonge aanwas. Daarnaast herkennen wij ook dat criminelen zich bij het plegen van aanslagen op woningen met explosieven niet beperken tot de grote steden in Nederland. We zien dat deze problematiek zich ook in middelgrote en kleinere gemeenten kan voordoen. Daarom zetten wij in Midden-Nederland in zowel grote als kleinere gemeenten (Lelystad, Utrecht en Nieuwegein) actief in op de preventie van jeugdcriminaliteit en het versterken van het gezag.
Herkent u het beeld uit het artikel dat Almere landelijk wordt getypeerd als een visvijver voor de nieuwe aanwas, gesproken wordt over subjecten die als drugsuithaler actief zijn in Rotterdam en Antwerpen?
Zie antwoord vraag 2.
Een recente golf aanslagen met explosieven, waarvan enkele gepleegd door minderjarigen, valt te linken aan de georganiseerde criminaliteit en de handel in drugs. In het artikel wordt dit omschreven als grootstedelijke problematiek. Herkent u dat beeld?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe is het mogelijk dat een gemeente als Almere, onder de rook van Amsterdam, met de geschetste grootstedelijke problematiek, niet geselecteerd is en dus geen deel uitmaakt van de integrale aanpak Preventie met Gezag?
«Preventie met gezag», oftewel de brede preventieaanpak van (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit, richt zich primair op gebieden in gemeenten waar de problematiek (van ondermijnende en georganiseerde) jeugdcriminaliteit het hevigst is. Daarbij stapelt de sociale problematiek zich op met grote gevolgen voor de risico’s voor jongeren om in de criminaliteit te belanden.2
Op advies van het Strategisch Beraad Ondermijning is deze aanpak gestart in de 16 focusgebieden van de gemeenten die zijn geprioriteerd in het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV), waar Almere geen onderdeel van uitmaakt.3 Uit de Leefbaarometer4 komen deze gebieden in deze gemeenten naar voren als plaatsen waar de veiligheid en leefbaarheid in verregaande mate onder druk staan.
Met de toetreding op 4 juli 2022 van de gemeenten Dordrecht, Delft, Roosendaal en Vlaardingen tot het NPLV is besloten om ook in de focusgebieden van deze vier gemeenten te starten met de aanpak Preventie met gezag. Momenteel zijn deze gemeenten hun aanvraag voor een domeinoverstijgende aanpak aan het formuleren. Naar verwachting kunnen zij nog voor het zomerreces starten met de uitvoering.
Uit beschikbare data van o.a. het CBS, de Veiligheidsmonitor, de Jeugdmonitor en politiedata blijkt dat niet alleen voornoemde 19 gemeenten te maken hebben met ernstige vormen van jeugdcriminaliteit in kwetsbare wijken. De domeinoverstijgende wijkaanpak van Preventie met gezag zal vanaf dit jaar gefaseerd worden uitgebreid naar aanvullende gemeenten, waarbij uitgangspunt is dat de middelen worden ingezet daar waar de problematiek het grootst is en waar een domeinoverstijgende aanpak het grootste verschil kan maken.
Almere is geselecteerd om te worden opgenomen binnen de aanpak Preventie met Gezag. Op advies van het Strategisch Beraad Ondermijning, en gebruik makend van wetenschappelijke inzichten, is op basis van beschikbare data een voorselectie gemaakt van acht gemeenten. Momenteel vinden met deze gemeenten gesprekken plaats over hun mogelijke aansluiting bij de aanpak Preventie met gezag. Almere is één van deze gemeenten. De problematiek die wordt geschetst in het artikel over Almere – en door de politie wordt bevestigd – toont deze urgentie aan.
Naar verwachting zullen deze extra gemeenten vóór het zomerreces van start gaan met het maken van een probleemanalyse en het formuleren van een plan van aanpak voor de domeinoverstijgende wijkaanpak.
Ziet u op basis van het geschetste beeld urgentie om Almere toe te voegen aan de gemeenten die onderdeel uit maken van Preventie met Gezag, gericht op het voorkomen van de aanwas van jongeren in de georganiseerde criminaliteit?
Zie antwoord vraag 5.
Op grond van welke criteria is besloten naast de 15 gemeenten waarmee de aanpak is gestart, onlangs ook Delft, Dordrecht, Roosendaal en Vlaardingen toe te voegen aan het programma en wat is de grondslag voor deze criteria in wet- en regelgeving?
Zie antwoord vraag 5.
Zijn u op dit moment nog meer gemeenten bekend die ondanks een zorgwekkend criminaliteitsbeeld buiten de selectie van Preventie met Gezag zijn gevallen? Zo ja, wanneer worden deze gemeenten toegevoegd?
Zie antwoord vraag 5.
Hoeveel middelen van de aanpak preventie met gezag zijn in 2022 per gemeente besteed en hoeveel worden er in 2023 en 2024 per gemeente besteed?
De eerste 15 «Preventie met gezag»-gemeenten hebben in 2022 een beschikking voor vier jaar ontvangen; de middelen kunnen worden besteed vanaf juni 2022 tot juni 2026. De gemeenten krijgen de middelen voor de domeinoverstijgende wijkaanpak in jaarlijkse tranches uitgekeerd van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Het bedrag dat de gemeenten jaarlijks ontvangen is onder andere afhankelijk van de grootte van de gemeente, de omvang van de problematiek5 en de omvang en inhoud van de aanvraag. Gemeenten krijgen geld voor bijvoorbeeld de inzet van buitengewone opsporingsambtenaren (Boa’s) en/of het Zorg- en Veiligheidshuis. Deze verdeling van de middelen is bekrachtigd door het Strategisch Beraad Ondermijning (SBO). In totaal gaat er jaarlijks circa 38,3 miljoen euro naar de gemeenten voor de domeinoverstijgende wijkaanpak Preventie met gezag.
Gemeente
Totaal
Amsterdam
8,4
Arnhem
1,6
Breda
1,3
Den Haag
3,9
Eindhoven
1,3
Groningen
1,2
Heerlen
1,5
Leeuwarden
1,4
Lelystad
1,2
Nieuwegein
1,1
Rotterdam
7,6
Schiedam
1,2
Tilburg
2,1
Utrecht
3,5
Zaanstad
1,0
Totaal
38,31
Dit zijn afgeronde bedragen.
De justitiële partners, zoals het OM, de politie, de Raad voor de rechtspraak, de Raad voor de Kinderbescherming, de (Jeugd)reclassering en de Gecertificeerde Instellingen zullen dit jaar de voor de aanpak benodigde middelen direct van het Ministerie van Justitie en Veiligheid ontvangen. De justitiële partners zetten deze extra capaciteit in op basis van de integrale plannen en afspraken met gemeenten.
Welke afspraken zijn gemaakt met gemeenten om de effectiviteit van de integrale aanpak preventie met gezag te monitoren, zodat de effectiviteit van verschillende projecten kan worden gemeten?
Om (over)zicht te krijgen of de integrale aanpak en de interventies van Preventie met gezag effectief zijn wordt samen met gemeenten een monitor opgezet. Hierover maken wij doorlopend afspraken en delen we resultaten via ons netwerk met alle gemeentelijke programmamanagers. Deze monitoring is onderdeel van de lerende aanpak, een jaarlijkse cyclus van het ophalen van de geleerde lessen, het reflecteren hierop (vanuit wetenschap, beleid en uitvoering) en het ontsluiten ervan (rapportage). Hierdoor krijgen we zicht op wat werkt en wat niet en deze ervaringen kunnen ook met andere gemeenten en partijen worden gedeeld.
Tevens worden gemeenten gewezen op de mogelijkheden om effectief bewezen of kansrijke interventies (zoals Alleen Jij Bepaalt wie je bent of Kapot Sterk) in te zetten. Daardoor is het mogelijk om meer concreet het effect van de interventie aan te geven of naar een dergelijke rapportage toe te werken.
Daarnaast worden er door de gemeenten en via onderzoeken, zoals dat van het EPIC-consortium6, interventies geëvalueerd om op microniveau beter zicht te krijgen op de effectiviteit. Met de lerende aanpak kan tijdens de verdere uitrol van Preventie met gezag aan de verantwoording en monitoring steeds beter vorm en inhoud worden geven. Het effect van bepaalde interventies – en zeker gedragsinterventies – kan veelal pas over een langere periode worden gemeten. Ten slotte sluit de monitor aan op de monitoring van de overkoepelende programma’s boven Preventie met gezag, zoals de monitoring van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en de monitor van DG Ondermijning.
Wederom desinformatie verspreidt bij uitzending Ongehoord Nieuws |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Kuipers , Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ongehoord Nieuws verspreidt alweer desinformatie, in «woud van aannames»» van 9 februari 2023?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat in de uitzending van Ongehoord Nieuws van 31 januari 2023 is gesteld dat er een causaal verband bestaat tussen corona-vaccinaties en oversterfte in Nederland en dat deze stelling volgens expert epidemiologen aantoonbaar onjuist is?
Ik ben bekend met de uitzending van Ongehoord Nieuws van 31 januari 2023. Het is vanuit wetenschappelijk oogpunt belangrijk om zorgvuldig onderscheid te maken tussen correlatie en causaliteit. Pas wanneer een causaal verband, is aangetoond kan men spreken over een oorzaak-gevolg relatie. Op dit moment is er wereldwijde wetenschappelijke consensus over de veiligheid en effectiviteit van de COVID-19-vaccins. Omdat het onderzoeken van de redenen en oorzaken van oversterfte erg belangrijk is, wordt onderzoek daarnaar nog verder gestimuleerd.
Onderkent u het gevaar van het verspreiden van dergelijke desinformatie voor de volksgezondheid?
In de Kamerbrief over de Rijksbrede strategie effectieve aanpak van desinformatie staat onder meer dat des- en misinformatie schadelijke effecten kunnen hebben op onder andere de volksgezondheid. Daarbij is het uitgangspunt op dit moment dat het bestempelen van desinformatie als zodanig en het factchecken primair geen taak is van overheden.2
Hoe beoordeelt u het feit dat omroep Ongehoord Nederland zich schuldig blijft maken aan de verspreiding van desinformatie, ondanks dat hen al twee keer eerder een sanctie is opgelegd door de NPO op basis van onafhankelijk onderzoek van de Ombudsman voor het verspreiden van desinformatie?
Het is niet aan mij om te beoordelen of de uitingen die zijn gedaan in de uitzending van Ongehoord Nieuws kwalificeren als desinformatie. De NPO heeft tweemaal een sanctie opgelegd aan Ongehoord Nederland in verband met onvoldoende bereidheid tot samenwerking. In de eerste sanctie verwijst de NPO in zijn sanctiebesluit naar het rapport van de NPO Ombudsman. In dat rapport wordt geconcludeerd dat Ongehoord Nederland de journalistieke code van de NPO op bepaalde punten niet heeft nageleefd.
Onderschrijft u, binnen de grenzen die onze persvrijheid van de politiek vraagt, de conclusie dat voor de verspreiding van dergelijke schadelijke desinformatie geen ruimte zou mogen bestaan op de Nederlandse publieke omroep?
In het licht van mijn verantwoordelijkheid als bewindspersoon voor media is van belang dat het media-aanbod van publieke omroepen voldoet aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen, zoals voorgeschreven in artikel 2.1, lid 2 onder e van de Mediawet. Het is echter niet aan mij om een oordeel te geven over de inhoud van afzonderlijke programma’s of uitlatingen die daarin worden gedaan. Het Commissariaat voor de Media is als toezichthouder belast met het toezicht op de naleving van de Mediawet.
Kunt u uiteenzetten welke stappen u voornemens bent om te nemen om de verspreiding van dergelijke schadelijke desinformatie een halt toe te roepen?
Ik verwijs u hiervoor naar de Kamerbrief over de Rijksbrede strategie effectieve aanpak van desinformatie.3 In deze Kamerbrief staat beschreven welke stappen de rijksoverheid voornemens is te nemen om desinformatie aan te pakken.
De noodzaak om regenwater beter vast te houden |
|
Leonie Vestering (PvdD), Eva van Esch (PvdD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Natte winter, droge lente: neerslag in januari is goud waard in mei»?1
Ja.
Wat heeft u vorig jaar anders gedaan ten opzichte van de jaren daarvoor met betrekking tot de droogte- en waterproblematiek?
In het algemeen is er in Nederland, en dus ook onder waterbeheerders, een steeds groter bewustzijn dat we een omslag moeten maken van water zo snel mogelijk afvoeren naar het vasthouden van water en het aanpassen van de ruimtelijke inrichting aan waterbeschikbaarheid. De Beleidstafel droogte heeft hieraan een extra impuls gegeven. De eindrapportage van de Beleidstafel droogte bevatte 46 concrete aanbevelingen. In de afgelopen jaren is hieraan invulling gegeven, waardoor Nederland beter weerbaar is tegen droogte en watertekorten2. Verder is in 2020 de bijdrage vanuit het Deltafonds aan zoetwatermaatregelen met €100 mln verhoogd tot €250 mln. Aangevuld met regionale financiering is daarmee voor fase 2 van het Deltaprogramma Zoetwater (2022–2027) een maatregelenpakket van €800 mln ontwikkeld3. Dat is twee keer zoveel als voor fase 1 van het Deltaprogramma Zoetwater beschikbaar was. Meer dan de helft van de maatregelen is gericht op het beter vasthouden van water op de hoge zandgronden door middel van beekherstel en het herstellen van de bodem. In de brief over Water en Bodem sturend (Kamerstukken 27 625, nr. 592) zijn verder structurerende keuzes over voldoende zoetwater opgenomen, die op basis van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) worden uitgewerkt in provinciale programma’s voor het landelijk gebied.
Wat doet u nu anders dan afgelopen jaren met betrekking tot de droogte- en waterproblematiek? Welke lessen heeft u geleerd en bent u in de praktijk aan het brengen? Kunt u dit uitgebreid toelichten?
Met het Deltaprogramma Zoetwater en met de uitgevoerde adviezen en aanbevelingen uit de Beleidstafel Droogte is de afgelopen jaren veel gedaan om Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en watertekorten. Over de voortgang van de maatregelen wordt jaarlijks gerapporteerd in de Voortgangsrapportage Zoetwater4. Een aantal concrete voorbeelden van maatregelen die de afgelopen jaren genomen zijn:
Naast maatregelen in het watersysteem zijn ook maatregelen nodig om de ruimtelijke inrichting en het landgebruik aan te passen aan de beschikbaarheid van water. Hiervoor wordt verwezen naar de brief over Water en Bodem sturend (Kamerstukken 27 625, nr. 592) waarin een aantal structurerende keuzes zijn opgenomen voor een klimaatbestendige zoetwatervoorziening van Nederland.
Wat heeft u concreet gedaan en wat bent u aan het doen om het kostbare water dat in de afgelopen maanden gevallen is en waarschijnlijk nog gaat vallen de aankomende tijd, maximaal op te vangen en op te slaan? Kunt u aangeven of concrete maatregelen droogte zullen voorkomen of al hebben voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in welke mate?
Waterbeheerders monitoren het hele jaar door nauwlettend de waterstanden en nemen passende maatregelen als dat nodig is, voor zowel perioden van te veel water als te weinig water. Na de droge zomer van 2022 is in de winter een redelijk normale hoeveelheid neerslag gevallen. Daardoor hebben grondwaterstanden zich in een groot deel van Nederland kunnen herstellen. In delen van Oost- en Zuid-Nederland is er echter nog sprake van verlaagde grondwaterstanden.
In de winter zijn daarnaast door veel waterbeheerders inspanningen gedaan om water vast te houden. Zo zijn in een aantal gebieden de zomerpeilen afgelopen winter gehandhaafd gebleven, om de grondwatervoorraad extra aan te vullen. Op deze manier bereiden waterbeheerders zich voor op de omschakeling van het relatief natte naar het droge deel van het jaar, om zo goed mogelijk voorbereid te zijn op eventuele droogte en watertekort.
Zijn er indicatoren opgesteld om vermindering van droogte te kwantificeren? Zo nee, waarom niet? Bent u van plan dit te ondernemen?
Er zijn diverse indicatoren die de ontwikkeling van droogte kwantificeren. Het KNMI houdt het neerslagtekort en andere indicatoren bij. Meer informatie is te vinden op de website van het KNMI5. Op de droogtemonitor6 is aanvullend informatie te vinden over de ontwikkeling van de rivierafvoeren en grondwaterstanden ten opzichte van andere jaren. Het neerslagtekort en het aantal dagen van lage rivierafvoeren in een droogteseizoen (1 april – 1 oktober) wordt in het overzicht7 van het droogteseizoen 2022 (p. 5) als kwantificering van de droogte ten opzichte van andere jaren gehanteerd.
Een neerslagtekort is niet te voorkomen. Wat wel kan is proberen de effecten hiervan te verminderen door minder water te gebruiken. En het water dat valt beter vast te houden. Via het Deltaprogramma Zoetwater wordt een aantal indicatoren ontwikkeld om het effect van voorgenomen maatregelen om het effect van droogte op de natuur en maatschappij te monitoren. Hierdoor kan de effectiviteit van de aanpak de komende jaren beter worden gevolgd, geëvalueerd en bijgesteld waar nodig. De indicatoren zullen deel uitmaken van de volgende fase van het Deltaprogramma Zoetwater.
Deelt u het inzicht dat (een deel van) de droogte van de afgelopen jaren voorkomen had kunnen worden indien de overheid (eerder) maatregelen had getroffen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat heeft u hiervan geleerd?
Nee, de waterbeheerders hebben zich maximaal ingezet om droogteschade zoveel mogelijk te voorkomen. De droogte van 2018 was wel een «wake up call». Daarom is destijds ook de Beleidstafel Droogte ingesteld. De aanbevelingen van de Beleidstafel Droogte zijn vrijwel allemaal gerealiseerd en de geleerde lessen van de droogte van 2018, 2019, 2020 en 2022 worden door alle waterbeheerders in de praktijk gebracht. Daarnaast werken Rijk en regio samen aan de uitvoering van het Deltaprogramma Zoetwater (zie ook het antwoord op vraag 2).
Hoe zorgt u ervoor dat het vasthouden van regenwater zo veel mogelijk op natuurlijke wijze gebeurt, zoals het aanplanten van struweel op steile hellingen, het verwijderen van drainages waar deze niet functioneel meer zijn, het creëren van ruimte voor rivieren en het aanleggen van natuurlijke erosie- en waterbuffers? Hoeveel natuurlijke oplossingen zijn er de afgelopen jaren uitgevoerd?
Het Ministerie van IenW stimuleert actief het herstel van beekdalen naar meer natuurlijke systemen, met onder andere als doel om regenwater beter vast te houden. Zo is er €300 mln beschikbaar gesteld om de beekdalen van zijrivieren van de Maas beter te beschermen tegen extreme buien en wateroverlast. Voor grootschalig beekdalherstel om de waterkwaliteit te verbeteren zijn middelen vanuit het Transitiefonds gereserveerd. Beekdalherstel gebeurt met name door het aanpassen van landgebruik. Door extensievere landbouw en extra natuur ontstaat meer ruimte voor grondwaterpeilverhogingen en waterberging.
De provincies, gemeenten en waterbeheerders staan aan de lat voor het uitvoeren van maatregelen om regenwater vast te houden. Ruim 60% van het investeringsbudget van het Deltaprogramma Zoetwater 2022–2027 wordt besteed aan het beter vasthouden van water; bijna 70% hiervan gebeurt op natuurlijke wijze. Voorbeelden daarvan zijn de Leuvenumse beek, het Lankheet, de Drentse Aa en de Oude Strijper Aa, waar door herstel van natuurlijk omstandigheden regenwater beter wordt vastgehouden (zie ook het antwoord op vraag 3). Ook investeren gemeenten in het hele land met cofinanciering vanuit de Impulsregeling Ruimtelijke Adaptatie in waterbergingen Een aantal voorbeelden hiervan:
Kunt u per type (natuur)gebied, zoals bijvoorbeeld veenweidegebieden en zandgronden, aangeven per wanneer u uitvoering gaat geven aan het doel om het waterpeil te verhogen? Hoe wordt deze verhoging doorgevoerd? Per wanneer zal hiermee droogte zoveel mogelijk worden voorkomen?
De structurerende keuzes uit de Kamerbrief Water en bodem sturend voor onder meer het Hoofdwatersysteem, de veenweidegebieden en de hoge zandgronden zijn overgenomen in het NPLG. Op basis daarvan werken de provincies deze keuzes verder uit in de provinciale programma’s voor het landelijk gebied. Lokaal worden al maatregelen genomen. In de veenweidegebieden gebeurt dit vanuit de regionale veenweidestrategieën en op de zandgronden vanuit het Deltaprogramma Zoetwater. In de periode 2016–2021 is circa €200 miljoen geïnvesteerd in het beter vasthouden van water op de zandgronden en de komende zes jaar wordt dat verdubbeld.
Kunt u aangeven per wanneer en hoe u weersextremen, zoals onder andere piekbuien, opvangt in bergingen? Kunt u aangeven per wanneer deze maatregelen droogte in het voorjaar en in de zomer zullen voorkomen?
Door waterschappen en gemeenten is de afgelopen jaren vanuit de zorgplicht al veel geïnvesteerd in de bescherming tegen grotere hoeveelheden neerslag. Er zijn in heel Nederland op veel locaties piekbergingen aangelegd om regenwater te bufferen, zoals bijvoorbeeld de Driemanspolder bij Zoetermeer, de waterberging Panjerd-Veeningen in Drenthe en de piekberging Haarlemmermeer. In Limburg zijn inmiddels al 463 waterbuffers aangelegd. Ook worden in de steden maatregelen getroffen tegen wateroverlast via bijvoorbeeld (afkoppeling van) riolering en regenwaterbuffers in de stad (zie ook het antwoord op vraag 7).
Piekbergingen zijn gericht op voorkomen van wateroverlast en die bergingscapaciteit moet «altijd» beschikbaar zijn. In sommige gevallen kunnen ze in beperkte mate bijdragen aan het vertragen van afvoer of vasthouden van water voor droogte. Zo heeft de Driemanspolder naast de buffercapaciteit ook een watersysteem met een flexibel peil om de watervraag te beperken en ook de regenwaterbuffers in Limburg resulteren in extra infiltratie naar het grondwater. Waterbuffers die zijn ingericht op waterbeschikbaarheid bij droogte zijn bijvoorbeeld het IJsselmeer en het Volkerak-Zoommeer. Daarnaast is de wateropslag in de ondergrond van groot belang, door het opzetten van stuwen, afkoppelen van het hemelwaterriool, infiltratiedrains en dempen of verhogen van slootbodems.
Op welke wijze ondersteunt de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) de uitvoering van het beleid dat water en bodem sturend zijn, zoals het verhogen van het waterpeil?
De Minister van LNV draagt met onder andere het mestbeleid, de implementatie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en het in ontwikkeling zijnde Landbouwakkoord bij aan de realisatie van de doelen van het NPLG, waarin de structurerende keuzes uit de Kamerbrief Water en bodem sturend zijn opgenomen. De Minister van LNV alsook de Minister voor Natuur en Stikstof voeren op vele manieren overleg met de landbouwsectoren en andere stakeholders gericht op het ontwikkelen van draagvlak voor maatregelen ten behoeve van de transitie naar een veerkrachtige landbouw die past bij de draagkracht van haar (natuurlijke) omgeving.
Wat onderneemt de Minister van LNV om met name de landbouw hierbij te betrekken en ervoor te zorgen dat de landbouwsector uitvoering geeft aan het beleid dat water en bodem sturend zijn?
Zie het antwoord op vraag 10.
De aanslag op de Nord Stream pijpleidingen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het op 8 februari 2023 door de gerenommeerde onderzoeksjournalist Seymour Hersh, onder andere winnaar van de Pulitzer Prijs, gepubliceerde artikel in The Times waarin hij op basis van meerdere bronnen en tot in detail de aanslag op de Nord Stream pijpleidingen reconstrueert, een artikel met als titel: «US bombed Nord Stream gas piplines»1?
Ik ben bekend met het artikel in de Times waarin het artikel van de heer Hersh wordt aangehaald.
Kan het kabinet zich vinden in de volgende vertaling van de titel van dit Engelstalige artikel: «De Verenigde Staten bliezen de Nord Stream gasleidingen op»? Zo nee, hoe zou u deze zin vertalen?
Een volledige vertaling van het door u geciteerde artikel van Dhr Midolo zou zijn: «De Verenigde Staten bliezen de Nord Stream gasleidingen op, beweert onderzoeksjournalist Seymour Hersh».
Is het, gezien dit artikel (en tal van andere aanwijzingen in exact dezelfde richting zoals die in Kamervragen van FVD ingezonden op 3 oktober 2022 al voor het voetlicht zijn gebracht), volgens de regering aannemelijk dat de Verenigde Staten betrokken zijn bij de aanslag op de Nord Stream gasleidingen, ja of nee?
Het kabinet speculeert niet over de toedracht van de explosies bij de Nord Stream 1 en 2 pijpleidingen en wacht de resultaten af van het onderzoek van de Zweedse, Deense en Duitse autoriteiten die zullen moeten uitwijzen of er een verantwoordelijke kan worden aangewezen.
Is het, gezien dit artikel (en tal van andere aanwijzingen in exact dezelfde richting zoals die in Kamervragen van FVD ingezonden op 3 oktober 2022 al voor het voetlicht zijn gebracht), volgens het kabinet mogelijk dat de Verenigde Staten betrokken zijn bij de aanslag op de Nord Stream gasleidingen, ja of nee?
Het kabinet speculeert niet over de toedracht van de explosies bij de Nord Stream 1 en 2 pijpleidingen en wacht de resultaten van het onderzoek van de Zweedse, Deense en Duitse autoriteiten af die zullen moeten uitwijzen of er een verantwoordelijke kan worden aangewezen.
Begrijpt het kabinet dat op de bovenstaande twee vragen niet kan worden geantwoord met «We wachten het onderzoek naar de aanslag op de gaspijpleidingen af» omdat dit onderzoek zélf gecompromitteerd wordt zodra een land dat mogelijk deze aanslag heeft gepleegd onderdeel uitmaakt van het onderzoek? Zo nee, waarom begrijpt het kabinet dit niet?
Nee, Zweedse, Duitse, Deense autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de onderzoeken naar de toedracht van de explosies bij de Nord Stream 1 en 2 pijpleidingen en het kabinet heeft vertrouwen dat deze landen dergelijke onderzoeken goed kunnen uitvoeren.
Is het correct dat de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en (dus) de Verenigde Staten betrokken zijn bij het onderzoek dat nu wordt gedaan naar de aanslag op de Nord Stream pijpleidingen?
De onderzoeken worden uitgevoerd door de bevoegde autoriteiten in Zweden, Denemarken en Duitsland. Voor zover bekend is de NAVO als organisatie daar niet bij betrokken.
Is het kabinet van mening dat een land dat mogelijk betrokken is bij de aanslag op de Nord Stream pijpleidingen geen onderdeel hoort uit te maken van het onderzoek dat nu naar deze aanslag wordt gedaan? Zo nee, waarom niet?
Lopende de onderzoeken van de eerdergenoemde landen speculeert het kabinet niet op basis van een weblog artikel over mogelijke betrokkenheid van staten bij de explosies op de Nord Stream 1 en 2 pijpleidingen.
Is het kabinet bereid er in internationaal verband op aan te dringen dat de Verenigde Staten, als mogelijke dader van deze brutale aanslag op Europese bodem, zich terugtrekt uit het onderzoek dat nu wordt verricht naar de aanslagen op de Nord Stream pijpleidingen? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet speculeert niet over de verantwoordelijkheid naar de toedracht van de explosies bij de Nord Stream pijpleidingen en wacht de resultaten van de onderzoeken van de Zweedse, Deense en Duitse autoriteiten naar de toedracht van de explosies af.
Tot slot, beschouwt het kabinet het opblazen, door een statelijke actor, van deze, voor de Europese energievoorziening zo belangrijke pijpleidingen, als een oorlogshandeling?
Lopende het onderzoek van de Zweedse, Deense en Duitse autoriteiten speculeert het kabinet niet over de verantwoordelijkheid van de explosies en de eventuele gevolgen.
Kunt u de bovenstaande vragen een voor een en apart beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Mensenhandelaren actief bij azc, asielzoekers stappen in geblindeerde busjes: ‘Moderne slavernij’’ |
|
Anne Kuik (CDA), René Peters (CDA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Mensenhandelaren actief bij azc, asielzoekers stappen in geblindeerde busjes: «Moderne slavernij»»?1
Ja
In hoeverre is er nu gericht beleid op en rondom asielzoekerscentra (azc’s) om mensenhandel, uitbuiting en prostitutie tegen te gaan?
Een goede aanpak van mensenhandel en uitbuiting vergt een goede samenwerking tussen verschillende betrokken ketenpartners, zoals COA, politie, gemeenten en de zorg.
De afgelopen jaren is er fors geïnvesteerd in de opsporing en vervolging van mensenhandel door de politie. Mensenhandel is wederom aangewezen als landelijke beleidsdoelstelling voor de politie in de Veiligheidsagenda 2023–2026. Er is dus sprake van een landelijke focus op dit thema binnen de werkzaamheden van de politie. In de lokale driehoek wordt de uiteindelijke inzet van politiecapaciteit bepaald, afgestemd op de lokale situatie.
Het COA doet er in de praktijk veel aan om mensenhandel te kunnen signaleren en melden. Dit gebeurt op verschillende manieren, waaronder het trainen en motiveren van medewerkers om te signaleren en melden, het doorgeven van signalen aan de politie en de Koninklijke Marechaussee, het informeren van bewoners over mogelijke risico’s van mensenhandel en het begeleiden van potentiële slachtoffers. Tot slot stemt het COA met regelmaat af met de (wijk)politie om de algemene situatie op en rondom een opvanglocatie te bespreken. Hieronder kunnen ook signalen over mogelijke mensenhandel vallen.
Welke resultaten en acties kunt u op dit punt met ons delen?
Zie antwoord vraag 2.
In welke mate is er onderzoek over/alertheid op het risico van mensenhandel op/rondom azc’s?
Het is bekend dat er een risico bestaat op mensenhandel rondom azc’s. Wanneer er signalen van mensenhandel rondom azc’s bij de politie gemeld worden, dan worden deze ook voortvarend opgepakt. Ieder signaal van mensenhandel wordt door de politie gewogen, bekeken en geclassificeerd.
De signalen dat tieners soms dagen verdwijnen en worden benaderd voor seksuele diensten neem ik serieus. Ik wil hierbij ook benoemen dat wanneer het gaat om kinderen, we niet spreken van prostitutie. Het gaat dan namelijk om minderjarigen. Seks met een minderjarige tegen betaling is strafbaar in Nederland, ook als de minderjarige aangeeft het vrijwillig te doen. Als een derde persoon erbij betrokken is, is er zelfs vaak sprake van mensenhandel.
Echter worden de signalen zoals benoemd in het artikel niet herkend door de politie in Gilze, noch door de contactpersoon van de politie op het azc in Gilze.
Dat neemt niet weg dat asielzoekers kwetsbaar kunnen zijn in onze samenleving. Zij zijn vertrokken uit hun thuisland, de Nederlandse taal niet machtig en mogen in veel gevallen nog niet werken om in hun eigen onderhoud te voorzien. Dit maakt hun positie potentieel kwetsbaar. Daarom gaat er binnen het COA ook specifiek aandacht uit naar het signaleren van mensenhandel, zoals hierboven toegelicht in het antwoord op vraag 2 en 3.
Wat is uw reactie op de signalen in het artikel dat tienermeisjes dagenlang vermist zijn als gevolg van prostitutie en dat tienerjongens worden benaderd voor seks in ruil voor drugs?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u een beeld van hoe omvangrijk dit misbruik is en wat zijn uw plannen om het aan te pakken?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u het ook onacceptabel dat louche types ongestoord een azc kunnen binnenlopen om kwetsbare vluchtelingen te ronselen? Op welke manier(en) kunt u er samen met het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en met gemeentes voor zorgen dat er een effectievere meldplicht bij binnenkomst is, om mensen in azc’s beter te beschermen?
De opvanglocaties van het COA hebben veel verschillende verschijningsvormen (voormalige kazerne, containerbouw, unitbouw, etc) en zijn zeer verschillend gelegen. De meeste locaties hebben een open structuur om de toegankelijkheid te bevorderen en te voorkomen dat het beeld ontstaat dat asielzoekers worden opgesloten achter hoge hekken.
Dat brengt uitdagingen met zich mee op het gebied van bijvoorbeeld ongewenst bezoek. Het COA hanteert een bezoekersreglement dat inhoud geeft aan de zorg voor de leefbaarheid, beheersbaarheid en veiligheid van alle bewoners en medewerkers. Het reglement schrijft onder meer voor dat iedere bezoeker zich bij het betreden van de locatie moet melden en identificeren. Om ongewenst bezoek te voorkomen loopt de beveiliging rondes over de locatie en wordt bijvoorbeeld met regelmaat een kamercontrole uitgevoerd. Indien dit onvoldoende effectief is wordt, meestal in overleg met de politie (bijvoorbeeld een wijkagent), bekeken wat aanvullende mogelijkheden zijn.
Hoe kunt u de al bestaande contactpersoon voor mensenhandel en mensensmokkel binnen azc’s versterken, zodat misstanden eerder kunnen worden gemeld?
Het COA blijft inzetten op aanwezigheid van een contactpersoon mensenhandel op iedere locatie, om onder andere signalen mensenhandel op te vangen. De contactpersonen worden getraind om die functie zo goed mogelijk uit te voeren. Het melden van misstanden is uiteindelijk aan het slachtoffer zelf. Het COA begeleidt de slachtoffers naar passende hulpverlening en kan slachtoffers ook proberen te motiveren aangifte te doen.
Wat is uw reactie op de berichtgeving dat er sprake is van een hoge mate van burn-outs en structurele onderbezetting onder azc-personeel? Heeft u inzicht in de gevolgen hiervan binnen azc’s?
Ik herken het beeld niet dat er sprake zou zijn van een hoge mate van burn-outs onder COA-personeel en evenmin herken ik het beeld dat er sprake is van een structurele onderbezetting op azc’s.
Doordat er op dit moment veel nieuwe locaties geopend worden en asielzoekers lang in onzekerheid zitten over de uitslag van hun asielprocedure zie ik dat er veel gevraagd wordt van het COA-personeel. Voor het COA-personeel heb ik dan ook zeer veel waardering.
Bent u het eens met de stelling dat het onbestaanbaar is dat bezorgde omwonenden gestopt zijn met het melden van misstanden rondom azc’s vanwege het gebrek aan actie en de angst voor vergelding?
Ik vind het ernstig als bezorgde omwonenden geen aangifte meer zouden doen wegens een gebrek aan actie en de angst voor vergelding.
Voor de aanpak van misstanden is het namelijk van belang om deze meldingen te ontvangen. Politie is voor de opsporing van het delict mensenhandel vaak afhankelijk van signalen van andere partijen, daarom is een goede samenwerking met betrokken ketenpartners en burgers van belang. Daarom roep ik bezorgde omwonenden op om melding te blijven maken. De politie is verplicht, volgens de Aanwijzing Mensenhandel, om ieder signaal van mensenhandel dat binnenkomt op te pakken. Met behulp van de Domeinoverstijgende Informatiegestuurde Werkwijze (DIGW), bekijkt, weegt en classificeert politie ieder signaal.
Ook organiseert het COA periodiek overleggen met omwonenden van azc’s. Dit zijn uitgelezen gelegenheden voor omwonenden om eventuele zorgen te uiten.
Welke maatregelen kunt u nemen om de ondermijning die plaatsvindt in de regio aangepakt wordt en ervoor te zorgen dat bezorgde omwonenden weer vertrouwen krijgen in het melden van misstanden en verdachte situaties?
Zie antwoord vraag 10.
De schriftelijke antwoorden over het bijna overstromen van de kinder-ic’s als gevolg van de coronamaatregelen |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Begrijp ik uit uw antwoord op vragen over het bericht dat de kinder-ic’s vol liggen met jonge RS-patiëntjes dat het langdurig volhouden van vrijheidsbeperkende maatregelen ter verspreiding van het coronavirus, en het zelfs tot vier keer aan toe in lockdown gaan om het overstromen van onze ic’s te voorkomen omdat u er simpelweg zo weinig heeft, ertoe heeft geleid dat de afdelingen intensive care voor kinderen (kinder-ic’s) recentelijk bijna zijn overstroomd met RS-patiëntjes?1
De maatregelen, die we getroffen hebben tegen de verspreiding van het coronavirus, hebben als neveneffect gehad dat ook andere infectieziekten zich minder makkelijk hebben kunnen verspreiden. De voorgaande twee winters vertoonden luchtwegvirussen dan ook een afwijkend patroon van wat gebruikelijk is in Nederland.2 In hoeverre de coronamaatregelen specifiek van invloed zijn geweest op de huidige aantallen RS-infecties is echter moeilijk te bepalen. In het algemeen is het zo dat de sterke stijging van het RS-virus in de winter, met een piek rond de jaarwisseling, normaal is voor de tijd van het jaar. In de winter van 2020/2021 werd het RS-virus nauwelijks gevonden, maar in de zomer van 2021 (juni/juli) was er een RS-virusepidemie en bleven de aantallen hoger dan gebruikelijk in het najaar. In het daaropvolgende winterseizoen van 2021/2022 was er geen RS-epidemie, maar bleef het aantal meldingen van het RS-virus het hele voorjaar en zomer hoog. Daarbij komt ook dat er relatief makkelijk herinfectie met het RS-virus plaatsvindt, omdat het lichaam vaak een suboptimale afweer tegen dit virus aanmaakt na infectie. Dat is niet anders dan vóór de COVID-19 pandemie.
Het RIVM geeft aan dat het RS-virus flink is rondgegaan dit winterseizoen en er gelijktijdig ook andere virussen circuleerden die luchtweginfecties veroorzaken, namelijk influenzavirussen, SARS-Cov-2, hMPV en rhinovirus. Daardoor is de druk op de zorg tijdelijk toegenomen, maar is nu weer terug naar een lager niveau. In de ziekenhuizen namen de aantallen opgenomen kinderen met RS-bronchiolitis (lage luchtweginfectie) toe. Er is geen sprake geweest van een tekort aan zorgcapaciteit. Sinds de eerste week van 2023 daalt het aantal infecties weer en dit zien we ook in de cijfers van de ziekenhuizen van het aantal opnames bij kinderen met RS.
Bent u bekend met de berichten over een verviervoudiging van infecties met vleesetende bacteriën, waarvoor ook de verklaring wordt gegeven dat dat komt door minder blootstelling aan deze bacteriën door de coronamaatregelen? Wat is uw reactie hierop?2
Ja, ik neem aan dat u duidt op de toename van Groep A-streptokokkeninfecties (GAS), waarover ik uw Kamer op 10 februari jl. heb geïnformeerd.4 In deze Kamerbrief meld ik dat GAS-infecties regelmatig voorkomen bij mensen, vooral bij kinderen. Meestal verlopen ze onschuldig. De infectie kan invasief verlopen en doordringen in onderliggend weefsel of de bloedbaan, en daar o.a. het afsterven van weefsel tot gevolg hebben. Sinds het voorjaar van 2022 is het aantal meldingen van ernstigere invasieve GAS-infecties hoog ten opzichte van eerdere jaren. Dit gold met name voor kinderen tussen 0 en 5 jaar. In december 2022 is ook het aantal meldingen bij volwassenen sterk gestegen. Daarom is na overleg met deskundigen besloten om de meldingsplicht betreffende invasieve GAS-infecties uit te breiden naar meer ziektebeelden dan voorheen. De GGD kan dan ter preventie antibiotica geven aan huisgenoten van iemand met een invasieve GAS-infectie. Door deze uitbreiding in de meldingsplicht zijn er in 2023 meer meldingen binnengekomen. Uiteraard houden we deze aantallen goed in de gaten en nemen indien nodig aanvullende maatregelen.
Het is niet bekend waar de toename van Groep A-streptokokkeninfecties precies door wordt veroorzaakt. Mensen met een infectie met een virus, zoals het griepvirus of de waterpokken, hebben een grotere kans om een ernstige infectie met groep-A-streptokokken te krijgen. Het kan zijn dat meer mensen vatbaar zijn voor de bacterie of voor die virussen, omdat ze de afgelopen jaren door de coronamaatregelen hier minder aan zijn blootgesteld. Daarnaast is het type GAS-bacterie dat nu opkomt anders (M1UK) dan voorheen.5
Worden er meer van dit soort boemerang-reacties gemeld van ziekteverwekkers die zich meer en heftiger manifesteren, vermoedelijk door beperkte blootstelling eraan gedurende de coronamaatregelen?
Het klopt dat de coronamaatregelen ook de verspreiding van andere luchtwegvirussen dan SARS-Cov-2 tegengaan. Dat maakt dat mensen vatbaarder kunnen zijn voor bepaalde virussen, omdat ze de afgelopen jaren door de coronamaatregelen hier minder aan zijn blootgesteld.
Uit het RIVM rapport «de Staat van Infectieziekten»6 bleek dat in de periode 2020–2022 voor 8 verschillende pathogenen gedurende de periode van coronamaatregelen een daling in aantallen meldingen zichtbaar was. Dit betrof met name respiratoire infecties (seizoens-coronavirussen (non-SARS-CoV-2 coronavirussen), humaan metapneumovirus (hMPV), influenza, respiratoir syncytieel (RS) virus en parainfluenzavirus (type 2 en 4)) en daarnaast rotavirus (darminfectie) en ook bacteriële infectie door eerdergenoemde Groep A-streptokokken. Na de versoepeling van de coronamaatregelen was er een zichtbare toename van meldingen van deze infecties. Inmiddels lijkt voor de virale infecties (influenza, RS) het seizoenspatroon weer richting het gebruikelijke patroon van voor de coronapandemie te verschuiven.
Was het ook in dit licht niet beter geweest om na de eerste coronagolf de afbraak van ic-capaciteit in de jaren voor corona te herstellen door de structurele ic-capaciteit te verhogen naar minimaal het Europese gemiddelde?
Het ophogen van de IC-capaciteit naar het Europese gemiddelde is geen oplossing voor de hoge vraag naar IC-zorg tijdens een pandemie. Zoals reeds vermeld in mijn brief aan uw Kamer van 16 september jl.7 zijn, in lijn met de motie van de leden Westerveld en Kuiken8 en het advies van de NVIC en V&VN IC, in het Integraal Zorgakkoord (IZA) afspraken gemaakt over opschaling tot 1150 IC-bedden. Hoe deze opschaling in zijn werk gaat is beschreven in het LNAZ-opschalingsplan, dat ik op 10 februari jl. aan uw Kamer heb verzonden.
Zo nee, waarom blijft u weigeren in te zien dat de Nederlandse ic-capaciteit in de jaren voor corona kapotbezuinigd is door de marktwerking en dat er daardoor vijf jaar voor de start van de crisis alleen al 915 ic-verpleegkundigen meer waren dan aan de start van de coronacrisis?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom zei u tijdens het debat over het eerste deelrapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid inzake de coronacrisis op 1 februari dat u kunt opschalen naar 1.700 ic-bedden, terwijl het Landelijk Netwerk Acute Zorg u al op 11 januari formeel liet weten dat Nederland nog maar 999 operationele ic-bedden heeft en dat opschaling naar maximaal 1.250 ic-bedden hooguit voor een beperkte duur mogelijk is?3
Zoals ik eerder aan uw Kamer heb gemeld10, is dankzij de subsidieregeling IC-opschaling geïnvesteerd in de benodigde apparatuur en inventaris om in geval van nood te kunnen opschalen tot maximaal 1.700 IC-bedden. Van ziekenhuizen wordt verwacht dat zij deze infrastructuur in stand houden.
In het herijkte plan zijn daarnaast de adviezen van het expertteam COVID-zorg in ziekenhuizen meegenomen. Het plan concentreert zich niet langer alleen op de ziekenhuizen, maar beschrijft op hoofdlijnen hoe samenwerking in de zorgketen kan bijdragen aan het optimaal organiseren van de gehele zorgketen waardoor meer (COVID-19)patiënten geholpen kunnen worden voordat zij op de IC terecht komen. Mocht de druk op de IC desondanks toch weer oplopen, dan heb ik het vertrouwen dat de zorg er alles aan zal doen om de benodigde capaciteit te leveren.
Klopt het dat deze 999 operationele ic-bedden van december 2022 alweer een vermindering is ten opzichte van de 1.011 operationele ic-bedden van september 2022?4
In lijn met het herijkte LNAZ opschalingsplan spreken we van een operationele basiscapaciteit van 999 IC-bedden. Dit getal is conform het overzicht in de staatscourant12, vastgesteld ten behoeve van de subsidieregeling IC-opschaling in 2021.
Het klopt toch dat een operationeel ic-bed een ic-bed is dat operationeel is als ic-bed en dat alles erboven ten koste gaat van andere bedden voor andere ziekenhuiszorg zoals operatiebedden?
In geval van een oplopende zorgvraag kunnen ziekenhuizen flexibel opschalen tot 1150 operationele IC-bedden. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld13 zijn hiervoor in het IZA middelen beschikbaar gesteld. Wanneer de zorgvraag vervolgens afneemt, zakt het aantal operationele IC-bedden terug naar 999. Indien IC-bedden moeten worden opgeschaald kan het voorkomen dat dit ten koste gaat van andere zorg. Afschaling van zorg wordt zoveel als mogelijk voorkomen door het anticiperen op een veranderende zorgvraag en/of zorgaanbod, bijvoorbeeld door het spreiden van patiënten.
Wapens uit Estland die via een Nederlands bedrijf aan Oekraïne zijn geleverd |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Is het juist dat het Nederlandse bedrijf ARLE antitankraketten uit Estland in 2022 aan Oekraïne heeft geleverd? Kunt u achterhalen om hoeveel stuks het daadwerkelijk is gegaan?
Over individuele gevallen doet het kabinet geen uitspraken.
Zo nee, is het juist dat indien ARLE deze wapens niet aan Oekraïne heeft geleverd, dat zij via een derde partij in Oekraïne terecht zijn gekomen?
Zie antwoord vraag 1.
Is het juist dat een Tsjechisch bedrijf de wapens leverde? Kunt u bevestigen dat het Excalibur International dan wel Excalibur Army was dat de antitankraketten aan Oekraïne leverde?
Zie antwoord vraag 1.
Is het juist dat deze wapens uit Estland afkomstig zijn of hebt u kunnen vaststellen wat de rol van het Estse bedrijf is?
Zie antwoord vraag 1.
Is het juist dat deze overeenkomst niet bij Nederlandse instanties is geregistreerd in het kader van import, doorvoer of export? Zo ja, bij wie is dit geregistreerd?
Zie antwoord vraag 1.
Is u bekend hoeveel winst is gemaakt met de verkoop van wapens via Estland via Nederland eventueel via Tsjechië naar Oekraïne?1
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw oordeel over de winstmarges die volgens het artikel zijn gemaakt?
Het is waarschijnlijk dat de huidige grote vraag naar wapens een prijsopdrijvend effect heeft. Dit kan ertoe leiden dat er bij handel in wapens hoge winstmarges worden behaald. Het kabinet handelt bij de aanschaf van wapens zorgvuldig. Het kabinet geeft geen verder oordeel over de winstmarges die in het NRC artikel worden beschreven.
Is het juist dat de douanes van Estland en Nederland niet bekend zijn met deze deal?
Zie antwoord vraag 1.
Is het juist dat Defensie in het verleden heeft samengewerkt met ARLE? Zo ja om welke zaken ging het daarbij?
Het is juist dat Defensie heeft samengewerkt met ARLE en Defensie doet dat nog steeds. ARLE heeft onder andere helderheidsversterkers met bijbehorende gevechtshelm-montagemiddelen, trainingsgeweren (MCX-upper-receiver voor verfpatronen) met bijbehorende verfmunitie en wapentoebehoren zoals holsters en geluidsdempers geleverd.»
Klopt het dat Nederlandse douanerechercheurs inmiddels onderzoek naar deze zaak hebben gedaan? Zo ja, wat is het resultaat van dit onderzoek?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat u de schimmige wapenhandel – zoals beschreven in het artikel – in de toekomst voorkomen? Bent u bereid een notitie te maken met voorstellen?
Voor alle uitvoer en doorvoer van militaire goederen en voor tussenhandel diensten voor militaire goederen moet een vergunning worden aangevraagd. Deze aanvraag wordt getoetst aan het geldende wapenexportcontrolebeleid. In strijd handelen met de geldende wet- en regelgeving is strafbaar. Het kabinet ziet in het NRC-artikel geen aanleiding om dit beleid aan te passen.
Het bericht dat de Oegandese regering het mensenrechtenkantoor van de Verenigde Naties niet zal verlengen. |
|
Jan Klink (VVD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is het kabinet op de hoogte van de berichtgeving «Uganda says it will not renew term of U.N. human rights office»?1
Ja, het kabinet is met dit bericht bekend.
Is het kabinet op de hoogte van de observatie uit november 2022 door de Commissie tegen Marteling van de Verenigde Naties omtrent het gebruik van martelmethodes in Oegandese gevangenissen en ongeautoriseerde gevangenissen?2 Zo ja, wat vindt u van deze observatie?
Ja, het kabinet is hiervan op de hoogte. Het rapport laat zien dat mishandeling en marteling een blijvend probleem is in Oeganda en de toegang tot eerlijke rechtspraak voor slachtoffers minimaal is. Nederland vindt de berichtgeving van het rapport dan ook zorgelijk en veroordeelt deze praktijken. Nederland blijft zorgen uiten over de verslechterende mensenrechtensituatie in Oeganda en zal dit blijven monitoren, aankaarten bij de autoriteiten en mensenrechtenorganisaties steunen.
Is het kabinet bekend met de reden waarom Oeganda stopt met de verlenging van het VN mensenrechtenkantoor? Zo ja, is het kabinet bekend met de reden «progress Uganda had made in developing a domestic capacity to monitor rights»?3 Wat vindt u van dit besluit?
Het Oegandese Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in de communicatie over het besluit om het mandaat niet te verlengen meerdere redenen gegeven. Ten eerste was het oorspronkelijke mandaat gericht op de mensenrechtensituatie in de door de Lord Resistance Army (LRA) rebellengroep getroffen gebieden in het noorden van Oeganda. Vervolgens is het mandaat geleidelijk uitgebreid. Volgens de autoriteiten is wegens de vrede in het land de aanwezigheid van een VN-mensenrechtenkantoor niet meer nodig. Een andere reden die wordt aangedragen is dat zowel de capaciteit van nationale instituties als die van het maatschappelijk middenveld zou zijn toegenomen en voldoende zou zijn om mensenrechten in Oeganda te bevorderen en te beschermen.
Het kantoor van OHCHR in Oeganda vervult een belangrijke rol bij de capaciteitsopbouw van verschillende overheidsdiensten, waaronder veiligheidsdiensten. Tevens is OHCHR een belangrijke partner van mensenrechteninstituties in Oeganda, en speelt het een rol op het gebied van onafhankelijke monitoring van de mensenrechtensituatie in het land. De OHCHR is een belangrijke steun voor de Uganda Human Rights Commission (UHRC) middels samenwerking en training. Daarom betreurt het kabinet het voornemen van de regering in Oeganda om het mandaat van de OHCHR niet te verlengen.
Ontvangt de Oegandese regering, via Nederlandse dan wel Europese gelden voor ontwikkelingssamenwerking, steun voor deze «domestic capacity to monitor rights»? Zo ja, op welke manier en wanneer bent u van plan dit onder de aandacht te brengen bij de collega Ministers in Europa?
De UHRC heeft lange tijd steun ontvangen via het Democratic Governance Facility (DGF), waar naast Nederland nog 6 andere landen financieel aan bijdroegen. De DGF is echter eind 2022 afgelopen. Ook heeft Nederland via de samenwerking met de Justice, Law and Order Sector (JLOS) in het verleden bijgedragen aan de capaciteit van de UHRC om mensenrechten te monitoren.
Daarnaast draagt Nederland, net als andere gelijkgestemde donoren, in Oeganda bij aan de capaciteitsopbouw van Oegandese mensenrechtenorganisaties. Nederland brengt de zorgen over de verslechterde mensenrechtensituatie publiekelijk en achter gesloten deuren onder de aandacht, zowel samen met andere gelijkgezinde partners, als in bilaterale gesprekken met de Oegandese autoriteiten. In EU verband benadrukt Nederland het belang van het monitoren van de mensenrechtensituatie. Hoe belangrijk het is om te blijven bijdragen aan de bevordering van de mensenrechten in Oeganda werd nogmaals onderstreept op 21 maart jl. Toen nam het parlement van dat land een nieuwe anti-homowet aan. De wet is nog niet van kracht, omdat de president deze nog niet heeft ondertekend. Naar aanleiding van deze wet heeft u op 24 maart vragen gesteld aan de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. De beantwoording van die vragen komt u zo spoedig mogelijk toe.
Het kabinet vindt het belangrijk om te blijven engageren met Afrikaanse partners zoals Oeganda. Voor veel van de uitdagingen waar Nederland en de EU zich mee geconfronteerd zien is versterkte samenwerking met Afrikaanse partners essentieel, zeker in het licht van de toegenomen geopolitieke activiteit van landen als China en Rusland op het Afrikaanse continent.
Wat gaat er met de gelden voor bekostiging van het VN mensenrechtenkantoor en haar personeel in Oeganda gebeuren, als deze in augustus 2023 zal gaan sluiten?
Op dit moment wordt de helft van de jaarlijkse budget voor het kantoor bekostigd door OHCHR in Geneve, en de andere helft door een aantal Europese landen (Zweden, België en Noorwegen) via directe steun aan het kantoor in Oeganda. Het budget van OHCHR zelf zal terugvloeien en gebruikt worden voor andere kantoren in de regio.
Het personeel van het kantoor bestaat uit 6 internationale medewerkers van OHCHR die een andere functie zullen krijgen. Voor de 38 lokale medewerkers zou de sluiting van het kantoor echter het einde van hun werkzaamheden voor de OHCHR betekenen.
Is het kabinet op de hoogte van het gebruik van ongeautoriseerde gevangenissen, oftewel de zogenoemde «safe houses»?4 Zo ja, op welke manier steunt het kabinet de oproep van de Commissie tegen Marteling van de Verenigde Naties aan de Oegandese regering om te stoppen met het gebruik van deze gevangenissen wegens mogelijke mensenrechtenschendingen?
Ja, het kabinet is op de hoogte van de zogenaamde «safe houses». Het kabinet steunt de oproep van de Commissie tegen Marteling van de Verenigde Naties aan de Oegandese regering om te stoppen met deze gevangenissen. Nederland zal de Oegandese autoriteiten over deze praktijken bilateraal, al dan niet in EU verband, aanspreken. Daarnaast zoekt Nederland naar andere kanalen om de zorgen over te brengen.
Op welke manier denkt u dat het vertrek van het kantoor van de Verenigde Naties verdere ondermijning van mensenrechten en de democratie in Oeganda stimuleert?
Het is lastig om vooruit te lopen op de gevolgen van een eventueel vertrek van de OHCHR. Zeker is wel dat, gezien de mensenrechtensituatie in Oeganda, het VN kantoor als onafhankelijk orgaan gericht op de bevordering van mensenrechten een zeer belangrijke rol zou kunnen spelen als het langer open zou blijven.
Wat zijn de mogelijkheden voor het kabinet om actie te ondernemen in nationaal en internationaal verband met het doel de voortzetting van het VN mensenrechtenkantoor in Oeganda te realiseren?
OHCHR is in gesprek met de Oegandese overheid. Afhankelijk van het verloop en de uitkomsten van deze contacten, zal Nederland samen met andere gelijkgestemde landen actie ondernemen.
Op welke manier denkt u dat de «domestic capacity» die Oeganda heeft opgezet, de Oegandese regering de mogelijkheid geeft minder openheid te bieden over de situatie in gevangenissen, ongeautoriseerde gevangenissen en over mensenrechtenschendingen?
De Uganda Human Rights Commission (UHRC) heeft een sterk mandaat om o.a. (ongeautoriseerde) gevangenissen te inspecteren en heeft in het verleden rond een aantal gevoelige zaken laten zien dat ze zich uitspreken over mensenrechtenschendingen. De capaciteit en het budget van de UHRC zijn erg beperkt, waardoor ze hun mandaat niet altijd volledig kunnen uitvoeren. Mede doordat de UHRC een overheidsorgaan is, wordt de mate van de onafhankelijkheid van deze commissie in twijfel getrokken.
Er zijn ook een aantal goede Oegandese mensenrechtenorganisaties actief in het land, zoals de door Nederland gesteunde Nationale Coalitie voor mensenrechtenverdedigers (NCHRD-U). Deze organisatie heeft de inbreng van een groot aantal NGOs gecoördineerd rond de presentatie van een schaduwrapport voor de afgelopen UPR-review van Oeganda. Er bestaan in algemene zin wel zorgen over de ruimte voor het maatschappelijk middenveld in Oeganda, dus het is van belang dat deze NGOs hun werk ook in de toekomst kunnen blijven uitvoeren. Nederland steunt een aantal van deze organisaties direct en zet zich ook in voor de ruimte voor het maatschappelijk middenveld.
Het bericht dat Japan weigert verantwoordelijk te nemen voor de onmenselijke behandeling van ‘troostmeisjes’ |
|
Pieter Omtzigt |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in Trouw van 18 januari jl. dat Japan weigert verantwoordelijkheid te nemen en schuld te bekennen voor de onmenselijke behandeling van zogenoemde «troostmeisjes» (een bijzonder naargeestig eufemisme voor dwangprostitie) die gedwongen in de prostitutie werkten?1
Ja.
Wat is uw oordeel over het feit dat Japan nog steeds weigert verantwoordelijkheid te nemen en schuld te bekennen voor de behandeling van vrouwen die tussen 1932 en 1945 tewerkgesteld werden in militaire dwangbordelen?
De pijn die de vrouwen hebben geleden zal door geen regeling of uitspraak teniet kunnen worden gedaan. Hun ervaringen zijn afschuwelijk, dat beseft de Nederlandse regering zich terdege.
In formele zin is voor de Nederlandse regering de kwestie van het gedeelde oorlogsverleden afgedaan met het Vredesverdrag van San Francisco in 1951 en het Yoshida-Stikker akkoord uit 1956. Maar de Japanse regering heeft ook wel degelijk het leed erkend dat voortkwam uit de genoemde daden.
Voor de volledigheid geef ik graag het volgende citaat uit de Kono-verklaring van de Japanse regering van 4 augustus 1993:
«De Japanse regering heeft meer dan eens de historische feiten erkend over de betrokkenheid van de toenmalige militaire autoriteiten bij de oprichting en exploitatie van zogenaamde trooststations («Comfort stations») en het overbrengen van een groot aantal zogenaamde troostmeisjes. De Japanse regering heeft duidelijk verklaard dat dit «de eer en de waardigheid van veel vrouwen ernstig heeft geschaad». De regering van Japan heeft «haar oprechte verontschuldigingen en wroeging aangeboden aan allen, ongeacht hun plaats van herkomst, die als troostvrouwen onmetelijke pijn en ongeneeslijke lichamelijke en psychische wonden hebben geleden.»
De toenmalige Japanse premier Ryutaro Hashimoto stuurde aan Premier Kok op 15 juli 1998 een brief met een vergelijkbare verklaring. Daarin schreef hij onder meer:
«In het besef dat de kwestie van de troostvrouwen, waarbij destijds de Japanse militaire autoriteiten betrokken waren, een ernstige aantasting was van de eer en de waardigheid van grote aantallen vrouwen, wil ik Uwe Excellentie mijn meest oprechte verontschuldigingen en wroeging overbrengen voor alle vrouwen die onmetelijke en pijnlijke ervaringen hebben ondergaan en ongeneeslijke lichamelijke en psychische wonden hebben opgelopen als troostvrouwen.»
Bent u bekend met artikel in het NRC van 18 januari jl.2 waaruit blijkt dat de gemeente Amsterdam een monument krijgt voor de slachtoffers in Nederlands-Indië? Omarmt u net als de gemeente Amsterdam dit eerste gedenkteken voor «troostmeisjes» in Nederland?
Ja, ik ben bekend met genoemd artikel. De rijksoverheid gaat niet over het plaatsen van gedenktekens in gemeenten. Dat is aan de gemeenten zelf.
Heeft u eerder kennis kunnen nemen van de publicatie op het platform Follow the Money 13 augustus 2022 over de ontmanteling van de Japanse oorlogsbanken na de capitulatie van Japan?3
Ja.
Herkent u de schatting in het genoemde artikel in Follow the Money en het recente artikel van 19 januari jl. in Trouw dat ongeveer een half miljoen vrouwen (tussen 1932 en 1945) hier slachtoffer van zijn geworden.4? Zo nee, wat acht u een aannemelijke schatting?
Nogmaals, de mensonterende ervaringen die deze vrouwen hebben moeten ondergaan zijn pijnlijk en hun getuigenissen aangrijpend. Het is een bekend gegeven dat er tijdens de periode van de Japanse expansie in Azië structureel en op grote schaal vrouwen en meisjes te werk zijn gesteld in militaire bordelen, en dat hierbij verschillende vormen van dwang zijn gebruikt. Er bestaat onder wetenschappers en instellingen echter geen overeenstemming over het aantal vrouwen dat van deze praktijk slachtoffer is geworden.
Is het redelijk om aan te nemen dat dit onrecht naast Nederlandse vrouwen ook Indo-Europese en veel inheemse vrouwen betrof, zoals in dit artikel wordt aangegeven?
In 1993 heeft de regering opdracht gegeven tot een onderzoek naar gedwongen prostitutie in Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting (zie Kamerstuk 23 607, nr. 1). Uit deze studie, die sindsdien is aangevuld door andere wetenschappelijke onderzoeken, bleek dat op alle grote eilanden van de Indonesische archipel sprake is geweest van dwangprostitutie in Japanse militaire bordelen. Hiervan werden zowel Europese als Indo-Europese en Indonesische vrouwen het slachtoffer. Ook is bekend dat vrouwen uit andere delen van het Japanse imperium te werk zijn gesteld in militaire bordelen in Nederlands-Indië. Er is evenwel op basis van de beschikbare informatie geen eenduidige inschatting te maken van het totale aantal vrouwen dat tijdens de Japanse bezetting gedwongen te werk is gesteld in militaire bordelen of op andere wijze slachtoffer is geworden van seksueel geweld.
Klopt het dat er ten minste 70 duizend jonge vrouwen (Hollands, Indo-Europees, Indonesisch, Moluks, Chinees, Papoea, zoals beschreven in het genoemde artikel in Follow The Money) zijn misbruikt in dwangbordelen, verspreid over heel Nederlands-Indië (tijdens de bezettingsperiode vanaf maart 1942 tot augustus 1945)?5
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat geld, wat werd verdiend in de bezettingsperiode door deze 70 duizend vrouwen, werd gedeponeerd bij filialen van de Yokohama Specie Bank en de Bank of Taiwan?
Er is bewijsmateriaal waaruit blijkt dat deze banken zijn gebruikt om geld te deponeren voor vrouwen die in militaire bordelen te werk werden gesteld. In hoeverre dit een algemeen gebruik was valt niet te achterhalen.
Klopt het dat een deel van die liquidatieopbrengsten van de ontmanteling van de Japanse oorlogsbanken geld betrof dat door «troostmeisjes» in Japanse dwangbordelen is verdiend en bij filialen van de oorlogsbanken, zijnde de Bank of Taiwan en de Yokohama Specie Bank, in bezit van het Nederlandse koloniale gezag is gekomen?
Op basis van de beschikbare informatie is dit gegeven niet vast te stellen.
Klopt het dat de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) de begunstigde partij werd bij de liquidatie van de Japanse banken, nadat alle filialen van de Japanse banken tot 1948 rechtstreeks onder toezicht van de NHM werden geplaatst?
Ten behoeve van de beantwoording van deze vragen zijn de archieven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Financiën geraadpleegd. In beide archieven zijn geen relevante stukken aangetroffen die kunnen helpen bij het beantwoorden van deze vraag.
Is er reden om aan te nemen dat de Nederlandse Staat als opdrachtgever en begunstigde van de NHM een deel van het dwangbordeelgeld heeft opgestreken?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u bevestigen dat de NHM is opgegaan in ABN Amro die na de kredietcrisis in 2008 in handen van de Staat kwam?
De NHM is in 1964 gefuseerd met de Twentsche Bank en verdergegaan onder de naam Algemene Bank Nederland (ABN). ABN is in 1991 gefuseerd met de toenmalige AMRO Bank en verdergegaan onder de naam ABN AMRO. Het toenmalige ABN AMRO is in 2007 in handen gekomen van het consortium van Royal Bank of Scotland, Banco Santander en Fortis. De activiteiten van Fortis in Nederland zijn in 2008 inderdaad in handen van de staat gekomen. Vanaf medio 2010 zijn deze activiteiten verdergegaan onder de naam ABN AMRO.
Wat is uw reactie op de conclusie in het artikel uit Follow the Money dat de Nederlandse Staat en het Koninklijk Huis – leden van het koninklijk huis waren aandeelhouder van NHM in 1948 en kregen dividend uitgekeerd – hierdoor dus zelf bij de ontmanteling van Japanse oorlogsbanken, dus ook van geld wat is verdiend door troostmeisjes, hebben geprofiteerd?
Zoals aangegeven bij de beantwoording op vraag 10 en 11 is het voor de Nederlandse staat uit de archieven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Financiën niet navolgbaar of dit wel of niet het geval is geweest.
Kunt u met zekerheid ontkennen dat een deel van het geconfisqueerde geld van de Japanse oorlogsbanken (conform onderzoek doorFollow the Money) door de 70 duizend slachtoffers van Japanse dwangprostitutie in Nederlands-Indië verdiend is?
Zie antwoord vraag 13.
Uit de publicatie van Follow the Money komt naar voren dat uit een rapport van de Nederlandse inlichtingendienst NEFIS over het geld dat werd verdiend in dwangbordelen nooit in zijn geheel in een van de Nederlandse archieven ondergebracht is. Wat is hier de reden voor?
Het artikel van Follow the Money verwijst naar een rapport van KNIL-officier J.H. Heijbroek, opgesteld in juli 1946, naar gedwongen prostitutie tijdens de Japanse bezetting van West-Borneo. Dit rapport is destijds opgesteld ter ondersteuning van de bewijsvoering voor het Internationaal Militair Tribunaal voor het Verre Oosten.
Er bestaan twee versies van dit rapport: een origineel, en een daarvan afgeleide samenvatting die onderdeel vormde van de Nederlandse bewijsvoering. Aangezien deze samenvatting een bredere verspreiding kreeg, is deze ook in meerdere archieven aangetroffen.
Hebben NEFIS-medewerkers die na de Japanse capitulatie de inventarisatie van bankbalansen uitvoerden de hand weten te leggen op aantal documenten, waaronder bankoverzichten van filialen op Java?
Uit documenten in het Nationaal Archief blijkt dat het de NEFIS omstreeks januari 1946 onderzoek heeft gedaan naar een aantal kantoren van de Yokohama Specie Bank op Java. Daarbij zijn voor een aantal van deze filialen balansen opgesteld. Het betreft hier reconstructies van de balansen zoals deze te boek stonden na de Japanse capitulatie, eind september en begin oktober 1945. Of er bij deze operatie ook de hand is gelegd op originele documenten van de bankfilialen zelf, is op basis van de aangetroffen documenten niet vast te stellen.
Kunt u bewerkstelligen dat het hele rapport van NEFIS integraal openbaar gemaakt wordt en gepubliceerd wordt zodat het voor eenieder gemakkelijk toegankelijk wordt?
Openbaarmaking van archieven gebeurt overeenkomstig de Archiefwet (1995) Wanneer een archief wordt overgebracht naar het Nationaal Archief (NA), worden er vooraf afspraken gemaakt tussen de zorgdrager en het NA over eventuele beperkingen op de openbaarheid. Conform de Archiefwet, art 15. kunnen deze beperkingen worden opgelegd met het oog op:
Het Nationaal Archief heeft een adviserende rol bij het opleggen van de beperking, waardoor er een afgewogen oordeel wordt gevormd. Afgaande op de looptijd van het archief van NEFIS, dat per 1-1-2026 openbaar wordt, is er een beperking van 75 jaar opgelegd – de beperking wegens eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Een eventuele eerdere openbaarmaking van archiefbescheiden is mogelijk indien de voormalig zorgdrager van het archief en het Nationaal Archief besluiten dat handhaving van de beperking niet langer nodig is.
In de publicatie van Follow the Money op 13 augustus jl. en in het artikel van Trouw op 19 januari jl. wordt aangegeven dat de Rijksvoorlichtingsdienst namens het Ministerie van Algemene Zaken, het Ministerie van Economische Zaken en Ministerie van Financiën destijds lieten weten niet bekend te zijn met de informatie over wat er met het dwangbordeelgeld gebeurd is en hoe de Staat en het koningshuis mogelijk profiteerden van de winsten die zijn gemaakt in de Japanse dwangbordelen. Is hier ondertussen wel meer over bekend?
Vraag 18 bevat geen vraag.
Bent u bekende met de schatting in de publicatie in Follow the Money en het artikel in Trouw dat er ruim 155 miljoen euro is verdiend aan de troostmeisjes.6?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van de vragen 10, 11, 13 en 14 is het voor de Nederlandse staat uit de archieven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Financiën niet navolgbaar of dit wel of niet het geval is geweest.
Deelt u de mening dat dit voldoende reden is voor de Nederlandse Staat en het koningshuis om serieus werk te maken van onderzoek naar hoe geldstromen lopen van het geld dat is verdiend door «troostmeisjes» en waar dit terecht is gekomen na de ontmanteling van Japanse oorlogsbanken?
Op dit moment ziet de Nederlandse Staat geen aanleiding om, naast het verrichte archiefonderzoek, nader onderzoek te doen naar de geldstromen. Op grond van het verrichte archiefwerk verwacht de Nederlandse staat geen informatie beschikbaar te hebben die aanvullend is ten opzichte van eerder verricht onderzoek.
Wanneer eventueel blijkt dat de Nederlandse Staat en de koninklijke familie hebben geprofiteerd van geld dat is verdiend door troostmeisjes, deelt u dan de mening dat dit geld gerestitueerd dient te worden aan de laatste nog levende slachtoffers en hun families?
Zie antwoord vraag 20.
Wat is de reden dat is bepaald dat al het bewijsmateriaal betreffende het systeem van Japanse dwangprostitutie in de Nederlandse archieven (NIOD en het Nationaal Archief) tot het jaar 2026 vergrendeld is?7
Het is niet het geval dat archiefmateriaal dat betrekking heeft op gedwongen prostitutie tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië beleidshalve in openbaarheid wordt beperkt. Wel is het mogelijk dat er beperkingen zijn gesteld aan de openbaarmaking van individuele archieven of archiefstukken, op grond van de redenen gespecificeerd artikel 15, lid 1, van de Archiefwet 1995. Voor een van de archiefstukken waar in het Follow the Money-artikel naar wordt verwezen (2.10.14/5309) geldt dat de openbaarheid tot 1 januari 2025 is beperkt met oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ik verwijs u naar de mededeling in de Staatscourant 2016, no. 16558.
Wilt u bevorderen dat het bewijsmateriaal betreffende het systeem van Japanse dwangprostitutie binnen drie maanden volledig toegankelijk wordt?
Zie antwoord op vraag 17.
Wilt u deze vragen afzonderlijk binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord. Ik verwijs u ook naar de uitstelbrief van 3 maart jl.
De toekomst van vuurtoren Lange Jaap |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Zou u middels een tijdlijn inzicht willen verschaffen in de status van de verschillende onderzoeken met betrekking tot vuurtoren Lange Jaap?
In december 2021 is de Kamer geïnformeerd over de tijdlijn van de verschillende onderzoeken (Kamerstuk 35 925 XII, nr. 7). Deze tijdlijn bevatte een aantal hiaten. Onder andere om deze hiaten op te helderen is een extern onderzoek door Baker Tilly uitgevoerd. In de laatste Kamerbrief van 15 september 2022 zijn de uitkomsten van de procesevaluatie van Baker Tilly1 Kamerstuk 35 925 XII, nr. 111) voor de vuurtoren Lange Jaap met uw Kamer gedeeld. Nadien zijn nog de volgende onderzoeken/inspecties uitgevoerd:
Funderingsonderzoek, afgerond december 2022;
Onderzoeken mogelijkheden Veiligstellen van de looproute naar boven, afgerond augustus 2022;
Periodiek (eens per kwartaal) visuele inspectie op degradatie scheuren. Laatste inspectie is in februari 2023 uitgevoerd. Rapport wordt eind Q1 2023 aangeleverd.
Zou u de uitkomsten van deze onderzoeken aan de Kamer willen doen toekomen?
Ja, bovenstaande drie rapporten zullen separaat aan de Kamer worden toegezonden zodra deze definitief zijn. De verwachting is dat dit aan het eind van het eerste kwartaal van 2023 zal worden nagestuurd. Ook zullen deze rapporten openbaar worden gemaakt en gepubliceerd worden op de website2.
Het uitgevoerde funderingsonderzoek betreft een steekproef van 3 houten funderingspalen. Er zitten circa 250 funderingspalen onder de vuurtoren.
Belangrijkste conclusie van het onderzoek «Funderingsonderzoek» is dat van deze 3 funderingspalen de draagkracht aan de bovenzijde is afgenomen. Nog onbekend is wat voor gevolgen dit heeft voor de toekomst voor de vuurtoren Lange Jaap. Er is geen directe aanleiding dat er gevaar is voor de omgeving. Het afgeronde onderzoek concludeert dat er verder onderzoek nodig is om tot een uiteindelijke conclusie te komen over de status van de fundering. Voor dit vervolgonderzoek is 16 januari door Rijkswaterstaat reeds een opdracht verstrekt aan een marktpartij.
Vanuit het onderzoek «Veiligstellen van de looproute naar boven» is gebleken dat het mogelijk is om de looproute veilig te maken zodat deze betreden kan worden. Het betreft een tijdelijke maatregel waarbij er ook beperkingen zullen zijn, zoals een maximale vloerbelasting. Er is inmiddels opdracht gegeven aan een marktpartij om ervoor te zorgen dat de Lange Jaap (onder voorwaarden) veilig te betreden is naar de bovenste verdiepingen.
Het onderzoek «Visuele inspectie op degradatie scheuren» is nog gaande.
Wanneer komt er duidelijkheid over hoe de motie van Tjeerd de Groot en Van der Molen, over helderheid verschaffen over het lot van de vuurtoren Kijkduin, zal worden uitgevoerd?1
De verwachting is dat eind 2023 de mogelijke scenario’s en de consequentie van elk scenario afgerond is. Op basis daarvan kan vervolgens het besluit over de toekomst van de vuurtoren genomen worden en kan ik uw Kamer de gevraagde helderheid verschaffen. Dit gebeurt in goede afstemming met alle van belang zijnde partijen, waaronder de gemeente Den Helder en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Deelt u de opvatting dat uiterlijk aan het einde van dit kalenderjaar de verschillende mogelijke oplossingsrichtingen duidelijk moeten zijn zodat besluitvorming over de toekomst van de vuurtoren nog dit kalenderjaar kan plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel in zoverre deze opvatting dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid dient te komen over de mogelijke oplossingsrichtingen. Hierbij hecht ik waarde dat de zorgvuldigheid niet in het geding komt door de gewenste snelheid. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 3 over mijn verwachting ten aanzien van de helderheid over de toekomst van de vuurtoren Lange Jaap.
Het bericht 'Gedeputeerde over natuurregels op vaarroute naar Ameland: “Dweilen met de kraan open' |
|
Stieneke van der Graaf (CU) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Gedeputeerde over natuurregels op vaarroute naar Ameland: «Dweilen met de kraan open»»?1 Wat zegt het u dat rederij Wagenborg inmiddels is overgegaan tot eenrichtingsverkeer?
De vaargeulproblematiek van Ameland heeft de volle aandacht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Onlangs is het ministerie door Wagenborg Passagiersdiensten geïnformeerd dat Wagenborg bij waterstanden lager dan NAP – 1.40 m niet meer vaart tussen Holwerd en Ameland. De rederij heeft aangegeven dat zij zich genoodzaakt voelt om deze maatregel te nemen om de veiligheid te garanderen. Dat heeft te maken met de beperkingen van de vaargeul. De veiligheid van de passagiers en het personeel dient te allen tijde gegarandeerd te zijn. Ik heb dan ook begrip voor de beslissing van de rederij om niet te varen wanneer deze veiligheid naar haar oordeel in het geding is. Ik vind dit voor de bewoners en bezoekers van Ameland zeer vervelend, omdat zij afhankelijk zijn van de veerverbinding.
Rijkswaterstaat zoekt doorlopend naar optimalisaties van het vaargeulonderhoud.
Het is mij bekend dat het elkaar passeren niet op alle locaties in de vaargeul mogelijk is. Rijkswaterstaat informeert de reder zo goed mogelijk over de staat van de vaargeul door middel van peilkaarten zodat de reder een actueel beeld heeft. Ook zorgt Rijkswaterstaat, in overleg met de reder, ervoor dat de vaarwegmarkering op orde is.
Wat is de stand van zaken van het vervolgonderzoek Bereikbaarheid Ameland 2030? Is de stap naar kansrijke alternatieven inmiddels gezet en welke alternatieven zijn er nog over?2 Hoe weegt u hierin de bescherming van de natuurwaarden van de Waddenzee mee?
Het doel van het Vervolgonderzoek bereikbaarheid Ameland 2030 is een betrouwbare en duurzame verbinding naar Ameland voor de periode na 2030. In het Vervolgonderzoek worden twee uit eerder onderzoek3 overgebleven oplossingsrichtingen onderzocht en uitgewerkt:
Binnen deze twee oplossingsrichtingen zijn alternatieven ontwikkeld. De alternatieven bestaan uit verschillende elementen, bijvoorbeeld het aanpassen van de afmetingen van de vaargeul, het varen van een andere dienstregeling en verschillende scheepsconcepten. Komend voorjaar worden de effecten van deze alternatieven in beeld gebracht. Denk hierbij aan de effecten op de morfologische ontwikkeling van de Waddenzee, de ecologie en het verkeer. Daarna volgt op basis van deze effecten een beoordeling van de alternatieven, waaronder een beoordeling op het thema natuur. Aan de hand van deze beoordeling ontvang ik richting het einde van 2023 een advies.
Wanneer verwacht u een nieuwe, toekomstbestendige verbinding naar Ameland gerealiseerd te hebben? Kunt u het proces daartoe schetsen? Hoe kunt u dit proces versnellen?
Het streven is, conform de oorspronkelijke planning4, het Vervolgonderzoek bereikbaarheid Ameland 2030 dit jaar af te ronden. Op basis van de informatie uit het onderzoek kan ik naar verwachting eind 2023 een besluit nemen over een vervolg. Voor het vervolg zijn er verschillende mogelijkheden, als Aanleg, Vervanging en Renovatie of Beheer & Onderhoudsproject. Hoelang een dergelijk traject duurt is afhankelijk van de gekozen richting.
De transitie naar het duurzaam bereikbaar houden van de Waddeneilanden is een belangrijk onderdeel van de Agenda voor het Waddengebied 2050 en het Uitvoeringsprogramma Waddengebied. In het Bestuurlijk Overleg Wadden worden met de regio de activiteiten uit het Uitvoeringsprogramma besproken en bezie ik de samenhang met raakvlakdossiers.
Hoe spant u zich in om de bereikbaarheid van Ameland te garanderen, in afwachting van een definitieve oplossing voor de lange termijn?
Vanaf week 9 zet Rijkswaterstaat een extra baggerschip in op de vaargeul Holwerd-Ameland. Dit vergroot de baggercapaciteit. Het effect van deze extra inspanning wordt gemonitord. De verwachting is dat het eventuele resultaat na circa 2 maanden zichtbaar is. Daarna wordt een beslissing genomen over het vervolg. Sinds week 8 wordt de vaarwegmarkering (boeien) wekelijks (in plaats van elke 2 à 3 weken) verlegd, kort nadat de diepte en breedte van de vaargeul zijn gepeild. Op deze manier kan de vaargeul zo optimaal mogelijk worden benut.
Daarnaast gaan RWS en IenW, in samenwerking met LNV, na in hoeverre het binnen de huidige regelgeving mogelijk is om breder of dieper te baggeren dan de huidige dimensies van de vaargeul.
Een recent onderzoek naar het effect van mondkapjes op de verspreiding van SARS-CoV-2 |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «3.000 miljard wegwerpmondkapjes later: ze werken niet, is de wetenschappelijke conclusie» en het artikel «Physical interventions to interrupt or reduce the spread of respiratory viruses»1, 2
Ja.
Onderschrijft u de conclusie van het bovengenoemde artikel van Cochrane Library, op basis van verschillende studies over verschillende jaren en verschillende virus(uitbraken), dat het dragen van mondneusmaskers voor het tegengaan van de verspreiding van luchtwegvirussen nihil, of zelfs niet-bestaand is? Zo nee, waarom niet? Kunt u de analyse van de onderzoekers gefundeerd weerleggen?
Het kabinet en uw Kamer hebben over de inzet van mondkapjes in het najaar van 2020 verschillende debatten met elkaar gevoerd. De afweging is gemaakt de bijdrage van het dragen van mondkapjes niet onbenut te laten. In combinatie met een aantal andere maatregelen kunnen mondkapjes een functie hebben in het tegengaan van verspreiding van het coronavirus. De maatregel van de mondkapjesplicht – zoals het OMT tijdens de pandemie verschillende malen geadviseerd heeft – was in lijn met algemeen aanvaarde standaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) en een groot aantal andere landen in de wereld. Daarbij is het van belang dat mensen hun mondkapje op de juiste wijze dragen. Communicatie is erop gericht geweest mensen te informeren over hoe een mondkapje op de juiste wijze gedragen zou moeten worden en mensen bewust te maken van het belang van het goed dragen van mondkapjes.
Als uit verschillende onderzoeken uit het verleden al duidelijk gebleken is dat het effect van mondneusmaskers op de verspreiding van luchtwegvirussen te verwaarlozen is, deze informatie openbaar beschikbaar was en het Outbreak Management Team (OMT) bovendien lange tijd van mening was dat mondneusmaskers zinloos waren bij het bestrijden van de coronacrisis en daarnaast schijnveiligheid boden, waarom is er dan toch voor gekozen een mondkapjesplicht in te voeren?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft het OMT tijdens de overleggen over een eventuele invoering van een mondkapjesplicht de onderzoeken die in het artikel van Cochrane Library worden aangehaald ter beschikking gehad en zo ja, wat is hiermee gedaan? Heeft uw departement en/of het kabinet destijds kennisgenomen van dergelijke studies die het effect van mondneusmaskers tegenspraken?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat het invoeren van de mondkapjesplicht dus inderdaad vooral een gedragsbeïnvloedende maatregel was, in plaats van een epidemiologische? Bent u zich ervan bewust dat studies hebben uitgewezen dat het dragen van een mondneusmasker er niet toe heeft geleid dat mensen meer afstand van elkaar gingen houden?
De mondkapjesplicht was een mitigerende maatregel om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, juist op plekken waar men veelal geen anderhalve meter afstand kon houden. Bijvoorbeeld in het openbaar vervoer en bij bezoek aan mensen met een contactberoep, zoals een kapper of fysiotherapeut.
Hoe reflecteert u in retrospectief op de keuze om een epidemiologisch zinloze maatregel in te zetten voor gedragsbeïnvloeding, die vervolgens niet het gewenste effect had, maar daarnaast aan vele mensen fysieke en/of emotionele schade heeft toegebracht? Staat u nog steeds achter de keuze van het kabinet om een mondkapjesplicht in te voeren?
Ik sta nog steeds achter deze keuze. Zie ook mijn antwoord op vragen 2, 3 en 4.
Kunt u uitleggen waarom het dragen van mondneusmaskers is opgenomen in de zogenaamde «pandemiewet», de wijziging van de Wet publieke gezondheid (Wpg), die op dit moment bij de Eerste Kamer ligt? Waarom neemt u daarin opnieuw deze maatregel op, als u weet dat deze epidemiologisch ineffectief is en door vele mensen als restrictief en fysiek en emotioneel belastend wordt ervaren?
In voorbereiding op het wetsvoorstel Eerste tranche wijziging Wet publieke gezondheid zijn expertsessies georganiseerd met deskundigen met een epidemiologische of virologische achtergrond en juristen. Tijdens deze sessies hebben genoemde deskundigen aangegeven welke maatregelen zij effectief achten om de epidemie van covid-19 op langere termijn te kunnen bestrijden en welke maatregelen effectief kunnen zijn ter bestrijding van andere A1-infectieziekten. Hieruit kwam naar voren dat de instrumenten uit de destijds voorgenomen zesde verlenging van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 (Twm), een gedegen grondslag zijn voor de bestrijding van een toekomstige epidemie van een A1-infectieziekte. De grondslag voor het verplichten tot het dragen van beschermingsmiddelen was hier onderdeel van. Zoals ik hierboven reeds heb toegelicht, kunnen mondkapjes in combinatie met andere maatregelen een functie hebben in de bestrijding van respiratoire virussen.
Hoe reflecteert u op de problemen die het dragen van mondneusmaskers veroorzaken voor de communicatieve en emotionele ontwikkeling van kinderen en mensen die bijvoorbeeld afhankelijk zijn van liplezen en/of personen met een ontwikkelingsstoornis en de schade die zij hiervan hebben opgelopen tijdens de coronacrisis? Vindt u het verantwoord om deze groepen mensen bij een nieuwe virusuitbraak opnieuw de nadelige gevolgen van een mondkapjesplicht te laten ondervinden? Heeft u hierop een impactanalyse gemaakt en weet u wat de gevolgen voor de volksgezondheid en de (druk op de) zorg zullen zijn?
Mensen die vanwege een beperking of aandoening geen mondkapje kunnen dragen, waren uitgezonderd van de plicht. Zij werden hiermee ontzien van fysieke en psychische last. Indien een vergelijkbare maatregel in de toekomst genomen zou worden op basis van de Eerste tranche wijziging Wet publieke gezondheid, kan een dergelijke uitzondering opnieuw worden gemaakt. Verder is het Maatschappelijke Impact Team (MIT) ingesteld om te adviseren over de sociaal-maatschappelijke impact van voorgenomen maatregelen, voordat deze worden ingevoerd.
Aangezien mondneusmaskers epidemiologisch ineffectief zijn gebleken bij verschillende respiratoire virussen door de jaren heen, kunt u dan verklaren waarom u van mening bent dat zij bij een (volgende) SARS-CoV-2 of andersoortige (luchtwegvirus)uitbraken wel een significant effect zullen hebben?
In combinatie met andere maatregelen kunnen mondkapjes een functie hebben in het tegengaan van verspreiding van respiratoire virussen. Hierbij kijk ik ook naar de internationale standaarden. Zie ook het antwoord op vragen 2, 3 en 4.
Wat vindt u ervan dat het artikel in Cochrane Library aangeeft dat aan de schadelijke gevolgen van mondneusmaskers weinig ruchtbaarheid wordt gegeven en dat nadelige effecten bovendien slecht worden gemeten en gerapporteerd? Deelt u de mening dat hieruit moet worden geconcludeerd dat de schade die de mondkapjesplicht tijdens de coronacrisis heeft veroorzaakt wellicht veel groter is dan wij tot nu toe weten?
We weten dat het draagvlak voor de mondkapjesplicht hoog was en dat vertaalde zich ook in een goede naleving. Dit blijkt uit gedragsonderzoek van het RIVM dat zij periodiek hebben uitgevoerd onder de bevolking (www.rivm.nl/gedragsonderzoek). Zoals aangegeven in het antwoord op uw achtste vraag, waren mensen die vanwege een beperking of aandoening geen mondkapje kunnen dragen, uitgezonderd van de plicht. Zij werden hiermee ontzien van fysieke en psychische last.
Bent u voornemens te gaan onderzoeken hoe groot de schade is van de invoering van de mondkapjesplicht tijdens de coronacrisis in Nederland?
Ik zie geen meerwaarde in een dergelijk onderzoek. De coronamaatregelen in algemene zin hebben een grote maatschappelijke en sociale impact gehad. De mondkapjesplicht heeft ook impact gehad op ons leven. Tegelijkertijd weten we uit gedragsonderzoek van het RIVM dat het draagvlak voor de maatregel hoog was en dat vertaalde zich ook in een goede naleving.
Bent u bereid om het verplichten van het dragen van mondneusmaskers te schrappen uit de wijziging van de Wpg? Zo nee, waarom niet?
Nee. In combinatie met een aantal andere maatregelen kunnen mondkapjes een functie hebben in het tegengaan van verspreiding van respiratoire virussen.
Het nieuws dat er een vijfdaagse staking plaatsvindt in het openbaar vervoer |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe kijkt u naar het nieuws dat werknemers in het streekvervoer en het multimodaal vervoer opnieuw massaal het werk hebben neergelegd voor betere arbeidsvoorwaarden, meer waardering en een lagere werkdruk?1, 2
Ik vind het vervelend dat een arbeidsconflict tussen de werkgever en (de vertegenwoordiging van) werknemers uitmondt in staking. Zeker voor de reizigers die zijn aangewezen op het ov en hier vervolgens hinder van ondervinden. Ik hecht er daarnaast waarde aan om te benadrukken dat werknemers het (wettelijke) recht hebben om deel te nemen aan een staking. Uiteraard hoop ik dat er snel goede afspraken worden gemaakt en dat daarmee toekomstige stakingen van de baan zijn.
Deelt u de mening dat OV-medewerkers van cruciaal belang zijn om een Nederland op een duurzame en veilige manier bereikbaar te houden?
Ik deel uw mening dat de inzet die het OV-personeel pleegt van cruciaal belang is voor goed openbaar vervoer en daarmee om Nederland op een duurzame en veilige manier bereikbaar te houden.
Kunt u zich vinden in de stelling dat minimaal koopkrachtbehoud nodig is om voldoende instroom van nieuwe werknemers te garanderen en om de grote personeelstekorten in de OV-sector terug te dringen?
Binnen dit arbeidsconflict tussen werkgevers en (de vertegenwoordiging van) werknemers past mij terughoudendheid. Het is daarom niet mijn rol om te benoemen wat nodig is om voldoende instroom van werknemers te garanderen. Deze taak is belegd bij de werkgevers, waarbij de concessieverlener uiteindelijk toeziet op de kwaliteit van het OV-aanbod. Voor het streekvervoer zijn dat de decentrale overheden.
Wat onderneemt u als bewindspersoon om het beroep van buschauffeur, conducteur of machinist aantrekkelijker te maken en de werkdruk te verlagen?
Het organiseren van goede arbeidsvoorwaarden is de primaire verantwoordelijkheid van de vervoerders. Ik heb geen rol bij het personeelsbeleid van vervoerders rond de aantrekkelijkheid van de beroepen buschauffeur, conducteur of machinist of in het kader van de werkdruk. Wel vind ik het belangrijk dat er binnen de sector aandacht is voor dit onderwerp. Op 16 februari besprak ik in een bestuurlijke conferentie een aantal actuele ontwikkelingen en uitdagingen in de OV-sector. Het tekort aan personeel binnen de OV-sector is één van de aandachtspunten. Verder voeren het Ministerie van Financiën als aandeelhouder en ik als concessieverlener van het hoofdrailnet gesprekken met de NS over de aanhoudende personeelstekorten en informeer uw Kamer regelmatig over de door NS genomen maatregelen.
Klopt de bewering van de Vereniging Werkgevers Openbaar Vervoer dat er bij de werkgevers in het streekvervoer geen geld is voor een loonsverhoging?3
Ik heb geen zicht op de inkomsten en uitgaven bij vervoersbedrijven; dit is onderdeel van hun bedrijfsvoering waarover zij verantwoording afleggen aan hun aandeelhouders.
Heeft u zicht op de financiële situatie van de werkgevers in het streekvervoer? Zo nee, bent u bereid om gegevens hierover op te vragen?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag vijf heb ik geen zicht op de financiële situatie van de werkgevers in het streekvervoer. Binnen dit arbeidsconflict tussen werkgevers en (de vertegenwoordiging van) werknemers past mij terughoudendheid. Het organiseren van goede arbeidsvoorwaarden binnen de beschikbare financiële ruimte is de primaire verantwoordelijkheid van de vervoerders en hun aandeelhouders. Het past ook niet bij mijn rol om informatie over de bedrijfsvoering op te vragen bij de vervoerders.
Zou u bereid zijn om commerciële vervoerders in de OV-sector te verbieden winsten te laten uitkeren aan aandeelhouders? Zo nee, waarom niet?
Nee, daartoe ben ik niet bereid en ook niet bevoegd. Het verbieden van een redelijk rendement zou in strijd zijn met de regionale afspraken in concessies. Binnen ov-concessies worden, binnen de kaders van de Wet Personenvervoer 2000, afspraken gemaakt tussen de concessie verlenende overheid en de vervoerder over de kans op een redelijk rendement. Hierbij wordt nauwkeurig gekeken wat de risicoverdeling is en welk rendement daarbij passend wordt geacht. Deze vorm van gedeeltelijke marktwerking in ons ov-systeem wordt als succesvol en gunstig voor de reiziger ervaren. Zo blijkt ook uit onderzoek dat ik uw Kamer heb doen toekomen4. Door middel van concurrentie worden vervoerders geprikkeld tot klantgerichtheid en een op vraag afgestemd aanbod.
Kunt u binnen of buiten uw begroting extra financiële middelen beschikbaar stellen om de voortdurende problemen in de OV-sector aan te pakken?
Ik heb voor dit jaar extra steun geboden aan de ov-sector door middel van het transitievangnet. Deze steun loopt op tot maximaal € 150 miljoen.
Voelt u sympathie voor de suggestie van FNV-bestuurder Van der Gaag die voorstelt om een bemiddelaar aan te wijzen om de onderhandelingen vlot te trekken? Zo ja, bent u bereid om hier als bewindspersoon het voortouw in te nemen?4
Binnen dit arbeidsconflict tussen werkgevers en (de vertegenwoordiging van) werknemers past mij terughoudendheid. De rol van bemiddelaar past binnen de arbeidsverhoudingen in Nederland niet bij een bewindspersoon.
Enkele berichten over de stand van zaken van energieprijzen en de energiemarkt. |
|
Suzanne Kröger (GL), Joris Thijssen (PvdA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
bent u bekend met het bericht: «Energietarief Vattenfall duikt onder prijsplafond: «Mensen hielden hoge prijzen niet lang meer vol»»?1
Ja.
Verwacht u, in lijn met de verwachting van Vattenfall, dat andere energieleveranciers de prijsdaling van energietarieven zullen volgen?
In het algemeen geldt dat als de inkoopkosten van energie dalen, de consumententarieven zullen volgen. Omdat er nog steeds huishoudens zijn die boven het volume van het prijsplafond uitkomen, is het bovendien aantrekkelijk voor leveranciers om met een interessant aanbod te komen voor overstappers.
Welke instrumenten heeft het kabinet om een dergelijke prijsdaling verder te stimuleren bij energieleveranciers?
Het belangrijkste instrument ligt in handen van de consument: zij kunnen van leverancier veranderen als een andere leverancier gunstigere voorwaarden heeft voor hen. Ik moedig consumenten dan ook aan om van deze keuzevrijheid gebruik te maken als dit voor hen beter uitpakt. De Monitor Consumentenmarkt Energie van de ACM vergroot de transparantie op de energiemarkt, waardoor bewust overstappen eenvoudiger wordt. Tot slot moeten de consumententarieven van energieleveranciers altijd verband houden met de inkoopkosten van de leveranciers. Als zou blijken dat bepaalde tarieven onredelijk zijn, is het aan de ACM om maatregelen te nemen.
Bent u van mening dat consumenten momenteel genoeg voordeel hebben van de dalende energieprijzen?
Met u ben ik van mening dat het wenselijk is dat consumenten snel profiteren van de dalende groothandelsprijzen. Over het algemeen zien we dat als de inkoopkosten van energie dalen, de consumententarieven zullen volgen. De komende maanden zal blijken of de ingezette dalende trend doorzet. Het staat consumenten die vinden dat ze te veel betalen voor hun energie natuurlijk altijd vrij om over te stappen en we zien in de marktmonitor van de ACM ook dat de eerste aanbieders hun prijzen al verlaagd hebben en er ook weer vaste contracten voor enkele maanden worden aangeboden.
Hoe reageert u op het onderzoek dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) in gang heeft gezet bij verschillende energieleveranciers?2
De ACM is een onafhankelijk toezichthouder. Het is aan de ACM om te beoordelen of er reden is voor een onderzoek.
Als uit dit onderzoek blijkt dat de tarieven van deze leveranciers onredelijk zijn, welke bevoegdheden heeft de ACM om dit verschil te corrigeren? Worden deze maatregelen met terugwerkende kracht toegepast?
De ACM ziet toe op de redelijkheid van tarieven en kan in haar discretionaire bevoegdheid besluiten om hierop te handhaven. Indien de ACM van oordeel is dat de tarieven die houders van een vergunning berekenen onredelijk zijn, omdat daarin de effecten van een doelmatige bedrijfsvoering, die mede inhoudt de inkoop van elektriciteit of gas en van energiebronnen bestemd voor opwekking daarvan, in onvoldoende mate leiden tot kostenverlaging, kan zij een tarief vaststellen dat leveranciers ten hoogste mogen berekenen. Na de vaststelling van het maximumtarief worden de tarieven voor de levering van elektriciteit of gas die hoger zijn dan dat maximumtarief, van rechtswege gesteld op dat maximumtarief.
De Energiemonitor 2022 van de ACM wijst erop dat 50% van de huishoudens een variabel energiecontract heeft. Kunt u delen hoe verschillende inkomens- en vermogensgroepen vertegenwoordigd zijn in deze groep? Zo niet, kunt u dan een realistische schatting maken van deze verdeling?3
Nee, want er bestaat geen directe koppeling tussen inkomensdata, die bij publieke uitvoerders zoals de Belastingdienst beschikbaar is, en data over energiecontracten vanuit leveranciers.
Herkent u de zorgen over de onzekerheid van dynamische contracten? Kan de Minister toelichten wat hij als belangrijkste voordelen ziet van vaste contracten?
De zorgen over de onzekerheid van variabele contracten, waarbij de tarieven door de leveranciers periodiek (maandelijks, per kwartaal, halfjaarlijks) kunnen worden aangepast aan de marktsituatie, herken ik. Een dynamisch contract is een ander type product, waarvoor de consument bewust moet kiezen en waarbij de tarieven per uur kunnen wijzigen. Enerzijds bieden dynamische contracten voordelen, gezien de positieve invloed die dergelijke contracten hebben op de druk op het elektriciteitsnet. Mensen worden bijvoorbeeld geprikkeld om hun elektrische auto op te laden als er sprake is van veel aanbod van elektriciteit en daardoor lage tarieven. Anderzijds vind ik het van belang om te benadrukken dat dynamische contracten niet voor iedereen geschikt zijn, gezien het onvoorspelbare karakter dat dergelijke contracten met zich meebrengen. Wanneer prijzen stijgen, voel je dit immers direct in je portemonnee en daar is een financiële buffer voor benodigd die niet iedereen heeft. Dit geldt zowel voor dynamische contracten voor elektriciteit als voor gas. Dynamische elektriciteitscontracten zullen met name interessant zijn voor mensen die hun elektriciteitsverbruik zodanig kunnen plannen, dat zij gebruik kunnen maken van de goedkope uren (bijvoorbeeld door hun elektrische auto te laden).
Als belangrijkste voordeel van vaste contracten zie ik de zekerheid die dit type contract biedt aan consumenten. Vaste contracten zijn niet per se de meest voordelige contracten omdat hierin kosten zijn opgenomen voor de risico’s die de leverancier loopt bij mogelijk stijgende tarieven. De consument krijgt hiermee echter wel rust en zekerheid over de hoogte van het tarief dat wordt gerekend voor het energieverbruik en daarmee over de kosten die met een bepaald energieverbruik gemoeid zijn gedurende de looptijd van het vaste contract. Dit in tegenstelling tot dynamische contracten waarbij de prijzen gemiddeld lager liggen, maar waarbij de prijzen per uur sterk kunnen verschillen en minder voorspelbaar zijn.
In het bovengenoemde bericht kondigt Vattenfall aan om vaste contracten te willen aanbieden voor minstens drie maanden en Eneco voor zes maanden. Vindt u de duur van deze contracten lang genoeg? Welke minimale contractduur is volgens u wenselijk?
Ik vind de duur van deze contracten niet lang genoeg en vind het wenselijk dat vaste contracten in ieder geval een looptijd van 12 maanden kennen. In mijn Kamerbrief van 21 november 2022 over vaste energiecontracten in de consumentenmarkt4 heb ik aangekondigd in de Energiewet een verplichting te willen opnemen dat leveranciers een contract met vaste tarieven voor bepaalde tijd (12 maanden) moeten aanbieden. Ik wil dat consumenten te allen tijden zelf de keuze behouden tussen een contract met variabele (of dynamische) tarieven of een contract met vaste tarieven dat meer zekerheid biedt.
Op welke manier treedt de ACM op om de risico’s bij het sluiten van een dynamisch contract goed toe te lichten, vooral voor huishoudens die vaste contracten mijden wegens te hoge kosten?
Consumenten moeten goed geïnformeerd worden over het product dat zij bij de leverancier afnemen, dat vloeit voort uit de informatieverplichtingen die leveranciers hebben tegenover de consument. Onder die informatieverplichtingen vallen bijvoorbeeld ook de risico’s die bij dynamische prijs producten horen. De ACM houdt hier toezicht op.
De ACM heeft aanvullend op deze algemene verplichtingen samen met Energie-Nederland afspraken gemaakt over hoe leveranciers dynamische producten in de markt mogen zetten. Deze afspraken zijn vastgelegd in de gedragscode van Energie-Nederland5. In de gedragscode van Energie-Nederland wordt ingegaan op de volgende 3 elementen:
De ACM monitort de signalen die zij binnenkrijgt over energieleveranciers. De ondertekenaars van de gedragscode van Energie-Nederland moeten zich houden aan de bepalingen die daarin staan. Als zij dit niet doen, kan de ACM handhavend optreden wegens oneerlijke handelspraktijken.
Hoe worden vaste contracten, die doorgaans duurder zullen zijn dan een dynamisch contract op een gunstig moment, aantrekkelijk gemaakt voor huishoudens met een laag inkomen? Welke rol ziet u hierin weggelegd voor de overheid?
Ik vind het van belang dat consumenten volledig geïnformeerd worden over de mogelijkheden, kosten en risico’s van dynamische contracten. Dit staat ook in de Elektriciteitsrichtlijn (Richtlijn (EU) 2019/944). Duidelijk moet zijn dat een dynamisch contract een risicovol product is waarbij een financiële buffer benodigd is.
Hoe rijmt u het voornemen om door dynamische contracten het energienet te ontlasten op piekmomenten met de ambitie om energieleveranciers meer vaste contracten aan te laten bieden, zoals is opgemerkt in een Kamerbrief in september vorig jaar (Kamerstuk 29 023, nr. 354)?4
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 8, bieden dynamische contracten voordelen ten aanzien van ontlasting van het energienet, maar vind ik het tegelijkertijd van belang om te benadrukken dat dynamische contracten niet voor iedereen geschikt zijn, gezien het onvoorspelbare karakter dat dit type contract met zich meebrengt. De afgelopen tijd hebben we gemerkt dat er geen vaste contracten meer aangeboden werden. Ik wil dat consumenten zelf de keuze behouden tussen een contract met variabele tarieven, dynamische tarieven of een contract met vaste tarieven dat hen meer zekerheid biedt over de kosten die zij voor hun energie moeten betalen.
Vindt u het wenselijk dat mensen bij verdere prijsdaling van dynamische contracten overstappen naar deze contracten? Zo niet, wat is dan volgens u de rol die kleine energieleveranciers, die geen vaste contracten kunnen aanbieden, in de toekomst moeten spelen in de Nederlandse energiemarkt?
Dit vind ik wenselijk, zo lang deze mensen op de hoogte zijn van de risico’s die gemoeid zijn bij het afnemen van een dergelijk contract en deze mensen daarop (financieel) voorbereid zijn. Daarnaast merk ik op dat als dynamische tarieven over de gehele linie dalen, het mijn verwachting is dat ook de prijzen voor nieuwe vaste contracten zullen dalen.
Vindt u het wenselijk dat consumenten makkelijk kunnen overstappen naar andere energiebedrijven? Deelt u de zorgen dat het gemak van overstappen leidt tot cowboygedrag van energiebedrijven met grote risico’s voor consumenten?
Ja, ik vind het wenselijk dat consumenten makkelijk kunnen overstappen naar andere energiebedrijven in geval van een variabel of dynamisch contract. Dit bevordert de concurrentie tussen verschillende leveranciers. Het is belangrijk dat de consument goed beschermd is. Onlangs zijn de eisen aan leveranciers aangescherpt door de ACM en deze aangescherpte eisen worden door de ACM reeds toegepast in de toezichtspraktijk.
Bij een vast contract lopen energiebedrijven een hoog risico als consumenten gedurende de looptijd van het contract te gemakkelijk kunnen overstappen. Om die reden zijn in januari 2023 nieuwe regels rondom opzegvergoedingen gepubliceerd door de ACM. De opzegvergoeding sluit daardoor meer aan bij het verlies dat de leverancier leidt bij tussentijds overstappen.
Deelt u de mening dat Nederland één van de meest geliberaliseerde energiemarkten heeft van Europa? Op basis van welke factoren wordt het niveau van liberalisering bepaald?
Op het gebied van productie en levering kent Nederland inderdaad een vergaande mate van liberalisering. De netwerkinfrastructuur is daarentegen wel in publieke handen. Dit is indertijd een bewuste keuze geweest bij de inrichting van de energiemarkt. Op deze manier is de kritische infrastructuur in publieke handen terwijl er op de consumentenmarkt sprake is van concurrentie en daardoor keuzevrijheid.
Hoe rijmt het hoge niveau van liberalisering van de Nederlandse energiemarkt met de relatief hoge energieprijzen die Nederland het afgelopen jaar kende in vergelijking met andere Europese landen?
De prijs die wordt aangeboden in een contract komt tot stand op basis van verschillende factoren, zoals de inkoopprijs van elektriciteit of gas (die deels wordt bepaald door de energiemix), de netwerkkosten en nationale heffingen en belastingen, zoals de energiebelasting en btw. Doordat lidstaten verschillend om kunnen gaan met bijvoorbeeld het heffen van belasting op energie kunnen verschillen ontstaan in de prijzen. Zo is de Nederlandse energiebelasting op aardgas aanzienlijk hoger dan de belasting op aardgas in België en werd de gasprijs in Nederland in juli voor circa 25% door belastingen bepaald, tegenover slechts 7% in België.
Welke vormen van regulering van de energiemarkt kennen andere Europese landen, die bijdragen aan meer stabiliteit en lagere consumentenprijzen? Hoe apprecieert u die maatregelen?
In het kader van de motie Segers/ Marijnissen doe ik onderzoek naar hoe de publieke belangen in de Nederlandse energievoorziening beter geborgd kunnen worden. In dat onderzoek wordt tevens gekeken naar de situatie in enkele andere Europese landen en welke lessen daaruit getrokken kunnen worden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Politiesamenwerking tussen de Benelux-landen |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat zowel België als Luxemburg reeds hebben ingestemd met het nieuwe Benelux-politieverdrag, die de onderlinge politiesamenwerking verder intensiveert?
Ja. België en Luxemburg hebben de nationale goedkeuringsprocedures voor het verdrag afgerond, respectievelijk in mei en december 2021.
Klopt het dat Nederland vooralsnog nog niet ingestemd heeft met het nieuwe Benelux-politieverdrag? Waarom niet?
Het Nederlands parlement heeft in december 2021 ingestemd met het wetsvoorstel goedkeuring en uitvoering van het tot stand gekomen Verdrag tussen België, Luxemburg en Nederland inzake politiesamenwerking. Nederland heeft de akte van bekrachtiging nog niet gedeponeerd bij de Secretaris-Generaal van de Benelux Unie.
Aangezien Nederland als laatste verdragspartij parlementaire goedkeuring heeft verkregen, is het moment waarop Nederland de akte van bekrachtiging indient bepalend voor het moment van inwerkingtreding. Zoals toegelicht in de nota naar aanleiding van het verslag1 is afgesproken met de Benelux-landen dat vijf geprioriteerde uitvoeringsovereenkomsten, inzake artikel 13, zesde lid, artikel 15, vijfde lid, artikel 16, vijfde lid, artikel 25, vierde lid, en artikel 39, derde lid, van het Verdrag, gelijktijdig met het verdrag in werking zullen treden. Voor Nederland geldt, anders dan voor België en Luxemburg, dat elke afzonderlijke uitvoeringsovereenkomst, die volgens de Nederlandse verdragensystematiek als uitvoeringsverdrag wordt beschouwd, in een zogenoemde voorhangprocedure wordt voorgelegd aan de Staten-Generaal.
Zodra de voorhangprocedure is afgerond kan Nederland de akte van bekrachtiging bij de depositaris – de Secretaris-Generaal van de Benelux Unie – neerleggen en kan het verdrag in werking treden.
Deelt u de mening dat het wenselijk is om snel in te stemmen met dit verdrag, gezien het feit dat dit verdrag de informatie-uitwisseling tussen Nederlandse, Belgische en Luxemburgse politiediensten een belangrijke impuls zal geven?
Het voorspoedig in werking treden van het verdrag is zeker wenselijk, met name vanwege de verruimende mogelijkheid om politiële bevoegdheden uit te oefenen op elkaars grondgebied zoals bij grensoverschrijdende achtervolging en de inzet van speciale interventie-eenheden. Waar het de uitbreiding van mogelijkheden tot informatie-uitwisseling betreft hebben zowel België als Nederland de conceptteksten van de uitvoeringsovereenkomsten op grond van de artikelen 13, 15 en 16 voorgelegd aan de nationale autoriteiten voor persoonsgegevens, in Nederland de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), en gevraagd de adviezen eind augustus 2022 te doen toekomen.
In tegenstelling tot België loopt deze adviesprocedure in Nederland nog en is tot dusver één advies ontvangen. Zodra de teksten van deze uitvoeringsovereenkomsten, met het advies van de AP in de hand, in Benelux-verband kunnen worden afgerond, zal de voorhangprocedure worden gestart.
Kunt u zich inzetten om ervoor te zorgen dat Nederland zo snel mogelijk met dit politieverdrag instemt en het implementeert?
In aanvulling op de antwoorden 2 en 3 kan ik toezeggen dat voor zover het aan de regering ligt er alles op gericht is om het verdrag zo spoedig mogelijk in werking te laten treden. Het succesvol en spoedig doorlopen van de voorhangprocedure in het parlement is daarvoor uiteraard wel een randvoorwaarde.
Dreigende onteigening van panden als gevolg van de asieldwangwet. |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat tijdens een expertmeeting met gemeenteraadsleden in de regio Kennemerland op 1 februari jongstleden door de Haarlemse burgemeester Jos Wienen, verantwoordelijk voor de inventarisatie van asielopvanglocaties in de regio, is gemeld dat «gedwongen onteigening» in het kader van de dwangwet niet wordt uitgesloten?
Nee, dat is mij niet bekend.
Bent u ermee bekend dat een dag later, op 2 februari, door de Beverwijkse wethouder Bal in antwoord op vragen van raadsleden bevestigde dat onteigening inderdaad niet wordt uitgesloten als onderdeel van dit «transitieplan»?
Nee, dat is mij niet bekend.
Deelt u de conclusie dat gemeenten derhalve als gevolg van uw dwangwet de deur naar onteigening openzetten? Zo nee, waarom niet?
De Raad van State heeft op 6 februari jl. haar advies gepubliceerd ten aanzien van het wetsvoorstel Gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen. Het wetsvoorstel is op 24 maart jl. in de ministerraad besproken en wordt voorgelegd ter behandeling aan de Tweede en daarna de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel bevat geen bepalingen die onteigening mogelijk maken. Onteigening is dus onder deze wet geen optie.
Sluit u uit dat er onteigening gaat plaatsvinden als gevolg van de dwangwet? Zo ja, hoe kunt u dit uitsluiten terwijl u gemeenten tegelijkertijd dwingt om ruimte voor asielopvang te creëren en zij hierbij wel degelijk onteigening overwegen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid direct en wettelijk bindend iedere vorm van onteigening, door welke bestuurslaag dan ook, in het kader van de dwangwet onmogelijk te maken?
Zie het antwoord op vraag 3.
Ziet u inmiddels in dat de dwangwet op nul draagvlak kan rekenen, op juridisch drijfzand gebouwd is, de lokale democratie uitholt en zeer schadelijke gevolgen voor gemeenten met zich meebrengt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid uw plannen in te trekken en de dwangwet niet naar de Kamer te sturen?
Nederland is op basis van internationale en Europeesrechtelijke verplichtingen verplicht om asielzoekers opvang te bieden. Het Rijk is verantwoordelijk voor het opvangen van asielzoekers. Het COA voert dit in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid uit. Tegelijkertijd is er geen wettelijke taak voor gemeenten om de opvang van asielzoekers door het COA in gemeenten mogelijk te maken. Het wetsvoorstel wil een einde maken aan deze situatie door gemeenten ook een taak te geven bij de opvang van asielzoekers. Tevens wil het kabinet met dit wetsvoorstel komen tot een evenwichtigere verdeling van asielzoekers over gemeenten. De regering streeft ernaar het wetsvoorstel op korte termijn aan de Tweede Kamer ter behandeling voor te leggen.
Het proces rond besluitvorming over de concentratie van interventies bij aangeboren hartafwijkingen |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inbreng voor het schriftelijk overleg over de concentratie van kinderhartinterventies?1
Ja.
Klopt het dat het hier gaat over de strijd tussen vier «bedrijven», over welke twee van deze vier zorgbedrijven de kinderhartinterventies binnenhalen en zo de omzet kunnen vergroten naar een omvang die de kwaliteit ten goede komt?
Dit klopt niet. Bij de concentratie van deze vorm van zorg gaat niet om het vergroten van omzet. Het gaat er om de best mogelijke kwaliteit van de zorg voor patiënten met een aangeboren hartafwijking te waarborgen. Om onnodige risico’s en complicaties te vermijden moeten de interventies bij kinderen en complexe interventies bij volwassenen worden geconcentreerd.
Als deze concentratie het gevolg is van marktwerking, waarom haalt u de expertise van deze kleine groep van zo’n twaalf medisch-specialisten en ongeveer 800 interventies per jaar dan niet uit de marktwerking door er een nedab (niet-economische dienst van algemeen belang) van te maken – waarbij het niet meer gaat over vier bedrijven met in totaal twaalf specialisten die elkaars concurrenten zijn, maar één organisatie die handelt vanuit wat nodig is en waarbij locatie (bedrijf) niet meer van belang is en alle vier de locaties daardoor kunnen blijven bestaan, wat ook in het belang is van andere onderdelen van de spoedzorg(NZa)?
Deze concentratie is niet het gevolg van marktwerking. De reden voor de concentratie is gelegen in het waarborgen van de kwaliteit. Het
gaat om een kleine groep van zo’n twaalf medisch-specialisten. Als deze groep vier locaties moet bedienen, is dat kwetsbaar. Daarom heb ik ervoor gekozen de interventies te concentreren.
Waarom haalt u, als het echt om het belang van de kinderen gaat, de kinderhartinterventies niet uit de marktwerking?
In mijn brief van 13 februari 2023 aan de universitair medische centra2 heb ik beschreven dat na afloop van de transitieperiode twee interventiecentra een vergunning krachtens de Wet op de bijzondere medische verrichtingen zullen ontvangen en daarmee de bevoegdheid zullen houden de interventies uit te voeren. Kwaliteit van zorg is in dit geval de rechtvaardiging om dit instrument in te zetten en daarmee in te grijpen in het stelsel. Dit vraagt niet om verandering van de financieringssystematiek.
Zou het voor zo’n kleine beroepsgroep niet beter zijn als zij collega’s zijn in plaats van concurrenten?
Ja, ik ben het geheel met u eens dat samenwerking voor onze patiëntenzorg belangrijk is. Ik heb er vertrouwen in dat de zorgprofessionals hun verantwoordelijkheid nemen en samen zorgen voor de beste patiëntzorg en het beste wetenschappelijk onderzoek. Ik ben voornemens een aantal voorschriften aan deze concentratie te verbinden, die ook zullen bijdragen aan een optimale samenwerking. Voor de voorschriften verwijs ik u naar het voorgenomen besluit.3
Wat zijn de gevolgen voor die locaties waar de de kinderhartinterventies juist zouden worden geconcentreerd, gelet op het feit dat dat het NZa-rapport de gevolgen in kaart brengt voor als de kinderhartinterventies op een locatie zouden weggaan? Is in kaart gebracht of die locaties wel voldoende toegerust kunnen zijn op meer patiënten als het gaat om hun ic’s, midcares, pacu’s of beddenhuis?
Volgens de impactanalyse van de NZa, die ook ingaat op de effecten voor de umc’s die worden aangewezen als interventielocatie, zijn de betreffende umc’s in staat om afdoende te kunnen uitbreiden om de toename van patiënten als gevolg van de concentratie te kunnen opvatten.4 Voor ieder umc geldt hierbij dat de uitdaging vooral zit in het aantrekken van voldoende PICU-verpleegkundigen omdat de landelijke arbeidsmarkt voor PICU-verpleegkundigen krap is. In mijn brief van 13 februari5 heb aangegeven dat ik een commissie van onafhankelijke, gezaghebbende deskundigen zal instellen om deze transitie te begeleiden. In dit transitieproces zal uiteraard ook de personele bezetting aan de orde komen. Hoe dat er precies uit komt te zien is maatwerk en moet aansluiten bij de precieze situatie van het betreffende umc en de wensen en mogelijkheden van betrokken zorgverleners en patiënten.
Kunt u deze aanvullende vragen gelijktijdig met de vragen uit het schriftelijk overleg beantwoorden?
Ja.
Verscheidene berichten met betrekking tot de GGZ-tarieven |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NZa gaat GGZ-tarieven in 2024 en 2026 aanpassen» en met het artikel «Invoering nieuwe ggz-bekostiging zonder vangnet is misrekening»?1, 2
Ja, ik ben hiermee bekend.
Is het bij u bekend of de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ook met terugwerkende kracht naar de jaren 2022 en 2023 kijkt, ook waar het omzetverlies, bijvoorbeeld vanwege COVID-19, impact kan hebben op bevoorschotting en liquiditeit?
Voor de invoering van het zorgprestatiemodel zijn er bestuurlijke afspraken gemaakt tussen de betrokken partijen, waarbij zij onder andere hebben afgesproken om gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen voor een financieel verantwoorde, zorgvuldige en macroneutrale overgang naar het zorgprestatiemodel. In dat kader is ook afgesproken dat de partijen voor de jaren 2022 en 2023 de zogenaamde transitieprestatie (met een vrij tarief) kunnen gebruiken voor een zorgvuldige overgang naar de nieuwe bekostiging. Eventuele negatieve effecten als gevolg van de invoering van het zorgprestatiemodel kunnen op deze manier opgevangen worden. Hierover heb ik uw Kamer eerder geïnformeerd.3 Recentelijk hebben de betrokken partijen deze eerdere bestuurlijke afspraken herbevestigd.
Voor de personele meerkosten die ggz-instellingen ondervonden als gevolg van exces verzuim door corona in 2022 heeft Zorgverzekeraars Nederland (ZN) een besluit genomen (en toegezegd aan de Nederlandse GGZ) dat zorgverzekeraars – waar nodig – aan relevante ggz-instellingen een vergoeding bieden voor deze (meer)kosten. Dit dient besproken te worden in het lokale overleg tussen de ggz-instelling en de (individuele) verzekeraar. De toepassing van de compensatie door verzekeraars wordt gemonitord en wordt – zo nodig – besproken in bestuurlijk overleg tussen dNLggz en ZN.
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) kijkt niet met terugwerkende kracht naar de tarieven voor de jaren 2022 en 2023. Voor deze overgangsjaren bestaat immers bovengenoemde transitieprestatie. De NZa is wel gestart met twee kostprijsonderzoeken naar de tarieven om te kunnen bepalen of toekomstige aanpassingen nodig zijn. Het eerste onderzoek is een productiviteitsonderzoek. Dit wordt dit jaar uitgevoerd en is de basis voor de tarieven voor 2024. In het productiviteitsonderzoek wordt onderzocht of de productie waarvan is uitgegaan bij de huidige tarieven nog klopt. Het richt zich met name op de vraag of de (genormeerde) indirecte tijd binnen de consulten nog aansluit bij de praktijk. Het tweede onderzoek is een nieuw kostenonderzoek om actuele en kostendekkende tarieven te bepalen die per 2026 ingaan. Zoals ik heb toegezegd in het commissiedebat over de ggz van 2 november 2022, informeer ik uw Kamer op korte termijn nader over de stand van zaken met betrekking tot het zorgprestatiemodel.
Klopt het dat verzekeraars op dit moment vrijwel nooit 100% van het NZa-tarief betalen, maar bijna altijd minder? Deelt u de mening dat dit kan leiden tot ongewenste effecten? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat de afgelopen jaren het gemiddeld gecontracteerde tarief onder de 100 procent het NZa-maximumtarief ligt. Het gemiddeld gecontracteerd tarief voor 2022 is nog niet bekend. Ik vraag de NZa mij daar voor de zomer over te informeren.
De kern van ons zorgstelsel is het samenspel tussen patiënten/verzekerden, zorgaanbieders en zorgverzekeraars, waarbij de overheid aan zet is om de juiste randvoorwaarden te creëren. Eén van de randvoorwaarden is het maximumtarief dat de NZa vaststelt. Deze op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) vast te stellen tarieven dienen dekking te geven aan redelijke kosten van zorg. Dit maximum komt tot stand door een kostenonderzoek waarbij het tarief is gebaseerd op de (gewogen) gemiddelde kosten. Met dit tarief kan een aanbieder dus redelijkerwijs zijn kosten dekken. Aanbieders met een kostenniveau dat boven het maximumtarief ligt, hebben een prikkel om doelmatiger te worden. Maar er zijn ook aanbieders met een lager kostenniveau. Hierdoor ontstaat er binnen de bekostigingssystematiek de ruimte om afspraken te maken die bij de lokale situatie passen. Het is aan aanbieders en verzekeraars om binnen die ruimte goede afspraken te maken over toegankelijke en betaalbare zorg. Ze hebben hierbij de ruimte om ook onder het maximumtarief afspraken te maken. De NZa biedt in haar regelgeving ook de mogelijkheid om tot een maximum van 10% boven het geldende maximumtarief prijsafspraken te maken, het zogenaamde max-max tarief. Om hiervoor in aanmerking te komen dient sprake te zijn van een schriftelijke overeenkomst met de zorgverzekeraar.
Mocht deze ruimte leiden tot ongewenste effecten, bijvoorbeeld op de kwaliteit of de toegankelijkheid, dan hebben de toezichthouders IGJ en NZa bevoegdheden om in te grijpen.
Klopt het dat zwaardere zorg voornamelijk verzorgd wordt door geestelijke gezondheidszorg (GGZ)-instellingen en niet door zzp-ers of ongecontracteerde zorg?
Deze vraag kan ik op dit moment nog niet beantwoorden. De invoering van het zorgprestatiemodel is een grote operatie (geweest) voor (de backoffices van) de zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Het gereed maken van de elektronische patiëntendossiers (EPD’s) bij de zorgaanbieders heeft meer tijd gekost dan verwacht, met name bij de grote zorgaanbieders. Inmiddels is het declaratieproces op gang gekomen. Zodra de declaratiedata beschikbaar zijn kan de NZa monitoren door welk soort aanbieders de zorg in de zwaardere settings wordt geleverd.
Bent u bereid om de NZa onderzoek te laten doen naar de kosten van de inhuur van zzp’ers ten opzichte van de inzet van regulier personeel? Zo nee, waarom niet?
Zoals geantwoord onder vraag 2, gaat de NZa twee onderzoeken uitvoeren. Het tweede onderzoek betreft een volledig kostprijsonderzoek waarin ook de kosten van de inhuur van zzp’ers worden meegenomen.
Deelt u de mening dat het doel van het zorgprestatiemodel is dat gedifferentieerd wordt tussen de vergoeding van zwaardere zorg en lichtere zorg, zodat deze zorgvormen passender vergoed worden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening dat één van de doelen van het zorgprestatiemodel is dat er beter gedifferentieerd kan worden tussen de vergoeding van zwaardere zorg en lichtere zorg, zodat er sprake is van een passende vergoeding voor de geleverde zorg. Om tot een passendere vergoeding te komen van zwaardere en lichtere zorg zijn de consulten in het zorgprestatiemodel onder andere gedifferentieerd naar beroepen en setting4, maar ook naar tijdsduur. Een consult met een bepaalde tijdsduur in een zwaardere setting kent een hoger maximumtarief dan een consult met dezelfde tijdsduur in een lichtere setting.
Hoe gaat u borgen dat zorgverzekeraars dan ook in lijn met die nieuwe tarieven daadwerkelijk passender gaan betalen voor de zwaardere zorg?
In het Integraal Zorgakkoord (IZA)5 is afgesproken dat partijen in de contractering optimaal gebruik maken van de mogelijkheden die het zorgprestatiemodel biedt om een passende vergoeding af te spreken voor (zware en/of complexe) multidisciplinaire zorg. Als het zorgprestatiemodel en de contractafspraken tussen partijen onverhoopt toch onvoldoende bijdragen aan een passende vergoeding van zorg voor patiënten met de zwaarste zorgvraag dan worden deze afspraken hierop aangepast met als doel dat:
De NZa gaat in het kader van de invoering van het zorgprestatiemodel de effecten monitoren. Hierin zal ook aandacht zijn voor de toereikendheid van de bekostiging van «zwaardere» multidisciplinaire zorg. De NZa zal ook bekijken in hoeverre zorgaanbieders en zorgverzekeraars gebruik maken van de mogelijkheden die het zorgprestatiemodel biedt om een passende vergoeding voor complexe, multidisciplinaire ggz af te spreken (bijvoorbeeld separate afspraken maken over outreachende en hoog-specialistische ggz en waar nodig gebruik maken van het max-max tarief).
Waar nodig nemen partijen maatregelen om in de contractering beter gebruik te maken van de mogelijkheden die het zorgprestatiemodel hiervoor biedt. Waar nodig zal de NZa bekijken hoe het zorgprestatiemodel kan worden aangepast om de prikkels en mogelijkheden voor partijen om tot goede afspraken te komen te versterken.
Klopt het dan het aantal intramurale GGZ-plaatsen voor specialistische zwaardere zorg blijft dalen omdat GGZ-instellingen die die zorg leveren, harder geraakt worden door de nieuwe GGZ-bekostiging? Welke acties gaat u nemen om dit probleem op te lossen?
In 2022 heeft een aantal ggz-aanbieders aangekondigd hun behandelaanbod aan te passen of delen van hun aanbod te beëindigen. Ik heb de NZa gevraagd om de casuïstiek nader te bezien en mij over eventuele gemeenschappelijke onderliggende factoren te informeren. De rode draden analyse heb ik op 7 juli 2022 met uw Kamer gedeeld.6 De conclusie van de NZa is dat de casussen geen directe samenhang hebben met elkaar. Iedere casus kent zijn eigen aanloop en verloop.
In het Integraal Zorgakkoord (IZA) zijn, mede vanwege de sluitingen, afspraken gemaakt met als doel om beter zicht te krijgen op de benodigde capaciteit, voorzieningen en infrastructuur van (boven)regionaal cruciaal zorgaanbod, passend bij de zorgvraag van de patiënt. De eerste afspraak in het IZA was om voor eind 2022 een handreiking cruciale ggz vast te stellen, waarin onder andere staat opgenomen wat we verstaan onder cruciale ggz en hoe we het aanbod van cruciale ggz transparant kunnen maken (inventarisatiemodel). In het Bestuurlijk Overleg IZA op 21 december 2022 is de handreiking cruciale ggz conform afspraak vastgesteld en gepubliceerd.7 Nu is de volgende fase aangebroken. Het initiatief tot het gesprek en het vullen van de inventarisatie is vanaf januari jl. gestart door de ggz-kerninstelling in de regio. Elke regio brengt aan de hand van een inventarisatiemodel in beeld welk cruciaal ggz aanbod er regionaal, bovenregionaal en landelijk beschikbaar is. Tegelijkertijd wordt er ook gekeken naar hoeveel vraag er is naar cruciale ggz.
Voor 15 mei leveren regio’s aan of er cruciale zorg is waar de continuïteit in het geding is. Deze uitkomsten worden door zorgverzekeraars besproken en betrokken bij de inkoop voor 2024. Vanaf juli 2024 worden de overzichten per regio landelijk gebundeld, zodat er een eerste overzicht ontstaat van het aanbod van cruciale ggz. Op basis van dit overzicht en inzicht in de vraag naar cruciale ggz wordt bepaald wat het noodzakelijk zorgaanbod moet zijn en waar dit aanbod het beste georganiseerd kan worden. De uitkomsten hiervan worden door de zorgverzekeraars besproken en vertaald naar de individuele inkoop voor 2025. Met deze afspraken krijgen zorgverzekeraars en zorgaanbieders beter zicht op het zorgaanbod en zullen zij hierover sneller en beter met elkaar in gesprek komen indien de zorgplicht in het geding dreigt te komen.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot deelname aan Avond Nacht en Weekend (A/N/W)-crisisdiensten door werkenden buiten instellingen (conform de afspraak in het hoofdlijnenakkoord zomer 2018)?
In het Bestuurlijk akkoord geestelijke gezondheidszorg 2018–2022 is de afspraak gemaakt dat de ggz-sector gezamenlijk een plan van aanpak maakt om de problematiek rondom ANW-diensten op te pakken. Op 4 juni 2019 is door uw Kamer een motie aangenomen om ANW-diensten in de ggz te regelen via een wettelijk kader.8 De Wet BIG, noch andere wetgeving biedt op dit moment een wettelijke grondslag om dergelijke regels te stellen. In reactie op de motie is aangegeven de bemensing van ANW-diensten via een breed gedragen afsprakenstelsel geregeld moet worden en niet via een wettelijk opgelegde verplichting. Een gedragen oplossing uit het veld is krachtiger dan een van bovenaf opgelegde wettelijke verplichting. In het voorjaar van 2021 is hierover het gesprek aangegaan met de Nederlandse ggz (dNggz) en de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). Met beide partijen is afgesproken om in samenwerking met het Ministerie van VWS een pilottraject te starten gericht op gezamenlijke werkafspraken voor de ggz. Het pilottraject is inmiddels afgerond en biedt handvatten voor de voortzetting van het goede gesprek op alle niveaus en met alle stakeholders die hun aandeel hebben in het waarborgen van de continuïteit en kwaliteit. Dit moet zich vertalen in concrete werkafspraken. In het IZA en het programma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (TAZ)9 is immers afgesproken dat binnen alle branches in zorg en welzijn per 1 januari 2024 werkafspraken zijn gemaakt door brancheorganisaties en koepels van zzp’ers, waarin de verantwoordelijkheden tussen werknemers in loondienst en zzp’ers helder en eerlijk verdeeld zijn onder andere rondom ANW-diensten, scholing en beloning.
De voortgang van de kabinetsdoelstellingen voor 2030 |
|
Laurens Dassen (Volt), Esther Ouwehand (PvdD), Sylvana Simons (BIJ1), Jesse Klaver (GL), Farid Azarkan (DENK), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Kuipers , Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat dit kabinet de volgende doelstellingen heeft voor 2030:
Ten behoeve van een motie van het lid Geurts (CDA) waarmee de regering wordt opgeroepen om een tussendoelstelling te hanteren om in 2030 een halvering van het aantal verkeersslachtoffers te bewerkstelligen1, is Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) gevraagd om in beeld te brengen hoe het aantal ernstig verkeersgewonden en -doden zich ontwikkelt tot aan 2030. Ook is gevraagd of een set extra maatregelen bovenop het bestaande beleid kan bijdragen aan het behalen van de tussendoelstelling. De tussendoelstelling heeft betrekking op de (Europese) visie van nul verkeersslachtoffers in 2050. De uitkomst van het SWOV-onderzoek is op 22 november 2022 met uw Kamer gedeeld.2 SWOV concludeert dat de tussendoelstelling om het totaal aantal ernstig verkeersgewonden tussen 2019 en 2030 te halveren waarschijnlijk te ambitieus is. Zonder extra maatregelen neemt het aantal ernstig verkeersgewonden toe vanwege de bevolkingsgroei, de meer gereden kilometers en onder anderen meer ouderen op de fiets. Met extra maatregelen is de trend in ernstig verkeersgewonden te keren, maar een halvering is niet realistisch. Ten aanzien van het aantal verkeersdoden kan een halvering in 2030 misschien mogelijk zijn als een combinatie van extra maatregelen wordt genomen.
Het kabinet blijft inzetten op een flinke vermindering van het aantal ernstig verkeersgewonden. Verkeersveiligheid blijft een speerpunt van beleid, waar het kabinet samen met alle partners van het strategisch plan verkeersveiligheid hard aan werkt. Bijvoorbeeld via de investeringsimpuls verkeersveiligheid van 500 miljoen euro, de 200 miljoen euro extra voor Rijks-N-wegen of door handvatten te bieden aan gemeenten om op meer wegen binnen de bebouwde kom de maximumsnelheid terug te brengen naar 30 km/u. Voor de uitvoering van de motie van het lid Geurts wordt de komende periode samen met andere overheden en maatschappelijke partners gekeken hoe een extra stap gezet kan worden. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat stuurt een planning voor dit traject aan uw Kamer voor het aankomend commissiedebat verkeersveiligheid van 31 mei 2023.
Kunt u per doelstelling exact aangeven wat de meest actuele prognose is voor 2030 (door bij elke doelstelling een concreet percentage/getal te noemen) en wanneer deze prognose is gemaakt?
Voor «Halvering aantal verkeersslachtoffers in 2030» geldt dat uit het SWOV-rapport «Kiezen of delen» dat op 22 november 2022 aan uw Kamer is gezonden, blijkt dat uit de basisprognoses komt dat in scenario 1 (wanneer de mobiliteitsveranderingen door corona blijvend zijn) het aantal verkeersdoden in 2030 op 480 verkeersdoden ligt en het aantal ernstig verkeersgewonden op 8.400. In scenario 2 (wanneer mobiliteit weer vergelijkbaar wordt met de periode voor corona) zijn er 810 verkeersdoden in 2030 en 9.500 ernstig verkeersgewonden in 2030.3 In 2019, het referentiejaar van SWOV, vielen 661 verkeersdoden en 6.900 ernstig verkeersgewonden (MAIS3+) in Nederland. Onlangs maakte CBS de ongevalscijfers bekend over 2022. In 2022 kwamen er 737 mensen om het leven bij een verkeersongeluk.
Kunt u bij elk van deze prognoses aangeven of deze prognose voldoende is om de doelstelling te bereiken?
Zoals in de Kamerbrief van 22 november 2022 met uw Kamer is gedeeld, concludeert SWOV dat de tussendoelstelling om het totaal aantal ernstig verkeersgewonden tussen 2019 en 2030 te halveren waarschijnlijk te ambitieus is.4
Indien er een doelstelling is waarbij bovenstaande vraag niet beantwoord kan worden omdat de informatie ontbreekt, kunt u per doelstelling aangeven hoe u er alsnog voor gaat zorgen dat het inzichtelijk wordt voor de Kamer of deze doelstelling daadwerkelijk gehaald gaat worden?
Zoals in de Kamerbrief van 22 november 2022 met uw Kamer is gedeeld, concludeert SWOV dat de tussendoelstelling om het totaal aantal ernstig verkeersgewonden tussen 2019 en 2030 te halveren waarschijnlijk te ambitieus is.5
Bij hoeveel van de bovenstaande kabinetsdoelstellingen kunt u op basis van de meest actuele prognoses aantonen dat deze doelstelling met het huidige kabinetsbeleid bereikt gaat worden? (graag een concreet getal tussen 0 en 17 noemen);
Zoals in de Kamerbrief van 22 november 2022 met uw Kamer is gedeeld, concludeert SWOV dat de tussendoelstelling om het totaal aantal ernstig verkeersgewonden tussen 2019 en 2030 te halveren waarschijnlijk te ambitieus is.6 Deze beantwoording ziet alleen op het deelonderwerp «Halvering aantal verkeersslachtoffers in 2030».
Kunt u deze vragen binnen drie weken een voor een beantwoorden, zeker gelet op het feit dat deze vragen al eerder zijn ingediend, maar de Minister-President ze niet heeft beantwoord?
Helaas is het niet gelukt om de beantwoording binnen de termijn van drie weken te beantwoorden. Beantwoording had meer tijd nodig in verband met afstemming tussen departementen.
Hoogachtend,