Het bericht dat werkgevers in de zorg twijfelachtige certificaten blijven accepteren bij zoektocht naar nieuw personeel |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De zorg blijft twijfelachtige certificaten accepteren bij zoektocht naar nieuw personeel»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat in de zorg nog steeds actief gezocht wordt naar potentiële werknemers met EVC-certificaten?
Het kabinet vindt het onwenselijk dat er nog steeds actief wordt gezocht naar werknemers op basis van EVC-certificaten. De dringende oproep die ik samen met mijn collega bewindspersonen heb gedaan is gebaseerd op verschillende signalen en onderzoeken waaruit blijkt dat het huidige EVC-stelsel onvoldoende kwaliteitsborging kent en ruimte laat voor misbruik. Een EVC-certificaat biedt daarom op dit moment geen betrouwbare garantie voor de vereiste kennis en vaardigheden.
Hoe rijmt u de dringende oproep vanuit vier collega bewindspersonen om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten met het feit dat werkgevers in de zorg nog steeds actief zoeken naar kandidaten met deze certificaten?
Het kabinet begrijpt het belang van het erkennen van leer- en werkervaring in brede zin. Echter, in het geval van het erkennen van leer- en werkervaring op basis van EVC-certificaten is gebleken dat dit in de praktijk vaak een «papieren exercitie» is, waardoor de deur open wordt gezet voor fraude met deze certificaten. Dat is ook de aanleiding geweest voor onze dringende oproep om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten. Tegelijkertijd is het EVC-stelsel privaat en kunnen werkgevers er daarom voor kiezen om hier toch gebruik van te maken. Maar het accepteren van een EVC-certificaat neemt de verantwoordelijkheid van partijen niet weg om zelf te beoordelen of iemand bekwaam en bevoegd is. Werkgevers en onderwijsinstellingen blijven verantwoordelijk voor de inzet van deskundige medewerkers (in de zorg) en voor het verlenen van vrijstellingen. Dit is ook nadrukkelijk onderdeel van onze oproep geweest.
Wat vindt u ervan dat er hierdoor nog steeds personen zonder de vereiste kennis en ervaring toegang krijgen tot functies, opleidingen en voorzieningen waarvoor zij onvoldoende gekwalificeerd of bevoegd zijn?
Dat is zorgelijk. De geconstateerde fraudegevoeligheid in het EVC-stelsel maken dat EVC-certificaten geen betrouwbare weergave zijn van iemands competenties. Het is daarom onacceptabel dat personen hierdoor toegang krijgen tot functies of opleidingen waarvoor zij niet voldoende zijn gekwalificeerd. Dit onderstreept de noodzaak om gehoor te geven aan de oproep om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten en te kijken naar andere mogelijkheden om leer- en werkervaring te erkennen. Ik benadruk nogmaals, als werkgevers ervoor kiezen om gebruik te blijven maken van EVC-certificaten, dan ontslaat dat hen niet van de verantwoordelijkheid om zelf te beoordelen dat hun personeel bekwaam en bevoegd is. De verantwoordelijkheid om te borgen dat (potentiële) werknemers over de kennis en vaardigheden beschikken om het werk uit te voeren blijft bij de werkgever.
Wat vindt u ervan dat volgens Trouw voor onder andere vacatures voor pedagogisch hulpverlener (voor uithuisgeplaatste jongeren) en jeugdzorgwerker EVC-certificaten nog steeds worden gebruikt terwijl deze medewerkers juist met kwetsbare jongeren werken?
De kwaliteit en veiligheid van kwetsbare jongeren die jeugdhulp ontvangen moeten zo goed als mogelijk worden gewaarborgd. Als er nog werkgevers en jeugdhulpaanbieders zijn die professionals werven op een EVC-certificaat, zonder te controleren of deze echt bekwaam en bevoegd zijn, dan is dat zorgwekkend. Onze brief van februari 2026 over fraude met EVC-certificaten, is gebaseerd op onderzoeken van het Openbaar Ministerie, de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie van Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De dringende oproep om niet langer te vertrouwen op EVC-certificaten is gericht aan alle branches binnen de zorg, ook jeugdhulpaanbieders. Om de veiligheid, kwaliteit en integriteit van zorg te waarborgen is de inzet van werkgevers nodig en dienen zij zorgvuldig te beoordelen of iemand bekwaam en bevoegd is om zorg te verlenen.
Hoe verhoudt het feit dat er jeugdzorgwerkers worden gezocht met EVC-certificaten zich tot het voornemen van Jeugdzorg Nederland om niet langer gebruik te maken van EVC-certificaten? Welke status heeft dit voornemen van de brancheorganisatie?
Uit afstemming met Jeugdzorg Nederland blijkt dat niet zonder meer is vast te stellen of het de leden van Jeugdzorg Nederland zijn die nog professionals met EVC-certificaten zoeken. Het standpunt van Jeugdzorg Nederland is dat zolang de kwaliteit van EVC-certificaten niet betrouwbaar getoetst kan worden, men zeer terughoudend moet zijn in het aannemen/inzetten van mensen met EVC-certificaten. Jeugdzorg Nederland heeft haar leden opgeroepen kandidaten en hun dossiers met werkervaring en opleiding grondig te controleren. Jeugdzorg Nederland blijft dit standpunt onderstrepen. Dat standpunt komt overeen met strekking van de brief die in februari dit jaar door mij en mijn collega bewindspersonen is verzonden aan veldpartijen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat kwaadwillenden middels deze certificaten dus nog steeds de mogelijkheid hebben om kwetsbare jongeren te ronselen voor criminele activiteiten?
Ik deel de zorgen over fraude en de signalen over het ronselen van kwetsbare jongeren binnen de jeugdhulp. Jongeren moeten kunnen vertrouwen op de kwaliteit van jeugdzorg en de professionals die deze bieden. Het is onaanvaardbaar dat jongeren de dupe zijn van fraude met certificaten en niet de zorg krijgen die zij nodig hebben. Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de vergewisplicht in internetconsultatie. Door deze in te voeren voor de Jeugdwet zullen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aangenomen professionals na te gaan. De problematiek van fraude en zware georganiseerde criminaliteit gaat helaas veel verder dan het zorgdomein en vraagt een brede integrale aanpak. Zo werk ik structureel samen met andere departementen, toezichthouders, gemeenten en opsporingsdiensten. Onderdeel daarvan is de brief van mij en mijn collega bewindspersonen van februari dit jaar, waarin veldpartijen wordt opgeroepen terughoudend te zijn met de inzet van professionals op basis van EVC-certificaten.
Wat vindt u ervan dat verschillende zorgopleidingen nog steeds reclame maken voor deze vorm van diplomering?
Onderwijsinstellingen zijn door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in een brief op 19 juni 2025 geïnformeerd over het misbruik met EVC-certificaten in de «onderwijsroute». Examencommissies zijn er met de brief extra op gewezen om alleen een vrijstelling te verlenen als boven alle twijfel verheven is dat iemand geheel voldoet aan de gestelde kwalificatie-eisen. Dit laat onverlet dat laagdrempelig om- en bijscholen mogelijk moet blijven. Onderwijsinstellingen blijven de ruimte houden om zelf betrouwbare valideringstrajecten in te zetten gericht op het (h)erkennen van relevante eerder opgedane leer- en werkervaring en het bieden van maatwerktrajecten aan zij-instromers die aansluiten op wat zij al kennen en kunnen. Ik blijf in nauw overleg met de Minister van OCW over waar dit goed gaat en waar niet, waar we indien nodig passende maatregelen treffen.
Hoe wilt u uitvoering geven aan het amendement-Synhaeve/Wendel aangaande EVC fraude?
Middels het amendement Synhaeve/Wendel trek ik in 2026 elk geval 200.000 euro uit voor het vervolgonderzoek naar onvolkomenheden in de onderliggende dossiers behorend bij EVC-certificaten van professionals in de jeugdhulp. Momenteel ben ik in gesprek met onder andere de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd om tot afspraken te komen over de inzet van deze middelen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat werknemers zich gemakkelijk kunnen bij- of omscholen op een manier waarop dat wel vertrouwd is, nu u heeft opgeroepen om geen EVC-certificaten meer te accepteren en we tegelijkertijd zien dat verschillende werkgevers dit nog wel doen vanwege krapte op de arbeidsmarkt?
Ik vind het lovenswaardig om te zien hoe veldpartijen, zoals Jeugdzorg Nederland, Actiz, VGN en de Nederlandse GGZ zich hebben verbonden om de fraude aan te pakken en alternatieven te bedenken voor het erkennen van werkervaring, vaardigheden of competenties. Hierbij vind ik het van belang dat een eventueel alternatief geen ruimte laat voor fraude. Erkenning van werkervaring, competenties of vaardigheden is zowel voor onze zorgverleners als ook voor de werkgevers belangrijk. Hierbij gaat het dan om status, doorgroeimogelijkheden, salaris en ook behoud van mensen voor zorg en welzijn.
Ik zal veldpartijen faciliteren bij het vinden van betrouwbare alternatieven, bijvoorbeeld door goede voorbeelden aan te reiken. In het kader van het Transformatieplan Limburg wordt bijvoorbeeld ingezet op «bekwaam is inzetbaar». Hierbij wordt uitgegaan van skillsgerichte inzet en verschuift de focus van diploma-eis naar beheersing van de vaardigheden voor de taken waarvoor men wordt ingezet. De gemeente Nijmegen heeft in het aanbestedingsproces de diploma-eis losgelaten en zij hebben hiermee positieve resultaten voor wat betreft inzet en beschikbaarheid geboekt. In plaats van de diploma-eis is gekeken wat wettelijk vereist is en is de verantwoordelijkheid voor goede kwaliteit bij de opdrachtnemer gelegd. Die kan hierdoor taken toebedelen op basis van vakbekwaamheid in combinatie met de aard en zwaarte van de hulpvraag. De gemeente Nijmegen is nu een traject gestart om dit ook bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten onder de aandacht te brengen, met het doel dit verder uit te rollen. Ook heeft de overheid, met de landelijk beschikbare skillstaal Competent NL een mooi instrument ontwikkeld dat partijen op de arbeidsmarkt kan helpen om vak- en kennisvaardigheden eerder te herkennen. Onder leiding van VNO-NCW/MKB wordt daarnaast door sociale partners gewerkt aan afspraken over het valideren van skills. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt hiervan op de hoogte gehouden. Zoals ook door mijn voorgangers toegezegd zal ik in nauw contact blijven met het veld en meedenken met alternatieven.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De uitzending van BOOS over Yes We Can Clinics |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van BOOS van 7 april 2026 gezien, over de misstanden bij Yes We Can Clinics?1
Ja.
Wat vindt u van de in de uitzending getoonde bevindingen waaruit blijkt dat een flink aantal jongeren trauma’s hebben opgelopen na hun behandeling bij Yes We Can Clinics?
Ik ben geschrokken van de ervaringen die jongeren met BOOS hebben gedeeld. Een behandeling dient gericht te zijn op het verminderen en opheffen van problemen. Een behandeling mag nooit (gezondheids-)schade aanbrengen.
In hoeverre zijn signalen die binnenkwamen bij de redactie van BOOS ook bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: Inspectie) of het Ministerie van VWS bekend? Zijn er signalen binnengekomen bij de Inspectie? Zo ja, kunt u inzichtelijk maken hoeveel, in welke jaren en wat de aard is van de meldingen?
Als jongeren of ouders bellen met het Landelijk Meldpunt Zorg (onderdeel van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, hierna LMZ) registreert de IGJ dit als signaal. De IGJ geeft aan dat er sinds 2022 29 signalen zijn binnengekomen. Hieronder uitgesplitst per jaar:
2022: 2
2023: 1
2024: 2
2025: 2
2026: 22, waarvan tot uitzending BOOS (1-1-26 t/m 7-4-26): 2 signalen en na uitzending BOOS (8-4-26 t/m 29-4-26): 20 signalen.
Vanwege het recent gestarte toezichtstraject deelt de IGJ geen verdere informatie over de aard van de meldingen.
Als er signalen bekend waren, was dit reden voor de Inspectie om een nieuw onderzoek te doen of voor gemeenten om in te grijpen? Zo nee, waarom niet? Als er geen signalen binnenkwamen, wat zegt dat over de bekendheid van de Inspectie bij de doelgroep?
Iedereen kan met klachten of signalen bij het LMZ van de IGJ terecht. De IGJ heeft geen zicht in de overwegingen van jongeren of ouders in deze casus om wel of niet contact op te nemen met het LMZ. De IGJ heeft de afgelopen twee jaar gewerkt aan haar toegankelijkheid voor jongeren door het uitvoeren van een jongerencampagne via sociale media. Hierbij werden jongeren uitgenodigd om hun ervaringen met jeugdhulp anoniem te delen2.
De IGJ besluit op basis van de bij haar bekende informatie om wel of niet een onderzoek in te stellen. Hierbij betrekt de IGJ de informatie uit onder andere meldingen, signalen en uitkomsten van eerdere inspectiebezoeken. Dit vormde sinds 2018 geen aanleiding om een toezichtstraject te starten. De IGJ geeft aan dat zij gezien de aard en de ernst van de signalen die onlangs bekend zijn gemaakt, recent een toezichtstraject is gestart bij Yes We Can Clinics.
Het is mij niet bekend of individuele gemeenten signalen hebben ontvangen.
Zijn er elders signalen binnengekomen, bijvoorbeeld bij de vertrouwenspersonen van Jeugdstem?
Ja, Jeugdstem geeft aan dat er drie klachten zijn geuit over Yes We Can Clinics bij vertrouwenspersonen. De laatste klacht dateert van november 2025.
Is ooit onderzocht of de bewering op de website van Yes We Can Clinics dat 74% van de jongeren geen specialistische behandeling meer nodig had, klopt? Had dat moeten gebeuren en zo ja, door wie? Zo nee, waarom niet?
Yes We Can Clinics geeft op haar website aan dat de bewering in kwestie is gebaseerd op herhaaldelijk onafhankelijk onderzoek, waarbij het meest recente onderzoek is uitgevoerd in 2023. De IGJ heeft tot op heden geen onderzoek gedaan naar de bewering op de website van Yes We Can Clinics. De IGJ kijkt in haar toezicht naar de kwaliteit, veiligheid en betrouwbaarheid van de zorg en jeugdhulp en is recent een toezichtstraject gestart bij Yes We Can Clinics.
Hoe kan het dat een methode die oorspronkelijk werd gebruikt in de verslavingszorg, door Yes We Can Clinics ook wordt toegepast op tieners en adolescenten die kampen met (de gevolgen van) allerlei andere soorten problematiek, van depressie tot ADHD tot borderline? Wie heeft beoordeeld dat de methode van Yes We Can Clinics toegepast mag worden op jongeren met deze uiteenlopende zorgvraag? Aan welke criteria is dit getoetst en wanneer?
Het is aan een behandelaar om een behandelmethode te kiezen die aansluit bij een jongere, zodat de jongere daar baat bij heeft, en deze op de juiste wijze toe te passen. Behandeling vindt plaats conform professionele standaarden, richtlijnen en kwaliteitskaders. Daarnaast is het belangrijk dat jongeren en hun ouders worden betrokken bij de keuze voor de behandelmethode en inspraak hebben tijdens de behandeling. Er kunnen verschillende behandelmethoden in de zorg worden gebruikt.
De IGJ ziet toe op de kwaliteit van de geleverde zorg. De bekwaamheid van de jeugdzorgprofessionals is hier onderdeel van. Tijdens een onderzoek beoordeelt de IGJ onder andere of een behandelmethode conform professionele richtlijnen wordt uitgevoerd. Daarnaast beoordeelt de IGJ of de zorgaanbieder samen met de jongeren en ouders de hulpvraag, de doelen en de vorm van de geboden hulp bepalen.
Klopt het dat het laatste Inspectiebezoek aan Yes we Can Clinics plaatsvond op 10 december 2018? Zijn er sindsdien nog aangekondigde of onaangekondigde bezoeken geweest? Hoe kan het dat de Inspectie onderzoekt of de «zorgverlening aan de voorwaarden voor goede en veilige zorg voldoen,» terwijl niet met jongeren zelf wordt gesproken, maar enkel vijf dossiers zijn bekeken? Welke rol hebben gemeenten die jongeren plaatsen bij Yes We Can Clinics?
Het klopt dat het laatste onderzoek naar de kwaliteit door de IGJ aan Yes We Can Clinics plaatsvond op 10 december 2018. Het bezoek in 2018 vond plaats in het kader van een specifieke toezichtronde op middelgrote ggz- en verslavingszorginstellingen. Deze toezichtronde was gericht op het beter in beeld krijgen van dit type organisaties. Door het specifieke doel van dit toezicht, toetste de inspectie een beperkt aantal normen. Daarnaast is er op hoofdlijnen getoetst. De IGJ heeft in deze toezichtronde gesproken met de bestuurders en zorgverleners, individuele dossiers beoordeeld en beleid beoordeeld. Er is niet met cliënten gesproken. Welke bronnen de IGJ bij een toezichtbezoek gebruikt, hangt af van de onderzoeksvragen.
De drie thema’s die tijdens het bezoek centraal stonden waren persoonsgerichte zorg, deskundige zorgverlener, en sturen op kwaliteit en veiligheid. Op het thema persoonsgerichte zorg toetste de inspectie normen over het behandelplan en dossiervoering. Om deze normen te toetsen voerde de IGJ gesprekken met leden van het management/directie, regiebehandelaren en uitvoerende medewerkers, deed dossieronderzoek en kreeg inzage in kwaliteitsdocumenten. In het onderzoek dat de IGJ nu is gestart naar Yes We Can Clinics zullen gesprekken met jongeren onderdeel zijn.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor organisatie en financiering van de jeugdhulp. Zij maken afspraken met aanbieders over de in te kopen zorg. Gemeenten kunnen daarbij, naast de kwaliteitseisen die gelden vanuit de Jeugdwet, specifieke kwaliteitseisen stellen aan de te leveren diensten. Dit betekent dat de gemeente niet altijd inhoudelijk betrokken is bij een casus.
Verwijzing naar specialistische zorg kan verlopen via de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, lokaal team of gecertificeerde instelling (GI). De jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor het verlenen van verantwoorde hulp.
Is het overnemen van een jeugdzorginstelling door een private equity organisatie, zoals bij Yes We Can Clinics gebeurde in 2021 door Holland Capital en in september 2025 door Bencis Capital Partners, reden voor extra toezicht of een Inspectiebezoek? Zo nee, waarom niet?
Een overname door een private equity organisatie is geen reden voor extra toezicht. Iedere zorgaanbieder dient zich aan de geldende wet- en regelgeving te houden, ook als er een private equity investeerder betrokken is. Vanuit de toezichthouders wordt er bij betrokkenheid van een private equity organisatie daarom ook niet anders gehandeld dan bij elke andere zorgaanbieder.
Vindt u het verantwoord dat jeugdzorginstellingen zoals Yes We Can Clinics worden gekocht door private equityorganisaties die primair gericht zijn op het maken van winst en doorverkoop? Worden gecontracteerde gemeenten en zorgverzekeraars actief op de hoogte gesteld wanneer een private equity organisatie een instelling opkoopt? Zo ja, op welke wijze gebeurt dit? Zo nee, waarom niet?
Er is geen verbod op overname van jeugdhulpaanbieders door private equity partijen. Private equity kan uitkomst bieden voor zorgaanbieders die moeite hebben met het vinden van financiering of opvolging. Dit kan een positief effect hebben op de beschikbaarheid, continuïteit en kwaliteit van zorg. Tegelijkertijd ziet het kabinet ook dat er risico’s verbonden zijn aan private equity investeringen, waarbij de betaalbaarheid en kwaliteit van zorg onder druk kan komen te staan. Daarom is dit kabinet voornemens te zorgen voor duidelijke en aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap, waaronder het inperken van de uitwassen van private equity.
Of gemeenten en zorgverzekeraars actief op de hoogte gesteld worden als een private equity organisatie investeert in een zorg- of jeugdhulpaanbieder, is afhankelijk van de contractafspraken die gemeenten/zorgverzekeraars en aanbieders met elkaar maken. Zorginkopers kunnen nu al in de contractvoorwaarden opnemen dat zij vroegtijdig meegenomen worden in voorgenomen fundamentele beslissingen in de bedrijfsvoering, zoals een fusie of overname.
Kan de overname van een jeugdzorginstelling door een private equity-partij reden vormen om een contract open te breken door bijvoorbeeld een gecontracteerde gemeente of zorgverzekeraar?
Gemeenten of zorgverzekeraars kunnen contractueel bedingen dat zij voorafgaand aan een overname of fusie geïnformeerd worden over een overname of fusie. Dit betekent echter niet automatisch dat een contract open gebroken kan worden. Of een contract open gebroken kan worden bij een overname door een private equity partij, hangt af van het geheel van contractuele afspraken die partijen onderling hebben gemaakt en de omstandigheden van het geval.
Wat vindt u ervan dat tussen 2021 en 2024 de omzet van 35 miljoen naar 56 miljoen euro is gestegen en er jaarlijks miljoenen winst wordt gemaakt? Zijn dergelijke overnames en winsten een reden voor nader onderzoek of toezicht? Zo nee, waarom niet? Wat vindt u ervan dat er miljoenen winst wordt gemaakt, terwijl de behandeling van publiek geld wordt betaald? Vinden er ook winstuitkeringen plaats en zo ja, aan wie?
Een stijgende omzet of winst zijn op zichzelf geen directe signalen voor misstanden en/of niet integer gedrag in de zorg. Winst maken, of een positief bedrijfsresultaat behalen, is noodzakelijk om als zorg- of jeugdhulpaanbieder gezond te blijven en is in het belang van de continuïteit van zorg voor cliënten en jeugdigen. Een winstuitkering mag echter nooit ten koste gaan van de kwaliteit, toegankelijkheid of betaalbaarheid van zorg en dient altijd verantwoord plaats te vinden. Dit wordt meegenomen in het wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz). In dit wetsvoorstel worden voorwaarden gesteld aan het uitkeren van winst.
Overnames en winsten zijn geen directe redenen voor nader onderzoek of toezicht. Wel kan aanvullend onderzoek plaatsvinden door NZa of IGJ als zorg- en jeugdhulpaanbieders3 niet voldoen aan de eisen voor een transparante financiële bedrijfsvoering en/of als er signalen zijn dat door overname of winstuitkering sprake is van risico’s voor de kwaliteit, veiligheid of continuïteit van zorg.
Voor welk bedrag heeft Bencis Capital Partners in 2024 het oprichtersechtpaar Jan Willem en Petra Poot uitgekocht?
Deze informatie heeft het Ministerie van VWS niet.
Het Inspectierapport uit 2018 stelt al dat de klachtenfunctionaris «niet geheel onafhankelijk» is, hoe is dit momenteel geregeld? Is er inzicht in de hoeveelheid en de aard van de klachten en wat ermee is gedaan? Deelt u de mening dat een klachtenfunctionaris altijd onafhankelijk van de instelling zou moeten opereren?
De onafhankelijkheid van de klachtenfunctionaris is een wettelijke eis, zie artikel 15, lid 2 van de Wkkgz. In dit artikel staat het vereiste dat een klachtenfunctionaris zijn functie onafhankelijk kan uitvoeren.
In de klachtenregeling4 van Yes We Can Clinics, die te vinden is via de website van de organisatie, zegt Yes We Can Clinics te beschikken over een onafhankelijke klachtenfunctionaris. De IGJ zal in het lopende onderzoek nagaan of jeugdigen en hun ouders de mogelijkheid hebben om voor hun belangen op te komen conform de Wkkgz en de Jeugdwet.
De jeugdzorgaanbieder rapporteert jaarlijks via het Jaardocument Maatschappelijke verantwoording hoeveel klachten er zijn ingediend bij de klachtencommissie, het aantal klachten dat door de klachtencommissie in behandeling is genomen, en het aantal klachten waarover de klachtencommissie advies heeft uitgebracht. Deze informatie is ook voor Yes We Can Clinics openbaar toegankelijk.
Is u bekend dat het Inspectierapport uit 2018 beschrijft dat de personele bezetting bestaat uit «psychiaters, verpleegkundigen, GZ-psychologen, basispsychologen, jongerencoaches, groepswerkers ervaringsdeskundigen en groepscounselors,» terwijl uit de uitzending van BOOS het beeld naar voren komt dat met name ervaringsdeskundigen en counselors betrokken zijn bij de behandeling? Is het personeelsbestand veranderd of heeft de Inspectie hier iets over het hoofd gezien? Is de regiebehandelaar nog steeds altijd een psychiater?
Volgens het openbare kwaliteitsstatuut5 van Yes We Can Clinics is de regiebehandelaar, afhankelijk van de behandelvariant, een psychiater, psychotherapeut, GZ-psycholoog, verpleegkundige specialist, sociaal psychiatrisch verpleegkundige of klinisch psycholoog. De term regiebehandelaar is gekoppeld aan het Landelijk Kwaliteitsstatuut GGZ. Dit Kwaliteitsstatuut is alleen van toepassing op curatieve GGZ die valt onder de Zorgverzekeringswet (18+). In deze afspraken is aan het regiebehandelaarschap de voorwaarde van een registratie in het register voor Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG) verbonden. Voor alle zorgmedewerkers in de jeugdhulp is de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing, en het daaraan gekoppelde kwaliteitskader jeugd. Dit betekent dat voor werkzaamheden die een bepaalde mate van complexiteit of risico met zich meebrengen, de zorgmedewerker geregistreerd moet zijn in het BIG-register of bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).
Het inspectierapport uit 2018 benoemt de inzet van ervaringsdeskundigen en counselors. In 2018 voldeed de zorgaanbieder aan de door de IGJ getoetste normen met betrekking tot de deskundigheid en inzet van de medewerkers. De IGJ zal in het lopende onderzoek nagaan of er voldoende deskundige hulpverleners beschikbaar zijn, afgestemd op wat de jeugdigen nodig hebben.
Wat vindt u van de geschetste methode waarbij jongeren worden geconfronteerd met hun aandoening of verslaving, en dit ook geldt voor jongeren die slachtoffer zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag en misbruik, eetstoornissen en depressies? Acht u dit verantwoord?
De methodiek die toegepast wordt moet passend zijn bij de problematiek van de jeugdigen. Voor de jeugdzorg zijn verschillende basisrichtlijnen beschreven. Het kan zijn dat er door de problematiek meerdere professionele richtlijnen van toepassing zijn, en op basis daarvan een maatwerktraject wordt vormgegeven. Zie verder vraag 7. De IGJ kijkt in het toezicht naar de manier waarop Yes We Can Clinics de (behandel)richtlijnen toepast.
Kunnen jongeren met de behandeling stoppen op ieder moment dat zij willen? Wat vindt u ervan dat uit de uitzending blijkt dat dit niet in alle gevallen mogelijk is?
Jongeren die in het zogenaamd vrijwillig kader jeugdhulp ontvangen kunnen er – met hun ouders – altijd en op elk moment voor kiezen om een behandeling te stoppen. Een zorgaanbieder kan dat niet verbieden. Ook moet een zorgaanbieder ervoor zorgen dat jongeren en hun ouders over voldoende informatie beschikken om een keuze te maken. Als er een andere plek gevonden is, moet een zorgaanbieder zorgdragen voor een duidelijke overdracht naar het vervolgverblijf.
Ik vind het zorgelijk dat er signalen zijn dat cliënten niet konden stoppen met de behandeling die zij ondergingen. Om de informatiepositie van ouders en jongeren te versterken wordt er op dit moment gewerkt aan voorlichtingsmateriaal over de rechten van ouders en jongeren, o.a. bij vrijwillige jeugdhulp. In dit materiaal wordt ook aangegeven wat je kunt doen als je het niet eens bent met de jeugdhulp, wilt stoppen met jeugdhulp en waar je als ouders of jongere ondersteuning kunt vinden. Het voorlichtingsmateriaal zal na de zomer gepubliceerd worden.
Kwetsbare jongeren die in Hoenderloo geconfronteerd worden met drugshandel en geweld |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Inspectie: criminelen actief op jeugdzorgterrein in Hoenderloo»?1
Ja
Herkent u het beeld dat geschetst wordt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), die stelt dat zij een terrein ziet «met potentieel grote risico’s voor jongeren»? Hoeveel zorgaanbieders zijn er inmiddels gevestigd op het terrein?
De IGJ beschrijft hoe een optelsom van factoren maakt dat ze een terrein met potentiële grote risico’s voor jongeren zien. Dit herken ik en dit baart mij zorgen.
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat er op dit moment 16 unieke zorgaanbieders gevestigd zijn op het terrein. Dit verschilt van de 20 zorgaanbieders die de IGJ voor het recente toezicht heeft kunnen herleiden. Het verschil laat zich verklaren door twee factoren: een aantal aanbieders heeft het terrein in de afgelopen periode verlaten en de gehanteerde telwijze verschilt, waarbij soms wordt uitgegaan van unieke aanbieders met meerdere vestigingen en soms van de afzonderlijke vestigingen of locaties zelf.
Hoe verklaart u het dat medio 2024 soortgelijke bevindingen werden gedaan door Follow the Money en Pointer, waarover destijds al Kamervragen zijn gesteld en dat twee jaar later de situatie nog steeds zorgelijk is?
De bevindingen van de IGJ zijn zorgelijk. Tegelijkertijd is het niet zo dat er sinds 2024 niets is gebeurd. De IGJ is al langere tijd actief bij een aantal aanbieders op het Hoenderloo-terrein. Er zijn sinds 2024 meermaals meldingen opgepakt, deze worden echter niet gepubliceerd.
In antwoord op 11 juni 20242 gestelde schriftelijke vragen wordt bericht dat er een platform zou worden opgericht voor zorgaanbieders, vertegenwoordigers van bewoners, de wijkagent, De Vos Groep, de regionale welzijnsorganisatie en een inhoudelijke jeugdzorg-expert van de gemeente Apeldoorn; en dit platform erop gericht is om de lijnen tussen de verschillende partijen in het gebied kort te houden om zodoende sneller in te kunnen grijpen bij eventuele incidenten. Bestaat dit platform nog steeds? Zo ja, hoe vaak komen genoemde partijen bij elkaar, aan wie leggen zij verantwoording af en wat heeft het precies opgeleverd?
De gemeente Apeldoorn geeft aan dat het platform nog steeds actief is en eens per 6 weken samenkomt. Een afvaardiging van de zorgaanbieders op het terrein, dorpsbelangenverenigingen, De Vos Groep, gemeente Apeldoorn en de wijkagent sluiten aan bij dit overleg. Binnen het platform worden signalen, bijzonderheden en actuele ontwikkelingen in Hoenderloo gedeeld en waar nodig afgestemd. Samenwerking wordt hier gestimuleerd en er worden afspraken over communicatie gemaakt. De korte lijnen hebben bijgedragen aan begrip en een adequate afhandeling bij meldingen. Het platform heeft daarmee vooral een signalerende en verbindende functie, gericht op het delen van informatie, afstemmen tussen partijen en tijdig agenderen van relevante ontwikkelingen.
Aanvullend vindt iedere vier weken overleg plaats met de gebiedswethouder en gebiedsdirecteur. In dit overleg worden de belangrijkste signalen en actualiteiten uit het dorp besproken en, indien nodig, vertaald naar bestuurlijke aandacht of vervolgacties. Concreet gaat het onder meer om een bemiddelende rol van een gebiedsbestuurder, communicatie naar inwoners en (nieuwe) samenwerkingsafspraken.
Weten inmiddels gemeenten allemaal waar hun jongeren verblijven? Wat is er gebeurd sinds juni 2024 om dit in kaart te brengen? Wat hebben de afspraken om het aantal plaatsingen buiten de regio waarin een jongere is opgegroeid terug te brengen en concreet opgeleverd?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp als dat nodig is. De gemeente is niet altijd inhoudelijk betrokken bij een casus. Vanuit hun toezichthoudende rol is het nodig dat gemeenten weten van welke aanbieder de jongere de zorg ontvangt. Dit is informatie waarover zij beschikken vanuit de inkooprelatie met een betreffende aanbieder. Het is echter niet altijd bekend op welke locatie de cliënt verblijft, dat is voor dit type toezicht ook niet noodzakelijk. De jeugdhulpaanbieder is zelf verantwoordelijk voor het verlenen van verantwoorde hulp. En de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
In de zoektocht naar passende hulp wordt, bij gebrek aan passende zorg, soms gekozen voor plaatsingen op een zorglocatie ver buiten de regio die oorspronkelijk niet door de gemeente is gecontracteerd. Dergelijke plaatsingen zijn kwetsbaarder. Zo worden er bijvoorbeeld meestal minder eisen gesteld aan plaatsingen via maatwerkcontracten. Het is daarom belangrijk dat er beter zicht komt op deze plaatsingen. Samen met de VNG en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ) zet ik daarom stappen om één-op-één plaatsingen en buitencontractuele plaatsingen buiten de regio die niet in het belang zijn van de jeugdige, in beeld te krijgen en zo veel als mogelijk tegen te gaan. Gemeenten worden daarvoor op zeer korte termijn verzocht om deze zomer deze jongeren per jeugdregio in beeld te brengen, als zijnde een nulmeting. Daarna gaan jeugdregio’s stapsgewijs toe werken naar meer zicht op de jongere en diens zorgbehoefte met als doel dat zij zoveel mogelijk in eigen regio hulp ontvangen. Ook wordt gekeken of er een verklarende analyse is, of de huidige zorg passend is én hoe toegewerkt wordt naar passende zorg voor deze jeugdige. Gemeenten kunnen hier per direct ondersteuning bij krijgen vanuit een landelijk programma vanuit het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd (OZJ). Ik volg de inspanningen van de gemeenten en verwacht uw Kamer in het najaar te kunnen informeren over de eerste bevindingen.
Vanuit de Hervormingsagenda wordt daarnaast onverminderd ingezet op het verbeteren van het (landelijk) inzicht in het stelsel en het verbeteren van datagedreven werken. Het CBS werkt nu aan een data-infrastructuur voor een centrale monitor van het jeugdstelsel (met o.a. een dashboard en statistieken) en is voornemens na de zomer een eerste versie te lanceren. Deze bevat waar mogelijk cijfers op landelijk, regionaal en gemeentelijk niveau. Daarnaast zet de VNG in op het stimuleren en verbeteren van datagedreven werken bij gemeenten, waarbij de centrale monitor ook gebruikt kan worden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de toezegging dat vanuit de Hervomingsagenda ingezet zou worden op betere (landelijke) monitoring en het versterken van datagedreven werken bij gemeenten? Hoe rijmt dat met het feit dat wederom geconstateerd werd dat gemeenten wederom onvoldoende zicht hebben op waar hun inwoners worden ondergebracht?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de constatering uit het onderzoeksrapport dat de volgende factoren een rol spelen bij het ontbreken van passende hulp van voldoende kwaliteit voor jongeren in Hoenderloo: onvoldoende passende hulp in de eigen regio, het niet op orde zijn van bestuurlijke randvoorwaarden voor kwalitatief goede en veilige hulp, het onvoldoende planmatig en ontwikkelingsgericht werken door zorgverleners, het onrechtmatig inzetten van vrijheidsbeperkende maatregelen, het ontbreken van voldoende onderwijs en/of dagbesteding en het tekortschieten van de veiligheid van de leefomgeving? Zo ja, kunt u per factor aangeven welke concrete maatregelen u gaat nemen om op korte en lange termijn verbetering te realiseren? Zo nee, kunt u per factor aangeven waarom u deze mening niet deelt?
Ik herken de constateringen uit het onderzoeksrapport van de IGJ. Het organiseren en bieden van passende hulp is een gezamenlijke opgave van alle betrokken partijen (overheden/aanbieders/professionals).
Dat er voor jongeren met de meest zware problematiek nog te vaak onvoldoende passende jeugdhulp beschikbaar is, heeft verschillende oorzaken die uiteenlopen van onvoldoende goede (verklarende) analyse aan het begin van een traject tot aan het ontbreken van het benodigd aanbod. Zie daarvoor ook mijn recente brief over acties m.b.t. aanpak t.b.v. passende jeugdhulp voor jongeren met complexe problematiek.3 Het is niet eenvoudig om passende zorg te organiseren voor jongeren met complexe problematiek en onze inzet zal daarom niet in alle gevallen direct resultaat hebben.
Vrijheidsbeperking in de open residentiële jeugdhulp is volgens de Jeugdwet niet toegestaan. Er wordt volop ingezet op het voorkomen hiervan, onder meer middels het informeren van de sector met de handreiking «Omgaan met dilemma’s rond vrijheidsbeperking in de open jeugdhulp met verblijf». Deze is in opdracht van VWS opgesteld. Tegelijkertijd zullen er specifieke omstandigheden blijven bestaan waarin de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen nodig is om te zorgen dat een jongere passende hulp kan krijgen. Daarom werk ik, zoals mijn voorganger heeft aangekondigd, aan een wetswijziging om de toepassing van vrijheidsbeperking in specifieke omstandigheden in de open residentiële jeugdhulp mogelijk te maken.
Vanuit de transformatie van de gesloten jeugdhulp wordt gewerkt aan de realisatie van alternatieven voor gesloten jeugdhulp. Onderdeel daarvan is ook het voorkomen dat kinderen gesloten geplaatst worden. Om hier een impuls aan te geven gaan we de bestuurlijke afspraken over de transformatie gesloten jeugdhulp uit 2024 aanvullen en verder concretiseren. Tot slot treffen we vanuit de Hervormingsagenda verschillende maatregelen om de jeugdhulp te verbeteren. Zoals de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, de verbetering van kwaliteit in de sector en de ombouw van residentiële jeugdhulpinstellingen naar kleinschaligheid.
Hoeveel incidenten hebben er plaats gevonden op het terrein in Hoenderloo sinds 1 januari 2025 waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden op het terrein waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Voor de beantwoording van deze vraag heb ik navraag gedaan bij de gemeente Apeldoorn en de politie. De categorieën die in de vraag beschreven zijn, worden niet als dusdanig geregistreerd. Daarom is voor de beantwoording van deze vraag aangesloten bij meldingen zoals deze worden geregistreerd bij de politie.
Sinds 1 januari 2025 heeft de politie in totaal 1.160 meldingen gehad op het Hoenderloo-terrein. Deze waren van de volgende aard:
Daarnaast zijn er in totaal 13 incidenten geweest waarbij er sprake is geweest van middelengebruik. Er zijn 5 incidenten geweest waarbij sprake was van bedreiging.
Er zijn 19 incidenten geweest waarbij er sprake was van vernieling. Er wordt niet geregistreerd of een bepaald incident een gevoel van onveiligheid bij jongeren tot gevolg heeft. Een gesprek met een politieagent kan bovendien door de ene jongere als beschermend, maar door de ander als onveilig worden ervaren.
Ik heb deze vraag eveneens voorgelegd aan de IGJ. De IGJ beschikt niet over een totaaloverzicht van het aantal incidenten dat sinds 1 januari 2025 heeft plaatsgevonden op het Hoenderloo-terrein. De IGJ heeft in het toezicht op het Hoenderloo-terrein bij de 20, destijds bij de IGJ bekende zorgaanbieders, het aantal incidenten in de jeugdhulp uitgevraagd. In de periode 2024 tot mei 2025 hebben deze zorgaanbieders 319 incidenten gerapporteerd. Ook zijn zorgaanbieders gevraagd voorbeelden van incidenten te geven. De genoemde voorbeelden heeft IGJ gecategoriseerd in «middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen». De IGJ beschikt echter niet over cijfers over het aantal incidenten per hiervoor genoemde categorie of het aantal incidenten waarbij jongeren zich onveilig voelden.
Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden binnen de jeugdzorg waarbij er sprake was van bijvoorbeeld middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen? Hoeveel incidenten hebben er sinds 1 januari 2025 plaatsgevonden waarbij jongeren zich onveilig voelden?
Jeugdhulpaanbieders moeten een calamiteit of geweld bij de verlening van jeugdhulp verplicht melden bij de IGJ. Aanbieders hoeven dus niet alle incidenten bij de inspectie te melden. Het is wel belangrijk dat aanbieders deze zelf registreren en analyseren. Tijdens het toezicht kan de inspectie deze incidentenregistratie inzien en meenemen in het toezicht.
In het jaarbeeld van de IGJ staat dat er in 2025 in totaal 1.240 meldingen binnen de jeugdzorg zijn gedaan, waarvan 160 meldingen over calamiteiten, 410 meldingen over geweld en 670 «andere meldingen». De IGJ registreert deze meldingen niet volgens de categorieën middelengebruik, bedreiging, geweld, nachtelijke activiteiten of vernielingen.
Kunt u aangeven hoeveel onderzoeksrapporten van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) er sinds 1 januari 2025 tot op heden zijn verschenen over misstanden bij de jeugdzorg en jeugdzorgaanbieders? Kunt u hierbij nader toelichten wat de aard is geweest van elk van deze rapporten en welke opvolging er heeft plaatsgevonden?
De IGJ publiceert rapporten over individuele aanbieders naar aanleiding van haar toezicht op een hiertoe bestemde website4. Daarbij kan gezocht worden op sector jeugdzorg, publicatiejaar en het soort toezichtdocument. In de rapporten is te lezen wat de aard van het toezicht was en welke opvolging de IGJ hieraan heeft gegeven. Daarnaast publiceert de IGJ overkoepelende rapporten op haar website. Sinds 1 januari 2025 zijn (thematische) rapporten verschenen over de uitvoering van jeugdbescherming, gesloten jeugdhulp, gezinshuizen, pleegzorg, eetstoornissenzorg en het Hoenderloo-terrein. Dergelijke rapporten worden vanuit de IGJ gepubliceerd op haar website. De aanbevelingen uit de rapporten richten zich op de jeugdhulpverleners en landelijke partijen die hier opvolging aan moeten geven.
Vind u dat het stelsel van toezicht en controle op misstanden effectief is en naar behoren werkt? Vind u dat de IGJ en gemeenten voldoende bestuurlijke instrumenten hebben om tijdig in te grijpen bij misstanden? Zo nee, kunt u toelichten wat u gaat doen om deze instanties meer bevoegdheden te geven?
Het toezicht op de uitvoering van de Jeugdwet is belegd bij verschillende partijen die hierin vanuit hun eigen expertise een verantwoordelijkheid hebben.
Het stelsel van toezicht en controle is in ontwikkeling en er zijn recentelijk maatregelen genomen om het toezicht verder aan te scherpen. Vanaf 1 januari 2026 moeten bijvoorbeeld (bepaalde) jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, op grond van de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, een interne toezichthouder hebben. Daarnaast heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een wettelijke toezichtstaak gekregen op het terrein van de Jeugdwet voor het toezicht op de openbare jaarverantwoording en transparantie financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen (inwerkingtredingsdatum 1 januari 2027).
Toezicht kan incidenten helaas nooit helemaal voorkomen. Toezichthouders kunnen ook niet overal tegelijk zijn. Daarom maken toezichthouders op grond van risicoanalyse keuzes over waar de risico’s het grootst zijn en toezicht het meest effectief is. Hierbij is het belangrijk dat toezichthouders waar mogelijk informatie met elkaar uitwisselen en goed en multidisciplinair met elkaar samenwerken, zodat zij elkaar ook kunnen aanvullen en versterken.
Inspecties en de NZa hebben diverse bestuurlijke, maar ook informele instrumenten om te zorgen dat jeugdzorgaanbieders zich aan de wet- en regelgeving houden. Ook gemeenten hebben bestuursrechtelijk instrumenten tot hun beschikking en kunnen vanuit hun rol als inkoper maatregelen nemen om te zorgen dat kwaliteitseisen worden nageleefd. Het is hierbij van belang dat bestaande bevoegdheden/instrumenten optimaal worden benut en dat multidisciplinaire samenwerking tussen partijen wordt bevorderd. Er zijn en worden nog stappen gezet om samenwerking tussen toezichthouders beter mogelijk te maken. Bijvoorbeeld door het ontwikkelen van regelgeving die toezichthoudende partijen beter in staat stelt gegevens met elkaar uit te wisselen. Voor meer informatie hierover verwijs ik u ook naar de Kamerbrief over zorgfraude die nog voor de zomer aan uw Kamer wordt toegestuurd. Daarin staat ook dat ik naast het versterken van het toezicht heb besloten een vergunningsplicht voor jeugdhulpaanbieders in te voeren. Door toelating, screening en toezicht beter met elkaar te verbinden, ontstaat een samenhangende aanpak waarbij risico’s en misstanden eerder worden gesignaleerd en aangepakt.
Ten slotte zijn er in het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord afspraken gemaakt met betrokken partijen over de aanpak van zorgfraude. Deze maatregelen dragen in brede zin bij aan een effectief stelstel van toezicht en controle. Er wordt o.a. ingezet op het verder verstevigen en professionaliseren van het gemeentelijk toezicht. Ik ben voornemens om dit met een stimuleringsprogramma verder vorm te geven. Over de invulling hiervan ben ik met de VNG in overleg.
Het bericht dat instellingen voor mensen met dementie worstelen met opendeurenbeleid. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Instellingen voor mensen met dementie worstelen met opendeurenbeleid»?1
Ja.
Kunt u aangeven bij hoeveel zorgaanbieders de deuren in de praktijk nog gesloten zijn, aangezien de inspectie ziet dat veel zorgaanbieders werken aan een opendeurenbeleid maar bij een groot deel van de zorgaanbieders de deuren in de praktijk nog altijd gesloten? Kunt u dit uitsplitsen per sector en daarbij aangeven wat daarvoor de hoofd beweegredenen zijn?
Nee, ik heb geen inzicht in de aantallen verpleeghuizen met een zogenoemd opendeurenbeleid. Ieder verpleeghuis dient zich aan de geldende wet- en regelgeving te houden. In het kader van opendeurenbeleid is dat de Wet zorg en dwang (Wzd).
Op welke manieren bent u van plan om in te zetten op kwaliteit van leven voor mensen met dementie?
Ik zet met de Nationale Dementiestrategie (NDS) in op meer onderzoek naar dementie, een dementievriendelijke samenleving en goede zorg en ondersteuning voor mensen met dementie. Deze strategie is onlangs geactualiseerd en in januari 2026 met uw Kamer gedeeld.2
Op welke manieren gaat u inzetten op «vrijheid, tenzij» voor mensen met dementie? En hoe faciliteert u daarin de zorgaanbieders, zorgprofessionals en familie?
Het belangrijkste instrument waarmee ingezet kan worden op «vrijheid, tenzij» voor mensen met dementie is de Wzd zelf. Het uitgangspunt van de Wzd is «nee, tenzij». Dat betekent dat cliënten niet beperkt worden in hun vrijheid, tenzij dat echt niet anders kan. En in dat geval alleen als dat gebeurt met inachtneming van de eisen die de Wzd stelt.
De meest betrokken veldpartijen (zorgaanbieders, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties) hebben met de bestuurlijke afspraken Uitvoering Wzd (december 2023)3 afgesproken zich ervoor in te zetten om het openen van deuren te stimuleren, hier aandacht aan te besteden en het lerende effect tussen zorgaanbieders en professionals te versterken. Vilans heeft hieraan bijgedragen met onder andere de campagne «Een deur kan op veel manieren open»4 als onderdeel van een breder Wzd-programma 2023–2025. Daarnaast heeft Vilans naar aanleiding van de bestuurlijke afspraken samen met veldpartijen de folder «Leven in vrijheid voor cliënten en hun naasten of vertegenwoordigers» uitgebracht.5 In de folder wordt in duidelijke taal uitgelegd wat de Wzd is en welke stappen zorgorganisaties moeten doorlopen bij het inzetten van gedwongen zorg aan cliënten.
Binnen de Wzd-programma’s van Vilans zijn talrijke kennisproducten en -sessies ontwikkeld en aangeboden aan het veld. In het kader van de doorlopende kennisfunctie van Vilans worden de kennisproducten over de Wzd en het openen van deuren onderhouden en blijvend onder de aandacht van de zorgprofessionals gebracht door Vilans.6
Tot slot kent de Wzd om de cliënt en zijn naasten te ondersteunen de functie cliëntvertrouwenspersoon (CVP). Iedere cliënt die te maken krijgt met gedwongen zorg heeft recht op ondersteuning van een CVP.
Deelt u de mening dat dit niet alleen iets van aanbieders, professionals en familie is maar van de samenleving als geheel? Hoe zet u daar op in?
Eén van de lijnen van de Nationale Dementiestrategie is de Dementievriendelijke samenleving. Binnen dit thema werken we aan bewustwording van de samenleving over dementie en zorgen we voor inclusiviteit. We werken aan meer begrip uit de omgeving voor mensen met dementie en hun naasten. We stimuleren betere toegankelijkheid van sportclubs en verenigingen voor mensen met dementie.
Daarnaast heeft Vilans in het kader van het programma «Open de deuren» een «Dossier passende vrijheid» ontwikkeld. Dit dossier bestaat uit meerdere bouwstenen. Eén van deze bouwstenen is «Gebouw en omgeving». Het dossier geeft zorgaanbieders handvatten hoe zij zowel intern als extern een dementievriendelijke omgeving creëren.
Deelt u de zorg van de instellingen dat dementerende bewoners door het opendeurbeleid in gevaarlijke situaties terechtkomen of niet meer terugkeren? Zo ja, wat gaat u doen om hen hierin te begeleiden? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp deze zorg. Het artikel geeft de emotie goed weer die het openen van deuren voor familie en naasten soms met zich meebrengt, waarbij het gevoel dat een cliënt niet veilig is en risico’s loopt een grote rol speelt.
Juist daarom is de individuele afweging noodzakelijk. Als gevaarlijke situaties voorstelbaar zijn bij een cliënt, kan de zorgaanbieder de afweging maken dat deze cliënt niet alleen naar buiten gaat, maar kan de zorgaanbieder andere opties verkennen, zoals onder begeleiding van een zorgverlener de afdeling af en/of naar buiten.
Begrijpt u dat ook familieleden van bewoners vaak enorm worstelen met de afweging tussen vrijheid en veiligheid dat zij grote machteloosheid ervaren als het gaat om de fysieke bescherming van hun dementerende geliefden? Zo nee, waarom niet? Hoe neemt u hen mee in het opendeurenbeleid?
Het is mij bekend dat familieleden en naasten een open deur niet altijd als veilig ervaren en dat zij soms ook in situaties terechtkomen waarin zij dierbaren moeten zoeken en ophalen. Tegelijkertijd horen we, ook van familieleden, dat de kwaliteit van leven van cliënten erop vooruitgaat als zij zich meer in vrijheid kunnen bewegen. Daarom is het belangrijk dat zorgprofessionals in overleg met de naasten van een cliënt en zo mogelijk de cliënt zelf een goede afweging maken.
Onderdeel van deze individuele afweging is de inschatting van de zorgverlener welke risico’s er zijn voor de cliënt en hoe dat afgewogen kan worden tegenover de verbeterde kwaliteit van leven voor de cliënt.
Om deze afweging zorgvuldig voor elke individuele cliënt te kunnen maken heeft Vilans in 2024 een handreiking7 gemaakt ter ondersteuning van zorgprofessionals. Vilans heeft over de handreiking actief gecommuniceerd naar zorgprofessionals, onder andere via hun nieuwsbrief over gedwongen zorg.
Bent u het eens met de verzorgenden dat personeelstekort de tijd beperkt voor maatwerk en begrijpt u dat tegelijkertijd de sterke verantwoordelijk voor de bewoners en het verantwoording afleggen aan familie grote druk op hen legt? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat begrijp ik. Dat neemt niet weg dat, in geval van gedwongen zorg, altijd een individuele afweging gemaakt moet worden.
Hebt u er in tegenstelling tot de inspectie wel begrip voor dat fysieke aanpassingen geld kosten en wegens bezuinigingen niet altijd mogelijk zijn? Zo ja, op welke manier komt u hen hierin tegemoet? Zo nee, waarom niet?
Het is inderdaad mogelijk dat fysieke aanpassingen kosten met zich brengen. In de Wet langdurige zorg (Wlz) wordt via de normatieve huisvestingscomponent geld beschikbaar gesteld voor behoud van het vastgoed. Daar horen ook aanpassingen bij die zijn ingegeven door wijzigingen in de wijze van zorgverlening.
Hoe bevordert u het delen van kennis en ervaringen binnen de verschillende sectoren met het opendeurenbeleid?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Bent u bereid op korte termijn met de Beroepsvereniging V&VN voor verpleegkundigen en verzorgenden en andere betrokkenen in gesprek te gaan, de knelpunten in de wet, problemen waar zij tegen aan lopen en eventueel door hen voorgestelde oplossingen in kaart te brengen en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, en sterker nog: dat doe ik al. Vanuit het Ministerie van VWS vindt er regelmatig overleg plaats op verschillende niveaus en in wisselende samenstellingen met beroepsverenigingen en dus ook de V&VN. Uw Kamer is en wordt daar op regelmatige basis over geïnformeerd. In de toelichting van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en Wzd (Evaluatiewet Wvggz en Wzd) dat momenteel wordt voorbereid, zal ook ingegaan worden op de inbreng van beroepsverenigingen.
Het bericht 'Leiden scherpt de regels voor jeugdhulp aan; Zorg Minder snel doorverwijzen, meer eigen verantwoordelijkheid' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Leidse plan om de regels voor jeugdhulp aan te scherpen, met als doel duidelijker af te bakenen wat wel en niet onder jeugdhulp valt, het terugdringen van onterechte doorverwijzingen terug, en de kosten beter te beheersen? Zo ja, wat is uw oordeel over deze aanpak?1
Ja, daar ben ik mee bekend. Een oordeel over de conceptverordening is in de eerste plaats aan de gemeenteraad van de gemeente Leiden. Op landelijk niveau zie ik dat deze beweging in lijn is met de Hervormingsagenda Jeugd en ik zie verschillende elementen uit het concept wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet terug. Bijvoorbeeld het inrichten van een stevig lokaal team met verschillende taken waaronder informatie en advies, toeleiding en het bieden van hulp en het voorliggend maken van jeugdhulp op groepsbasis.
Hoe beoordeelt u het voornemen in Leiden om verwijzingen naar jeugdhulp scherper te laten toetsen door gemeentelijke jeugdteams en eerder te kijken naar eigen kracht, het sociale netwerk en andere vormen van ondersteuning, voordat gespecialiseerde jeugdhulp wordt ingezet? Ziet u hierin elementen die landelijk navolging verdienen?
In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet komen verschillende van deze voornemens terug, zoals de toets op eigen kracht, mogelijke inzet van het sociale netwerk en inzet van voorliggende voorzieningen. Met dit wetsvoorstel worden gemeenten verplicht stevige lokale teams in te richten die breed kijken naar hulpvragen van gezinnen en jeugdigen en zelf jeugdhulp kunnen bieden. Deze teams moeten daarnaast zorgvuldig beoordelen of aanvullende jeugdhulp nodig is, dan wel of een gezin voldoende ondersteuning heeft vanuit het sociale netwerk of dat voorzieningen in de pedagogische basis passend zijn, die voorliggend zijn op aanvullende jeugdhulp.
Deelt u de zorg dat binnen de jeugdhulp fraude en misbruik veelvuldig plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat zorgverleners zaken onterecht naar jeugdhulp doorschuiven, zorgtrajecten onnodig verlengen of oneigenlijk declareren, zoals in Leiden expliciet wordt benoemd? Hoe groot acht u dit probleem landelijk?
Ik deel de zorg over fraude en misbruik binnen de jeugdhulp. Fraude en misbruik tasten de betrouwbaarheid en de betaalbaarheid van de jeugdhulp en de zorg in het algemeen aan. Dit is onaanvaardbaar en moet worden voorkomen en effectief worden aangepakt. Met name omdat jeugdigen hier de dupe van zijn en als gevolg hiervan vaak niet de zorg krijgen die nodig is. Geld voor de zorg hoort in de zorg.
Het is niet mogelijk om tot een goed onderbouwde omvang van fraude in de zorg te komen. De exacte landelijke omvang van fraude en misbruik binnen de jeugdhulp is niet bekend. Helaas is wel duidelijk dat het om veel geld gaat en weten we ook dat we nog veel niet in beeld hebben.
Het Informatieknooppunt zorgfraude (IKZ) ontving in 2025 in totaal 678 signalen van fraude in de zorg, waarvan er 81 gerelateerd zijn aan de Jeugdwet. Voor de interpretatie van deze cijfers is het belangrijk te benoemen dat zij nog geen volledig beeld geven van de fraude in de jeugdzorg. Oorzaak daarvan is onder andere dat nog niet alle gemeenten zijn aangesloten bij het IKZ en de aangesloten partners nog niet alle signalen delen met het IKZ. Tot slot wordt binnen de jeugdzorg veel gewerkt met onderaannemers, wat het zicht op wanpraktijken soms belemmert.
Welk inzicht heeft u op dit moment in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp, in het bijzonder rond declaraties, persoonsgebonden budgetten, onnodige verlenging van zorgtrajecten en onjuiste verwijzingen? Kunt u daarbij aangeven waar de grootste blinde vlekken in toezicht en handhaving zitten?
Zie het antwoord op vraag 3. Er is geen volledig inzicht in de omvang, aard en verspreiding van fraude binnen de jeugdhulp. Ik wil hierbij benadrukken dat de uitvoering van de jeugdzorg decentraal is georganiseerd. Dit betekent dat het toezicht op de rechtmatigheid van de gedeclareerde jeugdzorg ook decentraal is belegd. Hierdoor ontbreekt een landelijk totaalbeeld.
De cijfers die ik van het IKZ heb ontvangen over 2025 geven de indruk dat het onder andere gaat om zorgverwaarlozing/onvoldoende kwaliteit van zorg, spookzorg (valse declaraties), upcoding (zwaardere behandeling declareren dan uitgevoerd) en het geven van een onjuiste voorstelling van zaken.
Welke concrete maatregelen gaat u op korte termijn nemen om fraude in de jeugdhulp keihard aan te pakken, frauderende aanbieders sneller op te sporen en van de markt te weren, onterecht besteed zorggeld terug te vorderen en gemeenten beter in staat te stellen misbruik direct te signaleren en te stoppen? Acht u het daarbij noodzakelijk om gemeenten meer ruimte, beleidsvrijheid, wettelijke bevoegdheden of handhavingsinstrumenten te geven op het gebied van opsporing en handhaving? Zo ja, welke?
Mijn voorgangers, de Minister en Staatssecretarissen van VWS, hebben uw Kamer op 3 oktober 2025 geïnformeerd over de aanpak van fraude in de zorg, waaronder de jeugdhulp2. De brief omschrijft de maatregelen die reeds genomen zijn of momenteel voorbereid worden om fraude in de zorg tegen te gaan. Ik zal deze hieronder kort samenvatten, waarbij ik specifiek focus op jeugdhulp.
Gemeenten hebben, als inkoper van jeugdzorg, instrumenten om fraude tegen te gaan. Het is aan gemeenten om bij het aangaan van contracten met zorgaanbieders nadere voorwaarden op te nemen, zoals nadere (kwaliteits-)eisen aan (pgb-) zorgaanbieders en regels voor het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de mogelijkheid een VOG te eisen, ook voor bestuurders. Bij zorgen over de integriteit van een zorgaanbieders kunnen gemeenten een Bibob toets uitvoeren. Naast goed contractmanagement is belangrijk dat de gemeente ook het rechtmatigheidstoezicht op de Jeugdwet professioneel organiseert.
De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj), die op 1 januari 2026 inwerking is getreden stelt bovendien strengere eisen aan de bestuursstructuur en een transparante financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen door de eis van een intern toezichthouder, transparante financiële bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording.
Ook het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), dat momenteel in voorbereiding is, beoogt extra voorwaarden en verplichting te stellen aan de bedrijfsvoering van aanbieders. De voorwaarden en verplichting hebben betrekking op het uitkeren van winst, het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen en op van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn afspraken gemaakt over een breed, integraal pakket van maatregelen gericht op het voorkomen, stoppen en bestraffen van zorgfraude. Onder andere is in het AZWA opgenomen dat het (gemeentelijk) toezicht op de jeugdhulp verstevigd en geprofessionaliseerd zal worden en dat hiertoe een stimuleringsprogramma wordt opgezet. Daarnaast is in het AZWA en de Hervormingsagenda Jeugd afgesproken dat verkend wordt of voor jeugdhulpaanbieders een vergunningsplicht ingevoerd dient te worden. Ik werk samen met branche- en beroepsorganisaties, inkopers van zorg, toezichthouders en opsporingsinstanties hard aan de uitwerking van deze maatregelen. We zetten erop in dat ze zo spoedig mogelijk en zoveel mogelijk effect hebben.
In het coalitieakkoord is aanvullend daarop over zorgfraude afgesproken dat:
Het bericht 'Ook sportclubs openen jacht op gulle gever' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook sportclubs openen jacht op gulle gever»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een sportvereniging evengoed een goede bestemming is voor een gift als een gift aan een Goed Doel of culturele instelling?
Ja, sportverenigingen zijn een goede bestemming voor een gift. Zij brengen mensen samen, bevorderen de gezondheid en versterken de sociale cohesie van de samenleving.
Hoe duidt u dat sportverenigingen ondanks de grote geefbereidheid onder Nederlandse huishoudens nauwelijks van die geefbereidheid profiteren?
De Staatssecretaris van Financiën en ik herkennen dit beeld. Dit vloeit voort uit de voorkeur die gevers voor een maatschappelijk thema hebben. Uit het onderzoek Geven in Nederland 2024 blijkt dat elke geefbron zijn eigen voorkeur voor een maatschappelijk terrein heeft. Zo geven huishoudens relatief veel aan religie en levensbeschouwing, gezondheid en internationale hulp en bedrijven relatief veel aan sport en recreatie.2 Van het totaalbedrag € 485 miljoen aan giften aan sport en recreatie in 2022 was € 354 miljoen afkomstig van bedrijven en € 42 miljoen afkomstig van huishoudens en € 90 miljoen afkomstig van andere bronnen.3 Daarnaast kan worden gewezen op vrijwilligers – een bijdrage in tijd van huishoudens – die belangrijk zijn voor onder meer sportverenigingen.
Deelt u de mening dat hogere giftinkomsten van sportverenigingen een bijdrage kunnen leveren aan het kabinetsdoel om te bouwen aan de gezondste generatie ooit?
Sportverenigingen kunnen een belangrijke rol spelen bij het realiseren van de gezondste generatie ooit. Meer financiële middelen stellen verenigingen in staat om meer en kwalitatief beter sportaanbod te organiseren. Hogere giftinkomsten zouden hier een bijdrage aan kunnen leveren.
Kunt u reflecteren op de vraag of het hebben van een ANBI-status en de daarmee samenhangende regeling waardoor een gewone gift aan een ANBI-instelling in tegenstelling tot een gewone gift aan een sportvereniging bij de inkomstenbelasting aftrekbaar is, bevorderlijk is voor het ontvangen van giften uit de samenleving?
Het doel van de giftenaftrek is het bevorderen van schenkingen aan instellingen die bijdragen aan het algemeen nut. Een gift komt in beginsel in aanmerking voor de giftenaftrek als deze is gedaan aan een ANBI of een steunstichting sociaal belang behartigende instelling (steunstichting SBBI). Verenigingen, zoals sportverenigingen, muziekverenigingen en buurtverenigingen, zijn doorgaans geen ANBI, omdat zij in eerste instantie het eigen, particuliere belang van de leden van die vereniging behartigen. Het ontbreken van de ANBI-status staat er echter niet aan in de weg een aftrekbare gift te doen aan een vereniging: periodieke giften aan verenigingen zijn namelijk wel aftrekbaar.
Beschikt u over cijfers over het gebruik van de regeling waarmee periodieke giften aan verenigingen en in het bijzonder sportverenigingen aftrekbaar zijn in de aangifte inkomstenbelasting, en zo ja, kunt u cijfers delen over het gebruik van de regeling voor periodieke giften aan verenigingen in de afgelopen vijf jaar, met daarin een uitsplitsing naar sportverenigingen?
Onderstaand vindt u de gegevens uit belastingaangiften over de jaren 2019 tot en met 2023 van periodieke giften die aan verenigingen, dus geen (culturele) ANBI’s, zijn gedaan (links). Rechts staan de aantallen en bedragen van deze giften die specifiek aan sportverenigingen zijn gedaan. Uit de tabel blijkt dat in 2023 in totaal € 38,5 miljoen periodieke giften aan verenigingen is aangegeven, waarvan € 4,3 miljoen periodieke giften aan sportverenigingen.
Totaal aan periodieke giften aan verenigingen
Totaal aan periodieke giften aan sportverenigingen
Jaar
Aantal
Bedrag
Aantal
Bedrag
2019
23.500
€ 17.200.000
5.900
€ 5.100.000
2020
19.300
€ 21.300.000
5.500
€ 4.900.000
2021
18.600
€ 27.300.000
5.300
€ 4.900.000
2022
18.500
€ 42.700.000
5.200
€ 4.500.000
2023
19.700
€ 38.500.000
5.000
€ 4.300.000
Er zijn overigens ook ANBI’s die sporten stimuleren, zoals NOC*NSF en het Nationaal Fonds voor de Sport. Deze zitten niet in deze gegevens.
Kunt u reflecteren op de vraag of een periodieke gift en de daarmee samenhangende voorwaarden zoals het laten opmaken van een overeenkomst en het vastleggen van een termijn van vijf jaar voor potentiële giftgevers als een drempel wordt ervaren, en zo ja, ziet u mogelijkheden om deze drempel te verlagen?
Het opmaken van een overeenkomst voor het doen van een periodieke gift aan een vereniging is sinds 2014 versimpeld, doordat sindsdien voor een periodieke gift geen notariële akte meer is vereist. Tegenwoordig kan worden volstaan met een onderhandse akte, die te downloaden is vanaf de website van de Belastingdienst.4 Het vastleggen van een termijn van minstens vijf jaar is onzes inziens gelet op het aantal gedane periodieke giften geen onoverkomelijke drempel en deze termijn geeft ANBI’s en verenigingen ook duidelijkheid over de verwachte inkomsten op de lange termijn. Dit maakt hen toekomstbestendiger.
Welke mogelijkheden ziet u om het geven aan sportverenigingen fiscaal aantrekkelijker te maken?
Een uitbreiding van de giftenaftrek met eenmalige giften aan verenigingen is niet in lijn met de ambitie van het kabinet om het belastingstelsel te vereenvoudigen. Daarnaast kent zo’n uitbreiding vele bezwaren zoals de voormalige Staatssecretaris van Financiën reeds heeft toegelicht.5 Zo zou een uitbreiding van de faciliteit leiden tot een aanzienlijke budgettaire derving en een toename van de uitvoeringslasten. Het is daarnaast aannemelijk dat degenen die al een periodieke gift aan hun vereniging doen, dat ook zullen blijven doen aangezien het fiscale voordeel van een periodieke gift ten opzichte van een gewone giften groter is. In tegenstelling tot een periodieke gift is voor de aftrekbaarheid van een eenmalige gift van belang dat de drempel van 1% van het verzamelinkomen met een minimum van € 60 wordt overschreden. Het maximum bedraagt 10% van het verzamelinkomen. Voor de aftrek van periodieke giften geldt geen drempel maar uitsluitend een maximum van € 1,5 miljoen per jaar (2026).
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met de sportbonden, de bewustwording onder Nederlandse huishoudens over de mogelijkheid om te schenken aan sportverenigingen te verbeteren?
In 2021 is op initiatief van de sportbonden en NOC*NSF het Nationaal Fonds voor de Sport opgericht, met steun van het VSBfonds en steunbetuiging van het Ministerie van VWS. Dit fonds heeft een ANBI-status en biedt diverse geefvormen, zoals een eenmalige of periodieke gift, een nalatenschap of een eigen Fonds op Naam. Daarmee is voor gevers die sport een warm hart toedragen al een
toegankelijk loket beschikbaar. Langs die weg kan ook samen met deze partners de bewustwording over de mogelijkheden om aan sport te geven verder worden vergroot.
Welke mogelijkheden ziet u om vanuit de Rijksoverheid, bijvoorbeeld op de webpagina van de Belastingdienst, meer aandacht te besteden aan de mogelijkheid tot schenken aan een sportvereniging?
Goede en vindbare informatie helpt om aandacht te geven aan de bestaande mogelijkheden om onder voorwaarden aan een sportvereniging te schenken of na te laten. Op de website van de Belastingdienst zijn reeds de fiscale voorwaarden voor het doen van een gift aan een vereniging te vinden.6 Ook heeft de Belastingdienst bijvoorbeeld op de eigen webpagina een verwijzing opgenomen naar het Stichtingen en Verenigingen Loket. Op deze webpagina worden vragen beantwoord over stichtingen en verenigingen en belastingzaken. Deze beschikbare informatie kan ook door sportverenigingen of -koepels worden gebruikt voor het vergroten van de bekendheid over de mogelijkheden tot schenken.
De wijziging van automatische uitbetaling naar declaratie voor Zilveren Kruis-verzekerden met een hulphond. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat vanaf 2026 Zilveren Kruis-verzekerden met een hulphond de kwartaalvergoeding zelf via een formulier moeten declareren, in plaats van een automatische uitbetaling?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u van mening dat zorgplicht voor kwetsbare groepen boven efficiëntie en controle gaan? Zo nee, waarom niet?
Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht voor hun verzekerden. Deze zorgplicht is belangrijk en dient gewaarborgd te worden. Met de nieuwe werkwijze van declaratie lijken er echter geen grote risico’s te ontstaan voor de zorgplicht aan kwetsbare groepen. De nieuwe werkwijze is gericht op het voorkomen van mogelijke terugvordering van onrechtmatig verkregen vergoedingen. Dit verkleint het risico op terugvorderingen achteraf.
Deelt u de zorg dat deze wijziging kan leiden tot onnodige drempels voor verzekerden die recht hebben op een hulphond? Zo ja, bent u bereid om hierover het gesprek met Zilveren Kruis aan te gaan? Zo nee, waarom niet?
Deze zorg deelt het kabinet niet. De wijziging in het proces van uitbetaling levert een extra stap op voor verzekerden, wat van invloed kan zijn op de (ervaren) toegankelijkheid van de voorziening, maar de wijziging is zo eenvoudig mogelijk ingericht. Zo heeft een verzekerde direct toegang tot het declaratieformulier op de website van Zilveren Kruis, en wordt een deel van de gegevens automatisch ingevuld. Ook heeft Zilveren Kruis verschillende ondersteuningsmogelijkheden ingericht. Zo is er telefonische ondersteuning beschikbaar voor iedereen die hier behoefte aan heeft. Voor verzekerden die door een visuele beperking een hulphond nodig hebben, is het mogelijk om te bellen en het formulier door een medewerker van Zilveren Kruis in te laten vullen. Daarnaast is het ook mogelijk het formulier 1 of 2 keer per jaar in te vullen, waarbij een verzekerde met terugwerkende kracht de gebruikersvergoeding krijgt uitbetaald. Dit kan tot 3 jaar terug.
Bij het wijzigen van de werkwijze is doorlopend nauw contact geweest met de Oogvereniging. De werkwijze wordt in 2026 geëvalueerd en indien zich knelpunten voordoen, wordt de werkwijze waar nodig en mogelijk aangepast. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het testteam van de Oogvereniging. Gezien de ondersteuningsmogelijkheden en de geplande evaluatie ziet het kabinet geen reden om hierover met Zilveren Kruis in gesprek te gaan.
Deelt u de opvatting dat kwetsbare mensen niet de dupe mogen worden van extra bureaucratie en dat een zorgverzekeraar bestaande vergoedingen niet nodeloos ingewikkelder moet maken? Zo nee, waarom niet?
De wijziging is zo eenvoudig mogelijk ingericht. Terugvorderingen van vergoedingen bij kwetsbare burgers zijn ingrijpender dan het één keer per kwartaal digitaal invullen van een declaratieformulier of bellen met de verzekeraar.
Gaat u in kaart brengen of ook andere zorgverzekeraars vergelijkbare drempels opwerpen bij vergoedingen voor hulpmiddelen of voorzieningen voor kwetsbare verzekerden en kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Met de diverse ondersteuningsmaatregelen die aan de nieuwe werkwijze zijn gekoppeld, heeft Zilveren Kruis geprobeerd zoveel mogelijk drempels voor verzekerden weg te nemen, en het risico op terugvordering van onrechtmatig verkregen kosten te verkleinen. Daarnaast is de werkwijze van het declareren van werkelijk gemaakte kosten gebruikelijk binnen de Zorgverzekeringswet. Het kabinet ziet daarom op dit moment geen reden om hiernaar onderzoek te doen bij andere zorgverzekeraars.
Kunt u zorgen dat dit van tafel gaat als deze extra administratieve last leidt tot het niet of te laat uitbetalen van vergoedingen aan kwetsbare groepen en indien nodig de richtlijnen aan te scherpen over hoe verzekeraars met declaraties van hulpmiddelen zoals hulphonden moeten omgaan? Zo nee, waarom niet?
De wijziging leidt niet tot onevenredige administratieve last of het te laat uitbetalen van vergoedingen aan kwetsbare groepen verzekerden. Zoals in het antwoord op vraag 3 geschetst, heeft Zilveren Kruis verschillende mogelijkheden tot ondersteuning ingevoerd bij deze wijziging. Het is aan de verzekeraar om de service aan klanten optimaal in te richten.
Het artikel 'Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: 'Mensen smeken erom dood te mogen gaan'' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van bovengenoemd artikel?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de constatering dat ondanks signalen en meldingen bij inspecties, gemeenten en de politie, er nog nooit is ingegrepen bij de misstanden in genoemd huis?
De berichtgeving is verschrikkelijk om te lezen. De situatie die wordt beschreven is heftig en onacceptabel. Ik herken niet het beeld dat er nooit is ingegrepen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De IGJ heeft in 2021 en 2022 meerdere keren reguliere toezichtbezoeken gebracht aan Derman woonzorg. Na maatregelen heeft de inspectie het bezoek afgesloten. De toezichtsrapporten hiervan zijn openbaar. Ook is Derman Thuiszorg is bezocht in september 2023 met een hertoets in maart 2024; dit toezichtstraject werd afgesloten nadat verbetermaatregelen werden doorgevoerd.
Meldingen en signalen die de IGJ en Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. In februari dit jaar is nog een bezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste bezoek in een rapport publiceren.
Ik kan niet dieper op deze specifieke casus in gaan. Wel sta ik ervoor dat ouderen in een verpleeghuis moeten kunnen rekenen op goede zorg en veilige zorg.
Volgens het artikel voeren de Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd momenteel uitvoerig onderzoek uit. Gezien de ernst van de signalen, kan er op korte termijn resultaat worden verwacht?
Het rapport van het lopende toezicht door de IGJ zal naar verwachting in april openbaar worden. De IGJ gebruikt haar interventiemogelijkheden passend bij het toezichttraject en de aard en ernst van de risico’s. Voor een verdere uitwerking van het interventiebeleid verwijs ik naar de webpagina van de IGJ: www.igj.nl/documenten/2022/03/17/igj-interventiebeleid.
De Arbeidsinspectie heeft aangegeven niet vooruit te kunnen lopen op de datum van afronding van haar onderzoek.
Deelt u de mening van 50PLUS dat hier sprake is van ernstige ouderenmishandeling?
Zie antwoord bij vraag 3.
Deelt u de mening van 50PLUS dat hier sprake is van ernstige zorgfraude?
Dat is niet aan mij om hier een oordeel over te vellen. Gemeenten en zorgkantoren zijn gemachtigd om zelfstandig hun eigen onderzoeken naar (zorg)fraude te doen. Over eventuele (lopende) strafrechtelijke onderzoeken van de recherche zorgfraude door de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie kan ik geen uitspraken doen.
Mijn medewerkers hebben contact met het betrokken zorgkantoor gehad. Het zorgkantoor heeft een materiele controle en een controle op rechtmatigheid uitgevoerd. Er zijn dubieuze declaraties geconstateerd. Deze zijn teruggevorderd.
Hoe is het mogelijk dat een instelling als deze totaal onbevoegd personeel kan inzetten in verzorging en verpleging voor deze kwetsbare ouderen, met alle nare gevolgen van dien, en dat hier ondanks de signalen die er volgens het artikel al geweest zijn, niet op is ingegrepen?
De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezichtbezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Meldingen en signalen die de IGJ en Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. Vervolgens is in februari dit jaar nog een toezichtbezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste toezichtbezoek in een rapport publiceren.
Hoe is het mogelijk dat een instelling als deze, kwetsbare ouderen kan laten verkeren in gevaarlijk onhygiënische omstandigheden, en dat dit ondanks signalen zo lang voortduurt?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er sprake is van grensoverschrijdend gedrag?
Ik vind het afschuwelijk voor bewoners en werknemers als sprake is van grensoverschrijdend gedrag. Op basis van enkel de inhoud van het artikel kan ik niet beoordelen in hoeverre dit daadwerkelijk het geval is. Dit is onderwerp van onderzoek door de verschillende organisaties, daar waar dat binnen hun toezichtmandaat valt.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er hier hoge sommen zorggeld worden ontvangen voor zorg die niet geleverd wordt?
Mijn medewerkers hebben contact met het betrokken zorgkantoor gehad. Het zorgkantoor heeft een materiele controle en een controle op rechtmatigheid uitgevoerd. Er is fraude geconstateerd. Ook zijn er dubieuze declaraties geconstateerd. Deze zijn teruggevorderd.
Hoe oordeelt u over het misbruik van de persoonsgegevens van de al dan niet bevoegde medewerkers?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe is het mogelijk dat met alle signalen dit huis überhaupt nog geopend is?
Zie antwoord bij vraag 2 en 6.
Worden alle andere verzorgingshuizen van dezelfde ondernemer ook onderzocht, en is het mogelijk deze ondernemer de mogelijkheden van werk verrichten in de zorg af te nemen?
Het toezicht van de IGJ beslaat alle locaties in de wijkverpleging en de woonzorg in De Steeg. Zie verder antwoord bij vraag 3.
Kunt u deze vragen gezien de ernst van de situatie binnen een week beantwoorden?
De beantwoording is meteen ter hand genomen. Gezien de afstemming met de IGJ en de Arbeidsinspectie is de termijn van een week overschreden.
Het bericht ‘Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: 'Mensen smeken erom dood te mogen gaan' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: «Mensen smeken erom dood te mogen gaan»»?1
Ja.
Hoeveel zorgbehoevende ouderen wonen er op dit moment nog in De Steeg?
Voor zover bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bekend, verblijven er op dit moment nog zes ouderen in De Steeg.
Vindt u het verantwoord dat zorgbehoevende ouderen daar op dit moment nog verblijven? Hoe garandeert u de veiligheid van en goede zorg aan deze bewoners?
Derman woonzorg is verantwoordelijk om de wet- en regelgeving na te leven en bewoners goed te verzorgen. Momenteel doen twee toezichthouders onderzoek, ik wacht de conclusies van de IGJ af voordat ik verdere maatregelen neem. De IGJ ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezicht bezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Meldingen en signalen die de IGJ en de Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. In februari dit jaar is nog een bezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste toezichtbezoek in een rapport publiceren.
Ik kan niet dieper op deze specifieke casus in gaan. Wel sta ik ervoor dat ouderen in een verpleeghuis moeten kunnen rekenen op goede en veilige zorg.
Hoe kan het dat ondanks signalen en meldingen bij inspecties, gemeenten en de politie, er nooit is ingegrepen? Is hier sprake van incidenteel falen of van systeemfalen? Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de rol van alle betrokken instanties en de uitkomsten met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer leveren de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) hun onderzoek op?
De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezicht bezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Het rapport van het laatste toezichtbezoek zal naar verwachting in april door de IGJ worden gepubliceerd.
Onderzoeken de Arbeidsinspectie en de IGJ ook alle andere activiteiten van Derman Zorg? Zo nee, bent u bereid hen een aanwijzing te geven tot diepgaand onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Het toezicht van de IGJ en de Arbeidsinspectie beslaat tezamen alle locaties in de wijkverpleging en de woonzorg van deze zorgaanbieder. Ik zie daarom geen aanleiding om een aanwijzing te geven.
Bent u bereid in te zetten op verscherpt toezicht op zorginstellingen en zorgorganisaties met een verhoogd risico op een zwijgcultuur? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De beslissing om in deze casus al dan niet verscherpt toezicht in te zetten is aan de IGJ als onafhankelijke toezichthouder. De IGJ gebruikt haar interventiemogelijkheden passend bij het toezichttraject en de aard en ernst van de risico’s. Een verscherpt toezicht behoort daarbij tot de mogelijkheden. Voor een verdere uitwerking van het interventiebeleid verwijs ik naar de webpagina van de IGJ: www.igj.nl/documenten/2022/03/17/igj-interventiebeleid
Bent u bereid aan te sturen op het direct sluiten van die verpleeghuis en het elders onderbrengen van de zorgbehoevende ouderen? Zo nee, waarom niet?
De IGJ is als onafhankelijk toezichthouder verantwoordelijk voor toezicht op de veiligheid en kwaliteit van zorg. Zij doen onderzoek naar Derman woonzorg en zetten op basis daarvan passende toezichtsmaatregelen in. Het rapport van het laatste toezichtbezoek door de IGJ zal naar verwachting in april door de IGJ worden gepubliceerd. Ik wacht de conclusies van de IGJ af.
Het bericht 'Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: 'Heel erg zorgelijk'' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jonge mensen met psychische problemen overlijden in hospice door stoppen met eten en drinken: «Heel erg zorgelijk»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Herkent u het beeld dat in de uitzending wordt geschetst, namelijk een toename onder jonge mensen met psychische problemen die de keuze maken om te overlijden door te stoppen met eten en drinken?
Er is in Nederland niet een organisatie die cijfers bijhoudt hoe vaak jonge mensen met psychische klachten overlijden door te stoppen met eten en drinken. Hoewel ik bekend ben met de berichten in de media, kan ik niet op basis van cijfers staven of sprake is van een toename onder jonge mensen met psychische klachten die stoppen met eten en drinken.
Worden er cijfers bijgehouden over het aantal mensen in Nederland dat overlijdt door te stoppen met eten en drinken? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen naar aantallen per jaar, leeftijd en ziektebeeld? Zo nee, waarom worden die cijfers niet bijgehouden?
In de KNMG-handreiking Zorg voor mensen die stoppen met eten en drinken om het levenseinde te bespoedigen (januari 2024)2 wordt verwezen naar twee onderzoeken uit 2007 en 2015. In deze onderzoeken komt naar voren dat het in 0,5–1,7% van alle sterfgevallen in Nederland mensen betreft die bewust stopten met eten en drinken. Het ging daarbij soms om mensen met een doodswens van wie het euthanasieverzoek was afgewezen, maar ook om mensen die principiële of emotionele bezwaren hadden tegen euthanasie, of de arts daarmee niet wilden belasten. Anderen vonden dat het hun eigen verantwoordelijkheid was om een zelfgekozen levenseinde te realiseren. In 19 tot 45% van de gevallen waarin mensen bewust stoppen met eten en drinken is sprake van een afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek. Als een wilsbekwame patiënt bewust besluit om te stoppen met eten en drinken, moet de zorgverlener het besluit van de patiënt en daarmee de autonomie van de patiënt respecteren, ongeacht of daarbij sprake is van een eerder afgewezen of niet uitgevoerd euthanasieverzoek.
Uit recent onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijden onder jonge mensen (<24 jaar) blijkt dat bij twee van de in totaal 353 hulpvragers het euthanasietraject bij Expertisecentrum Euthanasie eindigde door te stoppen met eten en drinken, ofwel in ca. 0,5% van de gevallen3.
Uit een eerder dossieronderzoek van Expertisecentrum Euthanasie (EE) naar de achtergronden en het verloop van euthanasieverzoeken op grond van psychiatrisch lijden bij EE van 1.308 patiënten in de periode 2012–2018 is gebleken dat acht hulpvragers stopten met eten en drinken op een totaal aantal van 267 geregistreerde sterfgevallen4.
Bent u bekend met signalen dat hospices van jongvolwassenen met psychische problemen het verzoek krijgen om daar te mogen overlijden door middel van versterving? Klopt het dat het aantal verzoeken toeneemt?
De hospices waarover het in het bericht gaat wensen anoniem te blijven. Dat bemoeilijkt het geven van een reactie. Wel heb ik via de koepelorganisatie Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ) meer vernomen over de achtergrond van deze situatie. Zij hebben contact gehad met het hospice waar drie van de vier jongvolwassenen zijn opgenomen die tot nu toe bekend zijn. Het hospice heeft aangegeven dat zij deze jongvolwassenen vanuit betrokkenheid heeft ondersteund. Tegelijkertijd ziet het hospice in dat jongvolwassenen met dergelijke problematiek eerder in het zorgtraject passende hulp en begeleiding zouden moeten kunnen krijgen, zodat zij niet bij een hospice hoeven aan te kloppen. Het hospice heeft toegezegd in de toekomst geen jongvolwassenen onder de 25 jaar met psychische problematiek en een Bewust Stoppen met Eten en Drinken-wens (BSTED-wens) meer op te nemen.
Ik acht het van belang dat hospices zich richten op hun kerntaak: het bieden van palliatieve terminale zorg aan mensen in de laatste levensfase (mensen met een levensverwachting van maximaal drie maanden). Daarbij past niet dat jongvolwassenen met psychische problematiek en een BSTED-wens worden opgenomen. Hospicezorg is niet passend voor deze jongvolwassenen. Ik ga er dan ook van uit dat hospices in dergelijke situaties geen opname zullen bieden en dat deze jongvolwassenen elders passende ondersteuning en zorg krijgen. In het antwoord op vraag 7 en 8 ga ik in op afspraken, in het kader van het IZA en AZWA, die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor (jonge) mensen met complexe problematiek.
Weet u ook wat de reden is? Kan het te maken hebben met de wachtlijsten bij de Levenseindekliniek?
Zoals in het betreffende bericht wordt aangegeven worden in besloten Facebook-groepen «tips» uitgewisseld over wat je kunt doen als een euthanasieverzoek is afgewezen of als je een euthanasietraject te lang vindt duren. In die groepen laten mensen elkaar weten dat stoppen met eten en drinken een alternatief is en ze zeggen daarbij dat je dat in een hospice vrijwillig kunt doen.
Bij EE is niet bekend of de reden dat jongvolwassenen voor deze optie kiezen te maken kan hebben met een afgewezen euthanasieverzoek of omdat zij een euthanasietraject te lang vinden duren. EE houdt hierover geen gegevens bij.
Welke regels en richtlijnen zijn er voor hospices bij verzoeken tot versterving? Kunnen deze regels per hospice verschillen?
Patiënten kunnen na verwijzing door een arts, waarbij sprake is van een levensverwachting van maximaal 3 maanden, worden opgenomen in een hospice. Voor opname wordt een zorgvuldig proces doorlopen, samen met de patiënt, naasten en de behandelend arts. Het beleid rond bewust stoppen met eten en drinken bij hospices is afhankelijk van de signatuur en het beleid van de individuele hospices maar beweegt zich strikt binnen de kaders van de Zorgverzekeringswet en de overeenkomsten met zorgverzekeraars. Ik verwijs hiervoor ook naar de reactie op het bericht van koepelorganisatie Associatie Hospicezorg Nederland (AHzN)5.
Deelt u de mening dat het schrijnend is dat jongvolwassenen uitkomen op de optie versterving omdat zij onvoldoende psychische hulp krijgen of kunnen vinden voor hun problematiek?
Ik vind het beeld uit de rapportage erg zorgelijk en pijnlijk. Helemaal omdat het over jongvolwassenen gaat. Niet meer willen leven zegt iets over hoe ernstig iemands lijdensdruk is. Het is daarom des te belangrijker dat (jonge) mensen tijdig passende zorg en ondersteuning krijgen, die echt aansluit bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet zet zich er stevig voor in dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen die kampen met ernstige en/of complexe problematiek. Zo zijn in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) onder meer afspraken gemaakt over het vergroten van de behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag en het schrappen van exclusiecriteria in de ggz. Ook gaat het kabinet aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg. Bij de uitwerking hiervan zal het kabinet de probleemanalyse en beleidsopties uit het interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) Mentale gezondheid en ggz betrekken. Zoals door de Minister van VWS bij de begrotingsbehandeling toegezegd, volgt voor de begrotingsbehandeling 2027 een kabinetsreactie op het IBO.
Zo ja, erkent u ook dat dit het gevolg is van jarenlang onvoldoende prioriteit geven aan het verbeteren van de ggz?
Nee. Al jaren wordt er gewerkt aan het vergroten van de toegankelijkheid van de ggz. Zo is het terugdringen van de wachttijden in de ggz één van de doelen uit het Integraal Zorgakkoord (IZA). In het AZWA hebben partijen aanvullende afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor patiënten met complexe zorgvraag. Het gaat onder meer om afspraken over het verbeteren van de samenwerking tussen zorg en sociaal domein, het vergroten van behandelcapaciteit voor patiënten met een complexe zorgvraag, het realiseren van proactieve zorgbemiddeling en het schrappen van exclusiecriteria.
Zoals ik aangaf bij het antwoord op vraag 7 gaat het kabinet aanvullend hierop aan de slag met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Met welke concrete maatregelen gaat u ervoor zorgen dat specifiek deze groep jongvolwassenen wél de passende specialistische ggz hulp krijgen die zij verdienen?
Het is belangrijk dat (jonge) mensen met psychische problematiek tijdig passende ondersteuning en/of zorg krijgen. Zoals geschetst bij het antwoord op vraag 7 en 8 zijn in het IZA en AZWA afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de toegankelijkheid van de ggz verbetert, zeker voor mensen met complexe problematiek. Aanvullend hierop zal het kabinet aan de slag gaan met het hervormen van de financiering en organisatie van de ggz, zodat er capaciteit in menskracht en budget komt voor complexe zorg.
Het is belangrijk dat in de spreekkamer het lijden en de doodswens onderwerp van gesprek zijn, zodat hier door zorgprofessionals passend naar gehandeld kan worden. Behandelaren volgen hierbij richtlijnen en zorgstandaarden. Het is aan het veld om te oordelen over de effectiviteit van behandelingen en op basis daarvan richtlijnen eventueel aan te passen.
Vrijwillige inzet |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de passage uit het coalitieakkoord die spreekt over de onbetaalbare inzet van vrijwilligers waar een zorgzame samenleving niet zonder kan?
Ja.
Klopt het dat er in het coalitieakkoord geen concrete voorstellen staan om vrijwillige inzet te versterken?
Ja, dat klopt. Het kabinet zet in op vrijwilligerswerk via bestaande aanpakken en inzet van reeds beschikbare middelen
Kent u de signalen van maatschappelijke organisaties dat zij een meerjarig perspectief missen om hun activiteiten rond vrijwillige inzet vorm te geven, maar in plaats daarvan vrijwel jaarlijks bezig zijn om middelen te vinden voor hun activiteiten?
Ja, ik ben met de signalen van maatschappelijke organisaties bekend dat zij een meerjarig perspectief missen om hun activiteiten rond vrijwillige inzet vorm te geven. Daarom verstrekt het Ministerie van VWS onder andere meerjarige subsidies aan organisaties in het maatschappelijk veld zodat zij hun inzet duurzaam kunnen versterken, zoals aan het programma Samen Ouder Worden van Vereniging VrijwilligerswerkNL.
Deelt u de mening dat vrijwillige inzet de weerbaarheid van de samenleving versterkt en dat dit met het oog op internationale dreigingen harder nodig is dan ooit? Kunt u toelichten op welke manieren u ziet dat vrijwillige inzet de weerbaarheid van de samenleving versterkt?
Ja, die mening deel ik. Vrijwillige inzet draagt in belangrijke mate bij aan de weerbaarheid van de samenleving. Vrijwilligers versterken de onderlinge verbondenheid tussen mensen en vergroten het sociaal netwerk in buurten en gemeenschappen. Dit stelt samenlevingen beter in staat om met crises om te gaan.
Daarnaast leveren vrijwilligers een praktische bijdrage aan maatschappelijke voorzieningen, bijvoorbeeld in de zorg, bij hulpdiensten en in buurtinitiatieven. Daarmee vergroten zij de capaciteit en flexibiliteit van organisaties wanneer extra inzet nodig is. Tot slot bevordert vrijwillige inzet de zelfredzaamheid en betrokkenheid van burgers. Mensen ontwikkelen vaardigheden en voelen zich mede verantwoordelijk voor hun omgeving. Dit draagt bij aan een weerbare samenleving die beter kan omgaan met internationale dreigingen.
Welke verantwoordelijkheid heeft het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om vrijwillige inzet in de hele samenleving te versterken?
Het Ministerie van VWS heeft een rol in het stimuleren en faciliteren van vrijwillige inzet. Samen met gemeenten en maatschappelijke organisaties wordt er gewerkt aan het creëren van goede randvoorwaarden voor vrijwilligers om bij te kunnen dragen aan een sterkere en verbonden samenleving. Dit gebeurt onder andere door het ondersteunen van vrijwilligersorganisaties en het wegnemen van ervaren belemmeringen.
Zo wordt er onder andere ingezet op het verminderen van regeldruk voor vrijwilligersorganisaties, zodat vrijwilligers meer ruimte krijgen om zich te richten op hun kerntaken. Daarnaast ontvangt de Erasmus Universiteit Rotterdam een subsidie van het Ministerie van VWS voor de ontwikkeling van een post-experience programma vrijwilligersmanagement. Dit programma is gericht op het versterken van de organisatorische en bestuurlijke vaardigheden van vrijwillige bestuurders. Tot slot verstrekt het Ministerie van VWS subsidies aan maatschappelijke organisaties om vrijwillige inzet te versterken. Zo ontvangt onder andere het Oranje Fonds subsidie om financiële toekenningen te bieden aan vrijwilligersorganisaties, zodat zij op eigen wijze kunnen werken aan de duurzame versterking van hun organisatie en ontvangt het Nederlands Rode Kruis een subsidie om hun vrijwilligersbestand te versterken in tijden van noodsituaties en crises.
Welk beleid is er momenteel om vrijwillige inzet duurzaam te versterken, niet alleen in de zorg maar in de hele samenleving?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke manier geeft u invulling aan de motie Bikker c.s. (Kamerstuk 36 200 XVI, nr. 78) die verzoekt in de begrotingen van het Ministerie van VWS een post «ondersteunen en bevorderen vrijwilligerswerk» op te nemen?
Het kabinet deelt volledig de gedachte achter de motie om vrijwilligers te ondersteunen en bevorderen. Daarom trekken we jaarlijks 66 miljoen euro uit, oplopend tot 93 miljoen.
Binnen diverse beleidsartikelen is direct of indirect sprake van «ondersteunen en bevorderen van vrijwilligerswerk». Zo wordt de samenwerking tussen formele en informele zorg versterkt, onder meer doordat een extra bedrag oplopend tot structureel € 17 miljoen beschikbaar is voor de coördinatie van inzet en opleiding van vrijwilligers in de palliatieve terminale zorg. Daarnaast zijn de afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) verwerkt in de begroting van het Ministerie van VWS. Het AZWA richt zich onder andere op het versterken van de positie van vrijwilligers (als onderdeel van netwerksamenwerking) en het versterken van burgerinitiatieven. Dit is gekoppeld aan de afspraak over inloopvoorzieningen sociaal en gezond. In 2027 is hiervoor € 40 miljoen beschikbaar. Dit loopt op tot € 67 miljoen in 2030. Daarnaast wordt jaarlijks in totaal € 6 miljoen uitgetrokken voor het aanleveren van gratis VOG’s voor vrijwilligers en zijn er voor 3 miljoen aan subsidies voor het versterken en ondersteunen van vrijwilligers in Nederland en specifiek in de palliatieve zorg. Hierdoor wordt er ondanks dat er geen centrale post is voor vrijwillige inzet, op verschillende manieren geïnvesteerd in het ondersteunen en bevorderen van vrijwilligers. De reden dat het Ministerie van VWS deze post niet heeft opgenomen is omdat de begroting en de administratie op een ander en algemener/thematisch niveau is ingericht.
Deelt u de mening dat serieuze ondersteuning en versterking van vrijwillige inzet vraagt om beleid dat in nauwe samenwerking met het maatschappelijke veld wordt ontwikkeld, en dat meerjarige kaders biedt waarbinnen vrijwilligersorganisaties hun inzet duurzaam kunnen versterken?
Ik deel deze mening. Het Ministerie van VWS werkt daarom nauw samen met het maatschappelijk veld om vrijwilligersbeleid te ontwikkelen. Voorbeelden hiervan zijn de Coalitie Duurzame Vrijwillige Inzet en het verminderen van regeldruk bij vrijwilligersorganisaties. Daarnaast verstrekt, zoals aangegeven bij vraag 3, het Ministerie van VWS een aantal subsidies aan organisaties in het maatschappelijk veld zodat zij hun inzet duurzaam kunnen versterken.
Op welke manier wordt de Coalitie Duurzame Vrijwillige Inzet, waarvan het Ministerie van VWS deel uitmaakt, benut en gefaciliteerd, ook met passende middelen, om te komen tot een duurzaam en breed gedragen beleid, en een gezamenlijke aanpak, samen met het veld, ter versterking van vrijwillige inzet?
De Coalitie Duurzame Vrijwillige Inzet brengt maatschappelijke organisaties, fondsen en departementen samen om gezamenlijk een visie en aanpak voor de verduurzaming van vrijwillige inzet te ontwikkelen. De verschillende invalshoeken en expertises van deze coalitie worden hiervoor benut. De coalitie wordt hierbij gefaciliteerd door bureau Common Eye. De ontwikkelde visie en aanpak vormt een leidraad voor het versterken en verduurzamen van vrijwillige inzet. Binnen de samenwerking wordt onderzocht hoe gezamenlijk tot concrete voorstellen te komen om vrijwillige inzet te versterken.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor 18 maart 2026?
De beantwoording van de vragen vergde afstemming met verschillende domeinen, waardoor het niet haalbaar was om vóór 18 maart de vragen te beantwoorden.
Het voorkomen en herkennen van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de zorg |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meerdere aangiftes van seksueel wangedrag op zorgboerderij?»1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Hoeveel klachten zijn er sinds 2025 ontvangen door klachtenfunctionarisseren, uitgesplitst per zorgaanbieder, over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg? Hoeveel meldingen hebben geleid tot aangifte?
Er zijn geen cijfers bekend over het aantal klachten dat in 2025 is ontvangen door klachtenfunctionarissen over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg. Seksueel overschrijdend gedrag moet door de zorgaanbieder wel altijd gemeld worden bij de IGJ. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 ontvangen door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg? Hoeveel meldingen hebben geleid tot aangifte?
Sinds 2025 heeft de IGJ circa 100 meldingen ontvangen over seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg. Hoeveel meldingen hebben geleid tot een aangifte is bij de IGJ niet bekend.
Hoeveel meldingen zijn er sinds 2025 gedaan door cliënten en zorgpersoneel van grensoverschrijdend gedrag in de hele zorgsector, uitgesplitst per sector en uitgesplitst per vorm waarin de zorg wordt geleverd?
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de meldingen die de IGJ heeft ontvangen over seksueel grensoverschrijdend gedrag per 2025, uitgesplitst naar zorgsector en afgerond op tientallen. Een nadere uitsplitsing per zorgvorm is niet beschikbaar.
Eerstelijnszorg
50
Geestelijke Gezondheidszorg (dit jaar inclusief Zorg aan Justitiabelen)
80
Gehandicaptenzorg
100
Jeugd
70
Medisch Specialistische Zorg
10
Publieke gezondheidszorg
<5
Verpleging en Verzorging
30
Hoeveel zorgaanbieders hanteren momenteel een algemene VOG-verplichting voor alle zorgverleners?
Alle zorgaanbieders die zorg verlenen op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) moeten op grond van het Uitvoeringsbesluit wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van de zorgverleners die zorg verlenen aan hun cliënten. Die VOG-verplichting geldt binnen de Wlz ook voor andere personen die beroepsmatig in contact kunnen komen met de cliënten. Het voorgaande geldt ook voor zorgaanbieders die geestelijke gezondheidszorg verlenen met de mogelijkheid tot verblijf. Voor andere zorgaanbieders geldt dat het afhankelijk is van de individuele zorgaanbieder of een VOG wordt verlangd van zorgverleners. Een VOG verlangen is mogelijk, maar is geen wettelijke verplichting.
Wat zijn de kosten van invoering van een algemene VOG-verplichting voor alle zorgverleners? Welke gevolgen heeft een dergelijke algemene verplichting voor de administratieve lasten?
De totale kosten van een zorgbrede VOG-verplichting voor alle zorgverleners zouden aanzienlijk zijn, gezien het grote aantal zorgverleners in de sector. Naast financiële kosten zijn ook de uitvoeringsconsequenties van belang, met name voor screeningsautoriteit Justis en zorgaanbieders. De uiteindelijke kosten hangen bovendien sterk af van de invoering, bijvoorbeeld of de verplichting geldt voor nieuwe en/of zittende medewerkers en of deze eenmalig of periodiek wordt uitgevoerd. De financiële kosten en administratieve lasten van een uitbreiding van de VOG-verplichting moeten natuurlijk in verhouding staan tot het beoogde doel: het verkleinen van veiligheidsrisico's en het waarborgen van de integriteit binnen organisaties.
Hoeveel cliënten in de gehandicaptenzorg ontvangen momenteel zorg vanuit een persoonsgebonden budget (pgb) en hoeveel cliënten ontvangen zorg in natura?
Er zijn circa 133.000 cliënten met een zorgprofiel behorend bij de gehandicaptenzorg met gebruik van naturazorg, pgb of een combinatie van naturazorg en pgb (gemeten op peilmoment, 2024). Daarvan hadden er 105.300 naturazorg, 41.500 pgb en 13.800 een combinatie van naturazorg en pgb2.
Hoeveel pgb-gefinancierde wooninitiatieven zijn er in de gehandicaptenzorg? Wanneer kan het transparantieregister van pgb-wooninitiatieven verwacht worden?
Het exacte aantal pgb-gefinancierde wooninitiatieven in de gehandicaptenzorg is niet bekend. Wel is bekend dat medio 2025 6.170 pgb-houders met een zorg-profiel in de gehandicaptenzorg een wooninitiatieventoeslag ontvingen3. Als wordt uitgegaan van gemiddeld 12 bewoners per wooninitiatief komt dit neer op circa 500 pgb-gefinancierde wooninitiatieven in de gehandicaptenzorg. Samen met de IGJ, Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en het CIBG werk ik aan de ontwikkeling van een transparantieregister voor pgb-gefinancierde wooninitiatieven. Het is de bedoeling dat het register automatisch wordt samengesteld door gebruik te maken van de vragenlijsten van Meldplicht, Vergunningplicht en Openbare Jaarverant-woording. Hiervoor moeten deze vragenlijsten worden aangepast, zodat hieruit eenduidig kan worden afgeleid wanneer er bij een zorgaanbieder sprake is van een wooninitiatief. Deze informatie wordt verder aangevuld met gegevens van zorgkantoren.
Om dit alles te realiseren zijn zowel technische als juridische aanpassingen nodig. Met name het aanpassen van regelingen en het creëren van een vereiste grondslag voor gegevensuitwisseling kost tijd. Ik streef ernaar het register zo spoedig als mogelijk operationeel te hebben. Daarbij wordt verkend of het een optie is het register in fasen te vullen en beschikbaar te stellen, waarbij een steeds completer beeld ontstaat. Als blijkt dat dit mogelijk is, kan een eerste versie wellicht eind dit jaar beschikbaar zijn.
Wat is de stand van zaken van het door zorgaanbieders «beter in staat zijn van het herkennen en signaleren van seksueel grensoverschrijdend gedrag»? Op welke wijze worden zorgaanbieders gestimuleerd om te werken aan deze bewustwording en preventie, in het bijzonder als het gaat om cliënten met moeilijk verstaanbaar gedrag of die niet verbaal kunnen aangeven wat zij ervaren? Zijn er concrete veranderingen te zien?2
De inspectie ziet dat zorgaanbieders in de gehandicaptenzorg zich blijvend inspannen om het beleid verder te verbeteren. De inspectie ziet daarnaast een positieve ontwikkeling als het gaat om doorontwikkeling van het beleid. Zo is het bij veel zorgaanbieders aantoonbaar beleid om het thema gezonde seksuele ontwikkeling (vriendschap, relaties, intimiteit en seksualiteit) onderdeel te laten zijn van de methodische begeleiding van cliënten, als dat mogelijk is. Ook hebben veel zorgaanbieders de pijlers van de Veilige Zorgrelatie ingevoerd of werken zij daaraan.
De regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld heeft samen met de gehele zorgsector, waaronder het domein gehandicaptenzorg, in juni 2025 een zorgmanifest gepresenteerd op een zorgbreed congres tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dit manifest is inmiddels door 40 branche- en beroepsverenigingen ondertekend.
Ter opvolging van dit manifest heeft de regeringscommissaris op 17 december 2025 een bestuurlijk overleg georganiseerd ten behoeve van bestuurlijke inzet op het ontwikkelen van ideeën tot concrete plannen van aanpak. Op 28 mei a.s. wordt er een bestuurlijk vervolg op georganiseerd. De plannen van aanpak per zorgdomein zijn dan verder uitgewerkt en de eerste ideeën in gang gezet.
De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland heeft daarnaast een handreiking «Sturen op aanpak seksueel misbruik» met praktische handvatten en aanbevelingen voor zorgorganisaties om de preventie en aanpak van seksueel misbruik te organiseren. Deze handreiking wordt momenteel herschreven. De herziene handreiking beschrijft wijzigingen in wet- en regelgeving, bevat veel achtergrondinformatie en ondersteunt organisaties bij het uitwerken van hun eigen interne beleid en procedures ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag richting cliënten.
Over hoeveel inspecteurs beschikt de IGJ momenteel? Hoeveel bezoeken heeft de IGJ sinds 2025 afgelegd aan pgb-gefinancierde wooninitiatieven, zoals zorgboerderijen?
Er werken 470 inspecteurs bij de IGJ. Hiermee houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de gehele gezondheidszorg, jeugdhulp, farmaceutische producten en medische hulpmiddelen. Binnen de afdeling gehandicaptenzorg werken 28 inspecteurs.
De IGJ heeft vanaf 2025 229 bezoeken gebracht aan aanbieders van gehandicaptenzorg. Daaronder zijn ook pgb-gefinancierde wooninitiatieven. De financieringsvorm maakt echter geen deel uit van de risico informatie voorafgaand aan een bezoek. Daarom is geen exact antwoord te geven op de vraag hoeveel van de bezochte zorgaanbieders pgb-gefinancierd zijn. In haar toezicht en de ingezette toetsingskaders maakt de inspectie evenwel geen onderscheid tussen pgb- zorg en zorg in natura.
Verder ziet de IGJ veel mengvormen: aanbieders die zowel pgb-gefinancierd zijn, als zorg in natura leveren en ook door de Wmo gefinancierd zijn. Deze aanbieders bieden vaak zorg aan cliënten met uiteenlopende zorgvragen (gehandicaptenzorg, ggz, jeugd, ouderenzorg).
Beschikt de IGJ inmiddels over gespecialiseerde inspecteurs voor intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven, zoals verzocht in de motie-Westerveld? Zo ja, hoeveel inspecteurs zijn er inmiddels? Zo nee, waarom niet?3
Ja, de inspectie beschikt over inspecteurs die toezichthouden op aanbieders voor intramurale gehandicaptenzorg, waaronder pgb-wooninitiatieven. Binnen de afdeling Gehandicaptenzorg (GHZ) werken momenteel 28 inspecteurs.
Naar aanleiding van de bovengenoemde motie-Westerveld en de Toekomstagenda «zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking» (Toekomstagenda) is de capaciteit van de afdeling GHZ tijdelijk uitgebreid met 8 fte waarvan 6 inspecteurs. De huidige bezetting van 28 fte is inclusief die 6 inspecteurs.
Zijn er inmiddels gespecialiseerde vertrouwenspersonen voor de intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven, zoals verzocht in de motie-Westerveld? Zo ja, hoeveel vertrouwenspersonen zijn er? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen zicht op het type vertrouwenspersonen werkzaam in de intramurale gehandicaptenzorg en pgb-wooninitiatieven, noch heb ik zicht op het aantal vertrouwenspersonen werkzaam in de sector.
Mijn ambtsvoorganger is in 2024 in gesprek gegaan met de sector over cliënt-vertrouwenspersonen Wet zorg en dwang (Wzd). Hierover is aan uw kamer gerapporteerd in de voortgangsrapportage van de Toekomstagenda in 20246.
Welke concrete stappen zijn er sinds de antwoorden van uw ambtsvoorganger uit 2024 gezet om zicht te krijgen op de omvang van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg en om een gerichte aanpak in te zetten?
Met middelen uit de Toekomstagenda is de capaciteit van de IGJ fors uitgebreid (26%) met zes extra inspecteurs specifiek voor de gehandicaptenzorg.
Voor de inspectie heeft het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag zowel in 2025 als 2026 in de gehandicaptenzorg aandacht in het toezicht. De inspectie beoordeelt of zorgaanbieders voldoende doen om (toekomstige) cliënten te beschermen tegen (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Dit doet zij in zowel het risico-gestuurde toezicht als in het incidententoezicht. Zorgaanbieders worden daarnaast gestimuleerd om zelf hun beleid te beoordelen. De inspectie beoogt hiermee het bewustzijn binnen de sector te vergroten7.
Om beter zicht te krijgen op pgb-gefinancierde wooninitiatieven is er een transparantieregister in ontwikkeling. Ten slotte rapporteer ik hierover in de voortgangsrapportage van de Toekomstagenda die uw Kamer op korte termijn ontvangt.
Het bericht 'Hotel vangt jarenlang kwetsbare mensen op, gemeente zet er streep door' |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hotel vangt jarenlang kwetsbare mensen op, gemeente zet er streep door»?1
Ja.
Klopt het dat de gemeente Midden-Groningen in het verleden kwetsbare personen heeft doorverwezen naar dit hotel als tijdelijke opvanglocatie? Zo ja, hoe beoordeelt u het dat een particulier initiatief dat jarenlang feitelijk een publieke taak heeft vervuld, nu geconfronteerd wordt met handhaving en hoge dwangsommen?
Uit het bericht volgt dat in het verleden kwetsbare personen (tijdelijk) in het betreffende hotel verbleven en dat er contacten zijn geweest met de gemeente over deze situatie. Na contact met de gemeente blijkt echter dat geen sprake was van opvang, maar uitsluitend van huisvesting door een commerciële verhuurder. Het hotel heeft daarmee geen publieke opvangtaak vervuld. Eventuele doorverwijzing naar deze locatie vond slechts plaats in de context van het wijzen op beschikbare particuliere huisvestingsmogelijkheden, vergelijkbaar met verwijzingen naar andere verhuurders die in situaties van acute huisvestingsnood onderdak kunnen bieden. Daarbij geldt ook dat het hotel niet uitsluitend door kwetsbare personen wordt bewoond, maar dat sprake is van een bredere groep huurders.
Het is primair aan de gemeente om te bepalen op welke wijze zij invulling geeft aan haar verantwoordelijkheden op het terrein van maatschappelijke ondersteuning en opvang. De gemeente Midden-Groningen zet daarbij actief in op lokale initiatieven om aan deze publieke taak te voldoen, in samenwerking met onder andere woningcorporaties en zorgaanbieders. Tegelijkertijd is het van belang onderscheid te maken tussen publieke opvang en particuliere huisvesting, waarbij belangrijk is dat er duidelijkheid is bij alle partijen of er sprake is van opvang of particuliere huisvesting. Gemeenten dienen bij dergelijke situaties een zorgvuldige afweging te maken, waarbij zowel de geldende regelgeving als de belangen van de betrokken bewoners worden meegewogen.
Deelt u de opvatting dat het primair de verantwoordelijkheid van de overheid en gemeenten is om te zorgen voor structurele, passende huisvesting van kwetsbare personen, en dat het onwenselijk is wanneer deze verantwoordelijkheid in de praktijk verschuift naar particuliere ondernemers, zonder duidelijke contractuele basis of een langetermijnvisie?
Het kabinet onderschrijft dat overheden, en in het bijzonder gemeenten, een belangrijke rol hebben bij het bevorderen van voldoende en passende huisvesting voor aandachtsgroepen. Gemeenten voeren hierin lokaal de regie en maken afspraken met betrokken partijen, waaronder woningcorporaties en waar relevant ook andere aanbieders, om het aanbod van geschikte woningen te vergroten. Samenwerking met verschillende partijen kan in de praktijk bijdragen aan het realiseren van woningen. Daarbij is het van belang dat verantwoordelijkheden en afspraken zorgvuldig worden vastgelegd en passen binnen een structurele aanpak. Met de Wet versterking regie volkshuisvesting beoogt het kabinet de regierol van overheden bij de volkshuisvesting verder te versterken en beter te sturen op een toereikend aanbod van passende woningen voor aandachtsgroepen.
Welke landelijke kaders bestaan er om te voorkomen dat tijdelijke noodoplossingen, zoals het onderbrengen van kwetsbare personen in hotels, jarenlang voortduren zonder structurele oplossing, en acht u deze kaders voldoende effectief?
Het kabinet acht het van belang dat voor aandachtsgroepen wordt gewerkt aan structurele en passende huisvesting. Tijdelijke oplossingen kunnen in de praktijk soms nodig zijn om acute situaties op te vangen, maar zijn nadrukkelijk niet bedoeld als langdurige oplossing. Gemeenten maken hierover lokaal afwegingen en werken daarbij samen met onder meer woningcorporaties en andere betrokken partijen.
Op landelijk niveau bestaan verschillende kaders en instrumenten die zijn gericht op het vergroten van het structurele woningaanbod voor aandachtsgroepen. Met de Wet versterking regie volkshuisvesting wordt de regierol van overheden bij de volkshuisvesting verder versterkt, onder meer door het verplichten van volkshuisvestingsprogramma’s en het versterken van de sturing op woningbouw en de huisvesting van aandachtsgroepen. Het kabinet verwacht dat deze versterkte regie bijdraagt aan het beter realiseren van structurele oplossingen. Tegelijkertijd blijft het van belang dat overheden en betrokken partijen in de praktijk blijven sturen op het voorkomen dat tijdelijke voorzieningen langer duren dan noodzakelijk. Tenslotte wordt er hard gewerkt aan een meer integrale en structurele aanpak van alternatieve huisvesting voor deze spoedzoekers. Dit moet resulteren in een flexibele schil voor deze groep woningzoekenden.
Bent u bereid te onderzoeken hoe het Rijk gemeenten beter kan ondersteunen of aanspreken op hun zorgplicht, zodat kwetsbare bewoners niet van de ene op de andere dag hun woonplek verliezen en particuliere initiatieven die uit maatschappelijke betrokkenheid handelen, niet in een juridisch vacuüm terechtkomen?
Het kabinet vindt het van belang dat aandachtsgroepen kunnen beschikken over passende en zo stabiel mogelijke huisvesting. Gemeenten hebben een belangrijke rol bij het vormgeven van het lokale woonbeleid en bij het maken van afspraken met betrokken partijen over de huisvesting van deze groepen. Daarbij is het van belang dat zorgvuldig wordt omgegaan met de positie van bewoners en dat betrokken partijen duidelijkheid hebben over rollen, verantwoordelijkheden en gemaakte afspraken.
Het kabinet zet er op in om gemeenten hierbij beter te ondersteunen en de regie op de volkshuisvesting te versterken. Met de Wet versterking regie volkshuisvesting worden gemeenten onder meer verplicht om volkshuisvestingsprogramma’s op te stellen en worden de mogelijkheden voor sturing op de huisvesting van aandachtsgroepen versterkt. Het kabinet verwacht dat dit bijdraagt aan meer duidelijkheid en een meer structurele aanpak. Tegelijkertijd blijft het kabinet in gesprek met gemeenten en andere betrokken partijen over de knelpunten die zich in de praktijk voordoen.
Het bericht 'Veel bushaltes niet toegankelijk voor mensen met een beperking' |
|
Daan de Kort (VVD), Björn Schutz (VVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Veel bushaltes niet toegankelijk voor mensen met een beperking»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat bushaltes voor iedereen toegankelijk moeten zijn, mede gelet op het feit dat Nederland tien jaar geleden het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap heeft geratificeerd?
Ja, bushaltes zouden voor iedereen toegankelijk moeten zijn.
Bent u zich ervan bewust dat veel mensen met een beperking volledig afhankelijk zijn van het Openbaar vervoer en dat toegankelijke mobiliteit een essentiële voorwaarde vormt om volwaardig te kunnen deelnemen aan andere maatschappelijke domeinen, zoals onderwijs, werk en sport?
Ja, toegankelijke mobiliteit is voor mensen met een beperking van groot belang om volwaardig te kunnen deelnemen aan de samenleving.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om de toegankelijkheid van het Openbaar vervoer te verbeteren, in het bijzonder voor mensen met een visuele beperking en voor mensen met een mobiliteitsbeperking?
Het Rijk heeft in 2022 het Bestuursakkoord Toegankelijkheid Openbaar Vervoer 2022–2032 (verder te noemen Bestuursakkoord) gesloten met de decentrale ov-autoriteiten, dat zijn de provincies en vervoersregio’s, ProRail, en vervoerders.2 In het akkoord zijn afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van het openbaar vervoer verder te verbeteren voor reizigers met een beperking. De afspraken hebben onder andere betrekking op de toegankelijkheid van reisinformatie, stations, voertuigen, en bus- en tramhaltes. Alle partijen hebben een eigen rol in het realiseren hiervan. Het Rijk heeft € 30 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de afspraken en volgt de uitvoering ervan.
Bent u van mening dat bij de aanbesteding van nieuwe Openbaarvervoerlocaties expliciete en afdwingbare toegankelijkheidseisen moeten worden opgenomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ja, in het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer is bepaald dat alle nieuwe, vernieuwde en verbeterde haltes en stations toegankelijk moeten zijn.
Deelt u de opvatting dat bij renovatie of herinrichting van bestaande ov-locaties de toegankelijkheid aantoonbaar moet worden verbeterd? Zo ja, hoe gaat u dit waarborgen?
Ja, de regelgeving verplicht provincies en gemeentes als wegbeheerders, haltes die dat nog niet zijn toegankelijk te maken wanneer er reconstructie of groot onderhoud plaatsvindt.
In lijn met de afspraken in het Bestuursakkoord hebben de decentrale ov-autoriteiten uitvoeringsprogramma’s opgesteld waarin zij aangeven hoe zij uitvoering geven aan afspraken uit het akkoord, waaronder het toegankelijk maken van haltes. Het Rijk heeft € 28 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van de programma’s. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bewaakt de voortgang van de afspraken in het Bestuursakkoord en bespreekt het periodiek met de decentrale ov-autoriteiten.
In het Bestuursakkoord is verder afgesproken dat het Rijk wegbeheerders stimuleert en motiveert om meer haltes toegankelijk te maken door kennisdeling te bevorderen, goede voorbeelden te delen en de samenhang te bevorderen met andere verbeteringen van toegankelijkheid in het fysieke domein. In 2023 zijn de totale kosten voor het toegankelijk maken van de resterende bus- en tramhaltes geraamd op circa € 760 miljoen.3 Dit maakt het een lange termijnopgave.
Over de toegankelijkheid van treinstations heeft het Rijk afspraken gemaakt met ProRail. Via het Implementatieplan Toegankelijkheid wordt gewerkt aan het toegankelijk maken van treinstations. Daarnaast zijn er EU-verordeningen van toepassing op de toegankelijkheid van treinstations en rijdend treinmaterieel.
Op welke wijze bent u voornemens ervaringsdeskundigen structureel te betrekken bij het verbeteren van de toegankelijkheid van bushaltes en andere Openbaarvervoerlocaties?
In de Wet Personenvervoer 2000 is bepaald dat concessieverleners, dat zijn het Rijk en decentrale ov-autoriteiten, consumentenorganisaties betrekken. Dit gebeurt onder andere in het Landelijk Overleg Consumentenbelangen Openbaar Vervoer (LOCOV) en de Regionale Overleggen Consumentenorganisaties Openbaar Vervoer (ROCOV’s). Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat overlegt daarnaast regelmatig over de uitvoering van het Bestuursakkoord met consumentenorganisaties die over ervaringsdeskundigheid beschikken. Ook wordt, in het kader van de motie Paulusma, met hen gesproken over de ondersteuning van ervaringsdeskundigen die betrokken zijn bij het realiseren van toegankelijk openbaar vervoer.4
Bent u bereid om in overleg te treden met het Interprovinciaal Overleg (IPO) om provinciebesturen te bewegen bij de verlening en herziening van ov-concessies nadrukkelijker en bindender toegankelijkheidseisen op te nemen? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd is in het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer bepaald dat alle nieuwe, vernieuwde en verbeterde voertuigen, haltes, stations en reisinformatie toegankelijk moeten zijn. De provincies en vervoersregio’s zijn hier bij de verlenging en herziening van ov-concessies aan gehouden. Met de ondertekening van het Bestuursakkoord hebben zij het belang van toegankelijkheid opnieuw onderkend. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft periodiek overleg met DOVA, het samenwerkingsverband van decentrale ov-autoriteiten, over de uitvoering van de afspraken in het Bestuursakkoord.
Gelet op het feit dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de inrichting van bushaltes, bent u bereid om tevens in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om te bevorderen dat bij aanleg, herinrichting en onderhoud van bushaltes toegankelijkheid structureel wordt verbeterd en conform het VN-verdrag handicap wordt geborgd? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven?
In het Bestuursakkoord is afgesproken dat de decentrale ov-autoriteiten met de wegbeheerders werken aan het verder toegankelijk maken van bushaltes. Zij bekijken samen in welk tempo en met welke prioritering haltes toegankelijk gemaakt kunnen worden, gegeven de daarvoor beschikbare middelen. Het ministerie voert zoals gezegd periodiek overleg met het samenwerkingsverband van decentrale ov-autoriteiten waarbij ook wordt gesproken over het verder toegankelijk maken van bushaltes.
Het artikel 'Verpleeghuisbewoners opsluiten mag niet meer: ook mensen met dementie zijn bovenal vrije burgers' |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u dit bericht? zo ja wat vindt u hiervan?1
Ja. Het bericht geeft een juiste weergave van de bedoeling van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) met betrekking tot het openen van deuren en het inzetten van vormen van gedwongen zorg. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel (ultimum remedium) worden verleend als er sprake is van ernstig nadeel en er geen mogelijkheden meer zijn voor vrijwillige zorg. Daarbij geeft het artikel de emotie weer die het openen van deuren voor familie en naasten soms met zich meebrengt, waarbij het gevoel dat een cliënt niet veilig is en risico’s loopt een grote rol speelt. Tegelijkertijd hebben cliënten het recht op de vrijheid om te gaan en staan waar zij willen. Ik zie ook dat cliënten en hun familie en naasten steeds vaker aangeven dat risico’s bij het leven horen en het volledig proberen risico’s uit te sluiten (bijvoorbeeld door deuren gesloten te houden) niet bijdraagt aan de kwaliteit van leven van de cliënt. En iemand insluiten raakt cliënten, maar óók zorgverleners. Daarom moeten de zorgprofessionals altijd onderzoeken of er vrijwillige of minder ingrijpende oplossingen zijn. Indien er écht geen andere oplossing is dan de deur sluiten, dan moet dit zo kort mogelijk, zorgvuldig en in nabijheid van een zorgprofessional plaatsvinden. En altijd op basis van een wettelijke grondslag, in dit geval de Wzd. Het is belangrijk dat zorgprofessionals goed in gesprek blijven met cliënten, familie en naasten over dit onderwerp en de afwegingen die daarbij worden gemaakt delen.
Kunt u een actueel beeld geven van het aantal verpleeghuizen dat sinds 2020 met een opendeurenbeleid werkt en het aantal verpleeghuizen waar dat nog niet het geval is?
Nee, ik heb geen inzicht in de aantallen verpleeghuizen met een zogenoemd open deurenbeleid. Ieder verpleeghuis dient zich aan de geldende wet- en regelgeving te houden. In het kader van opendeurenbeleid is dat de Wzd.
Kunt u de geest van de beweging achter het opendeurenbeleid schetsen en welke verandering vraagt dit van bestuurlijk Nederland in de langdurige zorg?
Ieder mens heeft het recht om in vrijheid te leven en eigen keuzes te maken: zelf beslissen hoe je de dag doorbrengt en waar je woont. Dit recht geldt ook voor mensen met een verstandelijke beperking of een psychogeriatrische aandoening, zoals dementie, die (langdurige) zorg ontvangen. Van zorgorganisaties mag worden verwacht dat zij zich maximaal inzetten om mensen in staat te stellen het leven naar eigen inzicht in te richten. Het gedeelde beeld2 is dat een duidelijke focus op het openen van deuren zal helpen in het vergroten van eigen regie en vrijheid. De ervaring is dat wanneer de cliënt zijn of haar leven zoveel mogelijk naar eigen inzicht kan inrichten en daarbij wordt aangesloten bij de behoeften en (vroegere) gewoonten van de cliënt er meer vrijheid wordt ervaren. Het nauw betrekken van familie en naasten is hierbij van groot belang. Het streven naar meer vrijheid is een van de pijlers van de Wzd. Steeds meer zorgaanbieders zijn daarom al aan de slag om deuren te openen. Het meer openen van deuren is één van de manieren om vrijheid te vergroten.
Tegelijkertijd wordt ook niet gevraagd van zorgorganisaties om alle deuren zonder meer te openen. Als er bij mensen met dementie ernstig nadeel optreedt als zij de veilige setting van een afdeling of locatie verlaten, mag deze deur gesloten blijven. De Wzd vraagt om een zorgvuldige en individuele afweging.
De meest betrokken veldpartijen (zorgaanbieders, beroepsverenigingen en cliëntenorganisaties) hebben met de bestuurlijke afspraken Uitvoering Wzd (december 2023) afgesproken zich ervoor in te zetten om het openen van deuren te stimuleren, hier aandacht aan te besteden en het lerende effect tussen zorgaanbieders en professionals te versterken. Vilans heeft hieraan bijgedragen met onder andere de campagne «Een deur kan op veel manieren open»3 als onderdeel van een breder Wzd-programma 2023–2025.
Welke factoren helpen volgens u om de invoering van het opendeurenbeleid te versnellen, en waar liggen nog kansen voor ondersteuning van de VVT-sector en het voeren van de maatschappelijke dialoog hierover?
Vilans heeft met het programma «Een deur kan op veel manier open» zorgorganisaties geholpen bij het openen van deuren, inclusief de daarbij horende afwegingen. Ook heeft Vilans in 2025 de week van de passende vrijheid georganiseerd. In deze week stond het verminderen van gedwongen zorg door teamleren, praktijkvoorbeelden en het openen van deuren centraal. Het programma heeft een belangrijke stimulans gegeven aan het bieden van vrijheid door het openen van afdelingen en aan meer persoonsgerichte zorg. In het kader van de doorlopende kennisfunctie van Vilans worden de kennisproducten over het openen van deuren onderhouden en blijvend onder de aandacht van de zorgprofessionals gebracht door Vilans4.
Welke goede voorbeelden zijn er die laten zien hoe de Wet zorg en dwang nageleefd kan worden in de context van VVT-organisaties en het niet hebben van de gesloten afdeling?
Vanuit de praktijk zijn in de afgelopen jaren diverse methodieken en kennisproducten ontwikkeld die zorgverleners helpen bij het zoeken naar alternatieven voor gedwongen zorg. Zo zijn er goede voorbeelden van aanbieders die de komst van de Wzd hebben aangegrepen om te starten met «opendeurenbeleid», waardoor bewoners met dementie meer vrijheid hebben gekregen om naar buiten te gaan voor een wandeling. Een goed voorbeeld hiervan is De Vijverhof5, maar ook zorgaanbieder Aafje heeft een stappenplan ontwikkeld om het opendeurenbeleid in de dagelijkse praktijk te laten werken6. Op de website van Vilans zijn meer goede voorbeelden te vinden7.
Hoe zet de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) haar toezicht momenteel in om instellingen te helpen tempo te maken, en welke lessen komen daaruit naar voren?
In 2024 zag de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) dat het insluiten van cliënten of patiënten in alle zorgsectoren nog vaak voorkomt. Het aantal registraties van afgesloten deuren stijgt elk jaar8. De IGJ maakt zich zorgen over deze ontwikkeling en besloot thematisch toezicht9 uit te voeren op de gesloten deuren. In 2025 bezocht de IGJ ruim 100 instellingen in de gehandicaptenzorg, verpleeghuiszorg, geestelijke gezondheidszorg en jeugdhulp. De inspecteurs zijn zonder aankondiging bij instellingen langsgegaan, om te kijken of zij de deuren hebben geopend. En als de deuren toch dicht zijn of de besluitvorming en uitvoering wel zorgvuldig verlopen. Eind maart 2026 publiceert de IGJ vanuit het thematisch toezicht een Infographic met de succesfactoren en knelpunten voor het openen van de deuren. Daarnaast organiseert de IGJ eind maart drie webinars om de bevindingen vanuit de bezoeken te delen met zorgaanbieders. Ook vertellen enkele zorgaanbieders tijdens deze webinars over hun ervaringen met het openen van de deuren.
Is bekend hoe mensen met dementie, familieleden en medewerkers het opendeurenbeleid na verloop van tijd ervaren?
Vanuit het Ministerie van VWS wordt veelvuldig gesproken met cliëntenorganisaties, cliëntenvertegenwoordigers, ervaringsdeskundigen, naasten en de organisatie voor cliëntenvertrouwenspersonen (Stemgever) over gedwongen zorg. Het is bekend dat familieleden en naasten een open deur niet altijd als veilig ervaren en soms ook in situaties terechtkomen waarin zij regelmatig dierbaren moeten zoeken en ophalen. Tegelijkertijd horen we dat de kwaliteit van leven van cliënten erop vooruitgaat als zij zich meer in vrijheid kunnen bewegen. Het is van belang dat zorgprofessionals in overleg met de familie en naasten van een cliënt een goede afweging maken. Om deze afweging zorgvuldig voor elke individuele cliënt te kunnen maken heeft Vilans in 2024 een handreiking10 gemaakt ter ondersteuning van zorgprofessionals. Vilans heeft over de handreiking actief gecommuniceerd naar zorgprofessionals, onder andere via hun nieuwsbrief over gedwongen zorg.
Hoe verhoudt de beweging in de langdurige zorg zich tot de geest van de Wet zorg en dwang in de context van het ziekenhuis (en de geslotenheid van bijvoorbeeld geriatrieafdelingen)?
Het uitgangspunt van de Wzd is dat gedwongen zorg alleen wordt toegepast als uiterste middel en er geen mogelijkheden meer zijn voor vrijwillige zorg. Dit uitgangspunt geldt ook in het ziekenhuis.
Als een cliënt in het ziekenhuis wordt opgenomen met een zorgplan waarin gedwongen zorg, zoals bepaald in de Wzd, is opgenomen, dan mag het ziekenhuis de in het zorgplan opgenomen gedwongen zorg verlenen. De zorgverlening vindt dan plaats op basis van dat plan dat een andere zorgaanbieder dan het ziekenhuis heeft gemaakt.
Als een cliënt in het ziekenhuis wordt opgenomen zonder een zorgplan met gedwongen zorg, maar er toch gedwongen zorg moet worden verleend, kan worden teruggevallen op de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo). Een voorbeeld is het beperken van de bewegingsvrijheid, waarbij de cliënt de afdeling niet mag verlaten. Het gaat in deze situaties namelijk altijd om een korte opname in een ziekenhuis, gericht op geneeskundige behandeling. Een arts in het ziekenhuis en een cliënt die wordt opgenomen, sluiten – juridisch gezien – een «behandelingsovereenkomst.» Een oudere cliënt met bijvoorbeeld dementie kan veelal zelf geen toestemming geven voor verrichtingen ter uitvoering van die behandelingsovereenkomst, ook niet als zijn bewegingsvrijheid moet worden beperkt. De zorgverlener heeft dan toestemming nodig van de vertegenwoordiger van de cliënt, tenzij onverwijlde uitvoering van de verrichting kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de cliënt te voorkomen.
Hoe kunt u vanuit de systeemverantwoordelijkheid ruimte creëren richting zorgorganisaties om meer te kijken naar de individuele levenskwaliteit? En wat is de rol van het zorgkantoor in het faciliteren en toetsen hiervan?
De Wzd gaat juist over beslissingen per individu: de inzet van gedwongen zorg is dan ook per cliënt verschillend en vergt altijd een individuele afweging. Gedwongen zorg mag alleen als uiterste middel worden ingezet. Ook bespreekt de IGJ, als toezichthouder, met een zorgaanbieder of er een individuele afweging gemaakt is en of aantoonbaar is waarom een cliënt op een gesloten afdeling moet verblijven. Mocht blijken dat deze individuele afweging niet is gemaakt en/of niet aantoonbaar in het zorgdossier van de cliënt is vastgelegd, vraagt de IGJ om een verbetermaatregel bij de zorgaanbieder. De zorgaanbieder moet dan binnen een gegeven termijn aantonen dat hierover het gesprek is gevoerd met de cliënt(vertegenwoordiger), alle bij de cliënt betrokken disciplines en deze afweging is vastgelegd in het zorgdossier.
Een zorgkantoor en een zorgverzekeraar hebben een zorgplicht. Dit houdt in dat zij zich moeten inspannen en zoveel mogelijk moeten doen om het recht van de cliënt (de verzekerde) op passende (gedwongen) zorg te realiseren. De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor het verlenen van goede en passende zorg aan de cliënt. Dit kan ook, met inachtneming van de geldende wet- en regelgeving, een vorm van gedwongen zorg betreffen.
Hoe ziet u de rol van de Specialist Ouderengeneeskunde in deze ontwikkeling en hoe kunnen zij hier nog beter in ondersteunen? En wat kunt u doen om hen hierin te faciliteren?
Ook de beroepsvereniging Verenso heeft de Bestuurlijke Afspraken Uitvoering Wzd ondertekend en zich daarmee gecommitteerd aan de afspraken over het openen van deuren. De kennisproducten en opleidingspagina11 van Vilans bieden ook voor specialisten ouderengeneeskunde handvatten bij het implementeren van het opendeurenbeleid. Specialisten ouderengeneeskunde hebben in het besluitvormingsproces ten aanzien van gedwongen zorg voor een cliënt vaak de rol van deskundige of Wzd-functionaris. Vanuit deze rollen kunnen zij het opendeurenbeleid bij hun zorgorganisatie stimuleren, waarborgen en het belang daarvan uitleggen.
Wat is uw rol als bewindspersoon in het voorkomen dat we terugvallen op het systeem van de gesloten afdeling en/of op zoek gaan naar een nieuwe vorm voor een soortgelijk systeem van collectieve veiligheid boven individuele levenskwaliteit bij toekomstige incidenten?
Terecht wordt gesteld dat voorkomen moet worden dat bij toekomstige incidenten teruggevallen wordt op het systeem van de gesloten afdeling of andere vormen van collectieve veiligheid die een onevenredige inbreuk maken op de individuele levenskwaliteit. Daarmee wil ik niet zeggen dat een gesloten afdeling per definitie verkeerd is, maar dat in alle gevallen sprake moet zijn van een zorgvuldige individuele afweging om ernstig nadeel te voorkomen. Plaatsing op een gesloten afdeling mag nooit een automatisme zijn, de Wzd biedt het wettelijk kader om cliënten hiertegen te beschermen. Ik zie het als mijn rol om deze belangrijke waarborgen te bewaken, ook bij aanpassing van de wetgeving12. Hierbij handel ik conform de Grondwet en de voor Nederland geldende internationale mensenrechtenverdragen. De bescherming van fundamentele rechten, waaronder het recht op persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit, is daarbij leidend.
Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat het wettelijk kader zo is ingericht dat rechtsbescherming en veiligheid duurzaam met elkaar in balans blijven.
Een Nederlands-Pakistaanse vrouw die in huwelijkse gevangenschap in Pakistan verkeert |
|
Mirjam Sterk (CDA), Wassila Hachchi (D66) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de uitzending1 over de Nederlands-Pakistaanse vrouw die in huwelijkse gevangenschap in Pakistan verkeert? Zo ja, wat heeft u gedaan om haar te helpen? Heeft de ambassade getracht haar te bezoeken en zal de ambassade de rechtszaak bijwonen?
Ja. Ik heb kennisgenomen van de uitzending. Ter bescherming van de identiteit van betrokkene, kan ik over de zaak geen inhoudelijke uitspraak doen.
Hebt u kennisgenomen van de uitzending2 over de Nederlands-Pakistaanse vrouw wier zaak is voorgekomen bij een Britse Sharia Council en wier ontbinding van het huwelijk nog steeds niet erkend is in Pakistan?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat Nederlandse staatsburgers voor het ontbinden van hun religieuze huwelijk, onderworpen zijn aan rechtsordes die tegen de Nederlandse rechtsorde indruisen?
Nederlandse staatsburgers kunnen er voor kiezen zich te schikken in regels van een organisatie waarbij zij vrijwillig zijn aangesloten, zoals regels van een religieuze organisatie voor het huwelijk. Die regels hoeven niet overeen te stemmen met de regels die in Nederland voor het burgerlijk huwelijk gelden. Het niet meewerken van een partner aan het ontbinden van een huwelijksovereenkomst naar religieus recht kan, onder bepaalde omstandigheden, onrechtmatig zijn, zoals in een enkel geval door de rechter is beslist.
Kunt u aangeven wat de plaatselijke ambassade heeft gedaan voor deze vrouw(en?)? In hoeverre is daarbij gehandeld indachtig de door de Nederlandse Staat aangegane en gehuldigde Verdragen zoals art. 16 van de Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women CEDAW (verplichting van staten om gelijke behandeling voor, tijdens en na het huwelijk te garanderen), art. 5 van het 7de protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens EVRM (recht op vrijheid en veiligheid), art. 6 EVRM (fair trial)?
Nederland eerbiedigt in het algemeen de lokale rechtsorde van het land. Daarbij kan Nederland de verplichting van gelijke behandeling onder het CEDAW niet opleggen aan andere staten. Ook dienen voor juridische bijstand in het buitenland bij conflicten in de familiesfeer, personen zich altijd te wenden tot een lokale advocaat. De lokale autoriteiten beschouwen deze mensen (veelal bipatride, zij hebben ook de nationaliteit van het land waar het conflict zich afspeelt) als vallend onder het eigen nationale recht.
Ondanks deze beperkingen, brengt de ambassade – als daar door deze Nederlanders om wordt verzocht – dit soort zaken onder de aandacht van de relevante autoriteiten.
Is u bekend hoeveel vrouwen afgelopen 10 jaar gedwongen zijn achtergelaten in de landen van herkomst? Kunt u aangeven hoeveel vrouwen die slachtoffer zijn van huwelijksdwang en huwelijkse gevangenschap om hulp hebben gevraagd bij de Nederlandse ambassades? Zo ja, wat is er met deze hulpvragen gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Ambassades hebben slechts kennis van die zaken waarbij de betreffende personen contact opnemen. Het aantal gevallen waarbij door vrouwen de ambassade om hulp wordt gevraagd, is beperkt. Ambassades spannen zich in binnen het spectrum van consulaire hulpverlening zodra een vrouw met de Nederlandse nationaliteit in een positie van huwelijksdwang en achterlating in het buitenland, zich meldt met verzoek om hulp.
Bent u bereid, al dan niet via de ambtelijke lijn, contact te zoeken met de Pakistaanse ambassadeur over deze dossiers? Zo nee, waarom niet?
Om genoemde redenen kan ik niet op deze dossiers ingaan. In het algemeen geldt dat, afgestemd op de betreffende behoeftes en omstandigheden, de meest geschikte instrumenten worden ingezet. Contact met een buitenlandse ambassade, in casu de ambassade van Pakistan, maakt onderdeel uit van het brede spectrum aan instrumenten.
Bent u bereid om in EU-verband op te komen voor vrouwen die slachtoffer zijn van huwelijksdwang en de schending van vrouwenrechten die daar uit voortvloeit?
Ja. In voorkomende gelegenheden maak ik mij hier sterk voor.
De komst van een extremistische imam naar Nederland |
|
Mirjam Sterk (CDA), Kees van der Staaij (SGP), Joram van Klaveren (PVV), Joël Voordewind (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Leers |
|
|
|
|
Hoe moet het antwoord dat u de gewraakte, ook tot geweld oproepende, uitlatingen van de heer Al Haddad verwerpelijk vindt, nader worden geduid in juridische zin? Kwalificeert u deze uitlatingen als zijnde in strijd met de openbare orde, als bedoeld in de Vreemdelingenwet? Deelt u de mening dat deze uitspraken in omstandigheden ook een overtreding van de strafwet kunnen inhouden?1
De vaak geciteerde uitspraken vind ik verwerpelijk. Bij het beoordelen of mogelijk discriminatoire uitlatingen strafbaar zijn, is het noodzakelijk om exact te kunnen vaststellen welke uitlatingen wanneer, waar, en in welke context zijn gedaan. Die beoordeling van de strafbaarheid dient in een individueel geval in eerste instantie door het openbaar ministerie en uiteindelijk door de strafrechter te geschieden. Ik kan dan ook niet aangeven in hoeverre deze geïsoleerde citaten, waarvan ik in mijn beantwoording van eerdere schriftelijke vragen heb aangeven deze verwerpelijk te vinden, een overtreding van de strafwet kunnen inhouden.
De wet biedt mij niet de ruimte om zonder concrete aanwijzingen voor dreigende ernstige strafbare feiten iemand de toegang tot Nederland te ontzeggen louter op basis van zijn uitspraken.
Ik had geen aanwijzingen dat de aanwezigheid van de heer Haddad hier ook daadwerkelijk zou leiden tot een werkelijk en ernstig gevaar voor de openbare orde en veiligheid, ook gelet op zijn eerdere bezoeken aan Nederland in 2009 en 2010. Het feit dat zijn aanwezigheid in Nederland niet tot problemen in de sfeer van openbare orde heeft geleid, bevestigt mij in dat oordeel.
Kunt u nader toelichten waarom u ondanks uw bevestigende antwoord op de vraag of de uitlatingen verwerpelijk zijn, desondanks niet van mening bent dat er voldoende reden is de toegang van de heer Al Haddad tot Nederland te weigeren?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke gronden heeft u aanleiding gezien om in eerdere, min of meer vergelijkbare gevallen, de toegang wel te weigeren?
Ik heb in deze zaak de bestaande nationale en internationale regelgeving toegepast. In vergelijkbare gevallen is, en zal, vergelijkbaar worden gehandeld.
Hebt u zich ervan gewist hoe Groot-Brittannië de uitspraken van de heer Al-Haddad kwalificeert? Zo ja, wat is daarop het antwoord?
Voor zover door mij valt na te gaan is betrokkene in het VK niet vervolgd voor zijn uitspraken.
Kunt u de Kamer nader informeren over het beleid om personen tegen wie bedenkingen bestaan om redenen van openbare orde en/of de nationale veiligheid al dan niet tot Nederland toegang te verschaffen? Hoe vindt de besluitvorming en afweging op dit punt precies plaats, mede tegen de achtergrond van de uitvoering van de motie-Van der Staaij2 en tegen de achtergrond van de doelstelling om de verspreiding van extremisme en radicalisme tegen te gaan?
Staand beleid is om personen die een bedreiging voor de openbare orde en/of de nationale veiligheid vormen de toegang tot Nederland te ontzeggen. Voor EU-onderdanen geldt, anders dan voor niet-EU-onderdanen, dat toegangsweigering op deze gronden alleen kan plaatsvinden indien er concrete aanwijzingen zijn dat er ernstige strafbare feiten ophanden zijn.
Voor niet-EU-onderdanen geldt dat eenieder die aan de Schengenvoorwaarden voldoet, de grens mag passeren en – indien visumplichtig – een visum kan krijgen. Indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de internationale betrekkingen in het geding zijn, biedt de Schengenregelgeving de ruimte om een visumaanvraag af te wijzen en/of toegang aan de grens te weigeren. Of sprake is van risico’s op het gebied van mogelijke openbare ordeverstoringen en welke consequenties daaraan worden verbonden, is een zaak waarbij elk geval op eigen merites wordt beoordeeld.
Op het moment dat een niet-EU-onderdaan een visum aanvraagt of toegang tot Nederland verzoekt aan de buitengrens, vindt een controle plaats van de beschikbare systemen zoals het opsporingsysteem (OPS) en het Schengen informatiesysteem (SIS). Als de vreemdeling daarin voorkomt zal dat in vrijwel alle gevallen een dwingende reden zijn een visum of toegang te weigeren. Uiteraard wordt bij de besluitvorming, indien nodig, informatie over de vreemdeling opgevraagd bij o.a. het openbaar ministerie, inlichtingendiensten, buitenlandse overheden en Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland.
De arbeidsomstandigheden op de bouwplaats van een energiecentrale in de Eemshaven |
|
Mirjam Sterk (CDA), Marieke van der Werf (CDA) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bouwvakker Eemshaven alsnog overleden»?1
Ja.
Hoeveel arbeidsongevallen hebben zich sinds de start van de bouw van de energiecentrale voorgedaan? Hoeveel met dodelijke afloop?
Vanaf 1 januari 2010 tot en met half augustus 2011 hebben zich in totaal 10 meldingsplichtige ongevallen voorgedaan op de bouwplaats van energiecentrale RWE, waarvan 1 met dodelijke afloop. Het ongeval met dodelijke afloop heeft op 16 februari 2011 plaatsgevonden. Het slachtoffer is in juli overleden.
Naast RWE zijn er nog twee energiecentrales in de Eemshaven in aanbouw. Bij geen van deze in aanbouw zijnde energiecentrales hebben zich dodelijke ongevallen voorgedaan.
Is door de Arbeidsinspectie onderzoek gedaan naar de arbeidsomstandigheden? Is dit onderzoek inmiddels afgerond? Zo ja, wat is het oordeel van de Arbeidsinspectie over de situatie op de bouwplaats?
Ja, er is onderzoek gedaan. Sinds de start van de werkzaamheden voor de energiecentrale van RWE zijn er door de Arbeidsinspectie diverse overtredingen geconstateerd met betrekking tot de arbeidsomstandigheden en arbeidstijden. Naar aanleiding hiervan zijn handhavingsacties uitgevoerd. Het bedrijf heeft daarop de nodige maatregelen getroffen om de arbeidsomstandigheden op de bouwplaatsen te verbeteren, zoals meer fysieke controles op deze bouwplaatsen door veiligheidsfunctionarissen, het regelmatig houden van bijeenkomsten met de bedrijven over de veiligheid, meer aandacht voor opleiding, instructie en toezicht, het verbeteren van de coördinatie tussen bijvoorbeeld verschillende steigerbouwers en ook voorlichtingsbijeenkomsten voor buitenlandse bedrijven over de Nederlandse wetgeving. Wekelijks voert de Arbeidsinspectie controles uit bij RWE.
Is er een relatie tussen de specifieke eisen aan de bouw van deze energiecentrale en de aard en omvang van de ongevallen?
De eisen met betrekking tot de bouw van deze energiecentrale wijken niet af van die voor andere bouwwerken van grote omvang. Bij dit soort bouwwerken waar gewerkt wordt met een groot netwerk van aannemers en onderaannemers worden hoge eisen gesteld aan de planning en de coördinatie van de werkzaamheden. Op basis van de beschikbare gegevens is er geen relatie te leggen tussen de bouwwerkzaamheden en de aard en omvang van de ongevallen die hebben plaatsgevonden bij de bouw van energiecentrale RWE.
Welke maatregelen zijn en/of worden door u genomen om de arbeidsomstandigheden op de bouwplaats van de energiecentrale te verbeteren en het aantal ongevallen te verminderen?
Zoals aangegeven hebben de interventies van de Arbeidsinspectie geleid tot een structurele verbetering van de veiligheidssituatie op de bouwplaats. Ter controle van de consequente uitvoering van de door de werkgevers getroffen maatregelen worden ter plekke wekelijks fysieke controles uitgevoerd. Waar nodig wordt gehandhaafd in de vorm van waarschuwingen, stilleggingen, eisen en (ongevallen-)boeterapporten. Ook vindt periodiek overleg plaats met de bouwleiding.
Voedselbanken |
|
Mirjam Sterk (CDA), Ger Koopmans (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brief die het bestuur van Stichting Voedselbanken Nederland aan de vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid gestuurd heeft, waarin zij vraagt gebruik te kunnen maken van het EU-voedselhulpprogramma?1
Ja.
Klopt het dat 20 van de 27 EU landen, waaronder België, gebruik maken van dit programma, onder andere om hun voedselbanken te voorzien en dat Nederland niet meedoet?
Ja, dat klopt. Echter, het budget van het jaarprogramma 2011 wordt voor de helft benut door drie welvarende lidstaten, Frankrijk, Italië en Spanje. Dit sterkt mij in de overtuiging dat binnenlandse voedselhulp niet communautair geregeld zou moeten worden.
Zou het logisch zijn, dat nu de Stichting Voedselbanken Nederland aangeeft, dat ook zij dit extra voedsel nodig heeft, om namens Nederland een aanvraag te doen om ook mee te doen aan dit programma?
Nee, het kabinet is niet voornemens deel te nemen aan het programma. Op 27 oktober 2010 (Kamerstuk 22 112, nr. 1078) bent u over het standpunt van het kabinet geïnformeerd.
Ondersteuning van voedselbanken is naar het oordeel van het kabinet geen zaak van de Europese Unie en is, vanwege het sterk sociale karakter, wat het kabinet betreft evenmin onderdeel van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. De lidstaten dienen zelf te bepalen hoe in het levensonderhoud van behoeftigen wordt voorzien.
Voorts heb ik met belangstelling kennis genomen van de brief van de Voorzitters van Eerste en Tweede Kamer namens het parlement aan de vicevoorzitter van de Europese Commissie in het kader van de zogeheten «gele kaart»-procedure (uw kenmerk: 32553). Hierin staat dat beide Kamers der Staten-Generaal eveneens van oordeel zijn dat voedselhulp primair een zaak van de lidstaten is en niet van de Europese Unie.
Bent u bereid om samen met de Stichting Voedselbanken Nederland om tafel te gaan zitten om te kijken op welke wijze deelname aan het EU-programma mogelijk is en de Kamer over de uitkomsten te berichten?
Gezien het antwoord op vraag 3, zie ik daar geen aanleiding toe.
Een concurrentiebeding bij een detacheringsbedrijf |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Eddy van Hijum (CDA), Mirjam Sterk (CDA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «geketend aan je baan»,1 waarin een detacheringsbedrijf, arbeidscontracten aanbiedt met onder andere de onderstaande clausule?2
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) werklozen doorstuurt naar dit detacheringsbedrijf, dat dit soort clausules in haar arbeidscontracten opstelt?
In zijn algemeenheid geldt dat UWV werkzoekenden verwijst op basis van vacante functies. Clausules zoals een concurrentiebeding of een verbod op nevenactiviteiten, spelen bij de matching geen rol. Overigens is het UWV in de regel niet op de hoogte welke clausules bij de aanstelling tussen werkgever en werknemer worden afgesproken.
Zijn deze clausules wettelijk toegestaan? Zijn zij wenselijk?
In het kader van het arbeidsovereenkomstenrecht (Boek 7: 10 BW) is het de werkgever toegestaan om bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst met een meerderjarige werknemer schriftelijk een concurrentiebeding overeen te komen. Ook mag tussen partijen een verbod op nevenactiviteiten worden afgesproken.
Een verbod op nevenactiviteiten dat geldt gedurende de arbeidsovereenkomst is niet in strijd met het arbeidsovereenkomstenrecht, maar is evenmin wettelijk geregeld. In de praktijk komt een dergelijk verbod regelmatig voor en is het bedoeld om benadeling van de betreffende arbeidsorganisatie te voorkomen.
Een concurrentiebeding is een beding dat zowel in Nederland als in de ons omringende landen wettelijk is geregeld. Daarbij is het niet ongebruikelijk dat een dergelijk beding één jaar duurt en dat bij overtreding ervan een boete wordt overeengekomen. Uit de rechtspraak valt op te maken dat in die gevallen dat een werknemer na het einde van de arbeidsovereenkomst om matiging of tenietdoening van het concurrentiebeding heeft verzocht, dit verzoek in de meeste gevallen in meer of mindere mate wordt toegewezen. Voorts komt matiging van de (verbeurde) boete zeer regelmatig voor.
In het aangehaalde concurrentiebeding is het de gedetacheerde tot één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst niet toegestaan om bij een concurrerend bedrijf van de inlener of via een ander detacheringsbedrijf bij dezelfde inlener aan de slag te gaan. Dit is in beginsel ook wettelijk toegestaan. Het is uiteindelijk aan de rechter om over een dergelijk beding te oordelen als de werknemer hiertegen bezwaar maakt. De tijdelijkheid van een uitzendovereenkomst en de arbeidsmarktpositie van de uitzendkracht kunnen omstandigheden zijn, die de rechter tot het oordeel brengen dat een werknemer door het beding onbillijk wordt benadeeld. In dat geval zal de rechter het beding matigen of vernietigen.
Een concurrentiebeding is bedoeld om legitieme bedrijfsbelangen van een werkgever te beschermen. Als het daar ook voor wordt gebruikt, dan bestaan er geen bezwaren tegen, mits het belang van de werknemer niet uit het oog wordt verloren. Dat belang is dat hij zich zo vrij mogelijk op de arbeidsmarkt moet kunnen bewegen. Dat is niet alleen in zijn eigen belang, maar ook in het belang van het functioneren van de arbeidsmarkt in meer algemene zin. Het spreekt dan ook voor zich dat het niet wenselijk is dat een werknemer met onnodig bezwarende bedingen wordt geconfronteerd. Of daarvan sprake is, hangt af van de omstandigheden van het geval.
Is een werkloze verplicht dit arbeidscontract te ondertekenen als hij zo een baan kan krijgen of mag hij het arbeidscontract met concurrentiebeding weigeren zonder een korting op zijn uitkering?
Het enkele feit dat een werkgever in het arbeidscontract een concurrentiebeding heeft opgenomen, is geen reden om een arbeidsaanbod als niet passend te beschouwen. Dit betekent dat een werkloze werkzoekende het arbeidsaanbod, waarbij een voor hem nadelig concurrentiebeding in het contract is opgenomen, in beginsel niet mag weigeren zonder dat het gevolgen heeft voor zijn WW-uitkering. Wel geldt dat als sprake is van een in de sector ongebruikelijk beding, UWV op aangeven van de uitkeringsgerechtigde beoordeelt of er individuele omstandigheden zijn die aanleiding geven werkweigering niet aan te rekenen. Dat is het geval als het beding de lange termijn kansen op de arbeidsmarkt zal schaden of als een werkzoekende naar verwachting binnen afzienbare termijn ook elders het werk kan hervatten. Het voorgaande betekent dat als de kansen op de arbeidsmarkt van een werknemer zeer gering zijn (ook op langere termijn), een ongebruikelijk beding geen aanleiding is om arbeid niet als passend te beschouwen.
Indien iemand na afloop van dit contract werkloos wordt en een nieuwe baan vindt in de nabije omgeving in zijn eigen vakgebied, is hij/zij € 5000 verschuldigd aan het detacheringsbedrijf. Is hij/zij verplicht deze baan te accepteren op straffe van verlies van de WW uitkering? Kan hij/zij de € 5000 op iemand verhalen? Zo nee, waarvan dient hij/zij die dan te betalen?
Als in het kader van werkhervatting een concurrentiebeding van toepassing is, kan een werkzoekende niet worden gedwongen een arbeidscontract te ondertekenen indien hij daarmee handelt in strijd met een eerder overeengekomen concurrentiebeding. In een dergelijke situatie kan van verlies van een WW-uitkering dan ook geen sprake zijn. Wel kan UWV – indien mogelijk en/of nodig in verband met toetreding tot de arbeidsmarkt – de werkzoekende adviseren om de rechter te vragen om matiging of tenietdoening van het concurrentiebeding.