Het bericht 'Roep in Amsterdam om weren Samidoun kopstuk' |
|
Ingrid Michon (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht dat het Samidoun-kopstuk Mohamed al Khatib vrijdag 15 maart komt spreken in het Dokhuis in Amsterdam over de rol van de Palestijnen in Europa bij de bevrijding van Palestina?1 Is deze berichtgeving juist?
Wat is Samidoun voor organisatie en wat is de doelstelling, positie, het ledenaantal en de rechtsvorm van deze organisatie in Nederland en internationaal? Is er bij u een beeld van mogelijke strafbare activiteiten vanuit Samidoun?
Is het juist dat Samidoun een dekmantel is voor de verboden terroristische organisatie Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP)? Als u dit niet weet, bent u bereid dit te onderzoeken?
Is het juist dat Mohamed al Khatib naast Europees coördinator van Samidoun ook lid is van of actief is voor de verboden organisatie PFLP? Als u dit niet weet, bent u bereid dit te onderzoeken?
Is het juist dat Samidoun verboden is in Duitsland? Zo ja, op welke grondslag?
Zijn er acties bekend van Samidoun in Nederland die gekenschetst kunnen worden als nodeloos kwetsend, opruiend en/of antisemitisch?
Is er voldoende grond om in Nederland een verbod van de organisatie te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zijn Samidoun-leden onderwerp van een lokaal casusoverleg, in het kader van de persoonsgerichte aanpak van radicalisering en terroristische activiteiten? Zo nee, waarom niet?
Is het juist dat Samidoun-leden, waaronder Mohamed al Khatib, ook aanwezig zijn geweest bij de verstorende uit de hand gelopen demonstraties bij de opening van het Holocaustmuseum, waar ook antisemitische leuzen werden gescandeerd? Zijn er door deze leden tijdens deze demonstratie strafbare feiten gepleegd? Zo ja, zijn deze strafbare feiten opgevolgd door politie en Openbaar Ministerie?
Bent u het eens dat er alles aan moet worden gedaan om een voedingsbodem voor haat de kop in te drukken en er geen ruimte moet worden geboden aan boodschappen van personen of organisaties die groepen mensen tegen elkaar opzetten, terrorisme verheerlijken en/of antisemitisme aanwakkeren?
Bent u bereid, eventueel in samenwerking met Duitsland, te onderzoeken of Samidoun alsnog op de Europese lijst van terroristische organisaties kan worden geplaatst en bent u bereid zich hiervoor in te spannen in Europese Unie (EU-)verband?
Bent u bereid onderzoek te verrichten naar de geldstromen van Samidoun?
Welke mogelijkheden heeft een bank om een bankrekening van een organisatie te sluiten als de bank signalen heeft dat de rekening wordt gebruikt om antisemitische activiteiten te organiseren waarbij het terrorisme van Hamas wordt verheerlijkt?
Welke mogelijkheden heeft de gemeente Amsterdam om spreker Mohamed al Khatib te weren? Is er wettelijk gezien een mogelijkheid hem een gebiedsverbod of spreekverbod op te leggen? Zo ja, op welke grond? Bent u bereid actief met de de gemeente Amsterdam in gesprek te gaan over die mogelijkheden?
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat er in onze open samenleving geen ruimte en tolerantie is voor extremistische uitingen, zoals haatzaaien opruiing en aanzetten tot geweld. Deze uitingen zijn ondermijnend aan de democratische rechtsorde en kunnen een bedreiging vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid.
De IND baseert zich bij de beoordeling of een vreemdeling een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid is, op de beschikbare informatie, zoals een duiding van de NCTV, een ambtsbericht van de AIVD of een oordeel over de openbare orde door politie en/of de lokale driehoek. Op basis van de beschikbare informatie is er in deze zaak onvoldoende grond om te concluderen dat het persoonlijk gedrag van betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
In algemene zin geldt dat waar personen naar Nederland komen om hier extremistisch gedachtengoed te verspreiden het kabinet er alles aangelegen is om deze personen te weren. Zo is uw Kamer op 25 oktober 2023 geïnformeerd over het versterken van de maatregel om extremistische vreemdelingen uit Nederland te weren.1 Het weren uit Nederland kan plaatsvinden door een visum voor kort verblijf te weigeren als een vreemdeling visumplichtig is. Niet-visumplichtige derdelanders kunnen ook geweerd worden, bijvoorbeeld door hen te signaleren in het Schengeninformatiesysteem (SIS II) of door een ongewenstverklaring op te leggen, bijvoorbeeld als zij een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Bij EU-burgers en vreemdelingen die langdurig ingezetene zijn van een lidstaat geldt dat het weren pas mogelijk is als het persoonlijk gedrag van de betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.
Waar grenzen in ons land worden overschreden, treedt de overheid op. Aanjagers die anderen aanzetten tot geweld, bewust extremistische boodschappen verspreiden en tot doel hebben deze te normaliseren, worden aangepakt. Zo zijn gemeenten en andere lokale professionals getraind in het herkennen van signalen van mogelijke radicalisering en kunnen gerichte interventies worden ingezet. Indien er sprake is van strafbare feiten, wordt er door politie, onder gezag van het Openbaar Ministerie, indien opportuun, opgetreden.
Naar aanleiding van de berichtgeving is er ook nauw contact geweest tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de gemeente en veiligheidsdiensten om de mogelijke risico’s van de komst van deze spreker en handelingsperspectieven in kaart te brengen. Vooropstaat dat er zowel in Amsterdam als op andere plekken in Nederland absoluut geen plaats is voor extremisme dan wel antisemitisme. De gemeente Amsterdam heeft zorgen uitgesproken over de komst van spreker richting de NCTV en beheerder van de locatie waar de bijeenkomst plaatsvindt. Gelet op de beschikbare informatie waar de beslissing van de IND op is gebaseerd, de bijeenkomst besloten en binnen is en lokale driehoek op dit moment geen informatie heeft die directe aanleiding geeft tot een vrees voor wanordelijkheden, maakt dat lokaal op grond van de openbare orde en veiligheid geen maatregelen ten aanzien van de bijeenkomst en spreker, zoals het opleggen van een gebiedsverbod, kunnen worden genomen. Gezien de actualiteiten zal de lokale driehoek vanzelfsprekend alert zijn op eventuele wanordelijkheden bij deze bijeenkomst.
Welke mogelijkheden heeft het kabinet zelf om spreker Mohamed al Khatib te weren bij bijeenkomsten in Nederland? Kunt u dit doen op grond van zijn lidmaatschap van een verboden terroristische organisatie en bent u daar ook toe bereid? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid de vragen 14 en 15 bij voorrang en zo nodig apart versneld te beantwoorden omdat de komst van het Samidoun kopstuk al op 15 maart gepland staat?
Het kabinet heeft de genoemde vragen zo spoedig mogelijk beantwoord. De beantwoording van de overige vragen volgt.
Het bericht ‘Geen straf voor milieuactivisten die Meisje met de parel besmeurden: te ingrijpend, zegt hof’ |
|
Claire Martens-America (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Gräper-van Koolwijk , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Geen straf voor milieuactivisten die Meisje met de parel besmeurden: te ingrijpend, zegt hof?»1
Ja
Deelt u de mening dat besmeuring van erfgoed volstrekt onacceptabel is? Deelt u tevens de vrees dat het niet bestraffen van besmeuring kan leiden tot meer van zulke incidenten?
Elke vorm van vernieling vind ik verwerpelijk en onacceptabel. Het Hof heeft de actie strafbaar geacht en de actievoerders hebben 23 dagen vastgezeten in voorarrest. Hiermee is een duidelijk signaal gegeven dat vernielingen (ook niet onder het mom van een demonstratie) niet zonder gevolg zullen blijven.
Hoe vaak wordt artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toegepast om een dader die zich schuldig maakt aan een strafbaar feit geen straf op te leggen? Kunt u een overzicht geven per delict?
Hieronder een overzicht per jaar van het aantal misdrijfzaken met het eindvonnis schuldigverklaring zonder oplegging van straf in eerste aanleg en in hoger beroep.
Uit de systemen van de Rechtspraak kan geen overzicht per delict worden weergeven.
Aantal misdrijfzaken met eindvonnis schuldigverklaring zonder oplegging van straf naar jaar afdoening door de rechter in 1e aanleg:
Aantal misdrijfzaken met eindvonnis schuldigverklaring zonder oplegging van straf naar jaar afdoening in hoger beroep:
Toelichting bij de cijfers
Bron: PSK en NIAS-MI, datum raadpleging 25-3-2024
Krijgen de verdachten, nu zij geen straf krijgen en wel in voorarrest hebben gezeten, een schadevergoeding? Zo ja, wat is hiervan de hoogte?
Artikel 533 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bepaalt in welke gevallen een schadevergoeding wegens (ten onrechte) ondergaan voorarrest kan worden verzocht, en wat in dergelijke gevallen geldt als «schade» die voor vergoeding in aanmerking komt. Behalve dat sprake moet zijn van een geval in de zin van dit artikel, moet ook sprake zijn van gronden van billijkheid om een vergoeding toe te wijzen. Het verzoek moet binnen drie maanden na beëindiging van de zaak worden ingediend. In deze concrete zaak heeft het Hof Den Haag op 11 maart 2024 uitspraak gedaan. Op het moment van navragen (25 maart 2024) hebben de verdachten nog geen verzoek tot schadevergoeding ingediend. Nu bovengenoemde termijn nog niet is verstreken kan zo’n verzoek nog binnenkomen. Het is aan de rechter om in een concrete zaak te oordelen of een dergelijk verzoek moet worden ingewilligd en, zo ja, wat de hoogte van de vergoeding is.
Hoe beoordeelt u het «chilling effect» op de vrijheid van meningsuiting dat volgens de rechter uitgaat van bestraffing van vernieling en hoe verhoudt zich dit tot de zinsnede «behoudens zijn verantwoordelijkheden volgens de wet» uit artikel 9 lid 1 van de Grondwet?
Het is niet aan mij als Minister om te treden in een uitspraak van de rechter.
Kunt u aangeven of het Openbaar Ministerie (OM) van plan is om cassatie in te stellen tegen de uitspraak?
Het OM heeft geen cassatie ingesteld. Het Hof heeft het feit bewezenverklaard en ook strafbaar geoordeeld. Bij de Hoge Raad kijken de rechters niet meer inhoudelijk naar feiten en bewijs, maar naar de toepassing van het recht, het volgen van de gerechtelijke procedure en de motivatie van de uitspraak. Het OM zag geen mogelijkheden in cassatie.
Worden de kosten die het museum gemaakt heeft om de glasplaat en de lijst van het schilderij te herstellen, verhaald op de daders? Zo nee, waarom niet?
In beginsel ben ik van mening dat de kosten van vernielingen altijd door de daders vergoed zouden moeten worden.
Het Mauritshuis is echter een onafhankelijke privaatrechtelijke instelling aan wie het beheer en behoud van de rijkscollectie is toevertrouwd. Veiligheidszorg is onderdeel van dit beheer en behoud. Ik heb er vertrouwen in dat het Mauritshuis een weloverwogen afweging maakt in het al dan niet verhalen van de kosten op de daders.
Welke stappen zijn reeds ondernomen om te zorgen dat erfgoed beschermd wordt tegen vernieling? Welke stappen bent u voornemens te zetten?
Naar aanleiding van het incident met het Meisje met de Parel zijn er in de sector gesprekken geweest en zijn de veiligheidsprotocollen aangescherpt. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed organiseerde daarnaast samen met het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed FARO twee bijeenkomsten over collectieveiligheid en protestacties. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft voorts met vertegenwoordigers van de cultuursector, waaronder ook de Museumvereniging, gesproken over wat nodig is om te zorgen dat artiesten, kunstenaars en culturele instellingen veilig hun werk kunnen doen. Om te verzekeren dat bij een verstoring snel en adequaat kan worden opgetreden, spraken we af dat partijen in de cultuursector samen een algemene handreiking en specifieke protocollen per type culturele instelling opstellen. Belangrijk is daarbij dat culturele organisaties wanneer nodig snel toegang hebben tot de lokale politie, burgemeester en officier van justitie (de driehoek). Uit het gesprek bleek dat dit met name voor kleinere organisaties nog niet altijd het geval is. Ik zal in overleg treden met de VNG om te verzekeren dat de toegang tot de driehoek gewaarborgd is.
Elk geregistreerd museum heeft bovendien een individueel beveiligingsplan. Erfgoedwetmusea stellen bijvoorbeeld integrale veiligheidsplannen op conform de Erfgoedwet en de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen. Musea maken de veiligheidsmaatregelen die zij treffen om veiligheidsredenen echter niet openbaar. Ik kan daar dan ook niet verder op ingaan. De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed houdt toezicht op de kwaliteit van deze plannen en heeft contact met de musea in Nederland. De musea hebben hun beveiliging in het algemeen gelukkig goed op orde. Ik zie daarom geen aanleiding om aanvullende stappen te zetten.
Deelt u de noodzaak om in gesprek met museumdirecteuren te bezien hoe de gevolgen van ordeverstorende acties en vernielingen kunnen worden voorkomen? Zo ja, ben u bereid dit gesprek te voeren?
Zoals genoemd in ons antwoord op vraag 8 zijn het Ministerie van OCW en de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed doorgaand met de musea in gesprek en heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aanvullend met vertegenwoordigers uit de culturele sector gesproken over de omgang met ordeverstoringen zodat de veiligheid zo goed mogelijk kan worden gewaarborgd. Bovendien hebben musea hun beveiliging over het algemeen goed op orde. De noodzaak tot aanvullende gesprekken zie ik daarom niet.
Wat heeft u afgesproken met musea en andere culturele instellingen over hoe om te gaan met demonstraties en potentiële vernielingen aan de collectie? Wat is de verantwoordelijkheid dan wel bevoegdheid van de musea c.q. culturele instellingen?
Zie hier ook het antwoord op de vragen 7 en 8. Musea en culturele instellingen in het algemeen zijn zelf verantwoordelijk voor veiligheidszorg. De beveiligings- en veiligheidsplannen van musea worden doorgaans opgesteld op basis van risicoanalyses, waarin alle bestaande risico’s op schade worden meegenomen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het OM over het moderniseren van de OM-richtlijn over vernieling, zodat het OM bij daders die cultureel erfgoed uit onze musea vernielen, standaard een hogere (bijv. 300%) straf zal eisen dan bij vernieling van «gewone spullen»? Zo nee, waarom niet?
Een officier van justitie of advocaat-generaal heeft op grond van de wet en de Aanwijzing kader voor strafvordering van meerderjarigen voldoende mogelijkheden om een op de situatie toegesneden en passende straf te eisen. Ik zie geen noodzaak om het OM te vragen de richtlijn aan te passen.
Kunt u een stand van zaken geven van de uitvoering van de motie Michon c.s.2 over het wettelijk kader van demonstraties en de toegezegde kabinetsbrief over demonstraties?
Naar verwachting wordt deze brief, waarin ik en mijn collega van BZK ook ingaan op uw motie, in de maand april naar de Kamer wordt gezonden.
Een conferentie door Hizb ut Tharir in Nederland |
|
Ingrid Michon (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het feit dat op 3 maart 2024 de organisatie Hizb-ut-Tharir een conferentie in Amsterdam organiseert onder de titel «Khilafa, project van de Oemma en redding voor de mensheid?»
Ja.
Wat is het karakter van dit evenement en deelt u de zorgen van de VVD fractie dat op dit evenement antisemitische, antiseculiere en radicaliserende boodschappen kunnen worden verkondigd? Hoe ziet het kabinet hier op toe?
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat er in onze open samenleving geen ruimte is voor extremistische of antisemitische uitingen. Uitingen, zoals haatzaaien, opruiing en aanzetten tot geweld, zijn strafbaar, ondermijnend aan de democratische rechtsorde en kunnen een bedreiging vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid.
Wanneer juridische grenzen in ons land worden overschreden, neemt het Openbaar Ministerie de beslissing of het opportuun is om over te gaan tot vervolging. Als blijkt dat tijdens dit evenement uitspraken zijn gedaan die een strafrechtelijk feit opleveren kan hiervan aangifte worden gedaan. Het is vervolgens aan de politie en het Openbaar Ministerie om de aangifte te onderzoeken en eventuele vervolgstappen te ondernemen.
In reactie op uw Kamervragen van 2021 is Hizb ut-Tahrir destijds getypeerd als een radicale pan-islamistische en anti-zionistische beweging.1 Gelet op het ontbreken van juridische grondslagen om organisatiegericht onderzoek te doen naar dergelijke organisaties is er zowel bij de NCTV als bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geen actueel beeld over de organisatie Hizb ut-Tahrir. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) heeft in 2023 onderzoek gedaan naar welke dreiging uitging van Hizb ut-Tahrir. In het jaarverslag 2023 staat dat er een geringe dreiging uitging van deze beweging. De beweging propageert een extremistische boodschap, maar het is in Nederland een kleine groep zonder groot bereik.2
Herinnert u zich nog de antwoorden op onze Kamervragen uit 2021 over Hizb ut Tharir, waarin deze organisatie door u werd gekenschetst als een radicale pan-islamistische en antizionistische beweging die zou kunnen aanzetten tot radicalisering, maar in de Nederlandse samenleving nog weinig bereik en ontvankelijkheid zou ontmoeten? Wat is uw actuele beeld van deze organisatie?
Zie antwoord vraag 2.
Is het feit dat deze conferentie in Nederland wordt georganiseerd niet een teken dat het bereik en de ontvankelijkheid van en voor de organisatie Hizb ut Tharir is toegenomen?
Zie antwoord vraag 2.
Is er een vergunning afgegeven door de gemeente Amsterdam voor de conferentie en op welke gronden?
Deze conferentie valt onder de bestaande exploitatievergunning van de locatie. De gemeente Amsterdam heeft daarom geen specifieke vergunning voor de conferentie hoeven afgeven.
Is in het voortraject contact geweest met OM, politie en justitie en/of het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) over de conferentie en zo ja, waarover specifiek?
Er is voorafgaand aan de bijeenkomst vanuit de gemeente Amsterdam geen contact geweest met het Openbaar Ministerie, de politie, het Ministerie van Justitie en Veiligheid en Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over deze conferentie.
Is u bekend of er visa zijn verstrekt voor sprekers op het congres en zo ja voor welke personen en op welke gronden? Hadden deze geweigerd kunnen worden uit voorzorg om radicale boodschappers hier geen podium te geven en waarom is dat niet gebeurd?
Ik kan niet ingaan op individuele gevallen.
In algemene zin geldt dat wanneer personen naar Nederland komen om hier extremistisch gedachtegoed te verspreiden het kabinet er alles aangelegen is om deze personen te weren. Zo is uw Kamer op 25 oktober 2023 geïnformeerd over het versterken van de maatregel om extremistische vreemdelingen uit Nederland te weren.3 Het weren uit Nederland kan plaatsvinden door een visum voor kort verblijf te weigeren als een vreemdeling visumplichtig is. Niet-visumplichtige derdelanders kunnen ook geweerd worden, bijvoorbeeld door hen te signaleren in het Schengeninformatiesysteem of door een ongewenstverklaring op te leggen, bijvoorbeeld als zij een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Bij EU-burgers en vreemdelingen die langdurig ingezetene zijn van een lidstaat geldt dat het weren pas mogelijk is als het persoonlijk gedrag van de betrokkene een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) baseert zich bij de beoordeling of een vreemdeling een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid is, op de beschikbare informatie, zoals een duiding van de NCTV, een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) of een oordeel over de openbare orde door politie en/of de lokale driehoek.4
De IND heeft geen signalerende rol in de komst van (buitenlandse) extremistische sprekers naar Nederland. De IND is in het uitvoeren van bovengenoemde maatregel afhankelijk van informatie van derden (zoals gemeenten en politie).
Eerder gaf u aan dat, in tegenstelling tot in Duitsland, de organisatie niet verboden is in Nederland en het aan het Openbaar Ministerie (OM) is bepaalde activiteiten te verbieden. Bent u bereid dit standpunt te herzien nu artikel 2:20 van het burgerlijk wetboek u meer bevoegdheden geeft organisaties die ondermijnend zijn voor de vrije en democratische samenleving te verbieden? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Openbaar Ministerie om te bezien of er redenen zijn waarom een organisatie verboden moet worden. Het Openbaar Ministerie kan de rechter verzoeken een organisatie te verbieden en ontbinden op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (of 10:122 Burgerlijk Wetboek voor internationale organisaties).
Sinds 1 januari 2022 is het wettelijk kader aangescherpt, waardoor de drempel voor het verbieden van een rechtspersoon is verlaagd. Op grond van het tot dan toe geldende artikel 2:20 lid 1 Burgerlijk Wetboek kon de rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is was met de openbare orde, verbieden en ontbinden en een rechtspersoon waarvan enkel het doel in strijd was met de openbare orde ontbinden. Door bovengenoemde wetswijziging is hieraan toegevoegd dat een rechtspersoon niet alleen verboden wordt verklaard en wordt ontbonden indien de werkzaamheid van een rechtspersoon in strijd is met de openbare orde, maar ook als het doel van de rechtspersoon daarmee in strijd is. Daarbij biedt het nieuwe wettelijk kader een krachtiger instrumentarium, doordat een verbod steeds direct werkt vanaf de uitspraak en de rechter bij het verbod ook ordemaatregelen kan nemen voor de verdere duur van de procedure. De niet naleving van deze maatregelen levert een strafbaar feit op. De bestuurders van een verboden organisatie krijgen een civielrechtelijk bestuursverbod van tenminste drie jaar.
Ook na de wetswijziging is het aan het Openbaar Ministerie, niet aan het kabinet, om zich uit te spreken over de vraag of er in casu aanleiding bestaat om dergelijke verzoeken te doen.
Wat is de actuele status van uw aanpak op problematisch gedrag van dit type organisaties, nadat u eerder aangaf via een driesporen aanpak en de Taskforce ongewenst en problematisch gedrag informatie te kunnen delen en desgewenst te kunnen escaleren bij problematisch gedrag, maar later dit op een laag pitje heeft moeten zetten vanwege een gebrek aan grondslagen voor de Nationaal Coordinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV)? Wat is de actuele status van de aanpak problematisch gedrag onder de Minister voor Integratie?
Op 4 oktober 2023 heeft de Minister van SZW, mede namens mij, een brief aan uw kamer gestuurd aangaande de voortgang van de Taskforce Problematisch Gedrag en Ongewenste Buitenlandse Financiering (hierna: Taskforce).5 Zolang gedrag van burgers niet bij wet verboden is, kan er niet strafrechtelijk worden opgetreden.
Echter gedrag dat binnen de wet valt, kan wel zorgelijk en onwenselijk zijn, bijvoorbeeld als het gaat om het verspreiden van onverdraagzaam en antidemocratisch gedachtengoed. Dan past een preventieve aanpak. Zo zet de Minister van SZW in op de versterking van de veerkracht en weerbaarheid van mensen of groepen in de samenleving die mogelijk kwetsbaar zijn voor extremistisch gedachtegoed. Dit doet zij onder andere door gemeenten en professionals te ondersteunen met kennis van evidence based interventies en het beschikbaar stellen van middelen voor het versterken van beschermende factoren zoals digitale weerbaarheid, een gezonde identiteitsontwikkeling en sociale cohesie in de wijk. Deze factoren zorgen ervoor dat mensen beter bestand zijn tegen tegenslag en minder vatbaar voor radicalisering en ongewenste polarisatie.
Wanneer wel sprake is van strafbare feiten, zoals haatzaaien, discriminatie, opruiing, intimidatie of vandalisme dan is strafrechtelijk optreden in concrete gevallen mogelijk door de politie en het OM. Daarnaast kan de AIVD onderzoek doen naar personen of organisaties, waarbij het vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel de nationale veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat.
Waar het gaat om signalen van radicalisering die uiteindelijk kunnen leiden of geleid hebben tot gewelddadig extremistische of terroristische activiteiten kunnen gemeenten multidisciplinaire casusoverleggen organiseren en gerichte interventies doen binnen de persoonsgerichte aanpak.
Wat doet de Taskforce van SZW in dit specifieke geval, hoe kan de gemeente optreden en op welke wijze kan de NCTV ondersteunen in de coördinatie nu de wettelijke grondslag geborgd is?
Individuele deelnemers van de Taskforce problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering handelingsperspectief vanuit hun eigen wettelijke kaders en bevoegdheden. Zo kan de politie vanuit haar wettelijke taak in overleg met het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde. Daarnaast kan de AIVD, op basis van de WiV 2017, onderzoek doen naar personen of organisaties, waarbij het vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel de nationale veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat. Indien daar voldoende aanleiding voor is, kan de AIVD een ambtsbericht uitbrengen aan relevante ketenpartners.
De Taskforce zelf, onder voorzitterschap van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is geen juridische entiteit en heeft als samenwerkingsverband geen eigen toezichts – of onderzoeksbevoegdheden. Individuele casuïstiek, in dit geval de conferentie van Hizb ut Tahrir, wordt niet in Taskforceverband behandeld. Dit redenen hiervoor zijn uiteengezet in de laatste voortgangsbrief over de Taskforce.6 Er bestaat geen juridische grondslag voor het behandelen van casuïstiek en het delen van (persoons)informatie over problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering tussen de partners van de Taskforce. Een dergelijk overleg is niet rechtmatig en vindt dan ook niet plaats.
Indien de gemeente op de hoogte is van een bijeenkomst en in het kader van de openbare orde zorgen heeft over sprekers of deelnemers, kan zij haar zorgen uitspreken richting de beheerder van de locatie. Daarnaast zal de lokale driehoek altijd alert zijn op eventuele wanordelijkheden.
De NCTV kan op verzoek van bijvoorbeeld een gemeente een fenomeenanalyse opstellen voor een beter begrip de ontwikkelingen van fenomenen die de nationale veiligheid raken en hoe dit kan doorwerken in de samenleving.
De Wet Coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid is nog niet in werking getreden, de algemene maatregel van bestuur is in internetconsultatie. De NCTV kan na inwerkingtreding, zoals weergegeven in de wet, onder duidelijke voorwaarden persoonsgegevens verwerken, ten behoeve van haar coördinatietaak in terrorismebestrijding en nationale veiligheid. De NCTV mag ook dan geen onderzoek doen gericht op personen en organisaties en geen duidingen verstrekken waardoor een persoon in verband wordt gebracht met een trend of fenomeen.
Bent u bereid deze vragen 1 voor 1 zo snel mogelijk te beantwoorden?
Ja.
De rellen in Den Haag tussen groepen Eritreers |
|
Bente Becker (VVD), Ruben Brekelmans (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «waarom voor- en tegenstanders van het Eritrese regime met elkaar botsen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het absoluut onacceptabel is dat groepen Eritreeërs in Den Haag zoveel geweld hebben gebruikt dat vier agenten gewond raakten, meerdere auto's in brand gestoken werden en een zalencentrum beschadigd raakte?
Wij veroordelen elke vorm van geweld, temeer wanneer dit zich richt tegen onze hulpverleners. Politie en andere hulpverleners staan voor onze veiligheid. Zij moeten te allen tijde hun werk veilig kunnen doen. Tijdens de rellen in Den Haag was er sprake van excessief geweld. De feiten worden momenteel onderzocht door het Openbaar Ministerie. Voor snelle en strenge opsporing en vervolging na geweld tegen werknemers met een publieke taak bestaan de Eenduidige Landelijke Afspraken. Gezien de ernst van deze delicten is bij geweldplegers tegen functionarissen met een publieke taak, waaronder hulpdiensten, bijvoorbeeld een strafeis van +200 procent van toepassing.
Welke actie is door de driehoek ondernomen om het geweld in Den Haag te stoppen, en welke stappen zet Justitie om de daders op te sporen en te bestraffen?
Er wordt een risico-inschatting gemaakt op basis van beschikbare informatie. Al eerder werden Eritrese bijeenkomsten in Nederland verstoord, ook hier gingen online oproepen aan vooraf. In de voorbereiding naar de bijeenkomst in Den Haag zijn de nodige maatregelen genomen. Er is extra politie, waaronder de Mobiele Eenheid (ME), ingezet gekomen om te voorkomen dat de veiligheid van personen in gevaar zou komen. Daarnaast was al een verdachte aangehouden wegens de verdenking van opruiing tot openlijke geweldpleging. Meer aanhoudingen werden op dat moment ook niet uitgesloten. Op basis van de aanwezige informatie en het verloop van eerdere bijeenkomsten van deze groep, werd rekening gehouden met een aanloop van enkele tientallen «tegenstanders» die een ongehinderd verloop van de bijeenkomst zouden proberen te voorkomen. Niemand had echter voorzien dat er dit keer zoveel relschoppers zouden opdagen en dat het geweld in zoveel hevigheid zou losbarsten.
Kort na de eerste ongeregeldheden is besloten tot de instelling van een Staf Grootschalig en Bijzonder Optreden, een bevelstructuur speciaal voor een (terroristische) crisis, (dreigende) rampen en calamiteiten. Vervolgens is de driehoek steeds geïnformeerd over de ontwikkelingen in het situationele beeld. Op basis van dat beeld heeft de driehoek overleg gevoerd. De burgemeester heeft op advies toestemming gegeven tot de inzet van traangas om de relschoppers uiteen te drijven, alsmede om bijstand van de ME uit andere eenheden. Ook heeft de burgemeester een noodbevel afgegeven voor de directe omgeving van het zalencentrum. Tot slot heeft de burgemeester met het oog op de veiligheid van de aanwezigen besloten het zalencentrum te ontruimen en de aanwezigen van de Eritrese bijeenkomst over te brengen naar een opvanglocatie. Het optreden van de politie is in de eerste plaats gericht geweest op het beëindigen van het geweld en het beschermen van de aanwezigen in het zalencentrum. De hoofdofficier van justitie heeft in de driehoek het belang benadrukt van het aanhouden van geweldplegers.
Het onderzoek naar de rellen is nog in volle gang. Inmiddels zijn in totaal 16 verdachten aangehouden wegens opruiing tot openlijke geweldpleging dan wel het plegen van openlijke geweldpleging. Meer aanhoudingen worden nog altijd niet uitgesloten. OM en politie hebben getuigen opgeroepen om beelden van de betreffende avond te delen met de politie om zo tot identificatie van andere verdachten te komen. Nu het nog een lopend onderzoek betreft kunnen geen nadere inhoudelijke mededelingen worden gedaan.
Deelt u de mening dat dit geweld stevig bestraft moet worden en niet slechts met een taakstraf? Wat is de stand van zaken met betrekking tot het gevraagde taakstrafverbod voor personen die hulpverleners belagen?
Over de beoordeling van de zaken kunnen geen inhoudelijke mededelingen worden gedaan, nu het onderzoek nog loopt. Op dit moment wordt het wetsvoorstel voor het taakstrafverbod ambtelijk voorbereid, waarbij ook wordt gekeken naar de precieze afbakening van het wetsvoorstel.
Welke gevolgen hebben dergelijke daden in algemene zin in het geval van een asielverzoek, een tijdelijke verblijfsvergunning, in het geval van een permanente verblijfsvergunning en in het geval van het nog niet in bezit zijn van het Nederlanderschap?
Overlastgevend en crimineel gedrag is absoluut onaanvaardbaar. Met landelijke en lokale maatregelen bundelen het Rijk en gemeenten hun krachten om overlast en criminaliteit effectief aan te pakken. Als er sprake is van een veroordeling wegens strafbare feiten kan een verblijfsvergunning worden geweigerd of ingetrokken. In het geval van intrekking van een verblijfsvergunning regulier is de glijdende schaal van toepassing (des te langer het verblijf, des te hoger de opgelegde straf moet zijn om verblijf te kunnen intrekken). Als het gaat om mensen die asielrechtelijke bescherming nodig hebben, gelden bovendien de normen die zijn neergelegd in Europese Kwalificatierichtlijn, die weer een uitwerking zijn van internationale verdragen en jurisprudentie. Ten aanzien van deze personen geldt immers, dat is vastgesteld dat zij bescherming van de Nederlandse overheid nodig hebben. Bij terugkeer naar het eigen land zouden zij ernstige problemen kunnen ondervinden. Daarom is in de Europese regelgeving opgenomen wanneer een asielvergunning kan worden geweigerd of ingetrokken.
Als betrokkene moet worden aangemerkt als verdragsvluchteling, kan de vergunning alleen worden geweigerd of ingetrokken als er sprake is van een «bijzonder ernstig misdrijf». Hiervan is in beginsel sprake als de rechter een onherroepelijke gevangenisstraf van ten minste 10 maanden heeft opgelegd. Daarnaast moet er ook sprake zijn van een gevaar voor de gemeenschap. Als de vreemdeling geen verdragsvluchteling is maar wel in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming, moet sprake zijn van een «ernstig misdrijf». Hiervoor is in ons beleid een grens gesteld van tenminste zes maanden gevangenisstraf. Een van de veroordelingen moet daarnaast betrekking hebben op een misdrijf dat naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert. Ook is de aard van de misdrijven/gepleegde strafbare feiten van belang. In beide gevallen moet ook het Unierechtelijk openbare- orde criterium worden getoetst. Daarnaast moeten beide gevallen evenredig zijn aan de bedreiging die de betrokken derdelander vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.
Deelt u de mening dat dit soort ernstige geweldplegingen gevolgen moeten hebben voor het kunnen krijgen van een permanente verblijfsvergunning dan wel het Nederlanderschap, en welke mogelijkheden heeft u om de glijdende schaal die hier op van toepassing is verder aan te scherpen?
Uitgangspunt van het openbare-ordebeleid is dat vreemdelingen die (ernstige) misdrijven plegen niet in aanmerking komen voor verblijf in Nederland. Tegelijkertijd zijn de weigering en de intrekking van de verblijfsvergunning gebonden aan de regels waaraan in het antwoord op vraag 5 wordt gerefereerd. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State komt naar voren dat het Nederlandse beleid reeds scherp gesteld is.
Wat is uw beeld van de mate van ongewenste beïnvloeding vanuit het Eritrese regime, een van de meest onvrije in de wereld, in Nederland? Hoe houdt u hier momenteel toezicht op?
Zoals ook aangegeven in een brief aan uw Kamer in 2016 is het beeld van sociale druk binnen de Eritrese gemeenschap niet volledig eenduidig. Mogelijk vindt dit wisselende beeld zijn oorsprong voor een deel in een generatieverschil tussen personen die voor, dan wel na de onafhankelijkheid het land hebben verlaten. Het is niet vast te stellen of de druk die sommige Eritreeërs ervaren een direct gevolg is van invloed die de Eritrese overheid zou uitoefenen in Nederland op personen van Eritrese afkomst. Ook de heffing van de 2% diasporabelasting door de Eritrese ambassade is een voorbeeld van het uitoefenen van invloed.
Sinds 2018 hanteert het kabinet een nationale aanpak tegen ongewenste buitenlandse inmenging (OBI), waarover uw Kamer meermaals is geïnformeerd. Deze aanpak bestaat uit drie sporen, te weten het diplomatieke spoor, het weerbaarheidsspoor en het bestuurlijk/strafrechtelijke spoor. Deze integrale OBI-aanpak wordt voortdurend bezien op effectiviteit en actualiteit. Hiertoe is in 2018 de zogenoemde OBI-tafel opgericht, onder coördinatie van de NCTV. Dit is een periodiek, interdepartementaal overleg waarbij de Ministeries van BZ, BZK, Defensie, JenV en SZW zijn aangesloten, alsmede de politie en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Indien er signalen zijn die aanleiding geven tot het bespreken van ongewenste beïnvloeding vanuit de Eritrese overheid, kan dat in dit verband worden gedaan.
Kunt u een inschatting geven van het aantal Eritreeërs met een verblijfsvergunning dat aanhanger is van het Eritrese regime? Hoe houdt u toezicht op beïnvloeding en bedreiging van inwoners in Nederland via deze personen door het Eritrese regime?
In de systemen van de IND wordt niet geregistreerd of een Eritreeër aanhanger is van het regime. In de praktijk zijn er echter geen recente gevallen bekend waarin Eritrese asielzoekers zich kenbaar maken als regeringsgezind of waarbij de IND aanwijzingen heeft dat zij regeringsgezind zouden zijn. Mede hierdoor kan de IND geen inschatting geven over het aantal Eritreeërs met een verblijfsvergunning dat aanhanger is van het Eritrese regime. Het is bovendien waarschijnlijker dat regeringsgezinde Eritreeërs niet afkomstig zijn uit de huidige asielinstroom, zoals ik in antwoord op vraag 9 nader toelicht.
Zoals in het antwoord op vraag 7 is gemeld kunnen dergelijke signalen in OBI-verband worden besproken en, indien nodig, van een passende respons worden voorzien. Indien sprake is van bedreiging kan te allen tijde aangifte worden gedaan bij de politie.
Hoe is het mogelijk dat iemand die aanhanger is van het Eritrese regime in Nederland een vluchtelingenstatus krijgt? Is de veronderstelling juist dat aanhangers van het regime aldaar ter plekke geen vervolging hoeven te vrezen en om ongegronde redenen hier asiel kunnen hebben aangevraagd?
Wanneer tijdens de asielprocedure duidelijk wordt dat de betrokkene een loyale aanhanger van de Eritrese autoriteiten is, wordt dit element meegewogen bij de individuele beoordeling van de asielaanvraag. Dit kan betekenen dat de aanvraag wordt afgewezen. Uit de meest recente ambtsberichten van de afgelopen jaren aangaande Eritrea blijkt immers, dat voor aanhangers van het regime bij terugkeer niet dezelfde risico’s gelden als voor andere Eritreeërs. Vrijwel alle Eritreeërs die recent gevlucht zijn uit het land, voeren echter aan dat zij vluchtten vanwege het zeer repressieve regime en de onbeperkte duur van de dienstplicht. Deze personen zijn vrijwel allemaal op illegale wijze vertrokken en lopen een reëel risico om bij terugkeer aan marteling te worden onderworpen.
Het is waarschijnlijker dat regeringsgezinde Eritreeërs in Nederland niet afkomstig zijn uit de recente en huidige asielinstroom. Een eerste golf Eritreeërs ontvluchtte het land al tussen 1980–1998, tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tussen Eritrea en Ethiopië. Deze groep was grotendeels voorstander van de onafhankelijkheid van Eritrea en lid van de partij die evolueerde tot de huidige regeringspartij. Deze personen zullen reeds vele jaren in Nederland verblijven en in de praktijk daarom veelal een vergunning voor onbepaalde tijd hebben of inmiddels de Nederlandse nationaliteit bezitten. Daarnaast zullen niet alle Eritreeërs in eerste instantie verblijfsrecht in Nederland hebben gekregen op basis van asiel, maar kunnen zij dit ook op reguliere gronden hebben verkregen.
Van de huidige asielstroom kan in algemene zin worden gesteld dat deze juist gevormd wordt door personen op de vlucht voor het huidige regime.
Hoe houdt u toezicht op dit soort signalen die een contra-indicatie zijn voor het recht op verblijf om vervolgens een verblijfsvergunning in te trekken? Dus als blijkt dat een Eritreeër ongegrond asiel heeft gekregen. Hoe vaak is dat afgelopen vijf jaar gebeurd?
De IND is tijdens de hele asielprocedure alert op signalen die aan verlening van de asielvergunning in de weg staan. Iedere asielaanvraag wordt nauwkeurig en zorgvuldig beoordeeld op individuele gronden. Wanneer er na verlening van de verblijfsvergunning signalen binnenkomen waaruit blijkt dat iemand niet langer de bescherming van Nederland nodig heeft tegen de situatie of individuele omstandigheden in het land van herkomst, kan de IND, afhankelijk van de individuele omstandigheden, toetsen of de vreemdeling in het bezit kan blijven van een verblijfsvergunning asiel dan wel of de verblijfsvergunning asiel ingetrokken moet worden. Voor wat betreft strafrechtelijke veroordelingen in Nederland, ontvangt de IND de vonnissen van vreemdelingen met een verblijfsvergunning, zodat beoordeeld kan worden of op grond van openbare orde het verblijfsrecht moet worden ingetrokken.
In 2019 werden circa 30 asielvergunningen van personen met de Eritrese nationaliteit ingetrokken. In 2020 waren er circa 20 intrekkingen, circa 20 in 2021, circa 30 in 2022 en circa 10 intrekkingen in 2023.
Kan Eritreeërs die jarenlang in Ethiopië, Soedan of een ander land in de regio hebben verbleven vaker een veilig alternatief worden tegengeworpen en op welke wijze?
Ingevolge artikel 38 van de EU-Procedurerichtlijn is voor de toepassing van het begrip «veilig derde land» vereist dat de bevoegde asielautoriteiten zich ervan hebben vergewist dat een persoon die in Nederland om internationale bescherming verzoekt in het betrokken derde land overeenkomstig een aantal in het eerste lid opgesomde beginselen zal worden behandeld. In dit kader is allereerst van belang dat men in het derde land niet wordt geconfronteerd met vervolging of ernstige schade, dat het derde land het beginsel van non-refoulement naleeft en dat voor de vreemdeling de mogelijkheid bestaat om in het derde land om verlening van de vluchtelingenstatus te verzoeken en, als tot erkenning als vluchteling wordt overgegaan, om bescherming te krijgen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag. Soedan en Ethiopië worden op dit moment niet aangemerkt als veilig derde land.
Als wel kan worden vastgesteld dat het land waar lange tijd is verbleven over het algemeen als veilig aangemerkt kan worden, wordt bepaald of de band van de vreemdeling met dat land zodanig is dat het voor hem redelijk is daarnaartoe te gaan en dat het aannemelijk is dat die vreemdeling in beginsel wordt toegelaten tot dat land. Het is daarbij aan de IND, die tegenwerpt dat een vreemdeling uit een veilig derde land komt, om dat aannemelijk te maken. Indien een vreemdeling jarenlang in een derde land heeft verbleven kan in de regel sneller tegengeworpen worden dat dit een veilig derde land betreft. De vreemdeling heeft dan sterke banden met het land opgebouwd. Wel moet in elk individueel geval voldaan worden aan de bovenstaande voorwaarden.
Herinnert u zich nog een toezegging van het kabinet uit 2016 dat meer toezicht gehouden zou worden op Eritreeërs die op vakantie gaan in eigen land (en daar dus veilig zijn), om vervolgens de verblijfsvergunning in te kunnen trekken? Hoe is gevolg gegeven aan deze toezegging en hoe vaak is daadwerkelijk tot intrekking overgegaan?
De asielvergunning is bedoeld om mensen te beschermen tegen een reëel gevaar in dat herkomstland. De IND werkt daarom samen met de KMar en andere ketenpartners om te controleren of vreemdelingen met een asielvergunning naar hun herkomstland zijn gereisd. Als wordt geconstateerd dat personen met een asielvergunning hun herkomstland hebben bezocht, wordt onderzocht of de asielvergunning kan worden ingetrokken. Intrekken kan als de grond voor verlening is komen te vervallen en gebleken is dat bescherming niet langer nodig is. Personen die al een Nederlands paspoort hebben of een asielvergunning van onbepaalde tijd, kunnen in beginsel zonder verblijfsrechtelijke gevolgen reizen naar hun herkomstland.
In 2016 vroeg uw Kamer aandacht voor signalen van Eritreeërs die op veilige wijze tussen Eritrea en Nederland hadden gereisd. Daarop werden, aanvullend op de reguliere controles, tijdelijk extra controles uitgevoerd op vluchten waarvan het vermoeden bestond dat er Eritreeërs met een asielvergunning aan boord waren. Bij deze controles werden geen terugreizende Eritreeërs aangetroffen. Dit leidde derhalve niet tot intrekkingen.
Hoe staat het met het toezicht op de Eritrese diasporabelasting en hoe vaak is door de Nederlandse overheid ingegrepen als geconstateerd is dat deze onder dwang in Nederland is geïnd?
Indien ons signalen bereiken wordt niet geschroomd stevig in te grijpen. Zo is in 2017 de Tijdelijk Zaakgelastigde van het ambassadekantoor in Den Haag persona non grata verklaard. In 2020 is daarnaast een lokale medewerker van het ambassadekantoor weggestuurd omdat hij zich voordeed als consul en geld ophaalde. Uw Kamer is destijds over deze zaken geïnformeerd.
Hoe vaak is door Eritrese politici geprobeerd hier campagne te voeren sinds er dankzij de VVD een verbod is gekomen op campagne voeren voor verkiezingen van buiten de EU? Hoe vaak heeft u hierop gehandhaafd?
Sinds het kabinet positie heeft genomen tegen het voeren van campagne door niet-Nederlandse burgers in het kader van verkiezingen in landen buiten de EU, heeft Buitenlandse Zaken geen melding ontvangen van Eritrese politici die campagne wilden voeren in NL.
Wat doen gemeenten, zoals de gemeente Den Haag, om zicht te houden op en contact te houden met de Eritrese gemeenschap?
Ik heb geen zicht op hoe individuele gemeenten contacten onderhouden met de Eritrese gemeenschap; dat is aan de gemeenten zelf om daar vorm aan te geven. Voor een specifiek antwoord naar de contacten van gemeente Den Haag met betrekking tot de Eritrese gemeenschap, verwijs ik uw Kamer naar de beantwoording van de feitelijke vragen n.a.v. de ongeregeldheden van 17 februari jl. door de burgemeester van Den Haag.2
Kunt u met de Kamer delen wat voor informatie u heeft over de Eritrese organisatie Brigade Nhamedu die mogelijk betrokken zou zijn geweest bij de rellen gisteren in Den Haag?
Zoals eerder door het Openbaar Ministerie in persberichten kenbaar is gemaakt zijn er meerdere verdachten aangehouden naar aanleiding van betrokkenheid bij de rellen. Het onderzoek richt zich daarbij op iedereen die verantwoordelijk kan worden gehouden voor de rellen in Den Haag, inclusief voor het opruien daartoe, de opdrachtgevers en de geweldplegers. Nadere inhoudelijke informatie kan in het belang van het onderzoek niet worden gedeeld.
Er wordt door de politie altijd per casus gekeken naar de beschikbare informatie om een informatiebeeld te vormen. Er worden gezien de vertrouwelijkheid geen uitspraken gedaan over informatiebeelden van de politie.
Herkent u de betrokkenheid van deze organisatie bij de rellen?
Het Openbaar Ministerie heeft een Team Grootschalige Opsporing ingesteld om daders van de wanordelijkheden te vervolgen. Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van dat onderzoek.
Wat is dit voor organisatie, met hoeveel leden, en welke rechtsvorm en welke financieringsstuctuur heeft zij?
Er worden gezien de vertrouwelijkheid geen uitspraken gedaan over informatiebeelden van de politie en het actuele kennisniveau van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Is er contact vanuit de overheid met deze organisatie en zo ja, op welke wijze?
Voor zover bekend is er vanuit de Rijksoverheid geen contact deze organisatie.
Bent u bereid een onderzoek te doen naar de activiteiten van deze organisatie en hoe deze zich verhouden tot artikel 22 van het Burgerlijk Wetboek?
Het lopende strafrechtelijke onderzoek richt zich op iedereen die verantwoordelijk kan worden gehouden voor de rellen in Den Haag, inclusief voor het opruien daartoe, de opdrachtgevers en de geweldplegers. Nadere inhoudelijke informatie kan in het belang van het onderzoek niet worden gedeeld. Ervan uitgaande dat artikel 2:20 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt bedoeld, kan ik slechts zeggen dat dit artikel voorschrijft dat het Openbaar Ministerie de rechtbank kan verzoeken een rechtspersoon verboden te verklaren of te ontbinden indien de werkzaamheid van deze rechtspersoon in strijd is met de openbare orde.
Bent u bereid de Eritrese ambassadeur aan te spreken op de rellen in Den Haag en op de rol van Eritrea in ongewenste buitenlandse beïnvloeding hier?
Het is tot op heden niet aangetoond dat er bij de rellen sprake was van aansturing door of vanuit het Eritrese regime. Op 22 februari jl vond op het Ministerie van Buitenlandse Zaken een gesprek plaats met de Eritrese Ambassadeur. Daarbij is de Ambassadeur in heldere taal verzocht om de gewelddadigheden af te keuren en zich persoonlijk in te zetten voor de-escalatie van de spanningen binnen de Eritrese gemeenschap in Nederland. De Ambassadeur werd er in het gesprek ook op gewezen dat de Nederlandse overheid is gekant tegen ongewenste buitenlandse inmenging en daar – ook in diplomatiek verband – tegen op zal treden.
Hoe staat het met het meldpunt waar de VVD fractie om heeft gevraagd, waar leden van een diaspora die zich geïntimideerd en bedreigd voelen kunnen melden?
Momenteel wordt gewerkt aan de uitwerking van de motie Becker die oproept tot het inrichten van een meldpunt voor slachtoffers van ongewenste buitenlandse beïnvloeding. U wordt later dit jaar geïnformeerd over de voortgang van de geïntensiveerde aanpak van OBI, daar zal deze motie onderdeel van uitmaken.
Bent u bereid deze vragen één voor één te beantwoorden ruim voor het commissiedebat Inburgering en integratie?
De antwoorden zijn zo snel als mogelijk met uw Kamer gedeeld.
Het bericht ‘Kabinet moet alerter zijn op spionage met Chinese scanners bij douane’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD), Ingrid Michon (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Aukje de Vries (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met bovenstaand bericht? Zo ja, hoe beoordeelt u bovenstaand bericht?1
Ik ben bekend met het bericht. Niet alle stellingen en conclusies in het bericht kunnen worden onderschreven. Uw Kamer is in september vorig jaar geïnformeerd over de scanapparatuur bij de Douane. Daarbij is onder meer aangegeven dat in 2022 onderzoek heeft plaatsgevonden onder regie van TNO met betrokkenheid van de veiligheidsketen. Hieruit volgt dat de Douane scanapparatuur met de huidige inrichting, welke sindsdien niet is gewijzigd, op dit moment kan blijven inzetten zonder dat de nationale veiligheid in gevaar komt.2 Dit geldt ook voor de apparatuur van Nuctech.
Ondermijnende drugscriminaliteit is een groot maatschappelijk probleem en het kabinet geeft hoge prioriteit aan de aanpak daarvan. De inzet van de Douane bij het opsporen en tegengaan van drugssmokkel is daarbij een onmisbare schakel, waardoor het ook van belang is dat de Douane kwalitatief hoogwaardige scanapparatuur kan inzetten. Tegelijkertijd moeten we constant alert zijn op de risico’s en dreigingen die uit kunnen gaan van landen met een offensief cyberprogramma tegen Nederlandse belangen. Om die reden zijn verschillende zaken in gang gezet om de veiligheid van scan- en detectieapparatuur bij de Douane te toetsen en te verbeteren.
Zo past de Douane bij aanbestedingen sinds 2021 de Quickscan nationale veiligheid toe. Dit is een instrument om in kaart te brengen of een aanbesteding raakt aan nationale veiligheid en te bepalen welke maatregelen kunnen worden getroffen om bijbehorende risico’s te beheersen. Bij nieuwe aanbestedingen worden daarnaast aangescherpte eisen ten aanzien van informatiebeveiliging als uitgangspunt genomen. Als een leverancier niet aan deze eisen kan voldoen, vindt er geen verdere beoordeling plaats van de inschrijving en wordt de leverancier uitgesloten van verdere deelname aan de aanbesteding.
Daarnaast is de veiligheid van scan- en detectiesystemen bij de Douane onderzocht. In 2021 heeft PwC onderzoek gedaan naar de informatiebeveiliging van scan- en detectiesystemen in gebruik bij de Douane en aanbevelingen gedaan om het beveiligingsniveau te verbeteren. Deze aanbevelingen zijn door de Douane opgepakt. Daarnaast heeft, zoals hierboven genoemd, onder regie van TNO in 2022 onderzoek plaatsgevonden naar mogelijke risico’s voor de nationale veiligheid, ook vanuit het perspectief van statelijke dreiging. Bij dat onderzoek was de veiligheidsketen betrokken. In dat onderzoek wordt geconstateerd dat de centrale scan- en detectienetwerken gescheiden zijn van het netwerk dat in gebruik is bij de Douane. Scanapparatuur bevat zelf geen informatie die omwille van de nationale veiligheid vertrouwelijk moet blijven, en kan door deze scheiding ook geen opstap vormen naar vertrouwelijke informatie. Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat de Douane scanapparatuur met de huidige inrichting, welke sindsdien niet is gewijzigd, op dit moment kan blijven inzetten zonder dat de nationale veiligheid in gevaar komt3.
Wel wordt in het TNO-onderzoek aanbevolen deze conclusies opnieuw tegen het licht te houden als bijvoorbeeld de wijze van inzet van scanapparatuur bij de Douane verandert. De Douane werkt inmiddels aan slimme techniek (algoritmiek) waarvoor een koppeling nodig kan zijn tussen scanapparatuur en het netwerk van de Douane en scanapparatuur dus op een andere wijze wordt ingezet. Momenteel wordt onder regie van TNO, met betrokkenheid van de veiligheidsketen, onderzocht of dit veilig en verantwoord kan, en als dat zou kunnen, welke maatregelen er eventueel aanvullend getroffen zouden moeten worden om veiligheidsrisico’s zoveel mogelijk te beperken. Aan de hand van de conclusies van deze hertoets zal dus ook opnieuw worden geoordeeld of scanapparatuur bij de Douane ook in de beoogde toekomstige situatie veilig ingezet kan worden. De uitkomsten van dit onderzoek worden rond het aankomende zomerreces verwacht en zullen ook met uw Kamer worden gedeeld.
Hoeveel Nuctech veiligheidsscanners worden momenteel ingezet door de Nederlandse douane?
De Douane heeft momenteel ruim 120 scanners waarvan er ruim 80 van Nuctech zijn. Ruim 70 van die scanners worden op dit moment ook daadwerkelijk ingezet. Het gaat daarbij om verschillende soorten scanners – groot en klein – die worden ingezet op verschillende locaties. Zo werkt de Douane met acht grote scans in de mainports Rotterdam (7) en Schiphol (1), die in zeer korte tijd een hele container voor zee- of luchtvracht in beeld kunnen brengen. Hiermee kunnen dus snel veel controles worden uitgevoerd. Van de acht grote scans is de helft afkomstig van Nuctech.
Hoe beoordeelt u het feit dat na de Verenigde Staten, Australië en Canada, recenter ook België heeft besloten om Nuctech douanescanningsapparatuur in de ban te doen vanuit (nationale) veiligheidsoverwegingen? Hoe reflecteert u op dit besluit?
In België is bij recente aanschaf van scanapparatuur besloten om Nuctech niet uit te nodigen om een inschrijving te doen op basis van een rapport van de Belgische veiligheidsdiensten. Daarbij is meegewogen dat de Belgische douane het voornemen heeft om deze scanapparatuur niet meer in een stand alone-situatie te gebruiken, maar op te nemen in een meer omvattend netwerk. Tot het moment dat nieuwe scanapparatuur in gebruik wordt genomen, blijft de Belgische douane de huidige scanners (ook Nuctech) gebruiken.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 zijn bij de Nederlandse Douane de centrale scan- en detectienetwerken gescheiden van het netwerk dat in gebruik is bij de Douane, vergelijkbaar met de Belgische stand-alonesituatie. Mede daardoor is geconcludeerd dat de Douane scanapparatuur in de huidige situatie kan blijven inzetten zonder dat de nationale veiligheid in gevaar komt. De Nederlandse Douane werkt aan slimme techniek (algoritmiek) waarvoor een koppeling nodig kan zijn tussen scanapparatuur en het netwerk van de Douane. Momenteel wordt onder regie van TNO, met betrokkenheid van de veiligheidsketen, onderzocht of en hoe dit veilig en verantwoord kan.
Eerder heeft u aangegeven de risico’s en dreigingen die uit kunnen gaan van landen met een offensief cyberprogramma, zoals China, wel degelijk te zien; hoe verhoudt dit inzicht zich tot het besluit om door te gaan met de Nederlandse inzet van Nuctech douanescanningsapparatuur?
Het kabinet heeft inderdaad oog voor de genoemde risico’s en dreigingen, zoals blijkt uit het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren4 en ten aanzien van China uit de Kamerbrief over ontwikkelingen in het China-beleid5. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 is eerder, op basis van de huidige technische inrichting van scanapparatuur, geconcludeerd dat de Douane scanapparatuur op dit moment kan blijven inzetten zonder dat de nationale veiligheid in gevaar komt. In dat onderzoek – onder regie van TNO – zijn statelijke dreigingen specifiek meegewogen. Daarnaast heeft PwC onderzoek gedaan naar de informatiebeveiliging van scan- en detectiesystemen. Omdat de Douane onderzoekt of ten behoeve van algoritmiek een koppeling kan worden gemaakt tussen scanapparatuur en het netwerk van de Douane vindt nu een hertoets plaats van het onderzoek onder regie van TNO. Aan de hand van de conclusies van deze hertoets zal dan ook opnieuw worden geoordeeld of scanapparatuur bij de Douane ook in de beoogde toekomstige situatie veilig ingezet kan worden.
Kunt u aangeven in hoeverre nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen bij de inkoop en aanbesteding van douanescanningsapparatuur van Nuctech, wetende dat de Chinese overheid wettelijk toegang heeft tot de data van Nuctech apparatuur conform de geldende Chinese cyberveiligheidswet? Hoe verhoudt zich dit tot de bestaande inzet van het kabinet om risicovolle strategische afhankelijkheden binnen de vitale infrastructuur te verminderen?
De Douane volgt overheidsbeleid bij inkoop en aanbesteding van scanapparatuur. Overheidsbeleid schrijft voor dat nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen bij de inkoop en aanbesteding van producten en diensten.6 Volgens dit beleid dient bij de aanschaf en implementatie van apparatuur rekening gehouden te worden met zowel eventuele risico’s in relatie tot de leverancier, als met het concrete gebruik van de systemen, bijvoorbeeld waar het gaat om toegang tot systemen door derden. Een belangrijk middel ter ondersteuning van dit beleid is het in 2018 ontwikkelde en in 2024 herijkte instrumentarium (de Quickscan nationale veiligheid) om nationale veiligheidsrisico’s bij inkoopopdrachten en aanbestedingen te identificeren en mitigeren.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 1 past de Douane bij aanbestedingen sinds 2021 dit instrumentarium toe. Daarnaast worden bij nieuwe aanbestedingen aangescherpte eisen ten aanzien van informatiebeveiliging als uitgangspunt genomen. Als een leverancier niet aan deze eisen kan voldoen, vindt er geen verdere beoordeling plaats van de inschrijving en wordt de leverancier uitgesloten van verdere deelname aan de aanbesteding.
Over de kabinetsaanpak van risicovolle strategische afhankelijkheden en de voortgang daarvan bent u geïnformeerd bij brief van respectievelijk 12 mei 20237 en 15 december 2023.8 In deze kabinetsaanpak wordt onder meer geschetst wanneer sprake kan zijn van een risicovolle strategische afhankelijkheid.
Kunt u aangeven wat de laatste stand van zaken is van het toegezegde overleg met de Minister van Economische Zaken om mogelijkheden te verkennen om de afhankelijkheid van een enkele leverancier te verminderen? Welke mogelijkheden zijn ter sprake gekomen?
Met de Minister van Economische Zaken is besproken dat het verminderen van de afhankelijkheid van één leverancier voor scanapparatuur bij de Douane een relevante en gezamenlijke uitdaging is. Uit het overleg zijn geen mogelijkheden gekomen die de Douane al op korte termijn in aanbestedingen kan inzetten om afhankelijkheid te verminderen. Wel zijn er perspectieven besproken die op de langere termijn kunnen helpen om minder afhankelijk te zijn van één leverancier. Daarbij is bijvoorbeeld gesproken over manieren om de markt voor scanapparatuur verder te ontwikkelen, onder meer door het verkennen van een gezamenlijke strategie met andere Europese douane-organisaties. Deze perspectieven voor de langere termijn worden de komende periode in gezamenlijkheid verder uitgewerkt.
Hoe beoordeelt u de conclusie van het TNO-onderzoek dat de nationale veiligheid op dit moment niet in gevaar komt als de vertrouwelijkheid, integriteit of beschikbaarheid van scan- en detectie- processen van de Douane worden aangetast in het licht van recente bevindingen van onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten dat China de grootste bedreiging vormt voor de economische veiligheid en in zekere mate ook de nationale veiligheid van Nederland?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 4 heeft het kabinet oog voor de genoemde risico’s en dreigingen en is het van belang om daar alert op te reageren. Met de huidige technische inrichting van scanapparatuur bij de Douane, waarin de centrale scan- en detectienetwerken zijn gescheiden van het netwerk dat in gebruik is bij de Douane, is geoordeeld dat de nationale veiligheid op dit moment niet in gevaar komt. Er is op dit moment geen reden om van die conclusie af te wijken. Momenteel vindt opnieuw onderzoek plaats naar mogelijke risico’s voor de nationale veiligheid vanwege de wens van de Douane om scanapparatuur in een andere technische inrichting in te zetten.
Hoe verklaart u dat België er in is geslaagd Nuctech scanapparatuur uit te sluiten van aanbestedingen, ondanks eerdere argumenten van het kabinet dat dit juridisch niet mogelijk zou zijn? In hoeverre hebben andere Europese lidstaten soortgelijke stappen ondernomen om Nuctech uit te sluiten van aanbestedingen? Welke lidstaten hebben soortgelijke stappen ondernomen? Welke alternatieven gebruiken andere landen zoals de Verenigde Staten?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 heeft België bij recente aanschaf van scanapparatuur besloten om Nuctech niet uit te nodigen om een inschrijving te doen op basis van een rapport van de Belgische veiligheidsdiensten. Daarbij is meegewogen dat de Belgische Douane het voornemen heeft om deze scanapparatuur niet meer in een stand alone-situatie te gebruiken, maar op te nemen in een meer omvattend netwerk. Dat besluit is dus genomen op basis van een situatie die niet vergelijkbaar is met hoe de Nederlandse Douane scanapparatuur op dit moment inzet. Na het onderzoek van TNO, met betrokkenheid van de veiligheidsketen, is op basis van de manier van inzet van scanapparatuur door de Nederlandse Douane geoordeeld dat op dit moment de nationale veiligheid niet in gevaar komt.
Met betrekking tot andere Europese lidstaten is bij de Douane bekend dat België en Litouwen stappen hebben ondernomen om Nuctech uit te sluiten van bepaalde aanbestedingen en deels apparatuur van andere leveranciers inzetten. Er is een klein aantal, van oorsprong Amerikaanse en Britse bedrijven dat doorgaans inschrijft op aanbestedingen.
Deze bedrijven leveren ook de gangbare alternatieven voor Nuctech-apparatuur die door andere Douane-organisaties worden ingezet. Het kabinet heeft geen totaaloverzicht van beleid van derde landen ten aanzien van douanescanners. Het is aan landen zelf om invulling te geven aan het mitigeren van nationale veiligheidsrisico’s.
Scanapparatuur wordt door de Douane aangeschaft via wettelijk voorgeschreven inkoopprocedures op grond van nationale aanbestedingswetgeving. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de Quickscan nationale veiligheid. Opdrachten worden conform wetgeving gegund op basis van een combinatie van prijs en kwaliteit. Bij een aantal Nederlandse aanbestedingen voor scanapparatuur zijn scanners van de hierboven genoemde leveranciers als beste uit een procedure gekomen, terwijl in andere aanbestedingen juist Nuctech als beste leverancier naar voren kwam.
Op basis van de Aanbestedingswet 2012 is het in principe niet mogelijk om een (in de Europese Unie gevestigde) leverancier, die wel aan de gestelde eisen en voorwaarden voldoet, uit te sluiten. Indien er sprake is van een risico voor de nationale veiligheid, dan kan een gedeelte van de Aanbestedingswet 2012 niet van toepassing zijn en kan er worden gekozen voor het rechtstreeks uitnodigen van leveranciers. Deze maatregel is niet getroffen omdat na onderzoek van TNO is geconcludeerd dat de nationale veiligheid op dit moment niet in gevaar komt.
Gelet op de evidente veiligheidsrisico’s en eerdere bevindingen en adviezen van cyberexperts, de AIVD en de NCTV met betrekking tot de inzet van Nuctech douanescanningsapparatuur, bent u het met de VVD eens dat het gebruik van Nuctech-scanners een risico vormt voor de Nederlandse economische en nationale veiligheid en derhalve dient te worden heroverwogen?
Het kabinet vindt het belangrijk om continu oog te hebben voor geopolitieke en technische ontwikkelingen en daar alert op te reageren. Dat gebeurt ook ten aanzien van de scanapparatuur van de Douane. In dat kader is relevant dat op dit moment de scanapparatuur van de Douane ingezet kan worden zonder dat de nationale veiligheid in gevaar komt. Omdat de Douane onderzoekt of ten behoeve van algoritmiek een koppeling kan worden gemaakt tussen scanapparatuur en het netwerk van de Douane vindt nu een hertoets plaats om mogelijke risico’s voor de nationale veiligheid opnieuw te beoordelen. Bij dat onderzoek is de veiligheidsketen betrokken. Aan de hand van de conclusies van deze hertoets zal dan ook opnieuw worden geoordeeld of scanapparatuur bij de Douane ook in de beoogde toekomstige situatie veilig ingezet kan worden.
Het bericht ‘Australische haatprediker ongemoeid naar Utrecht: terreurdaden Hamas ’een opsteker’’ |
|
Diederik van Dijk (SGP), Henri Bontenbal (CDA), Mirjam Bikker (CU), Ingrid Michon (VVD), Lilian Helder (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Australische haatprediker ongemoeid naar Utrecht: terreurdaden Hamas «een opsteker»»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat hier sprake kan gaan zijn van extremistische uitingen die ondermijnend zijn aan de democratische rechtsorde en daarom een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid?
De wijze waarop wij in Nederland met elkaar samenleven is een groot goed. In Nederland is ruimte voor een grote diversiteit van beschouwingen, opvattingen, leefstijlen en kritiek. De grens van die ruimte ligt bij het ondermijnen of bedreigen van de democratische rechtsorde zelf. Voor discriminatie, het oproepen tot haat of onverdraagzaamheid en geweld in welke vorm dan ook, is geen plaats in een democratische rechtsstaat als de onze. Het kabinet is er daarom alles aan gelegen om op te treden tegen sprekers die met het verspreiden van hun denkbeelden de vrijheden van anderen inperken, of zelfs aanzetten tot haat of geweld en hiermee de democratische rechtsorde ondermijnen en een bedreiging kunnen vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid. Zo is uw Kamer op 25 oktober 2023 geïnformeerd over het versterken van de maatregel om extremistische vreemdelingen uit Nederland te weren.4
De spreker is door een Schengen lidstaat ter fine van toegangsweigering in het SIS informatiesysteem gesignaleerd. Indien hij Nederland tracht in te reizen, zal zijn toegang geweigerd worden door de Koninklijke Marechaussee. Deze toegangsweigering geldt, in lijn met de Schengengrenscode, ook voor alle andere Schengen lidstaten.
Is het juist dat de betreffende haatprediker visumvrij door Europa reist? Klopt het dat er nog geen inreisverbod is opgelegd? Waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben andere lidstaten pogingen gedaan hem te weren? Met welk resultaat?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhoudt dit zich tot de brief van oktober jongstleden2 die zag op het versterken van de aanpak van extremistische sprekers en de positie van de NCTV hierin, en tot de aangenomen motie Diederik van Dijk3 en de mogelijkheid om haat- en angstzaaiers te weren?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u mogelijkheden om de haatprediker een inreisverbod op te leggen? Zo ja, gaat u dat doen? Zo nee, hoe komt dat?
Zie antwoord vraag 2.
Indien dit niet mogelijk is, ziet u andere mogelijkheden – zoals bijvoorbeeld een gebiedsverbod – om te voorkomen dat de betreffende prediker zaterdag kan opereren en treedt u hiertoe ook in overleg met de burgemeester van Utrecht? Hoe wordt daarnaast voorkomen dat deze prediker ook op andere plekken in Nederland opereert?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid een klemmend beroep te doen op de Jaarbeurs om dit evenement niet door te laten gaan?
De gemeente Utrecht heeft aangegeven dat er in Utrecht geen plaats is voor extremistische sprekers. Hiertoe is de gemeente in gesprek gegaan met de Jaarbeurs en organisatie van het evenement om te bekijken wat de mogelijkheden waren om te voorkomen dat deze spreker een podium zou krijgen. Ook is er goed contact geweest tussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de gemeente en veiligheidsdiensten om te zorgen dat deze spreker de toegang tot Nederland zou worden geweigerd.
Welke regelgeving is van toepassing voor de stichting die dit organiseert?
Zie antwoord vraag 8.
Welk contact is er geweest met de gemeente Utrecht? Bent u bezorgd dat dit leidt tot radicalisering van jongeren? Zo ja, wat gaat u daar dan tegen doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 19 januari beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Kwam agent Robert-Jan om het leven bij politiewerk? Nee, zegt stichting (en dus komt zijn naam niet op monument)’ |
|
Ingrid Michon (VVD), Lilian Helder (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Kwam agent Robert-Jan om het leven bij politiewerk? Nee, zegt stichting (en dus komt zijn naam niet op monument)»?1
Ja.
Klopt het dat, ondanks een verzoek van de korpschef, de naam van de overleden agent Robert-Jan Hartman niet op het nationaal politiemonument Tuin van Bezinning komt?
Ja, dat klopt.
Deelt u met de korpschef dat de activiteit waarbij Robert-Jan Hartman is overleden als een vaardigheidstraining geldt, die daarmee indirect deel uitmaakt van politiewerk? Deelt u voorts dat het om die reden mogelijk moet zijn om Robert-Jan Hartman op te nemen in de Tuin der Bezinning?
De afweging of de teambuildingsactiviteit waar de heer Hartman aan deelnam toen hij dodelijk gewond raakte voldoet aan de criteria in het reglement van de Tuin van Bezinning is niet aan mij als Minister om te maken. De Tuin van Bezinning wordt beheerd door een stichting, met een onafhankelijk bestuur. Noch ik, noch de korpschef maakt onderdeel uit van het bestuur van deze stichting. Het bestuur toetst voordrachten van namen van omgekomen politiemedewerkers op criteria die in het reglement zijn vastgelegd, in het licht van de toelichting die op het reglement gegeven is en de totstandkoming van het reglement.
Van de korpschef heb ik vernomen dat, in reactie op zijn verzoek ten aanzien van het opnemen van de heer Hartman, het bestuur hem heeft geïnformeerd dat voor hen centraal staat dat de Tuin van Bezinning bedoeld is voor het eren en herdenken van politiemensen die «in the line of duty» om het leven zijn gekomen. In het verlengde daarvan is het doel nadrukkelijk oog te hebben voor de risico’s die uitoefening van het operationele politiewerk met zich meebrengt. Ik heb via de korpschef vernomen dat het bestuur heeft geoordeeld dat de activiteit waarbij de heer Hartman dodelijk gewond raakte niet in het verlengde ligt van «in the line of duty», hoe treurig de omstandigheden ook waren en nog steeds zijn.
Bent u bekend met de zorgvuldige afweging van belangen die door het stichtingsbestuur gemaakt zou zijn? Om welke belangen gaat het hier?
Het bestuur heeft, naar aanleiding van het verzoek van de korpschef, zorgvuldig afgewogen of de omstandigheden waaronder de heer Hartman is overleden voldoen aan de criteria voor opname in de Tuin van Bezinning of dat er aanleiding was om, in dit specifieke geval, de hardheidsclausule toe te passen en een uitzondering te maken op deze criteria.
Deze hardheidsclausule is inderdaad, bij wijziging in 2021, toegevoegd aan het reglement. De clausule houdt in dat het bestuur kan besluiten om – in uitzonderlijke gevallen – een naam toch op te nemen. Daartoe kunnen zij besluiten als het niet opnemen van een naam zou leiden tot een besluit dat op gespannen voet staat met de doelstellingen van de stichting.
In het reglement is opgenomen dat het bestuur alle relevante belangen afweegt om tot een besluit over een eventuele uitzondering te komen. Daaronder zijn onder andere de belangen van de nabestaanden en oud-collega’s van de betreffende (overleden) politiemedewerker en de bedoeling van de Tuin van Bezinning en belangen van de nabestaanden van politiemensen van wie de naam reeds is opgenomen in de Tuin van Bezinning.
In het geval van de heer Hartman heeft het bestuur de korpschef geïnformeerd dat zij deze afweging als een moreel dilemma hebben ervaren. Het bestuur is doordrongen van de tragiek van het ongeval als gevolg waarvan hij is omgekomen en de impact die dit nog altijd heeft op zijn nabestaanden en oud- collega’s. Om tot een besluit te komen, hebben zij uitgebreid stil gestaan bij de verschillende perspectieven, belangen, waarden en normen. Via de korpschef heb ik vernomen dat het bestuur zich terdege bewust is van de tragiek die verbonden is aan het overlijden van de heer Hartman, maar dat naar hun oordeel een besluit om de naam van de heer Hartman niet op te nemen, niet op gespannen voet staat met de doelstellingen van de stichting. Zij zien daarom geen reden om in dit geval een uitzondering te maken.
Klopt het dat er sinds 2021 uitzonderingen gemaakt kunnen worden op de hardheidsclausule die geldt voor opname in de Tuin der Bezinning? Waarom is dat hier niet van toepassing?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat Robert-Jan Hartman alsnog opgenomen wordt in de Tuin der Bezinning, teneinde zijn nabestaanden ook worden uitgenodigd voor de jaarlijkse herdenking? Wat kunt/gaat u doen om dit alsnog te bewerkstelligen?
Net als de korpschef, heb ik begrip voor de wens van de nabestaanden en oud- collega’s om de naam van de heer Hartman op te nemen in de Tuin van Bezinning. Tijdens mijn aanwezigheid bij de jaarlijkse herdenking heb ik de kracht en waarde ervaren die de Tuin van Bezinning voor nabestaanden en oud-collega’s heeft. Zij putten troost en steun uit de Tuin en het samenzijn tijdens de jaarlijkse herdenking. Ik gun de nabestaanden en oud-collega’s van de heer Hartman een vergelijkbare plek en vind het van belang dat omgekomen politiemedewerkers passend herdacht worden.
Ik stel het daarom op prijs dat de naam van de heer Hartman staat bijgeschreven op het monument voor omgekomen politiemensen in de eenheid Rotterdam. Ik hoop dat zij daar troost in kunnen vinden.
Het besluit om zijn naam ook op te nemen in de Tuin van Bezinning is echter niet aan mij, noch aan de korpschef. Het onafhankelijke bestuur van de stichting die de Tuin van Bezinning beheert, beslist hierover.
Agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke functie |
|
Songül Mutluer (PvdA), Nicole Temmink (SP), Joost Sneller (D66), Anne Kuik (CDA), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Onderschrijft u de conclusie van onderzoeker en adviseur agressie en geweld mevrouw Koetsenruijter dat het voor normherstel essentieel is dat altijd aangifte wordt gedaan van agressie en geweld tegen mensen met een publieke functie?1 Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om de aangiftebereidheid te verhogen?
Samen met mijn ambtsgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (vanaf nu BZK) onderschrijf ik het belang van normherstel. Juist nu sinds een aantal jaar het aantal incidenten aangaande intimidatie en bedreiging tegen politieke ambtsdragers en andere mensen met een publieke taak toeneemt en tegelijkertijd het percentage meldingen en aangiftes achterblijft. Agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke taak kent vele vormen en mag nimmer geaccepteerd worden.
Daarom pleit ik er als eerste voor dat werkgevers helder maken welk gedrag (normen en waarden) zij willen zien in de richting van hun werknemers en welk gedrag zij niet accepteren. Deze norm kent geen vrijblijvendheid en vraagt dan ook om het handhaven ervan, bieden van steun aan de werknemers en het geven van een passende reactie richting de dader. Het Rijk draagt hieraan bij door initiatieven zoals de noodzaak tot het formuleren van een collectieve (generieke) norm. Deze dient als vertrekpunt voor beroepsgroepen en kan vertaald worden naar de eigen context.2 3
Als tweede is het van belang dat een werknemer elke vorm van agressie en geweld altijd meldt bij de eigen werkgever. Het is belangrijk dat de werkgever deze vervolgens goed registreert. Na de melding binnen de organisatie kan een melding of aangifte bij de politie volgen waarbij altijd ondersteuning moet worden geboden vanuit de werkgever. Goede registratie van meldingen is een belangrijke sleutel voor de werkgever tot het opbouwen van een goede informatiepositie over de aard en omvang van agressie en het geweld tegen de eigen werknemers en het nemen van maatregelen, al dan niet in samenspraak met politie.
Als derde pleit ik ervoor dat agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak ten alle tijden gemeld wordt bij de politie. Als de werknemer en/of werkgever besluit(en) aangifte te doen van een strafbaar feit, dient de aangever/melder aan te geven dat het gaat om een functie met publieke taak en dient de politie deze op te nemen en in het systeem te voorzien van de code Veilige Publieke Taak (vanaf nu VPT). Hier ligt een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Op deze wijze kan ook aan de zijde van de politie een goede informatiepositie ontstaan wat tevens bijdraagt aan een landelijk beeld over deze problematiek. Daarbij blijft het nog altijd aan de medewerker zelf om te besluiten daadwerkelijk aangifte te doen.
Als vierde is het, om de aangiftebereidheid te verbeteren, van belang dat een aangifte zichtbaar leidt tot optreden en handelen vanuit de politie en het Openbaar Ministerie (vanaf nu OM). De strafrechtelijke aanpak is sinds 2010 geborgd in de Eenduidige Landelijke Afspraken (vanaf nu de Afspraken). De Afspraken zijn opsporings-en vervolgingsafspraken en beogen een uniforme, eenduidige landelijke aanpak en behandeling van agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak. Voorbeelden van de Afspraken afspraken zijn o.a. prioritaire afhandeling, eenduidige registratie, werkgeversaangifte en een 200% hogere strafeis als uitgangspunt. Mijn ministerie ziet toe op de borging van de Afspraken. Voor een goed aangifteproces heeft het Rijk instrumenten ontwikkeld voor werkgever en werknemer en die beschikbaar gemaakt op de Rijkspagina. Hoewel iedere vorm van agressie en intimidatie moreel verwerpelijk is, levert het niet in alle gevallen een strafbare gedraging op. Die beoordeling is uiteindelijk aan het OM en uiteindelijk aan de rechter.
Tot slot zijn er succesvolle initiatieven van werkgevers die hun verantwoordelijkheid invullen door een medewerker aan te wijzen als eerste aanspreekpunt voor het contact met de politie en het OM. Deze medewerker ondersteunt bij het doen van een melding of aangifte en blijft het proces volgen met het slachtoffer. Ook dit draagt bij aan het verbeteren van de aangiftebereidheid.
Kunt u toelichten in hoeveel procent van dergelijke gevallen van agressie of geweld aangifte wordt gedaan? In hoeveel procent leidt dit tot een veroordeling?
Een betrouwbaar landelijk beeld van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak ontbreekt. Dat is te wijten aan een samenspel van enkele oorzaken. Zo is het (actief) stimuleren van de melding- en aangiftebereidheid en een goede registratie hiervan een verantwoordelijkheid van de werkgever (zie mijn antwoord bij vraag 1). De werkgevers van de diverse beroepsgroepen vullen dat verschillend in. Dit, in combinatie met een persoonlijke afweging doet een functionaris met een publieke taak besluiten al of geen melding te maken. Dat beïnvloedt ook de bereidheid tot de vervolgstap om melding en aangifte te doen bij de politie. Hierdoor is het lastig exact te achterhalen hoeveel procent aangifte doet bij de politie.
Doordat er geen landelijk beeld van het aantal meldingen bij de werkgever is, kan het aantal aangiften bij politie daar niet aan gerelateerd worden.
Vervolgens kan het aantal aangiften niet gerelateerd worden aan een percentage veroordelingen, omdat zaken bij het OM en de Rechtspraak niet per aangifte maar per verdachte worden geregistreerd. Een persoon kan verdacht worden van het plegen van meerdere strafbare feiten en het is mogelijk dat meerdere personen tegen één persoon aangifte doen. Uit de cijfers van 2022 van het OM4 blijkt dat de totale instroom van verdachten in VPT-zaken bij het OM in dat jaar 9.911 was. In 58% van de VPT-zaken werd de zaak door het OM aan de rechter voorgelegd. Dat is meer dan gemiddeld in vergelijking met andere strafzaken. De overige 42% werd afgehandeld door het OM.
Van deze 42% werd 27% door het OM afgedaan met een strafbeschikking, transactie of voorwaardelijk sepot. Het ging dan vooral om de lichtere delicten zoals belediging of het niet opvolgen van een bevel. Tot slot werd 16% van de VPT-zaken onvoorwaardelijk geseponeerd, waarvan bijna de helft vanwege het ontbreken van wettig bewijs. Dit sepotpercentage is lager dan het gemiddelde van alle strafzaken.
Van de zaken die het OM aan de rechter voorlegt, wordt in eerste aanleg in ongeveer 94% van de zaken over agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke taak, de verdachte schuldig bevonden en krijgt al dan niet een straf opgelegd.5 Als de rechter de verdachte in een zaak schuldig heeft bevonden, wil dit niet zeggen dat de rechter het eens is met deze maatschappelijke classificatie (VPT-delict) die het OM aan de zaak heeft gehangen. Er zijn namelijk zaken waarin meerdere feiten ten laste zijn gelegd; in die gevallen zijn er feiten aan te wijzen waarop de rechter kan besluiten iemand schuldig te verklaren anders dan voor «agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke taak».
Hoe geeft u als werkgever invulling aan de verplichting van artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet, waaruit volgt dat u verantwoordelijk bent voor de veiligheid van werknemers zoals politiemedewerkers?
De Arbeidsomstandighedenwet is een zogenaamde kaderwet. Dat betekent dat in deze wet algemene bepalingen staan welke niet concreet zijn uitgewerkt. Artikel 3 van deze wet verplicht werkgevers te zorgen voor de veiligheid en gezondheid van de werknemers inzake alle met de arbeid verbonden aspecten. De Arbeidsomstandighedenwet kent een groot belang toe aan het zicht hebben van de werkgever op de risico’s die zijn werknemers lopen. Om die reden verplicht deze wet de werkgever om periodiek een inventarisatie te maken van arbeidsrisico’s. Verschillende onderdelen van het Ministerie van Justitie en Veiligheid die vallen onder de Rijks collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) zijn ook gehouden aan de Arbocatalogus van het Rijk. Sinds 2008 is in deze catalogus Agressie en geweld opgenomen. Deze is in 2022 en 2023 geüpdatet onder meer om antwoord te geven op nieuwe vormen van agressie en geweld.
Vanuit mijn eigen rol als werkgever voor de beroepsgroepen die onder het beheer van mijn ministerie vallen is het project «Werkgeversrol bij Agressie en Geweld tegen medewerkers van Justitie en Veiligheid» gestart. Dat project richt zich op het verhelderen en verstevigen van mijn werkgeversrol bij agressie en geweld tegen werknemers van mijn departement opdat ik mijn verantwoordelijkheid kan pakken, passende maatregelen in gang kan zetten om risico’s te verminderen en mijn zorgplicht kan invullen waardoor werknemers hun maatschappelijke taken kunnen blijven uitvoeren en uitval van hen wordt voorkomen.
Waar het de politiemedewerkers betreft, wordt de werkgeversverantwoordelijkheid gedeeld met politie. Politie heeft vanuit goed werkgeverschap de verantwoordelijkheid om de (fysieke en mentale) risico’s van het politiewerk te (her)kennen, te beperken en (waar mogelijk) te voorkomen. In de Kadernota Arbeidsomstandigheden is vastgelegd hoe het korps invulling geeft aan de wet- en regelgeving met betrekking tot arbeidsomstandigheden. Door middel van risico-inventarisatie en -evaluatie worden gezondheids- en veiligheidsrisico’s geanalyseerd om risico-beperkende maatregelen te nemen. Vanuit deze analyses stelt het politiekorps onder andere persoonlijke beschermingsmiddelen beschikbaar. Daarnaast is de Arbocatalogus van de politie beschikbaar, die de bestaande Arbowet- en regelgeving aanvult. Deze biedt een overzicht van werkinstructies, werkprocessen, beleid en wet- en regelgeving rondom onderwerpen zoals fysieke veiligheid, mentale gezondheid, sociale veiligheid en weerbaarheid. De politie legt de focus steeds meer op de preventieve kant. Zo is voor alle medewerkers de Gezond Werken App beschikbaar waarin themagewijs informatie wordt ontsloten over bijvoorbeeld slaap, voeding en (werk)stress. In de app worden ook diverse oefeningen aangeboden en kunnen fitheidstrainingen worden gevolgd. Ook is er het programma «samen inzetbaar». Alle politiemedewerkers krijgen de gelegenheid om deel te nemen aan workshops en trainingen, digitaal of fysiek, op het gebied van fitheid, duurzame inzetbaarheid, (werk)stress e.d. Tot slot kunnen politiemedewerkers de Zorgwijzer 2022/2023 raadplegen om inzicht te krijgen in wat de werkgever faciliteert op (o.a.) het gebied van preventie en (bijzondere) zorg.6 Deze onderwerpen komen met regelmaat terug in mijn gesprekken met de politie.
Draagt u in dat kader zorg voor een normherstellende reactie bij een incident met agressie of geweld tegen een werknemer en wordt er altijd aangifte gedaan namens de werknemer binnen 48 uur, zoals gesuggereerd door mevrouw Koetsenruijter?2
Met mijn ambtsgenoot van het Ministerie BZK onderschrijf ik het belang van een normstellende reactie richting de agressor, wanneer bekend, binnen 48 uur. Zo wordt duidelijk gemaakt vanuit de werkgever dat agressief en intimiderend gedrag niet getolereerd wordt. Binnen verschillende sectoren is dit opgenomen in het protocol dat de stappen beschrijft na incidenten met agressie en intimidatie. Soms is daarvoor een speciale stopfunctionaris aangesteld, dit verschilt per organisatie.
Op welke wijze bevordert u dat Rijksbreed op een adequate wijze invulling wordt gegeven aan deze wettelijke verplichting als het gaat om het tegengaan van, en zo goed mogelijk omgaan met, agressie en geweld?
Met mijn ambtsgenoot van BZK wil ik benadrukken dat elke werkgever primair verantwoordelijk is. Het is belangrijk om deze verantwoordelijkheid ook daar te laten zodat passend beleid wordt ontwikkeld en maatregelen worden getroffen binnen de eigen beroepscontext. Deze contexten zijn per definitie niet overeenkomstig.
Het Rijksbrede programma Veilige Publieke Taak (2007–2016) vanuit het Ministerie van BZK had tot doel om werkgevers te faciliteren met generieke instrumenten die zij konden vertalen naar hun beroepscontext. In de praktijk wordt zichtbaar dat dit niet afdoende het geval is en is de vertaling naar de beroepscontext en het borgen in de bedrijfsprocessen onvoldoende gebleken. De verschillende lopende initiatieven vanuit mijn departement en BZK (bv. PersVeilig, Taskforce Onze hulpverleners veilig, Netwerk Weerbaar bestuur, programma Veilige Publieke Dienstverlening) geven hier een impuls aan en ondersteunen de werkgevers hierin.
Wij zien nu dat, gezien de ernst en de frequentie van de incidenten, veel werkgevers dit onderwerp steeds meer prioriteren. Dit biedt hun kansen om de generieke norm (zoals benoemd in antwoord op vraag 1) en instrumenten alsnog te vertalen naar hun beroepscontext. Mijn ambtsgenoot en ik willen daarom nogmaals benadrukken dat het raadzamer is om de verantwoordelijkheid daar te laten bij de werkgever opdat zij hier zelf op kunnen acteren, passend in de context van hun organisatie en diens beleidsprocessen. Het Rijk kan hierin ondersteunen bijvoorbeeld bij de uitwisseling van kennis en expertise. Zo werkt mijn departement samen met het Ministerie van BZK bij het inrichten van een interdepartementale tafel ter bevordering van een goede kennisuitwisseling binnen het Rijk op dit thema.
Vanuit het programma Weerbaar Bestuur, wat loopt vanuit het Ministerie van BZK, zijn er de afgelopen jaren – in nauwe samenspraak met de (vertegenwoordigers van) decentrale politieke ambtsdragers, ambtenaren en experts – verschillende acties opgezet om bewustwording te creëren over intimidatie, agressie en geweld, en het handelingsperspectief hoe daar mee om te gaan.8 Zo is er het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur dat momenteel een tour doet langs alle gemeenteraden, colleges en Staten. Het gaat met hen hierover het gesprek aan en adviseert na incidenten. Ook is er aandacht voor veilig wonen en wordt de meldingsbereidheid gestimuleerd, met name voor de doelgroepen die geen klassieke werkgeversrol kennen. De netwerkpartners komen periodiek bij elkaar en worden op de hoogte gehouden via een maandelijkse nieuwsbrief.
Wat doet de overheid in brede zin om te leren van agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke functie? Op welke wijze wordt overheidsbeleid getoetst op het voorkomen van bepaalde vormen van agressie?
Agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke taak is een maatschappelijk fenomeen dat niet acceptabel is, maar helaas ook niet altijd valt te voorkomen. Ik zet mij ten zeerste in om een bijdrage te leveren aan het verkrijgen van meer inzicht in de oorzaken van agressie en geweld en hoe dit tot uiting komt tegen beroepsgroepen met een publieke taak.
Onderzoek naar de aspecten van agressie en geweld tegen deze beroepsgroepen is versnipperd. Daarom heb ik, op verzoek van de Taskforce, in 2020 via het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum (WODC) opdracht gegeven aan Universiteit Leiden om een literatuuronderzoek te verrichten naar geweld tegen hulpverleners en andere beroepsgroepen die werken onder de beleidsverantwoordelijkheid van mijn ministerie.9 Dit onderzoek bood een aantal conclusies over de aard en omvang van agressie en geweld, de beschikbare kennis daaromtrent en de implicaties hiervan voor de praktijk en beleid. Uiteraard was dit literatuuronderzoek enkel een startpunt en zijn de inzichten die hieruit voortkwamen niet voldoende. Daarom heeft deze Taskforce een kenniskring van wetenschappers opgezet met een jaarlijkse onderzoeksagenda, geeft zij opdracht voor gericht onderzoek en organiseert zij ieder jaar een kennisconferentie voor het delen van inzichten. Deze inzichten helpen bij verbeteren van (preventieve) maatregelen.
Daarnaast investeer ik in de preventieve maatregelen gericht op jongeren. Deze initiatieven worden ook getoetst op hun effectiviteit. Met sportinitiatieven zoals Alleen jij bepaalt wie je bent en educatieve dagen bij de Risk Factories in Twente, Limburg Noord en Midden- en West-Brabant, bereiken wij de jongere generatie en brengen hen bij dat agressie en geweld tegen hulpverleners nooit acceptabel is. Door dit zaadje al vroeg te planten bij de jeugd draagt dit bij aan het voorkomen van agressie en geweld.
Mijn ambtgenoot bij BZK betrekt in de aanpak van agressie en geweld ook het leren van incidenten om herhaling te voorkomen. Zo komt uit de incidentanalyse naar voren welke verbeteringen mogelijk zijn en leidt dit bijvoorbeeld tot de aanpassing van het agressieprotocol of het verbeteren van de dienstverlening. Het evalueren en leren van incidenten maakt vaak onderdeel uit van de Arbo-catalogi met als doel dat de kans op incidenten daalt.
Daar komt bij dat voor elke werkgever een risico-inventarisatie en -evaluatie geldt en dat deze een basis vormt voor het arbobeleid van zijn bedrijf. De risico-inventarisatie en -evaluatie helpt om risico's in kaart te brengen van de eigen beroepsgroep en deze aan te pakken met de juiste maatregelen voor een veilige en gezonde werkplek. Dit is in principe voor elke organisatie verplicht.
Bent u bereid te bevorderen dat het leren omgaan met agressie ook onderdeel wordt van de opleiding van brandweermensen?3
Ik vind het belangrijk dat brandweermensen vroegtijdig leren omgaan dan wel handvatten meekrijgen daar waar het gaat om omgaan met agressie en grensoverschrijdend gedrag. Omgaan met agressie maakt onderdeel uit van de trainingen om vakbekwaam te blijven. De veiligheidsregio’s hebben als werkgevers een belangrijk aandeel in het leren omgaan met agressie en grensoverschrijdend gedrag en dit verschilt per regio. Vanuit mijn rol als stelselverantwoordelijke zal ik hier bij de veiligheidsregio’s aandacht voor blijven vragen.
Bent u bereid om te kijken of de veiligheidsregio een grotere rol kan krijgen bij het ondersteunen van brandweermensen die te maken krijgen met geweldsincidenten, bijvoorbeeld door in gesprek te gaan met veiligheidsregio’s over de mogelijkheden van aangifte doen namens het slachtoffer van een geweldsincident?
Brandweermensen die te maken krijgen met geweldsincidenten moeten na een heftige gebeurtenis worden ondersteund. In het veiligheidsberaad van 9 oktober jongstleden ben ik in gesprek gegaan met de veiligheidsregio’s over geweld en agressie waar brandweermensen mee te maken hebben. Dit was een goed en constructief gesprek. De komende tijd zal ik in gesprek blijven met de veiligheidsregio’s daar waar het gaat om de werkgeversverantwoordelijkheid en de rol van de werkgevers bij zowel registraties van meldingen van incidenten als het doen van aangifte.
Onderschrijft u de conclusie dat meer onderzoek en monitoring nodig is naar de aard en oorzaak van incidenten om deze effectief te kunnen bestrijden, juist ook van incidenten waar geen strafrechtelijke norm is overschreden en aangifte dus niet in de rede ligt?
Zie het antwoord op vraag 6; dit geldt ook voor incidenten waarbij geen strafrechtelijke norm is overschreden en aangifte dus niet in de rede ligt.
Hoe reflecteert u op de vraag van bijvoorbeeld de veiligheidsregisseur in gemeente Tilburg om de veiligheidsregisseurs bij gemeentes de bevoegdheid te geven om processen-verbaal van aangiftes op te maken van incidenten van agressie en geweld tegen medewerkers in die gemeente? Kan dit een positief effect hebben op de snelheid waarmee aangifte wordt gedaan en de aangiftebereidheid onder medewerkers van gemeentes?
Het opmaken van proces-verbaal is op grond van artikel 152 Wetboek van Strafvordering voorbehouden aan opsporingsambtenaren, dit betreft alle functionarissen die in de artikelen 141 en 142 (boa’s) worden genoemd. Dit betekent dat alleen de ambtenaren met de opsporing van strafbare feiten belast, een proces-verbaal kunnen opmaken over het door hen opgespoorde strafbare feit. Buitengewoon opsporingsambtenaren kunnen alleen voor een beperkt aantal delicten proces-verbaal opmaken. Een veiligheidsregisseur bij de gemeente valt niet onder artikel 141 en heeft onder artikel 142 enkel de bevoegdheid om in beperkte gevallen in beperkte gevallen een proces-verbaal op te stellen.
De rol van de veiligheidsregisseur bij het opnemen van een proces-verbaal is dus beperkt. Echter kan deze wel een grote rol spelen om te zorgen dat er bij de gemeente de juiste kennis en expertise aanwezig is om een goede opvolging te geven na een dergelijke melding van de werknemer en de juiste (na) zorg en ondersteuning te verlenen. Bij het opstellen van een proces-verbaal is het bijvoorbeeld van belang dat de gemeente (en dus een veiligheidsregisseur) goed op de hoogte is welke elementen tenminste in een aangifte opgenomen moeten worden, wat strafbaar is en wat niet. Dit kan een positief effect hebben op de snelheid waarmee aangifte wordt gedaan en opvolging kan worden gegeven aan een melding van agressie en geweld.
Bent u bereid in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) te treden om te bewerkstelligen dat iedere gemeente op een laagdrempelige manier een meldpunt inricht voor agressie en/of geweld tegen mensen met een publieke functie en de Kamer over de uitkomsten van dit overleg te informeren?
Voor decentrale politieke ambtsdragers fungeert het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur als een plek waar meldingen van agressie, intimidatie en bedreiging laagdrempelig terecht komen en van waaruit burgemeesters en griffiers worden geadviseerd over de opvolging vanuit de organisatie. Het belang van melden wordt verder verspreid via de tour van het Ondersteuningsteam langs alle gemeenten en provincies. Hierbij trekken we samen op met de VNG-commissie Bestuur en Veiligheid.
Daarnaast stel ik mij op het standpunt dat elke werkgever een dergelijk meldpunt zou moeten inrichten. Zo kent de Rijksoverheid het ARO (Agressie Registratie Overheid) en gemeenten het GIR (Gemeentelijk Incidenten Registratiesysteem). Het lijkt mij niet correct om bij gemeenten de taak neer te leggen om de verantwoordelijkheid voor melding en registratie van alle incidenten tegen functionarissen met een publieke taak over te nemen van de verschillende werkgevers. Dat zou namelijk de eigen werkgevers ontslaan van hun verantwoordelijkheid op dit punt.
Wat doet u om politie, Openbaar Ministerie en de Rechtspraak te wijzen op het belang van het gebruik van de meldcode «veilige publieke taak» in aangiftes, wat aangeeft dat prioriteit moet worden gegeven aan de opsporing en het onderzoek, en dat er een mogelijkheid bestaat om een zwaardere straf op te leggen? Acht u het in dat kader noodzakelijk om het programma «veilige publieke taak» nieuw leven in te blazen?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
De politie zorgt met doorlopende interne communicatie dat politiemedewerkers op Fde hoogte blijven van de bestaande afspraken, zodat medewerkers handelen in lijn met de Afspraken. Hierbij is specifiek aandacht voor de deskundigheidsbevordering van de politiemedewerkers die meldingen en aangiften opnemen. Verder bestaat binnen iedere eenheid van de politie een centraal aanspreekpunt voor VPT-zaken. Het OM brengt de Afspraken ook op verschillende manieren regelmatig onder de aandacht. Zo wordt bijvoorbeeld in de opleidingen van het OM specifiek aandacht besteed aan de Afspraken. Daarnaast zijn er op elk parket functionarissen met de portefeuille VPT, deze staan in direct contact met de VPT-coördinatoren bij de politie. Alle portefeuillehouders zijn lid van het platform VPT van het OM, waar casuïstiek, trends en best practices worden gedeeld. Mijn departement is doorlopend in gesprek met de politie en het OM. Indachtig de trias politica zie ik het niet tot mijn taak om de zittende magistratuur hierop te wijzen. Binnen de Rechtspraak is er aandacht voor de mogelijkheid een zwaardere straf op te leggen waar het gaat om agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke functie. Dit komt terug in de oriëntatiepunten die voor iedereen raadpleegbaar zijn op rechtspraak.nl (Oriëntatiepunten voor straftoemeting | Rechtspraak). In de oriëntatiepunten wordt melding gemaakt van de mogelijkheid tot het opleggen van een hogere straf bijvoorbeeld waar het gaat om openlijke geweldpleging tegen een politieagent, een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) of een andere toezichthouder.
Daarnaast worden er ook verschillende evaluaties uitgevoerd die leiden tot aanbevelingen waar gezamenlijk aan wordt gewerkt. Zo heb ik het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum (WODC) gevraagd om onderzoek te verrichten dat inzicht zal bieden in de straffen die worden geëist en opgelegd bij delicten gepleegd tegen mensen met een veilig publieke taak (VPT-delicten) en de mate waarin bij VPT-delicten een strafverhoging wordt toegepast. Dit onderzoek wordt uitgevoerd met de medewerking van het OM en de Rechtspraak. Ook zal de Afspraken in 2024 weer worden geëvalueerd door het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum (WODC). Mijn departement is verantwoordelijk voor de juridische aspecten, zoals het onderhoud van de Afspraken maar ook de juridische aspecten van nieuwe vormen van (digitale) agressie en geweld zoals doxing. Die verantwoordelijkheid geven wij continu vorm. Mijns inziens is het opnieuw leven blazen in het programma Veilige Publieke Taak geen randvoorwaarde om succesvol gezamenlijk agressie en geweld tegen mensen met een publieke taak aan te pakken.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie van het lid Van der Werf c.s. (Kamerstuk 36 360 VI, nr. 19) die de regering verzoekt om «naar voorbeeld van PersVeilig, een samenwerkingsverband op te richten voor werkgevers en werknemers in deze beroepsgroepen die onder druk staan, waarin zij collectief hulp kunnen bieden bij individueel leed, waarbij met betrokkenheid van het Openbaar Ministerie en de politie wordt gewerkt aan hulp bij aangiftes, weerbaarheidstrainingen, preventiemaatregelen en advies om geweld en agressie tegen te gaan»?
Zie mijn antwoord bij vraag 5. Met mijn ambtsgenoot van BZK ben ik in overleg hoe wij dit faciliteren waarbij wij niet voorbijgaan aan de werkgeversverantwoordelijkheid.
Welke extra mogelijkheden tot het opleggen van bestuursrechtelijke maatregelen ziet u om agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke taak tegen te gaan? Kunt u toelichten in welke mate het volgens u gaat om bredere toepassing van reeds bestaande mogelijkheden en in welke mate nieuwe wettelijke mogelijkheden dienen te worden gecreëerd?
Voor een effectieve aanpak van agressie en geweld tegen beroepsgroepen met een publieke taak kijk ik, als Minister van Justitie en Veiligheid, (primair naar het straf- en civiel recht. Het strafrecht en het civiele recht geven verschillende handvatten om agressie en geweld aan te pakken. Hiervoor is wel van belang dat de mogelijkheden binnen deze rechtsgebieden daadkrachtig en consequent wordt toegepast. Ook bestuursrechtelijke maatregelen kunnen bijdragen om agressie en geweld tegen te gaan. Zo bestaan de mogelijkheden om over te gaan tot (schriftelijke) waarschuwingen, een pandverbod voor bepaalde tijd of het verminderen, verplaatsen of uitstellen van diensten. Dergelijke escalatiemogelijkheden staan ook benoemd in verschillende Arbo-catalogi van zowel het Rijk als van decentrale overheden.
Bent u bereid te onderzoeken welke mogelijkheden er binnen de bestaande civielrechtelijke kaders liggen om boetes op te leggen voor agressief gedrag of geweld tegen mensen met een publieke taak? Kunt u daarin ook meenemen hoe de te verhalen directe en indirecte schade van incidenten kan worden berekend?
De overheid kan boetes opleggen met als doel overtredingen van wet- en regelgeving in de toekomst te voorkomen en als vergeldingsmaatregel. Dit gebeurt binnen het strafrecht of bestuursrecht. Binnen het civiele recht gaat het over de relaties tussen burgers onderling. De overheid speelt in deze relatie geen publiekrechtelijke rol, en kan binnen dit kader dus ook geen boetes opleggen.
Een slachtoffer van geweld met een publieke functie kan via het civiele recht zijn schade verhalen op de dader. Dit kan zowel materiële schade (bijvoorbeeld kosten voor zorg en schade aan kleding) als immateriële schade zijn (smartengeld). De materiële schade wordt in de regel concreet begroot, bijvoorbeeld aan de hand van een factuur. Smartengeld dient ter compensatie van het ervaren leed en genoegdoening voor het geschokte rechtsgevoel van het slachtoffer. Hierbij is een exacte berekening niet mogelijk. Smartengeld wordt daarom vastgesteld naar billijkheid. De omstandigheden van het geval zijn daarbij leidend. Er wordt rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel en de gevolgen hiervan voor het dagelijkse leven van het slachtoffer. In de praktijk wordt hierbij gekeken naar wat in soortgelijke gevallen wordt toegekend. Het belangrijkste hulpmiddel hiervoor is het zogenoemde Smartengeldboek. Hierin is rechtspraak over de toekenning en omvang van smartengeld in uiteenlopende gevallen opgenomen.
Kunt u toelichten wanneer het onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) over de straftoemeting bij VPT-zaken (Veilige Publieke Taak) gereed zal zijn?
Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC) verwacht de uitkomsten van het onderzoek naar de straftoemeting van VPT-delicten voor de zomer van 2024 op te leveren.
Welke andere acties gaat u ondernemen naar aanleiding van berichten, zoals «tientallen rechters en officieren voelen zich bedreigd, weigeren sommige zaken» van 30 oktober 2023?4
Officieren, rechters en andere medewerkers in de strafrechtketen moeten gewoon hun werk kunnen doen. Een veilige werkomgeving vind ik van groot belang. Voor al deze ketenprofessionals bestaan dan ook al veel initiatieven om deze veilige werkomgeving zo goed mogelijk te realiseren, zoals weerbaarheidstrainingen, het treffen van fysieke veiligheidsmaatregelen en het verbeteren van de procedures voor anoniem werken. Een goed voorbeeld is het programma Veiligheid en Weerbaarheid dat sinds dit jaar binnen het OM van start is gegaan. Het programma beoogt enerzijds in kaart te brengen wat het OM als werkgever en werknemers van elkaar mogen verwachten als het gaat om veiligheid en weerbaarheid. Anderzijds wordt er nieuw beleid op dit punt ontwikkeld, waaronder het aanbieden van weerbaarheidstrainingen. Wij ondersteunen bovengenoemde initiatieven, wanneer deze door werkgevers worden opgezet, vanuit een speciaal opgezet weerbaarheidsfonds waarbij structureel jaarlijks in totaal 1.000.000 euro wordt uitgekeerd aan een selectie beroepsgroepen in de strafrechtketen zoals rechters en officieren.
Het bericht ‘Na tientallen vrouwen, willen nu ook IS-mannen terugkeren naar Nederland’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Na tientallen vrouwen, willen nu ook IS-mannen terugkeren naar Nederland»?1
Ja.
Aangezien er volgens de laatste voortgangsbrief op dit moment 25 mannelijke uitreizigers vastzitten in Koerdisch Syrië is de vraag: zijn deze 25 mannen berecht? Hebben zij allen een dubbele nationaliteit? Is bij u bekend of zij vóór maart 2017 uitgereisd zijn?
In de vierde rapportage uitreizigers van 15 mei jl.2 is aangegeven dat er nog 25 volwassenen in Syrisch-Koerdische opvangkampen of detentie in de regio verblijven. Volgens de publieke cijfers van de AIVD is dit aantal op 30 september 2023 nog onveranderd.3 Deze 25 volwassenen betreffen zowel mannen als vrouwen.
In algemene zin kan ik ten aanzien van de strafrechtelijke onderzoeken aangeven dat het Openbaar Ministerie tegen alle onderkende uitreizigers een strafrechtelijk onderzoek is gestart. Daarvan heeft in de meeste gevallen de strafrechtelijke vervolging geen (inhoudelijke) aanvang genomen. Een aantal uitreizigers dat vastzit in Syrisch-Koerdische opvangkampen of detentie is in een eerder stadium bij verstek – dus buiten aanwezigheid van de verdachte – veroordeeld door de rechtbank. Er lopen op dit moment ook een tweetal hoger beroepzaken van uitreizigers die vastzitten. Deze hoger beroepzaken zijn voor onbepaalde tijd aangehouden, in verband met het aanwezigheidsrecht van de verdachte. Een uitreiziger die vastzit is onherroepelijk veroordeeld.
Ten aanzien van de nationaliteit kan ik aangeven dat een deel van de uitreizigers die zich op dit moment nog in de regio bevindt, een dubbele nationaliteit heeft. Van een deel van hen is het Nederlanderschap op basis van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap ingetrokken. Bij de overige uitreizigers is intrekking van het Nederlanderschap op dit moment (nog) niet mogelijk.
Het merendeel van de 25 uitreizigers in Syrisch-Koerdische opvangkampen of detentie is voor maart 2017 uitgereisd.
Zoals u begrijpt kan ik, mede omwille van AVG, verder niet ingaan op individuele casuïstiek.
Kunt u aangeven of er op dit moment zaken lopen van verdachten met een Nederlandse nationaliteit? Zo ja, hoeveel?
Zie antwoord vraag 2.
Wat doet Nederland om het bewijs tegen deze terrorismeverdachten zeker te stellen?
Internationale bewijsvergaringsmechanismen spelen een cruciale rol in het verzamelen van bewijsmateriaal van terroristische en internationale misdrijven en dragen bij aan het voorkomen van straffeloosheid. Nederland steunt internationale bewijsvergaringmechanismen zoals het International, Impartial and Independent Mechanism (IIIM) en het UN Investigative Team to Promote Accountability for Crimes Committed by Da’esh/ISIL (UNITAD).
Bent u het met de stelling eens dat er voor terroristische daden een stevige straf past? Wanneer komt het het wetsvoorstel verhoging strafmaat deelname aan een terroristische organisatie naar de Kamer?
Alhoewel het uiteraard aan de rechter is om in een individuele strafzaak een passende en geboden straf op te leggen, ben ik in algemene zin van mening dat plegers van terroristische misdrijven inderdaad stevig gestraft dienen te worden. In dit verband acht ik het van belang te melden dat een voorstel tot verhoging van het strafmaximum voor deelname aan een terroristische organisatie (artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht) van 15 naar 20 jaar in voorbereiding is. Naar verwachting wordt dit wetsvoorstel voor het einde van het jaar aan uw Kamer gezonden.
Kunt u bevestigen dat u conform de motie-Laan-Geselschap (Kamerstuk 29 754, nr. 512) de Kamer vooraf betrekt als er voornemens zijn ten aanzien van het terughalen van Syriëgangers?
Conform motie wordt, net als bij eerdere politieke besluiten met betrekking tot het mogelijk overbrengen van uitreizigers naar Nederland4 en operaties waarbij uitreizigers daadwerkelijk naar Nederland zijn overgebracht5, uw Kamer hiervan in kennis gesteld.
Deelt u de mening dat in alle zaken van uitreizigers het Openbaar Ministerie (OM) nadrukkelijk zou moeten overwegen om naast een forse celstraf ook een Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (GVM) uit de Wet langdurig toezicht te eisen, zodat wanneer de rechter deze maatregel oplegt levenslang toezicht mogelijk is?
Of in een individuele strafzaak een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel geëist zal worden, is ter beoordeling aan het Openbaar Ministerie op basis van de concrete omstandigheden van het geval. Of deze maatregel ook daadwerkelijk opgelegd wordt, is uiteraard aan de rechter. Ik treed verder niet in deze beoordeling.
Zoals in de derde rapportage uitreizigers6 uiteen is gezet, laat de praktijk zien dat de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als onderdeel van de Wet langdurig toezicht inmiddels in terrorismezaken wordt geëist en opgelegd.
In de informatiesystemen van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie wordt niet geregistreerd of een dergelijke maatregel is geëist dan wel opgelegd in strafzaken tegen uitreizigers, waardoor niet kan worden aangegeven hoe vaak deze maatregel is opgelegd.
Hoe vaak heeft het OM tot nu toe een maatregel op grond van de Wlt geëist in zaken waarin Islamitische Staat (IS)-uitreizigers terecht stonden en hoe vaak is zo’n maatregel door de rechter opgelegd?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘Hof geeft uithalers van drugscontainers taakstraf in plaats van cel’. |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Hof geeft uithalers van drugscontainers taakstraf in plaats van cel»?1
Ja.
Herinnert u zich de aangenomen motie over de intenties van de wetgever bij de uithalerswet onder de aandacht brengen van de organisaties in de strafrechtketen? (Kamerstuk 29 911, nr. 400)
Ja. In de aankomende halfjaarbrief georganiseerde en ondermijnende criminaliteit licht ik toe hoe ik uitvoering geef aan deze motie.
Hoeveel uithalers zijn er in 2020, 2021, 2022 en tot nu toe in 2023 gearresteerd?
Het aantal arrestaties in deze jaren is als volgt:2
Deze cijfers betreffen de registratie van aangetroffen personen op haventerreinen. Van deze personen staat nog niet vast of en voor welke strafbare feiten zij uiteindelijk vervolgd (kunnen) worden door het Openbaar Ministerie.
Bij hoeveel daarvan is vervolging ingesteld door het Openbaar Ministerie (OM) en hoeveel zijn er uiteindelijk veroordeeld?
Het aantal ingestroomde zaken is als volgt:3
Uit deze cijfers blijkt dat sinds de inwerkingtreding van de wet 608 zaken zijn ingestroomd bij het Openbaar Ministerie. Van deze 608 zaken betreffen 109 «kale uithalerszaken». Dit houdt in zaken waarbij enkel sprake is van een verdenking op grond van art. 138aa Sr en waarbij verdachten dus niet in verband zijn gebracht met andere delicten, zoals bijvoorbeeld drugsdelicten. Van deze 109 uithalerszaken is in 79 gevallen door het Openbaar Ministerie besloten tot dagvaarding voor art. 138aa Sr en hebben meer dan 50 zaken geleid tot onherroepelijke veroordelingen voor uithalen.
De overige 499 zaken (van de in totaal 608 ingestroomde zaken) betreffen zaken die naast een verdenking van artikel 138aa Sr, ook zien op andere strafbare feiten waar deze personen voor vervolgd worden, zoals voor onder andere Opiumwetdelicten. Van deze 499 zaken is in 433 gevallen besloten tot vervolging. Dit zijn vaak complexere onderzoeken en langer durende strafzaken. Hierbij is er in ongeveer 100 gevallen sprake van onherroepelijke veroordelingen voor art. 138aa Sr.5
Hoeveel uithalers hebben celstraffen en een gebiedsverbod opgelegd gekregen?
In zaken waarbij sprake is van samenloop van meerdere strafbare feiten (naast art 138aa Sr), zoals samenloop met Opiumwetdelicten of andere delicten waar hogere gevangenisstraffen op staan, valt niet na te gaan welk gedeelte van de uiteindelijk opgelegde (veelal hoge) straffen zijn opgelegd voor art. 138aa Sr, aangezien bij de straftoebedeling in een vonnis geen onderscheid wordt gemaakt. De straf betreft de optelsom van alle begane strafbare feiten. Daarom wordt bij de beantwoording van deze vraag uitgegaan van cijfers voor zaken waarin verdachten alleen zijn vervolgd voor art. 138aa Sr en daarvoor zijn veroordeeld.
Uit de beschikbare cijfers blijkt dat voor zaken waarin personen alleen voor art. 138aa Sr zijn veroordeeld, tot nu toe meer dan 30 gevangenisstraffen en 31 gebieds- en locatieverboden zijn opgelegd.
Deelt u de mening dat met het de uitspraak van het Hof Den Haag een belangrijk onderdeel van de uithalerswet wordt ondermijnd?
De rechter beoordeelt per individueel geval welke straf passend en geboden is. De toegevoegde waarde van de uithalerswet is groot in de praktijk, ook als first-offenders veelal een taakstraf opgelegd krijgen.
De wet heeft als belangrijk doel om potentiële uithalers ervan te weerhouden zich schuldig te maken aan deze activiteiten. Voorheen kon enkel een boete worden opgelegd. Momenteel worden werkstraffen en gevangenisstraffen opgelegd. Deze straffen zijn afschrikwekkender dan de voorgaande mogelijkheden. Gezien het beperkte aantal recidivisten onder alle uithalers (25% in 2023), kan gesteld worden dat de wet in ieder geval een afschrikwekkend effect heeft op het gedrag van frequente uithalers. Vóór de inwerkingtreding van de wet werden uithalers die waren ontdekt soms kort daarna weer op een haventerrein aangetroffen.
De uithalerswet is ook om andere redenen een belangrijk handhavingsinstrument bij de aanpak van de uithalersproblematiek. Sinds de inwerkingtreding zijn er veel uithalers vervolgd en gestraft. De strafbaarstelling heeft het mogelijk gemaakt om personen waarvoor dit nuttig is reclassering aan te bieden en
te helpen om voor een beter pad te kiezen. Ook heeft het geleid tot een beter beeld van de problematiek waar deze uithalers mee kampen, waardoor lokale preventieve interventies, om te voorkomen dat jongeren de drugscriminaliteit ingaan, gerichter kunnen worden ingezet. Daarnaast helpt dit beeld bij het vormgeven van fysieke barrières in de havens. Zo worden vanuit de investeringen in de mainportsaanpak barrières in de haven opgeworpen die het uithalen bemoeilijken, zoals een slim cameranetwerk («Virtueel Hek»).
Verder is de wet van toegevoegde waarde omdat het de politie mogelijkheden biedt om onderzoek te doen naar de criminele netwerken waarin uithalers opereren en deze netwerken op te sporen en te vervolgen. Niet alleen de individuele uithalers vormen een probleem, maar juist ook de personen die deze uithalers ronselen en inzetten. Deze ronselaars vervullen voor meerdere criminele netwerken een onmisbare rol in de drugscriminaliteit, door de benodigde mankracht te leveren en deze te ronselen onder kwetsbare jongeren. Daarom worden deze (groepen van) ronselaars zo goed mogelijk in beeld gebracht en waar mogelijk verstoord en vervolgd voor deelname aan een criminele organisatie.
Klopt het dat voor uithalen in andere Europese lidstaten doorgaans wel celstraffen worden opgelegd?
Zie beantwoording vraag 8.
Indien u niet beschikt over voldoende informatie om te kunnen concluderen dat andere EU-lidstaten uithalers zwaarder bestraffen, bent u bereid rechtsvergelijkend onderzoek hiernaar te laten verrichten?
Voor de beantwoording van deze vragen is het belangrijk het eerdergenoemde onderscheid tussen uithalers en drugsuithalers te maken. In Nederland is de onbevoegde aanwezigheid op een haventerrein strafbaar gesteld (artikel 138aa Sr) en is het niet nodig om dit te relateren aan drugs. Dat is niet in alle landen het geval. In andere landen is het vaak wel nodig om de aanwezigheid op een haventerrein te relateren aan drugshandel of andere misdrijven en in die gevallen worden dan ook gevangenisstraffen geëist en opgelegd.
Een overzicht van hoe de strafbaarstelling van uithalers (onbevoegde aanwezigheid op haventerreinen) is geregeld in alle andere Europese lidstaten evenals in welke mate dit resulteert in gevangenisstraffen, heb ik niet voorhanden.
Het nut en de noodzaak van een onderzoek hiernaar neem ik mee in gesprekken die ik ter uitvoering van de motie van het lid Michon voer met de partners in de strafrechtketen. 6 Indien uit deze gesprekken blijkt dat er behoefte is aan een onderzoek hoe andere landen met uithalersproblematiek omgaan, omdat dat bijdraagt aan een grotere effectiviteit van de aanpak van uithalers, zal ik een rechtsvergelijkend onderzoek uit laten voeren.
Deelt u de mening dat de Nederlandse havens relatief aantrekkelijker zijn voor uithalers dan andere havens wanneer de opgelegde straffen niet afschrikwekkend genoeg zijn?
Deze mening deel ik niet. De uithalerswet maakt onderdeel uit van een grote hoeveelheid aan maatregelen die we treffen om onze havens onaantrekkelijk te maken voor deze en andere vormen van georganiseerde criminaliteit.7 Daardoor kan niet gesteld worden dat de aantrekkelijkheid van onze havens één op één afhankelijk is van de opgelegde straffen voor first-offenders op uithalen.
In de begroting van J&V staat dat voornoemde motie (Kamerstuk 29 911, nr. 400) in het derde kwartaal van 2023 wordt uitgevoerd en dat de Kamer voor het kerstreces een brief ontvangt over de stand van zaken, kunt u in die brief een samenvatting geven van de gevoerde gesprekken en de vervolgstappen die u neemt naar aanleiding van de gesprekken?
In aankomende halfjaarsbrief georganiseerde en ondermijnende criminaliteit zal ik toelichten hoe ik uitvoering geef aan de genoemde motie en daarbij zal ik ook een stand van zaken geven van de gesprekken met de uitvoeringspartners.
Deelt u de mening dat het wenselijk is om vooruitlopend op een eventuele uitspraak van de Hoge Raad een aanscherping van de uithalerswet voor te bereiden?
Deze mening deel ik niet. Tegen de recente uitspraak van het hof is geen cassatie ingesteld. Het is niet bekend of in toekomstige zaken cassatie wordt ingesteld en op welke gronden. Hierop vooruitlopen zou geen toegevoegde waarde hebben.
Het bericht ‘Drugsmaffia biedt ‘hulp’ aan Limburgse horecaondernemers die sinds de watersnood problemen hebben’ |
|
Ingrid Michon (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht ««Drugsmaffia biedt «hulp» aan Limburgse horecaondernemers die sinds de watersnood problemen hebben»»?1
Ja, het bericht is mij bekend.
Klopt het dat ondernemers door rampen (zoals de overstromingen in Zuid-Nederland) en crises (zoals de coronacrisis) extra kwetsbaar zijn voor toenadering vanuit criminelen?
Het kan voorkomen dat ondernemers in individuele gevallen, zonder toereikende financiële buffers, als gevolg van rampen en crises in financiële moeilijkheden terecht komen. In het algemeen is bekend dat criminelen proberen misbruik te maken van ondernemers die zich in een (financieel) kwetsbare positie bevinden.
Klopt hetgeen ondernemers aangeven, dat zij nog geen gelden uitgekeerd hebben gekregen van zowel verzekeraars als overheid? Zo ja, wanneer kunnen zij dit geld verwachten? Wordt er goed gecommuniceerd met deze ondernemers over de uit te keren gelden om zo aan verwachtingsmanagement te kunnen doen?
Na de waterschade medio juli 2021 in Limburg hebben 419 ondernemers2 bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland een beroep gedaan op een financiële tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). Op dit moment zijn er geen gedupeerde horecaondernemers in afwachting van een definitief besluit over de tegemoetkoming in diens schade. Vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is er regelmatig contact met de ondernemers (geweest) om de voortgang van hun aanvraag te bespreken en te kijken wanneer er over kan worden gegaan tot het uitkeren van de tegemoetkoming.
In hoeverre zijn Nederlandse horecaondernemers weerbaar tegen dit soort toenadering? Staat dit onderwerp op de agenda van het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing? Wat wordt er in het kader van preventie aan voorlichting gedaan?
Nederlandse horecaondernemers worden, door zowel publieke partijen als brancheorganisaties, bewust gemaakt van de signalen van criminele benadering en krijgen informatie over hoe te handelen mocht criminele benadering plaatsvinden. Vanuit het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing is het weerbaar maken van kwetsbare ondernemers tegen georganiseerde, ondermijnende criminaliteit in het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 geprioriteerd. Voor de horecabranche gaat het concreet om de aanpak Veilig Uitgaan, georganiseerd vanuit de regionale Platforms Veilig Ondernemen. Ondernemers krijgen voorlichting en training aangeboden over onder andere georganiseerde, ondermijnende criminaliteit en de aanpak van drugs in en rondom de eigen zaak. Op lokale en regionale bijeenkomsten, alsmede via individuele veiligheidsscans, worden ondernemers gewezen op hoe zij signalen kunnen herkennen en hoe te handelen door bijvoorbeeld melding te maken bij politie of Meld Misdaad Anoniem.
Wordt dit probleem onderkend door het Regionale Informatie- en Expertise Centrum (RIEC)? Is er een sectorspecifieke fenomeenanalyse?
In zijn algemeenheid herkent het RIEC Limburg dat kwetsbare economische sectoren interessant zijn voor criminele groeperingen. Door de in RIEC-verband samenwerkende partners zijn in deze echter geen concrete signalen ingebracht. Ook is er in RIEC-verband geen sectorspecifieke fenomeenanalyse over dit onderwerp opgesteld.
Is het Platform Veilig Ondernemen betrokken bij de problematiek in Limburg? Zo ja, hoe?
Het Platform Veilig Ondernemen in Limburg is doorlopend in gesprek met lokale partners, waaronder de gemeente Valkenburg en de Limburgse afdeling van Koninklijke Horeca Nederland. PVO Limburg ondersteunt de campagne Horen, Zien, Melden die gericht is op bewustwording en het anoniem melden van verdachte situaties bij Meld Misdaad Anoniem. Verder is Platform Veilig Ondernemen Limburg bezig met de organisatie van bijeenkomsten voor (horeca)ondernemers in de binnenstad.
Is Koninklijke Horeca Nederland betrokken bij een eventuele aanpak? Zo ja, hoe? Wat doen zij aan het weerbaarder maken van horecaondernemers? Hebben zij een vergelijkbare aanpak als de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO) in het weerbaarder maken van agrarische ondernemers?
Koninklijke Horeca Nederland (KHN) is aangesloten bij het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) en vanuit daar betrokken bij de uitvoering van het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026. Concreet is KHN een belangrijke partner in de landelijke, regionale en lokale aanpak vanuit het proces Veilig Uitgaan. De KHN informeert aangesloten ondernemers over ontwikkelingen op het vlak van veiligheid en wijst bijvoorbeeld op de vertrouwenslijn afpersing.
De aanpak is enigszins vergelijkbaar met de aanpak van Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO), al heeft het ZLTO een eigen vertrouwenspersoon waar agrarische ondernemers terecht kunnen en verwijst KHN daarvoor naar Meld Misdaad Anoniem.
Is informatieuitwisseling tussen publieke partijen onderling en tussen publieke en private partijen hier optimaal geregeld? Wat is de wens van betrokken partijen en wat wordt daadwerkelijk en concreet aan relevante informatie uitgewisseld?
Er zijn bij ons geen signalen bekend dat informatie-uitwisseling in deze specifieke situatie een knelpunt vormt in de samenwerking. Horecaondernemers kunnen (anoniem) melding maken bij politie of Meld Misdaad Anoniem, waarna de politie daar met partners verder mee aan de slag kan. De politie beschikt in dit soort situaties over de mogelijkheid om informatie te delen met bijvoorbeeld de gemeente of signalen in te brengen in RIEC-verband.
Worden de ontwikkelingen met betrekking tot de georganiseerde misdaad in Limburg zoals geschetst in het artikel meegenomen bij de ontwikkeling van de nieuwe landelijke verdeelsleutel van de politiecapaciteit? Zo ja, hoe? Waar kan een ondernemer die in de armen van criminelen is gelopen terecht?
In de nieuwe verdeelsystematiek gaat gekeken worden naar aspecten zoals de werklast in de regionale eenheden, maar ook naar aspecten zoals beschikbaarheid en bereikbaarheid van de politie. Ontwikkelingen zoals die met betrekking tot georganiseerde, ondermijnende criminaliteit zijn terug te zien in de werklast van de regionale eenheden en zullen dus daarin worden meegenomen. De opdracht voor het komen tot een nieuwe sterkteverdelingssystematiek wordt uitgevoerd door een onafhankelijk bureau en ik kan daarmee niet vooruitlopen op hoe dit wordt uitgevoerd.
Horecaondernemers die te maken hebben met mogelijke criminele benadering en/of activiteiten kunnen bij hulpinstanties als de politie terecht door (al dan niet anoniem) in contact te treden en melding te maken van de situatie.
Is er bij horecaondernemers in Limburg naar uw weten ook sprake van benadering door internationale groepen criminelen uit buurlanden? Bestaat er een samenwerking met de bronlanden van dergelijke groepen, bijvoorbeeld binnen EMPACT2?
De politie constateert dat er sinds de overstromingen in 2021 sprake is van benadering van horecaondernemers in Limburg door groepen criminelen. Mogelijk betreft dit (ook) internationale groepen criminelen. Om drugstransporten in de regio tegen te gaan wordt nauw samengewerkt met België, Luxemburg en Frankrijk. Daarnaast is EMPACT een samenwerkingsverband op EU/internationaal niveau gericht op het tegengaan van de productie en handel in drugs.
Het bericht ‘Rondtrekkende bendes vaker betrokken bij diefstallen in Nederland’ |
|
Ingrid Michon (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Rondtrekkende bendes vaker betrokken bij diefstallen in Nederland»?1
Ja.
Klopt het dat het afgelopen jaar bij 25 procent van de vermogensdelicten sprake is van een verdachte die niet in Nederland is geboren, geen Nederlands adres heeft en geen Nederlandse nationaliteit heeft?
Het is lastig om deze vraag te beantwoorden aan de hand van concrete percentages. Het probleem hierbij is namelijk dat de politie alleen cijfers kan aanleveren van zaken waarbij een verdachte in beeld gekomen is. Bij vermogenscriminaliteit (zoals zakkenrollen, auto-inbraken en dergelijke) is in zo’n 15% van de gevallen een verdachte in beeld.
Binnen die 15% is het inderdaad zo dat bij 25% sprake is van een verdachte die niet de Nederlandse nationaliteit heeft, niet in Nederland geboren is en geen Nederlands adres heeft, anders dan een COA-locatie of een justitiële inrichting.
Overigens wil het feit dat er een verdachte aan een delict is gekoppeld niet zeggen dat deze verdachte ook daadwerkelijk is ingezonden naar het OM en voor zover wel ingezonden, schuldig wordt bevonden. Ten slotte betekent het percentage ook niet dat in álle vermogensdelicten 25% van de verdachten niet in Nederland is geboren, geen Nederlands adres heeft en geen Nederlandse nationaliteit heeft, omdat binnen de verschillende delicten ook grote verschillen bestaan.
In antwoord op vragen over diefstal bij agrarische ondernemers gaf u aan dat gps-diefstal nagenoeg uitsluitend gepleegd wordt door Oost-Europese dadergroepen; is dat ook het geval voor zakkenrollen en E-bikediefstal?2 Zo nee, welke andere dadergroepen zijn terug te zien in de politiecijfers?
Op basis van de bij politie bekende verdachten is het niet mogelijk om dit te concluderen.
Alle hieronder vermeldde aantallen zijn gebaseerd op personen die als verdachte bij een incident geregistreerd staan. Dit hoeft niet te betekenen dat deze personen ingezonden zijn naar het OM en hun schuld door de rechtbank getoetst is.
Ook hierbij geldt dat bij zakkenrollen en E-bikediefstal in veel gevallen geen verdachte bekend is en is de pakkans bij professionele internationaal opererende bendes lager. Hierdoor is het niet mogelijk om de percentages van herkomst van verdachten te extrapoleren naar de volledige populatie van alle daders van deze misdrijven.
In het jaar 2022 zijn zo’n 30.000 E-bike diefstallen geregistreerd. Hierbij is alleen gezocht op incidenten die enkel gericht waren op het stelen van de fiets en niet de
E-bikes die bij andere misdrijven, als onderdeel van een grotere buit, gestolen zijn. Bij slechts ongeveer 2% van deze incidenten is er minimaal één verdachte bekend. Ongeveer 1 op de 6 van de unieke verdachten heeft een Oost-Europese nationaliteit en bijna 7 op de 10 de Nederlandse.
Er zijn voor 2022 zo’n 10500 incidenten zakkenrollen geregistreerd.
Bij slechts 7,5% hiervan is er minimaal één verdachte. Van de geregistreerde verdachten heeft ongeveer 2 op de 3 een Noord-Afrikaanse nationaliteit en dus niet een Oost-Europese.
Klopt het dat bij samenwerking met Europese bronlanden informatie-uitwisseling, om te komen tot een eventueel strafdossier met het oog op mobiel banditisme, centraal staat? Bestaat er op dit moment een afdoende grondslag voor deze informatie-uitwisseling? Wat draagt het Benelux-politieverdrag bij aan deze grensoverschrijdende samenwerking?
Bij de Europese aanpak van mobiel banditisme is de uitwisseling van politie-informatie inderdaad een centraal onderdeel van de samenwerking. In Nederland vindt dit zijn grondslag in de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. In mei 2023 is de Europese richtlijn voor informatie-uitwisseling van rechtshandhavingsautoriteiten aangenomen, waarmee de regels voor informatie-uitwisseling tussen rechtshandhavingsautoriteiten worden geconsolideerd en vereenvoudigd.3 De richtlijn kent hoofdzakelijk implicaties voor enkele werkprocessen van de Informatie- en Rechtshulpcentra (IRC’s), met als resultaat dat de Europese samenwerking weer verder verbeterd wordt.
De aanstaande inwerkingtreding van het Benelux verdrag voor politiesamenwerking, verbetert de operationele samenwerking tussen de verdragspartijen op verschillende manieren. Allereerst wordt de grensoverschrijdende uitoefening van bevoegdheden aanzienlijk vereenvoudigd en verruimd m.n. bij grensoverschrijdende achtervolging, ook voor bijvoorbeeld Aanhoudings- en Ondersteuningsteams.
Daarnaast biedt het verdrag, in aanvulling op het bestaande EU-recht – de Richtlijn 2016/680 – een aantal verdergaande mogelijkheden voor deling van politiegegevens. Zo kunnen er tijdens gezamenlijke acties en in gemeenschappelijke politieposten direct politiedatabanken geraadpleegd worden en maakt het verdrag het mogelijk om in een uitvoeringsovereenkomst de voorwaarden vast te leggen waaronder politiediensten op basis van hit/no hit kunnen zien of andere politiediensten binnen de Benelux gegevens hebben over bepaalde personen, bijvoorbeeld in relatie tot mobiel banditisme. Ook de mogelijkheid tot het delen van referentielijsten voor gebruik in ANPR camerasystemen kan een belangrijke bijdrage leveren aan de bestrijding van mobiel banditisme.
Hoe verloopt een dergelijke samenwerking en informatie-uitwisseling met niet-Europese bronlanden, zoals landen in Zuid-Amerika of Noord-Afrika?
De politie heeft meerdere instrumenten tot haar beschikking om internationale samenwerking vorm te geven. Zo wisselt de politie informatie uit met niet-Europese bronlanden via rechtshulpverzoeken, het internationale liaisonnetwerk, buitenlandse liaison officierengeplaatst in Nederland en door samenwerking met multilaterale organisaties, zoals Europol en INTERPOL. Daarnaast wordt met enige regelmaat kennis en expertise uitgewisseld, onder meer door inkomende en uitgaande bezoeken, en het verzorgen van trainingen. Ook neemt de politie van tijd tot tijd deel aan internationale politieteams, zoals joint investigation teamsof special investigation units.
Hoe beziet u de oproep van VNO-NCW en MKB-Nederland om een nieuwe aanpak? Waarom is de Taskforce Mobiel Banditisme afgerond als er bij 25 procent van de vermogensdelicten sprake is van mobiel banditisme? Ziet u kans voor een doorstart van de Taskforce Mobiel Banditisme?
De Taskforce Mobiel Banditisme is in 2018 opgericht als tijdelijk samenwerkingsverband met het doel om Nederland onaantrekkelijk te maken als delictgebied voor mobiele dadergroepen. Het doel van de Taskforce was om een structuur te faciliteren waarin de aanpak van mobiel banditisme met meer scherpte en focus vormgegeven en uitgevoerd kon worden. De Taskforce is er in geslaagd om alle (publieke en private) partijen die betrokken zijn bij het tegengaan van mobiel banditisme samen te brengen, waardoor een geïntegreerde visie op en aanpak van dit fenomeen is ontstaan. Omdat de Taskforce haar doelen heeft bereikt, is deze met instemming van de deelnemende partijen opgeheven. Met het opnemen van de aanpak van mobiel banditisme in het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–20264 wordt de samenwerking tussen deze partijen voortgezet. Door preventie en een gerichte aanpak kunnen deze criminele bendes beter op heterdaad worden aangehouden en vervolgens zwaarder worden bestraft. De aanpak van mobiel banditisme valt, door de opname van het thema in het Actieprogramma, onder het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing, waar de betrokken partijen vanuit de eerdere Taskforce Mobiel Banditisme ook vertegenwoordigd zijn. Een doorstart van de Taskforce Mobiel Banditisme heeft daarom geen toegevoegde waarde in de huidige geborgde aanpak.
Bestaan er reeds dergelijke initiatieven in Europees verband, zoals een Europese taskforce? Zo nee, ziet u de meerwaarde van zo’n taskforce in het uitwisselen van informatie tussen EU-landen?
In Europees verband wordt door de lidstaten, waaronder Nederland, met ondersteuning van Europol, op veel vlakken samengewerkt in de aanpak van mobiel banditisme. Deze samenwerking is ook een Europese prioriteit onder de vlag van het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT).5 Het uitwisselen van informatie wordt onder de bestaande mechanismen voldoende gefaciliteerd.
Welke rol kan Europol vervullen bij een eventuele Europese Taskforce en op welke andere wijze kan de rol van Europol worden versterkt bij de aanpak van mobiel banditisme?
De EMPACT-prioriteitstelling in de aanpak van mobiel banditisme heeft als doel om door de EU rondtrekkende, criminele netwerken die op georganiseerde wijze vermogensdelicten plegen, te verstoren. Europol ondersteunt de EU-lidstaten in hun initiatieven tot het opsporen en stoppen van deze daders. Dit doet zij onder meer door experts en politieambtenaren uit de verschillende lidstaten samen te brengen, kennis en expertise over het fenomeen en de aanpak te laten uitwisselen en gezamenlijk tot een bestrijdingsstrategie te komen. Een dergelijke samenwerking bij Europol van Spanje, Frankrijk, Chili leidde vorig jaar bijvoorbeeld tot de arrestatie van door Spanje en Frankrijk rondtrekkende verdachten van overvallen, afkomstig uit Chili.6
Ook in de preventieve aanpak zijn op Europees niveau verschillende initiatieven te vinden. Zo is er een instantie, het EUCPN (European Crime Prevention Network) die er op is gericht verschillende preventieve aanpakken te ontwikkelen en best practises te delen binnen Europa.
Tevens is er onder de EMPACT vlag, onder het sub-thema Organized Property Crimes een actie gericht op de bestuurlijke of alternatieve aanpak (Administrative Approach), waar Nederland (politie en het CCV) in 2023 actieleider van is.
Wat is uw inzet om deze diefstallen terug te dringen en de pakkans van daders te vergroten?
De afgelopen jaren is middels onderzoek zicht verkregen op de modus operandi van mobiele bandieten, waaronder onderzoeken naar vroegtijdige signalering en recentelijk naar e-bike en gps-diefstallen door mobiele bendes. Onder andere op basis van deze wetenschappelijke inzichten is een barrièremodel tot stand gekomen, om zo in elke fase de criminele activiteiten van mobiele bandieten te kunnen verstoren. Tijdige informatie-uitwisseling tussen winkeliers en politie, met het doel de heterdaadkracht te vergroten, is een belangrijk onderdeel van deze publiek-private aanpak. Politie en brancheorganisaties wisselen daarnaast actief informatie uit over de modus operandi van mobiele bandieten.
Gestolen goederen met unieke kenmerken waarvan aangifte is gedaan, belanden in de database Stop Heling. Burgers en bedrijven kunnen in deze database een diefstalcheck doen. Als hieruit blijkt dat een aangeboden goed van diefstal afkomstig is, kunnen ze hiervan via een meldformulier direct melding doen bij de politie. Daarnaast zijn handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen verplicht hun inkoop te registreren en moeten daarvoor in veel gemeenten het Digitaal Opkopers Register (DOR) gebruiken. Dankzij het DOR en het landelijk zicht dat daarmee wordt verkregen op de handel in gestolen goederen, heeft de politie in het verleden al mobiele bendes in beeld kunnen krijgen. Zowel Stop Heling als het DOR dragen aldus bij aan het verhogen van de pakkans van deze bendes.
Hoe verhoogt u de weerbaarheid van particulieren op delicten als zakkenrollen, E-bike- en autodiefstal en van ondernemers op winkeldiefstal? Hoe loopt de samenwerking met de branche?
Als winkeldieven op heterdaad betrapt zijn, kan de ondernemer de ServiceOrganisatie Directe Aansprakelijkstelling (SODA) inschakelen voor het verhalen van de indirecte schade en eventuele directe schade op de dader. De indirecte schade bestaat uit een standaardtarief van 181 euro voor de tijd die de ondernemer kwijt is aan het vasthouden van de winkeldief, overdragen aan de politie en het doen van aangifte. In 2022 bedroeg het aantal verhaalacties van SODA voor winkeldiefstal 27.598, waarmee in totaal € 1.651.982 aan civiele vorderingen is verhaald.
Vanuit het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 is naast mobiel banditisme ook de (preventieve) aanpak van winkeldiefstal een actiepunt. De Platforms Veilig Ondernemen ontwikkelen momenteel een toolbox met interventies om winkeldiefstal te voorkomen. Daarnaast wordt ingezet op de doorontwikkeling en bredere uitrol van het instrument collectief winkelverbod, zodat winkeldieven geweerd kunnen worden uit een winkelgebied waar zij tot last zijn geweest. Tevens wordt er een verkenning uitgevoerd naar ondernemerspecifieke aangifte- en of meldwensen van winkeldiefstal. Aan de hand van de bevindingen wordt een verbeterproces ingezet.
In de landelijke werkgroep mobiel banditisme wordt in publiek-privaat verband structureel gewerkt aan de aanpak van rondtrekkende dadergroepen. Samen met onder meer politie, OM, de Platforms Veilig Ondernemen en brancheorganisaties als VNO-NCW, MKB-Nederland, Cumela en vertegenwoordigers vanuit de retailbranches wordt de aanpak van mobiel banditisme gezamenlijk vormgegeven en ten uitvoer gebracht. Hierbij staan de meest recente trends en ontwikkelingen, alsook de behoeften de betrokken partijen centraal.
De Kamer van Koophandel informeert ondernemers daarnaast onder welke voorwaarden zij interne zwarte lijsten kunnen maken om de toegang te ontzeggen aan klanten of personeel die winkeldiefstal hebben gepleegd, of andere vormen van overlast. Bovendien verwijst de Kamer van Koophandel ondernemers naar sectorale zwarte lijsten waar zij bij kunnen aansluiten.
Kunt u naast de beantwoording van deze vragen ook in het volgende halfjaarbericht van de Politie ingaan op de voortgang van de maatregelen die het kabinet treft om mobiel banditisme aan te pakken?
Ja, ik zal in het volgende halfjaarbericht ook ingaan op de voortgang van de aanpak van mobiel banditisme.
Het bericht 'Boerenorganisatie LTO wil dat dierenextremisten worden gestraft: ‘Bijna elke dag insluipingen' |
|
Thom van Campen (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Boerenorganisatie LTO wil dat dierenextremisten worden gestraft: «Bijna elke dag insluipingen»»?1
Ja, ik heb hier kennis van genomen. Afgelopen maand heb ik een gesprek gehad met vertegenwoordigers van boerenorganisaties, waarbij dit onderwerp ook besproken is.
Wat vindt u van de genoemde strafbare activiteiten, zoals stalbezettingen, insluiping in veestallen, intimidatie van boerengezinnen en lastercampagnes door radicaal-extremistische dierenactivisten? Deelt u de mening dat dergelijke strafbare activiteiten onacceptabel zijn, bijdragen aan polarisatie en onveiligheidsgevoelens bij boerenfamilies? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Absoluut, het plegen van strafbare feiten is uiteraard per definitie onacceptabel. De politie en het Openbaar Ministerie (OM) treden hier dan ook altijd tegen op.
Tijdens het gesprek met de vertegenwoordigers van de boerenorganisaties over dit thema hebben we afspraken gemaakt over de benodigde vervolgstappen die er vanuit mijn ministerie, in samenwerking met andere ministeries, genomen kunnen worden. Te denken valt aan het agenderen van dit onderwerp in het Strategisch Beraad Veiligheid, het in gesprek gaan met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat over het gebruik van drones boven het boerenerf en de mogelijkheden voor het afschermen van adressen bij de Kamer van Koophandel in relatie tot doxing. Ik zal hier in het najaar op terug komen in het tweede halfjaarbericht Politie 2023.
Klopt het dat op dit moment activiteiten als stalbezettingen en insluiping in veestallen alleen strafbaar zijn, en verdachten vaak alleen worden veroordeeld onder artikel 461 Sr (verboden toegang) en niet onder artikel 138 Sr (inbraak en huisvredebreuk), omdat stallen veelal geen slot hebben vanwege brandveiligheid?
In Nederland kan het OM over gaan tot vervolging voor huisvredebreuk (artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr) en verboden toegang (artikel 461 Sr) bij een illegale stalbezetting. Huisvredebreuk is een misdrijf dat wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie (artikel 138, eerste lid, Sr). Indien een betrokkene bij de huisvredebreuk bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, kan een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of een geldboete van de vierde categorie worden opgelegd (artikel 138, derde lid, Sr). Indien de huisvredebreuk door twee of meer verenigde personen wordt gepleegd, kunnen de hiervoor genoemde strafmaxima met een derde worden verhoogd. Verboden toegang (artikel 461 Sr) is een overtreding die wordt bestraft met een geldboete van de eerste categorie. Het is aan het OM om, afhankelijk van de omstandigheden, te bepalen of vervolging aangewezen is en – zo ja – welke feiten ten laste worden gelegd. Verder is het aan de rechter voorbehouden om de meest aangewezen straf – naar soort, lengte of omvang en modaliteit – te bepalen. Hij weegt daarbij alle factoren tegen elkaar af die hij voor het bepalen van de straf van belang acht. Indien tijdens een illegale stalbezetting andere strafbare feiten worden gepleegd (bijvoorbeeld vernieling van eigendommen van de staleigenaar), kan ook daarvoor strafrechtelijke vervolging plaatsvinden. Het is aan de rechter voorbehouden om de meest aangewezen straf – naar soort, lengte of omvang en modaliteit – te bepalen. Mocht uit jurisprudentie blijken dat het huidige strafmaximum in de praktijk ontoereikend is, dan zal in gevolg daarvan onderzoek worden gedaan.
Deelt u de mening dat op dit moment de huidige regelgeving en wettelijke kaders waarop activisten strafbaar kunnen worden gesteld onvoldoende geëquipeerd zijn en daardoor een onvoldoende afschrikkende werking hebben?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid met het Openbaar Ministerie (OM), politie of de sector alsnog tot zo’n classificering te komen gezien het feit dat u in eerdere beantwoording op Kamervragen aangaf dat het niet mogelijk is om een overzicht te geven van dergelijke strafbare feiten, omdat er «geen specifieke classificering is met betrekking tot dierenrechtextremisme? Zo nee, waarom niet?2
Zoals ook aangegeven in het eerste halfjaarbericht politie 20233 is mijn departement in gesprek getreden met de politie over het registeren van stalbezettingen. Dit mede naar aanleiding van een toezegging van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) tijdens het tweeminutendebat Dieren in de Veehouderij van 8 december 2022 aan de leden Van Campen (VVD) en Bromet (GL) om er bij mij op aan te dringen de cijfers van het aantal stalbezettingen te gaan bijhouden4.
Een stalbezetting wordt niet expliciet genoemd in het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en wordt dus niet op een eenduidige wijze geregistreerd door de politie, maar als huisvredebreuk (artikel 138 Sr) en/of verboden toegang (artikel 461 Sr). Hierdoor kan uitsluitend op zoektermen worden gezocht en zouden alle zaken handmatig door specialisten gescreend moeten worden om vast te stellen of het binnen de classificering valt. De politie heeft aangegeven dat een eenduidige registratie binnen de politie enkel gerealiseerd kan worden door het aanmaken van een maatschappelijke klasse in (onder andere) hun registratiesysteem Basis Voorziening Handhaving (BVH). Een maatschappelijke klasse is een wijze van classificatie van incidenten in de politieregistratie. De politie houdt zich immers bezig met een groot aantal taken, ter illustratie, gebruikte maatschappelijke klasse van de politie zijn: «overlast door persoon met verward gedrag»», «discriminatie»» of «»bezit vuurwapens»». Het aanmaken van een maatschappelijke klasse vraagt een aanpassing in de ICT-systemen van de politie, die momenteel onder druk staan. Daarnaast zal het aanmaken van een extra maatschappelijke klasse het werk voor de agenten ook onoverzichtelijker en tijdrovender maken omdat zij bij elke handeling meer maatschappelijke klasse moeten kennen en invullen. Ik acht het aanmaken van een aparte classificering derhalve momenteel onwenselijk.
Wat heeft deze specialisatie tot nu toe opgeleverd en wat kunnen slachtoffers van extremisten hiervan nog verwachten gezien het feit dat de politie ongeveer twee jaar geleden een landelijk coördinator heeft ingesteld om misdaden van extremisten gecoördineerd te onderzoeken?
Naar aanleiding van de stalbezetting in Boxtel is er eind 2019 een factsheet opgesteld door het Ministerie van Justitie en Veiligheid in samenwerking met het ministerie LNV en de politie voor boerenbedrijven en organisaties die te maken kunnen krijgen met dierenrechtenextremisme. Deze factsheet is ook met de Kamer gedeeld5 en is terug te vinden op de website van LTO. Tijdens het gesprek op 6 december 2021 tussen mijn ambtsvoorganger en vertegenwoordigers van de boerenorganisaties heeft hij toegezegd om te onderzoeken of strafverzwaring kansrijk is en bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) na te gaan of het mogelijk is een last onder dwangsom op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Echter, opname in de APV lijkt niet mogelijk, daar een verbod op het betreden van privéterrein niet valt onder de gemeentelijke verordenende bevoegdheid. Daarnaast is er vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid een gesprek geweest met vertegenwoordigers van Europol over (het signaleren van) grensoverschrijdend dierenrechtenactivisme. Echter lijkt dit geen taak voor Europol. Wanneer er concrete signalen zijn vanuit het buitenland van mensen die voornemens zijn extremistische acties in Nederland uit te voeren zullen de verschillende inlichtingendiensten hierover informatie met elkaar uitwisselen. Daarnaast duidt de NCTV alle mogelijke extremistische dreigingen in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland. Daaruit blijkt dat de Nederlandse dierenrechtenbeweging al lange tijd klein is en zich voornamelijk uit in vreedzame demonstraties. Ook zijn er door mijn ambtsvoorganger afspraken gemaakt over de uitwisseling van informatie en het instellen van een contactpunt bij de politie, zodat in het geval van een incident snel gehandeld kan worden. Dit contactpunt is in 2019 bij de Landelijk Eenheid, Dienst Landelijke Informatieorganisatie van de politie ingericht en de contactgegevens zijn doorgestuurd naar de verschillende brancheorganisaties. Doordat er sinds de oprichting geen meldingen gedaan zijn bij dit contactpunt is besloten dit contactpunt in maart 2023 weer op te heffen in verband met andere prioritieten van de Dienst Landelijke Informatieorganisatie van de Landelijke Eenheid. In acute situaties kan men 112 bellen, voor minder urgente gevallen kan er contact op worden genomen met 0900–8844. Daarnaast heeft de politie een handelingskader opgesteld, met operationele adviezen voor de politie in het hele land. Naar aanleiding van een motie van het lid Van der Plas6 is in oktober 2022 dit handelingskader beschikbaar gesteld aan de regionale eenheden van de politie zodat het kan worden betrokken bij overleggen over dit thema in de lokale driehoeken (burgermeester, politie, OM). Vanuit het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 is er door mijn departement in het buitengebied een vertrouwenspersoon ondermijnende criminaliteit aangesteld voor het buitengebied bij Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO). Dit betreft een pilot vanuit het idee dat sommige agrarische ondernemers in het buitengebied wellicht minder vertrouwen hebben in de politie en/of de overheid. Deze vertrouwenspersoon is gevraagd om in haar taakstelling ook oog te hebben voor dit onderwerp.
Is er bij de recherche en/of het OM specifieke expertise voor dit soort zaken?
Binnen de politie is er expertise op alle vormen extremisme. Daarbij kan het gaan om verschillende vormen, zoals: links, rechts, klimaat, jihadistisch, maar ook dierenrechtenextremisme. Dit is belegd bij het cluster Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering (CTER-cluster) en het Kenniscentrum CTER bij de Landelijke Eenheid. Alle eenheden kunnen hier voor advies terecht.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek of strafverzwaring kansrijk is en de toezegging om bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) na te gaan of het mogelijk is een last onder dwangsom op te nemen in de Algemene plaatselijke verordening (APV)?
Zie antwoord vraag 6.
Loopt er een gesprek met Europol over (het signaleren van) grensoverschrijdend dierenrechtenextremisme? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de toezeggingen gedaan tijdens het gesprek op 6 december 2021 met de brancheorganisaties?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u een evaluatie van de reeds gemaakte afspraken toezeggen?
Ik ben in gesprek met de vertegenwoordigers van de organisaties over mogelijke vervolgstappen. Dat lijkt mij voor nu de juiste eerste stap.
Het bericht ‘’Ene na het andere geldwisselkantoor gesloten na explosies: wat is er gaande bij Suri-Change?’’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Ene na het andere geldwisselkantoor gesloten na explosies: wat is er gaande bij Suri-Change?»1
Ja.
Klopt het dat verschillende gemeentebesturen zijn overgegaan tot sluiting van panden van Suri-Change? Klopt het voorts dat deze organisatie in verband wordt gebracht met criminele activiteiten? In hoeverre ziet u soortgelijke signalen bij andere organisaties in de branche?
Het klopt dat de negen locaties van B.V. Suri-Change op dit moment bestuurlijk gesloten zijn. Op de vraag of deze organisatie in verband wordt gebracht met criminele activiteiten kan ik geen uitspraken doen.
Over individuele casussen of lopende onderzoeken kan ik geen uitspraken doen. Wel merk ik op dat de rol van criminele geldstromen bij drugshandel de aandacht geniet, in het bijzonder van het Landelijk Parket. Dit is ook toegelicht door de plaatsvervangend Hoofdofficier van Justitie van het Landelijk Parket tijdens de technische briefing bij de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid op 11 oktober 2022 over de aanpak van criminele geldstromen.
De Nederlandsche Bank kan in verband met toezichtsvertrouwelijkheid niets zeggen over concrete signalen. Wel ziet De Nederlandsche Bank in algemene zin een trend waarbij de uitdaging om te kunnen voldoen aan de financiële wet- en regelgeving steeds groter wordt voor Money Transfer Organisations. Dergelijke wet- en regelgeving betreft de Wet op het financieel toezicht (Wft), de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) en de Sanctiewet (Sw). Deze trend is enerzijds gelegen in het inherent hoge integriteitsrisico dat verbonden is met dit type dienstverlening (zie onder vraag 3 voor nadere toelichting) en anderzijds in de beperkte omvang van de organisaties en de daarmee gepaarde uitdaging om kwalitatief goed beleid en goede procedures op te tuigen en uit te voeren. Daarnaast neemt de aandacht voor integriteitsrisico’s in zijn algemeenheid toe wat ervoor zorgt dat overige financiële instellingen de druk op de beheersing van de risico’s in de betaalketen opvoeren. Op te merken valt dat deze combinatie voor zichtbare knelpunten zorgt in de sector.
Kunt u uiteenzetten wat de inzet van De Nederlandsche Bank (DNB) is op deze specifieke branche (money transfer organisations)?
In Nederland zijn momenteel 14 Money Transfer Organisations actief. Hiervan hebben acht een vergunning in Nederland. De overige zes beschikken over een vergunning in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en moeten aan dezelfde Europese richtlijnen voldoen. Deze Money Transfer Organisations zijn dus in Nederland actief door middel van een netwerk van agenten en/of bijkantoren. De Nederlandsche Bank is toezichthouder op deze partijen. Het toezicht bestaat uit twee pilaren: prudentieel toezicht en integriteitstoezicht. Het prudentieel toezicht is gericht op de soliditeit en stabiliteit van financiële ondernemingen. Het integriteitstoezicht is gericht op het waarborgen van een integere bedrijfsvoering van financiële instellingen en het voorkomen van betrokkenheid van financiële instellingen bij financieel-economische criminaliteit.
Verder heeft De Nederlandsche Bank laten weten dat het toezicht risicogebaseerd is ingericht. Dit houdt in dat op basis van een risicoafweging, de meeste aandacht uitgaat naar de grootste en meest risicovolle financiële instellingen. In het geval van de Money Transfer Organisations zijn de prudentiële risico’s laag, gezien de beperkte omvang van de instellingen en het effect van eventuele misstanden op de Nederlandse economie. De integriteitsrisico’s zijn daarentegen hoog, omdat het een cash-intensieve en internationale sector is.
Het toezicht van De Nederlandsche Bank kan gepland (proactief) of ongepland (reageren op meldingen) zijn. Dit betekent dat Money Transfer Organisations periodiek rapportages dienen aan te leveren ten aanzien van hun financiële positie, maar ook ten aanzien van hun cliëntenportefeuille, transacties en hun risicobeheersing hierop. Indien in de analyses van deze rapportages ongebruikelijkheden worden geconstateerd, kan De Nederlandsche Bank hierop acteren. Daarnaast voert De Nederlandsche Bank proactief onderzoeken ter plaatse uit bij financiële instellingen, indien sprake is van verhoogde risico’s en/of onvoldoende risicobeheersing. Wanneer sprake is van wettelijke overtredingen kan vervolgens een breed toezicht- en handhavingsinstrumentarium worden aangewend. Voorbeelden hiervan zijn het versturen van waarschuwingsbrieven, het voeren van norm overdragende gesprekken en het opleggen van aanwijzingen, boetes en dwangsommen. Als een financiële instelling geen zicht heeft op herstel kan de vergunning worden ingetrokken.
Volgens De Nederlandsche Bank eist het beheersen van de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering in algemene zin veel van Money Transfer Organisations. De afgelopen jaren is dan ook een trend te zien waarin, zeker voor de kleinere organisaties, de uitdaging steeds groter wordt om aan alle (toenemende) wet- en regelgeving te voldoen. De laatste jaren heeft De Nederlandsche Bank dan ook het toezicht op deze kleinere instellingen geïntensiveerd door doorlopend in contact te staan om alle risico’s tijdig te signaleren en, waar nodig, te acteren.
Klopt het dat deze branche op basis van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) een van de poortwachters is? Hoeveel meldingen zijn er door deze branche in de afgelopen vijf jaar gemaakt?
Het klopt dat Money Transfer Organisations op grond van de Wwft een poortwachtersfunctie vervullen. De FIU-Nederland hanteert dit niet als specifieke branche. Deze vorm van financiële dienstverlening behoort conform de Wwft tot de meldergroep «betaaldienstverlener». Door deze meldergroep zijn in de afgelopen vijf jaar 1.228.606 ongebruikelijke transacties gemeld.
Hoe is het toezicht op deze taak bij DNB vormgegeven? Hoeveel fte wordt hiervoor ingezet?
Hoe het toezicht door De Nederlandsche Bank is vormgegeven is uiteengezet bij vraag 3. Hiervoor zet De Nederlandsche Bank momenteel 2,3 FTE in.
In hoeverre kan gemeentelijke informatie over een explosie bij een onderneming, bijvoorbeeld een geldwisselkantoor, worden gedeeld met een andere gemeente met het oog op het voorkomen van nieuwe ernstige verstoringen van de openbare orde? Kunnen gemeenten hier alle relevante informatie met elkaar over delen die zij noodzakelijk achten en zo nee, welke maatregelen worden getroffen om dit beter mogelijk te maken?
De burgemeester werkt in de handhaving van de openbare orde nauw samen met de onder zijn gezag staande politie. De politie zal in het geval van een openbare-ordeverstoring, zoals een explosie bij een geldwisselkantoor, informatie vastleggen. Die informatie kan de politie aan de burgemeester verstrekken op grond van artikel 16, eerde lid, onderdeel b, van de Wet politiegegevens (Wpg). Dergelijke informatie kan verstrekt worden voor zover burgemeesters deze behoeven in verband met hun gezag en zeggenschap over de politie, en in het kader van de handhaving van de openbare orde. Onder «handhaving» wordt niet alleen het optreden tegen een verstoring verstaan. Hieronder wordt ook verstaan het ervoor zorgen dat een verstoring niet plaatsvindt. Daarnaast kan in afstemming met het gezag (dat wil zeggen de burgemeester en/of de officier van justitie) relevante informatie over een incident of dreiging in een bepaalde gemeente worden gedeeld met de burgemeester van een andere gemeente. Hierbij is het vereiste dat het verstrekken van de informatie dienstig is aan het voorkomen van iets soortgelijks in de andere gemeente. Het verstrekken van dergelijke informatie loopt ook in dat geval via de politie. Kortom, in algemene zin kan worden geconcludeerd dat er voor burgemeesters geen belemmeringen zijn om ter voorkoming van ernstige verstoringen van de openbare orde alle relevante informatie verstrekt te krijgen.
Daarnaast biedt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) beperkt mogelijkheden tot gemeentelijke informatiedeling. In dat kader is het van belang dat een gemeente de Wet Bibob toepast als zij vermoedt dat een onderneming waarmee het een rechtshandeling wil aangaan of is aangegaan, zoals het verlenen van een vergunning, wordt misbruikt voor het plegen van strafbare feiten. Een explosie bij een onderneming kan daarom aanleiding zijn om een Bibob-onderzoek te starten bij een nieuwe vergunningaanvraag of te herhalen bij een al verleende vergunning.
Wanneer een gemeente weet dat de betreffende onderneming ook met een andere gemeente een rechtshandeling aan is gegaan of wil gaan, is het mogelijk de andere gemeente een tip te geven en vervolgens onderling informatie uit te wisselen. Een tip is niets meer dan een signaal afgeven dat een Bibob-onderzoek in de rede kan liggen. Het onderling uitwisselen van informatie is alleen toegestaan als de ontvangende gemeente onderzoek doet naar dezelfde persoon. Daarnaast moet de gegevensverstrekking worden beperkt tot gegevens uit bronnen waaruit de ontvangende gemeente de gegevens zelf ook op zou mogen vragen.
Wel merk ik op dat deze informatiedeling tot doel heeft de integriteit van de overheid te beschermen door te voorkomen dat zij met bepaalde rechtshandelingen criminele activiteiten faciliteert. Het richt zich niet zozeer op het voorkomen van openbare ordeverstoringen. Het Bibob-onderzoek zegt bovendien niets over degenen die achter de explosie zitten, maar slechts iets over degenen die onderwerp van het Bibob-onderzoek zijn.
Deelt u de mening dat het artikel laat zien dat ondermijning steeds zichtbaarder wordt in onze straten en wijken en een directe bedreiging vormt voor de openbare orde en veiligheid?
Ja, die mening deel ik. Georganiseerde, ondermijnende criminaliteit trekt verwoestende sporen door onze samenleving. Het artikel laat duidelijk zien hoe de onderwereld de maatschappelijke orde bedreigt. In dit geval letterlijk, door explosies die de openbare orde en veiligheid in gevaar brengen. Georganiseerde, ondermijnende criminaliteit is dan ook één van de meest urgente problemen in onze samenleving en raakt heel Nederland op verschillende manieren. Daarom blijf ik met een breed netwerk aan partners inzetten op het tegengaan van deze vorm van criminaliteit en de effecten daarvan.
Onder welke omstandigheden kan een toezichthouder zoals de DNB, naast de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) en de Belastingdienst, ook aansluiten bij een Regionale Informatie- en Expertise Centra (RIEC), als onderdeel van een integrale aanpak op de aanpak van verstoring criminele geldstromen? Hoe kan worden bevorderd dat informatie die bekend is bij toezichthouders kan worden betrokken in onderzoeken die worden uitgevoerd in opdracht van RIEC’s? Kunt u dat bevorderen in de vorm van pilots?
De Nederlandsche Bank is momenteel niet aangesloten bij een van de Regionale Informatie en- Expertise Centra. Om hierbij aan te kunnen sluiten, dient te worden toegetreden tot het zogenaamde RIEC/LIEC-convenant. Daarbij moeten voor beide partijen toereikende (wettelijke) grondslagen bestaan om onderling informatie uit te wisselen. Ook moeten alle partners van het Regionaal Informatie en- Expertise Centrum met de toetreding akkoord gaan.
De Nederlandsche Bank neemt wel deel aan het Financieel Expertise Centrum. Dit is een samenwerkingsverband tussen autoriteiten met een toezicht-, controle-, vervolgings- of opsporingstaak in de financiële sector en is opgericht om de integriteit van deze sector te versterken. De partners binnen het Financieel Expertise Centrum voeren gezamenlijk projecten uit op uiteenlopende thema’s en fenomenen met als doel het opleveren van concrete, operationeel bruikbare resultaten. De Nederlandsche Bank neemt deel aan het Financieel Expertise Centrum vanuit zijn toezichthoudende rol op de banken, en levert zo belangrijke informatie voor het succesvol opereren van het samenwerkingsverband.
Informatie van toezichthouders kan op verschillende manieren worden betrokken in onderzoeken die worden uitgevoerd in opdracht van de Regionale Informatie en- Expertise Centra. De eerste mogelijkheid is de reeds beschreven toetreding tot het RIEC/LIEC-convenant. Daarnaast kan worden bekeken of er juridische mogelijkheden bestaan om, via één van de bij het Regionaal Informatie en- Expertise Centrum aangesloten partners, buiten het convenant om gegevens te verstrekken (een zogenaamde derde verstrekking). Hiervoor is het onder meer noodzakelijk dat de desbetreffende partner een wettelijke grondslag heeft voor het verstrekken van de gegevens. Ook moet de partner die de gegevens aan het Regionaal Informatie en- Expertise Centrumheeft verstrekt toestemming geven voor het doorverstrekken.
In 2020–2021 heeft De Nederlandsche Bank bij wijze van pilot deelgenomen aan overleggen met het Regionaal Informatie en- Expertise Centrum Amsterdam-Amstelland. Daarna heeft De Nederlandsche Bank een verzoek gedaan om toe te treden. Deze toetreding ziet op de thematische focus op criminele geldstromen van het Regionaal Informatie en- Expertise Centrum Amsterdam-Amstelland, waar onder andere de aanpak op ondergronds bankieren en Money Transfer Organisations vallen. Het verzoek tot toetreding is nog in behandeling.
Welke rol hebben burgemeesters op dit moment bij de aanpak verstoring van criminele geldstromen en hoe kan deze rol worden versterkt?
De bestrijding en het voorkomen van criminele geldstromen is belegd bij instanties als de politie, de FIOD, het Openbaar Ministerie, de Belastingdienst en Wwft-toezichthouders zoals De Nederlandsche Bank. De burgemeester is ingevolge de Gemeentewet belast met de handhaving van de openbare orde in zijn gemeente. Daaronder wordt de aanpak en verstoring van criminele geldstromen niet gerekend.
Wel geeft de Wet Bibob de bevoegdheid aan bestuursorganen – dus ook burgemeesters en colleges van B&W – om nader onderzoek te doen (en te laten doen door het Landelijk Bureau Bibob) naar de indiener van een aanvraag van subsidie of vergunning of naar een partij die een overheidsopdracht wil uitvoeren. Vervolgens kan de vergunning, de subsidie of de overheidsopdracht in worden getrokken of geweigerd als er ernstig gevaar bestaat dat deze zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen of om crimineel geld wit te wassen. Ook spelen de Regionale Informatie en- Expertise Centra een rol in de aanpak van criminele geldstromen. Binnen een Regionaal Informatie en- Expertise Centrum kunnen gemeenten en burgemeesters eventuele opgemerkte signalen melden, zodat deze betrokken kunnen worden bij een eventueel onderzoek van bijvoorbeeld de Belastingdienst of de FIOD.
Interventies die gemeenten doen, bijvoorbeeld vanuit de handhaving van de openbare orde, kunnen wel als neveneffect een verstorende werking hebben op criminele activiteiten, waaronder criminele geldstromen. Zo zal de sluiting van een pand als doel hebben de openbare orde te herstellen, maar kan het neveneffect zijn dat illegale activiteiten die vanuit dat pand plaatsvonden niet langer door kunnen gaan.
Het lokaal bestuur heeft overigens een belangrijke rol in de brede aanpak van georganiseerde criminaliteit. Zo zetten gemeenten zich bijvoorbeeld in om te voorkomen dat jongeren geronseld worden door criminele netwerken (preventie met gezag) en verhogen gemeenten de eigen weerbaarheid tegen criminele activiteiten. Het lokaal bestuur is daarmee een onmisbare partner in de strijd tegen georganiseerde, ondermijnende criminaliteit.
De stichting de Vrienden van XR |
|
Ingrid Michon (VVD), Folkert Idsinga (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel Ongrijpbare Rebellen van 25 mei 2023 in Elsevier Weekblad?1
Ja, ik ben bekend met beide artikelen.
Bent u bekend met het artikel Hoe zit Extinction Rebellion in elkaar? De leider stapt uit de luwte: «De beweging probeert bewust ongrijpbaar te blijven» van 7 maart 2023?2
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met de bij de Kamer van Koophandel geregistreerde stichting «Stichting Vrienden van XR» (hierna: de Stichting), welke als doorgeefluik voor de financiën zou fungeren richting Extinction Rebellion (hierna: XR)?
Ik ben hiermee bekend.
Bent u het met de stelling eens dat de opmerking van bestuurder Jouwert van Geene: «Wij hebben als bestuurders geen kennis van de plannen van de beweging en wij beslissen ook niet waar het geld aan wordt besteed. Dat houden we heel bewust gescheiden» niet kan kloppen omdat de ordeverstorende acties meestal ver van tevoren online worden gedeeld en omdat de stichting trainingen faciliteert waarin mensen wordt geleerd hoe een bevel van de politie niet uit te voeren?
Ieder individu, dus ook een bestuurder van een stichting, is zelf verantwoordelijk voor zijn uitspraken. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om hier in de beoordeling te treden van dergelijke uitspraken.
Welk bedrag in 2022 heeft de rijksoverheid overgemaakt aan Oxfam Novib en hoeveel is begroot in 2023? Kunt u bij de beantwoording van deze vraag een uitsplitsing maken per doel waarvoor middelen zijn overgemaakt of begroot?
Vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt geen subsidie gegeven aan Oxfam Novib. Als Minister van Justitie en Veiligheid heb ik geen inzicht in de bestedingen van andere departementen richting maatschappelijke organisaties, los van wat geopenbaard wordt (zoals het jaarverslag van Oxfam Novib).
Kunt u toelichten waarom u het geoorloofd vindt om organisaties te blijven subsidiëren die in Nederland ordeverstorende acties financieren, waardoor ernstige openbare ordeverstoringen plaatsvinden, trainingen worden gegeven om mensen aan te zetten tot het plegen van strafbare feiten en agenten als gevolg van de ordeverstoringen gewond raken?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft geen subsidie verstrekt aan Extinction Rebellion. Daarnaast blijkt uit het openbare overzicht van het Ministerie van Financiën, dat inzichtelijk maakt welke partijen middelen hebben ontvangen uit de Rijksbegroting3, dat Extinction Rebellion op de meest recente peildatum (ultimo 2022) geen middelen had ontvangen van de rijksoverheid. Uit het openbare jaarverslag van Stichting Vrienden van Extinction Rebellion blijkt niet dat zij in 2022 subsidie hebben ontvangen van een overheidsinstantie.
Bent u van mening dat organisaties die ordeverstorende acties financieren en trainingen verzorgen om mensen aan te zetten tot het plegen van strafbare feiten, hun «algemeen nut beogende instelling» (ANBI)-status moeten behouden? Zo nee, onder welke voorwaarden kan deze status worden ontnomen?
Kenmerkend voor de regeling voor algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) is dat deze is gericht op generieke, landelijke erkenning van doelen die niet op het eigenbelang of privébelang zijn gericht. Dit is in de wetgeving vormgegeven door de voorwaarde dat een instelling, zowel statutair als feitelijk, uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen belang (nut) dient en geen winstoogmerk nastreeft. Het begrip «algemeen nut» is in de wet neutraal vormgegeven en wordt ook blijkens de jurisprudentie neutraal getoetst. Mensen hebben vanuit hun levensbeschouwelijke of politieke overtuiging verschillende opvattingen over wat als algemeen nut zou moeten worden beschouwd. Dit valt ook terug te zien in de verschillende doelen die ANBI’s nastreven en de daarbij behorende feitelijke activiteiten. ANBI’s zijn binnen de kaders van de ANBI-regelgeving in principe vrij hoe zij het nastreven van hun doel aanpakken. De grens van deze vrijheid in de ANBI-regeling ligt bij overtreding van de wet (of daar waar toepassing van de integriteitstoets in beeld komt) of waar een instelling door de rechter verboden wordt.
De Belastingdienst toetst of de instelling voldoet aan de voorwaarden voor ANBI’s. Dit houdt in dat met de (statutaire én feitelijke) doelstelling primair het algemeen belang moet worden beoogd (kwalitatieve toets). Daarnaast moet sprake zijn van feitelijke activiteiten waarmee uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (>90%) het algemeen nut wordt gediend (kwantitatieve toets).
Kunt u met collega’s in het kabinet in gesprek gaan over de wenselijkheid van het continueren van subsidierelaties indien gesubsidieerde organisaties ervoor kiezen ordeverstorende acties in Nederland te financieren?
Organisaties die subsidie ontvangen vanuit het Rijk worden getoetst aan de subsidiekaders van het betreffende subsidieverstrekkende departement. Bij het opstellen van een subsidieregeling voert het subsidieverstrekkende departement vooraf een risicoanalyse uit, onder meer naar het risico op misbruik en oneigenlijk gebruik, en neemt hiertegen passende maatregelen op grond van hun beleid. Hierbij kan ervoor worden gekozen om de subsidie te weigeren of aanvullende eisen aan de subsidieaanvrager te stellen. Subsidieverstrekkende departementen hebben voldoende instrumenten beschikbaar om maatregelen te nemen bij misbruik of oneigenlijk gebruik, bijvoorbeeld de Bibob-toets. Ik zie daarom geen reden om nader in gesprek te gaan met collega’s van het Kabinet.
Bent u het met de stelling eens dat ontstane schade als gevolg van ordeverstorende acties makkelijker moet kunnen worden verhaald op een stichting die de openbare ordeverstorende acties financiert en in stand houdt?
Een persoon of rechtspersoon, zoals een stichting, kan aansprakelijk worden gesteld voor schade die is veroorzaakt door een onrechtmatige daad van deze persoon. Dit is geregeld in artikel 162 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Het is toegestaan om maatschappelijke organisaties financieel te ondersteunen. Het is niet aan de Staat om te treden in de wijze waarop burgers of organisaties hun geld besteden, zolang dit binnen de grenzen van de wet blijft. Dit financieren zal dan ook niet snel als een onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt. Dit wordt anders als de financiering wordt verstrekt met het oogmerk tot het plegen van strafbare feiten, bijvoorbeeld als de financier een bedrag verstrekt bestemd voor de aanschaf van wapens of het anderszins plegen van strafbare feiten. Het is aan de rechter om aan de hand van de omstandigheden van het geval te beoordelen of er sprake is van onrechtmatig handelen van de demonstranten en/of hun financiers. Tot slot worden kosten gemaakt door politie voor handhaving van de openbare orde niet doorberekend. Dit werk hoort bij de overheidstaak en is onderdeel van maatschappelijke kosten.
Kunt u toelichten waarom een stichting achter een ordeverstorende actie niet aansprakelijk gesteld kan worden voor eventuele gemaakte schade, schoonmaakkosten en/of disproportionele politie-inzet? Onder welke omstandigheden zou dit juridisch toch mogelijk zijn?
Zie antwoord vraag 9.
De sekte La Luz Del Mundo |
|
Michiel van Nispen (SP), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met de HBO documentaireUnveiled: Surviving La Luz Del Mundo?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat deze sekte ook in Nederland is gevestigd, in Den Haag?
Ja, het is bekend dat er in Den Haag een kerk of gebedslocatie is gevestigd die verbonden is aan La Luz Del Mundo.
In uw antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Van Nispen (SP) en Michon-Derkzen (VVD) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het verdwijnen van sektesignaal2 geeft u aan dat het van belang is «dat er tegen sektes wordt opgetreden en dat slachtoffers worden geholpen en ergens terecht kunnen als zij daar behoefte aan hebben»; hoe wordt hier invulling aan gegeven, in het algemeen en in het specifieke geval van de sekte La Luz Del Mundo waarvan de leider in de Verenigde Staten strafbare feiten heeft gepleegd?3
Als er sprake is van strafbare feiten kan er aangifte worden gedaan. Bij alle aangiftes wordt een slachtoffer individueel beoordeeld op mogelijke kwetsbaarheid en indien deze kwetsbaarheid bestaat worden er beschermingsmaatregelen genomen. Het doel van de individuele beoordeling is een betere bescherming bieden aan slachtoffers, tegen secundair slachtofferschap, herhaling, intimidatie of vergelding. In het specifieke geval van La Luz Del Mundo is er bij de politie geen informatie bekend die zou moeten leiden tot strafrechtelijk optreden.
Daarnaast hebben slachtoffers en hun naasten baat bij een herkenbare plek in de hulpverlening. Een plek waar ze laagdrempelig via telefoon en chat en desgewenst anoniem terecht kunnen. En waar als zij dat willen zij ook kunnen worden doorverbonden met gespecialiseerde hulpverlening of in contact kunnen worden gebracht met de politie. Binnen het bestaande hulpaanbod zijn organisaties die in beginsel in deze behoeften voorzien. Organisaties als Slachtofferhulp Nederland of Fier kunnen ondersteuning bieden bij de verwerking en het herstel van leed dat hen is aangedaan en doorverwijzen naar ggz-instellingen die geestelijke gezondheidszorg bieden.
Wel is het nodig dat er voor slachtoffers van dwingende groepsculturen binnen het bestaande hulpaanbod meer herkenbaarheid komt en meer specialistische expertise wordt opgebouwd. Ik verwijs u naar mijn brief van 30 juni waarin ik hier verder op in ga.
Bent u bekend met Meld.nl, een burgerinitiatief om tot een centraal meldpunt te komen?
Ja, ik ben bekend met Meld.nl. De site lijkt niet actief. In dit verband wil ik wijzen op de website slachtofferwijzer.nl, die sinds 2012 beschikbaar is. Hierop kunnen slachtoffers, hun naasten, hulpverleners en geïnteresseerden informatie vinden over praktische, juridische, emotionele en financiële hulpverlening van verschillende instanties. De site wordt door ongeveer 45.000 unieke bezoekers per maand bezocht.
Bent u bekend met het Belgische kennisplatform Informatie- en Adviescentrum inzake schadelijke sektarische organisaties?4 Is er in Nederland behoefte aan een dergelijk kennisplatform? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben bekend met het Belgische kennisplatform Informatie- en Adviescentrum inzake schadelijke sektarische organisaties. In voornoemde brief van 30 juni geef ik aan dat ik het nuttig vind te verkennen in hoeverre werkbare elementen uit het model dat het Belgische kennisplatform hanteert, bruikbaar zijn in de Nederlandse context. Ik neem dat mee in de in de brief genoemde verkenning bij welke bestaande organisatie en op welke wijze de hulp aan slachtoffers van sekten steviger en meer herkenbaar kan worden ingebed.
Hoe krijgt op dit moment de samenwerking tussen experts bij de gemeenten en bij de politie vorm, op kennis cq de aanpak van sektes?
De politie is een van de samenwerkingspartners in het verband van de Regionale Informatie en Expertise Centra’s (RIEC’s) alwaar gezamenlijk met andere partners waaronder gemeenten, OM, FIOD en Belastingdienst wordt opgetrokken en informatie wordt gedeeld om misstanden vroegtijdig te herkennen en aan te pakken. Het kan hier ook gaan om strafbare feiten, zoals seksuele uitbuiting of intimidatie, in relatie tot sektes.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie Van Nispen en Van Wijngaarden (Kamerstuk 35 570-VI, nr. 54) over een meldpunt voor slachtoffers?
Ik verwijs u naar voornoemde brief van 30 juni.
Het bericht ‘Aantal aangetroffen websites met ernstig kindermisbruik in twee jaar verdubbeld’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht: «Aantal aangetroffen websites met ernstig kindermisbruik in twee jaar verdubbeld»?1
Ja.
Uit het jaarrapport van de Britse Internet Watch Foundation (IWF) blijkt dat er in 2022 meer dan 255.000 websites met beelden van (ernstig) kindermisbruik zijn aangetroffen. Kunt u aangeven hoeveel en welke Nederlandse hostingbedrijven hier betrokken bij zijn? Kunt u aangeven of er in 2022 met al deze bedrijven gesprekken zijn gevoerd om adequate maatregelen af te dwingen?
Uit hetzelfde rapport van de Internet Watch Foundation (IWF) blijkt dat in 2022 82.500 keer is gerapporteerd over het aantreffen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op een Nederlandse server. Dat wil nog niet zeggen dat het daarbij ook gaat om een Nederlandse website: veel Nederlandse datacentra verhuren opslagruimte en verzorgen de aansluiting daarvan op het internet. Hun klanten plaatsen daar hun netwerkapparatuur, servers en opslagruimte voor webhosting. Deze hostingdiensten worden vaak doorverhuurd aan tussenpersonen in andere landen (die de webhosting daar veelal onder een eigen merk leveren), die vervolgens weer webruimte verhuren aan privépersonen of organisaties. Zij kunnen de ruimte bijvoorbeeld gebruiken om hun eigen website in te richten.
Het kabinet heeft tussen 2019 en 2022 door middel van een jaarlijkse steekproef van de TU Delft vinger aan de pols gehouden over onder andere het aantal Nederlandse hosters van dit beeldmateriaal en wie dit zijn. Ik heb uw Kamer over de laatste monitor recent bericht in mijn brief van 7 juli 2023. Ook zal ik hierop nader ingaan onder vraag 5. Het opdrachtgeverschap van de monitor van de TU Delft zal worden overgedragen aan de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM). Vanaf de inwerkingtreding van het wetsvoorstel bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal wordt de ATKM de bevoegde autoriteit om te gaan handhaven op online materiaal van seksueel kindermisbruik. Daartoe kan het in de toekomst dus zelfstandig besluiten om de monitor in te zetten.
Ook de gesprekken met de sector over online materiaal van seksueel kindermisbruik zullen voornamelijk door de ATKM worden gevoerd. Hiervoor zal binnen de ATKM een zogenaamde sectorraad worden opgericht waarin met regelmaat met de hostingsector zal worden gesproken over de aanpak.
Kunt u aangeven waarom nog steeds (ondanks een daling van 41% naar 32%) bijna éénderde van al het kinderpornografisch materiaal dat door IWF in 2022 is gevonden in Nederland wordt gehost en welke maatregelen u treft om kinderpornografisch materiaal tegen te gaan?
Nederland beschikt over een uitstekende digitale infrastructuur. Dat betekent dat sprake is van snelle verbindingen en beschikbaarheid van voldoende servers en opslagruimte voor webhosting. Deze aspecten leveren de Nederlandse economie veel voordelen op, maar kunnen ook misbruikt worden door criminelen.
De ambitie van het kabinet is er te allen tijde op gericht al het beeldmateriaal van online seksueel kindermisbruik van Nederlandse servers te weren. In die zin ben ik blij om in het rapport van de IWF te lezen dat het wereldwijde aandeel van Nederlandse servers is gedaald van 41% naar 32%. Dat is natuurlijk bij lange na niet genoeg, maar wel een stap in de goede richting.
De inzet bij de bestrijding van illegale content gaat voor een belangrijk deel uit van zelfregulering door de internetsector. De Nederlandse overheid werkt reeds jaren samen met de internetsector aan de bestrijding van illegale content online. Zo is er al in 2008 een Notice-and-Takedown (NTD) gedragscode overeengekomen tussen overheden, internetaanbieders, hostingbedrijven en andere tussenpersonen.2 Daar is in 2018 een addendum op gekomen voor het verbeteren van de bestrijding van materiaal van online kindermisbruik. Meldingen die van het Expertisebureau Online Kindermisbruik (EOKM) komen worden niet meer zelf door tussenhandeldiensten beoordeeld en het materiaal wordt binnen maximaal 24 uur verwijderd. Aanvullend bevat de in 2021 geactualiseerde Gedragscode Abusebestrijding maatregelen die hostingproviders kunnen nemen tegen misbruik van hun diensten voor meerdere vormen van illegale activiteiten.
Zoals reeds bekend bij uw Kamer, heeft het kabinet de oprichting van een Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) aangekondigd. Deze Autoriteit krijgt de wettelijke bevoegdheid aanbieders van hostingdiensten op bestuursrechtelijke basis te verplichten online kinderpornografisch en/of terroristisch materiaal op hun server ontoegankelijk te maken of te verwijderen dan wel deze partijen op te dragen passende en evenredige maatregelen te treffen om de opslag en doorgifte van online kinderpornografisch en/of terroristisch materiaal via hun diensten te beperken. Hiermee krijgt de Autoriteit middelen om in te grijpen indien de bestaande zelfregulering hapert, bijvoorbeeld wanneer een hoster weigert gehoor te geven aan een verwijderverzoek van illegale content, bijvoorbeeld van het Expertisebureau Online Kindermisbruik (EOKM) in het kader van de zelfregulering.
Voeren het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Expertisebureau Online Kindermisbruik (EOKM) nog steeds overleg met de IWF over het in kaart brengen van de hostingbedrijven en de aanpak van online kinderpornografisch materiaal? Zo ja, wat zijn de resultaten hiervan? Worden bijvoorbeeld tussen EOKM en de IWF best practices uitgewisseld?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft geen regulier overleg met de IWF over het in kaart brengen van hostingbedrijven. Wel zijn zowel het EOKM als de IWF aangesloten bij INHOPE, een internationaal netwerk van meer dan 50 meldpunten. Binnen dit netwerk worden inderdaad best practices uitgewisseld, informatie gedeeld en trainingen verzorgd voor medewerkers. De Nederlandse overheid is ondertussen aangesloten bij overleggen van de WeProtect Global Alliance, een internationaal samenwerkingsverband tussen overheden, bedrijven en organisaties wereldwijd voor de aanpak van online seksueel kindermisbruik. Zo neemt Nederland actief deel aan de bijeenkomsten van de door de WeProtect Global Alliance opgerichte Global Taskforce on Child Sexual Abuse Online, die tweemaal per jaar bijeenkomt met als doel het faciliteren van internationale informatiedeling ten behoeve van een effectieve wereldwijze aanpak van online seksueel kindermisbruik.
Wanneer wordt de eerstvolgende rapportage van de TU Delft Monitor – online seksueel beeldmateriaal naar de Kamer gestuurd en kunt u in deze rapportage ingaan op de bevindingen in het jaarverslag van de IWF?
Ik heb de Kamer op 7 juli jl. een brief gestuurd waarin ik nader inga op enkele aspecten rondom de bevoegdheden van de ATKM. In deze brief heb ik ook de resultaten van de TU Delft Monitor over 2022 meegenomen. Deze monitor is echter gebaseerd op een steekproef van twee maanden en niet, zoals het IWF-jaarrapport, op wereldwijde meldingen die een jaar lang zijn bijgehouden. Daar waar dit opportuun is, zal ik de resultaten van het IWF-rapport meenemen.
Hoeveel hostingbedrijven zijn in 2021 en 2022 uit Nederland vertrokken vanwege maatregelen die verband houden met de aanpak van kinderpornografisch materiaal, zoals het publiceren van de bedrijven waar het meeste afbeeldingen worden gehost?
Ik beschik niet over concrete cijfers over het vertrek van hostingbedrijven uit Nederland omdat ze strenger gereguleerd worden door de overheid op het gebied van kinderpornografisch materiaal. Er zijn volgens de TU Delft monitor wel enige indicaties dat bepaalde domeinnamen, dat wil zeggen klanten van sommige hosters, zich verplaatsen naar het buitenland. Ook kan worden gezegd dat de hostingbedrijven die eerder zijn uitgelicht in de rapportages van de TU Delft monitor, over het algemeen hun inzet op het weren van beeldmateriaal van online seksueel kindermisbruik stevig hebben vergroot, zoals ik ook in mijn brief op 7 juli jl. aan uw Kamer heb opgenomen.
Wanneer hostingbedrijven uit Nederland vertrekken en zich elders registreren, krijgen de lokale autoriteiten dan van Nederland een signaal dat een hostingbedrijf zich heeft gevestigd dat te weinig maatregelen treft om hosting van kinderpornografisch materiaal tegen te gaan?
Hostingbedrijven bieden diverse diensten aan en vertrekken in de regel niet zo snel uit Nederland. Wel is het zo dat klanten van hostingbedrijven, zoals eigenaren van bepaalde websites of resellers, zich kunnen verplaatsen indien de hostingpartij meer maatregelen treft om online materiaal van seksueel kindermisbruik tegen te gaan. Uit de TU Delft monitor van 2022 blijkt dit voor enkele websites te zijn gebeurd. Hier wordt internationaal informatie met elkaar over gedeeld. Meldpunten, zoals het NCMEC3 in de Verenigde Staten, kijken bij een melding of er informatie is over de locatie van de website waar het materiaal op staat. Indien vastgesteld kan worden dat een dergelijke website bijvoorbeeld onder een Nederlandse hostingpartij valt, wordt deze informatie gedeeld met de Nederlandse politie en gaat er via het Nederlandse meldpunt, het EOKM, een notice-and-take-down verzoek naar zowel de hostingpartij als de eigenaar van de website. Andersom kan ook het EOKM andere landen erop wijzen dat er websites zijn in hun jurisdictie die beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik bevatten. Er zijn helaas partijen die zich om deze reden constant verplaatsen om uit handen van opsporingsdiensten te blijven.
Kunt u de wet Bestuursrechtelijke Aanpak online kinderpornografisch materiaal voor het zomerreces 2023 naar de Kamer sturen, nu de afdeling Advisering van de Raad van State al meer dan een jaar geleden advies uitbracht over dit wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb het wetsvoorstel bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal op 12 juni jl. naar uw Kamer verstuurd.4
Het bericht 'Boer Erik Jan doelwit criminele bendes: ’Ze hebben alles gesloopt'' |
|
Ingrid Michon (VVD), Thom van Campen (VVD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Boer Erik Jan doelwit criminele bendes: «Ze hebben alles gesloopt»»1?
Ja, ik ben bekend met het genoemde bericht.
Klopt het dat criminelen in toenemende mate azen op waardevolle hightech apparatuur van boeren? Blijkt uit de politiecijfers inderdaad dat er sprake is van een toename van het aantal diefstallen uit schuren?
Sinds enkele jaren worden GPS-systemen gestolen uit landbouwvoertuigen.
Er is op basis van politiecijfers in de eerste 5 maanden van 2023 ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar een lichte toename te zien van het aantal meldingen dat gemaakt wordt over diefstallen van GPS-apparatuur uit landbouwvoertuigen. In 2023 zijn er tot 30 mei ongeveer 50 meldingen of aangiftes ontvangen van diefstal van GPS uit schuren, stallen of van een erf. In heel 2022 was het aantal ongeveer 130 en in 2021 ongeveer 110. In veel gevallen was er sprake van diefstal van meer dan 1 GPS-systeem.
In welke regio’s zijn boeren het meest kwetsbaar? Zijn dat de grensregio’s of ziet u door heel Nederland een stijging?
De politie heeft mij geïnformeerd dat GPS-diefstal uit landbouwvoertuigen vooral plaatsvindt in de regio’s Noord-Nederland, Flevoland, Zuid-Holland en Zeeland. Het betreft daarmee zeker niet uitsluitend grensregio’s. De stijging is in al deze genoemde gebieden te zien, niet in de rest van Nederland.
Welke concrete acties onderneemt de politie op dit moment om deze diefstallen tegen te gaan?
De politie werkt samen met brancheorganisaties en Platforms Veilig Ondernemen om deze diefstallen te voorkomen. Zo is een gezamenlijke preventieactie en -campagne opgezet waarbij de sector is gewezen op de gevaren en een handelingskader gedeeld met agrarische ondernemers. De politie deelt trends, cijfers en ontwikkelingen met de branche om zo specifieke waarschuwingen te kunnen geven in bepaalde gebieden. In het kader van de opsporing worden bij meldingen van dergelijke diefstallen zoveel mogelijk sporen verzameld. Binnen de politieorganisatie is verduidelijkt welke omvang en impact dergelijke diefstallen hebben zodat de keuze om hier forensische capaciteit op in te zetten met de juiste onderbouwing plaats kan vinden. Omdat het vaak internationale actieve groepen betreft die dit delict plegen worden sporen zoveel mogelijk vergeleken in een internationale databank.
In hoeverre deelt u de analyse dat er sprake is van criminaliteit van georganiseerde criminele bendes uit Oost-Europa?
Politiedata en internationale informatie-uitwisseling toont aan dat GPS-diefstallen bij agrarische bedrijven inderdaad nagenoeg uitsluitend gepleegd worden door Oost-Europese dadergroepen.
Op welke wijze vindt er samenwerking plaats met de (politie)autoriteiten van de bronlanden van dit soort bendes?
In de afstemming met andere Europese landen staat informatie-uitwisseling centraal. Wanneer een verdachte wordt aangehouden wordt contact opgenomen met het bronland. Er wordt informatie uitgewisseld over eventuele gepleegde strafbare feiten in land van herkomst en het bronland wordt geïnformeerd over de aanhouding in Nederland. Deze informatie is in Nederland van belang voor een eventueel strafdossier, om aan te tonen dat er sprake is van mobiel banditisme – een vorm van internationaal georganiseerde criminaliteit door rondtrekkende bendes. En op basis daarvan een passende straf te eisen, overeenkomstig de richtlijn voor strafvordering mobiel banditisme.
Wat is uw inzet om deze diefstallen terug te dringen en de pakkans van daders te vergroten? Kwalificeren deze diefstallen als High Impact Crimes?
Met publieke en private partners zet ik structureel in op de aanpak van deze criminaliteit, onder andere op het gebied van informatie-uitwisseling.
De aanpak van rondreizende dadergroepen maakt onderdeel uit van het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 dat op 14 december 2022 is vastgesteld door het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing. Zo wordt momenteel door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en Platform Veilig Ondernemen aan een pilot gewerkt. Het doel is de samenwerking tussen politie en gemeenten te verbeteren en de pakkans te vergroten. Indien succesvol kan dit worden uitgebouwd. De politie vraagt Europol en enkele landen naar de kennis en ervaring over dit fenomeen waarbij onderzocht wordt op welke wijze samenwerking op dit vlak mogelijk is.
Ook met de branche wordt samengewerkt en trends en ontwikkelingen worden met de branche gedeeld. De politie is samen met brancheorganisaties in gesprek met importeurs en leveranciers van dergelijke GPS-systemen om te onderzoeken welke barrières kunnen worden opgeworpen. Brancheorganisatie Cumela Nederland is sinds 2019 aangesloten bij de aanpak van Stop Heling. Landbouwondernemers kunnen hun apparatuur registreren in de Stop Heling-database. Bij diefstal wordt deze informatie in de aangifte opgenomen. Bij aanschaf van dergelijke producten kan een koper via deze database controleren of de apparatuur als gestolen geregistreerd staat. Indien dit het geval is, kan hiervan melding worden gemaakt bij politie. Daarnaast genereert de koppeling tussen het Digitaal Opkopers Register en de database Stop Heling notificatiemeldingen, als GPS-apparatuur door een handelaar in gebruikte en ongeregelde goederen opgekocht is.
High impact crimes is een verzamelnaam voor delicten met een hoge maatschappelijke of persoonlijke impact zoals onder andere woninginbraken, overvallen en straatroof. Hoewel deze diefstallen van GPS-apparatuur een groot effect kunnen hebben op de bedrijfsvoering, financiële schade en het veiligheidsgevoel, kwalificeren deze diefstallen zich niet als zodanig als high impact crimes.
Bestaat er op dit moment (structurele) afstemming met de agrarische sector, op nationaal, provinciaal, dan wel lokaal niveau over hoe criminaliteit en ondermijning in de regio’s wordt aangepakt? Zo ja, op welke wijze vindt dit plaats en welke partijen zijn hierbij betrokken en hoe vallen de resultaten van deze aanpak te controleren? Zo nee, bent u bereid om dit structureel in te richten?
Er vindt op meerdere manieren (structurele) afstemming plaats met publieke en private partners over (georganiseerde ondermijnende) criminaliteit in het buitengebied. Zo is er vanuit mijn ministerie periodiek contact met LTO, ZLTO en Cumela Nederland. In het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing wordt in het kader van het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 structureel gesproken met publieke en private partners, waaronder over de veiligheid van het buitengebied. Diverse Regionale Informatie- en Expertise Centra en Platforms Veilig Ondernemen brengen in afstemming met de agrarische sector de problematiek in het buitengebied in beeld en passen interventies toe, zoals het instrument Veilig Buitengebied. Dit instrument wordt met een financiering vanuit mijn ministerie gefaciliteerd door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Met het instrument zetten gemeenten met lokale publieke en private partners een samenwerkingsnetwerk op om de veiligheid en weerbaarheid van boeren en tuinders te vergroten. Hier wordt ingezet op de oog- en oorfunctie van ondernemers en inwoners in de buitengebieden, wat bijdraagt aan het beeld over wat er speelt en leeft. Het instrument wordt dit jaar geëvalueerd om resultaten van de aanpak te monitoren.
Bij de Zuidelijke Land- en Tuinbouw Organisatie loopt een pilot met een vertrouwenspersoon georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Deze vertrouwenspersoon deelt beelden met betrokken veiligheidspartners op fenomeenniveau. De pilot heeft verlenging van financiering gekregen tot maart 2026 wegens succesvolle opbrengsten. In het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 is mede daarom opgenomen bij meerdere brancheorganisaties een vertrouwenspersoon aan te stellen. Hierover worden nu gesprekken gevoerd met brancheorganisaties uit de agrarische sector. Daarnaast is Cumela structureel betrokken bij de aanpak omtrent rondreizende dadergroepen.
Zoals in de halfjaarbrief georganiseerde ondermijnende criminaliteit2 toegelicht werk ik de komende jaren in den brede aan een verrijking en verscherping van een rapportage over de resultaten van de aanpak, samen met alle partners. Daarbij zal ook inzicht worden gegeven in de ontwikkeling van de wetenschappelijke inzichten, zoals op 6 april 2023 in het commissiedebat aan uw Kamer is toegezegd. Met deze verrijking en aanscherping verschuift het karakter van de voortgangsrapportage steeds meer van een beschrijving van de aanpak naar een beeld van wat die aanpak oplevert en de effecten daarvan in de maatschappij.
Deelt u de opvatting en de zorgen dat – gelet op het grote aantal boeren zonder op opvolgers – agrarische bestemmingen in toenemende mate het risico lopen om in criminele handen terecht te komen? Hoe gaat u dit risico voorkomen en de sociaaleconomische positie van het platteland borgen?
Ik deel de zorgen dat agrarische bestemmingen risico’s lopen op criminele inmenging. Ik verwijs voor een antwoord hoe het kabinet hierop inzet naar het antwoord van de voorgaande vragen en de beantwoording op vraag 1 en 2 van de leden Van Campen en Michon-Derkzen (beiden VVD) aan de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Justitie en Veiligheid over bescherming van boeren tegen drugscriminaliteit en het tegengaan van ondermijning in het buitengebied, beantwoord op 26 april jongstleden.3 Hierin heb ik onder meer het volgende aangegeven. In het Nationaal Programma Landelijk Gebied werkt het kabinet met verschillende partijen aan een transitie die integraal inzet op het gebiedsgericht behalen van doelstellingen op het gebied van natuur en stikstof, water, bodem en klimaat. We hebben daarin nadrukkelijk oog voor de sociaaleconomische effecten die met deze transitie gepaard gaan. Uit signalen, incidenten en opsporingsinformatie blijkt het risico op drugscriminaliteit en ondermijnende activiteiten op het platteland overal in het land reëel. Daarom ben ik ook aan de slag met publieke en private partners in het buitengebied om beter zicht te krijgen op de problematiek en deze te voorkomen. Aanleiding was onder andere het in oktober 2020 verschenen rapport «Weerbare boeren in een kwetsbaar gebied». Hieruit bleek dat ongeveer 1 op de 5 respondenten weleens iemand aan de deur heeft gehad die het agrarisch vastgoed wilde gebruiken en zijn of haar intenties mogelijk verband hielden met drugscriminaliteit. Diverse Regionale Informatie- en Expertise Centra (RIEC’s) hebben de problematiek in het buitengebied verder in beeld gebracht. Verschillende RIEC’s en Platforms Veilig Ondernemen actief op dit thema door middel van het voeren van bewustwordingscampagnes gericht op ondernemers en/of bewoners en worden in verschillende regio’s integrale controles gehouden en kijken gemeenten naar herbestemming in geval van leegstand. Zoals aangegeven wordt met onder andere brancheorganisaties uit de agrarische sector gesprekken gevoerd een vertrouwenspersoon ondermijnende criminaliteit aan te stellen.
Het bericht 'Zelfbenoemde salafistenpolitie zaait angst in moskeeën: moslims met verkeerd geloof aan schandpaal genageld; AIVD en NCTV waarschuwen: salafistische aanjagers worden steeds grover en mondiger' |
|
Bente Becker (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich de antwoorden op de Kamervragen over het bericht «Zelfbenoemde salafistenpolitie zaait angst in moskeeën: moslims met «verkeerd geloof» aan schandpaal genageld; AIVD en NCTV waarschuwen: salafistische aanjagers worden steeds grover en mondiger»?1
Ja
Hoe verhoudt de beantwoording van bovenstaande Kamervragen zich tot de passage in het coalitieakkoord; «We beschermen de samenleving tegen de dreiging van alle vormen van radicalisering en haatzaaien, van jihadisme tot links- en rechts-extremisme. Ook moet er meer aandacht zijn voor de ontwrichtende werking van anti-overheids- en antidemocratische sentimenten en desinformatie. Door in te zetten op preventie, signalering, opsporing, vervolging en stevig te straffen pakken we dit aan»?
Het kabinet zet zich volledig in om alle vormen van radicalisering, extremisme en terrorisme stevig aan te pakken zoals beschreven in het coalitieakkoord. Uw Kamer is hierover op verschillende momenten geïnformeerd, bijvoorbeeld door de Minister van Justitie en Veiligheid in de Rapportage integrale rapportage terrorisme2 en met de aanpak van rechts-extremisme en terrorisme en andere vormen van extremisme3 en onlangs door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de nieuwe Rijksbrede strategie voor de aanpak van desinformatie4. Daarnaast is het wetsvoorstel doxing op 7 februari jl. aangenomen door de Tweede Kamer. Ten overvloede verwijs ik u verder naar de beantwoording van vraag 9 van de Kamervragen naar aanleiding van het bericht over zelfbenoemde salafistenpolitie5.
Op welke termijn wordt de nota van wijziging bij het wetsvoorstel grondslaggegevensverwerking Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) naar de Kamer gestuurd?
De nota van wijziging wetsvoorstel grondslaggegevensverwerking NCTV ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State. Na ontvangst van het advies biedt de Minister van Justitie en Veiligheid de nota van wijziging, inclusief de reactie op het advies van de Raad van State, zo snel mogelijk aan de Tweede Kamer aan.
Wat zijn de concrete gevolgen voor de nationale veiligheid van Nederland nu de NCTV blijkens de antwoorden niet langer nieuwe ontwikkelingen met relevantie voor de nationale veiligheid in een vroeg stadium kan signaleren en, op basis van die kennis, zijn coördinerende taken met betrekking tot terrorismebestrijding en nationale veiligheid niet langer kan uitvoeren, zoals u in de antwoorden schrijft?
Om bijvoorbeeld het lokale bestuur te kunnen adviseren over de lokale aanpak terrorismebestrijding, moet de NCTV een actueel beeld hebben van maatschappelijke ontwikkelingen waar een dreiging tegen de nationale veiligheid van uit kan gaan. Om hier een goed beeld van te kunnen vormen is het van belang dat er een actueel beeld beschikbaar is. Dit actuele beeld is vaak beschikbaar vanuit openbare internetbronnen, waaronder social media. De NCTV heeft op dit moment geen grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens, en kan derhalve geen sociale media-bronnen raadplegen en heeft dus ook beperkter zicht. Als gevolg hiervan is de NCTV minder goed in staat de gecoördineerde aanpak van dreigingen vorm te geven. Voor de nationale veiligheid is dit een onwenselijke situatie.
Welke concrete gevolgen zijn er voor de nationale veiligheid nu het wetsvoorstel gegevensverwerking casusoverleggen radicalisering en terroristische activiteiten nog niet in werking is getreden? Hoe reëel is de kans dat een (gewelddadig) extremistische of terroristische dreiging wordt gemist omdat relevante informatie niet kan worden gedeeld met organisaties die betrokken zijn bij de persoonsgerichte aanpak voorkoming radicalisering en extremisme?
Het wetsvoorstel Regels omtrent gegevensverwerking in de persoonsgerichte aanpak van radicalisering en terroristische activiteiten (hierna: het wetsvoorstel) strekt tot het verstevigen van de wettelijke basis van de gemeentelijke casusoverleggen ter voorkoming en bestrijding van radicalisering en terroristische activiteiten. De bedoeling van het wetsvoorstel is dat de bestaande praktijk van de persoonsgerichte aanpak radicalisering, die op dit moment nog is neergelegd in een convenant, wordt vastgelegd in een formele wet.
Op dit moment vinden de casusoverleggen plaats op basis van grondslagen voor bilaterale gegevensverstrekking, en op basis van de grondslag van de politie om politiegegevens aan een samenwerkingsverband te verstrekken. Dit is ook vastgelegd in het convenant. Dit betekent allereerst dat het per deelnemende instantie verschilt in welke mate die deelnemer in het casusoverleg gegevens mag delen. Daarnaast is het zo dat op dit moment het verstrekken van persoonsgegevens aan andere deelnemers in een casusoverleg alleen is toegestaan indien de verstrekking van de persoonsgegevens aan de andere deelnemers verenigbaar is met het doel waarvoor de verstrekkende deelnemer de persoonsgegevens oorspronkelijk heeft verzameld. Of er in casusoverleggen momenteel sprake is van verenigbare verdere verwerkingen als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), is grond voor discussie. Dit alles maakt het delen van informatie in bepaalde gevallen complex.
Om een einde te maken aan alle onduidelijkheden over de grondslagen van gegevensuitwisseling, creëert het wetsvoorstel heldere grondslagen voor gegevensverwerking en voorziet het de gegevensverwerkingen van een duidelijk juridisch kader. Het is daarom van belang dat het wetsvoorstel spoedig het wetgevingsproces doorloopt. Welke concrete gevolgen er voor de nationale veiligheid zijn nu het wetsvoorstel nog niet in werking is getreden, valt in algemene zin niet aan te geven. De casusoverleggen radicalisering functioneren op dit moment wel maar in bepaalde gevallen is er discussie over het mogen delen van informatie. In de praktijk kan dit een vertragend effect kan veroorzaken.
Welke criteria en omstandigheden worden betrokken bij de beoordeling of signalen over en/of gedragingen van radicale salafistische aanjagers kunnen worden aangemerkt als terroristisch voordat informatiedeling met Europol tot stand kan komen? Zijn er de afgelopen jaren signalen over en/of gedragingen van radicale salafistische aanjagers geweest die uiteindelijk niet zijn aangemerkt als terroristisch, waardoor deling van informatie niet mogelijk was terwijl dit wel was gevraagd?
Het Schengeninformatiesysteem (SIS) is het informatie-uitwisselingssysteem dat externe grenscontrole -en samenwerking in de rechtshandhaving ondersteunt in de Schengenlanden. Bevoegde nationale autoriteiten6 kunnen signaleringen van personen en voorwerpen in één gemeenschappelijke databank invoeren en raadplegen. Het land dat een signalering invoert is verantwoordelijk voor die signalering en voor eventuele verwijdering. Opname in het SIS geschiedt pas nadat is voldaan aan daarvoor gestelde eisen. Hiervoor verwijs ik naar de EU-verordeningen SIS (2018/1860, 2018/1861, 2018/1862) van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018. Europol heeft toegang en inzage tot het SIS maar heeft geen bevoegdheid om te signaleren.
Er zijn geen cijfers beschikbaar van verzoeken die zijn gedaan en die uiteindelijk niet tot informatiedeling hebben geleid.
Kunt u, nu de Minister voor Rechtsbescherming heeft besloten voorlopig niet over te gaan tot een integrale herziening van de Wet politiegegevens2, toch onderzoeken onder welke omstandigheden zachte signalen over personen die zich mogelijk bezig houden met het beramen of plegen van terroristische misdrijven te verstrekken aan andere landen, al dan niet via Europol? Is het in de ons omringende landen (België, Duitsland, Frankrijk) wel mogelijk om (al dan niet via Europol) deze gegevens nu al uit te wisselen met Nederland? Hoeveel (staats)imams uit derde landen komen naar schatting elk jaar naar Nederland? Met het recente begin van de ramadan in ogenschouw genomen, hoeveel (staats)imams uit derde landen zijn of zullen dit voorjaar naar Nederland worden gestuurd ter ondersteuning van de islamitische gemeenschap? Is bekend met welke boodschap zij op pad zijn of worden gestuurd vanuit het land van herkomst? Uit welke landen zijn deze imams afkomstig?
Zoals aangegeven in antwoorden op eerdere Kamervragen is het inderdaad niet mogelijk om binnen de wettelijke kaders zachte signalen uit te wisselen.8 De politie is gebonden aan de kaders die de Wet politiegegevens (Wpg) stelt aan informatie-uitwisseling. De Wpg (art. 10 lid 1 onder b Wpg en art. 15a Wpg) geeft een mogelijkheid tot het ter beschikking stellen van politiegegevens aan andere EU/EER landen, maar staat niet toe dat zachte signalen over personen worden verstrekt aan het buitenland (art. 5:3, lid 8 jo art. 5:1, lid 4 Bpg). Dat is overigens niet voor niets. Deze personen zijn immers (nog) geen verdachte. Ook een signalering in SIS kent deze beperking. Zoals hierboven beschreven geschiedt een opname in het SIS pas nadat is voldaan aan daarvoor gestelde eisen, bijvoorbeeld een besluit van een Officier van Justitie. Hiervoor verwijs ik naar de EU-verordeningen SIS (2018/1860, 2018/1861, 2018/1862) van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018. Om informatie-uitwisseling van zachte signalen mogelijk te maken zal een wijziging van Europese wetgeving benodigd zijn.
De vraag hoeveel (staats)imams uit derde landen jaarlijks naar Nederland komen kan niet worden beantwoord. Op basis van de huidige registraties die worden bijgehouden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken (visa kort verblijf), de Immigratie- en Naturalisatiedienst (verblijfsvergunningen lang verblijf), en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen – hierna UWV (verlenen tewerkstellingsvergunningen voor buitenlandse werknemers die kort dan wel langverblijf beogen) zijn deze aantallen niet beschikbaar. Er wordt in de betreffende registraties geen onderscheid gemaakt naar religie. Imams worden net als priesters, nonnen, voorgangers en rabbijnen geregistreerd onder de noemer «geestelijke bedienaren».
Hoeveel tewerkstellingsvergunningen (hierna: TWV) voor geestelijk bedienaren en in het bijzonder voor imams uit derde landen zijn de afgelopen jaren aangevraagd in Nederland? In hoeveel gevallen is ook een TWV verstrekt en in hoeveel gevallen een verblijfsvergunning voor langere tijd? Kunt u een overzicht geven van deze aantallen van de afgelopen vier jaar? Kunt u deze aantallen afzetten tegen het aantal verstrekte TWV in andere Schengenlanden?
Onderstaande tabel bevat het aantal verleende en geweigerde tewerkstellingsvergunningen9 en positieve en negatieve adviezen voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid10 voor geestelijk bedienaren.
2019
2020
2021
2022
Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen
85
65
8
52
Aantal positieve adviezen voor een gecombineerde vergunning
104
96
93
94
Aantal geweigerde tewerkstellingsvergunningen
3
0
7
0
Aantal negatieve adviezen voor gecombineerde vergunning
1
1
1
3
Op basis van de registraties van UWV is het niet mogelijk om cijfers te leveren voor imams in het bijzonder. Er wordt in de betreffende registraties geen onderscheid gemaakt naar religie. Imams worden net als priesters, nonnen, voorgangers en rabbijnen geregistreerd onder de noemer «geestelijke bedienaren». Er is, voor zover bekend, geen informatie beschikbaar over afgegeven vergunningen in andere Schengenlanden.
Welke mogelijkheden zijn er om bij de beoordeling van een verzoek tot een TWV voor een geestelijk bedienaar signalen van Inlichtingendiensten, de Nationale Politie, gemeenten en Europol te betrekken, als bij een van deze organisaties zachte informatie beschikbaar zou zijn dat een geestelijk bedienaar haat heeft verspreid maar nog geen verdachte in Nederland is?
De beoordeling van een verzoek tot een TWV wordt gedaan door het UWV. Zij toetsen aan de Wet arbeid vreemdelingen. Het doel van de Wet arbeid vreemdelingen is het voorkomen van verdringing van de arbeidsmarkt en bescherming van de werknemers. Een toets aan wenselijkheid van de individuele werknemer (de imam) en openbare orde valt buiten de doelen van de wet. Ook valt het buiten de expertise van UWV om hieraan te toetsen. De beoordeling van een aanvraag voor een tewerkstellingsvergunning kent op dit vlak dus geen mogelijkheden.
Wel kan de IND aanvragen om een verblijfsvergunning om in Nederland te gaan werken als geestelijk bedienaar of voorganger afwijzen, indien blijkt dat de persoon een bedreiging voor de nationale veiligheid of openbare orde vormt. Ook een visumaanvraag voor kort verblijf van een geestelijk bedienaar of voorganger kan worden afgewezen als blijkt dat de persoon een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde. Dergelijke beslissingen zijn gebaseerd op informatie van partners in de veiligheidsketen. UWV speelt hierbij geen rol.
Hoe ziet het beleid ten aanzien van de toelating van geestelijk bedienaren eruit in omringende Schengenlanden zoals in Frankrijk? Welke (aanvullende) regels en eisen gelden bijvoorbeeld in Frankrijk ten aanzien van de toelating van (staats)imams uit derde landen? Hoe beoordeelt u de Franse situatie en ziet u hier mogelijkheden/kansen voor Nederland? Bent u bereid om in overleg te treden met uw Franse counterpart om best practices uit te wisselen en om op basis daarvan concrete voorstellen te doen voor de Nederlandse situatie? Ziet u ook mogelijkheden om de uitwisseling van relevante informatie over de toelating van (staats)imams tussen Schengenlanden te bevorderen? Zo ja, op welke termijn bent u bereid dit te doen? Zo nee, waarom niet?
Er gelden op dit moment in Frankrijk geen bijzondere eisen en regels ten aanzien van de toelating van (staats) imams. Wel heeft President Macron in oktober 2020 aangekondigd een einde te willen maken aan de situatie waarin imams die door buitenlandse overheden gezonden en betaald worden, voorgaan in Franse moskeeën. Deze imams zouden vervangen moeten worden door in Frankrijk opgeleide en gevormde bedienaren. Ook sprak de president zich toen uit voor een accreditatiesysteem van imams door een op te richten Raad van Franse Imams (CMI). Mede vanwege onenigheid binnen en tussen de verschillende organisaties die hier een rol in zouden moeten spelen is de uitvoering van deze plannen ernstig vertraagd. Wel is op 19 maart 2023 een campagne gestart voor het werven van leden voor een Raad van imams (CMI) door een nieuwe, door de overheid gesteunde, moslimorganisatie (Forum voor de Franse Islam, FORIF). Vooralsnog blijven de door met name Marokko, Algerije en Turkije gezonden imams op hun post. Ook de gebruikelijke extra inzet van imams uit deze landen gedurende de ramadan heeft in 2023 weer doorgang gevonden. Wel is de overheid alert op gedragingen van imams, die tegen de openbare orde ingaan. Uiteraard volgt het kabinet de ontwikkelingen in Frankrijk aandachtig en zal het op een gelegen moment met de Franse counterparts in gesprek treden over, onder andere, de voortgang bij de realisering van de Franse beleidsvoornemens ten aanzien van de toelating van (staats)imams uit het buitenland.
Het Schengeninformatiesysteem is een effectief instrument voor informatie-uitwisseling tussen lidstaten. Personen, inclusief predikers, die een gevaar kunnen vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, kunnen gesignaleerd worden in het Schengeninformatiesysteem. Als een persoon gesignaleerd is, bijvoorbeeld om de toegang tot het Schengengebied te weigeren, is dit zichtbaar voor alle lidstaten en kunnen zij hierop acteren.
Hoe staat het met de voortgang van het toegezegd internationaal rechtsvergelijkend onderzoek naar beleid inzake de toelating van (staats)imams uit derde landen? Wat zijn de (eerste) resultaten en hoe beoordeelt u die? Ziet u aanknopingspunten voor concreet beleid in Nederland? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek waar aan u refereert is in november 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden. Voor beantwoording van uw vragen verwijs ik graag naar het rapport van het International Centre for Counter-Terrorism en de beleidsreactie van de Minister van Justitie en Veiligheid.11
Hoe werkt het Schengen Informatiesysteem (hierna: SIS) in de praktijk bij het toelaten en weigeren van geestelijk bedienaren uit derde landen? Recent is de SIS ook uitgebreid met nieuwe signaleringen en ruimere functionaliteiten, welke zijn dit precies en hoe vertaalt zich dit in de praktijk bij het toelatingssysteem van geestelijk bedienaren uit derde landen? Hoe ziet het signaleringssysteem er bijvoorbeeld uit bij geestelijk bedienaren wiens toegang of verblijf binnen de Schengenzone is geweigerd? Wordt hier ook op gehandhaafd door Schengenlanden?
Het SIS is een EU-informatiesysteem dat grenscontroles en samenwerking in de rechtshandhaving ondersteunt in en tussen de Schengenlidstaten. Met het vernieuwde SIS zijn nieuwe signaleringscategorieën toegevoegd, zoals signaleringen van onbekende verdachten of gezochte personen, waardoor er in SIS vinger- of handpalmafdrukken kunnen worden ingevoerd die op de plaats van ernstige misdrijven of terroristische incidenten zijn aangetroffen en vermoedelijk van de dader zijn. Maar ook preventieve signaleringen van kinderen die het risico lopen te worden ontvoerd door een van hun ouders, en van kwetsbare personen die voor hun eigen bescherming moeten worden belet te reizen. Terugkeerbesluiten ten aanzien van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen worden sinds kort in SIS ingevoerd. Daarnaast zijn Schengenlidstaten verplicht om signaleringen in te voeren in SIS wanneer sprake is van een inreisverbod voor onderdanen van derde landen.
SIS is een hit/no-hit systeem en aan een signalering is altijd een vervolgactie gekoppeld, dat wil zeggen verzoeken tot concrete acties voor functionarissen van bevoegde autoriteiten in andere lidstaten. Bij een (grens)controle komt bijvoorbeeld in het systeem naar boven dat een persoon gesignaleerd staat. Er is niet bij elke signalering een handhavingsverplichting, bijvoorbeeld indien sprake is van vermiste personen waarbij het enkel kan gaan om informeren.
Een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf is mogelijk op grond van de SIS-verordening. Hierin zijn de voorwaarden en procedures vastgesteld voor het invoeren en verwerken van signaleringen in SIS met het oog op weigering van toegang tot en verblijf op het grondgebied van de lidstaten. Een signalering met oog op toegangsweigering is mogelijk als bijvoorbeeld de aanwezigheid van een derdelander een bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid van een lidstaat. Vereist is dat de lidstaat een administratieve of gerechtelijke beslissing tot weigering van toegang en verblijf heeft genomen op basis van een individuele evaluatie waarbij persoonlijke omstandigheden van de betrokken onderdaan van een derde land en de gevolgen van een weigering van toegang en verblijf zijn betrokken in het besluit. Deze procedure ten aanzien van signalering in het SIS wordt ook gevolgd als er sprake is van signalering van een extremistische spreker.
Kunt u een overzicht geven van het aantal keer dat een haatprediker de toegang tot Nederland is geweigerd wegens risico’s voor de openbare orde? Is het mogelijk hierbij een uitsplitsing te maken tussen extremistische imams en bedienaren van overige godsdiensten?
Het is niet mogelijk om hier een volledig beeld van te geven, aangezien cijfers over toegangsweigering van extremistische sprekers niet automatisch uit de systemen van de IND en de Koninklijke Marechaussee gegenereerd kunnen worden. Wel is het zo dat sinds 2015 in circa 20 gevallen extremistische sprekers geen visum hebben gekregen of het visum is ingetrokken na een negatief advies van de IND. Het aantal visumweigering wordt handmatig door de IND bijgehouden. Deze personen zijn gesignaleerd in het SIS als niet tot het Schengengebied toe te laten vreemdelingen. Op deze manier is voorkomen dat betrokkenen naar Nederland zijn gereisd of betrokkenen hebben Nederland moeten verlaten. In bijna alle gevallen ging het om sprekers die een islamitisch extremistische boodschap uitdroegen. In één geval ging het om een spreker met een andere achtergrond.
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar onderzoek gedaan naar buitenlandse geestelijke bedienaren waarbij het ontzeggen van de toegang tot Nederland is overwogen maar is uiteindelijk niet overgegaan tot het opnemen van in SIS? Wat zijn redenen om uiteindelijk iemand niet op te nemen in SIS?
Ik ga ervan uit dat u met «onderzoek» in de vraag doelt op de procedure waarbij extremistische sprekers kunnen worden geweigerd. Voor de gestelde eisen aan opname in de systemen van SIS II en de beschikbare cijfers, verwijs ik u graag naar het antwoord op vraag 6 en 13.
Welke maatregelen zijn er getroffen om te voorkomen dat een extremistische geestelijke bedienaar in de ene Europese lidstaat wordt geweigerd, maar via een andere Europese lidstaat toegang tot Europees grondgebied krijgt en doorreist naar Nederland?
Vreemdelingen kunnen conform Europese regelgeving gesignaleerd worden in het Schengeninformatiesysteem. Middels deze signalering zijn andere lidstaten van het Schengengebied ook op de hoogte en kan de toegang geweigerd worden als de vreemdeling via een andere lidstaat wil inreizen.
Welke mogelijkheden zijn er om na verstrekking van TWV’s, deze in te trekken of op andere wijze personen te bewegen Nederland te verlaten wanneer blijkt dat een buitenlandse (staats)imam in Nederland haat predikt?
Zoals in antwoord op vraag 9 is beschreven, kan de IND het verblijfsrecht van een geestelijk voorganger of bedienaar intrekken indien er informatie beschikbaar is waaruit blijkt dat deze persoon een risico voor de nationale veiligheid of openbare orde vormt.
Vindt u het gepast dat een (buitenlandse) staatsimam of andere geestelijk bedienaar in de Nederlandse samenleving aanbeveelt tot vrouwenbesnijdenis? Zo nee, welke mogelijke civielrechtelijke, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke consequenties heeft het aanbevelen van vrouwenbesnijdenis voor geestelijk bedienaren?
Vrouwelijke genitale verminking is een mensonterende praktijk en in Nederland strafbaar als vorm van (zware) mishandeling (Artikel 300–303 van het Wetboek van Strafrecht). Het aanzetten tot hiertoe is onacceptabel. Indien sprake is van het aanzetten tot geweld (artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht) of opruiing (artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht), kan het OM strafrechtelijke vervolging instellen. Het is vervolgens aan de strafrechter om te beoordelen of in een individueel geval een strafbaar feit is gepleegd. Uitlatingen over vrouwelijke genitale verminking die geen strafbaar feit opleveren, kunnen door inzet van bestuursrechtelijke of civielrechtelijke maatregelen alsnog worden bestreden.
Hoe staat het met het opzetten van een Nederlandse imamopleiding onder overheidstoezicht conform de aangenomen motie Becker?3 Hoeveel particuliere imamopleidingen worden op dit moment in Nederland aangeboden? Hoeveel imamopleidingen hiervan worden op dit moment gefinancierd uit derde landen en uit welke landen?
Op dit moment zijn de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in gesprek met meerdere onderwijsinstellingen om de routekaart uit te werken voor het realiseren van een hbo-bacheloropleiding tot imam in Nederland. Daarbij is het altijd de inzet geweest om een door de overheid erkende en bekostigde, robuuste hbo-bacheloropleiding tot imam te laten starten, die naadloos ingepast kan worden binnen het Nederlandse onderwijsstelsel. Zodra hierover meer bekend wordt zal ik uw Kamer hierover informeren. Zoals u weet staat het iedereen vrij om een eigen (particuliere) theologische opleiding in Nederland op te starten. Uit openbare informatie is op te maken dat er enkele opleidingen in Nederland worden aangeboden die naar de mogelijkheid van imamopleiding verwijzen. Op welke wijze deze opleidingen gefinancierd worden, is mij niet bekend.
Bent u het ermee eens dat het van belang is om over voldoende (gecontroleerd) opleidingsaanbod binnen Nederland te beschikken om niet langer afhankelijk te zijn van imamopleidingen die door derde landen worden gefinancierd en door (staats)imams die uit derde landen worden ingevlogen? Zo ja, welke stappen bent u bereid te zetten om te voorzien in dit aanbod? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 18 te lezen valt, is het altijd de inzet van het kabinet geweest om een door de Nederlandse overheid erkende en bekostigde imamopleiding op hbo-bachelorniveau aan (een) Nederlandse onderwijsinstelling(en) mogelijk te maken. Eerder heb ik met uw Kamer gedeeld dat «Het niet langer afhankelijk zijn van imams uit de landen van herkomst ook belangrijk is voor de gemeenschappen zelf, omdat ook zij zelf vorm willen kunnen geven aan de invulling van hun geloof binnen de Nederlandse context». Zie ook voetnoot 6.
Zodra er meer duidelijkheid is over de totstandkoming van deze imamopleiding in Nederland, zal ik uiteraard uw Kamer hierover informeren.
Hoe staat het met het formuleren van een heldere juridische definitie van problematisch gedrag conform de aangenomen motie Becker?4 Bent u het ermee eens dat een afgebakende juridische definitie van problematisch gedrag van belang is, aangezien ongewenste buitenlandse beïnvloeding, al dan niet via het invliegen van (staats)imams, een wezenlijk probleem vormt voor de vrije Nederlandse samenleving? Zo ja, welke (aanvullende) stappen bent u bereid te zetten om te komen tot een brede juridische definitie van problematisch gedrag en binnen welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen «Zelfbenoemde salafistenpolitie zaait angst in moskeeën: moslims met «verkeerd geloof» aan schandpaal genageld; AIVD en NCTV waarschuwen: salafistische aanjagers worden steeds grover en mondiger»14 heeft de Landsadvocaat in zijn advies aangegeven dat er geen afgebakende juridische definitie te geven valt van het begrip «problematisch gedrag». Het betreft een spectrum aan gedragingen waarbij de ernst gradaties kent. Deze analyse komt overeen met de analyse van de juristen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Daarom is er vanuit het kabinet geen inzet op het formuleren van een conventionele juridische definitie op basis waarvan kan worden ingegrepen.
Wel maakt het kabinet, conform het advies van de Landsadvocaat en gelet op de ernst van de problematiek, werk van het vastleggen van normen op deelaspecten van problematisch gedrag die toepassing van een (nieuw) instrument rechtvaardigen. Zo werkt de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs op dit moment aan een nieuwe wettelijke norm voor informele lesinstituten. In die norm zal binnen de grenzen van het grondwettelijk kader worden beschreven welk aspect van problematisch gedrag op informele scholen kan leiden tot het treffen van een maatregel.15 Wel is de Wet Transparantie Maatschappelijke Organisaties MO in voorbereiding. Dit wetsvoorstel wil tegengaan dat ontvangen donaties bij maatschappelijke organisaties zorgen voor onwenselijke buitenlandse beïnvloeding. De burgemeester, het openbaar ministerie (OM) en andere aangewezen overheidsinstanties krijgen de bevoegdheid om bij een maatschappelijke organisatie gericht navraag te kunnen doen naar buitenlandse giften en als het hoge giften zijn te vragen naar de persoon van de donateur. Het tweede deel van het wetsvoorstel betreft stichtingen en is bedoeld om misbruik van financieel-economische aard, zoals witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Stichtingen zijn nu al verplicht om een balans en staat van baten en lasten op te stellen. Het wetsvoorstel verplicht stichtingen om deze financiële stukken voortaan te deponeren bij het handelsregister. De informatiepositie van diensten met controle-, toezichts- en opsporingstaken wordt zo vergroot.
Bent u bereid om de Kamer jaarlijks een update te sturen over de gevraagde cijfers bij vraag 7, 12 en 13? Zo nee, waarom niet?
Zie ook het antwoord op vraag 13: aangezien een totaaloverzicht niet uit de systemen gegeneerd kan worden, kan ik niet aan uw verzoek tegemoetkomen.
Drugs per post |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Aukje de Vries (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
![]() |
Herinnert u zich de antwoorden op de vragen van het lid Michon-Derkzen over het bericht «Drugs per post neemt vlucht: Overal ter wereld meer dancefeesten»?1
Ja.
Wat is de voortgang van de, in de antwoorden op deze vragen genoemde, verkenning op welke wijze een gezamenlijk postteam tussen politie en douane ingevuld kan worden?
Ik ben verheugd te kunnen melden dat naar voorbeeld van de Hit and Run Cargo teams op de logistieke knooppunten de aanpak versterkt wordt door het inrichten van een gecombineerd opsporingsteam bestaande uit medewerkers van de politie, douane en Openbaar Ministerie. Doel van het team is het intensiveren van de onderlinge samenwerking, het versterken van de gezamenlijke informatiepositie en uiteindelijk duurzaam verstoren van de verspreiding van verdovende middelen. Hiermee volgt het team de uitgangspunten van de Hit and Run Cargo (HARC).
Het team krijgt de naam Hit And Run Post (HARP) en zal zich richten op de strafrechtelijke onderzoeken met een korte doorlooptijd van zo’n 6 tot 8 weken.
Naast de strafrechtelijke onderzoeken is de ambitie dat het HARP leidt tot een beter zicht op de deze vorm van criminaliteit, hetgeen benut zal worden om tot een effectieve publiek-private en internationale samenwerking te komen.
Door de Douane wordt de ingezette geïntensiveerde controle op de post- en pakketstroom voortgezet. In overleg met Politie en OM wordt daarbij bezien of geconstateerde vaststellingen kunnen leiden tot een opsporingsonderzoek in bestaande opsporingsteams.
In de antwoorden noemde u dat er samenwerkingsverbanden bestaan tussen de politie en post- en pakketdiensten. Geldt dat voor elk bedrijf uit de top vijf post- en koeriersdiensten?2 Zo ja, waaruit bestaat die samenwerking per bedrijf?
De politie werkt samen met post- en pakketdiensten, bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van de e-learning (zie het antwoord op vraag 6) of bij de ontwikkeling van het barrièremiddel (zie antwoord op vraag 7). Het HARP streeft naar een effectieve publiek-private samenwerking. Een exact overzicht van bestaande (lokale) initiatieven ontbreekt. Zie ook het antwoord op vraag 5.
De Douane heeft met PostNL het initiatief genomen om te onderzoeken of er op innovatieve wijze in de poststroom selecties kunnen worden uitgevoerd door middel van een vorm van autodetectie. Hierbij worden scanbeelden geautomatiseerd beoordeeld op de aanwezigheid van tabletten/pillen. Indien deze methodiek succesvol blijkt zal dit breder ingezet worden bij andere post- en pakketdiensten.
Er is tevens sprake van een goede publiek-private samenwerking in de vorm van regulier overleg tussen PostNL en de Douane op Schiphol en Amsterdam. Met de koeriersdiensten is er overleg met de douanekantoren waar deze diensten gevestigd zijn. Hierbij komt de publiek-private samenwerking ook ter sprake.
Is u bekend wat er per jaar door deze (top vijf) bedrijven aan harddrugs wordt onderschept en ingenomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dat per bedrijf beantwoorden?
Nee, dat is niet bekend omdat er geen registratie plaatsvindt per koeriersbedrijf.
Zijn er naar uw weten inmiddels meer projecten gestart rondom weerbare Post- en Koeriersdiensten? Zo ja, welke? Om wat voor projecten gaat het dan?
Naast de strafrechtelijke onderzoeken is de ambitie dat het HARP leidt tot een beter zicht op deze vorm van criminaliteit, hetgeen benut zal worden om tot een effectievere publiek-private te komen. In de uitwerking van de motie Michon-Derkzen c.s.3 wordt hier nader op in gegaan.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangekondigde e-learning over weerbaarheid van post- en koeriersdiensten tegen ondermijnende criminaliteit?
De e-learning is momenteel in ontwikkeling. Er is een bijeenkomst geweest met transportondernemers en securitymanagers van grotere Post- en Pakketdiensten (3 van de top 5), er is een bijeenkomst geweest waarbij een aantal ervaringsdeskundigen (ex-criminelen) kwetsbaarheden van bedrijven in de transport en logistieke sector hebben blootgelegd en er heeft een ophaalsessie plaatsgevonden waarbij experts vanuit verschillende overheidsdiensten waren aangesloten. Het ging om experts van de regionale politie, Landelijke Eenheid, Douane, IL&T, Platforms Veilig Ondernemen, Taskforce- RIEC Brabant-Zeeland en de Avans Hogelschool. Met deze input wordt momenteel de e-learning zelf ontwikkeld en zal bestaan uit twee modules; een gericht op «Transport over de Weg» en een op «Pakketdiensten». Het Platform Veilig Ondernemen Zeeland-Brabant is aanjager en initiator, maar het is de bedoeling dat de e-learning landelijk zal worden uitgerold.
Is het barrièremodel met betrekking tot de distributie van drugs door post- en koeriersdiensten inmiddels gereed? Kunt u hier nader op ingaan? Hoe ziet dit barrièremodel er in de praktijk precies uit? Is er bij de ontwikkeling van het barrièremodel ook aandacht geweest voor het uitbreiden van (nationale) strafbaarstellingen.
Het barrièremodel Synthetische drugs vervoeren via post- en koeriersdiensten is gereed en komt voor de zomer voor deelnemers beschikbaar via een website en via een te downloaden publicatie. Met dit barrièremodel brengt het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) samen met verschillende partners het fenomeen in kaart. Hierbij wordt gekeken welke stappen criminelen moeten zetten. Per stap wordt nagegaan welke dienstverleners en gelegenheden het fenomeen mogelijk maken en welke signalen kunnen duiden op criminele activiteit. Hierdoor maken we gelegenheidsstructuren inzichtelijk. Daarna kunnen barrières opgeworpen worden om deze gelegenheden en daarmee het werk van criminelen te verstoren. Met het barrièremodel is ruimte voor preventieve interventies en voor repressieve maatregelen.
Ziet u meer mogelijkheden om post- en koeriersbedrijven op hun verantwoordelijkheden te wijzen? Is er ruimte om deze bedrijven strafbaar te stellen indien zij deze verantwoordelijkheid weigeren te nemen?
De verschillende post- en koeriersbedrijven zijn zich zeer bewust van hun verantwoordelijkheden en er wordt door hen dan ook veel gedaan om drugspakketten en pakketten met andere illegale inhoud te onderscheppen. Zij zoeken de samenwerking zelf ook op met politie, douane ILT en het OM. Ook voeren zij in samenspraak met het bevoegd gezag zelf controles uit en investeren ze in onderzoek. Ik heb op dit moment daarom geen behoefte aan een wettelijke grondslag voor het strafbaar stellen van bedrijven.
Is bekend welke landen het meest betrokken zijn bij de verzending van drugs per post via Nederland, zowel inkomend als uitgaand? Is er een overzicht van strafbaarstellingen in de meest betrokken landen?
De douane houdt bij welke landen betrokken zijn bij de meeste inbeslagnames.
Dat gaat om aantallen inbeslagnames, ongeacht welke soort en welke hoeveelheid drugs. Dat zijn bij de inkomende stroom: Suriname, Peru, De Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Canada.
De landen betrokken bij de meeste inbeslagnames bij de verzending van drugs per post via Nederland zijn bij de uitgaande stroom: Verenigde Staten, Verenigd Koninkrijk en Australië.
Het betreft allerlei soorten drugs, dat verschilt per land. Deze cijfers zijn afkomstig van de Douane en zien daarom alleen op EU-buitengrens overschrijdend.
Een overzicht van strafbaarstellingen in de betrokken landen is mij niet bekend.