Het bericht 'VS wil meer NAVO-landen kernwapens laten huisvesten, Oost-Europa dringt aan' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de VS onderzoekt om meer NAVO-landen Amerikaanse kernwapens te laten stationeren?1
Het kabinet is niet bekend met een concreet Amerikaans voorstel en doet hier dus ook geen verdere uitspraken over.
Wel is het, in het kader van de versterking van de geloofwaardigheid, effectiviteit en veiligheid van de nucleaire en conventionele afschrikking van de NAVO, belangrijk om te benadrukken dat er sinds 2014 wordt gesproken over de versterking van deze afschrikking. Tijdens de NAVO Defence Ministers Meeting (DMM) van 18 juni jl. werd over de nucleaire dimensie gesproken in de zogenoemde Nuclear Planning Group (NPG). Na afloop ging een korte verklaring uit waarin bevestigd wordt dat NAVO blijft werken aan het versterken van de nucleaire afschrikkingsmissie om zijn veiligheidsbelangen te bereiken.2 Nadere details van deze bijeenkomst worden in het openbaar niet gedeeld.
Zolang kernwapens bestaan in de wereld, blijft de NAVO een nucleaire alliantie en blijft nucleaire afschrikking een essentiële rol spelen bij het behouden van strategisch evenwicht en het voorkomen van de inzet van kernwapens.
Met welke landen is de VS hierover in overleg?
Het kabinet doet geen mededelingen over bilaterale gesprekken van de VS. Zie daarnaast ook het antwoord op vraag 1.
Klopt het dat President Trump in zijn eentje kan besluiten tot inzet van deze kernwapens? Zo ja, wat is de reactie van het kabinet daarop?
Besluitvorming over de nucleaire afschrikking van de NAVO vindt plaats in de NPG, de Nuclear Planning Group, en gebeurt op basis van consensus.3
We doen geen uitspraken over de details van besluitvorming over de inzet van nucleaire wapens binnen de NAVO. Dit heeft te maken met veiligheidsoverwegingen.
Kunt u bevestigen dat tactische kernwapens bedoeld zijn voor inzet in Europa? Zo ja, wat voor gevolgen heeft dat van eventuele offensieve en defensieve inzet in Europa? Zo nee, welk doel hebben deze kernwapens dan?
Het fundamentele doel van de nucleaire capaciteit van de NAVO is om de vrede te bewaren, dwang te voorkomen en agressie af te schrikken. Nucleaire wapens kunnen overal ter wereld worden ingezet. Het afschrikkingsbeleid van de NAVO is erop gericht dat kernwapens nooit hoeven worden ingezet.
In hoeverre is dit in lijn met het Non-Proliferatie Verdrag?
In meer algemene zin, en dus niet verbonden aan deze specifieke vraag, geldt dat de zogeheten nuclear sharing arrangements binnen de NAVO reeds decennia bestaan en volledig in lijn zijn met het Non-proliferatie Verdrag (NPV).4 Ze waren onderdeel van de onderhandelingen over het NPV en geen van de verdragspartijen heeft formeel bezwaar aangetekend tegen de afspraken bij de ondertekening van het verdrag in 1968, de inwerkingtreding in 1970 of in de decennia daarna. Kernwapens op het grondgebied van NAVO-bondgenoten blijven te allen tijde onder de nationale controle van een kernwapenstaat.
Wat is de positie van het kabinet op dit mogelijke voorstel? Hoe verhoudt dit zich tot het nucleaire samenwerkingsprogramma met Frankrijk?
Zie ook het antwoord op vraag 1. Voor de samenwerking met Frankrijk verwijs ik u naar de brief d.d. 2 maart jl. (Kamerstuk 33 279-40).
Is het stationeren van extra kernwapens in Europese landen een bilaterale aangelegenheid of NAVO-beleid?
Juridisch bindende afspraken over eventuele stationering van kernwapens in een land bestaan uit een combinatie van bilaterale en multilaterale afspraken. Op grond van bondgenootschappelijke afspraken kunnen geen mededelingen worden gedaan over eventuele bilaterale of multilaterale overeenkomsten die verband houden met de kernwapentaak van Nederland in het kader van de bondgenootschappelijke verdediging.
Wat is uw perspectief op het scenario waarin meer Europese landen Amerikaanse kernwapens stationeren, terwijl de ambitie is om militair minder afhankelijk te worden van Amerika?
De Amerikaanse nucleaire paraplu, waar de nuclear sharing arrangements een onderdeel van zijn, is een essentieel en onmisbaar onderdeel van NAVO’s afschrikking en verdediging. Het kabinet is van mening dat de versterking van NAVO’s nucleaire afschrikking essentieel is voor de veiligheid binnen het NAVO verdragsgebied. We doen geen uitspraken over de details van besluitvorming over de inzet van nucleaire wapens binnen de NAVO. Dit heeft te maken met veiligheidsoverwegingen.
Welke tegenmaatregelen verwacht het kabinet vanuit Rusland als de VS hiertoe over gaat? Wat betekent dit voor de veiligheid van Europa?
Zie het antwoord op vraag 1. Het kabinet is niet bekend met een concreet Amerikaans voorstel en doet hier dus ook geen verdere uitspraken over. Het nucleaire beleid van de NAVO is gericht op de afschrikking van Rusland.
Denkt u dat het stationeren van kernwapens dicht bij de Russische grens bijdraagt aan de-escalatie en een diplomatieke oplossing voor de oorlog in Oekraïne? Zo nee, wat gaat u daaraan doen? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid dit onderwerp te agenderen voor de aanstaande NAVO-top? Zo nee, waarom niet?
NAVO’s nucleaire afschrikking stond reeds op de agenda van de Defence Ministers Meeting(DMM) van 18 juni jl. Zie het antwoord op vraag 1.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan Debat over de Europese top op 16 juni?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De mogelijke ontmanteling van oceaninsche monitoringsystemen door de Verenigde Staten en de gevolgen voor het AMOC-onderzoek |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat de regering-Trump voornemens is oceanische monitoringssystemen te ontmantelen, waaronder de systemen in de Irminger Zee die van cruciaal belang zijn voor het monitoren van de Atlantische Meridionale Omwentelingsstroming (AMOC)?1
Deelt u de opvatting dat de genoemde monitoringssystemen onmisbaar zijn voor wetenschappelijk onderzoek naar de AMOC, en dat ontmanteling ervan de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van AMOC-voorspellingen ernstig zou ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het voornemen van de Amerikaanse overheid om deze monitoringssystemen te ontmantelen, en wat zijn de consequenties van het stoppen voor Nederland en Europa?
Bent u bereid deze kwestie expliciet aan de orde te stellen in bilaterale contacten met de Verenigde Staten en daarbij de Nederlandse en Europese zorgen over het mogelijke verlies van onvervangbare wetenschappelijke kennis en meetdata kenbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de uitspraak van NIOZ-directeur Han Dolman dat de Amerikanen op het gebied van dit soort internationale wetenschappelijke projecten «een onbetrouwbare partner zijn geworden», en deelt u deze kwalificatie? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de wetenschappelijke samenwerking met de VS op het gebied van klimaatonderzoek? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken of het, in nationaal dan wel Europees verband, mogelijk is financiering beschikbaar te stellen teneinde de continuïteit van deze monitoringssystemen te waarborgen en ontmanteling ervan te voorkomen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het feit dat na 2028 nog geen financiering beschikbaar is voor de boeien van het NIOZ, en dat ook in Canada en het Verenigd Koninkrijk onderzoekers naarstig zoeken naar middelen om hun eigen meetnetwerken overeind te houden? Wat doet u om de continuïteit van de Nederlandse bijdrage aan dit mondiale meetnetwerk na 2028 veilig te stellen?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden en binnen de geldende termijn?
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
In de vragen wordt verwezen naar verschillende (vormen van) organisaties die de regering op enigerlei wijze van advies (kunnen) voorzien. Ten behoeve van de beantwoording wordt onderscheid gemaakte tussen deze organisatievormen.
De regering wordt onder meer geadviseerd door onafhankelijke adviescolleges. Op grond van artikel 79 van de Grondwet en de Kaderwet adviescolleges worden vaste adviesorganen van het Rijk die adviseren over wetgeving en beleid, bij wet ingesteld. Adviescolleges kunnen op verzoek van regering of parlement, of ongevraagd, adviseren over beleid en wetgeving op het terrein waarop zij zijn ingesteld. De in de vraagstelling genoemde Wetenschappelijke Klimaatraad en de Nederlandse Sportraad zijn adviescolleges in de zin van de Kaderwet. De adviescolleges onder de Kaderwet die in 2025 actief waren, zijn opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025.1 Een actueel overzicht van de adviescolleges onder de Kaderwet wordt bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.2
Naast adviescolleges in de zin van de Kaderwet adviescolleges, bestaan er ook onafhankelijke externe commissies. Niet alle externe commissies zijn adviescommissies. Voor zover deze commissies (ook) een adviestaak hebben, adviseren zij de regering onafhankelijk over de uitvoering van bestaand beleid. De lijst van externe commissies wordt zo goed als mogelijk bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.3 Voor de instelling van externe commissies hanteert het kabinet de Leidraad instellen externe commissies.4
Voor de meeste adviescolleges en -commissies worden begrote uitgaven niet apart op de departementale begroting vermeld. Om tegemoet te komen aan het informatieverzoek uit vragen 1 en 2, zal het kabinet eenmalig een overzicht opstellen met de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving. Dit zijn de adviescolleges onder de Kaderwet adviescolleges en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.5 Er is enige tijd nodig om deze informatie bij de departementen te verzamelen en op een inzichtelijke wijze te kunnen presenteren. Ik zal dit overzicht voor het einde van het derde kwartaal aan de Kamer doen toekomen.
Het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (Cft), ook genoemd in vraag 1, valt niet onder de reikwijdte van de Kaderwet adviescolleges. De taken, inrichting en werkwijze van het Cft zijn onder meer vastgelegd in de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten. Het Cft toetst aan de normen zoals opgenomen in de Rijkswet financieel toezicht en adviseert hierover gevraagd en ongevraagd aan de Rijksministerraad. De uitgaven aan het Cft komen ten laste van Hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties, artikel 6 (Apparaat) en zijn in de onderstaande tabel weergegeven. De in de tabel opgenomen uitgaven hebben betrekking op de volledige organisatie die de werkzaamheden verricht ten behoeve van het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, het College financieel toezicht BES (Cft BES) en het College Aruba financieel toezicht (CAft). De colleges financieel toezicht hebben als toezichthouder tot doel om met de besturen van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba duurzame overheidsfinanciën te realiseren. Het Cft BES voert zijn taken uit op basis van Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; het CAft doet dit op grond van de Landsverordening Aruba financieel toezicht.
6.063
4.519
4.308
4.735
4.624
4.612
In vragen 1 en 2 wordt daarnaast verwezen naar «non-gouvernementele organisaties». Departementen kunnen aan organisaties die geen onderdeel uitmaken van de Rijksoverheid subsidies verstrekken met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager. De Kamers worden structureel geïnformeerd over welke subsidies door de departementen verstrekt worden. Op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften6 worden in alle begrotingen per begrotingsartikel in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» de subsidies opgenomen, met een ondergrens van € 1 miljoen.7 In bijlage 3 bij elke begroting, het subsidieoverzicht, wordt een overzicht van alle subsidies voor het betreffende departement opgenomen, zonder budgettaire ondergrens. Hierbij wordt ook het subsidiebedrag tot twee jaar voor en vier jaar na het betreffende begrotingsjaar vermeld. Tevens dient voor elke subsidie het betreffende begrotingsartikel, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie te worden opgenomen. In de vraag wordt specifiek aandacht gevraagd voor het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Ook deze subsidies worden vermeld in de betreffende begrotingen, zoals hierboven beschreven. Daarnaast heeft de Minister van VWS, in antwoord op vragen van leden van uw Kamer, recent aanvullende informatie verstrekt over de subsidies aan het Voedingscentrum.8
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Zie antwoord vraag 1.
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Het is niet mogelijk om specifiek aan te geven of er op enig moment in het afgelopen jaar, op een ministerie, een beleidsvoorstel is aangepast vanwege «informele invloed» van een orgaan dat onder de brede definitie uit de vraagstelling valt. In algemene zin kan ik zeggen dat het kabinet hecht aan een transparant openbaar bestuur. Het kabinet heeft die inzet onder meer beschreven in de beleidsbrief Binnenlandse Zaken.9 Van «formele invloed» van non-gouvernementele organisaties is uiteraard geen sprake.
Hoogwaardige en onafhankelijke advisering van adviescolleges komt de beleidsvorming ten goede en levert een bijdrage aan de kwaliteit en het functioneren van het openbaar bestuur. Het rapport «Deskundige Overheid» van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wijst erop dat een deskundige overheid in staat moet zijn om relevante kennis en kunde binnen het brede kennisecosysteem rond de overheid op een goede manier te betrekken bij de beleidsvorming. Adviezen van adviescolleges, net als andere adviezen die het kabinet ontvangt, kunnen daarmee uiteraard invloed hebben op het beleid. Daar gaat echter altijd een politieke weging aan vooraf. Adviezen zijn, naar hun aard, namelijk niet bindend. De formele kaders van het adviesstelsel zijn erop gericht om transparantie over ontvangen adviezen te bevorderen en het primaat van de politiek te borgen. Artikel 80, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat adviezen van adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving openbaar gemaakt dienen te worden. De Kaderwet adviescolleges verplicht de verantwoordelijk bewindspersoon om binnen drie maanden na ontvangst van een dergelijk advies diens standpunt kenbaar te maken aan de Eerste en Tweede Kamer. Ook de Kamers vragen het kabinet geregeld om te reageren op adviezen van adviescolleges, bijvoorbeeld als de Kamer zelf om het betreffende advies verzocht heeft. Met dit alles wordt richting de Kamers en de samenleving inzichtelijk gemaakt welke adviezen de regering gehad heeft van adviescolleges en hoe de regering met deze adviezen is omgegaan. Het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer. Het is goed te markeren dat het kabinetsbeleid is om geen «adviesverplichtingen» in te voeren, waarbij de regering verplicht is om advies te vragen alvorens zij beleid of wetgeving maakt. Dit is verankerd in de Aanwijzingen voor de regelgeving.10 Voor de instelling van externe commissies, buiten de Kaderwet adviescolleges, geldt de Leidraad instellen externe commissies. Hierbij worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder de Kaderwet. Ook daar geldt dat bewindspersonen de Kamers informeren over adviezen van onafhankelijke externe commissies en de reactie van het kabinet op deze adviezen.
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Leden van adviescolleges worden conform de Kaderwet adviescolleges benoemd op grond van deskundigheid en ervaring op het beleidsterrein waarop het adviescollege is ingesteld. Adviescolleges opereren onafhankelijk. Ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een onder het ministerie ressorterende instelling zijn daarom bij wet uitgesloten van het lidmaatschap van een adviescollege dat adviseert op het beleidsterrein waarop de ambtenaar werkzaam is. Ook legt de secretaris van het adviescollege over diens werkzaamheden slechts verantwoording af aan het college. Voor externe adviescommissies worden, conform de Leidraad instellen externe commissies, dezelfde uitgangspunten gehanteerd. Er is daarnaast wet- en regelgeving omtrent de vergoedingen van leden van adviescolleges- en commissies en de openbaarmaking daarvan. Het kabinet hecht er daarnaast aan dat adviescolleges transparant zijn over nevenfuncties van raadsleden.11
Over non-gouvernementele organisaties kan ik in algemene zin zeggen dat de Kamer via de begrotingen structureel geïnformeerd wordt over welke subsidies worden verstrekt en welke wet- en regelgeving hierop van toepassing is.
Voor subsidies dient in het subsidieoverzicht bij elk begrotingshoofdstuk vermeld te worden ten laste van welk begrotingsartikel een subsidie komt, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie. Langs die weg wordt inzichtelijk gemaakt welke voorwaarden er aan subsidies gesteld worden.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Zie mijn antwoord op vragen 1 en 2. Adviescolleges kunnen zich, op grond van artikel 19 van de Kaderwet adviescolleges, laten bijstaan door andere personen voor zover dat voor de invulling van hun wettelijke adviestaak noodzakelijk is. Het is passend dat adviescolleges hierin onafhankelijk opereren. Conform de Leidraad instellen externe commissies geldt hetzelfde uitgangspunt voor externe (advies)commissies.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Het kabinet houdt niet bij hoeveel uren ambtenaren besteden aan dergelijke werkzaamheden. Het is een regulier en integraal onderdeel van het werk van een beleidsdepartement om contact te hebben met partijen die de regering gevraagd of ongevraagd van kennis en advies voorzien, om reacties op deze adviezen voor te bereiden en vervolgens de bewindspersoon te ondersteunen bij het afleggen van verantwoording aan het de Staten-Generaal.
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft hier in het commissiedebat Leefstijlpreventie op 23 april jl. en in het navolgende Tweeminutendebat op 18 juni jl. uitgebreid met leden van uw Kamer over gesproken. Het Voedingscentrum voorziet in de onafhankelijke voorlichting over voedsel en voeding. De Schijf van Vijf die hiervoor de basis vormt, is een vertaling van de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor regering en parlement. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van de Ministeries van VWS en LVVN. Zowel de Gezondheidsraad als het Voedingscentrum zijn onafhankelijk werkende organisaties die zich baseren op de wetenschap. De onderbouwing van zowel de Richtlijnen van de Gezondheidsraad en de totstandkoming van de Schijf van Vijf zijn online beschikbaar en daarmee transparant. Het kabinet hecht waarde aan de onafhankelijke rol en taken van het Voedingscentrum en waakt ervoor dat ministeries hierop inhoudelijk invloed uitoefenen. Het kabinet vindt dat het Voedingscentrum naar haar rol heeft gehandeld en ziet daarom geen aanleiding voor verbetermaatregelen.
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Het kabinet vindt het in algemene zin wenselijk dat adviescolleges, vanuit hun onafhankelijke deskundigheid, de adviestaak vervullen die de wetgever hun heeft opgedragen. Het staat adviescolleges, zoals de Wetenschappelijke Klimaatraad, daarmee vrij om beleidsmaatregelen voor te stellen ter uitvoering van hun wettelijke adviestaak. Adviezen zijn, naar hun aard, niet bindend. Zoals beschreven bij antwoord 3, is er een duidelijke en transparante rolverdeling tussen adviescolleges en regering. Adviescolleges adviseren; het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer.
De dood van Henry Nowak als gevolg van etnisch gemotiveerd geweld en institutioneel falen van de Britse politie. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de moord op de 18-jarige Britse student Henry Nowak, die op 3 december 2025 in Southampton vijf keer werd neergestoken met een ceremonieel zwaard en stervend werd geboeid door de politie op basis van de gefabriceerde verklaring van zijn moordenaar?
Ik ben via mediaberichten op de hoogte van de berichtgeving over de dood van de heer Henry Nowak in Southampton.
Hoe oordeelt u over de omstandigheden van de dood van Henry Nowak, waarbij de politie de aanvaller geloofde boven het slachtoffer, mede omdat de aanvaller het slachtoffer beschuldigde van racistische uitlatingen?
Dit betreft een aangelegenheid van de Britse autoriteiten. Het is aan hen om de feiten vast te stellen, de toedracht te onderzoeken en indien nodig maatregelen te treffen.
Heeft u naar aanleiding van de dood van Henry Nowak uw zorgen geuit over het institutionele falen van de Britse politie bij uw Britse ambtsgenoot en kunt u dit antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Indien het antwoord op vraag drie ontkennend luidt, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een stervend slachtoffer wordt geboeid en medische hulp wordt onthouden, terwijl de dader – die het slachtoffer vals beschuldigde van racistische uitlatingen – ongemoeid werd gelaten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het feit dat de Nederlandse media en de politiek nauwelijks aandacht hebben besteed aan de dood van Henry Nowak, terwijl vergelijkbare zaken met andere slachtoffers wel tot uitgebreide politieke en maatschappelijke reacties leidden?
De keuze voor berichtgeving is aan onafhankelijke media zelf. Het is niet aan het kabinet om dit te beoordelen.
Hoe verklaart u dit verschil in politieke, journalistieke en maatschappelijke aandacht?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe beoordeelt u het feit dat de laatste woorden van Henry Nowak – «I can't breathe» – identiek zijn aan die van George Floyd, maar geen vergelijkbare politieke of maatschappelijke reactie hebben opgeroepen in Nederland?
Het kabinet doet geen uitspraken over de mate van maatschappelijke of politieke aandacht.
Deelt u de opvatting dat consequent anti-racismebeleid betekent dat geweld en institutioneel falen worden veroordeeld ongeacht de achtergrond van het slachtoffer?
Ja. Gelijke behandeling en nondiscriminatie zijn kernwaarden van de Nederlandse rechtsstaat.
Kunt u het antwoord op vraag negen toelichten?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid publiekelijk aandacht te vragen voor de zaak-Nowak en uw medeleven te betuigen aan de familie, zoals ook is gedaan bij vergelijkbare zaken?
Het overlijden van Henry Nowak is een tragische gebeurtenis en mijn medeleven gaat uit naar zijn familie en naasten. Het kabinet is begrijpelijkerwijs terughoudend publiekelijk in te gaan op individuele strafzaken in andere landen.
Het UNRWA-terror-network |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek van UN-Watch inzake de verwevenheid van UNRWA met terroristische organisaties?1
Ja.
Is het u bekend dat in de VS een verdergaand onderzoek gaande is gericht op ca. 1.500 UNRWA medewerkers en dat wordt onderzocht/overwogen om UNRWA aan te wijzen als terroristische organisatie?2
Ja. Op het moment van schrijven is het onderzoek van de VS nog gaande en is er nog geen rapport gepubliceerd. Volgens UNRWA is vooralsnog geen informatie gedeeld over de aantijgingen jegens de UNRWA-medewerkers. UNRWA heeft daartoe wel verschillende verzoeken gedaan, zodat waar nodig reactie kan worden gegeven en/of actie ondernomen kan worden.
Deelt u de mening dat deze informatie over verwevenheid van een VN-organisatie (waar Nederland veel geld in steekt) met terroristen buitengewoon verontrustend is?
Het kabinet wil onder geen enkel beding dat publieke middelen aangewend worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen zoals Hamas. Berichtgevingen over potentiële banden van UNRWA met Hamas en mogelijke betrokkenheid van enkele individuele UNRWA-medewerkers bij de aanslagen van 7 oktober worden derhalve steeds serieus bekeken. Eerdere internationale, onafhankelijke onderzoeken tonen aan dat er tot op heden onvoldoende bewijs is geleverd ten aanzien van banden tussen UNRWA en Hamas en uit het onafhankelijk onderzoek van OIOS naar mogelijke betrokkenheid van individuele UNRWA medewerkers bleek eveneens dat er onvoldoende bewijs was en het beschikbare bewijs niet kon worden geverifieerd. UNRWA heeft robuuste systemen ontwikkeld om eventuele misstanden te signaleren en gepaste actie te ondernemen, zoals de organisatie in het verleden ook heeft laten zien. Verder heeft UNRWA aangegeven alle aanbevelingen op te volgen uit het Colonna-rapport over de neutraliteit van de organisatie. Tot dusverre heeft UNRWA meer dan de helft van deze aanbevelingen geïmplementeerd en wordt voortgang geboekt op de overige aanbevelingen. Nederland blijft het door de Algemene Vergadering van de VN verleende mandaat van UNRWA daarom steunen. De organisatie biedt belangrijke basisdiensten zoals gezondheidszorg en onderwijs aan Palestijnse vluchtelingen in de regio, inclusief Libanon, Jordanië en Syrië. Door het leveren van dergelijke diensten en het ondersteunen van basisbehoeften van de bevolking helpt UNRWA enig mate van stabiliteit te bieden in een onrustige regio.
Blijft u nog steeds op uw handen zitten of gaat u actie ondernemen? Zo ja, wat gaat u doen?
Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 30 maart jl.3 benadrukt het kabinet de strikte voorwaarde dat publieke middelen onder geen enkel beding aangewend mogen worden voor directe of indirecte ondersteuning van terroristische groeperingen. Indien hier sprake van zou zijn dan wordt steun heroverwogen. Het kabinet neemt de risico's op onbedoelde financiering altijd serieus en Nederland zal, samen met andere donoren, scherp blijven toezien op de integriteit van de hulpverlening, ook in de toekomst.
De positie van christenen in India |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Harde maatregelen tegen christenen in India: water en werk geweigerd»?1
Het kabinet heeft kennisgenomen van de berichtgeving over de situatie van christelijke gemeenschappen in het district Kanker in de Indiase deelstaat Chhattisgarh, maar kan deze berichten in dit specifieke district niet verifiëren. Dat laat vanzelfsprekend onverlet dat het kabinet berichten over het mogelijk ontzeggen van toegang tot water, banen en andere bestaansmiddelen aan christelijke families zorgwekkend acht.
In algemene zin geldt dat de oorzaken van geweld tegen religieuze minderheden in India zich niet altijd eenduidig vast laten stellen. Er zijn grote verschillen in de dynamiek op nationaal niveau en op niveau van de verschillende deelstaten. Voorts is niet steeds mogelijk om helder te differentiëren of er sprake is van conflict van religieuze of etnische aard, gerelateerd aan sociale klasse, aan economisch conflict (bijvoorbeeld conflict over land of grondstoffen), of aan een combinatie van dergelijke factoren. Dit geldt zeker voor een deelstaat als Chhattisgarh die reeds decennialang geteisterd wordt door conflict.
Beschikt u over eigen informatie over de in het artikel beschreven situatie? Klopt het dat christelijke gemeenschappen via boycotmaatregelen onder druk worden gezet om hun geloof af te zweren?
Meldingen van sociale uitsluiting, discriminatie of druk in verband met religieuze identiteit zijn zorgelijk. De beschreven situatie zou passen binnen bredere spanningen rond religieuze bekeringen en de positie van religieuze minderheden waarover regelmatig gerapporteerd wordt door religieuze organisaties en mensenrechtenorganisaties. De Nederlandse ambassade in New Delhi volgt deze situatie nauwgezet. Zoals hierboven evenwel uiteengezet beschikt het kabinet momenteel niet over onafhankelijk geverifieerde informatie over de in het artikel beschreven situatie.
Bent u bereid om deze situatie, zowel bilateraal als in EU-verband onder de aandacht te brengen van de Indiase autoriteiten en daarbij aan te dringen op bescherming van de getroffen christelijke gemeenschappen en op toegang tot de waterbronnen, banen binnen het overheidsprogramma en de producten uit het bos? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, zowel bilateraal als samen met EU-partners, in om zorgen over de positie van religieuze minderheden, waaronder christelijke gemeenschappen, bij de Indiase autoriteiten aan de orde te stellen. In EU-verband gebeurt dit onder meer via de jaarlijkse EU-mensenrechtendialoog met India en andere relevante politieke contacten, waar aandacht wordt gevraagd voor bescherming van kwetsbare groepen en hun toegang tot basisvoorzieningen en bestaansmiddelen.
Deze inzet vindt plaats binnen het bredere Nederlandse mensenrechtenbeleid. Een van de prioriteiten van het kabinet in het mensenrechtenbeleid is vrijheid van religie en geloofsovertuiging. Nederland maakt gebruik van bilaterale en multilaterale kanalen om zorgen over vrijheid van religie en levensovertuiging over te brengen, in lijn met de inzet zoals uiteengezet in de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart 2026.
Hoe taxeert u de antibekeringswet die is aangenomen door de Indiase deelstaat Chhattisgarh?2 Is deze wet inderdaad in strijd met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging? Op welke wijze heeft u deze kwestie aangekaart, zowel in bilateraal als in EU-verband?
Antibekeringswetgeving bestaat in verschillende Indiase deelstaten en is gericht op het voorkomen van bekeringen die volgens de wetgever tot stand komen door dwang, fraude of misleiding. De nieuwe wet in Chhattisgarh bevat onder meer bepalingen die personen die van religie willen veranderen verplichten dit vooraf te melden bij de autoriteiten. Daarnaast voorziet de wet in zware straffen voor bekeringen die volgens de wet door verboden middelen tot stand zijn gekomen.
De gevolgen van dergelijke wetgeving voor de vrijheid van religie en levensovertuiging baren het kabinet zorgen. Zowel artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) als artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) erkennen het recht om van religie of overtuiging te veranderen als onderdeel van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Wetgeving die religieuze bekeringen onderwerpt aan voorafgaande meldings- of toestemmingsvereisten staat daarmee op gespannen voet met deze internationale mensenrechtenstandaarden. Zie overigens het antwoord op vraag 3.
Kunt u in bredere context de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India schetsen? Deelt u de zorgen over onderdrukking van deze minderheden in India?
Naast christenen worden ook andere groepen zoals moslims in toenemende mate geconfronteerd met discriminatie, geweld en beperkende maatregelen. Dit past in een breder patroon van druk op religieuze minderheden in meerdere Indiase deelstaten. Het kabinet deelt de zorgen van de Kamer. De Nederlandse inzet is ingebed in een breed mensenrechtenkader dat zich richt op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen, ongeacht geloofsovertuiging. In de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder van 25 maart 2026 heeft het kabinet bevestigd dat bescherming van religieuze minderheden, waaronder christenen, een prioriteit is.
Wordt de situatie van christenen en andere religieuze minderheden in India expliciet betrokken bij de Nederlandse inzet ten aanzien van de betrekkingen met India? Zo ja, op welke wijze?
De situatie van religieuze minderheden maakt onderdeel uit van de bredere Nederlandse inzet op mensenrechten in India. Nederland volgt de situatie van religieuze minderheden in India nauwgezet, zowel bilateraal als in EU- en VN-verband. De Nederlandse ambassade in New Delhi onderhoudt contacten met maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers om zicht te houden op ontwikkelingen rondom vrijheid van religie en levensovertuiging. Ook spreekt de ambassade, samen met andere EU-lidstaten, regelmatig met vertegenwoordigers van religieuze minderheden over de situatie ter plaatse. Daarnaast wordt de positie van religieuze minderheden, inclusief die van christenen, geadresseerd in de EU-India mensenrechtendialoog.
Is christenvervolging als gespreksonderwerp aan bod gekomen tijdens het recente bezoek van Minister-President Modi aan Nederland, conform motie-Bikker/Stoffer (Kamerstuk 36 800, nr. 56)? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet handelt conform de motie-Bikker/Stoffer en betrekt vrijheid van religie en levensovertuiging structureel bij contacten met landen waar dit aan de orde is. Over de specifieke inhoud van diplomatieke gesprekken met Minister-President Modi doet het kabinet in het openbaar geen mededelingen. Mensenrechten vormen een vast onderdeel van de Nederlandse inzet in contacten met India. De inzet op dit thema is in lijn met de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Ceder.
Welke concrete stappen zet Nederland momenteel in EU- en VN-verband ter bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India? Bent u bereid tot extra inzet? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, samen met EU-partners, in voor de bevordering van de vrijheid van religie en levensovertuiging in India. Onder meer middels de EU-mensenrechtendialoog met India en in relevante bilaterale contacten.
Daarnaast wordt via de Nederlandse ambassade in New Delhi en de EU-delegatie nauw contact onderhouden met mensenrechtenverdedigers, maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van religieuze en andere kwetsbare gemeenschappen in India, om ontwikkelingen te volgen.
Deze inzet vindt plaats binnen het bredere Nederlandse mensenrechtenbeleid, waarin vrijheid van religie en levensovertuiging een prioriteit is. Nederland is actief lid van de International Freedom of Religion or Belief Alliance en zet zich daarbinnen in voor de bescherming van religieuze minderheden wereldwijd. In VN-verband steunt Nederland resoluties die vrijheid van religie bevorderen en spreekt het landen aan op schendingen. De diplomatieke inzet wordt ondersteund door programmatische instrumenten, waaronder het Mensenrechtenfonds en het FOCUS-programma (2026–2031, EUR 35 miljoen), actief in landen waar religieuze gemeenschappen aantoonbaar onder druk staan. De inzet richt zich naast concrete schendingen ook op onderliggende oorzaken zoals conflict, sociaaleconomische ongelijkheid en zwak bestuur, met als doel duurzame verbetering van de positie van religieuze minderheden.
Het bericht ‘Opnieuw bloedbad in Congo: tientallen christenen vermoord’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Opnieuw bloedbad in Congo: tientallen christenen vermoord»?1
Het kabinet veroordeelt dergelijke gewelddadige aanvallen in Oost-Congo ten zeerste en deelt de zorgen over het grote aantal slachtoffers dat hierbij valt, waaronder veel christenen.
Hoe taxeert u momenteel de conflictsituatie in Oost-Congo? Wat is de inzet van Nederland, zowel bilateraal als in EU-verband, voor duurzame vrede in de regio? Welke stappen worden de komende tijd gezet?
De veiligheidssituatie in Oost-Congo blijft uitermate zorgwekkend. In de regio zijn verschillende gewapende groeperingen actief, waaronder de Allied Democratic Forces (ADF). Er is in het gebied sprake van ernstige mensenrechtenschendingen, ontheemding en een fragiele humanitaire situatie.
De internationale gemeenschap spant zich middels lopende vredesprocessen in om tot een politieke oplossing van het conflict te komen. Ook draagt Nederland via de EU en de Internationale Contactgroep voor de Grote Meren bij aan het uitoefenen van diplomatieke druk op de strijdende partijen, om gemaakte afspraken in de vredesprocessen na te komen. Ook de EU Speciaal Vertegenwoordiger voor de Grote Meren draagt deze boodschap uit in de gesprekken die hij voert met de verschillende partijen. Onlangs bracht de Speciaal Vertegenwoordiger een bezoek aan Den Haag om te spreken over de ontwikkelingen in de regio en de Europese inzet. Ook verkent de EU mogelijkheden om het vredesproces onder leiding van de Afrikaanse Unie te ondersteunen. Tot slot blijft Nederland zich samen met de EU uitspreken tegen mensenrechtenschendingen en schendingen van internationaal recht.
Heeft u aanwijzingen dat burgers gericht werden aangevallen vanwege het feit dat ze christen zijn? Zo ja, wat betekent dit voor de inzet van het kabinet?
Ja. Op basis van recente rapportages, onder meer van de VN en van maatschappelijke organisaties, zijn er aanwijzingen dat gewapende groeperingen in Oost-Congo christelijke gemeenschappen selectief aanvallen. Onafhankelijke verificatie is echter vaak moeilijk vanwege de complexe veiligheidssituatie.
Religieus gemotiveerd geweld en discriminatie op grond van religie of levensovertuiging zijn voor het kabinet onacceptabel. In de bilaterale contacten met de DRC benadrukt Nederland daarom stelselmatig het belang van bescherming van burgers, en het respecteren van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.
Daarnaast zet Nederland zich in voor het tegengaan van straffeloosheid door te pleiten voor onderzoek naar en vervolging van daders van religieus gemotiveerd geweld, onder meer via VN-mechanismen en, waar van toepassing, nationale of internationale gerechtelijke instanties.
Welke mogelijkheden komen uit het onderzoek om de Allied Democratic Forces (ADF) op de Europese terrorisme-sanctielijst te plaatsen?2
Nederland heeft de ADF, ook wel IS Centraal-Afrikaanse Provincie genoemd, voorgedragen voor plaatsing op de EU IS/Al-Qaida sanctielijst. Deze listing is op 24 november 2025 aangenomen door de Raad van de Europese Unie. Mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken heeft de Minister van Justitie uw Kamer hier eerder per brief van 19 maart 20263 over geïnformeerd.
Wat is de inzet van het kabinet, juist gezien de ebola-uitbraak in de regio, om bij te dragen aan zo goed mogelijke toegang tot medische zorg?
Het kabinet volgt de situatie nauwgezet en maakt zich zorgen over de ontwikkelingen rondom ebola. Het kabinet draagt 3 miljoen euro bij ter ondersteuning van de door de WHO gecoördineerde ebolarespons in de Democratische Republiek Congo (DRC), Oeganda en de regio. De WHO werkt hierin samen met het Afrikaanse centrum voor ziektebestrijding en -preventie (CDC) en nationale overheden en versterkt onderzoek, kennisuitwisseling en laboratoriumcapaciteit.
Bij de bepaling van de omvang van deze bijdrage houdt het kabinet rekening met het feit dat Nederland via bestaande programma’s en flexibele financiering al een forse bijdrage levert aan de huidige hulpverlening. Het gaat hierbij om kernbijdragen aan VN-organisaties zoals de WHO, UNICEF, UNOCHA, maar ook aan de Global Alliance for Vaccines and Immunizations (GAVI) en het Global Fund ter bestrijding van aids, malaria en tuberculose (GFATM). Met deze flexibele bijdragen kunnen partners direct reageren op de meest acute noden.
Ook hebben onder meer het VN-noodhulpfonds Central Emergency Response Fund (CERF) en de Internationale Federatie van Rode Kruis- en Rode Halve Maanverenigingen, waaraan Nederland financieel bijdraagt, respectievelijk 10 miljoen euro en meer dan EUR 2,5 miljoen toegewezen voor de respons op de ebola-uitbraak.
Daarnaast stelt Nederland via RVO een waterexpert en mentale gezondheidsexpert beschikbaar, die naar Democratische Republiek Congo (DRC) afreizen om UNICEF en WHO te ondersteunen.
Voor meer informatie over de ebola-uitbraak en de inspanningen van het kabinet verwijs ik naar de Kamerbrief over de actuele situatie rondom de recente ebola-uitbraak in de DRC en Oeganda4, d.d. 12 juni 2026.
Het bericht 'Emiraten blijken Colombiaanse huurlingen naar oorlog in Soedan te sturen' |
|
Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) betrokken zouden zijn bij het rekruteren, trainen en doorsturen van Colombiaanse huurlingen naar de Rapid Support Forces (RSF) in Soedan?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het rapport «From Bogotá to El Fasher»2 van Human Rights Watch, waarin wordt gesteld dat Colombiaanse huurlingen zijn getraind op militaire locaties in de VAE voordat zij naar Soedan werden uitgezonden?
Het kabinet heeft kennis genomen van het rapport «From Bogotá to El Fasher» van Human Rights Watch. De bevindingen in het rapport zijn zorgelijk. Een reactie op het rapport vindt u in de aanbiedingsbrief van deze beantwoording.
Deelt u de opvatting dat iedere vorm van militaire, logistieke of financiële steun aan de RSF volstrekt onacceptabel is, gezien de ernstige beschuldigingen van oorlogsmisdrijven, genocidaal geweld en grootschalige wreedheden tegen burgers in Darfur en elders in Soedan?
Het conflict in Soedan gaat gepaard met veelvuldig en ernstig geweld tegen burgers, waarbij het grootschalige, etnische en seksuele geweld in de nasleep van de val van El Fasher als een dieptepunt wordt gezien. Militaire, logistieke en/of financiële steun aan betrokken partijen draagt bij aan het voortduren van dit geweld. Er geldt bovendien een VN wapenembargo voor Darfoer. In diverse verklaringen hebben de EU en Nederland dan ook opgeroepen tot het stoppen van wapenstromen door externe partijen. Voorbeelden van de Nederlandse diplomatieke inzet vormen de ministeriële verklaring van de Soedan Kerngroep in de mensenrechtenraad van 26 februari jl. en de EU-verklaring van 21 april jl. Ook heeft het kabinet meermaals gepleit voor het uitbreiden van het VN-wapenembargo op Darfoer naar heel Soedan in EU-verband en in andere internationale overleggen, waaronder binnen de Coalition for Atrocity Prevention and Justice in Sudan.
Bent u bereid de VAE bilateraal in de strengst mogelijke termen aan te spreken op deze berichtgeving en volledige opheldering te eisen over mogelijke betrokkenheid van Emiratische autoriteiten en bedrijven, zoals de Global Security Services Group (GSSG), bij het trainen, financieren of doorsturen van huurlingen naar Soedan?
Nederland spreekt met alle relevante landen in de regio, waaronder ook de VAE, over Soedan, waarbij wij zorgen uiten over de humanitaire- en mensenrechtensituatie en het belang bepleiten van het beëindigen van het conflict en het stoppen van wapenleveranties aan de strijdende partijen.
Heeft GSSG, voor zover bij u bekend, het VN-wapenembargo voor Darfur geschonden door Colombiaanse huurlingen te trainen en in te zetten voor de Rapid Support Forces in Soedan?
Het VN-wapenembargo verplicht alle staten om de nodige maatregelen te nemen om te voorkomen dat wapens en aanverwant materieel van welke aard dan ook alsmede technische training en bijstand, worden geleverd aan actoren die actief zijn in Darfoer. De verplichting voor de handhaving van het embargo is daarmee gericht aan staten, niet aan bedrijven of individuen. Als de VN veiligheidsraad vaststelt dat individuen of entiteiten de stabiliteit in Darfoer bedreigen kan de veiligheidsraad overgaan tot sancties.
Bent u bereid in Verenigde Naties (VN)- en Europese Unie (EU)-verband te pleiten voor sancties tegen GSSG en directeur Mohamed Hamdan al-Zaabi, nu blijkt dat zij betrokken waren bij steun aan de RSF of schending van het VN-wapenembargo voor Darfur?
Nederland pleit reeds in EU-verband voor aanvullende sancties tegen de oorlogseconomie en tegen individuen en eniteiten verantwoordelijk voor het conflict en mensenrechtenschendingen in Soedan. Wegens de vertrouwelijke aard van het sanctie-instrument, kan niet meer informatie gegeven worden over status van individuele sancties.
Bent u bereid in EU-verband te pleiten voor een onafhankelijk onderzoek naar de rol van externe actoren en bedrijven, waaronder de VAE en in de VAE gevestigde bedrijven, bij het in stand houden van de oorlog en mensenrechtenschendingen in Soedan?
Door diverse organisaties, waaronder de onafhankelijke internationale Fact Finding Mission, het Panel of Experts on the Sudan van de VN veiligheidsraad, het Internationaal Strafhof, en diverse NGO’s en mediaorganisaties wordt reeds onderzoek gedaan naar het conflict in Soedan, inclusief de rol van externe actoren en bedrijven daarbij. Nederland spant zich in om te zorgen dat er gedegen onderzoek naar het conflict in Soedan kan plaatsvinden. Het kabinet pleit bijvoorbeeld in de Soedan kerngroep in de Mensenrechtenraad in voor de verlenging van het mandaat van de Fact Finding Missie en Nederland doet een financiële bijdrage aan het landenkantoor van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten in Soedan.
Wat is, als lid van de Coalition for Atrocity Prevention and Justice voor Soedan, de Nederlandse inzet om wapenleveranties, huurlingenstromen en andere militaire steun aan strijdende partijen in Soedan via de Verenigde Arabische Emiraten te stoppen, en welke aanvullende stappen is het kabinet bereid te nemen om te voorkomen dat steun via de VAE de Rapid Support Forces bereikt?
Het kabinet deelt de zorgen omtrent het omleidingsrisico van militaire goederen naar Soedan. Alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen en dual-use goederen met militair eindgebruik per geval en zorgvuldig aan de Europese wapenexportcriteria en de criteria van het VN-Wapenhandelsverdrag. Daarbij is er specifiek aandacht voor het omleidingsrisico naar Soedan. Als er een duidelijk risico bestaat op ongewenst eindgebruik, zoals een bijdrage aan ernstige mensenrechtenschendingen of omleiding, wordt een vergunningaanvraag afgewezen. De inzet en activiteiten van de Coalition for Atrocity Prevention and Justice voor Soedan richten zich onder andere op de coördinatie van bewijsvergaring van mensenrechtenschendingen, gezamenlijke statements en sanctioneren van daders en actoren die het conflict in standhouden.
Bent u bekend met het feit dat op 7 mei 2026 twee vermoedelijk Oekraïense drones het Letse luchtruim hebben geschonden, waarvan één neerstortte op een brandstofdepot nabij de stad Rēzekne en een andere het Letse grondgebied raakte, hetgeen uiteindelijk leidde tot het aftreden van zowel de Letse Minister van Defensie als Minister-President Siliņa?1, 2
Ja.
Deelt u de opvatting dat het herhaaldelijk betreden van het luchtruim van NAVO-lidstaten door Oekraïense drones een ernstig veiligheidsprobleem vormt, ook voor Nederland als lid van de NAVO?
Schendingen van het NAVO-luchtruim zijn een ernstig veiligheidsprobleem. Bij dergelijke schendingen dient in aanmerking te worden genomen welke actor daarvoor verantwoordelijkheid draagt. Rusland voert een agressieoorlog uit tegen Oekraïne. Oekraïne heeft het recht op zelfverdediging en maakt daarbij gebruik van drones. Oekraïne stelt dat incursies in het NAVO-luchtruim door Oekraïense drones het gevolg zijn van Russische elektronische verstoring. Het kabinet heeft geen aanleiding om aan deze uitspraak te twijfelen. Rusland is in deze oorlog de agressor en kan de oorlog ieder moment beëindigen. Daarmee draagt Rusland verantwoordelijkheid voor het in gevaar brengen van de veiligheid in de Baltische staten. Dit onderstreept opnieuw dat de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne een directe bedreiging vormt voor de Europese veiligheid.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u de herhaalde schending van NAVO-luchtruim door Oekraïense drones niet als een ernstig veiligheidsprobleem beschouwt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u het met ons eens dat het ernaar uitziet dat het Letse luchtruim beschikbaar is gesteld voor Oekraïense aanvallen op Russisch grondgebied?
Nee. Het Letse Ministerie van Buitenlandse zaken heeft een verklaring gepubliceerd waarin deze aanname wordt ontkracht.
Kunt u toelichten hoe u het voorgaande beoordeelt in het licht van het Nederlandse lidmaatschap van de NAVO?
Nederland is solidair met NAVO-bondgenoot Letland.
Kunt u uiteenzetten welke juridische en militaire implicaties het heeft voor Nederland, indien blijkt dat wapensystemen of drones die Nederland heeft geleverd of gefinancierd, schade hebben veroorzaakt op het grondgebied van een NAVO-bondgenoot?
Er zijn geen juridische of militaire implicaties voor Nederland. Nederlandse staatsaansprakelijkheid ontstaat enkel wanneer een internationaal onrechtmatige daad kan worden toegerekend aan Nederland. Daarvan is hier geen sprake.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u meent dat Nederland in een dergelijk scenario geen juridische of militaire verantwoordelijkheid draagt?
Zie antwoord vraag 6.
Opnieuw een verdrijving van Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichten dat de Israëlische Minister van Financiën heeft aangekondigd de inwoners van een Palestijns dorp in het E1-gebied, Khan Al-Ammar, uit hun huis te zetten uit wraak voor een mogelijk arrestatiebevel van het Internationaal Strafhof?1
Ja.
Klopt het dat het E1-gebied de tweestatenoplossing onmogelijk maakt en altijd een rode lijn is geweest voor de Europese Unie (EU) en voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het standpunt van Nederland en de EU ten aanzien van het nederzettingenbeleid is bekend: dit is tegen internationaal recht. De plannen voor nederzettingen in E1-gebied bestaan al lange tijd en zijn omstreden omdat de bouw ervan de Westelijke Jordaanoever zou opsplitsen en een tweestatenoplossing ernstig zou bemoeilijken. Nederland heeft het besluit tot de ontwikkeling van Israëlische nederzettingen in E1-gebied, die bij implementatie neerkomen op verdere annexatie van delen van de Westelijke Jordaanoever, dan ook veroordeeld. Ook tekende Nederland op 22 mei jl. een door het Verenigd Koninkrijk geïnitieerde leidersverklaring waarin Israël wordt opgeroepen dit plan een halt toe te roepen en waarin bedrijven worden opgeroepen niet mee te dingen bij de aanbesteding voor de bouw van E1.
Veroordeelt u de aangekondigde verdrijving van Palestijnen uit Khan Al-Ammar? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet veroordeelt deze aangekondigde verdrijving.
Kunt u, net als de Duitse regering, de Israëlische regering waarschuwen dat er absoluut geen huisuitzettingen mogen plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?2
Nederland veroordeelt het Israëlische nederzettingenbeleid, waaronder huisuitzettingen, en acht de Israëlische bezetting van de Palestijnse Gebieden onrechtmatig. Dit draagt Nederland zowel voor- als achter de schermen consistent uit. Zie ook het antwoord op vraag 2. Nederland tekende op 22 mei jl. een door het Verenigd Koninkrijk geïnitieerde leidersverklaring, waaronder met Duitsland, waarmee hiertoe wordt opgeroepen.
Bent u bereid om openlijk te pleiten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei jl. heeft het kabinet onderstreept dat Israël van koers moet veranderen en dat de door de Commissie voorgestelde EU-maatregelen, waaronder de opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord, middelen tot dat doel zijn, en geen doel op zichzelf. Op dit moment ontbreekt het draagvlak onder EU-lidstaten voor de door de Commissie voorgestelde maatregelen. Het kabinet zal zich in lijn met relevante moties en toezeggingen aan het parlement blijven inzetten voor het vergroten van dit draagvlak, ook in bilaterale contacten met EU-lidstaten. In dat kader heeft het kabinet tijdens de Raad het belang benadrukt van een voortzetting van de discussie over het Commissievoorstel voor een gedeeltelijke opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord. Tot dusverre ontbreekt het aan het benodigde draagvlak voor bovengenoemde maatregelen.
Bent u bereid om in de EU initiatief te nemen voor een EU-breed verbod op de import van goederen uit de illegale nederzettingen, dan wel een algemeen verbod op economisch verkeer met de illegale nederzettingen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 15 juni jl. aangegeven, mede in het kader van de eigen verplichtingen onder internationaal recht, te werken aan nationale maatregelen tegen producten uit illegale nederzettingen in de door Israël bezette gebieden. Hierbij onderstreepte Nederland wederom dat EU-maatregelen effectiever zijn en daarom de voorkeur hebben. Nederland verzocht om een analyse van de naleving van het beleid met betrekking tot de export van goederen uit illegale nederzettingen uit de Bezette Gebieden. Tevens verzocht Nederland de Commissie om opties voor mogelijke maatregelen, waaronder maatregelen om de invoer van goederen uit illegale nederzettingen, te voorkomen. Dit verzoek van Nederland kreeg steun van een grote groep van lidstaten. HV Kallas heeft daarop toegezegd in aanloop naar de volgende Raad Buitenlandse Zaken van 13 juli de Commissie te vragen opties voor mogelijke maatregelen, waaronder maatregelen om de invoer van goederen uit illegale nederzettingen te voorkomen, en een beoordeling van de reikwijdte van kwesties die verband houden met de oorsprongsregels te presenteren.
Welke consequenties hebben de verdrijvingen voor de bilaterale relatie tussen Nederland en Israël?
Deze berichten passen in een bredere trend van ontwikkelingen in Israël en de Palestijnse Gebieden waar het kabinet zich zorgen over maakt. Het kabinet gebruikt combinatie van druk en dialoog om gedragsverandering bij Israël te bewerkstelligen. Door dialoog te behouden, kunnen kritische boodschappen worden overgebracht. Zie daarnaast de antwoorden op vragen 2, 5 en 6.
Bent u bereid om extra nationale maatregelen te nemen als in de EU de opschorting van het handelsdeel van het Associatieakkoord uitblijft? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich in voor het creëren van draagvlak voor een voortzetting van de discussie over het Commissievoorstel voor een gedeeltelijke opschorting van het handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord. Op dit moment ontbreekt dit draagvlak. Daarnaast pleit het kabinet voor handelspolitieke EU-maatregelen tegen de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden.
Op nationaal niveau richt het kabinet zich op een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van de nationale maatregelen tegen handel in goederen uit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden die het kabinet op 22 mei jl. aanhangig heeft doen maken voor spoedadvies bij de Raad van State. Het ontwerpbesluit met het voorstel voor nationale maatregelen ziet alleen toe op goederen; niet op diensten en investeringen. Voor nationale maatregelen tegen goederen is een duidelijke grondslag beschikbaar in het Unierecht, maar voor diensten en investeringen heeft het kabinet een dergelijke evidente grondslag (nog) niet gevonden. Een dergelijke grondslag is noodzakelijk in verband met de exclusieve bevoegdheid van de EU op het gebied van handelspolitiek. Om recht te doen aan de urgentie van de situatie en de oproep vanuit uw Kamer om de nationale maatregel zo spoedig mogelijk tot stand te laten komen, is niet verder gewacht bij het opstellen van de nationale maatregel jegens goederen. Het kabinet zal doorgaan met het onderzoeken van de verdere (juridische) mogelijkheden ten aanzien van diensten en investeringen.
Bent u bereid om op korte termijn de Kamer te informeren over de mogelijkheden voor de verbreding van het aangekondigde verbod op de import van goederen uit de illegale nederzettingen naar het een verbod op economisch verkeer van diensten en investeringen met de illegale nederzettingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
De eis van president Zelensky tot volledig EU-lidmaatschap van Oekraïne. |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de eis van president Zelensky dat Oekraïne volledig lidmaatschap van de Europese Unie (EU) wenst, inclusief stemrecht en vetorecht, en dat hij een tijdelijke tussenvorm, zoals voorgesteld door bondskanselier, Merz afwijst?
Ik heb kennisgenomen van publieke uitingen door president Zelensky waarin hij het belang van volwaardig EU-lidmaatschap van Oekraïne benadrukt.
Wat is uw oordeel over deze eis van president Zelensky?
Het kabinet ondersteunt Oekraïne op het onomkeerbare pad richting toekomstig EU-lidmaatschap, zonder daarbij afbreuk te doen aan de voorwaarden voor EU-toetreding. Het kabinet is voorstander van het vaart maken in het reguliere, op verdiensten gebaseerde, toetredingsproces. De Kamerbrief EU-uitbreiding, waarborgen en de Toekomst van Europa die uw Kamer 9 juni jl. ontving, bevat nadere informatie over de kabinetsinzet.1
Deelt u de opvatting dat volwaardig EU-lidmaatschap voor een land, dat zich in een actief gewapend conflict bevindt, onwenselijk is?
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u het verlenen van volledig lidmaatschap – inclusief stemrecht en vetorecht – aan een land in een gewapend conflict verantwoord acht?
Erkent u dat een land in een actief gewapend conflict met stemrecht en vetorecht in de Raad van de Europese Unie besluiten kan beïnvloeden, die direct raken aan het eigen conflict?
Acht u dit wenselijk voor de integriteit van de Europese besluitvorming?
Kunt u toelichten welke van de criteria van Kopenhagen Oekraïne op dit moment aantoonbaar vervult en welke nog niet?
De kabinetsappreciatie van het uitbreidingspakket 2025 van de Europese Commissie bevat een overzicht van de voortgang die Oekraïne heeft gemaakt met hervormingen, alsook de aandachtspunten.2 Zoals gebruikelijk, zal Uw Kamer ook dit jaar een appreciatie ontvangen van de Commissie mededeling over EU-uitbreiding, inclusief het landenrapport over Oekraïne.
Erkent u dat een volwaardig EU-lidmaatschap van Oekraïne vergaande budgettaire gevolgen heeft voor de Nederlandse afdracht aan de EU?
Bij EU-uitbreiding kan het Meerjarig Financieel Kader (MFK) tussentijds worden herzien. Er zal dan opnieuw gekeken worden naar de EU-begroting en de afdrachten van lidstaten daaraan. Het effect op de EU-begroting als gevolg van toetreding is van veel factoren afhankelijk. Dat geldt bijvoorbeeld voor het moment van toetreding, de mate van infasering en ingroeipaden in het MFK.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag bevestigend luidt, kunt u een raming geven van de verwachte meerkosten voor Nederland op korte en middellange termijn?
Zie het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de mogelijkheden en voorwaarden waaronder Nederland zijn EU-lidmaatschap kan herzien of beëindigen, mede in het licht van de voorgenomen uitbreiding met Oekraïne?
Voor terugtrekking uit de EU bestaat een procedure, opgenomen in artikel 50 van het EU-Verdrag.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u de Kamer deze informatie ontzegt?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe beoordeelt u het voorstel om Oekraïne volwaardig lidmaatschap te verlenen in ruil voor het omzetten van de Nederlandse associatiestatus naar een tijdelijke tussenvorm met behoud van handelsprivileges?
Er is geen sprake van bovengenoemd voorstel.
Het bericht 'Dubai trainde Colombiaanse huurlingen voor inzet in oorlog Afrika: vastgoed en goud voeden netwerk rond leger Soedan' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat, uit het rapport van Human Rights Watch, blijkt dat de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) Colombiaanse huurlingen heeft ingezet in de oorlog in Soedan?1
Het kabinet heeft kennis genomen van het rapport «From Bogotá to El Fasher» van Human Rights Watch. De bevindingen in het rapport zijn zorgelijk. Bevindingen van Human Rights Watch en andere gerenommeerde mensenrechtenorganisaties nemen wij serieus. Het is in algemene zin van belang om wapentoevoer en financiële stromen richting de strijdende partijen in te dammen, met als doel een eind te maken aan het geweld.
Was u op de hoogte van de trainingskampen en het economische netwerk in de Emiraten, zoals aangegeven in het rapport?
Het rapport van Human Rights Watch sluit aan bij eerdere rapporten over Colombiaanse huurlingen die actief waren in Soedan. Tegelijkertijd presenteert het rapport ook nieuwe bevindingen over de inhuur en inzet in Soedan.
Onderschrijft u, zoals in het rapport gesteld wordt, dat de VAE betrokken is en zelfs een actieve rol speelt in de oorlog in Soedan?
Het conflict in Soedan is buitengewoon complex en kent een veelheid van Soedanese, en niet-Soedanese betrokken actoren.
Bent u bereid om deze betrokkenheid openlijk te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spreekt binnen de brede bilaterale relatie met de VAE ook over de situatie in Soedan, zowel op politiek als hoogambtelijk niveau. In deze gesprekken wordt de bredere Nederlandse inzet ten aanzien van het conflict in Soedan uitgedragen. De VAE is een relevante speler met invloed om tot een einde aan het conflict en een vredesovereenkomst te komen. In bilaterale gesprekken worden zorgen uitgesproken over de humanitaire situatie in Soedan en de negatieve consequenties van het voortduren van de oorlog voor zowel Soedan, de regio als de EU. Ook zijn de zorgen over wapenleveranties van derde partijen aan de strijdende partijen in Soedan overgebracht. Het kabinet spreekt met een brede groep landen over het belang van het stoppen van de wapentoevoer naar Soedan. Het kabinet spant zich in om te zorgen dat deze gesprekken op alle mogelijke plekken en met relevante gesprekspartners op een effectieve manier worden gevoerd.
Bent u bereid druk te zetten op de VAE, middels het handelsakkoord met de Europese Unie (EU) bijvoorbeeld, om zich terug te trekken uit het conflict? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van de lopende onderhandelingen met de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) heeft Nederland de Commissie opgeroepen om de onderhandelingen met de VAE ook te gebruiken om andere zorgen te adresseren, zoals de rol van de VAE in de oorlog in Soedan, conform de motie Van Baarle c.s.2
Sluit u zich aan bij de oproep van Human Rights Watch om ervoor te zorgen dat er een eind komt aan militaire samenwerking en wapenexport vanuit de VAE naar de Rapid Support Forces (RSF)? Zo nee, hoe is dat in lijn met het internationaal recht?
Op de dag van de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. werd een EU-verklaring uitgebracht, waarin de EU de strijdende partijen opriep tot een staakt-het-vuren en externe actoren te stoppen met hun steun voor het conflict. Conform motie Dobbe c.s.3 blijft het kabinet zich verder inzetten voor maatregelen om wapenstromen richting strijdende partijen in Soedan te stoppen. Nederland heeft meermaals gepleit voor het uitbreiden van het VN-wapenembargo op Darfoer naar heel Soedan in EU-verband en in andere internationale overleggen, waaronder de Coalition for Atrocity Prevention and Justice in Sudan.
Waar ligt wat u betreft de rode lijn? Wanneer is de betrokkenheid van een bondgenoot in een conflict zo evident, dat de internationale gemeenschap zich hierover moet uitspreken?
De EU heeft zich reeds uitgesproken over de betrokkenheid van externe partijen bij het conflict in Soedan, via onder andere de bovengenoemde EU-verklaring van 21 april jl. Nederland heeft ten aanzien van Soedan een aanjagende rol binnen de EU en zal zich in die rol blijven inspannen voor actief EU-engagement richting de strijdende partijen en de externe actoren die betrokken zijn bij het conflict.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken van 4 juni?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De interne controverse binnen de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) betreffende het onderzoek naar de vermeende chemische aanval in Douma, Syrië. |
|
Ralf Dekker (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de interne controverse binnen de OPCW over de rapportage van het onderzoek naar de vermeende chemische aanval in Douma, Syrië in 2018, waarbij inspecteur Ian Henderson een afwijkend rapport indiende over de ballistische analyse van de aangetroffen chloorgas-canisters?
Er is geen sprake van een dergelijke interne controverse. De Fact-Finding Mission in Syria (FFM) van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) heeft onderzoek uitgevoerd naar de aanval met chemische wapens in Douma op 7 april 2018. Op 6 juli 2018 heeft de OPCW een interim-rapport over het Douma-incident gepubliceerd, gevolgd door het definitieve rapport van de FFM op 1 maart 2019, waarin staat vermeld dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat een giftige chemische stof als wapen is gebruikt. De FFM heeft het onderzoek naar de gebeurtenissen in Douma in 2018 transparant en onafhankelijk uitgevoerd. Gedurende het onderzoek is alle informatie meegenomen om tot een afgewogen oordeel te komen. Er heeft in volledige openheid een uitwisseling van meningen plaatsgevonden. Dit geldt ook voor de wijze waarop het definitieve Douma-rapport na publicatie binnen de OPCW is besproken.
Bent u bekend met de uitkomst van de rechtszaak van dr. Brendan Whelan, waarbij de OPCW voor het eerst heeft erkend dat bevindingen uit het onderzoek zijn gecensureerd, die het officiële narratief over de aanval in Douma ondermijnden?1, 2
De genoemde rechtszaak waarin het International Labour Organization Administrative Tribunal (ILOAT) uitspraak heeft gedaan in een arbeidsrechtelijk geschil tussen de OPCW en dr. Brendan Whelan is bekend.
Wat is uw oordeel over deze erkenning van censuur door de OPCW, mede gezien het feit dat de OPCW haar hoofdkantoor in Den Haag heeft en Nederland als gastland een bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor de integriteit van deze organisatie?
De conclusies van het definitieve rapport van 1 maart 2019 betreffende de gebeurtenissen in Douma zijn gebaseerd op een diepgaande en objectieve analyse door de FFM van al het verzamelde bewijsmateriaal. Deze conclusies zijn tevens gebaseerd op de gangbare standaarden voor bewijsvoering die worden gehanteerd door internationale onderzoekscommissies binnen het systeem van de Verenigde Naties. Het rapport stelt vast dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat een giftige chemische stof als wapen is gebruikt.
Het onderzoek naar de gebeurtenissen in Douma in 2018 is door de FFM op transparante en onafhankelijke wijze uitgevoerd. Gedurende het onderzoek is rekening gehouden met alle informatie en is er in volledige openheid een uitwisseling van meningen geweest. Dit geldt ook voor de wijze waarop het definitieve Douma-rapport na publicatie binnen de OPCW is besproken.
De rechtszaak waarnaar wordt verwezen betreft zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 disciplinaire maatregelen getroffen tegen dr. Brendan Whelan vanwege het niet-naleven van de strikte regels die de OPCW hanteert ten einde vertrouwelijke informatie te beschermen. Zoals eerder aangegeven, is alle informatie in het onderzoek meegenomen en zijn de opstellers van het rapport tot een afgewogen oordeel gekomen.
In het licht van bovenstaande is er geen enkele reden om te twijfelen aan de integriteit van de OPCW, het verrichte onderzoek of de uitkomsten zoals neergelegd in het rapport.
Kunt u toelichten welke stappen u heeft ondernomen of zal ondernemen om volledige transparantie te bevorderen over de wijze waarop het OPCW-onderzoek naar Douma tot stand is gekomen en intern is besproken?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het censureren van afwijkende wetenschappelijke bevindingen binnen een internationale waakhondorganisatie als de OPCW een ernstige bedreiging vormt voor de geloofwaardigheid van die organisatie en de internationale rechtsorde?
Zie antwoord vraag 3.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten hoe u de integriteit van de OPCW beoordeelt in het licht van de thans erkende censuur?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u het, gezien de nu erkende censuur binnen de OPCW, uitgesloten dat het officiële narratief over de aanval in Douma op wezenlijke punten onjuist is?
Gezien het feit dat de bevindingen van het eindrapport van de FFM zijn gebaseerd op een grondige analyse van al het verzamelde bewijsmateriaal, zijn er geen reden om aan te nemen dat het onderzoek onjuistheden bevat. Daarbij staan de conclusies van het definitieve Douma-rapport binnen de organisatie niet ter discussie. Dit blijkt onder meer uit het feit dat geen enkele OPCW-lidstaat heeft betwist dat er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat er in Douma een giftige chemische stof als wapen is gebruikt.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te bevorderen naar de totstandkoming van het OPCW-rapport over Douma, teneinde definitief helderheid te verschaffen over wat er in april 2018 in Douma heeft plaatsgevonden?
In de periode tussen april 2018 en februari 2019 heeft de FFM onafhankelijk onderzoek uitgevoerd dat vaststelt welke tragedie er op 7 april 2018 in Douma heeft plaatsgevonden. Dit onderzoek bestond onder meer uit het verzamelen van biomedische en milieumonsters en het interviewen van slachtoffers en getuigen. Dit alles heeft geleid tot de bevindingen van het definitieve Douma-rapport op 1 maart 2019. Er zijn geen redenen om aan de inhoud van het rapport te twijfelen en de OPCW te verzoeken het in 2018 verrichte onderzoek nogmaals uit te voeren.
Indien het antwoord op de voorgaande vraag negatief luidt, kunt u toelichten waarom u meent dat de huidige stand van kennis over de aanval in Douma voldoende vastgesteld en niet verder onderzoekswaardig is?
Zie antwoord vraag 9.
De beantwoording op 24 april van schriftelijke vragen over het bericht ‘Gebruik van de C7NLD door het Russische Vrijwilligerskorps’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Welke stappen heeft u ondernomen om, ondanks de complexe situatie waar u naar verwijst in uw beantwoording op 24 april, te verifiëren of de berichtgeving van Left Laser1, 2 klopt dat Nederlandse wapens in handen van een Russische extreemrechtse militie terecht zijn gekomen? Kunt u specifiek aangeven wat u hebt gedaan en wanneer u dat heeft gedaan om te achterhalen of de berichtgeving klopt?
Bent u bereid om nader te onderzoeken of de berichtgeving van Left Laser klopt dat Nederlandse wapens in handen van een Russische extreemrechtse militie terecht zijn gekomen of nog steeds komen? Graag een toelichting.
Heeft u redenen om aan te nemen dat de berichtgeving van Left Laser niet zou kloppen? Zo ja, hoe weerlegt u de bewijsvoering binnen die berichtgeving van Left Laser dat Nederlandse wapens in handen komen van in ieder geval een Russische extreemrechtse militie? Graag een toelichting.
Op basis van de berichtgeving en geleverde bewijzen door Left Laser, deelt u de mening dat er in ieder geval een risico bestaat dat Nederlandse wapens terechtkomen bij het Russische Vrijwilligerskorps? Zo niet, kunt u dat onderbouwen? Zo wel, deelt u de mening dat er geen risico mag bestaan dat Nederlandse wapens in handen komen van extreemrechtse milities? Hoe verhoudt zich dit blootgelegde risico tot de Nederlandse wapenexportcriteria?
Indien u de berichtgeving van Left Laser niet kunt ontkrachten, waarom schrijft u dan in de antwoorden van 24 april: «het kabinet heeft geen eigenstandige informatie dat Oekraïne deze voorwaarden schendt», aangezien dit impliceert dat u over voldoende informatie beschikt om vast te stellen dat Oekraïne de voorwaarden niet schendt? Op basis van welke informatie baseert u dit?
Kunt u inzage geven in de toetsing van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB), zoals deze is opgenomen in de uitvoervergunning, van de leveringen die mogelijk in handen zijn gevallen van het Russische Vrijwilligerscorps?
Hoe verhoudt zich het gebruik van Nederlandse wapens door het Russische Vrijwilligerskorps tot de eindgebruikersverklaring ondertekend door de Oekraïense autoriteiten waarin zij verklaren de enige gebruiker van de goederen te zijn en deze enkel ten behoeve van zelfverdediging in te zetten?
Hoe wordt het gebruik van Nederlandse wapens die worden geleverd aan Oekraïne überhaupt door Nederland gecontroleerd?
Hoe onderzoekt en controleert u signalen van oneigenlijk gebruik van geleverde Nederlandse militaire goederen aan Oekraïne?
In de antwoorden van 24 april werd de volgende vraag niet beantwoord: «Aangezien u als antwoord aan Left Laser schrijft «Voor de rest is het aan Oekraïne hoe militair gezien het voormalige Nederlandse materieel wordt ingezet en bij welke eenheden», vallen hier wat u betreft ook militaire organisaties onder die los staan van het Oekraïense leger?» Kunt u deze vraag alsnog expliciet beantwoorden?
Nederland levert militaire steun aan de Oekraïense Strijdkrachten. De Oekraïense Strijdkrachten bepalen vervolgens eigenstandig hoe deze steun zo efficiënt en effectief mogelijk kan worden ingezet en welke organisatieonderdelen deze kunnen gebruiken tegen de voortdurende Russische agressie.
In de antwoorden van 24 april werd de volgende vraag niet beantwoord: «Bent u bereid de Oekraïense regering te verzoeken Nederlandse wapens niet langer aan eenheden te verschaffen die niet tot het Oekraïense leger behoren en te vragen deze wapens af te nemen van het Russische vrijwilligerskorps? Zo nee, waarom niet?» Kunt u deze vragen alsnog expliciet beantwoorden?
Hoe neemt u verantwoordelijkheid voor het mogelijk bewapenen van het Russische Vrijwilligerskorps in Oekraïne met Nederlandse wapens?
Hoe neemt u verantwoordelijkheid voor het ontwapenen van het Russische Vrijwilligerskorps in Oekraïne?
Deelt u de mening van Lars Gerdes, vicedirecteur van Frontex, dat er «grote kans» is op wapensmokkel en dat dit een veiligheidsprobleem voor Europa en de rest van de wereld kan worden3? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Internationaal is er toenemend bewustzijn met betrekking tot de omleidingsrisico’s die gepaard gaan met grootschalige wapenleveranties aan Oekraïne, met name op het gebied van kleine en lichte wapens, in een situatie van een toekomstig permanent staakt-het-vuren of vrede. In dat licht wordt op dit moment in verschillende initiatieven van diverse actoren (o.a. Europese Commissie, Europol, OVSE en de VS) gewerkt aan de versterking van de capaciteiten van de Oekraïense autoriteiten om (toekomstige) illegale handel in wapens, munitie en explosieven te voorkomen en te bestrijden. Op deelterreinen is Nederland ook actief. De Oekraïense autoriteiten tonen zich bewust van de omleidingsrisico’s en nemen mitigerende maatregelen. Daarnaast staat Nederland in nauw contact met Europese partners om te voorkomen dat geleverde wapens in het kader van de steun aan Oekraïne tegen de Russische agressie terecht komen bij ongewenste eindgebruikers.
Wat doet u om te borgen dat door Nederland geleverde wapens niet terecht komen in wapensmokkelnetwerken?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar te beantwoorden?
Waar mogelijk zijn de vragen afzonderlijk beantwoord. Vanwege de inhoudelijke samenhang van verschillende vragen zijn sommige vragen gezamenlijk beantwoord.
De ontvoering, vernedering en mishandeling van de Global Sumud Flotilla activisten door Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Heeft u de video van de Israëlische Minister Ben Gvir gezien waarin de gekidnapte opvarenden van de Global Sumud Flotilla vernederd en mishandeld worden?1 Wat is uw reactie?
Bent u bereid dit geweld, dat regelrecht ingaat tegen het internationaal recht, ondubbelzinnig te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om onmiddellijke vrijlating van de opvarenden, waaronder de Nederlandse opvarenden, te eisen? Zo nee, waarom niet?
Welke sanctiemaatregelen gaat u treffen tegen Israël voor de op de video zichtbare ontvoering, vernedering en mishandeling van de Flotilla-opvarenden?
Verleent Nederland consulaire hulp aan de Nederlandse opvarenden die zijn gekidnapt in internationale wateren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid bij de ontboden ambassadeur aan te dringen op excuses aan de ontvoerde opvarenden van de Global Sumud Flotilla? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om er in de EU voor te pleiten om de hele regering Netanyahu op de sanctielijst te zetten? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u Israel dwingen om de humanitaire blokkade van Gaza door Israël op te heffen?
Bent u bereid om een onafhankelijk onderzoek te starten naar mishandelingen en martelingen van Nederlandse staatsburgers die gekidnapt zijn door Israël in internationale wateren? Zo nee, waarom niet?
Kunt u binnen 24 uur antwoord geven op de vragen?
Het bericht 'Gaza-flotilla: vloot weer tegengehouden door Israël, nu ter hoogte van Cyprus' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Sumud Flotilla opnieuw is onderschept door Israël?1
Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten om opheldering gevraagd en meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden
Klopt het dat onder de bemanning van de Flotilla zich zes Nederlanders bevinden?
Het kabinet is ermee bekend dat zich zes Nederlanders onder de opvarenden van de Flotilla bevonden.
Klopt het dat Europese burgers, waaronder Nederlanders, gevangen zijn genomen zonder aanleiding of aanklacht?
Het klopt dat Europese burgers, waaronder Nederlanders, zijn aangehouden door de Israëlische autoriteiten. Het kabinet heeft van de Israëlische autoriteiten geen informatie over een aanklacht jegens de Nederlandse Flotilladeelnemers ontvangen.
Kunt u onderschrijven dat Europees eigendom wordt vernietigd door een bondgenoot?
Het kabinet heeft geen eigenstandige informatie over de vermeende vernietiging van Europees eigendom rondom de onderschepping van de Flotilla.
Kunt u inzage krijgen in de precieze gebeurtenissen rondom de onderschepping van 18 mei? Mocht u daar geen feitenrelaas over hebben, bent u bereid deze op te vragen bij onze Israëlische bondgenoten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten verzocht om een juridische onderbouwing van de onderschepping. Deze is tot dusverre niet ontvangen. Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal recht. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Het kabinet heeft kennisgenomen van de schokkende en ontoelaatbare beelden van de aangehouden Flotilladeelnemers die de Israëlische Minister Ben-Gvir op 20 mei jl. heeft gedeeld. Volgens het kabinet gaat deze behandeling in tegen de menselijke waardigheid. Het kabinet heeft de Israëlische regering daarop aangesproken en de Israëlische ambassadeur ontboden om opheldering te vragen. Daarbij heeft het kabinet opnieuw benadrukt dat alle opvarenden in lijn met het internationaal recht moeten worden behandeld, de veiligheid van Nederlandse opvarenden moet worden gegarandeerd en ze zo snel mogelijk moeten worden vrijgelaten. Ook heeft het kabinet om formele excuses van de Israëlische regering gevraagd. Deze oproep heeft Nederland ook herhaald in Europees verband in lijn met de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3421). Israël ging de dag erna, op 21 mei jl., over tot vrijlating van alle deelnemers.
Conform de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3420), steunt het kabinet verder de oproep van de Canadese Minister-President van 26 mei jl., richting de Israëlische autoriteiten, tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden.
Wat is uw reactie op dat de Israëlische regering operaties uitvoert in internationale wateren? Deelt u de mening dat dit een schending is van het internationaal recht?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat humanitaire hulpverlening niet belemmerd mag worden? Wat is uw reactie dat dit nu, weer en nog steeds, gebeurt?
Het kabinet deelt de zorgen van de initiatiefnemers van de Global Sumud Flotilla over de catastrofale humanitaire situatie in Gaza. Er is dringend meer humanitaire hulp nodig. Tegelijkertijd is de humanitaire hulp die de Sumud Flotilla af hoopte te leveren voornamelijk symbolisch van aard en niet voldoende om de hoge noden in Gaza werkelijk te verlichten. In oktober 2025 oordeelde het Internationaal Gerechtshof dat Israël als bezettende macht verplicht is essentiële humanitaire hulp door onpartijdige (VN-)organisaties toe te staan, wanneer de lokale bevolking onvoldoende voorzien is van dergelijke hulpgoederen. Professionele en gemandateerde humanitaire organisaties dienen veilige, ongehinderde, en onvoorwaardelijke toegang te krijgen tot Gaza. Nederland roept de Israëlische autoriteiten op om de toegang van desbetreffende humanitaire organisaties te verbeteren en meer humanitaire hulp toe te laten, zowel bilateraal als in multilateraal-verband.
Bent u van plan een internationaal onafhankelijk onderzoek te eisen naar de gewelddadige interventies door Israël tegen de Flotilla, mogelijk met andere betrokken landen? Zo nee, waarom niet?
Conform de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3420), steunt het kabinet de oproep van de Canadese Minister-President van 26 mei jl., aan de Israëlische autoriteiten, tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden. Het kabinet zal in dat kader in contact blijven met landen die hierover ook duidelijkheid willen, ook in Europees verband.
Bent u bereid de bescherming van bemanningsleden van deze en toekomstige Flotilla’s in internationale wateren te waarborgen tijdens humanitaire missies? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin ligt de verantwoordelijk voor de veiligheid van zeevarenden op internationale wateren, afhankelijk van de situatie, primair bij de vlaggenstaat of kuststaat, naast de rol van de kapitein en de eventuele reder.
Deelt u de mening dat de kans op mishandeling van de opvarenden significant is, gezien ervaringen in het verleden en dat Nederland alles moet doen om de veiligheid van deze Nederlanders te beschermen? Zo ja, hoe gaat u de veiligheid van de bemanningsleden prioriteren? Zo nee, waarom niet?2
Zie het antwoord op vraag 5 en 6. Rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten.
Bent u bereid om hulp en bijstand te leveren en alles op alles te zetten om de deelnemers van de Sumud Flotilla veilig te stellen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft Nederlandse deelnemers aan de Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders. Zie ook het antwoord op vraag 5, 6 en 10.
Onderschrijft u de constatering van zeerechtenexpert Fred Soons, dat het ingrijpen van de Israëlische marine op internationale wateren in strijd is met het internationaal recht? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen? Zo nee, waarom niet?3
Zie het antwoord op vraag 1, 5 en 6.
De illegale onderschepping van de Global Sumud Flotilla en het gevangennemen van opvarenden door Israël op internationale wateren |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over de illegale onderschepping van de Global Sumud Flotilla door het Israëlische leger op internationale wateren?1
Het kabinet is bekend met de berichtgeving hierover.
Bent u bekend met de berichten eerder deze week over de onderschepping van de Global Sumud Flotilla door het Israëlische leger op internationale wateren voor de kust van Cyprus?2 Zo ja, hoe beoordeelt u deze illegale actie?
Het kabinet is bekend met de berichtgeving hierover. Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Global Sumud Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht. Het kabinet heeft de Israëlische autoriteiten ter zake om opheldering verzocht. Deze is tot dusverre niet ontvangen, zoals weergegeven in het antwoord op vragen 8 en 10. Voorts heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen zich aan het internationaal recht te houden.
Klopt het dat de onderschepping volgens berichtgeving plaatsvond op internationale wateren? Hoe beoordeelt u dit in het licht van het internationaal zeerecht?
Het klopt dat de onderschepping volgens berichtgeving plaatsvond op internationale wateren. Zie overigens het antwoord op vraag 2.
Welke informatie had het kabinet vooraf over de geplande onderschepping van de Flotilla en de aanwezigheid van Nederlandse burgers aan boord?
Naast de berichtgeving in de media heeft het kabinet voorafgaand aan de onderschepping geen informatie ontvangen over de planning van de onderschepping. Verder was het kabinet bekend met de aanwezigheid van Nederlandse burgers aan boord vanwege de berichtgeving daarover. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
Bent u op de hoogte dat bij de entering op 19 mei 2026 er ook Nederlandse journalisten van De Marker (BNNVARA) op internationale wateren zijn gevangengenomen?3 Zo ja, wat vindt het kabinet dat Israël op internationale wateren Nederlandse journalisten gevangenneemt?
Ja. Op basis van de beschikbare informatie acht het kabinet de recente onderscheppingen van de Flotilla een schending van het internationaal (zee)recht. Zie overigens het antwoord op vraag 2. Verder benadrukt het kabinet dat journalisten altijd ongehinderd en veilig hun werk moeten kunnen doen.
Welke consulaire bijstand is sinds de onderschepping verleend aan de Nederlandse opvarenden?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft Nederlandse deelnemers aan de Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
Verder heeft het kabinet rondom de recente onderscheppingen van de Flotilla de Israëlische autoriteiten meermaals opgeroepen de veiligheid van betrokken Nederlanders te waarborgen, hen goed te behandelen en hen zo snel mogelijk vrij te laten.
Welke concrete stappen zet het kabinet om ervoor te zorgen dat de Nederlandse opvarenden onmiddellijk en ongedeerd kunnen terugkeren naar Nederland?
Zie het antwoord op vraag 6 en 8.
Hoe beoordeelt u de berichten dat opvarenden tijdens en na de onderschepping zijn mishandeld, gemarteld en vernederd?4
Het kabinet heeft kennisgenomen van de schokkende en ontoelaatbare beelden van de aangehouden Flotilladeelnemers die de Israëlische Minister Ben-Gvir op 20 mei jl. heeft gedeeld. Volgens het kabinet gaat deze behandeling in tegen de menselijke waardigheid. Het kabinet heeft de Israëlische regering daarop aangesproken en de Israëlische ambassadeur ontboden om opheldering te vragen. Daarbij heeft het kabinet opnieuw benadrukt dat alle opvarenden in lijn met het internationaal recht moeten worden behandeld, de veiligheid van Nederlandse opvarenden moet worden gegarandeerd en ze zo snel mogelijk moeten worden vrijgelaten. Ook heeft het kabinet om formele excuses van de Israëlische regering gevraagd. Deze oproep heeft Nederland ook herhaald in Europees verband in lijn met de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3421). Israël ging de dag erna, op 21 mei jl., over tot vrijlating van alle deelnemers.
Bent u bereid om in internationaal verband aan te dringen op onafhankelijk onderzoek naar de gewelddadige onderschepping van de Flotilla, de mogelijke marteling van opvarenden en de rol van betrokken staten? Zo nee, waarom niet?
Conform de motie-Van Baarle (21 501-02, nr. 3420), steunt het kabinet de oproep van de Canadese Minister-President van 26 mei jl., richting de Israëlische autoriteiten, tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden. Het kabinet zal in dat kader ook in contact blijven met landen die ook duidelijkheid willen over de behandeling van Flotilla-opvarenden, ook in Europees verband.
Klopt het dat het kabinet na een eerdere Israëlische onderschepping van een Flotilla in oktober 2025 vragen heeft gesteld aan Israël over de rechtsbasis voor het ingrijpen?5 Zo ja, heeft Israël daarop inmiddels inhoudelijk gereageerd en bent u bereid die reactie met de Kamer te delen?
Zoals onder meer aangegeven in de beantwoording van Kamervragen van Dassen (Volt), Teunissen (PvdD), Dobbe (SP), Piri en Hirsch (beiden GroenLinks- PvdA) op 15 december 2025, heeft het kabinet de Israëlische autoriteiten naar aanleiding van de onderschepping in oktober 2025 verzocht om een onderbouwing van de juridische basis voor het Israëlische handelen rondom de onderschepping van de schepen. Het kabinet heeft, ondanks herhaald verzoek, geen reactie ontvangen van de Israëlische autoriteiten.
Kunt u deze vragen binnen 48 uur beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht dat Algerije alle protestantste kerken gesloten heeft |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit het Reformatorisch Dagblad (9 mei 2026) waarin gesteld wordt dat de autoriteiten van Algerije sinds 2017 alle protestantse kerken in het land gesloten hebben?1
Ja.
Deelt u de belangrijkste conclusies uit het onderliggende rapport van het European Centre for Law and Justice (ECLJ)?2 Wat is uw bredere reflectie op de in het rapport beschreven positie van christenen in Algerije?
De bevindingen in het rapport van de ECLJ komen overeen met bevindingen van de VN en INGO’s; namelijk dat religieuze minderheden, waaronder christenen, beperkingen ervaren in het praktiseren van hun geloof in Algerije.
Bent u bereid om de categorische sluiting van protestantse kerken en andere schendingen van godsdienstvrijheid officieel te veroordelen?
In Algerije spreekt Nederland met vertegenwoordigers van diverse religieuze groepen en met het Ministerie van Religieuze Zaken. Waar opportuun deelt Nederland zijn visie op het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en mensenrechten in brede zin. Ook wordt gesproken over de positie van christenen. Nederland blijft voor zover mogelijk geëngageerd op dit thema, in gesprek met relevante actoren.
In algemene zin brengt Nederland waar mogelijk in contacten met relevante autoriteiten en partners het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en mensenrechten in brede zin consequent onder de aandacht. Daarbij vraagt Nederland ook aandacht voor de positie van religieuze minderheden, waaronder christelijke gemeenschappen, evenals zorgen over de sluiting van kerken en andere religieuze instellingen. Nederland zet zich actief en zichtbaar in door deze onderwerpen structureel te agenderen in bilaterale contacten en multilaterale fora, te investeren in religieuze geletterdheid binnen de diplomatieke dienst en intensief samen te werken met religieuze en maatschappelijke actoren wereldwijd.
Bent u bereid om de Algerijnse ambassadeur te ontbieden? Zo nee, welke diplomatieke druk acht u gepast?
De Nederlandse overheid staat voor het recht op vrijheid van religie. Deze boodschap wordt structureel en breed uitgedragen door de Nederlandse overheid. Wanneer het kabinet constateert dat mensen mogelijk in die vrijheid worden beperkt, wordt dit meegenomen in gesprekken met landen waar dit speelt. Nederland onderhoudt een open en gelijkwaardige dialoog met Algerije, waarbinnen ook mensenrechten aan bod komen.
Kunt u aangeven op welk niveau er in de Europese Unie (EU) afstemming is over christenvervolging in Algerije?
Binnen de Europese Unie wordt in verschillende gremia gesproken over de mensenrechtensituatie in Noord-Afrikaanse landen, waaronder de positie van christenen en andere (religieuze) minderheden. Waar mogelijk wordt dit thema ook besproken met de relevante autoriteiten.
Kunt u verzekeren dat deze kwestie hoge prioriteit heeft voor Mairead McGuinness, de recent aangestelde Europese gezant voor godsdienstvrijheid? Bent u bereid de strafrechtelijke vervolging van christenen, de opsluiting van religieuze leiders en de sluiting van kerken actief onder haar aandacht te brengen en in EU-verband te bezien welke effectieve drukmiddelen kunnen worden ingezet?
Het kabinet verwelkomt de benoeming van Mairead McGuinness tot EU-gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging. De prioriteiten van de gezant worden vastgesteld door de Europese Commissie en de gezant zelf. Nederland acht deze functie van groot belang voor een consistente, zichtbare en effectieve EU-inzet op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging. Nederland zal daarbij aandacht blijven vragen voor de positie van religieuze minderheden en zorgen over onder andere de sluiting van kerken in Algerije waar mogelijk onder de aandacht brengen in contacten met de gezant. Momenteel verkent het kabinet tevens hoe de nieuwe EU-gezant praktisch kan worden ondersteund, bijvoorbeeld via een mogelijke detachering. Daarnaast zet Nederland zich in voor een complementaire nationale inzet, bijvoorbeeld door verdere opvolging van EU-bezoeken via de Nederlandse Speciaal Gezant in landen waar christenen, en andere religieuze minderheden, onder druk staan.
Op welke wijze heeft Nederland zich eerder richting de Algerijnse autoriteiten ingezet ten aanzien van de positie van christenen en godsdienstvrijheid? Welke rol speelt de Nederlandse Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging hierin?
De Nederlandse Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging (SGRL) zet zich wereldwijd in voor de positie van religieuze minderheden. De gezant draagt bij aan de agendering van dit thema, waaronder de situatie in Algerije, in bilaterale en multilaterale contacten en aan de opbouw en versterking van internationale coalities. Daarnaast onderhoudt de SGRL actief contact met religieuze en levensbeschouwelijke gemeenschappen, maatschappelijke organisaties en diasporagroepen, zowel in Nederland als internationaal.
Daarnaast spreekt de Nederlandse ambassade in Algiers met vertegenwoordigers van diverse religieuze groepen in Algerije en met het Ministerie van Religieuze Zaken. Waar mogelijk deelt de ambassade de Nederlandse visie op het belang van vrijheid van religie en levensovertuiging en/of mensenrechten in brede zin. Ook wordt dan gesproken over de positie van christenen. Hierbij is het van belang de religieuze minderheden niet in een kwetsbare positie te brengen. Om te voorkomen dat de Nederlandse inspanningen een tegengesteld effect hebben, is juist het opzoeken van de dialoog van belang.
Toegang tot abortusmedicatie in de VS |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Met pillen kunnen vrouwen in de VS nu nog zelf kiezen voor abortus»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat personen toegang hebben tot veilige abortuszorg? Deelt u de afschuw over het feit dat vrouwen in de Verenigde Staten (VS) in toenemende mate de toegang tot veilige abortuszorg wordt ontnomen?
Het kabinet staat pal voor de gezondheid en rechten van vrouwen en meisjes wereldwijd. Het is zorgwekkend dat deze rechten en toegang tot veilige abortus soms onder druk staan. De inzet van het kabinet blijft erop gericht om, in gezamenlijkheid met andere landen, internationale afspraken op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten te beschermen.
Deelt u de zorgen dat anti-abortusbewegingen, ook in de EU en Nederland, vaak gesteund en soms zelfs gefinancierd worden door organisaties uit de VS? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is en dat wij als Nederland, ook binnen de context van de EU, pal voor het recht op abortuszorg moeten staan?
Het kabinet deelt de zorgen over buitenlandse financiering van bewegingen die erop gericht zijn toegang tot abortuszorg te beperken of te ondermijnen. Ook deelt het kabinet de mening dat dit onwenselijk is. Nederland zet zich binnen de EU actief in voor SRGR, inclusief toegang tot veilige abortus. Tegelijkertijd respecteert het kabinet de vrijheid van lidstaten om eigen keuzes te maken rondom abortus beleid, aangezien dit een nationale competentie behelst.
Deelt u de analyse dat met een eventueel verbod op het middel mifepriston een chilling effect kan optreden en angst bij hulpverleners, met uiteindelijk ook als gevolg dat vrouwen, met name vrouwen in een kwetsbare positie, belemmerd worden in de toegang tot abortuszorg?
Een verbod op het versturen van mifepriston zal de toegang tot abortuszorg beperken. Niet alleen voor vrouwen in een kwetsbare situatie, maar voor alle vrouwen in staten waar geen toegankelijke abortuszorg is. Echter, onlangs heeft het Hooggerechtshof bepaald dat het per post versturen van mifepriston vooralsnog is toegestaan. Hierdoor blijft het voor vrouwen in staten waar abortus verboden is mogelijk om – tot een bepaald aantal weken – een zwangerschapsafbreking te ondergaan.
Heeft u contact gehad met de Amerikaanse autoriteiten over het eventuele verbod? Zo ja, op welk niveau en wat wordt er in deze contacten gewisseld? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om in gesprek te gaan met de regering Trump of de Amerikaanse ambassadeur over (toegang tot) abortuszorg en het mogelijke verbod op mifepriston?
Nederland is continu in gesprek met de VS, zoals via de Nederlandse ambassade in Washington. De Amerikaanse regering is goed op de hoogte van het Nederlandse standpunt ten aanzien van SRGR en vrouwenrechten. Nederland zet zich namelijk actief in voor SRGR, inclusief toegang tot veilige abortus, onder meer binnen multilaterale fora, in EU-verband en via SRGR-programmering.
Deelt u de mening dat Nederland een voortrekkersrol moet vervullen bij de bescherming en bevordering van de rechten, gezondheid en positie van vrouwen en meisjes wereldwijd? Kunt u toelichten welke concrete stappen u momenteel zet om deze rol invulling te geven, en welke aanvullende maatregelen of ambities u voor de komende periode voor ogen heeft?
Ik zie het belang om als Nederland een leidende rol te vervullen op het vlak van SRGR en vrouwenrechten. Deze thema’s, inclusief toegang tot veilige abortus, staan wereldwijd onder druk door de groeiende antirechtenbewegingen. Dit kabinet zal zich inzetten voor SRGR, vrouwenrechten en gendergelijkheid, zowel diplomatiek als via programma’s op het gebied van ontwikkelingssamenwerking.
Op welke concrete wijze wenst u uitvoering te geven aan de motie Kröger c.s. over zich internationaal actief uitspreken tegen het inperken van vrouwenrechten, lhbtiq+-rechten en seksuele- en reproductieve rechten en gezondheidszorg?
Het kabinet blijft zich internationaal actief uitspreken tegen het inperken van vrouwenrechten, lhbtiq+-rechten en seksuele- en reproductieve gezondheid en rechten samen met gelijkgezinde partners. Mijn collega Minister Sjoerdsma heeft besloten om SheDecides Champion te worden. Hiermee geeft hij een duidelijk signaal over het belang dat NL hecht aan toegang tot veilige abortus. Binnen de Equal Rights Coalition zal NL een proactieve rol vervullen door regionale en landspecifieke ontwikkelingen te agenderen en gezamenlijke inzet te bevorderen. Ook de Mensenrechtenambassadeur en de ambassadeur vrouwenrechten en gendergelijkheid zullen tijdens hun reizen de toenemende druk op de rechten van vrouwen en lhbtiq+- personen aan de orde stellen.
Bent u bereid deze vragen ieder afzonderlijk te beantwoorden voor het besluit van het Hooggerechtshof met betrekking tot de verstrekking van mifepriston?
Uw vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord. Uw vragen zijn gesteld op de dag dat het Hooggerechtshof een tijdelijke uitspraak deelde. Het is daarmee niet gelukt de vragen voor de uitspraak te beantwoorden.
De evacuatie van Gazanen met een Nederlandse verblijfsvergunning |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de voorzieningenrechter van de Raad van State en de rechtbank Den Haag waarin is geoordeeld dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken consulaire ondersteuning moet bieden aan Gazanen met een geldige Nederlandse verblijfsvergunning bij hun vertrek uit Gaza?1
Het kabinet is bekend met de uitspraken van de voorzieningenrechter van de Raad van State en de rechtbank Den Haag waarin is geoordeeld dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken consulaire bijstand moet bieden aan betrokkenen, die een positief besluit op hun machtiging tot voorlopig verblijf (mvv)-aanvraag hebben ontvangen.
Klopt het dat het gaat om tientallen Palestijnen uit Gaza die beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) voor studie en werk in Nederland?
Het gaat om een groep personen in het bezit van een inwilliging voor een machtiging tot voorlopig verblijf op grond van verschillende verblijfsdoelen, waaronder studie en wetenschappelijk onderzoek. De feitelijke afgifte van de mvv kan pas plaatsvinden na biometrie-afname en vaststelling van de identiteit bij een Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland.
Klopt het dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich momenteel beperkt tot het versturen van een zogenaamde Note Verbale, terwijl bekend zou zijn dat dit op zichzelf onvoldoende is om evacuatie daadwerkelijk mogelijk te maken?
Nee. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken geeft conform de uitspraak uitvoering aan de opgelegde voorlopige voorziening, zodat betrokkenen Gaza op korte termijn kunnen verlaten.
In dat kader zijn de Israëlische autoriteiten al eerder verzocht toestemming te verlenen voor de uitreis van betrokkenen uit de Gazastrook. Voor twee personen werd de toestemming voorafgaand aan de organisatie van een transport door een ander land ontvangen. Zij hebben Gaza op 1 juni via dit transport verlaten. Voor een gedeelte van de resterende groep werd toestemming na de coördinatie van dit transport ontvangen. Over die personen staat het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met de relevante autoriteiten.
COGAT heeft tegenover de NOS verklaard dat Nederland de betreffende personen niet heeft aangemeld voor evacuatie, terwijl daar volgens COGAT wel de mogelijkheid toe bestaat.2 Hoe moet dit beoordeeld worden in het licht van uw inzet om aan de verplichting als opgelegd door de voorzieningenrechter te voldoen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft bij de Israëlische autoriteiten, waaronder COGAT, een verzoek ingediend voor de uitreis van de betrokkenen. Voor een gedeelte van de groep is inmiddels toestemming ontvangen. Twee van hen hebben inmiddels Gaza verlaten. Over de rest van de groep staat het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met de relevante autoriteiten. Daarmee wordt voldaan aan de inspanningsverplichting die door de voorzieningenrechter is opgelegd.
Heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken sinds de uitspraken de namen van MVV-houders actief doorgegeven aan de Israëlische autoriteiten of andere betrokken instanties ten behoeve van evacuatie? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Welke contacten heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken sinds maart 2026 onderhouden met Jordaanse autoriteiten, COGAT, internationale organisaties of andere landen over de praktische uitvoering van evacuatie van deze MVV-houders?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft op verschillende momenten contact gehad met de relevante autoriteiten over deze groep. Over de exacte inhoud van diplomatieke contacten doen wij in het openbaar terughoudend mededelingen om de vertrouwelijkheid en effectiviteit van diplomatieke contacten te waarborgen.
Hoe verhoudt deze beperkte inzet zich volgens u tot de rechterlijke uitspraken waarin is geoordeeld dat Nederland consulaire hulp moet verlenen?
In de uitspraak van de voorzieningenrechter is bepaald dat de Minister zich diplomatiek moet inspannen zodat de verzoekers Gaza kunnen verlaten. De opgelegde inspanningsverplichting wordt uitgevoerd.
Deelt u de opvatting dat het bieden van uitsluitend minimale administratieve ondersteuning, terwijl bekend is dat dit feitelijk niet leidt tot evacuatie, onvoldoende uitvoering geeft aan de zorgplicht van de Nederlandse staat?
In de uitspraak is nadrukkelijk overwogen dat de opgelegde inspanningsverplichting uitsluitend ziet op een diplomatieke inspanning. De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de inspanningsverplichting vloeit daarmee voort uit de door de rechter opgelegde voorziening. Overigens ligt er in deze gevallen geen (juridische) zorgplicht bij de Nederlandse staat.
Kunt u uiteenzetten welke belemmeringen het kabinet momenteel ziet om de betrokken personen daadwerkelijk uit Gaza te laten vertrekken, en welke diplomatieke inspanningen worden verricht om deze belemmeringen weg te nemen?
Zie het antwoord op vraag 3, 4 en 5.
In de NOS-rapportage werd melding gemaakt van het feit dat u heeft aangegeven dat er sprake is van een situatie die nog «onder de rechter is»3; bent u er zich van bewust dat er tegen de voorlopige voorzieningen die zijn opgelegd, op basis waarvan u dient te doen wat nodig is om evacuatie te realiseren, geen beroep aangetekend kan worden en deze per direct uitgevoerd dienen te worden?
Ja. Aan de voorlopige voorzieningen wordt dan ook uitvoering gegeven. Desalniettemin heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het oordeel van de voorzieningenrechter niet bindend in de bodemprocedure, waar de zaak inhoudelijk wordt behandeld.
In hoeverre onderscheidt het bewust uitvoeren van een rechterlijke opdracht op een wijze die bij voorbaat ineffectief is zich volgens u van het feitelijk niet uitvoeren van die opdracht?
De wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de inspanningsverplichting vloeit voort uit de door de rechter opgelegde voorziening. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid om, mede gezien de humanitaire situatie in Gaza en de uitspraken van de rechter, per direct intensievere consulaire en diplomatieke inspanningen te leveren om deze mensen veilig uit Gaza te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie zal zich conform de uitspraak van de voorzieningenrechter blijven inspannen zodat deze groep Gaza op korte termijn kan verlaten om de mvv op te halen.
Zoals aan uw Kamer gecommuniceerd op 1 december jl. is het Ministerie van Buitenlandse Zaken per 1 december jl. teruggekeerd naar de reguliere consulaire bijstandverlening in Gaza, waarmee de ondersteuning bij vertrek uit Gaza in het geheel is beëindigd. Wel zal het ministerie blijven voorzien in de reguliere consulaire dienstverlening aan houders van een mvv-inwilliging uit Gaza, in de vorm van visumafgifte en in voorkomend geval (nood-)reisdocumentenafgifte.
Kunt u deze vragen met spoed binnen twee weken beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoord.