De VN-resolutie inzake de trans-Atlantische slavenhandel. |
|
Ralf Dekker (FVD), Tom Russcher (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de VN-resolutie die de trans-Atlantische slavenhandel bestempelt als «de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid» ooit?
Ja. Het kabinet is bekend met de betreffende resolutie.
Kunt u toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming in plaats van tegen te stemmen?
Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming. Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft, namelijk de erkenning van de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning, herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden, bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Deelt u de opvatting dat het creëren van een hiërarchie van historische wreedheden onwenselijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft Nederland niet tegengestemd?
Alle misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder de Holocaust en (hedendaagse) slavernij, zijn van uitzonderlijke ernst en verdienen blijvende erkenning en herdenking. Het kabinet ondersteunt het aanbrengen van een hiërarchie tussen dergelijke misdrijven niet en heeft dit standpunt ook kenbaar gemaakt in het kader van de resolutie.
Deelt u de mening dat talloze andere gruweldaden door deze resolutie impliciet worden gebagatelliseerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft Nederland niet tegen gestemd?
Het kabinet acht het onwenselijk om verschillende misdrijven tegen de menselijkheid in een rangorde te plaatsen. Daarmee is niet gezegd dat deze resolutie beoogt andere historische gruweldaden te bagatelliseren, maar wel dat het kabinet de gekozen formulering juridisch en principieel onjuist acht en zich daarom kritisch heeft opgesteld. Het kabinet heeft desondanks niet tegen de resolutie gestemd, omdat de tekst ook onderdelen bevat die het kabinet onderschrijft.
Hoe gaat u garanderen dat deze resolutie op geen enkele wijze zal leiden tot financiële verplichtingen voor Nederland?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichtingen voor Nederland tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen. Het kabinet heeft zich bovendien expliciet uitgesproken tegen passages die zouden kunnen suggereren dat sprake is van een juridische verplichting tot het bieden van rechtsherstel, inclusief herstelbetalingen.
Erkent u dat het internationaal recht ten tijde van de slavenhandel slavernij niet verbood, en dat terugwerkende toepassing van hedendaagse normen juridisch onhoudbaar is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft bezwaar tegen verwijzingen in de resolutie die neerkomen op retroactieve toepassing van internationaal recht. Nederland kan niet instemmen met de suggestie dat historische slavernij en slavenhandel destijds al een schending van een internationaalrechtelijke verplichting zou hebben opgeleverd zoals die nu in de resolutie wordt voorgesteld. Juist dat punt vormde een van de kernbezwaren tegen de tekst en reden om te onthouden van stemming. Dat laat onverlet dat het kabinet de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden erkent.
Deelt u het standpunt dat er geen recht op herstelbetalingen bestaat voor handelingen die destijds niet illegaal waren onder het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt het standpunt dat het internationaal recht niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast en dat geen juridische verplichtingen voortvloeien uit handelingen die destijds niet in strijd waren met internationaal recht.
Tegen die achtergrond heeft het kabinet bezwaar gemaakt tegen onderdelen van de resolutie die uitgaan van een retroactieve toepassing van internationaal recht en de suggestie wekken dat er een juridische verplichting tot het bieden van rechtsherstel, inclusief herstelbetalingen zou bestaan.
Hoe beoordeelt u de oproep in de resolutie om in gesprek te gaan over herstelbetalingen aan nazaten van slaven?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichting tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen. Na het aanbieden van excuses in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning is er langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden, onder meer door in gesprek te gaan met betrokken gemeenschappen van nazaten van tot slaafgemaakten.
Kunt u uitsluiten dat Nederland onder druk van deze resolutie in de toekomst zal overgaan tot herstelbetalingen, in welke vorm dan ook?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichtingen tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen voor Nederland. Het kabinet baseert zijn handelen op politieke en juridische afwegingen.
Bent u bereid de eerder gemaakte excuses voor het slavernijverleden te heroverwegen, nu blijkt dat deze worden gebruikt als hefboom voor financiële claims? Zo nee, waarom niet?
Nee. De excuses voor het slavernijverleden zijn weloverwogen aangeboden en blijven van betekenis als erkenning van het historische onrecht en de doorwerking daarvan.
Deelt u de mening dat het aanbieden van excuses door premier Rutte in 2022 en Koning Willem-Alexander in 2023 een strategische fout is gebleken, aangezien dit de deur heeft geopend voor verdergaande eisen?
Nee. De excuses waren een bewuste keuze in het kader van erkenning van het historische onrecht en de doorwerking daarvan. En het kabinet blijft zich inzetten voor erkenning, herdenken en bewustwording over de doorwerking van het slavernijverleden. Tegelijkertijd zijn die excuses geen juridische grondslag voor een verplichting tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen.
Bent u van mening dat de moderne Nederlander schuld draagt voor handelingen die eeuwen geleden plaatsvonden?
Nee. Het kabinet spreekt niet in termen van individuele schuld van huidige generaties. De excuses zien op de verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat voor zijn historische rol en de doorwerking daarvan.
Bent u bekend met het historische fenomeen van blanke slavernij in Arabische en Noord-Afrikaanse landen, waaronder de zogenaamde Barbarijse slavenhandel waarbij naar schatting meer dan een miljoen Europeanen werden geroofd en tot slaaf gemaakt, en deelt u de mening dat het eenzijdig aanwijzen van Europese landen als daders van slavernij een onvolledig en misleidend beeld schetst van de geschiedenis?
Het kabinet is bekend met het feit dat slavernij in verschillende tijden en regio’s heeft bestaan. Dat laat onverlet dat Nederland verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen rol in het trans-Atlantische slavernijverleden en de doorwerking daarvan.
Acht u het rechtvaardig dat huidige generaties Nederlandse belastingbetalers financieel aansprakelijk worden gesteld voor historische gebeurtenissen waaraan zij geen deel hadden?
De resolutie schept geen juridisch bindende verplichtingen voor Nederland ook niet tot het bieden van rechtsherstel, zoals herstelbetalingen.
Waarom richt deze resolutie zich uitsluitend op de trans-Atlantische slavenhandel en niet op de Arabische slavenhandel, die langer duurde en naar schatting evenveel of meer slachtoffers maakte?
De resolutie richt zich specifiek op de trans-Atlantische slavenhandel en de historische en hedendaagse gevolgen daarvan. Het staat een indiener van een resolutie in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, in dit geval Ghana, vrij zelf een thematische focus te kiezen. Nederland onderschrijft dat alle vormen van slavernij en slavenhandel, waar ook, ernstige misdrijven en grove schendingen van de menselijke waardigheid zijn.
Heeft Nederland bij de beraadslagingen in de Algemene Vergadering aandacht gevraagd voor slavernij die tot op de dag van vandaag voortbestaat in delen van Afrika en het Midden-Oosten?
In de beraadslagingen in de Algemene Vergadering heeft Nederland zich gericht op de inhoud van de voorliggende resolutie en de daarbij relevante juridische en beleidsmatige aspecten.
Deelt u de mening dat het hypocriet is dat landen waar moderne slavernij nog steeds voorkomt, mede-indieners zijn van een resolutie over historische slavernij, vooral gezien in die tijd deze landen actief hun eigen medemensen verkochten aan mensen van over de hele wereld?
Het kabinet herkent zich niet in deze kwalificatie. Het tegengaan van hedendaagse vormen van slavernij en mensenhandel is een mondiale opgave die alle landen aangaat, ongeacht hun historische rol. Nederland zet zich hier actief voor in, zowel bilateraal als in internationaal verband, waaronder binnen de VN.
Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat ook het slavernijverleden en de doorwerking daarvan worden erkend en besproken. Dat landen zich inzetten voor aandacht voor historische slavernij staat niet op gespannen voet met de noodzaak om hedendaagse vormen van slavernij krachtig te bestrijden. Beide sporen zijn complementair en vereisen blijvende inzet.
Hoe verhoudt deze resolutie zich tot het feit dat Nederland als een van de eerste landen slavernij heeft afgeschaft?
Het kabinet onderschrijft die feitelijke veronderstelling niet. Nederland schafte slavernij in de voormalige koloniën af in 1863; in Suriname gold tot 1873 een periode van staatstoezicht. Hoewel slaven officieel vrij waren, moesten zij in Suriname nog tien jaar lang verplicht onder staatstoezicht op de plantages werken.
Nederland is in Europa het eerste land dat formeel excuses aanbood voor het slavernijverleden, en heeft die excuses bovendien verbonden aan een meerjarig beleidsprogramma voor erkenning, herdenken, bewustwording en de aanpak van de doorwerking in het heden.
Acht u het gepast om ontwikkelingshulp te blijven verstrekken aan landen die tegelijkertijd herstelbetalingen van Nederland eisen?
Het kabinet beziet ontwikkelingssamenwerking en discussies over het slavernijverleden als twee afzonderlijke trajecten met elk een eigen doel en afwegingskader. Ontwikkelingssamenwerking is gericht op het bevorderen van stabiliteit, armoedebestrijding, mensenrechten en duurzame ontwikkeling, en gebeurt op basis van beleidsmatige en internationale afspraken.
Kunt u bevestigen dat slavernij een wereldwijd fenomeen was dat in vrijwel alle beschavingen heeft bestaan, en dat het selectief aanwijzen van West-Europese landen een vertekend historisch beeld geeft?
Het kabinet kan bevestigen dat slavernij historisch een wereldwijd fenomeen is geweest. Dat neemt niet weg dat Nederland een eigen verantwoordelijkheid heeft voor zijn rol in de trans-Atlantische slavenhandel en slavernij en voor de doorwerking daarvan.
Deelt u de mening dat het Nederlandse volk niet gebaat is bij een voortdurende schuldcultuur over historische gebeurtenissen?
Het kabinet herkent zich niet in de term «schuldcultuur». Het beleid is gericht op erkenning van historisch onrecht, kennis en bewustwording, dialoog en het tegengaan van racisme en discriminatie.
Het bericht dat de Verenigde Naties slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Berendsen , Rob Jetten (D66), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Verenigde Naties (VN) slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja. Het kabinet is bekend met de betreffende VN-resolutie. Het kabinet onderstreept het grote belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakten en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend door het aanbieden van excuses in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar principiële en juridische bezwaren tegen bestaan, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt.
Klopt het dat Nederland zich heeft onthouden van stemming? Zo ja, waarom?
Ja. het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Bent u het eens met de stelling dat van landen met een koloniaal verleden en directe betrokkenheid bij (trans-Atlantische) slavenhandel, zoals Nederland, een expliciete erkenning verwacht mag worden? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt deze stemonthouding in de Algemene Vergadering van de VN zich tot de officiële excuses voor het handelen van de Nederlandse staat, waarbij, in de bewoordingen van de toenmalige Minister-President Rutte, «een komma, geen punt» werd gezet? Had het niet meer in deze benadering gepast om wél in te stemmen met deze VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft dat van landen met een koloniaal verleden, zoals Nederland, een expliciete erkenning van het slavernijverleden verwacht mag worden.
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
De onthouding bij deze resolutie, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, staat niet op gespannen voet met deze lijn. Deze gezamenlijke positie laat zien dat de juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutie breder worden gedeeld. De keuze om te onthouden is ingegeven door specifieke juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutietekst, en niet door een gebrek aan erkenning van het historische onrecht.
Hoe beoordeelt u de oproep van de secretaris-generaal van de VN om te komen tot «een confrontatie met de nalatenschap van de slavernij en racisme»? Wat valt, in dit licht bezien, te verwachten aan kabinetsmaatregelen?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft al via bestaand beleid. Het is van groot belang om deze geschiedenis te blijven erkennen, te begrijpen en bespreekbaar te maken, juist vanwege de blijvende impact ervan op samenlevingen wereldwijd en in Nederland.
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Met oog voor historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Bent u bereid om deze vragen vóór het aankomende commissiedebat Discriminatie, racisme en mensenrechten te beantwoorden?
Ja.
De aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid |
|
Heera Dijk (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Berendsen , Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid ooit?1
Het kabinet onderstreept het belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakt en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend met de excuses die in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning zijn aangeboden. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Tegelijkertijd heeft het kabinet zich kritisch opgesteld ten aanzien van onderdelen van de resolutie, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt. Het staat landen verder vrij om resoluties in te dienen over onderwerpen die zij belangrijk vinden.
Kunt u, overwegende dat de Nederlandse staat in 2022 excuses heeft gemaakt voor het slavernijverleden, toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming?
Ja. Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Welke boodschap heeft u voor Nederlanders die dagelijks last hebben van de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden en geschrokken zijn van de stemonthouding?
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
Op welke manieren werkt u momenteel al aan bewustwording over en herstel van (de doorwerking van) het Nederlandse koloniale- en slavernijverleden?
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft al uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft via bestaand beleid. Dat ziet onder meer op erkenning, herdenken en het creëren van een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Bijvoorbeeld door het versterken van maatschappelijke initiatieven, aanpassingen in het onderwijs, meer onderzoek, dialoog met betrokken gemeenschappen en de aanpak van racisme en discriminatie.
Daarmee wordt niet vanaf nul begonnen, maar voortgebouwd op een programma dat al in uitvoering is en de komende periode verder wordt verdiept. Met oog voor de historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de in het regeerakkoord opgenomen ambitie om actief te werken aan maatschappelijke bewustwording over het koloniale- en het slavernijverleden en de blijvende impact daarvan, en hoe gaat u in ieder geval de zes Caribische eilanden daarbij betrekken?
Ja.
De zes Caribische eilanden zijn daarbij vanaf het begin betrokken.
In samenwerking met Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Maarten en Sint Eustatius is gewerkt aan eilandelijke actieagenda’s, waarin toezeggingen van 19 december 2022 zijn vertaald in concrete projectplannen. Deze zijn inmiddels aangeboden en toegekend. Voorbeelden van impactvolle projecten zijn DNA onderzoek naar oorspronkelijke afkomst van de gemeenschappen op de Bovenwindse eilanden, (multifunctionele) erfgoedcentra op Aruba en Sint Eustatius, ontwikkeling van een NT3-model (een onderwijskundig concept) waarbij Nederlands als vreemde taal wordt geïmplementeerd in het primair onderwijs op Bonaire en de digitalisering en het vervolgens toegankelijk maken van koloniale archieven op onder andere Curaçao. Daarnaast is op verschillende momenten input opgehaald vanuit de gemeenschappen voor de vormgeving van de subsidieregeling maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden.
Kunt u de uitvoering van de VN-resolutie opnemen in de aangekondigde voortgangsbrief slavernijverleden die de Kamer in het eerste kwartaal zou ontvangen, en kunt u aangeven wanneer u de Kamer deze brief toezendt?
Ja. In de aangekondigde brief over de voortgang van de acties rond het slavernijverleden zal, voor zover relevant, ook worden ingegaan op de internationale context van deze resolutie en op de wijze waarop Nederland reeds invulling geeft aan de onderdelen die het onderschrijft.
De brief wordt voor het zomerreces aan uw Kamer toegezonden.
Het bericht dat de trans-Atlantische slavenhandel door de VN bestempeld is als "de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid" ooit |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het absurde bericht dat de Verenigde Naties (VN) de trans-Atlantische slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit heeft bestempeld?1
Het kabinet is bekend met de betreffende resolutie.
Vindt u het ook krankzinnig dat er kennelijk landen zijn die VN-resoluties misbruiken om misdaden tegen de menselijkheid te rangschikken om politieke redenen en geld?
Het kabinet ziet zowel het belang van blijvende aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, als het historische onrecht en de doorwerking daarvan tot op de dag van vandaag. Het staat landen verder vrij om resoluties in te dienen over onderwerpen die zij belangrijk vinden.
Heeft u de initiatiefnemer van de VN-resolutie gevraagd waarom de grootschalige islamitische slavenhandel kennelijk veel minder erg was dan de trans-Atlantische?
Het kabinet is van mening dat alle vormen van slavernij en slavenhandel, waar en door wie ook dan ook, ernstige misdrijven zijn. De resolutie richt zich specifiek op de trans-Atlantische slavenhandel en de historische en hedendaagse gevolgen daarvan. In de onderhandelingen heeft Nederland zich gericht op de inhoud van de voorliggende resolutie en de daarbij relevante juridische en beleidsmatige aspecten.
Wanneer gaat u deze waanzin, waarmee gruwelijke misdaden tegen de menselijkheid zoals de Holocaust in feite naar beneden worden getrapt, publiekelijk en ferm veroordelen?
Alle misdrijven tegen de menselijkheid zijn van uitzonderlijke ernst en verdienen blijvende erkenning en herdenking. Het kabinet ondersteunt het aanbrengen van een hiërarchie tussen dergelijke misdrijven niet en heeft dit standpunt, alsook het standpunt met betrekking tot het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en eventuele juridische implicaties daarvan, ook kenbaar gemaakt in het kader van deze resolutie.
Wat gaat u doen om te verhinderen dat het slavernijverleden als verdienmodel binnen alle organisaties en afdelingen van de VN blijft doorwoekeren als een ernstige ziekte?
Aandacht voor het slavernijverleden is een kwestie van erkenning en maatschappelijke rechtvaardigheid. Het kabinet zet zich binnen de VN in voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Waarom heeft Nederland niet gewoon glashelder TEGEN deze absurde VN-resolutie gestemd?
Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming. Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft, namelijk de erkenning van de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning, herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden, bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Deelt u de mening dat de VN zich beter bezig kan houden met bestrijding van de hedendaags bestaande slavernij waarbij in het bijzonder voor de Afrikaanse Unie een rol weggelegd kan zijn?2
Het kabinet acht de bestrijding van hedendaagse vormen van slavernij, zoals mensenhandel en uitbuiting, van groot belang. Nederland zet zich hier zowel nationaal als internationaal voor in, onder meer binnen de VN en in samenwerking met regionale organisaties zoals de Afrikaanse Unie.
Het bericht dat de Hongaarse Minister van Buitenlandse zaken toegeeft dat hij tijdens belangrijke EU-meetings belt met de Russische Minister van Buitenlandse zaken |
|
Felix Klos (D66) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Hongaarse Minister tijdens lopende Europese Unie (EU)-bijeenkomsten contact onderhoudt met de Russische Minister?
Ja, ik ben bekend met berichtgeving in verschillende media over het contact dat de huidige Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken Szijjártó lijkt te onderhouden met de Russische Minister van Buitenlandse Zaken tijdens en rondom officiële EU overleggen.
Hoe kwalificeert u dit gedrag, in het licht van het feit dat Rusland een agressieoorlog voert tegen Oekraïne en de EU juist inzet op maximale eensgezindheid en vertrouwelijkheid?
Het kabinet is niet naïef over de mogelijkheid dat de huidige regering van Hongarije informatie deelt met de Russische Federatie. Mocht het inderdaad gaan om vertrouwelijke informatie, dan schaadt dat de Unie en ondermijnt dat het vertrouwen tussen EU-lidstaten.
Deelt u de opvatting dat hier sprake is van een ernstige ondermijning van het onderlinge vertrouwen binnen de EU, en mogelijk zelfs van het lekken van vertrouwelijke informatie naar een vijandige mogendheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in antwoord op de vorige vraag, is het kabinet van mening dat directe uitwisseling tussen de huidige regering van Hongarije en de Russische Federatie van mogelijk vertrouwelijke informatie de Unie schaadt en het vertrouwen tussen lidstaten ondermijnt. Deze zorgen heeft Nederland ook uitgesproken via de geëigende kanalen.
Heeft deze ontwikkeling ertoe geleid dat Nederland zelf terughoudender is geworden in het delen van informatie, standpunten of strategieën binnen EU-verband, uit vrees dat deze indirect bij Rusland terecht kunnen komen? Zo ja, op welke wijze?
Effectieve en eensgezinde besluitvorming in de EU vergt dat lidstaten informatie en standpunten met elkaar delen. Dit zal Nederland blijven doen zonder naïef te zijn, en conform de geldende regels over geheimhouding binnen de Raad.
Deelt u de opvatting dat het delen van informatie met Rusland over besloten EU-bijeenkomsten in strijd is met artikel 4.3 van het Verdrag van de Europese Unie over «loyale samenwerking»?
Mocht er inderdaad sprake zijn geweest van het delen van vertrouwelijke informatie, zou dat een schending van de geheimhoudingsplicht opleveren, zoals onder andere neergelegd in artikel 6, lid 1, Reglement van Orde van de Raad, Artikel 11, Reglement van Orde van de Europese Raad en artikel 339 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU). Het is dan aannemelijk dat er eveneens sprake is van een schending van het beginsel van loyale samenwerking in de zin van artikel 4, lid 3, van het EU-Verdrag. Als lidstaten het Unierecht schenden en daarvoor voldoende bewijs bestaat, kan de Commissie handhavend optreden. Het kabinet steunt de Commissie in haar rol als hoedster van de Verdragen.
Acht u het wenselijk en noodzakelijk om op korte termijn binnen de EU opheldering en consequenties te eisen richting Hongarije? Bent u bereid hierin het voortouw te nemen?
De Commissie heeft haar zorgen over deze kwestie uitgesproken.1 De voorzitter van de Commissie zal dit verder bespreken op het niveau van de regeringsleiders. Ook is in de Raad reeds aandacht besteed aan de berichtgeving. Hongarije is daarbij gewezen op de juridische verplichtingen tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie onder artikel 6, lid 1, Reglement van Orde van de Raad en artikel 339 VWEU, en het beginsel van loyale samenwerking onder artikel 4, lid 3, van het EU-Verdrag. De Hoge Vertegenwoordiger heeft de huidige Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken Szijjártó hier ook op aangesproken. Nederland heeft via de geëigende kanalen bij de EU instellingen de zorgen uitgesproken en informatie opgevraagd.
Bent u bereid om onmiddellijk verdere stappen te ondernemen richting Hongarije onder artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (schending van fundamentele waarden)? Zo nee, waarom niet?
Mocht vertrouwelijke informatie inderdaad door de huidige regering van Hongarije zijn gedeeld met de Russische Federatie, dan zou de Commissie een inbreukprocedure onder artikel 258 VWEU kunnen starten wegens niet nakoming van EU-rechtelijke verplichtingen.
Met de artikel 7-procedure kan actie worden ondernomen als een EU-lidstaat de fundamentele waarden (incl. rechtsstaat) uit art. 2 van het EU-verdrag schendt of als er een duidelijk gevaar bestaat dat deze EU-waarden zullen worden geschonden. In 2018 startte het Europees Parlement al een artikel 7-procedure tegen Hongarije. Die richt zich op de zorgen over onder meer de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, corruptie en belangenverstrengeling, ruimte voor het maatschappelijk middenveld, gelijke rechten voor minderheden, academische vrijheid en mediavrijheid, privacy en gegevensbescherming. Zorgen over het delen van vertrouwelijke informatie valt hier niet onder. Een (duidelijk gevaar op) schending van de waarden van artikel 2 van het EU-Verdrag kan vanwege de ontstane zorgen nu nog niet worden aangenomen. Het starten van een nieuwe procedure onder artikel 7 ligt daarmee dan ook niet in de rede.
Het kabinet acht het evenmin opportuun een statenklachtprocedure conform artikel 259 VWEU in te zetten. Dit is binnen het Unierecht een ultimum remedium om geschillen over de naleving van het Unierecht op te lossen en bedoeld voor die gevallen waarin de Commissie niet optreedt of een lidstaat het niet eens is met de handelwijze of beoordeling van de Commissie. Daar is in dit geval geen sprake van.
Alleen als de schendingen van de beginselen van de rechtsstaat het financieel beheer of de bescherming van de financiële belangen van de Unie serieus dreigen aan te tasten, kan het financiële instrumentarium worden ingezet, zoals eind 2022 is gebeurd tegen Hongarije. Het kabinet heeft er voortdurend voor gepleit dat de Commissie snel en effectief optreedt om terugval van Hongarije op rechtsstatelijk vlak te voorkomen en aan te pakken, en daarbij gebruik maakt van al het beschikbare EU-rechtsstaatinstrumentarium, inclusief het financiële instrumentarium.
Het kabinet blijft zich waar mogelijk inzetten, maar ziet juridische procedures niet als oplossing voor de korte termijn voor een EU-lidstaat die de EU actief ondermijnt. Politieke en diplomatieke druk is kansrijker.
Op 12 april jl. vonden in Hongarije verkiezingen plaats. Beoogd premier Maygar heeft in zijn overwinningsspeech benadrukt een sterke bondgenoot voor de EU en NAVO te willen zijn. Het kabinet kijkt uit naar samenwerking met de nieuwe regering en hoopt op een positieve koers van Hongarije binnen de EU. Magyar heeft ook aangegeven de rechtsstaat te gaan hervormen. Het is duidelijk dat er hervormingen moeten plaatsvinden voordat EU fondsen kunnen worden vrijgegeven. Het kabinet zal zich daarvoor inzetten en deze boodschap ook bij de Commissie afgeven. Het kabinet zal de nieuwe regering waar mogelijk bij deze hervormingen helpen, afhankelijk van de behoefte.
Bent u bereid om onmiddellijk verdere stappen te ondernemen richting Hongarije onder artikel 259 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU) (inbreukprocedure tussen lidstaten) in reactie op de contacten met Rusland?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om zo snel mogelijk in kaart te brengen welke Europese financiële steun richting Hongarije nog stopgezet kan worden?
Zie antwoord vraag 7.
Welke concrete sancties of maatregelen zijn er nog meer mogelijk wanneer een lidstaat vertrouwelijke EU-informatie deelt met Rusland?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de analyse dat het Hongaarse optreden past in een breder patroon waarin Viktor Orbán het EU-besluitvormingsproces frustreert en ondermijnt, onder meer via het inzetten van veto’s?
Zoals vastgelegd in het regeerakkoord ziet het kabinet Hongarije als een voorbeeld van een land dat de EU actief ondermijnt, en het frustreren van besluitvorming valt binnen dit patroon. Mocht vertrouwelijke informatie inderdaad door Hongarije zijn gedeeld met de Russische Federatie schaadt ook dat het onderlinge vertrouwen binnen de Unie.
Het kabinet pleit – samen met gelijkgezinde landen en binnen de kaders van het EU verdrag – actief voor betere besluitvorming binnen het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB). In lijn met motie-Klos2 zet het kabinet zich in voor het afschaffen van het vetorecht en voor de invoering van gekwalificeerde meerderheidsbesluitvorming (QMV) binnen het GBVB, zolang dit de nationale bevoegdheid om wel of niet aan militaire missies bij te dragen, respecteert. Het is mogelijk om QMV besluitvorming binnen het GBVB uit te breiden middels zogenaamde passerelle-clausules. Daar is echter unanimiteit voor nodig en tot nu toe bestaat hiervoor onvoldoende draagvlak onder lidstaten. Ook zet het kabinet zich in voor het gebruik van QMV voor GBVB-besluiten waar het EU-verdrag deze mogelijkheid nu reeds biedt. Zo blijft Nederland voorstander van het gebruik van QMV voor het aanpassen van de listings van sanctieregimes.
Bent u bereid om onmiddellijk op pad te gaan en steun te verzamelen voor hervorming van de EU-besluitvorming op het terrein van buitenlands beleid, in het bijzonder het afschaffen van het vetorecht, juist om misbruik zoals in dit geval tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u toezeggen dat u zich vanaf nu in iedere Raad zal uitspreken tegen de aanwezigheid van Hongarije op het moment dat vertrouwelijke informatie besproken wordt, en zo nodig zal verzoeken om de vergadering te staken tot Hongarije niet meer aanwezig is?
Zoals geantwoord op vraag 6, heeft de Raad reeds aandacht besteed aan de berichtgeving. Hongarije is gewezen op de juridische verplichtingen tot geheimhouding van vertrouwelijke informatie onder artikel 6, lid 1, RvO van de Raad en artikel 339 VWEU en loyale samenwerking onder artikel 4, lid 3, EU-Verdrag. De Hoge Vertegenwoordiger heeft de Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken hier ook op aangesproken. Nederland heeft via de geëigende kanalen bij de EU-instellingen de zorgen uitgesproken en informatie opgevraagd. Zoals gesteld in beantwoording van vraag 5 kan de Commissie handhavend optreden als lidstaten het Unierecht schenden. Het kabinet steunt de Commissie in haar rol als hoedster van de Verdragen. Daarnaast kijkt het kabinet uit naar een nieuwe afvaardiging van Hongarije naar de verschillende Raadsformaties als gevolg van de verkiezingsuitslag van 12 april jl.
Bent u bereid manieren te onderzoeken om Hongaarse toegang tot vertrouwelijke EU-documenten te ontzeggen zolang niet kan worden vastgesteld dat deze informatie niet wordt doorgespeeld aan Rusland?
Zie antwoord vraag 13.
De uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 (ECLI ECLI:NL:RVS:2026:1600) |
|
Ulysse Ellian (VVD), Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen , Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uitspraak 202600650/2/V6 (ECLI:NL:RVS:2026:1600) van de Raad van State?1
Ja.
Welke impact heeft deze uitspraak op andere Gazanen die een Machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) hebben om naar Nederland af te reizen en in Nederland willen verblijven op grond van een reguliere verblijfsvergunning?
De uitspraak ziet op een voorlopige voorziening in een specifieke casus en betreft de vraag naar consulaire ondersteuning en de juridische kwalificatie daarvan. Dit dient niet te worden opgevat als een algemeen oordeel over consulaire bijstand aan alle personen in Gaza met een mvv-inwilliging. De afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en de daaropvolgende toelating tot Nederland blijven onverkort plaatsvinden op basis van de geldende wettelijke criteria en individuele toetsing door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
Bestaat het risico dat Gazanen die op grond van deze uitspraak met een mvv naar Nederland komen op enig moment tijdens hun verblijf in Nederland een asielaanvraag zullen indienen? Zo ja, deelt u de mening dat dit oneigenlijk gebruik is van een door Nederland afgegeven mvv?
Het kan niet worden uitgesloten dat personen die op basis van een regulier verblijfsdoel naar Nederland komen, op enig moment een asielaanvraag indienen. Het indienen van een asielaanvraag is een recht dat voortvloeit uit internationale en Europese verplichtingen. Het enkele feit dat iemand eerder op reguliere gronden is toegelaten, maakt het indienen van een asielaanvraag op zichzelf niet onrechtmatig of oneigenlijk. Wel wordt iedere aanvraag individueel beoordeeld op basis van de geldende criteria.
Deelt u de mening dat er geen mvv afgegeven mag worden als het gevaar bestaat dat iemand eenmaal in Nederland asiel aanvraagt? Hoe zorgt u dat dit niet gebeurt?
De beoordeling van een mvv-aanvraag vindt plaats aan de hand van de voorwaarden die gelden voor het specifieke verblijfsdoel, bijvoorbeeld voor gezinsmigratie, arbeid of studie. Het mogelijk indienen van een asielaanvraag vormt in die toets geen zelfstandig afwijzingscriterium. De IND voert vooraf een uitgebreide toets uit, waaronder een beoordeling van de openbare orde en nationale veiligheid. Hiermee wordt geborgd dat alleen personen die aan de voorwaarden voldoen, worden toegelaten.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 is het indienen van een asielaanvraag een recht dat voortvloeit uit internationale en Europese verplichtingen. Het enkel feit dat er een kans bestaat dat iemand een asiel aanvraag indient is geen reden voor weigering van een mvv.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat het diplomatiek bijstaan of zelfs het evacueren van mensen met een mvv een normale procedure wordt in het kader van consulaire bijstand?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken biedt in algemene zin consulaire bijstand aan Nederlands paspoorthouders en in voorkomende gevallen aan personen die in bezit zijn van een verblijfsvergunning. Het is uiteindelijk aan de Minister van Buitenlandse Zaken aan wie en op welke wijze consulaire bijstand wordt verleend.
In correspondentie met de Raad van State is kenbaar gemaakt dat de Minister van Buitenlandse Zaken zich naar vorm noch naar inhoud kan vinden in de getroffen voorziening en aangedrongen op een zo spoedig mogelijke agendering van de bodemprocedure. In de bodemprocedure zal dit standpunt nader verdedigd worden. Dit laat uiteraard onverlet dat uitvoering zal worden gegeven aan de getroffen voorzieningen in de desbetreffende zaken.
Deelt u de mening dat consulaire bijstand niet bedoeld is voor het evacueren van mvv-houders en dat deze uitspraak dus ook geen precedent mag zijn voor toekomstige mvv-houders?
Zie antwoord vraag 5.
Wat kunt u doen om te voorkomen dat de studenten tijdens of na afloop van hun studie alsnog asiel aanvragen in Nederland?
Er bestaan geen mogelijkheden om het indienen van een asielaanvraag te voorkomen, nu dit een fundamenteel recht betreft. Wel wordt voorafgaand aan toelating zorgvuldig getoetst of aan alle voorwaarden voor het verblijfsdoel wordt voldaan, waaronder voldoende middelen van bestaan en inschrijving bij een erkende onderwijsinstelling. Indien een persoon gedurende of na afloop van het verblijf niet langer aan de voorwaarden voldoet, kan dit gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
Ziet u wettelijke mogelijkheden om mensen die met een mvv naar Nederland zijn gereisd het recht om asiel aan te vragen in ons land te ontzeggen?
Het recht om een asielaanvraag in te dienen is verankerd in internationale verdragen, waaronder het Vluchtelingenverdrag, en in Europese regelgeving. Dit recht kan niet worden ontzegd aan personen die met een mvv zijn ingereisd.
Kunt u toelichten hoe u oordeelt over deze uitspraak gedaan door de bestuursrechter, terwijl consulaire bijstand geen onderdeel is van het bestuursrecht en in beginsel bedoeld is voor onderdanen van ons land en dus niet voor mensen die een visum voor Nederland hebben gekregen?
In correspondentie met de Raad van State is kenbaar gemaakt dat de Minister van Buitenlandse Zaken zich naar vorm noch naar inhoud kan vinden in de getroffen voorziening. Daarbij wordt ook aangegeven dat hier volgens de Minister geen taak voor de bestuursrechter ligt. Dit laat uiteraard onverlet dat uitvoering zal worden gegeven aan de getroffen voorzieningen in de desbetreffende zaken.
Bestaat er een risico dat Gazanen die op grond van deze uitspraak met een mvv naar Nederland af kunnen reizen zullen proberen om via gezinshereniging nareizigers naar Nederland te laten komen? Zo ja, wat kunt u doen om dat te voorkomen?
Indien een persoon een verblijfsstatus verkrijgt die recht geeft op gezinshereniging, kan hij of zij onder de daarvoor geldende voorwaarden een aanvraag indienen. Daarbij is van belang onderscheid te maken tussen nareis in het kader van asiel en reguliere gezinshereniging. In de hier bedoelde situatie is geen sprake van nareis voor asielstatushouders, maar van reguliere migratie. Dit betekent dat betrokkenen, indien zij gezinsleden willen laten overkomen, zijn aangewezen op de reguliere gezinsherenigingsprocedure. Deze procedure kent eigen, strikte voorwaarden, waaronder het aantonen van een daadwerkelijk gezinsverband, het voldoen aan het middelenvereiste en een toets aan openbare-ordeaspecten. Iedere aanvraag wordt individueel aan deze wettelijke vereisten getoetst. Dit kader geldt generiek en is niet specifiek voor deze groep.
Hoe beoordeelt u overweging 7.1 van bovengenoemde uitspraak, waarin wordt gesteld dat Nederland mogelijk gedwongen kan worden om Gazanen tot ons land toe te laten die naar Jordanië afreizen om hun mvv af te halen, maar waarvan vervolgens blijkt dat zij hebben gelogen over hun identiteit? Op grond van welk wettelijk voorschrift zou Nederland deze plicht hebben?
In algemene zin geldt dat toelating tot Nederland altijd afhankelijk is van het voldoen aan de wettelijke voorwaarden, waaronder identificatie en verificatie van de identiteit. Deze controle vindt zowel voorafgaand aan de afgifte van de mvv op de post plaats als bij verdere toelatingsprocedures. Indien blijkt dat onjuiste of misleidende informatie is verstrekt, kan dit leiden tot weigering of intrekking van de mvv of verblijfsvergunning. Er bestaat geen algemene wettelijke plicht om personen toe te laten indien achteraf blijkt dat zij onjuiste gegevens hebben verstrekt.
Indien er aanwijzingen zijn dat een persoon een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, wordt de aanvraag afgewezen dan wel een eerdere inwilliging heroverwogen en zo nodig ingetrokken. Deze aspecten worden voorafgaand aan de afgifte van een mvv getoetst aan de hand van nationale en internationale systemen, waaronder het Schengeninformatiesysteem. Tegelijkertijd geldt dat ook op de post, voorafgaand aan feitelijke afgifte van de mvv, opnieuw wordt beoordeeld of nog aan alle voorwaarden wordt voldaan. Indien zich feiten of omstandigheden voordoen waaruit blijkt dat dit niet het geval is, wordt dit gemeld aan de IND en kan dit alsnog leiden tot weigering van afgifte of intrekking van de eerdere beslissing. De bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde heeft daarbij een zwaarwegend karakter. Personen die een dergelijk risico vormen, komen niet in aanmerking voor toelating.
Nederland kan in beginsel niet worden verplicht om personen tot het grondgebied toe te laten indien achteraf blijkt dat zij onjuiste of misleidende informatie hebben verstrekt over hun identiteit bij de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) of als de identiteit niet overeenkomt met de desbetreffende mvv. In het geval van ondersteuning bij vertrek uit Gaza, staat Nederland garant voor het vertrek van deze personen naar Nederland binnen de kaders die afgesproken zijn in bilaterale afspraken met Jordanië. Indien deze personen niet naar Nederland kunnen vertrekken, kan dat negatieve gevolgen hebben voor de relatie met Jordanië.
Geldt deze plicht ook voor Gazanen waarvan pas in Jordanië blijkt dat zij lid zijn (geweest) van een terroristische organisatie, die verdacht worden van het plegen van een terroristisch misdrijf of die op enige andere manier een gevaar vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid? Deelt u de mening dat dit een volstrekt onwenselijke situatie is? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid om te nemen om dit risico bij Gazanen maximaal te beperken?
Zie antwoord vraag 11.
Op welke manier bent u van plan invulling te geven aan de door de voorzieningenrechter opgelegde «inspanningsverplichting» om te bereiken dat de verzoeker de grens kan oversteken? Kunt u bevestigen dat de inspanningsverplichting uitsluitend ziet op het gebruik van de «diplomatieke weg» en geen feitelijke evacuatie of andere vorm van logistieke ondersteuning behelst?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal conform de uitspraken uitvoering geven aan de voorlopige voorzieningen getroffen door de voorzieningenrechter van de Raad van State. De voorzieningen verplichten de Minister van Buitenlandse Zaken om zich via diplomatieke weg in te spannen om ervoor te zorgen dat de verzoekers Gaza kunnen verlaten om de mvv op te halen. In dat kader zal geen feitelijke evacuatie of andere vorm van logistieke ondersteuning worden georganiseerd, in lijn met de inspanningsverplichting opgelegd door de voorzieningenrechter en met het verzoek van betrokkenen.
In hoeverre verwacht u dat deze uitspraak, waarin de lage drempel van de inspanning wordt benadrukt, zal leiden tot een toename van soortgelijke verzoeken van Gazanen die reeds over een mvv-toezegging beschikken? Deelt u de mening dat zo’n toename onwenselijk is?
Het staat personen met een mvv-inwilliging vrij om een verzoek in te dienen voor ondersteuning bij vertrek uit Gaza. Op dit moment biedt het Ministerie van Buitenlandse Zaken deze ondersteuning echter niet.
In hoeverre acht u de zorg terecht dat deze uitspraak een aanzuigende werking kan hebben op aanvragen van personen uit Gaza en andere conflictgebieden die voor studie naar Nederland willen komen?
Er is op dit moment geen significante stijging van het aantal studieaanvragen van personen uit Gaza. Niet kan worden uitgesloten dat bredere bekendheid met de mogelijkheden tot vertrek uit Gaza kan leiden tot meer verzoeken. Daarbij geldt nog steeds dat elke aanvraag individueel wordt beoordeeld en dat de toelatingscriteria onverkort van toepassing blijven.
Klopt het dat deze personen daarbij ook familieleden mee mogen nemen indien zij daar de voogdij over dragen, zoals het geval was bij een student aan de Universiteit Maastricht?
Het meereizen van familieleden is uitsluitend mogelijk indien wordt voldaan aan de geldende wettelijke kaders. Voor reguliere verblijfsdoelen, zoals studie, geldt dat gezinsleden alleen onder specifieke voorwaarden kunnen meereizen, bijvoorbeeld als sprake is van een kerngezin. Constructies waarbij voogdij wordt overgedragen worden kritisch beoordeeld en moeten voldoen aan regelgeving. Er is geen generiek recht om via dergelijke constructies familieleden mee te laten reizen.
Deelt u de mening dat het onlogisch is om studenten uit Gaza de mogelijkheid te bieden aan Nederlandse universiteiten te studeren, terwijl Joodse studenten zich op Nederlandse universiteiten momenteel zeer onveilig en zelfs bedreigd voelen?
Nee. De onveiligheid die Joodse studenten op universiteiten ervaren is onacceptabel. Het kabinet zet zich op verschillende manieren in voor de veiligheid van deze studenten en voor een veilige leer- en werkomgeving in het onderwijs. De toelating van buitenlandse studenten aan Nederlandse universiteiten staat hier los van. Het is aan de instellingen om, binnen de kaders van wet- en regelgeving, te bepalen welke studenten zij toelaten op hun instelling.
Het bericht ‘Pakistan court gives Muslim kidnapper custody of Christian girl’. |
|
Don Ceder (CU) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Pakistan court gives Muslim kidnapper custody of Christian girl»?1
De precieze details uit het artikel kunnen niet door het kabinet worden geverifieerd. Tegelijk wijst het kabinet elke vorm van huwelijksdwang, gedwongen bekering en (kind)ontvoering ten zeerste af.
Hoe beoordeelt u de rechtsgang bij deze zaak? Bent u van mening dat van eerlijke rechtsgang geen sprake was? Bent u bereid om deze specifieke zaak aan te kaarten in bilateraal verband?
Het kabinet laat zich niet uit over de rechtsgang in derde staten en doet dat in dit geval ook niet.
Nederland spreekt regelmatig met zowel vertegenwoordigers van religieuze minderheden als de Pakistaanse autoriteiten over de vrijheid van religie en levensovertuiging. Dit gebeurt bilateraal, in Den Haag alsook via de Nederlandse ambassade in Islamabad, in EU-verband en via diverse multilaterale fora.
Deelt u de conclusie van mensenrechtenadvocaten, zoals gesteld in het artikel, dat dergelijke zaken een terugkerend patroon volgen, waar jonge meisjes «worden ontvoerd, gedwongen bekeerd en seksueel misbruikt onder het mom van islamitische «huwelijken»»?
Ja, dit betreft geen unieke casus.
Bent u bereid om vanuit Nederland actiever op te komen voor deze meisjes en hun families, onder meer door Nederlandse diplomaten dergelijke rechtszaken te laten bijwonen en om de Pakistaanse autoriteiten hierop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Pakistan (7–10 februari 2026) zijn zorgen over vrijheid van godsdienst en levensovertuiging overgebracht aan de Pakistaanse autoriteiten. Nederland doet dit ook in EU-verband, om meer gewicht aan de boodschap te geven en om met gelijkgezinde landen per zaak de juiste aanpak te vinden met stille diplomatie en publiekelijke verklaringen. In enkele gevallen wonen Nederlandse diplomaten rechtszaken bij.
Ziet u dat het vaak minderjarige meisjes uit minderheidsgroepen zijn, zoals christenen, die worden gedwongen tot islamitische «huwelijken»? Welke rol kan de Speciaal Gezant voor de Vrijheid van Religie en Levensovertuiging spelen in het aanpakken van deze kwestie?
De praktijk van gedwongen islamitische «huwelijken» komt regelmatig naar voren in rapportages van maatschappelijke organisaties die zich sterk maken voor vrijheid van religie en levensovertuiging in Pakistan. Deze rapportages wijzen erop dat met name minderjarige meisjes uit religieuze minderheden een verhoogd risico lopen op ontvoering, gedwongen bekering en daaropvolgende huwelijken. Dit past in het bredere beeld dat de vrijheid van religie en levensovertuiging in Pakistan onder druk staat.
In Pakistan worden zorgen over de positie van religieuze minderheden en de toepassing van religiegerelateerde wetgeving zowel bilateraal als in EU-kader besproken. Tijdens het recente bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Pakistan (7–10 februari jl.) zijn deze zorgen specifiek opgebracht. De EU brengt regelmatig zorgen over gedwongen huwelijken op bij de Pakistaanse autoriteiten. De Nederlandse Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging vult deze inzet aan en kan de problematiek structureel agenderen in bilaterale, EU- en multilaterale contacten. Daarbij brengt de gezant signalen samen van maatschappelijke organisaties en diasporagemeenschappen en draagt zo bij aan een gecoördineerde internationale inzet ter bescherming van religieuze minderheden.
Erkent u dat de EU-Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging ook een diplomatieke rol had kunnen spelen, mits we er één hadden gehad? Blijft u aandringen op het aanstellen van deze gezant? Welke concrete stappen kunt u toezeggen hier de komende tijd op te zetten?
Het kabinet erkent dat een EU-Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging een aanvullende diplomatieke rol had kunnen spelen bij het adresseren van deze problematiek, onder meer door deze bilateraal te agenderen en de EU-inzet te versterken. Mede daarom heeft Nederland zich, samen met gelijkgezinde EU-lidstaten, actief ingezet voor de benoeming van een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid via diplomatieke contacten in Brussel en door het belang van deze functie in relevante EU-fora te benadrukken. Het kabinet acht een nieuwe EU-gezant van groot belang voor een consistente, zichtbare en effectieve EU-inzet op het terrein van vrijheid van religie en levensovertuiging. Op 26 maart 2026 heeft de Europese Commissie aangekondigd dat mevr. Mairead McGuinness deze functie zal gaan vervullen.
Wat waren de bevindingen van de Europese Commissie bij het bezoek aan Pakistan in het kader van de tweejaarlijkse GSP+ (Generalised Scheme of Preferences Plus) monitoringscyclus over de voortgang op mensenrechten van religieuze minderheden? Is naar het oordeel van de Commissie voldoende voortgang geboekt dat verlenging van de GSP+-status van Pakistan gerechtvaardigd zou zijn? Hoe kijkt u hiernaar?
De volledige rapportage van de monitoringsmissie van de Europese Commissie van december 2025 wordt in de zomer van 2026 verwacht.
In algemene zin kan gesteld worden dat de voortgang op mensenrechten, waaronder vrijheid van religie en levensovertuiging, een punt van aandacht blijft voor Pakistan. Zorgen hierover zijn ook recent tijdens het bezoek van de Nederlandse Mensenrechtenambassadeur in februari 2026 overgebracht aan de Pakistaanse autoriteiten. Het kabinet zal in lijn met motie-Ceder (Kamerstuk 32 735, nr. 391) in Europees verband het belang blijven benadrukken van het meewegen van de situatie aangaande vrijheid van religie en levensovertuiging en rechten van minderheden in de afwegingen hieromtrent.
Bent u bereid om met de (christelijke) Pakistaanse gemeenschap in Nederland in gesprek te gaan over deze en andere vormen van christenvervolging in het land en welke rol Nederland heeft in de aanpak hiervan?
De vrijheid van religie en levensovertuiging is een van de prioriteiten van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Aandacht voor de positie van christelijke gemeenschappen maakt deel uit van de bredere Nederlandse inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen, zeker in landen waar christelijke gemeenschappen onder druk staan, zoals Pakistan. De Nederlandse mensenrechteninzet en resultaten inclusief voor de vrijheid van religie en levensovertuiging worden periodiek via de mensenrechtenrapportage openbaar gedeeld. Het kabinet ziet nu geen aanleiding om specifiek met de (christelijke) Pakistaanse gemeenschap in gesprek te treden.
Bent u bekend met het rapport ‘The Foreign Censorship Threat, Part II: Europe’s Decade-Long Campaign to Censor the Global Internet and how it harms American Speech in the United States’ van de Committee on the Judiciary van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, waarin wordt ingegaan op het signaleren en/of «flaggen» van berichten op sociale media door overheden en Europese instellingen?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u bevestigen of, en zo ja op welke wijze, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en/of andere ministeries contact hebben gehad met de Europese Commissie over het signaleren, «flaggen» of laten verwijderen van berichten op sociale media?
Zoals uitgelegd in de Kamerbrief van 9 januari 2026 over de evaluatie Tweede Kamerverkiezing 28 oktober 2025 maakt het Ministerie van BZK het contact met de platformen na afloop van de verkiezingen openbaar in een rapport via de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.2 De Europese Commissie speelt hierin geen rol. Het ministerie heeft met de platformen van X, Meta, TikTok, Google en Snapchat de vrijwillige afspraak dat zij meldingen van het Ministerie van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelden. Hierbij blijft het platform te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de afhandeling en de beoordeling van de melding die gedaan wordt, in relatie tot geldende regelgeving en de gebruikersvoorwaarden. Het Ministerie van BZK heeft geen bevoegdheid content te laten verwijderen.
Klopt het dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties door de Europese Commissie is aangewezen als zogenoemde «trusted flagger» onder de Digital Services Act? Zo ja, op basis van welke bevoegdheid of afspraak is deze rol aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegekend?
Nee, de Europese Commissie heeft BZK niet aangewezen als «trusted flagger». Zoals reeds aangegeven in mijn brief van 4 maart jl. aan uw Kamer is deze rol toebedeeld aan de ACM.3 BZK heeft een vrijwillige afspraak met enkele platformen, zoals uitgelegd in het antwoord op vraag 2. Dit noemen we de «verkiezingen flagger status».
Kunt u een overzicht geven van alle relevante informatie tussen Nederlandse ministeries en de Europese Commissie over het «flaggen», modereren of verwijderen van sociale-mediaberichten met betrekking tot de laatste Kamerverkiezingen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Hoeveel sociale-mediaberichten zijn door Nederlandse overheidsinstanties of via samenwerking met Europese instellingen gemarkeerd of «geflagged» bij sociale-mediaplatforms? Bij welke sociale-mediaplatforms zijn deze meldingen gedaan? Hoeveel van die «geflagde» berichten zijn daadwerkelijk door de betreffende sociale-mediaplatforms verwijderd, verborgen, gedeprioriteerd of anderszins beperkt in zichtbaarheid?
Zie de brief aan uw Kamer van 9 januari jl. van mijn ambtsvoorganger met als bijlage het rapport over de inzet van de verkiezingen flagger status.4 Zie ook mijn brief van 4 maart jl. aan uw Kamer met een reactie op vragen van het lid Stöteler (PVV) over de inzet van de flagger status door BZK.5 Hierin is vermeld dat de flagger status tweemaal is ingezet bij de Tweede Kamerverkiezing in 2025. Eenmaal richting X en eenmaal richting Meta.
Op basis van welke criteria of richtlijnen werden berichten «geflagged» of gemeld bij sociale-mediaplatforms, en in hoeveel gevallen ging het bij de gemelde berichten om politieke uitingen, meningen of bijdragen aan het politieke debat?
In het rapport dat op 9 januari jl. met uw Kamer is gedeeld, is te lezen dat het Ministerie van BZK niet kijkt naar en geen uitspraken doet over verkiezingsbeloften of politieke of maatschappelijke uitingen.6 Het Ministerie van BZK zet de verkiezingen flagger status met grote terughoudendheid in en alleen wanneer berichtgeving op sociale media platformen de integriteit van het verkiezingsproces mogelijk in gevaar brengt. Bijvoorbeeld bij berichtgeving over een verkeerde verkiezingsdatum, of feitelijk onjuiste informatie over hoe en waar te stemmen.
Bent u het eens dat het meer dan onwenselijk is dat overheden, Europese instellingen of door hen aangewezen organisaties invloed uitoefenen op de moderatie van politieke content op sociale media, met name in de aanloop naar verkiezingen?
Ik hecht aan een open publiek debat, waar politieke uitingen een essentieel onderdeel van zijn. Er wordt door BZK niet gemodereerd op politieke content, zoals vermeld in het antwoord op vraag 6. Wel vind ik het belangrijk, zoals aangegeven in mijn brief van 4 maart jl. aan uw Kamer, dat platformen hun verantwoordelijkheid nemen voor het beschermen van het publieke debat en het verkiezingsproces onder de Europese digitale wetgeving, en voert het kabinet daarover ook gesprekken met de platformen.7 Het kabinet steunt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Europese Commissie volledig in hun toezichthoudende taken.
Deelt u de mening dat de vrijheid van meningsuiting hét fundament van onze vrije samenleving is en moet blijven? Zo ja, hoe borgt u dat? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van belang dat rekening wordt gehouden met alle toepasselijke grondrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting. Dit blijkt onder meer uit de wijze waarop de Digital Services Act (DSA) is ingericht. Niets in de DSA verplicht platformen ertoe legale content te verwijderen, en overheden krijgen nadrukkelijk geen bevoegdheden om informatie te laten verwijderen.
Bent u bekend met de berichtgeving van GeenStijl waaruit blijkt dat de Turkse diplomaat Ömer Özgül een centrale rol speelt binnen de Islamitische Stichting Nederland (ISN), terwijl ISN stelt een zelfstandige en onafhankelijke organisatie te zijn?
Ik heb kennis genomen van deze berichtgeving.
Kunt u bevestigen dat de heer Özgül, als officieel religieus attaché van de Turkse ambassade, regelmatig aanwezig is in het pand van ISN en ook meereist met ISN-delegaties naar het buitenland, waaronder naar Ankara?
Nee. Het kabinet heeft geen inzicht in de agenda van diplomaten van andere landen.
Hoe verhoudt de aanwezigheid van een Turkse diplomaat als feitelijk leidinggevende binnen ISN zich tot de belofte die ISN in 2020 aan de Kamer deed om de Turkse diplomatieke invloed uit de organisatie te weren?
Met het bestuur van ISN is in 2020 de afspraak gemaakt dat in de nieuwe organisatiestructuur de attaché Religieuze Zaken, of een andere vertegenwoordiger met diplomatieke of consulaire status, geen rol meer zal vervullen in het bestuur. Dit omdat deze structuur op zijn minst de schijn wekt van een ongewenste vermenging van politiek en religie. In het huidige bestuur van ISN zitten dan ook geen diplomatieke of consulaire functionarissen.
Waarom heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via het Kennisplatform Inclusief Samenleven samengewerkt met en subsidie verstrekt aan een stichting die zo nauw verbonden blijkt te zijn met de Turkse staat?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft geen subsidie verstrekt aan ISN.
Het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) ontvangt op basis van een vastgesteld werkplan jaarlijks een instellingssubsidie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. KIS is onafhankelijk en maakt eigen afwegingen.
Bent u het eens dat financiering van onderzoek door een stichting die onder invloed staat van een buitenlandse mogendheid de objectiviteit en betrouwbaarheid van dat onderzoek ernstig ondermijnt?
Onderzoek moet altijd onafhankelijk, transparant en boven iedere twijfel verheven zijn. Dat betekent dat zowel financiering als betrokkenheid van partners nooit de schijn van beïnvloeding mogen oproepen. In het geval van het onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» van KIS is die schijn wél ontstaan, en dat is onwenselijk.
De Islamitische Stichting Nederland (ISN) speelt voor veel mensen een religieuze en sociale rol. Tegelijkertijd is er al jaren een maatschappelijke discussie over de zorgen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding. Ten aanzien van de structuur van de betreffende organisatie zijn in het verleden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken afspraken gemaakt met de Turkse autoriteiten. Deze afspraken zijn door het Ministerie van SZW overgebracht aan en besproken met ISN.
Bij wetenschappelijk onderzoek is het essentieel dat de onafhankelijkheid en transparantie boven iedere twijfel zijn verheven. Juist om de uitkomsten van dergelijke onderzoeken niet te schaden en te waarborgen. De Minister van Werk en Participatie heeft eerder aangegeven de samenwerking met ISN in deze context geen verstandige keuze te vinden.1 Dit betekent overigens niet dat binnen andere context samenwerking met ISN is uitgesloten.
Welke due diligence heeft u uitgevoerd alvorens samen te werken met ISN, en waarom is de bekende voorgeschiedenis van Turkse inmenging daarin niet meegewogen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid alle subsidierelaties met ISN en de ISN Academie per direct op te schorten totdat volledige helderheid bestaat over de mate van Turkse staatsinvloed binnen deze organisatie?
Zie het antwoord op vraag 4.
In zijn algemeenheid: het nieuwe kabinet werkt – zoals de Minister van Werk en Participatie eerder heeft aangegeven in de beantwoording op schriftelijke vragen over dit onderwerp – aan een herijking van de koers en prioriteiten op het gebied van inburgering, integratie en samenlevingsvraagstukken, waaronder de samenwerking met maatschappelijke partners.2
Bent u bereid de AIVD (Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst) te vragen een actueel dreigingsbeeld op te stellen over de rol van de Turkse Diyanet en daaraan gelieerde organisaties in Nederland, en de Kamer daarover te informeren?
Daar zie ik geen aanleiding toe. De AIVD, MIVD en de NCTV hebben reeds in 2025 het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren gepubliceerd.
Bent u bereid de diplomatieke status van de heer Özgül opnieuw te beoordelen in het licht van zijn activiteiten buiten de ambassade, en zo nodig stappen te ondernemen richting de Turkse ambassade?
Het staat Turkije vrij om een diasporabeleid richting de Turkse diasporagemeenschappen in Nederland te voeren, en in dit kader relaties te onderhouden met de Islamitische Stichting Nederland, mits dit binnen de grenzen van de Nederlandse rechtstaat blijft en het de participatie van individuen in onze samenleving niet in de weg staat. Het kabinet blijft alert op signalen van diasporabeleid vanuit derde landen dat de grenzen van de gestelde kaders overschrijdt. Mochten deze signalen er zijn, dan neemt het kabinet verdere stappen. Het kabinet heeft op dit moment geen indicatie dat de activiteiten van de religieus attaché deze kaders te buiten gaan.
De Genocidezaak van Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de mogelijkheid voor staten om op grond van artikel 63 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof te interveniëren in de procedure die Zuid-Afrika heeft aangespannen tegen Israël inzake het Genocideverdrag?
Ja.
Klopt het dat staten tot omstreeks 12 maart 2026 nog een interventieverklaring kunnen indienen in verband met de procesplanning van het Hof? Zo ja, beschouwt u dit als een relevant beslismoment voor Nederland?
Ja. De uiterste datum voor indiening van een verklaring tot interventie in deze zaak was 12 maart 2026. Nederland heeft een verklaring tot interventie ingediend op 11 maart 2026.
Heeft de Nederlandse regering overwogen om gebruik te maken van het recht tot interventie in deze zaak? Zo ja, wanneer is deze afweging gemaakt en welke ministeries waren daarbij betrokken?
Ja, Nederland heeft een verklaring tot interventie ingediend. De uiterste deadline voor indiening van een verklaring tot interventie in deze was 12 maart 2026. In aanloop hiertoe is de afweging gemaakt een verklaring in te dienen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor het opstellen van dergelijke verklaringen tot interventie. Uw Kamer heeft een brief over dit onderwerp ontvangen op 17 maart 2026.1
Welke juridische, diplomatieke en politieke overwegingen spelen een rol bij de beslissing om al dan niet te interveniëren?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijst het kabinet naar de Kamerbrief over de Nederlandse verklaring tot interventie in de zaak Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof van 17 maart 2026.2
Deelt u de opvatting dat interventie op grond van artikel 63 primair betrekking heeft op de interpretatie van het Genocideverdrag en niet betekent dat een staat partij kiest in het onderliggende conflict? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord op deze vraag verwijst het kabinet naar de Kamerbrief over de Nederlandse verklaring tot interventie in de zaak Zuid-Afrika tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof van 17 maart 2026.3
Hoe verhoudt een eventueel besluit om niet te interveniëren zich tot: de verplichting van staten onder het Genocideverdrag om genocide te voorkomen; de Nederlandse inzet voor versterking van de internationale rechtsorde en de bijzondere positie van Nederland als gastland van internationale gerechtshoven?
Het indienen van de verklaring tot interventie is op zichzelf geen invulling van de verplichting tot voorkoming van genocide zoals opgenomen in het Genocideverdrag. Het kabinet beschouwt het van belang dat Nederland bijdraagt aan de consistente en uniforme uitleg van het internationaal recht. Interveniëren in een specifieke zaak kan daaraan bijdragen. Daarnaast acht het kabinet het van belang dat Nederland met deze interventie een bijdrage kan leveren aan een consistente uitleg van het Genocideverdrag, en zijn visie op de reikwijdte van relevante bepalingen kan geven.
Welke EU-lidstaten hebben inmiddels een interventie ingediend of aangekondigd, en heeft hierover afstemming plaatsgevonden binnen de Europese Unie?
De lijst van staten die een verzoek tot interventie hebben ingediend is te vinden op de website van het Internationaal Gerechtshof. De volgende lidstaten van de Europese Unie hebben een verklaring tot interventie ingediend: België, Hongarije, Ierland, Nederland, en Spanje. Hierover heeft geen inhoudelijke afstemming plaatsgevonden binnen de Europese Unie. Dit laatste is ook niet gebruikelijk.
Op welke wijze geeft Nederland momenteel invulling aan zijn verplichting om genocide te voorkomen in relatie tot de lopende procedure bij het Internationaal Gerechtshof?
Uit de lopende zaak tussen Zuid-Afrika en Israël vloeien op zichzelf geen verplichtingen tot voorkoming van genocide voort voor Nederland, aangezien Nederland geen partij is bij de zaak.
Bent u bereid om deze vragen vóór 11 maart te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Nederlands bedrijf exporteerde duizenden keren illegaal naar Rusland’ |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Berendsen , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RTL-bericht «Nederlands bedrijf exporteerde duizenden keren illegaal naar Rusland»?1
Ja.
Hoe kan het dat een Nederlands bedrijf zo lang ongemerkt illegaal producten kon exporteren naar Rusland via Azerbeidzjan die rechtstreeks nodig zijn voor de illegale oorlogsvoering ter waarde van tientallen miljoenen euro’s?
In algemene zin geldt dat sanctieomzeiling onacceptabel is. Daarom heeft de aanpak van sanctie-omzeiling de hoogste prioriteit voor het kabinet. Daarbij wordt ingezet op analyse van handelsstromen, samenwerking, handhaving en aanvullende sanctiemaatregelen waar nodig. De handhaving van sanctiemaatregelen ten aanzien van de in-, door- en uitvoer van goederen is de verantwoordelijkheid van de Douane in opdracht van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Daarbij wordt ook nadrukkelijk ingezet op het tegengaan van omzeiling.
In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat de Douane risicogericht handhaaft. Als er een verhoogd risico op sanctieomzeiling wordt geconstateerd, dan worden de gehanteerde risicoprofielen hierop aangescherpt. De Douane werkt nationaal en internationaal samen met andere (uitvoerings-)organisaties, de Europese Commissie en andere lidstaten om signalen die mogelijk op omzeiling wijzen uit te wisselen.
Desalniettemin blijft het tegengaan van omzeiling van de sanctiemaatregelen tegen Rusland via derde landen een grote uitdaging in de handhaving. Dit komt door de lange en complexe handelsketens, maar ook de omvang van handelsstromen vanuit Nederland. Over individuele bedrijven, specifieke handhavingsaanpak en de door de Douane onderkende risico’s doet het Kabinet geen uitspraken.
Is het bedrijf inmiddels gestopt met de illegale import? Op welke manier wordt dit gecontroleerd?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt het bedrijf gesanctioneerd, zo ja, wat is de sanctie? Zo nee, waarom niet?
Het schenden of omzeilen van EU-sancties geldt als een economisch delict. Wanneer vanuit de handhavingstaak van de Douane geconcludeerd wordt dat een bedrijf sancties heeft overtreden, wordt de zaak voorgelegd aan het OM voor strafrechtelijke vervolging. Zo heeft de Douane in 2025 422 handhavingsonderzoeken afgerond waar onder andere onderzoek is gedaan naar de naleving van de sanctiewetgeving. In 2025 zijn 16 onderzoeken overgedragen aan het Functioneel Pakket van het OM.
Wordt er meteen via het ImportGenius databedrijf uitgezocht of er meer illegale goederen worden geëxporteerd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet gebruikt diverse informatiebronnen om handelsstromen richting Rusland te onderzoeken en omzeiling op te sporen.
Heeft het bedrijf Valvoline AZ nog anderszins banden met Nederland?
Het kabinet gaat niet in op individuele bedrijven. Wanneer signalen over sanctieomzeiling naar specifieke entiteiten in derde landen aan het licht komen neemt de Douane gepaste actie om dit naar de toekomst toe te voorkomen. Daarnaast vinden uiteraard ook eventuele handhavingsacties binnen Nederland plaats.
Bent u bekend met het bericht dat tussen Wit-Rusland en Polen tunnels zijn aangetroffen die mogelijk zijn gegraven door terroristische organisaties zoals Hamas, Islamitische Staat (IS), Hezbollah of Iran-gelieerde groeperingen om illegale migranten Europa binnen te smokkelen?1
Ja.
Erkent u dat, als deze tunnels daadwerkelijk zijn gebruikt, er duizenden terroristen via deze route Europa en mogelijk dus ook Nederland kunnen zijn binnengekomen?
Nederland en de EU werken nauw samen om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. Een onderdeel van deze samenwerking is de intensieve informatie-uitwisseling tussen de verschillende veiligheidspartners. Alle betrokken veiligheidspartners blijven zowel nationaal als internationaal alert op mogelijke dreigingen en zetten zich onverminderd in om risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren.
Hoewel het bekend is dat terroristen mogelijk misbruik kunnen maken van migratiestromen is het overgrote deel van de migranten niet betrokken bij terrorisme. Dat dergelijke door de Poolse grensautoriteiten onderkende tunnels door migranten kunnen zijn benut is hoe dan ook een kwalijke zaak. Het kabinet onderstreept dan ook het belang van de inzet door landen aan de Europese buitengrens, in samenwerking met het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), om mogelijke irreguliere grenspassages tegen te gaan en de integriteit van de Europese buitengrens te beschermen. Lidstaten zijn daarbij verplicht om iedere persoon die zich aan de buitengrens van de Europese Unie (EU) meldt, aan een grenscontrole te onderwerpen.
Realiseert u zich dat één doorgelaten jihadist al voldoende is voor een bloedige aanslag op Nederlandse bodem?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe ziet u deze ontwikkeling in het licht van de oplopende spanningen met Iran en de angst voor de inzet van terroristische netwerken om aanslagen in Europa te plegen?
Het is bekend dat Iran en aan Iran gelieerde groepen in Europa doorgaans via clandestiene netwerken, terroristische of criminele proxy’s en (online) gerekruteerde individuen opereren, maar niet via logistiek complexe infrastructuur zoals tunnels. De oplopende spanningen hebben de hoogste aandacht van alle veiligheidsdiensten.
Kunt u ons garanderen dat via deze route géén personen met banden met jihadistische organisaties Nederland zijn binnengekomen? Zo nee, erkent u dat alle Nederlanders dus ernstig gevaar lopen?
Ondanks de strenge procedure en inspanningen kan er nooit een absolute garantie worden gegeven dat er geen personen Nederland binnenkomen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen. Nederland heeft een sterke en brede aanpak om signalen van terrorisme tijdig te onderkennen en personen die worden verdacht van misdrijven met een terroristisch oogmerk op te sporen, te vervolgen en, indien toepasselijk, te bestraffen.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 en 3 blijft het kabinet zich onverminderd inzetten om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. De bescherming van de nationale veiligheid vergt constante inspanning, nauwe samenwerking en gerichte implementatie van maatregelen.
Binnen de asiel- en nareisprocedure bestaan daarnaast verschillende maatregelen om eventuele risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren. Hier worden besluiten over toelating en verblijf per casus zorgvuldig afgewogen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is, binnen de nationale en Europese wettelijke kaders en met inachtneming van internationale verdragsverplichtingen. Onder de coördinatie van de NCTV is in 2023 een systeemcheck uitgevoerd over het tijdig onderkennen van signalen die de nationale veiligheid kunnen raken binnen de migratie- en veiligheidsketen. Uw Kamer is over de bevindingen en maatregelen geïnformeerd door middel van de Kamerbrief «Stand van zaken bestrijding misbruik asiel- en migratiestromen door terroristen».2
Hoeveel illegale migranten zijn in 2024 en 2025 via de oostelijke buitengrens de EU binnengekomen, hoeveel daarvan zijn in Nederland terechtgekomen en hoeveel van deze groep zijn daadwerkelijk uitgezet?
Volgens cijfers van Frontex werden in 2025 10.846 irreguliere grenspassages aan de oostelijke landgrens van de EU waargenomen, dit is 37% minder dan in 2024.3 Over het aantal migranten dat vervolgens doorreist naar Nederland, en het aantal daarvan dat (al dan niet gedwongen) terugkeert zijn geen cijfers beschikbaar. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de afgelegde reisroute niet in de cijfers wordt geregistreerd, en er voorts ook geen koppeling mogelijk is met de terugkeercijfers.
Bent u het eens dat, als Europa en Nederland overspoeld worden met miljoenen illegale migranten, miljoenen mensen moeten worden uitgezet en bent u bereid daartoe een massief uitzetprogramma te starten? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is het kabinet van mening dat de omvang van migratie naar Nederland ingeperkt moet worden. Dat geldt ook voor asielmigratie. Binnen de geldende internationale en Europese juridische kaders doet het kabinet dan ook wat kan om dit te bewerkstelligen. Een belangrijk sluitstuk van het migratiebeleid richt zich reeds op het bewerkstelligen van effectieve terugkeer, al dan niet door gefaciliteerde zelfstandige terugkeer middels terugkeer- en herintegratieondersteuning van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) of via gedwongen vertrek indien vreemdelingen vertrekplichtig zijn en niet meewerken aan zelfstandig vertrek. Zoals u ook kunt lezen in het regeerakkoord steunt het kabinet de nieuwe EU-terugkeerverordening waarmee onder andere de mogelijkheden voor gesloten opvang voorafgaand aan gedwongen vertrek worden verruimd. Het kabinet is hierbij tevens voorstander van het verruimen van het zogeheten bandencriterium, waardoor het gemakkelijker wordt op EU-niveau terugkeerafspraken te maken met landen buiten Europa. Bij afspraken over terugkeer- en transithubs waarborgt Nederland dat migranten nooit terug worden gestuurd naar een land waar zij het risico lopen om vervolgd te worden.4
Bent u het eens dat Wit-Rusland migratie inzet als hybride oorlogsvoering tegen Europa, dat dit bewuste ondermijning is van onze nationale veiligheid en dat daartegen harde tegenmaatregelen moeten volgen?
Het kabinet vindt de hybride dreiging door instrumentalisering van migratiestromen door Belarus onaanvaardbaar en heeft zich dan ook altijd voorstander getoond voor het sanctioneren van het Belarussische regime in Europees verband. Zo sprak de Europese Raad zich gezamenlijk al in 2021 uit tegen de hybride aanvallen aan de grenzen van de EU, en stelde daar gepast op te reageren richting het Belarussische regime.5 Zo werd de sanctieregeling aangepast waardoor ook opgetreden kan worden wanneer migranten worden ingezet voor politieke doeleinden, en zijn er om deze reden Europese sancties uitgevaardigd tegen Belarus. Sindsdien zijn er – mede in relatie tot de oorlog in Oekraïne – reeds verscheidene sanctiepakketten uitgevaardigd tegen het Belarussische regime en andere betrokkenen, ook in reactie op de hybride aanvallen tegen EU-landen.6
Bent u het eens dat dit precies laat zien waarom Nederland per direct een asielstop moet invoeren en weer volledige controle moet nemen over wie ons land binnenkomt? Zo nee, waarom niet?
Vreemdelingen die asielbescherming behoeven moeten die conform Europese en internationale verplichtingen ook kunnen krijgen. Een algehele asielstop is dus niet de juiste oplossing. Het kabinet staat voor een nieuw modern migratiemodel met meer grip migratie, een verlaging van de instroom en verhoging van de terugkeer van asielmigranten, fatsoenlijke opvang en sneller meedoen, en sturing op arbeidsmigranten. Het EU-migratiepact dat op 12 juni in werking treedt is een grote stap om meer grip te krijgen over wie er naar Nederland komt. Zoals toegelicht onder vraag 7 vormt een effectief terugkeerbeleid een sluitstuk van ons migratiebeleid, en zal de nieuwe EU-terugkeerverordening het Europese terugkeerbeleid effectiever maken en de nationale autoriteiten meer opties geven om terugkeer te effectueren. Daarnaast zet het kabinet onverkort in op nationale maatregelen en brengen we de asielketen op orde, spant het kabinet zich internationaal in voor de modernisering van het internationaal vluchtelingenrecht, en werkt het kabinet – zowel billateraal als in Europees verband – intensief samen met landen langs de migratieroutes met als doel het beperken van irreguliere migratie en het tegengaan van mensensmokkel, het bevorderen van terugkeer bij onrechtmatig verblijf en het bieden van bescherming aan migranten.
Kunt u deze vragen vóór vrijdag 6 maart om 12.00 uur beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt.
Het bericht dat Hamas ook bij Nederlandse hulporganisaties zoals Oxfam Novib een stevige vinger in de pap heeft. |
|
Annelotte Lammers (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving en internationale rapporten waaruit blijkt dat Hamas hulporganisaties in Gaza infiltreert, medewerkers plaatst binnen ngo’s en deze organisaties gebruikt als instrument voor haar eigen doeleinden?2
Ja.
Deelt u de mening dat het volstrekt absurd is wanneer een Nederlandse stichting met ANBI-status en subsidie, samenwerkt met organisaties die banden hebben met een terroristische organisatie?
Er is geen informatie voorhanden die de aantijgingen van NGO Monitor steunt.
Voor wat betreft deze casus; het kabinet heeft vertrouwen in de neutraliteit en onafhankelijkheid van het werk van partnerorganisaties waar Nederland mee werkt. Dit zijn professionele organisaties met een bewezen goede staat van dienst, óók in buitengewoon moeilijke contexten als Gaza waar risico’s nooit volledig uit te bannen zijn. Direct na 7 oktober 2023 heeft er een doorlichting van de Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de due diligence-processen die ervoor waken dat geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties, op orde zijn. Dat geldt ook voor de genoemde organisaties in het NGO Monitor rapport. Ook zijn er geen signalen naar voren gekomen dat Nederlands of Europees geld terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen. Het kabinet is hierdoor van mening dat terroristische organisaties zoals Hamas, direct noch indirect, gefinancierd worden met Nederlands belastinggeld. Bij elke subsidieaanvraag wordt er opnieuw op toegezien dat deze due diligence-processen (nog steeds) op orde zijn. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor3 en de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO Monitor.4
Realiseert de regering zich dat het direct of indirect financieren van een terroristische organisatie een misdrijf vormt en daarmee in strijd is met de wet?
Ja.
Kunt u garanderen dat tijdens uw ambtstermijn geen euro Nederlands belastinggeld, direct of indirect, terechtkomt bij organisaties die onder invloed staan van Hamas? Zo nee, waarom niet?
Nederland werkt samen met professionele en betrouwbare maatschappelijke organisaties, die beleid en gedegen procedures hebben om risico’s van malversaties te verkleinen, en die adequaat optreden in geval van zowel aantijgingen als bewezen malversaties. Dergelijke procedures bieden nooit volledige garanties, maar helpen risico’s te minimaliseren in de moeilijke noodhulpcontexten waarin veel van onze humanitaire partners werken.
Besluiten om bepaalde organisaties te financieren worden altijd zorgvuldig genomen, waarbij het voltooien van een Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) essentieel is. Deze assessment toetst onder andere op governance-structuren en de integriteit van organisaties. Organisaties met wie Nederland samenwerkt doen bovendien controle en screening van alle medewerkers (zowel nationale als internationale staf) en partners aan de hand van o.a. de sanctielijsten van de VN, EU en nationale instanties. Daarnaast worden afspraken gemaakt over tussentijdse monitoring, (onafhankelijke) evaluatie en audits van activiteiten met Nederlandse steun. Als uit het toezicht blijkt dat er mogelijk sprake is van fraude, verduistering of andersoortige malversaties, dan treedt het ministerie daar tegen op.
Hoe controleert u concreet dat Nederlands belastinggeld niet terechtkomt bij organisaties die onder invloed staan van terroristische organisaties?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid per direct een diepgaand onderzoek te starten naar Nederlandse organisaties, waaronder Oxfam Novib, om vast te stellen of en hoe zij, direct of indirect, bijdragen aan Hamas, en bij de geringste aanwijzing de ANBI-status onmiddellijk in te trekken, de subsidie te beëindigen en hier harde consequenties tegenover te plaatsen?
Nee. Zie de antwoorden op vragen 2, 4 en 5.
Hoe valt het te rijmen dat in het coalitieakkoord staat dat de samenwerking met UNRWA wordt hersteld, gezien de overduidelijke banden tussen UNRWA-medewerkers en Hamas en het feit dat Gaza feitelijk onder controle staat van deze terroristische organisatie?3
Diverse onafhankelijke onderzoeken, waaronder onderzoeken uitgevoerd door VN Office of Internal Oversight Services (OIOS) en het Colonna-rapport, stellen vast dat voor de aantijgingen van banden tussen UNRWA-medewerkers en Hamas geen verifieerbaar bewijs is geleverd. Daarnaast blijkt uit het Colonna-rapport dat UNRWA de benodigde mechanismen, procedures en beleid heeft om ervoor te zorgen dat de verplichting tot naleving van het neutraliteitsbeginsel wordt nageleefd. Tevens implementeert UNRWA de aanbevelingen komende uit het Colonna-rapport die de neutraliteit en integriteit verder versterken.
Bent u bekend met het recente besluit van de Duitse christendemocraten om onvoorwaardelijke steun aan UNRWA te beëindigen?4 Waarom kiest het kabinet daar niet voor?
Ja, ik ben bekend met dit besluit. Het kabinet ondersteunt het mandaat van UNRWA en hun cruciale werk om levensreddende humanitaire hulp te bieden in Gaza. Ook levert UNRWA essentiële basisdiensten, met name op gebied van gezondheidszorg en onderwijs, aan Palestijnse vluchtelingen in Gaza, de Westelijke Jordaanoever, Jordanië, Libanon en Syrië. Met het leveren van basisdiensten aan Palestijnse vluchtelingen draagt UNRWA bij aan stabiliteit in de regio. Daar is iedereen bij gebaat.
Bent u bereid de Nederlandse steun aan UNRWA onmiddellijk op te schorten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 8.