De taskforce staalslakken en de uitwerking van de handreiking |
|
Femke Wiersma (BBB), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Wat zijn precies het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de ingestelde taskforce rondom staalslakken?
In de kamerbrief van 18 december 2025 staan het doel, de opdracht en de beoogde resultaten van de Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak (Taskforce) beschreven: De Taskforce komt tot een gezamenlijke aanpak met als doel:
De te verwachten resultaten van de Taskforce zijn een risicoclassificatie voor verschillende typologieën van staalslaktoepassingen en een handreiking voor bevoegde gezagen. Daarnaast zal gekeken worden hoe en op welke wijze relevante kennis over toepassing van staalslak publiekelijk beschikbaar kan worden gesteld.
Welke organisaties, bestuurslagen en overige partijen nemen deel aan deze taskforce? Kunt u een volledig overzicht van de deelnemers aan de Kamer doen toekomen?
De Taskforce is een samenwerking tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Interprovinciaal Overleg en Unie van Waterschappen, met deelname van Omgevingsdienst NL en GGD GHOR Nederland, onder leiding van een onafhankelijk voorzitter de burgemeester van Haarlem de heer Jos Wienen. Vanuit IPO is gedeputeerde Sjaak Simonse (Flevoland) en vanuit VNG zijn de wethouders Suzanne Klaassen (Beverwijk) en Eva van Esch (Arnhem) bereid gevonden om op persoonlijke titel deel te nemen aan de Taskforce. Verder zijn de Unie van Waterschappen, Omgevingsdienst NL en GGD GHOR Nederland op ambtelijk niveau vertegenwoordigd in de Taskforce.
Op welke wijze wordt geborgd dat de taskforce evenwichtig is samengesteld en verschillende maatschappelijke en bestuurlijke belangen vertegenwoordigt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is vanuit de provincie Zeeland ook de gedeputeerde met natuur in portefeuille bij de taskforce betrokken? Zo nee, waarom niet?
Nee. Aan het Bestuurlijk Overleg Bodem (BO) nemen namens het IPO twee gedeputeerden deel: de gedeputeerde van de provincie Zeeland en de gedeputeerde van de provincie Flevoland. Het resultaat van de Taskforce wordt aangeboden aan het BO te zijner tijd. De gedeputeerde van Flevoland is op persoonlijke titel lid van de Taskforce.
Voor de Ooster- en Westerschelde loopt er een aparte actielijn waarbij de gedeputeerde Natuur van de provincie Zeeland betrokken is (zie het antwoord op vraag 10).
Kunt u bevestigen dat provincies, gemeenten en waterschappen, ondanks de landelijke handreiking aangekondigd in de Kamerbrief van 5 juni 2026 (Kamerstuk 30 015, nr. 152), bevoegd blijven om verdergaande maatregelen te treffen, waaronder een lokaal verbod of aanvullende beperkingen op de toepassing van staalslakken, indien zij dat noodzakelijk achten?
Ja. In mijn brief heb ik aangegeven dat mijn voornemen is om in 2027 een verbod in te voeren voor de toepassing van LD- en ELO-staalslak tenzij hiervoor een vergunning kan worden verkregen omdat de toepasser kan aantonen dat een toepassing veilig is vanuit het oogpunt van milieu- en gezondheid. Zoals ook aangegeven is de handreiking bedoeld ter ondersteuning van de bevoegde overheden bij het toetsen of een voorgenomen toepassing veilig kan voor mens en milieu. Een handreiking doet niets af aan de bevoegdheden van lokale bevoegde gezagen om maatwerkregels op te stellen.
Wie is verantwoordelijk voor het opstellen van de landelijke handreiking, welke wetenschappelijke kennis en onafhankelijke deskundigen worden hierbij betrokken, en op welke wijze wordt de onafhankelijkheid en wetenschappelijke kwaliteit van de handreiking geborgd?
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat neemt het initiatief om een handreiking op te stellen die kan helpen bij de vergunningverlening. Ten eerste wordt de handreiking gebaseerd op objectief literatuuronderzoek en de actuele stand van de wetenschap. Ten tweede worden er expertsessies georganiseerd waarvoor zowel kennisinstellingen als partijen met praktijkervaringen in het veld worden uitgenodigd. Ook wordt de op dat moment beschikbare informatie van RIVM hiervoor gebruikt.
Wie worden uitgenodigd voor de expertsessies die in de tweede helft van dit jaar worden georganiseerd? Kunt u bevestigen dat daarbij niet alleen onderzoeksinstellingen en overheden, maar ook vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, onafhankelijke wetenschappers, juristen en andere relevante maatschappelijke organisaties worden betrokken? Zo nee, waarom niet?
De expertsessies staan gepland voor de tweede helft van dit jaar (september/oktober en december) en er wordt op dit moment bekeken wie daarbij aanwezig moeten zijn.
De expertsessies worden georganiseerd om een handreiking op te kunnen stellen als praktisch toetsingskader om bevoegde gezagen (zoals de omgevingsdiensten) te ondersteunen bij het beoordelen van de milieu- en gezondheidsrisico's (zoals uitloging en pH-verhoging) bij vergunningaanvragen. Het ligt niet voor de hand om daar vertegenwoordigers van omwonendenorganisaties, maatschappelijke organisaties of externe juristen worden betrokken. Deze partijen kunnen wel input geven op het voorgenomen besluit tot het invoeren van een verbod tenzij de toepassing veilig kan en er een vergunning is verleend via de internetconsulatie waarvan de start gepland staat in september.
Snapt u dat het geen vertrouwen wekt bij burgers dat een burgemeester die staalslakken prima vindt en weigerde die te verwijderen voor zijn inwoners, als voorzitter van de taskforce in een belangrijke positie is gezet om te helpen bij het invullen van beleid over staalslakken?
De voorzitter van de Taskforce is gevraagd op basis van zijn ervaring als lokaal bestuurder. De stelling in de vraag is onjuist. Een burgemeester voert op dit onderwerp ook geen eigen beleid. De Taskforce staat los van beslissingen die het college van B&W van de gemeente Haarlem, als bevoegd gezag, heeft genomen of zal nemen over locaties waar staalslakken zijn aangetroffen in de gemeente Haarlem.
Voor wat betreft het collegebeleid in Haarlem heb ik het volgende begrepen: Er is vorig jaar vooruitlopend op een nationaal beleid, door de gemeente Haarlem een meldplicht voor het toepassen van staalslakken ingesteld. Daarnaast is er onderzoek gedaan door de gemeente waar staalslakken zijn gebruikt en is advies van de GGD-GHOR ingewonnen. Op een locatie zijn op basis daarvan de staalslakken afgedekt (recreatieschap in overleg met gemeente) en op de andere locatie worden de staalslakken op basis van advies GGD op dit moment niet verwijderd of aangepast. Verdere landelijke regeling of adviezen worden afgewacht door de gemeente Haarlem.
De door de Taskforce op te stellen handreiking voor bestaande toepassingen staalslak biedt handvatten hoe om te gaan met bestaande toepassingen door bevoegde gezagen. De Taskforce zelf stelt geen beleid op.
Wat is de precieze opdracht van de taskforce, die voortkomt uit de aangehouden motie van het VNG-congres vorig jaar over een schadefonds voor staalslakken? Mag de taskforce het ook hebben over geld voor het herstellen van schade van staalslakken, zoals dus bedoeld was? Zo nee, waarom wordt afgeweken van de originele intenties en hoe gaat het schadefonds dan worden opgepakt?
Zie het antwoord op vraag 1. De Taskforce kijkt naar het type van toepassingen van staalslak en mogelijke maatregelen op basis van de risicoclassificatie. De Taskforce is niet het gremium waar wordt gesproken over een schadefonds of een andere vorm van financiering en het herstellen van schade van staalslakken en zal dan ook daarover geen uitspraken doen. In de Bestuurlijke afspraken Bodem en ondergrond 2023 t/m 20301 hebben IenW, VNG, IPO en UvW afspraken gemaakt over het financieel kader van de aanpak van bodem- en grondwaterverontreinigingen. In dat kader kan mogelijke financiering aan de orde komen.
Hoe staat het ervoor met de uitvoering van motie van de leden Wiersma en Kostić over het verbod op het storten en toepassen van staalslakken in Zeeuwse wateren handhaven totdat is aangetoond dat toepassing hiervan veilig is (Kamerstuk 30 015, nr. 145)?
De periode waarover is toegezegd dat er fysiek geen staalslak zal worden toegepast door Rijkswaterstaat in de Ooster- en Westerschelde, is verlengd met een half jaar tot 23 januari 2027, zie ook de Kamerbrief van 5 juni 20262. Op 18 juni 2026 had ik bestuurlijk overleg met vertegenwoordigers van gedeputeerde staten van Zeeland, de Vereniging Zeeuwse Gemeenten, de visserijsector en de natuur- en milieuorganisaties. In de Kamerbrief van 2 juli 20263 heb ik aan u aangegeven dat daar is afgesproken om een expertsessie te organiseren met als doel te achterhalen of er kennishiaten zijn t.a.v. de lange termijneffecten van toepassingen met staalslak in de Ooster- en Westerschelde. Deze expertsessie zal in het najaar plaatsvinden en aan de hand van de uitkomsten daarvan zal ik met de gesprekspartners van het bestuurlijk overleg Zeeland staalslak overleggen over het vervolg.
De expertsessie voor de Ooster- en Westerschelde staat los van de expertsessie die in het kader van de handreiking vergunningverlening worden georganiseerd (zie het antwoord op vraag 7).
Kunt u de bovenstaande vragen één voor één beantwoorden en op tijd?
Ja.
De vindbaarheid van de Waterbus in digitale reisplanners |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat de Waterbus, ondanks dat deze onderdeel is van het openbaar vervoer en door reizigers hoog wordt gewaardeerd, in digitale reisplanners niet altijd als volwaardig reisalternatief zichtbaar is?
Ja, hiermee ben ik bekend.
Deelt u de opvatting dat reizigers moeten kunnen rekenen op volledig en betrouwbaar reisadvies, waarin relevante vervoersopties op een logische en evenwichtige wijze worden meegenomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze opvatting deel ik.
Klopt het dat de Waterbus in sommige reisplanners pas als aantrekkelijk alternatief verschijnt wanneer reizigers handmatig specifieke instellingen aanpassen, bijvoorbeeld door expliciet «fiets» te selecteren voor voor- en natransport?
Dit klopt. Reisplanners worden gemaakt door marktpartijen die zelf beslissen welke reisinformatie wordt opgenomen en op welke wijze deze wordt getoond. En dus is het mogelijk dat door een marktpartij gemaakt keuze de reiziger meer moeite moet doen voor de gewenste reisinformatie. Marktpartijen maken gebruik van de open data van de Nationale Data OV (NDOV)-loketten. Deze NDOV-loketten zorgen voor de distributie van actuele reisinformatie van het openbaar vervoer in Nederland.
Hoe beoordeelt u het dat een bestaande OV-verbinding hierdoor mogelijk onvoldoende zichtbaar is voor reizigers die niet al bekend zijn met deze optie?
Het is voor de reiziger vervelend als niet alle beschikbare opties direct vindbaar zijn. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Welke afspraken bestaan er over de opname van concessievervoerders en andere OV-aanbieders in digitale reisplanners en in hoeverre wordt daarbij gestuurd op volledigheid en gebruiksvriendelijkheid van reisinformatie?
In vrijwel alle OV-concessies is opgenomen dat vervoerders correcte en actuele dienstregelings- en realtime-reisinformatie moeten leveren. Het NODV is vervolgens de raadpleegbare dataset. Zie ook het antwoord op vraag 3.
In hoeverre is de constatering juist dat kleinere vervoerders, zoals personenvervoer over water, in tegenstelling tot grote vervoerders als de NS en platforms als 9292 en Google Maps, soms te maken krijgen met beperkte prioriteit of relatief hoge drempels om goed geïntegreerd te worden in breed gebruikte reisplanners?
De Waterbus valt onder de concessie van de provincie Zuid-Holland. De provincie Zuid-Holland kan als concessieverlener voorschrijven welke ov-data gedeeld moet worden en in welk format aan het NDOV-loket. De provincie gaat echter niet over hoe marktpartijen in de reisplanners deze brondata van het NDOV-loket omzetten in een passend reisadvies.
De wijze waarop reisopties worden weergegeven is aan de aanbieders van reisplanners zelf. Zij hanteren daarvoor hun eigen algoritmen en criteria, bijvoorbeeld ten aanzien van reistijd, overstappen en de relevantie van reisopties. Ik herken dat kleinere vervoerders hierdoor minder mogelijkheden kunnen hebben om invloed uit te oefenen op de wijze waarop hun aanbod in reisplanners wordt weergegeven dan grotere marktpartijen. Juist daarom werkt de Europese Commissie aan nieuwe regelgeving.
Om een open en eerlijke markt voor ticketverkoop en reisinformatiediensten te bevorderen, en daarmee ook een gelijker speelveld te creëren voor kleinere vervoerders, heeft de Europese Commissie op 13 mei 2026 wetgevingsvoorstellen gepubliceerd over multimodale digitale mobiliteitsdiensten en de verkoop van treintickets. De voorstellen moeten onder meer zorgen voor betere toegang tot ticket- en reisinformatie. Daarnaast bevatten zij regels die aanbieders van mobiliteitsplatforms verplichten reisopties van verschillende vervoeraanbieders op transparante en non-discriminatoire wijze weer te geven. Op 19 juni 2026 is het BNC-fiche met de Nederlandse inzet aan de Tweede Kamer aangeboden1.
In hoeverre geldt dat ook voor concessieverleners, omdat zij geen sturingsmogelijkheden hebben op informatie die voor de reizigers beschikbaar komt en de ontwikkelagenda rond ov-reisinformatie?
Er is voor gekozen om vervoerders wettelijk te verplichten reisinformatie te verstrekken aan de NDOV-reisinformatieloketten, maar het aan marktpartijen te laten op welke wijze het gebruik van deze informatie wordt gebruikt in hun reisplanners.
Deelt u de mening dat dit kan leiden tot minder efficiënt gebruik van bestaande vervoerscapaciteit en suboptimale reisadviezen voor reizigers? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie ook het antwoord op vraag 2.
Welke rol ziet u voor de Rijksoverheid – als systeemverantwoordelijke – om te bevorderen dat reizigers een zo volledig mogelijk overzicht krijgen van beschikbare reisopties?
Door toenemende digitalisering van het mobiliteitssysteem is het belang van de beschikbaarheid en vindbaarheid van mobiliteitsdata toegenomen. Daarom heeft de Rijksoverheid het Digitaal Stelsel Mobiliteitsdata (DSM) opgericht. Binnen het stelsel maken publieke en private aanbieders en afnemers van data afspraken over bijvoorbeeld standaarden en datakwaliteit, zodat gegevens op een betrouwbare en uniforme manier kunnen worden uitgewisseld. Hiermee geven de stelselpartijen tevens invulling aan Europese wet- en regelgeving over het digitaal toegankelijk maken van belangrijke mobiliteitsinformatie zoals dienstregelingen en tarieven in het ov. Daardoor kunnen aanbieders van mobiliteitsdiensten deze gegevens gebruiken in bijvoorbeeld routeplanners en navigatieapps. Reizigers krijgen zo betere en actuelere reisinformatie.
Het systeem voor reizigersinformatie werkt in de basis goed, en ik zie geen aanleiding om het te veranderen. Wel houd ik samen met het Samenwerkingsverband Decentrale Vervoersautoriteiten (DOVA) vinger aan de pols bij de reisinformatieketen van het openbaar vervoer en kijken we samen hoe de reisinformatie voor de reiziger steeds verder verbeterd kan worden.
Deelt u de opvatting dat dit een aanjagende rol zou kunnen zijn bij het doorontwikkelen van landelijke reisplanners naar echt multimodale reisplanners? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 9. Deze aanjagende rol wordt al aangenomen.
Bent u ermee bekend dat onderzoek van Rover uit 2024 in het rapport «Reisadvies op Maat» heeft laten zien dat alle reisplanners nog niet multimodaal zijn en de «fiets» in voor- en natransport geen volwaardige plek heeft?
Ja, hiermee ben ik bekend.
Wat is de status van de opvolging van de aanbevelingen van het Nationaal Toegangspunt Mobiliteitsdata (NTM) die in 2024 door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is gevraagd een marktverkenning uit te voeren naar een maatschappelijke reisplanner?
Ik ben bekend met het rapport. Dit betreft een kleinschalige marktverkenning naar de zogenoemde «maatschappelijke reisplanner»: een multimodale reisplanner die duurzame en gezonde reisopties faciliteert en reizigers inzicht biedt in de verschillende beschikbare reisopties. Uit het rapport blijkt dat reisplanners op dit moment nog niet volledig aan deze maatschappelijke uitgangspunten voldoen. Een belangrijke oorzaak is dat bepaalde typen mobiliteitsdata nog niet via het Nationaal Toegangspunt Mobiliteitsdata beschikbaar worden gesteld of dat de kwaliteit van deze data nog onvoldoende is. Binnen het DSM wordt hieraan gewerkt. Ik verwijs hiervoor tevens naar het antwoord op vraag 9. De uitkomsten van de marktverkenning zijn daarnaast gedeeld met de betrokken partijen en de bredere mobiliteitssector. Daarmee wordt aandacht gevraagd voor het belang van het beschikbaar stellen en delen van kwalitatief goede (multimodale) mobiliteitsdata. Dit draagt eraan bij dat reizigers beter in staat worden gesteld om de juiste mobiliteit op de juiste plaats en tijd te kiezen.
Hoe beziet u de onvolledigheid van multimodale reisplanners, waarin bestaande alternatieven zoals de Waterbus en anderen vaak pas na een handmatige zoekopdracht zichtbaar worden, in het licht van de grote bereikbaarheidsopgaven en de komende werkzaamheden aan bruggen, tunnels en andere infrastructuur?
Zie het antwoord op vraag 1 en 9.
Ziet u mogelijkheden om deze alternatieven beter vindbaar en daarmee beter benutbaar te maken?
Zie de antwoorden op de vragen 3 en 9.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met betrokken partijen en de Kamer te informeren over mogelijkheden om multimodale reisinformatie te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Deze gesprekken vinden reeds plaats, zie ook het antwoord op vraag 9.
Het uitzetten van het stroomnet in Brabant vanwege overbelasting en netcongestie |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Buitenlandse bedrijven mijden Nederland door dreiging netcongestie»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het tijdelijk afschakelen van delen van het stroomnet?
Na vernomen te hebben dat netbeheerder Enexis zich genoodzaakt zag over te gaan tot het tijdelijk afschakelen van ongeveer 18.000 klanten in en nabij Tilburg, is direct contact gelegd met de netbeheerder om goed geïnformeerd te worden over de situatie. Een stroomstoring is altijd een vervelende situatie voor de getroffen huishoudens en bedrijven. Hoewel later is gebleken dat de aanleiding een foutieve meetweergave was (zie het antwoord op vraag 3), hebben de medewerkers van Enexis, met beperkte tijd en informatie op dat moment, juist gehandeld. Daarbij is het indrukwekkend dat Enexis bij 17.900 klanten de stroom binnen een kwartier heeft hersteld en bij de laatste 90 getroffen klanten binnen 40 minuten.
Is de exacte oorzaak van deze situatie inmiddels bij u bekend? Zo ja, wat is deze oorzaak? Zo nee, bent u bereid dit nader te laten uitzoeken en de Kamer hierover alsnog te informeren?
Ja, de oorzaak is bekend. De afschakeling van een deel van het stroomnet in Tilburg was niet het gevolg van een daadwerkelijke stroompiek. Uit nadere analyse is gebleken dat meetapparatuur na werkzaamheden was teruggevallen naar de fabrieksinstellingen, waardoor ten onrechte een aanzienlijk hogere stroomdoorvoer werd geregistreerd dan feitelijk het geval was. Op basis van de op dat moment beschikbare informatie was afschakeling noodzakelijk om de netveiligheid te waarborgen en daarmee mogelijk langdurige uitval door herstelwerkzaamheden van kapotte apparatuur te voorkomen. Enexis doet onderzoek hoe het kan dat de apparatuur is teruggevallen naar de fabrieksinstellingen om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen.
Verwacht u dat dergelijke noodmaatregelen vaker nodig zullen zijn? Zo ja, met welke frequentie verwacht u dat dit zal gebeuren en wat is naar verwachting de duur per verstoring?
De druk op het stroomnet neemt op verschillende plekken toe. Netbeheerders nemen maatregelen om overbelasting zoveel mogelijk te voorkomen, zoals de inzet van de storingsreserve op het stroomnet, mobiele batterijen en afspraken met bedrijven over hun afname van elektriciteit. Desondanks is niet uit te sluiten dat in uitzonderlijke situaties noodmaatregelen nodig zijn. De frequentie waarmee dit zou kunnen voorkomen is niet generiek te voorspellen; dit is sterk afhankelijk van lokale (weers)omstandigheden en de actuele belasting van het net.
Wordt er bij dergelijke beslissingen door netbeheerders gecommuniceerd met kritieke sectoren en de overheid? Zo ja, hoe verloopt deze communicatie? Zo nee, waarom niet en wordt dit op termijn alsnog ingericht?
Bij elke collectieve storing of collectieve afschakeling informeert de netbeheerder direct na de gebeurtenis, binnen vijf minuten, de betreffende veiligheidsregio over het getroffen gebied, het aantal getroffen klanten en verwachte eindtijd. Dit is ook bij het incident in Tilburg gebeurd. Bij grote of langdurige storingen sturen de netbeheerders tussentijdse updates. Er is doorlopend goed contact tussen netbeheerders en de crisisorganisaties in de veiligheidsregio, en zij trainen gezamenlijk op dergelijke scenario’s.
Netbeheerders werken aan manieren om klanten snel te waarschuwen op het moment er een voorzienbare afschakeling aan komt. In de praktijk zullen overbelastingssituaties vaak een onverwacht en acuut karakter hebben, waardoor binnen enkele minuten moet worden besloten tot afschakeling. In dergelijke situaties is voorafgaande communicatie niet altijd mogelijk, anders dan bij bijvoorbeeld geplande werkzaamheden.
Deelt u de zorg dat dit incident laat zien dat netcongestie niet langer alleen een probleem is voor nieuwe aansluitingen of uitbreidingen, maar inmiddels ook raakt aan de betrouwbaarheid van de bestaande stroomvoorziening?
Dit incident werd niet veroorzaakt door netcongestie; zie het antwoord op vraag 3.
Komt u met een vervolg op of aanvulling van het Landelijk Actieprogramma Netcongestie, aangezien de waarschuwingen over het vollopende stroomnet elkaar haast wekelijks opvolgen? Wanneer verwacht u de eerste resultaten van de maatregelen?
Het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) is een belangrijke pijler van de aanpak van netcongestie door het kabinet, samen met netbeheerders, medeoverheden, marktpartijen en de ACM. Het is sinds de start een «levend programma»: het wordt doorlopend aangevuld en bijgestuurd aan de hand van ontwikkelingen en resultaten. De afgelopen tijd zijn bijvoorbeeld acties uit het Aansluitoffensief2 en de aanpak sneller uitbreiden elektriciteitsnet3 toegevoegd aan het LAN. Ik heb uw Kamer op 30 juni jl. geïnformeerd4 over de nieuwe structuur van het LAN, gericht op sneller en effectiever handelen en op versterking van de samenwerking en wisselwerking tussen regionale trajecten en landelijk beleid.
Voor de voortgang en resultaten van het LAN verwijs ik naar de voortgangsrapportages en begeleidende brieven die uw Kamer twee keer per jaar ontvangt5, waarin onder meer de fysieke netuitbreiding en afgesloten flexibele contracten worden bijgehouden. In de genoemde brief van 30 juni zijn aanvullend enkele concrete resultaten genoemd in specifieke gebieden (Zeeland, Oostzaan) waar extra ruimte op het net is gevonden voor partijen op de wachtrij.
Hoe hoog verwacht u dat de maatschappelijke effecten zijn van de directe kosten van netuitbreiding die richting 2040 oplopen tot 270 miljard euro2, en het overvolle stroomnet dat tegelijkertijd uitbreidingen en economische groei remt? Als dit onbekend is, bent u dan bereid hiervan een raming te maken, uitgesplitst naar vermeden investeringen, beperking van economische groei en banen?
De schaarste aan transportcapaciteit voor elektriciteit kan bedrijven belemmeren bij gewenste uitbreiding of vestiging in Nederland. Dit heeft gevolgen voor de economische groei en de werkgelegenheid. Op basis van onderzoek van Ecorys7 schat BCG in dat Nederland circa € 10 tot € 35 mld. per jaar aan economische baten misloopt door netcongestie8. Er staan op dit moment bij de regionale netbeheerders zo’n 15.000 partijen op de wachtrij voor grootverbruik, voor in totaal ruim 9.300 MW aan afnamecapaciteit. Dit betreft voor een groot deel (industriële) bedrijven met ambities voor groei en/of verduurzaming. Deze situatie onderstreept de urgentie van de aanpak van netcongestie voor de economie en de energietransitie. Er bestaan echter grote verschillen tussen economische sectoren en individuele bedrijven in zowel de toegevoegde waarde per MWh gebruikte elektriciteit, als in de mate waarin mitigerende maatregelen en alternatieven beschikbaar zijn, zoals vraagverschuiving in de tijd en opwek of opslag «achter de meter». In het algemeen geldt dat zowel het financiële resultaat van individuele bedrijven als de groei van de economie als geheel van vele factoren afhankelijk is, waar netcongestie er één van is. Het is zodoende onmogelijk om te kwantificeren hoeveel bedrijven als gevolg van netcongestie niet in Nederland hebben geïnvesteerd. Met het Aansluitoffensief9 werken netbeheerders, bedrijfsleven en overheid samen om meer bedrijven te helpen om ondanks netcongestie uit te kunnen breiden. Ook nemen regionale netbeheerders initiatieven om bedrijven op de wachtrij voor vaste capaciteit actief te benaderen om capaciteit aan te bieden op momenten dat die wél beschikbaar is.
Kunt u in cijfers uitdrukken hoeveel bedrijven Nederland hebben gemeden of zijn uitgeweken naar het buitenland, hoeveel banen dit Nederland kost en wat de economische kosten hiervan zijn, aangezien ook internationale bedrijven niet meer naar Nederland komen vanwege netcongestie?
Zie antwoord vraag 8.
Worden de ontwikkelingen op het stroomnet en de gevolgen hiervan voor het investeringsklimaat ook meegenomen in de modellen voor voorspellingen over de verwachte energievraag? Zo ja, waar en op welke wijze? Welke gevolgen heeft dit tot op heden voor de prognoses?
Ja. Beelden van de toekomstige energievraag worden gemaakt door o.a. het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in de jaarlijkse Klimaat- en Energieverkenning (KEV), door de netbeheerders ten behoeve van hun investeringsplannen, en door het Ministerie van EZK als onderdeel van het Nationaal Plan Energiesysteem. In de KEV schetst het PBL de verwachte energievraag bij vastgesteld en voorgenomen beleid en maakt daarbij gebruik van actuele marktverwachtingen en andere omstandigheden zoals netcongestie. De netbeheerders monitoren continu de ontwikkelingen in de energievraag en betrekken de bredere economische en investeringsontwikkelingen bij analyses en scenario’s van het energiesysteem. De meest recente uitwerking hiervan is de Verkenning Vertraagde Transitie (VVT) van Netbeheer Nederland10, gebaseerd op actuele trends en ontwikkelingen. Dit scenario heeft als doel om beschikbare netcapaciteit in beeld te brengen via een realistische korte termijn voorspelling van elektriciteitsvraag, rekening houdend met netcongestie. De verwachte elektriciteitsvraag is daarin naar beneden bijgesteld. Alle congestieonderzoeken worden uiterlijk eind 2026 up-to-date gemaakt met het VVT scenario. Naar verwachting gaat dit in sommige gebieden significante ruimte bieden aan de wachtrij. Deze verkenning is aanvullend op de scenario’s11 voor de langere termijn die Netbeheer Nederland tweejaarlijks opstelt als basis voor hun investeringsplannen. Naar verwachting publiceren de netbeheerders begin 2027 nieuwe scenario’s.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het einde van juli beantwoorden?
Helaas is het, mede door de vakantieperiode, niet gelukt om tijdig alle voor de beantwoording noodzakelijke informatie in te winnen.
Het bericht ‘Gezondheidsraad beschouwt vliegtuiguitstoot als kankerverwekkend’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gezondheidsraad beschouwt vliegtuiguitstoot als kankerverwekkend»?1
Ja.
Welke signalen heeft u de afgelopen jaren gekregen waaruit blijkt dat het platformwerk op Schiphol een risico voor de gezondheid van werknemers oplevert? Wat heeft u gedaan met deze signalen?
In 2021 bracht Zembla de uitzending «Ziek van Schiphol» uit. Hierin werd aandacht gevraagd voor werknemers die werken met gevaarlijke stoffen op Schiphol, met name dieselmotoruitstoot (DME), kerosinemotoruitstoot (KME, ook vaak aangeduid als vliegtuigmotoruitstoot) en ultrafijnstof. Eind 2021 heeft de FNV een handhavingsverzoek ingediend bij de Nederlandse Arbeidsinspectie. Het verzoek was om bij Schiphol onderzoek te doen naar en te handhaven op de blootstelling aan uitlaatgassen en de arbozorgverplichtingen. De Arbeidsinspectie heeft naar aanleiding van het verzoek van de FNV een handhavingstraject ingezet. Over het toezicht van de Arbeidsinspectie op Schiphol is uw Kamer eerder geïnformeerd, onder andere in de brief van 28 januari 2025.2
Mijn ministerie is verantwoordelijkheid voor het arbeidsomstandighedenstelsel. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid heb ik verschillende stappen gezet:
Schiphol en de werkgevers op Schiphol zijn op grond van de Arbeidsomstandighedenwet primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig werken op de luchthaven. Schiphol heeft een plan van aanpak opgesteld voor het gezond en veilig werken met DME en KME. Schiphol geeft hier samen met de andere werkgevers op het terrein uitvoering aan. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de uitvoering hiervan.
Ook het Ministerie van IenW zet zich in voor het stimuleren van het duurzaam taxiën, voor zover dit technisch mogelijk is. In het Akkoord Duurzame Luchtvaart (2018) hebben de overheid en luchtvaartsector zich gecommitteerd aan de ambitie om duurzaam taxiën in 2030 de standaardprocedure te laten zijn voor het gehele luchthaventerrein. Deze ambitie staat ook in de Luchtvaartnota 2020–2050. De luchtvaartsector heeft in dit kader al verschillende stappen gezet. Zo wordt sinds mei de eerste elektrische taxibot op Schiphol ingezet. Later dit jaar volgen nog drie additionele elektrische taxibots, waardoor de inzet kan worden uitgebreid naar meer vliegtuigtypes. De implementatie is echter complex. Technische, operationele en infrastructurele beperkingen maken dat nog niet bij alle vliegtuigtypen, niet voor alle startbanen en niet op alle opstelposities taxitowvoertuigen ingezet kunnen worden. De sector werkt hard aan deze uitdagingen om waar mogelijk verdere opschaling te realiseren.
Deelt u de conclusie van de Gezondheidsraad dat werknemers beter beschermd moeten worden tegen beroepsmatige blootstelling aan kerosinemotoremissie?
De Gezondheidsraad concludeert dat er voldoende bewijs is om te veronderstellen dat het mengsel KME kankerverwekkend is (classificatie categorie 1B). Werkgevers zijn op basis van de Arbowetgeving verplicht om blootstelling aan kankerverwekkende stoffen te minimaliseren, voor zover dat technisch mogelijk is. RIVM heeft in 20245 al aangetoond dat er verschillende kankerverwekkende stoffen in KME zitten. Voor deze stoffen gold de minimalisatieverplichting al. Het Gezondheidsraadadvies verduidelijkt dat de genoemde minimalisatieverplichting ook voor het mengsel KME geldt. In mijn brief van 2 juli 20266 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het Gezondheidsraadadvies over KME.
De Gezondheidsraad beoordeelt uitsluitend de eigenschappen van stoffen en mengsels. De beoordeling van de blootstelling op de werkplek en de getroffen beheersmaatregelen valt onder de verantwoordelijkheid van werkgevers. Schiphol en de werkgevers op het terrein zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig werken op de luchthaven en het minimaliseren van de blootstelling aan DME en KME binnen de kaders van de Arbowetgeving. Schiphol heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld en werkt samen met de andere werkgevers aan de uitvoering hiervan. De Arbeidsinspectie houdt hier toezicht op.
Gaat u op korte termijn extra beschermende maatregelen nemen om medewerkers preventief te beschermen tegen kerosinemotoremmissie zolang het onderzoek van het RIVM loopt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, om welke maatregelen gaat dit?
Het treffen van beschermende maatregelen is de verantwoordelijkheid van Schiphol en de werkgevers op het terrein. Zij zijn op basis van de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving verplicht om de beroepsmatige blootstelling aan DME en KME zo snel mogelijk te minimaliseren, voor zover dit technisch mogelijk is. De luchtvaartsector heeft hiervoor een plan van aanpak opgesteld. De maatregelen die daarin worden genoemd zijn bijvoorbeeld het elektrificeren van het grondmaterieel en vliegtuigvoorzieningen, het minimaliseren van het gebruik van de hulpmotor (APU) en het stimuleren van duurzamer taxiën. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de uitvoering hiervan.
Bereidt u naar aanleiding van het rapport van de Gezondheidsraad en zolang het onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) loopt andere maatregelen voor? Zo ja, om welke maatregelen gaat dit?
Ja. Op basis van het Gezondheidsraadadvies neem ik het mengsel KME op in de SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen en processen. Deze lijst is een hulpmiddel voor werkgevers en werknemers. De lijst bevat alle stoffen en processen die als kankerverwekkend geclassificeerd zijn. En alle stoffen en processen die geclassificeerd zijn als «schadelijk voor de voortplanting» (reprotoxisch) en «beschadigend voor het erfelijk materiaal» (mutageen).
Daarnaast zet ik mij in voor een Europese classificatie voor het mengsel KME. Mijn doel is om een gelijk speelveld voor werkgevers en een eenduidig beschermingsniveau voor werknemers in de hele EU te realiseren.
Tot slot blijf ik in mijn gesprekken met Schiphol het belang van een gezonde en veilige werkomgeving benadrukken.
Gaat u de Nederlandse Arbeidsinspectie zo lang het onderzoek van het RIVM loopt vragen om vaker te controleren bij het platformwerk op Schiphol? Zo nee, waarom niet?
In lijn met de aanwijzingen van de Minister-President over rijksinspecties is de Arbeidsinspectie onafhankelijk en gaat zij zelf over haar werkwijze. De Arbeidsinspectie heeft al meerdere toezichtprojecten lopen op Schiphol, ook ten aanzien van het werk op de platforms.
Bent u bereid te onderzoeken of (voormalige) Schipholmedewerkers die mogelijke gezondheidsschade hebben opgelopen in aanmerking kunnen komen voor compensatie, eventueel via de werkgever? Zo nee, waarom niet?
Het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:658, lid 2) regelt dat de werkgever een zorgplicht heeft voor zijn werknemers. Het schadeverhaal bij beroepsziekten loopt via het civiele aansprakelijkheidsrecht. Daarmee is het een zaak tussen werknemers en werkgevers. De werknemer die ziek is geworden door het werk kan de werkgever hiervoor aansprakelijk stellen en zo in aanmerking komen voor een schadevergoeding.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Mogelijke voorrang voor statushouders en nareizigers bij de inschrijving bij huisartsen |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het grote huisartsentekort in Nederland, waardoor bijvoorbeeld in Enschede1 duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Deelt u de mening dat het al schandalig is dat zoveel Nederlanders verstoken blijven van huisartsenzorg, maar dat het nog schandaliger zou zijn als statushouders en nareizigers in die situatie voorrang krijgen op Nederlanders die al geruime tijd op een wachtlijst staan?
Het is het kabinet bekend dat de toegankelijkheid van de huisartsenzorg onder druk staat, hoewel er landelijk gezien meer huisartsen dan ooit zijn. Tegelijkertijd zijn er regionale verschillen in problematiek en tekorten. Enschede is een voorbeeld van een plek waar zich een regionaal tekort aan huisartsenzorg voordoet. Zo is na het faillissement van Co-Med in 2024 de huisartsenpraktijk THOEN tijdelijk operationeel geweest. Huisartsen uit andere praktijken met ruimte in hun agenda draaiden extra diensten in deze praktijk. Het harde werk van huisartsen, zorgverzekeraar Menzis en de gemeenten heeft er in die periode voor gezorgd dat toegang tot huisartsenzorg gewaarborgd was voor mensen zonder huisarts. Omdat het niet meer haalbaar was om diensten te vullen is deze tijdelijke praktijk gestopt. De huisartsen, zorgverzekeraars en gemeenten gaan door met het vinden van oplossingen zoals het gebruik maken van digitale huisartsenzorg voor iedereen die geen vaste huisarts heeft.
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedere (Zvw-)verzekerde in Nederland toegang heeft tot een vaste huisarts in de buurt, ongeacht afkomst. Huisartsen mogen bij de inschrijving van patiënten geen ongegrond onderscheid maken tussen verschillende patiëntengroepen. Het zijn van statushouder is geen gegronde reden om met voorrang in te schrijven bij een huisarts. VWS heeft ook geen signalen ontvangen dat dit gebeurt.
Huisartsen bepalen zelf op basis van eigen capaciteit of hun praktijk open of dicht is voor nieuwe inschrijvingen. Als huisartsenpraktijken ruimte hebben voor nieuwe patiënten, geven zij soms voorrang aan patiënten die nog geen huisarts hebben boven patiënten die willen wisselen van huisarts.
Kloppen de signalen dat statushouders en nareizigers via gemeenten, begeleidende organisaties of andere instanties met voorrang bij huisartsen worden ingeschreven, terwijl duizenden Nederlanders nog altijd zonder huisarts zitten? Zo ja, hoe vaak komt dit voor, op welke wijze gebeurt dit en op basis waarvan wordt deze voorrang verleend? Zo nee, waaruit blijkt dat deze signalen onjuist zijn?
VWS heeft geen signalen dat statushouders en nareizigers met voorrang worden ingeschreven bij huisartsenpraktijken. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft deze signalen evenmin.
Vindt u dat statushouders en nareizigers nooit voorrang zouden mogen krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts en dat zij, net als iedere andere nieuwe patiënt, achteraan de wachtlijst dienen aan te sluiten? Zo nee, waarom niet?
In Nederland werkt de huisartsenzorg niet met een wachtlijst zoals gebruikelijk in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) of in de medisch specialistische zorg (MSZ). Patiënten kunnen zich inschrijven bij een huisartsenpraktijk waarbij de praktijkhouder bepaalt of er plek is om iemand aan te nemen. Als er sprake is van een patiëntenstop kan een huisarts besluiten een patiënt toch in te schrijven, bijvoorbeeld wanneer sprake is van bijzondere medische omstandigheden, gezinsuitbreiding of wanneer de continuïteit van zorg dit noodzakelijk maakt.2 Dergelijke afwegingen zijn zorginhoudelijk van aard en gelden ongeacht afkomst, nationaliteit of verblijfsstatus.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk in gesprek te gaan met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om deze signalen te bespreken? Bent u bereid af te spreken dat statushouders en nareizigers geen voorrang krijgen op Nederlanders die wachten op een huisarts, maar achteraan de wachtlijst worden geplaatst? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet werkt nauw samen met de Landelijke Huisartsen Vereniging, Zorgverzekeraars Nederland en andere betrokken partijen om te zorgen dat iedereen in Nederland toegang heeft tot een huisarts in de buurt. In het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) heeft het kabinet met betrokken partijen afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van de huisartsenzorg te vergroten en te borgen. Daarover is het kabinet doorlopend in gesprek met deze partijen.
De ontvangen aanbiedingsbrief van vertrouwelijke stukken inzake Solvinity |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Reglement van Orde van de Tweede Kamer, die ziet op de Regeling vertrouwelijke stukken?1
Ja.
Kunt u toelichten waarom de vertrouwelijke stukken inzake Solvinity pas gedurende het zomerreces worden gedeeld?
Ik achtte het wenselijk om de Kamer dezelfde informatiepositie te geven als de bij het verzoek om voorlopige voorziening inzake Solvinity betrokken stichtingen. De betreffende stukken zijn kort voorafgaand aan de zitting op maandag 6 juli jl. vertrouwelijk beschikbaar gesteld, daarmee samenvallend met de start van het zomerreces.
Kunt u toelichten waarom de vertrouwelijke stukken inzake Solvinity slechts kunnen worden ingezien tot en met 31 juli 2026, aangezien het stellen van een dergelijke termijn zeer ongebruikelijk is?
Het stellen van een termijn aan de ter inzagelegging van vertrouwelijke stukken is verplicht onder artikel 4b van de regeling vertrouwelijke stukken.
Kunt u beamen dat indien de vertrouwelijke stukken gedurende het zomerreces worden gedeeld en anderzijds slechts inzichtelijk zijn tot en met 31 juli 2026 (midden in het zomerreces), dit negatieve invloed heeft op de informatiepositie van de Kamerleden gezien de afwezigheid van de vele Kamerleden?
De voorgestelde ter inzagelegging was gebaseerd op de dan beschikbare informatie t.a.v. de voorlopige voorzieningszitting op 6 juli. Ik hecht eraan de kamer zo ruim mogelijke inzage te geven binnen de kaders die er zijn. Om uw Kamer tegemoet te komen en te voorzien van een betere informatiepositie, heb ik de termijn van ter inzagelegging verlengd tot 31 augustus. Dit heb ik ook opgenomen met de griffie van de Kamer.
Kunt u toelichten waarom de door u gekozen termijn voor inzage van 31 juli 2026, niet is onderbouwd in de aanbiedingsbrief? Volgens Artikel 4b van de Regeling vertrouwelijke stukken, moet namelijk duidelijk gemotiveerd worden waarom het stuk slechts tijdelijk ter inzage wordt gebracht.
Deze onderbouwing is abusievelijk niet meegenomen in de aanbiedingsbrief. Zie voor de onderbouwing van deze termijn het antwoord op vraag 4.
Kunt u deze Kamervragen zo spoedig mogelijk beantwoorden in verband met het spoedeisende belang van het feit dat Kamerleden gedurende deze resterende periode met zomerreces zijn, en de informatiepositie van de Kamerleden niet ondermijnd mag worden?
Ja.
Kunt u de Kamervragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
De combinatie van werk en intensieve mantelzorg |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau waaruit blijkt dat intensieve mantelzorgers steeds vaker vastlopen in de combinatie van werk en zorg?1
Het Sociaal en Cultureel Planbureau (hierna: SCP) heeft recent twee rapporten opgeleverd rondom mantelzorg. Dit gaat om het rapport «Op zoek naar verbinding»2 en «Mantelzorg in beweging»3. Ik ben bekend met beide rapporten. Ook ben ik bekend met het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving»4 waarnaar wordt verwezen in het FD-artikel dat is opgenomen als voetnoot bij de vraag.
Deelt u de zorg dat door de vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer werkenden intensieve mantelzorg zullen verlenen? Zo ja, welke gevolgen verwacht u hiervan voor de arbeidsmarkt en het ziekteverzuim?
Ik deel het beeld dat door vergrijzing en het langer zelfstandig wonen steeds meer mantelzorg verleend zal worden. Deze vorm van zorgverlening komt ook terecht bij werkenden. Volgens het SCP-rapport «Mantelzorg in beweging» is het aantal mensen dat werk en mantelzorg combineert gestegen van 73% in 2014 naar 80% in 2024. Het aantal mensen dat mantelzorg geeft, is toegenomen van 33% tot 39%. In totaal gaven in 2024 5,5 miljoen mensen mantelzorg. Volgens het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» is naar schatting 18 procent van het totale ziekteverzuim gerelateerd aan mantelzorg. Wanneer een grotere groep werkenden in de toekomst mantelzorg zou verlenen, zal de kans op ziekteverzuim ook toenemen.
Hoeveel werknemers zijn de afgelopen vijf jaar uitgevallen of minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg, voor zover dit bekend is?
Er zijn geen cijfers bekend over hoeveel werknemers de afgelopen vijf jaar zijn uitgevallen of minder zijn gaan werken vanwege (intensieve) mantelzorg, omdat mantelzorg niet wordt geregistreerd. Het CBS geeft aan dat in 2023 807.000 werknemers van 15 tot 75 jaar te maken hadden met een langdurige zorgsituatie. Bijna driekwart heeft hierbij zelf zorg verleend. Ruim vier op de tien werknemers (243.000) die gezorgd hebben voor een langdurig zieke, hebben daarvoor aanpassingen gedaan in hun werk. 42.000 werknemers zijn minder uren gaan werken en 14.000 zijn tijdelijk gestopt met werken. Voor kortdurende zorgsituaties is niet bekend hoeveel werknemers minder uren zijn gaan werken of tijdelijk zijn gestopt met werken.5
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat werknemers hun baan moeten opgeven of structureel minder gaan werken vanwege intensieve mantelzorg?
De afgelopen jaren zijn met onder andere de Mantelzorgagenda 2023–2026 stappen gezet om de positie van mantelzorgers te erkennen en versterken. Voor werkende mantelzorgers is door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via een subsidie de Stichting Werk en Mantelzorg gefaciliteerd bij het ontwikkelen en uitvoeren van een ondersteuningsprogramma. De Stichting Werk en Mantelzorg ondersteunt werkgevers en stimuleert hen bij het maken van mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid. Ook is met de Stichting van de Arbeid een inspiratiedocument voor werkgevers en werknemers over de combinatie werk en mantelzorg ontwikkeld. Via deze maatregelen wordt gewerkt aan het voorkomen van verzuim vanwege mantelzorg.
Daarnaast geeft de Wet flexibel werken werknemers de mogelijkheid bij de werkgever een verzoek in te dienen voor aanpassing van de arbeidsduur, werktijden en arbeidsplaats (bijvoorbeeld thuiswerken). Hoewel dit niet voor alle (intensieve) mantelzorgers voldoende ruimte zal bieden, kan deze flexibiliteit in de inrichting van werk wel bijdragen aan het kunnen combineren van arbeid en mantelzorg. Ook werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel daarvan is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Zie verder ook het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid te onderzoeken of de bestaande verlofregelingen voor mantelzorg voldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties? Zo nee, waarom niet?
Momenteel werk ik aan een wetsvoorstel ter vereenvoudiging van het verlofstelsel. Onderdeel van dit wetsvoorstel is de samenvoeging van het huidige kortdurend en langdurend zorgverlof. Met het samenvoegen van beide regelingen komt er één zorgverlofregeling van acht weken, waarvan twee weken gedeeltelijk (70 procent) betaald. Het samenvoegen zorgt voor een aantal wijzigingen in kenmerken en voorwaarden ten opzichte van hoe het zorgverlof op dit moment in de Wet arbeid en zorg is geregeld. Zo worden de gedeeltelijk betaalde weken zorgverlof voor een breder aantal situaties inzetbaar. In het wetsvoorstel is opgenomen dat het verlof zowel voor de noodzakelijke verzorging van een naaste die ziek of hulpbehoevend is, als voor de verzorging van een naaste die levensbedreigend ziek is, kan worden ingezet. Dit kan ook relevant zijn voor mensen die mantelzorg verlenen. Het wetsvoorstel was tot 10 augustus jl. in internetconsultatie. Het streven is om het wetsvoorstel voor het einde van het jaar naar uw Kamer te sturen.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aangegeven dat de bestaande verlofregelingen onvoldoende aansluiten bij langdurige en intensieve mantelzorgsituaties. Aanbevolen wordt een verlof te introduceren gedurende acht keer de overeengekomen arbeidsduur per week onder loondoorbetaling door een publiek gefinancierde uitkering van 70 procent van het dagloon, gemaximeerd en met het minimumloon als bodem, belegd bij een externe partij. In het najaar kom ik samen met mijn collega’s van VWS, OCW en FIN met een reactie op het SER-advies, waar ook in zal worden gegaan op deze aanbeveling.
Hoe beoordeelt u de signalen dat werkgevers vaak onvoldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen, en bent u bereid te bezien hoe deze kennis kan worden verbeterd?
Ik herken het beeld dat niet alle werkgevers voldoende bekend zijn met de mogelijkheden om mantelzorgende werknemers te ondersteunen. Ik zie dit als een aandachtspunt waar kansen liggen om de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers te verbeteren. Zoals eerder aangegeven is in de Mantelzorgagenda 2023–2026 een ondersteuningsprogramma voor werkgevers en een programma voor leidinggevenden opgenomen, gericht op het faciliteren van de combinatie van werk en mantelzorg voor werknemers. Een divers scala aan werkgevers en branches worden hiermee bereikt.
In het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt aanbevolen om het gesprek over mantelzorg aan de cao-tafel te bevorderen en mantelzorgvriendelijk beleid in cao’s en bedrijven te promoten. Dit kan ook belangrijk zijn om bewustwording en concrete afspraken op de werkvloer te stimuleren. In het najaar zal in de reactie op het SER-advies ook ingegaan worden op deze aanbeveling en op de wijze waarop werkgevers nog meer geïnformeerd en ondersteund kunnen worden ten aanzien van het faciliteren van werk en mantelzorg.
Bent u bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd, zodat zij minder tijd kwijt zijn aan administratieve procedures en meer aan de zorg zelf?
Ik ben bereid samen met de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te bezien hoe de regeldruk voor mantelzorgers kan worden verminderd. In het SER-advies »Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» wordt regeldruk ook benoemd en geconstateerd dat die de belasting op mantelzorgers verhoogt en mantelzorgers kan belemmeren om toegang te krijgen tot voorzieningen die hen ontlasten. Zij geven daarbij verschillende concrete aanbevelingen, zoals het beperken van herindicaties in de Wmo en Wlz en het stroomlijnen van de toegang tot respijtzorg. In de kabinetsreactie op het SER-advies zullen we uw Kamer daarover verder informeren.
Kunt u de Kamer informeren welke aanbevelingen uit het SCP-rapport u overneemt, welke niet en waarom?
Zoals eerder aangegeven komt het kabinet dit najaar met een reactie op het SER-advies «Mantelzorg en werk in een zorgzame samenleving» en een breed plan voor de ondersteuning van mantelzorgers, conform de motie Struijs c.s.6. Hierin zullen ook de inzichten uit de SCP-rapporten worden meegenomen.
Het artikel in De telegraaf “Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen” |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Ja.
Klopt het dat er in 2025 ruim 2.215 pleegouders gestopt zijn?
Jeugdzorg Nederland rapporteert2 dat er 2216 pleegouders gestopt zijn in 2025.
Is bekend wat de redenen zijn, waarom pleegouders stoppen?
Er zijn diverse redenen waarom pleegouders stoppen.
Voorop staat dat een verschil bestaat tussen bestandspleegouders en netwerkpleegouders. Een deel van de pleegkinderen kan binnen het eigen netwerk opgevangen worden, bijvoorbeeld bij een familielid. In dat geval is sprake van netwerkpleegzorg. Het andere deel van pleegkinderen woont in een bestandpleeggezin, zij kennen de pleegouders nog niet voorafgaand aan de start van de plaatsing. We weten op basis van de Factsheet Pleegzorg 2025 dat meer dan helft van pleegouders die stopt (56%) netwerkpleegouder is. Bij netwerkpleegzorg geven de pleegouders zich vaker niet automatisch opnieuw op als pleegouder, wanneer het pleegkind uitstroomt. De motivatie om netwerkpleegouder te worden, verschilt daarin van de motivatie om bestandspleegouder te worden.
In 2019 hebben het Nederlands Jeugdinstituut (NJi), Jeugdzorg Nederland en de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) onderzoek gedaan naar waarom pleegouders stoppen3. Er zijn positieve redenen waarom pleegouders stoppen, bijvoorbeeld als een pleegkind zelfstandig gaat wonen of weer terug gaat naar eigen ouders. Daarnaast zijn er voor pleegouders omstandigheden die ertoe leiden dat zij het besluit nemen om te stoppen: problemen met het zorgsysteem (waaronder de samenwerking met jeugdbescherming of pleegzorgbegeleiding), de impact op het eigen gezin, de problematiek van het pleegkind en een moeizame relatie met de ouders van het pleegkind.
In het eerdergenoemd onderzoek uit 2019 kwam naar voren dat gemiddeld genomen pleegouders voor 6 jaar pleegouder blijven.4 Ik wil – in lijn met de oproep van de NVP – aanvullend onderzoek laten doen naar waarom pleegouders stoppen en wat pleegouders juist helpt om door te gaan. Ik wil dit nieuwe onderzoek dit najaar starten, hierover voer ik momenteel voorbereidend overleg met de sector. Ik verwacht de resultaten voor de zomer van 2027 en zal de Kamer over de voortgang informeren
Is onderzocht na hoeveel jaar pleegouder zijn, pleegouders ermee stoppen? Bent u bereid onderzoek te doen naar de achterliggende redenen waarom pleegouders stoppen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat momenteel ruim 860 kinderen wachten op een langdurig, passend pleeggezin, en dat dit aantal vrijwel gelijk is aan dat in 2025?
Jaarlijks wordt het aantal wachtenden op pleegzorg door Jeugdzorg Nederland in kaart gebracht in de Factsheet Pleegzorg. De cijfers over 2026 worden voor de zomer van 2027 gepubliceerd. Jeugdzorg Nederland rapporteert5 dat op 31 december 2025 er 864 jeugdigen wachtten op pleegzorg. Voorop staat dat en passende plek prioriteit is bij plaatsing, omdat alleen op deze manier stabiliteit en duidelijkheid aan een pleegkind wordt gegeven.
Is bekend waarom al vijf jaar achter elkaar het aantal pleeggezinnen afneemt?
Verschillende maatschappelijke factoren en ontwikkelingen in de pleegzorg zijn hierop van invloed, het is lastig om een directe oorzaak aan te wijzen. Maatschappelijke factoren die invloed hebben zijn bijvoorbeeld de stijgende kosten van levensonderhoud en een onzekerdere wereld, de vergrijzing en toenemende vraag naar mantelzorg waardoor er minder vrijwilligers te vinden zijn – waaronder pleegouders. Het zorgen voor een pleegkind met een zware zorgvraag kost veel tijd. Pleegouders werken tegenwoordig vaak beiden, waardoor er minder tijd is om voor een pleegkind te zorgen dan vroeger.
Daarnaast is pleegzorg erg veranderd. De afgelopen jaren wordt steeds meer ingezet op kinderen tijdelijk bij pleegouders te plaatsen en weer terug naar huis te kunnen laten gaan. Langdurige, perspectief biedende plaatsingen die vroeger gebruikelijk waren, zijn minder de basis. Wanneer een plaatsing beëindigt doordat een kind vertrekt, zien we tegenwoordig vaak dat pleegouders zich niet meer opnieuw inzetten voor een nieuw kind. Bij netwerkplaatsingen zien we dit vooral, terwijl dit type plaatsingen steeds vaker voorkomt. Zie ook mijn antwoord onder 3. Aanvullend zetten we in de pleegzorg steeds meer in op gedeeld opvoederschap, met betrokkenheid van de eigen ouders. Dit vraagt van pleegouders dus meer dan «alleen een kind opvangen». Dit is soms anders dan pleegouders hadden verwacht of gehoopt dat pleegzorg zou zijn. Al deze ontwikkelingen en factoren zijn van invloed op het aantal pleeggezinnen.
Wat betekent de afname van het aantal pleegouders concreet voor de lopende wervingscampagne die tot eind 2026 doorloopt?
Ik ben voornemens de campagne te verlengen t/m 2027. Met de sector ben ik ondertussen in gesprek over welke landelijke inzet op werving benodigd is voor 2028 en verder.
In hoeverre raken de genoemde ontwikkelingen de effectiviteit, planning en doelstellingen van deze campagne? Ziet u aanleiding om deze waar nodig bij te stellen of te intensiveren?
De huidige campagne van «Jouw huis een 2e thuis» wordt positief ontvangen. De campagne verwijst geïnteresseerden naar Pleegzorg.nl, waar zij een informatiepakket kunnen aanvragen bij de pleegzorgaanbieder in hun regio. Uit een recente evaluatie van de campagne blijkt dat veel geïnteresseerden via de campagne de website weten te vinden, maar dat de drempel om daadwerkelijk een informatiepakket aan te vragen nog relatief hoog is. Daarom heeft Jeugdzorg Nederland samen met de pleegzorgaanbieders het voorlichtingstraject voor potentiële pleegouders geüniformeerd en landelijk toegankelijk gemaakt. Hier heb ik aanvullende middelen voor beschikbaar gesteld. Dit traject is sinds september live op Pleegzorg.nl. Potentiële pleegouders krijgen hierdoor vooraf een duidelijker beeld van wat pleegzorg inhoudt, wat er van hen wordt verwacht en wat zij zelf kunnen verwachten. Daarnaast maken geïnteresseerden hiermee al vroeg kennis met Pleegzorg.nl. Het platform kan hen ook later, als pleegouder, ondersteunen met actuele informatie, praktische tools en mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen in hun rol als pleegouder. Aanvullend ben ik voornemens de campagne te verlengen t/m 2027 en ben ik met de sector in gesprek over 2028 en verder, zoals ook genoemd onder vraag 7.
Bent u van mening dat pleegouders voldoende begeleiding en ondersteuning krijgen, of vindt u dat er meer begeleiding en ondersteuning kan worden geboden? Zo ja, op welke wijze?
Pleegzorgbegeleiders bieden begeleiding en ondersteuning aan pleegouders. Aanvullend kunnen pleegouders terecht bij de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP) en de vertrouwenspersonen van Jeugdstem – welke beiden door mij worden gefinancierd. Het versterken van de kwaliteit van pleegzorg en de (reguliere) begeleiding van pleegouders staat hoog op de agenda van pleegzorgaanbieders. Zo zetten zij erop in dat elk pleeggezin toegang kan hebben tot een eigen pleegoudernetwerk, pleegouders uniforme trainingen en kennis aangeboden krijgen, maar ook dat de pleegzorgbegeleider over voldoende deskundigheid beschikt om de pleegouder vanuit een systemische visie te kunnen begeleiden. Ook bieden steeds meer pleegzorgaanbieders Mockingbird constellaties aan, waarin onderlinge steun voor pleegouders wordt georganiseerd.
Wat is de uitvoeringsstatus van de motie Hamstra, om voor 2027 met een plan te komen voor de werving van nieuwe pleegouders en het behoud van bestaande pleegouders?
In mijn antwoord op vraag 7 ben ik ingegaan op de inzet op de werving van pleegouders. Voor het behoud van pleegouders is het versterken van de reguliere belgeleiding cruciaal, zie ook mijn antwoord onder 9. Hier zet ik met de sector op in. Aanvullend zal ik zoals eerder genoemd onderzoek doen waarom pleegouders stoppen (zie antwoord 4). Over de uitvoering van motie Hamstra zal ik de Kamer voor het WGO Jeugd van dit najaar nader informeren, zoals verzocht in de motie.
Het bericht “Undercoverbeelden tonen geweld tegen konijnen bij Nederlandse fokkers” |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Wat is er sinds de eerdere beelden van misstanden in de konijnenfokkerij in 2019 en 2023 concreet gedaan om dit soort mishandelingen te voorkomen en stevig in te grijpen bij bedrijven waar dit plaatsvindt? Welke concrete straffen zijn er destijds opgelegd aan bedrijven en medewerkers?1
De beelden zijn schokkend en op deze manier mag nooit met dieren omgegaan worden. De houder van de dieren draagt te allen tijde verantwoordelijk voor mishandeling of ander dierenleed dat wordt veroorzaakt en dient dit te voorkomen.
Bij de naleefmeting in de periode 2015–2017 zijn 45 bedrijven met konijnen geïnspecteerd. Bij 15 bedrijven zijn overtredingen geconstateerd zoals het niet aanwezig hebben van knaagmateriaal, een te lage lichtintensiteit of het ontbreken van plateaus. Hiervoor zijn schriftelijke en mondelinge waarschuwingen gegeven. Bij de laatste naleefmeting in 2021/20222 zijn bij vijf van de 17 geïnspecteerde bedrijven overtredingen geconstateerd. Hiervoor zijn vijf schriftelijke waarschuwingen opgemaakt. In vier gevallen is tevens een maatregel ten behoeve van herstel opgelegd. Overtredingen die zijn geconstateerd hadden betrekking op huisvesting, het niet hanteren van een dag- en nachtritme of het niet (correct) bijhouden van het uitvalspercentage.
Welke concrete afspraken zijn er naar aanleiding van eerdere misstanden met de sector gemaakt?
De sector heeft zelf een plan van aanpak huisvesting opgesteld waarover uw Kamer 14 april 2022 is geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Dit plan bevat een viertal onderdelen op het gebied van huisvesting die bijdragen aan het verbeteren van dierenwelzijn voor alle konijnen gehouden voor productie, namelijk: I. (stal)klimaat en calamiteiten, II. omgevingsverrijking, III. comfort voor opfokvoedsters en IV. leefruimte voor zowel vleeskonijnen als voedsters. Via dit plan van aanpak verplichten de houders zich om in de loop naar 2030 te voldoen aan bovenwettelijke huisvestingsvereisten. Eind 2025 dient elke konijnenhouder minimaal de helft van het totaal aantal punten behaald te hebben. De borging hiervan verloopt via het private kwaliteitssysteem.
Hoe is het mogelijk dat Animal Rights constateert dat deze misstanden nu weer bij álle zestien gefilmde fokkers plaatsvinden?
Ik constateer dat sommigen zich kennelijk vrij voelen om op deze manier met dieren om te gaan als er geen toezichthouder in de buurt is. Dat is verontrustend en onbegrijpelijk.
Momenteel is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het door de sector en onafhankelijke kwartiermaker te maken verbeterplan dat uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Daarnaast werk ik, zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. Nr. 1394), aan een AMvB voor een dierwaardige veehouderij die na de zomer aan het parlement zal worden voorgehangen. De focus in de AMvB die reeds wordt opgesteld ligt bij de grotere sectoren (varkens, runderen en pluimvee), maar op termijn zullen ook de overige sectoren, waaronder de konijnensector, worden betrokken.
Zou u, gezien de schaal en het steeds opnieuw terugkeren van deze misstanden nog spreken van incidenten of gaat het hier over structurele misstanden in een sector waar maar weinig lijkt te verbeteren?
De beelden uit 2019 en 2023 toonden het houden van de dieren op het primaire bedrijf en niet, zoals op de recente beelden, het vangen, laden en doden van konijnen.
Het onderzoek van de recente beelden loopt nog. Dit gaat om zowel het beoordelen van authenticiteit door NVWA-IOD als het onderzoeken van het materiaal op overtredingen. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Welke stappen zijn er inmiddels genomen naar aanleiding van deze beelden?
Zie het antwoord op uw derde vraag. De harde schijf met beelden is overgedragen aan de NVWA. Het gaat om een grote hoeveelheid beeldmateriaal.
Daarnaast heeft een gesprek met LVVN, NVWA en de konijnensector plaatsgevonden op 16 juli jl. Tijdens dit gesprek zijn afspraken gemaakt hoe de sector LVVN en de NVWA op de hoogte houdt over de voortgang van het verbetertraject. Zo is onder andere afgesproken dat het door een onafhankelijke kwartiermaker en de sector te maken verbeterplan uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer eind van dit jaar informeren.
Klopt het dat in Vlaanderen bij soortgelijke misstanden veel steviger is ingegrepen? Waarom is dit en wat is er in Nederland meer mogelijk?
De Vlaamse autoriteit geeft aan dat dit om een specifiek geval in 2023 gaat. Animal Rights heeft daar een konijnenhouderij gefilmd. Naar aanleiding hiervan heeft een inspectie door de Vlaamse autoriteit plaatsgevonden. Tijdens de inspectie is een aantal overtredingen van de in Vlaanderen geldende regelgeving vastgesteld, het zogenoemde «Besluit van de Vlaamse regering van 19 december 2020 betreffende het welzijn van konijnen in fokkerijen». Voor deze overtredingen is een proces verbaal opgemaakt. De rechter heeft hier toen vrij streng op geoordeeld, aldus de Vlaamse autoriteit. De twee zaakvoerders kregen elk afzonderlijk een boete van 8.000 euro, waarvan 6.000 euro met uitstel. Hun vennootschap moest 20.000 euro betalen, waarvan 8.000 euro met uitstel.
In Nederland kan de NVWA zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk optreden met het daarbij behorende instrumentarium.
Welke conclusies trekt u uit deze beelden ten aanzien van de noodzaak tot veel strenger optreden, nut en noodzaak van afspraken met deze sector als het blijkbaar steeds op deze schaal misgaat en de toekomst van deze sector in Nederland?
De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Daarnaast is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het verbeterplan dat door de sector en de onafhankelijke kwartiermaker uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden willen realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer eind dit jaar informeren.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. De uitkomsten van deze inspecties worden betrokken bij de beoordeling voor eventuele noodzaak van aanvullend toezicht. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.
Dat wolf Bram illegaal, 5 uur later dan volgens de vergunning was toegestaan, is gedood |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat wolf Bram (GW3237) op 1 december 2025 om 23.10 uur is doodgeschoten, ruim 5 uur later dan volgens vergunning was toegestaan?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat uit de documenten die via een Woo-verzoek openbaar zijn gekomen, blijkt dat de vergunningsvoorschriften voor het afschot van wolf Bram bewust zijn overtreden?
Via bovengenoemd bericht is deze informatie tot mij gekomen.
Wat vindt u ervan dat uit documenten die via een Woo-verzoek openbaar zijn geworden, blijkt dat de vergunningsvoorschriften voor het afschot van wolf Bram bewust zijn overtreden?
De Provincie Utrecht is het bevoegd gezag voor de betreffende vergunning. De provincie is ook de instantie die oordeelt over naleving van de aan de vergunning verbonden voorwaarden. Omdat ik hier niet de rol van bevoegd gezag heb, is het niet aan mij om een oordeel te hebben over het naleven van deze voorwaarden.
Weet u dat de toezichthouder in het controlerapport concludeerde dat het afschot van Bram een overtreding is van voorschrift m uit de vergunning en daarmee een overtreding van artikel 5.5. eerste lid onder g uit de Omgevingswet, maar desondanks besloot niet tot handhaving over te gaan? Wat vindt u daarvan?
Zoals ik in mijn antwoorden op vragen 2 en 3 heb aangegeven is deze informatie via de door u aangehaalde bericht tot mij gekomen. Ik heb met betrekking tot deze vergunning niet de rol van bevoegd gezag, het is daarom niet aan mij om een oordeel te hebben over het naleven van deze voorwaarden.
Vindt u dat de Omgevingswet moet worden gehandhaafd? Zo nee, waarom niet? In welke gevallen moet de Omgevingswet volgens u wel of niet worden gehandhaafd (kunt u daar heel specifiek in zijn)?
In het algemeen ben ik van oordeel dat regelgeving zoveel als mogelijk moet worden gehandhaafd. In dit specifieke geval heb ik niet de rol van bevoegd gezag en het is daarom niet aan mij om een oordeel te hebben over naleving.
Op welk moment (tijdstip en datum) was u op de hoogte van het afschot van wolf Bram?
Het bericht hierover heeft mij destijds via de media bereikt. Een specifieke datum en tijdstip zijn niet te achterhalen.
Was u op de hoogte van het moment van de doding? Zo ja, wanneer heeft u die kennis gekregen?
Het bericht hierover heeft mij destijds via de media bereikt. Wanneer dit precies was, is niet te achterhalen.
Was u op de hoogte van de strikte vergunningsvoorschriften en in het bijzonder van het voorschrift dat uiterlijk tot 17.33 uur mocht worden gedood?
Vergunningen en de daaraan verbonden voorwaarden afgegeven door andere overheden, worden in de regel niet met het Rijk gedeeld. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat elke afwijking van de zeer strikte vergunningsvoorschriften, een overtreding is van voorschriften? Deelt u de mening dat het overtreden van de vergunningsvoorschriften ontoelaatbaar is? Zo ja, welke gevolgen heeft dat? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u graag naar mijn antwoord op vraag 3 en het feit dat ik met betrekking tot deze vergunning niet de rol van bevoegd gezag heb.
Deelt u de mening dat wolven waardevolle en beschermde diersoorten zijn en dus niet lichtzinnig moet worden omgegaan met overtredingen van vergunningsvoorschriften rondom bijvoorbeeld het doden van wolven? Zo nee, waarom niet?
De wolf is een beschermde diersoort. Deze verdient de bescherming die hoort bij deze beschermingsstatus. Zie verder ook mijn antwoord op vraag 3.
Ziet u het gevaar van precedentwerking van het afwijken van vergunningsvoorschriften, zeker gezien er waarschijnlijk al regelmatig sprake is van stroperij en dus het illegaal doden van wolven? Zo nee, waarom niet?
Nee. Dit betreft een individueel geval, ik zie geen aanleiding voor precedentwerking. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Indien u een gevaar ziet in precedentwerking, welke stappen zal u daartegen zetten? Indien u daar niet toe bereid bent, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 11 heb aangegeven, zie ik geen aanleiding voor precedentwerking.
Bent u bereid een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar de doding van wolf Bram? Zo nee, waarom niet en wat gaat u dan doen?
Ik zie geen aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek. De Provincie Utrecht is het bevoegd gezag voor de betreffende vergunning. De provincie is ook de instantie die oordeelt over naleving van de aan de vergunning verbonden voorwaarden.
Kunt u de vragen één voor één en voor 8 juli beantwoorden?
Het is door het zomerreces niet gelukt om de vragen binnen deze termijn te beantwoorden.
De opening van de Renaissanceschool in Almere |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Renaissanceschool in Almere rijksbekostiging ontvangt? Per welke datum is deze bekostiging toegekend en kan het advies van de Inspectie van het Onderwijs (onderwijsinspectie) als bijlage worden meegestuurd?
Ja, de Renaissanceschool in Almere ontvangt vanaf augustus 2026 bekostiging. Het besluit hierover is genomen op 3 juni 2025 en ook gepubliceerd in de Staatscourant.1 Het inspectieadvies is opgevraagd via een WOO-verzoek en zal op korte termijn openbaar worden gemaakt.
Welke rechtspersoon is het bevoegd gezag van de Renaissanceschool? Wie zijn de bestuurders en toezichthouders, en welke andere organisaties zijn formeel of feitelijk bij deze school betrokken?
Het bevoegd gezag is de Tocqueville stichting. De namen van de bestuurders van de stichting zijn geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De stichting heeft een one-tier model waar het toezicht onderdeel uitmaakt van het bestuur. In het uittreksel van de KvK worden geen andere organisaties genoemd die formeel of feitelijk betrokken zijn bij deze stichting.
Het bestuur is verantwoordelijk voor wat er op de school gebeurt.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat een school aparte leertrajecten aanbiedt voor jongens en meisjes op basis van «de biologische verschillen tussen de seksen» en daarbij stelt dat individuele verschillen in aanleg en geslacht «fundamenteel en onveranderlijk» zijn?
In beginsel mag een school bij het aanbieden van onderwijs geen onderscheid maken op grond van geslacht.2 De Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) staat voor bijzondere scholen een beperkte uitzondering toe op deze hoofdregel.3 Hiervoor gelden strikte voorwaarden. Een school mag alleen onderscheid naar geslacht maken voor zover dat onderscheid een wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd vereiste vormt, gelet op de religieuze of levensbeschouwelijke
grondslag van de school. Onderscheid naar geslacht is alleen toegestaan indien er sprake is van gelijkwaardige voorzieningen en het gemaakte onderscheid mag niet verder gaan dan passend is op basis van genoemde grondslag.
In alle gevallen moet de school aan de wettelijke burgerschapsopdracht blijven voldoen, die onder andere is vastgelegd in artikel 8, lid 3a, van de Wet op het Primair Onderwijs. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt van scholen dat ze leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en dat ze zorgdragen voor een schoolcultuur die daar van uitgaat. Daarop ziet de inspectie toe. De wettelijke burgerschapsopdracht vraagt ook nadrukkelijk van scholen dat ze haar leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor verschillen, bijvoorbeeld in geslacht, alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Voor een school die onderscheid maakt op grond van geslacht, brengt dat een bijzondere verantwoordelijkheid met zich mee.
Hoe verhoudt het aanbieden van aparte leertrajecten zich tot de Algemene wet gelijke behandeling en sociale veiligheidsverplichting uit artikel 8, lid 3a, Wet op het primair onderwijs?
Zie antwoord vraag 3.
Is het huidige toezichtkader voldoende toegerust om in te grijpen wanneer scholen leerlingen op basis van geslacht structureel verschillend behandelen of verschillende leertrajecten aanbieden?
In het antwoord op vraag 3 is beschreven wat wel en niet mag bij onderscheid naar geslacht; dat volgt uit de Awgb en uit de wettelijke burgerschapsopdracht. Wanneer een school zich niet aan de wettelijke burgerschapsopdracht houdt, kan de inspectie een herstelopdracht geven en, bij uitblijven van herstel, een financiële sanctie opleggen. Leven er bij leerlingen, ouders of onderwijspersoneel twijfels over of de Awgb wordt nageleefd, dan kunnen ze daarover een oordeel vragen bij het College voor de Rechten van de Mens.
Deelt u de opvatting dat een school leerlingen moet leren kritisch te denken op basis van feiten en wetenschap, en dat het wegzetten van wetenschappelijke consensus als «falsifieerbare hypothesen» in de levensovertuiging van de school hiermee op gespannen voet staat?
Met de kerndoelen wordt gereguleerd welke kennis, inzicht en vaardigheden leerlingen moeten verwerven en welke ervaringen zij binnen het onderwijs moeten opdoen. Een school moet waarborgen dat haar onderwijsprogramma gericht is op het realiseren van de kerndoelen. Onderdeel daarvan is ook het leren gebruiken van natuurwetenschappelijke werkwijzen, daarbij behoort het toepassen van onderzoekstappen.4 Daarnaast staat het een bijzondere school vrij om ook een eigen mens- en maatschappijvisie over te brengen in het onderwijs. Dat mag echter slechts voor zover de kerndoelen en de vereisten van de burgerschapsopdracht in acht worden genomen.
Hoe verhoudt de publieke bekostiging van een school die door een politieke partij expliciet als «onze eigen school» en als onderdeel van de eigen «zuil» wordt gepresenteerd, zich tot de vereiste van algemeen maatschappelijk nut die ten grondslag ligt aan de bekostigingssystematiek?
Elke bekostigingsaanvraag voor een nieuwe publiek bekostigde school wordt getoetst aan een set uniforme bekostigingscriteria (zoals de belangstellingsmeting of de kwaliteitstoets). De lat voor nieuwe scholen is democratisch bepaald en voor iedereen gelijk. Ook in de praktijk moet elke school voldoen aan dezelfde wettelijke voorschriften, daar ziet de inspectie op toe.
Hoe wenselijk acht u het dat een politieke partij of politieke beweging een eigen school opricht?
Alle scholen hebben zich met hun onderwijs te houden aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Uit artikel 23 van de Grondwet volgt het recht om scholen te stichten die aansluiten op de wensen van ouders en leerlingen. De ruimte voor scholen om hun onderwijs in te richten op grond van een specifieke levensbeschouwelijke of religieuze grondslag en de toetsing of er wel voldoende belangstelling is voor scholen, sluit daarbij aan.
Deze vrijheid is echter niet onbegrensd. Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht rust op scholen ook de verantwoordelijkheid om leerlingen kennis en respect bij te brengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en om hen voor te bereiden op deelname aan onze pluriforme samenleving. Dat vraagt onder meer van scholen dat ze ruimte bieden voor uitwisseling van ideeën, ook als die ideeën schuren met de eigen grondslag, zodat leerlingen zelfstandig leren denken en eigen keuzes kunnen maken.
Deelt u de mening dat het gebruik van rijksbekostiging voor het opbouwen van de politieke infrastructuur van een partij een ongeoorloofd doel is dat haaks staat op de publieke functie van onderwijs?
De bekostiging die nieuwe scholen ontvangen mag enkel worden uitgegeven aan de kosten voor personeel en exploitatie van de school. De inspectie controleert hierop. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 8.
Hoe waarborgt u dat leerlingen leren omgaan met verschillende opvattingen en niet worden opgevoed binnen de ideologische wereld van één politieke partij?
Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht hebben scholen de plicht om leerlingen kennis en respect bij te brengen van en voor verschillen in bijvoorbeeld levensovertuiging en politieke gezindheid. De inspectie beoordeelt of scholen voldoen aan deze plicht, en kan hier tevens op handhaven als dat nodig is.
Welke wettelijke waarborgen bestaan er op dit moment om te voorkomen dat een bekostigde school feitelijk functioneert als verlengstuk van een politieke partij of politieke beweging?
De wettelijke burgerschapsopdracht borgt op alle scholen, ook scholen die uitgaan van een specifieke richting, dat het onderwijs zich herkenbaar richt op het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet. Daarnaast dienen scholen leerlingen kennis over en respect voor verschillen bij te brengen, onder ander op het gebied van godsdienst, levensovertuiging en politieke gezindheid. Dit volgt uit de wettelijke burgerschapsopdracht en heeft ook een plaats in de nieuwe kerndoelen burgerschap, die in 2027 worden opgenomen in de wet.
Deelt u de opvatting dat artikel 23 van de Grondwet ruimte biedt voor scholen met een eigen richting, maar geen vrijbrief is voor discriminatie, uitsluiting, antidemocratische vorming of partijpolitieke indoctrinatie?
Ja, die mening deel ik. Niet voor niets is in het coalitieakkoord opgenomen dat de vrijheid van onderwijs niet mag worden misbruikt om de kernwaarden van onze democratische rechtsstaat te ondermijnen. De vrijheid van onderwijs stopt daar waar discriminatie, uitsluiting of de vorming van antidemocratisch gedachtegoed begint. Voor scholen geldt nadrukkelijk de plicht om de basiswaarden van de democratische rechtsstaat te bevorderen en om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in lijn is met deze basiswaarden.
Hoe beoordeelt u de opening van de school in het kader van de burgerschapsopdracht? Acht u de het huidige toetsingskader van de onderwijsinspectie voldoende toereikend?
Het toetsingskader van de onderwijsinspectie sluit voldoende aan bij de huidige burgerschapsopdracht en wetgeving. Op basis van de inhoud van de bekostigingsaanvraag bestaat nu geen aanleiding om aan te nemen dat de school niet aan de burgerschapsopdracht zal voldoen. De inspectie toets hier nog eens op in het eerste jaar.
Bent u bereid, indien blijkt dat deze praktijk binnen het huidige toezichtkader onvoldoende kan worden aangepakt, te onderzoeken of het toezichtkader of de wet ten aanzien van de oprichting van nieuwe scholen moet worden aangescherpt?
Het inspectietoezicht en de wet Meer Ruimte voor Nieuwe Scholen zijn bedoeld om ongewenste praktijken tegen te gaan. De inspectie controleert in het eerste jaar na de start van iedere school of de school voldoet aan de wettelijke eisen ten aanzien van onder andere de kwaliteit en veiligheid, waaronder de eisen rondom burgerschap.
Klopt het dat dit de eerste school is die via een marktonderzoek is opgericht en welk bureau heeft dit onderzoek uitgevoerd? Kan het marktonderzoek meegestuurd worden?
Het klopt dat dit de eerste nieuwe school is die de belangstelling heeft aangetoond via een marktonderzoek. Het betreffende marktonderzoek is ook opgevraagd via een WOO-verzoek en wordt parallel aan de beantwoording van deze schriftelijke vragen openbaar gemaakt.
Hoe beoordeelt u dat via een marktonderzoek de oprichting van de school wordt mogelijk gemaakt, terwijl het eerder niet gelukt is ondanks flinke campagnes de benodigde verklaringen te verzamelen en gezien het geringe aantal aanmeldingen?
Het is binnen de stichtingsprocedure mogelijk om voldoende belangstelling aan te tonen via ouderverklaringen of (in uitzonderingssituaties5) een marktonderzoek. Beide methoden zijn bedoeld om een goede voorspelling te geven van de daadwerkelijke belangstelling voor een school. Het marktonderzoek moet zijn afgenomen op een wetenschappelijk verantwoorde manier door een onafhankelijk onderzoeksbureau dat aantoonbaar werkt volgens een door een brancheorganisatie opgestelde gedragscode met betrekking tot de uitvoering van marktonderzoek.
In 2022 heeft de Tocqueville stichting ook een belangstellingsmeting gedaan, maar vervolgens geen bekostigingsaanvraag ingediend. Daarna heeft dit bestuur besloten een particuliere school op te richten en deze later weer te sluiten. De praktijk zal moeten uitwijzen in hoeverre het marktonderzoek een goede voorspeller is van de daadwerkelijke belangstelling voor de nieuwe school. Omdat de cijfers uit het marktonderzoek en de huidige leerlingenpopulatie verschillen, nemen we deze vorm van belangstellingsmeting mee bij de evaluatie van de wet. Elke nieuwe school moet aan het begin van het vierde jaar minimaal de helft van de stichtingsnorm behalen. In het geval van de Renaissanceschool bedraagt dit aantal 139. Zo niet, dan stopt de bekostiging aan het einde van dat schooljaar.
Het structurele lijden van konijnen en nieuwe beelden van ernstige overtredingen in de Nederlandse vleeskonijnenhouderij |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Was u zich beiden al bewust van de omstandigheden waaronder konijnen in de Nederlandse vleeskonijnenfokkerij worden gehouden? Kunt hier uiteenzetten hoe dieren moeten leven in de vleeskonijnenhouderij in ons land?
Ik ben op de hoogte van de algemene omstandigheden waarin konijnen leven in de houderijen. De omstandigheden waaronder konijnen worden gehouden, kunnen per houderij verschillen, maar ik ga er wel van uit dat houderijen minimaal voldoen aan de standaarden die zijn vastgelegd in de geldende wet- en regelgeving. Voor de standaarden in houderijen verwijs ik naar de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Deze wet- en regelgeving stelt minimumeisen aan huisvesting, verzorging en hantering van dieren, met als doel onnodig lijden te voorkomen. Voor konijnen zijn specifieke voorschriften opgenomen in het Besluit houders van dieren, waaronder eisen aan de ruimte, verlichting, verrijking en voer en water.
Heeft u de beelden bekeken die de afgelopen maanden op zestien verschillende konijnenhouderijen in Nederland zijn gemaakt, waarop te zien is op welke wijze konijnen op deze bedrijven uit hun kooien worden getrokken om afgevoerd te worden naar het slachthuis?1 2
Ja.
Heeft u gezien dat de konijnen op ruwe wijze aan hun oren en aan hun vacht worden opgetild en zeer ruw in transportkratten worden gegooid en geduwd?
Ja.
Heeft u gezien dat er ook gebruik wordt gemaakt van winkelwagentjes, die vol worden gegooid met konijnen, waarbij de dieren die onderin terecht zijn gekomen met hun pootjes op het raster van de winkelwagen zitten terwijl er een stapel van vier á vijf lagen konijnen bovenop ze wordt gegooid tot het winkelwagentje vol is, waardoor de dieren die onderin zitten worden geplet onder het gewicht van hun soortgenoten?
Ja.
Heeft u gezien dat er zelfs konijnen worden doodgeslagen tegen de grond?
Ja.
Wat vindt u van dit alles?
Wat te zien is op de beelden is verschrikkelijk en het gaat me aan het hart. Zo omgaan met dieren keur ik ten zeerste af en is onaanvaardbaar. We zien helaas vaker beelden van dieren die behandeld worden op een wijze die ons versteld doet staan. Als er geen toezichthouder in de buurt is, voelen sommigen zich kennelijk vrij op deze manier met dieren om te gaan. Dat is verontrustend en onbegrijpelijk.
Is dit de manier waarop in de Nederlandse veehouderij met dieren mag worden omgegaan? Zo nee, kunt u uitvoerig uiteenzetten welke overtredingen u hier allemaal ziet?
Dieren zijn meer dan een object of eigendom, het zijn levende wezens met een eigen waarde, los van de (gebruiks-)waarde die de mens eraan toekent. Deze intrinsieke waarde van dieren is vastgelegd in de Wet dieren en vormt dan ook het uitgangspunt van mijn beleid. We dienen met respect met dieren om te gaan, ze goed te behandelen en goede huisvesting en verzorging te bieden, van fok tot slacht.
Tijdens de verplaatsing van dieren moet letsel en lijden voorkomen worden en opwinding en stress tot een minimum worden beperkt. Ook moet de veiligheid van dieren worden gewaarborgd. Dit vereist een rustige en zorgvuldige manier van werken.
De NVWA heeft een grote hoeveelheid beeldmateriaal ontvangen. Het onderzoek loopt nog, dit betreft onder andere de beoordeling op authenticiteit. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met de dieren. Er worden dieren opgetild aan oren, vacht, poten en kop, dieren worden met te veel in een winkelwagen gestopt waardoor ze in de verdrukking komen. Ook is het verboden om konijnen te doden op de wijze zoals te zien is op de beelden.
Klopt het dat er op dit moment tussen de 25 en 30 vleeskonijnenhouderijen zijn in Nederland? Hoeveel zijn het er precies?
Op 1 april 2026 zijn 28 bedrijfsmatige houders van konijnen geregistreerd.
Hebt u gezien dat bij 16 Nederlandse konijnenhouderijen is gefilmd en dus bij (ruim) meer dan de helft van de bedrijven?
Ja, we hebben gezien dat bij 16 bedrijven is gefilmd. Er is een grote hoeveelheid aan beeldmateriaal.
Bent u ermee bekend dat in 2019 ook al beelden naar buiten kwamen over ernstig dierenleed in de Nederlandse konijnenhouderij, waarna toenmalig Minister Schouten aangaf dat zij begrijpt dat mensen hierdoor «geschokt, verdrietig en verontwaardigd zijn»?3
Ja, ik ben bekend met de reactie van toenmalig Minister Schouten op de beelden van toen.
Bent u ermee bekend dat vier jaar later opnieuw werd bevestigd dat konijnen in de veehouderij ernstig lijden, waarna toenmalig Minister Adema aangaf dit «verschrikkelijk» te vinden?4
Ja, ik ben bekend met de reactie van toenmalig Minister Adema op de beelden van toen.
Deelt u de mening dat er hierdoor niet kan worden gesproken over een incident, maar dat er sprake is van structureel en ernstig dierenleed en ernstige overtredingen in de konijnenhouderij? Zo nee, waarom niet?
De beelden uit 2019 en 2023 toonden het houden van de dieren op het primaire bedrijf en niet, zoals op de recente beelden, het vangen, laden en doden van konijnen.
Het onderzoek van de recente beelden loopt nog. Dit gaat om zowel het beoordelen van authenticiteit door NVWA-IOD als het onderzoeken van het materiaal op overtredingen. De beelden die de NVWA tot nu toe heeft bekeken, wijzen op structurele en zeer ernstige overtredingen in het omgaan met dieren. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.
Kunt u aangeven hoeveel controles sinds 2017 hebben plaatsgevonden bij konijnenhouderijen, uitgesplitst naar jaar? Klopt het dat er in elk geval in 2024 en 2025 geen enkele controle van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft plaatsgevonden bij konijnenhouderijen, ondanks de eerdere misstanden die in 2019 en ook in 2023 nog zijn geopenbaard?
Op de konijnenhouderijen in Nederland zijn zowel in de periode 2015–2017 als 2021–2022 naleefmetingen uitgevoerd op de wijze waarop de dieren worden gehouden.
Bij de naleefmeting in de periode 2015–2017 zijn 45 bedrijven met konijnen geïnspecteerd. Bij 15 bedrijven zijn overtredingen geconstateerd zoals het niet aanwezig hebben van knaagmateriaal, een te lage lichtintensiteit of het ontbreken van plateaus. Hiervoor zijn schriftelijke en mondelinge waarschuwingen gegeven. Bij de laatste naleefmeting in 2021/20225 zijn bij vijf van de 17 geïnspecteerde bedrijven overtredingen geconstateerd. Hiervoor zijn vijf schriftelijke waarschuwingen opgemaakt. In vier gevallen is tevens een maatregel ten behoeve van herstel opgelegd. Overtredingen die zijn geconstateerd hadden betrekking op huisvesting, het niet hanteren van een dag- en nachtritme of het niet (correct) bijhouden van het uitvalspercentage.
Omdat uit deze onaangekondigde inspecties bleek dat geen sprake is van ernstige overtredingen bij het houden van konijnen, zijn 2023, 2024 en 2025 in de konijnenhouderij geen inspecties uitgevoerd.
Kunt u aangeven hoeveel controles op het laden van konijnen voor transport hebben plaatsgevonden sinds 2017, uitgesplitst naar jaar?
Vanaf 2017 hebben er geen controles op het laden van konijnen plaatsgevonden.
Hoe kan het dat aan burgers, maatschappelijke organisaties en volksvertegenwoordigers nu al jaren wordt verteld dat de NVWA risicogericht toezicht houdt, terwijl in een sector zoals de vleeskonijnenhouderij, waar de risico’s op ernstig dierenleed en ernstige overtredingen overduidelijk groot en bekend zijn, niet wordt gecontroleerd?
De NVWA richt het toezicht op de locaties en sectoren waar de risico’s het grootst zijn en waar meldingen en signalen aanleiding geven voor inspecties. Omdat uit de inspecties uit 2021/2022 bleek dat er geen sprake was van ernstige overtredingen bij het houden van konijnen, zijn 2023, 2024 en 2025 in de konijnenhouderij geen inspecties uitgevoerd. In 2027 staat opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden.
Hoe verklaart u dat er, jaren nadat de eerste berichten van ernstig dierenleed in konijnenhouderijen naar buiten kwamen, nog steeds sprake is van structureel en ernstige dierenleed en ernstige overtredingen?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 12.
De sector heeft zelf een plan van aanpak huisvesting opgesteld waarover uw Kamer 14 april 2022 is geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Via dit plan van aanpak verplichten de houders zich om in de loop naar 2030 te voldoen aan bovenwettelijke huisvestingsvereisten.
Daarnaast is de LTO aan zet om uitvoering te geven aan het door de sector en onafhankelijke kwartiermaker te maken verbeterplan dat uiterlijk in oktober 2026 door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en zal ik de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Hoelang duurt een cyclus van fok en geboorte van jonge konijnen tot aan het eindstadium van de vetmesterij op een gemiddeld vleeskonijnenbedrijf? Hoe veel van deze cycli vinden jaarlijks plaats en hoe vaak per jaar worden de vetgemeste konijnen op een gemiddeld bedrijf afgevoerd naar de slacht?
De draagtijd van een konijn bedraagt gemiddeld 31 dagen. De vleeskonijnen gaan rond 11 weken leeftijd naar de slacht. In het handboek van de sector van 2019–2020 staat dat moederkonijnen gemiddelde 6,8 worpen per jaar hebben. De gevraagde gegevens over het aantal keer per jaar dat de konijnen op een gemiddeld bedrijf naar de slacht worden afgevoerd, worden niet door de overheid bijgehouden.
Hoe geloofwaardig vindt u de reactie van één van de boeren, die bij RTL Nieuws namens de gehele vleeskonijnensector reageerde, dat ze echt geschrokken waren van de beelden, terwijl deze beelden ook op zijn eigen bedrijf waren gefilmd?
Op basis van het bericht over de beelden kan ik geen oordeel geven over de geloofwaardigheid van een individuele reactie van een houder.
Denkt u dat de betreffende boeren niet weten hoe de konijnen op hun eigen bedrijven uit hun kooien worden getrokken en in kratten worden gesmeten wanneer het tijd is om de vetgemeste dieren af te voeren naar de slacht? Liggen zij dan in bed als de konijnen op hun eigen bedrijf worden gevangen voor de slacht?
Ik kan geen oordeel vellen over de mate van betrokkenheid van specifieke konijnenhouders bij het vang- en laadproces. De konijnenhouder blijft hoe dan ook zelf verantwoordelijk voor het welzijn van de dieren op diens bedrijf en heeft zich aan de regels te houden. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van dierenmishandeling, zal dit strafrechtelijk worden vervolgd.,
Deelt u het vermoeden dat de vleeskonijnenfokkers niet zozeer geschrokken zijn van wat er op de beelden te zien is, omdat dat hen wel bekend is, maar vooral van het feit dat deze beelden naar buiten zijn gekomen?
Op basis van de beschikbare informatie kan ik geen oordeel geven over de reacties van individuele konijnenhouders.
Denkt u dat een «stevig gesprek», dat de NVWA met de sector zegt te willen gaan voeren, een gepaste reactie is voor een sector die nu al verschillende keren via undercoverbeelden is ontmaskerd als een sector waarin dieren structureel ernstig lijden en waarin ernstige overtredingen worden begaan?
In het gesprek met de sector met LVVN en NVWA op 16 juli jl. is besproken dat de LTO in samenwerking met een onafhankelijke kwartiermaker een verbeterplan maakt dat uiterlijk in oktober door hen opgesteld en vastgesteld moet zijn. Hierin moet worden aangegeven hoe zij structurele verbetering tijdens het vangen en laden wil realiseren. Op basis van dit plan en de uitvoering hiervan zal ik bezien welke vervolgstappen nodig zijn en de Kamer uiterlijk eind van dit jaar informeren.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. De uitkomsten van deze inspecties worden betrokken bij de beoordeling voor eventuele noodzaak van aanvullend toezicht. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.
Deelt u de mening dat een dergelijke sector geen uitvluchten meer mag krijgen door zelf met «verbeterplannen» te komen, maar dat de schandalige manier waarop in de vleeskonijnenhouderij met weerloze dieren wordt omgegaan stevig moet worden bestraft en serieuze consequenties moet hebben?
Ik deel de zorgen van de Kamer over de misstanden in de konijnenhouderijen en ik ben van mening dat er geen ruimte meer is voor vrijblijvendheid. De sector moet nu concrete stappen zetten om het vangen en laden van de konijnen te verbeteren en de NVWA zal waar nodig handhavend optreden.
Welke consequenties verbindt u aan het structurele lijden van konijnen in de vleeskonijnenhouderij en de ernstige overtredingen die keer op keer naar buiten komen voor de toekomst van deze sector in ons land?
Zie het antwoord op vraag 12.
Kunt u zich voorstellen dat veel burgers begrijpen dat er belastinggeld wordt gestoken in het uitkopen van veehouderijen en dat er subsidies worden verstrekt om de veehouderij te laten omschakelen naar een duurzamer en diervriendelijker landbouw, maar dat het indruist tegen hun rechtsgevoel als veehouderijbedrijven die zó met dieren omgaan en die zich schuldig maken aan ernstige overtredingen ook doodleuk in aanmerking komen voor uitkoopregelingen en subsidies? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij deze zorgen van burgers voorstellen. Subsidieregelingen voor beëindiging van veehouderijen, zoals de Lbv-regelingen6 en de in voorbereiding zijnde Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr) kennen een bepaling die het mogelijk maakt om bij ernstige overtredingen een aanvraag af te wijzen. Immers kunnen alleen ondernemingen die aan de normen van de Europese Unie voldoen, zoals ten aanzien van dierenwelzijn, voor subsidie in aanmerking komen. Als een veehouder niet aan deze normen voldoet en zijn activiteiten moet beëindigen wordt een aanvraag in elk geval afgewezen. Ook de overtreding van normen die niet gestoeld zijn op regelgeving van de Europese Unie kan reden zijn om een ondernemer uit te sluiten van deelname aan een beëindigingsregeling. In het bijzonder gaat het om overtredingen van de Meststoffenwet en om overtredingen van de regelgeving voor dierenwelzijn die zo ernstig zijn dat ze niet bestuursrechtelijk zijn afgedaan, maar dat ze in het strafrechtelijke spoor zijn beoordeeld. Genoemde regelingen bevatten een grondslag om in dergelijke gevallen de subsidieaanvraag af te kunnen wijzen. Bij de beoordeling wordt hierbij als criterium gehanteerd of een straf is opgelegd door het Openbaar Ministerie (strafbeschikking) of de strafrechter voor een strafbaar feit dat in een periode van vijf jaar voor de datum van subsidieaanvraag is begaan.
Gaat u ervoor zorgen dat bij veehouderijbedrijven die zich schuldig maken aan ernstige overtredingen strikte handhaving en sanctionering wordt ingezet, in plaats van straffeloze beloning in de vorm van uitkoopregelingen of omschakelsubsidies op kosten van de belastingbetaler? Zo ja, kunt u uiteenzetten hoe u dit aan gaat pakken? Zo nee, waarom vindt u het gerechtvaardigd om schaarse middelen uit het stikstoffonds op te maken aan bedrijven die ernstige overtredingen begaan en zo omgaan met dieren?
Zie mijn antwoord op vraag 12 en 24. In het geval van ernstige overtredingen of misdrijven wordt het opgemaakte proces-verbaal overgedragen aan het Openbaar Ministerie, dat zal besluiten over strafoplegging of vervolging.
Eerder heb ik uitgelegd welke voorwaarden subsidieregelingen bevatten om voor subsidie in aanmerkingen te komen en welke mogelijkheden er zijn om een ondernemer uit te sluiten bij (ernstige) overtredingen.
Deelt u de mening dat de schandalige manier waarop konijnen uit hun kooien werden gehaald en (via winkelwagentjes) in transportkratten werden gegooid en geduwd nooit meer voor mag komen? Zo nee, waarom vindt u dat de vleeskonijnensector ernstige overtredingen mag blijven begaan? Zo ja, hoe gaat u zorgen dat dit niet meer gebeurt?
Zie mijn antwoord op vraag 6. Ik deel dat het laden en doden van de konijnen op de videobeelden op een dieronwaardige manier gebeurt en keur dit af. Echter, zoals aangegeven loopt het onderzoek van de beelden nog.
De konijnenhouder is verantwoordelijk dat tijdens de verplaatsing van de dieren letsel en lijden voorkomen wordt en opwinding en stress tot een minimum wordt beperkt. Ook moet de veiligheid van dieren worden gewaarborgd. De konijnensector gaat een verbetertraject opzetten met een onafhankelijke kwartiermaker. Dit proces zal nauwlettend gevolgd worden.
Aanvullend staat voor 2027 opnieuw een naleefmeting gepland op de wijze waarop vleeskonijnen worden gehouden. Daarnaast wordt momenteel toezicht ingericht op het vangen en laden van konijnen.
Erkent u dat er in het huidige veehouderijsysteem voor konijnen sprake is van structureel lijden, ook als de veehouder zich aan alle regels houdt, omdat de tot nu toe toegestane manier van huisvesting totaal niet is aangepast aan de natuurlijke behoeften, het welzijn en de integriteit van deze dieren? Deelt u de mening dat er een einde moet komen aan dit structurele dierenleed?
De Wet dieren en het Besluit houders van dieren is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten en Europese richtlijnen, zoals Richtlijn 98/58/EG betreffende de bescherming van landbouwhuisdieren. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoeften van dieren, voor zover deze verenigbaar zijn met de economische en praktische haalbaarheid in de houderijen.
Of er sprake is van structureel lijden is niet te zeggen omdat de omstandigheden variëren per bedrijf. Wel is het van belang om te benadrukken dat de huidige wetgeving minimumeisen stelt, maar dat er ruimte is voor verbetering in het kader van het welzijn van de konijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek van onder andere de European Food Safety Authority (EFSA)1 blijkt dat konijnen behoeften hebben die in lijn liggen met hun natuurlijke gedrag.
Zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd (Kamerstuk 28 286, nr. Nr. 1394), werk ik aan een AMvB voor een dierwaardige veehouderij. Ik heb uw Kamer geïnformeerd over de stappen die hierop worden ondernomen en dat de concept-AMvB na de zomer aan het parlement zal worden voorgehangen. De focus ligt in de AMvB die reeds wordt opgesteld bij de grotere sectoren (varkens, runderen en pluimvee), maar op termijn zullen ook de overige sectoren, waaronder de konijnensector, worden betrokken. Op het moment dat de AMvB voor de konijnensector wordt opgesteld zal nogmaals goed gekeken worden naar de gedragsbehoeftes en het natuurlijke gedrag van konijnen om zo tot passende nieuwe wetgeving te komen.
Hoeveel konijnen worden er in Nederland jaarlijks gefokt? Kunt u bevestigen dat uit schattingen blijkt dat rond de 350.000 konijnen per jaar niet levend de stallen uitkomen, omdat ze er sterven vanwege de slechte omstandigheden?5 Zo nee, om welke aantallen gaat het dan en waar baseert u dat op?
In totaal zijn in 2025 iets meer dan 246.000 konijnen gefokt (gespeende vleeskonijnen en voedsters). Cijfers over de sterfte van konijnen worden niet centraal geregistreerd.
Bent u ermee bekend dat de toenmalig landbouwminister in 2020 liet weten in gesprek te gaan met de konijnensector over het centraal registeren van het aantal konijnen dat sterft in de stallen en dat deze cijfers vanaf 2025 beschikbaar zouden komen?6 7
Ja, hier ben ik mee bekend; dit is de Zorgwijzer. De LTO konijnenhouderij is dit samen met Wageningen Economic Research (WEcR) gestart. Het is een centrale registratie van data die inzicht geeft in een aantal duurzaamheidsprestaties van de deelnemende bedrijven op het gebied van diergezondheid en dierenwelzijn, waaronder de sterftecijfers. De Zorgwijzer is reeds toegepast voor 2023 en 2024 en zal dit najaar worden ingezet om de sterftecijfers van 2025 en 2026 vast te stellen.
Kunt u deze cijfers met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
De overheid beschikt niet over deze cijfers. De Zorgwijzer is een private tool en deelname van konijnenhouders is vrijwillig. Niet alle konijnenhouders nemen deel aan de Zorgwijzer en het is niet bekend of de totaalcijfers representatief zijn.
Hoe beoordeelt u het in termen van dierwaardigheid dat konijnen moeten leven in een kooi, zonder ruimte om te rennen, graven, schuilen of knagen, dag en nacht in een ammoniaklucht doorbrengend, waarbij de mannetjes die worden gehouden voor hun zaad in hun eentje in kooien zitten, net als (een groot deel van) de moederdieren op het moment dat zij geen jongen hebben?
Zie mijn antwoord op vraag 27.
Onderschrijft u de analyse van de Universiteit Utrecht die in haar rapport de gedragsbehoeften van konijnen heeft gedefinieerd, waaronder exploreren, knagen, foerageren en scharrelen, het onderhouden van sociale banden, het vertonen van maternaal en nestgedrag, het vertonen van zooggedrag en het ontvangen van moederzorg voor jongen?8
Ja.
Onderschrijft u de analyse van de Universiteit Utrecht dat konijnen zich moeten kunnen terugtrekken om agressie te vermijden, dat ze moeten beschikken over voldoende vlucht-, schuil- of uitwijkmogelijkheden, dat ze moeten kunnen liggen en rusten, dat ze zich moeten kunnen afzonderen van het nest voor moederdieren ter voorkoming van infanticide en verwonding van de jongen en dat ze moeten beschikken over voldoende ruimte voor beweging, zodat ze kunnen springen, huppelen en rennen?
Ja.
Onderschrijft u dat konijnen behoefte hebben aan eten en drinken van onbeperkt beschikbaar schoon water en van voldoende geschikt voer op een manier die aansluit bij de voorkeur van deze dieren?
Ja.
Onderschrijft u de analyse van Universiteit Utrecht dat vleeskonijnen in kleine kooien of hokken gevoelig zijn voor hittestress? Welke maatregelen worden op dit moment getroffen om deze dieren tegen de hitte te beschermen?
Ja, ik onderschrijf dat konijnen gevoelig zijn voor hittestress. Momenteel wordt bij hoge temperaturen de koeling ingeschakeld. Deze koeling kan worden uitgevoerd door de toepassing van PAD-cooling, mechanische koeling of grondbuizen.
Hebben de konijnenfokkers in hun fokprogramma’s rekening gehouden met minder dieren (lagere stalbezetting) in de zomermaanden omdat het risico op hittestress dan groot is?
Nee, zij maken enkel gebruik van verkoelingsmogelijkheden.
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen u op korte termijn gaat treffen, en met welk tijdpad, om een einde te maken aan het ernstige en structurele dierenleed in de konijnenhouderij, inclusief handhaving en beëindiging van de bedrijven die zich schuldig hebben gemaakt aan ernstige overtredingen?
Zie mijn antwoord op vraag 21.
Naar aanleiding van ‘de ongeregeldheden op diverse plekken in Nederland na de wedstrijd Canada-Marokko’ |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel personen zijn landelijk aangehouden, hoeveel politiecapaciteit is ingezet en hoeveel politiemensen of andere hulpverleners zijn tijdens deze ongeregeldheden slachtoffer geworden van geweld?
Voor zover bekend zijn er in totaal meer dan 40 personen aangehouden in Den Haag, in Rotterdam, in Amsterdam en in Tilburg. De politie heeft veel inzet gepleegd en was zichtbaar en preventief aanwezig, op sommige plekken zijn er extra politiemensen ingezet. Op een aantal plekken zijn er politiemensen bekogeld met attributen en vuurwerk.
Klopt het dat verschillende gemeenten vooraf rekening hielden met mogelijke rellen en extra veiligheidsmaatregelen hebben voorbereid? Zo ja, waarom zijn desondanks op diverse plaatsen ernstige ordeverstoringen ontstaan?
Waarom is in risicogemeenten niet gekozen voor het instellen van noodverordeningen of andere vergaande openbare-ordemaatregelen, terwijl eerdere ervaringen aanleiding gaven om rekening te houden met ernstige ongeregeldheden?
Acht u het achteraf bezien een bestuurlijke fout dat dergelijke instrumenten niet of onvoldoende zijn ingezet?
Welke concrete maatregelen worden vóór de eerstvolgende WK-wedstrijd waarbij Marokko betrokken is genomen om nieuwe rellen te voorkomen?
Bent u bereid burgemeesters actief op te roepen om, waar de risicoanalyse daartoe aanleiding geeft, gebruik te maken van alle beschikbare bevoegdheden, waaronder noodbevelen, noodverordeningen en de aanwijzing van veiligheidsrisicogebieden?
Burgemeesters weten van mij dat ik hen steun bij een stevige aanpak van verstoorders van de openbare orde. Het is aan het lokaal gezag te bepalen welke aanpak, bij het handhaven van de openbare orde, in concrete situaties gepast is en van welke bevoegdheden daarbij gebruik wordt gemaakt. De burgemeester is over het gevoerde beleid verantwoording verschuldigd aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om hierover te oordelen.
Hoeveel van de aangehouden verdachten worden strafrechtelijk vervolgd, hoeveel zaken worden via supersnelrecht afgedaan en hoeveel verdachten zitten op dit moment nog vast?
Het OM heeft mij geïnformeerd dat de meeste van de aangehouden verdachten een boete hebben gekregen wegens overtreding van de APV. In twee zaken heeft de officier van justitie een OM-strafbeschikking opgelegd. Vijf verdachten zijn gedagvaard voor de politierechter, waarbij in één geval supersnelrecht is toegepast. Er zitten geen verdachten meer in voorlopige hechtenis.
Bent u bereid er bij gemeenten op aan te dringen dat klaarblijkelijk enkel «naming and shaming» en de lange lat werken voor dit soort tuig? Zo nee, waarom niet?
Zie beantwoording vraag 6.
Bent u bereid er bij het Openbaar Ministerie op aan te dringen dat verdachten van openlijk geweld, vernieling en geweld tegen hulpverleners waar mogelijk via (super)snelrecht worden berecht?
Het Openbaar Ministerie (OM) past (super)snelrecht toe waar mogelijk en opportuun. In verband met de korte termijn tussen aanhouding en behandeling ter zitting moet het gaan om bewijstechnisch gezien relatief eenvoudige zaken. Het OM, de rechter en de verdediging moeten tijdig kunnen beschikken over een compleet dossier. Dat betekent dat complexere zaken waarin aanvullend onderzoek nodig is in het algemeen niet in aanmerking komen voor supersnelrecht. Bovendien is (super)snelrecht niet altijd wenselijk in zaken waarin schade is toegebracht, omdat slachtoffers dan te weinig tijd hebben om desgewenst schadevergoeding te vragen. Het is aan het OM om in een zaak die afweging te maken.
Wordt de volledige schade aan politie, gemeenten, ondernemers en andere gedupeerden verhaald op de daders? Zo nee, waarom niet?
In het algemeen geldt, dat wanneer partijen schade lijden door toedoen van een ander, zij via de civielrechtelijke weg vergoeding van de geleden schade kunnen vorderen. Wanneer personen strafrechtelijk worden vervolgd, wordt de aangerichte schade (inclusief de schade aan de politie) meegenomen in de strafzaak.
Hoeveel van de aangehouden verdachten beschikken niet over de Nederlandse nationaliteit of hebben ook een andere nationaliteit? Als u deze gegevens niet registreert, bent u bereid dit alsnog inzichtelijk te maken?
Conform de wet politiegegevens (Wpg) registreert de politie de informatie die benodigd is bij het uitvoeren van de politietaak. Bij een aanhouding stelt de politie de identiteit van een verdachte vast op basis van een geldig legitimatiebewijs. Wanneer dit een Nederlands legitimatiebewijs is, wil dat niet automatisch zeggen dat de verdachte niet beschikt over een tweede nationaliteit.
Bent u bereid gemeenten die structureel met dit soort ordeverstoringen worden geconfronteerd extra ondersteuning te bieden op het gebied van politiecapaciteit, handhaving en cameratoezicht?
Binnen de nationale politie wordt de inzet ten behoeve van de openbare orde zo goed mogelijk gefaciliteerd. Bij incidenten kan de politie op basis van art. 3 Politiewet 2012 camera’s gebruiken. Voor zover in de vraag gedoeld wordt op gemeentelijk cameratoezicht op basis van art. 151c Gemeentewet, is besluitvorming door de burgemeester, in samenspraak met de gemeenteraad, hiervoor de aangewezen weg.
Welke lessen trekt u uit deze gebeurtenissen en welke aanvullende landelijke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat Nederland na iedere risicowedstrijd opnieuw wordt geconfronteerd met grootschalige wanordelijkheden?
De burgemeester draagt de verantwoordelijkheid voor de handhaving van de openbare orde. Evalueren van deze gebeurtenissen laat ik aan de driehoeken van de gemeenten.
Kunt u deze vragen vóór de eerstvolgende WK-wedstrijd waarbij Marokko betrokken is beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Strafvermindering voor ernstige misdadigers vanwege te lange strafprocedures |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van RTL Nieuws van 3 juli 2026: «Rechtssysteem loopt vast, moordenaars en verkrachters krijgen lagere straffen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat in honderden zaken rond zware misdrijven, waaronder moord, doodslag en verkrachting, strafvermindering is toegepast omdat de strafprocedure te lang duurde?
Ik acht het van groot belang dat daders een passende straf krijgen. Voorop staat dat verdachten, daders en slachtoffers tijdig hun recht dienen te krijgen en niet te lang moeten wachten op de uitkomst van een strafproces. Het verkorten van de doorlooptijden is dan ook een van de prioriteiten van de strafrechtketen. Tegelijkertijd is het belangrijk dat elke zaak de tijd en aandacht krijgt die deze verdient, zowel tijdens het opsporingsonderzoek als tijdens de behandeling op zitting. Slachtoffers en verdachten hebben recht op een zorgvuldig en rechtvaardig proces. Onderdeel daarvan is dat binnen een redelijke termijn een uitspraak van de rechter volgt. Om te voorkomen dat een verdachte onnodig lang in onzekerheid verkeert over een eventuele bestraffing, vloeit uit art. 6 EVRM voort dat een verdachte recht heeft op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.2 In die gevallen waarin een overschrijding van de redelijke termijn niet vermeden kan worden, kunnen daar consequenties aan worden verbonden. Er kan ook worden volstaan met het vaststellen van die overschrijding. De Hoge Raad heeft de uitgangspunten voor de toepassing van strafvermindering als gevolg van termijnoverschrijdingen uiteengezet3.
Het is echter in alle opzichten onwenselijk als de duur van het proces een rechtvaardige strafoplegging in de weg staat, terwijl daar geen inhoudelijke zaak gerelateerde grondslag voor is. Juist voor slachtoffers en nabestaanden kan het veel impact hebben als het strafproces erg lang op zich laat wachten als gevolg van een overvolle strafrechtketen. Zeker als de lange duur van het strafproces dan ook nog invloed heeft op de hoogte van de straf. Strafvermindering voor verdachten die lang moeten wachten op het strafproces moet dan ook worden voorkomen.
Ik wil daarbij wel benadrukken dat de Rechtspraak aangeeft dat de genoemde aantallen niet door hen kunnen worden bevestigd. Op basis van de binnen de Rechtspraak bekende data kan deze conclusie niet zonder meer worden getrokken. Om een gefundeerde conclusie te kunnen geven zou uitgebreid jurisprudentieonderzoek nodig zijn.
Wat is volgens u de impact hiervan op de rechtsstaat?
Een goed functionerende strafrechtketen is belangrijk voor het vertrouwen van burgers in de rechtsstaat en het strafrecht. Ik begrijp goed dat het voor slachtoffers en nabestaanden wrang is als in een strafzaak een overschrijding van de redelijke termijn wordt geconstateerd en verdachten als gevolg daarvan strafvermindering krijgen. Ik acht het onwenselijk als betrokkenen te lang moeten wachten op hun recht en dat langere doorlooptijden mogelijk zouden kunnen leiden tot een andere uitkomst van het strafproces. Ik merk daarbij wel op dat indien er strafvermindering wordt toegepast dit niet direct betekent dat de veroordeelde geen gepaste straf krijgt.
Ik acht het in algemene zin van groot belang om de doorlooptijden in de strafrechtketen te verkorten. Het verbeteren van de doorlooptijden heeft prioriteit de komende jaren. Mijn ministerie werkt samen met de ketenorganisaties hard aan de aanpak van de problematiek van lange doorlooptijden. Mede naar aanleiding van de aangehaalde bevindingen van de Algemene Rekenkamer is er een deltaplan in voorbereiding waarin tal van maatregelen zullen worden genomen om de prestaties in de strafrechtketen, waaronder de doorlooptijden, te verbeteren. Uw Kamer is hierover in de voortgangsbrief strafrechtketen van 22 juni jl. geïnformeerd. Het streven is dat het deltaplan in het eerste kwartaal van 2027 gereed is.
Hoe beoordeelt u dat volgens RTL Nieuws in 2008 in 8 procent van de gepubliceerde vonnissen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, terwijl dit in de eerste helft van 2026 is opgelopen tot 25 procent?
RTL Nieuws baseert zich op gepubliceerde rechterlijke uitspraken. Omdat de Rechtspraak sinds 2021 fors meer uitspraken publiceert dan in de jaren daarvoor is er in 2026 een veel grotere en andere verzameling uitspraken beschikbaar dan in 2008. Dit maakt de percentages uit 2008 en 2026 moeilijk vergelijkbaar. Op basis van de stijging in het aantal gepubliceerde uitspraken kan dan ook niet worden gezegd dat schendingen van de redelijke termijn daadwerkelijk vaker voorkomen dan in 2008. Evenmin volgt uit deze cijfers dat in alle gevallen strafvermindering is toegepast; overschrijding van de redelijke termijn leidt daar niet automatisch toe. Om dit eventueel vast te kunnen stellen, zou nader onderzoek nodig zijn.
Tegelijkertijd deel ik als gezegd de zorgen over de lange duur van strafzaken en de constatering dat in de gepubliceerde uitspraken sprake is van een dergelijk percentage waarbij sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De doorlooptijden in de strafrechtketen hebben mijn volle aandacht. Om tot kortere doorlooptijden te komen zijn daartoe in de strafrechtketen streefnormen vastgesteld ten aanzien van 3 geprioriteerde zaakstromen, namelijk ten aanzien van zeden, jeugd en veelvoorkomende criminaliteit (VVC). Met het bovengenoemde deltaplan zal gewerkt worden aan de verdere realisatie van deze streefnormen. Op termijn dient dit ook bij te dragen aan het verminderen van het aantal strafzaken waarbij de redelijke termijn in het geding is.
Kunt u in kaart brengen hoe vaak in de afgelopen vijf jaar strafvermindering is toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn, en om wat voor soort misdrijven dit gaat?
De Rechtspraak en het Openbaar Ministerie houden geen registratie bij van overschrijdingen van de redelijke termijn en de gevolgen die daaraan in een specifieke strafzaak zijn verbonden. Precieze gegevens over het aantal strafzaken waarin een overschrijding van de redelijke termijn is vastgesteld kunnen pas na zeer tijdrovend onderzoek worden verkregen. Hiervoor zouden alle strafzaken bij alle gerechten afzonderlijk moeten worden geanalyseerd.
Hoe beoordeelt u de gevolgen voor de slachtoffers en nabestaanden in zaken waarin de dader strafvermindering opgelegd krijgt?
Zie antwoord op vraag 2.
Wordt strafvermindering als gevolg van te lange doorlooptijden expliciet meegenomen in het deltaplan voor de strafrechtketen?
Het deltaplan voor de strafrechtketen richt zich in algemene zin op het verbeteren van de prestaties van de strafrechtketen, waaronder de doorlooptijden. Het verbeteren van de doorlooptijden moet er uiteindelijk toe leiden dat meer zaken binnen een redelijk termijn worden afgedaan. Overigens wordt in het nieuwe Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid voor de rechter geïntroduceerd om ook aan de benadeelde partij een schadevergoeding toe te kennen wanneer de redelijke termijn is overschreden.
Zo ja, bent u bereid om maatregelen hiertegen niet pas in het deltaplan van volgend jaar op te nemen, maar nog vóór het einde van dit jaar met concrete voorstellen te komen?
In december 2025 zijn al verschillende maatregelen aangekondigd om te werken aan het verkorten van de doorlooptijden in de strafrechtketen. Deze maatregelen worden voortgezet.
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de ontwikkeling van doorlooptijden van rechtszaken en het aantal zaken waarin strafvermindering wordt toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn?
Uw Kamer wordt twee keer per jaar geïnformeerd over de ontwikkeling van de doorlooptijden in de strafrechtketen middels de factsheet strafrechtketenmonitor. Specifiek ten aanzien van zaken waarin strafvermindering wordt toegepast acht ik dit onhaalbaar. Deze informatie wordt op dit moment niet geregistreerd. Het verwerken van dergelijke informatie is intensief en technisch complex voor de Rechtspraak.
De aangifte van seksueel geweld door Nederlandse opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat Nederlandse opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla aangifte hebben gedaan van seksueel geweld door Israëlische militairen?1 Zo ja, hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja, ik heb kennis genomen van de berichtgeving over de aangekondigde aangifte. Als er aangifte wordt gedaan, is het aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of het opportuun is een strafrechtelijk onderzoek en eventueel vervolging in te stellen.
Heeft het kabinet inmiddels contact gehad met de Nederlandse opvarenden of hun advocaat naar aanleiding van deze aangifte? Zo ja, welke ondersteuning is daarbij aangeboden?
Zoals bekend, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Nederlandse deelnemers aan de Global Sumud Flotilla die daar om verzochten consulair bijgestaan rondom de onderscheppingen van de Flotilla door de Israëlische autoriteiten in april en mei jongstleden. Het ging onder meer om het faciliteren van contact met familieleden en het op weg helpen bij de zelfstandige doorreis vanuit Griekenland en Turkije, via de posten ter plaatse. Ook stond het Ministerie van Buitenlandse Zaken in contact met familieleden en naasten van betrokken Nederlanders.
In Frankrijk en Italië lopen inmiddels strafrechtelijke onderzoeken naar de behandeling van opvarenden van de Gaza Freedom Flotilla. Ziet het kabinet aanleiding vergelijkbare stappen in Nederland te zetten?2 Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord 1 is aangegeven, is het – als er aangifte wordt gedaan – aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of het opportuun is een strafrechtelijk onderzoek en eventueel vervolging in te stellen.
Is het kabinet bereid zich ervoor in te spannen dat de Nederlandse aangiften worden betrokken bij internationale strafrechtelijke onderzoeken naar de behandeling van de opvarenden? Zo nee, waarom niet?
Indien er een strafrechtelijk onderzoek en eventueel (vervolgens) vervolging wordt ingesteld is het aan het Openbaar Ministerie om al dan niet internationale afstemming te zoeken.
Welke medische, psychologische en juridische ondersteuning wordt aan de Nederlandse slachtoffers aangeboden sinds ze weer terug zijn in Nederland? Zo nee, waarom niet en bent u bereid te inventariseren of daar alsnog behoefte aan is?
Zowel Slachtofferhulp Nederland (hierna: SHN) als het Centrum voor Seksueel Geweld (hierna: CSG) gaan, in verband met de privacy van betrokkenen, niet in op individuele zaken. In zijn algemeenheid kan ik melden dat herstel van autonomie van slachtoffers voorop staat, waarbij zij zelf regie hebben over de gewenste hulp, en dus ook over of, hoe en aan wie zij over hun ervaringen vertellen.
SHN is altijd beschikbaar voor alle slachtoffers indien daar behoefte aan is. Met slachtoffers die in Nederland aangifte doen van seksueel geweld wordt, indien zij toestemming verlenen om de gegevens met SHN te delen, binnen drie dagen contact opgenomen door SHN. In dit eerste contact worden de impact en behoefte geïnventariseerd, en wordt uitleg gegeven over welke psychosociale en juridische ondersteuning geboden kan worden. De ondersteuning is altijd maatwerk, in aansluiting op de noden en behoeften van het slachtoffer. Als opvarenden van de Flotilla seksueel geweld hebben meegemaakt en twijfelen over of zij hulp nodig hebben, nodigt het CSG hen uit om contact op te nemen. Het is aan henzelf om te beslissen wat zij wel of niet willen delen. Dit kan telefonisch, per chat of in Amsterdam en Rotterdam op inloop.
Bent u bereid zich er bij de Israëlische autoriteiten voor in te zetten dat volledige medewerking wordt verleend aan onderzoeken naar de aangiften van seksueel geweld en andere ernstige misdrijven tegen de opvarenden?
Zoals bekend heeft het kabinet de oproep van de Canadese Minister-President richting de Israëlische autoriteiten tot een onafhankelijk onderzoek naar de behandeling van de aangehouden Flotilla-opvarenden gesteund.3
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Overeenkomstig uw verzoek zijn de vragen afzonderlijk beantwoord.
De bestuurlijke problemen en de uitvoering van de jeugdzorg in Lelystad |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De Lelystadse jeugdzorg wordt steeds duurder. De directeur die daar iets aan deed, moest vertrekken»?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u de signalen dat bestuurlijke en organisatorische problemen binnen de gemeente Lelystad ertoe hebben geleid dat aanvragen voor jeugdhulp zijn blijven liggen en de toegang tot jeugdhulp onder druk is komen te staan?
In de Jeugdwet hebben de gemeenten een jeugdhulpplicht. Het is op grond hiervan aan de gemeente om afspraken te maken met jeugdhulpaanbieders en zo te zorgen dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp krijgen. Het is in eerste instantie aan de gemeenteraad van Lelystad om te beoordelen of er wordt voldaan aan de jeugdhulpplicht.
Kunt u aangeven of de continuïteit en tijdigheid van de jeugdhulp in Lelystad gedurende deze periode in het geding zijn geweest? Zo ja, welke gevolgen heeft dit gehad voor kinderen en gezinnen?
Naar aanleiding van de berichtgeving over de bestuurlijke situatie en de toegangsorganisatie in gemeente Lelystad is eind maart vanuit VWS contact gelegd met de gemeente Lelystad, omdat ook vanuit VWS zorgen waren over de situatie in Lelystad. Uit die gesprekken kwam naar voren dat de gemeente druk bezig was om haar toegangstaak weer op orde te krijgen. Ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en is ook in gesprek gegaan met de gemeente Lelystad. Daarbij heeft de NZa risico’s gesignaleerd die van invloed kunnen zijn op de beschikbaarheid en toegankelijkheid van jeugdhulp. De NZa volgt de situatie nauwgezet en blijft met de gemeente in gesprek over de verdere opvolging hiervan. De NZa heeft VWS de afgelopen maanden regelmatig geïnformeerd over de stand van zaken in Lelystad en blijft dit naar de toekomst toe ook doen.
Welke verantwoordelijkheid heeft u als stelselverantwoordelijke wanneer een gemeente de uitvoering van de Jeugdwet onvoldoende op orde heeft en daardoor de toegang tot passende jeugdhulp in gevaar komt?
De Jeugdwet is gedecentraliseerd. Dit betekent dat gemeenten in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze taak en dat de gemeenteraad verantwoordelijk is om het college hierop aan te spreken.
De NZa houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg. Deze vroegsignaleringstaak is één van de nieuwe taken die de NZa heeft gekregen met het in werking treden van de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg waarbij VWS als stelselverantwoordelijke het wetsvoorstel heeft voorbereid. Indien blijkt dat er sprake is van taakverwaarlozing door een gemeente, dan kan het Rijk de gemeente hierop aanspreken via interbestuurlijk toezicht.
Is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op de hoogte van de situatie in Lelystad? Zo ja, welke rol heeft de IGJ gespeeld of gaat zij nog spelen?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) zijn op de hoogte van de situatie in Lelystad. Omdat het hier om de toegang gaat en niet om de kwaliteit van de zorg bij aanbieders, heeft de IGJ hier alleen een signalerende rol in richting het Ministerie van VWS.
De Nederlandse Zorgautoriteit houdt vanuit haar vroegsignaleringstaak jeugd zicht op de ontwikkelingen in Lelystad en informeert en betrekt VWS hierbij. Zij zijn sinds een paar maanden in gesprek met de gemeente Lelystad over de beschikbaarheid van zorg in de gemeente Lelystad.
Zijn bij u signalen bekend dat vergelijkbare organisatorische of bestuurlijke problemen ook in andere gemeenten leiden tot vertragingen, achterstanden of onjuiste besluitvorming binnen de jeugdzorg? Zo ja, om hoeveel gemeenten gaat het?
Als het om de beschikbaarheid van zorg gaat, dan heeft de NZa sinds 1 januari 2026 de nieuwe taak om hier zicht op te houden. De NZa heeft op dit moment geen vergelijkbare signalen van andere gemeenten.
In hoeverre beschikt u over instrumenten om in te grijpen wanneer de uitvoering van de Jeugdwet binnen een gemeente structureel tekortschiet? Bent u van mening dat deze instrumenten toereikend zijn?
Gemeenten zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de uitvoering van de Jeugdwet. De gemeenteraad is verantwoordelijk om het college van B&W hierop aan te spreken. Indien blijkt dat er desondanks sprake is van taakverwaarlozing dan heeft het Rijk het instrument interbestuurlijk toezicht. Het interbestuurlijk toezicht kent verschillende stappen die doorlopen dienen te worden. Zo vindt eerst signalering en factfinding plaats. Waarna, indien nodig, afspraken met gemeenten gemaakt kunnen worden over acties, termijnen en vervolg om de taak op grond van de Jeugdwet te kunnen borgen. In een uiterst geval kan het Rijk overgaan tot indeplaatsstelling. Tot op heden heeft het maken van afspraken over acties, termijnen en vervolg kunnen volstaan om taakverwaarlozing te beëindigen.
Welke lessen trekt u uit de gebeurtenissen in Lelystad voor de landelijke hervorming van de jeugdzorg, in het bijzonder ten aanzien van sturing, toezicht, financiële beheersing en de toegang tot passende hulp?
Met de afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd is ingezet om het jeugdstelsel verder te ontwikkelen en te versterken. Met de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg heeft bijvoorbeeld de NZa nieuwe taken gekregen, waaronder de eerder genoemde vroegsignaleringstaak. Ook is voor sommige zorgvormen vastgelegd dat gemeenten verplicht regionaal moeten samenwerken in Jeugdregio’s. Dit zijn allemaal zaken die bijdragen aan een beter werkend jeugdhulpstelsel. In die beleidsontwikkeling wordt ook casuïstiek betrokken.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre bestuurlijke conflicten en organisatorische problemen binnen gemeenten ertoe leiden dat kinderen niet tijdig de jeugdhulp ontvangen waarop zij recht hebben en de Kamer hierover te informeren?
Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om het gesprek te voeren met het college. Indien er bij gemeenten situaties zijn die er toe leiden dat kinderen niet tijdig jeugdhulp ontvangen, dan zal VWS hierover in gesprek gaan met de desbetreffende gemeente vanuit haar stelselverantwoordelijkheid.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat interne bestuurlijke problemen of tekortschietende gemeentelijke uitvoering ten koste gaan van de veiligheid, ontwikkeling en zorg van kwetsbare kinderen?
Geen.
Het verplaatsen van de zorgtaken van het VUmc naar het AMC. |
|
Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van de Raad van Bestuur van Amsterdam UMC om de zorgtaken van het VUmc tegen 2040 naar het AMC in Amsterdam-Zuidoost te verplaatsen?1
Ja.
Wat is de impact van het wegvallen van de zorgtaken op de huidige locatie van het VUmc op de zorgverlening in de buurt, bijvoorbeeld voor acute zorg of traumazorg?
Het voorgenomen besluit van het Amsterdam UMC heeft geen gevolgen voor de acute zorg op locatie VUmc, omdat de spoedeisende hulp en de traumazorg sinds 2024 al zijn geconcentreerd op locatie AMC. Voor de overige ziekenhuiszorg heeft het Amsterdam UMC aangegeven dat het als universitair medisch centrum voornamelijk hoogcomplexe, derdelijnszorg verleent aan patiënten die veelal vanuit andere ziekenhuizen worden doorverwezen. Volgens het Amsterdam UMC kunnen inwoners van Amsterdam-Zuid, Amstelveen en omliggende gemeenten voor een groot deel van de medisch-specialistische zorg daarnaast ook terecht bij andere ziekenhuizen in de regio. Voor patiënten die zijn aangewezen op de hoogcomplexe zorg van het Amsterdam UMC heeft het ziekenhuis aangegeven dat een concentratie van de zorg op locatie AMC naar verwachting slechts een beperkte verandering van de reistijd met zich meebrengt.
Het is aan Amsterdam UMC om de voorgenomen concentratie van de ziekenhuiszorg verder uit te werken en daarbij de gevolgen voor patiënten, waaronder de bereikbaarheid van de zorg, zorgvuldig te betrekken.
Het kabinet hecht eraan dat besluiten over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod zorgvuldig tot stand komen, waarbij alle relevante belangen in een vroeg stadium worden betrokken en gewogen. Om de regionale dialoog tussen betrokkenen bij (mogelijke of voorgenomen) wijzigingen in het aanbod van acute zorg en ziekenhuiszorg te bevorderen, is een handreiking opgesteld.2
In de handreiking staan adviezen om de betrokkenheid van alle belanghebbenden te borgen. Door alle belangen te horen en te wegen en hier vroegtijdig met elkaar over in gesprek te gaan, wordt begrip gecreëerd en worden besluiten breed gedragen in de regio. Dit bevordert een zorgvuldig besluitvormingsproces. Bij de verdere uitwerking en eventuele besluitvorming over wijzigingen in het (acute) zorgaanbod dient het Amsterdam UMC uiteraard ook de daarvoor geldende wet- en regelgeving in acht te nemen. Daaronder vallen, indien van toepassing, ook de voorschriften uit het Uitvoeringsbesluit Wkkgz over een zorgvuldige besluitvormingsprocedure bij wijzigingen in het (acute) zorgaanbod.
Wat betekent het wegvallen van de zorgtaken op de huidige locatie van het VUmc en de concentratie van ziekenzorg in Zuidoost voor de risico’s op ernstige aandoeningen of overlijden door ontijdige behandeling in gevolge van langere verplaatsingstijden (bijvoorbeeld van de ambulance), in het bijzonder bij situaties waarin de hogere afstand niet te rechtvaardigen valt door hogere kwaliteit of specialisme van een verder gelegen ziekenhuis voor bepaalde behandelingen?
Het kabinet heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat het voorgenomen besluit van het Amsterdam UMC leidt tot een toename van de risico's op ernstige gezondheidsschade of overlijden als gevolg van langere aanrij- of verplaatsingstijden. Voor wat betreft vervoer per ambulance geldt dat de spoedeisende hulp van Amsterdam UMC sinds 2024 al geconcentreerd is op locatie AMC. Dat betekent dat patiënten al niet meer door de ambulance naar de VUmc locatie worden gebracht
Kunt u in het algemeen voor Nederland inzicht geven in de gevolgen van afstand tot een ziekenhuis voor de gezondheid en het sterfterisico van Nederlanders? Kunt u dat met wetenschappelijke data onderbouwen?
Het kabinet beschikt niet over deze gegevens.
Hoe neemt u de afweging over de risico’s van een gebrek aan nabijheid van zorgverlening mee in uw beleid?
Het kabinet wil dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners de best passende zorg op de beste plek krijgen wanneer dat nodig is.
Voor het kabinet staat voorop dat mensen kunnen rekenen op toegankelijke en kwalitatief goede zorg. Daarbij wordt steeds een zorgvuldige afweging gemaakt tussen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Geografische nabijheid is een belangrijk aspect van toegankelijkheid, maar niet het enige. Ook de kwaliteit van de zorg, de beschikbaarheid van voldoende zorgprofessionals en de mogelijkheid om zorg toekomstbestendig te organiseren zijn daarbij onder andere van belang.
Hoe houdt u in uw beleid rond de nabijheid van ziekenhuizen rekening met de toenemende vergrijzing en de daarmee grotere zorgvraag?
Om de zorg ook in de toekomst toegankelijk te houden, zet het kabinet in op passende zorg: zorg die aansluit bij wat mensen nodig hebben en op de juiste plek wordt geleverd. Het kabinet onderkent dat de vergrijzing de komende jaren zal leiden tot een toenemende zorgvraag. Echter, niet iedere zorgvraag vraagt om behandeling in een ziekenhuis. Daarom zet het kabinet in op de beweging naar de voorkant, met meer aandacht voor gezondheid en preventie, een sterke eerstelijnszorg, en nauwe samenwerking met het sociaal domein.
In welke mate is de afname van het aantal ziekenhuis- en andere zorglocaties een gevolg van de beleidsmatige keuze om kostenefficiëntie te prioriteren?
Het Ministerie van VWS streeft naar een zorgstelsel dat voor iedereen betaalbaar, toegankelijk en van hoge kwaliteit is. Het kan voorkomen dat zorgaanbieders bij de inrichting van hun organisatie ook afwegingen maken over een doelmatige en efficiënte inzet van mensen, middelen en huisvesting. Er is geen sprake van een beleidsmatige keuze om kostenefficiëntie te prioriteren.
Waar ligt volgens u de juiste balans tussen (kosten)efficiëntie van de zorg en toegankelijkheid van zorgverlening door nabijheid?
Bij keuzes over de inrichting van de zorg is steeds een zorgvuldige afweging nodig tussen kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Al deze publieke belangen zijn van belang en moeten voldoende worden geborgd. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de toenemende zorgvraag en de schaarste aan zorgprofessionals. Het is de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders om hun organisatie, ook financieel, gezond te houden en binnen de geldende wettelijke kaders zelf keuzes te maken over de inrichting van hun zorgaanbod. Zoals ook staat beschreven in de beleidsbrief VWS3 zet dit kabinet daarbij in op passende zorg en een passend zorglandschap, waarbij basiszorg zoveel mogelijk dichtbij mensen wordt georganiseerd en specialistische zorg waar nodig wordt geconcentreerd.
Welke beleidsopties heeft u om nabije zorg zowel in dichtbevolkte steden als op afgelegen plekken maximaal te garanderen? Wat zijn de voor- en nadelen van die opties?
Het kabinet wil dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners de best passende zorg op de beste plek krijgen wanneer dat nodig is. Zoals ook staat beschreven in de eerder genoemde beleidsbrief gaat dit kabinet actiever sturen op een passend zorglandschap. We verscherpen en verduidelijken de landelijke kaders en minimale eisen voor zorgaanbieders. We leggen wettelijk vast dat zorgaanbieders in samenspraak met zorginkopers verplicht zijn om constructief en gedegen deel te nemen aan het opstellen en uitvoeren van regionale plannen voor een passend zorglandschap. En we zorgen dat regionale plannen over het zorglandschap daadwerkelijk richting geven aan alle zorgaanbieders in de regio. Daarmee wordt direct gestuurd op de organisatie van zorg en op de keuzes die nodig zijn om zorg toegankelijk en toekomstbestendig te houden. De uitwerking hiervan volgt in het eerste kwartaal van 2027.
Het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren |
|
Renate den Hollander (VVD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de omvang van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke kenmerken bij gezelschapsdieren, in het bijzonder bij honden? Hoe beoordeelt u de huidige situatie?
Ja, ik ben hiermee bekend. Het veel voorkomen van erfelijke aandoeningen en schadelijke uiterlijke kenmerken bij gezelschapsdieren, in het bijzonder bij honden, vind ik zorgelijk.
Deelt u de opvatting dat het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken niet alleen van belang is voor het dierenwelzijn, maar ook kan bijdragen aan lagere dierenartskosten voor huisdiereigenaren?
Ja, die deel ik. Dierenartsen gaven tijdens het rondetafelgesprek «toekomst van de diergeneeskundige zorg» van september 2025 het signaal dat een groot deel van de dierenartsbezoeken voor honden gerelateerd is aan schadelijke erfelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke ziekten. Door het stimuleren van verantwoord fokken van huisdieren kunnen erfelijke ziektes en schadelijke uiterlijke kenmerken voorkomen worden, waardoor voor de eigenaren de dierenartskosten (voor de in Nederland gefokte honden) kunnen afnemen.
Welke maatregelen neemt het kabinet momenteel om het fokken met schadelijke uiterlijke kenmerken en erfelijke aandoeningen verder terug te dringen? Acht u deze maatregelen voldoende om de gewenste omslag daadwerkelijk te realiseren?
Ik kom hier op terug in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober.
In hoeverre acht u het wenselijk dat bij fokbeslissingen niet alleen wordt gekeken naar uiterlijke kenmerken, maar juist ook naar gezondheidsgegevens, genetische informatie, inteeltcoëfficiënten, gedrag en overige veterinaire informatie?
Ik heb begrepen dat voor de juiste fokbeslissingen al deze aspecten een rol spelen. Dit blijkt ook uit wetenschappelijke informatie.
Welke rol ziet u voor onafhankelijke veterinaire screening van fokdieren bij het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken?
Ik kom hier op terug in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober.
Bent u bekend met de stichting Fair2Breed (voorheen FairDog) en de door het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde ontwikkelde systematiek voor verantwoord fokken?
Ik ben bekend met stichting Fair2Breed (voorheen FairDog). Zij ontwikkelen een certificeringssysteem voor een gezonde hond. Daarnaast heeft mijn voorganger het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde (EGD) een subsidie verstrekt om een systematiek te ontwikkelen voor verantwoord fokken met honden. Als u doelt op deze systematiek dan ben ik daar inderdaad ook bekend mee.
Klopt het dat uw ministerie eerder een opstartsubsidie heeft verstrekt aan FairDog/Fair2Breed om deze systematiek verder te ontwikkelen? Welke resultaten zijn met deze subsidie bereikt?
Indien u doelt op de in de vraag 6 genoemde systematiek voor verantwoord fokken van het EGD, dan klopt het niet. Dit is een apart traject dat los staat van hetgeen dat is ontwikkeld door Fair2Breed. Ik heb een opstartsubsidie gegeven aan Fair2Breed om een privaat certificeringstraject voor het fokken van gezonde honden te ontwikkelen. Hierin staan zaken waar de fokker aan moet voldoen om uiteindelijk een door Fair2Breed gecertificeerde hond te krijgen. Ook wordt er een website ontwikkeld waar een toekomstige eigenaar straks een gezond gefokte pup kan vinden. Voor deze certificering heeft Fair2Breed nu werkprotocollen op het gebied van socialisatie en gezondheid voor pups ontwikkeld. Ook zijn contacten met partners gelegd voor het verwerken van DNA en het opslaan van de informatie in een database. DNA is belangrijk voor de screening op ziekten en voor een goede match van teef en reu.
Bent u bekend met de ambities van Stichting Fair2Breed om de ontwikkelde systematiek voor verantwoord fokken landelijk uit te rollen? Op welke wijze beziet u de mogelijke bijdrage van dit initiatief aan het terugdringen van erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren?
Ik ben hiermee bekend. Er zijn meerdere initiatieven in de markt waarmee fokkers zich ervan kunnen verzekeren dat er met een gezond dier wordt gefokt en ik vind dit een mooie ontwikkeling. Een gezondheidscertificaat als dat van Fair2Breed (zoals benoemd in vraag 7) kan toekomstige eigenaren garantie geven dat er naar beste weten is gefokt en zou mensen kunnen helpen om de juiste keuze te maken voor een gezond gefokte hond. In die zin zou dit een bijdrage kunnen leveren om erfelijke aandoeningen en schadelijke raskenmerken bij gezelschapsdieren in Nederland terug te dringen.
Op basis van welke criteria beoordeelt u een eventuele vervolgaanvraag voor subsidie van Fair2Breed? Welke aspecten, zoals effectiviteit, wetenschappelijke onderbouwing, uitvoerbaarheid en borging van publieke middelen, zijn daarbij leidend?
Ik beoordeel een eventuele vervolgaanvraag voor subsidie van Fair2Breed zoals alle aanvragen van subsidie, met een vastgesteld format. Waarbij ik vooral zal kijken hoe de aanvraag aansluit bij mijn beleid en of het een taak van de overheid is om hierin te voorzien. Daarnaast zullen de overige door u genoemde aspecten worden meegenomen.
Deelt u de opvatting dat initiatieven die aantoonbaar bijdragen aan gezondere fokkerij, vermindering van erfelijke aandoeningen en lagere veterinaire zorgkosten serieus moeten worden beoordeeld, ongeacht uit welke organisatie deze afkomstig zijn?
Ik ben van mening dat alle initiatieven serieus beoordeeld moeten worden.
Hoe verhoudt een eventuele landelijke uitrol van een dergelijk systeem zich volgens u tot artikel 3.4 van de Wet dieren, het Dierendagakkoord en de voorgenomen Europese Verordening inzake het welzijn en de traceerbaarheid van honden en katten?
Zoals aangegeven bij vraag 8 kan een dergelijk certificeringssysteem – mits goed uitgevoerd – als wegwijzer dienen voor mensen om een verantwoorde keuze te maken voor een gezond gefokte hond. Dat sluit aan bij de oproep om erfelijke ziektes en aandoeningen te voorkomen uit het Dierendagakkoord, en de intentie van Art 3.4 van het Besluit houders van dieren. Met de EU-Verordening komen er vereisten ten aanzien van fokkerij voor alle honden en katten die in Europa op de markt worden gebracht. Ik ga hier in mijn brief voorafgaand aan het commissiedebat «Dieren buiten de veehouderij en dierproeven» van 15 oktober nader op in.
Bent u bereid de Kamer voor het einde van dit jaar te informeren over uw beoordeling van Fair2Breed en de wijze waarop u de verdere verbetering van de gezondheid van gezelschapsdieren wilt stimuleren?
Ja, ik heb in augustus een gesprek met Stichting Fair2breed. Ik zal de Kamer voor het einde van het jaar informeren over de uitkomst van dit gesprek.
Het bericht ‘OM over racistische uitingen naar Oranjespelers: ‘Discriminatiezaken hebben prioriteit’ |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Openbaar Ministerie (OM) naar aanleiding van de racistische uitingen richting spelers van het Nederlands elftal heeft aangegeven dat discriminatiezaken prioriteit hebben?1
Ja ik ben bekend met dit bericht.
Hoe verhoudt de prioritering van het OM zich tot de bevindingen van de Algemene Rekenkamer dat jaarlijks duizenden ernstige misdrijven, waaronder High Impact Crimes, niet of niet tijdig worden opgepakt wegens capaciteitsgebrek?
Zoals ik in mijn reactie op het conceptrapport van de Algemene Rekenkamer (hierna: AR) over prioritering in de opsporing heb toegelicht is de prioritering in de opsporing gelaagd, afhankelijk van meerdere factoren en bedoeld om doelen van rechtsstatelijke en maatschappelijke aard te dienen. Het maken van keuzes in de opsporing kent bij uitstek een veelheid aan dimensies, ook vanwege de aard van ons politiebestel. Naast landelijke criminaliteitsbeelden en fenomeenanalyses, spelen bijvoorbeeld ook regionale en lokale context een belangrijke rol. Prioritering in de opsporing is dan ook een doorlopend gesprek dat constante bijsturing vereist op nieuwe fenomenen.
De Aanwijzing voor de opsporing van het OM en het screenings- en selectiviteitskader geven belangrijke richting bij de prioritering. Zoals hierboven aangegeven speelt de lokale context een belangrijke rol. Keuzes in de opsporing worden onder andere gemaakt tegen de achtergrond van het criminele speelveld binnen het werkgebied van een team of het criminaliteitsbeeld van een district. Verder moet onder meer rekening worden gehouden met de per definitie schaarse opsporings- en vervolgingscapaciteit, de kansrijkheid en noodzaak van strafrechtelijk ingrijpen ten opzichte van andere interventies, de individuele belangen van verdachten en slachtoffers en de eventuele geschokte rechtsorde. Het OM dient een balans te vinden tussen het zorgdragen voor een reële en voldoende aanwezige strafrechtelijke handhaving en het gegeven dat niet elk individueel strafbaar feit tot een strafrechtelijke interventie kan leiden.
Dat specifiek het discriminatiebeleid is geprioriteerd bij het OM volgt uit de Aanwijzing discriminatie (2025A003). Daarin staat onder meer dat de politie in beginsel elke aangifte van discriminatie opneemt en dat er na elke aangifte een opsporingsonderzoek volgt. Discriminatie is in omvang en aantallen een groot maatschappelijk probleem, waarvan slechts weinig burgers melding maken of aangifte doen.2 De drempel om online, anoniem discriminatoire uitingen te plegen is laag, evenals de pakkans. Omdat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie in principe aangifte-gedreven werkt en de aantallen daarmee (relatief) laag zijn, kan het OM ook deze zaken geprioriteerd oppakken, naast andere prioriteiten.
Kan het OM een overzicht verstrekken van delicten en zaakstromen die momenteel als prioriteit of topprioriteit worden aangemerkt?
In aanvulling op het antwoord op vraag 2 over hoe de prioritering tot stand komt, geldt dat er verschillende bestuurlijke afspraken over de prioritering van criminaliteitsfenomenen zijn. Deze betrekt het OM bij de keuzes die het maakt in de prioritering. In het Bestuurlijk Ketenberaad hebben ketenorganisaties samen met het ministerie afgesproken dat er drie geprioriteerde zaakstromen zijn in de periode van 2022 tot en met 2027 op het gebied van doorlooptijden: jeugd, zeden en veelvoorkomende criminaliteit.
In het kader van de Veiligheidsagenda3 2023–2026 zijn er landelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van de taakuitvoering van de politie vastgesteld op de volgende criminaliteitsfenomenen: ondermijning en georganiseerde criminaliteit, mensenhandel en cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit, waaronder online seksueel kindermisbruik. In die Veiligheidsagenda is ook aangegeven dat deze keuzes niet afdoen aan dat de inzet van de politie op andere thema’s, zoals discriminatie. Eerder heb ik u geïnformeerd over dat besprekingen in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie hebben geleid tot breed draagvlak onder het OM, de regioburgemeesters en de politie voor vaststelling van de volgende thema’s in de Veiligheidsagenda 2027–2030: ondermijning en georganiseerde criminaliteit, cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit (waaronder online seksueel kindermisbruik), relationeel geweld en geweld in afhankelijkheidsrelaties (met name geweld tegen vrouwen, waaronder femicide) en mensenhandel.4 Op dit moment wordt bij de uitwerking van deze thema’s focus aangebracht en worden concrete landelijke doelstellingen geformuleerd. Uw Kamer wordt in het najaar geïnformeerd over de nieuwe Veiligheidsagenda.
Naast deze bestuurlijk tussen ketenpartners vastgestelde prioriteiten zijn er binnen het strafvorderingsbeleid van het OM ook aandachtsgebieden die blijvend aandacht krijgen. Denk daarbij aan het beleid rondom Veilige Publieke Taak en de aanpak van (online) discriminatie. Bij dat type delicten krijgt de prioritering vorm door bijvoorbeeld het eisen van hogere straffen.
Deelt u de opvatting dat slachtoffers van ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven vaak jarenlang de gevolgen van deze feiten ondervinden en dat de opsporing en vervolging van dergelijke feiten altijd tot de hoogste prioriteiten van politie en OM zouden moeten behoren?
Vanzelfsprekend heeft de opsporing en vervolging van ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven grote aandacht van politie en OM. Dat betekent niet dat andere feiten, zoals de aanpak van ondermijning, online seksueel misbruik, etc. anders geprioriteerd dienen te worden. Het OM tracht daarbij steeds om de juiste zaken, in passende volumes en in verhouding tot het criminaliteitsbeeld te laten instromen en deze adequaat en voortvarend te vervolgen, om daarmee aan meer slachtoffers en verdachten sneller recht te doen.
Bent u bereid in overleg met het OM te bezien of High Impact Crimes expliciet als topprioriteit kunnen worden aangemerkt binnen de bestaande capaciteitsverdeling?
High Impact Crimes is een verzamelnaam voor delicten als geweldsmisdrijven, woninginbraak, overvallen en straatroof. De Aanwijzing voor de opsporing, dat beleid van het OM is, bepaalt dat het uitgangspunt in High Impact Crimes is dat in principe altijd een opsporingsonderzoek dient te worden ingesteld waarbij beslissingen door de politie altijd in afstemming met het OM dienen te worden genomen. Ik meen dat hiermee in het beleid van het OM voldoende prioriteit aan deze zaken wordt gegeven en zie geen aanleiding om hier aanvullend over met het OM in gesprek te gaan.
Hoe weegt u de inzet van schaarse opsporings- en vervolgingscapaciteit tussen online discriminatiezaken enerzijds en ernstige gewelds-, zeden- en vermogensmisdrijven anderzijds?
Zoals in vraag 2 toegelicht is discriminatie in omvang en aantallen een groot maatschappelijk probleem, waarvan slechts weinig burgers melding maken of aangifte doen. De drempel om online, anoniem discriminatoire uitingen te plegen is laag, evenals de pakkans. Omdat de strafrechtelijke aanpak van discriminatie in beginsel aangifte-gedreven werkt en de aantallen daarmee (relatief) laag zijn, kunnen de politie en het OM ook deze zaken geprioriteerd oppakken.
Kunt u garanderen dat de inzet van politie- en OM-capaciteit voor het opsporen en vervolgen van de racistische uitingen richting de Oranjespelers niet ten koste gaat van de aanpak van ernstige misdrijven, zoals gewelds-, zeden- en andere High Impact Crimes? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het behoud van bestaande studentenhuizen |
|
Robin van Leijen (D66) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groningse studenten luiden noodklok bij gemeenteraad: «Laat studentenhuizen bestaan»»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat in een tijd van grote kamernood niet alleen nieuwe studentenwoningen moeten worden gebouwd, maar ook bestaande studentenkamers en studentenhuizen behouden moeten blijven?
Het is van belang dat verkamerde studentenhuizen behouden blijven, waar deze in lijn met onder andere de Wet goed verhuurderschap, bouwregelgeving en als nodig met een vergunning worden verhuurd. Een groot deel van de studentenwoningen wordt verhuurd door particuliere verhuurders. Het staat een verhuurder vrij om te kopen en verkopen wanneer zij willen. Om te zorgen voor voldoende studentenwoningen, is het van belang om verhuurders te stimuleren om de woningen niet te verkopen. Recente kabinetten hebben dit onder meer gestimuleerd door de puntprijs in het Woningwaarderingsstelsel Onzelfstandig (WWSO) met 25 procent te verhogen en door de studiefinanciering opnieuw in te voeren, zodat huurders meer financiële ruimte hebben.
Herkent u dat bestaande studentenhuizen kunnen verdwijnen door de combinatie van gemeentelijk verkameringsbeleid, vergunningplichten voor kamerverhuur en een strikte uitleg van het begrip «één huishouden»?
Dit kan inderdaad gebeuren, maar de precieze uitwerking hangt af van het gemeentelijk woonbeleid. In veel gemeenten geldt een vergunningsplicht als het aankomt op het verhuren aan meerdere huishoudens, bijvoorbeeld via verkamering. Het staat een gemeente vrij om bewoning door meerdere huishoudens in één woning toe te staan, al dan niet via een vergunning. Zij maakt daarin lokaal een afweging, bijvoorbeeld door het overwegen van de leefbaarheid. Het kan natuurlijk zijn dat een verhuurder een woning verkamerd heeft zonder daar een vergunning voor te hebben. In dat geval kan een situatie ontstaan waarin deze vergunning alsnog wordt verleend door de gemeente, of de verhuurder de illegaal verkamerde situatie ongedaan moet maken. In dat laatste geval kan bijvoorbeeld een studentenhuis verdwijnen.
Het begrip «één huishouden» lijkt te verwijzen naar de verduidelijkte begripsbepaling van een zelfstandige woning in de zin van het woningwaarderingsstelsel (WWS), zoals vastgelegd in het Besluit huurprijzen woonruimte. Dit begrip is verduidelijkt omdat in de praktijk friendscontracten onterecht als manier gezien werden om geen verkameringsvergunning aan te hoeven vragen, waarbij ook de huurprijsbescherming van huurders ontweken werd. Zo werd verondersteld dat door één of twee «hoofdhuurders» aan te wijzen en aan hen de hele woning te verhuren, mocht worden gerekend met het WWS zelfstandig. De hoofdhuurders wezen dan vervolgens onderhuurders aan die dikwijls niet ingeschreven stonden in de gemeente. Omdat het hierbij vaak om grotere woningen ging, was de woning al snel geliberaliseerd waarmee de verhuurder niet gebonden was aan een maximaal redelijke huurprijs. De hele verhuurconstructie werd hierbij opgehangen aan de twee «hoofdhuurders» waarmee verondersteld werd dat het om één huishouden ging.
Mijn ambtsvoorganger heeft daarom verduidelijkt dat om een woning volgens het WWS zelfstandig te mogen beprijzen, er bij drie of meer bewoners sprake moet zijn van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden. De definitie van «duurzaam gemeenschappelijk huishouden» is daarin geen gegeven, maar jurisprudentie geeft een basis voor de uitleg van dit begrip. Studenten voldoen in de regel niet aan dit begrip. Zij mogen nog steeds via friendscontracten huren, maar daarop dient aangegeven te worden welke persoon welk deel van de woning huurt tegen welke prijs. De huurprijs moet bepaald worden via het WWS onzelfstandig.
Hoe beoordeelt u dat een studentenhuis waar bewoners al meerdere jaren via een gezamenlijke woonvorm samenleven, verantwoordelijkheid nemen voor beheer en leefbaarheid en volgens hen geen overlast veroorzaken, toch kan worden aangemerkt als onvergunde kamerverhuur?
Deze twee zaken kunnen naast elkaar bestaan. Het is aan gemeenten om hun beleid vorm te geven. In het geval dat er sprake is van een vergunningplicht, er geen vergunning is afgegeven en er ook geen zicht is op legalisatie, dan geldt er in principe een handhavingsplicht voor het bevoegd gezag. Ik kan geen oordeel geven over individuele gevallen.
Vindt u het wenselijk dat regels die bedoeld zijn om overlast, druk op wijken en slecht verhuurderschap tegen te gaan, in de praktijk ook goed functionerende studentenhuizen kunnen raken?
Dat vind ik niet wenselijk. Mijn inzet is daarom in algemene zin dat gemeenten woningdelen vaker dan nu het geval is toestaan en pragmatisch omgaan met de overweging om (alsnog) een vergunning te verlenen. Ik zie in de praktijk dat gemeenten dit al doen, bijvoorbeeld als er al lange tijd sprake is van verkamering en de leefbaarheid in de wijk niet onder druk staat. Het is van belang dat gemeenten lokaal en van geval tot geval een eigen afweging maken.
Welke ruimte hebben gemeenten om onderscheid te maken tussen problematische kamerverhuur enerzijds en bestaande studentenhuizen, waar aantoonaar geen of weinig sprake is van overlast, onveiligheid of slecht verhuurderschap?
Gemeenten maken per geval een afweging of nieuwe verkamering wenselijk is of bestaande kamerverhuur voldoet aan de regels. Waar dat wenselijk en passend is en verder wordt voldaan aan de regels, roep ik gemeenten op pragmatisch met bestaande situaties om te gaan. Kamerverhuur kan problematisch zijn als niet wordt voldaan aan de lokale en landelijke regelgeving. Zo moet, indien vereist, een vergunning aanwezig zijn, voldaan worden aan bouwregelgeving en landelijke regels zoals de wet Goed verhuurderschap.
Bent u bereid te onderzoeken of gemeenten aanvullende ruimte nodig hebben om bestaande studentenhuizen vaker te kunnen behouden of legaliseren, bijvoorbeeld via maatwerk?
Gemeenten beschikken momenteel al over voldoende instrumentarium om een afweging te maken in het al dan niet toestaan en legaliseren van kamerverhuur binnen de bestaande voorraad. Mij zijn geen signalen bekend die wijzen op het tegendeel. In de beantwoording van vraag 6 heb ik al aangegeven welke mogelijkheden gemeenten hebben. Daaronder valt de mogelijkheid voor gemeenten om bij het gebruik van een (omzettings-)vergunning, binnen het vergunningsverleningsproces, te bepalen of de locatie en woonruimte geschikt is voor kamerverhuur aan één of meerdere personen. Via de Landelijke Aanpak Beter Benutten stimuleer ik gemeenten een dergelijke stap te zetten. Ik wil er namelijk voor zorgen dat alle gemeenten aandacht schenken aan de regels voor kamerverhuur, met als uitgangspunt dat dit wordt toegestaan waar dat passend is. Onlangs heb ik uw Kamer over de voortgang van deze aanpak geïnformeerd.
Welke mogelijkheden zijn er om gemeenten te stimuleren om bij bestaande studentenhuizen eerst te kijken naar legalisatie en maatwerk, voordat wordt overgegaan tot beëindiging van bewoning?
Gemeenten hebben de vrijheid om lokaal regels op te stellen rondom kamerverhuur en daarmee ook om de lokale regels te wijzigen en maatwerk toe te passen. Zij maken per geval een eigen afweging. Dit is passend, omdat zij dan de lokale situatie kunnen meewegen in het besluit. Ik vind het niet wenselijk om hier Rijksbreed op te sturen. In de beantwoording van vraag 6 heb ik al aangegeven dat gemeenten de beschikking hebben over verschillende instrumenten. Via de landelijke aanpak Beter Benutten stimuleer ik gemeenten om kamerverhuur vaker mogelijk te maken waar dat passend is. Daarnaast werkt het kabinet aan het voorstel om gemeenten te stimuleren om meer een «ja, mits»-benadering toe te passen. In de praktijk zie ik dat gemeenten niet van de ene op de andere dag overgaan tot beëindiging van bewoning, maar dat zij hier in het belang van de bewoners pragmatisch mee omgaan.
Bent u bereid samen met studentensteden, studentenorganisaties, corporaties en particuliere verhuurders te werken aan een «ja, mits»-benadering, waarbij goede studentenhuizen behouden blijven en nieuwe initiatieven worden aangejaagd, terwijl gericht wordt opgetreden tegen overlast, onveiligheid en slecht verhuurderschap?
De lijn van het kabinet is dat er gewerkt wordt aan een «ja, mits»-benadering. Hierbij wordt afgestapt van een vergunningstelsel, maar mogen verhuurders als zij voldoen aan de regels starten met kamerverhuur zonder tussenkomst van de gemeente. Binnen het Landelijk Platform Studentenhuisvesting is hier al aandacht voor, onder andere naar aanleiding van een onderzoek van de Landelijke Studentenvakbond (LSVb) naar verkameringsbeleid in de vijftien grootste studentensteden en hun beleid rondom studentenkamers. Ik zie gelukkig dat steeds meer gemeenten hun regels over woningdelen, splitsen en kamerverhuur aan het versoepelen zijn waar dat passend is, wat kansen biedt voor onder andere studenten.