Het artikel ‘Snelgroeiende autonome AI-assistent is een ‘disaster waiting to happen’’. |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Snelgroeiende autonome AI-assistent is een «disaster waiting to happen»»?1
Deelt u de zorgen van experts dat steeds autonomer opererende AI-assistenten risico’s vormen voor veiligheid, privacy, menselijke controle en mentale gezondheid? En kunt u daarbij aangeven welke risico’s u het meest urgent acht?
Acht u het wenselijk dat AI-systemen zelfstandig handelingen, zoals het doen van aankopen en het aangaan van contracten, kunnen verrichten namens gebruikers?
Zo ja, kunt u aangeven welke toepassingen het kabinet maatschappelijk gezien wenselijk en/of acceptabel vindt, en welke niet?
In hoeverre is het huidige Nederlandse en Europese toezichtkader (waaronder de AI Act) toereikend om risico’s van autonome AI-systemen die zelfstandig taken uitvoeren te ondervangen?
Welke definitie van verantwoorde AI (innovaties) hanteert het kabinet? En in hoeverre passen AI-assistenten daarin?
Kunt u aangeven of het naar uw inzicht wenselijk is dat er vanuit de overheid gebruik gemaakt wordt van autonome AI-assistenten? En op welke vlakken gebeurt dit al? Onder welke voorwaarden wordt dit toegestaan en hoe wordt hierop toegezien in de praktijk?
Hoe wordt op dit moment geborgd dat er in kritieke infrastructuur, in sectoren als defensie, de zorg en de overheid zelf, altijd sprake blijft van «meaningful human control» (ofwel «human in the loop») bij het gebruik van autonome AI-assistenten?
Welke andere waarborgen (vangrails) zijn naar uw verwachting nog nodig om hier goed mee om te gaan, voor zowel overheid als samenleving, en is bijsturing mogelijk?
Het bericht 'Extra geld voor de holocausteducatie via de CJP Cultuurkaart' |
|
Etkin Armut (CDA), Tijs van den Brink (CDA), Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel middelbare scholen maken er gebruik van de educatieprogramma’s die de verschillende herinneringscentra aanbieden?1
Er is momenteel geen landelijk overzicht van de mate waarin scholen gebruik maken van gastlessen of educatieprogramma’s van bijvoorbeeld herinneringscentra en oorlogsmusea. Reden hiervoor is dat deze activiteiten buiten het onderwijscurriculum vallen en scholen dus uit eigen beweging deze activiteiten kunnen organiseren. De herinneringscentra en oorlogsmusea beschikken zelf wel over gegevens van hun eigen bezoekers. Het Landelijk Steunpunt Gastsprekers WOII-Heden – een door VWS gesubsidieerde aanbieder van gastlessen houdt ook jaarlijks het aantal schoolbezoeken bij. In overleg met WO2NET en het Veldberaad, het samenwerkingsverband van de belangrijkste professionele partijen in de WOII-sector, wordt de jaarlijkse monitor van WO2NET zo ingericht dat in 2026 landelijke bezoekcijfers beschikbaar komen.
Vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie is vanaf 1 januari 2026 structureel € 750.000,– per jaar beschikbaar gesteld voor scholen in het voortgezet onderwijs. Via de CJP Cultuurkaart wordt scholen zo de mogelijkheid geboden om extra budget in te zetten voor extracurriculaire activiteiten met betrekking tot Holocausteducatie zoals bezoek aan een «authentieke» locatie. De ambitie van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) daarbij is dat alle scholen een bezoek brengen aan een dergelijke locatie om te leren over de Holocaust. Het CJP monitort het gebruik van de subsidie.
Door zowel de monitor van het CJP als die van WO2NET komt vanaf eind 2026 een landelijk beeld van de bezoeken van scholen aan herinneringscentra en oorlogsmusea om te leren over de Holocaust.
Kunt u aangeven hoeveel middelbare scholen op een andere manier aandacht besteden aan de holocaust, bijvoorbeeld via een gastles?
Zie antwoord vraag 1.
Is er een verschil tussen het aantal educatieprogramma’s dat door middelbare scholen is afgenomen in 2025 en 2024? Is dit aantal gedaald of gestegen? Hoe kan deze ontwikkeling verklaard worden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe u het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch de komende jaren wilt ondersteunen?
Het Ministerie van VWS heeft vanaf 2026 structureel € 250.000 gereserveerd om het Herinneringscentrum Apeldoornsche Bosch te subsidiëren. Hiermee wordt deze instelling in staat gesteld het verhaal van het Apeldoornsche Bosch, de deportatie van en moord op Joodse psychiatrisch patiënten en hun verzorgers, aan zoveel mogelijk Nederlanders over te brengen.
Kunt u naar aanleiding van uw brief d.d. 13 mei 2025 aangeven wat de stand van zaken is naar aanleiding van de vernieuwing van Kamp Westerbork?
Het vorige kabinet heeft € 15 miljoen ter beschikking gesteld voor de vernieuwing van Kamp Westerbork met de verwachting dat ook andere financiers over de brug zullen komen. Kamp Westerbork is daarom gevraagd om gesprekken met andere mogelijke financiers aan te gaan. Kamp Westerbork heeft aangegeven dat tot op heden een totaalbedrag van ongeveer € 22 miljoen is toegezegd, onder andere door de provincie Drenthe en particuliere fondsen. Dit is inclusief de bijdrage van het Rijk. Kamp Westerbork blijft in gesprek met andere potentiële financiers.
Met deze bijdrage is een belangrijke stap gezet bij de realisatie van de vernieuwing van Kamp Westerbork. Het is nu eerst aan Kamp Westerbork om met de vernieuwing van de eerste fase van start te gaan. Het blijkt dat in 2027 wordt gestart met de daadwerkelijke realisatie en dat de voorbereidingen hiervoor in volle gang zijn. Ik blijf in gesprek met Kamp Westerbork over de vorderingen, ook naar aanleiding van de aangenomen motie van het lid van Dijk c.s., dat het ministerie oproept om bij voorjaarsnota een voorstel te doen voor aanvullende financiering voor na 2027.
Hoever staat het met de financiering van deze vernieuwing, naast de middelen die VWS in de voorjaarsnota 2025 beschikbaar heeft gesteld?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bij andere departementen en mogelijke financiers nagegaan hoe in gezamenlijkheid de vernieuwing van Kamp Westerbork gerealiseerd kan worden? Zo ja, wat is de huidige stand van zaken?
Zie antwoord vraag 5.
Betrekt u bij de vernieuwing van Kamp Westerbork ook de provincie en gemeenten? Zo ja, kunt u aangeven hoe dat concreet vorm krijgt?
Zie antwoord vraag 5.
Welke rol ziet u, naar aanleiding van de intensiveringen zoals beschreven in de brief van 13 mei 2025, voor provincies?
Om iedereen op een leerzame en laagdrempelige manier kennis te laten nemen van dit verhaal hebben zowel het rijk, provincies als gemeenten een eigen verantwoordelijkheid en een eigen rol. Juist dichtbij, in de buurt, op plekken waar gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, wordt het verhaal van WOII en de Holocaust tastbaar en invoelbaar. Dit vraagt een sterke infrastructuur op landelijk, regionaal én lokaal niveau. Daarom ga ik in de komende tijd in gesprek met (een vertegenwoordiging van) provincies en gemeenten om met hen na te gaan hoe we kunnen samenwerken en elkaar kunnen versterken. Want er gebeurt al veel in provincies en gemeenten waar het gaat om bijvoorbeeld herdenkingen, educatie, erfgoed en archieven. In de beleidsbrief die het kabinet in het derde kwartaal van dit jaar naar Uw Kamer stuur, wordt verder ingaan op de stand van zaken.
Welke rol ziet u voor de gemeenten en welke ondersteuning kunt u gemeenten bieden bij het ontwikkelen van het herdenken en herinneren van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht ‘Vrouw besluit in paniek tot abortus en klaagt nu kliniek aan: 'Ze hadden me moeten tegenhouden'’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vrouw besluit in paniek tot abortus en klaagt nu kliniek aan: «Ze hadden me moeten tegenhouden»»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Vindt u het ook zorgelijk dat het blijkbaar kan dat een vrouw niet overtuigd is dat zij voor een abortus wil kiezen en toch een abortus krijgt?
Het gaat hier om een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Ik vind het niet passend om conclusies te trekken over deze casus op basis van een nieuwsbericht. Wel erken ik dat de beschreven situatie zeer aangrijpend moet zijn voor betreffende vrouw.
Begrijpt u de zorgen van de indiener van deze vraag over de inmiddels vervallen minimale beraadtermijn in de abortuswetgeving?
Sinds 2023 is de verplichte minimale beraadtermijn van vijf dagen vervangen door een flexibele beraadtermijn: de vrouw bepaalt in overleg met haar arts hoeveel tijd zij nodig heeft voor haar besluit. Uit de laatste evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) blijkt dat de besluitvorming rondom abortus in Nederland zorgvuldig verloopt en dat een verplichte minimale beraadtermijn hiervoor niet noodzakelijk is. Het nieuwsbericht dat aanleiding vormde voor de vragen van de indiener verandert dat niet. Het gaat hier om een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Er kunnen op basis van het nieuwsbericht geen conclusies worden getrokken over deze casus over de beraadtermijn of over het functioneren van de Wafz in brede zin.
Vindt u dat de zorgvuldigheid voldoende is geborgd nu de verplichte minimale beraadtermijn is afgeschaft en het mogelijk is om bij de huisarts de abortuspil te krijgen?
Ja, die zorgvuldigheid wordt op verschillende manieren gewaarborgd. Artsen zijn op grond van de Wafz verplicht zich ervan te vergewissen dat de vrouw haar besluit weloverwogen heeft genomen. De beroepsrichtlijnen van zowel abortusartsen als huisartsen bevatten uitgebreide instructies voor zorgvuldige besluitvorming. In deze richtlijnen staat dat artsen alert moeten zijn op twijfel. De richtlijnen bevatten concrete aanbevelingen over hoe twijfel herkend kan worden, ook wanneer die niet wordt uitgesproken.2 Voor vrouwen die twijfels of vragen hebben is er ook goede informatie en ondersteuning beschikbaar via het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap en het landelijk dekkend netwerk keuzehulp bij onbedoelde zwangerschap.3
Uit de laatste wetsevaluatie blijkt dat de besluitvorming rondom abortus in Nederland zorgvuldig verloopt en dat een verplichte minimale beraadtermijn hiervoor niet noodzakelijk is. In 2027 zal de Wafz opnieuw worden geëvalueerd. Dan zal ook gekeken worden naar de effecten van de wetswijzigingen en of er eventueel aanleiding is om wet- en regelgeving aan te passen.
Geeft deze casus u aanleiding tot het aanpassen van regelgeving?
Nee. De casus is nu onderdeel van een tuchtrechtelijke procedure waarin het regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg nog geen uitspraak heeft gedaan. Ik vind het niet passend conclusies te trekken over deze casus op basis van een nieuwsbericht. Bovendien biedt de huidige wetgeving voldoende waarborgen voor zorgvuldige besluitvorming, zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 4.
Waar vinden «de goede gesprekken», zoals de huisarts in het artikel beschrijft, doorgaans plaats? Bij de huisarts, in de abortuskliniek, bij de onafhankelijke keuzehulpverleners?
Gesprekken over een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap kunnen plaatsvinden bij de huisarts, in een abortuskliniek, in het ziekenhuis en bij keuzehulpverleners. Waar en met wie dit gesprek plaatsvindt, hangt af van de behoeftes van de vrouw. Zowel huisartsen, abortusartsen als keuzehulpverleners zijn deskundig op dit gebied en kunnen indien nodig of gewenst naar elkaar doorverwijzen.
Is het gebruikelijk dat een vrouw in de kliniek de echo te zien krijgt of niet? Zo nee, waarom niet?
De abortusprofessional bespreekt vooraf met de vrouw of zij de echo wel of liever niet wil bekijken. Sommige vrouwen willen de echo graag zien, andere vrouwen juist niet. Het is niet verplicht de echo te tonen. Zo’n verplichting zou de autonomie van de vrouw ernstig ondermijnen. Het doel van de echo is om de zwangerschapsduur vast te stellen en te bepalen welke behandelmethode medisch gezien het meest geschikt is.
Zijn er extra waarborgen in het traject van een vrouw met een onbedoelde zwangerschap in te bouwen dat een abortus die later toch tegen de wens van de vrouw in gaat – en alle verdrietige gevolgen die dat heeft – voorkomen kan worden?
Zoals ik heb toegelicht in mijn antwoord op vraag 4 zijn er voldoende waarborgen voor zorgvuldige besluitvorming. Er is op dit moment geen aanleiding om aanvullende waarborgen te overwegen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de plenaire begrotingsbehandeling van het Ministerie van VWS?
Ja.
De Algemene maatregel van bestuur Wet veilige jaarwisseling |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom in de algemene maatregel van bestuur (AMvB) is gekozen voor een verplichte inschrijving in het Handelsregister, terwijl het amendement Bikker expliciet beoogde een laagdrempelig alternatief te bieden voor burgerinitiatieven die niet noodzakelijkerwijs in een formele rechtsvorm opereren?1
Er is gekozen voor een verplichte inschrijving bij de Kamer van Koophandel, omdat het wenselijk is om te borgen dat een ontheffinghouder een rechtspersoon is die aansprakelijk kan worden gesteld voor schade of letsel veroorzaakt in het kader van de verleende ontheffing. Er worden geen eisen gesteld aan het type vereniging of stichting. Daarmee is deze voorwaarde zo laagdrempelig mogelijk vormgegeven.
Op welke wijze is getoetst of deze eis verenigbaar is met de intentie van het amendement?
Indieners van het amendement Bikkers c.s. geven in de toelichting aan dat het ook voor anderen dan personen met gespecialiseerde kennis mogelijk moet zijn om consumentenvuurwerk te mogen afsteken. Indieners wilden het onder voorwaarden mogelijk maken voor georganiseerde groepen burgers om zich tot de gemeente te wenden om tijdens de jaarwisseling op een verantwoorde en veilige manier voor hun gemeenschap vuurwerk af te steken op een daartoe aangewezen plek. Daarbij wezen de indieners bijvoorbeeld op dorps- of buurtverenigingen die op een centrale plek in het dorp of in de wijk vuurwerk organiseert. Bovenstaande is met de uitwerking in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling mogelijk gemaakt.
Waarom is bepaald dat een vereniging uitsluitend een ontheffing kan aanvragen in de gemeente waarin zij volgens de Kamer van Koophandel (KvK) is ingeschreven?
In de internetconsultatieversie van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling was een vestigingsplaatsvereiste opgenomen, maar deze eis is geschrapt om ook het aanvragen van een ontheffing in bijvoorbeeld buurgemeenten mogelijk te maken.
Hoe wordt omgegaan met lokale initiatieven binnen grotere gemeenten met meerdere kernen of wijken, waar de feitelijke activiteiten niet samenvallen met de formele vestigingsplaats?
In de internetconsultatieversie van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling was een vestigingsplaatsvereiste opgenomen, maar deze eis is geschrapt om ook het aanvragen van een ontheffing in bijvoorbeeld buurgemeenten mogelijk te maken.
Zijn minder beperkende alternatieven onderzocht om identiteit en verantwoordelijkheid te borgen, zoals gemeentelijke registratie, aanwijzing van een verantwoordelijke persoon of een door de gemeente erkende contactstructuur? Zo ja, waarom zijn deze niet overgenomen? Zo nee, waarom niet?
Met de uitwerking van de huidige ontheffingsmogelijkheid is aangesloten bij de bestaande structuren van verenigingen en stichtingen. Het is wenselijk dat duidelijk is wie aangesproken kan worden bij letsel of schade. Dat wordt op deze manier het beste geborgd.
Kant u toelichten hoe u de passage uit het amendement Bikker heeft geïnterpreteerd waarin wordt gevraagd om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande regels voor particulieren?
Omdat de situatie niet meer vergelijkbaar is met de situatie zonder landelijk vuurwerkverbod, is het niet mogelijk om alle bestaande regels voor particulieren een-op-een over te nemen. Er is immers een brede meerderheid binnen zowel de Eerste als Tweede Kamer voor een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten, met een ontheffingsmogelijkheid voor groepen burgers. Daarmee is het mogelijk voor gemeenten om groepen burgers de kans te geven om samen het nieuwe jaar in te luiden met vuurwerk. Hierbij is het noodzakelijk geacht om een aantal voorwaarden en voorschriften vast te stellen met het oog op het waarborgen van de veiligheid.
Wel is bijvoorbeeld aangesloten bij het type vuurwerk dat nu is toegestaan op basis van de Regeling aanwijzing consumentenvuurwerk, en is voor de ontbranders de huidige leeftijdsgrens gehanteerd. In de huidige regelgeving is er een maximum van 25 kg vuurwerk per persoon toegestaan. Omdat er op een afsteeklocatie maximaal 200 kg vuurwerk neergelegd mag worden, is ervoor gekozen om het mogelijk te maken maximaal acht ontbranders aan te wijzen. Daarmee is getracht een balans te vinden waarin zowel de veiligheid van ontbranders en omstanders wordt geborgd, en daarnaast ook wordt gezorgd voor een uitvoerbare regeling.
Waarom is in de AMvB gekozen voor een systematiek die sterk leunt op professionele ontbrandingsregels?
Gekozen is om, daar waar mogelijk, aan te sluiten bij reeds geldende eisen in huidige wet- en regelgeving. Professionele toepassers maken in de praktijk bij hun evenementen veelal gebruik van consumentenvuurwerk. Hiervoor moeten zij aan diverse eisen voldoen. Daarom is ervoor gekozen om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regels voor professionele toepassers wanneer zij consumentenvuurwerk afsteken.
Op welke punten is bewust afgeweken van het particuliere regime, en welke beleidsmatige noodzaak lag daaraan ten grondslag?
Het landelijk vuurwerkverbod stelt dat particulieren geen vuurwerk meer mogen bezitten, kopen of afsteken. Hiermee zijn de regels van het particuliere regime niet meer van toepassing. Bij het invullen van de ontheffingsmogelijkheid is voor het waarborgen van de veiligheid zowel gekeken naar de oorspronkelijke regels van het particuliere regime als naar de regels van professionele toepassers. Zie hiervoor ook de antwoorden op vraag 6 en 7.
Is een vergelijking gemaakt tussen het particuliere en het professionele regime op het gebied van risico’s, uitvoeringslasten en handhaafbaarheid? Zo ja, kan deze analyse met de Kamer worden gedeeld?
Er is gekeken naar alle regels die gelden voor professionele ontbrandingen wanneer zij uitsluitend consumentenvuurwerk tot ontbranding brengen. Daar waar opportuun is geacht, is daarbij aangesloten. Bij de afweging welke eisen over zijn genomen, hebben o.a. veiligheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid voor verenigingen en stichtingen een rol gespeeld.
Waarom is gekozen voor een uniforme set zware eisen voor alle initiatieven, ongeacht schaal en hoeveelheid vuurwerk?
Er is voor gekozen om uit te gaan van één generieke set aan minimale voorwaarden en voorschriften die een burgemeester in acht dient te nemen bij het verlenen van een ontheffing.
Is een gedifferentieerd model overwogen, bijvoorbeeld met lichtere eisen voor kleinschalige burgerinitiatieven en zwaardere eisen voor grotere evenementen?
De ontheffingsmogelijkheid moest een kleinschalig burgerinitiatief mogelijk maken. Dit is met de huidige invulling mogelijk. Grotere evenementen kunnen georganiseerd worden door professionele toepassers.
Zo ja, waarom is dit niet uitgewerkt? Zo nee, waarom is deze optie niet onderzocht?
In het kader van de uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid zijn meerdere opties overwogen. De verschillende scenario’s zijn beschreven in het Beleidskompas, die ook gepubliceerd is tijdens de internetconsultatie.2 Gelet op de lokale bevoegdheidsverdeling, dan wel de doelstelling van de wet, en om redenen van handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en veiligheid, is voor deze alternatieve scenario’s niet gekozen.
Waarom acht u een volledig veiligheidsplan en situatietekening noodzakelijk voor álle aanvragen, inclusief kleinschalige initiatieven?
Een veiligheidsplan en situatietekening zijn nodig voor een burgemeester om te kunnen beoordelen of het tot ontbranding brengen van maximaal 200 kilo consumentenvuurwerk op een bepaalde locatie verantwoord is.
Welke proportionaliteitsafweging is hierbij gemaakt?
Een belangrijk uitgangspunt bij het opstellen van het Ontwerpbesluit is het geven van ruimte aan lokale afwegingen waarbij oog is voor de lokale situatie. Daarom is ervoor gekozen om zo veel mogelijk ruimte te laten om op lokaal niveau afwegingen te maken over hoe een ontheffing het beste kan worden vormgegeven. Burgemeesters hebben kennis over hun gemeente en inwoners en kunnen daarom, samen met onder andere de lokale driehoek en de veiligheidsregio, bezien wat wenselijk en mogelijk is binnen hun gemeente. Daarnaast is een belangrijk uitgangspunt het vertrouwen in verenigingen en stichtingen. Met het oog hierop is terughoudend omgegaan met het stellen van regels en vereisten op landelijk niveau, om onnodige belemmeringen en regeldruk voor stichtingen en verenigingen te voorkomen. Wel zijn bepaalde minimale veiligheidsvoorschriften van belang om de veiligheid van ontbranders, supervisors, publiek en omwonenden te borgen. Eén daarvan is het verplicht indienen van een veiligheidsplan en een situatietekening. Een veiligheidsplan en situatietekening zijn nodig voor een burgemeester om te kunnen beoordelen of het tot ontbranding brengen van maximaal 200 kilo consumentenvuurwerk op een bepaalde locatie verantwoord is.
Zijn vereenvoudigde veiligheidsprofielen of standaardformats overwogen?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen van ontheffingsaanvragen. Modelontheffingen en formats worden hierin ook overwogen. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning geboden bij het opstellen van de handreiking.
Waarom zijn eventuele modeldocumenten of sjablonen niet wettelijk verankerd om de administratieve last te beperken?
Door de VNG wordt, met input vanuit het Rijk, gewerkt aan een handreiking, inclusief bijvoorbeeld modelontheffingen. Het ligt niet in de rede om deze documenten wettelijk te verankeren. Het is op deze manier ook gemakkelijker deze documenten aan te passen, mocht dat nodig zijn. Bijvoorbeeld naar aanleiding van opgedane ervaringen en best practices in gemeenten.
Waarom is gekozen voor aansluiting bij de professionele grens van 200 kilogram binnen een regeling die bedoeld is voor burgerinitiatieven?
Nu kan bij het tot ontbranding brengen van 200 kilogram consumentenvuurwerk worden volstaan met een ontbrandingsmelding bij het bevoegde gezag (de provincie); daarboven is een ontbrandingstoestemming vereist. Ook valt deze maximumhoeveelheid binnen de geldende vrijstellingen in het kader van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Nu de hoeveelheid en het type vuurwerk dat wordt toegestaan met de ontheffing vergelijkbaar is, ligt het ook voor de hand zoveel mogelijk bij deze regels aan te sluiten.
Hoe verhoudt deze grens zich tot de doelstelling van het amendement Bikker, dat juist een alternatief voor particulier vuurwerkgebruik beoogde?
Naar de mening van het kabinet biedt 200 kilogram consumentenvuurwerk voldoende mogelijkheden voor het afsteken van consumentenvuurwerk door verenigingen en stichtingen. De grens van 200 kilogram consumentenvuurwerk is in de regelgeving ook nu al relevant bij professionele vuurwerkshows wanneer zij uitsluitend consumentenvuurwerk tot ontbranding brengen. Zie ook het antwoord op vraag 17.
Is onderzocht of deze grens in de praktijk functioneel en realistisch is, gelet op het feit dat een enkele compounddoos al tien tot twintig kilogram kan wegen?
Zie het antwoord op vraag 18.
Welke ondersteuning biedt u aan gemeenten om aanvragen consistent, tijdig en uitvoerbaar te beoordelen?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen van ontheffingsaanvragen en modeldocumenten. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning geboden bij het opstellen van de handreiking.
Is onderzocht wat de verwachte uitvoeringslast is voor gemeenten en hoe deze zich verhoudt tot de beschikbare capaciteit?
De VNG heeft aangegeven in haar uitvoeringstoets dat op dit moment nog geen volledig beeld bestaat van de gemeentelijke uitvoeringskosten en de wijze waarop deze kosten financieel kunnen worden gedekt. Daarbij wijst de VNG erop dat het verlenen van ontheffingen voor het afsteken van F2-vuurwerk tijdens de jaarwisseling, evenals het toezicht en de handhaving daarop, een nieuwe bevoegdheid betreft voor burgemeesters en gemeenten. Volgens de VNG zullen de gemoeide kosten van de nieuwe bevoegdheid voor burgemeesters en gemeenten mede afhankelijk zijn van de mate waarin gebruik wordt gemaakt van de ontheffingsmogelijkheid en van de wijze waarop gemeenten hier in hun lokale beleid invulling aan geven.
Waarom zijn geen landelijke minimumnormen of toetsingskaders opgenomen, terwijl de beslissingsbevoegdheid volledig bij de burgemeester ligt?
Om de veiligheid van de opslag, het vervoer, de verkoop en het afsteken van vuurwerk te waarborgen voor ontbranders, supervisors, omstanders en omwonenden is in het Ontwerpbesluit een aantal voorwaarden en voorschriften vastgesteld. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de brede wens vanuit gemeenten om waar dat kan veiligheidsvereisten nationaal vast te leggen.
Hoe wordt voorkomen dat de toekenning van ontheffingen afhankelijk wordt van de persoonlijke of politieke opvattingen van individuele burgemeesters?
De bevoegdheid om een ontheffing te verlenen is bij amendement Bikker c.s. bij de burgemeester belegd. De burgemeester kan zelf beslissen of zij van die bevoegdheid gebruik wenst te maken. Daarmee kan rekening worden gehouden met de lokale situatie, desgewenst in overleg met de lokale driehoek. Naar verwachting zullen burgemeesters hierover in gesprek gaan met de gemeenteraad.
Is het risico op ongelijke behandeling tussen gemeenten expliciet meegewogen?
Als gevolg van het amendement Bikker c.s. kan een burgemeester op grond van de Wet veilige jaarwisseling een ontheffing verlenen, maar zij hoeft dat niet te doen. Zij kan daartoe zelf beleid opstellen al dan niet in een beleidsregel. Verschillen in beleid tussen gemeenten leiden op zichzelf niet tot ongelijke behandeling tussen gemeenten. Sterker nog, met de ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters is juist beoogd dat afhankelijk van lokale omstandigheden verschillen in beleid tussen gemeenten kunnen ontstaan. Wel zijn, in lijn met de wens van gemeenten, veel veiligheidsvoorschriften nationaal vastgelegd in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling.
Hoe heeft u beoordeeld dat de opslag-, uitleverings- en terugnameverplichtingen uitvoerbaar zijn voor burgerinitiatieven zonder professionele infrastructuur?
Voor verenigingen en stichtingen is het een nieuwe situatie dat vuurwerk terug dient te worden gebracht aan het verkooppunt of te worden opgehaald. Het gaat daarbij enkel om de situatie waarin vuurwerk, bijvoorbeeld door weersomstandigheden, niet kon worden afgestoken. Deze verplichting is noodzakelijk omdat het gedurende het jaar met het oog op de veiligheid, niet toegestaan is voor verenigingen en stichtingen om vuurwerk in bezit te hebben en op te slaan. Naar aanleiding van signalen uit de internetconsultatie is de teruglevertermijn verruimd naar 18.00 op 1 januari. Het kabinet is daarmee van mening dat de verplichtingen uit de regeling voldoende uitvoerbaar zijn.
Op welke wijze is rekening gehouden met de gevolgen voor erkende verkooppunten, gelet op de zeer beperkte uitleverperiode en de verplichting tot terugname op 1 januari?
Tijdens de internetconsultatie heeft de vuurwerkbranche op deze punten gereageerd. In sommige gevallen heeft dit geleid tot een wijziging zoals het verlengen van het teruglevertermijn. Daarnaast heeft de branche voorgesteld om het vervoer collectief te laten uitvoeren door gecertificeerde vervoerders of door een verkooppunt. Het kabinet waardeert deze suggesties en laat het aan de markt over om dit verder uit te werken. Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling biedt hiervoor ruimte.
Is met de vuurwerksector gesproken over de financiële haalbaarheid van deze verplichtingen, gezien de vaste kosten voor opslag, beveiliging en vergunningen?
Met de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling wordt al het F2-vuurwerk voor consumenten verboden. Dit heeft directe gevolgen voor vuurwerkimporteurs en detailhandelaren (vuurwerkverkooppunten). Dit type vuurwerk mag immers niet meer aan consumenten worden verkocht, tenzij aan de koper door de burgemeester een ontheffing is verleend. De uitwerking van een nadeelcompensatieregeling voor importeurs en detailhandelaren is onderdeel van een separaat traject.
Welke alternatieven zijn overwogen om deze logistieke lasten beter in balans te brengen?
Zoals bij vraag 26 is aangegeven heeft de vuurwerkbranche voorstellen gedaan en deze zijn op een aantal punten overgenomen. Het kabinet waardeert deze suggesties en laat het aan de markt over om dit verder uit te werken.
Welke marktanalyse is uitgevoerd om vast te stellen dat aansprakelijkheidsverzekeringen beschikbaar en betaalbaar zijn voor kleine verenigingen en vrijwilligersgroepen?
In het kader van de uitwerking van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling is gesproken met het Verbond van Verzekeraars en enkele individuele verzekeraars. Het Verbond van Verzekeraars heeft ook gereageerd op de internetconsultatie. Het is volgens het Verbond van Verzekeraars belangrijk voor een vereniging of stichting die een ontheffing aanvraagt, om na te gaan of de eigen (huidige) aansprakelijkheidsverzekering adequate dekking biedt voor afsteken of laten afsteken van vuurwerk. Hierbij is het verstandig om ook te kijken of en welke specifieke (aanvullende) voorwaarden de verzekeraar hierbij stelt. Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat een adviseur daarbij kan helpen. Als de rechtspersoon (nog) geen aansprakelijkheidsverzekering heeft die dekking biedt, zou volgens het Verbond een tijdelijke evenementenverzekering met dekking voor aansprakelijkheid een alternatief kunnen zijn. Op basis van een gedegen landelijk uniform veiligheidspakket kunnen verzekeraars de risico’s inschatten en de verzekerbaarheid van het afsteken van vuurwerk in het kader van een ontheffing. Meestal zal dit op ad hoc en individuele basis plaatsvinden. Het is aan de verzekeraars zelf of zij bijvoorbeeld willen voorzien in collectieve verzekeringsmogelijkheden.
Hoe is beoordeeld of deze verzekeringsplicht de toegankelijkheid van de regeling beperkt?
Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling stelt geen vereisten rondom het al dan niet verplicht afsluiten van een aansprakelijkheidsverzekering.
Is onderzocht of de regeling leidt tot sociale uitsluiting van inwoners die geen lid zijn van verenigingen of de bijkomende kosten niet kunnen dragen?
Het is niet onderzocht of de regeling kan leiden tot sociale uitsluiting van inwoners die geen lid zijn van een vereniging. Daarbij geldt dat het in veel gevallen naar verwachting mogelijk zal zijn om het vuurwerk ook zonder lidmaatschap, bijvoorbeeld op enige afstand, te aanschouwen.
Zijn alternatieven overwogen, zoals gemeentelijke vrijwilligersverzekeringen of een landelijke standaarddekking? Zo ja, waarom zijn deze niet overgenomen?
Het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling stelt geen vereisten rondom het al dan niet verplicht afsluiten van een aansprakelijkheidsverzekering. Het wordt aan de burgemeester overgelaten of hij dit alsnog wenst te verplichten. Het is aan verzekeraars zelf of zij bijvoorbeeld willen voorzien in een specifieke verzekering; naar verwachting zal dit in de regel op individuele basis plaatsvinden. Zie ook het antwoord op vraag 29.
Hoe wordt voorkomen dat initiatiefnemers te maken krijgen met stapeling van verplichtingen door samenloop van de AMvB en gemeentelijke APV-regels (Algemene Plaatselijke Verordening)?
Enige stapeling van verplichtingen is niet geheel te voorkomen. Of een evenementenvergunning vereist is, is afhankelijk van de regels die daarover zijn gesteld door de gemeente in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). In het Vuurwerkbesluit kunnen hierover geen andere of aanvullende regels worden gesteld.
Wordt overwogen om deze samenloop expliciet te reguleren om dubbele lasten te voorkomen?
Een gemeente kan ervoor kiezen om de aanvragen samen te voegen of te koppelen. Dat is echter aan de gemeente. Dit wordt niet verplicht gesteld in het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. Wel zal hierover in gesprek worden gegaan met de VNG.
Welke analyse is uitgevoerd naar de naleefbaarheid van de regeling door burgerinitiatieven?
In het kader van de uitwerking van het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling zijn diverse gesprekken gevoerd om inbreng op te halen bij een brede vertegenwoordiging van organisaties, zoals de politie, het Openbaar Ministerie (OM), de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), gemeenten, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), het Genootschap van Burgemeesters (NGB), omgevingsdiensten, de brandweer, verzekeraars, (koepels van) sport- en wijkverenigingen, en de vuurwerkbranche. Daarbij is getracht zo breed mogelijk input op te halen ten aanzien van het borgen van de veiligheid, de uitvoerbaarheid voor burgemeesters, de handhaafbaarheid, en ook de werkbaarheid voor verenigingen, stichtingen, en bedrijven. De naleving van het vuurwerkverbod zelf is ook in het handhavingsplan3 van het Ministerie van JenV uiteengezet.
Is onderzocht of de zwaarte en complexiteit van de eisen kan leiden tot ontmoediging of verschuiving naar niet-gereguleerde activiteiten?
Het kabinet is van mening dat met de huidige uitwerking adequate minimale veiligheidsvoorschriften worden vastgesteld, waarbij daarnaast uit wordt gegaan van vertrouwen in verenigingen en stichtingen. Naar de mening van het kabinet zijn de gestelde voorwaarden en voorschriften daarmee noodzakelijk, en niet onnodig zwaar of complex.
Hoe wordt de handhaving ingericht en hoe wordt voorkomen dat gemeenten en politie geconfronteerd worden met disproportionele handhavingsdruk?
De inrichting van de handhaving en inzet van boa's en de politie rondom de jaarwisseling betreft een lokale afweging. Deze wordt afgestemd binnen de lokale driehoek, zodat rekening kan worden gehouden met de specifieke omstandigheden en prioriteiten binnen de gemeente. Ter voorbereiding op de aankomende jaarwisseling, waarbij een algeheel vuurwerkverbod voor consumenten geldt met een mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen, stelt de VNG een handreiking op. Hiermee worden gemeenten ondersteund om zich zo goed mogelijk voor te bereiden op zowel de uitvoering als handhaving van het verbod en de ontheffingsregeling. Daarnaast wordt de inzet van boa's bij de handhaving van de ontheffingsmogelijkheid nader verkend. Tot slot betreft de ontheffingsmogelijkheid een «kan» bepaling. Met het oog op de handhaafbaarheid kan een burgemeester er daarom voor kiezen om geen of slechts een beperkt aantal ontheffingen te verlenen.
Welke communicatiestrategie wordt ingezet om burgers en verenigingen tijdig en begrijpelijk te informeren over deze nieuwe regeling?
Op dit moment werken de Ministeries van IenW en JenV aan een communicatieaanpak. In deze aanpak wordt onderscheid gemaakt in verschillende fasen te weten 1) vanaf heden tot de inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod, 2) het landelijk vuurwerkverbod is van kracht, 3) periode tot aan de jaarwisseling 2026–2027 en de volgende jaarwisselingen. Per fase worden doelgroepen, doelstellingen, boodschap, kanalen, middelen en een tijdlijn opgenomen. Fase 1 betreft de communicatie rond de verschillende mijlpijlen tot aan de inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod. De eerste communicatieboodschappen zullen vanaf mei/juni gepubliceerd worden.
Worden uniforme aanvraagformulieren, modelbesluiten of landelijke richtlijnen ontwikkeld om rechtszekerheid en voorspelbaarheid te waarborgen?
Onder regie van de VNG wordt een handreiking opgesteld. In deze handreiking zullen diverse aspecten aan bod komen zoals het in te richten proces voor het tijdig behandelen van ontheffingsaanvragen. Het opnemen van een voorbeeld voor een aanvraagformulier of een ontheffing behoren tot de mogelijkheden. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning aangeboden bij het opstellen van de handreiking.
Welke concrete evaluatiecriteria hanteert u om te beoordelen of de regeling het beoogde doel bereikt?
In het Ontwerpbesluit is opgenomen dat de Wet veilige jaarwisseling in samenhang met de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid drie jaar na inwerkingtreding geëvalueerd zal worden. Hoe deze evaluatie er uit moet gaan zien dient nog nader uitgewerkt te worden. Daarover wordt de Kamer medio 2026 nader geïnformeerd, zoals toegezegd aan de Eerste Kamer (Kamerstuk 35 386, J).
Wordt gemonitord hoeveel aanvragen worden ingediend, toegewezen en afgewezen, en wat de belangrijkste knelpunten zijn?
Dit is geen verplichting op grond van de Wet veilige jaarwisseling en het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling. In het kader van het bepalen van de uitvoeringscapaciteit en prioritering van werkzaamheden ligt het wel voor de hand dat gemeenten dit registreren en monitoren. Dit zal worden meegenomen in de uitwerking van de evaluatie, waarover de Kamer medio 2026 wordt geïnformeerd.
Bent u bereid de AMvB binnen afzienbare tijd te herzien indien blijkt dat de regeling in de praktijk onvoldoende aansluit bij de intentie van het amendement Bikker?
Het is gebruikelijk dat wet- en regelgeving geëvalueerd wordt. De ontheffingsmogelijkheid zal binnen drie jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Indien uit de evaluatie naar voren komt dat de uitwerking niet leidt tot het gewenste resultaat, kan besloten worden om het Vuurwerkbesluit te wijzigen.
Waarom is het scenario waarin de burgemeester één of meerdere afsteeklocaties aanwijst volledig buiten beschouwing gelaten?
Voorafgaand aan de uitwerking zijn diverse scenario’s bezien en alternatieven afgewogen, zoals het scenario waarin een burgemeester een locatie aanwijst waarbij iedereen, dan wel alle leden van een vereniging, vuurwerk mogen afsteken onder de huidige regels. Tevens is bezien of het mogelijk is om bijvoorbeeld een maximumaantal ontheffingen per gemeente vast te stellen. Voor deze scenario's is zo breed mogelijk input verzameld ten aanzien van het borgen van de veiligheid, de uitvoerbaarheid voor burgemeesters, de handhaafbaarheid, en de werkbaarheid voor verenigingen, stichtingen en bedrijven. De verschillende scenario’s zijn beschreven in het Beleidskompas. Gelet op de lokale bevoegdheidsverdeling, dan wel de doelstelling van de wet, en om redenen van handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en veiligheid, is voor deze alternatieve scenario’s niet gekozen.
Hoe weegt u het risico op toeloop en ordeverstoringen in dit scenario af tegen de aanzienlijke drempels en uitvoeringsproblemen van de nu voorgestelde regeling?
Bij het enkel toewijzen van een afsteeklocatie door de burgemeester blijft het mogelijk dat iedere particulier ouder dan 16 jaar consumentenvuurwerk mag afsteken. Hiermee is de verwachting dat, gelet de ervaringen van afgelopen jaarwisselingen, de kans op ordeverstoringen en letsel groter is dan in het scenario zoals nu is uitgewerkt in het Ontwerpbesluit. Immers in de voorgestelde nieuwe situatie mag niemand, behalve de door de ontheffinghouder aangewezen ontbranders, consumentenvuurwerk afsteken.
Acht u het proportioneel dat dit alternatief is verworpen, terwijl ook de huidige uitwerking mogelijk niet leidt tot het realiseren van de beoogde laagdrempeligheid?
Ja, gelet op de bezwaren, wordt het verwerpen van dit alternatief proportioneel geacht.
Het bericht ‘Langer thuiswonen? ‘Ouderen komen nu al vies en verwaarloosd op de eerste hulp’’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Langer thuiswonen? «Ouderen komen nu al vies en verwaarloosd op de eerste hulp»»?1
Ik vind het heel verdrietig om te lezen dat er ouderen zijn die vies en verwaarloosd op de eerste hulp komen.
Bent u het ermee eens dat we nooit ouderen zover achteruit mogen laten gaan dat zij in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis belanden?
Ik ben het ermee eens dat ouderen niet in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis zouden mogen belanden. Ik kan niet direct uit het artikel afleiden wat de oorzaak is dat er mensen verwaarloosd in het ziekenhuis komen. Bijvoorbeeld dat het zou gaan om mensen die zorg hebben gevraagd maar niet hebben gekregen.
Ik heb daarbij verder geen signalen dat zorg thuis niet toegankelijk is en niet kan worden verleend aan ouderen die thuis wonen. Recent onderzoek2 laat zien dat de toegankelijkheid van de wijkverpleging over het algemeen goed is. De meeste cliënten ontvangen binnen de gewenste termijn zorg. De wachttijden zijn over het algemeen kort, zo ontvangt volgens data van 15 ziekenhuizen 84% van de cliënten binnen één dag na de gewenste ontslagdatum wijkverpleging.
Ook zetten we bij de zorg thuis in op tijdige signalering door de samenwerking in de wijk te versterken. Een zorg- of hulpverlener die verwaarlozing en/of eenzaamheid signaleert kan in samenwerking met andere professionals in de wijk hulp bieden. Ook kunnen mensen met dementie, van beginnend tot vergevorderd, altijd gebruik maken van casemanagement dementie. Een casemanager kan helpen om zorg en ondersteuning voor de cliënt en de omgeving goed te organiseren.
Daarnaast ben ik samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening bezig met de bouw van 120.000 geclusterde en zorggeschikte woningen. Ook die kunnen helpen in het extra oogje in het zeil, zeker als daar ook een levende gemeenschap is waar mensen naar elkaar om kijken.
Bent u het ermee eens dat dit soort verhalen duidelijk maken dat het huidige beleid van mensen zo lang mogelijk dwingen thuis te blijven wonen tegen zijn grenzen aanloopt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel zou er geïnvesteerd moeten worden in de zorg om ervoor te zorgen dat er wel voldoende passende plekken komen waar deze mensen de juiste zorg kunnen krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u zicht op om hoeveel ouderen het gaat die in verwaarloosde toestand of eenzaam thuis leven?
Van alle 75-plussers voelt 51% zich eenzaam.3 Ik heb geen cijfers over de vraag hoeveel mensen er in verwaarloosde toestand thuis wonen.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze ouderen de zorg krijgen die ze nodig hebben, en hoe gaat u verwaarlozing en eenzaamheid in de toekomst voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak gebeurt het per jaar dat ouderen in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis belanden?
In de ziekenhuisregistraties wordt niet specifiek vastgelegd of sprake is van verwaarlozing als reden van opname. Het kabinet kan daardoor niet aangegeven hoe vaak het gebeurt dat ouderen in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis belanden.
Hoeveel zal dit de komende jaren toenemen als de plannen van de nieuwe coalitiew orden doorgezet?
In het coalitieakkoord wordt ingezet op een gezondere samenleving. Daarbij investeert het kabinet in zorgzame buurten en gemeenschapsontwikkeling waardoor ouderen en mensen met een beperking langer thuis kunnen wonen met passende ondersteuning. Dit gaat gepaard met nieuwe woonvormen en zorgzame buurten waar ontmoeting, de aanpak van eenzaamheid en zorg voor elkaar centraal staat.
Het bericht 'Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
van Marum , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de inval van de Franse autoriteiten in een kantoor van het sociale mediaplatform X?
Het is niet aan ons om de inval van de Franse autoriteiten te beoordelen. Het kabinet doet geen uitspraken over specifieke (strafrechtelijke) onderzoeken. Dit geldt ook voor (strafrechtelijke) onderzoeken die in het buitenland plaatsvinden.
Hoe plaatst u deze inval in het bredere onderzoek van het Franse OM en Interpol naar de de AI-chatbot Grok, seksuele deepfakes, het in bezit hebben en verspreiden van seksueel kindermisbruikmateriaal en holocaustontkenning op X?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van plan steun uit te spreken voor dit onderzoek en eventuele maatregelen op Europees niveau toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet gaat ervan uit dat het Franse Openbaar Ministerie en Interpol de juiste gronden hebben om een dergelijk onderzoek te starten en eventuele vervolgstappen te overwegen. Zie het antwoord op vraag 2.
Onder de Digital Service Act (DSA) wordt X aangemerkt als zeer groot online platform. Bij zeer grote online platforms heeft de Europese Commissie de primaire bevoegdheid voor het toezicht op en de handhaving van de DSA. De Europese Commissie is hier dus aan zet en zij is op 26 januari jl., naar aanleiding van de berichtgeving over AI-chatbot Grok, een onderzoek gestart.2 Als de Europese Commissie concludeert dat X de DSA heeft overtreden, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete, net zoals de Europese Commissie dat begin december 2025 al heeft gedaan jegens X.
Maakt X zich naar uw inzicht ook schuldig aan strafbare feiten door politieke inmenging te faciliteren, algoritmen aan te passen, data illegaal te verzamelen, en de AI-chatbot Grok seksuele deepfakes en kindermisbruikmateriaal te laten genereren?
Het is niet aan ons als bewindspersonen om dat te beoordelen. Zie de antwoorden op de vragen 2–4.
Als blijkt dat X (vermoedelijk) tegen de Nederlandse wet- en regelgeving handelt, welke mogelijkheden heeft u om tegen het bedrijf op te treden?
Bij de beantwoording van deze vraag gaan wij in op de meest relevante wetgeving die in Nederland van toepassing is, omdat op dit moment niet duidelijk is wat de exacte aanleiding is voor de Franse inval bij X en welke regelgeving X volgens het Franse OM zou hebben geschonden.
Strafrechtelijk kan in Nederland de officier van justitie op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om strafbare online content ontoegankelijk te maken. Een dergelijk bevel kan, kort gezegd, worden gegeven als sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, ter beëindiging van dat strafbare feit en/of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Van deze mogelijkheid wordt beperkt gebruik gemaakt, omdat de politie en het Openbaar Ministerie ook gebruik kunnen maken van verwijderverzoeken op basis van de zelfreguleringsmogelijkheden. Deze zijn in de praktijk vaak sneller. Een aanbieder die niet voldoet aan een dergelijk bevel onder 125p Sv kan strafrechtelijk aansprakelijk zijn (artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht).
De Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) is bevoegd om aanbieders van communicatiediensten die in Nederland zijn gevestigd of die beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op Nederlands grondgebied hebben opgeslagen, te verplichten om dergelijk materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Als aanbieders van communicatiediensten niet aan deze verplichting voldoen, kan de ATKM bestuursrechtelijk handhaven. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10% van de jaarlijkse omzet van de onderneming. Als en voor zover X kwalificeert als aanbieder van communicatiediensten en het beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op Nederlands grondgebied heeft opgeslagen, zou de ATKM daartegen mogelijk kunnen optreden tegen de verspreiding van het materiaal.
Daarnaast hebben gebruikers van X de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, een gerechtelijke procedure te starten.
Ook is de DSA in Nederland van toepassing. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 4, is in het geval van X de Europese Commissie op grond van de DSA primair bevoegd om handhavend op te treden ten aanzien van de DSA en niet de ACM (de Nederlandse toezichthouder op de DSA). Wel heeft de ACM, als nationale toezichthouder, de mogelijkheid om een signaal af te geven richting de Europese Commissie en/of de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging van X. In dit geval is dat de Ierse toezichthouder, omdat het Europese hoofdkantoor van X is gevestigd in Ierland.
De Europese Commissie kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en onder andere sancties opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet in het voorgaande boekjaar. Daarnaast kunnen zij een last onder dwangsom opleggen.
Op grond van artikel 82 DSA kan de Europese Commissie als ultimum remedium, onder strikte voorwaarden, de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging van de betrokken aanbieder van het zeer grote onlineplatform, verzoeken om op te treden krachtens artikel 51, derde lid van de DSA en de bevoegde gerechtelijke autoriteit van zijn lidstaat vragen de toegang tot het platform tijdelijk te beperken. Zoals hierboven vermeld, is in het geval van X de Ierse toezichthouder de bevoegde digitaledienstencoördinator.
Op welke manier draagt u bij aan onderzoeken en juridische stappen die worden gezet door de Europese Commissie en EU-lidstaten? Zo niet, ziet u mogelijkheden om expertise te verlenen aan deze acties?
Indien de vraag betrekking heeft op de handhavingsprocedure tegen X door de Europese Commissie onder de DSA, dan geldt dat zij in de verordening de bevoegdheden toegekend heeft gekregen die nodig zijn voor effectief toezicht en handhaving.
Op nationaal niveau hebben we de Autoriteit Consument en Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens ook voorzien van de bevoegdheden die zij nodig hebben om onderzoeken te kunnen verrichten en juridische stappen te zetten.
Bij de uitvoering van hun taak zijn toezichthouders onafhankelijk. Het past dan niet als wij ons mengen in onderzoeken of juridische stappen. Dit geldt ook voor onderzoeken en juridische stappen die door toezichthouders in het buitenland worden gezet. Mochten de toezichthouders echter om hulp vragen dan sta ik daar uiteraard welwillend tegenover, mits het hun onafhankelijkheid niet schaadt. Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, geldt in algemene zin dat de ACM goed contact onderhoudt met de Europese Commissie en andere lidstaten en, indien relevant, signalen kan delen ook wanneer een aanbieder niet in Nederland is gevestigd.
Kunt u reflecteren op het besluit van het kantoor van de Franse openbaar aanklager om van X af te stappen? Ziet u dit als een terechte en effectieve reactie op de recente ontwikkelingen?
Het kabinet treedt niet in besluiten van buitenlandse opsporingsautoriteiten of het openbaar ministerie. Het is aan de Franse autoriteiten om in het kader van hun eigen onderzoek afwegingen te maken over hun werkwijze en eventuele maatregelen.
Ontvangen Nederlandse autoriteiten eveneens klachten over de AI-chatbot Grok? Zo ja, hoe veel? Geven deze klachten aanleiding om ook in Nederland juridische stappen te zetten tegen X?
Recent hebben wij u geïnformeerd over het standpunt van het kabinet omtrent de verontrustende toename aan «deepnudes» via applicaties zoals GROK en de grote impact die dit heeft op slachtoffers en hun omgeving. Hierin staat voorop dat wij dit zeer onwenselijk vinden.3
Slachtoffers kunnen bij verschillende organisaties, zoals Slachtofferhulp Nederland (SHN), Centrum Seksueel Geweld (CSG) en Offlimits, terecht voor hulp. Als het slachtoffer overweegt een melding te maken of aangifte te doen, kan deze terecht bij de politie. Genoemde hulporganisaties kunnen slachtoffers hierover informeren of hierbij ondersteunen.
Bij bovengenoemde hulporganisaties is niet bekend of er ook Nederlanders zijn die slachtoffer zijn geworden van de AI-naaktbeelden, die specifiek met de AI-Chatbot Grok zijn gegenereerd. Dit komt omdat bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij SHN en CSG, in de registratie geen onderscheid wordt gemaakt naar misbruik van echt dan wel AI-gegenereerd beeldmateriaal. Bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij Offlimits, wordt in de registratie wel onderscheid gemaakt tussen echt en AI-gegenereerd beeldmateriaal, maar wordt niet geregistreerd met welke specifieke AI-applicatie, zoals bijvoorbeeld de AI-chatbot Grok, de afbeeldingen zijn gegenereerd.
De politie heeft in de afgelopen twee maanden wel een toename gezien in de hoeveelheid meldingen die vanuit platforms wordt gedaan over uploads naar AI-chatbot Grok. Mogelijk zijn er slachtoffers die zelf melding hebben gedaan bij de politie, maar dit is niet goed uit de registratie te halen, omdat de melding onder verschillende delictsoorten kan worden geregistreerd.
Bovenstaande geeft vooralsnog geen aanleiding om ook in Nederland juridische stappen te zetten tegen X.
Bent u voornemens om naar aanleiding van het Franse onderzoek en recente berichtgeving2 over democratische ondermijning als gevolg van X om ook van het platform af te stappen? Waarom wel of niet?
Het bereiken en informeren van zoveel mogelijk mensen, juist ook groepen die via traditionele media minder goed kunnen worden bereikt, en hen in staat stellen kennis te nemen van overheidsinformatie, weegt zwaar. Daarom kiezen wij altijd voor een mix aan online en offline kanalen. Dagelijks maken miljoenen Nederlanders gebruik van sociale media, waaronder het platform X. Het platform is daarmee voor de rijksoverheid een belangrijk middel om veel mensen te bereiken en informeren.
We zijn continu op zoek naar de juiste manier hoe we inwoners kunnen bereiken. In die zoektocht hebben de ontwikkelingen op sociale media, waaronder X, onze aandacht.
Kunt u, om de afhankelijkheid van X voor overheidscommunicatie te doorbreken, toezeggen dat overheidscommunicatie voortaan op alle veelgebruikte alternatieve media én op de eigen overheidswebsites plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
De rijksoverheid verkent doorlopend mogelijkheden en middelen waarmee zoveel mogelijk mensen kunnen worden bereikt. Sociale mediaplatformen en andere (nieuwe) kanalen maken hiervan onderdeel uit. Afhankelijk van de doelgroep en het onderwerp worden ook veelgebruikte kanalen als LinkedIn en Instagram ingezet. Daarnaast wordt via social.overheid.nl gewerkt aan het ontwikkelen van een eigen sociale mediaplatform waar Mastodon draait op een overheidsserver en waar geen gebruik wordt gemaakt van schadelijke algoritmes en de privacy van de gebruikers wordt beschermd. Momenteel is de Staatssecretaris van Economische Zaken al aanwezig op Mastodon. Ook hoeven mensen geen account aan te maken om overheidsinformatie te kunnen lezen. We verkennen daarnaast de aanwezigheid op BlueSky, waar sinds het aantreden van het nieuwe kabinet al meerdere bewindspersonen actief op zijn. Het is op dit moment echter met het oog op bereik nog geen volwaardig alternatief voor de omvangrijkste sociale mediaplatforms.
De rijksoverheid biedt (beleids)informatie in beginsel altijd op de eigen websites aan zodat mensen vrij toegang hebben tot de informatie van de rijksoverheid.
Heeft u reeds gekeken naar de mogelijkheid om alternatieve communicatieplatforms voor X te gebruiken, zoals toegezegd tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 2025?3
Zie het antwoord op vraag 11.
Wat zijn de uiterlijke consequenties voor X als het platform willens en wetens blijft handelen tegen de Europese wet- en regelgeving in, en als dit blijkt uit de lopende onderzoeken? Bent u bereid in het uiterste geval te pleiten voor een Europees verbod op het platform?
Met betrekking tot de vraag hoe nationaal kan worden opgetreden indien X willens en wetens handelt tegen de Europese wet- en regelgeving, verwijzen wij naar het antwoord op vraag 6.
Indien de vraag betrekking heeft op de overtreding van de DSA, dan kan de Europese Commissie onder meer een boete opleggen ter hoogte van 6% van de wereldwijde jaaromzet van X. Daarnaast kan ze een dwangsom opleggen of aanbieders onder verscherpt toezicht plaatsen. In bijzondere uiterste gevallen, die in dit geval niet aan de orde zijn, kan er ook een tijdelijke blokkade van een dienst worden ingesteld.
Een Europees verbod op het platform is op dit moment niet aan de orde. Vooralsnog vertrouwt het kabinet erop dat de Europese Commissie via handhaving van de DSA de noodzakelijke wijzigingen kan afdwingen om voor naleving te zorgen. Omdat handhaving van de DSA door sommige landen wordt verbonden aan de geopolitiek is het zaak dat de lidstaten laten blijven dat zij de Europese Commissie steunen in het verrichten van diens taken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en uiterlijk in de week van 2 maart 2026 beantwoorden, nog voordat het gesprek van de commissie Digitale Zaken met een vertegenwoordiging van de Europese Commissie is voorzien?4
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht dat er schrijnende toestanden bij ouderen zijn door langer thuis wonen. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Machteloosheid in ziekenhuizen: schrijnende toestanden bij ouderen door langer thuiswonen»?1
Ja, het kabinet is bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ouderen met doorligplekken van urenlang liggen in eigen ontlasting en met vliegjes in hun haren binnenkomen in het ziekenhuis? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Het kabinet deelt de mening dat ouderen niet in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis zouden mogen belanden. Er is niet direct uit het artikel af te leiden dat de oorzaak altijd gelijk is. Bijvoorbeeld dat het zou gaan om mensen die extra zorg hebben gevraagd maar niet hebben gekregen, thuis of in een verpleeghuis.
Daarbij heeft het kabinet geen signalen dat zorg thuis niet toegankelijk is en niet kan worden verleend aan ouderen die thuis wonen. Recent onderzoek2 laat zien dat de toegankelijkheid van de wijkverpleging over het algemeen goed is. De meeste cliënten ontvangen binnen de gewenste termijn zorg. De wachttijden zijn over het algemeen kort, zo ontvangt volgens data van 15 ziekenhuizen 84% van de cliënten binnen één dag na de gewenste ontslagdatum wijkverpleging.
Ook zetten we bij de zorg thuis in op tijdige signalering. Door versterking van de eerstelijnszorg verbetert de samenwerking in de wijk tussen zorg en sociaal domein. Een zorg- of hulpverlener die verwaarlozing signaleert kan in samenwerking met andere professionals in de wijk hulp bieden. Ook kunnen mensen met dementie, van beginnend tot vergevorderd, gebruik maken van casemanagement dementie. Een casemanager kan helpen om zorg en ondersteuning voor de cliënt en de omgeving goed te organiseren.
Herkent u het beeld dat eenmaal in het ziekenhuis het moeilijk is om eruit te komen, omdat er een tekort is aan verpleeghuisplekken of gespecialiseerde revalidatiecentra? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Het kabinet herkent dat patiënten soms langer in het ziekenhuis verblijven dan medisch noodzakelijk. Het is belangrijk dat ouderen passende zorg ontvangen en dat een (te lang) verblijf in het ziekenhuis voorkomen wordt. Daarom werken we samen met betrokken partijen aan het versterken van de eerstelijnszorg, het verbeteren van zorgcoördinatie en het verder ontwikkelen van de kortdurende zorg, waaronder de geriatrische revalidatiezorg (GRZ) en het eerstelijnsverblijf (ELV). Voor mensen die na een ziekenhuisopname wijkverpleging nodig hebben, wordt deze vervolgzorg zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 in verreweg de meeste gevallen tijdig georganiseerd. Een betere samenwerking en coördinatie tussen zorgaanbieders is essentieel om mensen snel passende vervolgzorg te bieden. Dit alles is belangrijk, omdat een onnodig lang verblijf in het ziekenhuis niet bevorderlijk is voor herstel en kan leiden tot verminderde zelfredzaamheid, conditieverlies en afname van spierkracht.
Hoe groot is het beschreven tekort aan verpleeghuisplekken en hoe rijmt u dat met de berichten over leegstand?
Op zorgcijferdatabank3 worden iedere maand cijfers gepubliceerd over het aantal wachtenden binnen de Wlz. De meest recente cijfers zijn van 1 december 2025. Toen stonden er binnen de ouderenzorg 18.312 mensen op de wachtlijst waarvan 332 met de status «urgent plaatsen». Bij mensen die urgent geplaatst moeten worden lukt het over het algemeen om die binnen enkele weken te plaatsen in het verpleeghuis, waarbij er wel regionale verschillen kunnen zijn.
De totale omvang van de wachtlijst in de ouderenzorg is overigens lager dan op 1 december in recente voorgaande jaren (1 december 2023 stonden er 22.275 mensen op de wachtlijst voor de Wlz-ouderenzorg en 1 december 2024 20.137 mensen). Het RIVM doet momenteel onderzoek naar de verminderde vraag naar verpleeghuiszorg en de leegstand in verpleeghuizen.
Hoe groot is het tekort aan bedden in revalidatiecentra die gespecialiseerd zijn in oudere mensen met dementie?
Het kabinet is niet bekend met data over het tekort aan bedden in revalidatiecentra voor mensen met dementie of cognitieve problemen waarvan de oorzaak nog niet is vastgesteld. We zijn voornemens een opdracht uit te zetten aan het RIVM voor meer inzicht in de kortdurende en paramedische zorg, met onder andere een terreinbeschrijving. Toegankelijkheid van zorg zal een onderdeel zijn van deze beschrijving. We hopen in het kader van deze opdracht meer inzicht te krijgen in eventuele tekorten. Deze beschrijving zal naar verwachting begin 2027 worden gepubliceerd door het RIVM.
Hoeveel verpleeghuisplekken zijn fysiek beschikbaar, maar niet inzetbaar door personeelstekort?
Het kabinet beschikt niet over de cijfers om deze vraag te beantwoorden.
Welke rol spelen zorgverzekeraars bij het inkopen van voldoende verpleeghuisplekken en geriatrische revalidatieplekken? Vindt u dat zij hier voldoende verantwoordelijkheid nemen?
Zorgverzekeraars (verantwoordelijk voor de inkoop van geriatrische revalidatiezorg) hebben een wettelijke zorgplicht op basis van de Zorgverzekeringswet. De invulling van de zorgplicht betekent verzekerden binnen een redelijke tijd en reisafstand toegang moeten hebben tot alle zorg uit het basispakket. Wat een redelijke tijd en reisafstand is hangt af van de zorgvraag van de patiënt. Zorgverzekeraars moeten daarom voldoende zorg inkopen of bemiddelen als iemand niet snel genoeg bij een zorgaanbieder terecht kan (wachttijdbemiddeling). De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) controleert of de zorgverzekeraars zich houden aan deze zorgplicht. De NZa heeft dit nader uitgewerkt in de «De zorgplicht: handvatten voor zorgverzekeraars» en in de «Beleidsregel toezichtkader zorgplicht zorgverzekeraars»4. We verwijzen u ook naar de brief van 12 februari 20255 waarin uiteengezet wordt welke mogelijkheden de NZa heeft voor het toezicht op de zorgverzekeraars en de handhaving van de zorgplicht. In de brief zijn, naast informele instrumenten zoals normoverdragende gesprekken en waarschuwingen, ook een aantal formele mogelijkheden genoemd. Deze instrumenten zijn opgenomen in de Wmg, te weten: 1. aanwijzing tot opvolgen van een verplichting; 2. publicatie bij niet-naleving van de aanwijzing; 3. toepassen van last onder bestuursdwang; 4. opleggen van een last onder dwangsom en 5. opleggen van een bestuurlijke boete. Het is daarom ook aan de NZa om te beoordelen of zorgverzekeraars voldoende verantwoordelijkheid nemen.
Zorgkantoren, verantwoordelijk voor de inkoop van verpleeghuisplekken, hebben op basis van de Wet langdurige zorg een wettelijke zorgplicht ten aanzien van hun verzekerden. Ook voor de zorgkantoren heeft de NZa Handvatten duiding zorgplicht zorgkantoren6 en een Beleidsregel normenkader Wlz-uitvoerder opgesteld7. In de NZa-rapportage «Nu zorgen voor verpleeghuiscliënten van morgen»8 concludeert de NZa dat zorgkantoren grotendeels voldoen aan hun verplichtingen en dat er tot 2028 naar verwachting tijdige en passende zorg beschikbaar is in het verpleeghuis. Waar de NZa punten voor verbetering zag, zijn die individueel met zorgkantoren gedeeld. De opvolging van deze aanbevelingen zal de NZa monitoren.
Wat zijn de totale meerkosten voor ziekenhuizen door het langer moeten verzorgen van deze patiënten?
Er zijn geen landelijke, eenduidige cijfers beschikbaar over de totale meerkosten voor ziekenhuizen als gevolg van patiënten die langer verblijven dan medisch noodzakelijk. Wel is duidelijk dat onnodig lange verblijfsduur druk zet op ziekenhuiscapaciteit en kan leiden tot hogere kosten en verminderde beschikbaarheid van bedden voor andere patiënten.
Deelt u de mening dat nieuwe bezuinigingen aankondigen op de ouderenzorg het laatste wat de politiek nu zou moeten doen?
In het coalitieakkoord wordt voor de ouderenzorg ingezet op een verschuiving van intramurale zorg naar investeren in zorgzame buurten en gemeenschapsontwikkeling waardoor ouderen en mensen met een beperking langer thuis kunnen wonen met passende ondersteuning. Dit gaat gepaard met nieuwe woonvormen en zorgzame buurten waar ontmoeting, de aanpak van eenzaamheid en zorg voor elkaar centraal staat. Er wordt een bestuurlijk akkoord gesloten met alle drie de sectoren in de Wet langdurige zorg om te kunnen bereiken dat de uitgavengroei wordt beperkt. Per saldo is er nog altijd sprake van een groei in de uitgaven.
De sterke stijging van gemeentelijke lasten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Rijkaart , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gemeentelijke lasten stijgen bijna drie keer zo hard als inflatie: vooral automobilisten en huiseigenaren de klos»?1
Ja
Erkent u dat een stijging van gemeentelijke heffingen met 6,5 procent, bijna drie keer de geraamde inflatie van 2,4 procent volgens De Nederlandsche Bank, voor veel huishoudens onbetaalbaar begint te worden?
De inflatie (consumentenprijsindex, CPI) wordt bepaald op basis van een pakket aan goederen en diensten zoals dit gemiddeld wordt aangeschaft door alle huishoudens in Nederland. Ook stijgingen van de gemeentelijke heffingen worden in het inflatiecijfer meegenomen. De inflatie is nadrukkelijk een gemiddelde. Afhankelijk van het pakket aan goederen en diensten dat een huishouden gemiddeld aanschaft kan de inflatie die specifieke huishoudens ervaren afwijken van dit gemiddelde.
Het kabinet staat bij aanvang en bij het opstellen van de begroting in augustus stil bij de koopkrachtontwikkeling van verschillende groepen mensen zoals geraamd door het Centraal Planbureau. Over het algemeen is het effect van de gemeentelijke lasten op de koopkrachtontwikkeling beperkt.
Hoe rechtvaardigt u dat gemeentelijke lasten sinds 2016 met ruim 68 procent zijn gestegen, terwijl lonen en koopkracht deze ontwikkeling niet hebben bijgehouden?
Ik begrijp de zorgen die er zijn over de stijging van de gemeentelijke lasten.
Echter, het is van uit staatsrechtelijk perspectief niet gepast om als bewindspersoon te treden in een discussie over de lokale lasten in een specifieke gemeente. Het is aan de gemeenteraden hierin keuzes te maken, waarbij onder meer belastingdruk, voorzieningenniveau en andere zaken tegen elkaar worden afgewogen.
Met ingang van 2020 is een benchmark lokale woonlasten geïntroduceerd. Door de benchmark kan de ontwikkeling van de lokale woonlasten beter vergeleken worden, waardoor de gemeenteraadsleden over meer informatie beschikken om afgewogen beslissingen te nemen over de ontwikkeling van de lokale woonlasten (in relatie tot de lokale opgaven).
Deelt u de conclusie dat huiseigenaren en automobilisten structureel worden gebruikt als melkkoe om gemeentelijke begrotingen sluitend te krijgen?
Het is niet aan mij om hierover een oordeel uit te spreken. Gemeenten hebben binnen de grenzen van de wet- en regelgeving een eigen vrijheid op het gebied van lokale belastingen. Het is aan de gemeenteraden hierin keuzes te maken, waarbij onder meer belastingdruk, voorzieningenniveau en andere zaken tegen elkaar worden afgewogen.
Ten aanzien van de financiële positie van gemeenten geldt dat deze positie de afgelopen periode inderdaad aandacht heeft gevraagd. In bredere zin gaat het om een balans tussen de taken en middelen die gemeenten hebben, als ook de bevoegdheden en uitvoeringskracht om die taken uit te voeren en de risico’s die zij daarbij lopen. Op diverse terreinen zijn daarover reeds afspraken gemaakt, wij bewaken dat deze afspraken nagekomen worden. Zo is het afgelopen jaar door het toenmalige kabinet en de VNG tot gezamenlijke afspraken gekomen over de jeugdzorg op grond van het rapport Van Ark. De VNG heeft in haar reactie op de opvolging van het rapport Van Ark aangegeven, dat er op dit moment een financieel werkbare situatie voor gemeenten is ontstaan.2 Bij de Voorjaarsnota 2025 is voor de jaren 2025–2027 cumulatief circa 3 miljard euro beschikbaar gesteld voor gemeenten voor zowel jeugdzorg als voor de terugval in 2026 in het Gemeentefonds. Daarnaast is er bij de Miljoenennota 2026 een bedrag van 728 miljoen euro aan het Gemeentefonds toegevoegd ter compensatie van de incidentele tekorten 2023 en 2024 in de jeugdzorg. Voor 2028 en verder worden de beheers- en inhoudelijke maatregelen uit de Hervormingsagenda Jeugd versterkt en worden aanvullende maatregelen door het Rijk samen met gemeenten uitgewerkt.
Hoe beoordeelt u de forse stijging van parkeerheffingen, met name in grote steden als Amsterdam en Rotterdam, waar automobilisten steeds vaker geen betaalbaar alternatief meer hebben?
Zoals bij vraag 4 aangegeven, het is aan de betreffende gemeenteraden zelf om te beslissen of en waar parkeerbelastingen worden geheven.
In hoeverre erkent u dat het uitbreiden van betaald parkeren primair een inkomstenmaatregel is geworden en niet langer een instrument voor verkeers- of leefbaarheidsbeleid?
De gemeente is verantwoordelijk voor het regelen van het parkeren in de openbare ruimte en voor een goede bewegwijzering naar (openbare) parkeerlocaties. In (stedelijke) gebieden met structureel hoge parkeerdruk zet de gemeente vaak betaald parkeren en vergunninguitgifte in om de druk te kunnen reguleren (SDP, 2019)3. Alhoewel de maatregel Autoparkeerbeleid niet direct als hindermaatregel genomen wordt, kan goed beleid voor autoparkeren wel bijdragen aan de bereikbaarheid van binnensteden, het verhogen van de kwaliteit van de openbare ruimte en het milieu.4
Zoals bij vraag 4 aangegeven, de politieke weging van voor- en nadelen vindt plaats in de gemeenteraad. Het is aan de betreffende gemeenteraad zelf om te beslissen of en waar parkeerbelastingen worden geheven.
Welke concrete verantwoordelijkheid neemt het kabinet voor het feit dat gemeentelijke lasten structureel sneller stijgen dan de inflatie?
Zoals bij vraag 4 aangegeven, het is aan de betreffende gemeenteraden zelf om te beslissen of en waar parkeerbelastingen worden geheven.
Bent u bereid om landelijke maxima of inflatiekoppelingen in te voeren voor gemeentelijke heffingen zoals de onroerende zaakbelasting (OZB) en parkeerbelastingen? Zo nee, waarom niet? En wat bent u bereid dan wel te doen om deze onrechtvaardige stijging van lasten te stoppen?
Nee, zoals bij vraag 4 aangegeven, het is aan de betreffende gemeenteraden zelf om te beslissen of en waar parkeerbelastingen worden geheven.
Welke bescherming biedt het kabinet op dit moment aan huishoudens die door stapeling van gemeentelijke lasten in financiële problemen komen?
Landelijk bestaan er verschillende maatregelen om armoede en (problematische) schulden te verhelpen of voorkomen. Gemeenten voeren daarnaast ook hun eigen armoedebeleid, dit verschilt per gemeente.
Negatieve gevolgen van extra provinciale regels inzake netcongestie voor woningbouw. |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van de Telegraaf waarin staat dat nieuwe woningen in Utrecht, Flevoland en Gelderland opnieuw 10.000 tot 15.000 euro duurder dreigen te worden, omdat provincies eisen dat ontwikkelaars en bouwers «netbewust bouwen»?1
Ja.
Klopt het dat onbekend is hoeveel bouwplannen nooit verder komen dan papier vanwege netcongestie? Zo ja, bent u bereid dit met relevante partners elk half jaar in kaart te brengen?
Er is geen totaaloverzicht hoeveel bouwplannen nooit verder komen dan papier vanwege netcongestie. Via verschillende wegen houd ik zicht op de woningbouwplannen en de voortgang hiervan. Dit doe ik onder andere via de Landelijke Monitor Voortgang Woningbouw (LMVW), de bestuurlijke overleggen woondeals en via de versnellingstafels. Aan de versnellingstafels bespreken de gemeenten, corporaties en marktpartijen vastlopende projecten om tot doorbraken te komen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de publiek-private monitor waarmee alle informatie en knelpunten per project gebundeld wordt. Vertraging in een woningbouwproject is overigens vaak niet aan één specifieke oorzaak te wijten. De genoemde monitoringsinstrumenten geven voldoende richting om te kunnen sturen op de woningopgave.
Kunt u nader toelichten waarom na 1 juli 2026 netbeheerders geen ruimte meer mogen reserveren voor woningbouw en de prioriteit naar congestieverzachters verschuift?
Op 1 januari 2026 is het prioriteringskader voor transportverzoeken in werking getreden. De bevoegdheid voor het opstellen van dit prioriteringskader ligt bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). In de oude werkwijze reserveerden de netbeheerders capaciteit voor het aansluiten van alle (toekomstige) kleinverbruikers, zodat elke kleinverbruiker transportcapaciteit kreeg zolang er capaciteit beschikbaar was. Grootverbruikers (ook met maatschappelijke prioriteit, zoals ziekenhuizen en defensie), kwamen ondertussen op een wachtlijst. Deze werkwijze doet geen recht aan de volgorde van het prioriteringskader en moet daarom veranderen. Netbeheerders hebben aangegeven tot 1 juli 2026 nodig te hebben om het nieuwe prioriteringskader voor kleinverbruikers te implementeren. Voor kleinverbruikers hebben netbeheerders tijd nodig voor het duiden van de impact van het nieuwe kader, het tijdig informeren van klanten en het aanpassen van bedrijfsprocessen. Tot 1 juli 2026 blijft de oude werkwijze daarom gelden voor kleinverbruikers en kan dus ook woningbouw, zolang daar capaciteit voor is, op de bestaande wijze worden aangesloten.
In het nieuwe prioriteringskader zijn drie categorieën opgenomen. Congestieverzachters staan in de hoogste categorie. Congestieverzachters zorgen voor een afname van netcongestie. In categorie twee vallen functies die essentieel zijn voor de nationale veiligheid zoals ziekenhuizen. In categorie 3 zitten functies gericht op maatschappelijke basisbehoeften, waaronder woningbouw. Woningbouw heeft daarmee ook in het nieuwe prioriteringskader prioriteit ten opzichte van een groot aantal functies die niet in het kader zijn opgenomen.
Deelt u de mening dat het, gelet op de huidige woningnood, een slechte zaak is dat circa 10.000 gebouwde woningen in Nederland niet bewoond kunnen worden, omdat er geen stroomaansluitingen beschikbaar zijn?
Dat er ongeveer 10.000 gebouwde woningen in Nederland niet bewoond kunnen worden omdat er geen stroomaansluitingen beschikbaar zijn, herken ik niet. Bij het ministerie zijn enkele projecten bekend waar deze situatie zich voordoet of dreigt. Maar elke woning die niet bewoond kan worden is er één te veel. Daarom zet het kabinet vol in op het verhelpen van netcongestie, onder andere met het Landelijke Actieprogramma Netcongestie (LAN) en de crisisaanpak in de Flevopolder, Gelderland en Utrecht (FGU). Op 12 maart is uw kamer door de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei geïnformeerd over de crisisaanpak voor de FGU-regio 2.
Deelt u de mening dat het niet bevorderlijk is voor het behalen van de eisen van betaalbare nieuwbouw, als ontwikkelaars moeten investeren door aanvullende provinciale eisen wat de realisatie van nieuwbouwwoningen duurder maakt, terwijl er bovendien geen garantie is dat er een aansluiting volgt? Graag uw visie.
In algemene zin zet dit kabinet er op in om kostenverhogende regels te voorkomen. Maar gezien de schaarste op het elektriciteitsnet kijk ik naar alle mogelijkheden waarmee de woningbouw wél kan doorgaan. Het «netbewust» bouwen van huizen is een belangrijke maatregel om de bestaande netcapaciteit zo goed mogelijk te benutten, en daarmee dus zoveel mogelijk woningen te realiseren met de beperkte netcapaciteit die er is. Samen met de sector werk ik aan beter zicht op de kosten en opbrengsten van netbewuste nieuwbouw. Het is van belang dat een goede afweging wordt gemaakt tussen de extra kosten die dit mogelijk met zich meebrengt en de netcapaciteit die hiermee wordt bespaard. Maatschappelijke baten en mogelijke energiebesparing voor de toekomstige bewoners worden hier ook bij betrokken.
Deelt u de mening dat het tegengaan van netcongestie belangrijk is, maar niet zou moeten betekenen dat broodnodige woningbouw wordt gehinderd? Graag uw visie.
Netcongestie is een realiteit waar het hele land mee te maken heeft. Door de schaarste aan transportcapaciteit wordt juist ook de woningbouw in toenemende mate geraakt. Het is van groot belang dat alle opties die voorkomen dat woningbouw door netcongestie wordt gehinderd serieus worden opgepakt.
Wat bent u bereid op korte termijn te ondernemen om provincies en gemeenten te stimuleren dat zij niet zomaar aanvullende eisen boven op het Besluit bouwwerken leefomgeving kunnen instellen en gebruiken om vergunningen te weigeren?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat (duurzaamheids-)normen worden gestandaardiseerd en dat er op toe gezien wordt dat alle gemeenten alle bovenwettelijke eisen aan de bouw schrappen, zodat overal hetzelfde geldt. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) regelt landelijk uniform dat bouwwerken veilig, gezond, bruikbaar en duurzaam zijn. Strengere of aanvullende lokale regels voor bouwwerken vanuit die oogpunten van het Bbl zijn niet toegestaan. Op de Woontop 2024 is dit ook herbevestigd met de sector. Om hier meer duidelijkheid over te bieden werk ik aan een wetsuitleg over de verdeling van publiekrechtelijke bevoegdheden over de 3 overheidslagen als het over de regels van het Bbl gaat en een wetsuitleg over de ruimte die de wet medeoverheden geeft om privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten ten aanzien van bouwtechnische aspecten voor woningen waar ze geen eigenaar van zijn/worden (in combinatie met uitleg artikel 23.7 Ow). Ik zal deze wetsuitleg op korte termijn met de Woontoppartners delen.
In uitvoering van het programma Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen in Regelgeving (STOER) worden via de regionale versnellingstafels de Landelijke Versnellingstafel Woningbouw signalen behandeld in geval er aanvullende eisen gesteld worden waardoor er knelpunten ontstaan in nieuwbouwplannen.
Kunt u aangeven, in het kader van tegengaan van bovenwettelijke eisen, wat u tot nu toe heeft ondernomen én van plan bent te gaan ondernemen om gemeenten op te roepen geen bovenwettelijke eisen op te leggen aan nieuwbouwwoningen en toezicht te houden op de naleving hiervan (bijvoorbeeld via bestuurlijk overleg, versnellingstafels of woonafspraken), zoals de aangenomen motie Mooiman (Kamerstuk 36 600 XXII, nr. 25) heeft verzocht.
Zie antwoord vraag 7.
Wat heeft u ondernomen en wat gaat u ondernemen om het belang van woningbouw zo zwaar mogelijk te laten meewegen bij de vormgeving van beleid om netcongestie tegen te gaan?
Het terugdringen van het woningtekort is topprioriteit van dit kabinet en netcongestie is een grote uitdaging in het realiseren van de woningbouwopgave. Het tegengaan van netcongestie is voor het kabinet om die reden onlosmakelijk verbonden met het belang van woningbouw. Netcongestie is dan ook een belangrijk onderdeel uit de opdracht aan de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw. Er worden concrete voorstellen uitgewerkt om te voorkomen dat woningbouw door netcongestie tot stilstand komt. Ook werkt mijn ministerie nauw samen met KGG, de VNG, IPO, de ACM en regionale netbeheerders aan de werkwijze voor het aanvragen van transportcapaciteit voor woningbouw onder het nieuwe prioriteringskader.
Het bericht 'Van trending schoenen naar structurele schulden: jongeren vast in koopimpuls' |
|
Inge van Dijk (CDA), Sarath Hamstra (CDA) |
|
Jurgen Nobel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Van trending schoenen naar structurele schulden: jongeren vast in koopimpuls» en de daarin aangehaalde uitkomsten van onderzoek van ING, waaruit zou blijken dat bijna 80% van de jongvolwassenen (18–34 jaar) maandelijks een impulsaankoop doet en dat een op de drie van hen hierdoor wel eens in financiële problemen is gekomen?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het zorgelijk is als impulsaankopen, mede door achteraf betalen, kunnen bijdragen aan structurele geldnood, zeker bij jongvolwassenen met een kleine financiële buffer, en dat hier een verantwoordelijkheid ligt voor bescherming van jongeren, zodat problematische schulden kunnen worden voorkomen en we financiële weerbaarheid kunnen versterken?
Ja. Het is zorgelijk wanneer impulsaankopen bijdragen aan financiële problemen, zeker bij jongvolwassenen met een beperkte financiële buffer. Achteraf betalen kan dit effect versterken omdat het de drempel voor aankopen verlaagt en het bewustzijn van de werkelijke financiële impact vermindert. Ik vind het daarom belangrijk dat consumenten adequaat worden beschermd en dat zij in staat worden gesteld om weloverwogen keuzes te maken.
Met de komst van de herziene Europese Richtlijn consumentenkrediet (CCDII) en de daaruit volgende implementatiewet wordt hiervoor een belangrijke basis gelegd. Voor het eerst valt achteraf betalen volledig onder het wettelijke consumentenkredietkader, waardoor aanbieders verplicht zijn om zorgvuldig te toetsen of het krediet verantwoord kan worden verstrekt en om consumenten beter te informeren over de voorwaarden en risico’s. Daarnaast legt de CCDII regels vast over reclame, toezicht, raadpleging van het kredietregister en maximale vergoedingen, bijvoorbeeld bij te late betalingen en maatregelen bij (dreigende) betalingsproblemen, waardoor consumenten beter beschermd zijn tegen overkreditering. Dit is een essentiële stap om problematische schulden te voorkomen en de financiële weerbaarheid van consumenten te versterken.
Tegelijkertijd is achteraf betalen onderdeel van een breder fenomeen, waarbij beïnvloeding via sociale media tot impulsaankopen kan leiden. Dit kan zorgen voor financiële problemen bij kwetsbare groepen zoals jongeren. Daarom blijft het belangrijk om naast wettelijke bescherming ook aandacht te hebben voor bewustwording en educatie, zodat jongeren leren omgaan met financiële keuzes in een samenleving waarin online aankopen steeds makkelijker en sneller worden gedaan. Om die bewustwording te vergroten zet het kabinet in op verschillende initiatieven. Zo dient de «Week van het geld» als belangrijke aanjager voor het stimuleren van financiële vaardigheden van kinderen en jongeren en is er aandacht voor thema’s als financiële verleidingen en achteraf betalen. Het hele jaar door worden scholen ondersteund via de website geldlessen.nl met onderwijsmateriaal over omgaan met geld. Tevens is er vanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in verschillende tijdvakken subsidie beschikbaar gesteld voor onderwijsinstellingen van het middelbaar beroepsonderwijs, voortgezet onderwijs en primair onderwijs om structureel aandacht te geven aan financiële educatie. Daarnaast is met de «Betaal Later Kater» campagneronde specifiek aandacht besteed aan risico’s van achteraf betalen en zijn er concrete tips gegeven aan jongeren hoe zij hier het beste mee om kunnen gaan.
Bent u het ermee eens dat er een koopstopregister moet komen, zoals bepleit door de deskundigen, waarin jongeren uit zelfbescherming zich kunnen afmelden voor achteraf betalen, en bent u bereid te verkennen hoe (en door wie) een landelijk werkende zelfuitsluitingsoptie voor BNPL kan worden ingericht?
Binnen de sector zijn reeds initiatieven ontwikkeld om zelfuitsluiting van achteraf betalen mogelijk te maken. Zo beschikt de BNPL-aanbieder Billink over een zogenoemd «Schulden Preventie Register», dat voorziet in de mogelijkheid tot individuele zelfuitsluiting, zowel op verzoek van de consument als op verzoek van een hulpverlener.2 BNPL-aanbieders Riverty, Klarna en in3 hebben aangegeven positief te staan tegenover deelname aan dit register en zijn hierover in gesprek met Billink. Klarna beschikt daarnaast reeds over een eigen opt-outfunctionaliteit, waarmee consumenten via de Klarna-app kunnen kiezen om geen gebruik (meer) te maken van de kredietproducten «Betaal binnen 30 dagen» of «Betaal in 3 delen» en alleen de optie «Betaal nu» mogelijk blijft.3 Tegen deze achtergrond ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om zelf een landelijk koopstopregister voor BNPL te ontwikkelen.
Bent u bereid hiervoor ook inspiratie op te doen bij het Crux-register, dat voor online gokken een effectieve zelfuitsluitingsoptie biedt?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om strengere transparantie-eisen te stellen aan aanbieders van achteraf betalen over voorwaarden en risico’s (zoals betaaltermijnen, aanmanings- en incassokosten) en om te voorkomen dat deze informatie wordt «weggestopt», zoals in het artikel wordt gesignaleerd?
Met de CCDII worden strengere eisen gesteld aan de informatieverstrekking aan consumenten. Aanbieders moeten tijdig, duidelijk en begrijpelijk informeren over onder meer betaaltermijnen, kosten, gevolgen van te late betaling en eventuele incassomaatregelen. Ook volgen uit de implementatie van de CCDII regels die de vergoedingen maximeren die aanbieders bij consumenten in rekening mogen brengen, inclusief maximale kosten bij te late betaling.
Daarnaast gaan regels gelden voor verantwoorde reclame en worden aanbieders onder toezicht geplaatst van de AFM. De AFM kan handhavend optreden wanneer aanbieders niet voldoen aan de wettelijke transparantie- en zorgplichtvereisten.
Kunt u aangeven hoe het inmiddels staat met de uitwerking van de motie van het lid Inge van Dijk c.s. over onderzoeken of inkomensondersteunende regelingen van de overheid op een vast moment in de maand kunnen worden uitbetaald, zodat mensen daar hun vaste lasten beter op aan kunnen sluiten en zo een beter financieel overzicht krijgen?2
Het nieuwe kabinet heeft in het coalitieakkoord de ambitie opgenomen om alle regelingen van de overheid op een vast moment in de maand uit te betalen en dat te laten aansluiten op één vaste betaaldag voor de maandlasten. Momenteel is het Ministerie van SZW bezig met een onderzoek naar de praktische uitvoerbaarheid van het harmoniseren van betaalmomenten. Dit onderzoek richt zich zowel op de inkomstenkant als de uitgavenkant van mensen die inkomensondersteunende regelingen ontvangen. De onderzoeksvragen waar het onderzoek op ingaat zien op de mogelijkheden tot samenbrengen van betaalmomenten van inkomensondersteunende regelingen en incassomomenten van vaste lasten. Daarbij is aandacht voor de gevolgen voor burgers, publieke dienstverleners, private organisaties en systeemrisico’s. Het onderzoek is bijna afgerond en zal voor de zomer met een kabinetsreactie aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
Bent u bereid te kijken naar de mogelijkheden voor het inbouwen van een «nadenkmoment» bij achteraf betalen?
Het idee van een «nadenkmoment» sluit aan bij het bredere uitgangspunt dat consumenten een weloverwogen beslissing moeten kunnen nemen bij het aangaan van krediet. Met de implementatie van de CCDII worden aanbieders verplicht om voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst adequate informatie te verstrekken en een kredietwaardigheidstoets uit te voeren.
In hoeverre aanvullende gedragsinterventies, zoals een verplicht nadenkmoment, effectief en proportioneel zijn, hangt mede af van de ervaringen met de nieuwe regels. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen.
Bent u bereid nogmaals uit te zoeken wat de mogelijkheden zijn om achteraf betalen in fysieke winkels te verbieden, ook in relatie tot de per november 2026 in werking te treden Herziene richtlijn consumentenkrediet (Consumer Credit Directive II; CCDII) voor consumentenbescherming bij achteraf betaaldiensten?
De CCDII reguleert achterafbetaaldiensten volledig en maakt geen onderscheid tussen online en fysieke aanbiedingsvormen. Een nationaal verbod op BNPL in fysieke winkels, terwijl online BNPL wel toegestaan blijft, is daarom naar verwachting juridisch niet verenigbaar met het maximumharmonisatiekarakter van de richtlijn.
Kunt u aangeven hoe ver de kredietcheck reikt die aanbieders van achteraf betalen moeten doen na het in werking treden van de CCDII per november 2026, en of dit inderdaad voldoende is om jongeren te beschermen tegen aankopen waar zij onvoldoende middelen voor hebben, of dat er aanvullende bescherming nodig is?
De CCDII verplicht aanbieders tot het uitvoeren van een kredietwaardigheidstoets voordat een krediet wordt verstrekt. Dit houdt in dat zij, op basis van toereikende informatie over de financiële situatie van de consument, moeten beoordelen of het krediet verantwoord kan worden verstrekt. Ook worden regels ingevoerd voor raadplegen van en registratie bij het BKR, zodat kredietverplichtingen inzichtelijk zijn en overkreditering kan worden tegengegaan.
Daarnaast bevat de CCDII bepalingen ten aanzien van vroegsignalering van schulden. Zo worden aanbieders verplicht om consumenten op tijd door te verwijzen naar schuldadviesdiensten en dienen zij passende respijtmaatregelen te treffen bij betalingsproblemen. Ook worden kosten voor invordering gemaximeerd en wordt het aanbieden van BNPL aan minderjarigen verboden.
Met dit samenhangende pakket aan maatregelen biedt de CCDII een stevig en toekomstbestendig kader voor consumentenbescherming. Of aanvullende maatregelen nodig zijn, hangt mede af van de ervaringen met de nieuwe regels. Het kabinet volgt deze ontwikkelingen.
De vijf nieuwe putten in gasveld Geesbrug |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Aangezien u een positief besluit heeft afgegeven aan Vermilion om vijf nieuwe putten te boren in het gasveld Geesbrug in Drenthe, op welke manier zijn de direct omwonenden betrokken bij de besluitvorming daarrond?
Voor het boren van putten is een omgevingsvergunning nodig. Deze is op 29 oktober 2025 voor vier putten verleend. Op dit moment zijn de putten nog niet geboord. Conform de verplichting uit de omgevingswet heeft Vermilion contact gehad met omwonenden in de omgeving. Vermilion heeft daarbij gesproken met de bewoners van de meest nabij gelegen woningen. Vermilion zal enkele maanden voor de start van de werkzaamheden nader over de boringen communiceren met de betrokkenen.
Welke conclusies zijn uit de risicoanalyse getrokken aangaande het risico op aardbevingen en potentiële schade aan huizen en natuur? Worden er financiële voorzieningen getroffen om eventuele schade te kunnen vergoeden?
Het gasveld valt in de laagste seismisch risico categorie. Sinds 2009 wordt er gas gewonnen uit het gasveld. Destijds, maar ook bij de recent aangevraagde wijziging van het winningsplan is gekeken naar de adviezen van de vaste adviseurs en daarbij is ook ingegaan op de seismische risico’s. Er heeft sinds de start van de winning geen beving plaatsgevonden als gevolg van het winnen uit dit gasveld. Op grond van art. 6:177 van het Burgerlijk Wetboek is Vermilion verplicht tot het vergoeden van schade die ontstaat door bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit het gasveld Geesbrug. De bewoners nabij de gaswinning kunnen schade waarvan zij denken dat die door mijnbouw is veroorzaakt, melden bij de Commissie Mijnbouwschade.
Zullen er nieuwe, door het Rijk of door Vermilion betaalde nulmetingen plaatsvinden in de omgeving van het boorgebied?
Nee. TNO heeft mij geadviseerd dat het onwaarschijnlijk is dat de beperkte bodemdaling of een eventuele beving leidt tot directe schade aan gebouwen in of nabij het winningsgebied. Vanwege de kleine kans op schade is geen aanleiding tot het uitvoeren van bouwkundige opnames (nulmetingen) in de omgeving van Geesbrug.
Tot hoeveel Megaton CO2-equivalent zal de bijkomende hoeveelheid gas leiden, specifiek voor scope 1, scope 2 en scope 3?
Tijdens het uitvoeren van de boringen vinden emissies in de vorm van CO2 plaats. De scope 1 en scope 2 emissies zijn tijdelijk van aard en beperkt in omvang. Het brandstof- en energieverbruik tijdens de boringen zijn beoordeeld in de omgevingsvergunning en getoetst aan de eisen van de Omgevingswet.
Met de aanpassing van het winningsplan is de maximaal hoeveelheid te winnen gas naar beneden bijgesteld. Het aangevraagde leidt dus niet tot extra scope 3-emissies ten opzichte van wat eerder is vergund. Daarbij is de CO2-uitstoot van de winning en transport van gas dat wordt gewonnen uit Nederlandse kleine velden enkele malen lager dan de uitstoot van geïmporteerd aardgas.
Aangezien u op dit moment de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over scope 3 nader aan het bestuderen bent om precies in kaart te kunnen brengen wat dit betekent voor bijvoorbeeld de vergunningverlening, waarom kiest u er dan voor om toch al dit besluit goed te keuren met alle risico’s op nieuwe rechtszaken van dien?
Zoals bij vraag 4 aangegeven, is de maximale hoeveelheid te winnen gas uit het gasveld Geesbrug met de aanpassing van het winningsplan naar beneden bijgesteld. Het aangevraagde leidt dus niet tot extra scope 3-emissies ten opzichte van wat eerder is vergund. Er zijn om deze reden geen extra scope 3-emissies om te beoordelen conform de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Hoe is gaswinning tot en met 2049 nog te verenigen met de nationale en internationale klimaatdoelstellingen, in het bijzonder in het licht van de recente uitspraak in de Bonaire-zaak die de staat oplegt om de klimaatdoelen verder aan te scherpen? Welk percentage van het resterende koolstofbudget zal de optelsom van scope 1-, 2- en 3-emissies dan innemen?
Het kabinet zet erop in de doelen uit de nationale en Europese Klimaatwet te halen. Dat betekent dat Nederland de netto-uitstoot van broeikasgassen uiterlijk in 2050 tot nul reduceert, en streeft naar negatieve emissies van broeikasgassen na 2050. Hier stuurt het kabinet op door bij nieuwe en actualisaties van winningsplannen instemming te beperken tot en met 2045. Daarom heeft het kabinet besloten om de instemming met het winningsplan Geesbrug te beperken tot en met 2045 in plaats van de gevraagde winning tot en met 2049.
Hoe betrouwbaar is de door Vermilion aangegeven maximale bodemdaling van 4,5 centimeter? Worden cumulatieve effecten daarbij in de analyse meegenomen?
TNO heeft de bodemdaling als gevolg van de winning uit het gasveld Geesbrug berekend, waarbij ook de bodemdaling door gaswinning uit omliggende gasvelden is meegenomen. TNO komt tot vergelijkbare resultaten als Vermilion.
Is de in 2009 vergunde grens voor bodemdaling nog adequaat in het licht van nieuwe wetenschappelijke inzichten en de ervaringen met aardbevingen en bodemdaling in de afgelopen zeventien jaar?
De vergunde grens voor bodemdaling is nog adequaat. Zoals bij vraag 7 aangegeven, heeft TNO de bodemdaling en het seismisch risico als gevolg van de winning uit het gasveld Geesbrug berekend en komt daarbij tot vergelijkbare resultaten als Vermilion. Het is onwaarschijnlijk dat de bodemdaling leidt tot directe schade aan gebouwen in of nabij het winningsgebied. Het gasveld valt in de laagste seismisch risico categorie.
Indien bezwaar wordt aangetekend tegen het besluit, welke wettelijke instrumenten heeft u tot uw beschikking om aan dat bezwaar tegemoet te komen? Is het juridisch mogelijk het besluit alsnog in te trekken wanneer uit de bezwaren blijkt dat er in de omgeving weinig draagvlak bestaat?
Indien bezwaar wordt aangetekend tegen het besluit zal het besluit in het kader van de bezwaarprocedure worden heroverwogen. Een besluit kan daarbij alleen worden gewijzigd of ingetrokken, indien dat gerechtvaardigd wordt door een grond als genoemd in artikel 36, eerste lid van de Mijnbouwwet. Maatschappelijk draagvlak valt hier niet onder.
Zal er gehoor gegeven worden aan de oproep van de Commissie Mijnbouwschade om de schaderegeling in Drenthe rechtvaardiger te maken? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Ja, het vorige kabinet heeft de aanbevelingen die de Commissie Mijnbouwschade in haar verslag «Afhandeling Schademeldingen Ekehaar en Hooghalen» doet, ontvangen en heeft de Kamer aangegeven verkennende gesprekken op te starten. Deze gesprekken worden op korte termijn gestart.
Het bericht 'Omstreden gasproject in Mozambique weer van start, met Nederlandse hulp' |
|
Suzanne Kröger (GL), Christine Teunissen (PvdD), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Omstreden gasproject in Mozambique weer van start, met Nederlandse hulp» van 29 januari jongstleden, waarin wordt beschreven dat het omstreden gasproject in Mozambique weer van start gaat en Nederland betrokken blijft via de exporteurspolis aan Van Oord?1
Ja.
Waarom acht u het verstandig om de exporteurspolis te laten doorlopen en een Nederlands bedrijf met publieke dekking van de Nederlandse belastingbetaler door te laten gaan met werkzaamheden aan dit project?
Zoals uiteengezet in mijn brieven van 11 november 2025 en 1 december 2025 is er voor de exporteurspolis geen sprake van een nieuw wegingsmoment.2 Volgend uit Nederlands verzekeringsrecht kan de Staat deze polis alleen pauzeren of beëindigen wanneer er sprake is van aantoonbare fraude of nalatigheid door Van Oord. Hiervan is geen sprake.
Hoe ziet u toe op de naleving van internationale regelgeving en richtlijnen van de werkzaamheden van Van Oord?
Van Oord rapporteert sinds begin 2021 middels reguliere monitoringsrapportages over hun werkzaamheden aan ekv-uitvoerder Atradius Dutch State Business (ADSB). Er is afgesproken dat zij dit blijven doen. Op deze manier monitort ADSB of de werkzaamheden van Van Oord in lijn zijn met internationale standaarden.
Herinnert u zich het onderzoek van Clingendael dat u met de Kamer heeft gedeeld waarin een beeld wordt geschetst van structurele mensenrechtenschendingen door Mozambikaanse veiligheidsdiensten in de regio, begaan bij de bescherming van dit gasproject?2
Ja.
Waarom blijft u werkzaamheden aan dit gasproject via een exporteurspolis dekken terwijl onderzoek – nota bene in uw opdracht – heeft geconcludeerd dat de bescherming van het project gepaard ging met structurele mensenrechtenschendingen? Hoe rijmt dit met wat u op 1 september 2025 aan de Kamer schreef: «In algemene zin kan ik bevestigen dat Nederland geen exportkredietverzekering verstrekt aan projecten waarbij sprake is van onacceptabele mensenrechtenrisico’s»?3
Besluitvorming over het verstrekken van een ekv vindt plaats voorafgaand aan polis afgifte. Dan wordt getoetst of het project in lijn is met het Nederlandse beleid voor de ekv. Projecten met onacceptabele risico’s zullen niet in verzekering worden genomen. Na afgifte van de polis kan deze alleen worden ingetrokken wanneer er sprake is van aantoonbare fraude of nalatigheid door de verzekerde partij, in dit geval Van Oord. Hiervan is geen sprake.
Welke, bijvoorbeeld juridische, risico’s ziet u hier voor de Nederlandse overheid die deze werkzaamheden dekt en op die manier nog altijd betrokken is bij dit project?
De Staat loopt een financieel risico dat is gelijk aan het maximale verzekerde schadebedrag onder de exporteurspolis. Verder is de Staat onder Nederlands verzekeringsrecht gehouden aan het nakomen van zijn verplichtingen als verzekeraar onder de exporteurspolis. Indien dit niet gebeurt kan dit juridische consequenties met zich meebrengen.
Kunt u precies uiteenzetten wat het verschil is tussen de financieringspolis en de exporteurspolis en waarom de financieringspolis wel is stopgezet, maar Nederland de exporteurspolis niet stop wil of kan zetten?
De exporteurspolis dekt het risico dat Van Oord niet betaald krijgt voor uitgevoerde werkzaamheden. De financieringspolis voor Standard Chartered Bank dekt het risico dat de lening die verstrekt wordt aan het project niet wordt terugbetaald. Het gaat om twee verzekeringen met verschillende partijen, die los van elkaar staan. Voor een uitgebreide uiteenzetting van het verschil tussen de financieringspolis en de exporteurspolis en het daaruit volgende handelingsperspectief voor de Staat verwijs ik naar mijn brieven van 11 november 2025 en 1 december 2025.5
Hoe is het stopzetten van de financieringspolis gebeurd? Kunt u bevestigen dat de Nederlandse exportkredietverzekeraar Atradius DSB, samen met de Britse exportkredietverzekeraar, de deelname aan het project niet opnieuw had bevestigd en dat TotalEnergies daarom heeft besloten zonder Nederlandse en Britse financiering verder te gaan met het project?
TotalEnergies (Total) heeft ADSB op 24 november 2025 via een zogeheten cancellation noticelaten weten af te zien van het door Nederland verzekerde deel van de financiering van het project. Het besluit van Total heeft de Nederlandse besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis doorkruist. Over het besluitvormingsproces in het Verenigd Koninkrijk kan ik geen uitspraken doen.
Waarom heeft u niet eerder deze financieringspolis uit eigen beweging stop gezet? Waarom heeft u dit niet gedaan na verschijnen van het onderzoek van Clingendael op 7 november 2025? Waarom heeft u dit niet gedaan na één van de sinds 2021 toenemende waarschuwingssignalen die u bereikten over geweld, klimaat- en milieuschade? Was dit een kwestie van niet kunnen of niet willen?
Het kabinet heeft altijd aangegeven vast te houden aan een gedegen besluitvormingsproces waarin alle risico’s zorgvuldig worden gewogen.6 Hiertoe achtte ik het noodzakelijk om over een zo volledig mogelijk beeld te beschikken. Juist vanwege zorgwekkende signalen over de veiligheidssituatie heb ik in december 2024 besloten om aanvullend onafhankelijk advies in te winnen.7 De onderzoekers van Clingendael en Pangea Risk hebben hun adviesrapporten op 7 november 2025 opgeleverd. Met deze adviesrapporten had het kabinet, samen met de adviezen van ADSB en hun onafhankelijke consultants en de input vanuit lokale stakeholders en de Nederlandse ambassade in Maputo, voldoende informatie om tot besluitvorming over te gaan. Tot besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis is het echter niet gekomen vanwege het besluit van Total.
Welke stappen heeft u wél ondernomen na verschijning van het Clingendael-onderzoek op 7 november 2025?
Zoals in voorgaand antwoord toegelicht was er pas na 7 november 2025 voldoende informatie om te starten met de voorbereiding van de besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis. Doordat het besluit van Total de Nederlandse besluitvorming doorkruiste zijn door het kabinet, naast het openbaar maken van de eerder genoemde adviesrapporten, geen besluiten genomen over de ekv-polissen voor onderhavig project.
Aangezien Nederland tot voor kort medefinancier was van het project, welke verantwoordelijk vloeit hieruit voort? Heeft Nederland volgens u een verantwoordelijkheid – zo niet juridisch, danwel moreel en politiek – bij het zorgen voor rechtvaardigheid voor slachtoffers en nabestaanden van het geweld? Bent u voornemens medewerking te verlenen aan de verschillende strafprocedures die lopen, onder andere in de vorm van toegang tot alle relevante documentatie? Neemt Nederland die verantwoordelijkheid ook op andere wijzen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich bij alle projecten waarbij het via een ekv-polis is betrokken in voor naleving van internationale standaarden. Indien er tijdens de uitvoering van het project sprake is van misstanden dan zal Nederland altijd de invloed die het heeft maximaal inzetten om verbetering voor betrokken partijen te realiseren. Nu Nederland niet langer betrokken is bij de financiering van het project kan het via die weg geen invloed meer uitoefenen. Het kabinet heeft wel het adviesrapport van Clingendael gedeeld met de autoriteiten in Mozambique zodat zij deze kunnen gebruiken voor hun eigen onderzoeken. Tevens heeft de Nederlandse ambassade in Maputo bij de relevante Mozambikaanse organisaties (het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Justitie en het Openbaar Ministerie van Mozambique) het belang onderstreept dat Nederland aan deze onderzoeken hecht en dat de voortgang ervan nauwlettend zal worden gevolgd.
Hoe beoordeelt u de huidige contractuele clausules die moeten waarborgen dat opdrachtnemers voldoen aan IMVO-richtlijnen en internationale mensenrechtenstandaarden? Deelt u onze analyse dat de nog steeds uitstaande exporteurspolis voor Van Oord laat zien dat deze verplichtingen mogelijk onvoldoende stevig zijn verankerd in de contracten die Atradius DSB afsluit? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om deze bepalingen te versterken en herhaling te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Elke exporteur ondertekent bij het indienen van een verzekeringsaanvraag een inspanningsverplichting voor het naleven van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. ADSB controleert in hun milieu- en sociale beoordeling of het beleid van exporteurs daarvoor voldoende is. Voor hoog risicoprojecten wordt deze naleving door de exporteur ook tijdens de uitvoering van het project of de levering van het kapitaalgoed gecontroleerd. Indien de verzekerde partij zich niet houdt aan gemaakte afspraken dan kan dit in het uiterste geval gevolgen hebben voor het recht op schade-uitkering. Deze situatie is voor onderhavige exporteurspolis niet aan de orde omdat ik geen reden heb om aan te nemen dat Van Oord zich niet aan internationale standaarden heeft gehouden. Ik zie dan ook geen aanleiding om de bestaande procedures aan te passen.
Kunt u beschrijven op welke manier u en Atradius DSB afgelopen maanden contact hebben gehad met TotalEnergies?
Sinds ADSB betrokken is bij het project is er regelmatig contact geweest tussen ADSB en Total voor de beoordeling van de financiële, milieu- en sociale, compliance en veiligheidsrisico’s van het project. Dit is conform de reguliere werkwijze van ADSB en ging door middel van gesprekken en site-visits. ADSB heeft na de beslissing van Total om af te zien van het door Nederland verzekerde deel van de financiering geen contact meer gehad met Total over de financiering van het project.
De Nederlandse ambassade in Maputo heeft op verschillende momenten contact gehad met de leiding van Total in Mozambique, onder andere over mensenrechten. Op laagambtelijk niveau is er contact geweest tussen de Ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken en Total over het project en om contact tussen de onderzoekers van Pangea Risk en Clingendael tot stand te laten komen. De onderzoekers hebben hun bevindingen aan vertegenwoordigers van Total toegelicht. Daarnaast heeft het Ministerie van Financiën op verzoek van Total op vier momenten in 2025 op hoogambtelijk niveau contact gehad met vertegenwoordigers van het bedrijf. Tijdens deze gesprekken is het ministerie gevraagd naar het Nederlandse besluitvormingsproces en het werk van de eerder genoemde onderzoekers. Tot slot heb ik zelf op initiatief van Total op 1 december 2025 telefonisch gesproken met de President Exploration and Production, waarbij ik heb aangegeven de adviezen van Clingendael en Pangea openbaar te zullen maken. De betreffende rapporten zijn dezelfde dag naar de Tweede Kamer gestuurd.
Op welke manier brengt TotalEnergies verslag uit van het project richting Atradius DSB? Welke informatie over het project wordt met u gedeeld en hoe ziet deze verslaglegging eruit?
Met het beëindigen van de financieringspolis zijn ook de rapportageverplichtingen van Total richting ADSB vervallen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 levert Van Oord nog wel reguliere monitoringsrapportages aan over hun eigen werkzaamheden binnen het project.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Ernstige privacyschendingen door het UWV bij fraudebestrijding |
|
Nicole Moinat (PVV), Shanna Schilder (PVV) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waaruit blijkt dat het UWV jarenlang onrechtmatig pasfoto’s van burgers heeft opgevraagd bij gemeenten ten behoeve van fraudebestrijding, zoals onder andere omschreven in het artikel van EenVandaag?1
Ja, dat ben ik.
Erkent u dat het opvragen en gebruiken van pasfoto’s uit paspoort- en ID-administraties door het UWV in strijd is met de Paspoortwet?
Nee. Ik erken wel dat het opvragen en gebruiken van een kopie van een foto op een identiteitsbewijs bij gemeenten een vergaand middel is. UWV heeft de bevoegdheid tot het opvragen en gebruiken van een kopie van foto’s op een identiteitsbewijs op basis van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). Proportionaliteit en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals zorgvuldigheid staan bij het uitoefenen van deze bevoegdheid voorop.
UWV verstrekt jaarlijks meer dan één miljoen uitkeringen. Misbruik komt voor en dat pakt UWV aan. Controle en toezicht op de rechtmatigheid zijn hiervoor belangrijke onderdelen van het takenpakket van UWV. Per jaar ontvangt UWV ongeveer 6.000 signalen van mogelijke regelovertreding. Medewerkers beoordelen of deze signalen moeten worden onderzocht. UWV doet circa 2.000 toezichtonderzoeken op jaarbasis. Bij een klein aantal hiervan, ongeveer 100 per jaar, moet er een kopie van een foto op een identiteitsbewijs worden opgevraagd. Het gaat op jaarbasis om circa 5% van het totaal aantal toezichtonderzoeken. Dat is nodig als tijdens het onderzoek blijkt dat het relevant is om te weten hoe iemand eruit ziet. UWV zet hiervoor eerst lichte middelen in: mogelijk kan het op het internet worden gevonden. Als de lichte middelen niet een (betrouwbaar) resultaat opleveren, dan kan een zwaarder middel worden ingezet zoals het opvragen van een kopie van een foto op een identiteitsbewijs. Dit gebeurt alleen bij een concreet vermoeden van misbruik, waarbij het relevant is om te weten hoe iemand eruit ziet, en dat niet op een minder ingrijpende manier kan worden onderzocht. Dit vergaande middel zet UWV dan ook beperkt in.
Hoe beoordeelt u het feit dat het UWV intern erkent dat deze werkwijze «strikt genomen niet rechtmatig» is, maar medewerkers desondanks expliciet opdraagt hiermee door te gaan?
In het verleden is een document met een persoonlijke opvatting van een medewerker beschikbaar geweest voor andere medewerkers van UWV. De inhoud hiervan bevat niet het juridische standpunt of de werkwijze van UWV. De tekst is inmiddels verwijderd en de geldende werkinstructies, waaronder over het waarnemen, brengt UWV regelmatig onder de aandacht van de UWV-medewerkers met toezichtsbevoegdheid.
Deelt u de mening dat hier sprake is van bewust en structureel overtreden van privacywetgeving door een overheidsinstantie die juist het goede voorbeeld zou moeten geven?
Nee, die mening deel ik niet. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat overheidsinstanties zorgvuldig en terughoudend moeten omgaan met persoonsgegevens. Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat hun privacy wordt gerespecteerd door de overheid. Ook UWV handelt binnen dit kader. In de situatie die in het artikel wordt geschetst, gaat het om toezichtonderzoek waarbij het mogelijk is voor UWV om een kopie van een foto op een identiteitsbewijs op te vragen bij de gemeente voor identificatie van een uitkeringsgerechtigde waartegen concrete vermoedens van misbruik zijn. UWV maakt beperkt gebruik van deze bevoegdheid en pas nadat andere minder inbreukmakende middelen zijn ingezet. Het opvragen van kopieën van identiteitsbewijzen bij gemeenten is proportioneel en toegestaan op grond van artikel 54 van de Wet SUWI. Er is hier dus geen sprake van het bewust en structureel overtreden van wet- en regelgeving.
Vindt u het acceptabel dat het UWV pasfoto’s gebruikt voor het observeren en volgen van uitkeringsgerechtigden, inclusief het vastleggen van kleding, uiterlijk en loopgedrag?
Ik begrijp dat het waarnemen van uitkeringsgerechtigden een vergaand middel is en vragen oproept over privacy en proportionaliteit. Het uitgangspunt is vertrouwen in mensen. Dit middel zet UWV daarom beperkt in. Toch zijn er ook mensen en organisaties die zich doelbewust niet aan de regels houden. Het is een taak van UWV om deze situaties te onderkennen en er gepast op te reageren.
Bij concrete vermoedens van misbruik moet UWV onderzoek doen. In sommige gevallen kunnen kleding of loopgedrag daarbij relevant zijn in een toezichtonderzoek. Zo is er een casus geweest waarbij iemand een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, omdat diegene slecht ter been was. Na een tip startte UWV een onderzoek en bij de waarneming die daar op volgde, bleek deze persoon een halve marathon te lopen. Dan is het inderdaad relevant om de situatie en uitkeringsgerechtigde te beschrijven en vast te leggen. Daarbij moet een toezichtmedewerker wel zorgvuldig vaststellen dat hij de juiste persoon waarneemt, zoals beschreven in antwoord op vraag 2. Toezichtmedewerkers hebben verschillende manieren om misbruik te onderzoeken. Daarbij worden altijd eerst de minst ingrijpende onderzoeksmethoden ingezet.
Hoe beoordeelt u het standpunt van het UWV dat de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI) boven de Paspoortwet zou staan, terwijl meerdere privacy-experts dit nadrukkelijk tegenspreken?
Wat betreft de Paspoortwet en de Wet SUWI het volgende. De Paspoortwet en de daarbij behorende lagere regelgeving regelen specifieke zaken in verband met identiteitsbewijzen, zoals de uitgifte en inname van identiteitsbewijzen, en de bescherming van de daarbij gebruikte gegevens. Gemeenten vervullen een belangrijke rol in de uitvoering van de Paspoortwet. In artikel 73 van de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 is specifiek ten aanzien van de gegevens in de reisdocumentenadministratie aangegeven aan wie gemeenten deze gegevens mogen verstrekken. In de Wet SUWI zijn regels en bevoegdheden van onder andere UWV vastgelegd in het kader van de wettelijke taken die UWV uitvoert. Daarbij horen ook toezicht op en handhaving van de regels betreffende uitkeringen. In dat kader heeft UWV op grond van artikel 54, derde lid, van de Wet SUWI de bevoegdheid om gegevens en inlichtingen bij onder andere de colleges van burgemeester en wethouders op te vragen. De bevoegdheid van UWV op grond van artikel 54, derde lid, van de Wet SUWI ziet derhalve op veel meer situaties dan alleen het opvragen van gegevens uit reisdocumenten bij gemeenten. De gegevens die UWV opvraagt moeten uiteraard noodzakelijk zijn voor de taak van UWV en het gebruik van de bevoegdheid moet in verhouding staan tot de ernst van de overtreding (proportionaliteit). Mogelijk is verwarring ontstaan doordat in artikel 73 Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 UWV niet staat vermeld als instantie aan wie gemeenten gegevens uit reisdocumenten mogen verstrekken. Dit doet niet af aan de bevoegdheid die UWV heeft op grond van artikel 54 van de Wet SUWI.
Hoe verklaart u dat gemeenten als Amsterdam en Rotterdam jaarlijks meerdere pasfoto’s verstrekken aan het UWV, terwijl andere gemeenten verzoeken weigeren vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag?
Ik begrijp dat verschillen in handelwijze tussen gemeenten vragen oproepen. Zoals hiervoor toegelicht, geeft artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet SUWI aan UWV de bevoegdheid om in het kader van de toezichttaak kopieën van een foto op een identiteitsbewijs bij colleges van burgemeester en wethouders op te vragen. Dat in de praktijk verschillend wordt gehandeld door gemeenten, doet niet af aan de wettelijke grondslag waarop UWV handelt, maar beperkt wel de onderzoeksmogelijkheden van UWV. Dit was mij niet eerder bekend en daarom ga ik hierover in gesprek met de betrokken partijen om te komen tot een eenduidige toepassing.
Heeft het UWV de Autoriteit Persoonsgegevens actief geïnformeerd over deze werkwijze, en zo nee, waarom niet?
UWV handelt binnen het wettelijk kader van de Wet SUWI en met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. UWV rapporteert daarom niet proactief aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Welke maatregelen neemt u om per direct te stoppen met deze praktijk en om te voorkomen dat het UWV in de toekomst opnieuw wettelijke grenzen overschrijdt bij fraudebestrijding?
UWV houdt toezicht conform de wettelijke kaders. Ik vind het van belang dat de geldende werkwijze helder is vastgelegd en eenduidig wordt toegepast. UWV brengt de geldende werkinstructies daarom regelmatig onder de aandacht van medewerkers met toezichtsbevoegdheid.
Welke consequenties verbindt u aan deze handelwijze, zowel bestuurlijk als richting het UWV-management?
UWV maakt in deze gevallen een zorgvuldige belangenafweging tussen privacy en het onderzoeken van mogelijk misbruik. Ik zie dan ook geen reden om hieraan consequenties te verbinden.
Sepots en strafbeschikkingen door het Openbaar Ministerie |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel zaken zijn in 2023, 2024 en 2025 door het Openbaar Ministerie (OM) geseponeerd (absoluut en als percentage van het totaal aantal afdoeningen)?
Het Openbaar Ministerie (OM) kan beslissen om een strafzaak voor te leggen aan de rechter, zelfstandig af te doen (met een strafbeschikking) of niet (verder) te vervolgen. Laatstgenoemde beslissing wordt een sepot genoemd. Een voorwaardelijk sepot houdt in dat de verdachte niet wordt vervolgd indien hij/zij zich binnen een proeftijd aan één of meer voorwaarden houdt. Bij een onvoorwaardelijk sepot, is de beslissing tot niet (verdere) vervolging niet afhankelijk gesteld van het gedrag van de verdachte.
Hieronder staat de gevraagde informatie per jaar.1
In 2023 heeft het OM 56.400 misdrijfzaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 9.400 misdrijfzaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 29 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 5 procent.
In 2023 heeft het OM 66.3000 overtredingszaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 300 overtredingszaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 40 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 0.2 procent.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2023 van het OM.2
In 2024 heeft het OM 64.700 misdrijfzaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 9.400 misdrijfzaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 30 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 4 procent.
In 2024 heeft het OM 86.000 overtredingszaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 500 overtredingszaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 45 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 0.3 procent.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2024 van het OM.3
De cijfers over 2025 zijn nog niet definitief, waardoor deze hier niet worden vermeld. De cijfers zullen verschijnen in het (openbare) jaarbericht 2025 van het OM, dat naar verwachting voor het zomerreces aan uw Kamer wordt aangeboden.
Kunt u deze sepotcijfers uitsplitsen naar delictcategorie (bijvoorbeeld: geweld, vermogensdelicten, zedendelicten, cybercriminaliteit/digital crime, drugsdelicten, verkeersdelicten, overige) en daarbij de definities van de gebruikte categorieën vermelden?
Voor de misdrijfzaken zijn deze cijfers verder uit te splitsen. Deze treft u hieronder.4 Door na-ijleffecten en afgeronde aantallen wijkt het eindtotaal licht af van de hierboven gepresenteerde aantallen. Voor de overtredingscijfers vindt geen registratie per delictscategorie plaats, omdat deze voornamelijk verkeersovertredingen en een aantal lichtere delicten betreffen die niet op eenvoudige wijze zijn in te delen in categorieën. De delictscategorieën zijn gebaseerd op de standaardclassificatie misdrijven zoals die wordt gehanteerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek.5
Kunt u de sepotcijfers daarnaast uitsplitsen naar sepotgrond (bijvoorbeeld: technisch sepot, beleidssepot/opportuniteitssepot, onvoldoende bewijs, geringe ernst/geen maatschappelijk belang, capaciteits-/prioriteringsredenen, anders) en aangeven welk deel van de sepots (mede) samenhangt met capaciteits- of prioriteringskeuzes?
Het OM kan op dit moment op basis van 50 verschillende gronden en daaraan gekoppelde sepotcodes overgaan tot niet verdere vervolging. Het beleid voor het seponeren van strafbare feiten heeft het OM neergelegd in de Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden. Er zijn twee categorieën sepotgronden: technische gronden en beleidsgronden. Een technisch sepot volgt als op grond van het opsporingsonderzoek geconcludeerd wordt dat niet kan worden vervolgd of een veroordeling niet haalbaar is, bijvoorbeeld omdat er te weinig bewijs is. Bij een beleidssepot luidt het oordeel van het OM dat een vervolging wel als haalbaar wordt ingeschat, maar niet opportuun is op gronden aan het algemeen belang ontleend.6 Mede naar aanleiding van het recente rapport «Afgezien van vervolging» van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is het College voornemens om het grote aantal sepotgronden terug te brengen naar een beperkt aantal gronden, met als achterliggend doel om de sepotbeslissingen begrijpelijker en duidelijker te maken voor betrokkenen.7
In onderstaande tabellen8 staat in hoeveel procent van de gevallen is gekozen voor een technisch sepot en verschillende vormen van een beleidssepot. Daarmee wordt inzicht verschaft in de factoren die in de praktijk ten grondslag liggen aan het seponeren van strafzaken.
Hoeveel sepots betroffen zaken die waren aangeleverd door de politie met het oordeel «voldoende bewijs» of «verdenking blijft», en wat zijn daarvoor de belangrijkste redenen?
Er vindt geen registratie en/of inzending van zaken plaats door de politie aan het OM met een voorlopig oordeel «voldoende bewijs» of «verdenking blijft». Beoordeling van de zaken vindt plaats door het OM aan de hand van het kader als geschetst onder antwoord op de vragen 3 en 5. Indien een zaak wordt geseponeerd, is deze afgedaan, tenzij de beslissing op grond van nieuwe feiten of omstandigheden moet worden herzien of het gerechtshof een bevel tot vervolging geeft op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering.
Kunt u kwalitatief en kwantitatief uiteenzetten welke factoren in de praktijk ten grondslag liggen aan het seponeren van strafzaken door het OM, bijvoorbeeld capaciteits- en prioriteringskeuzes, kwaliteit en volledigheid van politiedossiers, complexiteit van zaken en bewijslast, beleidsmatige keuzes in het kader van het opportuniteitsbeginsel of overige oorzaken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel zaken zijn in 2023, 2024 en 2025 afgedaan met een strafbeschikking (absoluut en als percentage van het totaal aantal afdoeningen)?
In 2023 heeft het OM 42.300 misdrijven afgedaan met een OM-strafbeschikking. Dit is 22 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM: 195.300. Het OM heeft 47.500 overtredingen afgedaan met een OM-strafbeschikking in 2023. Dit is 29 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM: 166.100.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2023 van het OM.
In 2024 heeft het OM 52.900 misdrijven afgedaan met een OM-strafbeschikking. Dit is 25 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM: 214.500. In 2024 heeft het OM 47.700 overtredingen afgedaan met een OM-strafbeschikking. Dit is 25 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM: 190.300.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2024 van het OM.
De cijfers over 2025 zijn nog niet definitief, waardoor deze hier niet worden vermeld. De cijfers zullen verschijnen in het (openbare) jaarbericht 2025 van het OM, dat naar verwachting voor het zomerreces aan uw Kamer wordt aangeboden.
Kunt u de strafbeschikkingscijfers uitsplitsen naar delictcategorie (zoals genoemd in vraag 2) en ook aangeven welk deel ziet op first offenders en welk deel op recidivisten?
Voor de misdrijfzaken zijn deze cijfers verder uit te splitsen. Deze treft u hieronder.9 Door na-ijleffecten en afgeronde aantallen wijkt het eindtotaal licht af van de hierboven gepresenteerde aantallen. Voor de overtredingscijfers vindt geen registratie per delictscategorie plaats, omdat deze voornamelijk verkeersovertredingen en een aantal lichtere delicten betreffen die niet op eenvoudige wijze zijn in te delen in categorieën. Het is eveneens niet mogelijk om aan te geven welk deel ziet op first offenders en welk deel op recidivisten, nu hiervoor dossieronderzoek nodig is omdat dit niet uit de systemen kan worden gehaald. In het algemeen geldt dat meervoudige recidive (dat wil zegen vanaf de tweede keer recidiveren) binnen vijf jaren ter zake van een misdrijf een contra-indicatie voor het opleggen van een strafbeschikking is op basis van het beleid van het OM.
Kunt u aangeven hoeveel strafbeschikkingen in 2023, 2024 en 2025 zijn betaald/nagekomen binnen de gestelde termijn, bij hoeveel verzet is aangetekend (en met welk resultaat), hoeveel zijn ingetrokken of aangepast, en hoeveel niet ten uitvoer zijn gelegd wegens onvindbaarheid, betalingsonmacht of een andere reden?
Meestal verstuurt en int het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) de strafbeschikkingen die het OM oplegt. In de navolgende tabel staat de huidige status van de oplegde strafbeschikkingen uit 2023 en 2024 volgens de systemen van het OM.
Kunt u toelichten welke factoren bepalend zijn voor de keuze van het OM om strafzaken af te doen via een strafbeschikking in plaats van dagvaarding en kunt u daarbij inzichtelijk maken in hoeverre deze keuze wordt beïnvloed door beschikbare capaciteit binnen het OM en de rechtspraak, beleidsmatige aansturing en standaardisering van afdoeningen, aard en ernst van het delict, doorlooptijden en efficiëntieoverwegingen of andere relevante factoren?
Het OM heeft beleidsregels uitgevaardigd voor het afdoen met een OM-strafbeschikking: de Aanwijzing OM-strafbeschikking uit het jaar 2022. Uit deze beleidsregels volgt dat het uitgangspunt is dat een zaak in beginsel met een strafbeschikking wordt afgedaan wanneer dat wettelijk mogelijk is én de strafzaak zich ervoor leent. Wettelijk gezien is het voor de officier van justitie mogelijk om een strafbeschikking uit te vaardigen voor een overtreding of voor een misdrijf waarop een maximum gevangenisstraf van 6 jaar staat. Of een strafzaak zich voor een strafbeschikking leent, beoordeelt de officier van justitie op grond van alle feiten en omstandigheden, waarbij veel gewicht toekomt aan de ernst van het feit. Zo ligt het meer voor de hand om een strafbeschikking op te leggen in het geval twee volwassenen een rolletje drop stelen bij de supermarkt dan wanneer een professionele inbrekersgroep een woning leegrooft. In beide gevallen is er sprake van diefstal waarop een gevangenisstraf van maximaal 6 jaar staat. Bij de beoordeling of een strafzaak zich leent voor afdoening met een strafbeschikking, slaat de officier van justitie ook acht op de strafvorderingsrichtlijnen van het OM. Deze zijn door het OM opgesteld met het streven naar een landelijk uniform strafvorderingsbeleid. Afdoening door middel van een strafbeschikking ligt in beginsel niet in de rede wanneer op basis van de strafvorderingsrichtlijn het uitgangspunt is dat een gevangenisstraf wordt geëist voor dat delict en er geen feiten en omstandigheden zijn die maken dat van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken. De beleidsregels kennen verder een aantal contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking:
Het OM maakt sinds 2008 gebruik van de strafbeschikking. Hiervoor heeft uw Kamer een wet aangenomen die het OM de bevoegdheid geeft om bij sommige relatief lichtere misdrijven een strafbeschikking op te leggen (op grond van de wet kan de officier van justitie een strafbeschikking uitvaardigen voor overtredingen en misdrijven waar maximaal een gevangenisstraf van 6 jaar op staat). Sinds 1 februari 2025 past het OM op grond van een tijdelijke instructie de strafbeschikking vaker toe bij veelvoorkomende vermogenscriminaliteit, zoals winkeldiefstal en heling. Hiermee wordt de strafrechter verder ontlast en kan rechterlijke capaciteit worden benut voor zwaardere strafzaken. De intensivering heeft tot doel doorlooptijden te verkorten en meer criminaliteit aan te pakken.
Zoals de vorige Staatssecretaris van JenV en mijn ambtsvoorganger hebben toegelicht in een brief 19 december 2025 wacht het OM onder meer de uitkomst van een onderzoek van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad naar de strafbeschikking af, een onderzoek van het WODC naar de strafbeschikking en het debat hierover in uw Kamer alvorens tot een eventuele verdere verruiming van de toepassing van de strafbeschikking wordt besloten.11 Naar verwachting zullen de rapporten van genoemde onderzoeken in de eerste helft van 2026 worden gepubliceerd. Ik zal u hierover informeren.
Zijn er binnen de sepots en strafbeschikkingen de afgelopen tien jaar trends of trendbreuken waar te nemen? En, zo ja, welke zijn dat en wat valt hier aan ten grondslag?
Tot 2019 kon de politie onder mandaat van het OM zelf seponeren (de zogenoemde politiesepot of BOSZ-sepot). Vanaf 2019 is dit beleid gewijzigd, nu seponeert het OM zelf. Vanaf dat jaar is daarom een hoger aantal onvoorwaardelijke sepots door het OM te zien.
Welke verwachtingen heeft het OM voor de komende jaren ten aanzien van het aantal vervolgingen, sepots en strafbeschikkingen?
Het OM wil meer en andere soorten zaken op het gebied van veelvoorkomende criminaliteit binnenhalen om deze meer in lijn te brengen met het criminaliteitsbeeld. In dit kader moet bijvoorbeeld worden gedacht aan meer zaken die zien op gedigitaliseerde criminaliteit. Daarbij streeft het OM ernaar om meer bewijsbare feiten bij het OM te laten binnenstromen, waardoor er minder geseponeerd hoeft te worden. Zoals hiervoor is toegelicht wordt nog bezien of de toepassing van de strafbeschikking wordt verruimd.
Wat heeft het OM concreet nodig om de komende jaren meer strafzaken daadwerkelijk te kunnen vervolgen?
Het OM zet zich optimaal in om zoveel mogelijk criminaliteit aan te kunnen pakken. Tegelijkertijd is de realiteit dat de opsporings- en vervolgingscapaciteit niet oneindig is, wat betekent dat het OM altijd keuzes zal moeten maken in welke zaken het oppakt.
Om het OM te ondersteunen in de onmisbare rol die het vervult in de strafrechtketen, is in het coalitieakkoord neergelegd dat er oplopend tot een bedrag van 50 miljoen euro structureel per jaar voor het OM beschikbaar wordt gesteld voor de ICT-problemen waar het op dit moment mee kampt.
Het bericht ‘Zorg als kabinet dat iedereen die wil werken ook kan werken’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zorg als kabinet dat iedereen die wil werken ook kan werken» uit Trouw van 4 februari 2026?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat mensen zoals de man die in het voorbeeld van het artikel wordt aangehaald zo sterk afhankelijk zijn van hun postcode of ze wel of niet op een goede manier aan het werk kunnen?
Iedereen moet toegang hebben tot passende ondersteuning, ongeacht waar iemand woont. Gemeenten hebben op grond van de Participatiewet de wettelijke taak om mensen te begeleiden naar werk en ondersteuning te bieden die aansluit bij hun behoeften. De wet biedt hiervoor verschillende instrumenten en geeft gemeenten ruimte om, binnen de kaders, eigen keuzes te maken in beleid en uitvoering. Daarbij maken gemeenten, gegeven hun beschikbare middelen, afwegingen over de inzet en prioritering van ondersteuning.
Gemeenten zijn hier dagelijks mee bezig. Begeleiding van bijstandsgerechtigden vindt daarbij plaats binnen de bestaande beschikbare financiële kaders, waarbinnen gemeenten keuzes moeten maken over de omvang en reikwijdte van de dienstverlening die zij bieden. Mensen (die langdurig) in de bijstand zitten, hebben vaak problemen op meerdere levensdomeinen. Ze hebben met name te maken met arbeidsbeperkingen, schulden en gezondheidsproblematiek. Dit blijkt onder meer uit het SCP-onderzoek «Een brede blik op bijstand» (2023). De aanpak hiervan vergt een meer integrale ondersteuning. Dit betekent dat gemeenten, binnen hun financiële kaders, soms scherpe keuzes moeten maken in de inzet van re-integratievoorzieningen. Dit blijkt ook uit een recent onderzoek van Significant dat recent met uw Kamer is gedeeld.2 In de praktijk kan dit ertoe leiden dat gemeenten hun inzet in sommige gevallen richten op mensen met een relatief grotere kans op uitstroom naar werk. Hierdoor kan het voorkomen dat mensen die meer intensieve of langdurige begeleiding nodig hebben minder worden bereikt. De mate waarin dit voorkomt verschilt per gemeente en hangt samen met de beleidsmatige en financiële keuzes die lokaal worden gemaakt. Ook dit beeld komt eveneens naar voren uit diverse onderzoeken.3
Het kabinet vindt het belangrijk dat gemeenten ruimte houden voor maatwerk, maar ook dat ondersteuning in het hele land toegankelijk is voor mensen die daarvan afhankelijk zijn. Daarom is in het coalitieakkoord «Aan de slag» aangekondigd dat het re-integratiebeleid van gemeenten meer wordt geüniformeerd. In de komende periode start het kabinet, in nauwe samenwerking met gemeenten, UWV, werkgevers en andere betrokken partijen, een verkenning naar hoe deze uniformering het best kan worden vormgegeven.
Deelt u de mening van de heer el Mokaddem dat mensen zijn overgeleverd aan «de grillen van de lokale politiek» omdat geld voor re-integratie en beschut werk niet is geoormerkt?
Nee, deze mening deel ik niet.
De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Participatiewet is bewust bij gemeenten belegd. Het doel daarvan is om ondersteuning dicht bij inwoners te organiseren en beter aan te laten sluiten bij lokale behoeften. Daarbij is een belangrijk uitgangspunt dat gemeenten taken in het sociaal domein integraal kunnen aansturen en uitvoeren, waardoor ondersteuning effectiever en samenhangender kan worden geboden.
De huidige taakverdeling tussen het Rijk en gemeenten is gebaseerd op het principe dat het Rijk verantwoordelijk is voor het «wat» en gemeenten voor het «hoe». Het Rijk stelt de wettelijke en financiële kaders en is verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Gemeenten hebben binnen die kaders beleidsruimte om invulling te geven aan de uitvoering. Het is aan colleges van burgemeester en wethouders om te beoordelen welke ondersteuning of voorziening passend is om iemand naar werk te begeleiden. Gemeenteraden stellen de kaders voor het lokale beleid en controleren de uitvoering. In lijn met de staatsrechtelijke verhoudingen leggen colleges verantwoording af aan de gemeenteraad en niet rechtstreeks aan het Rijk.
Dit lokale proces biedt waarborgen voor een zorgvuldige beleidsvorming en uitvoering. Gemeenten geven hier in de praktijk serieus invulling aan. Dit beeld wordt door verschillende onderzoeken onderstreept.
In de praktijk zien we ook dat gemeenten hun re-integratietaken over het algemeen adequaat uitvoeren. Zo wordt de doelstelling voor beschut werk naar verwachting in 2025 gerealiseerd en neemt het aantal banen met loonkostensubsidie gestaag toe. Daarnaast zetten gemeenten belangrijke stappen in het versterken van de sociale infrastructuur, zodat er meer baankansen ontstaan voor mensen voor wie betaald werk niet vanzelfsprekend is.
Wat heeft u, of uw voorganger, de afgelopen twee jaar gedaan om ervoor te zorgen dat gemeenten die geld dat is bedoeld voor re-integratie en beschut werk hiervoor niet gebruiken dit wel gaan doen?
De middelen voor re-integratie maken onderdeel uit van het gemeentefonds. Het is aan de gemeenteraad om erop toe te zien dat de middelen op een effectieve en efficiënte manier worden ingezet.
Ik deel niet het beeld dat gemeenten de middelen die bedoeld zijn voor ondersteuning van mensen naar (beschut) werk, daar niet voor gebruiken. Dit bleek onlangs uit het rapport «Re-integratiedienstverlening door gemeenten» van Significant, dat met de Kamerbrief monitoring Participatiewet 2025 met uw Kamer is gedeeld.4 Hieruit bleek dat gemeenten veel inzetten op re-integratie en dat de uitgaven van gemeenten op dit gebied de laatste jaren substantieel zijn gegroeid.
Heeft u eerder signalen van MKB-Nederland en VNO-NCW gekregen dat zij ook willen dat de regelingen om mensen aan het werk te helpen meer gelijk worden getrokken? Zo ja, wat heeft u met die signalen gedaan? Zo nee, hoe komt het dat u deze signalen niet op uw radar heeft?
Ja, het kabinet herkent deze signalen. Al in 2018 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede naar aanleiding van dergelijke signalen, een Breed Offensief gepresenteerd5 met voorstellen om wet- en regelgeving en de uitvoering te verbeteren. De laatste wettelijke maatregelen zijn op 1 juli 2023 in werking getreden. Ook heeft uw Kamer de invoeringstoets van het Breed Offensief en het onderzoek naar de invulling van de aangescherpte verordeningsplicht voor gemeenten ontvangen. Hieruit blijkt dat maatregelen uit het Breed Offensief hebben bijgedragen aan meer uniformiteit in de uitvoering. Tegelijkertijd blijven onderliggende verschillen zichtbaar, doordat gemeenten binnen de wettelijke kaders eigen keuzes kunnen maken.
Recenter heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de inzet om belemmeringen weg te nemen die werkgevers ervaren bij het in dienst nemen en behouden van mensen met een ondersteuningsvraag, waaronder verschillen tussen gemeenten in de inzet van instrumenten. Dit is onder meer gedaan in de Voortgangsbrief sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk6 en in de beantwoording van Kamervragen van het lid De Kort (VVD).7
Het kabinet wil de knelpunten verder aanpakken en zet daarom de volgende stappen.
Met deze inzet wil het kabinet bijdragen aan een toegankelijker en effectiever stelsel, waarin mensen passende ondersteuning krijgen en werkgevers beter worden ondersteund om mensen met een ondersteuningsvraag in dienst te nemen.
Bent u het ermee eens dat je postcode niet mag bepalen welke zorg je krijgt of dat je wel of niet de juiste hulp krijgt bij het vinden of behouden van een baan? Zo ja, hoe rijmt u dat met de plannen die nu worden voorgesteld in het regeerakkoord? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt dat iedereen moet kunnen rekenen op passende en toegankelijke ondersteuning, ongeacht zijn of haar postcode. Tegelijkertijd is het belangrijk dat gemeenten ruimte houden om maatwerk te bieden, omdat de situatie van mensen en de lokale arbeidsmarkt kunnen verschillen en passende ondersteuning vraagt om maatwerk.
Zoals in het antwoord op vragen twee en vijf toegelicht, is in het coalitieakkoord «Aan de slag» het streven aangekondigd om het re-integratiebeleid van gemeenten meer te uniformeren. Het kabinet start de komende periode, in samenwerking met betrokken partijen, een verkenning naar hoe deze uniformering het best vorm kan krijgen.
Welke aanpassingen in landelijke wetgeving zouden er moeten komen om ervoor te zorgen dat gemeentelijke regelingen gelijk kunnen worden getrokken en geld dat bedoeld is om mensen aan het werk te helpen daadwerkelijk bij dat doel terechtkomt? Kunt u dit als lijst opsommen?
Vanuit verschillende trajecten wordt er gewerkt aan verbeteringen in landelijke wetgeving die ervoor moet zorgen dat er meer mensen aan het werk kunnen worden geholpen. Enkele hiervan zijn in de fase van verkenning en/of uitwerking, waarbij er wordt onderzocht welke aanpassingen het meest wenselijk en effectief zijn. Dit zijn onder meer:
Daarnaast wordt ingezet op een toekomstbestendige inrichting van sociaal ontwikkelbedrijven, zodat mensen voor wie werk niet vanzelfsprekend is, kunnen blijven rekenen op passend werk. Ook wordt de verbeteragenda beschut werk uitgevoerd. Onderdeel hiervan is een nieuw verdeelmodel voor een evenwichtigere verdeling van beschutte werkplekken en middelen over gemeenten.
Verder is in 2025 besloten de loonwaardemeting voor beschut werk te vervangen door een vaste, forfaitaire loonkostensubsidie van 68%. Door deze uniformering weten werkgevers (vooral sociaal ontwikkelbedrijven) waar ze aan toe zijn, verminderen we de administratieve lasten en voorkomen we onzekerheid bij werknemers over hun loonwaarde. Hiervoor wordt op dit moment een wetsvoorstel voorbereid. Ook worden op dit moment voorstellen uitgewerkt om het proces rondom beschut werk verder te versimpelen en te verbeteren.
Daarnaast wordt, zoals toegelicht in de antwoorden op vragen twee, vijf en zes in de komende periode verkend hoe het voornemen uit het coalitieakkoord om te komen tot verdere uniformering van het re-integratiebeleid van gemeenten het best kan worden vormgegeven.
Hoe kijkt het kabinet naar het onderzoek van Berenschot dat stelt dat een investering in loonkostensubsidie mogelijk 40.000 werknemers oplevert?2
Het rapport van Berenschot laat opnieuw zien dat de doelgroep waar het hier om gaat vaak intensieve ondersteuning nodig heeft om de stap naar werk te kunnen maken. Gemeenten zetten zich hier al jaren stevig voor in, en de re-integratie en matching van deze groep is complex en vraagt meer dan alleen financiële instrumenten zoals loonkostensubsidies. Het is daarom te kort door de bocht om te concluderen dat het beschikbaar stellen van extra middelen voor loonkostensubsidies op zichzelf zou leiden tot een uitstroom van 40.000 extra mensen.
Dat neemt niet weg dat investeren in mensen loont. Uit tal van onderzoeken blijkt dat wanneer mensen met een ondersteuningsbehoefte duurzaam aan het werk komen, dit zowel maatschappelijk als financieel voordelen oplevert. Het rapport van Berenschot onderstreept dit bredere beeld, en daarom is het waardevol dat Cedris en Divosa dit onderzoek hebben laten uitvoeren. Het laat zien dat wanneer meer mensen uitstromen naar werk, met inzet van verschillende vormen van ondersteuning, dit per saldo geld kan opleveren. Dit bevestigt het belang van een integrale aanpak om mensen met een ondersteuningsbehoefte naar werk te begeleiden.
Hoe kijkt het kabinet naar het plan «recht op werk» van de FNV?3
In de «Voortgangsbrief sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk»10 heeft mijn voorganger naar aanleiding van een motie van het lid Van Kent c.s.11 een uitgebreide appreciatie van het plan «recht op werk» naar uw Kamer gestuurd. Het kabinet sluit zich bij deze appreciatie aan.
De voorstellen van de FNV raken aan reële knelpunten in de ondersteuning naar werk. De invoering van een wettelijk recht op werk, zoals voorgesteld, is echter niet uitvoerbaar binnen de bestaande budgettaire kaders. De kern en richting van het voorstel neem ik mee in het vervolg van het traject Participatiewet in balans en bij de uitwerking van de nieuwe banenafspraak.
Bent u bereid deze plannen als basis te gebruiken om mensen die aan het werk willen aan het werk te helpen?
Zoals in het antwoord op vraag negen vermeld, raken de voorstellen van de FNV aan belangrijke en herkenbare knelpunten in de ondersteuning naar werk. Het kabinet deelt de ambitie om meer mensen die willen en kunnen werken daadwerkelijk aan het werk te helpen. Zo is in het coalitieakkoord afgesproken dat de Participatiewet wordt hervormd met inzet op intensieve begeleiding, investeringen in sterke gemeenschappen en een betere samenwerking met gemeenten en (sociale) werkgevers. Tegelijkertijd is de invoering van een wettelijk recht op werk, zoals voorgesteld, op dit moment niet uitvoerbaar binnen de bestaande budgettaire kaders.
De richting en uitgangspunten van de voorstellen worden betrokken bij het vervolg van het traject Participatiewet in balans en bij de verdere uitwerking van de nieuwe banenafspraak. Hierbij wordt bezien welke elementen kunnen bijdragen aan betere ondersteuning en meer kansen op werk voor mensen voor wie het hebben van werk niet vanzelfsprekend is. In de uitwerking hiervan werken we nauw samen met onder andere gemeenten, UWV en sociale partners.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De Arbeidstijdenwet en opschaling van de krijgsmacht |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Defensie bij realistische, meerdaagse en geïntegreerde oefeningen gebruikmaakt van externe opleiders die werkzaamheden verrichten die inhoudelijk gelijk zijn aan die van defensiepersoneel, onder militair gezag plaatsvinden en direct samenhangen met de operationele gereedheid van eenheden?
Defensie maakt bij opleidingen en oefeningen gebruik van externe opleidingscapaciteit van civiele partijen. Deze opleiders verrichten hun werkzaamheden op basis van civielrechtelijke overeenkomsten met hun werkgever. Zij vallen niet onder militair gezag en zijn geen defensiepersoneel.
In hoeverre herkent u dat de onverkorte toepassing van de Arbeidstijdenwet in deze situaties kan botsen met realisme, veiligheid en continuïteit van de opleiding?
Defensie onderkent dat bij intensieve en meerdaagse opleidingen spanning kan ontstaan tussen de gewenste opleidingsrealiteit en de kaders van de Arbeidstijdenwet. Bij de inzet van externe opleiders berust de formele verantwoordelijkheid voor naleving van deze wet bij de betreffende werkgever. Defensie heeft een zorgplicht en moet erop toezien dat de ingehuurde medewerkers niet in strijd met toepasselijke wet- en regelgeving werkzaam zijn. Defensie maakt hierover vooraf duidelijke afspraken met de civiele werkgever en richt opdrachten zodanig in dat zowel operationele doelstellingen als geldende arbeidswetgeving worden gerespecteerd.
Welke ruimte biedt artikel 2:4 van de Arbeidstijdenwet ruimte om de wet geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te verklaren wanneer toepassing de uitvoering van wettelijke taken belemmert?
Artikel 2:4 van de Arbeidstijdenwet biedt de mogelijkheid om, onder voorwaarden, bepalingen uit de wet geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te verklaren voor defensiepersoneel, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van wettelijke taken van Defensie.
Hoe wordt deze bepaling momenteel toegepast ten aanzien van externe opleiders die in een militair-operationele context functioneren?
Deze bepaling is uitsluitend van toepassing op defensiepersoneel en wordt niet toegepast op extern ingehuurde opleiders. Voor deze laatste groep medewerkers blijft het civiele arbeidsrechtelijk kader, waaronder de Arbeidstijdenwet, volledig van kracht.
Bent u bereid om te verkennen of een strikt afgebakende ministeriële regeling op grond van artikel 2:4 ATW mogelijk en wenselijk is, die uitsluitend ziet op aangewezen opleidingssituaties en externe opleiders daarin tijdelijk functioneel gelijkstelt aan defensiepersoneel, met passende waarborgen voor arbeidsomstandigheden, veiligheid en herstel? Zo ja, kunt u de Kamer over de uitkomsten van deze verkenning zo snel mogelijk informeren? Zo nee, waarom niet?
Het ligt in de rede dat uitzonderingsbepalingen binnen de Arbeidstijdenwet terughoudend worden toegepast en enkel van toepassing zijn op defensiepersoneel dat onder militair gezag valt. Voor extern ingehuurde opleiders geldt immers het civiele arbeidsrechtelijk kader. Wel herkennen we het vraagstuk. Daarom ben ik bereid met SZW hierover in gesprek te gaan. Ik zal uw Kamer over de uitkomsten informeren.
Mensonterend en vernederend optreden door beveiligingspersoneel in AZC Budel |
|
Ismail El Abassi (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht en deelt u de opvatting dat dit gedrag vernederend, mensonterend en volstrekt onacceptabel is, ongeacht het moment waarop het heeft plaatsgevonden?1
Ik ben bekend met dit incident. Dit is onacceptabel en ik ben het eens met vragenstellers dat dit vernederend is.
Welke concrete sancties zijn destijds opgelegd aan de betrokken beveiligingsmedewerker naar aanleiding van dit incident, en kunt u bevestigen of sprake is geweest van ontslag, melding bij de werkgever, aangifte of andere disciplinaire maatregelen?
Na dit incident in 2023 zijn er direct gesprekken met de werkgever gevoerd en zijn de betrokken beveiligingsbeambten niet meer op COA-locaties ingezet. De werkgever heeft een intern onderzoek ingesteld en passende maatregelen genomen. Door het COA zijn in overeenstemming met het landelijke beveiligingsbedrijf de werkinstructies en protocollen die gelden voor de beveiligers van alle COA-locaties aangescherpt.
Deelt u de zorg dat het feit dat deze beelden pas jaren later publiek worden, erop wijst dat vluchtelingen zich mogelijk niet veilig voelen om misstanden te melden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat het wangedrag in deze video onderdeel is van een breder probleem. Vluchtelingen die te maken hebben met misstanden worden door het COA herhaaldelijk geattendeerd om hier altijd melding van te maken. Naar de ervaren veiligheid van COA-bewoners wordt expliciet gevraagd in de periodieke meting van het COA. Daarin wordt ook gevraagd bij wie bewoners zich melden als ze zich onprettig of onveilig voelen.
Welke verantwoordelijkheid draagt u voor het toezicht op beveiligingsbedrijven die werkzaam zijn in locaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en acht u dit toezicht momenteel voldoende om machtsmisbruik en intimidatie te voorkomen?
Een beveiligingsorganisatie heeft zich te houden aan de kaders van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (Wpbr) en de daarbij behorende regeling en beleidsregels. Het is voor een beveiligingsorganisatie verboden te handelen in strijd met de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak. Ook het voorkomen van machtsmisbruik en intimidatie is hier onderdeel van. De korpschef van de politie is verantwoordelijk voor het toezicht op beveiligingsbedrijven. Beveiligingsorganisaties mogen enkel personen te werk stellen na dat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Aan de afgifte van een toestemming gaat een screening vooraf. Op grond van artikel 7 lid 5 Wpbr kan een toestemming worden introkken indien zich feiten of omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming zou zijn afgewezen. In het geval van een beveiliger worden ook opleidingseisen getoetst en volgt na aanvraag de afgifte van een legitimatiebewijs (grijze pas).
Hoeveel meldingen van grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag door beveiligingspersoneel in asielzoekerscentra (azc’s) zijn in de afgelopen vijf jaar bekend bij het COA of bij u en welke structurele lessen zijn hieruit getrokken?
Vastgesteld grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag van eigen personeel of dat van de gecontracteerde beveiligingspartner kan een grondslag bieden voor ontslag op staande voet van de betrokken medewerker. Indien de betreffende medewerker personeel van een inleenpartij betreft biedt het aanleiding om de samenwerking met deze medewerker te beëindigen. In de afgelopen vijf jaar is dit tweemaal voorgekomen. Uit de evaluatie van deze situaties zijn aanvullende maatregelen voortgekomen om medewerkers bewuster te maken van situaties en gedrag en is een meldpunt ingesteld om (anoniem) melding te maken van herkende situaties. De casus in kwestie was de aanleiding om het beveiligingsplan op de locatie Budel aan te verbeteren.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat vluchtelingen die bescherming zoeken in Nederland worden blootgesteld aan machtsmisbruik, vernedering of racistische bejegening door personeel dat juist hun veiligheid zou moeten waarborgen?
Het is van belang dat beveiligingspersoneel zich, net zoals COA-medewerkers bewust is van ongepast gedrag en zich naar elkaar uitspreken. Adequate voorlichting is daarvoor essentieel. Het COA geeft diverse verplichte trainingen voordat werkzaamheden op opvanglocaties mogen worden uitgevoerd. Al het ingezette personeel dient te handelen conform de COA-huisregels en gedragscode. Daarin wordt expliciet vermeld welke houding er wordt verwacht in relatie tot de bewoners. Alle ingezette beveiligers zijn gescreend en in bezit van een grijze pas.
Voorafgaand aan de afgifte van een grijze pas vindt een screening plaats door de korpschef. Pas na een succesvolle uitkomst hiervan mag een beveiliger door een beveiligingsorganisatie tewerkgesteld worden. De grijze pas kan ingetrokken worden als nieuwe feiten of omstandigheden zich voordoen waarmee de toestemming in eerste instantie zou zijn afgewezen. Daarom raad ik bij sprake van incidenten met een beveiliger altijd aan om een klacht in te dienen bij de beveiligingsorganisatie en melding of aangifte te doen bij de politie. Bij vermoedens van een misdrijf dient altijd aangifte gedaan te worden zodat strafrechtelijk onderzoek kan plaatsvinden. Ook voor een breder ingrijpen door de korpschef als toezichthouder is dit van belang om een duidelijk beeld te krijgen van een eventuele systematiek.
Bent u bereid om te onderzoeken of de opleiding, screening en begeleiding van beveiligingspersoneel in azc’s aangescherpt moet worden, en zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Plotseling sluit zorgvilla van Fenna (2), kosten te hoog en problemen met bezetting’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Plotseling sluit zorgvilla van Fenna (2), kosten te hoog en problemen met bezetting»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoeveel kinderen zijn de dupe van de onverwachte sluiting van de zorgvilla’s van ExpertCare?
Volgens de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) bieden de vier locaties van Villa Expertcare zorg aan 70 kinderen.
ExpertCare geeft aan dat de sluiting komt door onvoldoende kostendekking vanuit de zorgverzekeraars en problemen met personeelsbezetting. Wat bent u voornemens daaraan te gaan doen? Waarom zijn de tarieven niet kostendekkend?
ExpertCare is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. ExpertCare heeft aangegeven dat de zorgvilla’s langer open blijven als voor 31 maart 2026 niet voor alle kinderen een passende plek is gevonden. Zorgverzekeraars hebben een wettelijke zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat ook in het geval van een dreigende sluiting van een zorgaanbieder hun verzekerden de zorg (blijven) ontvangen die ze nodig hebben. De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars en houdt mij intensief op de hoogte van de relevante ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn.
Wat betreft de tarieven voor aanbieders van medische kindzorg heeft de NZa mij laten weten dat zij reeds een kostprijsonderzoek is gestart naar de prestaties dagopvang en verblijf voor medische kindzorg en de daarbij behorende tarieven. Vertrekpunt van het onderzoek is de NZa-beleidsregel «Verpleegkundige dagopvang en verblijf bij medische kindzorg»2. Hierover is de NZa al langere tijd in gesprek met de sector. Het onderzoek vindt plaats over de jaren 2024 en 2025 om de maximum tarieven, indien nodig, te herijken voor het jaar 2028. De NZa is voornemens om voor de prestatie verblijf de normatieve huisvestingscomponent met terugwerkende kracht te actualiseren per 1 januari 2026.
Bent u in contact met ExpertCare en de getroffen ouders om hen bij te staan in de zoektocht naar een nieuwe plek voor de kinderen?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er nog meer medische kindzorg locaties bekend waar sluiting dreigt? Zo ja, hoeveel?
Het is mij niet bekend dat bij andere locaties voor medische kindzorg sluiting dreigt. Ook bij de NZa zijn op dit moment geen signalen bekend van voorgenomen sluitingen van andere aanbieders van medische kindzorg.
Bent u bereid om met de betrokken partijen om tafel te gaan om te voorkomen dat er meer van dit soort sluitingen plaatsvinden en kinderen en hun ouders de dupe worden? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zie ik geen aanleiding om zelf het initiatief te nemen voor aanvullend overleg. Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering en een zorgvuldige zorgoverdracht van cliënten. Van hen wordt verwacht dat ze tijdig maatregelen nemen om eventuele financiële problemen te voorkomen en, wanneer dit niet lukt, met betrokken stakeholders in overleg te gaan over een oplossing. Zorgverzekeraars en de branchevereniging integrale kindzorg (Binkz) zijn reeds in overleg met elkaar. Daarbij is gesproken over de toegankelijkheid van medische kindzorg op korte, middellange en lange termijn. De NZa houdt mij op de hoogte van de ontwikkelingen. Als de betrokken partijen er niet in slagen om tot passende oplossingen te komen, dan kan regie vanuit het Ministerie van VWS nodig zijn. VWS zal partijen dan aan tafel roepen, aanspreken op hun verantwoordelijkheden en hen oproepen zich maximaal in te spannen om de continuïteit van zorg voor de cliënten te waarborgen.
Het bericht 'Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: ‘Geen direct ontslag’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: «Geen direct ontslag»»?1
Ja.
Klopt het dat Defensie overweegt het drugsbeleid te versoepelen?
Het Defensiebeleid ten aanzien van het gebruik van en handel in drugs stamt uit 1997 en betreft in de kern een zerotolerance beleid. De norm daarbij is helder: Defensie en drugs gaan niet samen. Het gebruik of in bezit hebben van drugs, om welke reden dan ook, door militairen wordt niet getolereerd.
De enige uitzondering die is geformuleerd, betreft het eenmalig gebruik van softdrugs door een militair in privétijd. In dat soort gevallen wordt volstaan met een waarschuwing.
Het drugsbeleid binnen Defensie is in het bijzonder gericht op sanctionering indien sprake is van een overtreding van het beleid en biedt weinig ruimte om in individuele gevallen af te kunnen wijken. Defensie vindt het belangrijk dit beleid te onderzoeken om te bepalen of er aanpassingen nodig zijn. Daarbij hebben we oog voor preventie, het bespreekbaar maken van de problematiek en de wijze waarop wordt gesanctioneerd.
Wat is de exacte motivatie om dat te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de in het artikel genoemde overweging van Defensie om het beleid rondom drugsgebruik door militairen tegen het licht te houden omdat de «opvattingen over drugsgebruik aan het verschuiven zijn»?
De overgrote meerderheid van de Nederlanders gebruikt geen drugs. De Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie & Sport schreven in de brief over het drugsbeleid uit mei 2025 (Kamerstuk 24 077, nr. 556) dat de nadruk van het Nederlandse drugsbeleid ligt op het voorkomen en beperken van drugsgebruik. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft in lijn met het landelijk beleid dat gevoerd wordt op drugs. In aansluiting daarop wil ik de normen van het Defensie drugsbeleid niet loslaten, maar aanvullend meer aandacht vragen voor bewustwording, voorlichting en preventie. Ook onderzoek ik mogelijkheden om Defensie in staat te stellen om op een meer op de persoonlijke omstandigheden gerichte wijze uitvoering te geven aan het bestaande drugsbeleid. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft gebaseerd op de operationele taakuitvoering waarbinnen geen ruimte is voor drugsgebruik of de effecten daarvan.
Hoe verhoudt deze overweging zich tot het kabinetsbeleid, dat gericht is op voorkomen en denormaliseren van (hard)drugsgebruik?
Het kabinetsbeleid blijft gericht op het voorkomen van drugsgebruik. Het gebruik van drugs past niet in een normale, gezonde leefstijl en draagt bij aan de instandhouding van een criminele industrie. Deze uitgangspunten gelden zeker voor defensiepersoneel mede gezien de taakstelling. Zoals ik stel in de beantwoording van bovenstaande vragen, wordt het gebruik of in bezit hebben van drugs door militairen niet getolereerd. Defensie neemt initiatieven die moeten leiden tot meer bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de inzetbaarheid van militairen.
Hoe vaak leidde drugsgebruik bij Defensie in de afgelopen jaren tot ontslag?
In de afgelopen vijf jaar is jaarlijks aan tussen de 45 en de 65 militairen ontslag verleend onder toepassing van het drugsbeleid.
Hoe waarborgt u dat de operationele gereedheid en veiligheid van militairen niet in het geding komen bij een eventuele versoepeling van het zero-tolerance drugsbeleid?
Een direct en onvoorwaardelijk inzetbare krijgsmacht vraagt om een scherp drugsbeleid, gelet op de negatieve effecten die drugs hebben op de inzetbaarheid. Ook vanuit een oogpunt van veiligheid van het personeel is het ontoelaatbaar dat militairen drugs gebruiken, mede gelet op de lange tijd dat de werkzame stoffen actief zijn in het lichaam. Om meer in te zetten op preventie, voorlichting en bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de gezondheid en inzetbaarheid, is er een programma met preventiemaatregelen ontwikkeld. Dit wordt in 2026 stapsgewijs uitgerold binnen de organisatie.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over drugsbeleid van de commissie Justitie en Veiligheid op 26 februari 2026?
Vanwege de interdepartementale afstemming was er helaas meer tijd benodigd voor de beantwoording van de vragen.
Het bericht 'Israël: Artsen zonder Grenzen moet 28 februari uit Gaza weg zijn' |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Artsen zonder Grenzen Gaza moet verlaten, omdat Israël nieuwe eisen stelt aan humanitaire organisaties, waaronder het aanleveren van persoonsgegevens van medewerkers?1
Ja.
Bent u het eens dat het vertrek van Artsen zonder Grenzen uit Gaza desastreuze gevolgen kan hebben voor de medische situatie in de Gazastrook, gezien het feit dat de organisatie een aanzienlijk deel van de medische zorg, geboortezorg en de levering van schoon drinkwater verzorgt in een reeds zwaar getroffen gezondheidsstelsel?
Het kabinet maakt zich zorgen over het besluit van Israël om verschillende internationale ngo’s te weren. Professionele hulporganisaties, waaronder internationale ngo’s, de Rode Kruis- en Rode Halve Maanbeweging en de VN-agentschappen, leveren cruciale humanitaire hulp in de Gazastrook. Artsen zonder Grenzen speelt bijvoorbeeld evident een belangrijke rol in de humanitaire en medische respons in Gaza. Het kabinet steunt deze organisaties volledig.
Heeft u, gezien het doelgericht aanvallen van hulpverleners in eerdere fasen van deze oorlog, begrip voor het besluit van Artsen zonder Grenzen om persoonsgegevens van lokale staf niet te delen met Israëlische autoriteiten, en acht u dit besluit gerechtvaardigd? Zo nee, waarom niet?
We hebben begrip voor het besluit van Artsen zonder Grenzen om de gegevens niet te delen. Het verzoek van Israël aan de internationale ngo’s om ook persoonsgegevens van stafleden en hun families te delen strookt volgens de Nederlandse Autoriteit Persoonsgegevens hoogstwaarschijnlijk niet met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
Erkent u dat deze arbitraire vereisten van Israël bijdragen aan verdere ontwrichting van de al ernstig afgeknepen humanitaire hulpverlening in Gaza? Zo nee, waarom niet?
Hulporganisaties hebben te maken met aanhoudende belemmeringen, naast de Israëlische herregistratieplicht, waaronder de beperkte opening van grensovergangen en de restricties voor de invoer van goederen die Israël als dual use ziet, waaronder onderdakmaterialen en bepaalde medische apparatuur. Nederland neemt Israëlische veiligheidszorgen serieus maar ziet het besluit om internationale ngo’s de toegang te ontzeggen niet als de juiste weg voorwaarts. Israël heeft daarbij de verplichting om, conform het humanitair oorlogsrecht, de bevolking in de gehele Gazastrook te voorzien van essentiële goederen en de levering van deze goederen door derden niet te belemmeren.
Het Israëlische constitutionele hof deed op 27 februari jl. een voorlopige uitspraak in de zaak die was aangespannen door 17 van de getroffen internationale ngo’s. Het hof heeft besloten dat de 17 petitiepartijen niet mogen worden geweigerd uit de Palestijnse Gebieden tot het hof hier een definitieve uitspraak over heeft gedaan. De voorlopige voorziening heeft echter geen impact op reeds bestaande beperkingen voor hulporganisaties. Daarmee neemt het de zorgen over deze kwestie – en over humanitaire toegang tot de Palestijnse gebieden in den brede – niet weg.
Heeft u deze arbitraire vereisten en de gevolgen daarvan al bij uw Israëlische collega’s bekritiseerd? Zo ja, wat was hun reactie en welke concrete toezeggingen zijn daarbij gedaan? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft de zorgen over de herregistratieplicht afgelopen maanden veelvuldig en op alle niveaus bij de Israëlische autoriteiten aangekaart.
Zo nam voormalig Minister van Buitenlandse Zaken Van Weel op 31 december jl. telefonisch contact op met zijn Israëlische collega toen bekend werd dat Israël had besloten om 37 internationale ngo’s de toegang te ontzeggen. Voormalig Minister-President Schoof riep de Israëlische president Herzog medio februari op de herregistratiewet niet te implementeren. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft de kwestie bovendien aangekaart bij de Israëlische Minister van Buitenlandse Zaken Sa’ar op 25 februari jl.
Bent u bereid om in EU-verband en andere internationale fora te pleiten voor aanvullende diplomatieke druk om deze maatregelen ongedaan te maken en humanitaire toegang tot Gaza te herstellen? Zo ja, wanneer en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Nederland blijft zich in EU- en multilateraal verband inzetten voor vrije, veilige humanitaire toegang in de Palestijnse Gebieden, zoals ook is gebeurd tijdens de Europese Raad van december vorig jaar. Tevens heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari jl. zorgen uitgesproken over de implementatie van de ngo-registratiewetgeving en opgeroepen tot een gecoördineerd EU-optreden.
Welke concrete diplomatieke actie onderneemt de regering richting Israël om humanitaire toegang voor Nederlandse hulporganisaties te herstellen en om blijvende druk uit te oefenen ten behoeve van de algemene humanitaire voorzieningen in Gaza?
Nederland benadrukt richting Israël dat het de VN, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s veilige, ongehinderde toegang moet verschaffen tot de bezette Palestijnse Gebieden en dringt erop aan dat Israël de herregistratieplicht, in de vorm die door Israël nu wordt beoogd, van tafel haalt. Het kabinet zal zich hiervoor blijven inspannen. Daarbij onderstreept Nederland dat door de maatregelen ook vertrouwde, onafhankelijke en professionele partners van Nederland worden geraakt. Het kabinet steunt het werk van de Nederlandse ngo’s onvoorwaardelijk. Het kabinet verzoekt de Israëlische autoriteiten om het gesprek met de betreffende hulporganisaties aan te gaan. Nederland onderhoudt voorts nauw contact met partnerorganisaties en met gelijkgestemde landen over mogelijke handelingsopties. Zo sprak de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 24 februari jl. met directeuren van diverse Nederlandse hulporganisaties op het kantoor van UNICEF NL over de herregistratieplicht.