Het bericht dat de grootste dronebouwer van Oekraïne niet naar Nederland komt vanwege te veel bureaucratie |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het dat het Oekraïense bedrijf Fire Point, dat volgens het item van Nieuwsuur interesse had om delen van de productie naar Nederland te brengen, daar nu van afziet omdat de bureaucratie in Nederland te zwaar en te traag zou zijn?1
We herkennen het geschetste beeld in het artikel van Nieuwsuur niet. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke productie in Nederland. Na de publicatie van het betreffende artikel van Nieuwsuur heeft Defensie Fire Point uitgenodigd voor een gesprek. Hier is tot op heden geen gehoor aan gegeven.
Herkent u het beeld dat het in Nederland in sommige gevallen anderhalf jaar kan duren voordat een defensiebedrijf een productielijn mag opzetten? Zo ja, welke vergunningen, procedures en toetsingen zijn daarbij in de praktijk meestal de oorzaak van de vertraging?
Het kan per project verschillen of een vergunning nodig is voor militaire productie en zo ja, hoe lang een procedure duurt. Dit is onder andere afhankelijk van de locatie en de complexiteit van het project. Zeker als er gevaarlijke stoffen, milieubelastende behandelingen en/of de assemblage van munitie worden voorzien zijn de vergunningprocedures in Nederland complexer. Daarom staat Defensie in goed overleg met decentrale overheden om te onderzoeken hoe militaire productie zo snel mogelijk van start kan gaan, bijvoorbeeld via een eventuele gedoogconstructie. Uiteindelijk is het aan decentrale overheden als bevoegd gezag om hierover te besluiten.
Klopt het dat de Oekraïense droneproducent Fire Point heeft afgezien van vestiging in Nederland vanwege complexe regelgeving en langdurige vergunningstrajecten?
Nee. We herkennen het geschetste beeld in het artikel van Nieuwsuur niet. Er hebben geen gesprekken plaatsgevonden met de betreffende producent over mogelijke vestiging in Nederland. Na de publicatie van het betreffende artikel van Nieuwsuur heeft Defensie Fire Point uitgenodigd voor een gesprek. Hier is tot op heden geen gehoor aan gegeven.
Beschouwt u het niet doorgaan van deze vestiging als een gemiste kans voor de Nederlandse defensiecapaciteit, de ontwikkeling van de defensie-industrie en het opdoen van kennis en expertise op het gebied van drone-innovatie?
Deelt u de analyse dat de snelheid van innovatie cruciaal is, gezien het feit dat militaire technologie in Oekraïne zich binnen maanden ontwikkelt en al heel snel veroudert? Zo ja, hoe wordt het inkoopproces van Defensie erop ingericht om innovatie te stimuleren en belonen?
De oorlog in Oekraïne heeft geleid tot een ongekende stroomversnelling in militaire innovatie. Deze ervaringen zijn van onschatbare waarde om mee te nemen in de versterking van de Nederlandse krijgsmacht, waaronder op het gebied van innovatie. Defensie trekt hier dan ook belangrijke lessen uit. Tegelijkertijd is het van belang om te waken voor een te eenzijdige focus op Oekraïne, aangezien de specifieke kenmerken van deze oorlog niet zonder meer representatief zijn voor andere toekomstige militaire conflicten.
Het belang van innovatie voor de slagkracht van onze krijgsmacht is één van de kernideeën achter de D-SII, waarin meerdere maatregelen worden aangekondigd om het proces van innovatie voor Defensie te versnellen.2 Defensie zet daarbij in op nieuwe vormen van samenwerking met kennisinstellingen, zoals TNO, NLR en Marin, om de nieuwste kennis sneller naar een hoger Technology Readiness Level te brengen, onder meer via constructies zoals scientists on the job. Daarnaast worden nieuwe financieringsinstrumenten gerealiseerd, zoals het SecFund, en wordt private financiering gemobiliseerd om innovatieve bedrijven te stimuleren.
Ook maken we werk van een steeds meer innovatiegericht inkoopproces via het SDIR kader, waarbij ruimte is voor experimenten en het opschalen van bewezen innovaties.3 Verder wordt gewerkt aan een nauwere samenwerking met Oekraïne op het gebied van kennisopbouw en -uitwisseling. Tot slot zal de oprichting van een defensie innovatie autoriteit bijdragen aan het versneld opschalen en implementeren van succesvolle innovaties binnen de krijgsmacht.
Welke concrete stappen zet het kabinet om Nederland aantrekkelijker te maken voor internationale defensiebedrijven, met name op het gebied van drones en andere innovatieve, hightech wapensystemen?
Het verminderen van regeldruk en het verbeteren van het vestigingsklimaat in Nederland zijn belangrijk onderwerpen in het coalitieakkoord. Hierover is de Kamer op 5 september jl. separaat geïnformeerd.4 Over de aanpak wordt periodiek aan uw kamer gerapporteerd door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het doel is om generiek tot verbeteringen te komen, er bestaan geen specifieke initiatieven voor de defensie-industrie.
Bent u bereid te onderzoeken of bestaande procedures nog passend zijn bij de huidige veiligheidssituatie?
De Nederlandse defensie-industrie is van strategisch belang voor onze nationale veiligheid en economische weerbaarheid. Het kabinet deelt de ambitie om innovatie en opschaling te versnellen. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaatzet hiervoor in op twee sporen: vermindering van regeldruk en verbetering van het vestigingsklimaat.
Het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Welke rol spelen bankgaranties, voorfinanciering, auditvereisten en andere financiële waarborgen momenteel bij het vertragen van samenwerking met Oekraïense defensiebedrijven?
Op defensiebedrijven uit Oekraïne zijn dezelfde voorwaarden voor bankgaranties, contractaudits, e.d. van toepassing als op bedrijven uit elk ander land. Om vertraging in samenwerking met Oekraïense bedrijven te voorkomen, worden er ook bankgaranties van Oekraïense banken geaccepteerd. Indien de situatie daar om vraagt kan er gemotiveerd van de vraag om een bankgarantie worden afgeweken. Dit wordt door het Ministerie van Defensie per casus op basis van een risicoanalyse beoordeeld. De minimale eisen voor het aangaan van een verplichting en de verantwoording van publieke middelen blijven van toepassing. Deze regels worden gehandhaafd om de doel- en rechtmatige besteding van publieke middelen te waarborgen.
Bent u bereid om, waar verantwoord en juridisch mogelijk, standaard ruimer gebruik te maken van voorfinanciering of andere versnelde financieringsvormen als alternatief voor trage of belemmerende bankgaranties?
Sinds begin dit jaar heeft Defensie versoepelingen in het bevoorschottingsbeleid doorgevoerd. Waar bedrijven geen bankgarantie kunnen leveren bij een voorschot van Defensie, wordt een zorgvuldige afweging gemaakt tussen het belang van de opdracht enerzijds en het beheersen van financiële en contractuele risico’s anderzijds. Ook blijft Defensie kijken naar alternatieven voor de bankgarantie en andere manieren om de financiering van de defensie-industrie nader te faciliteren. Daarbij blijft Defensie benadrukken dat ook de commerciële financiële sector daarin een rol heeft.
In hoeverre acht u het wenselijk dat andere Europese landen, zoals Denemarken, sneller kunnen schakelen door regelgeving aan te passen, terwijl Nederland hierin achterblijft? Heeft u in kaart gebracht welke regels of procedures in Denemarken anders worden toegepast dan in Nederland?
Omdat er (nog) geen sprake is geweest van het verkennen van de mogelijkheid van het bouwen van een productiefaciliteit voor een Oekraïense producent, is er nog niet in kaart gebracht welke regelgeving hierbij beperkend zou zijn. De Nederlandse insteek van Build With Ukraine is de productie van Oekraïense systemen door Nederlandse bedrijven en in bestaande productiefaciliteiten, in plaats van de vestiging van Oekraïense bedrijven op Nederlands grondgebied, zoals bij Denemarken het geval is. Recent is het eerste coproductieproject gestart, zie antwoord op vraag 4.
Juridisch gezien maakt de Deense regering gebruik van een recent ingevoerde wet die de mogelijkheid biedt om nationale defensie- of crisisgerelateerde projecten versneld door te voeren. Voor het verbeteren van het vestigingsklimaat neemt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat het Deense voorbeeld van versnelde defensieprojecten mee in de afwegingen. Echter, Nederland heeft een eigen juridisch en bestuurlijk kader, waarin we moeten zoeken naar praktische oplossingen die passen bij onze context. In nauw overleg met collega’s van de betrokken ministeries worden knelpunten in kaart gebracht en waar mogelijk opgelost. De Kamer wordt tijdig geïnformeerd over de voortgang en eventuele beleidswijzigingen.
Het bericht dat een Amerikaanse farmaceut miljarden aan belastingvoordeel in NL ontvangt |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Amerikaanse farmaceut krijgt miljarden aan belastingvoordeel in Nederland (Trouw)»1?
Kunt u aangeven wat de tien grootste gebruikers van de innovatiebox zijn en wat de budgettaire derving is per bedrijf? Zo nee, waarom kunnen journalisten deze informatie dan wél boven tafel krijgen?
Klopt het dat ruim 90 procent van het voordeel uit de innovatiebox naar ASML, MSD & Booking gaat2? In hoeverre is deze belastingkorting doelmatig en politiek wenselijk volgens u?
Hoe legt u aan gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers uit dat zij jaarlijks een miljard extra belasting moeten betalen voor een belastingkorting aan één bedrijf dat vrijwel al haar activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst?
Wat is de economische onderbouwing achter het extra fiscaal stimuleren van zeer winstgevende uitvindingen uit het verleden? In hoeverre draagt dit daadwerkelijk bij aan extra innovatie bij uitdagers van gevestigde belangen?
Bent u bereid om de innovatiebox zo vorm te geven dat hij wél doelmatig wordt en meer gericht op kleinere bedrijven, bijvoorbeeld door nadere voorwaarden te stellen over maximaal fiscaal voordeel, door het voordeel te maximeren op daadwerkelijk gemaakte kosten voor desbetreffende innovatieve activiteiten of door een temporele beperking?
Bent u bereid om te voorkomen dat bedrijven die hun activiteiten (grotendeels) naar het buitenland verplaatsen nog langer gebruik kunnen maken van de innovatiebox? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eelco Heinen (VVD), Berendsen , Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het FD-artikel «Nieuwe Europese bedrijfsvorm oogst naast applaus ook kritiek» van 6 april 20261.
Deelt u de vrees van vakbonden dat EU Inc zorgt voor het uithollen van werknemersrechten en een «walhalla voor schijnconstructies en ontduiking» wordt? Waarom wel/niet?
Hoe strookt dit met de ambities van het kabinet om schijnconstructies juist aan te pakken?
Zijn er manieren om als lidstaat de mogelijkheden voor «flits- en brievenbusfirma’s» in te perken? Zo ja, wat zijn de mogelijkheden en zijn deze toereikend?
Bent u het ermee eens dat er sterke landelijke arbeidsrechten moeten zijn omdat een EU Inc daaraan gehouden is? Is het in dat kader verstandig om de meest flexibele arbeidsmarkt van West-Europa te hebben?
Onderschrijft u de zorgen van de FNV dat het voor werknemers totaal onduidelijk is waar zij hun recht zouden kunnen halen?
Kan het zijn dat het minimumloon in het geding komt? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, hoe bent u hiervan verzekerd?
Onderschrijft u de zorgen van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie dat EU Inc. een afbraak van rechtsbescherming en rechtszekerheid betekent?
Wat betekent dit voor witwaspraktijken, aangezien het volgens VNO-NCW aan robuuste anti-witwasmechanismen ontbreekt?
Vindt u het verschil dat kan ontstaan tussen werknemers met opties onder een EU Inc en werknemers met opties onder andere vennootschapsvormen wenselijk? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hiertegen doen?
Vindt u het rechtvaardig dat wanneer een EU Inc failliet gaat de werknemer niet alleen zijn baan verliest maar dat ook het aandelenpakket dat aan de werknemer gegeven kan worden niets meer waard is?
Hoe kan het dat een pensioenregeling ontbreekt?
Het bericht dat er een snelle toename is van het aantal asielzoekers met “nationaliteit onbekend” |
|
Diederik Boomsma (CDA), Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht in de Telegraaf «Ter Apel stroomt vol met mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Naar welke cijfers van het Ministerie van Justitie en Veiligheid verwijst het artikel? Waar zijn die gepubliceerd?
Kunt u verklaren waarom er sprake is van een snelle toename van het aantal asielzoekers met nationaliteit onbekend?
Klopt het dat een groot deel van deze groep bestaat uit Palestijnen?
Klopt het dat sommige vreemdelingen hun nationaliteit niet willen prijsgeven tijdens de procedure? Waarom is dat? En hoe kan hun relaas worden beoordeeld en daarmee het recht op asiel als ze hun nationaliteit niet willen prijsgeven?
Wat is bekend over de vraag langs welke route Palestijnse asielzoekers naar Nederland komen? Door hoeveel veilige landen hebben zij gereisd alvorens ze hier zijn aangekomen?
Is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers (of anderen van deze groep nationaliteit onbekend) te relateren of toe te schrijven aan een bepaalde recente keuze, beleidswijziging of besluit door de Nederlandse overheid? Kunt u hier een toelichting op geven?
Of is de toename van het aantal Palestijnse asielzoekers te relateren aan een besluit, beleidswijziging of keuze van een ander land op de route? Kunt u hier een toelichting op geven?
Op welke manier hebben de Belgen het in augustus vorig jaar moeilijker gemaakt voor Palestijnen om bescherming te krijgen in dat land, en in hoeverre speelt dat een rol?
Op welke manier wordt gecontroleerd of Palestijnse asielzoekers lid zijn van, een functie hadden of hebben bij, dan wel banden of affiniteit hebben met Hamas of een andere terreurorganisatie?
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van deze screening? Bent u van mening dat we adequaat zicht hebben op mogelijke banden met Hamas?
Bent u het eens met de stelling dat deze toename van asielzoekers onwenselijk is? Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dit verder toeneemt?
Milieunormen voor windturbines op land |
|
Dion Huidekooper (D66), Felix Klos (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brede oproep van onder andere bouwbedrijven, netbeheerders, gemeenten en milieuorganisaties om te kiezen voor milieunormen voor windturbines op land op basis van geluid en slagschaduw, in plaats van vast te houden aan generieke afstandsnormen?1
Hoe beoordeelt u de stelling dat generieke afstandsnormen een slechte voorspeller zijn van ervaren hinder door windturbines, in vergelijking met normen gebaseerd op geluid en slagschaduw?
Kunt u toelichten in hoeverre het uitblijven van definitieve, werkbare milieunormen momenteel leidt tot stilstand of vertraging van windprojecten, met name op locaties waar de ruimte schaars is, zoals nabij bedrijventerreinen, infrastructuur en havens?
Sinds de uitspraak van de Raad van State in juni 2021 (het Nevele-arrest) wordt er gewerkt aan nieuwe landelijke milieunormen; welke specifieke factoren hebben ertoe geleid dat dit proces tot op heden nog niet is afgerond, en op welk moment kan de Kamer de normen tegemoetzien?
In hoeverre kunnen landelijke normen voor geluid en slagschaduw bijdragen aan zowel de bescherming van omwonenden als aan het vergroten van onze energieonafhankelijkheid?
Bent u bereid om landelijke milieunormen voor windturbines op land vast te stellen die gebaseerd zijn op geluid, slagschaduw en externe veiligheid, met ruimte voor lokaal maatwerk om specifieke gebiedskansen (zoals in havengebieden) te benutten?
Kunt u reflecteren op de mogelijke negatieve effecten van starre afstandsnormen voor de technologische innovatie, zoals de ontwikkeling van stillere, efficiëntere en hogere windturbines?
Hoe beoordeelt u het risico dat generieke afstandsnormen dwingen tot de bouw van meer, maar lagere turbines, en wat zijn daarvan de gevolgen voor de maatschappelijke kosten, de efficiëntie van het stroomnet en de impact op de biodiversiteit?
In hoeverre vormen generieke afstandsnormen een barrière voor de broodnodige «repowering» (het vervangen van oude door moderne turbines) op bestaande locaties, en acht u deze belemmering wenselijk in het licht van de klimaatdoelen en onze energie-afhankelijkheid?
De mediarichtlijn van Fiom over abortus |
|
Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de nieuwe Fiom-mediarichtlijn en bijhorende adviezen over taalgebruik over abortus?1
Ja.
Is het Ministerie van VWS van plan om deze mediarichtlijn en taaladviezen van Fiom ook te gaan gebruiken?
De mediarichtlijn is volgens Fiom bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Het Ministerie van VWS is daarmee geen «doelgroep» van deze richtlijn. Dat neemt niet weg dat sommige suggesties die Fiom in de mediarichtlijn doet, ook voor het Ministerie van VWS behulpzaam kunnen zijn. Immers, stigma en (voor-)oordelen komen helaas nog altijd voor bij een onbedoelde zwangerschap. Het kabinet wil daarom in beleid, doelen en woordkeuze werken aan de-stigmatisering.2
Kunt u bevestigen dat deze mediarichtlijn en taaltips tot stand zijn gekomen met subsidie van het Ministerie van VWS? Zo ja, aan welke voorwaarden moet deze communicatie voldoen qua objectiviteit en neutraliteit?
Fiom ontvangt een instellingssubsidie van het Ministerie van VWS. Hiermee ontwikkelt Fiom naar eigen inzicht kennis over, onder andere, ongewenste zwangerschap en abortus. Deze mediarichtlijn kwam mede op basis van de uitkomsten van onderzoek3 naar de berichtgeving over abortus in Nederlandse kranten tot stand. Dit past in de activiteiten die Fiom onderneemt om een breed publiek van informatie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en alle keuzeopties te voorzien.
Fiom tracht met de adviezen stigma over (in dit geval) abortus te verminderen en een realistischer beeld van een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap uit te dragen. Daarmee sluit deze activiteit aan bij de doelen binnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap.
In de subsidievoorwaarden zijn geen specifieke eisen opgenomen over de wijze waarop Fiom mag communiceren. Uiteraard geldt in algemene zin wel dat het
Ministerie van VWS het belangrijk vindt dat informatie voor iedereen toegankelijk, kloppend, begrijpelijk en goed vindbaar is. Het Ministerie van VWS verwacht daarnaast dat een expertisecentrum als Fiom er voor iedereen is, welke (levensbeschouwelijke) visie op abortus iemand ook heeft.
Deelt u de opvatting dat het document van Fiom niet neutraal en feitelijk is, zoals het pretendeert te zijn?
De informatie en de gegeven adviezen zijn mede gebaseerd op het in antwoord op vraag drie genoemde wetenschappelijk onderzoek dat in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam werd gedaan. De missie en visie van Fiom zijn ook van invloed geweest op de richtlijn. Fiom heeft de vrijheid om ten aanzien van hun activiteiten, zoals het publiceren van dit document voor journalisten, eigen afwegingen en keuzes te maken, passend bij de missie en visie van Fiom. Dat Fiom daarbij een voorkeur toont voor bepaalde terminologie laat onverlet dat er zeer uiteenlopende (normatieve) visies op zwangerschap en abortus mogelijk zijn.
Erkent u dat het vermijden van bepaalde woorden kan bijdragen aan het verdoezelen van de morele zwaarte van abortus?
Het doel van Fiom met deze mediarichtlijn is het bevorderen van feitelijke en niet-stigmatiserende berichtgeving over abortus. In algemene zin geldt dat taal invloed heeft op hoe mensen naar een onderwerp als abortus kijken. Dat geldt zowel voor taal die de ingreep bagatelliseert, als voor taal die de ingreep zwaarbeladen maakt. Naar de mening van het kabinet is hier dan ook geen sprake van «verdoezelen».
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde organisaties taal voorschrijven die bepaalde morele perspectieven op het ongeboren leven uitsluit en afkeurt?
Het kabinet begrijpt dat de keuze voor de term «richtlijn» de suggestie kan wekken dat er sprake is van een standaard waarvan niet afgeweken mag worden. In het document biedt Fiom praktische tips voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals, zodat zij op een respectvolle manier kunnen berichten over abortus. Journalisten zijn uiteraard niet verplicht om deze adviezen te volgen en gaan over hun eigen onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Wat vindt u ervan dat volgens Fiom niet gesproken mag worden over «pro-life», maar enkel over «anti-abortus»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
Fiom licht in het document toe dat de term «pro-life» de suggestie kan wekken dat voorstanders van keuzevrijheid tégen het leven zouden zijn. Dat is een redenering die het kabinet kan volgen. Tegelijkertijd begrijpt het kabinet de kritiek en gevoeligheid ten aanzien van dit media-advies van mensen en organisaties die zichzelf als «pro-life» beschouwen. Er is ten aanzien van het onderwerp abortus sprake van verschillende waarden, die er allemaal mogen zijn.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag zes, geeft Fiom een advies bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Fiom heeft de vrijheid om daarbij eigen afwegingen en keuzes te maken en journalisten gaan over hun eigen onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Erkent u dat «pro-life» een internationaal zeer gangbare zelfbenaming is?
Ja, dit erkent het kabinet. Dat laat onverlet dat Fiom hiervoor een alternatieve term kan aanbieden.
Hoe waarborgt u dat er ruimte blijft voor verschillende levensbeschouwelijke visies in het maatschappelijk debat?
De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging zijn grondwettelijk vastgelegd. Het is belangrijk dat er in het maatschappelijk debat ruimte is voor verschillende levensbeschouwelijke visies. Er is, naar de mening van het kabinet, in het maatschappelijk debat in Nederland ruimschoots aandacht voor uiteenlopende meningen over abortus. Fiom heeft adviezen gegeven over mogelijk taalgebruik door mediaprofessionals die willen bijdragen aan dit debat.
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om geen gebruik te maken van de termen «baby», «ongeboren kind», «ongeboren leven» en «meisjes of jongetjes»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
De mediarichtlijn van Fiom verbiedt niets, maar geeft advies aan media die berichten over abortus. Fiom adviseert om in de context van berichtgeving over abortus bij voorkeur medische terminologie te gebruiken – zoals «de vrucht» of «de zwangerschap» – omdat dit aansluit bij de medische werkelijkheid en een waardeoordeel voorkomt. Het kabinet begrijpt deze toelichting van Fiom. Tegelijkertijd mogen en kunnen woorden zoals «baby», «meisje» of «jongetje» uiteraard worden gebruikt om een zwangerschap te omschrijven.
Zo ja, kunt u uitleggen waarom een ongeboren kind geen «baby», «meisje» of «jongetje» mag worden genoemd, terwijl deze in brede maatschappelijke kring zeer gangbaar zijn?
Dit is een terechte constatering. De term «ongeboren leven» staat in de Wet afbreking zwangerschap (Wafz). In de wet is een balans getroffen tussen de beschermwaardigheid van ongeboren leven en keuzevrijheid van de vrouw. Het is begrijpelijk en gangbaar dat deze term wordt gebruikt. Dit geldt ook voor het Ministerie van VWS.
Hoe verhoudt het advies om geen gebruik te maken van de term «ongeboren leven» zich tot het feit dat de term «ongeboren leven» twee keer letterlijk wordt genoemd in de Wet afbreking zwangerschap (artikel 5, tweede lid, onderdeel b en artikel 6a, derde lid, onderdeel b)?
Fiom wijst hier op het feit dat de vrouw die voor een zwangerschapsafbreking kiest, door het gebruik van het woord «plegen» (veelal onbedoeld) als dader of misdadiger wordt aangemerkt. Dat is zeer onwenselijk, want het kan gevoelens van schaamte en verdriet voor vrouwen vergroten. Bovendien klopt het niet: een vrouw die een zwangerschapsafbreking ondergaat is niet strafbaar en ook een arts die de zwangerschapsafbreking verricht op grond van de Wafz is dat niet. Vrouwen die een zwangerschapsafbreking ondergaan en artsen die een zwangerschapsafbreking uitvoeren zijn dus geen daders of misdadigers. Daarmee is het gebruik van het woord «plegen» niet passend.
Vanzelfsprekend erkent het kabinet dat het Wetboek van Strafrecht voorschrijft dat een abortus in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt.
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om niet te spreken over «abortus plegen» omdat dit suggereert dat abortus een misdaad is? Erkent u dat abortus in het Wetboek van Strafrecht staat en in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt?
Fiom stelt dat het post-abortus syndroom een niet-wetenschappelijke term is. Dit is gebaseerd op het onderzoek Abortus en Psychische gezondheid.4 In dit onderzoek wordt het volgende aangegeven: «Een bestaande […] visie is dat abortus een traumatische ervaring is, die uniek is in de zin dat het leven van een ongeboren vrucht wordt beëindigd, en hiermee ook de moederlijke hechting aan het ongeboren kind geschonden wordt en dat abortus tot een betaald type posttraumatische stressstoornis kan leiden, te weten het Post-Abortus Syndroom (PAS). Deze diagnose is echter niet erkend en ook niet opgenomen in diagnostische handboeken zoals de DSM-IV, DSM-5 of de ICD-10. In internationaal onderzoek wordt de term dan ook inmiddels niet meer gebezigd.»
Op basis van welke wetenschappelijke bronnen stelt Fiom dat het «post-abortus syndroom» niet bestaat?
Online beïnvloeding van jongeren en regelgeving rondom influencers |
|
Inge van Dijk (CDA), Joris Lohman (CDA), Harmen Krul (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de onderzoeken van Wijzer in Geldzaken en de Universiteit Utrecht dat veel jongeren zich bij financiële beslissingen laten beïnvloeden voor finfluencers met loze beloften over snel geld verdienen en dat met name kwetsbare jongeren hierdoor in de problemen kunnen komen, terwijl finfluencers vooral hun eigenbelang dienen?1, 2
Bent u bekend met het recente onderzoek van de Radboud Universiteit dat influencers zonder medische achtergrond mensen met hun gezondheidsadviezen medische misinformatie kunnen verstrekken, bijvoorbeeld met oproepen om geen zonnebrand meer te gebruiken of te stoppen met hormonale anticonceptie?3
Bent u bekend met de recente waarschuwingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautorteit (NVWA) over de risico’s van supplementen, waar verboden of onveilige stoffen in kunnen zitten, bijvoorbeeld bij teveel inname of verkeerde combinaties waardoor schade aan de gezondheid kan ontstaan, en de publicatie van een Blocklist?4
Deelt u de zorg dat jongeren in toenemende mate informatie over onder meer financiële zaken, gezondheid en maatschappelijke vraagstukken verkrijgen via sociale media en influencers, en dat dit risico’s kan meebrengen wanneer informatie onjuist, onvolledig of misleidend is?
Bent u bekend met het artikel ««Geen diploma, geen video»: nieuwe Chinese wetgeving voor influencers leidt tot verhit online debat»? En het initiatief van de Chinese overheid om eisen te stellen aan influencers te beschikken over aantoonbare deskundigheid wanneer zij over bepaalde maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën adviseren?5
Vind u dat ook in Nederland strengere regels zouden moeten gelden voor influencers die over maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën mogen adviseren, zoals het beschikken over aantoonbare deskundigheid of expliciete vermelding dat hiervan geen sprake is, omdat zulke adviezen niet zonder risico’s zijn?
Kunt u onderzoeken of het mogelijk is om aanvullende eisen aan deskundigheid te stellen bij adviseren op terreinen waar desinformatie een verhoogd risico inhoudt, met name voor kwetsbare groepen, zoals over financiën, voedings- (en specifiek over Voedingssupplementen en kruidensupplementen) en gezondheidsadviezen?
Zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn een disclaimer te verplichten bij posts van influencers waaruit voor een breed publiek eenvoudig te herleiden is dat het niet om deskundig advies gaat, bijvoorbeeld #NietDeskundig, #GeenDiploma of #GeenExpert
Bent u bereid om ook in Europees verband in te zetten op betere consumentenbescherming bij online advisering over mogelijk risicovolle producten, en met name op aanvullende eisen aan (informatie over) deskundigheid? Bijvoorbeeld via Digital Services Act, richtlijnen voor consumentenbescherming of de Digital Fairness Act?
Het bericht 'Gegevens 200.000 leden Basic-Fit gelekt, ook bij Booking klantgegevens gestolen' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over hacks bij Basic-Fit en Booking.com waarbij klantgegevens zijn buitgemaakt?1
Hoe beoordeelt u deze incidenten als indicatie van structurele tekortkomingen in de beveiliging van persoonsgegevens bij grote, digitaal opererende bedrijven?
Heeft u voldoende structureel inzicht in de aard, omvang en frequentie van datalekken en cyberaanvallen in Nederland? Zo ja, hoe wordt dit overzicht benut voor beleid en toezicht? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit inzicht te verbeteren?
Deelt u de opvatting dat herhaalde datalekken kunnen wijzen op onvoldoende structurele naleving van de Algemene verordening gegevensbescherming? Zo ja, welke systeemfouten signaleert u hierbij? Zo nee, waarom niet?
Acht u de toezicht- en handhavingscapaciteit van de Autoriteit Persoonsgegevens toereikend om structurele naleving af te dwingen? Zo ja, waarom? Zo nee, welke versterkingen zijn nodig?
Ziet u aanleiding om te komen tot strengere, afdwingbare beveiligingsnormen voor bedrijven die op grote schaal persoonsgegevens verwerken? Zo nee, waarom niet?
In het kader van dataminimalisatie: ziet u kansen dat de ontwikkeling van de EDI-wallet in Nederland kan bijdragen aan het verkleinen van het risico op datalekken bij organisaties, doordat consumenten hun persoonsgegevens minder vaak rechtstreeks hoeven te delen met verschillende partijen?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Het artikel ‘Hoe corporaties huurders passeren bij ingrijpende verbouwingen’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat woningcorporaties grootschalige verduurzamingsprojecten classificeren als «groot onderhoud» in plaats van «renovatie», waardoor huurders geen instemmingsrecht hebben en de werkzaamheden moeten gedogen?1
Is dit een fenomeen dat bij u al bekend was? Zo ja, welke stappen heeft u ondernomen of onderneemt u om dit recht te zetten? Zo nee, hoe gaat u er in de toekomst voor zorgen dat u sneller op de hoogte kan komen van vergelijkbare problematiek onder kwetsbare huurders?
Bent u bereid om te reageren op het Trendbeeld 2025 van Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland (SVWN) waarin zij zich kritisch uitten over de handelwijze van corporaties met betrekking tot bewonersparticipatie?2
Deelt u de mening dat het financiële belang van corporaties er in de praktijk toe leidt dat corporaties bewust kiezen voor de kwalificatie «groot onderhoud» om kosten te drukken, ten koste van kwetsbare huurders? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u aangeven hoeveel sociale huurwoningen de afgelopen drie jaar zijn verduurzaamd onder de noemer «groot onderhoud» of «dringende werkzaamheden», terwijl er naar het oordeel van huurders of hun juridisch vertegenwoordigers sprake was van renovatie? Beschikt u over deze cijfers, en zo nee, bent u bereid deze te laten inventariseren?
In het aangekondigde Wetsvoorstel instemmingsrecht en initiatiefrecht wordt het onderscheid tussen groot onderhoud, dringende werkzaamheden en renovatie niet scherper omschreven. Waarom niet, en bent u bereid dit alsnog te doen?
De komende jaren zullen meer huurders te maken krijgen met de komst van warmtenetten, deelt u de mening dat initiatiefrecht van huurders daarin verankerd moet zijn?
Hoe vaak zijn warmtenetten aangelegd waarbij deze werden gepresenteerd als «dringende werkzaamheden»? Hoe vaak als «groot onderhoud»? Deelt u onze mening dat dit onwenselijk is omdat het rechten van huurders kan schaden?
Bent u van mening dat huurders die maandenlang worden blootgesteld aan geluidsoverlast van meer dan 100 decibel, lekkages en schade aan hun inboedel, zoals beschreven in de projecten in Monnickendam, De Westereen en Huizen, recht hebben op een wisselwoning en adequate schadevergoeding, ongeacht de juridische kwalificatie van de werkzaamheden? Zo ja, hoe gaat u dit borgen?
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat de energietransitie in de sociale huursector eenzijdig op de schouders van de meest kwetsbare huurders terechtkomt, en dat draagvlak voor verduurzaming wordt ondermijnd?
Is er een toezichthouder bevoegd en toegerust om te handhaven op de juiste kwalificatie van verduurzamingswerkzaamheden door corporaties? Zo nee, bent u van plan een toezichter deze taak te geven?
Deelt u de mening dat er sprake is van een fundamentele machtsongelijkheid tussen woningcorporaties en sociale huurders, nu corporaties eenzijdig kunnen bepalen hoe ingrijpende werkzaamheden worden geclassificeerd, huurders juridisch en financieel nauwelijks in staat zijn om hiertegen op te komen, en de toegang tot de rechter in de praktijk onbetaalbaar is voor de betrokken bewoners?
Bewoners in Monnickendam zeggen dat zij de regie over hun eigen leven zijn kwijtgeraakt. Deelt u de mening dat zeggenschap over de eigen woning en woonomgeving een basisrecht is, en dat de huidige wetgeving dit recht voor sociale huurders in de praktijk onvoldoende waarborgt?
'De Blauwe Haven' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente mediaberichten over grensoverschrijdend gedrag binnen politieonderdeel De Blauwe Haven, waaruit blijkt dat meerdere medewerkers zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan ongewenst gedrag richting (vrouwelijke) collega’s?
Klopt het dat er eerder melding is gemaakt van ten minste meerdere slachtoffers binnen de politieorganisatie? Wat is op dit moment het totaal aantal bekende meldingen en slachtoffers binnen dit dossier?
Herkent u de signalen dat het daadwerkelijke aantal slachtoffers hoger ligt dan tot nu toe publiekelijk bekend is gemaakt? Zo ja, wat is uw reactie hierop? Zo nee, waarop baseert u dat?
Kunt u aangeven op welke wijze slachtoffers binnen de politieorganisatie momenteel worden ondersteund, en of u van mening bent dat deze ondersteuning toereikend is?
Klopt het dat het lopende onderzoek zich momenteel richt op slechts een beperkt aantal (circa twee) medewerkers? Zo ja, waarom is ervoor gekozen om het onderzoek in eerste instantie tot deze groep te beperken?
Deelt u de opvatting dat, gezien de ernst van de signalen en het mogelijke grotere aantal betrokkenen, een breder en diepgaander onderzoek noodzakelijk is om alle misstanden binnen deze eenheid boven tafel te krijgen? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Zijn bij u signalen bekend dat de korpschef, Janny Knol, reeds eerder op de hoogte was van (een deel van) deze meldingen? Zo ja, sinds wanneer? Welke acties zijn naar aanleiding daarvan ondernomen? Acht u dit handelen adequaat?
Hoe beoordeelt u de informatiepositie van de korpsleiding in dit dossier? Zijn er aanwijzingen dat signalen onvoldoende zijn opgepakt of intern zijn gebleven?
Kunt u toelichten waarom ervoor is gekozen om het onderzoek niet volledig onafhankelijk extern te laten uitvoeren, maar (deels) binnen of in opdracht van de politieorganisatie zelf plaatsvindt?
Deelt u de mening dat, gezien de aard van de beschuldigingen en de mogelijke cultuurproblemen binnen de organisatie, een volledig onafhankelijk onderzoek noodzakelijk is om vertrouwen van slachtoffers en de samenleving te waarborgen? Zo ja, bent u bereid alsnog een onafhankelijk extern onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld door de Rijksrecherche? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze wordt momenteel geborgd dat slachtoffers en betrokkenen zich veilig voelen om zich te melden, mede gezien signalen van angst en terughoudendheid?
Wat gaat u concreet doen om ervoor te zorgen dat alle (mogelijke) slachtoffers en getuigen zich anoniem, veilig en laagdrempelig kunnen melden, bijvoorbeeld via onafhankelijke meldpunten buiten de politieorganisatie?
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om drempels voor melden weg te nemen, zoals:
Hoe wordt geborgd dat meldingen die alsnog binnenkomen ook daadwerkelijk worden betrokken bij het lopende onderzoek en niet buiten beschouwing blijven vanwege de huidige afbakening van het onderzoek?
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dergelijke situaties zich in de toekomst opnieuw voordoen binnen de politieorganisatie?
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: 'Gezondheid patiënten staat op het spel'' |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat in uw beantwoording op eerder gestelde vragen, in het bijzonder: 2026Z0338 en dan het antwoord op vraag 4, u stelt dat bij 99% van de leveringsproblemen in de apotheek een alternatief beschikbaar is, zoals een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een importmiddel, terwijl de Kamer signalen ontvangt dat er in drie opeenvolgende meldweken van LEF en de SIR blijkt dat bij bijna de helft van de getroffen patiënten de gezondheid verslechtert als gevolg van dergelijke alternatieven? Erkent u dat een alternatief dat bij bijna de helft van de betrokken patiënten leidt tot gezondheidsverslechtering niet als een adequate oplossing kan worden gepresenteerd?1
Deelt u de conclusie dat een alternatief weliswaar beschikbaar kan zijn, maar dat daarmee nog niet gezegd is dat patiënten ook adequaat zijn geholpen, indien dat alternatief in de praktijk gepaard gaat met medicatiewisselingen, vertraging, extra apotheekbezoeken en onzekerheid voor patiënten? Zo nee, hoe kwalificeert u dan de gezondheidsverslechtering die, bijvoorbeeld LEF volgens haar meldweken inmiddels drie jaar op rij meet?
Welke concrete en aantoonbare maatregel heeft u sinds uw eerdere erkenning, in antwoord op vraag 3, dat apothekers zich klemgezet kunnen voelen en dat dit financiële onzekerheid creëert wanneer zij in het belang van de patiënt een beschikbaar alternatief verstrekken, getroffen om het financiële risico voor apothekers daadwerkelijk weg te nemen?
Kunt u concreet aangeven welke van de door u genoemde maatregelen, zoals de ijzeren voorraad, de Leidraad Verantwoord Wisselen en de AZWA-afspraken, hebben geleid tot een aantoonbare en meetbare verbetering van de situatie aan de apothekersbalie, niet alleen op papier maar ook in de feitelijke ervaring en gezondheid van patiënten? Hoe verhoudt zich dat tot het gegeven dat de ijzeren voorraad sinds de oorspronkelijke toezegging van vijf maanden is teruggebracht naar tweeënhalve maand, waarbij het groothandeldeel verder is verlaagd van vier naar twee weken, en dat in 2025 nog steeds 3,5 miljoen patiënten werden geraakt, terwijl bijvoorbeeld uit de meldweek 2025 van SIR en LEF blijkt dat de ervaring per getroffen patiënt gemiddeld is verslechterd?
Bent u bereid om, los van de evaluatie van het preferentiebeleid die eind 2026 gereed zou moeten zijn, en vooruitlopend daarop, een tijdelijke beschermende maatregel in te voeren die garandeert dat apothekers zonder financieel risico een beschikbaar alternatief kunnen verstrekken zolang het preferente middel niet leverbaar is? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert u dan dat de baten van het ongewijzigd voortzetten van het preferentiebeleid opwegen tegen de maatschappelijke kosten, terwijl u tegelijk erkent dat de volledige maatschappelijke kosten, waaronder extra zorgcontacten, uitvoeringslasten en gezondheidsschade door therapieontrouw, op dit moment nog niet in beeld zijn?
Erkent u dat het huidige preferentiebeleid ertoe leidt dat het aantal fabrikanten per geneesmiddel afneemt, doordat het restvolume buiten het preferente contract voor andere aanbieders steeds minder aantrekkelijk wordt, en dat fabrikanten door lage prijzen en onzekere afname minder buffervoorraad aanhouden? Hoe beoordeelt u in dat licht het gegeven dat de SFK in 2025 heeft aangegeven dat het gemiddelde aantal generieke aanbieders per geneesmiddelgroep is gedaald van 3,4 in 2014 naar 2,6 in 2024? Erkent u dat daarmee het risico ontstaat op feitelijke monopolievorming per geneesmiddel, met als gevolg hogere prijzen, grotere afhankelijkheid en minder leveringszekerheid, en dus juist het tegenovergestelde van wat het preferentiebeleid beoogt?
Kunt u bevestigen dat u, of iemand namens uw ministerie of uit uw ambtelijke organisatie, naar aanleiding van uw eerdere beantwoording van vraag 8 inhoudelijk overleg heeft gevoerd met de partijen die het model van laagste prijs plus bandbreedte hebben uitgewerkt? Zo nee, op welke grond concludeert u dan dat alternatieven onvoldoende zijn onderbouwd, indien het meest uitgewerkte alternatieve model niet inhoudelijk met de betreffende partijen is besproken?
Bent u bereid om, juist omdat de tekorten zich concentreren in het goedkope en preferente segment, vooruitlopend op de evaluatie een gerichte pilot te starten met een model van «laagste prijs plus bandbreedte», zodat in de praktijk kan worden getoetst of de leveringszekerheid verbetert zonder significante kostenstijging? Zo nee, hoe verhoudt het weigeren van een praktijktoets zich dan tot uw eigen stelling dat dit alternatieve model meer onderbouwing vraagt?
Welke informatiebronnen over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie worden meegenomen in de evaluatie van het preferentiebeleid die volgens u eind 2026 gereed moet zijn? Acht u het verantwoord om die evaluatie af te ronden zonder zelf de dagelijkse praktijk aan de apothekersbalie te hebben ervaren, mede in het licht van de uitnodiging van LEF en de VJA in hun brandbrief van 12 februari 2026 om een dag mee te draaien in een apotheek?
Kunt u de vragen allen apart en zo concreet mogelijk beantwoorden?
Toenemende regeldruk voor lokale gemeenschapsactiviteiten |
|
Inge van Dijk (CDA), Judith Buhler (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Herbert , Eric van der Burg (VVD), Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Tentfeesten in gevaar door regels en kosten» van Hart voor Nederland en «Meer regels voor evenementen: onderzoek naar natuur soms nodig» van Omroep Land van Cuijk?1, 2
Deelt u de opvatting dat door de stapeling van regels en administratieve verplichtingen lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten onder druk komen te staan?
Hoe beoordeelt u de uitkomst van de landelijke enquête onder organisatoren van dorpsfeesten door Landelijke Vereniging Kleine Kernen (LVKK) dat 79 procent van de organisatoren van dorpsfeesten gemeentelijke regelgeving als een belemmering ervaart?3
Hoe verklaart u dat vooral de eisen rond veiligheid, vergunningen en bureaucratie als grootste struikelblokken worden genoemd? Welke rol ziet u voor de landelijke overheid om, in de context van de doelstelling om ten minste 500 regels te schrappen, hier regeldruk te verminderen?
Kunt u in kaart brengen aan welke landelijke regelgeving voldaan moet worden bij het organiseren van lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten? Zou u daarin per relevante wetgeving aan kunnen geven welke verplichtingen daaruit voort kunnen vloeien?
Kunt u aangeven welke ruimte er is voor gemeenten om binnen de Omgevingswet regeldruk in het buitengebied tegen te gaan?
Bent u van mening dat van lokale gemeenschapsactiviteit zoals dorpsfeesten niet verwacht kan worden dat zij aan dezelfde administratieve verplichtingen zouden moeten voldoen als grootschalige evenementen zoals festivals?
Is het binnen de huidige wet- en regelgeving mogelijk om voor lokale gemeenschapsactiviteiten versoepelde vergunningsprocedures te laten gelden? Zo nee, bent u bereid om te verkennen op welke manier gemeenten in staat gesteld kunnen worden om voor bepaalde lokale gemeenschapsactiviteiten zoals dorpsfeesten versoepelde procedures te laten gelden?
Bent u bereid om samen met het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en maatschappelijke organisaties, zoals de LVKK, op te trekken om te kijken hoe regelgeving voor lokale gemeenschapsactiviteiten, zoals dorpsfeesten, versoepeld kan worden?
Groen gas |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten waarom is besloten om de GvO correctie voor de subsidieregeling voor groen gas toe te passen met terugwerkende kracht over 2025, terwijl deze korting in de voorlopige correctiebedragen en voorschotberekeningen voor 2025 niet was aangekondigd?
Erkent u dat groen gasondernemers hierdoor geen reële mogelijkheid hadden om hun contracten, prijsafspraken of productie keuzes aan te passen, aangezien zij mochten vertrouwen op de officiële publicaties van eind 2024 waarin geen GvO correctie voor 2025 was opgenomen?
Hoe beoordeelt u de situatie waarin ondernemers die – op basis van de gepubliceerde cijfers – in 2025 bewust kozen voor gesubsidieerde productie, nu worden geconfronteerd met substantiële financiële achteruitgang die bij tijdige communicatie voorkomen had kunnen worden?
Bent u bereid compensatie of herstelopties te overwegen voor ondernemers die door de retroactieve korting financieel zijn benadeeld, mede gezien het feit dat een deel van hen bij tijdige kennisgeving had gekozen voor ongesubsidieerde productie, wat financieel gunstiger zou zijn geweest?
Waarom acht u deze maatregel zó noodzakelijk dat u ervoor kiest ondernemers met terugwerkende kracht te belasten, terwijl een aangekondigde invoering vanaf 2026 beter zou passen bij voorspelbaar, realistisch en uitvoerbaar energiebeleid, zoals ook in diverse beleidsadviezen en politieke programma’s wordt benadrukt?
Het bericht 'Ter Apel stroomt vol mensen met ’onbekende nationaliteit’: ’Grootste deel is Palestijn’' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ter Apel stroomt vol mensen met «onbekende nationaliteit»: «Grootste deel is Palestijn»»?1
Hoe verhoudt het aantal asielaanvragen van januari en februari 2026 dat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zich tot dezelfde periode in 2025? Is er sprake van een stijging, en zo ja, met hoeveel procent?
Hoeveel van de asielaanvragen in januari en februari 2026 die zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit» zijn afkomstig van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond? Hoe verhoudt dit aantal zich tot dezelfde periode in 2025?
Wat zijn andere verklaringen voor de stijging van het aantal asielaanvragen die door de IND zijn geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit»?
In hoeverre heeft de IND inzicht in de samenstelling van de asielaanvragen die worden geregistreerd onder de noemer «onbekende nationaliteit?» Beperkt deze vorm van registratie de mogelijkheid van de IND en van uw ministerie om bij te sturen bij een plotselinge en onverwachte toename van de asielinstroom?
Welk beoordelingskader past de IND toe bij het beoordelen van asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond die al decennia in Syrië of Libanon verblijven? Heeft deze groep een grotere kans op een verblijfsvergunning dan Syriërs of Libanezen? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak?
Bent u van plan om lessen te trekken uit de door België in augustus 2025 getroffen maatregelen om het voor asielzoekers met een Palestijnse achtergrond lastiger te maken om een verblijfsvergunning te krijgen?
Bent u van plan om soortgelijke maatregelen te treffen om het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond ook in Nederland te laten afnemen? Zo nee, waarom niet?
Welke andere maatregelen kan Nederland verder nemen om het aantal asielzoekers met een Palestijnse achtergrond dat naar Nederland komt zoveel mogelijk te beperken? Bent u van plan deze maatregelen ook daadwerkelijk te implementeren? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre kan de uitbreiding van het «veilig derde landen-concept» ertoe leiden dat asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond sneller kunnen worden afgewezen? Wanneer denkt u dat de effecten hiervan zichtbaar zullen zijn in de instroomcijfers?
Hoe groot schat u het risico dat een stijging van het aantal asielaanvragen van asielzoekers met een Palestijnse achtergrond kan leiden tot extra gezinshereniging en nareis vanuit Gaza en de Westelijke Jordaanoever? Op welke wijze wordt hierbij voorkomen dat gezinshereniging wordt misbruikt om terroristen naar Nederland te laten komen?
Klopt het dat een groot deel van de asielzoekers met een Palestijnse achtergrond verblijvend in Syrië en Libanon al decennialang gescheiden leven van eventuele gezinsleden in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, deelt u de opvatting dat nareisaanvragen hierdoor nauwelijks kans van slagen zouden mogen hebben?
Het TNO-rapport 'Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk' |
|
Daniël van den Berg (JA21), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het TNO-rapport «Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk»1?
Hoe beoordeelt u de constatering in dit rapport dat de robotiseringsgraad van de Nederlandse maakindustrie achterblijft ten opzichte van internationale koplopers?
Kunt u de Kamer een actuele, sectorale uitsplitsing sturen van robotadoptie in de Nederlandse maakindustrie, inclusief een onderscheid tussen het mkb en het grootbedrijf?
Welke belemmeringen voor robotisering in de Nederlandse maakindustrie wegen volgens u op dit moment het zwaarst?
Op welke Nederlandse evaluaties, studies of modelanalyses baseert het kabinet zijn oordeel over het effect van robotisering op arbeidsproductiviteit, leveringszekerheid en concurrentiekracht?
Welke bestaande rijksinstrumenten kunnen mkb-maakbedrijven momenteel benutten voor automatisering, digitalisering en robotisering? Kunt u ook aangeven hoe vaak hier gebruik van wordt gemaakt?
Zijn er fiscale prikkels, vereenvoudigingen van procedures en/of maatregelen die de regeldruk verlagen om robotinvesteringen te versnellen? Zoja, welke zijn het kansrijkst?
In hoeverre vormen energiekosten, netcongestie en langdurige vergunningsprocedures momenteel een belemmering voor robotisering in de Nederlandse maakindustrie?
Kunt u in kaart brengen in welke mate Nederlandse maakbedrijven afhankelijk zijn van niet-Europese leveranciers van industriële robots, sensoren, controllers, AI-software en cloud- of operationele technologiecomponenten?
Welke inzet pleegt het kabinet op het gebied van standaardisatie en interoperabiliteit bij industriële robotica en hoe wordt vendor lock-in daarbij voorkomen?
Hoe beoordeelt het kabinet de rol van open-sourcecomponenten in industriële robotica, mede in het licht van beheerkosten, aansprakelijkheid en cybersecurity?
Welke ondersteuning is of wordt beschikbaar gesteld aan maakbedrijven, in het bijzonder mkb-bedrijven, om verbonden robots en andere operationele technologie-systemen cyberveilig in te richten en te beheren?
Beschikt het kabinet over een actuele raming van de behoefte aan personeel met kennis van robotica, systeemintegratie, onderhoud, data en operationele technologie-cybersecurity in de maakindustrie? En sluiten de huidige mbo-, hbo- en wo-opleidingen en bestaande om- en bijscholingsinstrumenten daarop aan?
Hoe verbindt het kabinet civiele robotisering in de maakindustrie met dual-use toepassingen en de versterking van de Nederlandse defensie-industrie?
Bent u bereid de Kamer een integrale kabinetsreactie op dit rapport van TNO te sturen, waarin in ieder geval wordt ingegaan op het aspect of een nationale robotiseringsagenda noodzakelijk is?
Kunt u iedere vraag afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het Datalek bij Basic-Fit |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , van Bruggen |
|
|
|
|
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of de Autoriteit Persoonsgegevens al een onderzoek is gestart naar aanleiding van het datalek bij Basic-Fit?
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of er wordt gekeken naar een mogelijke overtreding van artikel 5 AVG?
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of de regelgeving (voornamelijk de AVG) of de handhaving moet worden aangescherpt, wellicht omdat sommige AVG-artikelen onduidelijk of achterhaald zijn?
Basic-Fit valt niet onder de Cyberbeveiligingswet. Deelt u de opvatting dat grote bedrijven met veel data onder de reikwijdte van de Cyberbeveiligingswet zouden moeten vallen als «belangrijke entiteit»? Basic-Fit genereert namelijk zo’n 1,4 miljard omzet.
Als Basic-Fit onder de Cyberbeveiligingswet zou vallen, had volgens u beiden het datalek dan voorkomen kunnen worden (voornamelijk in het licht van de zorgplicht)?
Kunt u beiden iedere vraag afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Overwinsten van olie- en gasbedrijven |
|
Christine Teunissen (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het rapport Excess Oil Profits in Times of War van Energy Comment Hamburg1, waarin wordt geanalyseerd dat oliemaatschappijen in de EU sinds het uitbreken van de oorlog in het Midden-Oosten dagelijks meer dan € 80 miljoen extra winst maken door hogere marges op diesel en benzine?
Hoe beoordeelt u de analyse dat de brandstofprijzen aan de pomp veel sterker zijn gestegen dan de onderliggende prijs van ruwe olie, en dat dit wijst op buitensporige winstmarges in de fossiele brandstofsector?
Herkent u de conclusie dat de marges vooral zijn opgelopen in lidstaten met een hoge koopkracht, waaronder Nederland?
Het rapport concludeert dat oliemaatschappijen in Nederland vanwege de oorlog in het Midden-Oosten per dag 2,9 miljoen euro overwinst maken door hogere marges te rekenen voor de prijs van benzine en met name diesel, en dat in geen enkel ander Europees land de prijsstijging van diesel zo fors is als in Nederland; hoe kijkt u aan tegen dit rapport en deze conclusies?
Is er in dit geval volgens u sprake van «graaiflatie», waarbij bedrijven misbruik maken van geopolitieke spanningen om winsten te behalen ten koste van burgers? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk onwenselijk is dat fossiele bedrijven extra profiteren van geopolitieke spanningen en oorlog, terwijl burgers de rekening betalen? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat olie- en gasbedrijven geen misbruik kunnen maken van oorlogssituaties of andere rampen om vervolgens de prijzen op te stuwen?
Welke mogelijkheden ziet u om overwinsten van olie- en gasbedrijven tijdelijk of permanent extra te belasten, zodat deze middelen kunnen worden ingezet voor verlaging van energierekeningen en versnelling van de energietransitie?
Welke nationale of Europese wetgeving is nodig om oorlogswinst of overwinsten van fossiele energiebedrijven zwaarder te belasten?
Welke gesprekken heeft u hierover gevoerd met Europese collega’s of in EU-verband, en bent u bereid dit onderwerp actief op de Europese agenda te zetten?
Zal Nederland de oproep aan de Europese Commissie van Duitsland, Italië, Spanje, Portugal en Oostenrijk rond overwinstbelastingen steunen? Ja nee, waarom niet?
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie Teunissen over overwinsten van oliebedrijven inzetten voor tijdelijke steun aan kwetsbare huishoudens?
Tijdens het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten gaf de Minister van Financiën aan dat er op dit moment procedures lopen met energiebedrijven, onder andere vanwege definitiekwesties; kunt u aangeven hoeveel juridische procedures er zijn aangespannen door bedrijven tegen de Nederlandse Staat, met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022?
Kunt u een zo volledig mogelijk overzicht geven van alle lopende juridische procedures – zowel nationaal als internationaal – met betrekking tot de tijdelijke solidariteitsbijdrage uit 2022, inclusief de betrokken partijen, het type procedure en de huidige stand van zaken?
Kunt u nader toelichten welke beroepsprocedures in september en oktober bij Nederlandse rechtbanken starten, en welke zaken momenteel aanhangig zijn bij het Europese Hof van Justitie? Wat zijn de centrale juridische geschilpunten in deze procedures?
Kunt u bevestigen welke energiebedrijven betrokken zijn bij deze procedures, en op welke gronden zij de solidariteitsbijdrage aanvechten?
Kunt u bevestigen of en in hoeverre de solidariteitsbijdrage onderdeel uitmaakt van bredere juridische geschillen met bedrijven zoals Shell en ExxonMobil, bijvoorbeeld in het kader van de arbitrages rond de afbouw van de gaswinning in Groningen?
Kunt u bevestigen of bedrijven internationale arbitrageprocedures zijn gestart tegen Nederland in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage of andere belastingmaatregelen (zoals de conditionele bronbelasting op renten, royalty’s en dividenden)? Zo ja, om welke zaken gaat het en op basis van welke verdragen worden deze claims ingediend?
Kunt u bevestigen of Petrogas een arbitrageprocedure is gestart op basis van het bilaterale investeringsverdrag tussen Nederland en Oman, en of deze procedure (mede) betrekking heeft op de solidariteitsbijdrage en/of andere fiscale maatregelen?2
U gaf aan dat de solidariteitsbijdrage «waarschijnlijk kwetsbaar» was en dat deze kwetsbaarheid zich nu materialiseert; kunt u nader specificeren waar deze juridische kwetsbaarheid precies uit bestaat?
Welke implicaties hebben deze lopende procedures voor de mogelijkheid om in de toekomst nieuwe belastingen op overwinsten of andere crisisgerelateerde heffingen in te voeren?
Welke bredere juridische risico’s ziet u voor het invoeren of aanpassen van belastingmaatregelen die gericht zijn op het tegengaan van excessieve winsten, belastingontwijking of het beschermen van het publieke belang?
Hoe beoordeelt u het feit dat energiebedrijven, die aanzienlijke winsten hebben behaald als gevolg van geopolitieke crisis, juridische procedures starten tegen maatregelen die bedoeld zijn om deze winsten gedeeltelijk af te romen ten behoeve van huishoudens en de samenleving?
Bent u het ermee eens dat geschillen over belastingmaatregelen primair thuishoren bij de nationale rechter en – in voorkomend geval – het Europese Hof van Justitie, en niet in private arbitrageprocedures?
Welke juridische en financiële risico’s ziet u voortvloeien uit Nederlandse bilaterale investeringsverdragen met investor-state dispute settlement (ISDS) clausules in relatie tot fiscale maatregelen zoals de solidariteitsbijdrage?
Hoe verhouden deze risico’s zich tot het bredere kabinetsbeleid ten aanzien van investeringsbescherming en de hervorming of beëindiging van ISDS, mede in het licht van recente discussies over beleidsruimte voor klimaat- en energiebeleid?
Kunnen deze vragen worden beantwoord voorafgaand aan het plenaire debat over de maatregelen van het kabinet inzake de hoge energie- en brandstofprijzen?
De uitkomsten van de Hongaarse parlementsverkiezingen |
|
Felix Klos (D66), Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Rob Jetten (D66), Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD), Berendsen |
|
|
|
|
Wat gaat u doen om het nieuwste sanctiepakket tegen Rusland, dat door Hongarije tot op heden werd geblokkeerd, zo spoedig mogelijk aangenomen te krijgen?
De Unie bereikte op 23 april jl. een akkoord over het twintigste sanctiepakket. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in het verslag van de informele Europese Raad van 23 en 24 april jl.1 De inspanningen van het kabinet zijn er nu op gericht de druk op Rusland nog verder te verhogen met aanvullende sancties. Het kabinet heeft het belang hiervan ook benadrukt in contacten met de inkomende Hongaarse regering.
Wat gaat u doen om de circa € 90 miljard aan Europese steun voor Oekraïne, die tot op heden door Hongarije werd geblokkeerd, zo snel mogelijk op Europees niveau goedgekeurd te krijgen?
Op 23 april jl. bereikte de Raad akkoord op de benodigde amendering van de MFK-verordening. Hiermee is niet langer sprake van een blokkade. Op dit moment werken de deelnemende EU-lidstaten aan de verdere implementatie van de steunlening.
Wat gaat u doen om het toetredingsproces van Oekraïne, inclusief het openen van de onderhandelingsclusters die door Hongarije werden geblokkeerd, zo spoedig mogelijk te laten hervatten?
Beoogd premier Magyar heeft aangegeven dat kandidaat-lidstaten moeten kunnen toetreden tot de EU als ze daar klaar voor zijn. Dat is een belangrijk signaal. Het kabinet hoopt op een constructieve houding van Hongarije in het op merites gebaseerde toetredingstraject van Oekraïne. Het openen van Cluster 1 vormt hierin de eerstvolgende stap. Het kabinet roept hier ook toe op en zal deze boodschap ook bilateraal onder de aandacht brengen van de nieuwe Hongaarse regering. Naar verwachting zal discussie hierover plaatsvinden in Brussel in aanloop naar de Europese Raad op 18-19 juni a.s.
Aan welke voorwaarden moet Hongarije volgens het kabinet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de eerder bevroren Europese middelen? Welke resultaten moeten er worden geboekt? En hoe voorkomt het kabinet dat de Commissie bevroren tegoeden uitkeert voordat het een transparante evaluatie heeft uitgevoerd van bereikte mijlpalen?
De voorwaarden waaraan Hongarije moet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de geblokkeerde EU-middelen liggen op het terrein van anti-corruptie, belangenverstrengeling en rechterlijke onafhankelijkheid en zijn opgenomen als supermijlpalen in het RRF-uitvoeringsbesluit, als corrigerende maatregelen in het uitvoeringsbesluit voor maatregelen tegen Hongarije op grond van de MFK-rechtsstaatsverordening, en als horizontale en thematische randvoorwaarden in de Common Provisions Regulation.2 In lijn met de moties van Lanschot c.s. en Sjoerdsma c.s. pleit het kabinet er voor dat Hongarije deze hervormingen doorvoert voordat de geblokkeerde EU-middelen worden vrijgegeven.3
Overwegende dat er hoop is dat de afbrokkelende rechtsstaat in Hongarije door een nieuwe regering wordt hersteld, welke mogelijkheden ziet u om kennis en ervaring te delen, dan wel op andere wijze Hongarije te ondersteunen bij het herstellen van de rechtsstaat?
Het kabinet zal de nieuwe regering waar mogelijk bij deze hervormingen helpen, afhankelijk van de behoefte, bijvoorbeeld via het delen van kennis en expertise of ondersteuning van het maatschappelijk middenveld. Dit aanbod is in de eerste contacten met de beoogd Minister van Buitenlandse Zaken Anita Orbán al overgebracht.
Zijn er concrete mogelijkheden voor de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie en Veiligheid om in de vorm van expertise bij te dragen aan dit proces? Bent u bereid om op Europees niveau een voortrekkersrol te spelen bij het ondersteunen van het herstel van de Hongaarse rechtsstaat?
Ja. Nederland is bereid om, op verzoek en binnen EU-kader, expertise beschikbaar te stellen ter ondersteuning van rechtsstaathervormingen in Hongarije. Daarbij kan worden voortgebouwd op de wijze waarop eerder in EU-verband dialoog en uitwisseling met Polen hebben plaatsgevonden, onder meer via het delen van best practices en peer-to-peer samenwerking. Ondersteuning zou plaatsvinden in nauwe afstemming met Hongarije, de Europese Commissie en andere lidstaten.
Welke mogelijkheden ziet u om met een nieuwe Hongaarse regering stappen te zetten in de opvolging van de motie-Klos, die oproept tot het afschaffen van veto’s in het gemeenschappelijk buitenland- en defensiebeleid van de Europese Unie?
In lijn met motie Klos zet het kabinet zich in voor het afschaffen van veto’s in het Gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie. Dit is belangrijk voor de slagvaardigheid van de EU. Nederland maakt zich hier hard voor in EU verband. Het is nog onduidelijk wat de opstelling van de inkomende Hongaarse regering zal zijn op dit onderwerp. Verschillende lidstaten hebben echter principiële bezwaren tegen het afschaffen van veto’s, waardoor de inzet op het afschaffen van veto’s in het GBVB een kwestie van lange adem zal blijven. Nederland is nu eerst in gesprek met andere lidstaten over hoe we het beste dit doel kunnen bereiken. Daarbij is het ook van belang om dit onderwerp te zien in de bredere discussie over hoe effectiviteit van het EU-buitenlandbeleid kan worden vergroot.
Welke mogelijkheden ziet u om op andere dossiers doorbraken te realiseren na het aantreden van een pro-Europese regering in Hongarije?
Cf. motie Van Lanschot c.s.4 zal het kabinet zich er bij de Commissie voor inzetten dat Hongarije de rechtsstaat herstelt, zich opnieuw in lijn brengt met gedeelde waarden en het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zoals steun aan Oekraïne en sancties tegen Rusland, en de hervormingen doorvoert om te voldoen aan de voorwaarden voor Europese financiering. Beoogd premier Maygar heeft in zijn overwinningsspeech benadrukt een sterke bondgenoot voor de EU en NAVO te willen zijn. Op basis van eerste mediaoptredens van Magyar en de eerste contacten, is het kabinet hoopvol over een constructieve koers van Hongarije binnen de EU. Het kabinet kijkt uit naar samenwerking met de nieuwe regering.
In dat kader wordt ook gewerkt aan spoedige bilaterale contacten. Zo wordt gestreefd naar een ontmoeting met de beoogd Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken, Anita Orbán, en marge van de informele NAVO-ministeriële bijeenkomst in Helsingborg, Zweden, op 21-22 mei aanstaande. Tevens wordt ingezet op een bezoek aan Boedapest op ministerieel niveau op korte termijn.
Bent u bekend met het pleidooi voor een Europees «re-democratiseringsplan» voor Hongarije, waarin wordt voorgesteld dat de Europese Unie actief bijdraagt aan institutionele wederopbouw door democratische hervormingen structureel te ondersteunen en lidmaatschapsrechten sterker te koppelen aan het functioneren van democratische instituties, en bent u bereid zich op Europees niveau in te zetten voor de ontwikkeling en implementatie van een dergelijk plan? Zo ja, op welke wijze en met welke concrete voorstellen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met dit pleidooi. Democratie is een kernwaarde van de Europese Unie. Het is in de eerste plaats aan lidstaten zelf om de democratie vorm te geven. Initiatieven van de Commissie kunnen daar ondersteunend aan zijn. Het kabinet onderschrijft het belang van dergelijke initiatieven die democratische instellingen binnen lidstaten versterken. Zoals blijkt uit antwoord op vraag 5 en 6 is Nederland bereid om bij te dragen aan benodigde democratische hervormingen in Hongarije daar waar dat toegevoegde waarde heeft.
Het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de “slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen” |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse pluimveesector de «slag om voedselzekerheid dreigt te verliezen»?1
Ja.
Erkent u de zorg dat import uit onder andere China, Oekraïne en Mercosur-landen plaatsvindt onder lagere normen op het gebied van dierenwelzijn, milieu en voedselveiligheid?
De Europese Unie kan onder het multilaterale kader van de Wereldhandels Organisatie (WTO) bij import eisen stellen aan het product op het gebied van voedselveiligheid en etikettering. Geïmporteerde producten moeten altijd voldoen aan dezelfde Europese eisen voor voedselveiligheid als binnen de EU geproduceerd voedsel.
Productiestandaarden komen onder meer voort uit sociaaleconomische, landbouwkundige, klimatologische, milieukundige en geografische omstandigheden van een land. Elk land kent daardoor zijn eigen productiestandaarden, en verschillen in productiestandaarden zijn onvermijdelijk. Daarbij geldt ook dat andere standaarden niet per definitie slechter zijn. Daarnaast geldt dat productiestandaarden onder het zogenoemde right to regulate van derde landen vallen. Een recht waar de EU zelf ook niet lichtvoetig mee om gaat.
Aangezien productiestandaarden onder dit zogenoemd recht om te reguleren van een land vallen, kan de EU slechts in beperkte mate haar productiestandaarden als dierenwelzijns- en milieu-eisen opleggen aan derde landen. Regelgeving over productiestandaarden inzake milieu of dierenwelzijn op geïmporteerde producten moet bijvoorbeeld in lijn zijn met relevante WTO-regels, zoals ook geconcludeerd door de Commissie in 2022 in haar rapport «Toepassing van de gezondheids- en milieunormen van de EU op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten» (COM(2022)226). In de Visie Landbouw en Voedsel heeft de Commissie aangegeven een sterkere afstemming van productiestandaarden die van toepassing zijn op geïmporteerde producten, met name op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en dierenwelzijn, na te streven. Dit moet wel gebeuren in overeenstemming met de internationale (handels)regels. Het kabinet heeft in het BNC-fiche mb.t. de visie aangegeven dit te steunen, en uit te kijken naar deze voorstellen.2 Inmiddels is een deel van de voorstellen gepresenteerd.
Daarnaast kan via handelsverdragen bilateraal afgesproken worden dat enkel producten die aan Europese productiestandaarden voldoen gebruik kunnen maken van lagere importtarieven. In het Associatieakkoord/Deep and Comprehensive Free Trade Agreement met Oekraïne zijn bijvoorbeeld afspraken opgenomen waarin Oekraïne zich verplicht heeft de Europese Sanitaire- en Fytosanitaire (SPS)-regelgeving, inclusief dierenwelzijnsregelgeving, over te nemen en te implementeren. Daarmee worden deze normen gelijkgetrokken met die van de EU.
Klopt het dat Nederland op verschillende punten strengere eisen hanteert of ontwikkelt dan het Europese beleid voorschrijft?
Ja, het klopt dat Nederland op onderdelen verder gaat of sneller beweegt dan het huidige Europese minimumniveau. Tegelijk is het kabinetsuitgangspunt dat een gelijk speelveld belangrijk is en dat onnodige nationale koppen op Europees beleid moeten worden vermeden. Het kabinet onderschrijft het belang van goede dierenwelzijnswetgeving op EU-niveau. Juist voor de concurrentiepositie van Nederlandse veehouders is het van belang dat dergelijke wetgeving zo veel mogelijk op Europees niveau wordt geregeld. Voor dierwaardige veehouderij geldt dat het kabinet hier uitvoering geeft aan een wettelijke opdracht uit artikel 2.3a «Dierwaardige Veehouderij» van de Wet dieren.
Welke concrete maatregelen neemt u om te komen tot een gelijk speelveld binnen de Europese Unie en ten opzichte van derde landen?
Op het gebied van het EU-concurrentievermogen zet het kabinet in op een gelijk speelveld op de interne markt als een eerlijk mondiaal speelveld, waarin bedrijven en niet (lid)staten met elkaar concurreren. Voor landbouw- en voedselproducten zet Nederland zich via de EU in op het ontwikkelen en verbeteren van productiestandaarden. Dat kan multilateraal (bv bij de Wereldhandels Organisatie en de Wereldorganisatie voor Diergezondheid) en bilateraal (in handelsverdragen). Verder kan EU, onder bepaalde voorwaarden, autonome maatregelen treffen.
Bent u bereid om nationale koppen op Europees beleid te beperken, zodat Nederlandse pluimveehouders concurrerend kunnen blijven binnen de interne markt?
De ambitie van het kabinet blijft om onnodige nationale koppen op Europese regels te schrappen. Daarbij geldt wel dat het kabinet voor dierwaardige veehouderij uitvoering moet geven aan de wettelijke opdracht uit de Wet dieren vanuit een ruime kamermeerderheid. Binnen die opdracht blijft het kabinet oog houden voor regeldruk, uitvoerbaarheid, verdienvermogen en het gelijk speelveld.
Erkent u dat voedselproductie een strategisch belang heeft voor Nederland en Europa in het licht van toenemende geopolitieke spanningen?
Voedselzekerheid is van fundamenteel belang voor de nationale en Europese weerbaarheid en strategische autonomie. Een robuuste voedselproductieketen levert hier uiteraard een cruciale bijdrage aan.
Hoe weegt u het risico dat Nederland in toenemende mate afhankelijk wordt van import uit derde landen?
Het veiligstellen van de voedselzekerheid op de langere termijn, ook in relatie tot strategische afhankelijkheden van het buitenland, is voor het kabinet reden om een strategische agenda voor de voedselzekerheid op te stellen om kwetsbaarheden te adresseren. Ik zal de Tweede Kamer voor de zomer informeren over de bouwstenen en de aanpak om te komen tot deze strategische agenda.
Hoe beoordeelt u het risico dat de nationale zelfvoorzieningsgraad van pluimveevlees daalt tot circa 60 procent bij invoering van de algemene maatregel van bestuur (AMvB) dierwaardige veehouderij?
Het kabinet herkent dat ingrijpende nationale maatregelen gevolgen kunnen hebben voor productievolume, kosten, concurrentiepositie en nationale zelfvoorzieningsgraad. Eerdere analyses van Wageningen University & Research laten zien dat nationaal beleid, en specifiek de AMvB dierwaardige veehouderij, grote invloed kan hebben op de veehouderij en dat forse aanpassingen in de pluimveehouderij mogelijk zijn. Tegelijk geldt dat de precieze ontwikkeling van de zelfvoorzieningsgraad afhankelijk is van de uiteindelijke invulling, het tempo van invoering, marktontwikkelingen, innovatie en handelsstromen. Het kabinet verbindt zich daarom niet aan één sectorschatting, maar laat de ontwikkeling wel volgen, juist ook via monitoring van marktontwikkelingen en randvoorwaarden.
Bent u bereid zich in te zetten voor het borgen van een nationale zelfvoorzieningsgraad van ten minste 100 procent alvorens aanvullende maatregelen te nemen?
Het kabinet acht voedselproductie en leveringszekerheid van groot belang, maar een vaste norm van 100% nationale zelfvoorzieningsgraad is geen op zichzelf staand doel. Daarbij is Nederland onderdeel van de EU en is er een gemeenschappelijk landbouwbeleid en vrij verkeer van goederen op de Europese interne markt. Het kabinet stuurt daarom op een bredere afweging, waarin voedselzekerheid, strategische weerbaarheid, dierenwelzijn, uitvoerbaarheid en verdienvermogen samen worden bezien. Overigens was de zelfvoorzieningsgraad van Nederlands pluimveevlees in 2024 152%.
Bent u bekend met het rapport van Wageningen University & Research waaruit blijkt dat de kosten op boerderijniveau voor de pluimveehouderij met circa € 0,23 per kilogram (ruim 19 procent ten opzichte van € 1,20) stijgen?2, 3
Ja, ik ben bekend met het rapport en de financiële doorrekeningen van de plannen van aanpak van de sectoren en Dierenbescherming die daarin zijn opgenomen.
Hoe verhoudt deze kostenstijging zich tot de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders ten opzichte van landen als Duitsland en Polen, waar dergelijke lasten niet gelden?
Een kostenstijging als gevolg van nationale maatregelen kan de concurrentiepositie van Nederlandse pluimveehouders onder druk zetten wanneer die kosten niet in gelijke mate optreden in andere lidstaten. Juist daarom heeft het kabinet steeds benadrukt dat bij dierenwelzijnsverbeteringen een gelijk speelveld binnen de Europese Unie van groot belang is. Tegelijk hangt de feitelijke impact op de concurrentiepositie af van de uiteindelijke invulling van de maatregelen, het invoeringstempo, de mogelijkheden voor innovatie en marktwaardering, en van ontwikkelingen in andere lidstaten. Het kabinet betrekt deze aspecten nadrukkelijk bij de verdere uitwerking van de AMvB dierwaardige veehouderij. Daarbij ben ik ook bereid om met onze buurlanden op te trekken om tot gezamenlijke standaarden en keurmerken rondom dierwaardigheid te komen (specifiek Duitsland en België).
Hoe acht u het mogelijk dat Nederlandse pluimveehouders kunnen blijven concurreren op een Europees speelveld, indien deze kostenstijging zich voordoet?
Bij het komen tot maatregelen in de ontwerp AMvB heeft overleg en afstemming plaatsgevonden met sector en Dierenbescherming. Daarbij is gekeken naar de door deze partijen opgestelde plannen van aanpak voor het verhogen van dierenwelzijn in de pluimveesector, naar wetenschappelijke onderbouwing en naar de handhaafbaarheid van voorgenomen maatregelen. Ook is een economische impactanalyse gemaakt. Er is op grond daarvan gekozen voor een stapsgewijze aanpak tot 2040 zodat enerzijds duidelijk is welke stip er op de horizon staat en er tevens voldoende tijd is om daar naar toe te kunnen werken. Daarbij zet het kabinet zich actief in voor de marktcreatie voor deze producten in binnen- en buitenland, waarbij Nederlandse producten kwalitatief aan de beste standaarden voldoen. Intussen heeft de Europese Commissie aangekondigd te zullen komen met een herziening van de Europese dierenwelzijnsregelgeving waarmee naar verwachting ook in Europees verband zal worden gekomen tot hogere dierenwelzijnsstandaarden en er daarmee binnen de EU een gelijk speelveld blijft bestaan.
Bent u bereid om in overleg met de sector te kijken of dierenwelzijnsverbeteringen kunnen worden gerealiseerd via maatregelen die geen negatieve impact hebben op de zelfvoorzieningsgraad en concurrentiepositie, bijvoorbeeld door sturing op basis van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s), als alternatief voor onderdelen van de AMvB dierwaardige veehouderij?
Zie het antwoord op vraag 12.
Bent u bekend met het artikel «Zijn bedrijf wordt verdacht van fraude, maar toch verdient deze taxibaas miljoenen bij Defensie» van Follow the Money?1
Ja.
Overwegende dat volgens berichtgeving bedrijven in het netwerk van een Nederlandse ondernemer worden verdacht van fraude in internationale munitiehandel, terwijl aan ditzelfde netwerk defensieopdrachten van grote waarde zijn verstrekt, hoe reflecteert u op deze berichtgeving?
Zakelijke integriteit, waaronder het tegengaan van fraude en corruptie, is een onderwerp dat wij zeer serieus nemen. Door de geopolitieke context, de grote behoefte aan (specialistische) militaire producten en de korte tijdspanne waarin deze geleverd moeten worden, neemt de kans op het manifesteren van fraude- en corruptierisico’s toe. Dit is ook door de Audit Dienst Rijk (ADR) gesignaleerd en Defensie werkt daarom aan verschillende verbeteringen om beter met deze toegenomen risico’s om te gaan. Voorbeelden hiervan zijn het voorbereiden van een defensiebrede frauderisicoanalyse en het ontwikkelen van een frauderisicomanagementsysteem waarin aandacht is voor de preventie, herkenning en detectie van fraude en corruptie.
Klopt het dat bedrijven gelieerd aan deze ondernemer betrokken zijn bij contracten met het Ministerie van Defensie voor de levering van wapens, munitie, boten of ander militair materieel? Zo ja, om welke contracten en bedragen gaat het precies?
Het klopt dat Defensie overeenkomsten heeft met bedrijven die aan deze ondernemer gelieerd zijn. Om operationeel en commercieel vertrouwelijke redenen doet Defensie geen uitspraak over de aard en omvang van de opdrachten.
Wanneer en op welke wijze is het Ministerie van Defensie geïnformeerd over eventuele strafrechtelijke onderzoeken of verdenkingen van fraude met betrekking tot bedrijven die betrokken zijn bij deze contracten?
Op 15 november 2025 heeft Defensie kennisgenomen van een krantenartikel in De Limburger waarin melding werd gemaakt van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie van een van de bedrijven, op grond van fraude met eindgebruikerscertificaten.
Op 18 november 2025 heeft de ondernemer Defensie over de achtergronden en oorzaken geïnformeerd. Op die datum had Defensie enkele contracten met het bedrijf dat onderwerp was van het fraudeonderzoek en waarvan de erkenning op grond van de Wet Wapens en Munitie werd ingetrokken. Defensie is niet voornemens om nieuwe overeenkomsten met dit bedrijf te sluiten. De uitvoering van deze contracten is door een ander bedrijf, dat wel over de juiste vergunningen beschikt, overgenomen zodat Defensie nog steeds over de producten kon beschikken die waren aangekocht.
Overwegende dat volgens het artikel sprake zou zijn geweest van het gebruik van valse of misleidende eindgebruikerscertificaten bij internationale munitiehandel, was het Ministerie van Defensie hiervan op de hoogte? Zo ja, wanneer en welke consequenties zijn hieraan verbonden?
Zie antwoord vraag 4.
Welke integriteits-, veiligheids- en betrouwbaarheidstoetsen worden standaard uitgevoerd bij bedrijven die defensiecontracten verkrijgen, met name wanneer het gaat om handel in wapens en munitie?
Nederlandse bedrijven die wapens of munitie leveren dienen een erkenning te hebben ingevolge de Wet Wapens en Munitie. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan daarnaast een eigen verklaring gevraagd worden van een leverancier, een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis, een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) of een autorisatie door de MIVD ingevolge de Algemene Beveiligingseisen voor Defensieopdrachten (ABDO) c.q. de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). Voor buitenlandse bedrijven bestaan equivalente verklaringen, waar Defensie op dezelfde wijze mee omgaat.
In hoeveel gevallen heeft Defensie sinds de Russische invasie van Oekraïne gebruikgemaakt van nieuwe leveranciers of tussenhandelaren bij de inkoop van militair materieel? Welke extra risico’s op fraude of misbruik brengt dit volgens u met zich mee?
Door de Russische invasie zijn er vele en snelle ontwikkelingen en innovaties op het gebied van militair materieel en de wijze van militair optreden. Dit brengt met zich mee dat er nieuwe bedrijven zijn waar Defensie mee samenwerkt en waar Defensie militair materieel van inkoopt. In sommige gevallen zijn dit kleine en relatief onbekende bedrijven, vaak omdat zij in staat zijn specifiek materieel goed en snel te leveren. Voorbeelden hiervan zijn droneontwikkelaars. De snelheid van levering en de leveringszekerheid zijn in deze tijden van materieelschaarste voor Defensie een van de belangrijkste criteria waarop leveranciers worden geselecteerd, uiteraard naast andere factoren als de prijs en kwaliteit van het materieel en betrouwbaarheid van de leverancier. De intensievere samenwerking met externe partners, waaronder tussenhandelaren, in tijden van schaarste vraagt van Defensie extra aandacht voor de beheersing van risico’s op het gebied van fraude en corruptie. Hiervoor werkt Defensie inmiddels aan verbeteringen en blijft dit de komende jaren ook doen. Een aantal concrete voorbeelden hiervan hebben we benoemd in ons antwoord onder vraag 2.
Overwegende dat in het artikel wordt gesteld dat bepaalde betrokken bedrijven mogelijk niet voldoen aan NAVO- of ISO-kwaliteitsstandaarden voor defensieleveranciers, kunt u aangeven aan welke kwaliteits- en certificeringsvereisten bedrijven moeten voldoen om als leverancier voor Defensie op te treden?
Defensie stelt bij de inkoop van materieel eisen aan de leverancier, aan het product en aan de kwaliteitszorg. Welke eisen gesteld worden, is sterk afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald. Bij alle contracten die Defensie sluit, dus ook bij contracten met bedrijven waar deze ondernemer bij betrokken is, wordt vooraf gecontroleerd of het bedrijf en de te leveren producten aan alle gestelde eisen voldoen.
Welke controles voert het ministerie uit om te waarborgen dat materieel dat via tussenhandelaren wordt ingekocht daadwerkelijk voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen en niet tegen onnodig hoge prijzen wordt geleverd?
Materieel dat gekocht wordt, wordt bij ontvangst gecontroleerd. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan een testplan worden afgesproken, een acceptatietest in de fabriek, en/of een acceptatietest na installatie bij de gebruiker. Ook wordt garantie bedongen voor productie- en/of ontwerpfouten. Welke testen en garantie worden bedongen wisselt naar gelang de aard van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald.
Bij het inkopen zonder concurrentiestelling, wordt bij contracten van meer dan € 2,5 miljoen geëist dat de ADR een onderzoek naar de prijsstelling kan uitvoeren. Daarbij wordt onder meer het winstpercentage beoordeeld. De resultaten van het ADR-onderzoek kunnen aanleiding zijn voor aanvullende onderhandelingen en bijstelling van de prijs.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat bedrijven die worden verdacht van fraude of andere integriteitsschendingen betrokken raken bij defensiecontracten of leveringen van militair materieel?
Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld.
Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping.
Bent u bereid lopende contracten met bedrijven uit het genoemde netwerk opnieuw te beoordelen op integriteit, betrouwbaarheid en prijsstelling? Zo nee, waarom niet?
Wij zien nu geen aanleiding om deze beoordeling opnieuw uit te voeren. De lopende contracten zijn beoordeeld op betrouwbaarheid en prijsstelling. De genoemde bedrijven hebben voorafgaand aan contractering een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis overlegd en er is voorcalculatorisch onderzoek uitgevoerd door de ADR. Wel is een verkennend onderzoek gestart naar aanleiding van dit signaal betreffende informatieverstrekking aan een leverancier.
Kunt u deze vragen tijdig voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden bij dit debat kunnen worden betrokken?
Ja.