Fraude bij Goldman Sachs |
|
Frans de Nerée tot Babberich (CDA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «ABN slachtoffer fraude door Goldman»?1
Ja
Is het waar dat ABN Amro en/of RBS hiervan schade hebben ondervonden? Zo ja, hoe groot is deze schade? Waar bestaat deze schade uit?
Ja, dit klopt. De schade bedraagt volgens de aanklacht van de SEC (afgerond) USD 841 miljoen.
De schade is gelopen bij het onderdeel van het toenmalige ABN Amro dat is overgenomen door RBS en dat nu de naam The Royal Bank of Scotland N.V. heeft. Sinds de separatie van ABN AMRO Bank op 1 april 2010 valt The Royal Bank of Scotland N.V. volledig onder RBS Group en is ABN AMRO Bank ondergebracht bij de 100% staatsdeelneming ABN AMRO Group. Het is dan ook aan RBS om nadere uitspraken te doen over deze schade.
In hoeverre is er een mogelijkheid dat Goldman Sachs door ABN Amro aansprakelijk wordt gesteld voor deze schade? Als RBS vooral getroffen is, heeft deze schade dan doorgewerkt in de bedragen die gemoeid zijn geweest bij de ontvlechting van het consortium? Kan de schade die hieruit voortvloeit dan verhaald worden?
Het deel van het oorspronkelijke ABN AMRO dat in handen is van de staat (ABN AMRO Bank N.V., waarin alle relevante activiteiten van de zogenaamde N-share zijn ondergebracht) heeft geen schade ondervonden van de fraude. Het bedrijfsonderdeel dat de schade heeft geleden is eigendom van RBS. Het is dan ook aan RBS om al dan niet een claim in te dienen bij Goldman Sachs.
De schade als gevolg van de fraude heeft niet doorgewerkt in de kosten rondom de ontvlechting van het consortium. Het bedrijfsonderdeel dat schade heeft ondervonden door de fraude door Goldman Sachs is als onderdeel van de afspraken binnen het consortium dat ABN AMRO heeft overgenomen al in 2007 toegewezen aan RBS. De schade heeft daarom niet doorgewerkt in de afrekening met het consortium.
In hoeverre zijn ook andere financiële instellingen waar de overheid bij betrokken is, zoals ING, geraakt door dergelijke praktijken?
Hiervan ben ik niet op de hoogte. Het kabinet heeft gekozen voor een zakelijke relatie met de financiële instellingen waar de Nederlandse Staat bij betrokken is. Het is niet aan de Minister van Financiën om uitspraken over dergelijke zaken te doen, maar aan deze instellingen zelf.
Wordt ook in Nederland door de AFM naar eventueel vergelijkbare praktijken gekeken?
De AFM kan een onderzoek instellen naar een financiële onderneming die mogelijk de regels heeft overtreden. Het is bij mij onbekend of de AFM thans onderzoek doet naar praktijken die vergelijkbaar zijn met de fraude waar Goldman Sachs van wordt beschuldigd. De AFM voert haar taken op het gebied van gedragstoezicht op de financiële markten zelfstandig uit. Ik heb als minister dan ook geen overzicht over de lopende onderzoeken van de AFM. Ik ga er van uit dat de AFM een onderzoek instelt indien de situatie hier aanleiding toe geeft.
Een Rijksrecherche onderzoek naar de schrijfproeven in de Deventer moordzaak |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
|
|
|
Erkent u dat het overschrijven van een hele bladzijde strijdig is met de forensische norm voor het afnemen van een schrijfproef?1
Nee. De betreffende FT-norm schrijft slechts voor dat de tekst aan de betrokkene moet worden gedicteerd. Het gedeeltelijk overschrijven van de gedicteerde tekst is op zichzelf niet in strijd met die norm. Wel meen ik dat het overschrijven als bijzonderheid had moeten worden vermeld in het proces-verbaal van de betreffende schrijfproef.
Waarop baseert u de «overschrijfhypothese» terwijl die door de feiten en de betrokken getuigen wordt tegengesproken en allen stellen dat alles volgens de richtlijnen is verlopen en zich geen bijzonderheden hebben voorgedaan?
De «overschrijfhypothese» biedt een logische verklaring voor de herstelactie die mogelijk heeft plaatsgevonden nadat klaarblijkelijk was geconstateerd dat mevrouw W. de gedicteerde tekst op de achterkant van het eerste blad doorschreef. Zij past bovendien bij de verklaringen die mevrouw W. tegenover de Rijksrecherche heeft afgelegd en bij de destijds gemaakte aantekeningen in haar agenda. De enkele omstandigheid dat een aantal door de Rijksrecherche gehoorde getuigen heeft verklaard «dat alles volgens de richtlijnen is verlopen en zich geen bijzonderheden hebben voorgedaan», doet aan de aannemelijkheid van de overschrijfhypothese niet af.
Uit welke agenda-aantekeningen of verklaring van mevrouw W., van haar advocaat of van de betrokken rechercheur blijkt dat er een hele bladzijde zou zijn overgeschreven en de originele bladzijde is weggegooid?
Dat kan volgen uit de agenda-aantekeningen van mevrouw W. bij de datum 3 april 2006. Over die aantekeningen heeft mevrouw W. tegenover de Rijksrecherche verklaard dat zij zich meent te herinneren dat zij op het eerste blad op de achterzijde verder schreef, omdat zij de voorzijde had volgeschreven en dat dat niet de bedoeling was, omdat de tekst niet mocht doordrukken.
Verder verklaarde zij dat zij vervolgens op een nieuw blad moest verder schrijven en dat zij een nieuw blad uitgereikt kreeg waarop zij de proef had voortgezet.
Mede op basis daarvan is van de gang van zaken tijdens de schrijfproef een reconstructie gemaakt. Die geeft grond voor de aanname dat de bladzijde waarvan de achterzijde was beschreven, is weggegooid.
Waarom heeft de Rijksrecherche de mogelijkheid van het weggooien niet onderzocht, nu dit de pijler lijkt te zijn onder uw antwoord?
De mogelijkheid van het weggooien heeft wel deel uitgemaakt van het onderzoek door de Rijksrecherche. Getuigen zijn ernaar gevraagd, maar wisten zich de relevante feitelijke details niet of slechts ten dele te herinneren. Zie voorts het antwoord op vraag 3.
Waar in het rapport en door welke onderzoeksactiviteiten is de fraudehypothese van de Rijksrecherche weerlegd, anders dan het horen van getuige F. die slechts verklaart dat het ontbreken van de passage niet van invloed is geweest op de uitslag?
Deze fraudehypothese is door de Rijksrecherche geformuleerd ten behoeve van haar feitenonderzoek. Zij is vervolgens niet aannemelijk geoordeeld. Zie ook het antwoord op vraag 6. De getuige F. heeft overigens niets verklaard over de totstandkoming van de schrijfproef, maar over de bruikbaarheid van het resultaat voor het handschriftvergelijkend onderzoek. Ik citeer uit zijn verklaring: «De bedoeling is dat wij een stuk handgeschreven tekst of een aantal handtekeningen ontvangen dat wij als vergelijkingsmateriaal kunnen gebruiken. Indien er niet geheel is voldaan aan de richtlijnen, wil dat niet zeggen dat dit meteen onbruikbaar is. We hadden voldoende aan het aangeleverde materiaal om tot een oordeel te komen».
Uit de verklaring van getuige F. kan worden geconcludeerd dat, indien de FT-norm wel was overschreden, het materiaal volgens getuige F. niettemin bruikbaar zou zijn geweest.
Waarom zijn de in de bijlage2 opgenomen tegenstrijdige verklaringen van betrokkenen en onregelmatigheden in combinatie met de onmogelijke tijdlijn en de onverklaard gebleven ontbrekende passage, in tegenstelling tot hetgeen fraude-experts3 en statistici (zoals Richard Gill) volgens u geen aanwijzingen voor frauduleus handelen?
Met «frauduleus handelen» wordt kennelijk gedoeld op de mogelijkheid dat een ander dan mevrouw W. de schrijfproef heeft afgelegd, of dat mevrouw W. een aantal gedicteerde woorden bewust niet heeft opgeschreven. Het onderzoek van de Rijksrecherche geeft evenwel geen reden om eraan te twijfelen dat mevrouw W. de schrijfproef heeft afgelegd. De schrijfproefformulieren van mevrouw W. zijn daadwerkelijk beschreven door mevrouw W., gezien de door het NFI geconstateerde sterke samenhang tussen dit handschrift en het van mevrouw W. afkomstige handschrift op andere ter vergelijking gebruikte dragers. Voorts valt niet in te zien hoe met het enkele niet opschrijven van 15 van de 131 gedicteerde woorden het resultaat van het handschriftvergelijkend onderzoek zodanig zou kunnen worden beïnvloed, dat daardoor niet meer zou kunnen worden vastgesteld dat mevrouw W. de auteur is van de anonieme briefjes.
Het onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut en het onderzoek door het Britse Forensic Science Services hebben tot slot geen aanwijzingen opgeleverd dat de tekst op de anonieme briefjes van dezelfde schrijver afkomstig is, noch dat die afkomstig is van een van de deelnemers aan de schrijfproef.
Hoe verhouden deze feiten en verklaringen zich tot uw antwoord op de achtste vraag van de eerder gestelde Kamervragen dat de geformuleerde eventualiteiten zich niet hebben voorgedaan?
Zie het antwoord op vraag 8.
Kunt u per punt van bijlage 1 uiteenzetten waarom de Rijksrecherche geen onderzoek (aanvullende vragen etc.) naar de fraudeaanwijzingen heeft verricht dan wel kunt u de pagina’s noemen, waarop de onderzoeksactiviteiten (inclusief de uitkomsten) zijn beschreven?
De herstelhypothese is niet onverenigbaar met de in de bijlage gereleveerde «feiten en verklaringen». De fraudehypothese heeft wel deel uitgemaakt van het feitenonderzoek van de Rijksrecherche maar is ondanks de «feiten en verklaringen» niet aannemelijk geworden.
Naar tijdstippen heeft de Rijksrecherche wel onderzoek gedaan, maar er is onduidelijkheid blijven bestaan over het exacte tijdstip waarop de opdracht tot het uitvoeren van de schrijfproeven bij het korps Noord- en Oost Gelderland is binnengekomen. Dit is ook vermeld in het persbericht en in mijn antwoord op vraag 7 van eerdere vragen van het lid Pechtold (D66) over een Rijksrechercheonderzoek naar schrijfproeven in het kader van de Deventer moordzaak en het klachtrecht bij het Openbaar Ministerie (TK 2009–2010, 1788). Ook dat doet echter in mijn ogen niet af aan de aannemelijkheid van de herstelhypothese en onaannemelijkheid van de fraudehypothese.
De bezuinigingen bij Bureau Jeugdzorg Utrecht en Trajectum te Utrecht |
|
Marianne Langkamp (SP) |
|
André Rouvoet (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport, minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe Bureau Jeugdzorg Utrecht hetzelfde aantal gezinnen kan begeleiden als zij naar verwachting 4,2 miljoen euro minder krijgt in 2010?1, 2 en 3
Zoals ik op 26 maart 2010 in antwoord op eerdere kamervragen heb gemeld3, heeft de provincie Utrecht mij laten weten dat deze informatie niet juist is. Er is volgens de provincie Utrecht geen sprake van een bezuiniging op de subsidie voor bureau jeugdzorg.
Is het waar dat Bureau Jeugdzorg Utrecht nog steeds te maken heeft met een groeiende hulpvraag en aantal aanmeldingen?4 Zo ja, hoe kunt u deze bezuinigingen dan rijmen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat Bureau Jeugdzorg de groeiende hulpvraag kan opvangen?
Met de provincies en stadsregio’s ben ik in IPO-verband het Afsprakenkader jeugdzorg 2010–2011 overeengekomen. Met dit afsprakenkader is vastgesteld welke middelen ik beschikbaar stel voor de provinciale jeugdzorg voor de jaren 2010 en 2011. In IPO-verband is een verdeelvoorstel gemaakt waarmee ik heb ingestemd. Over de precieze bedragen per provincie en stadsregio heb ik u geïnformeerd per brief van 20 januari (Kamerstukken 2009–2010, 31 839, nr. 32).
Op basis van het beschikbare budget is afgesproken dat provincies alle kinderen de noodzakelijke zorg geven binnen verantwoorde wachttijden. Dit geldt ook voor de provincie Utrecht.
Kunt u aangeven hoeveel jeugdhulpverleners er bij Bureau Jeugdzorg Utrecht en Trajectum inmiddels zijn ontslagen, of hun contract niet meer is verlengd vanwege bezuinigingen?4
Zoals ik u in antwoorden op eerdere kamervragen (d.d. 26 maart 2010) hierover heb gemeld, is er bij bureau jeugdzorg geen sprake van een bezuinigingsmaatregel. Wel zullen van bepaalde medewerkers de tijdelijke contracten niet worden verlengd omdat de incidentele bijdrage in verband met de wachtlijstaanpak niet wordt gecontinueerd. De provincie Utrecht is niet op de hoogte van het aantal hulpverleners voor wie dit het geval is. De provincie geeft aan dat er in elk geval geen sprake zal zijn van (gedwongen) ontslag.
Ook heeft de provincie Utrecht van Trajectum geen signalen ontvangen dat er ontslagen zullen vallen.
Kunt u aangeven hoeveel andere Bureaus Jeugdzorg minder subsidie hebben gekregen dan in 2009? Wat zijn de gevolgen voor deze Bureaus Jeugdzorg?
Zoals in eerdere beantwoording van kamervragen gemeld (d.d. 26 maart 2010), is het de verantwoordelijkheid van de provincies om middelen beschikbaar te stellen voor bureau jeugdzorg. Provincies informeren mij na afloop van elk jaar over de besteding van de doeluitkering.
Zijn er al provincies die afspraken gemaakt hebben met gemeenten hoe gemeenten intensief ambulante hulpverlening kunnen inschakelen zonder indicatie van Bureau Jeugdzorg? Zo ja, kunt u aangeven hoeveel gemeenten al zo werken? Zo nee, hoe gaat u stimuleren dat gemeenten dit meer gaan doen?
Zoals ik u in eerdere antwoorden heb laten weten (d.d. 26 maart 2010), is het maken van afspraken over intensief ambulante hulptrajecten en andere vormen van zorg een verantwoordelijkheid van de provincies. Over de inhoud van deze afspraken is op centraal niveau op dit moment geen informatie beschikbaar.
De provincies informeren mij voor 1 oktober over de uitvoering van het Afsprakenkader. Zoals toegezegd in het algemeen overleg van 11 mei jongstleden zal ik uw Kamer na ontvangst van deze gegevens zo spoedig mogelijk hierover informeren.
Is het waar dat Bureau Jeugdzorg Utrecht onder aangescherpt toezicht staat? Kunt u aangeven wat hieronder precies wordt verstaan, en wat de gevolgen hiervan zijn?1
De provincie Utrecht zal de komende tijd het toezicht op bureau jeugdzorg verscherpen. Dit houdt in dat alle stukken die naar de Raad van Toezicht gaan ook aan de provincie Utrecht worden gezonden.
Is het waar dat de financiering voor de Deltamethode ontoereikend is? Zo ja, wat voor gevolgen heeft dit op de caseload van gezinsvoogden in het hele land?
Het bestaande normtarief voor de uitvoering van een maatregel van gezinsvoogdij volgens de Deltamethode is op 1 januari 2008 in werking getreden. Dit normtarief is vastgesteld na een uitgebreid en gedegen kostprijsonderzoek en met medewerking en instemming van de MOgroep Jeugdzorg en het IPO. Het normtarief is gebaseerd op een gemiddelde caseload van 1:15. Door de MOgroep Jeugdzorg zijn in juli 2009 signalen afgegeven dat het normtarief voor het jaar 2008 ontoereikend zou zijn en dat sprake is van tekorten in de exploitatie in 2008.
Het staat nog niet vast dat er inderdaad sprake is van een structureel tekort in de jeugdbescherming en zo ja, of dit tekort veroorzaakt wordt door een te laag normtarief. Met IPO en MOgroep Jeugdzorg is dan ook afgesproken dat onafhankelijk onderzoek wordt gedaan naar het normtarief jeugdbescherming. Dit onderzoek is inmiddels gestart en zal nog vóór de zomer 2010 worden afgerond.
Vooralsnog houd ik vast aan de met het IPO en MOgroep Jeugdzorg afgesproken gemiddelde caseload voor gezinsvoogdijwerkers van 1:15. Met deze caseload is uitvoering gegeven aan de ambitie zoals die geformuleerd is in het kader van het programma Beter Beschermd.
Wat gaat u eraan doen dat de gezinsvoogden op een gemiddelde caseload van 15 gezinnen blijven zodat zij de Deltamethode naar behoren kunnen uitvoeren?
Zie antwoord vraag 7.
Langdurig verblijf van psychiatrische patiënten in de isoleercel |
|
Cisca Joldersma (CDA) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het trieste bericht «Levend begraven in een isoleercel»?1
Ja.
Hoe staat het met het onderzoek dat u zou laten doen naar het langdurig verblijf van psychiatrische patiënten in de isoleercel en de mogelijkheden om dit terug te dringen?
De Stichting IVA Beleidsonderzoek en Advies verricht momenteel onderzoek naar «de separeerpraktijk in Nederland en de vorderingen die worden gemaakt bij het daadwerkelijk terugdringen van separaties». In het onderzoek wordt onder andere gekeken naar separaties die in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet bopz) plaatsvinden en de mate waarin instellingen deze separaties en andere vormen van dwangtoepassing conform de wettelijke vereisten melden aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Ook wordt in het onderzoek meegenomen op welke wijze inzicht verkregen kan worden in de aard, de duur en de omvang van dwangtoepassing. Het onderzoek levert kwalitatieve en cijfermatige informatie op over de werking van het beleid rondom separaties, zowel op landelijk als op instellingsniveau en op de werkvloer. De resultaten van dit onderzoek worden begin juni 2010 verwacht. Vervolgens wordt de Tweede Kamer zo spoedig mogelijk geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek.
Hoe wordt de medische zorg voor gedwongen opgenomen psychiatrische patiënten gegarandeerd?
Artikel 38a van de Wet bopz bepaalt dat de geneesheer – directeur ervoor zorgt dat er een behandelingsplan wordt opgesteld. Patiënten met een inbewaringstelling of een rechterlijke machtiging krijgen zo spoedig mogelijk na opneming een behandelingsplan. Het behandelingsplan wordt opgesteld in overleg met de patiënt, tenzij deze patiënt niet wilsbekwaam is. Het behandelingsplan moet erop gericht zijn de stoornis zodanig te verbeteren dat het gevaar op grond waarvan de patiënt in het ziekenhuis moet verblijven, wordt weggenomen. Soms is de stoornis zelf echter niet te verbeteren, dan is het gevaar aangrijpingspunt voor de behandeling.
In artikel 56 van de Wet bopz staat dat in het patiëntendossier aantekening moet worden gehouden van de voortgang in de uitvoering van het behandelingsplan per maand. Het behandelingsplan moet dus zo zijn opgesteld dat een regelmatige toetsing van de middelen die erin zijn opgenomen aan de bereikte resultaten mogelijk is (zie het «Besluit rechtspositieregelen Bopz»).
Welke mogelijkheden ziet u om de rol van de familie te versterken, zoals via de familievertrouwenspersoon of via het recht op informatie, gezien het feit dat het nog steeds voorkomt dat de familie van de psychiatrische patiënt op afstand wordt gezet, en niet bij de behandeling wordt betrokken?
De familie van de patiënt heeft de mogelijkheid om zelfstandig, of na het inwinnen van advies van een familievertrouwenspersoon (fvp), contact op te nemen met de behandelaar van de patiënt.
In het wetsvoorstel Wet verplichte Geestelijke Gezondheidszorg (WvGGZ), dat binnenkort bij de Tweede Kamer zal worden ingediend, zal de fvp een wettelijke grondslag krijgen. Hiermee wordt de positie van de familie versterkt.
De fvp treedt op als de onafhankelijk belangenbehartiger van de directe familie of naaste van een psychiatrische patiënt. Hij geeft de familie advies en bijstand. De fvp zal daarbij, mits de patiënt daartegen geen bezwaar maakt, inzage krijgen in het dossier van de patiënt en dit met de familie kunnen delen.
Deelt u de opvatting dat zelfdoding door patiënten tot het uiterste moet worden voorkomen, en dat bij de wens tot zelfdoding de instelling de patiënt niet mag loslaten?
Ik ben van mening dat suïcides zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Om hieraan tegemoet te komen, heb ik, mede namens de Minister voor Jeugd en Gezin, de Beleidsagenda Suïcidepreventie uitgebracht. Dit uitgangspunt geldt voor iedereen en dus ook voor patiënten met een psychiatrische stoornis.
Dit neemt niet weg dat er patiënten met een psychiatrische stoornis zijn, die jarenlang ondraaglijk psychisch lijden en die zich met een nadrukkelijke en jarenlange persisterende doodswens tot een psychiater wenden. Voor deze uitzonderlijke situaties heeft de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVVP) destijds de «Richtlijn hulp bij zelfdoding» opgesteld. In die richtlijn zijn zorgvuldigheidseisen opgenomen die psychiaters in acht moeten nemen, indien een psychiatrische patiënt zich tot hen wendt met een verzoek om hulp bij zelfdoding.
In dit verband verwijs ik naar het recent uitgebrachte persbericht van de NVVP d.d. 19 april jl. «Psychiaters laten patiënten niet aan hun lot over!». Uit dit persbericht blijkt dat van de ruim driehonderd patiënten die zich jaarlijks melden tot een psychiater met een verzoek om hulp bij zelfdoding, jaarlijks slechts twee tot vijf van dergelijke verzoeken worden ingewilligd.
Het behoort tot de verantwoordelijkheid van ggz-instellingen om patiënten die suïcidaal zijn, noodzakelijke zorg te bieden. Dit houdt naar mijn mening in dat suïcidale patiënten niet uit een ggz-instelling ontslagen mogen worden zonder dat de nazorg adequaat geregeld is. De verantwoordelijkheden van de verschillende partijen bij nazorg maken tevens onderdeel uit van het Kwaliteitsdocument ketenzorg bij suïcidaliteit, dat door het Trimbos instituut wordt opgesteld.
Hoe gaat u bewerkstelligen dat in de praktijk de Richtlijn «Omgaan met het verzoek om hulp bij zelfdoding door patiënten met een psychiatrische stoornis» zorgvuldig wordt toegepast?2
Het behoort tot de professionele verantwoordelijkheid van een psychiater om een richtlijn op een juiste en zorgvuldige wijze toe te passen.
Indien een psychiater daadwerkelijk overgaat tot het verlenen van hulp bij zelfdoding, dient hij of zij dit te melden aan de regionale toetsingscommissie euthanasie. De toetsingscommissie beoordeelt dan of voldaan is aan de zorgvuldigheidseisen zoals zijn vastgelegd in de wet Toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
De werkin gvan het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Duitsland voor Rijnvaartschippers |
|
Frans Weekers (VVD) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat er grote onduidelijkheid is ontstaan over de vraag of Rijnvaartschippers wel of niet belastingplichtig zijn in Nederland? (Ter illustratie: uitspraak rechtbank te ’s-Gravenhage1)?
Mij is bekend dat enkele Nederlandse binnenvaartschippers betwisten dat de winst die zij behalen met hun binnenvaartonderneming aan de heffing van Nederlandse inkomsten- of vennootschapsbelasting is onderworpen. Het is in Nederland gebruikelijk dat bij een niet in overleg op te lossen verschil van inzicht tussen een belastingplichtige en de Belastingdienst het oordeel van de rechter in belastingzaken wordt gevraagd. Dat is ook geschied in de zaak waarnaar in vraag 1 wordt verwezen.
Voor de verdeling tussen Nederland en Duitsland van het recht tot belastingheffing over de winst van een binnenvaartonderneming is op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen alsmede van verscheidene andere belastingen en tot het regelen van andere aangelegenheden op belastinggebied (verder te noemen «het Nederlands-Duitse belastingverdrag») van belang dat vastgesteld wordt waar het middelpunt van de algemene leiding van de binnenvaartonderneming zich bevindt. Deze leiding is in de regel in handen van de ondernemer zelf. In dat geval kan het middelpunt van de algemene leiding van de binnenvaartonderneming zich in diens woning aan de wal bevinden of aan boord van het schip waarop de ondernemer vaart. Als het middelpunt van de leiding van een binnenvaartonderneming zich aan boord van een schip bevindt, dan wordt voor de toepassing van het Nederlands-Duitse belastingverdrag de plaats waar het schip zijn thuishaven heeft, beschouwd als de plaats van de leiding van de onderneming. Het Nederlands-Duitse belastingverdrag geeft geen nadere richtlijnen voor de invulling van het begrip thuishaven. Invulling van dit begrip heeft plaatsgevonden in de belastingrechtspraak. Naar het oordeel van de Hoge Raad (arresten van 30 maart 1955, nr. 12 239 en 10 december 1958, nr. 13 784), alsmede recent nog het Hof ’s-Gravenhage (8 december 2009, nr. 08/00394) is de thuishaven van een schip de haven waar het schip zijn reizen aanvangt en eindigt. Een thuishaven zou aldus kunnen worden vastgesteld aan de hand van het logboek van een schip. Als dat echter onvoldoende houvast zou bieden, kan volgens de Nederlandse rechtspraak de thuishaven mede worden bepaald aan de hand van een aantal andere factoren, zoals de nationaliteit van het leidende deel van de bemanning, de plaats van waaruit het schip wordt gedirigeerd en waar het schip wordt bevoorraad.
Opgemerkt zij dat de regeling voor de winst van binnenvaartschippers in het huidige Nederlands-Duitse belastingverdrag in de kern overeen komt met de relevante bepaling in het OESO-modelverdrag, artikel 8. Dat wil zeggen dat ook op grond van artikel 8 OESO-modelverdrag het heffingsrecht ter zake van voordelen uit de exploitatie van binnenvaartschepen wordt toegewezen aan de staat waar de werkelijke leiding van de binnenvaartonderneming is gelegen, waarbij indien de werkelijke leiding zich aan boord van een schip bevindt, deze eveneens wordt geacht te zijn gelegen in de staat waar de thuishaven van het schip zich bevindt. Hieruit volgt derhalve dat het een internationaal algemeen aanvaard beginsel is om, indien de werkelijke leiding van een binnenvaartonderneming zich aan boord van het schip bevindt, aan te sluiten bij de plaats waar het schip zijn thuishaven heeft. Echter, ook in het OESO-modelverdrag en het bijbehorende commentaar wordt geen nadere invulling gegeven aan het begrip thuishaven.
Met Duitsland zijn onderhandelingen gaande over de herziening van het huidige belastingverdrag. Voor wat betreft de toewijzing van het heffingsrecht ter zake van voordelen uit de exploitatie van binnenvaartschepen zet Nederland hierbij in op opneming van een bepaling die (grotendeels) overeenkomt met artikel 8 van het OESO-modelverdrag. In afwijking van het huidige Nederlands-Duitse belastingverdrag bevat artikel 8 van het OESO-modelverdrag nog de aanvullende bepaling dat indien er geen thuishaven in vorenbedoelde zin is, de plaats van de werkelijke leiding van de binnenvaartonderneming wordt geacht te zijn gelegen in de woonstaat van de exploitant van het schip. Door aan te sluiten bij het OESO-modelverdrag zet Nederland derhalve erop in dat in het toekomstige Nederlands-Duitse belastingverdrag een «tie-breaker» (beslissingsbepaling) voor binnenvaartschippers wordt opgenomen voor gevallen dat er geen thuishaven is.
Bent u van mening dat het verdrag tussen Nederland en Duitsland ter voorkoming van dubbele belasting en/of de in Nederland van kracht zijnde wetten met betrekking tot de inkomstenbelasting voldoende helderheid verschaffen over het begrip «thuishaven», dat in deze kwestie bepalend is voor de plaats van de belastingplicht? Zo ja, welke concrete randvoorwaarden hanteert de belastinginspectie om te bepalen of er sprake is van een Nederlandse belastingplicht of niet? Zo nee, hoe gaat u het begrip thuishaven nader concretiseren zodat in de toekomst onduidelijkheid wordt voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarop is uw beslissing gebaseerd om niet eerder een overlegprocedure als bedoeld in artikel 22 van het verdrag op te starten dan nadat de aanslagen zijn vastgesteld en het duidelijk is dat er sprake is van dubbele belastingheffing? Hoe verhoudt deze beslissing zich tot het doel van het verdrag, namelijk het voorkomen van dubbele belasting?
Ik heb in een enkel geval de beslissing genomen niet eerder een overlegprocedure met de Duitse bevoegde autoriteit op de voet van artikel 22 van het Nederlands-Duitse belastingverdrag te starten dan nadat de door Nederland opgelegde aanslag over de door de betrokken ondernemers behaalde winst onherroepelijk is komen vast te staan. Uit inlichtingen die ik via de FIOD uit Duitsland heb verkregen is mij namelijk gebleken dat ook de Duitse fiscus zich – in de aan mij voorgelegde gevallen – op het standpunt stelt dat de betrokken binnenvaartschippers geen inwoners van Duitsland zijn en dat de leiding van hun binnenvaartonderneming evenmin in Duitsland is gelegen. Het ligt derhalve voor de hand dat Duitsland deze binnenvaartschippers niet in de belastingheffing naar de winst uit hun binnenvaartonderneming zal betrekken.
Omdat in de voorgelegde gevallen tussen Nederland en Duitsland geen verschil van inzicht bestaat ten aanzien van het gegeven dat voor de toepassing van het Nederlands-Duitse belastingverdrag de woonplaats van de binnenvaartschipper en/of de plaats van de leiding van diens binnenvaartonderneming niet in Duitsland is gelegen, is er geen enkele aanleiding om op de voet van artikel 22 van het Nederlands-Duitse belastingverdrag een procedure voor onderling overleg te starten.
In de twee gerechtelijke procedures waarin de binnenvaartschippers dit standpunt bestrijden, heeft de Nederlandse rechter in belastingzaken (Rechtbank 's-Gravenhage 22 september 2009, nr. 08/255, aangehaald in vraag 1, alsmede Hof ’s-Gravenhage 8 december 2009, nr. 08/00394, als eerder genoemd) het door de bevoegde inspecteur ingenomen standpunt, dat de leiding van de betrokken binnenvaartonderneming zich niet in Duitsland maar aan boord van het schip bevindt en dat het schip zijn thuishaven in Nederland heeft, bevestigd. Ik ben echter uiteraard bereid om – zodra daartoe aanleiding bestaat – met de Duitse bevoegde autoriteiten in onderling overleg te treden teneinde in voorkomend geval dubbele belastingheffing weg te nemen.
Een en ander laat evenwel onverlet dat ik in de afgelopen jaren met de Duitse bevoegde autoriteiten – en marge van onderling overleg over andere zaken – regelmatig ook reeds in meer algemene zin over de gesignaleerde problematiek betreffende de binnenvaartschippers van gedachten heb gewisseld teneinde het optreden van dubbele belastingheffing voor deze beroepsgroep waar mogelijk te vermijden.
Mogelijke verdwijning van de ambulancepost in Oostkappelle |
|
Ad Koppejan (CDA), Janneke Schermers (CDA) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Burgemeester doet beroep op minister», met de verduidelijkende ondertitel «Veere vreest sluiting van ambulancepost»?1
Ja.
Hoe kijkt u aan tegen de zorgen van de burgemeester van Veere dat in de afwegingen van de Regionale Ambulancevoorziening Zeeland (RAVZ) en het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) met betrekking tot het handhaven van een ambulancepost in Oostkapelle, efficiëntieoverwegingen zwaarder zullen wegen dan het belang van inwoners en toeristen in de kop van Walcheren die tijdig het ziekenhuis moeten kunnen bereiken?
Zoals ik ook aan de burgemeester en wethouders van Veere heb laten weten, vertrouw en reken ik erop dat de invullingen van de acute zorg door de regionale acute zorgpartners in Zeeland, met al haar specifieke omstandigheden, door het ROAZ, met in achtneming van de 45 minuten norm in alle zorgvuldigheid ingevuld zal worden. Met het oog op de vergunningverlening in het kader van de Wet ambulancezorg wordt elke vergunningaanvraag gelegd tegen een stevig programma van eisen. Bereikbaarheid van ambulancezorg is een nadrukkelijk bestand deel van deze kwaliteit.
In het Algemeen Overleg dat ik op 11 maart had met de vaste Kamer Commissie VWS over ambulancezorg, heb ik toegezegd dat de 45 minuten norm voor de bereikbaarheid van ziekenhuizen nader bekeken moet worden. Gekeken wordt of de opbouw van deze norm, 15 minuten aanrijdtijd voor de ambulance, 5 minuten stabiliseren patiënt en 25 minuten rijtijd naar het ziekenhuis in relatie tot de hoogstaande kwaliteit van de Nederlandse ambulancezorg aanleiding vormt voor mogelijk nieuw inzicht. Juist voor rurale gebieden in Nederland kan een meer flexibele opbouw van deze norm ruimte geven voor een op maat gesneden acute zorgketen.
Deelt u de mening dat een goed bereikbare ambulancezorg met name voor een toeristisch gebied als Walcheren extra aandacht behoeft gezien de vele duizenden toeristen die in de zomerperiode hier hun vakantie komen doorbrengen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een goede verspreiding van de ambulanceposten van belang blijft voor de bereikbaarheid van de zorg voor inwoners en toeristen op Walcheren? Bent u bereid hierover een harde toezegging te doen?
Hoewel in het Spreidings- en Beschikbaarheidskader, zoals dat door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) periodiek wordt uitgevoerd, standplaatsen genoemd worden voor de ambulances, is het aan de RAVZ zelf hoe haar rapid-responders, ambulances en -standplaatsen over haar werkgebied verspreid worden. Lokale deskundigheid, juist in de bijzondere situatie van Zeeland, is hierbij leidend.
De massa-moord in Oost-Congo |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Honderden burgers afgeslacht in Congo»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het van groot belang is voor de nabestaanden dat MONUC zo snel mogelijk onderzoek doet naar dit afschuwelijke drama, en bewijsmateriaal verzamelt? Heeft de EU hierbij technische hulp aangeboden, ook met oog op de moeilijke omstandigheden in het gebied? Zo nee, kunt u hierop aandringen, indien dit wordt gewenst?
Van 11 tot 15 maart jl. heeft een gezamenlijke missie van MONUC en OHCHR (Office of the High Commissioner for Human Rights) onderzoek gedaan naar het bloedbad dat de Lord's Resistance Army (LRA) in december 2009 in Noordoost Congo heeft aangericht. Het voorlopig rapport dat uit deze missie is voortgekomen, is nog niet vrijgegeven. De Nederlandse vertegenwoordiging in de Democratische Republiek Congo (DRC) heeft inmiddels aangedrongen op spoedige publicatie.
Deelt u de conclusie uit het rapport van Human Rights Watch dat het Verzetsleger wel degelijk een gevaar blijft voor de bevolking in Congo en toekomstige aanvallen niet kunnen worden uitgesloten? Kunt u in navolging van de VS bilateraal, in EU en VN-verband aandringen bij de Congolese en Ugandse overheid op verbetering van de bescherming van de bevolking in deze gebieden tegen aanvallen van de Lord's Resistance Army(LRA)?
Ja, deze conclusie deel ik. Nederland zet zich bilateraal en multilateraal in voor verbetering van de bescherming van de burgerbevolking in de DRC tegen de LRA en andere gewapende groepen. Zo is bijvoorbeeld gesproken over verbetering van de veiligheid in Oost-Congo, waar de bevolking te lijden heeft onder aanvallen van verschillende rebellengroeperingen, tijdens de bijeenkomst van de internationale Contactgroep voor de Grote Merenregio, die op 28 april in Den Haag plaatsvond. Verder ondersteunt Nederland het initiatief van de Speciaal Vertegenwoordiger voor de Grote Meren regio van de Europese Unie (EUSV), dhr. Roeland van de Geer, om te komen tot een geïntensiveerde Europese inzet inzake de LRA. Daartoe zal binnenkort een rapport met aanbevelingen worden afgerond. Tijdens de discussie over het nieuwe mandaat voor MONUC, dat per 1 juni a.s. in werking zal treden, zal Nederland zich inzetten voor een verscherpte focus op het beschermen van de burgerbevolking in de DRC.
Kunt u deze kwestie betrekken in het kader van het proces van schuldkwijtschelding voor Congo in 2010, waarbij Nederland is betrokken met een bedrag van EUR 300 mln.? Zo nee, waarom niet?
Over het proces van eventuele schuldverlichting aan de DRC zijn in het kader van het zogeheten Heavily Indebted Poor Countries initiatief duidelijke afspraken gemaakt. Deze afspraken betreffen vooral economische condities en voorwaarden op het gebied van onder meer public finance management, waaraan de DRC moet voldoen om uiteindelijk voor schuldverlichting in aanmerking te komen. Het in dit stadium toevoegen van nieuwe voorwaarden, die betrekking hebben op de bescherming van burgers tegen rebellenbewegingen, is niet haalbaar. Dat neemt niet weg dat Nederland in andere fora de Congolese autoriteiten wel degelijk zal aanspreken op deze kwestie.
De Iraanse toetreding tot de Mensenrechtenraad van de VN |
|
Atzo Nicolaï (VVD), Kees van der Staaij (SGP), Raymond de Roon (PVV), Alexander Pechtold (D66), Joël Voordewind (CU) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de kandidatuur van Iran voor een zetel in de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties?
Iran heeft zich 23 april jl. teruggetrokken als kandidaat-lid van de Mensenrechtenraad. Nederland heeft zich in voorafgaande weken wereldwijd ingezet om de verkiezing van Iran te voorkomen. Net als mijn Duitse ambtgenoot noemde ik ondermeer tijdens een toespraak voor de Mensenrechtenraad op 3 maart jl. de zeer zorgwekkende mensenrechtensituatie in Iran en gaf aan dat landen die de mensenrechten op grote schaal schenden geen plaats in de Raad verdienen. Mede dankzij Nederland riep de EU de lidstaten van de VN schriftelijk op tijdens lidmaatschapsverkiezingen voor de Raad niet te stemmen op landen die bekend staan als notoire mensenrechtenschenders. Ook bilateraal, veelal in nauwe afstemming met gelijkgezinde landen, heeft Nederland deze boodschap uitgedragen.
Hoe verhoudt eventuele toetreding van Iran tot de Mensenrechtenraad zich tot de gestelde criteria als opgesteld in artikel 8 van resolutie 60/251 van de Algemene Vergadering, waar wordt gesteld dat bij de toewijzing van zetels «states shall take into account the contribution of candidates to the promotion and protection of human rights»?1
Het is voor de geloofwaardigheid van de Mensenrechtenraad bemoedigend dat een land dat op grote schaal mensenrechten schendt zich heeft teruggetrokken als kandidaat-lid. Ook in de toekomst zal Nederland zich onverminderd blijven inzetten om notoire mensenrechtenschenders buiten de Raad te houden.
Gaat Nederland zich in het licht van de herhaalde schendingen van mensenrechten door Iran verzetten tegen de toetreding van Iran tot de Mensenrechtenraad?
Zie antwoord vraag 1.
Indien dit het geval is, zal Nederland ook andere landen ertoe bewegen de toetreding van Iran tot de Raad te belemmeren, zoals de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Guido Westerwelle, heeft gedaan tijdens zijn speech voor de Mensenrechtenraad op 3 maart jl., waarin hij Iraanse toetreding typeerde als «an affront to all the values on which the Council is based»?2
Zie antwoord vraag 1.
Welke conclusie trekt u over de geloofwaardigheid van de Mensenrechtenraad, mocht Iran tot de Raad toetreden?
Zie antwoord vraag 2.
Verbindt de Nederlandse regering daar ook gevolgen aan?
Zie antwoord vraag 2.
Een themabijeenkomst van het RIVM |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) een themabijeenkomst organiseert op 27 mei a.s. onder de titel «Samenwerken aan betrouwbare voorlichting voor, tijdens en na de zwangerschap»?
Ja.
Wat vindt u van het feit dat het doel van deze bijeenkomst ook is om samen te werken aan een «uniforme en betrouwbare boodschap» als voorlichting aan (aanstaande) ouders? Denkt u dat deze «uniforme en betrouwbare boodschap» tijdens deze bijeenkomst tot stand zal komen? Vind u het gewenst dat de «uniforme en betrouwbare boodschap» tijdens deze bijeenkomst tot stand komt?
Ik heb begrepen dat het doel van deze bijeenkomst is om organisaties en samenwerkingsverbanden die nu reeds actief zijn ten aanzien van voorlichting aan mensen met een kinderwens, aanstaande ouders en ouders van pasgeborenen bij elkaar te brengen. De bijeenkomst is gericht op kennismaking, het uitwisselen van informatie en producten en het verkennen van afstemming en samenwerking. Ik vind het van groot belang dat de voorlichting en informatie rondom de zwangerschap in het hele land eenduidig en betrouwbaar is of deze nu landelijk, regionaal of op wijkniveau wordt uitgedragen en onafhankelijk van wie de informatie geeft. Dat uitgangspunt heeft de Stuurgroep zwangerschap en geboorte in zijn advies benadrukt. Omdat er gelukkig al heel veel gedaan wordt op het gebied van voorlichting vóór, tijdens en na de zwangerschap is het nuttig om initiatiefnemers bij elkaar te brengen. Ik waardeer het initiatief van het RIVM daarom als positief. Ik heb niet de indruk dat het de bedoeling is om tijdens deze bijeenkomst een concrete boodschap te formuleren. Dat lijkt mij overigens haalbaar, noch wenselijk.
Heeft u het RIVM de opdracht gegeven uniform voorlichtingsmateriaal te ontwikkelen?
Het ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal is een reguliere taak van het RIVM.
Het RIVM/Centrum voor Bevolkingsonderzoek (CVB) is de landelijke regisseur van het Nationaal Programma Bevolkingsonderzoek (NPB). Van het NPB maken ook een aantal screeningen deel uit tijdens de zwangerschap en direct na de geboorte. Daarom organiseert het RIVM/CVB in opdracht van het ministerie van VWS samen met betrokken partijen landelijk uniforme voorlichting, inclusief voorlichtingsmateriaal. Ook draagt het CVB zorg voor de ondersteuning van de redactie die de uitgifte van de landelijke folder «Zwanger!» verzorgt.
Het RIVM Centrum Jeugdgezondheid ontwikkelt in opdracht van het ministerie van VWS een downloadfunctie voor kernboodschappen in de voorlichting aan ouders en jeugdigen 0–19 jaar.
Het RIVM Centrum Gezond Leven heeft onder andere de opdracht om samenhang aan te brengen in de ondersteuning van gezondheidsbevorderende thema’s. Het RIVM/CGL werkt hiertoe samen met negen landelijke thema-instituten.
Ik heb overigens geen aanvullende opdracht gegeven aan het RIVM. Ik verwijs eveneens naar het antwoord op vraag 10.
Deelt u de mening dat het College Perinatale Zorg en niet het RIVM de regie heeft ten aanzien van de uitvoering van de aanbevelingen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte?
Ja.
Deelt u de mening dat ook het ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal onderdeel is van de aanbevelingen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte en derhalve thuishoort bij het College Perinatale Zorg en niet bij het RIVM?
Het ontwikkelen van voorlichtingsmateriaal, noch de redactie daarvan lijkt mij een taak van het College Perinatale Zorg. Dat geldt wel voor het coördineren van een proces dat erop gericht is dat een eenduidige betrouwbare boodschap tot stand komt. Het accent bij het formuleren van deze boodschap zal mijns inziens vooral moeten liggen op het verbinden van wat er al is en niet zozeer op het (opnieuw) ontwikkelen.
Als het gaat om de inhoud en de vorm van de boodschap is er mijns inziens behoefte aan inbreng van expertise en ervaring vanuit diverse (beroeps)organisaties, afkomstig uit de verloskundige zorg, uit de publieke gezondheidszorg en uit de jeugdgezondheidszorg. Maar ook de inbreng vanuit patiënten- en consumentenorganisaties en andere partijen met kennis van zaken, waaronder het RIVM en de landelijke thema-instituten is wenselijk.
Immers, er is al heel veel materiaal, kennis en ervaring beschikbaar in en vanuit de dagelijkse praktijk van beroepsgroepen en organisaties. Een landelijk eenduidige boodschap zal per setting in een andere vorm gegoten, en op maat voor heel diverse doelgroepen gemaakt moeten worden, opdat iedereen, inclusief kwetsbare groepen, ook daadwerkelijk bereikt wordt. Ook het bereiken van mensen met een kinderwens of aanstaande ouders die zich nog niet in de zorg hebben gemeld is een belangrijke uitdaging voor alle betrokkenen.
Wat is volgens u de waarde en de status van deze bijeenkomst, nu reeds is toegezegd dat zo spoedig mogelijk een College Perinatale Zorg opgericht wordt dat de regie zal voeren over de uitvoering van de aanbevelingen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte?
Ik waardeer deze bijeenkomst als positief. De bijeenkomst kan bouwstenen opleveren voor het vervolgtraject. De voorzitter van de (voormalige) Stuurgroep Zwangerschap en geboorte, Prof. dr. J. van der Velden is door het RIVM uitgenodigd als dagvoorzitter van de bijeenkomst op 27 mei aanstaande.
Organiseert het RIVM deze bijeenkomst mede in opdracht van uw ministerie, zoals het RIVM in de uitnodiging aangeeft? Zo ja waarom? Zo nee, namens wie organiseert het RIVM deze bijeenkomst?
Het RIVM organiseert de bijeenkomst voor en namens betrokken organisaties, zo lees ik in de uitnodiging. Mijn ministerie was op de hoogte dat het RIVM een dergelijk initiatief wilde nemen.
Waarom organiseert het RIVM volgens u een dergelijke bijeenkomst, terwijl reeds besloten is dat overgegaan zal worden tot instelling van een College Perinatale Zorg en in dat kader dergelijke activiteiten direct kunnen bijdragen aan het uitvoeren van de aanbevelingen van de Stuurgroep?
Mijns inziens hoeft de voortgang op dit onderwerp niet stil te staan tot de instelling van het College, dat zijn voordeel kan doen met voortgang die al geboekt kan worden.
Verder verwijs ik naar het antwoord op de vragen 2 en 6.
Nee, die mening deel ik niet. Ik verwijs ook naar het antwoord op de vragen 5, 6 en 7.
Deelt u de mening dat het RIVM met deze bijeenkomst een voorschot probeert te nemen op de taken van het College Perinatale Zorg?
Zie antwoord vraag 8.
Deelt u de mening dat het RIVM zich op haar eigen taken moet richten en de uitvoering van de aanbevelingen van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte moet overlaten aan de deskundigen en beroepsgroepen die bij het tot stand komen van het rapport van de Stuurgroep zijn betrokken en zullen participeren in het College Perinatale Zorg?
Nee, die mening deel ik niet. Het RIVM heeft taken ondermeer op het terrein van de keten rond zwangerschap en geboorte, de verdere levensloop en gezond leven. Het RIVM is zodoende mede verantwoordelijk voor onafhankelijke en betrouwbare informatieverstrekking aan het algemene publiek en aan professionals en eveneens voor ondersteuning van professionals en uitvoerende partijen.
Het RIVM heeft als zodanig een formeel vastgelegde functie als brug tussen beleid, kennis en uitvoering. Bovendien beheert het RIVM als kennisinstituut zelf een aantal websites en landelijk uniforme voorlichtingsmaterialen. Ik verwijs ook naar het antwoord op vraag 3.
Het geweld in Oost-Congo en het effect van een mogelijk vertrek van MONUC |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het rapport van Oxfam Novib (gebaseerd op onderzoek van het Harvard Humanitarian Initiative)1 over het gewapend geweld in Oost-Congo, de toename van het aantal verkrachtingen en de gevolgen van een mogelijk vertrek van MONUC voor de veiligheid van burgers in het gebied?
Ja.
Deelt u de mening zoals verwoord in het rapport van Oxfam dat de «civilian protection specialists» van MONUC meer en beter contact moeten onderhouden met de Congolese gemeenschappen, ook buiten de grote steden, om zo betere bescherming te kunnen bieden?
Het in vraag 4 genoemde artikel verwijst naar een rapport van de secretaris-generaal van de VN aan de Veiligheidsraad van 30 maart jongstleden. In dat rapport constateert de secretaris-generaal een verbetering van de veiligheidssituatie in een groot deel van de DRC, met name in het westen. Op grond daarvan zou het mogelijk zijn toe te werken naar een verantwoorde exitstrategie voor MONUC. In eerste instantie zouden daarvoor die delen van de DRC in aanmerking komen, waar de situatie al langere tijd stabiel is en MONUC een beperkte aanwezigheid heeft. Concreet zou dit betekenen dat MONUC uit deze gebieden deze zomer 2000 manschappen kan terugtrekken. In het oosten van de DRC bestaat volgens de secretaris-generaal echter nog steeds het risico van instabiliteit. Een verantwoorde terugtrekking van MONUC uit die regio’s kan pas plaatsvinden als ter plaatse voldoende Congolese capaciteit is opgebouwd om de taken van MONUC over te nemen en de stabiliteit te waarborgen. Van een plan voor volledige terugtrekking is vooralsnog geen sprake. Het vermelde tijdschema (juni 2010–juni 2011) is afkomstig van de Congolese regering.
De leden van de Veiligheidsraad bezoeken de DRC voor eind mei dit jaar. Zij zullen dan bij president Kabila de verlenging van de aanwezigheid van MONUC aan de orde stellen. Naar verwachting zullen zij met hem ook spreken over de voorwaarden waaronder MONUC zich op termijn zou kunnen terugtrekken. De VN kan geen VN-vredesmacht inzetten zonder instemming van de regering van het land van vestiging, ook niet onder hoofdstuk VII van het VN-handvest.
Nederland vindt verlenging van het MONUC-mandaat zeer wenselijk, vooral met het oog op de bescherming van de burgerbevolking in Oost-Congo. In het huidige, tussentijdse mandaat heeft deze nu de hoogste prioriteit. Volgens Nederland dient ook het nieuwe MONUC-mandaat, dat per 1 juni 2010 in werking moet treden, primair te zijn gericht op bescherming van de burgerbevolking. Daartoe is niet zozeer een verruiming van het mandaat noodzakelijk, maar een duidelijke focus op deze kerntaak. Verder dient MONUC de bestaande strategie terzake verder te operationaliseren. Daarbij zijn betere contacten met Congolese gemeenschappen en extra aandacht voor kwetsbare groepen als vrouwen en kinderen essentieel.
Zowel in bilateraal als in internationaal verband draagt Nederland zijn standpunten over MONUC en het mandaat uit bij de regering van de DRC. Tegenover de Congolese autoriteiten benadrukt Nederland dat terugtrekking van MONUC uit Oost-Congo pas kan plaatsvinden als in die regio concrete vooruitgang is geboekt met betrekking tot de stabiliteit alsmede de veiligheid van de bevolking. Ook heeft Nederland hiervoor aandacht gevraagd tijdens de bijeenkomst van de internationale Contactgroep voor de Grote Merenregio, die op 28 april aanstaande in Den Haag plaatsvond.
Deelt u de mening dat het mandaat van MONUC moet worden benut om te voorkomen dat vrouwen op grote schaal verkracht worden? Bent u het met Oxfam eens dat MONUC zijn mandaat moet gebruiken om burgers «met alle nodige middelen» te beschermen en dat het mandaat verruimd moet worden om dat te realiseren?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het bericht2 van de special representative van de Verenigde Naties (VN) in Congo, Alan Doss, waarin een tijdsschema van «drawdown» is opgesteld, beginnende juni 2010, en die juni 2011 voltrokken moet zijn? Is er daadwerkelijk een plan om terug te trekken?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het met ons en met Oxfam Novib eens dat terugtrekking op dit moment zeer onwenselijk is, aangezien de Congolese regering niet in staat of bereid is zijn eigen bevolking te beschermen en dus niet zal voldoen aan de «responsibility to protect»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat verlenging van het mandaat van MONUC derhalve wenselijk is in plaats van terugtrekking? Is dat ook de Nederlandse inzet richting de VN en de VNVR?
Zie antwoord vraag 2.
Is u bekend wat de stand van zaken is ten aanzien van de onderhandelingen met president Kabila over de verlenging van de aanwezigheid van MONUC? Kunt u informatie geven over de mogelijke opties waarover onderhandeld wordt?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is instemming van de Congolese regering noodzakelijk voor een verlenging van het mandaat van MONUC, mede gelet op het feit dat het mandaat van MONUC een mandaat is onder hoofdstuk VII van het VN-handvest?
Zie antwoord vraag 2.
Hebt u reeds aan de regering Kabila laten weten dat u de uitspraken van de Congolese president dat hij de VN-troepen volgend jaar weg wil, zeer onverstandig vindt? Zo nee, bent u van plan dat alsnog te doen of tracht u deze discussie op een andere wijze te beïnvloeden?
Zie antwoord vraag 2.
Rigoreuze toepassing Natura 2000 |
|
Rikus Jager (CDA), Ad Koppejan (CDA) |
|
Gerda Verburg (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw opvatting over het artikel «Bescherming natuur schiet te ver door»?1
Ik deel de zorg in het artikel. De implementatie van Natura 2000 is complex, hetgeen niet bijdraagt aan het draagvlak voor natuur.
Deelt u de mening dat een extreem maakbaarheidsdenken op het gebied van natuur in zichzelf tegenstrijdig is?
De natuur is geen statisch gegeven. Dat neemt niet weg dat we wel goede condities kunnen creëren waarbij natuur en de te beschermen soorten en habitats kunnen gedijen. Dat is ook de uitvoeringspraktijk die ik bij Natura 2000 voorsta.
Natura 2000 moet ervoor zorgen dat de biodiversiteit in Nederland en in Europa niet verder achteruit gaat. Daarmee wordt een basis gelegd voor robuuste dynamische natuur die ook van belang is om toekomstige ontwikkelingen zoals klimaatverandering op te kunnen vangen.
Deelt u de mening dat het probleem niet zozeer zit in de gedetailleerdheid van de Europese regels, maar meer in de gedetailleerdheid van de Nederlandse interpretatie en toepassing ervan? (Dit mede naar aanleiding van het artikel «Verburg eens met kritiek op regeltjes».2)
De gedetailleerdheid vloeit voort uit de Europese regelgeving. Waarbij ik binnen de Europese regels alle rek en ruimte zoek voor een reële implementatie van Natura 2000. Middels de Crisis- en herstelwet is deze rek en ruimte in de wet vastgelegd.
Ik deel de mening dat de Europese regels een grote mate van gedetailleerdheid vergen, die niet altijd recht lijkt te doen aan het dynamische karakter van de natuur. Ik deel niet de suggestie dat we in Nederland te star en strikt zijn in de uitvoering. Ik zoek ook daar juist de ruimte en flexibiliteit die er is. Zo hanteer ik niet zomaar aantallen, maar ik neem ze als indicatie voor de draagkracht van een leefgebied. Ik vind het jammer dat die suggestie in het genoemde artikel wordt gewekt.
Deelt u de in het artikel geventileerde mening dat «menig ruilverkavelaar uit de jaren zestig zijn vingers zou aflikken» bij de «technisch-ecologische precisie» waarmee Nederland de eisen van Natura 2000 implementeert?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens met de in het artikel naar voren gebrachte stelling dat de (te strikte) manier waarop Nederland met Natura 2000 omgaat het draagvlak ervoor uitholt en daarmee het spreekwoordelijke kind met het badwater weggooit?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het met de opvatting van de heer Evers eens dat Natura 2000 planten en dieren vaak meer centraal stelt dan de mens?
Natuur is van belang voor het leven en welzijn van mensen, en is een kwetsbare bron van toekomstig leven. Daar moeten we zuinig op zijn. Ik sta voor natuur samen met mensen, samen met bedrijven, samen met recreatie. De balans is zeker nodig in een dichtbevolkt land als Nederland, waar het voor de verschillende gebruiksfuncties op een beperkte oppervlakte moeten worden gecombineerd.
Die goede balans is lange tijd zoek geweest in de zin dat economische groei lange tijd gepaard is gegaan met afname van biodiversiteit. Aandacht voor planten en dieren is dus geen luxe. Maar vergt een evenwichtige aanpak. Waarbij de natuur zelf ook een economische waarde vertegenwoordigt.
Natura 2000 streeft de achteruitgang van biodiversiteit, die al enkele decennia plaatsvindt, te keren en legt juridisch vast welke natuurwaarden beschermd moeten worden. Bij de keuze van de Natura 2000-gebieden heeft, conform de Europese richtlijnen, de ecologie centraal gestaan. In de beheerplannen worden de sociale, economische en culturele aspecten volop meegewogen bij het bepalen van de weg waarlangs en de termijn waarop het bereiken van de natuurdoelen wordt bereikt. Hier kan nadrukkelijk een goede balans worden gevonden.
Deelt u het standpunt dat de eisen van Natura 2000 dusdanig benaderd moeten worden dat de plantenwereld en het dierenrijk op een evenwichtige en reële manier in balans getracht wordt te brengen met het mensdom? Deelt u de mening over rentmeesterschap, namelijk dat de balans hierbij noch naar de ene, noch naar de andere zijde mag uitslaan?
Zie antwoord vraag 6.
Ziet u, naast de reeds in gang gezette ontwikkelingen («bestaand gebruik», toepassing Crisis- en herstelwet, toepassing art. 12–16 Habitatrichtlijn), nog meer mogelijkheden om het evenwicht te herstellen tussen de ecologische ontwikkeling van gebieden enerzijds en de belangen van de mensen die er wonen, werken en recreëren anderzijds?
Ik heb binnen de Europese richtlijnen naar rek en ruimte gezocht, dit is inmiddels vastgelegd door middel van de Crisis- en herstelwet in de Natuurbeschermingswet 1998. Naar aanleiding van de conceptbeheerplannen van de provincies heb ik in een aantal gebieden extra ruimte gezocht. Dit heb ik gedaan in situaties waar voor de maatschappij én voor de natuur een win-win-situatie ontstond.
De Vogel- en Habitatrichtlijnen bieden nadrukkelijk mogelijkheden om de economische, sociale en culturele belangen evenwichtig mee te nemen bij het bepalen van de maatregelen (in de beheerplannen). Ik heb, samen met de provincies, geconstateerd dat in de gebieden hard gewerkt wordt aan de totstandkoming van de beheerplannen en dat de samenwerking tussen betrokkenen in de gebieden vaak leidt tot praktische oplossingen.
Ik benadruk dan ook het belang van samenwerking door alle partijen. Alleen door goed samen te werken kan – op basis van begrip voor elkaars positie – middels de beheerplannen zo snel mogelijk duidelijkheid en zekerheid worden geboden aan alle betrokkenen. De beheerplannen maken het ook mogelijk beter te focussen op de problemen die nog resteren. Zo kunnen we stap voor stap de problemen, waar we bij de implementatie van Natura 2000 tegen aan lopen, achter ons laten. Waardoor zowel economisch als sociale perspectieven als ook draagkracht van en draagvlak voor natuur helder zijn.
Het bericht dat Israël de definitie van 'infiltranten' aanpast |
|
Atzo Nicolaï (VVD) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Draconische» legerorders Israël»?1
Kent u de aanpassingen aan de definitie van «infiltranten» in de legerorder uit 1969? Op wie was de oude definitie van toepassing en op wie de nieuwe definitie?
Welke gevolgen zullen deze aanpassingen hebben voor Palestijnen woonachtig op de Westelijke Jordaanoever, maar afkomstig uit de Gazastrook?
Welke gevolgen verwacht de regering van deze maatregelen voor de bevolking van de Westelijke Jordaanoever in het algemeen?
Hoe motiveert de Israëlische regering deze aanpassing?
Uitspraken van de nieuwe bestuursvoorzitter van de As Siddieq-basisschool over homoseksualiteit |
|
Anouchka van Miltenburg (VVD), Ineke Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Paul de Krom (VVD) |
|
André Rouvoet (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport, minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Ik vertel over christenen en joden» waarin een interview met de heer Kudret Camdere, de nieuw bestuursvoorzitter van de As Siddieq-basisschool in Amsterdam wordt weergegeven?1
Ja.
Wat vindt u van de uitspraak van de heer Camdere dat een homoseksuele leraar zich wel op deze school zou kunnen aanmelden, maar dat hij denkt dat deze niet worden aangenomen? Hoe verhoudt deze uitspraak zich tot de Algemene Wet Gelijke behandeling en de zogenaamde «enkele feit»-constructie, waaruit volgt dat een instelling niet het recht heeft een leraar te weigeren vanwege het enkele feit dat hij homoseksueel is?
Zie het antwoord onder 3.
Is het waar dat de uitspraken van de heer Camdere in strijd zijn met de wet, wanneer zij worden omgezet in beleid van de school? Zo ja, heeft u op basis van de uitspraken van de bestuursvoorzitter vertrouwen in de beleidslijn die de school momenteel schrijft waarin dit soort «kwesties» wordt neergelegd? Zo nee, waarom niet?
Bijzondere scholen mogen functie-eisen stellen die nodig zijn voor de verwezenlijking van de grondslag. Deze functie-eisen mogen echter niet zover gaan dat de school onderscheid maakt op grond van het enkele feit van homoseksuele gerichtheid. Indien een leraar niet aangenomen wordt, alleen vanwege zijn homoseksuele gerichtheid dan is dat niet in overeenstemming met de wet. Het is aan de rechter en/of aan de Commissie Gelijke Behandeling om in een concreet geval te bepalen aan de hand van de specifieke omstandigheden of met de functie-eisen onderscheid wordt gemaakt op grond van het enkele feit van homoseksuele gerichtheid.
De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de kwaliteit van het onderwijs en op het naleven van de wettelijke voorschriften. Voor zover het in de beleidslijn van de school gaat om gedragsvoorschriften voor het personeel, ziet de inspectie toe op de naleving van de regelgeving rond de wettelijke medezeggenschap zodat de medezeggenschapsraad haar wettelijke taken (zie in dit verband artikel 11 onder g, artikel 12, het eerste lid onder d, en leerlingen artikel 10, onder c van de Wet medezeggenschap op scholen) kan uitvoeren. Voor zover beleid tot uitdrukking komt in de schoolregels voor leerlingen, ziet de inspectie toe op het schoolklimaat en burgerschap, waaronder aspecten als strijdigheid met basiswaarden van de democratische rechtsstaat en de bevordering van de basiswaarden.
Wat vindt u van het feit dat de kinderen op de As Siddieq-school volgens de heer Camdere krijgen onderwezen dat homoseksualiteit in de islam niet geoorloofd is en niet verenigbaar is met hun grondslag? Hoe verhoudt zich dit tot de wettelijke taak van scholen om bij te dragen aan burgerschap en sociale integratie?
Een school op religieuze of levensbeschouwelijk grondslag mag op deze grondslag gebaseerde opvattingen hebben over homoseksualiteit en deze opvattingen in het onderwijs tot uitdrukking brengen. De inspectie ziet er op toe dat de school invulling geeft aan de wettelijke opdracht tot bevordering van actief burgerschap en sociale integratie. Dit houdt onder meer in dat er op wordt toegezien dat het onderwijs van de school ook bij het tot uitdrukking brengen van de grondslag in het onderwijs niet in strijd is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verdraagzaamheid, begrip en non-discriminatie en dat de school deze basiswaarden bevordert. Concreet betekent dit dat de school in het onderwijs mag aangeven homoseksualiteit vanuit haar religieuze uitgangspunten af te wijzen. Dit betekent ook dat een actieve invulling moet worden gegeven aan bevordering van basiswaarden die vanwege voornoemde opvatting in het gedrang zouden kunnen komen.
Deelt u de mening dat de uitspraken van de heer Camdere zorgen baren over de integratie van kinderen die de As Siddieq-school bezoeken, doordat zij lessen krijgen die in strijd zijn met de kernwaarden van de Nederlandse rechtsstaat, zoals gelijkheid tussen man en vrouw en homo en hetero?
Zie de vorige antwoorden.
Is het waar dat alle bekostigingssancties richting de As Siddieq-school begin deze maand zijn ingetrokken? Zo ja, op basis waarvan?
Ja, de inspectie heeft in de afgelopen periode intensief toezicht uitgeoefend op de bevordering van burgerschap en sociale integratie in het onderwijs van de As Siddieq-school. De inspectie heeft onlangs vastgesteld dat de school thans voldoet aan de wettelijke eisen op dit punt. De inspectie heeft tevens aangegeven dat voorzetting van het ingezette proces noodzakelijk is en ziet daar op toe. Onderdeel van dit toezicht is, zoals eerder aangegeven, ook de invulling die de school geeft aan de bevordering van basiswaarden van de democratische rechtsstaat zoals gelijkwaardigheid, begrip en verdraagzaamheid. Ik verwijs verder naar het vorige antwoord en mijn brief aan uw Kamer van 1 april jl. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 123 VIII, nr. 120).
Bent u bereid op basis van de uitspraken van de heer Camdere een waarschuwing te geven aan de As Siddieq-school en mogelijk opnieuw sancties te treffen wanneer deze school zich blijft afzetten tegen de kernwaarden van de Nederlandse rechtsstaat? Zo nee, waarom niet?
Zie de vorige antwoorden.
De arbeidsomstandigheden van de plukkers van de tomaten van Ahold |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Plukkers VS: Ahold koopt met slavernij besmette tomaten»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de beschuldigingen van de arbeidersorganisatie over wat zij noemen «moderne slavernij in de agrarische sector»? Kunt u aangeven of deze beschuldigingen op waarheid berusten?
Deze kwestie verdient een adequate reactie van Ahold. Afhankelijk van deze reactie kan de Nederlandse stichting Okia het Coalition Immokalee Worker’s (CIW) adviseren een klacht in te dienen bij de Amerikaanse rechter of melding te doen bij het Nationaal Contactpunt (NCP) voor de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen in de Verenigde Staten. Uitgangspunt van de OESO is namelijk dat het NCP van het land waar de vermeende «misdraging» heeft plaatsgevonden de zaak behandelt.
Is het waar dat dochteronderdelen van Ahold tomaten afnemen van producenten die al eerder zijn veroordeeld voor het uitbuiten van werknemers? Zo nee, op welke gegevens baseert u dit?
Als het inderdaad zo is dat deze leveranciers al door de Amerikaanse rechter zijn veroordeeld, dan is het de verantwoordelijkheid van de Amerikaanse autoriteiten om te handhaven.
Is het mogelijk dat de tomaten die bij deze producenten afgenomen zijn ook in Nederland te koop zijn? Zo nee, waar baseert u dat op?
De export van tomaten uit de Verenigde Staten naar Nederland is gering, wel is er enige export van verwerkte tomaten. In 2008 werd voor 6,1 miljoen dollar uitgevoerd naar Nederland waarvan 5,4 miljoen dollar aan verwerkte tomaten (Bron: UN/Comtrade). Het is daarom onwaarschijnlijk dat er tomaten van de betreffende tomatenkwekers in Nederland te koop zijn.
Is het waar dat in Amerika veel tomatenplukkers werken tegen hongerlonen, geen betaling krijgen voor overuren, geen recht op organisatie hebben en geen toeslagen uitgekeerd krijgen? Zo nee, op welke gegevens baseert u dat? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat een deel van de verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden bij de afnemer van de producten ligt? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Ketenverantwoordelijkheid betekent dat elk bedrijf in de keten een bepaalde verantwoordelijkheid draagt voor de sociale (arbeids)omstandigheden waarin het product wordt vervaardigd. Het is niet gemakkelijk om, los van de concrete omstandigheden van een bedrijf, een eenduidig antwoord te geven op de vraag tot hoe ver de invloed en maatschappelijke verantwoordelijkheid van een bedrijf reiken. Ook de SER geeft in zijn laatste advies geen exact antwoord op deze vraag. Van een bedrijf mag niettemin worden verwacht dat het de invloed die het heeft ook ruimhartig aanwendt om verantwoordelijkheid te nemen in de keten. Verschillende elementen spelen mee bij het vaststellen van de mogelijkheden hiervoor waaronder de machtsverhoudingen, complexiteit, lengte en transparantie van de productieketen. Het NCP kan bepalen in hoeverre een bedrijf haar ketenverantwoordelijkheid (niet) genomen heeft. Versterking van de capaciteit van NCP's en betrokkenheid van het business and human rights framework van VN Speciaal Vertegenwoordiger John Ruggie zijn onderdeel van de Nederlandse inzet tijdens aanstaande revisie van de OESO-richtlijnen, met als doel de bescherming van mensenrechten te verbeteren.
Deelt u de mening van de Coalition Immokalee Workers dat de tomaten van Ahold besmet zijn door slavernij?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid naar aanleiding van deze misstanden Ahold aan te spreken op zijn verantwoordelijkheid jegens de arbeidsomstandigheden bij zijn leveranciers? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Ahold heeft aangegeven deze kwestie serieus te nemen en een onderzoek te zijn begonnen. Ook heeft Ahold de Coalition Immokalee Workers uitgenodigd voor een gesprek.
Mogelijke strafbare feiten bij verkoopactiviteiten voor goede doelen |
|
Arda Gerkens (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw mening over de handelswijze van bedrijven zoals Bumblebeecrew, Factor 30 en Bumblebeecards die zeggen wenskaarten en verjaardagskalenders te verkopen voor een goed doel?1
Indien de verkoop legaal is en minimaal 75 procent van de opbrengst daadwerkelijk besteed wordt aan goede doelen, dan behoeft daartegen geen bezwaar te bestaan. Dit wordt anders indien de bedrijven in strijd handelen met wet- of regelgeving of dat de bedrijfskosten dermate hoog zijn dat nog slechts een fractie van de opbrengst naar goede doelen gaat.
Met welke goede doelen werkt het bedrijf samen? Beschikken deze goede doelen over een keurmerk van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF)?
Het is niet bekend met welke goede doelen het bedrijf samenwerkt. Voor zover ik heb kunnen nagaan zijn er geen goede doelen organisaties met het CBF-Keur die met dit bedrijf samenwerken. Het CBF ontraadt goede doelen instanties met het CBF-Keur om afspraken te maken met bedrijven, die op straat kaarten verkopen met de mededeling dat de opbrengst naar het goede doel gaat. Het CBF is hiertoe overgegaan na ontvangen klachten over misleiding en gebrek aan transparantie.
Is het waar dat de opbrengsten van de verkoop van verkochte producten, in ieder geval voor het overgrote deel, ten goede komen aan het verkopende bedrijf en niet aan goede doelen? Zo ja, wat is hierover uw mening? Zo nee, welk gedeelte van de opbrengst gaat naar goede doelen?
Het verkopende bedrijf publiceert geen informatie over de verhouding bedrijfskosten en afdrachten aan goede doelen. Ik acht dit niet wenselijk. De burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat hun donaties voor goede doelen daar ook daadwerkelijk grotendeels terechtkomen. Transparantie en vertrouwen zijn belangrijke factoren om de positieve houding van burgers ten aanzien van goede doelen in stand te houden.
Is het waar dat het CBF keurmerkhouders al sinds 2006 adviseert om niet met Bumblebee en soortgelijke bedrijven in zee te gaan?
Ja.
Moeten bedrijven zoals Bumblebeecrew, Factor 30 en Bumblebeecards over een vergunning beschikken om van deur tot deur goederen te verkopen ten behoeve van «het goede doel» zoals het bedrijf nu doet? Zo ja, voldoet Bumblebee aan deze vergunningplicht? Zo nee, waarom niet? Acht u het ontbreken van een vergunningplicht voor dit soort verkooppraktijken wenselijk? Bent u bereid hiertoe maatregelen te nemen?
Dit is afhankelijk van de Algemene Plaatselijke verordening (APV) die in de betreffende gemeente van kracht is. Uit de toelichting bij artikel 5 : 13 van de Model APV van de Nederlandse Vereniging van Gemeenten (VNG) blijkt dat huis-aan-huisverkoop van geschreven of gedrukte stukken zoals briefkaarten, waarvan de verkopende instantie te kennen geeft dat de opbrengst daarvan grotendeels bestemd is voor goede doelen, als collecteren wordt aangemerkt en derhalve een vergunningplichtige activiteit is. De meeste gemeenten hebben deze bepaling uit de Model APV overgenomen. Of Bumblebee aan deze vergunningsplicht voldoet is dus afhankelijk van de APV die in de betreffende gemeente van toepassing is. Ik acht het wenselijk dat iedere gemeente deze bepaling uit de Model APV opneemt in de plaatselijke APV.
Zijn er andere bedrijven die soortgelijke verkooppraktijken toepassen? Zo ja, welke?
Bij het Centraal Bureau Fondsenwerving zijn vragen en klachten binnengekomen over een aantal kaartverkopende bedrijven, waarmee overigens niet is vastgesteld dat deze bedrijven zich niet aan de regels zouden houden. De vragen en klachten bij het CBF betreffen de volgende bedrijven:
Bent u bereid onderzoek te doen naar de handelswijze van Bumblebeecrew die al sinds 1998 (ook onder andere namen zoals Bumblebeecards, www.eenkaartdiejeraakt.nl en Factor 30) wordt gehanteerd en te onderzoeken of hier mogelijk sprake is (geweest) van strafbare feiten zoals bijvoorbeeld misleiding of oplichting? Zo ja, op welk termijn? Zo nee, waarom niet?
Gebleken is dat er in de afgelopen jaren een aantal keren proces-verbaal is opgemaakt tegen personen die zonder vergunning huis-aan-huis kaarten verkochten uit naam van Bumblebeecrew. Op dit moment zijn er geen concrete feiten of omstandigheden bekend die aanleiding geven tot het starten van een strafrechtelijk onderzoek tegen de organisatie Bumblebeecrew.
Het bericht dat justitie en politie grote moeite hebben met de aanpak van dierenextremisme |
|
Sybrand van Haersma Buma (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat justitie en politie grote moeite zouden hebben met de aanpak van dierenrechtenextremisten?1
Ja.
Zijn de feiten in het bericht waar?
Het is niet gebruikelijk gedurende het onderzoek uitspraak te doen over lopende zaken.
Hoe beoordeelt u het feit dat het speciaal opgerichte landelijke politieteam na een jaar nog steeds geen noemenswaardige resultaten zou hebben geboekt?
Ik heb u op 13 april jl. bericht2dat dierenrechtenextremisme in 2009 intensieve aandacht heeft gekregen van politie en het Openbaar Ministerie. Bij de Nationale Recherche is capaciteit vrijgemaakt voor de opsporing van strafbare feiten begaan door dierenrechtenextremisten. Dit heeft inmiddels geresulteerd in meerdere aanhoudingen. In verband met een nertsenbevrijdingsactie in Stavenisse in maart 2009 zijn drie personen aangehouden, waarvan er twee verder vervolgd worden. In oktober 2009 is tijdens een nertsenbevrijdingsactie in het Gelderse Barchem een dierenrechtenextremist op heterdaad aangehouden. Inmiddels zijn nog drie andere verdachten gearresteerd.
Volstaan de tot op heden genomen maatregelen tegen het (extreme) dierenactivisme, zoals vermeld in het onderhavige bericht? Zijn de maatregelen volgens u voldoende in gang gezet?
Ja. Zoals aangekondigd in het Operationeel Actieplan 2010 Polarisatie en Radicalisering3 en de brief van 13 april jl. wordt de geïntensiveerde aanpak van dierenrechtenextremisme in 2010 gecontinueerd.
De directeur Communicatie die na het verschijnen van de glossy Gerda van baan verandert |
|
Ineke van Gent (GL) |
|
Gerda Verburg (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft uw directeur Communicatie het voorstel en de uiteindelijke beslissing tot publicatie van de glossy aan u voorgelegd? Hebt u hiermee ingestemd? Zo ja, waarom legt u dan nu de verantwoordelijkheid voor het uitbrengen van «Gerda» bij hem?
Ik ben zelf verantwoordelijk voor het uitbrengen van het magazine.
Is het voorstel tot het uitbrengen van een glossy aan de orde geweest tijdens de wekelijkse ministersstaf? Op welke momenten is dat gebeurd? Wat was u reactie tijdens die besprekingen?
Zie antwoord vraag 1.
Was u bekend met de vormgeving van de glossy? Is deze als «dummy» aan u voorgelegd?
Ja.
Hebt u vrijwillig meegewerkt aan de fotoreportages? Was het u bekend dat deze bedoeld waren voor de glossy?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u door uw directeur Communicatie gewezen op de risico’s van het uitbrengen van deze glossy, zoals mogelijke kritiek vanuit de Tweede Kamer? Zo ja, waarom wordt de verantwoordelijkheid voor het uitbrengen van de glossy dan nu bij uw directeur Communicatie gelegd?
Zie antwoord vraag 1.
De gevolgen van een negatieve BKR-registratie |
|
Frans Weekers (VVD) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van een televisie-uitzending waarin de problematiek omtrent de negatieve BKR-registratie wordt belicht?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het BKR2 een belangrijk instrument is om overkreditering te voorkomen, maar dat dit niet mag leiden tot een bureaucratische nachtmerrie met soms buitenproportionele gevolgen? Bent u dan ook met mij van mening dat het idioot is wanneer mensen gedurende 5 jaar geen (NHG)hypotheek kunnen krijgen louter vanwege het feit dat een telefoonrekening van € 90,– niet op tijd betaald is?
Overkreditering is een belangrijk maatschappelijk probleem. Kredietwaardigheidstoetsing bij de verstrekking van een krediet is één van de belangrijkste instrumenten om overkreditering te voorkomen. Kredietverstrekkers zijn verplicht om voorafgaand aan de verstrekking van een krediet te toetsen of het verantwoord is om dat krediet aan die consument te verstrekken, gegeven zijn financiële positie op dat moment. De registratie door het BKR is daarbinnen een belangrijk middel. Uiteraard is het altijd van belang om de proporties in het oog te houden. De registratie bij BKR is daarom strikt gereglementeerd.
Uit de aard van mobiele telefoonabonnementen en het gevoerde strikte incassobeleid door aanbieders van mobiele telefonie vloeit voort dat het grootste deel van de achterstanden inderdaad een relatief laag bedrag betreft. Desondanks blijkt uit gegevens van BKR dat het risico op vergroting van betalingsproblemen bij personen met een achterstand op een mobiele telefoonabonnement drie keer hoger is dan bij de gemiddelde Nederlander. De zwaarte van een achterstand blijkt niet alleen afhankelijk van de hoogte daarvan, maar ook nadrukkelijk van de duur. Een achterstand wordt pas bij BKR geregistreerd als die minimaal 60 dagen bestaat en niet voordat een schriftelijke vooraankondiging aan de betrokkene is gestuurd dat registratie van de achterstand zal plaatsvinden als de openstaande factuur niet alsnog binnen een voor de consument redelijke termijn wordt betaald. Een kortdurende achterstandssituatie blijft sowieso buiten de registratie bij BKR.
Verder is het stapelrisico van achterstanden van betaling groot. Meerdere achterstanden van € 499 kunnen nog steeds tot serieuze schuldenproblemen leiden. Indien bij BKR pas achterstanden vanaf € 500 worden geregistreerd, neemt dat risico significant toe. In het bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn consumentenkrediet3 wordt krediet vanaf € 0 en vanaf 0 maanden al als krediet in het kader van de Wet financieel toezicht beschouwd, juist ook om dit stapelrisico te beperken en daarmee overkreditering te voorkomen. Het toepassen van een ondergrens van € 500 voor achterstandsregistraties kan belemmerend werken bij de preventie van overkreditering.
Bovendien is het op grond van de wet juist aan de kredietverstrekkers zelf in het kader van de zorgplicht om een zorgvuldige afweging te maken op basis van de beschikbare gegevens. De gegevens van BKR vormen daarin een deelverzameling, naast gegevens over onder andere inkomen en andere verplichtingen (zoals alimentatie). Het bestaan van een achterstandscodering bij BKR leidt niet zonder meer tot het afwijzen van een hypotheekaanvraag. Een consument kan bovendien altijd zijn persoonlijke situatie toelichten. In de praktijk leidt een «minder zware» achterstandsmelding zeker niet bij voorbaat tot uitsluiting van kredietverlening. Zo leidt bijvoorbeeld volgens het reglement van Nationale Hypotheek Garantie (NHG) een achterstandsregistratie bij BKR niet bij voorbaat tot afwijzing van het verstrekken van NHG indien de vordering uiteindelijk geheel is voldaan of sprake is van finale kwijting. Een achterstandsregistratie bij BKR zal voor een kredietverstrekker uiteraard wel aanleiding zijn om extra alert te zijn op mogelijke andere aanwijzingen waaruit financiële problemen kunnen blijken, daarvoor is de registratie ook juist bedoeld.
Bent u bereid met het BKR in overleg te treden teneinde een ondergrens (van bijvoorbeeld € 500,–) te introduceren voor een (negatieve) BKR-registratie opdat voorkomen wordt dat een consument op basis van een bagatel een «financieel strafblad» van 5 jaar krijgt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u op de hoogte van het feit dat persoonsverwisseling een reëel probleem is? Bent u bereid dit probleem te verhelpen door mogelijk te maken dat het BKR gebruik kan gaan maken van het Burger Service Nummer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kan dit een geregeld zijn?
BKR krijgt toegang tot de gemeentelijke basisadministratie.4 Dit zal problemen met persoonsverwisseling al zeer ver tegengaan. Het burgerservicenummer (BSN) mag gebruikt worden door overheidsorganisaties en private organisaties met een publieke taak. Voor de laatste groep, de private organisaties, is het noodzakelijk dat er een wettelijke basis is voor het gebruik van het BSN. Het BKR is een private organisatie zonder publieke taak, die op dit moment geen wettelijke basis heeft voor het gebruik van het BSN. Eind 2009 is ten behoeve van de gebruikelijke internetconsultatieronde een concept-wetsvoorstel gepubliceerd waarin onder meer een maatregel is opgenomen die het mogelijk zou maken dat kredietinstellingen in hun gegevensverkeer met het BKR gebruik kunnen maken van het BSN van hun cliënten. Het concept-wetsvoorstel is tevens ter advisering voorgelegd aan het College bescherming persoonsgegevens dat negatief heeft geadviseerd met betrekking tot de hiervoor beschreven maatregel.
Bent u met mij van mening dat mensen moeten kunnen weten of, en zo ja hoe zij zelf geregistreerd staan in het BKR-register en dat deze informatie gemakkelijk en gratis toegankelijk moet zijn? Kan een on-line toegang via DigiD hiertoe een oplossing zijn? Zo ja, Welke stappen gaat u ondernemen om dit te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
In het bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel ter implementatie van de richtlijn consumentenkrediet3 wordt geregeld dat, wanneer een kredietaanvraag wordt afgewezen op grond van een BKR-registratie, de betrokkene daarover kosteloos wordt geïnformeerd. Deze informatie ontvangt de betrokkene van de kredietverstrekker. Vervolgens kan de betrokken bij BKR zijn gegevens opvragen. Wanneer iemand ten onrechte bij BKR is geregistreerd, kan registratie door de organisatie die heeft geregistreerd ongedaan gemaakt worden. Eventuele geschillen kunnen worden voorgelegd aan de Geschillencommissie BKR.
Deelt u de opvatting dat het wenselijk is dat mensen geattendeerd worden bij het ontstaan van een negatieve BKR-registratie en dat zij vervolgens in staat worden gesteld binnen bekwame tijd protest aan te tekenen alvorens de negatieve registratie definitief wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit bij het BKR te bepleiten?
Zie antwoord vraag 5.
Het uitgeven van miljoenen euro's aan hotelkamers door tekort aan slaapplaatsen op Gilze-Rijen |
|
Krista van Velzen (SP) |
|
|
|
|
Is het waar dat u al sinds september 2008 structureel manschappen in Brabantse hotels laat overnachten? Is het waar dat dit tot nu toe zeker vier miljoen euro heeft gekost? Zo nee, hoeveel heeft dit de belastingbetaler tot nu toe gekost?1
Sinds eind 2008 overnachten ongeveer 250 defensiemedewerkers in hotels in de provincie Noord-Brabant. Dit hangt samen met de sluiting van de vliegbasis Soesterberg en het onverwacht grote aantal medewerkers van deze basis dat gebruik wilde maken van huisvesting op de nieuwe locatie, vliegbasis Gilze-Rijen. Tot de voltooiing van de bouw van aanvullende legering op Gilze-Rijen zullen de medewerkers in hotels overnachten. In 2008 bedroegen de kosten hiervoor € 0,2 miljoen, in 2009 € 3 miljoen en voor 2010 is € 3,1 miljoen begroot.
Ongeveer 115 medewerkers zullen volgens planning vanaf november 2010 gebruik kunnen maken van de nieuwe legering. Voor de resterende 135 medewerkers en voor ongeveer 45 nieuwe medewerkers wordt naar een langetermijnoplossing gezocht. In de loop van het jaar zal daarover een besluit worden genomen. Hierbij zullen doelmatigheidsoverwegingen een belangrijke rol spelen. Naar verwachting zullen de nieuwe medewerkers vanaf 2011 een beroep doen op huisvesting nabij de vliegbasis als gevolg van de uitbreiding van de helikoptervloot met NH-90’s en Chinooks en door reorganisaties.
Hoe lang bent u nog van plan militairen in hotels te huisvesten? Om hoeveel slaapplaatsen gaat het in dit geval en welke kosten voorziet u hiervoor nog?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe komt het dat de geplande legeringsgebouwen nog niet klaar zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u overwogen om de vele leegstaande militaire complexen in Brabant tijdelijk in gebruik te nemen om hier militairen te laten overnachten?
In de aanloop naar de verhuizing is een inventarisatie gemaakt van legering op de volgende kazernes in de omgeving van de vliegbasis Gilze-Rijen: de Koninklijke Militaire Academie in Breda, de Trip van Zoudtland kazerne in Noord-Breda, het Korps Commando Troepen in Roosendaal en de landmachtkazerne in Oirschot. De conclusie was dat geen van deze locaties de mogelijkheid bood extra personeel te legeren. Daarom is ervoor gekozen personeel onder te brengen in hotels in de onmiddellijke omgeving van de vliegbasis Gilze-Rijen.
Heeft u overwogen om leegstaande panden die eerder door het Centraal Opvangorgaan Asielzoekers (COA) werden benut hiervoor te gebruiken?
Er is niet onderzocht of dergelijke leegstaande panden konden worden gebruikt.
Deelt u de mening dat een rekening van vier miljoen euro voor overnachtingen in hotelkamers enorm hoog is? Bent u bereid om alsnog te kijken naar goedkopere overnachtingslocaties?
Om producten of diensten tegen een zo gunstig mogelijke prijs te kunnen afnemen berusten de overnachtingen op raamcontracten met hotels. Voor de medewerkers die na november 2010 nog geen gebruik kunnen maken van langetermijnhuisvesting, wordt onderzocht of er goedkopere tussentijdse oplossingen zijn. Hierbij zal onder andere worden gekeken naar huisvesting op militaire complexen en andere gebouwen in de regio.
Het artikel "Medische missers slecht vergoed" |
|
Eeke van der Veen (PvdA), Ton Heerts (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Medische missers slecht vergoed»?1
Ja.
Wat is uw opvatting over het beeld dat uit het artikel naar voren komt?
Uit het artikel komt het beeld naar voren dat verzekeraars zich vaak te formeel en strak opstellen waardoor de afhandeling van medische schade als gevolg van medische missers soms te traag verloopt. Hierdoor kan voor slachtoffers van medische missers soms een vervelende situatie ontstaan. Dit betreur ik.
Deelt u de mening, of heeft u aanwijzingen, dat verzekeraars de afwikkeling van een medische claim vertragen? Zo ja, wat moet er gebeuren om dit te voorkomen? Zo nee, wilt u hier onderzoek naar doen?
De verzekeraars hebben in samenwerking met o.a. de relevante brancheorganisaties, de rechtsbijstandverzekeraars en organisaties die de patiënt vertegenwoordigen zoals de NPCF en Slachtofferhulp Nederland het initiatief genomen tot het opstellen van de gedragscode medische aansprakelijkheid (GMA). Hierin zijn aanbevelingen opgenomen die het proces van afwikkeling van medische schade moeten verbeteren. Ik ondersteun dit initiatief van harte en zal de uitwerking van de GMA in de praktijk nauwlettend volgen.
Vindt u het wenselijk dat letselschadeadvocaten adviseren om de medische verzekeraars agressiever te benaderen? Zo nee, wat moet er gebeuren om te zorgen dat een agressieve benadering niet meer nodig wordt geacht?
Vooropgesteld dat ik geen partij ben bij dergelijke aansprakelijkheidskwesties ben ik van mening dat een constructieve oplossing in een medische aansprakelijkheidskwestie medewerking vergt van beide partijen. Een agressieve opstelling zal hier niet toe bijdragen. Met de GMA geven de veldpartijen zelf de aanzet om de communicatie tussen de partijen die betrokken zijn bij een medische aansprakelijkheidskwestie te verbeteren.
Wat is er sinds het rapport van de Stichting de Ombudsman over medische missers veranderd ten aanzien van de afhandeling medische letselschade?2
Zie antwoord op vraag 3.
Hoeveel ziekenhuizen en verpleeg- en verzorgingstehuizen hebben zich sinds 1 juni 2007 aangesloten bij de geschillencommissie zorginstellingen? Hoe vaak wordt er een beroep gedaan op deze geschillencommissie? Is de financiële vergoeding tot 25.000 euro die de geschillencommissie mag toekennen, hoog genoeg om het grootste deel van de letselschade veroorzaakt door medische missers snel en adequaat af te doen? Zo nee, welke grens zou u adviseren om te hanteren?
De huidige geschillencommissie Zorginstellingen is door de organisaties van zorgaanbieders en organisaties van cliënten gezamenlijk ingesteld en behandelt zo'n 30 klachten per jaar. Instellingen hebben zich hier vrijwillig bij aangesloten. Veldpartijen hebben zelf onderling afgesproken dat deze commissie maximaal € 5.000,– schadevergoeding kan toekennen.
In de sector verzorging, verpleging en thuiszorg (VVT) zijn nog weinig zorginstellingen aangesloten bij de geschillencommissie. Dit zijn er op dit moment 14 . Per 1 januari 2011 gaat dit drastisch veranderen. Actiz en BTN gaan de aansluiting bij de geschillencommissie als lidmaatschapsvereiste hanteren. Actiz, BTN, de Consumentenbond, de NPCF en het LOC hebben op 21 april jongstleden de tweezijdige algemene leveringsvoorwaarden voor de VVT vastgesteld. Een onderdeel hiervan is verplichte aansluiting bij de geschillencommissie Zorginstellingen. Dit betekent dat vanaf 1 januari 2011 de leden van Actiz en BTN (ruim 90% van de instellingen in de VVT-sector) bij de geschillencommissie aangesloten zullen zijn.
In de ziekenhuissector zijn op dit moment 84 instellingen aangesloten Het overleg tussen NVZ, Orde van Medisch Specialisten, Consumentenbond en NPCF over algemene voorwaarden in de ziekenhuissector is in een vergevorderd stadium. Ik verwacht dat aansluiting bij de geschillencommissie hiervan ook een onderdeel is. Is dit niet het geval dan ben ik uiteraard bereid om de NVZ te vragen haar leden op te roepen om zich aan te melden bij de geschillencommissie.
Een dezer dagen ontvangt u het voorstel voor de wet cliëntenrechten zorg (Wcz). Een onderdeel van de Wcz is dat alle zorgaanbieders verplicht worden zich bij een geschilleninstantie aan te sluiten. Deze geschilleninstantie doet bindende uitspraken en kan een schadevergoeding toekennen van – op termijn – maximaal € 25.000,–. Deze competentiegrens is gebaseerd op het advies van de Adviescommissie Evaluatie modernisering rechterlijke organisatie, beter bekend als de commissie Deetman. Deze commissie heeft een afweging gemaakt tussen enerzijds de behoefte aan snelle, laagdrempelige afhandeling en anderzijds het belang de extra waarborgen van de civiele rechtbank, zoals de verplichte inschakeling van een advocaat. De competentiegrens wordt in eerste instantie verhoogd tot €10.000,– om onverwachte en ongewenste neveneffecten van de verruiming van de competentiegrens te voorkomen.
Hebben alle Nederlandse ziekenhuizen en zorginstellingen zich inmiddels aangemeld bij de geschillencommissie zorginstellingen? Zo nee, bent u bereid de Nederlandse vereniging van ziekenhuizen te benaderen om hen op te roepen om zich aan te melden bij deze geschillencommissie?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de conclusie dat er iets «grondig mis is» omdat het te vaak voor komt dat professionele partijen alleen maar bezig zijn met het debat over euro’s? Zo ja, wat kunt en gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
In dergelijke aansprakelijkheidskwesties dient in de eerste plaats aandacht te zijn voor het slachtoffer van de medische schade. Om die reden is in het voorstel Wet Cliëntenrechten Zorg, dat een dezer dagen naar de Tweede Kamer zal worden gezonden opgenomen dat cliënten bij het indienen van een klacht recht hebben op gratis advies, ondersteuning en voorlichting.
Deelt u tevens de mening dat dit slecht voor het herstel van het slachtoffers is? Zo ja, wat kunt u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.