De Europese onderhandelingen met betrekking tot aanpassingen in het systeem van emissiehandel |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Brussel verwerpt kritiek staalindustrie in CO2-rel»?1
Ja.
Kunt u aangeven in welk stadium de in het artikel aangehaalde Brusselse onderhandelingen over de derde fase van het Emission Trading System (ETS) zich bevinden? Wanneer verwacht u dat definitieve besluitvorming zal plaatsvinden? Zijn de consequenties van eventuele aanpassingen in het systeem van emissiehandel aan de orde geweest in de Raad voor het Concurrentievermogen?
Het ontwerp Commissievoorstel is vrijdag 22 oktober verzonden aan de lidstaten. De lidstaten zullen hier nu eerst over stemmen in de daarvoor betreffende Raadswerkgroep, i.c. de Climate Change Committee. Na stemming zal het voorstel voor goedkeuring worden voorgelegd aan Raad en EP. Daarvoor geldt een termijn van 3 maanden. De definitieve beslissing over het voorstel zal daarom naar verwachting ergens in het voorjaar van 2011 plaatsvinden.
Het gaat hier om een uitwerking van de herziene ETS Richtlijn uit 2008 en daarmee niet om een aanpassing van het emissiehandelssysteem. Het onderwerp is niet aan de orde geweest in de Raad voor Concurrentievermogen.
Kunt u aangeven wat de belangrijkste geschilpunten zijn die op dit moment nog in de onderhandelingen tussen de lidstaten spelen?
Het formele Commissievoorstel is net gepubliceerd. Hierdoor kan ik nog niet aangeven wat de belangrijkste geschilpunten zijn tussen de lidstaten. Wel heeft een informele technische werkgroep bestaande uit experts van lidstaten de Commissie ondersteund in het ontwikkelen van dit voorstel. In die werkgroep worden geen formele posities ingenomen, maar belangrijke discussiepunten waren:
Kunt u aangeven wat de Nederlandse positie is ten aanzien van de toerekening van Emissiehandelsrechten voor procesgassen? Is deze in lijn met eerdere onderhandelingsrondes over het Emission Trading System, en zo nee, wat is de reden om een andere insteek te kiezen?
Nederland ondersteunt de voorgestelde systematiek van de Commissie om niet 100% gratis rechten te alloceren voor afvalgassen waarmee elektriciteit wordt opgewekt. Nederland vindt namelijk dat het efficiënt gebruik van afvalgassen gestimuleerd moet worden, niet de productie ervan. Ook pleit Nederland voor gelijke behandeling van afvalgassen in verschillende sectoren. Ook andere sectoren gebruiken afvalgassen voor elektriciteitsopwekking en krijgen daarvoor geen extra rechten. De voorgestelde systematiek is daarbij vergelijkbaar met de systematiek zoals we die zelf onder NAP2 kenden. Bovendien geeft de Richtlijn niet aan dat er volledig gratis rechten gegeven moet worden voor de koolstofinhoud van afvalgassen waarmee elektriciteit wordt opgewekt.
De Nederlandse positie is volledig in lijn met eerdere onderhandelingsrondes. Nederland heeft altijd gepleit voor zoveel mogelijk veilen omdat het veilen beschouwd als de beste allocatiemethode. Gratis rechten aan de industrie beschouwt Nederland als een overgangsmethode.
Ontslagzwendel en recht op uitkering |
|
Roos Vermeij (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de vragen van de leden Heerts en Vermeij over ontslagzwendel? 1)
Ja.
Wat is uw reactie op de in de bijlage bij deze vragen geschetste situatie (de bijgevoegde geanonimiseerde email gericht aan de afdeling Voorlichting van de PvdA)?
Hoewel ik de geschetste situatie voor de personen in kwestie betreur, kan ik geen oordeel geven over de vraag of in dit geval sprake is van ontslagzwendel. Een oordeel daarover is voorbehouden aan de rechter.
Naar aanleiding van de geschetste situatie merk ik wel het volgende op. Een slachtoffer van ontslagzwendel kan aangifte doen bij de politie, waarna het Openbaar Ministerie eventueel een strafrechtelijk onderzoek kan instellen en tot vervolging kan overgaan. Afhankelijk van de aard, omvang, ernst en complexiteit van de fraude kan dit onderzoek worden opgedragen aan de politie of een bijzondere opsporingsdienst zoals de Sociale inlichtingen- en opsporingsdienst (SIOD) of de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD). Ook kunnen burgers vermeende fraude op het terrein van werk en inkomen melden bij de SIOD (zie daarvoor www.siod.nl). Voor zover er sprake is van faillissement met het oogmerk om afbreuk te doen aan de arbeidsrechtelijke bescherming merk ik op dat voor slachtoffers civielrechtelijke mogelijkheden open staan (bijvoorbeeld schadevergoeding). Voor de mogelijkheden bij UWV verwijs ik naar de antwoorden op vraag 6 en vraag 7.
Bent u nog steeds van mening dat de rol van de overheid bij het bestrijden van ontslagzwendel niet verder gaat dan de strafrechtelijke weg?Zo ja, waarom zou de overheid niet ook een pro-actieve rol moeten hebben bij het voorkomen en bestrijden van ontslagzwendel?
Ja, ik ben van mening dat de overheid alleen een rol heeft in de strafrechtelijke aanpak van ontslagzwendel. Een pro-actieve rol bij het voorkomen en bestrijden van ontslagzwendel is weggelegd voor de werkgever en de werknemer. Zoals in de antwoorden op eerdere Kamervragen over dit onderwerp is aangegeven, is het belangrijk om tijdig informatie in te winnen en alert te zijn op signalen dat iets niet in de haak is.
Wat kan de Arbeidsinspectie doen indien deze dienst tijdens haar toezichthoudende en controlerende taken aanwijzingen voor (dreigende) ontslagzwendel ontdekt?
De Arbeidsinspectie (AI) is belast met toezicht op de naleving van specifieke wetgeving op het terrein van arbeidsbescherming en bestrijding van arbeidsmarktfraude, zoals de Arbeidsomstandighedenwet, de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en de Wet arbeid vreemdelingen. Als de AI tijdens controles op de naleving van deze wetgeving concrete aanwijzingen voor mogelijke ontslagzwendel signaleert, dan kan de AI de relevante feiten en omstandigheden melden aan de politie, de SIOD of de FIOD.
Ziet u mogelijkheden om de taken van de Arbeidsinspectie dusdanig uit te breiden dat daar de opsporing van strafbare feiten die tot ontslagzwendel leiden, wel onder komt te vallen? Zo ja, op welke? Zo nee, waarom niet en ziet u die mogelijkheden wel voor een bijzondere opsporingsdienst zoals de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) weggelegd?
De Arbeidsinspectie is als inspectiedienst primair belast met toezicht op de naleving van specifieke wetgeving. Het is niet wenselijk om deze toezichthoudende taken uit te breiden met de opsporing van strafbare feiten zoals oplichting, valsheid in geschrift en faillissementsfraude, waar ontslagzwendel onder kan vallen. Zoals is aangegeven in het antwoord op vraag 2 kan het Openbaar Ministerie de SIOD of de FIOD opdracht geven tot het verrichten van een strafrechtelijk onderzoek.
Om welke redenen kan de Uitvoeringsinstituut WerknemersVerzekeringen (UWV) een voorschot aan een aanvrager van een uitkering geven? Beschikt het UWV over een discretionaire bevoegdheid om in schrijnende gevallen voorschotten te verlenen? Zo ja, acht u de in de bijgevoegde email genoemde situatie schrijnend?
Het UWV is bevoegd een voorschot op een uitkering te verlenen, indien redelijkerwijs aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op die uitkering. Bij het verlenen van voorschotten maakt het UWV geen onderscheid tussen meer of minder schrijnende gevallen. Het beleid is erop gericht om binnen vier weken na de aanvraag het recht op uitkering vast te stellen en een eerste betaling te doen. Als dat binnen die periode niet lukt, maar aannemelijk is dat de aanvrager recht heeft op een uitkering, dan neemt het UWV contact op met betrokkene over het verlenen van een voorschot.
Deelt u de mening dat in het geval iemand een loonvordering heeft op een werkgever waarvan het faillissement is aangevraagd of insolvent is, dat een voorschot op een uitkering door het UWV gewenst is? Zo ja, hoe gaat u hieraan gevolg geven? Zo nee, waarom niet?
Bij het faillissement van een werkgever betaalt het UWV aan de werknemer diens (achterstallige) loon over maximaal de laatste drie maanden voorafgaand aan de datum waarop de curator de dienstbetrekking heeft opgezegd, plus het loon over de opzegtermijn volgens de Faillissementswet (maximaal 6 weken). Tevens neemt het UWV achterstallige vakantietoeslag, eventuele niet genoten vakantieaanspraken en verplichtingen aan derden (met name pensioenpremies) over maximaal het laatste jaar van de dienstbetrekking over. De vaststelling van de hoogte van het over te nemen loon is in veel gevallen complex, dus tijdrovend. Ook hier geldt dat het UWV voorschotten kan verlenen zodra het recht op loonovername en de omvang van het over te nemen loon redelijkerwijs vaststaan. Voor het aanvragen van zo'n voorschot kunnen de betrokken werknemers contact opnemen met het UWV. De hoogte van het voorschot wordt afgestemd op de loonvordering van de werknemer.
Aanslagen op moskeeën |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Moskee Dordrecht beschoten»?1
Ja
Wat is de verklaring voor het toenemend aantal aanslagen op gebedshuizen en moskeeën?
Ik verwijs u voor het antwoord op deze vraag naar het antwoord op vraag 3 van het kamerlid Dibi (Groen Links) over de beschieting van een moskee in Dordrecht (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 304).
Bent u bereid tot verscherpt toezicht (bijvoorbeeld in de vorm van extra surveillance) op de veiligheid van moskeeën?
Ik verwijs u voor het antwoord op deze vraag naar het antwoord op vraag 4 van het kamerlid Dibi (Groen Links) over de beschieting van een moskee in Dordrecht (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 304).
Wat vindt u van de reactie van de politie in Dordrecht om na de beschieting van de moskee geen extra maatregelen te treffen?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 3 wordt lokaal de analyse gemaakt van de dreiging en worden passende maatregelen genomen. Uit veiligheidsoverwegingen doe ik, zoals gebruikelijk, geen uitspraak over eventuele beveiligingsmaatregelen.
De uitgifte van Nederlandse reisdocumenten in het buitenland |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
|
|
|
Hoeveel incidenten zijn bij u bekend ten aanzien door misstanden bij het verstrekken van reisdocumenten op de Nederlandse ambassades? Beschikt u over een registratie van incidenten in het kader van de verstrekking van reisdocumenten in het buitenland?1
Sinds 2003 beschikt het ministerie van Buitenlandse Zaken over een incidentenregistratie waarin ook incidenten bij de verstrekking van reisdocumenten zijn opgenomen. Uit dit register blijkt dat er sinds 2003 vijf incidenten zijn gemeld en onderzocht op een totaal van rond de 160 000 paspoortaanvragen per jaar. Naar aanleiding van deze incidenten zijn enkele instructies verder aangescherpt alsmede het toezicht op de juiste toepassing hiervan.
Waarom is een extern deskundige niet vereist bij een onderzoek naar reisdocumenten op Nederlandse ambassades, terwijl deze extern deskundige, op grond van artikel 94 lid 3 Paspoortuitvoeringsvoorschriften Nederland (PUN), wel aanwezig dient te zijn bij een onderzoek naar de verstrekking van reisdocumenten binnen een Nederlandse gemeenten? Waarom wordt een onderzoek naar de verstrekking van reisdocumenten verricht door eigen medewerkers van de ambassade?2 Bent u van mening dat deze controle afdoende is?
De controle op de toepassing van de beveiligingsmaatregelen is bij de gemeenten vanaf het begin anders opgezet dan bij de overige uitvoerende autoriteiten (buitenlandse posten, de Gouverneurs en de door deze aangewezen autoriteiten in het Caribische deel van het Koninkrijk en de Koninklijke Marechaussee). Dat hangt samen met het feit, dat deze autoriteiten onder direct toezicht staan van de rijksoverheid. Daardoor zijn er directere sturingsmogelijkheden voorhanden om de beveiliging van de reisdocumentenuitgifte te waarborgen dan bij de gemeenten. De regeling die in artikel 94 PUN voor de gemeenten is getroffen, is dan ook uitgebreider dan voor de andere uitgevende autoriteiten.
Dit neemt echter niet weg, dat ook bij de andere autoriteiten sprake is van onafhankelijke controle. De desbetreffende uitvoeringregelingen schrijven voor dat de maatregelen op het gebied van de beveiligingsprocedure en de beveiligingsfunctionaris deel uitmaken van de reguliere accountantscontrole (art. 107 lid 9 van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001; art. 109 lid 9 van de Paspoortuitvoeringsregeling Caribische landen; art. 55 lid 4 van de Paspoortuitvoeringsregeling Koninklijke Marechaussee 2001). Uiteraard voldoet deze accountantscontrole aan dezelfde criteria van onafhankelijkheid als de externe controle bij gemeenten.
Daarnaast wordt iedere post periodiek onderworpen aan een organisatiedoorlichting door de Dienst Inspectie en Evaluatie Bedrijfsvoering van BZ. Deze doorlichtingen zijn gericht op een onafhankelijke en integrale beoordeling van het functioneren van een post en op advisering ter optimalisering daarvan. Zaken als een goede interne controle en functiescheiding vormen altijd onderdeel van deze doorlichtingen.
De beleidsverantwoordelijke directie op het departement in Den Haag is ten slotte verantwoordelijk voor een coherente aansturing van de posten op het hele consulaire terrein (waar deze processen deel van uitmaken). Deze directie doet dit onder meer door posten te bezoeken met Consulaire Advies Teams.
Deelt u de mening dat door het ontbreken van een extern deskundige bij het toezicht op de uitgifte van Nederlandse reisdocumenten in het buitenland er incidenten kunnen optreden, zoals de recente gebeurtenissen op de Nederlandse ambassade in Bangkok suggereren?
Gezien het antwoord op vraag 2 deel ik deze mening niet.
Welke maatregelen gaat u treffen om de misstanden bij de verstrekking van reisdocumenten op Nederlandse ambassades te voorkomen? Is het verplichtstellen van een extern deskundige bij het onderzoek naar de uitgifte van reisdocumenten één van die maatregelen? Zo niet, waarom niet?
Blijkens het antwoord op vraag 2 is het aanvraag- en uitgifteproces van reisdocumenten door de Nederlandse vertegenwoordigingen omgeven met tal van beveiligingsvoorschriften en -maatregelen teneinde te waarborgen dat het proces integer verloopt. Ik zie dan ook geen aanleiding tot het treffen van additionele maatregelen. Zoals gemeld is er bovendien al een onafhankelijke deskundige die toeziet op een correcte toepassing van de voorgeschreven beveiligings-maatregelen door de posten die reisdocumenten uitgeven.
Financiële problemen op basisscholen door bezuinigingen vanuit het rijk |
|
Manja Smits (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Scholen raken in de knel, Lucas komt 2,5 miljoen tekort» over aankomende tekorten in het basisonderwijs?1
Een eventueel tekort van € 2,5 miljoen kan slechts ten dele te maken hebben met de genoemde bezuiniging. Het is aan het bestuur om het probleem op te lossen zonder de kwaliteit van het onderwijs te schaden.
Deelt u de analyse dat de genoemde problemen direct gevolg zijn van de bezuiniging van negentig miljoen euro van vorig jaar op het bestuur en management van basisscholen en de bezuiniging op de groeiregeling? Zo nee, waar komt dan het tekort vandaan?
De totale PO bekostiging van Lucas is per jaar ongeveer € 75 miljoen. De bezuiniging op B&M bedraagt daar ongeveer 1% van, als de gevolgen van de groeiregeling op ongeveer een half miljoen worden geschat, dan zou de bezuiniging op 1,7% uitkomen. Volgens het artikel meldt Lucas een probleem van ongeveer 3,35%. Waardoor dat wordt veroorzaakt is zonder inzicht in de bedrijfsvoering van Lucas niet te beoordelen. Uit ons ten dienste staande gegevens blijkt dat over de afgelopen vijf jaar het aantal PO-leerlingen met 8,5% is gestegen en het aantal voltijdse personeelsplaatsen is gestegen met 13%. Gezien het aantal personeelsplaatsen bij Lucas loopt een dergelijk verschil in ontwikkeling al snel op tot € 2,5 miljoen.
Deelt u de mening dat het ten koste gaat van de onderwijskwaliteit wanneer door bezuinigingen op het basisonderwijs leerlingen in grotere klassen komen te zitten, geen muziekles meer krijgen, geen remedial teaching meer krijgen, er geen speciale klassen meer zijn voor leerlingen met een voorsprong of achterstand, en mogelijk ook vakdocenten zoals gymleraren moeten verdwijnen? Zo nee, waarom niet?
Dat zou ten koste gaan van de onderwijskwaliteit, het is daarom van belang dat Lucas andere oplossingen zoekt. Daar is ook ruimte voor. Lucas heeft een prima financiële positie. In 2008 bedroeg het rendement uit bedrijfsvoering 0,6 miljoen en het resultaat op financiële activa 2,4 miljoen. Het totale resultaat was dus 3 miljoen positief.
Zijn u nog meer scholen bekend die zich door uw bezuinigingen op het management en op de groeiregeling genoodzaakt zien te snijden in het primair onderwijsproces?
Er zijn meer scholen bekend die aangeven dat zij het primair proces niet kunnen ontzien. Ook de PO-raad heeft namens zijn leden gesteld dat de maatregel niet kan worden opgevangen zonder het primair proces te schaden. Gezien de omvang van de bezuiniging moeten schoolbesturen volgens mij in staat zijn de kwaliteit van het onderwijs te ontzien.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat door bezuinigingen op het management leerlingen in grotere klassen komen te zitten, geen muziekles meer krijgen, geen remedial teaching meer krijgen, er geen speciale klassen meer zijn voor leerlingen met een voorsprong of achterstand, en mogelijk ook vakdocenten zoals gymleraren moeten verdwijnen? Zo nee, waarom vindt u deze verschraling van het onderwijs acceptabel? Zo ja, bent u bereid de bezuiniging van negentig miljoen euro per direct ongedaan te maken? Zo neen, waarom niet?
Zoals betoogd bij de behandeling van de begroting 2010, maakte de economische situatie structurele maatregelen onvermijdelijk. Ook het primair onderwijs kon daarbij niet worden ontzien. De keuze voor het budget B&M is gemaakt om vanuit de overheid de wens aan te geven dat besturen de oplossing buiten het primair proces zouden zoeken, zodat de kwaliteit van het onderwijs zoveel mogelijk ontzien wordt. Binnen de kaders van lumpsumbekostiging, maken besturen hierin uiteindelijk zelf een afweging. De Tweede Kamer heeft niet het initiatief genomen om op maatregelen bij de behandeling van de begroting 2010 een amendement in te dienen. Daarmee is de Tweede Kamer in 2009 akkoord gegaan met de bezuiniging. Voor het terugdraaien van de maatregel is geen dekking. Het is nu aan de besturen om de maatregel op te vangen met behoud van de kwaliteit van het onderwijs.
Over het bericht dat de Raad van Commissarissen (RvC) van Crucell een persoonlijk belang heeft bij de overname |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de leden van de Raad van Commissarissen (RvC) van Crucell een persoonlijk belang hebben bij de overname door Johnson&Johnson, omdat ze sinds 2000 aandelen en opties ontvangen hebben als deel van hun beloning en de leden van de Raad van Commissarissen daardoor meer dan 4,2 miljoen euro kunnen verdienen aan de overname?1
Ik heb nota genomen van het bericht. Inmiddels heeft Johnson & Johnson een openbaar bod uitgebracht op de uitstaande aandelen van Crucell. Op 8 februari 2011 zal een buitengewone aandeelhoudersvergadering over het bod worden gehouden. In de aandeelhouderscirculaire ten behoeve van deze aandeelhoudersvergadering gaat Crucell onder meer in op de belangen van bestuurders en commissarissen tijdens de onderhandelingen, die zij als «appropriate» onder de Nederlandse wetgeving inzake tegenstrijdig belang beschouwt. Geconcludeerd is dat de belangen van Crucell, haar aandeelhouders, bestuurders en commissarissen parallel lopen. Daarom hebben de bestuurders en commissarissen deelgenomen aan de discussies en onderhandelingen over het bod en de besluitvorming daaromtrent.2
Bent u bekend met de reden dat Crucell op dit punt is afgeweken van bepaling III.7.1 van de Code Frijns? Wat vindt u van die reden?
Uit het jaarverslag van Crucell over boekjaar 2009 volgt dat de commissarissen van Crucell een beloning in aandelen («share grants») ontvangen. Crucell motiveert deze afwijking van best practice bepaling III.7.1 van de Nederlandse corporate governance code (hierna: de Code) in haar jaarverslag. Crucell acht een beloning in aandelen voor commissarissen passend aangezien dit gangbaar is bij een internationaal opererende biotechnologische onderneming als Crucell. Daarbij wordt Crucell met een dergelijke vorm van beloning in staat gesteld om gekwalificeerde commissarissen met specifieke kennis van de biotechnologische industrie en internationale handelspraktijken aan te trekken, aldus Crucell in haar jaarverslag.
Nederlandse beursvennootschappen zijn verplicht in het jaarverslag mededeling te doen over de naleving van de principes en best practice bepalingen van de Code, op basis van het «pas toe of leg uit» beginsel. Dit houdt in dat ze ofwel de bepalingen dienen toe te passen, ofwel gemotiveerd dienen uit te leggen waarom een codebepaling niet wordt toegepast. Het is aan de aandeelhoudersvergadering van de betreffende onderneming om te bepalen of de gegeven verantwoording over de naleving van de Code, waaronder de uitleg van een afwijking, voldoende is, en zo niet, welke consequenties ze hieraan verbindt.
Bent u van mening dat bepaling III.7.1 eigenlijk altijd nageleefd zou moeten worden en dat bedrijven daar niet (gemotiveerd) van af moeten wijken? Zo nee, in welke gevallen vindt u het wenselijk dat commissarissen wel een variabele beloning krijgen?
Ik zie geen aanleiding om het belonen van commissarissen met aandelen te verbieden. Het is aan bedrijven zelf om, met inachtneming van de wet en de Code, de afweging te maken op welke wijze zij hun commissarissen willen belonen. Een vaste beloning kan de onafhankelijkheid van commissarissen versterken. Een vennootschap kan echter valide redenen hebben om een variabele beloning aan commissarissen toe te kennen, bijvoorbeeld omdat op deze wijze hun betrokkenheid bij de onderneming wordt vergroot.
Hoe is bepaling III.7.1 van de Code Frijns en de vergelijkbare bepaling uit de Code Tabaksblat de afgelopen jaren nageleefd/toegepast? Kunt u een overzicht verstrekken van het recent historisch verloop van het aantal bedrijven waarbij de Raad van Commissarissen wel/niet wordt beloond met opties en aandelen, aan de hand van de jaarverslagen van alle beursgenoteerde Nederlandse bedrijven?
Over de naleving van de Code wordt gerapporteerd door de Monitoring Commissie Corporate Governance Code. De Monitoring Commissie maakt daarbij gebruik van nalevingsonderzoeken van de Rijksuniversiteit Groningen, op basis van samengevoegde gegevens, onderverdeeld in AEX, AMX, AscX en lokale vennootschappen. Uit deze nalevingsonderzoeken blijkt dat best practice bepaling III.7.1 in 2006, 2007 en 2008 door vrijwel alle beursvennootschappen wordt toegepast (in 2006 123 van de 125, in 2007 120 van de 122, in 2008 104 van de 110).3 In 2009 en 2010 is geen onderzoek verricht naar de naleving van deze bepaling. In 2009 was de reden dat de Commissie beperkt rapporteerde en in 2010 dat de Commissie in het bijzonder heeft gekeken naar bepalingen die de afgelopen vier jaren minder dan 90% zijn toegepast en naar de nieuwe bepalingen in de Code. Daar valt best practice bepaling III.7.1 niet onder.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat persoonlijke belangen een onafhankelijk oordeel van de Raad van Commissarissen onmogelijk maken, bij de overname van Crucell in het bijzonder en ook in het algemeen?
De raad van commissarissen van een naamloze vennootschap dient zich bij zijn taakvervulling te richten naar het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming (artikel 2:140 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek). In het wetsvoorstel bestuur en toezicht,4 dat thans aanhangig is bij de Eerste Kamer, wordt voorgesteld dat een bestuurder of commissaris niet meewerkt aan de totstandkoming van een besluit van het bestuur respectievelijk de raad van commissarissen als hij daarbij een tegenstrijdig belang heeft. Of een bestuurder of commissaris een tegenstrijdig belang heeft ten opzichte van de vennootschap moet worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval. De enkele omstandigheid dat een bestuurder of commissaris een persoonlijk belang heeft, behoeft niet te leiden tot de kwalificatie van een tegenstrijdig belang. Daarvan is geen sprake zolang de belangen van de bestuurder en commissaris parallel lopen met de belangen van de vennootschap. Zo leidt het bezit van aandelen in de vennootschap niet automatisch tot een tegenstrijdig belang van de bestuurder of commissaris. Indien een transactie zou leiden tot een stijging van de beurskoers is dat immers zowel voor de vennootschap als voor de aandeelhouders, inclusief bestuurders en commissarissen met aandelen, voordelig. In bijvoorbeeld een overnamesituatie, waarin wordt onderhandeld over de toekomst van de vennootschap en alle daarbij betrokkenen, is alertheid van bestuurders en commissarissen op een mogelijk tegenstrijdig belang gepast.
In het wetsvoorstel bestuur en toezicht wordt voorts een nadere uitwerking gegeven aan de gevolgen van een tegenstrijdig belang. Voorgesteld wordt dat een bestuurder of commissaris met een tegenstrijdig belang niet deelneemt aan de besluitvorming. Indien een bestuurder of commissaris toch deelneemt aan de beraadslaging, dan is het besluit daarmee vernietigbaar. Tegen dit besluit kan worden opgekomen door een ieder die een redelijk belang heeft bij de nakoming van de bepaling, zoals een minderheidsaandeelhouder.
De ruime vertrekregeling van bestuursvoorzitter InHolland |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving rond de afvloeiingsregeling van de voorzitter van de raad van bestuur van Hogeschool InHolland?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de afvloeiingsregeling van deze bestuurder van een overheidsbekostigde hoger onderwijsinstelling?
Vooruitlopend op de nieuwe Wet normering topinkomens (WNT) hanteer ik de lijn dat de beloning voor bestuurders in het hoger onderwijs, in elk geval niet mag uitstijgen boven 130% van het ministersalaris. Ik heb dit in het spoeddebat met u op 3 november jl. nog de norm van de Wet normering topinkomens genoemd (WNT) genoemd. In de hoogte van de beloning van een bestuurder is het risico op ontslag verdisconteerd. Ingeval van contractbeëindiging hanteer ik, tot de inwerkingtreding van de WNT, de lijn dat aan de zgn. kantonrechtersformule wordt getoetst of sprake is van een ondoelmatige besteding van overheidsmiddelen. In de WNT zullen de ontslagvergoedingen worden gemaximeerd.
Wat het concrete geval van deze bestuurder betreft, heb ik aan de hand van de door mij ontvangen informatie over de getroffen regeling vastgesteld dat er een aanzienlijk verschil is tussen de kosten die daaruit voortvloeien en de kosten die zouden zijn gemaakt als de kantonrechtersformule was toegepast. Het verschil zal ik terugvorderen. Ik heb hierover een brief gezonden aan de Raad van Toezicht van Hogeschool InHolland.
Wat is uw mening over deze afvloeiingsregeling indien uit het onderzoek van de onderwijsinspectie naar voren komt dat er sprake van grote nalatigheid en/of fraude was bij InHolland rondom de onterechte verstrekking van diploma’s?
Ik kan deze vraag pas beantwoorden wanneer het onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs is afgerond.
Deelt u de mening dat deze regeling in ieder geval niet aansluit op de in eerste instantie aangekondigde «sobere» vertrekregeling voor de bestuursvoorzitter?
Ja, ik deel deze mening. Bij een «sobere» vertrekregeling stel ik mij iets anders voor.
Bent u bereid om ook hier een terugvordering van dit bedrag te overwegen, zoals u dat ook gedaan heeft rond de zeer ruime afvloeiingsregeling bij de ex-directeur van het Friesland College eerder dit jaar?
In het antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven dat ik hiervoor reeds stappen heb ondernomen.
Het mogelijk uitstellen van de bouw van het nationaal historisch museum |
|
Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Bouw Historisch Museum wellicht uitstellen»?1
Ja.
Is het waar dat de bouw van het van het Nationaal Historisch Museum vertraging oploopt omdat er bezuinigd wordt?
Binnen het huidige financiële kader van het regeerakkoord en de komende bezuinigingen, zal ook cultuur een bijdrage moeten leveren. Ik acht het daarom niet langer opportuun om deze investering in een gebouw voor het NHM te continueren. Ik heb besloten het NHM niet langer te subsidiëren voor het realiseren van een gebouw, zoals ik u per brief heb laten weten.
Hoe beoordeelt u de vrees van de directeur van het museum dat er wel een nieuw gebouw komt maar dat er te weinig geld over blijft voor activiteiten? Bent u met hem van mening dat het doel «zoveel mogelijk Nederlanders over hun geschiedenis vertellen» niet gerealiseerd kan worden als er te weinig geld overblijft voor activiteiten? Zo nee, kunt u uw antwoord toelichten?
Het NHM was opgericht met als doel het bevorderen van het historisch besef en de kennis van de geschiedenis van Nederland. Het voorgenomen besluit laat onverlet dat ik dit doel nog steeds onderschrijf. Ik stel het NHM daarom in staat om daartoe in 2011 activiteiten te ontwikkelen.
Hoe beoordeelt u de suggestie van de directeur om, mocht het museum getroffen worden door grote bezuinigingen, het Nationaal Historisch Museum onder te brengen in een tijdelijke locatie zoals eerder gebeurd is bij het Stedelijk Museum? Hoe beoordeelt u de suggestie dat het tijdelijk onder brengen bijvoorbeeld in een «bestaand leegstaand belangrijk architectonisch erfgoed» mogelijk uitkomst biedt?
Ik heb aangegeven dat ik heb besloten om het NHM niet langer te subsidiëren voor het realiseren van een gebouw, maar alleen een projectsubsidie voor 2011 ter beschikking te stellen om activiteiten te ontwikkelen.
De kippenfarm in Landkreis Emsland |
|
Lutz Jacobi (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van RTV Noord over de megakippenfarm in Landkreis Emsland?1
Ja.
Waarom is hierbij geen grensoverschrijdende milieu-effectrapportage toegepast, zoals vastgelegd is in het Verdrag van Espoo?
Dat voor dit project geen grensoverschrijdende milieueffectrapportage is toegepast is het gevolg van een aantal communicatieproblemen en misverstanden tussen Duitsland en Groningen.
De Landkreis Emsland heeft op 4 januari 2008 de Provincie Groningen geïnformeerd over drie projecten, waaronder het betreffende project van de megakippenfarm in Hanhentangen (gemeente Haren) waar u naar vraagt. De andere projecten betroffen een varkenshouderij en een kippenboerderij in Rhede. Op respectievelijk 18 februari en 19 maart 2008 heeft de Provincie Groningen per brief voor de kippenboerderij en varkenshouderij in Rhede Landkreis Emsland laten weten betrokken te willen zijn bij de vervolgprocedure. Hierbij heeft de Provincie Groningen tevens de Landkreis Emsland gewezen op de «Gezamenlijke verklaring inzake de samenwerking bij de uitvoering van grensoverschrijdende milieu-effectrapportage voor projecten» met het verzoek of de Landkreis de afspraken die hierin zijn opgenomen wil volgen bij dergelijke projecten. Tijdens een bijeenkomst (Antragskonferenz) over een van de beide andere projecten op 10 april 2008 in Duitsland heeft de Provincie dit verzoek ook nog mondeling ingebracht.
De Landkreis heeft gemeend dat de Provincie Groningen (en relevante grensgemeente) slechts interesse had om betrokken te worden bij de twee met naam en toenaam genoemde projecten, en niet bij het derde project. Om die reden heeft de Landkreis voor het derde project de vergunningaanvraag en het MER niet aan de Provincie Groningen en de Gemeente Vlagtwedde toegezonden.
Vrijdag 22 oktober jl. zijn in een overleg tussen de betrokken autoriteiten van Landkreis Emsland, deelstaat Niedersachsen en Provincie Groningen duidelijke afspraken gemaakt om te voorkomen dat dergelijke misverstanden bij toekomstige projecten zich nogmaals voordoen.
Bent u bereid tot formele consultatie over te gaan en hierover contact op te nemen met de Duitse regering? Zo nee, waarom niet?
Volgens de «Gezamenlijke verklaring inzake de samenwerking bij de uitvoering van grensoverschrijdende milieu-effectrapportage voor projecten» tussen Nederland en Duitsland, is de afspraak dat eerst de relevante autoriteiten (in dit geval de Landkreis Emsland als bevoegd gezag en de Provincie Groningen en Gemeente Vlagtwedde als mogelijk getroffen partijen) overleg voeren. Een eerste overleg heeft op 22 oktober jl. plaatsgevonden. Dit overleg heeft geleid tot een verduidelijking van de ontstane situatie. Ook zijn voor het betreffende project, alsmede voor de toekomst goede en duidelijke afspraken gemaakt. Formele consultatie is om deze reden niet nodig. Deze conclusie wordt gedeeld door de Provincie Groningen.
Zijn er fouten gemaakt bij het verstrekken van de vergunning aan deze kippenfarm? Zo ja, welke?
Voor zover het Rijk betreft, zijn er geen fouten gemaakt bij het verstrekken van de vergunning aan deze kippenfarm. De discussie die speelt spitst zich toe op het betrekken van de Nederlandse grensgemeente(n) en provincie bij de milieueffectrapportage.
In hoeverre is er discrepantie tussen de Nederlands-Duitse uitvoeringsregels en de rechtspraktijk in Niedersachsen?
Voor wat betreft de mer-regelgeving geldt de Europese richtlijn inzake de m.e.r. (85/337/EEG, incl. wijzigingen door Richtlijnen 97/11/EG, 2003/35/EG en 2009/31/EG). Zowel Nederland als Duitsland, in casu Niedersachsen, dienen minimaal aan de vereisten van deze richtlijn te voldoen. Wel hebben de lidstaten een zekere vrijheid in de wijze waarop zij de richtlijn implementeren. Vanuit die vrijheid zijn er dan ook (procedure)verschillen tussen de mer-procedure in Nederland, respectievelijk die van Duitsland, Niedersachsen. Deze verschillen zijn mede aanleiding geweest om voor de grensoverschrijdende gevallen een «Gezamenlijke verklaring inzake de samenwerking bij de uitvoering van grensoverschrijdende milieu-effectrapportage voor projecten» op te stellen.
Vindt u een nadere beoordeling door de VROM-Inspectie gewenst? Zo nee, waarom niet?
Nee. De vergunningverlening vindt plaats in Duitsland. De VROM-Inspectie heeft hierin geen rol.
De voorgenomen fusie van woningcorporaties PWS Rotterdam en Com.wonen |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Intentieovereenkomst fusie PWS en Com.wonen»?1 Hebben deze woningcorporaties zich al met hun fusieplannen bij u gemeld, en heeft u hier al een standpunt over ingenomen?
Ja.
Mijn ministerie en het Centraal Fonds Volkshuivesting (CFV) zijn geïnformeerd over de voorgenomen fusie. De betreffende woningcorporaties hebben nog geen formeel verzoek tot goedkeuring van de voorgenomen fusie bij mij ingediend. Derhalve heb ik mij nog geen oordeel kunnen vormen over deze voorgenomen fusie. Begin december staat er een gesprek gepland tussen de bestuurders en het CFV om nadere informatie uit te wisselen.
Wat is uw oordeel over de omvang van deze voorgestelde «fusiecorporatie» met 50 000 verhuurbare eenheden? Acht u dit een wenselijke schaalgrootte voor deze te vormen woningcorporatie?
Uit onderzoek in opdracht van het voormalige ministerie van VROM (uitgevoerd door Cebeon, aangeboden bij brief van 10 mei 2006, TK 2005–2006, 29 453, nr. 40), als ook de praktijk blijkt dat er geen eenduidige relatie ligt tussen schaalgrootte enerzijds en de maatschappelijke prestaties en lokale binding anderzijds. Een ideale schaalgrootte van een woningcorporatie kan niet worden aangegeven. In de praktijk blijkt dat de omvang niet bepalend is voor de volkshuisvestelijke prestaties van een corporatie. Een corporatie van 50 000 of meer woningen kan net zo goed functioneren als een kleine corporatie. Het enkele feit dat een fusiecorporatie meer dan 50 000 woningen in bezit zal krijgen is geen reden om de fusie niet toe te staan.
Bent u ervan op de hoogte dat alle huurdersgroepen van zowel woningcorporatie PWS als van woningcorporatie Com.wonen klagen over achterstallig onderhoud? En kunt u bevestigen dat Com.wonen momenteel weigert om de komende vijf jaar onderhoud te plegen en woningverbetering toe te passen in Tuindorp Vreewijk als gevolg van onvoldoende financiële middelen?
Bij de bestuurder van PWS en de voorzitter van HPF, de overkoepelende huurdersorganisatie van PWS, zijn er op dit moment vanuit de huurdersorganisaties van PWS geen noemenswaardige klachten over onderhoud. Ook zijn er volgens Com.wonen geen noemenswaardige klachten over achterstallig onderhoud. Er hebben mijn ministerie noch het CFV berichten bereikt dat alle huurdersorganisaties van Com.wonen klachten hebben over achterstallig onderhoud.
Deze vraag wijst naar de situatie in Tuindorp Vreewijk. De Bewoners Organisatie Vreewijk (BOV) heeft in december 2008 een brief naar het CFV gestuurd waarin zij met betrekking tot de herstructureringsplannen en onderhoudsstaat van de woningen van Com.wonen in Vreewijk diverse opmerkingen en kanttekeningen heeft geplaatst over de planvorming, handelswijze en organisatorische kwaliteit van Com.wonen. Over het onderhoud van de woningen in Tuindorp Vreewijk bestaat discussie, omdat een deel van Vreewijk in aanmerking komt voor herstructurering. Van Com.wonen heb ik begrepen dat voor dit deel (ruim 1300 woningen) het onderhoudsprogramma integraal onderdeel is van het voorstel voor de herstructurering. Totdat definitieve overeenstemming is bereikt met onder meer de bewoners en de (deel)gemeente wordt terughoudend omgegaan met onderhoud. Com.wonen wil op deze wijze kapitaalvernietiging voorkomen. Dat geldt met name voor complexen waarvan de aanpak in de eerste fase staat gepland.
Van een weigering van Com.wonen om de komende vijf jaar onderhoud te plegen en woningverbetering toe te passen in Tuindorp Vreewijk is derhalve geen sprake. Het geplande onderhoud is afgestemd op de voorgenomen woningaanpak. Deze is niet ingegeven door de financiële middelen van Com.wonen. In de nu voorgestelde aanpak, waarover grotendeels overeenstemming is met alle partijen, wordt de herstructurering van Vreewijk verdeeld in drie fasen. De woningen in de eerste fase (540 woningen) krijgen binnen vijf jaar na de start van de aanpak een eindingreep (restauratie, renovatie of sloop/nieuwbouw). Voor deze fase wordt onderhoud gepleegd, waarmee de woning veilig, wind- en waterdicht blijft. Voor de tweede fase (426 woningen) en de derde fase (342 woningen) van de aanpak zal een uitgebreider onderhoudprogramma gelden vanwege de later geplande definitieve eindingreep.
Herinnert u zich nog dat huurders van Com.wonen in Tuindorp Vreewijk samen met de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) een experimentplan hadden opgesteld om met hun woning over te kunnen stappen naar een andere woningcorporatie? Acht u het verstandig wanneer woningcorporaties met zoveel onvrede onder huurders en achterstallig onderhoud van het bezit, fuseren tot één megacorporatie?
In 2008 heeft de bewonersorganisatie BOV van Com.wonen de SEV verzocht mee te werken aan een experiment over het oprichten van een nieuwe corporatie door de bewoners van de wijk Vreewijk zelf. Toenmalig minister Van der Laan heeft destijds de BOV en andere relevante partijen opgeroepen om eerst met elkaar de dialoog aan te gaan. Daar zijn alle betrokkenen nu volop mee bezig en het experiment is opgeschort. De projectgroep herstructurering Vreewijk en Com.wonen hebben mij geïnformeerd dat er op veel punten overeenstemming is bereikt over de aanpak.
Het aangaan van een fusie en de daarmee gepaard gaande schaalvergroting moet ten dienste staan en dus niet ten koste gaan van de belangen van de volkshuisvesting. In de circulaire MG 2002–18 is een aantal voorwaarden opgenomen om te beoordelen of het belang van de volkshuisvesting is gediend. Bij een eventueel ingediend fusieverzoek van deze woningcorporaties zal getoetst worden of de fusie een meerwaarde voor de volkshuisvesting oplevert.
Deelt u de mening dat, gezien de omstandigheden waarin deze woningcorporaties zich bevinden de fusieplannen stil gelegd moeten worden en in plaats daarvan een toezichthouder aangesteld moet worden om de boel op orde te brengen? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dat doen? Zo nee, wat is uw boodschap aan de huurders en hoe denkt u dat deze fusie zal bijdragen aan de kwaliteit en het wegwerken van de enorme hoeveelheid klachten en het achterstallig onderhoud?
Op basis van de verstrekte informatie zie ik geen aanleiding om over te gaan tot het aanstellen van een externe toezichthouder. Op voorhand kan ik niet aangeven of en hoe de fusie zal bijdragen aan de kwaliteit en het uitvoeren van onderhoud. Alle huurdersorganisaties van Com.wonen en PWS worden op basis van circulaire MG 2002–18 in de gelegenheid gesteld om een zienswijze te geven over de voorgenomen fusie. Van beide woningcorporaties heb ik begrepen dat nog voor de ondertekening van de intentieovereenkomst de belanghouders, waaronder de huurdersorganisaties, betrokken waren bij de dialoog over de eventuele fusie. Hoewel de huurdersorganisaties volgens de woningcorporaties aandachtspunten meegaven voor de fusie, bleken geen er op voorhand geen zwaarwegende bezwaren. Eventuele volkshuisvestelijke bezwaren over de voorgenomen fusie kunnen in de zienswijze kenbaar worden gemaakt. In mijn beoordeling wordt een groot belang gehecht aan positieve zienswijzen van zowel huurdersorganisaties als gemeenten.
De inzet van de Europese Unie bij VN-viering van 10 jaar resolutie 1325, op 31 oktober 2010 |
|
Kathleen Ferrier (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de op 8 oktober jl. aangenomen resolutie van de vrouwen van de Europese Volkspartij (EVP-V) over «Women in Conflict Zones and Situations»?1
Ja.
Deelt u de mening dat er tien jaar na het aannemen van de Veiligheidsraadresolutie 1 325 resultaten zijn geboekt, maar dat er op bredere schaal uitvoering moet worden gegeven aan de resolutie 1325?
Er zijn resultaten gehaald in de uitvoering van VNVR 1325, maar ben het met SGVN Ban Ki-Moon eens dat meer landen hun uitspraken over de rol van vrouwen in vredesprocessen moeten omzetten in concrete acties, onder andere middels Nationale Actieplannen.
Nederland heeft zich met de uitvoering van het Nationaal Actieplan 1325 zowel internationaal als op landenniveau geprofileerd. In het bijzonder vanwege de Nederlandse geïntegreerde benadering rond vrouwen, vrede en veiligheid en onze interdepartementale samenwerking in partnerschap met het maatschappelijk middenveld. In de afgelopen jaren is Nederland meerdere malen gevraagd assistentie te verlenen aan andere landen (o.a. Argentinië, Duitsland, Ierland, Spanje) in het opstellen en uitvoeren van beleid omtrent VNVR 1325. In de afgelopen weken hebben ook Portugal en Frankrijk om dergelijke contacten gevraagd.
Voorts ondersteunt Nederland, in samenwerking met onder andere de Verenigde Staten en het maatschappelijk middenveld, een proces ter bevordering van de uitvoering van het National Action Plan for the Women of Afghanistan (NAPWA). Het NAPWA is in 2008 door het Afghaanse parlement aangenomen, heeft een breed maatschappelijk draagvlak en omvat onder andere een doelstelling over VNVR resolutie 1325.
Bent u bereid gevolg te geven aan de oproep van uw ambtsvoorganger, gedaan tijdens het congres op 8 oktober dat meer landen de VR-resolutie moeten uitvoeren en een Nationaal Actieplan moeten opstellen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de oproepen uit deze resolutie mee te nemen bij de inzet vanuit Nederland om te komen tot een gemeenschappelijke positie van de EU – met ambitie – bij de officiële viering van 10 jaar Veiligheidsraadresolutie 1 325 inzake vrouwen, vrede en veiligheid? Kunt u daarbij specifiek het belang van inzet van vrouwelijke militaire en civiele krachten binnen NAVO- en met name VN-missies (met prioriteit voor de VN-missie in de Democratische Republiek Congo) meenemen?
Ja. Nederland heeft zich sterk gemaakt voor een gedegen gemeenschappelijke EU verklaring tijdens het Open Debat in de Veiligheidsraad op 26 oktober. Nederland pleitte onder andere voor opname van de conclusies van een seminar (maart 2010) onder Spaans EU voorzitterschap die meer training en gendercapaciteit in missies bepleiten. Voorts maakt Nederland zich sterk voor het opnemen van concrete toezeggingen van de EU, onder andere de inzet van financiële middelen van de EU zoals het EU Stabiliteitsinstrument.
Op welke wijze probeert Nederland, eventueel in samenwerking met het Belgisch voorzitterschap van de EU, dat de 10e verjaardag van resolutie 1325 als prioriteit heeft aangegeven, een extra impuls te geven aan de uitvoering van resolutie 1325?
Op 17 november a.s. organiseren de Nederlandse en Spaanse ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie het seminar «Gender in Peacekeeping & Peacebuilding». Het doel van dit seminar is effectieve manieren vast te stellen waarop donorlanden, troepensturende landen en kennis- en trainingsinstituten elkaar wederzijds kunnen versterken in het bevorderen van gendercapaciteit en participatie van lokale vrouwen in conflictprocessen. Tevens zal op die dag de brochure «The Dutch Do’s on Women, Peace & Security – Defence, Diplomacy and Development in Partnership» worden gelanceerd. Deze brochure, die vertelt over de ervaringen die Nederland in de afgelopen jaren heeft opgedaan op dit terrein, krijgt een brede internationale verspreiding.
Kunt u aangeven wat de Nederlandse inzet wordt en – zodra bekend – hoe het gemeenschappelijk EU-standpunt luidt?
Tijdens het mid-term review van het Nederlands NAP (april 2010) is besloten dat de focus van de gezamenlijke Nederlandse inzet komt te liggen op het bevorderen van vrouwelijk leiderschap en politieke participatie in een viertal landen (Afghanistan, Burundi, Colombia en de DRC).
Bovendien worden het stabiliteitsfonds en wederopbouwfonds ingezet voor 1325- gerelateerde initiatieven, zoals het ondersteunen van de opstartfase van een Women, Peace & Security Institute in het Kofi Annan Training Centre (Ghana) en van een VN trainingsmodule omtrent seksueel geweld voor troepensturende landen.
Het EU-standpunt doe ik u hierbij toekomen.
De kwaliteit van schuldhulpverlening in gemeenten |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de televisieuitzending van EenVandaag, waarin een item was gewijd aan de kwaliteit van schuldhulpverlening in gemeenten?1
Ja.
Is het waar dat een aantal gemeenten de toeloop bij de lokale schuldhulp onvoldoende aan kan, waardoor de kwaliteit van de schuldhulpverlening in individuele gevallen ernstig tekort kan schieten? Voor hoeveel gemeenten geldt dat zij capaciteitsproblemen hebben met het verwerken en behandelen van schuldhulpaanvragen?
Uit de uitzending van EenVandaag is duidelijk geworden dat de schuldhulpverlening in de gemeente Emmen met problemen kampt. Er bestaat geen landelijk beeld van het functioneren van de afzonderlijke gemeenten op het terrein van de gemeentelijke schuldhulpverlening. Het is dan ook niet bekend of en zo ja hoeveel gemeenten capaciteitsproblemen hebben met het verwerken en behandelen van aanvragen om schuldhulpverlening.
Klopt het bericht in de uitzending dat door gebrekkige schuldhulpverlening mensen met schulden juist dieper in de problemen komen? Bent u bereid te inventariseren in welke plaatsen deze problematiek speelt, en daarvan een overzicht naar de Tweede Kamer te sturen?
Ik kan niet uitsluiten dat dit in een enkel geval gebeurt. De gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit en de uitvoering van de schuldhulpverlening. Vanzelfsprekend is het doel van de gemeentelijke schuldhulpverlening om mensen met schulden te ondersteunen bij het oplossen van de problemen.
Gegeven de verantwoordelijkheidsverdeling tussen rijk en gemeenten en mijn verantwoordelijkheid voor het functioneren van het systeem als geheel past het niet om te onderzoeken hoe het staat met de schuldhulpverlening in afzonderlijke gemeenten en de bevindingen daarbij vervolgens openbaar te maken. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente zelf om te borgen dat de schuldhulpverlening van voldoende kwaliteit is en schuldenaren helpt in plaats van hen in grotere problemen te brengen. De beleidsinformatie die in vervolg op de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening beschikbaar zal komen, zal het voor gemeenten mogelijk maken om hun prestaties op het terrein van schuldhulpverlening te vergelijken met het landelijke beeld.
Bent u van mening dat burgers die in de problematische schulden zitten en bij hun gemeente aankloppen voor schuldhulp, recht hebben op goede schuldhulp? Bent u tevens van mening dat de kwaliteit van schuldhulp in alle gemeenten een voldoende minimumniveau moet hebben, en dat het onacceptabel is dat slechte schuldhulp van gemeenten ervoor zorgt dat mensen in nog grotere financiële problemen komen?
Bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening kunnen inwoners van een gemeente zich tot die gemeente wenden voor schuldhulpverlening. Het college van B en W beslist vervolgens over de toelating van de betrokkene tot de schuldhulpverlening. Deze beslissing van het college van B en W is een beslissing in de zin van de Algemene wet bestuursrecht die vatbaar is voor bezwaar en beroep.
Met het wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening wordt beoogd een bodem in de gemeentelijke schuldhulpverlening te leggen. Deze bodem ontbreekt nu. Onderdeel van het wetsvoorstel is ook dat de gemeenteraad in het plan dat richting geeft aan integrale schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente, vastlegt op welke wijze de kwaliteit van de integrale schuldhulpverlening wordt geborgd en hoe de integrale schuldhulpverlening wordt uitgevoerd.
Dit alles uiteraard met als doel om tot goede en effectieve schuldhulpverlening door de gemeente te komen.
Deelt u de mening dat het, om de basiskwaliteit van schuldhulpverlening in gemeenten te garanderen, van groot belang is dat het in januari 2010 door u ingediende wetsvoorstel gemeentelijke schuldhulpverlening zo snel mogelijk wordt ingevoerd?2
Ik onderschrijf de doelstelling van het wetsvoorstel om een bodem in de kwaliteit van de gemeentelijke schuldhulpverlening te leggen. In de komende periode zal ik het wetsvoorstel nader bestuderen, waarbij ik niet uitsluit dat ik nog wijzigingen zal aanbrengen.
Mogelijke windfall profits in de energie-intensieve industrie als gevolg van het gratis verdelen van rechten in het Europese emissiehandelssysteem |
|
Helma Neppérus (VVD), Cora van Nieuwenhuizen (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Nera inzake een beoordeling van het rapport van CE Delft getiteld «Does the energy intensive industry obtain windfall profits through the EU Emission Trading Scheme (ETS)?»1
Ja.
Deelt u de conclusie van Nera dat het onderzoek van CE Delft tekort schiet als het gaat om objectief feitenonderzoek en dat zij fundamentele economische en econometrische vraagstukken in haar analyse negeert? Zo nee, kunt u dan aangeven welke conclusies van het Nera-onderzoek u niet deelt en waarom niet?
Ik deel de conclusie van NERA niet dat het onderzoek van CE Delft tekort schiet als het gaat om objectief feitenonderzoek en tevens fundamentele economische en econometrische vraagstukken negeert. Het doel van het onderzoek van CE Delft was niet om alle mogelijke invloeden op de prijsontwikkeling van de diverse productmarkten te beschrijven. In plaats daarvan beoogde de studie de invloed van één variabele, te weten de CO2-prijs, op het verschil tussen de prijzen in de EU (met het Europese handelssysteem) en de VS (zonder een vergelijkbaar handelssysteem) te onderzoeken. Deze vergelijkende analyse is een gangbare aanpak in de econometrie.
Naast een econometrische schatting van de kostprijsdoorberekening bevat de studie van CE Delft tevens een nadere uitwerking van de economische theorie, waaruit volgt dat de energie-intensieve industrie de kosten zoveel mogelijk zal doorberekenen. NERA bekritiseert deze economische theorie zonder echter exact aan te geven welke elementen van de theorie niet correct zijn.
Ziet u aanleiding om uw standpunt, zie beantwoording Kamervragen2, dat het gelet op de uitkomsten van de CE Delft studie zeer aannemelijk is dat de waarde van emissierechten in de onderzochte periode inderdaad (deels) is doorberekend, te herzien? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen reden om mijn standpunt te herzien. Zowel de economische theorie als de empirische onderbouwing van het doorberekenen van de kosten in de studie van CE Delft maken het zeer aannemelijk dat de waarde van emissierechten is doorberekend.3 De reactie van NERA richt zich op verdere onderbouwing en detaillering van de cijfers gebruikt in het onderzoek. Dergelijke uitbreiding is zeker waardevol, maar leidt naar mijn mening tot vergelijkbare conclusies over windfall profits. 4
Heeft het verschijnen van dit rapport gevolgen voor de Nederlandse inzet in Europees verband inzake emissiehandel, met name waar het de energie-intensieve industrie betreft die immers is blootgesteld aan wereldwijde internationale concurrentie (carbon leakage)?
In Europees verband dient tegemoet te worden gekomen aan onacceptabele concurrentienadelen voor energie-intensieve sectoren die mondiaal opereren en geconfronteerd worden met mondiale concurrenten die geen met de EU vergelijkbare reductieverplichtingen kennen. De Nederlandse inzet is altijd geweest terughoudend om te gaan met het verstrekken van gratis rechten en alleen aan die sectoren die daadwerkelijke concurrentie ondervinden. Het verschijnen van het rapport heeft geen gevolgen voor de Nederlandse inzet.
Overigens bepaalt de EU ETS-richtlijn dat elk jaar sectoren aan de carbon-leakagelijst kunnen worden toegevoegd indien na onderzoek blijkt dat er een significant risico is op carbon leakage. In 2014 wordt de lijst herzien en zal opnieuw worden beoordeeld welke sectoren een significant risico lopen op carbon leakage. Dat kan dus betekenen dat er, bij het opnieuw toetsen aan dezelfde criteria, sectoren van de lijst verwijderd worden dan wel aan de lijst toegevoegd worden.
Het bericht dat tientallen scholen in Groningen dreigen te verdwijnen |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving van RTV Noord over de dreiging dat tientallen basisscholen in Groningen dreigen te verdwijnen?
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Wat zijn de gevolgen van sluiting van tientallen scholen voor de leefbaarheid in de dorpen, de afstand van huis naar school en het personeel van deze scholen?
Er hoeven op korte termijn geen tientallen scholen dicht op basis van de wettelijke opheffingsnormen. Opheffingsnormen voor scholen in een gemeente worden berekend aan de hand van leerlingenaantallen in de betreffende gemeente, met een absolute ondergrens van 23 leerlingen. Daarnaast kent de wet uitzonderingsgronden om ongewenste effecten tegen te gaan. Als we kijken naar de ontwikkelingen in Groningen in de afgelopen 10 jaar, dan zien we dat er per jaar gemiddeld 2 scholen worden opgeheven. Recente cijfers geven geen aanleiding om te veronderstellen dat dit de komende tijd zal veranderen. Er zijn dan ook zeer beperkte gevolgen voor de leefbaarheid, de afstand van huis naar school en het personeel van de scholen.
Naast deze systematiek kunnen besturen zelf afwegingen maken over mogelijke sluiting van scholen. Deze afweging behoort tot de bevoegdheden van schoolbesturen. Daarbij ben ik van mening dat schoolbesturen een actief langetermijnbeleid moeten voeren om ook in de toekomst goed en toegankelijk onderwijs te garanderen in de krimpregio’s.
Bent u bereid in overleg te treden met de provincie Groningen, Groningse gemeenten en schoolbesturen om gezamenlijk te zoeken naar een oplossing?
Er is al sprake van overleg tussen Groningen en OCW en er wordt samen gekeken naar mogelijke oplossingen voor de gevolgen van krimp, onder andere op het gebied van onderwijs. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Aan welke oplossingen denkt u om de sluiting van tientallen basisscholen in één gebied te voorkomen? Bent u bereid een helpende hand te bieden en zo ja op welke wijze?
Op 17 februari 2010 kreeg het Interbestuurlijk Actieplan Bevolkingsdaling met de titel «Krimpen met Kwaliteit» in de Tweede Kamer brede steun. Daarnaast is er een regionaal actieplan van Groningen dat op de gehele problematiek van bevolkingsdaling ingaat, inclusief onderwijs. De door RTV Noord genoemde initiatieven zijn pilots, in het kader van het actieplan. Deze pilots ontvangen van OCW een onderzoeksbijdrage. Beide pilots bieden een aanpak voor de herschikking van scholen via regionale samenwerking. Zoals gezegd is er geen sprake van een dreigende sluiting van tientallen scholen op basis van de wettelijke opheffingsnormen.
Zijn er nog andere gebieden in Nederland waar ook veel scholen dreigen te verdwijnen de komende jaren, en zo ja welke regio’s/gemeenten?
Als gevolg van demografische bewegingen worden voortdurend scholen gesticht en andere scholen weer opgeheven. Nieuwe wijken zijn vaak enkele tientallen jaren kinderrijk, waarna het aantal kinderen daalt en stabiliseert. Het scholenaanbod wordt hierop aangepast.
Zoals gezegd, er is in Groningen geen sprake van een dreigende sluiting van tientallen scholen. Er zijn wel meer krimpregio’s. De grootste krimpregio’s naast Noordoost Groningen zijn nu Zuid-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen. In de komende tien jaar zal volgens prognoses in een groot aantal gemeenten in Nederland sprake zijn van dalende bevolkingsaantallen.
Welke verantwoordelijkheid heeft het Rijk in deze?
De belanghebbenden en eerst verantwoordelijken in de krimpregio’s zullen allereerst zelf acties moeten ondernemen en met initiatieven moeten komen. Zij beschikken over de bevoegdheden en zijn hiertoe veelal ook het best in staat, omdat zij dichterbij de dagelijkse praktijk staan en de precieze gevolgen voor een dorp of gebied het beste kennen. Het Rijk kan helpen met onderzoek in het kader van regionale pilots, kennisspreiding en het wegnemen van knelpunten en belemmeringen in het stelsel.
Hoe kijkt u aan tegen deze ontwikkelingen en wat is de visie van het kabinet hierop voor de toekomst?
et kabinet zal aandacht blijven schenken aan krimpregio’s. In het voorjaar van 2011 zal de Tweede Kamer geïnformeerd worden over de voortgang van het genoemde actieplan «Krimpen met Kwaliteit» (zie antwoord op vraag 4). In de rapportage zal ook aandacht worden gegeven aan de voortgang van de pilots in Groningen.
Onjuiste pensioenoverzichten |
|
|
|
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Kent u het artikel «Deelnemers krijgen foute overzichten uit te keren pensioen»1 waarin een zeer kritisch onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) wordt beschreven?
Ja.
Deelt u de mening dat transparantie over de pensioenrechten van cruciaal belang is voor deelnemers? Is goede informatievoorziening nu niet van extra belang met oog op de roerige tijden waarin de pensioenfondsen zich bevinden?
Ik deel uw mening. Transparantie over pensioenaanspraken en goede informatievoorziening daarover is van belang. Pensioenfondsen moeten elk jaar uiterlijk 30 september een Uniform Pensioenoverzicht, ook wel UPO genoemd, aan hun deelnemers verstrekken. Het is belangrijk dat de informatie in de UPO’s correct is. De deelnemer kan zich op basis van het UPO een mening vormen over de vraag of hij zijn pensioen toereikend acht in het licht van zijn persoonlijke situatie. Wanneer een deelnemer op basis van het UPO zijn pensioen ontoereikend oordeelt, heeft hij de keuze maatregelen te treffen, zoals het afsluiten van een aanvullend derde pijler pensioenproduct.
Wat is uw reactie op de conclusies uit het onderzoek «Rapport Juistheden UPO»?2
De AFM heeft in haar onderzoek relatief veel fouten in de Uniforme Pensioenoverzichten geconstateerd. Dat vind ik zorgelijk. Het onderzoek laat echter ook zien, dat de afwijkingen in het merendeel van de gevallen beperkt zijn. De geconstateerde afwijkingen bedragen voor een groot aantal pensioenfondsen minder dan 2% van de juiste waarden van de kerngegevens. Een deel van de fouten is niet rekenkundig onjuist maar hangt samen met een verouderde of onduidelijke tekst van het pensioenreglement.
Ik ga zelf geen extra maatregelen treffen. Dat is ook niet nodig, aangezien het toezicht op dit punt al afdoende is geregeld. De AFM komt als toezichthouder met vervolgacties richting een deel van de fondsen, waaronder een vervolgonderzoek en maatregelen voor de groep pensioenfondsen met de slechtste bevindingen. Deze laatste maatregelen kunnen bestaan uit een normoverdragend gesprek, het geven van een aanwijzing, het opleggen van een last onder dwangsom en het opleggen van een boete. Ook heeft de AFM aanbevelingen aan de sector geformuleerd. Zo heeft de AFM een specifieke aanbeveling geformuleerd met betrekking tot de groep (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten. De AFM vraagt de pensioenfondsen daarin extra aandacht te besteden aan deze groep. Ik ga ervan uit dat de pensioenfondsen deze aanbeveling van de toezichthouder ter harte zullen nemen.
Vindt u het ook zorgelijk dat voor 64% van de bedrijfstakpensioenfondsen de pensioenaanspraken op het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) niet kloppen? Welke maatregelen treft u om dit aantal terug te dringen? Legt u ook boetes op?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u het ook onacceptabel dat maar liefst een kwart van de onderzocht fondsen helemaal geen UPO heeft gestuurd naar arbeidsongeschikten? Hoe grijpt u hierop in en legt u ook boetes op?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw reactie op de conclusie dat géén van de fondsen het UPO model 100% volgt? Behoeft het UPO model een herziening of zijn de pensioenfondsen nalatig? Welke stappen zet u in dit verband?
Op grond van artikel 38, tweede lid, Pensioenwet en artikel 49, tweede lid, Wet verplichte beroepspensioenregeling is de vormgeving van het UPO aan de pensioenuitvoerders overgelaten. De AFM heeft de pensioensector aanbevolen het UPO-model te vereenvoudigen en de UPO-handleiding te verduidelijken. De pensioensector is inmiddels zelf aan de slag gegaan. Zo is een werkgroep, samengesteld uit pensioenkoepels en het Verbond van Verzekeraars, bezig met de verbetering van het UPO-model.
De behandeling van christenen in het islamitische koninkrijk Saoedi-Arabië |
|
Wim Kortenoeven (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
|
|
|
Kent u de nieuwsberichten «Saudi Arabia: Islamic Religious Police arrest Catholics for attending a Mass»1 en «Saudi police arrest Catholics at mass»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u deze berichten en hoe typeert u de rechtspositie van christenen in Saoedi-Arabië?
Berichten over discriminatie van religieuze minderheden (met name sji’ieten) in Saudi-Arabië zijn mij bekend en baren mij zorgen. Religieuze minderheden mogen uitsluitend erediensten in huiselijke sfeer houden; de bouw van niet-soennitische gebedshuizen is verboden. Ook ondervinden religieuze minderheden discriminatie op het gebied van onderwijs, werkgelegenheid en in het rechtssysteem.
Kunnen christenen het Saoedisch-Arabische staatsburgerschap verwerven?
Er is in de wet niet bepaald dat alleen moslims kunnen opteren voor het Saudische staatsburgerschap. Het verkrijgen van het Saudische staatsburgerschap gebeurt bij Koninklijk besluit. In de praktijk moeten niet-moslims zich eerst tot de Islam bekeren. Mij zijn geen gevallen bekend waarin christenen het Saudische staatsburgerschap hebben verworven.
Welke richtlijnen hanteert de Nederlandse ambassade in Riyadh voor belijdend christelijke Nederlanders die zich vanwege hun werk in Saoedi-Arabië vestigen (zowel ambassademedewerkers als werknemers van bedrijven)?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken hanteert het volgende reisadvies voor Saudi-Arabië:
«Het is van groot belang de plaatselijke gebruiken en gewoonten in acht te nemen. In Saudi-Arabië gelden strenge Islamitische wetten. Zolang u zich aan deze regelgeving houdt, zult u weinig hinder ondervinden. Het niet naleven van de plaatselijke wetgeving kan daarentegen ernstige gevolgen hebben».
Het is de eigen verantwoordelijkheid van reizigers om zich te oriënteren op het land dat zij gaan bezoeken danwel waar zij zich gaan vestigen.
Worden belijdend christelijke Nederlanders die Saoedi-Arabië bezoeken of die zich daar vanwege hun werk vestigen, door de Nederlandse ambassade in Riyadh gewaarschuwd dat zij vanwege het uitoefenen van hun religieuze plichten door de Saoedische religieuze politie kunnen worden gearresteerd en gedetineerd?
Nee. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 4 is het de eigen verantwoordelijkheid van reizigers om zich te informeren over de wetten die gelden in het land dat zij gaan bezoeken danwel waar zij zich gaan vestigen.
Is de Nederlandse ambassade in Riyadh geïnstrueerd over hoe te handelen indien Nederlandse christenen bij het uitoefenen van hun religieuze plichten door de Saoedische religieuze politie zouden worden gearresteerd en gedetineerd?
Nederlandse ambassades wereldwijd verlenen consulaire bijstand aan Nederlandse gedetineerden in het buitenland waar de omstandigheden dit toelaten. Dit gebeurt ongeacht de reden van arrestatie danwel detentie.
Deelt u de constatering dat het islamitische regime in Saoedi-Arabië, op basis van de koranische wetgeving (sharia), systematisch de rechten van christenen schendt? Zo ja, bent u dan bereid deze schendingen aan de orde te stellen in internationale organisaties, waaronder de VN-Mensenrechtenraad in Genève?
In Saudi-Arabië bestaat geen godsdienstvrijheid. Nederland spreekt regelmatig haar zorg daarover uit, zowel in bilaterale en EU-contacten als binnen diverse organen van het VN-systeem.
Hoe beoordeelt u het feit dat het dictatoriale islamitische regime in Saoedi-Arabië het christenen verbiedt om op Saoedisch grondgebied kerken te bouwen, terwijl datzelfde regime kosten nog moeite spaart om de democratische rechtsstaten van West-Europa te islamiseren door middel van het bouwen van moskeeën en het oprichten en financieren van islamitische instellingen?
In het kader van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging ben ik van mening dat geloofsgemeenschappen overal ter wereld gebedsruimtes moeten kunnen bouwen, zoals dat ook in Nederland is toegestaan. Financiering van imams en moskeeën door onder andere buitenlandse overheden en islamitische missieorganisaties vindt reeds enkele decennia plaats in Nederland en andere landen in Europa en is binnen de wet toegestaan.
Bent u bereid op korte termijn uw ongenoegen over de barbaarse behandeling van christenen in Saudi-Arabië over te brengen aan het dictatoriale regime van het wahhabistische boevennest Saoedi-Arabië?
De mensenrechtenambassadeur heeft tijdens zijn bezoek aan Saudi-Arabië begin 2010 diverse malen de vrijheid van religie aan de orde gesteld. Ook in andere bilaterale contacten met Saudi-Arabië wordt dit onderwerp regelmatig besproken.
Wilt u, vanwege de gewenste duidelijkheid, bovenstaande vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het niet voldoen aan aanvullende eisen van de FIFA |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Regering verwierp eisen van FIFA over WK-organisatie»?1
Ja.
Wat is uw opvatting over de aanvullende eisen van de FIFA, zoals in dit artikel vermeld?
De FIFA heeft geen eisen gesteld die aanvullend zijn op de door de overheid verstrekte garanties (II, 32 371, nr. 1). De FIFA heeft wel een aantal aanvullende vragen gesteld over deze garanties. Die vragen heb ik beantwoord en inmiddels ook aan uw Kamer toegezonden met mijn brief van 26 oktober 2010 (II, 32 371, nr. 10).
Zijn deze eisen volgens u fundamenteel anders van aard dan de eisen waaraan mogelijk wel wordt voldaan, hoewel dan een wetswijziging vooraf moet plaatsvinden, zoals belastingvrijstelling? Zo ja, in welke opzichten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2. De noodzaak tot wetswijziging dient zich nog niet aan. Mocht in de (nabije) toekomst die noodzaak er wel komen, dan zal een en ander uiteraard in overleg met de Kamer geschieden.
Waarom is de Kamer niet eerder, en langs de geëigende weg, geïnformeerd over deze FIFA-eisen en het afwijzen daarvan?
Zie antwoord op vraag 2. Bovendien heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer op 20 april 2010 geïnformeerd over het besluit van het kabinet het WK bid te steunen. Bij die brief waren ook alle (aangepaste) garanties aan de FIFA gevoegd.
Deelt u de mening dat er een spanning lijkt te bestaan tussen uw eerdere constatering dat de FIFA-eisen geen problemen opleveren voor de Nederlandse kandidatuur, en het feit dat er dus wel buitensporige eisen zijn afgewezen? Zo nee, waarom niet?
Met de in april 2010 afgegeven garanties en de reactie van het Kabinet op de aanvullende vragen van de FIFA, zoals vermeld in het antwoord op vraag 2 is naar mijn opvatting voldoende aangegeven hoe het kabinet invulling geeft aan de steun voor het bid.
Zijn er nog meer FIFA-eisen gesteld, en vervolgens afgewezen, waarvan de Kamer het bestaan (nog) niet kent? Zo ja, welke?
Nee. Ik verwijs u naar mijn brief van 26 oktober 2010 (II, 32 371, nr. 10) voor het totale beeld.
Een akkoord over de uitleg van de Toescheidingsovereenkomst |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Heeft de ambtelijke commissie Suriname-Nederland overeenstemming bereikt over de interpretatie van diverse artikelen in de Toescheidingsovereenkomst?1
Het laatste ambtelijk overleg met Suriname over de toescheidingsovereenkomst vond plaats op 13 en 14 januari 2010. De uitkomsten van dit overleg waren niet conclusief.
Is er een interpretatieve verklaring opgesteld die ter goedkeuring aan beide regeringen en parlementen wordt voorgelegd?
In januari 2010 is een ontwerptekst voor een interpretatief protocol bij de Toescheidingsovereenkomst opgesteld. Over deze ontwerptekst is evenwel op ambtelijk niveau geen overeenstemming bereikt. Er is nog geen nieuwe datum voorzien voor een volgend overleg.
Indien ja, wanneer kan de Tweede Kamer kennisnemen van de inhoud van deze verklaring?
Indien het tot een protocol komt, dan zal dat zoals gebruikelijk voor goedkeuring aan het parlement worden toegezonden.
Op welke wijze is de Surinaams-Nederlandse gemeenschap betrokken bij het overleg over de toekomst van de Toescheidingsovereenkomst?
De onderhandelingen over de interpretatie van de Toescheidingsovereenkomst vinden plaats op ambtelijk niveau. Van beide zijden zijn geen andere partijen betrokken. Uit de vele contacten en correspondentie in de afgelopen jaren zijn de belangen van de Surinaams-Nederlandse gemeenschap echter bij de Regering zeer goed bekend. Juist om die reden is, naar aanleiding van de oorspronkelijke mededeling van Suriname de toescheidingsovereenkomst op te zeggen, de Regering de onderhandelingen gestart. Eenzijdige opzegging van de Toescheidingsovereenkomst is verdragsrechtelijk niet mogelijk.
Op welke wijze gaat u de Surinaams-Nederlandse gemeenschap informeren over het resultaat van het overleg tussen beide landen over de Toescheidingsovereenkomst?
Indien het tot een interpretatief protocol komt, dan zal dat zoals gebruikelijk voor goedkeuring aan het parlement worden toegezonden. Via contacten met de diverse belangenverenigingen zal de Surinaams-Nederlandse gemeenschap hiervan op de hoogte worden gehouden.
Het weigeren van vmbo-t-gediplomeerden bij de HAVO |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het feit dat een aantal instellingen voor havo leerlingen met vmbo-t-diploma weigert?1
Ik ben mij er van bewust dat scholen voor voortgezet onderwijs toelatingseisen hanteren voor de overstap van vmbo naar havo. Echter, toelatingsvoorwaarden hebben nimmer de strekking gehad om aan leerlingen een recht op toelating toe te kennen; de toelatingsvoorwaarden regelen enkel de toelaatbaarheid.
Tot 1 augustus 2010 gold het vmbo-diploma gemengde of theoretische leerweg als minimumeis om toegelaten te worden tot het havo. Het diploma gaf de jongere echter geen toelatingsrecht. De school had en heeft nog steeds de mogelijkheid om bovenop deze diploma-eis aanvullende eisen te stellen.
In het kader van het stimuleren van stapelen en doorstromen in het voortgezet onderwijs is deze minimumeis onlangs geschrapt.2 Hierdoor is in principe elke leerling toelaatbaar tot havo 4, zoals dat ook bij de toelating tot een hoger leerjaar in vmbo of vwo het geval is. Of een leerling ook daadwerkelijk toegelaten wordt, is aan het bevoegd gezag van de school voor voortgezet onderwijs. De school heeft wettelijk gezien nog steeds de ruimte om toelatingscriteria te stellen. Dat kan een bepaald vakkenpakket zijn of een bepaald cijfergemiddelde. Hier zijn geen voorschriften voor.
Deelt u de mening dat deze instellingen in strijd handelen met de wet op het voortgezet onderwijs? Waarom wel, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 1.
Welke ruimte is scholen toegestaan om extra eisen te stellen aan leerlingen? Hoe wordt hier op toegezien?
Scholen hebben wettelijk gezien vanaf 1 augustus 2010 de ruimte om toelatingseisen te stellen aan de leerlingen die instromen in de hogere leerjaren van het voortgezet onderwijs. Het toelatingsbeleid tot de hogere leerjaren vormt dan ook geen onderdeel van het toezichtskader van de onderwijsinspectie.
Bent u het eens met de stelling dat leerlingen met een vmbo-t-diploma in principe altijd moeten kunnen doorstromen naar het havo? Bent u het eens met de stelling dat scholen hooguit een studieadvies moeten kunnen geven, maar dat dit niet bindend kan zijn?
Ik ben het niet eens met de stelling dat gediplomeerde vmbo theoretische leerwegleerlingen per definitie toegelaten moeten worden tot het havo. Ik denk ook niet dat een niet-bindend studieadvies uitkomst biedt. De theoretische leerweg bereidt leerlingen voor op een vervolgopleiding in het mbo of het havo. Dat betekent echter niet dat de leerling per definitie ook wordt toegelaten tot beide schoolsoorten. De diploma’s van het voortgezet onderwijs geven geen toelatingsrecht.
Bij de toelating tot de hogere leerjaren in het voortgezet onderwijs spelen verschillende factoren een cruciale rol. Factoren waar de overheid op afstand lang niet altijd zicht op heeft. De voornaamste hindernissen bij het stapelen en doorstromen zijn namelijk niet van juridische maar van programmatische en schoolorganisatorische aard.3 Ik denk bijvoorbeeld aan niet aansluitende vakkenpakketten tussen het vmbo en het havo. De sectoren van het vmbo sluiten niet per definitie aan op de profielen van de havo. Daarnaast moet de havoschool überhaupt ook de ruimte hebben om nieuwe leerlingen toe te laten. De school moet de zittende havisten immers ook kwalitatief goed onderwijs aanbieden.
Ik vind het dan ook te kort door de bocht om hier aan voorbij te gaan. In de afgelopen kabinetsperiode zijn verschillende wettelijke barrières weggenomen. Ik zal dat ook in de komende periode doen door bijvoorbeeld met het voorstel te komen om de maximale verblijfsduur in het vmbo af te schaffen. Dat laat echter onverlet dat het stapelen en doorstromen in de eerste plaats een kwestie is tussen de school voor voortgezet onderwijs, de betrokken leerling en diens ouders.
Bent u het eens met de inschatting van het Landelijk Aktie Komitee Scholieren (LAKS) dat het hier om duizenden leerlingen gaat die geweigerd worden? Wat is uw inschatting?
Het is niet eenvoudig om te achterhalen hoeveel leerlingen op deze specifieke grond geweigerd worden, omdat het Basisregister Onderwijs (BRON) alleen registreert welk onderwijs een leerling daadwerkelijk volgt, en niet het onderwijs dat hij of zij had willen volgen. In het recente onderzoek «Een stukje van de Nederlandse droom. Doorstroom van vmbo naar havo» (Ecbo, ’s Hertogenbosch september 2009) wordt op basis van een steekproef geschat dat 11 procent van de vmbo-leerlingen die zich aanmelden bij een havo wordt geweigerd. Omgerekend zijn dit ongeveer 1100 leerlingen per jaar.
Wat gaat u doen om aan deze praktijk een eind te maken?
Ik heb al eerder aangegeven dat ik geen voorstander ben van het geven van een toelatingsrecht.4 Scholen moeten de ruimte hebben om in te spelen op individuele gevallen. Ik ben dan ook veel meer gecharmeerd van scholen die de potentiële havisten door middel van aanvullende modules goed voorbereiden op de overstap.
Dat laat onverlet dat scholen voor voortgezet onderwijs in mijn ogen hun toelatingseisen bekend moeten maken in hun schoolplan en daarover moeten communiceren in hun schoolgids of op hun website. Het is een kwalijke zaak dat ouders en leerlingen te vaak niet weten waar ze aan toe zijn. De toelatingseisen moeten voor iedereen helder en transparant zijn. Dat kan bijvoorbeeld ook een rol spelen bij een schoolkeuze. Ik heb de VO-raad gevraagd om dit samen met het onderwijsveld te bewerkstelligen. Ik zal de Onderwijsinspectie vragen om in het tweede kwartaal van 2011 na te gaan of de scholen inderdaad hun toelatingsbeleid openbaar gemaakt hebben. Als dat niet het geval is, zal ik dat door middel van wet- en regelgeving alsnog verplicht stellen.
Het ontbreken van toiletten in de nieuwe stoptreinen |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de breed gedragen protesten van zowel passagiers als NS-personeel over het ontbreken van toiletten in de nieuwe stoptreinen, de zogenaamde Sprinter Lighttrains (SLT’s)?1
Ja.
NS heeft bij de bestelling van het nieuwe materieel gekozen voor treinen die snel optrekken en afremmen en die ruime mogelijkheden hebben voor in- en uitstappen, waardoor de reis van de reizigers sneller verloopt. En voor treinen die van voor naar achter transparant zijn, zonder onderbrekingen die het zicht belemmeren, waardoor de reizigers zich veiliger voelen. Hier staat tegenover dat in de nieuwe treinen toiletten ontbreken. Ik begrijp de zorgen daarover en ik vind dat daar een goede oplossing voor moet komen. Daar kom ik in het vervolg van deze brief op terug.
Hebt u inzicht in het aantal passagiers dat in de toekomst de trein zal (moeten) gaan mijden omdat zij op (een gedeelte van) hun traject geen beschikking hebben over een toilet? Zo ja, bent u bereid om deze cijfers onderbouwd aan de Kamer toe te sturen? Zo nee, bent u bereid om samen met de diverse reizigersorganisaties en belangenorganisaties zoals de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland (CG-Raad) onderzoek te doen naar de gevolgen van het ontbreken van toiletten in treinen op het aantal reizigers? Kunt u bij een dergelijk onderzoek ook meteen berekenen welke kosten het met zich mee zal brengen als deze mensen niet langer gebruik kunnen maken van de trein, maar aanspraak moeten maken op andere vormen van vervoer zoals Valys of vormen van eigen vervoer?
Niet alleen de nieuwe Sprinters van NS, maar ook de treinen van verschillende regionale spoorvervoerders hebben (soms al vele jaren) geen toilet. Vervoerders hebben de afgelopen jaren alleen voor materieel met toiletten gekozen als de betreffende overheid daartoe een voorschrift heeft opgenomen in de concessie. In het geval van de nieuwe Sprinters is het de beslissing van NS geweest om treinen zonder toilet te bestellen. De huidige concessie staat dit toe. In alle Intercity’s van NS zullen toiletten aanwezig blijven.
Het is mijn streven dat reizigers in de toekomst de trein niet zullen (hoeven te) gaan mijden omdat zij op (een gedeelte van) hun traject geen beschikking hebben over een toilet, integendeel. Meer in het algemeen wil ik dat de trein aantrekkelijk is voor zoveel mogelijk reizigers. Treinen die schoon zijn, op tijd rijden en veilig zijn, conform de afspraken uit het vervoerplan.
Ik wil me ervoor inzetten dat mensen die afhankelijk zijn van een toilet toch gebruik kunnen blijven maken van het OV als vervoermiddel. Zoals mijn ambtsvoorganger u heeft gemeld in zijn brief van 26 april 2010 (Kamerstuk 29 984 nr. 223) is het Rijk in overleg met ProRail (en NS) over een oplossing in de vorm van het bouwen van toiletten op ruim 100 stations. Reizigers in nieuwe Sprinters kunnen dan altijd binnen afzienbare tijd een station met toilet bereiken. Ook reizigers uit regionale treinen (waarin vaak ook geen toilet aanwezig is) en bussen zullen gebruik kunnen maken van toiletten op stations.
Ik acht het dus niet noodzakelijk onderzoek te doen naar de gevolgen van het ontbreken van toiletten in treinen op het aantal reizigers of naar de kosten die het met zich mee zal brengen als deze mensen niet langer gebruik kunnen maken van de trein, maar aanspraak moeten maken op andere vormen van vervoer zoals Valys of vormen van eigen vervoer.
Is een eventuele extra terugval van het aantal reizigers door het ontbreken van toiletten in treinen reden geweest voor het nieuwe kabinet om in het regeerakkoord geen enkele doelstelling of ambitie uit te spreken op het gebied van reizigersgroei? Kunt u uw antwoord toelichten?
Gelet op de voorgenomen bouw van toiletten op meer dan honderd stations verwacht het kabinet geen terugval van het aantal reizigers door het ontbreken van toiletten in de nieuwe Sprinters van NS. Het kabinet heeft daarop dus niet geanticipeerd in het regeerakkoord.
Meer in het algemeen heeft het kabinet wel degelijk ambities voor het spoorvervoer. Zo investeren we € 4,5 miljard in het programma Hoogfrequent Spoorvervoer en stimuleren we NS en ProRail om elk jaar de prestaties zoals vastgelegd in het vervoerplan en het beheerplan te verbeteren.
Wat is uw reactie op het feit dat conducteurs en machinisten tot wel vijf en een half uur geen beschikking hebben over een toilet tijdens hun werk? Hoe valt deze werksituatie te verenigen met de verklaring omtrent de zorgplicht van werkgevers zoals vastgesteld in het Burgerlijk Wetboek? Kunt u uw antwoord toelichten?
De mogelijkheid om gebruik te maken van een toilet (zowel door de aanwezigheid van een toilet als door de tijdsruimte in dienstroosters) is een zaak tussen werknemers en werkgever (in de berichten in de media betreft dit alleen NS). Ik sta daar formeel volledig buiten. Ik heb NS echter wel om nadere informatie hieromtrent gevraagd.
NS onderkent dat door de instroom van het nieuwe Sprintermaterieel voor haar personeel soms een lastige situatie is ontstaan. NS ziet zich genoodzaakt om materieel en personeel steeds efficiënter in te zetten. Dit betekent in een aantal diensten voor het personeel een langere verblijfstijd in de trein, waarbij er niet voldoende tijd is om tussendoor naar de toiletten bij het personeelsverblijf te lopen. NS anticipeert hierop door meer toiletvoorzieningen voor haar personeel op de stations te realiseren. Zo zijn er op de stations Uitgeest, Breukelen en Rhenen toiletvoorzieningen gekomen evenals een extra voorziening op station Rotterdam CS. Het betreft hier toiletten die alleen voor personeel toegankelijk zijn en niet voor reizigers; het zijn ook geen invalidentoiletten. Bij de verdere uitbreiding van de inzet van het nieuwe Sprintermaterieel zal NS vooraf toetsen of extra toiletvoorzieningen voor haar personeel op (eind-) stations nodig zijn.
Deelt u de mening dat een conducteur tijdens een stop op een station belangrijke taken heeft in het garanderen van de veiligheid en een in de dienstverlening naar de passagiers toe? Zo ja, deelt u ook de mening dat het volstrekt onwenselijk is als een dienstdoende conducteur tijdens een dergelijke stop op een station een toilet moet zoeken, omdat dat in de trein niet meer aanwezig is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, ik deel de mening dat een conducteur tijdens een stop op een station belangrijke taken heeft in het garanderen van de veiligheid en in het verlenen van service aan de passagiers.
Voor het tweede deel van de vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 4.
Acht u het wenselijk dat rijdend personeel op de stoptreinen lange tijd zijn behoefte moet ophouden en zelfs minder gaat eten en drinken om te trachten te voorkomen dat een toiletbezoek noodzakelijk is gedurende de dienst? Wat is uw reactie op het feit dat personeel op de trein heeft laten weten dat de pauzetijden tussen diensten al zo beperkt is, dat er vaak nauwelijks genoeg tijd is om te eten en eventueel het toilet te bezoeken? Acht u het wenselijk dat tijd door het ontbreken van toiletten in de trein nog verder onder druk komt te staan?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Wat is uw reactie op de signalen over de hoge nood onder personeel die leidt tot oplossingen waarbij op zijn minst vraagtekens moeten worden gezet bij de hygiëne ervan? Acht u het acceptabel als het personeel op een trein tot dit soort onhygiënische noodoplossingen wordt gedwongen? Tot welke risico’s voor de gezondheid van zowel personeel als passagiers leidt dit soort toestanden, helemaal als er ook geen mogelijkheid is om de handen te wassen aan boord van de trein? Hoe gaat u dit oplossen en op welke termijn?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Wat is uw reactie op de signalen die bij Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) spoor binnenkomen over machinisten die hun trein stilzetten op een vrij baanvak om even snel vanuit de cabinedeur hun behoefte te doen?2 Wat zijn de gevolgen voor de veiligheid van het treinverkeer als dit soort zaken zich daadwerkelijk voordoet? Maar ook in de bredere zin; wat is volgens u de invloed van deze problematiek (dus voorgaand voorbeeld, maar ook treinen die moeten wachten op stations vanwege een medewerker met hoge nood) op de punctualiteit van het treinverkeer? Kunt u uw antwoord heel duidelijk toelichten?
Uiteraard mogen en zullen afspraken die werknemers en werkgever maken over arbeidsomstandigheden nooit ten koste gaan van de veiligheid. De IVW ziet daarop toe.
Ook de prestatie-afspraken waarop ik NS afreken, waaronder die over punctualiteit, veranderen niet.
Kunt u zich voorstellen hoe het is? Zou u zelf om langere tijd (tot wel vijf en een half uur) uw behoefte te moeten ophouden? Kunt u zich daarnaast voorstellen wat het van een mens vraagt om, tijdens het uitoefenen van zijn of haar beroep, minder te moeten eten en drinken om te trachten te voorkomen dat een toiletbezoek noodzakelijk is?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Kunt u zich herinneren dat de motie van het lid Roemer over toiletten in de treinen is aangenomen door een zeer grote meerderheid van de Tweede Kamer?3 Hoe kunt u garanderen dat in 2030 alle treinen uitgerust zijn met een toilet, terwijl NS nu veel nieuwe treinen inzet zonder toilet? Klopt het dat al deze treinen een afschrijvingstijd hebben die in ieder geval in 2030 nog niet verschreden is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het doel van de motie van het lid Roemer is in mijn ogen dat alle reizigers gebruik kunnen blijven maken van het openbaar vervoer. Toiletten in de trein zijn daartoe een middel, net als toiletten op het station. In zijn eerdergenoemde brief (zie mijn antwoord op vraag 2) heeft mijn ambtsvoorganger toegelicht dat het bouwen van toiletten op stations om diverse redenen de meest verantwoorde en verstandige manier is om invulling te geven aan de motie. Ik deel die mening. Ik kan niet garanderen dat in 2 030 alle treinen uitgerust zijn met een toilet, maar ik doe er wel alles aan om het doel van de motie te realiseren. Vanwege de keuze voor toiletten op stations is de afschrijvingstermijn van de nieuwe Sprinters zonder toilet niet relevant.
Hoe zult u in navolging van de heldere uitspraak van de Kamer, er voor zorgen dat er 2030 geen enkele trein in Nederland rijdt die niet beschikt over een toilet? Kunt u duidelijk aangeven welke middelen u hiervoor heeft en hoe u de spoorvervoersbedrijven kunt dwingen om aan deze heldere eis te voldoen?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Bent u bereid om, naast het handhaven van de heldere einddatum van 1 januari 2030, ook bij de spoorvervoersbedrijven aan te dringen op het eerder plaatsen van toiletten in alle treinen, zodat veel reizigers ook de komende twintig jaar al gewoon gebruik kunnen maken van een fatsoenlijk toilet in de trein?
Zie mijn antwoord op vraag 10.
Tijdens het AO op 19 mei 2010 heeft mijn ambtsvoorganger met de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat onder meer gesproken over het onderwerp van toiletten in de OV-keten, dit naar aanleiding van zijn brief daarover van 26 april 20104. Sommige leden van de commissie vroegen naar de mogelijkheden om alsnog toiletten aan te bieden in Sprinters. Mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd de kosten te specificeren van het (alsnog) inbouwen van toiletten in Sprinters die al geleverd of besteld zijn en in Sprinters die nog besteld moeten worden. Ik informeer u daarover als volgt.
Allereerst onderstreep ik nog eens dat de Wet Personenvervoer 2000 en de vervoerconcessie voor het hoofdrailnet mij niet de formele bevoegdheid bieden om NS te verplichten toiletten in treinen op te nemen. De inrichting van treinen is een zaak van NS, binnen de randvoorwaarden die de concessie stelt: NS moet zorgen voor voldoende vervoer (match van vraag en aanbod) en daarbij een aantal zorgplichten in acht nemen. Bij de aanschaf en inrichting van de nieuwe Sprinters heeft NS zich laten leiden door vervoercapaciteit, kostenefficiëntie, reinheid, sociale veiligheid en ruimtelijkheid. Dat heeft in 2004 geleid tot een keuze van NS voor Sprinters die dankzij het feit dat zij van voor naar achter transparant zijn voor een beter veiligheidsgevoel van reizigers zorgen en waar snel in- en uitgestapt kan worden. Hier staat tegenover dat toiletten ontbreken. Naar aanleiding van de discussie die daarover is ontstaan, staan in voornoemde brief van 26 april 2010 maatregelen beschreven om toiletvoorzieningen in de keten te verbeteren.
In vervolg op de toezegging van 19 mei heb ik NS gevraagd een indicatie te geven van de kosten van het (alsnog) realiseren van toiletten in Sprintermaterieel. NS is voorzichtig met het geven van meer gespecificeerde bedragen. Haar argumentatie is dat zij haar concurrentiepositie (o.a. in de relatie met leveranciers) niet wil ondermijnen door gedetailleerde informatie beschikbaar te stellen. NS begrijpt echter ook de wens van de Kamer om hierin meer inzicht te krijgen.
NS meldt daarom dat naar schatting een kleine € 40 mln. nodig is om het al ingestroomde, bestelde en door middel van opties gecontracteerde nieuwe Sprintermaterieel alsnog van een toilet te voorzien en circa € 10 mln. voor het nog te bestellen Sprintermaterieel. Daarnaast zijn er nog andere kosten:
Extra materieel en deze service-installaties kosten NS ruim € 60 mln. Dit resulteert in het totaalbedrag van ongeveer € 110 mln. dat in de brief van 26 april 2010 staat genoemd. Hierin zijn nog niet meegenomen de jaarlijkse kosten van onderhoud en exploitatie (inzet materieel, reiniging/herstel en snelherstel van vandalismeschade) van het extra materieel die op een kleine € 10 mln. zijn geraamd.
De heer Jansen (SP) deed tijdens het AO op 19 mei een voorstel dat ik als volgt samenvat:
Op deze manier zou toch in elke Sprinter een toilet zitten, zonder dat NS de reeds geleverde of bestelde nieuwe rijtuigen alsnog hoeft om te bouwen.
Ik heb deze suggestie aan NS voorgelegd. NS heeft mij ervan overtuigd dat dit in de praktijk helaas niet uitvoerbaar is en wel om de volgende redenen:
Gelet op dit alles staat NS nog achter de keuze voor Sprinters zonder toiletten. Het uitrusten van (sommige) Sprinters met toiletten zou betekenen dat gekozen moet worden voor een treindienstmodel dat extra materieel vereist wat vele miljoenen kost, bovenop de kosten van de inbouw van de toiletten.
Op mijn beurt sta ik achter de beleidskeuze om niet alsnog te kiezen voor Sprinters met toiletten maar voor het uitrusten van ruim 100 stations met toiletten (zie de bijbehorende overwegingen in de eerdergenoemde brief van 26 april 2010). Deze oplossing wordt nu door ProRail grondig verkend. Ik verwacht u rond de jaarwisseling te kunnen informeren over de resultaten van deze verkenning en de besluiten waartoe de verkenning mij brengt.