Het artikel ‘Ombudsman: gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten’ |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Ombudsman: «gemeenten gaan boekje te buiten jegens anti-abortusdemonstranten» en van het onderzoek van de Nationale ombudsman over de mate waarin de overheid demonstratierecht behoorlijk beschermt en faciliteert?1, 2
Ja.
Herkent u de volgende constatering van de Nationale ombudsman: «Ook aan anti-abortusdemonstranten leggen gemeenten soms voorschriften op die niet overeenkomen met het juridisch kader»?
Ik ben bekend met het rapport van de Nationale ombudsman waarin is opgenomen dat gemeenten soms aan anti-abortusdemonstranten voorschriften opleggen die niet overeenkomen met het juridisch kader. Ik kan niet ingaan op individuele gevallen. Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of de burgemeester hierin een juiste afweging heeft gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 3 december 2025 uitspraak gedaan over demonstraties bij abortusklinieken.4 Daarin heeft de rechter duidelijke handvatten gegeven aan gemeenten over hoe kan worden omgegaan met demonstraties bij abortusklinieken.
Kunt u toelichten om welke gemeenten het hier gaat en op welke wijze de door deze gemeenten opgelegde voorschriften niet in overeenstemming zijn met het juridisch kader?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat ook anti-abortusdemonstranten delen in dezelfde rechten als andere demonstranten, en dat dergelijke oneigenlijk opgelegde voorschriften daardoor zeer onwenselijk zijn?4
Een ieder heeft in Nederland het recht om te demonstreren. Daarbij mag geen onderscheid gemaakt worden in het onderwerp of thema waarover wordt gedemonstreerd. Het is aan het lokale gezag om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren. De burgemeester kan voorafgaand aan een demonstratie voorschriften stellen en tijdens een demonstratie aanwijzingen geven over het verloop van de demonstratie, maar alleen op grond van drie criteria: ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De inhoud van een demonstratie speelt daarbij geen rol.
Bent u bereid met deze gemeenten in gesprek te treden om herhaling te voorkomen, en gemeenten in bredere zin voor te lichten om te voorkomen dat zij met hun voorschriften inbreuk maken op het demonstratierecht, juist ook van deze groep demonstranten?
Het faciliteren van demonstraties en het opleggen van beperkingen bij demonstraties is een lokale aangelegenheid. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij als Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om gemeenten hierover aan te spreken.
Ruimte voor voorlichting is er zeker; dat doen we onder meer door financiële ondersteuning van de website demonstratierecht.nl. Ook is er, ter voorbereiding van het opstellen van de kabinetsreactie op het WODC-rapport over het demonstratierecht, gesproken met de gemeenten waarin een abortuskliniek gevestigd is over dit type demonstraties. Tijdens dit overleg hebben de gemeenten onderling ervaringen uitgewisseld over de wijze waarop deze demonstraties door het lokale gezag in goede banen geleid kunnen worden. Tot slot heeft er in januari van dit jaar een kennisuitwisselingsbijeenkomst plaatsgevonden met onder andere burgemeesters en gemeenteambtenaren, waarbij dit onderwerp aan bod is gekomen.
Kunt u deze vragen binnen de gangbare termijn, maar in elk geval ruim voor het commissiedebat over het demonstratierecht, beantwoorden?
Ja.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1,6 miljard euro uitgegeven zou worden aan versterking en perspectief, daarvan is 644 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit zeer problematisch is?
Een groot deel van deze uitgaven zijn gerelateerd aan de versterkingsoperatie. Deze operatie blijft een complex proces waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. In het jaarverslag wordt de ontwerpbegroting voor 2025 vergeleken met de realisatie. De geraamde uitgaven voor de versterkingsoperatie zijn in de ontwerpbegroting 2025 nog gebaseerd op het behalen van de einddatum in 2028, maar die planning is gedurende de uitvoering van de begroting verschoven. Dit verklaart grotendeels de geconstateerde afwijking.
Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen hiervoor. Middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Ruim tien jaar na de start van de versterking zijn er 5.147 woningen daadwerkelijk versterkt of herbouwd opgeleverd, zo’n 8.700 woningen moeten nog versterkt of herbouwd worden; erkent u dat dit nog steeds veel te traag gaat?
Ja. Ik begrijp goed dat dit tot frustratie en onzekerheid leidt. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Uit het verleden blijkt dat gehaaste besluiten vaak leiden tot vertraging. Daarom zet ik de koers voort om snelheid en kwaliteit meer in balans te brengen. Op deze manier kan ik voor bewoners ook een positieve bijdrage leveren in een voor hen ingrijpend proces zoals bijvoorbeeld door de woningen tegelijkertijd met de versterking te verduurzamen.
Voor 2025 werd geraamd dat er 1.165 miljoen euro uitgegeven zou worden aan schades, daarvan is 221 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit problematisch is?
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) raamt jaarlijks hoeveel aanvragen worden verwacht en voor welke regeling bewoners daarbij kiezen. Ik volg deze raming in mijn begroting. Met de nieuwe regelingen sinds Nij Begun is gebleken dat de praktijk behoorlijk kan afwijken van de raming. Het feit dat er minder geld is uitgegeven, kan bijvoorbeeld betekenen dat minder bewoners zich hebben gemeld dan vooraf werd verwacht en/of dat bewoners daarbij voor een andere regeling hebben gekozen dan begroot. In zoverre vind ik deze onderbesteding dan ook niet problematisch. Bewoners met schade kunnen zich melden bij het IMG, daar doet de onderuitputting niks aan af.
Specifiek voor duurzaam herstel geldt dat vanaf het begin duidelijk is geweest dat nog veel onzeker was over de aard en omvang van de opgave. Mede hierom is ook gestart met een pilotaanpak. In de praktijk is gebleken dat duurzaam herstel minder vaak noodzakelijk is voor het voorkomen van mijnbouwschade dan eerder werd verwacht, wat de onderbesteding in 2025 gedeeltelijk verklaart. Tegelijkertijd is vorig jaar ook geconstateerd dat er nog uitdagingen zijn bij de praktische uitvoering van de aanpak. In dit kader is uw Kamer eerder geïnformeerd over wijzigingen die begin dit jaar zijn doorgevoerd om de werkwijze te helpen versnellen en versimpelen1.
De grootste onderbesteding op uw begroting is de post duurzaam herstel, een regeling waar gedupeerden al zeer lang op wachten; erkent u dat het in 2025 op de plank laten liggen van 168 miljoen euro zeer problematisch is?
Zie antwoord vraag 3.
Een voorbeeld van bewoners die al zeer lang wachten zijn de bewoners aan de Schipsloot in Loppersum: op de plek waar in 2015 werd aangekondigd dat de versterking daar zou beginnen, wachten gedupeerden nog; begrijpt u dat dit zeer problematisch is?
Ik begrijp goed dat het lange wachten problematisch is. Niet alleen aan de Schipsloot maar ook elders in het gebied. Natuurlijk wil ik voor bewoners dat de versterking sneller gaat, maar dat mag zoals ik aangeef in mijn antwoord op vraag 2 niet ten koste gaan van zorgvuldigheid en kwaliteit. Daarom bouw ik voort op de ingezette koers om meer balans aan te brengen tussen snelheid en kwaliteit in de versterking.
In uw Kamerbrief reageert u op de situatie aan de Schipsloot, echter de bewoners geven aan dat er veel fouten in uw brief staan; heeft u voor u deze Kamerbrief schreef ook contact gezocht met de betrokken bewoners? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1
Ik ben bekend met het signaal dat bewoners menen dat er sprake is van fouten in de brief. Dat beeld herken ik niet. Op basis van signalen die tijdens Kamerdebatten naar voren kwamen is mijn voorganger ingegaan op de uitnodiging van de bewoners voor een «bewonersreis». Hierbij heeft hij ook uitvoerig met de bewoners gesproken. Op 22 juni heb ik samen met de regeringscommissaris een bezoek gebracht aan Schipsloot. In de gesprekken daar is mij ook duidelijk geworden hoe complex te situatie is. Verder loopt de communicatie met bewoners in eerste instantie via de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) en de gemeente.
De bewoners zijn allen ingedeeld in clusters, zij geven aan dat deze complexe systematiek al jaren de werkelijkheid bepaalt waar zij dagelijks mee te maken hebben. Waarom is gekozen voor zo’n complex en bureaucratisch systeem?
De indeling in clusters was bedoeld om de omvangrijke complexe opgave van de versterking uitvoerbaar te maken door groepen woningen met soortgelijke maatregelen in een gebied in één cluster onder te brengen. De indeling van de clusters was gebaseerd op de op dat moment beschikbare informatie. De clusterindeling betekent niet automatisch dat dit leidt tot dezelfde maatregelen voor alle adressen die op dat moment in één cluster zijn ondergebracht.
De clustering zou volgens de bestuurlijke afspraken bedoeld zijn om verschillen binnen een buurt te voorkomen, nu ontstaan juist grote verschillen tussen twee straten. Kunt u uitleggen waarom het doel «verschillen tegengaan» lijkt te zijn losgelaten?
De clusterindeling van NCG waarnaar wordt verwezen is niet gebaseerd op de bestuurlijke afspraken. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven is deze clusterindeling van NCG bedoeld om werkzaamheden op een goede manier te kunnen combineren en overzichtelijk te houden. Het voorkomen van verschillen is dus geen doel van deze clusterindeling.
In uw Kamerbrief geeft u een, voor de bewoners, nieuwe reden dat er een knip is ontstaan in de behandeling van bewoners in cluster 1, namelijk zorgen dat het proces «ongewijzigd door kon lopen», bewoners zien echter dat er in hun straat juist sprake is van stilstand. Kunt u uw argumentatie onderbouwen?2
Met de zinsnede uit de brief dat het proces «ongewijzigd kon doorlopen» is bedoeld dat de versterking aan Schipsloot niet langer werd gekoppeld aan de Middenstraat, juist omdat de uit te werken stappen aan de Middenstraat gingen afwijken in verband met sloop-nieuwbouw. Hierdoor kon het versterkingsproces aan de Schipsloot ongewijzigd doorlopen. Onderdeel van dat proces was dat de versterkingsadviezen inclusief kostenberekeningen moesten worden afgerond. Deze zijn inmiddels gecontroleerd en zijn aan bewoners van de Schipsloot aangeboden. Er vindt binnenkort een bewonersavond plaats over het vervolg.
De bewoners van de Schipsloot herkennen zich niet in uw woorden dat «hetzelfde vastgestelde proces» wordt gevolgd als voor de Middenstraat binnen cluster 1; bij de Middenstraat heeft namelijk een collectieve scenario-afweging plaatsgevonden voor de straat als geheel, maar aan de Schipsloot niet. Kunt u verduidelijken waarom u dan toch spreekt van «hetzelfde vastgestelde proces»?
Bij de scenario-afweging per woning wordt bepaald of versterking of sloop-nieuwbouw aan de orde is. Dit gebeurt op basis van de kostenraming behorende bij het versterkingsadvies. Wat vervolgens mogelijk is, is onder andere afhankelijk van de marktwaarde van de huidige woning (zonder grond), de kosten voor uitvoeren van het versterkingsadvies en de kostennieuwbouw met bijkomende kosten. De scenario afweging is daarmee iets anders, dan het toepassen van de routekaart voor verschillen. Bij toepassing van de routekaart wordt op basis van de individuele scenario-afwegingen beoordeeld of er sprake is van onaanvaardbare verschillen tussen bewoners waarbij dempende maatregelen nodig zijn.
Deze werkwijze is ook gehanteerd in de Middenstraat. De scenario-afweging in de Middenstraat leidde in relatief veel situaties alsnog tot sloop/nieuwbouw. Vervolgens is op basis van de verschillen die daardoor ontstonden alsnog besloten om ook in de overige situaties sloop/nieuwbouw aan te bieden, ook als voor die woningen versterking uit de individuele scenario-afweging volgde. Zoals aangegeven zijn de versterkingsadviezen met de kostenraming nu ook beschikbaar voor de Schipsloot. Op basis daarvan zal ook daar op individueel niveau een scenario-afweging worden gemaakt. Vervolgens wordt ook voor de Schipsloot na de scenario-afweging beoordeeld of de uitkomsten aanleiding geven om tot aanvullende maatregelen te komen om verschillen te overbruggen. Hiermee wordt hetzelfde proces gevolgd als bij de Middenstraat.
Waarom is de scenario-afweging richting sloop/nieuwbouw voor de Middenstraat gebaseerd op ramingen en moet voor diezelfde scenario-afweging aan de Schipsloot gewacht worden op het beschikbaar zijn van definitieve uitvoeringsontwerpen, aannemersbegrotingen en definitieve kosten?
Zie antwoord vraag 10.
Erkent u dat dit handelen op gespannen voet staat met de wijze waarop de routekaart voor onaanvaardbare verschillen door de toenmalig Staatssecretaris is omschreven in de Kamerbrief van 27 maart 2025?3
Nee, de wijze van het doorlopen van de routekaart komt overeen met de beschreven werkwijze in de Kamerbrief. Wel is het zo dat de communicatie met de bewoners uit de Schipsloot hierover niet goed is gegaan. Dat heeft NCG erkend. NCG heeft hiervoor excuses aangeboden aan de bewoners.
Begrijpt u dat bewoners die al zo lang in onzekerheid zitten en zien dat zij ongelijk behandeld worden, aangeven dat hun realiteit haaks staat op de woorden in uw Kamerbrief dat «bewoners hebben recht op duidelijkheid over wat zij kunnen verwachten en op een overheid die haar beloftes nakomt»? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?4
Voor de bewoners in de Schipsloot wordt hetzelfde proces gevolgd als in de Middenstraat. Hiermee kom ik de afspraken na. Ik begrijp ook goed dat bewoners snel duidelijkheid willen hebben. Het doorlopen van de verschillende stappen heeft echter ook tijd nodig. Ik acht het van belang dat NCG bewoners daar goed in meeneemt, bewoners serieus neemt en knelpunten proactief oplost. Indien dat niet gebeurt dan spreek ik NCG daar op aan.
Hoe gaat u uw slotzin waarmaken «dat vertrouwen wordt niet gewonnen met woorden, maar met daden: door afspraken na te komen, bewoners serieus te nemen en knelpunten proactief op te lossen»?5
Zie antwoord vraag 13.
Ook huurders in de Middenstraat en de Schipsloot geven aan dat zij eveneens in grote onzekerheid zitten over wat er met hun huis gaat gebeuren en zij niet actief betrokken worden bij het gehele proces (niet uitgenodigd voor bewonersbijeenkomsten of informatieavonden); erkent u dit signaal? Erkent u dat veel meer huurders deze ervaring hebben? Wat gaat u hiermee doen?
Contact met huurders loopt via de eigenaar van de woning als aanspreekpunt voor de versterking. NCG heeft hierover overleg met de woningcorporaties. Met de woningbouwcorporatie is afgesproken dat zij de huurders informeren over de aanpak van verschillen in de straat. Mocht daarover onduidelijkheid zijn bij bewoners dan kunnen zij contact opnemen met de woningbouwcorporatie. Dit is ook zo gegaan bij de Middenstraat.
Huurders voelen zich onzichtbaar, terwijl in communicatie naar buiten vaak wel de indruk wordt gewekt dat het om besluitvorming over hele straten, blokken of clusters gaat. Hoe gaat u zorgen dat huurders tijdig en gelijkwaardig worden geïnformeerd?
Alle huurders horen tijdig en juist geïnformeerd te worden. Hiervoor is de verhuurder primair verantwoordelijk. NCG communiceert met de verhuurder van het gebouw, die weer met de huurder communiceert. Als het gaat om huurwoningen die behoren tot een woningcorporatie, neemt de desbetreffende woningcorporatie contact op met huurder. Dit gaat meestal goed, maar er is ruimte voor verbetering. In dit kader hebben de woningcorporaties de afgelopen periode stappen gezet om hun huurders goed te informeren. Zo communiceren de woningcorporaties juist per straat en/of blok om rust en duidelijkheid te creëren. Ook communiceert de gemeente met alle bewoners als er door de versterking verandering optreedt in hun buurt. Verder spreken corporaties regelmatig met Stut en Steun en Huurdersplatform Aardbevingen Groningen over hoe huurders goed te informeren.
Hoe voorkomt u dat er besluiten worden genomen die direct invloed hebben op de veiligheid en woonomgeving van huurders zonder dat zij daarin worden meegenomen?
Zie antwoord vraag 16.
Na de parlementaire enquête is besloten dat onuitlegbare verschillen in de versterking worden rechtgezet en huurders daarom recht krijgen op vergoedingen die er eerder alleen voor eigenaren waren (onder andere maatregel 8 en 12 Nij Begun). Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Hebben alle huurders gekregen waar zij recht op hebben?
Het kabinet streeft in lijn met Nij Begun naar gelijkwaardige vergoedingen voor eigenaren en huurders. Daarom werk ik samen met de uitvoeringsorganisaties aan de uitvoering van maatregelen voor vergoeding aan huurders. Voor wat betreft de schadeafhandeling door het IMG zijn de aangekondigde aanpassingen met betrekking tot huurders reeds geïmplementeerd: sinds september 2025 beoordeelt het IMG bijvoorbeeld aanvragen voor de immateriële schadevergoeding van niet-woningeigenaren waaronder huurders en eigenaren op dezelfde manier.
Voor wat betreft de versterking door de NCG geldt dat voor veruit de meeste huurders de vergoedingen waar zij recht op hebben nu geregeld zijn. In het geval van sociale huurders lopen deze vergoedingen via de woningcorporaties, die daarvoor budget ontvangen van NCG. Bij huurders van private eigenaren loopt dit via de verhuurder of de NCG.
Er zijn nog enkele specifieke groepen huurders voor wie nog niet alle vergoedingen geregeld zijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om huurders in de batch 1588 en de Zandplatenbuurt-Zuid. Op basis van een recente overeenkomst tussen het Rijk en de betrokken gemeenten krijgen ook deze huurders recht op verschillende vergoedingen. Hierover ontvangen deze huurders binnenkort meer informatie vanuit de gemeenten en/of de NCG, afhankelijk van de vergoedingen waar zij recht op hebben.
Erkent u dat er opnieuw signalen zijn van huurders die alsnog een vergoeding (zoals de verhuisvergoeding) (nog) niet krijgen? Wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 18.
In de Tweede Kamer is er door verschillende partijen al vele jaren aandacht gevraagd voor straten en buurten die vastlopen of ongelijk behandeld worden, zo was er in 2020 veel aandacht voor «het vergeten hoekje» en de actie «en wij dan» in de wijk Opwierde in Appingedam. Erkent u dat veel bewoners van die buurt, zes jaar na de acties en elf jaar na de start van de versterking, nog in onzekerheid zitten?
Om de aanpak van de sloopnieuwbouw van de ruim 300 woningen in Hart van Opwierde uitvoerbaar te houden is de uitvoering in 3 clusters van ongeveer 100 woningen opgedeeld. Nog niet op iedere plek zijn de werkzaamheden gestart. Cluster 1 is inmiddels afgerond en cluster 2 is van start gegaan. In cluster 3 is inmiddels ook al een deel van de woningen gesloopt. NCG is met de laatste bewoners in gesprek om akkoord te krijgen op de uitvoeringsovereenkomst voor hun woning. Als dat is afgerond en de versterkingsbesluiten definitief zijn, kan ook daar met de sloop en bouwwerkzaamheden worden gestart. De genoemde onzekerheid heeft hier betrekking op het proces van uitvoering van het nieuwbouwplan en niet meer, zoals aan Schipsloot, op de uitkomst van de versterkingsadviezen en de maatregelen die daarbij horen. Om die onzekerheid zoveel mogelijk weg te nemen houdt NCG regelmatig bewonersavonden waar planningen worden gedeeld. Ook voert NCG zogenaamde individuele en tevens blokgesprekken gesprekken. Op deze manier worden bewoners zo goed mogelijk meegenomen in deze ingrijpende operatie van deze buurt.
Bewoners die inmiddels al vijftien maanden in een wisselwoning wonen, geven aan dat pas recent hun oude woning is gesloopt, delen hun grote zorgen dat de herbouw nog zeer lang kan gaan duren, aangezien er momenteel sprake is van een complex en vertraagd traject waarin conflicten zijn ontstaan en waarbij juridische en organisatorische processen elkaar raken. Kunt u deze bewoners meer zekerheid en duidelijkheid geven?
Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners zich soms machteloos voelen. Ik kan echter niet ingaan op individuele gevallen. NCG zet zich er voor in voorspelbaar te zijn, zorgvuldig te werken en oog te houden voor wat bewoners echt nodig hebben. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat dit nog niet altijd even goed gaat. Om snel knelpunten op te kunnen lossen is het mandaat laag belegd in de organisatie. Ook in de communicatie richting bewoners worden verbeteringen aangebracht. Bijvoorbeeld door gespreksverslagen te maken en deze ter goedkeuring voor te leggen aan bewoners. In dit soort situaties kan het bewoners helpen om een onafhankelijk adviseur in de arm te nemen. Voor de inhuur van deze adviseurs is een vergoeding beschikbaar.
Welk tijdpad wordt er gevolgd en welke harde afspraken zijn er waar de bewoners op kunnen vertrouwen? Hoe wordt erop toegezien dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de bestaande conflicten oplost?
Zie antwoord vraag 21.
De bewoners geven aan zich al jaren gegijzeld te voelen door een gevoel van voortdurende afhankelijkheid en gebrek aan regie, ook ervaren zij een gebrek aan communicatie over voortgang en knelpunten. Kunt u zorgen dat deze bewoners veel beter geïnformeerd worden en knelpunten worden opgelost?
Zie antwoord vraag 21.
Gebrekkige communicatie is een terugkerende klacht vanuit veel betrokken bewoners; hoe ziet u toe op verbetering van de communicatie?
De NCG heeft na de publicatie van het bewonerstevredenheidrapport in 2025 ingezet op het verbeteren van de communicatie. De eerste stappen daarin worden nu zichtbaar. Zo zijn brieven die gestuurd worden actief gecontroleerd en aangepast op begrijpelijkheid. Daarnaast worden bewoners gedurende het versterkingsproces beter op de hoogte gehouden van de voortgang en worden gespreksverslagen ter goedkeuring aan de bewoner aangeboden. Tot slot wordt ook gekeken naar een betere en structurele verspreiding van informatiefolders en lopen er initiatieven om uniformer naar bewoners te communiceren. Daarnaast loopt op dit moment een proef met kort cyclisch meten en sturen, waarbij regelmatiger op adresniveau gemeten wordt hoe de bewoner de dienstverlening van NCG beoordeelt. Op basis hiervan kan gerichter verbeterd worden, zowel op adresniveau gedurende het versterkingsproces als ook andere verbeteringen. Ook doet het Adviescollege Veiligheid Groningen (ACVG) in het advies over de beoordelingsrapporten gerichte aanbevelingen om de communicatie met bewoners te verbeteren. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op.
Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Kunt u zich voorstellen wat zo lang vastzitten in een moeizaam verlopende versterkingsoperatie voor impact heeft op het welzijn en de gezondheid van de betrokkenen en hun gemeenschappen? Welke invloed heeft dit op de maatregelen die u neemt?
Ja, zie ook mijn antwoord op vraag 2. Juist daarom is de ervaring van bewoners in de dagelijkse praktijk voor mij leidend in de maatregelen die ik met NCG neem. Mijn inzet is om de versterking niet alleen technisch zorgvuldig uit te voeren, maar ook begrijpelijker, voorspelbaarder en betrouwbaarder te maken. Hier moeten nog stappen in gezet worden. Dit blijkt ook uit het advies van de ACVG over de beoordelingsrapporten. Dit advies bevat aanbevelingen die gericht zijn op het verbeteren van het vertrouwen. Deze aanbevelingen volg ik onverkort op. Ik ben mij ervan bewust dat er nog verdere verbetering nodig is en het nog niet overal goed gaat. Ik zet hier samen met de NCG op in en monitor of hier verbetering in wordt aangebracht.
Hoe voorkomt u dat bewoners die uit huis moeten vanwege de versterkingsoperatie verschillen ervaren in de manier waarop ze tijdelijk gehuisvest worden en de financiering hiervan?
Nee, die signalen herken ik niet. Een wisselwoning is tijdelijk en zal natuurlijk nooit als thuis voelen voor een bewoner. Er zijn wel verschillen tussen wisselwoningen. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de behoeften en persoonlijke situatie van bewoners levert NCG maatwerk bij wisselwoningen, bijvoorbeeld voor kleinkinderen en huisdieren Hierdoor kunnen er uitlegbare verschillen zijn tussen bewoners. Indien bewoners niet tevreden zijn over hun tijdelijke huisvesting, kunnen zij daarover in gesprek met NCG.
Herkent u de signalen over gebrekkige wisselwoningen? Wat gaat u hieraan doen? Herkent u de signalen over verschillen hierin tussen bewoners?
Zie antwoord vraag 26.
Naast noodkreten vanuit buurten en straten ontvangen we ook veel noodsignalen van bewoners die nog steeds vastlopen. Erkent u dat het daarom erg wrang is te lezen dat er ook veel geld op de plank blijft liggen bij de verschillende regelingen voor het oplossen van knelpunten en bijzondere situaties?
Elk noodsignaal van een gedupeerde die vastloopt is er een te veel. Het komen tot een oplossing in situaties die bij de vangnetten voorliggen, is vaak een langdurig proces. Bij deze situaties is veelal sprake van een opeenstapeling van vaak complexe (persoonlijke) omstandigheden. In samenwerking met betrokken partijen en de bewoner wordt gezocht naar een totaaloplossing. Dit maakt dat de oplossing en daarmee ook de kosten per situatie heel verschillend en van te voren niet goed te voorspellen zijn. Daar bijkomend worden gemaakte kosten ook via de reguliere budgetten van de NCG en het IMG gedekt. Indien nodig worden op advies van het Interventieteam Vastgelopen Situaties en/of de Commissie Bijzondere Situaties middelen uit de knelpuntenpot bijgelegd. Bovenstaande maakt dat de uitgaven kunnen afwijken van de begroting.
Bovenstaande geldt ook voor de inzet van de knelpuntenregeling die het IMG specifiek tot zijn beschikking heeft om unieke en schrijnende situaties op te lossen wanneer de wettelijke kaders daar onvoldoende ruimte voor bieden. De uitgaven voor de verschillende vangnetten en de knelpuntenregeling van het IMG zijn dus geen geschikte indicatie voor het aantal opgeloste situaties en de voortgang op het gebied van complexe casuïstiek.
IMG en NCG hebben het afgelopen jaar verdere stappen gezet om de langlopende en complexe casuïstiek verder in beeld te brengen en lossen deze met prioriteit op. Het hiervoor benodigde budget is beschikbaar en wordt benut.
Hoe kan het dat er in 2025 veel minder is uitgegeven dan begroot voor vastgelopen situaties (2,7 en 4,7 miljoen euro), de commissie bijzondere situaties (1,6 miljoen euro) en knelpunten Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) (14,7 miljoen euro) terwijl er zoveel knelpunten en vastgelopen situaties zijn?
Zie antwoord vraag 28.
Ook mensen die bijgestaan worden door het interventieteam geven aan dat ze lang moeten wachten tot knopen worden doorgehakt en beloftes om voor een bepaalde datum duidelijkheid te geven niet worden gehaald. Kunt u aangeven hoe gezorgd kan worden dat beloftes worden nagekomen en er sneller duidelijkheid kan komen voor betrokken gedupeerden?
Het Interventieteam (IVS) zoekt naar duurzame totaaloplossingen, elke casus is specifiek en vraagt een maatwerkaanpak. Het kost tijd om de problematiek goed in beeld te brengen en vraagt soms ook aanvullende deskundigheid of onderzoek. Ook is het van belang om nauw overleg te voeren met gedupeerden en betrokken instanties. Feit blijft dat het bieden van perspectief vaak ingewikkeld is en veel tijd kost, juist bij deze complexe casuïstiek. Dat beloftes niet worden nagekomen herken ik niet. Een zorgvuldig proces zoals hierboven beschreven vanuit IVS of CBS, zorgt er juist voor dat afspraken worden nagekomen.
Tegelijkertijd geven bewoners aan dat zij wel strak worden gehouden en binnen termijnen moeten reageren; waarom doet de overheid niet wat zij wel van inwoners vraagt? Waarom is er niet meer coulance richting inwoners wanneer zij extra tijd nodig hebben?
Dit beeld herken ik niet. Zowel IMG als NCG gaan soepel om met de termijnen als een bewoner aangeeft extra tijd nodig te hebben. Hierom heb ik de motie van het lid Beckerman c.s. (33 529, 1303) die mede hiertoe oproept ook Oordeel Kamer gegeven.
Het IMG heeft voorafgaand aan Nij Begun zijn beleid inzake de omgang met termijnen versoepeld. Wanneer bewoners bijvoorbeeld meer tijd nodig hebben voor het indienen van een zienswijze op een adviesrapport, kunnen zij daarvoor 4 weken extra krijgen. Bewoners krijgen verder twee keer zoveel tijd als wettelijk vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht om een bezwaar in te dienen, namelijk 12 in plaats van 6 weken. Ook is het mogelijk binnen die termijn een pro forma bezwaar in te dienen, waarin de bewoner kan aangeven meer tijd nodig te hebben voor het bezwaarschrift. De bewoner wordt dus op verschillende momenten extra tijd geboden. Los van bovenstaande: als een bewoner aangeeft nog extra tijd nodig te hebben, dan staat het IMG hier welwillend tegenover.
Ook NCG gaat soepel om met beslistermijnen als een bewoner aangeeft meer tijd nodig te hebben, ook als de formele bezwaartermijn al voorbij is.
Voor 2025 werd geraamd dat er 112 miljoen euro zou worden uitgegeven aan versterking in eigen beheer, daarvan is 78 miljoen euro niet uitgegeven. Erkent u dat dit zeer problematisch is?
De versterkingsoperatie blijft een complex proces, waarbij het lastig te voorspellen is welke uitgave wanneer en ten laste van welk budget wordt gedaan. Zo ook bij versterking in eigen beheer. De geraamde uitgaven van de versterkingsoperatie in de ontwerpbegroting 2025 zijn gebaseerd op een einddatum van 2028, maar die planning is in het uitvoeringsjaar van de begroting aangepast. Dit verklaart grotendeels de afwijking. Ik geef prioriteit aan voortgang van de versterking en het beschikbaar zijn van voldoende middelen, middelen die in 2025 niet tot besteding zijn gekomen zijn veelal doorgeschoven naar latere jaren. Ik acht dit niet zeer problematisch.
Veel mensen willen in eigen beheer versterken om regie te houden op hun huis en leven, maar krijgen dit niet voor elkaar. Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat deze regeling goed gaat lopen?
Ja. Ik kan mij goed voorstellen dat bewoners juist in een langdurig en ingrijpend traject behoefte hebben aan regie. Daarom kan iedere bewoner de versterking onder eigen regie laten uitvoeren, mits aan de voorwaarden uit de Tijdelijke wet Groningen wordt voldaan. Wel is het zo dat aan het eind van iedere fase van bewoners wordt verwacht dat zij aan NCG informatie aanleveren, zodat NCG kan beoordelen of die fase is uitgevoerd conform de eisen die NCG stelt op basis van de TwG. Dit is noodzakelijk, omdat bewoners altijd moeten kunnen terugvallen op NCG als de bewoner de versterking niet meer in eigen regie wil uitvoeren. De versterking blijft een veiligheidsoperatie. Ook wanneer bewoners kiezen voor versterken in eigen beheer, blijft NCG verantwoordelijk om te toetsen of de versterking is uitgevoerd conform het vastgestelde uitvoeringsontwerp en daarmee ook voldoet aan de veiligheidsnorm.
In het laatste debat is u een casus voorgelegd van mensen in een monumentale boerderij die al jaren strijden om de inspectie in eigen beheer te mogen uitvoeren. Erkent u het belang van deze mogelijkheid van eigen regie en welke stappen wilt u zetten om te borgen dat ook inspectie in eigen beheer een serieuze optie wordt?
Zie antwoord vraag 33.
De Groninger Bodembeweging (GBB) laat in haar rapport «de staat van het kerngebied» duidelijk zien hoe bewoners in het kerngebied nog steeds te maken hebben met een stapeling van problemen en bewoners zich nog steeds in de steek gelaten voelen. Kunt u een reactie geven op dit rapport, waarbij u ook ingaat op welke acties u wilt ondernemen voor juist deze groep gedupeerden?6
De Staat van het kerngebied maakt duidelijk dat bewoners met schade in het «kerngebied», nog te weinig merken van de veranderingen in de schadeafhandeling en versterking. Het rapport geeft meer onderbouwing voor de regionale verschillen die ook in de Staat van Groningen en Noord-Drenthe zijn gesignaleerd over de tevredenheid over de schadeafhandeling en versterking. Zoals blijkt uit verschillende onderzoeken zijn de tevredenheidscijfers over de schadeafhandeling gemiddeld genomen toegenomen, maar bestaan er ook substantiële verschillen in ervaringen van bewoners. Daarbij is de waardering van de uitvoering van de versterkingsoperatie nog steeds laag. Ook speelt de versterking bijna volledig in het kerngebied af waarbij sprake is van een lage bewonerstevredenheid. Ik kan me dan ook goed vinden in het leggen van focus op de zwaarst gedupeerden. Het IMG en de NCG besteden daarom ook extra aandacht aan inwoners van dit gebied. Zo zijn er verschillende gezamenlijke steunpunten van IMG en NCG in het versterkingsgebied, waar inwoners met hun vragen terecht kunnen.
Daarnaast wil het IMG voor het eind van dit jaar ervoor zorgen dat alle mensen met een langlopend fysiek schadedossier een keuze kunnen maken voor herstel of een vergoeding. Waar nodig zet het IMG daar ook extra capaciteit voor in. Ook de vaste herhaalvergoeding, waarmee na nieuwe bevingen nieuwe schades snel en makkelijk met een vast bedrag kunnen worden vergoed, kan in dit gebied een verschil maken. Daarnaast begint het IMG later dit jaar met het proactief benaderen van stille gedupeerden. Dat zijn inwoners die nog geen gebruik hebben gemaakt van schaderegelingen terwijl zij hier wél recht op hebben. Aanvullend gaat het IMG ook gedupeerden proactief benaderen die eerder wel een aanvraag hebben gedaan, maar mogelijke (nieuwe) schade niet hebben gemeld, terwijl zij waarschijnlijk wel (weer) geholpen kunnen worden. Met name in het gebied waar de meeste bevingen hebben plaatsgevonden en nog steeds plaatsvinden, kan deze proactieve aanpak een verschil maken voor de zwaarst gedupeerden. Ook de NCG geeft prioriteit aan de zwaarst gedupeerden binnen de versterking. De NCG heeft hiervoor eerder dit jaar de meest complexe en langlopende casussen in kaart gebracht om voor die adressen met voorrang te komen tot een oplossingsrichting, en daarover het gesprek aan te gaan met de bewoners.
In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe zal ik ook ingaan op de situatie van inwoners in dit gebied met de grootste problematiek en de daarvoor benodigde verbeteracties. U ontvangt deze kabinetsreactie in juli.
Deelt u de mening van de GBB dat de focus moet verschuiven naar de zwaarst gedupeerden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 35.
In 2023 werd de motie Beckerman/Nijboer aangenomen waarin het kabinet onder andere werd verzocht om onterecht afgewezen schades, zoals B- en C-schades van de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), alsnog te vergoeden; in 2025 presenteerde het kabinet een plan om uitvoering te geven aan deze motie. Kunt u de resultaten hiervan delen?7
Eerder is door mijn voorgangers vastgesteld dat een volledige herbeoordeling van alle individuele NAM- en CVW-schadedossiers niet uitvoerbaar is. Het gaat om bijna 100.000 schademeldingen waarbij dossiers vaak onvolledig zijn en uniforme beoordelingscriteria ontbreken. Het vorige kabinet heeft daarom in 2025 een werkwijze gepresenteerd met oplossingen die wel voor handen zijn voor oude NAM/CVW-schades. Deze werkwijze voorziet deels in een generieke aanpak en deels in een aanpak op maat.
Met de Aanvullende Vaste Vergoeding (AVV) kunnen bewoners in het effectgebied hun eerdere schadevergoeding onder voorwaarden door het IMG laten aanvullen tot € 10.000 per adres. Inmiddels is deze vergoeding aan ruim 47.000 bewoners toegekend. Hierbij gaat het naast aanvullingen op eerder door de NAM en CVW afgehandelde schades ook om aanvullingen op eerdere schadevergoedingen van de voorganger van IMG, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, en het IMG zelf. De AVV regeling zal in de toekomst ook aan oud-eigenaren worden aangeboden en biedt voor veel bewoners een praktische oplossing voor verschillen die in het verleden zijn ontstaan.
Daarnaast is er voor een groep bewoners met schrijnende schadeproblematiek voor wie de AVV onvoldoende oplossing biedt een aanpak op maat ingericht. Voorafgaand hieraan is verkend wat de aard en omvang is van deze groep door gesprekken met de regio, maatschappelijke organisaties en de uitvoeringsorganisaties. Hiervoor zijn casussen aangedragen, waaruit het beeld naar voren is gekomen dat het om een zeer beperkte groep gaat. Tegelijkertijd kan op basis van de aangeleverde casussen niet met zekerheid worden vastgesteld dat hiermee alle situaties in beeld zijn. Daarom blijft het voor gemeenten, IMG en NCG mogelijk om nieuwe casussen aan te dragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties (IVS). De bewoners met oude NAM- of CVW-schades die te maken hebben met schrijnende en voortdurende problematiek kunnen in ieder geval terecht bij het IVS. Het IVS kan integrale oplossingen bieden, zoals herstelplannen, sloop/nieuwbouw of financiële ondersteuning. Momenteel is één dergelijke casus in behandeling genomen door het IVS. Er is met de eigenaren overeenstemming over de oplossingsrichting die nu wordt uitgewerkt en het IVS voorziet geen knelpunten bij de uitvoering.
Er zijn ook bewoners die nog verwikkeld zijn in procedures met de NAM. Hierover is met de NAM contact geweest. Het betreft onder meer bewoners die met de NAM een schadevergoeding zijn overeengekomen, maar deze nog niet (geheel) hebben ontvangen omdat door de bewoners volgens NAM nog niet is voldaan aan de voorwaarden die eerder zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. De NAM heeft deze bewoners aangeboden om alsnog de (resterende) vergoeding uit te keren.
Daarnaast zijn er nog 19 lopende rechtszaken tussen de NAM en bewoners of ondernemers. De NAM heeft aangegeven mee te willen denken over afronding, maar geeft aan dat het veelal omvangrijke claims betreft waarbij partijen ver uit elkaar liggen.
Los van de bovenstaande werkwijze kan het Team op Maat van het IMG in het kader van de knelpuntenregeling onder bepaalde voorwaarden óók casuïstiek in behandeling nemen waarbij sprake is van eerder behandelde NAM- of CVW schades om te komen tot een passende totaaloplossing.
Hoeveel gedupeerden hebben inmiddels vergoeding gekregen, hoeveel gedupeerden wachten nog? Waar zitten de knelpunten?
Zie antwoord vraag 37.
Hoe beoordelen gedupeerden de aanpak en de vergoeding?
Het IMG vraagt bij de verschillende schaderegelingen naar de waardering daarvan door de aanvrager. Dit doorlopende onderzoek, waarvan de resultaten jaarlijks worden gepubliceerd in de Bouwen aan Herstel monitor, laat zien dat de Aanvullende Vaste Vergoeding in 2025 gemiddeld gewaardeerd werd met een 8,3. De tevredenheid over de werkwijze van het Interventieteam Vastgelopen Situaties wordt niet separaat gemeten.
In uw Kamerbrief over de gekozen uitwerking van de motie gaf u aan dat de door het kabinet gemaakte keuzes «niet voor iedereen een passende oplossing [zullen] bieden». Voor hoeveel gedupeerden komt er geen passende oplossing? Waar kunnen gedupeerden zich melden wanneer zij in deze groep vallen?8
In de Kamerbrief van 12 september 2025 staat dat een substantieel deel van de groep met oude NAM/CVW-schade geholpen kan worden met de AVV en, onder bepaalde voorwaarden, met regelingen als duurzaam herstel en daadwerkelijk herstel van het IMG. Zoals in het antwoord op vragen 37 en 38 is aangeven is er een zeer beperkte groep die niet geholpen is met deze regelingen, omdat sprake is van schrijnende en complexe schadeproblematiek waarvoor specifieke ondersteuning en een totaaloplossing nodig is. Met de regionale partijen, het IMG en de NCG is afgesproken dat zij gedupeerden met deze problematiek aandragen bij het Interventieteam Vastgelopen Situaties, die deze situaties beoordeelt en ondersteuning biedt bij het vinden van een passende oplossing.
Erkent u dat bewoners die genoegen moesten nemen met een korting van vijf procent op de taxatiewaarde van hun woning omdat zij vielen onder de Stichting Proef Koopinstrument (SPKI) en de opvolgers daarvan ongelijk zijn behandeld? Bent u bereidt dit alsnog recht te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het koopinstrument is een laatste redmiddel als bewoners hun woning niet meer tegen een «normale» prijs kunnen verkopen. Nadat bewoners voldoen aan de voorwaarden van het Koopinstrument krijgen de eigenaren inderdaad een bod van 95% van de taxatiewaarde. De gedachte daarachter is dat dit bod aanzienlijk hoger is dan de waarde van de woning en dat het instrument als zodanig niet de markt mag verstoren. Bovendien is het Koopinstrument destijds ook ontwikkeld gezamenlijk met de waardedalingsregeling van IMG die complementair aan elkaar zijn.
Bovenstaande geldt al sinds het begin van het koopinstrument en het percentage is sindsdien niet veranderd. Er is dus geen sprake van een ongelijke behandeling tussen bewoners die gebruik hebben gemaakt van deze regeling.
Achter elk onderbestedingscijfer in de verantwoordingsdagstukken zitten vaak schrijnende verhalen van mensen. Bent u bereid op korte termijn met de bewoners die de verhalen uit deze Kamervragen hebben gedeeld in gesprek te gaan?
Zoals ik in mijn beantwoording van de vragen 1,3, 4 en 29 heb aangegeven, duidt een lagere besteding niet in alle gevallen op problemen of schrijnende situaties. Dat laat onverlet dat ik ook zie dat er nog te veel mensen zijn met langlopende dossiers en dat het hier soms om heel schrijnende situaties gaat. Ik heb op 22 juni jl. een bezoek gebracht aan bewoners van de Schipsloot en heb toen ook gesproken over de ervaringen en frustraties van bewoners. Hier was ook regeringscommissaris Henk Nijboer bij aanwezig. Hij is door het kabinet aangesteld om partijen in de regio bij elkaar te brengen en om mij te adviseren over het wegnemen van knelpunten die voortgang van de versterking en schadeafhandeling belemmeren.
In het vorige week gepresenteerde jaarverslag van de Nationale ombudsman waarschuwt deze voor het gevaar dat de overheid de behoefte van de burger te weinig centraal stelt in hersteltrajecten, zoals bij de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen. Herkent u dit? Zo ja, hoe zorgt u dat de behoefte van inwoners wel centraal komt te staan?
Ja, ik herken dit risico. De parlementaire enquêtecommissie die onderzoek heeft gedaan naar de gaswinning in Groningen heeft daarom ook expliciet geadviseerd om samen mét Groningers in dialoog te treden over hoe de ereschuld wordt ingelost. Hier geeft het kabinet op verschillende manieren invulling aan. Zo hebben honderden inwoners meegedacht over de uitwerking van de Sociale Agenda, worden doorlopend initiatieven genomen om jongeren te betrekken, hebben IMG en NCG een burgerpanel en bewonersadviesraad ingesteld, en is in het PEGA-wetsvoorstel vastgelegd dat de conclusies en aanbevelingen uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe expliciet met inwoners worden besproken. Vorige maand hebben bijvoorbeeld 152 gesprekken plaatsgevonden met inwoners in Loppersum, Delfzijl, Appingedam, Winsum, Uithuizen, Ten Boer, Veendam, Winschoten en Paterswolde naar aanleiding van het verschijnen van de Staat van Groningen & Noord-Drenthe 2026. In de kabinetsreactie op de Staat van Groningen & Noord-Drenthe kom ik terug op deze gesprekken.
De Ombudsman waarschuwt voorts dat wanneer de overheid tekortschiet in hersteltrajecten, het vertrouwen van de burger verder afbrokkelt. Herkent u dit signaal en hoe gaat u hiermee om?
Ik ben het hiermee eens. Cijfers uit de Staat van Groningen & Noord-Drenthe die ik u vorige maand heb toegestuurd, laten zien dat het vertrouwen in de overheid van Groningers en Noord-Drenten al lange tijd gemiddeld genomen lager is dan in de rest van Nederland.10 Vertrouwen keert niet van de ene op de andere dag terug. De hersteloperatie in Groningen en Noord-Drenthe vordert weliswaar gestaag, maar doet een groot beroep op het geduld, de flexibiliteit en het incasseringsvermogen van mensen. Dat vraagt om een overheid die oog heeft voor wat schade en versterking met mensen doet, en geen onrealistische verwachtingen wekt. Laagdrempelig contact is daarbij cruciaal. Zo investeren het IMG en de NCG in persoonlijk contact, bijvoorbeeld met fysieke steunpunten in bibliotheken en dorpshuizen, en met individuele toelichtingen op schadebesluiten of versterkingsadviezen. Uiteindelijk zal het vertrouwen van mensen vooral moeten verbeteren door concrete resultaten: veilige, verduurzaamde huizen en herstelde schade. Om dit doel te helpen bereiken, heeft het kabinet Henk Nijboer aangesteld als regeringscommissaris. Hij zal volop in de regio zijn om de samenwerking tussen partijen te bevorderen, en zichtbaar en aanspreekbaar te zijn voor inwoners, maatschappelijke partijen, medeoverheden en andere betrokkenen. Hij kan mij daarover gevraagd en ongevraagd van advies voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende Kamerdebat?
Ja.
Burgemeesters die meedoen aan Nakba-herdenkingen |
|
Mona Keijzer , Annabel Nanninga (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Utrechtse burgemeester Dijksma, met ambtsketen, samen met wethouder Voortman namens het college van B&W van de gemeente Utrecht een krans heeft gelegd bij een zogenoemde Nakba-herdenking op het Domplein, bij het verzetsmonument? En dat de (loco)burgemeesters van Amsterdam en Arnhem ook, met hun aanwezigheid danwel online, stilstonden bij een historisch onjuiste weergave van de zogenaamde «Nakba»?
Ik ben bekend met de aanwezigheid en kranslegging bij de Nakba-herdenking op het Domplein en met de uitingen van de (loco)burgemeesters van Amsterdam en Arnhem.
Bent u ermee bekend dat de kransen die op 4 mei waren gelegd voor Nederlandse verzetsstrijders, bevrijders en slachtoffers van oorlog en Holocaust in Utrecht kennelijk moesten wijken en achter het monument op een hoop zijn beland?
Ik ben ermee bekend dat de kransen achter het monument zijn gelegd.
Vindt u het normaal dat kransen voor verzetsstrijders en oorlogsslachtoffers nog geen twee weken na de Nationale Dodenherdenking worden weggekwakt om ruimte te maken voor een politieke herdenking over een buitenlands conflict?
Ik begrijp dat het beeld dat de kransen achter het monument zijn gelegd onbegrip, verdriet en boosheid kan oproepen, zowel bij nabestaanden als andere betrokkenen. Burgemeester Dijksma heeft aangegeven dat het hier gaat om een menselijke fout, en dit had niet mogen gebeuren. Momenteel wordt door de gemeente Utrecht uitgezocht hoe dit heeft kunnen gebeuren.
Wie heeft hiertoe opdracht gegeven, wie was hiervoor verantwoordelijk en deelt u de mening dat dit nooit meer mag gebeuren?
Momenteel wordt uitgezocht door de gemeente Utrecht hoe dit heeft kunnen gebeuren. Ik heb er begrip voor dat mensen zijn gekwetst door de gebeurtenissen; het is van groot belang om zorgvuldig en respectvol om te gaan met herdenkingen.
Heeft u reeds contact gehad met het college van B&W van de gemeente Utrecht over de wijze waarop de 4 mei-kransen bij het verzetsmonument zijn behandeld?
Ik heb geen contact gehad met het college van Utrecht. Ik vertrouw erop dat de gemeente Utrecht haar onderzoek zorgvuldig doet.
Zo nee, waarom niet?
Het wederzijds vertrouwen tussen het Rijk en het lokaal bestuur is essentieel voor een goede samenwerking, zoals ook bevestigd in ons Bestuurlijk Overleg op 5 maart. Ik vertrouw er dan ook op dat de evaluatie vanuit de gemeente zal uitwijzen hoe dit heeft kunnen gebeuren.
Bent u bereid het college van B&W van de gemeente Utrecht hierover alsnog om opheldering te vragen en de Kamer te informeren over de uitkomst?
Ik vertrouw erop dat het college van B&W de raad over de resultaten van deze evaluatie inlicht. De politieke verantwoording over zaken die onder verantwoordelijkheid van het college of van de burgemeester gebeuren, vindt immers op gemeentelijk niveau plaats.
Deelt u de mening dat een verzetsmonument geen podium is voor actuele geopolitieke campagnes, zeker niet wanneer daardoor de herdenking van Nederlandse verzetsstrijders en slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog letterlijk opzij wordt geschoven?
Hierboven heb ik mijn begrip uitgesproken voor de gevoelens van boosheid en verdriet die zijn ontstaan door de gebeurtenissen. Daarnaast ben ik er in algemene zin niet op tegen dat bestaande monumenten ook gebruikt kunnen worden voor andere herdenkingen dan die waarvoor zijn oorspronkelijk zijn bedoeld. Dat moet natuurlijk wel op een zorgvuldige manier gebeuren.
Valt het volgens u onder de taakopvatting van Nederlandse burgemeesters om buitenlandse gebeurtenissen en conflicten te herdenken, zoals de zogenaamde «Nakba»?
Deelname aan herdenkingen draagt bij aan het bevorderen van sociale cohesie en begrip tussen bijvoorbeeld bestuurders, politici en de diverse groepen in de samenleving. Op deze manier laten publieke ambtsdragers zien in verbinding te willen staan met verschillende bevolkingsgroepen in de maatschappij. Publieke ambtsdragers – zo ook burgemeesters – vervullen een rol om deze waarden te ondersteunen en uit te dragen. De neutraliteit van de burgemeester komt hiermee niet in gevaar, omdat het bijwonen van een herdenking in welke vorm dan ook slechts de maatschappelijke diversiteit weerspiegelt. De rechten van anderen worden hierdoor niet beperkt. Zo bezoeken ambtsdragers ook tal van andere maatschappelijke stromingen en groeperingen.
Zo ja, waarom herdenken burgemeesters dan niet ook de Holodomor, de Ierse Troubles, de val van Constantinopel, de Grieks-Turkse bevolkingsuitwisseling, de deling van India en Pakistan of de verdrijving van honderdduizenden Joden uit islamitische landen?
De afweging of een burgemeester wil deelnemen aan bepaalde herdenkingen is een afweging die door de burgemeester zelf moet worden gemaakt.
Zo nee, bent u bereid burgemeesters erop aan te spreken dat zij hun ambt niet moeten misbruiken om buitenlandse conflicten de Nederlandse samenleving binnen te trekken?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat burgemeesters, die in Nederland al niet rechtstreeks democratisch gekozen worden, juist een extra zware verantwoordelijkheid hebben om zichtbaar boven de partijen te staan en er voor álle inwoners van hun gemeente te zijn?
De burgemeesters hebben inderdaad een verantwoordelijkheid om er te zijn voor alle inwoners van hun gemeente. De pluriformiteit van onze samenleving met daarin een grote diversiteit aan verschillende levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen, waardepatronen, ideeën en gevoelens maakt dat niet altijd een gemakkelijke opgave. Ik steun hen daarin van harte.
Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot het optreden van burgemeesters rond een eenzijdige, historisch incorrecte zogenoemde «Nakba»-herdenking?
De neutraliteit van de burgemeester komt hiermee niet in gevaar, omdat het bijwonen van een herdenking door burgemeesters slechts de maatschappelijke diversiteit weerspiegelt. De rechten van anderen worden hierdoor niet beperkt. Zo bezoeken ambtsdragers ook tal van andere maatschappelijke stromingen en groeperingen.
Vindt u het gepast dat een burgemeester in functie stilstaat bij een herdenking waarbij de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 vanuit één politiek en inaccuraat perspectief wordt gepresenteerd?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Erkent u dat de zogenaamde «Nakba»-herdenking in deze vorm voor veel Joodse Nederlanders niet voelt als een neutrale herdenking, maar als een politieke aanklacht tegen het bestaansrecht van Israël?
Ik heb in algemene zin begrip voor de mogelijke gevoelens van Joodse Nederlanders rondom Nakba-herdenkingen.
Begrijpt u dat Joodse Nederlanders zich door dit optreden van burgemeesters gekleineerd, miskend en in de steek gelaten weten?
Zie mijn antwoord op vraag 15.
Deelt u onze zorg dat deze burgemeesters hiermee niet verbinden, maar polariseren?
Die zorg deel ik niet. Zie ook mijn antwoord op vraag 12.
Bent u bekend met het feit dat de organisator van de Utrechtse herdenking eerder een raadsvergadering in Utrecht verstoorde, waar de veiligheid dusdanig in het geding kwam, dat de politie moest ingrijpen?1
Vindt u het acceptabel dat een burgemeester zich voor het karretje laat spannen van dergelijke organisatoren?
Daarmee ben ik bekend.
Acht u het samenwerken met knokploegen zoals deze door de burgemeester bewust en dus kwalijk, of onbewust en dus bestuurlijk naïef?
Gemeenteraadsvergaderingen zijn in beginsel openbaar. Elke burger of groep burgers mag deze bijwonen. Gemeenten staat het vrij spelregels op te stellen voor burgers om bij vergaderingen in te spreken of anderszins te participeren. Ik vind het van belang dat het gesprek hierover eerst en vooral op gemeentelijk niveau wordt gevoerd. Juist ook omdat dat debat dan kan plaatsvinden op basis van alle relevante – ter plaatse veel beter bekende – feiten en omstandigheden.
Vindt u dat burgemeesters, voordat zij met ambtsketen bij dit soort bijeenkomsten verschijnen, ten minste behoren te weten wie de organisatoren, sprekers en betrokken netwerken zijn?
De afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen is een afweging die door de burgemeester zelf moeten worden gemaakt. Welke informatie zij voor die afweging gebruiken of willen gebruiken is aan hen.
Heeft u zicht op welke organisaties en personen betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
Het kabinet kan hier geen uitspraken over doen. In algemene zin geldt dat mogelijke risico’s voor nationale veiligheid, democratische rechtsorde of de openbare orde door de daarvoor verantwoordelijke instanties worden beoordeeld en indien daartoe aanleiding bestaat, maatregelen worden getroffen.
Zo nee, vindt u dat wenselijk, gezien de aanwezigheid van lokale bestuurders in functie bij deze bijeenkomsten?
De afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen is een afweging die door de burgemeester zelf moeten worden gemaakt. Welke informatie zij voor die afweging gebruiken of willen gebruiken is aan hen.
Bent u bereid dit alsnog te laten nagaan?
Dat is niet aan mij om te doen. De politieke verantwoording over zaken die onder verantwoordelijkheid van het college of van de burgemeester gebeuren, vindt immers op gemeentelijk niveau plaats.
Heeft het kabinet zicht op eventuele verbanden tussen deze organisaties of personen en netwerken waarover de AIVD, politie of het Openbaar Ministerie (OM) zorgen hebben geuit?
Het kabinet kan geen uitspraken doen over eventueel lopende onderzoeken of onderzoeken naar specifieke organisaties of personen.
Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Zie antwoord vraag 25.
Hoe verhoudt deelname van lokale bestuurders aan dergelijke bijeenkomsten zich tot de waarschuwing van de AIVD dat in Nederland een Hamas-netwerk actief is?
De afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen is een afweging die door de burgemeester zelf moeten worden gemaakt. Welke informatie zij voor die afweging gebruiken of willen gebruiken is aan hen.
Zonder op de specifieke casuïstiek in te gaan, geldt in algemene zin dat mogelijke risico’s voor nationale veiligheid, democratische rechtsorde of de openbare orde door de daarvoor verantwoordelijke instanties worden beoordeeld en indien daartoe aanleiding bestaat, maatregelen worden getroffen. Zoals in het antwoord op vraag 25 aangegeven, kan het kabinet geen uitspraken over al dan niet lopende onderzoeken.
Bent u bereid gemeenten actief te waarschuwen voor het risico dat bestuurders worden ingezet als legitimatie voor radicale, extremistische of antisemitische agenda’s?
In het algemeen geldt dat dreigingen die de sociale en politieke stabiliteit, als onderdeel van de nationale veiligheid, kunnen aantasten, door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht, zodat indien nodig passende maatregelen kunnen worden getroffen.
Heeft u zicht op de financiering van de organisaties die betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
In algemene zin geldt dat nauw wordt samengewerkt door de betrokken veiligheidspartners om, indien mogelijk sprake is van ongewenste buitenlandse financiering, deze tegen te gaan. Om effectief op te kunnen treden tegen ongewenste buitenlandse financiering dient de overheid zich te richten op specifieke vormen van financiering. Nederland kent daarom een systeem waarbij in de eerste plaats de inlichtingen- en veiligheidsdiensten onderzoek kunnen doen in de gevallen waarin er ernstige vermoedens zijn van financiering vanuit het buitenland die een gevaar opleveren voor de democratische rechtsorde of waardoor risico’s ontstaan voor de nationale veiligheid. Indien het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) notes verbales over financieringsstromen van derde landen ontvangt, kan BZ deze doorsturen naar de AIVD. Ook kent Nederland verschillende instrumenten om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Zo analyseert de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU) ongebruikelijke en verdachte transacties en kan de FIU deze delen met de opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten om hierop te acteren.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 25, kan het kabinet geen uitspraken doen over eventueel lopende onderzoeken of onderzoeken naar specifieke organisaties of personen.
Zo nee, acht u dat verantwoord, gelet op recente zorgen over buitenlandse en/of extremistische beïnvloeding van anti-Israëlische activiteiten in Nederland?
Graag verwijs ik u naar het gegeven antwoord op vraag 29.
Bent u bereid te laten nagaan of de betrokken organisaties direct of indirect financiële steun ontvangen uit het buitenland, van aan Hamas gelieerde netwerken, of van organisaties waarover de AIVD, politie of het OM zorgen hebben geuit?
In het algemeen geldt dat dreigingen die de sociale en politieke stabiliteit, als onderdeel van de nationale veiligheid, kunnen aantasten, door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen worden onderzocht. Indien er sprake is van heimelijke buitenlandse beïnvloeding of inmenging, kunnen de diensten anderen daarop alerteren, zodat passende maatregelen kunnen worden getroffen.
Dat kan onder meer binnen de rijksbrede aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging. Voortdurend en op basis van het dreigingsbeeld wordt daarin gekeken naar mogelijkheden om ongewenste inmengingsactiviteiten te voorzien, verstoren, verijdelen of risico’s te mitigeren.
Daarnaast moest de voorgestelde Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties (Wtmo) de overheid onder andere helpen bij het tegengaan van financiering van activiteiten die de democratische rechtsstaat ondermijnen. Met dit voorstel werd beoogd onwenselijke buitenlandse beïnvloeding door middel van ontvangen donaties bij maatschappelijke organisaties in Nederland tegen te gaan. Zoals uw Kamer weet, is de Wtmo op 24 maart jl. door de Eerste Kamer verworpen. Het kabinet beziet momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen. Voor het einde van dit jaar informeert mijn ambtsgenoot van Justitie en Veiligheid uw Kamer over de voortgang hierover.
Kunt u uitsluiten dat bij de organisatie, financiering of ondersteuning van deze herdenkingen sprake is geweest van beïnvloeding door extremistische, antisemitische of aan Hamas gelieerde netwerken?
Het kabinet kan hier geen uitspraken over doen. In algemene zin geldt dat mogelijke risico’s voor nationale veiligheid, democratische rechtsorde of de openbare orde door de daarvoor verantwoordelijke instanties worden beoordeeld en indien daartoe aanleiding bestaat, maatregelen worden getroffen.
Deelt u de mening dat de versie van de «Nakba» die in dit soort bijeenkomsten centraal staat vaak een eenzijdig en historisch verdraaid beeld geeft van 1948, waarbij de aanval van Arabische legers op de pas opgerichte staat Israël buiten beeld blijft?
Of er sprake is van een historisch incorrecte Nakba-herdenking, is niet aan mij.
Zo nee, waarom klopt volgens u dan deze versie van de historie van het gebied?
Zie mijn antwoord op vraag 33.
Deelt u de mening dat het buitengewoon kwalijk is als Nederlandse bestuurders deze eenzijdige geschiedschrijving bestuurlijk legitimeren?
Het is niet aan mij om te beoordelen of hier sprake is van eenzijdige geschiedschrijving. Daarnaast is de afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen er een die door burgemeesters zelf moeten worden gemaakt.
Bent u bereid uit te spreken dat burgemeesters zich niet behoren te lenen voor herdenkingen die het conflict tussen Israël en Hamas importeren in Nederlandse gemeenten?
Nee, de afweging of burgemeesters deelnemen aan herdenkingen is een afweging die door burgemeesters zelf moeten worden gemaakt.
Deelt u de mening dat deze herdenkingen, zeker wanneer zij plaatsvinden bij oorlogsmonumenten, overbodig, polariserend en ongepast zijn?
Nee. Zie mijn antwoord op vraag 35.
Bent u bereid de betrokken burgemeesters aan te spreken op hun optreden en hun verantwoordelijkheid tegenover alle inwoners, waaronder nadrukkelijk ook de Joodse gemeenschap?
Nee, ik ben ervan overtuigd dat de burgemeesters zich ten volle bewust zijn van hun verantwoordelijkheid naar alle inwoners.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en volledig beantwoorden?
Ja.
Kabelinterceptie AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
In het jaarverslag 2025 schrijft de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) op pagina 14 «De verhouding tussen de inbreuk op grondrechten enerzijds en de achterblijvende opbrengst anderzijds baart de TIB bij kabelinterceptie nog altijd zorgen»; maakt u zich hier ook zorgen over? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u met deze zorgen doen?
De afgelopen jaren hebben de diensten slechts beperkt gebruik kunnen maken van het middel kabelinterceptie gelet op de juridische beperkingen. Dit heeft effect gehad op de opbrengsten van het middel. Sinds de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet kunnen de diensten (juridisch) effectiever gebruik maken van het middel kabelinterceptie. Sindsdien zijn de diensten begonnen aan een inhaalslag en is het mogelijk om kabelinterceptie ketenbreed, van verwerving tot analyse, te optimaliseren. Ik wil benadrukken dat dit proces tijd kost.
Daarnaast is het van belang te vermelden dat de huidige opbrengsten niets afdoen aan het unieke karakter van kabelinterceptie, en daarmee de potentie en het belang van dit middel voor de bescherming van onze nationale belangen. Kabelinterceptie is een relevant en onmisbaar middel om gekende en ongekende dreigingen tegen de nationale veiligheid te onderkennen. Het is daarmee zeer geschikt om op zoek te gaan naar nieuwe targets. Het kan als ongericht middel waardevolle informatie opleveren, waardoor andere (gerichte) inlichtingenmiddelen vervolgens effectiever kunnen worden ingezet en het rendement van deze middelen wordt vergroot. Ik ben dan ook positief gestemd over de potentiële opbrengst van kabelinterceptie.
Kan de Kamer een getalsmatig overzicht ontvangen van de stijging (aldus de TIB) sinds 2018 van de hoeveelheid data die jaarlijks door middel van kabelinterceptie wordt vergaard, liefst uitgedrukt in bijvoorbeeld GB per jaar of anders, als deze informatie vertrouwelijk is, in de vorm van indexcijfers (waarbij het beginjaar 2018 dus de waarde 100 krijgt)? Zo nee, waarom niet? Waarom kan de Kamer zelfs indexcijfers hierover, indexcijfers die immers slechts uitsluitend informatie geven over de stijging en niets zeggen over het absolute niveau van de kabelinterceptie, niet ontvangen?
De diensten doen nooit uitspraken over het actuele kennisniveau en hun modus operandi. De hoeveelheid data die via kabelinterceptie wordt vergaard, is een directe indicator van de operationele capaciteit en de technische effectiviteit van de inlichtingendiensten. Als de exacte hoeveelheid (in GB) of zelfs een indexcijfer publiek wordt, kan een buitenlandse mogendheid of kwaadwillende actor daaruit afleiden of de capaciteiten van de Nederlandse diensten toenemen, stabiliseren of juist afnemen. Een daling in de hoeveelheid vergaarde data zou kunnen duiden op een verzwakking van de interceptiecapaciteit, terwijl een sterke stijging bijvoorbeeld kan wijzen op nieuwe technologische doorbraken. Dit is gevoelige informatie die effect kan hebben op de nationale veiligheid. In het algemeen geldt dat de Kamer over de vertrouwelijk aspecten van de diensten via de geëigende kanalen geïnformeerd wordt.
Hoeveel procent (ongeveer, bij benadering) van alle data die vergaard wordt via kabelinterceptie wordt gedeeld met buitenlandse inlichtingendiensten?
De diensten doen nooit uitspraken over het actuele kennisniveau en hun modus operandi. Een benadering in percentages zou ook niet mogelijk zijn. In het algemeen geldt dat gegevensdeling geen constante stroom is, maar een resultaat van specifieke operationele noodzaak en onderlinge afspraken. De informatie die gedeeld wordt, betreft vrijwel altijd de geanalyseerde uitkomst van de verzamelde data, en niet de volledige verzamelde datastroom zelf.
De afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen |
|
André Flach (SGP), Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel reageren nodig»?1
Ja
Kunt u specifiek voor Wet open overheid (Woo)-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
De keuze tussen bezwaar en beroep is niet aan het bestuursorgaan of de verzoeker, maar volgt dwingend uit de wet. Tegen een beslissing op bezwaar staat volgens de Algemene wet bestuursrecht alleen beroep bij de rechtbank open. Bij Woo/2023/066 was op 17 februari 2026 al een beslissing op bezwaar genomen in de door de verzoeker gestarte bezwaarprocedure. Er kan dan geen sprake zijn van een nieuwe bezwaarfase. Er is voor betrokkenen voor dit Woo-verzoek geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar geboden, omdat deze mogelijkheid juridisch niet meer bestaat, als al een bezwaarfase open heeft gestaan.
Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
In het primaire besluit van 24 maart 2025 is besloten het verzoek af te wijzen.2 Op 17 februari 2026 is in de beslissing op bezwaar besloten de gevraagde informatie over de jaren 1989 tot en met 2022 openbaar te maken.3 Deze wijziging ingegeven door het bezwaar op het primaire besluit en de bezwaargronden die daarbij zijn aangevoerd. Voor een uitgebreide toelichting verwijs ik u naar de betreffende besluiten.
Dit betekent niet dat de gegevens meteen openbaar zullen worden gemaakt. Een aantal belanghebbenden hebben om een voorlopige voorziening gevraagd. De procedures rond deze voorlopige voorzieningen lopen nog. Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan is er sprake van automatische opschorting en maken we van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar. Dit geldt ook voor belanghebbenden die geen verzoek om voorlopige voorziening hebben gevraagd, geen bezwaar hebben gemaakt of niet in beroep zijn gegaan.
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 55.000 onjuiste brieven over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen hieraan ten grondslag?
Helaas is de verwijzing van de belanghebbenden bij het Woo-verzoek naar een onjuist rechtsmiddel ontstaan door een menselijke fout. Naar aanleiding van deze fout zijn interne processen aangescherpt.
Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Bezwaar (d.w.z. heroverweging door het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen) en beroep (rechtmatigheidstoetsing door een onafhankelijk rechter) verschillen op wezenlijke punten van elkaar. Bezwaar is laagdrempeliger, minder formeel en minder kostbaar dan beroep. Als op een bezwaar is beslist, zoals hier, dan staat alleen de weg naar de rechter nog open door middel van beroep. Hiermee is gewaarborgd dat de overheid eerst de kans krijgt zelfstandig een besluit te heroverwegen, voordat de onafhankelijke rechter de uiteindelijke rechtmatigheid toetst wanneer partijen er samen echt niet uitkomen.
Het maken van bezwaar is doorgaans kosteloos, terwijl voor beroep griffierecht verschuldigd is. Daarnaast liggen de proceskosten bij beroep doorgaans hoger, omdat de procedure complexer is en partijen zich vaker laten bijstaan door een advocaat of andere (rechts)bijstandsverlener.
In deze casus is de bezwaarfase afgerond: Een verzoeker was al in bezwaar gegaan en vervolgens is een beslissing op dat bezwaar genomen. Omdat daarmee de bezwaarfase afgerond is, kan er alleen in beroep worden gegaan tegen deze beslissing op bezwaar.
Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar maken?
Ik snap dat er verwarring kan zijn ontstaan doordat helaas in de brief werd gesproken over het instellen van «bezwaar» waar dat «beroep» had moeten zijn. Met de herstelactie is zo veel als mogelijk ingezet om deze verwarring weg te nemen. Alle bezwaarmakers zijn per brief geïnformeerd over de fout en er is zoveel mogelijk telefonisch contact gezocht met hen. In de herstelactie is daarom ook de ruimte om het «bezwaar» niet door te zenden aan de rechtbank geboden om daarmee te voorkomen dat betrokkene ongewenst een beroep instelt en kosten maakt.
Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat, na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel die opvatting niet. De termijn van zeven dagen is geboden aan betrokkenen zodat zij kunnen afwegen of zij hun bezwaar wel of niet willen laten doorzenden aan de rechtbank. De termijn van zeven dagen was daarmee geen voorbereidingstermijn voor een gerechtelijke procedure. Met de termijn van zeven dagen wordt tegemoetgekomen aan de verplichting uit artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht om zo spoedig mogelijk voor doorzending te zorgen. Na het doorzenden aan de rechtbank zal de rechtbank een factuur voor het griffierecht toezenden en – na betaling van het griffierecht – het als beroep in behandeling nemen. Er is dan nog voldoende voorbereidingstijd.
Daarnaast verwijs ik ook naar de beantwoording van vraag 2. Zolang er procedures rond voorlopige voorzieningen lopen worden van geen enkele belanghebbende de gevraagde gegevens openbaar gemaakt.
Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (7) hierboven.
Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten en procedurele vereisten?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5) en (6). Uw vraag veronderstelt een keuzemogelijkheid die er (juridisch/bestuursrechtelijk) niet is.
Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid, de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
De belanghebbenden die geïnformeerd zijn met de door RVO verzonden brief, waarin zij onjuist verwezen werden naar bezwaar, zijn opnieuw geïnformeerd als zij in navolging van die brief bezwaar hebben ingediend. Hiermee voorkomen we dat een veel grotere groep nogmaals wordt geconfronteerd met een brief over het Woo-verzoek, terwijl zij in eerste instantie geen rechtsmiddel hebben ingesteld.
Op grond van artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht was de RVO verplicht om zo spoedig mogelijk de ontvangen bezwaarschriften, die beroepschriften hadden moeten zijn, door te zenden naar de rechtbank (de doorzendplicht). Betrokkenen is de mogelijkheid geboden om binnen zeven dagen aan te geven geen prijs te stellen op deze doorzending, de wet vereist dit niet. Hiermee is er nu een laagdrempeliger manier gevonden om tegemoet te komen aan de wensen van de betrokkenen. Ik wijs er verder graag op dat indien betrokkene nadien alsnog geen prijs stelde op het instellen van beroep bij de bestuursrechter, deze procedure kon worden beëindigd door het niet betalen van de griffierechten.
Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vragen (5), (6), (7), (9) en (10).
Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (4).
In het regeerakkoord spreekt u over «een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant opstelt», hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
Een betrouwbare en menselijke overheid toont zich door open te zijn over wat goed ging en wat niet. Het openstaande rechtsmiddel is in de beslissing op bezwaar juist opgenomen, maar in de kennisgevende brief aan betrokkenen hierover niet. Dat had niet mogen gebeuren. We geven daarom inzicht in de stappen die zijn gezet, leggen uit wat is misgegaan, en schetsen de vervolgstappen. Zo bieden we perspectief én laten we zien dat transparantie meer is dan woorden.
Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen om openbaarmaking te voorkomen?
In het bestuursrecht is het een algemeen uitgangspunt dat besluiten onmiddellijk uitvoerbaar zijn (artikel 6:16 Algemene wet bestuursrecht). Het idee hierachter is dat het openbaar bestuur niet telkens kan worden vertraagd door elk bezwaarschrift. Het uitgangspunt draagt bij aan doelmatigheid van bestuur en rechtszekerheid. De Woo kent wel een vorm van uitgestelde openbaarmaking. Artikel 4.4 lid 5 van de Woo bepaalt dat als een bestuursorgaan besluit informatie openbaar te maken waartegen een belanghebbende naar verwachting bedenkingen heeft, de feitelijke openbaarmaking van de informatie pas mag plaatsvinden twee weken nadat het besluit is bekendgemaakt.
Deze mogelijkheid tot «uitgestelde openbaarmaking» bestaat om belanghebbenden de tijd te geven om een voorlopige voorziening (vovo) aan te vragen bij de rechter. Wordt de vovo-aanvraag binnen die twee weken ingediend, dan dient de feitelijke openbaarmaking in de praktijk te worden opgeschort totdat de voorzieningenrechter over het verzoek heeft beslist of het verzoek is ingetrokken. Hiermee wordt voorkomen dat de informatie al openbaar is gemaakt voordat een rechter de betrokken belangen heeft kunnen afwegen.
De huidige wetgeving biedt geen ruimte voor automatische opschorting gedurende de héle bezwaartermijn (van zes weken). Een kerndoel van de Woo is om informatie zo snel mogelijk beschikbaar te maken voor de samenleving. Automatische opschorting in het geval van bezwaar zou betekenen dat elke derde een publicatie gedurende de volledige bezwaarprocedure – die inclusief beslistermijn en mogelijke verlenging al snel meerdere maanden kan beslaan – zou kunnen vertragen door enkel een bezwaarschrift in te dienen. Door een gang naar de rechter te eisen via de voorlopige voorziening, voorziet de wet in een rechterlijke toets om alleen bij een werkelijk spoedeisend en gewichtig belang de openbaarmaking langer dan twee weken op te schorten.
Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel altijd worden toegekend?
Een voorzieningenrechter kan bij spoedeisend en gewichtig belang besluiten de verzochte voorlopige voorziening toe te wijzen. Op basis van de naar voren gebrachte belangen kan een voorzieningenrechter besluiten de gevraagde voorlopige voorziening – het opschorten van de openbaarmaking van de gegevens voor de duur van de hoofdzaak, zoals beroep – toe te wijzen. Hierbij is relevant dat openbaarmaking van gegevens onomkeerbaar is, gezien ook de publicatie op het internet.
Een voorzieningenrechter kan echter ook tot de conclusie komen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en ook onmiddellijk uitspraak doen in het beroep (artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht). Bijvoorbeeld omdat de opgevraagde informatie emissiegegevens zijn en op deze emissiegegevens op grond van artikel 5.1 lid 7 Woo geen uitzonderingsgronden mogen worden toegepast.4
Of een voorlopige voorziening wordt toegewezen hangt daarmee af van de omstandigheden van het geval. Een algemene uitspraak dat voorlopige voorzieningen in Woo-zaken vrijwel altijd worden toegekend of vrijwel altijd worden afgewezen, kan dan ook niet worden gedaan. Systematische cijfers over de uitkomsten van dit soort procedures zijn niet beschikbaar.5
Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt zou kunnen worden?
Als kabinet hebben we de ambitie te werken aan een meer slagvaardige overheid. Dit jaar wordt de wetsevaluatie van de Woo uitgevoerd. Het streven is om de Woo beter toepasbaar te maken. Eén van de onderdelen die daarin wordt meegenomen is het automatisch opschorten van openbaarmaking als er bezwaar is ingediend (motie-Van der Plas Kamerstuk 32 802, nr. 114).
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend (Kamerstuk 32 802, nr. 114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische procedures te voorkomen?
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag (16) hierboven.
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32 802, nr. 111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja, wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Het onderzoek naar sociale veiligheid wordt uitgevoerd via het WODC, het kennisinstituut voor de rechtsstaat. Het onderzoek richt zich op de achtergrond en de aard en omvang van door agrariërs ervaren bedreiging en intimidatie en het daaruit voortvloeiende gevoel van onveiligheid. De resultaten verwacht ik begin 2028.
Het herhaaldelijk blokkeren van snelwegen door demonstranten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zoveelste wegblokkade van Extinction Rebellion (XR), dit keer in Utrecht?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat ook andere burgers grondrechten hebben, zoals bewegingsvrijheid en het recht op gebruik van de openbare weg, of geldt dat in de praktijk alleen zolang er geen actiegroep op het asfalt zit? Acht u het recht om te demonstreren absoluut?
Het demonstratierecht is een groot goed, maar niet absoluut. Demonstranten dienen zich aan de wet te houden. Tegen demonstranten die de wet overtreden door het plegen van geweld of vernielingen kan strafrechtelijk worden opgetreden. Dit grondrecht kan in botsing komen met andere grondrechten, zoals bijvoorbeeld het recht op privacy. Het lokaal bestuur is verantwoordelijk voor het faciliteren of waar mogelijk gerechtvaardigd beperken van demonstraties. Het is aan hen om in die beoordeling ook andere belangen of grondrechten die spelen mee te wegen.
Deelt u de opvatting dat het structureel blokkeren van vitale infrastructuur een creatieve, zij het selectieve, interpretatie is van het demonstratierecht? Waar eindigt volgens u demonstreren en begint simpelweg ontwrichten?
Onder het huidige wettelijk kader kunnen demonstranten die strafbare feiten plegen ten aanzien van vitale infrastructuur al vervolgd worden. En dit gebeurt ook. Zo bestaan er, verspreid over de Spoorwegwet en het Wetboek van Strafrecht, verschillende bepalingen waardoor strafrechtelijk kan worden opgetreden tegen actievoerders die het (goederen)spoor blokkeren of die schade veroorzaken aan een (spoor)weg.
Het recht om te demonstreren is een belangrijk recht dat beschermd moet worden door de overheid. Maar niet ten koste van alles, want er spelen ook belangen en rechten van anderen, die net zo goed door de overheid moeten worden beschermd. Dat betekent dat als een demonstrant zijn recht om te demonstreren uitoefent en daarbij een strafbaar feit pleegt, hiertegen opgetreden kan worden. Op welke wijze opgetreden wordt, zal van demonstratie tot demonstratie verschillen. Steeds zullen alle belangen die spelen goed moeten worden afgewogen, waarbij het recht om te demonstreren zwaar weegt en dus niet te snel beperkt mag worden.2 Het is aan het lokaal gezag om deze belangenafweging te maken.
Klopt het dat handhaving inmiddels contextafhankelijk is geworden, waarbij de inhoud van de boodschap mede bepaalt of de wet wordt toegepast? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat klopt niet. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde en de veiligheid op basis van een operationele inschatting van de risico’s daarvoor. Er is geen grond voor de suggestie dat de inhoud van de boodschap bepaalt of (en hoe) wordt opgetreden. Contextafhankelijkheid ziet op omstandigheden als locatie, omvang, duur, verkeersveiligheid en naleving van aanwijzingen en wet- en regelgeving; niet op de inhoud van het betoog.
Hoe legt u aan burgers uit dat regels nageleefd moeten worden, terwijl tegelijkertijd zichtbaar wordt dat overtredingen op grote schaal zonder directe consequenties blijven? Wanneer worden eindelijk harde maatregelen genomen en zwaardere handhavingsmiddelen ingezet, zoals bijvoorbeeld de inzet van waterkannonen en zwaardere sancties?
Het demonstratierecht biedt veel ruimte voor diverse soorten acties, maar biedt demonstranten geen vrijbrief om zich niet aan de wet te houden. Strafrechtelijk optreden is dan ook mogelijk wanneer dit in de feiten en omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is. Het is aan het lokaal gezag om tot een oordeel te komen of er sprake is van strafbare feiten en op welke manier hiertegen opgetreden wordt, waarbij dient te worden meegewogen dat de acties plaatsvinden ter uitoefening van een grondrecht.
Indien noodzakelijk treedt de politie op onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag met de-escalatie als uitgangspunt. Waar inzet van geweldsmiddelen nodig is, gebeurt dit binnen de Ambtsinstructie en de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en gematigdheid. Het OM heeft een zelfstandige bevoegdheid om te bepalen in welke zaken vervolgens vervolging wordt ingesteld.
In hoeverre vindt u het wenselijk dat werkende burgers hun dag moeten herinrichten omdat de overheid structureel ervoor kiest niet in te grijpen? Kunnen deze mensen hun (brandstof)kosten bij u declareren?
Acties die hinder teweeg brengen vergen telkens een zorgvuldige afweging door het lokaal gezag tussen het demonstratierecht en het beperken daarvan ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
De overheid is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van strafbare feiten die door derden worden gepleegd. Er bestaat daarom geen regeling om indirecte kosten, zoals extra reistijd of brandstof, te declareren bij het Rijk naar aanleiding van verstoringen door derden. Wanneer partijen door een actie schade lijden, is het aan hen zelf om daarvan aangifte te doen en de schade op de vermeende daders te verhalen.
Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Zoals toegezegd in de brief aan uw Kamer van 11 juli 2025 met betrekking tot de inzichten uit de dialoog over demonstreren en beschermen herdenkingen onderzoekt het kabinet op welke wijze wij partijen die schade lijden meer kunnen ondersteunen bij het verhalen van schade.3 Indachtig ook de motie d.d. 25 september 2025 van het lid Stoffer over bewerkstelligen dat relschoppers die het demonstratierecht misbruiken opdraaien voor de kosten voor de samenleving,4 brengt het kabinet samen met partijen die schade hebben geleden de belemmeringen die zij hierbij in de praktijk ervaren in kaart om deze zo veel mogelijk weg te kunnen nemen.
Ziet u aanleiding om nader te onderzoeken of organisaties die zich herhaaldelijk schuldig maken aan het ontwrichten van de openbare orde nog passen binnen de voorwaarden voor een ANBI-status? Zo nee, kunt u dit uitgebreid motiveren?
De toekenning en toetsing van de ANBI-status betreft een fiscale aangelegenheid en is aan de Belastingdienst. De belastinginspecteur zal een ANBI-status bij beschikking intrekken (of een aanvraag weigeren) indien niet (meer) wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), waaronder de voorwaarden van het beogen van algemeen nut en de zogenoemde «integriteitstoets».
Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën5 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien.
De integriteitstoets houdt in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf.6 Het gaat hierbij om misdrijven als bedoeld in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 137c, eerste lid, 137d, eerste lid, en 266 van het Wetboek van Strafrecht. Hieronder vallen onder andere misdrijven tegen de openbare orde. Voor intrekking op grond van de integriteitstoets is tevens vereist dat er niet meer dan vier jaar verstreken is sinds de veroordeling en dat het misdrijf gezien zijn aard of in samenhang met andere door de ANBI of genoemde personen begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormt. De Belastingdienst onderhoudt hiervoor contacten met het OM.
De ANBI-status wordt ook ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van de eerdergenoemde personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen.7 Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.8
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
Klopt het dat een presentatie of notitie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) over de verhaalbaarheid van schadevergoedingen eerder in het openbare deel van het archief van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen (PEAG) raadpleegbaar was?
Dat klopt.
Klopt het dat dit document thans niet langer in het openbare deel van dat archief beschikbaar is? Sinds wanneer is dat het geval?
Dat klopt, dit document is niet meer beschikbaar in het openbare deel van het archief sinds 14 oktober 2024.
Is dit document verplaatst naar een besloten of vertrouwelijk deel van het archief, of is het geheel uit het archief verwijderd? Kunt u de exacte handelwijze, datum en grondslag uiteenzetten?
In tegenstelling tot de titel van de Kamervragen is het document niet verdwenen. Dit document is op verzoek van het IMG verplaatst naar het vertrouwelijke deel van het archief omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, en dus vertrouwelijke informatie, die niet in het openbare archief opgenomen had moeten worden.
Op wiens verzoek is de openbaarheidsstatus van dit document gewijzigd? Wie heeft dat verzoek gedaan, bij wie is het ingediend en wie heeft het besluit genomen?
Zie vraag 3. De status is op verzoek van het IMG bij brief van 4 oktober 2024, gericht aan de griffier van de Parlementaire Enquêtecommissie Aardgaswinning Groningen, gewijzigd. Die commissie heeft vervolgens op dat verzoek besloten en het document op 14 oktober 2024 naar het vertrouwelijke deel van het archief verplaatst.
Waren uw ministerie, de toenmalig verantwoordelijke bewindspersoon, het IMG of de landsadvocaat betrokken bij of op de hoogte van dit verzoek? Zo ja, wat was ieders rol daarbij?
Zie vraag 4. Het IMG heeft het verzoek gedaan. Het ministerie en de landsadvocaat waren daarvan op de hoogte vanwege de lopende arbitrageprocedure tegen NAM, waarin NAM om de presentatie heeft verzocht, welk verzoek is geweigerd door het scheidsgerecht.
Welke bepaling van de Wet op de parlementaire enquête 2008, de Regeling parlementair en extern onderzoek of andere toepasselijke regels biedt volgens u de grondslag om na afloop van een parlementaire enquête een document alsnog uit het openbare deel van het archief te halen of onder beperkingen te brengen?
Op grond van artikel 40 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 kunnen beperkingen worden gesteld aan de openbaarheid van documenten die onder de betreffende enquêtecommissie berusten of hebben berust, zolang de documenten onder de commissie of daarna onder de Kamer berusten. Waar het hier om gaat is een document dat, omdat het gaat om een verschoningsgerechtigd stuk, nooit onderdeel van het openbare archief had moeten zijn. Dat is rechtgezet.
Is over de wijziging van de status van dit document juridisch advies ingewonnen door de griffie van de Tweede Kamer of een andere instantie? Zo ja, door wie, wanneer en bent u bereid dat advies met de Kamer te delen?
Daar ben ik niet mee bekend.
Klopt het dat de PEAG-commissie of haar staf van dit document kennis heeft kunnen nemen? Zo ja, is dit document betrokken bij de oordeelsvorming, het feitenrelaas of de rapportage van de commissie? Zo nee, waarom niet?
De PEAG commissie en/of haar staf heeft van dit document kennis kunnen nemen omdat zij zowel openbaar geleverde documenten als vertrouwelijk geleverde documenten heeft ontvangen van het IMG. Ik kan geen inschatting geven of het betreffende document een rol heeft gespeeld in het onderzoek van de commissie.
Heeft het IMG de in de presentatie vervatte inzichten over de verhaalbaarheid van schade en de duur van de schadeafhandeling vóór of tijdens 2022 gedeeld met het ministerie? Zo ja, op welke data, in welke vorm en met welke ambtelijke en politieke geadresseerden?
Ik ben niet in het bezit van de presentatie en daarom ook niet bekend met de inhoud van de presentatie.
Is de toenmalig verantwoordelijke Minister expliciet geïnformeerd over het risico dat delen van het gehanteerde schadebeleid mogelijk buiten de aansprakelijkheidskaders van Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) vallen? Zo ja, wanneer en via welke stukken, nota’s of presentaties?
De toenmalige Staatssecretaris was ermee bekend dat NAM zich niet kan verenigen met de opgelegde heffingen omdat zij meent dat delen van de werkwijze van het IMG haar aansprakelijkheid te buiten gaan. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de Kamervragen van het lid Clemminck (2026Z05645).
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat delen van het schadebeleid niet zonder meer binnen de aansprakelijkheid van NAM vallen? Zo nee, wilt u dan feitelijk weergeven welke conclusie het IMG op dit punt wel trok?
Zie het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat het IMG in deze presentatie signaleert dat onder het huidige beleid geen duidelijke exitstrategie bestaat en dat, zolang nieuwe scheuren worden vastgesteld, vergoedingen kunnen blijven doorlopen? Zo nee, wat is volgens u een juiste lezing van die passage?
Zie mijn antwoord op vraag 9.
Kunt u toelichten hoe uw antwoord op vraag 4 uit eerdere schriftelijke vragen (2026Z05645), namelijk dat niet kan worden uitgesloten dat kosten uiteindelijk voor rekening van de Staat komen, zich verhoudt tot uw antwoord op vraag 15, namelijk dat daarvoor geen begrotingsvoorziening of reservering nodig wordt geacht?
Het is in de systematiek van het kas-verplichtingenstelsel ongebruikelijk voor de Rijksbegroting om begrotingsvoorzieningen te treffen voor budgettaire risico’s. Door middel van de Tijdelijke wet Groningen (TwG) zijn er via heffingen en facturen kosten bij NAM in rekening gebracht. Dit wordt door NAM en de aandeelhouders van NAM bestreden in verschillende juridische procedures en gezien die procedures bestaan er budgettaire risico’s ofwel kans op begrotingstegenvallers.
In dit verband is het goed er op te wijzen dat het financiële risico voor de Staat kleiner is dan de opgelegde heffingen aan NAM. Conform de afspraken die zijn gemaakt met Shell en ExxonMobil over de afdrachtensystematiek draagt de Staat (bij benadering) uiteindelijk 73% van de opgelegde heffingen en komt 27% voor rekening van NAM.
Over welke concrete kostencategorieën bestaat op dit moment een juridisch geschil tussen de Staat enerzijds en NAM, Shell en ExxonMobil anderzijds? Kunt u dit uitsplitsen naar fysieke schade, waardedaling, versterken, daadwerkelijk herstel, forfaitaire of ruimhartige regelingen, verduurzamingsmaatregelen, knelpuntenregelingen en overige posten?
Er lopen op dit moment verschillende juridische procedures. Deze zien op fysieke schade, waardedaling en de versterkingsoperatie. Daarnaast zijn er ook bezwaren ingediend tegen heffingsbesluiten voor gemaakte kosten op het gebied van immateriële schade en de forfaitaire vergoedingen. Ik zal de Kamer periodiek op de hoogte blijven houden van de voortgang van deze juridische procedures door middel van Kamerbrieven, zoals mijn ambtsvoorgangers in het verleden ook hebben gedaan1.
Heeft het ministerie intern scenario’s, bandbreedtes, risicoregisters of andere analyses opgesteld over de mogelijke financiële risico’s voor de Staat indien kosten niet of slechts gedeeltelijk op NAM verhaalbaar blijken? Zo ja, wanneer zijn deze opgesteld, geactualiseerd of besproken?
Deze vraag ligt in het verlengde van vraag 12 van de schriftelijke vragen van het lid Clemminck (2026Z05645). Conform de beantwoording van die vragen ben ik graag bereid in een vertrouwelijke (technische) briefing de Kamer hierover te informeren, maar gelet op de procespositie van de Staat vind ik een antwoord op deze vraag hier niet passend.
Welke concrete vervolgstappen zet het kabinet indien uit rechterlijke uitspraken of arbitrale vonnissen blijkt dat relevante delen van de schadekosten niet verhaalbaar zijn op NAM? Is er in dat geval een aanvullend begrotings- of dekkingsplan?
Ik kan geen antwoord geven op deze vraag, zoals ook in het antwoord op vraag 13 heb aangegeven, omdat ik niet vooruit wil lopen op uitspraken of arbitrale vonnissen over de aanhangige juridische procedures.
Bent u bereid de Kamer vertrouwelijk te briefen over de inhoud, status en betekenis van de IMG-presentatie en van eventuele onderliggende of vergelijkbare analyses, nu u in eerdere beantwoording aangaf bereid te zijn tot een vertrouwelijke technische briefing?
Zoals ik in vraag 3 heb aangegeven is de presentatie van het IMG niet openbaar, omdat het valt onder het verschoningsrecht, en beschik ik daar niet over. Ook in een vertrouwelijke briefing kan ik dan ook niet ingaan op de inhoud van deze presentatie.
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer expliciet te verzoeken in haar onderzoek ook aandacht te besteden aan de vraag in hoeverre het huidige schadebeleid leidt tot niet-verhaalbare lasten voor de Staat en tot welke budgettaire risico’s dat kan leiden?
Uit de TwG volgt welke kosten bij NAM in rekening moeten worden gebracht. Per heffingsbesluit wordt beoordeeld en toegelicht of de kosten die zijn gemaakt in het kader van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie op basis van de TwG kunnen worden geheven. De heffingsbesluiten zijn bestuursrechtelijke besluiten. Aangezien het hier gaat over juridische interpretaties die momenteel voor liggen bij de bestuursrechter vind ik het niet opportuun om de Algemene Rekenkamer te verzoeken aandacht te schenken aan het onderscheid tussen verhaalbare en niet-verhaalbare kosten op NAM.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk vóór 12 juni 2026, zodat de Kamer vóór de aangekondigde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland daarover kan beschikken?
Ja.
Bent u bekend met de voorgenomen overname van Solvinity Group B.V. door Kyndryl Netherlands B.V., de rol van Solvinity als leverancier van het platform waarop DigiD draait, en de eerdere beantwoording van Kamervragen over deze casus?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunnen de Verenigde Staten volgens u gezien worden als een bondgenoot? Zo nee, waarom niet?
Ja, de Verenigde Staten zijn een belangrijke bondgenoot van Nederland, zoals ik ook tijdens het vragenuur op dinsdag 26 mei heb benadrukt: «de Verenigde Staten zijn een belangrijke NAVO-partner, handelspartner en bondgenoot».
Acht u het waarschijnlijk dat een NAVO-bondgenoot als de Verenigde Staten doelbewust DigiD of vergelijkbare Nederlandse kritieke digitale overheidsinfrastructuur zou uitschakelen? Graag een onderbouwing op basis van dreiging, intentie, capaciteit, precedent en diplomatieke consequenties.
Het kabinet hecht grote waarde aan de aanwezigheid van buitenlandse, waaronder nadrukkelijk ook Amerikaanse, technologiebedrijven. Het kabinet waardeert hun bijdrage aan de Nederlandse economie en digitale infrastructuur.
Een afhankelijkheid van informatie en diensten uit derde landen, ongeacht welk land het is en of het een NAVO-bondgenoot is, kan onzekerheden met zich meebrengen. Dit blijkt ook uit het Cybersecuritybeeld Nederland Nederland 20251. Het is vervolgens aan de overheid om op een objectieve, risicogebaseerde, landenneutrale en proportionele manier risico’s te wegen. De gevraagde onderbouwing kan niet als generiek standpunt aangeleverd worden. Daarvoor is dit te situationeel afhankelijk en kan het alleen op case-by-case basis worden ingeschat.
Ieder departement is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van haar digitale overheidsinfrastructuur en het afwegen van de risico’s van de verschillende schakels binnen die infrastructuur.
Acht u een dergelijk scenario realistisch, of gaat het primair om een theoretische mogelijkheid die in de risicoanalyse wel moet worden meegenomen, maar niet gelijkgesteld mag worden aan een waarschijnlijke dreiging? Graag een expliciet onderscheid tussen «mogelijk», «aannemelijk», «waarschijnlijk» en «urgent».
Zie antwoord op vraag 3.
Kunt u per juridisch instrument, CLOUD Act, FISA Section 702, Executive Order 12333 en eventuele andere relevante Amerikaanse bevoegdheden, uiteenzetten wat de wettelijke grondslag is, welke autoriteit bevoegd is, welk type gegevens kan worden gevorderd of verzameld, welke rechterlijke toetsing plaatsvindt, of kennisgeving aan de betrokkene, Logius of de Nederlandse Staat verplicht, verboden of beperkt kan zijn en hoe dit zich verhoudt tot de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), verwerkersovereenkomsten en contractuele geheimhoudingsplichten?
De CLOUD Act is een amendement op de Stored Communications Act (SCA). De CLOUD Act maakt het mogelijk voor Amerikaanse autoriteiten om ten behoeve van wetshandhavingsdoeleinden toegang te verkrijgen tot elektronische communicatie en daaraan gerelateerde gegevens. Bevoegde autoriteiten die een verzoek kunnen indienen zijn bijvoorbeeld de FBI en het Department of Justice. De CLOUD Act kan worden ingezet voor het opvragen van elektronische gegevens in het kader van strafrechtelijk onderzoek en vervolging. Het gaat daarbij in beginsel om de opsporing en vervolging van zware criminaliteit, zoals terrorisme of drugshandel.
Op grond van de CLOUD Act kunnen ondernemingen die onder de Amerikaanse rechtsmacht vallen verplicht worden gegevens te verstrekken, ook wanneer deze gegevens zich (op servers) buiten de Verenigde Staten bevinden. Daarbij is bepalend of de onderneming «possession, custody or control» heeft over de gegevens. Het gaat hierbij onder meer om aanbieders van elektronische communicatie- en clouddiensten.
Voor verzoeken die betrekking hebben op de inhoud van elektronische communicatie of bestanden is in beginsel toestemming van een Amerikaanse rechter vereist. Voor bepaalde verzoeken tot verstrekking van metadata, zoals gegevens over gebruikers of toegangsgegevens, kan onder omstandigheden geen voorafgaande rechterlijke toestemming vereist zijn.
Een dienstverlener die een bevel tot gegevensverstrekking ontvangt, hoeft daaraan niet mee te werken indien de gegevens versleuteld zijn en de dienstverlener niet beschikt over de encryptiesleutel. De CLOUD Act verplicht ondernemingen namelijk niet om gegevens te ontsleutelen. Indien een onderneming feitelijk geen toegang heeft tot de gegevens vanwege encryptie, bestaat in beginsel dus ook geen verplichting om deze gegevens te verstrekken.
Daarnaast kan een dienstverlener de rechter verzoeken het bevel te vernietigen of te wijzigen, bijvoorbeeld wanneer de naleving daarvan strijd oplevert met de wetgeving van het land waar de gegevens zich bevinden of indien de persoon op wie het verzoek betrekking heeft geen Amerikaans staatsburger is.
FISA Section 702 is in 2008 ingevoerd en maakt onderdeel uit van de Foreign Intelligence Surveillance Act 1978. FISA Section 702 maakt het Amerikaanse inlichtingendiensten, zoals de NSA, CIA en FBI, mogelijk zonder gerechtelijk bevel informatie te verzamelen over niet-Amerikaanse staatsburgers waarvan wordt aangenomen dat zij zich buiten de Verenigde Staten bevinden en die mogelijk betrokken zijn bij terrorisme, spionage, massavernietigingswapens, beïnvloedingsactiviteiten in opdracht van een vijandige buitenlandse mogendheid of cybercriminaliteit. Kennisgeving aan de betrokkene is geen vereiste.
Onder het toepassingsbereik van deze wetgeving vallen alle Amerikaanse entiteiten die toegang hebben tot apparaten waarop communicatie wordt opgeslagen of via welke communicatie wordt verzonden, zoals telecommunicatiebedrijven, internet- en e-maildienstverleners, aanbieders van remote computing services. Zij kunnen worden verplicht toegang te geven tot gegevens, zoals e-mails, elektronische berichten en bestanden. Het kan zowel om de inhoud als metadata gaan.
Executive Order 12333 heeft het meest verstrekkende bereik. Deze regelgeving maakt het mogelijk dat Amerikaanse inlichtingendiensten buitenlandse inlichtingen verzamelen. Daarvoor is geen toestemming van een rechter vereist, mits het gaat om gegevens van niet-Amerikaanse personen. De regelgeving is primair gericht op buitenlandse inlichtingenvergaring ten behoeve van de nationale veiligheid van de Verenigde Staten.
Op grond van Executive Order 12333 kunnen Amerikaanse inlichtingendiensten buitenlandse inlichtingen verzamelen via uiteenlopende middelen, waaronder interceptie van communicatie, radiosignalen en andere elektromagnetische communicatie, maar ook via satellieten, camerasystemen, menselijke bronnen en samenwerking met buitenlandse inlichtingendiensten. Vereist is echter wel dat de verzamelde informatie uitsluitend voor rechtmatige doeleinden onder Amerikaanse wetgeving wordt gebruikt.
Kyndryl Inc. valt als Amerikaanse onderneming binnen het bereik van de bovengenoemde wetten. Kyndryl rapporteert periodiek hoeveel verzoeken om inlichtingen zij heeft ontvangen.2
Kyndryl’s US zeggenschap over haar buitenlandse dochters, Kyndryl Nederland B.V. en eventueel overgenomen partijen, heeft tot gevolg dat deze ook binnen het bereik vallen van de bovengenoemde wetten.
De verstrekking van persoonsgegevens door Nederlandse dochter(s) op basis van een bevel van een Amerikaanse rechter kan in strijd zijn met de AVG. Daarnaast houdt de Nederlandse dochter zich in dat geval ook niet aan de overeenkomst, inclusief de verwerkingsovereenkomst, met de Nederlandse opdrachtgever.
Kyndryl US heeft wel juridische mogelijkheden om zich te verzetten tegen verzoeken tot verstrekking van persoonsgegevens die worden beheerd door haar Nederlandse dochter(s) op grond van het feit dat voldoen aan een dergelijk verzoek in strijd is met de AVG en de gemaakte contractuele afspraken (o.a. in de verwerkersovereenkomst). Daarover moet de Amerikaanse rechter zich dan uitlaten.
Kunt u expliciet onderscheid maken tussen toegang tot gegevens enerzijds en operationele zeggenschap over systemen anderzijds? Klopt het dat wetgeving zoals de CLOUD Act primair ziet op toegang tot elektronische gegevens en niet zonder meer op het met «één druk op de knop» uitschakelen van infrastructuur?
Ja, dat klopt. De Amerikaanse wetgeving als bedoeld bij vraag 5 heeft betrekking op het verzamelen van bewijs c.q. inlichtingen. Deze wetgeving maakt het niet mogelijk om een opdracht te geven tot uitschakeling van infrastructuur.
De Amerikaanse overheid kan sancties tegen personen, organisaties of landen uitvaardigen, waarna Amerikaanse bedrijven de dienstverlening moeten staken. Dat gebeurt echter niet op grond van de bovengenoemde wetgeving.
Hoe verhoudt de stelling dat Solvinity in beginsel geen toegang heeft tot burgerservicenummers, adres en telefoonnummer van DigiD-gebruikers zich tot de eerdere kabinetsuitspraak dat Amerikaanse autoriteiten «in theorie» toegang kunnen krijgen tot gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt?
Medewerkers van Solvinity hebben bij het uitvoeren van reguliere beheerwerkzaamheden geen toegang tot de database waarin gegevens van burgers en gegevens over waar burgers inloggen staan opgeslagen. Dit sluit niet uit dat medewerkers toegang kunnen krijgen tot deze databases. Het zal hierbij dan gaan om (on)geautoriseerde toegang. Mogelijk is daarmee de medewerker strafbaar.
Bent u van mening dat er momenteel geen gelijkwaardige technologieën zijn op Nationaal/Europees gebied? Zo ja, bent u dan van mening dat hierdoor de continuiteit van de dienstverlening juist onder druk komt te staan?
Het kabinet is van mening dat er momenteel wel gelijkwaardige technologieën zijn van Nederlandse en Europese aanbieders. In een Kamerbrief in reactie op de motie van het lid Koekkoek (Volt) over «in EU verband pleiten voor versnelde investeringen in Europese cloudalternatieven en digitale infrastructuur» heeft het kabinet de Kamer vorig jaar geïnformeerd dat er kwalitatief hoogwaardige Europese clouddiensten op de markt beschikbaar zijn.
Specifiek ten aanzien van de dienstverlening die door de Rijksoverheid bij Solvinity wordt afgenomen, concludeerde de ACM in haar concentratiebesluit dat er ook na een eventuele overname voldoende concurrentie over zou blijven. Uit het onderzoek blijkt dat afnemers uit de publieke sector op het moment van een (her)aanbesteding voldoende keuze houden uit andere IT-dienstverleners die soortgelijke diensten leveren, waaronder zowel Nederlandse als Europese aanbieders.
Wel kan het versneld onderbrengen van de dienstverlening van Solvinity bij een andere beheerorganisatie leiden tot risico’s. In het geval van Logius geldt een overdrachtsperiode van 6 tot 12 maanden wanneer de dienstverlening die Solvinity levert, ondergebracht wordt bij een andere beheerorganisatie. Deze periode is nodig om een andere beheerorganisatie kennis en ervaring te laten opdoen met het beheer van het platform om zo de continuïteit en veiligheid van DigiD en andere voorzieningen te garanderen. Deze overdrachtsperiode kan pas ingaan wanneer een nieuwe contractant is geworven.
Kunt u reflecteren op de gehele Amerikaanse verwevenheid met technologie, zoals de hardware waar de applicaties van Solvinity op draait, de datacenters en eveneens de zeekabels? Zijn deze componenten/diensten ook in handen van Amerikaanse bedrijven? Bent u het daarom eens met de mening dat het nationaliseren van Solvinity geen enkel effect heeft op deze risico’s, gezien de verwevenheid in de keten?
Het kabinet ziet dat de EU erg afhankelijk is geworden van een klein aantal niet-Europese tech-aanbieders, waarbij het kabinet de bijdragen van deze aanbieders aan de Europese en Nederlandse economie waardeert en in algemene zin openstaat voor zakendoen met buitenlandse partijen. Afhankelijkheden kunnen echter ook risico’s met zich meedragen, bijvoorbeeld als er geen alternatieven beschikbaar zijn of er risico’s zijn voor ongewenste toegang tot data. Voor risicovolle strategische afhankelijkheden zet het kabinet in op mitigatie van de risico’s, bijvoorbeeld door het versterken van de Europese markt.
De gevolgen van voortzetting van het huidige eigenaarschap en andere scenario’s zijn onderdeel van de analyses die vallen binnen het TFEV-onderzoek van deze casus.
Welke concrete risico’s bestaan er momenteel volgens u op het gebied van het opvragen van data, inzage in data en het (eenzijdig) stopzetten van dienstverlening, en van welke vormen van dienstverlening maakt de overheid op dit moment gebruik bij niet-Nederlandse of niet-Europese partijen?
Er wordt niet centraal bijgehouden welke overheidsorganisaties gebruik maken van diensten van niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers.
De Nederlandse overheid wil haar digitale autonomie en digitale soevereiniteit versterken om publieke waarden, veiligheid en continuïteit te waarborgen. Het onderbrengen van data bij niet-Nederlandse of niet-Europese leveranciers, kan in specifieke gevallen strategische, juridische en geopolitieke risico’s met zich meebrengen. Daarom kiest de overheid voor een risicogebaseerde, strategisch gecoördineerde aanpak.3
Welke aanvullende (theoretische) risico’s zouden volgens u kunnen ontstaan op deze punten als gevolg van de beoogde overname van Solvinity door Kyndryl?
Ik kan in deze openbare beantwoording niet ingaan op risico’s die er mogelijk zouden kunnen zijn ten aanzien van gegevensvergaring en stopzetting van dienstverlening. Ik verwijs u door naar de vertrouwelijke technische briefing van BTI. Inmiddels heeft de Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit het besluit genomen om de overname te verbieden.
Kunt u allen de voorgaande vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van diverse schoolbesturen in het land om op korte termijn een kleine school te gaan sluiten?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u aangeven hoeveel situaties bij u bekend zijn van kleine scholen die per schooljaar 2026–2027 gaan sluiten?
Voor kleine scholen die drie aaneengesloten jaren een leerlingenaantal hebben dat onder de gemeentelijke opheffingsnorm zit en die geen beroep kunnen doen op een van de uitzonderingsgronden, stopt de bekostiging. De meeste van deze scholen moeten dan fuseren of sluiten. Er zijn ook schoolbesturen die kleine scholen uit eigen beweging fuseren of sluiten. Bijvoorbeeld omdat de kwaliteit van het onderwijs op deze scholen onder druk staat, of omdat de scholen kampen met personeelstekorten.
Het totaal aantal scholen dat per schooljaar 2026–2027 gaat sluiten, is pas na het einde van het schooljaar 2025–2026 bekend. Ieder jaar peilt DUO op 1 oktober hoeveel scholen er het afgelopen schooljaar gesloten zijn. In december wordt het overzicht openbaar gemaakt. In de overzichten is te zien dat in de afgelopen vijf jaar telkens tussen de 45 en 65 basisscholen per schooljaar gesloten zijn.2
Deelt u de constatering dat de aanwezigheid van de school van groot belang is voor de vitaliteit van de lokale gemeenschap en dat met het al dan niet voortbestaan vaak ook andere kernfuncties in de gemeenschap gemoeid zijn?
Zie antwoord op vraag 4.
Welke inspanning levert u in het kader van de inzet voor vitale regio’s en de leefbaarheid van het platteland om zoveel mogelijk te voorkomen dat scholen sluiten? Bent u bereid om met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de PO-Raad te overleggen hoe het voortbestaan van kleine scholen door beleid en wetgeving extra ondersteund kan worden?
Ik deel de constatering dat de aanwezigheid van een school in de omgeving van belang is voor de leefbaarheid van de lokale gemeenschap. Het sturen op een bereikbaar scholenaanbod is dan ook een van de uitgangspunten van de voorgenomen stelselherziening in het primair onderwijs. Hierover is uw Kamer vorig jaar zomer voor het laatst per brief geïnformeerd en hierover zal ik uw Kamer deze zomer nader over informeren.
Dit kabinet wil het stelsel herzien omdat het grote aantal te kleine scholen extra druk legt op de tekorten in onderwijspersoneel en onderwijshuisvesting, zeker in de stedelijke context. Één doel van de stelselherziening is om het zogenoemde scholenlandschap toekomstbestendig te maken. Met het oog op het belang van leefbaarheid en bereikbaarheid, stelt dit kabinet een uitzonderingsgrond voor waarmee de laatste school in de omgeving kan worden behouden. Onderdeel van de voorgenomen stelselwijziging is het omvormen van de huidige kleinescholentoeslag naar een dunbevolktheidstoeslag, waarmee kleine scholen in de regio extra ondersteund worden.
Bij het uitwerken van de genoemde voornemens betrekt mijn ministerie alle relevante partners, waaronder ook de VNG en de PO-raad.
Vindt u het acceptabel dat besturen een voornemen tot sluiting slechts enkele maanden voor de zomervakantie bekendmaken? Welke wettelijke waarborgen zijn er om te waarborgen dat sprake is van een redelijke termijn en in hoeverre zijn extra waarborgen nodig, bijvoorbeeld in de regeling van termijnen voor de medezeggenschap?
Ieder schoolbestuur heeft de plicht om de kwaliteit van het onderwijs aan haar leerlingen te waarborgen. Dit geeft een schoolbestuur bepaalde verantwoordelijkheden in geval van een schoolsluiting. Het schoolbestuur moet ervoor zorgen dat leerlingen hun onderwijs zonder onderbreking kunnen voortzetten en dat de overgang naar een nieuwe school dus goed moet worden begeleid. Dat vraagt van het bevoegd gezag dat ze het voornemen tot sluiting tijdig bekend maken. In de wet bestaat hiervoor geen vaste termijn. De acute noodzaak en reden kan immers ook van geval tot geval verschillen.
Behalve de zorgplicht die schoolbesturen hebben ten aanzien van hun leerlingen, staan in de Wet medezeggenschap op scholen (hierna: WMS) de rechten van de medezeggenschapsraad (hierna: MR) bij een voorgenomen sluiting. Zo heeft een MR adviesbevoegdheid bij een (voorgenomen) sluiting van een school (artikel 11 lid 1 WMS). Het bevoegd gezag moet de MR tijdig voorzien van informatie over de voorgenomen sluiting zodat de MR voldoende tijd heeft advies uit te brengen.
Wat vindt u ervan dat de berekening van de verwachte leerlingengroei zodanig ingewikkeld is dat deze zelfs voor de rechter moeilijk vast te stellen valt?2 Welke mogelijkheden tot verduidelijking ziet u ten dienste van de praktijk in gemeenten?
De berekening van de verwachte leerlingengroei is van veel verschillende factoren afhankelijk. Alleen bij het stichten van een school speelt de verwachte leerlingengroei een formele rol. Bij de stichtingsaanvraag moet een schoolbestuur namelijk aantonen dat de nieuwe school in het 11e jaar na aanvraag op voldoende leerlingen kan rekenen. Hiervoor wordt door het schoolbestuur een belangstellingsmeting uitgevoerd waar ook de prognose van het aantal leerlingen in het voedingsgebied in het 11e jaar na aanvraag mee wordt genomen.
Op de website van DUO staat meer informatie over deze belangstellingsmeting. Voor de prognose wordt gekeken naar data die in de eerste plaats door de betrokken gemeente zelf zijn aangeleverd bij het CBS. Mij is niet bekend dat gemeenten bij het verzamelen van deze data tegen onduidelijkheden aanlopen, daarom zie ik onvoldoende reden om gemeenten nader te ondersteunen.
In de artikelen waarnaar de vraagstellers verwijzen, staat een voorgenomen schoolsluiting centraal. Schoolbesturen kunnen er in zo’n geval voor kiezen om de verwachte leerlingengroei in kaart te brengen om op basis daarvan te bepalen of zij hun school voldoende toekomstbestendig vinden.
Onderkent u dat de bouw van nieuwe woningen een wezenlijke factor kan zijn die het voortbestaan van een school mogelijk zou kunnen maken indien een of enkele jaren extra respijt zou bestaan in de berekening? Bent u bereid te verkennen hoe hiermee, mogelijk op vergelijkbare wijze als bij de discretionaire bevoegdheid voor scholen onder de 23 leerlingen, beter rekening gehouden kan worden gelet op de woningbouwopgave die op veel plaatsen in het land aan de orde is?
Voor een school stopt de bekostiging pas als het leerlingenaantal zich drie jaar op rij onder de gemeentelijke opheffingsnorm bevindt. Dit belangrijke uitgangspunt wil ik graag behouden, ook in een toekomstig stelsel. Deze drie jaar zijn namelijk bedoeld om schommeling van leerlingenaantal op te vangen en te voorkomen dat scholen onnodig moeten sluiten. Het is niet ondenkbaar dat zo’n school na nog een aantal extra jaren toch weer boven de gemeentelijke opheffingsnorm zou kunnen komen, bijvoorbeeld door de bouw van nieuwe woningen. Dit is echter te onzeker. Zowel het sturen op een bereikbaar scholenaanbod als het sturen op kwalitatief goed onderwijs in relatie tot een doelmatige verdeling van mensen en middelen zijn belangrijke uitgangspunten bij het vormen van beleid.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe beleid en wetgeving nieuwe rechtspersonen die een kleine school willen overnemen beter kunnen ondersteunen indien dat initiatief voldoende kansrijk is? Op welke wijze kan hierbij gebruik gemaakt worden van eerdere ervaringen, zoals de overname van de basisschool in Griendtsveen?
De rechtspersoon waaronder een school valt, mag de school overdragen naar een nieuwe rechtspersoon. Deze zal vanaf dat moment het bevoegd gezag zijn over de school. De meest voor de hand liggende route is een bestuursoverdracht. Er is een aantal wettelijke eisen waaraan rechtspersonen in het geval van een bestuursoverdracht moeten voldoen, die als doel hebben om de kwaliteit en wenselijkheid van de overdracht te waarborgen. Ik heb op dit moment onvoldoende reden om aan te nemen dat deze wettelijke eisen een kansrijke overdracht in de weg staan. Wel ben ik bereid om in de vorm van een handreiking lokale initiatieven die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen. Hiermee geef ik uitvoering aan de motie Oostenbrink naar aanleiding van de heropening van de Driessenschool in Grootschermer4. Deze handreiking zal ik in de loop van dit kalenderjaar met uw Kamer delen. Ook onderzoek ik hoe de samenwerking tussen schoolbesturen in algemene zin kan worden ondersteund.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «De Raad van State spreekt van een «Tirannie van het hedendaagse» en benadrukt noodzaak van langetermijnbeleid»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de belangen van toekomstige generaties vaak onvoldoende zijn gewaarborgd bij de totstandkoming van beleid?
Binnen elke politieke besluitvorming is er sprake van een belangenafweging, ook de belangen van toekomstige generaties worden hierin meegenomen.
De afgelopen periode is er een aantal verschillende acties ondernomen om ervoor te zorgen dat het belang van toekomstige generaties in de totstandkoming van beleid nog beter wordt meegenomen. Ik licht die acties hieronder toe.
Kunt u uiteenzetten hoe de belangen van toekomstige generaties momenteel worden meegewogen bij de totstandkoming van nationaal beleid?
Binnen de rijksdienst is er aandacht voor het belang van een stevige lange termijn oriëntatie in beleid en besluitvorming. De maatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat, vragen om beleid dat niet alleen inspeelt op actuele vraagstukken, maar ook rekening houdt met ontwikkelingen die zich over langere tijd voltrekken en met de gevolgen van keuzes voor toekomstige generaties. De afgelopen jaren is deze ambitie verder geconcretiseerd in verschillende instrumenten, trajecten en werkwijzen.
Een belangrijke basis daarvoor is het Beleidskompas, de verplichte werkwijze voor beleidsontwikkeling binnen de Rijksoverheid. Het Beleidskompas ondersteunt beleidsmakers bij het zorgvuldig doorlopen van de stappen van beleidsvorming, waaronder het in beeld brengen van gevolgen, alternatieven en betrokken belangen. Eind 2025 is het Beleidskompas uitgebreid met een verwijzing naar de nieuw ontwikkelde «Leidraad Toekomstgericht Beleid: Een praktische gids voor de Rijksoverheid». Deze leidraad helpt beleidsmakers om langetermijneffecten en intergenerationele impact explicieter mee te wegen in de ontwikkeling van beleid. Ter ondersteuning daarvan biedt de Toolbox Toekomstgericht Beleid2 een praktische verzameling methoden, trainingen en voorbeelden. Ik licht dit nader toe bij het antwoord op vraag 5.
Daarnaast faciliteert de WRR via het project De toekomst in beleid dat beleidsmakers meer grip kunnen krijgen op de keuzes van nu door zekerheden voor 2050 te onderzoeken. Het gaat dan over gegevenheden of ontwikkelingen waarmee ons land onherroepelijk wordt geconfronteerd. Het meest bekende voorbeeld hiervan is vergrijzing. Voor tal van beleidsterreinen heeft dit gevolgen.
Ook het SGO (Overleg van Secretarissen-Generaal) heeft deze ambitie nadrukkelijk opgepakt. In zijn laatste brief3 aan de informateur stelt het SGO dat het de komende jaren actief wil investeren in tijd en ruimte om lange termijn ontwikkelingen structureel te agenderen en te betrekken bij beleidsvorming. Het doel is dat lange termijn perspectieven niet incidenteel, maar vanzelfsprekend onderdeel zijn van beleidsontwikkeling, prioritering en besluitvorming. Mede om die reden is ABDTOPConsult gevraagd om een advies dat, in samenhang met het WRR-project, op een praktische en uitvoerbare manier helpt om deze beweging te versnellen en duurzaam te verankeren.
Daarnaast dragen Interdepartementale beleidsonderzoeken (IBO) bij aan het langetermijndenken binnen de rijksdienst. IBO’s ontwikkelen beleidsopties voor belangrijke beleidsterreinen en bieden onafhankelijke ambtelijke analyses van complexe maatschappelijke vraagstukken die vaak meerdere kabinetsperiodes overstijgen. Zo onderzoeken het IBO Vereenvoudiging sociale zekerheid en het IBO Bekostiging Elektriciteitsinfrastructuur hoe beleid toekomstbestendig kan worden ingericht. Een ander voorbeeld is het IBO Ouderenzorg «niets doen is geen optie». Hierin is beschreven dat het huidige beleid leidt tot onhoudbare situaties in de toekomst. Naast het signaleren van het probleem worden ook beleidsopties beschreven om de ouderenzorg op lange termijn houdbaar te houden.
Met deze instrumenten, analyses en opdrachten wordt beoogd het lange termijn denken steviger en structureler te verankeren in de strategische beleidsontwikkeling. Daarmee wordt ook beter geborgd dat de belangen van toekomstige generaties zichtbaar worden meegewogen bij de totstandkoming van beleid.
Kunt u uiteenzetten welke onafhankelijke instanties de Rijksoverheid momenteel adviseren over de gevolgen van beleid voor toekomstige generaties?
Nederland beschikt over onafhankelijke adviesraden die bij wet zijn ingesteld om regering en parlement gevraagd en ongevraagd te adviseren. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) heeft de wettelijke taak om de onafhankelijk, op wetenschap gebaseerd advies te geven over ontwikkelingen die de samenleving op de lange termijn kunnen beïnvloeden. Onder de Kaderwet adviescolleges vallen daarnaast diverse strategische adviesraden die onafhankelijk maar betrokken adviseren op de hoofdlijnen van beleid in het domein dat zij bestrijken, met een oriëntatie op de (middel)lange termijn.4 Dit biedt ruimte om, ongevraagd of op verzoek van regering of parlement, aandacht te besteden aan de lange termijn en de gevolgen van beleid voor toekomstige generaties. Van deze mogelijkheid wordt ook gebruik gemaakt.5
Net als de Raad van State vind ik daarnaast dat ook kennisinstellingen, de planbureaus en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) belangrijk zijn voor het ontwikkelen van toekomstgericht beleid, omdat zij (onder meer) onderzoek doen naar langetermijnopgaven Ook benoemt de Raad van State dat de diverse Hoge Colleges van Staat, waaronder de Raad zelf, de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman met rapportages en bevindingen een bijdrage leveren aan het langetermijndenken.
In hoeverre is de generatietoets zoals voorgesteld in de motie-Segers/Jetten (Kamerstuk 35 300, nr. 24) inmiddels structureel onderdeel van het beleidsproces van de Rijksoverheid?
Sinds eind 2025 verwijst het Beleidskompas, zijnde de verplichte werkwijze voor beleidsontwikkeling binnen de Rijksoverheid, naar de «Leidraad Toekomstgericht Beleid: Een praktische gids voor de Rijksoverheid». De leidraad bevat drie methoden om langetermijneffecten en intergenerationele impact mee te wegen bij beleidsontwikkeling: de Generatiescan, de «Toekomst aan Tafel» en de Generatietoets. De Generatiescan is een snelle check op mogelijke effecten voor toekomstige generaties. «De Toekomst aan Tafel» is een participatieve methodiek om de stem van toekomstige generatief actief te betrekken. De Generatietoets is een verdiepende analyse voor beleidsvoorstellen waarbij significante intergenerationele effecten te verwachten zijn, zoals grote infrastructuurprojecten, hervormingen van het pensioenstelsel of beleid met substantiële gevolgen voor de staatsschuld.
Bent u bereid het aanstellen van een Nationale ombudsman voor toekomstige generaties te verkennen?
Het uitgangspunt dat er oog moet zijn voor de lange termijn en belangen van toekomstige generaties onderschrijf ik. In juli 2025 hebben de leden Sneller (D66) en Chakor (GL-PVDA) een motie ingediend die eveneens zag op het verkennen van de mogelijkheden voor het aanstellen van een Nationale ombudsman voor toekomstige generaties. In reactie op die motie heeft het kabinet toen onder meer aangegeven dat gewerkt wordt aan een instrumentarium dat ook het belang van toekomstige generaties zou moeten borgen. Inmiddels is de «Leidraad Toekomstgericht beleid» onderdeel van het Beleidskompas geworden en daarmee in werking getreden. Ook wijs ik op de overige activiteiten die in het antwoord op vraag 3 zijn beschreven.
Hoe beoordeelt u de plannen van de Europese Commissie voor een Strategy of Intergenerational Fairness?2
Het kabinet verwelkomt de Europese inzet op intergenerationele rechtvaardigheid. De strategie is in maart 2026 officieel gepresenteerd door de Europese Commissie en heeft als doel om langetermijn denken te incorporeren in het maken van beleid in de gehele Europese Unie. De strategie is niet-bindend en legt daarmee geen wettelijke verplichting op aan de EU-lidstaten. De strategie is voorgelegd in de Raad Buitenlandse Zaken, waarin Onze Minister van Buitenlandse Zaken bijeenkomt met alle Ministers van Buitenlandse Zaken van alle EU-lidstaten.
Bent u bereid om naar aanleiding van het plan van de Commissie ook een Nederlandse intergenerationele rechtvaardigheidsstrategie te ontwikkelen?
Intergenerationele afwegingen maken al onderdeel uit van bestaande beleids- en besluitvormingsprocessen. Daarbij wordt ook gekeken naar de samenhang met lopende trajecten op het gebied van demografie, overheidsfinanciën, brede welvaart en lange termijn beleid.
Het kabinet verwelkomt de Europese strategie en ziet deze als bevestiging van de ingeslagen weg. De kern van een intergenerationele rechtvaardigheidsstrategie is voor Nederland al geborgd via de «Leidraad Toekomstgericht Beleid», verankerd in het Beleidskompas. Daarnaast wijs ik op de overige activiteiten die in het antwoord op vraag 3 zijn beschreven. Voorts zijn langjarige beleidsprogramma’s ook voorbeelden van nationale activiteiten die het belang van toekomstige generaties meewegen. Het Nationaal Deltaprogramma bijvoorbeeld legt vast hoe de overheid Nederland nu en in de toekomst beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoet water en werkt aan een klimaatbestendige inrichting van het land. Het Programma Energiehoofdstructuur brengt in kaart welke nationale energie-infrastructuur richting 2050 nodig is en waar die kan worden gerealiseerd.
Op het gebied van langdurige zorg komt het toekomstgerichte perspectief ook terug. Eerder is met veel partijen binnen het programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO) gewerkt aan de langjarige houdbaarheid en kwaliteit van wonen, ondersteuning en zorg die aansluit bij de voorkeuren van ouderen zelf. Dit programma is opgevolgd door het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO). Het Beleidskompas was de centrale werkwijze van dit akkoord waardoor ook ouderen en hun netwerk zijn betrokken. Hieruit zijn voor de lange termijn rode draden geformuleerd die leidend zijn voor de toekomst van de ouderenzorg. Daarnaast laat het kabinet het RIVM onderzoek doen naar de lange termijn vraagontwikkeling in de ouderenzorg.7
De voorstellen van de Commissie kunnen bijdragen aan verdere reflectie op de wijze waarop toekomstige generaties structureel worden meegenomen in beleid. Het kabinet zal bezien welke lessen en aanknopingspunten uit het Europese traject relevant zijn voor de Nederlandse context en hoe deze kunnen aansluiten bij bestaande nationale instrumenten en beleidsprocessen.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De uitkomsten van de Hongaarse parlementsverkiezingen |
|
Felix Klos (D66), Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Pieter Heerma (CDA), Rob Jetten (D66), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Wat gaat u doen om het nieuwste sanctiepakket tegen Rusland, dat door Hongarije tot op heden werd geblokkeerd, zo spoedig mogelijk aangenomen te krijgen?
De Unie bereikte op 23 april jl. een akkoord over het twintigste sanctiepakket. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in het verslag van de informele Europese Raad van 23 en 24 april jl.1 De inspanningen van het kabinet zijn er nu op gericht de druk op Rusland nog verder te verhogen met aanvullende sancties. Het kabinet heeft het belang hiervan ook benadrukt in contacten met de inkomende Hongaarse regering.
Wat gaat u doen om de circa € 90 miljard aan Europese steun voor Oekraïne, die tot op heden door Hongarije werd geblokkeerd, zo snel mogelijk op Europees niveau goedgekeurd te krijgen?
Op 23 april jl. bereikte de Raad akkoord op de benodigde amendering van de MFK-verordening. Hiermee is niet langer sprake van een blokkade. Op dit moment werken de deelnemende EU-lidstaten aan de verdere implementatie van de steunlening.
Wat gaat u doen om het toetredingsproces van Oekraïne, inclusief het openen van de onderhandelingsclusters die door Hongarije werden geblokkeerd, zo spoedig mogelijk te laten hervatten?
Beoogd premier Magyar heeft aangegeven dat kandidaat-lidstaten moeten kunnen toetreden tot de EU als ze daar klaar voor zijn. Dat is een belangrijk signaal. Het kabinet hoopt op een constructieve houding van Hongarije in het op merites gebaseerde toetredingstraject van Oekraïne. Het openen van Cluster 1 vormt hierin de eerstvolgende stap. Het kabinet roept hier ook toe op en zal deze boodschap ook bilateraal onder de aandacht brengen van de nieuwe Hongaarse regering. Naar verwachting zal discussie hierover plaatsvinden in Brussel in aanloop naar de Europese Raad op 18-19 juni a.s.
Aan welke voorwaarden moet Hongarije volgens het kabinet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de eerder bevroren Europese middelen? Welke resultaten moeten er worden geboekt? En hoe voorkomt het kabinet dat de Commissie bevroren tegoeden uitkeert voordat het een transparante evaluatie heeft uitgevoerd van bereikte mijlpalen?
De voorwaarden waaraan Hongarije moet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de geblokkeerde EU-middelen liggen op het terrein van anti-corruptie, belangenverstrengeling en rechterlijke onafhankelijkheid en zijn opgenomen als supermijlpalen in het RRF-uitvoeringsbesluit, als corrigerende maatregelen in het uitvoeringsbesluit voor maatregelen tegen Hongarije op grond van de MFK-rechtsstaatsverordening, en als horizontale en thematische randvoorwaarden in de Common Provisions Regulation.2 In lijn met de moties van Lanschot c.s. en Sjoerdsma c.s. pleit het kabinet er voor dat Hongarije deze hervormingen doorvoert voordat de geblokkeerde EU-middelen worden vrijgegeven.3
Overwegende dat er hoop is dat de afbrokkelende rechtsstaat in Hongarije door een nieuwe regering wordt hersteld, welke mogelijkheden ziet u om kennis en ervaring te delen, dan wel op andere wijze Hongarije te ondersteunen bij het herstellen van de rechtsstaat?
Het kabinet zal de nieuwe regering waar mogelijk bij deze hervormingen helpen, afhankelijk van de behoefte, bijvoorbeeld via het delen van kennis en expertise of ondersteuning van het maatschappelijk middenveld. Dit aanbod is in de eerste contacten met de beoogd Minister van Buitenlandse Zaken Anita Orbán al overgebracht.
Zijn er concrete mogelijkheden voor de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie en Veiligheid om in de vorm van expertise bij te dragen aan dit proces? Bent u bereid om op Europees niveau een voortrekkersrol te spelen bij het ondersteunen van het herstel van de Hongaarse rechtsstaat?
Ja. Nederland is bereid om, op verzoek en binnen EU-kader, expertise beschikbaar te stellen ter ondersteuning van rechtsstaathervormingen in Hongarije. Daarbij kan worden voortgebouwd op de wijze waarop eerder in EU-verband dialoog en uitwisseling met Polen hebben plaatsgevonden, onder meer via het delen van best practices en peer-to-peer samenwerking. Ondersteuning zou plaatsvinden in nauwe afstemming met Hongarije, de Europese Commissie en andere lidstaten.
Welke mogelijkheden ziet u om met een nieuwe Hongaarse regering stappen te zetten in de opvolging van de motie-Klos, die oproept tot het afschaffen van veto’s in het gemeenschappelijk buitenland- en defensiebeleid van de Europese Unie?
In lijn met motie Klos zet het kabinet zich in voor het afschaffen van veto’s in het Gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie. Dit is belangrijk voor de slagvaardigheid van de EU. Nederland maakt zich hier hard voor in EU verband. Het is nog onduidelijk wat de opstelling van de inkomende Hongaarse regering zal zijn op dit onderwerp. Verschillende lidstaten hebben echter principiële bezwaren tegen het afschaffen van veto’s, waardoor de inzet op het afschaffen van veto’s in het GBVB een kwestie van lange adem zal blijven. Nederland is nu eerst in gesprek met andere lidstaten over hoe we het beste dit doel kunnen bereiken. Daarbij is het ook van belang om dit onderwerp te zien in de bredere discussie over hoe effectiviteit van het EU-buitenlandbeleid kan worden vergroot.
Welke mogelijkheden ziet u om op andere dossiers doorbraken te realiseren na het aantreden van een pro-Europese regering in Hongarije?
Cf. motie Van Lanschot c.s.4 zal het kabinet zich er bij de Commissie voor inzetten dat Hongarije de rechtsstaat herstelt, zich opnieuw in lijn brengt met gedeelde waarden en het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zoals steun aan Oekraïne en sancties tegen Rusland, en de hervormingen doorvoert om te voldoen aan de voorwaarden voor Europese financiering. Beoogd premier Maygar heeft in zijn overwinningsspeech benadrukt een sterke bondgenoot voor de EU en NAVO te willen zijn. Op basis van eerste mediaoptredens van Magyar en de eerste contacten, is het kabinet hoopvol over een constructieve koers van Hongarije binnen de EU. Het kabinet kijkt uit naar samenwerking met de nieuwe regering.
In dat kader wordt ook gewerkt aan spoedige bilaterale contacten. Zo wordt gestreefd naar een ontmoeting met de beoogd Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken, Anita Orbán, en marge van de informele NAVO-ministeriële bijeenkomst in Helsingborg, Zweden, op 21-22 mei aanstaande. Tevens wordt ingezet op een bezoek aan Boedapest op ministerieel niveau op korte termijn.
Bent u bekend met het pleidooi voor een Europees «re-democratiseringsplan» voor Hongarije, waarin wordt voorgesteld dat de Europese Unie actief bijdraagt aan institutionele wederopbouw door democratische hervormingen structureel te ondersteunen en lidmaatschapsrechten sterker te koppelen aan het functioneren van democratische instituties, en bent u bereid zich op Europees niveau in te zetten voor de ontwikkeling en implementatie van een dergelijk plan? Zo ja, op welke wijze en met welke concrete voorstellen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met dit pleidooi. Democratie is een kernwaarde van de Europese Unie. Het is in de eerste plaats aan lidstaten zelf om de democratie vorm te geven. Initiatieven van de Commissie kunnen daar ondersteunend aan zijn. Het kabinet onderschrijft het belang van dergelijke initiatieven die democratische instellingen binnen lidstaten versterken. Zoals blijkt uit antwoord op vraag 5 en 6 is Nederland bereid om bij te dragen aan benodigde democratische hervormingen in Hongarije daar waar dat toegevoegde waarde heeft.
Onterechte parkeerboetes door scanauto’s |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat scanauto’s jaarlijks honderdduizenden onterechte parkeerboetes opleggen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat naar schatting circa een half miljoen parkeerboetes per jaar onterecht wordt opgelegd en deelt u de opvatting dat dit aantal wijst op een structureel probleem in de wijze waarop gemeenten scanauto’s en geautomatiseerde handhaving inzetten? Zo nee, waarom niet?
Het is natuurlijk nooit goed als naheffingen onterecht worden opgelegd. Dit betreft echter in de eerste plaats een vraagstuk voor het lokaal bestuur. Of er parkeerbelasting wordt geheven, hoe hoog die parkeerbelasting is en op welke wijze wordt gecontroleerd of deze wordt betaald is aan het gemeentebestuur zelf gelaten.
Welke eisen gelden er momenteel voor de inzet van geautomatiseerde systemen en algoritmes bij handhaving door gemeenten en in hoeverre wordt vooraf en achteraf gecontroleerd of deze systemen correct functioneren en geen onterechte besluiten genereren?
Bij het gebruik van scanauto’s voor handhavingsdoeleinden kan er in gevallen sprake zijn van verwerking van persoonsgegevens, in die gevallen is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing. Op grond van de AVG is in bepaalde situaties een beoordeling van het effect op persoonsgegevens (een DPIA) verplicht. Ook moet een gemeente een Functionaris Gegevensbescherming (FG) aanwijzen. Deze FG moet bij het uitvoeren van een DPIA adviseren. Daarnaast is het op grond van de AVG in principe niet toegestaan om volledig geautomatiseerde besluiten te nemen. Uit het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), waar het aangehaalde nieuwsbericht naar verwijst, blijkt dat de onderzochte gemeenten de resultaten van de scanauto’s door een mens laten controleren.
Wanneer er sprake is van het gebruik van Artificiële Intelligentie (AI) bij handhaving door gemeenten, is de AI-verordening van toepassing. Welke regels uit de AI-verordening van toepassing zijn is afhankelijk van de risicoclassificatie van het AI-systeem. Zo bepalen de regels dat bij reguliere AI-systemen die bij handhaving worden gebruikt door gemeenten, gebruikers van het systeem onder meer voldoende op de hoogte moeten zijn van de risico’s van AI («AI-geletterdheid»).
Tot slot kan ik wijzen op de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb verplicht overheidsorganisaties besluiten zorgvuldig voor te bereiden en te voorzien van een deugdelijke motivering.
Overheidsorganisaties die geautomatiseerde systemen en algoritmes inzetten in hun processen, zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit hiervan. Interne processen moeten een zorgvuldige werking en inbedding waarborgen. De AP houdt toezicht op de naleving van de AVG. In een thans ter consultatie gepubliceerd wetsvoorstel2 wordt een structuur voor toezicht op naleving van de AI-verordening voorgesteld, waarin ook de AP een rol speelt. Rekenkamers doen onderzoek naar het handelen van gemeenten. Tot slot is het mogelijk om besluiten van bestuursorganen aan te vechten bij de bestuursrechter.
Hoe waarborgt u dat de inzet van scanauto’s niet leidt tot een situatie waarin burgers feitelijk worden geconfronteerd met een handhavingspraktijk die primair gericht is op het genereren van inkomsten, met name als er ieder jaar drie tot vijf miljoen parkeerboetes worden opgelegd? Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van de inkomsten uit parkeerboetes bij gemeenten vóór en na de invoering van scanauto’s?
Dat overzicht is mij niet bekend. De inzet van scanauto’s is als gezegd een lokale aangelegenheid waarbij het Rijk niet betrokken is. Het is mij dan ook niet bekend welke gemeenten hier gebruik van maken en dus ook niet wanneer hiertoe eventueel zou zijn overgegaan. Dat maakt een vergelijking niet mogelijk, los van de vraag of een vergelijking steun zou geven aan de vooronderstelling dat gemeenten een handhavingspraktijk zouden inrichten als verdienmodel.
Deelt u de zorg dat burgers in de praktijk vaak zelf moeten aantonen dat een boete onterecht is, terwijl de fout bij de overheid ligt? Zo nee, waarom niet?
Het vraagt soms inderdaad actie van een burger om de overheid op eigen fouten of vergissingen te wijzen. Hoewel alles er uiteraard op gericht dient te zijn dat fouten zo veel mogelijk voorkomen worden. In alle gevallen staat bezwaar open tegen een boete.
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en effectiviteit van bezwaarprocedures tegen parkeerboetes, met name voor ouderen en minder digitaal vaardige burgers? In hoeverre is het wenselijk dat bezwaarprocedures tegen dit soort boetes grotendeels geautomatiseerd verlopen?
Het is altijd mogelijk dat een burger schriftelijk bezwaar aantekent tegen een beslissing waarmee deze het niet eens is. Een digitaal proces kan dit vergemakkelijken, maar een burger kan dus ook een bezwaarschrift per post versturen. Ook beroep bij de rechter kan door natuurlijke personen schriftelijk worden ingesteld.
Deelt u de mening dat bij een dergelijk hoog foutpercentage een verplichting tot menselijke controle vooraf noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Uit het onderzoek van de AP blijkt dat de gemeenten die daaraan hebben meegewerkt, nadat geautomatiseerd is geconstateerd dat een voertuig geen parkeerrecht heeft, een mens de situatie laten beoordelen. Menselijke controle geeft dan ook niet de garantie dat er geen fouten worden gemaakt. In het rapport van de AP worden technische en organisatorische maatregelen benoemd, die kunnen bijdragen aan het tegengaan van fouten.
Welke maatregelen worden genomen om het aantal onterechte boetes substantieel terug te dringen?
Welke maatregelen het gemeentebestuur neemt om het foutpercentage te verminderen is in de eerste plaats aan het gemeentebestuur zelf.
Bent u bereid gemeenten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en hun wijze van handhaving? Zo nee, waarom niet?
Het aanspreken van gemeenten suggereert een algemene hiërarchische verhouding die er niet is. Binnen de kaders van de wet zijn gemeenten ten aanzien van de heffing van belastingen en de handhaving hiervan zelf verantwoordelijk en aanspreekbaar. Dit betreft ook geen vorm van medebewind waarin het gemeentebestuur optreedt als uitvoerder van landelijke regelingen. Binnen de autonome ruimte van het gemeentebestuur is het niet goed voorstelbaar dat ik als Minister mij bemoei met een lokale uitvoeringspraktijk, ook niet wanneer uit berichtgeving als deze blijkt dat er zorgen zijn over de wijze waarop die uitvoering uitpakt.
Kan worden uitgesloten dat burgers financieel worden benadeeld doordat zij onterecht opgelegde boetes (tijdelijk) moeten betalen of kosten moeten maken om hun gelijk te halen?
Een onterecht opgelegde naheffing is natuurlijk erg vervelend. Voor de invordering hiervan gelden regels die rekening houden met financiële gevolgen.
Deelt u de opvatting dat het vertrouwen in de overheid verder wordt geschaad wanneer burgers op grote schaal onterecht worden beboet? Zo nee, waarom niet?
Het is niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de overheid wanneer op een bepaald vraagstuk een groot foutpercentage lijkt te bestaan. Ik ga er van uit dat in gemeenten waarin dit aan de orde zou is, dit gesprek serieus wordt gevoerd. In mijn ervaring werken gemeenten continu aan het versterken van dit vertrouwen.
In hoeverre zijn er signalen dat ook andere geautomatiseerde of op algoritmes gebaseerde processen binnen gemeenten leiden tot fouten of onterechte besluiten richting burgers?
Ik heb die signalen niet.
Bent u bereid te onderzoeken of compensatie of herstelmaatregelen nodig zijn voor burgers die onterecht zijn beboet?
Wanneer een naheffing onterecht wordt opgelegd, wordt de naheffing in bezwaar of in beroep vernietigd en blijft er geen betalingsverplichting over. Eventueel eerder betaalde bedragen worden dan teruggestort.
Het bericht dat het aantal stemmen per volmacht bijzonder hoog is |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kwart van de stemmen in Ulu Moskee was volmacht: «Zwakte in systeem»»?1
Ja, ik heb in de bredere context kennisgenomen van de landelijke data-analyse van de NOS2 waar in het genoemde artikel naar wordt verwezen.
Wat is uw reactie op het feit dat bij het Bergse stemlokaal in de Ulu Moskee zelfs meer dan een kwart van de stemmen bij volmacht is uitgebracht?
In het algemeen is het zo dat een percentage van boven de vijfentwintig procent op een enkel stembureau, zoals het geval bij stemlokaal in de Ulu Moskee in Bergen op Zoom, hoog is. Tegelijkertijd kunnen er verklaarbare factoren zijn voor een hoog aantal volmachtstemmen, zoals de nabijheid van een verpleeghuis, zorginstelling of een concentratie van inwoners die minder mobiel zijn en daarom vaker gebruikmaken van een volmacht. Het is belangrijk te benadrukken dat een dergelijk percentage op zichzelf dus geen bewijs is van fraude of ronselen.
In contact met de gemeente Bergen op Zoom komt naar voren dat de gemeente heeft geconstateerd dat het percentage volmachten op dit stembureau relatief hoog was. Er zijn echter geen onregelmatigheden aangetroffen die aanleiding gaven voor verder onderzoek. Daarnaast waren er in Bergen op Zoom meer stembureaus met relatief hogere percentages volmachten. Dit komt overeen met eerdere verkiezingen, waarbij in bepaalde wijken vaker gebruik wordt gemaakt van volmachten dan in andere.
Bent u het met de mening eens dat deze ontwikkeling zorgelijk is? Zo nee, waarom niet?
Verschillen in het gebruik van volmachtstemmen zijn soms groot, maar vormen op zichzelf niet automatisch een reden tot zorg. Zoals hiervoor aangegeven zijn hogere percentages vaak te verklaren door de samenstelling van de bevolking in een bepaald gebied, zoals de aanwezigheid van ouderen of mensen in zorginstellingen.
Tegelijkertijd is het wel belangrijk om alert te blijven. Wanneer op dezelfde locaties structureel hoge percentages volmachtstemmen worden uitgebracht, is het zinvol om te begrijpen wat daar precies speelt. Dat is niet om direct te veronderstellen dat er sprake is van misbruik, maar om het functioneren van het systeem goed te blijven volgen en waar nodig te verbeteren. In de evaluatie van de verkiezingen zal hier dan ook nadrukkelijk naar worden gekeken.
Kunt u aangeven of hier sprake is van stembusfraude en het ronselen van stemmen? Zo nee, waarom niet?
Een kwalificatie als stembusfraude en het ronselen van stemmen is aan de politie en het Openbaar Ministerie (OM) om te onderzoeken en uiteindelijk aan de rechter om daarover een oordeel te vellen. Mocht er in een gemeente een vermoeden hiervan zijn, is het aan de gemeente om hier aangifte van te doen.
Kunt u uitleggen hoe deze ontwikkeling te verklaren is, aangezien sinds 1 januari de regels rond het ronselen van volmachten juist zijn aangescherpt? Zo nee, waarom niet?
Per 1 januari 2026 is de Kieswet inderdaad gewijzigd met een aanscherping van de strafbaarstelling van het ronselen van volmachten. De delictsomschrijving van ronselen is aangepast, zodat ook bij een eenmalige oproep of een oproep via sociale media vervolging mogelijk kan zijn. Daarnaast is de maximale straf verhoogd van één maand naar zes maanden gevangenisstraf.
Zoals aangegeven in de memorie van toelichting bij die wet (Kamerstuk 36 571, nr. 3) is niet de verwachting dat deze wet opeens tot een grote verhoging van het aantal vervolgingen zal leiden aangezien de omvang van ronselen van volmachten bij verkiezingen in de praktijk beperkt lijkt. Onderzoek van de Kiesraad laat zien dat hier tussen 1998 en 2015 dertien keer aangifte van is gedaan, waarna het OM onderzoek heeft ingesteld.3 Dat neemt niet weg dat het van belang is dat de delictsomschrijving van ronselen bij de tijd is gebracht en dat de strafmaat nu beter aansluit bij de ernst van de overtreding.
Een van de maatregelen om de risico’s van het onrechtmatige gebruik van volmachten te beperken is de extra inzet op voorlichting voor kiezers, gemeenten en stembureaumedewerkers. Via de website elkestemtelt.nl, sociale media en een uitlegvideo is uitgelegd hoe de volmachtprocedure werkt en dat het initiatief tot afgeven van een volmacht altijd bij de kiezer zelf moet liggen.
De casus Gorinchem betrek ik bij de evaluatie van de verkiezingen, om te beoordelen of aanvullende maatregelen nodig zijn. Daarbij geldt dat elke maatregel zorgvuldig moet worden afgewogen: beperkingen van de mogelijkheid om bij volmacht te stemmen kunnen de toegankelijkheid van de verkiezingen beïnvloeden, vooral voor kiezers die echt niet zelf naar het stemlokaal kunnen gaan. Dit belang wordt altijd meegewogen.
Bent u bereid onze democratie tegen eventuele stembusfraude te beschermen en kritisch naar deze zorgwekkende ontwikkeling te kijken en indien nodig maatregelen te treffen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
(on)mogelijkheden van burgemeesters om de overlast door personen met onbegrepen/verward gedrag aan te kunnen pakken |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «10.000 euro boete, een huisverbod, een lantaarnpaal verplaatst: Arnhem zette alles in tegen overlast Koert H.», «Wacht niet op steekpartij of brand maar laat overlastgevers afkicken, betoogt Marcouch» en kent u de brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) van 3 februari 2026?1, 2, 3
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat in bewoners, lokale handhavers, de burgemeester en wellicht nog anderen «de wanhoop nabij» waren toen nadat heel het beschikbare instrumentarium om overlast tegen te gaan gebruikt was de overlast toch niet stopte? En dat de overlast pas stopte na een ingrijpend incident? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik kan mij goed voorstellen dat vormen van overlast met zeer ernstige verschijningsvormen en gevolgen grote impact hebben op inwoners, handhavers en burgemeesters. Ik zie dat alle betrokkenen, professionals, zich vaak enorm inspannen maar dat het effect van die inspanningen in situaties niet tot het gewenste effect leidt.
Deelt u de mening van de burgemeester van Arnhem dat het te laat kan zijn als er pas in het geval acuut gevaar voor de overlastgever en zijn omgeving is er handelingsperspectief ontstaat om in te kunnen grijpen? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat burgemeesters de mogelijkheid moeten krijgen «om mensen ook al voor de fase dat gevaar acuut wordt, op te laten nemen»? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Vooropgesteld: situaties en de gevolgen van verward of onbegrepen gedrag in de samenleving zullen nooit volledig kunnen worden voorkomen. De inzet van alle betrokkenen moet er op gericht zijn om in nauwe verbinding en samenwerking overlast en calamiteiten zo veel mogelijk te voorkomen en hanteerbaar te maken.
Ik deel de mening dat er ook voor de burgemeester, vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de veiligheid en openbare orde binnen de gemeente, voldoende handelingsperspectief moet zijn om waar nodig tijdig te kunnen ingrijpen. Ik verwijs u in dit verband ook naar het coalitieakkoord «Aan de slag»4 waarin is aangekondigd meer mogelijkheden voor burgemeesters te creëren om door middel van bemoeizorg in te grijpen en meer crisisplekken te realiseren. Ik ga de komende tijd in gesprek met betrokken partijen, waaronder gemeenten over de verdere uitwerking hiervan en de vraag of burgemeesters meer bevoegdheden en handelingsperspectief nodig hebben. Voor het einde van 2026 volgt een brief met meer uitgewerkte oplossingsrichtingen en/of voorliggende keuzes.
Herkent het in de VNG-brief gestelde dat «vrijwel iedere gemeente personen met verward en onbegrepen gedrag kent, waarbij het bestuurders ontbreekt aan handelingsperspectief» waarbij gemeentebestuurders «de huidige wettelijke kaders als ontoereikend [ervaren] voor (overlastgevende) zorgmijders met complexe en multiproblematiek, die niet in aanmerking komen voor gedwongen zorg of voor een strafrechtelijk kader»? Zo ja, over welke informatie beschikt u?
Ik ken de signalen van bestuurders van gemeenten dat de huidige wettelijke kaders als ontoereikend worden ervaren voor effectief ingrijpen bij (overlastgevende) zorgmijders met complexe en multiproblematiek, waarbij de gedwongen zorgwetten nog niet van toepassing zijn. Verschillende bestuurders hebben dit verklaard en/of hier aandacht voor gevraagd. In het kader van de parlementaire verkenning Verward/onbegrepen gedrag en Veiligheid5 heeft ook uw Kamer deze conclusie getrokken en van een aanbeveling voorzien. Deze aanbeveling wordt betrokken in de verkenning van oplossingen, die het kabinet in de Kamerbrief van 11 december 20256 heeft aangekondigd.
Tegelijkertijd zijn er ook signalen dat er vanuit bestaande bevoegdheden handelingsperspectief aanwezig is, maar dat het bijvoorbeeld ontbreekt aan voldoende woon(zorg-)voorzieningen, aan adequate samenwerking en afstemming tussen de diverse domeinen (zorg, veiligheid, wonen) en aan een wettelijke grondslag voor gegevensuitwisseling voor vroegtijdige samenwerking. Het is dus van belang om het vraagstuk van handelingsperspectief en bevoegdheden van de burgemeester in deze samenhang te bezien, zoals dit ook met de brede aanpak Verward/onbegrepen gedrag wordt beoogd.
Deelt u de mening van de VNG «om de wettelijke (on)mogelijkheden en mogelijke aanvullingen op de huidige wettelijke kaders te inventariseren»? En zo ja, hoe en op welke termijn gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom acht u die inventarisatie niet nodig?
Ja, die mening deel ik. Zie mijn reactie op de vragen 3 en 4. De planning is er op gericht dat ik u rond de zomer een stand van zaken brief stuur over de voortgang van de prioriteiten van de brede aanpak. Voor het einde van 2026 volgt een brief met meer uitgewerkte oplossingsrichtingen en/of voorliggende keuzes. De vraag of burgemeesters meer bevoegdheden en handelingsperspectief dienen te krijgen, wordt hierin betrokken.
Kwetsbaarheden in het verkiezingsproces bij stemmen per volmacht |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland stemt vaak per volmacht: «Zwakte in ons verkiezingsproces»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat circa één op de tien kiezers bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen via een volmacht heeft gestemd?
Deze cijfers sluiten aan bij het gemiddelde beeld dat we bij verkiezingen zien. Ongeveer één op de tien kiezers brengt zijn stem uit via een volmacht. Ook bij de vorige verkiezingen was dit het landelijke gemiddelde.
Het gebruik van volmachten bij verkiezingen voorziet in een behoefte. Kiezers die niet zelf naar het stembureau kunnen gaan – bijvoorbeeld door ziekte of verblijf in het buitenland – krijgen zo toch de mogelijkheid om hun stem uit te brengen. Uit de evaluatie onder kiezers na de Europees Parlementsverkiezing in 2024 blijkt bovendien dat 54% van de kiezers die een volmacht hebben afgegeven, niet zou hebben gestemd als deze mogelijkheid er niet was geweest. Stemmen per volmacht heeft daarmee aantoonbare meerwaarde binnen ons verkiezingsproces: het voorkomt dat stemmen verloren gaan en levert een belangrijke bijdrage aan de opkomst bij verkiezingen.
Deelt u de zorgen van internationale waarnemers dat het grootschalige gebruik van volmachtstemmen op gespannen voet kan staan met het stemgeheim en het principe van «one man, one vote»?
Ik heb begrip voor de zorgen van internationale waarnemers dat grootschalig gebruik van volmachtstemmen op gespannen voet kan staan met het stemgeheim en tot risico’s kan leiden zoals het ronselen van volmachten. Daarbij merk ik op dat een volmachtnemer namens een andere kiezer stemt. Het is dus niet het geval dat deze volmachtnemer een zwaardere stem krijgt bij verkiezingen dan andere kiezers. Daarnaast merk ik op dat het gebruik van volmachten in Nederland een breed gedragen en geaccepteerde methode is, die bovendien bijdraagt aan de opkomst bij verkiezingen. Dankzij volmachten kunnen ook mensen die niet zelf naar het stemlokaal kunnen gaan, toch hun stem uitbrengen via een gemachtigde.
Dat neemt niet weg dat misbruik, zoals het ronselen van volmachtstemmen, zeer ernstig is. Dit ondermijnt de integriteit van het verkiezingsproces en schaadt het vertrouwen in de democratie. Juist daarom is per 1 januari de wet tot aanscherping van de strafbaarstelling van het ronselen van volmachten (Stb. 2025, 272) in werking getreden. Met deze wet is de strafmaat verhoogd en de delictsomschrijving bij de tijd gebracht.
Hoe beoordeelt u de grote regionale verschillen in het gebruik van volmachtstemmen, waarbij op sommige stembureaus tot een derde van de stemmen per volmacht wordt uitgebracht? Kunt u hierbij specifiek ingaan op de situatie in de gemeente Den Haag?
De regionale verschillen in het gebruik van volmachtstemmen zijn soms groot, maar vormen op zichzelf geen reden tot zorg. In veel gevallen zijn hogere percentages te verklaren door de samenstelling van de bevolking in een bepaald gebied. Rondom stembureaus waar relatief veel ouderen of mensen in zorginstellingen wonen, ligt het aandeel volmachtstemmen hoger. Tegelijkertijd is het belangrijk om alert te blijven. Wanneer op dezelfde locaties structureel hoge percentages voorkomen, is het zinvol om te begrijpen wat daar precies speelt. Dat is niet om direct te veronderstellen dat er sprake is van misbruik, maar om het functioneren van het systeem goed te blijven volgen en waar nodig te verbeteren. In de evaluatie van de verkiezingen zal hier dan ook nadrukkelijk naar worden gekeken.
Met de gemeente Den Haag is contact geweest over het hoge percentage volmachten bij enkele stembureaus. In dit contact komt naar voren dat de gemeente tijdens de verkiezingsdag alle stembureaus monitort en een wijkambtenaar naar een stembureau stuurt bij opvallende volmachtpercentages. Na de stemming worden alle processen-verbaal gecontroleerd op afwijkingen. Daarnaast hebben inwoners de mogelijkheid om signalen door te geven aan het centraal stembureau. De gemeente merkt hierbij op dat zij geen signalen hebben dat volmacht stemmen zijn geronseld. Dit blijkt niet uit de data-analyse, maar ook niet uit de bevindingen van wijkambtenaren die stembureaus met hoge percentages volmachten hebben bezocht. Ook in de processen-verbaal zijn geen onrechtmatigheden gevonden. Inwoners konden tot en met 24 maart meldingen doen. Er zijn geen signalen binnengekomen. Op basis van een vergelijking met afgelopen verkiezingen concludeert de gemeente dat de hoeveelheid volmachtstemmen bij die stembureaus deze verkiezing niet afwijkt van de hoeveelheid volmachten bij eerdere verkiezingen.
In hoeverre acht u het risico reëel dat kiezers onder druk worden gezet of actief gevraagd wordt om een volmacht af te geven, of dat hun stem niet conform hun wens wordt uitgebracht?
Dit risico neem ik serieus. Ronselen tast de stemvrijheid van kiezers aan en schaadt het vertrouwen in de democratie. Recent is op dit onderdeel de Kieswet aangepast: de strafmaat is verhoogd en de delictsomschrijving gemoderniseerd.
Tegelijkertijd zijn er geen aanwijzingen dat ronselen veel voorkomt in Nederland. Uit onderzoek van de Kiesraad blijkt dat er in de periode 1998–2015 dertien keer aangifte is gedaan van het ronselen van volmachten, waarna het OM een onderzoek is gestart.2 Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 is het OM in één geval tot vervolging overgegaan. Echter, iedere casus van misbruik van volmachten is ongewenst.
Kunt u aangeven welke verschillen u ziet in de risico’s van het gebruik van een schriftelijke volmacht, een onderhandse volmacht, het stemmen per post en vroegtijdig stemmen?
Geen enkele van de bovenstaande methodes is volledig risicoloos. Het is steeds een afweging tussen toegankelijkheid, uitvoerbaarheid en het borgen van de integriteit van het verkiezingsproces.
Kunt u voor de verkiezingen die in de afgelopen drie jaar plaatsgevonden hebben per type volmacht in kaart brengen in hoeverre er gebruik gemaakt is van schriftelijke of onderhandse volmachten?
Er zijn geen exacte cijfers beschikbaar per type volmacht. Alleen het totaal aantal uitgebrachte volmachtstemmen is bekend. Bij de Tweede Kamerverkiezing van 29 oktober 2025 waren dat er 991.649, bij de Europees Parlementsverkiezing van 6 juni 2024 716.963 en bij de Tweede Kamerverkiezing van 22 november 2023 zijn er 996.481 stemmen bij volmacht uitgebracht. Van de recente Gemeenteraadsverkiezingen zijn nog geen definitieve cijfers bekend.
Uit de evaluaties3 van de Europees Parlementsverkiezing4 en de Tweede Kamerverkiezing (2023) 5 komt naar voren dat respectievelijk tien en zes procent een schriftelijke volmacht hebben aangevraagd via de gemeente.
Hoe kijkt u, gezien de recente ontwikkelingen, aan tegen het advies van de staatscommissie parlementair stelsel uit 2018 om vervroegd stemmen in te voeren?
Vervroegd stemmen, waarbij kiezers bijvoorbeeld gedurende de twee dagen voorafgaand aan de dag van stemming hun stem kunnen uitbrengen, kan de behoefte aan stemmen bij volmacht verminderen. Kiezers die op verkiezingsdag verhinderd zijn, kunnen dan op een voor hen passend moment zelf naar de stembus. Er ligt een initiatiefwetsvoorstel in de Tweede Kamer dat het aantal volmachten per persoon verlaagt van twee naar één, waarbij tevens wordt voorgesteld om vervroegd stemmen in te voeren6. Het huidige kabinet heeft nog geen standpunt ingenomen over dit wetsvoorstel.
Welke stappen bent u voornemens te nemen om de risico’s van het gebruik van volmachten te ondervangen?
Ik vind het belangrijk om nogmaals te benadrukken dat er al stappen zijn gezet om de risico’s van het onrechtmatige gebruik van volmachten te beperken. Per 1 januari 2026 is de Kieswet op dit punt gewijzigd: de delictsomschrijving van ronselen is aangepast, zodat ook bij een eenmalige oproep of een oproep via sociale media vervolging mogelijk kan zijn. Daarnaast is de maximale straf verhoogd van één maand naar zes maanden gevangenisstraf.
Er is ook extra ingezet op goede voorlichting voor kiezers, gemeenten en stembureaumedewerkers. Via de website elkestemtelt.nl, sociale media en een uitlegvideo is uitgelegd hoe de volmachtprocedure werkt en dat het initiatief tot afgeven van een volmacht altijd bij de kiezer zelf moet liggen.
Aanvullend betrek ik de casus Gorinchem bij de evaluatie van de verkiezingen, om te beoordelen of aanvullende aanpassingen nodig zijn. Daarbij geldt dat elke maatregel zorgvuldig moet worden afgewogen: beperkingen van de mogelijkheid om bij volmacht te stemmen kunnen de toegankelijkheid van de verkiezingen beïnvloeden, vooral voor kiezers die echt niet zelf kunnen stemmen. Dit belang wordt altijd meegewogen.
De besteding van gemeentelijke middelen aan iftarbijeenkomsten, gepresenteerd als 'ontmoetingen' en 'integratie' |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het bericht dat de grootste gemeenten in Nederland tienduizenden euro’s aan publieke middelen hebben besteed aan het organiseren of faciliteren van iftarbijeenkomsten, en dat deze uitgaven zijn verantwoord onder begrotingsposten als «ontmoetingen» en «integratie»?1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving. Gemeenten dragen zelf verantwoordelijkheid voor de besteding van middelen en de inrichting van hun beleid. Het budgetrecht in de gemeente berust bij de gemeenteraad. Daarbij kan de gemeenteraad geld reserveren voor bepaalde doelstellingen. De raad heeft de taak om te controleren of de gemeentelijke middelen juist worden besteed door het college van burgemeester en wethouders.
Onder welke begrotingsposten zijn deze uitgaven door de betreffende gemeenten precies verantwoord, en hoe waarborgt u dat het wegschrijven van uitgaven voor religieuze bijeenkomsten onder neutrale noemers als «ontmoeting», «verbinding» of «integratie» de democratische controle door de gemeenteraad niet bemoeilijkt?
Het is aan de individuele gemeenteraden om het budgetrecht uit te oefenen en toe te zien op de juiste besteding van middelen. De lokale politiek heeft voldoende wettelijke mogelijkheden om deze controletaak te verrichten.
Welke meetbare integratiedoelstellingen liggen ten grondslag aan de gemeentelijke financiering van iftarbijeenkomsten, en op basis van welke evaluaties of effectmetingen is vastgesteld dat deze bijeenkomsten aantoonbaar bijdragen aan taalverwerving, arbeidsparticipatie of maatschappelijke zelfredzaamheid?
Dit zal per gemeente verschillen aan de hand van het lokaal gevoerde beleid op integratie en aanverwante beleidsterreinen. Het is aan de gemeenteraad om hier controle op uit te oefenen. Ook kan binnen de gemeente worden overwogen of wordt overgegaan op evaluaties en effectmetingen met betrekking tot de doelen die door subsidies en gefinancierde activiteiten worden gediend.
In hoeverre kan worden uitgesloten dat bij de door gemeenten gefinancierde iftars organisaties betrokken zijn die geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd vanuit het buitenland, bijvoorbeeld door Turkije (Diyanet/ISN), Saoedi-Arabië, Qatar of andere staten, en welk toezicht bestaat hierop?
Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor subsidieverlening en het stellen van voorwaarden, waaronder transparantie over financieringsstromen indien dat relevant wordt geacht.
Daar waar er mogelijk sprake is van ongewenste buitenlandse financiering kent Nederland een systeem met verschillende instrumenten. De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) doet onderzoek naar personen of organisaties die een bedreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid of de democratische rechtsorde. Indien het Ministerie van Buitenlandse Zaken notes verbales over ongewenste buitenlandse financiering ontvangt vanuit derde landen, kan Buitenlandse Zaken deze doorsturen naar de AIVD.
De voorgestelde Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties (Wtmo) zag op het tegengaan van onwenselijke buitenlandse beïnvloeding door donaties aan maatschappelijke organisaties. Aangezien het wetsvoorstel door de Eerste Kamer is verworpen, wordt er nader bezien of een aanvullend instrument passend is.
Hoe verhoudt de structurele financiering van iftarbijeenkomsten door gemeenten zich tot het grondwettelijke beginsel van scheiding van kerk en staat, mede in het licht van de uitspraak van uw voorganger bij de beantwoording van eerdere Kamervragen dat de overheid «geen geloof of wijze van geloofsbelijdenis mag voortrekken»?2
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat vloeit in belangrijke mate voort uit de godsdienstvrijheid in artikel 6 en het discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet. Het houdt ten eerste in dat de overheid zich neutraal opstelt richting religies door ze gelijk te behandelen en er geen voor te trekken. De staat bemoeit zich daarnaast niet of zeer beperkt met de interpretatie van religie en respecteert de organisatievrijheid van geloofsgemeenschappen. Geloofsgemeenschappen hebben van hun kant geen formele zeggenschap binnen de overheidsorganisatie.
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat sluit niet uit dat de overheid ruimte biedt aan geloofsuitingen in bijeenkomsten die ze organiseert, of subsidie verleent aan religieuze organisaties voor het bereiken van maatschappelijke doelen. Bij het bieden van die ruimte en bij die samenwerking dient de overheid zorgvuldig te werk te gaan om de religieuze neutraliteit van de overheid te bewaren. Dat betekent zoals gezegd dat de overheid geen godsdienst voorschrijft of voortrekt. Tegelijkertijd past aandacht voor pluriformiteit binnen een democratische rechtsstaat zoals Nederland, waar een grote diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen.
Mocht een gemeente ervoor kiezen om in het kader van een subsidieregeling ten behoeve van integratie en dialoog iftaractiviteiten te subsidiëren, moeten subsidieaanvragen die door een ander geloof zijn geïnspireerd en op gelijke mate bijdragen aan de doelen, in principe op gelijke manier worden toegekend. Wanneer gemeenten zelf iftaractiviteiten organiseren of deze buiten een subsidieregeling om subsidiëren, zijn ze ook gehouden aan het gelijkheidsbeginsel. Daarbij is van belang te overwegen welke doelen met de activiteit worden gediend, of ook andere geloofsgerelateerde activiteiten die dezelfde doelen dienen worden georganiseerd of gefinancierd en hoe wordt voorkomen dat een geloof door de gemeente wordt voorgetrokken. De gemeenteraad kan op deze keuzes controle uitoefenen.
In welke omvang en frequentie financieren dezelfde gemeenten bijeenkomsten die verbonden zijn aan andere religieuze tradities, zoals het christendom, het jodendom of het hindoeïsme, en hoe verklaart u een eventueel verschil met de financiering van islamitische bijeenkomsten?
Elke gemeente kent een andere begroting en andere subsidieregelingen. Het is aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten om verantwoording af te leggen aan de gemeenteraad over de besteding van de gemeentelijke begroting.
Hoe beoordeelt u het feit dat iftarbijeenkomsten naar hun aard religieuze handelingen omvatten – zoals gebeden en Koranrecitatie – terwijl gemeenten dergelijke bijeenkomsten presenteren en financieren als neutrale «ontmoetingen»?
Voor veel Nederlanders zijn religieuze praktijken een belangrijk onderdeel van hun leven. Dit leidt ertoe dat gemeenten soms de dialoog tussen Nederlanders bevorderen langs de band van activiteiten die verband houden met een bepaalde godsdienst. Hierboven heb ik uitgelegd dat het neutraliteitsbeginsel niet uitsluit dat samen wordt gewerkt met godsdienstig geïnspireerde activiteiten bij het bereiken van maatschappelijke doelen. Daarbij dient de overheid wel zorgvuldig te werk te gaan zodat de religieuze neutraliteit van de overheid bewaard blijft. Ik vertrouw op het vermogen van gemeenten om aan de hand van de concrete omstandigheden en voorkeuren in de gemeente en de concrete eigenschappen van de iftaractiviteiten een afweging te maken.
Op welke wijze draagt het faciliteren van religieus-culturele bijeenkomsten die primair gericht zijn op de eigen gemeenschap bij aan werkelijke integratie – het leren van de Nederlandse taal, het verwerven van economische zelfstandigheid en het internaliseren van democratische waarden – en hoe weegt u dit af tegen het risico dat dergelijke financiering juist gescheiden religieuze gemeenschappen bevestigt en institutionaliseert?
Als iftarmaaltijden door de gemeente worden gefinancierd in het kader van integratie of dialoog impliceert dit dat de bijeenkomsten niet zijn voorbehouden aan een specifieke gemeenschap of religie, maar juist zijn gericht op ontmoeting en uitwisseling tussen Nederlanders met verschillende achtergronden. Deze activiteiten kunnen bijdragen aan het versterken van de sociale samenhang en participatie in de samenleving en kunnen daarmee onderdeel zijn van een bredere aanpak gericht op integratie en versterken van de sociale samenhang.
Hoe verhoudt de gemeentelijke financiering van religieuze maaltijden zich tot het kabinetsbeleid dat inzet op assimilatie – het overnemen van de Nederlandse taal, normen, waarden en gebruiken – in plaats van het accommoderen van religieuze en culturele praktijken uit het land van herkomst?
Zoals in het regeerakkoord vermeld, richt het kabinetsbeleid zich op meedoen in de Nederlandse samenleving. Dat betekent dat iedereen actief deelneemt en bijdraagt aan de samenleving. Wij verwachten daarbij dat iedereen de waarden van de democratische rechtsstaat omarmt, waaronder godsdienstvrijheid. Het financieren van iftarmaaltijden die open staan voor iedereen in het kader van dialoog kan bijdragen aan tolerantie en respect voor de godsdienstvrijheid binnen Nederland. De organisatie van dergelijke activiteiten kan daarnaast de sociale samenhang bevorderen.
Hoe beoordeelt u het risico dat door de overheid gefinancierde iftars bijdragen aan het ontstaan van parallelgemeenschappen, waarin de band met het land van herkomst en de eigen religieuze gemeenschap wordt versterkt ten koste van deelname aan de bredere Nederlandse samenleving?
Ik verwijs hiervoor naar de antwoorden op vragen 8, 9 en 11.
Hoe weegt u de zorg van een substantieel deel van de Nederlandse bevolking dat de toenemende institutionalisering van islamitische rituelen in het publieke domein – inclusief door de overheid gefinancierde iftars op ministeries, bij de Nationale Politie en in publieke gebouwen – bijdraagt aan een ervaring van culturele verdringing?
Ruimte voor verschillende culturele en religieuze activiteiten is kenmerkend voor zowel de diversiteit binnen onze samenleving alsook de naleving van kernwaarden van onze democratische rechtsstaat, zoals gelijkheid en godsdienstvrijheid. Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 5.
Op welke wijze geeft het structureel financieren van iftars door overheden – terwijl vergelijkbare faciliteiten voor andere levensbeschouwelijke tradities achterwege blijven – een signaal van ongelijkheid af, en hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het maatschappelijke draagvlak voor integratie?
Iedereen moet in Nederland in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Indien overheden activiteiten ondersteunen moeten ze het gelijkheidsbeginsel in acht nemen. Ik verwijs hierbij ook naar het antwoord op vraag 5.
Gemeentelijke uitgaven aan iftar-activiteiten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat grote gemeenten tienduizenden euro’s uitgeven aan iftar-activiteiten, al dan niet via subsidies of eigen organisatie?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het organiseren of subsidiëren van iftars door gemeenten in de kern een religieuze activiteit ondersteunt? Zo nee, waarom niet?
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat vloeit in belangrijke mate voort uit de godsdienstvrijheid in artikel 6 en het discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet. Het houdt ten eerste in dat de overheid zich neutraal opstelt richting religies door ze gelijk te behandelen en er geen voor te trekken. De staat bemoeit zich daarnaast niet of zeer beperkt met de interpretatie van religie en respecteert de organisatievrijheid van geloofsgemeenschappen. Geloofsgemeenschappen hebben van hun kant geen formele zeggenschap binnen de overheidsorganisatie.
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat sluit niet uit dat de overheid ruimte biedt aan geloofsuitingen in bijeenkomsten die ze organiseert, of subsidie verleent aan religieuze organisaties voor het bereiken van maatschappelijke doelen. Bij het bieden van die ruimte en bij die samenwerking dient de overheid zorgvuldig te werk te gaan om de religieuze neutraliteit van de overheid te bewaren. Dat betekent zoals gezegd dat de overheid geen godsdienst voorschrijft of voortrekt. Tegelijkertijd past aandacht voor pluriformiteit binnen een democratische rechtsstaat zoals Nederland, waar een grote diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen.
Idealiter hebben door gemeenten gefinancierde activiteiten een openbaar karakter, dienen ze een maatschappelijk doel en voldoen ze aan bepaalde kwaliteitseisen. In welke mate een concrete iftaractiviteit overeenstemt met de gemeentelijke religieuze neutraliteit is aan de gemeenten om te beoordelen. De aanwezigheid van een gebed op een dergelijke bijeenkomst maakt deze in ieder geval nog niet in strijd met de scheiding tussen kerk en staat.
Hoe verhoudt het actief faciliteren van iftars door gemeenten zich tot het beginsel van scheiding tussen kerk en staat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat gemeenten zich terughoudend dienen op te stellen bij het financieren of organiseren van religieuze bijeenkomsten, in het bijzonder iftars? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe voorkomt u dat het organiseren en subsidiëren van iftars door gemeenten de indruk wekt dat de overheid zich vereenzelvigt met een specifieke religie?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre acht u het wenselijk dat gemeentelijke middelen worden ingezet voor activiteiten die direct samenhangen met religieuze gebruiken, zoals het verbreken van het vasten tijdens de ramadan?
Het wettelijke kader met betrekking tot de scheiding tussen kerk en staat heb ik hierboven uiteengezet. De keuze om binnen dat kader meer of minder samenwerking te zoeken met godsdiensten en godsdienstig geïnspireerde initiatieven te steunen is er een die gemeenten zelfstandig maken in het kader van de gemeentelijke autonomie. De scheiding tussen kerk en staat sluit het samenwerken met religieus geïnspireerde initiatieven om maatschappelijke doelen te behalen niet uit. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan organisaties met een religieuze grondslag die maatschappelijk werk verrichten, zoals het Leger des Heils. Op grond van de Grondwet en de Gemeentewet heeft de gemeenteraad het budgetrecht en bepaalt deze zelf hoe het zijn middelen inzet. Het is in principe niet aan mij als Minister om daarover een oordeel te vellen.
Welke criteria hanteren gemeenten om te bepalen of een activiteit als «maatschappelijk» wordt aangemerkt, terwijl deze in de praktijk een religieus karakter heeft?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de zorg dat het labelen van iftars als «ontmoeting» of «integratie» feitelijk een omzeiling van het neutraliteitsbeginsel kan zijn? Zo nee, waarom niet?
Voor veel Nederlanders zijn religieuze praktijken een belangrijk onderdeel van hun leven. Dit leidt ertoe dat gemeenten soms de dialoog tussen Nederlanders bevorderen langs de band van activiteiten die verband houden met een bepaalde godsdienst. Hierboven heb ik uitgelegd dat het neutraliteitsbeginsel niet uitsluit dat samen wordt gewerkt met godsdienstig geïnspireerde activiteiten bij het bereiken van maatschappelijke doelen. Daarbij dient de overheid wel zorgvuldig te werk te gaan zodat de religieuze neutraliteit van de overheid bewaard blijft. Ik vertrouw op het vermogen van gemeenten om aan de hand van de concrete omstandigheden en voorkeuren in de gemeente en de concrete eigenschappen van de iftaractiviteiten een afweging te maken.
In hoeverre wordt gecontroleerd of dergelijke subsidies daadwerkelijk een algemeen maatschappelijk doel dienen en niet primair een religieuze activiteit faciliteren?
Het budgetrecht in de gemeente berust bij de gemeenteraad. Het college verantwoordt zich aan de raad over de bestedingen. Die verantwoording ziet onder meer op de bestedingen op basis van de begroting, maar ook op de uitvoering van subsidieverordeningen. De lokale politiek heeft voldoende wettelijke mogelijkheden om deze politieke dialoog te laten plaatsvinden.
Kunt u uitsluiten dat door deze praktijk een precedent ontstaat waardoor terugkerend aanspraak wordt gemaakt op vergelijkbare financiering? Zo nee, hoe wordt hiermee omgegaan?
Dat een subsidie is verleend voor een bepaalde activiteit betekent niet dat de subsidieontvanger een volgende keer automatisch weer recht heeft op subsidie voor die activiteit. Het is aan het bestuursorgaan waar de subsidieaanvraag wordt ingediend om daarover te beslissen. Een bestuursorgaan kan een subsidie verlenen op basis van een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieverordening van de gemeenteraad. Ook kunnen zogenoemde incidentele subsidies worden verleend, waaraan geen wettelijk voorschrift ten grondslag ligt. Het wel of niet verstrekken van een dergelijke incidentele subsidie behoort tot de beleidsvrijheid van het bestuursorgaan. Binnen de gemeente verantwoordt het college zich aan de raad over de bestedingen op basis van de begroting.
Acht u het wenselijk dat gemeenten zelf iftars organiseren op bijvoorbeeld het stadhuis en zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de vereiste neutraliteit van de overheid?
Ook hier is sprake van een keuze die een gemeente kan maken binnen de eigen autonomie, en is er ruimte dit te doen binnen de wettelijke kaders rondom de scheiding tussen kerk en staat. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 8.
Ziet u aanleiding om gemeenten explicieter te wijzen op de grenzen van het subsidiëren van activiteiten met een religieus karakter? Zo nee, waarom niet?
Mijn ministerie heeft in 2019 in samenwerking met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) het Tweeluik religie en publiek domein gepubliceerd. Dit Tweeluik biedt voldoende handvatten aan gemeenten om een juridisch correcte afweging te maken inzake het wel of niet subsidiëren van activiteiten met een religieus element. Ook het subsidiëren van iftarmaaltijden wordt in het document besproken. De handreiking is onder andere beschikbaar op de website van de VNG.
Het bericht dat de Verenigde Naties slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Berendsen , Rob Jetten (D66), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Verenigde Naties (VN) slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja. Het kabinet is bekend met de betreffende VN-resolutie. Het kabinet onderstreept het grote belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakten en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend door het aanbieden van excuses in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar principiële en juridische bezwaren tegen bestaan, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt.
Klopt het dat Nederland zich heeft onthouden van stemming? Zo ja, waarom?
Ja. het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Bent u het eens met de stelling dat van landen met een koloniaal verleden en directe betrokkenheid bij (trans-Atlantische) slavenhandel, zoals Nederland, een expliciete erkenning verwacht mag worden? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt deze stemonthouding in de Algemene Vergadering van de VN zich tot de officiële excuses voor het handelen van de Nederlandse staat, waarbij, in de bewoordingen van de toenmalige Minister-President Rutte, «een komma, geen punt» werd gezet? Had het niet meer in deze benadering gepast om wél in te stemmen met deze VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft dat van landen met een koloniaal verleden, zoals Nederland, een expliciete erkenning van het slavernijverleden verwacht mag worden.
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
De onthouding bij deze resolutie, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, staat niet op gespannen voet met deze lijn. Deze gezamenlijke positie laat zien dat de juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutie breder worden gedeeld. De keuze om te onthouden is ingegeven door specifieke juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutietekst, en niet door een gebrek aan erkenning van het historische onrecht.
Hoe beoordeelt u de oproep van de secretaris-generaal van de VN om te komen tot «een confrontatie met de nalatenschap van de slavernij en racisme»? Wat valt, in dit licht bezien, te verwachten aan kabinetsmaatregelen?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft al via bestaand beleid. Het is van groot belang om deze geschiedenis te blijven erkennen, te begrijpen en bespreekbaar te maken, juist vanwege de blijvende impact ervan op samenlevingen wereldwijd en in Nederland.
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Met oog voor historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Bent u bereid om deze vragen vóór het aankomende commissiedebat Discriminatie, racisme en mensenrechten te beantwoorden?
Ja.
De aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Heera Dijk (D66) |
|
Berendsen , Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid ooit?1
Het kabinet onderstreept het belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakt en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend met de excuses die in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning zijn aangeboden. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Tegelijkertijd heeft het kabinet zich kritisch opgesteld ten aanzien van onderdelen van de resolutie, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt. Het staat landen verder vrij om resoluties in te dienen over onderwerpen die zij belangrijk vinden.
Kunt u, overwegende dat de Nederlandse staat in 2022 excuses heeft gemaakt voor het slavernijverleden, toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming?
Ja. Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Welke boodschap heeft u voor Nederlanders die dagelijks last hebben van de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden en geschrokken zijn van de stemonthouding?
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
Op welke manieren werkt u momenteel al aan bewustwording over en herstel van (de doorwerking van) het Nederlandse koloniale- en slavernijverleden?
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft al uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft via bestaand beleid. Dat ziet onder meer op erkenning, herdenken en het creëren van een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Bijvoorbeeld door het versterken van maatschappelijke initiatieven, aanpassingen in het onderwijs, meer onderzoek, dialoog met betrokken gemeenschappen en de aanpak van racisme en discriminatie.
Daarmee wordt niet vanaf nul begonnen, maar voortgebouwd op een programma dat al in uitvoering is en de komende periode verder wordt verdiept. Met oog voor de historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de in het regeerakkoord opgenomen ambitie om actief te werken aan maatschappelijke bewustwording over het koloniale- en het slavernijverleden en de blijvende impact daarvan, en hoe gaat u in ieder geval de zes Caribische eilanden daarbij betrekken?
Ja.
De zes Caribische eilanden zijn daarbij vanaf het begin betrokken.
In samenwerking met Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Maarten en Sint Eustatius is gewerkt aan eilandelijke actieagenda’s, waarin toezeggingen van 19 december 2022 zijn vertaald in concrete projectplannen. Deze zijn inmiddels aangeboden en toegekend. Voorbeelden van impactvolle projecten zijn DNA onderzoek naar oorspronkelijke afkomst van de gemeenschappen op de Bovenwindse eilanden, (multifunctionele) erfgoedcentra op Aruba en Sint Eustatius, ontwikkeling van een NT3-model (een onderwijskundig concept) waarbij Nederlands als vreemde taal wordt geïmplementeerd in het primair onderwijs op Bonaire en de digitalisering en het vervolgens toegankelijk maken van koloniale archieven op onder andere Curaçao. Daarnaast is op verschillende momenten input opgehaald vanuit de gemeenschappen voor de vormgeving van de subsidieregeling maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden.
Kunt u de uitvoering van de VN-resolutie opnemen in de aangekondigde voortgangsbrief slavernijverleden die de Kamer in het eerste kwartaal zou ontvangen, en kunt u aangeven wanneer u de Kamer deze brief toezendt?
Ja. In de aangekondigde brief over de voortgang van de acties rond het slavernijverleden zal, voor zover relevant, ook worden ingegaan op de internationale context van deze resolutie en op de wijze waarop Nederland reeds invulling geeft aan de onderdelen die het onderschrijft.
De brief wordt voor het zomerreces aan uw Kamer toegezonden.
Openbaarmaking bedrijfsgegevens naar aanleiding van de technische briefing over doelsturing |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau gegevens over emissies, managementmaatregelen of prestaties van individuele landbouwbedrijven verzameld en verwerkt zullen worden?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat dergelijke gegevens, wanneer zij bij de overheid berusten, in beginsel onder de reikwijdte van de Wet open overheid (Woo) kunnen vallen?
Ja, dat kan. De Woo geeft algemene regels voor het openbaar maken van de informatie waarover de overheid beschikt. Daaronder vallen in beginsel ook de bedrijfsgegevens van individuele bedrijven waar de overheid over beschikt, ongeacht hoe de overheid daarover de beschikking heeft gekregen. Doorslaggevend voor de vraag of gegevens onder de reikwijdte van de Woo vallen, is of er een verband bestaat tussen de informatie en de publieke taak van het bestuursorgaan. Niet alle gegevens die bij de overheid berusten zijn per definitie verbonden aan de publieke taak van in dit geval de Minister van LVVN. Wat publieke taken zijn moet ruim worden uitgelegd zo blijkt uit de memorie van toelichting bij de Woo.1
Deelt u de zorg dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven kan leiden tot ongewenste effecten zoals reputatieschade, actiedruk of juridisering richting individuele ondernemers?
Ik begrijp dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven impact kan hebben voor individuele ondernemers, zeker als bedrijfsgegevens gelijk zijn aan het privéadres. Ik begrijp dat dit zijn weerslag kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Zoals ik in mijn brief over de zienswijzeprocedure bij de openbaarmaking van emissiegegevens 15 april 20262 heb aangegeven werk ik in dit kader met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers.
Hoe wordt voorkomen dat bedrijfsgegevens die nodig zijn voor doelsturing via Woo-verzoeken openbaar gemaakt kunnen worden?
Openbaarheid van overheidsinformatie is een belangrijk onderdeel van onze democratische rechtsstaat. Openbaarheid van gegevens maakt het mogelijk voor belangenorganisaties, onderzoekers en burgers informatie te vergaren over onder andere hun leefomgeving.
Daarom zijn er internationaal afspraken gemaakt over openbaarheid van informatie. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Verdrag van Aarhus (hierna: het verdrag) en de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG, hierna: de richtlijn). De richtlijn en het verdrag zijn geïmplementeerd in de Woo.
Ik streef er dan ook niet naar om dergelijke informatie te onttrekken van de openbaarheid. Tegelijkertijd kunnen er wel dilemma’s spelen, bijvoorbeeld wanneer de openbaarmaking van dergelijke gegevens mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Daarbij spelen een aantal elementen een rol.
Als er een verzoek wordt gedaan tot openbaarmaking, is het van belang om welke gegevens verzocht wordt. Als bedrijfsgegevens ook als milieu-informatie aan te merken zijn, dan dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van openbaarmaking tegenover het belang van het bedrijf om de bedrijfsgegevens niet openbaar te maken. Bij deze belangenafweging staat openbaarmaking van de gegevens voorop. Er kan alleen van openbaarmaking van de (betreffende) informatie worden afgezien wanneer het bedrijf concreet kan onderbouwen dat openbaarmaking daadwerkelijk en ernstige schade toebrengt aan het bedrijfsbelang3.
Op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo mogen er bij emissiegegevens geen uitzonderingsgronden worden toegepast. Deze gegevens moeten dan ook altijd openbaar worden gemaakt als daartoe een verzoek wordt gedaan. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn.4 Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de richtlijn.
Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaarmaking van informatie, bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking van informatie mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillende belangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die onder meer de Woo, de richtlijn en het verdrag bieden. Dit zal ook worden meegenomen in de wetsevaluatie van de Woo en bij de vormgeving van doelsturing.
Wordt overwogen om de dataverzameling voor doelsturing (deels) buiten de overheid te organiseren, bijvoorbeeld via ketenorganisaties, sectorale systemen of onafhankelijke dataplatforms?
In het kader van doelsturing zal nog besloten moeten worden hoe de organisatie van data delen ingericht zal worden. Daarbij is het goed om op te merken dat informatie die nodig is voor een goede taakuitoefening door de overheid niet gepositioneerd kan worden buiten de invloedsfeer van het ministerie waardoor documenten buiten de reikwijdte van de Woo vallen. Ook indien het verzamelen, controleren en bewerken van agrarische bedrijfsinformatie gebeurt door een specifiek daarvoor op te richten private entiteit, is niet uit te sluiten dat die entiteit geheel of gedeeltelijk onder de Woo valt, omdat voor milieu-informatie een ruim begrip van «overheid» moet worden gehanteerd. Bij besluitvorming door de overheid is het noodzakelijk dat de overheid over relevante gegevens beschikt.
Bent u bekend met systemen in de veehouderij waarbij gegevens over diergezondheid en bedrijfsvoering via ketenpartijen worden verzameld, zoals binnen de zuivelsector via systemen als KoeMonitor/KoeKompas?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Ziet u mogelijkheden om monitoring in het kader van doelsturing primair via gebiedsmonitoring te organiseren, bijvoorbeeld via gebiedscoöperaties of andere collectieve verbanden van boeren, zodat niet direct bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven bij de overheid berusten?
Bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau zal monitoring primair via individuele landbouwbedrijven georganiseerd worden. Bovendien is voor sommige toepassingsvormen van doelsturing herleidbaarheid naar bedrijven een vereiste. Hiernaast kunnen de mogelijkheden naar gebiedsmonitoring verkend worden om gegevens op een meer geaggregeerd niveau te verzamelen. Zie ook het antwoord op vragen 4 en 5 voor het geval herleidbaarheid naar bedrijven nodig is.
Welke waarborgen worden overwogen om ervoor te zorgen dat boeren veilig en zonder risico op openbaarmaking van bedrijfsgevoelige informatie kunnen deelnemen aan systemen voor doelsturing?
Er moeten hierover nog keuzes worden gemaakt, waarbij uiteindelijk van belang is dat besluiten zorgvuldig worden voorbereid en dragend worden gemotiveerd. Bij het maken van deze keuzes zal ik de belangen van openbaarheid en de bescherming van bedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen de geldende kaders.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het op donderdag 9 april 2026 geplande commissiedebat Doelsturing?
Het commissiedebat Doelsturing is door uw Kamer uitgesteld tot nader order. De reguliere termijn voor het beantwoorden van Kamervragen is gehanteerd.