Gemeentelijke uitgaven aan iftar-activiteiten |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat grote gemeenten tienduizenden euro’s uitgeven aan iftar-activiteiten, al dan niet via subsidies of eigen organisatie?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het organiseren of subsidiëren van iftars door gemeenten in de kern een religieuze activiteit ondersteunt? Zo nee, waarom niet?
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat vloeit in belangrijke mate voort uit de godsdienstvrijheid in artikel 6 en het discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet. Het houdt ten eerste in dat de overheid zich neutraal opstelt richting religies door ze gelijk te behandelen en er geen voor te trekken. De staat bemoeit zich daarnaast niet of zeer beperkt met de interpretatie van religie en respecteert de organisatievrijheid van geloofsgemeenschappen. Geloofsgemeenschappen hebben van hun kant geen formele zeggenschap binnen de overheidsorganisatie.
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat sluit niet uit dat de overheid ruimte biedt aan geloofsuitingen in bijeenkomsten die ze organiseert, of subsidie verleent aan religieuze organisaties voor het bereiken van maatschappelijke doelen. Bij het bieden van die ruimte en bij die samenwerking dient de overheid zorgvuldig te werk te gaan om de religieuze neutraliteit van de overheid te bewaren. Dat betekent zoals gezegd dat de overheid geen godsdienst voorschrijft of voortrekt. Tegelijkertijd past aandacht voor pluriformiteit binnen een democratische rechtsstaat zoals Nederland, waar een grote diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen.
Idealiter hebben door gemeenten gefinancierde activiteiten een openbaar karakter, dienen ze een maatschappelijk doel en voldoen ze aan bepaalde kwaliteitseisen. In welke mate een concrete iftaractiviteit overeenstemt met de gemeentelijke religieuze neutraliteit is aan de gemeenten om te beoordelen. De aanwezigheid van een gebed op een dergelijke bijeenkomst maakt deze in ieder geval nog niet in strijd met de scheiding tussen kerk en staat.
Hoe verhoudt het actief faciliteren van iftars door gemeenten zich tot het beginsel van scheiding tussen kerk en staat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat gemeenten zich terughoudend dienen op te stellen bij het financieren of organiseren van religieuze bijeenkomsten, in het bijzonder iftars? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe voorkomt u dat het organiseren en subsidiëren van iftars door gemeenten de indruk wekt dat de overheid zich vereenzelvigt met een specifieke religie?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre acht u het wenselijk dat gemeentelijke middelen worden ingezet voor activiteiten die direct samenhangen met religieuze gebruiken, zoals het verbreken van het vasten tijdens de ramadan?
Het wettelijke kader met betrekking tot de scheiding tussen kerk en staat heb ik hierboven uiteengezet. De keuze om binnen dat kader meer of minder samenwerking te zoeken met godsdiensten en godsdienstig geïnspireerde initiatieven te steunen is er een die gemeenten zelfstandig maken in het kader van de gemeentelijke autonomie. De scheiding tussen kerk en staat sluit het samenwerken met religieus geïnspireerde initiatieven om maatschappelijke doelen te behalen niet uit. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan organisaties met een religieuze grondslag die maatschappelijk werk verrichten, zoals het Leger des Heils. Op grond van de Grondwet en de Gemeentewet heeft de gemeenteraad het budgetrecht en bepaalt deze zelf hoe het zijn middelen inzet. Het is in principe niet aan mij als Minister om daarover een oordeel te vellen.
Welke criteria hanteren gemeenten om te bepalen of een activiteit als «maatschappelijk» wordt aangemerkt, terwijl deze in de praktijk een religieus karakter heeft?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de zorg dat het labelen van iftars als «ontmoeting» of «integratie» feitelijk een omzeiling van het neutraliteitsbeginsel kan zijn? Zo nee, waarom niet?
Voor veel Nederlanders zijn religieuze praktijken een belangrijk onderdeel van hun leven. Dit leidt ertoe dat gemeenten soms de dialoog tussen Nederlanders bevorderen langs de band van activiteiten die verband houden met een bepaalde godsdienst. Hierboven heb ik uitgelegd dat het neutraliteitsbeginsel niet uitsluit dat samen wordt gewerkt met godsdienstig geïnspireerde activiteiten bij het bereiken van maatschappelijke doelen. Daarbij dient de overheid wel zorgvuldig te werk te gaan zodat de religieuze neutraliteit van de overheid bewaard blijft. Ik vertrouw op het vermogen van gemeenten om aan de hand van de concrete omstandigheden en voorkeuren in de gemeente en de concrete eigenschappen van de iftaractiviteiten een afweging te maken.
In hoeverre wordt gecontroleerd of dergelijke subsidies daadwerkelijk een algemeen maatschappelijk doel dienen en niet primair een religieuze activiteit faciliteren?
Het budgetrecht in de gemeente berust bij de gemeenteraad. Het college verantwoordt zich aan de raad over de bestedingen. Die verantwoording ziet onder meer op de bestedingen op basis van de begroting, maar ook op de uitvoering van subsidieverordeningen. De lokale politiek heeft voldoende wettelijke mogelijkheden om deze politieke dialoog te laten plaatsvinden.
Kunt u uitsluiten dat door deze praktijk een precedent ontstaat waardoor terugkerend aanspraak wordt gemaakt op vergelijkbare financiering? Zo nee, hoe wordt hiermee omgegaan?
Dat een subsidie is verleend voor een bepaalde activiteit betekent niet dat de subsidieontvanger een volgende keer automatisch weer recht heeft op subsidie voor die activiteit. Het is aan het bestuursorgaan waar de subsidieaanvraag wordt ingediend om daarover te beslissen. Een bestuursorgaan kan een subsidie verlenen op basis van een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieverordening van de gemeenteraad. Ook kunnen zogenoemde incidentele subsidies worden verleend, waaraan geen wettelijk voorschrift ten grondslag ligt. Het wel of niet verstrekken van een dergelijke incidentele subsidie behoort tot de beleidsvrijheid van het bestuursorgaan. Binnen de gemeente verantwoordt het college zich aan de raad over de bestedingen op basis van de begroting.
Acht u het wenselijk dat gemeenten zelf iftars organiseren op bijvoorbeeld het stadhuis en zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de vereiste neutraliteit van de overheid?
Ook hier is sprake van een keuze die een gemeente kan maken binnen de eigen autonomie, en is er ruimte dit te doen binnen de wettelijke kaders rondom de scheiding tussen kerk en staat. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 8.
Ziet u aanleiding om gemeenten explicieter te wijzen op de grenzen van het subsidiëren van activiteiten met een religieus karakter? Zo nee, waarom niet?
Mijn ministerie heeft in 2019 in samenwerking met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) het Tweeluik religie en publiek domein gepubliceerd. Dit Tweeluik biedt voldoende handvatten aan gemeenten om een juridisch correcte afweging te maken inzake het wel of niet subsidiëren van activiteiten met een religieus element. Ook het subsidiëren van iftarmaaltijden wordt in het document besproken. De handreiking is onder andere beschikbaar op de website van de VNG.
Het bericht dat de Verenigde Naties slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt |
|
Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Rob Jetten (D66), Berendsen , Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Verenigde Naties (VN) slavenhandel als ergste misdaad tegen de menselijkheid ooit bestempelt?1 Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja. Het kabinet is bekend met de betreffende VN-resolutie. Het kabinet onderstreept het grote belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakten en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend door het aanbieden van excuses in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar principiële en juridische bezwaren tegen bestaan, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt.
Klopt het dat Nederland zich heeft onthouden van stemming? Zo ja, waarom?
Ja. het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Bent u het eens met de stelling dat van landen met een koloniaal verleden en directe betrokkenheid bij (trans-Atlantische) slavenhandel, zoals Nederland, een expliciete erkenning verwacht mag worden? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt deze stemonthouding in de Algemene Vergadering van de VN zich tot de officiële excuses voor het handelen van de Nederlandse staat, waarbij, in de bewoordingen van de toenmalige Minister-President Rutte, «een komma, geen punt» werd gezet? Had het niet meer in deze benadering gepast om wél in te stemmen met deze VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft dat van landen met een koloniaal verleden, zoals Nederland, een expliciete erkenning van het slavernijverleden verwacht mag worden.
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
De onthouding bij deze resolutie, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, staat niet op gespannen voet met deze lijn. Deze gezamenlijke positie laat zien dat de juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutie breder worden gedeeld. De keuze om te onthouden is ingegeven door specifieke juridische bezwaren tegen onderdelen van de resolutietekst, en niet door een gebrek aan erkenning van het historische onrecht.
Hoe beoordeelt u de oproep van de secretaris-generaal van de VN om te komen tot «een confrontatie met de nalatenschap van de slavernij en racisme»? Wat valt, in dit licht bezien, te verwachten aan kabinetsmaatregelen?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft al via bestaand beleid. Het is van groot belang om deze geschiedenis te blijven erkennen, te begrijpen en bespreekbaar te maken, juist vanwege de blijvende impact ervan op samenlevingen wereldwijd en in Nederland.
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Met oog voor historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Bent u bereid om deze vragen vóór het aankomende commissiedebat Discriminatie, racisme en mensenrechten te beantwoorden?
Ja.
De aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid |
|
Heera Dijk (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de aangenomen VN-resolutie over de trans-Atlantische slavenhandel bestempelen als de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid ooit?1
Het kabinet onderstreept het belang van blijvende internationale aandacht voor het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel. Daarbij wordt volledig erkend dat hiermee een immens onrecht is aangedaan aan tot slaaf gemaakt en dat de gevolgen daarvan tot op de dag van vandaag doorwerken in de vorm van onder meer racisme, discriminatie en ongelijkheid.
Nederland heeft dit ook expliciet erkend met de excuses die in 2022 door de Minister-President en in 2023 door de Koning zijn aangeboden. Sindsdien wordt langs een brede agenda gewerkt aan erkenning, herdenking, en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden.
Tegelijkertijd heeft het kabinet zich kritisch opgesteld ten aanzien van onderdelen van de resolutie, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Door middel van een onthouding inclusief stemverklaring heeft het kabinet zowel zijn betrokkenheid bij het onderwerp als zijn bezwaren tegen specifieke onderdelen duidelijk gemaakt. Het staat landen verder vrij om resoluties in te dienen over onderwerpen die zij belangrijk vinden.
Kunt u, overwegende dat de Nederlandse staat in 2022 excuses heeft gemaakt voor het slavernijverleden, toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming?
Ja. Het kabinet heeft zich, samen met 51 andere landen waaronder alle EU lidstaten, onthouden van stemming over deze resolutie.
Deze keuze is gemaakt omdat de resolutie enerzijds elementen bevat die het kabinet onderschrijft: Nederland erkent de bijzondere ernst van het slavernijverleden en de trans-Atlantische slavenhandel, evenals de doorwerking daarvan in het heden. Het kabinet zet zich in voor
blijvende aandacht voor dit verleden, onder meer via erkenning en herdenken en een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Dat doet het kabinet bijvoorbeeld door middel van maatschappelijke dialoog, aanpassingen in het onderwijs en de bestrijding van racisme en discriminatie. Anderzijds bevat de resolutie ook onderdelen waar wij principiële en juridische bezwaren tegen hebben, waaronder het aanbrengen van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, het toepassen van internationaal recht met terugwerkende kracht en de juridische implicaties die daaraan worden verbonden. Zowel betrokkenheid bij het onderwerp als de bezwaren tegen specifieke onderdelen zijn door middel van een onthouding inclusief stemverklaring duidelijk gemaakt.
Welke boodschap heeft u voor Nederlanders die dagelijks last hebben van de doorwerking van het koloniale en slavernijverleden en geschrokken zijn van de stemonthouding?
Het kabinet begrijpt dat de onthouding vragen of teleurstelling kan oproepen.
Die onthouding doet echter niets af aan de erkenning van het grote historische onrecht, de door de regering gemaakte excuses en de inzet op de opvolging daarvan.
Juist omdat de doorwerking van het slavernijverleden voor veel mensen in het heden voelbaar is, blijft het kabinet zich inzetten voor erkenning, herdenken en meer bewustwording, in gesprek met betrokken gemeenschappen. Zoals eerder is gezegd: de excuses vormden geen eindpunt, maar een volgende stap. Daarom wordt onder andere gewerkt aan meer kennis en onderzoek, het versterken van maatschappelijke initiatieven, en zijn er aanpassingen gedaan in het onderwijs.
Op welke manieren werkt u momenteel al aan bewustwording over en herstel van (de doorwerking van) het Nederlandse koloniale- en slavernijverleden?
Het kabinet werkt hier op verschillende manieren aan. Zo is het Herdenkingscomité Slavernijverleden al sinds januari 2025 formeel aan het werk, met een werkorganisatie in Europees Nederland en in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Het Comité draagt bij aan de nationale herdenking op 1 juli en ondersteunt ook lokale en gemeenschap specifieke herdenkingen.
Daarnaast zijn subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven in Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk opengesteld en wordt geïnvesteerd in onderwijs, musea, archieven en erfgoed, kennis en onderzoek, en publiekscommunicatie met betrekking tot antidiscriminatievoorzieningen.
Eind 2025 zijn bijvoorbeeld de definitieve conceptkerndoelen voor het leergebied Mens en Maatschappij opgeleverd. Hierin is, specifieker dan in de huidige kerndoelen, opgenomen dat leerlingen kennis moeten opdoen over het koloniaal en slavernijverleden. Het Surinamemuseum is geopend en het Nationaal Slavernijmuseum zal de komende jaren verder worden opgebouwd. In 2026 wordt een kennissynthese opgeleverd dat de doorwerking van het koloniaal- en (trans-Atlantisch) slavernijverleden in hedendaags racisme en discriminatie inzichtelijk maakt. Ook is al begonnen om de doorwerking van het slavernijverleden in zorg en welzijn in kaart te brengen.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen VN-resolutie?
Het kabinet onderschrijft de oproep van de secretaris-generaal van de VN om de nalatenschap van slavernij en racisme onder ogen te zien. Het kabinet geeft al uitvoering aan de onderdelen van de resolutie die het onderschrijft via bestaand beleid. Dat ziet onder meer op erkenning, herdenken en het creëren van een beter begrip van de doorwerkingen van het slavernijverleden. Bijvoorbeeld door het versterken van maatschappelijke initiatieven, aanpassingen in het onderwijs, meer onderzoek, dialoog met betrokken gemeenschappen en de aanpak van racisme en discriminatie.
Daarmee wordt niet vanaf nul begonnen, maar voortgebouwd op een programma dat al in uitvoering is en de komende periode verder wordt verdiept. Met oog voor de historische context en binnen de kaders van het internationaal recht blijft het kabinet zich constructief inzetten in internationale fora, zoals de VN, voor een zorgvuldige en evenwichtige benadering van dit verleden, met oog voor de blijvende doorwerking ervan in het heden. Daarbij blijft het kabinet kritisch op voorstellen die juridisch of beleidsmatig onwenselijk worden geacht.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de in het regeerakkoord opgenomen ambitie om actief te werken aan maatschappelijke bewustwording over het koloniale- en het slavernijverleden en de blijvende impact daarvan, en hoe gaat u in ieder geval de zes Caribische eilanden daarbij betrekken?
Ja.
De zes Caribische eilanden zijn daarbij vanaf het begin betrokken.
In samenwerking met Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Maarten en Sint Eustatius is gewerkt aan eilandelijke actieagenda’s, waarin toezeggingen van 19 december 2022 zijn vertaald in concrete projectplannen. Deze zijn inmiddels aangeboden en toegekend. Voorbeelden van impactvolle projecten zijn DNA onderzoek naar oorspronkelijke afkomst van de gemeenschappen op de Bovenwindse eilanden, (multifunctionele) erfgoedcentra op Aruba en Sint Eustatius, ontwikkeling van een NT3-model (een onderwijskundig concept) waarbij Nederlands als vreemde taal wordt geïmplementeerd in het primair onderwijs op Bonaire en de digitalisering en het vervolgens toegankelijk maken van koloniale archieven op onder andere Curaçao. Daarnaast is op verschillende momenten input opgehaald vanuit de gemeenschappen voor de vormgeving van de subsidieregeling maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden.
Kunt u de uitvoering van de VN-resolutie opnemen in de aangekondigde voortgangsbrief slavernijverleden die de Kamer in het eerste kwartaal zou ontvangen, en kunt u aangeven wanneer u de Kamer deze brief toezendt?
Ja. In de aangekondigde brief over de voortgang van de acties rond het slavernijverleden zal, voor zover relevant, ook worden ingegaan op de internationale context van deze resolutie en op de wijze waarop Nederland reeds invulling geeft aan de onderdelen die het onderschrijft.
De brief wordt voor het zomerreces aan uw Kamer toegezonden.
Openbaarmaking bedrijfsgegevens naar aanleiding van de technische briefing over doelsturing |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Pieter Heerma (CDA), van Essen |
|
|
|
|
Klopt het dat bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau gegevens over emissies, managementmaatregelen of prestaties van individuele landbouwbedrijven verzameld en verwerkt zullen worden?
Ja, dat klopt.
Klopt het dat dergelijke gegevens, wanneer zij bij de overheid berusten, in beginsel onder de reikwijdte van de Wet open overheid (Woo) kunnen vallen?
Ja, dat kan. De Woo geeft algemene regels voor het openbaar maken van de informatie waarover de overheid beschikt. Daaronder vallen in beginsel ook de bedrijfsgegevens van individuele bedrijven waar de overheid over beschikt, ongeacht hoe de overheid daarover de beschikking heeft gekregen. Doorslaggevend voor de vraag of gegevens onder de reikwijdte van de Woo vallen, is of er een verband bestaat tussen de informatie en de publieke taak van het bestuursorgaan. Niet alle gegevens die bij de overheid berusten zijn per definitie verbonden aan de publieke taak van in dit geval de Minister van LVVN. Wat publieke taken zijn moet ruim worden uitgelegd zo blijkt uit de memorie van toelichting bij de Woo.1
Deelt u de zorg dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven kan leiden tot ongewenste effecten zoals reputatieschade, actiedruk of juridisering richting individuele ondernemers?
Ik begrijp dat openbaarmaking van gedetailleerde bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven impact kan hebben voor individuele ondernemers, zeker als bedrijfsgegevens gelijk zijn aan het privéadres. Ik begrijp dat dit zijn weerslag kan hebben op ondernemers en hun gezinnen. Zoals ik in mijn brief over de zienswijzeprocedure bij de openbaarmaking van emissiegegevens 15 april 20262 heb aangegeven werk ik in dit kader met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan een onderzoek naar de sociale veiligheid van agrarisch ondernemers.
Hoe wordt voorkomen dat bedrijfsgegevens die nodig zijn voor doelsturing via Woo-verzoeken openbaar gemaakt kunnen worden?
Openbaarheid van overheidsinformatie is een belangrijk onderdeel van onze democratische rechtsstaat. Openbaarheid van gegevens maakt het mogelijk voor belangenorganisaties, onderzoekers en burgers informatie te vergaren over onder andere hun leefomgeving.
Daarom zijn er internationaal afspraken gemaakt over openbaarheid van informatie. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Verdrag van Aarhus (hierna: het verdrag) en de Europese milieu-informatierichtlijn (Richtlijn 2003/4/EG, hierna: de richtlijn). De richtlijn en het verdrag zijn geïmplementeerd in de Woo.
Ik streef er dan ook niet naar om dergelijke informatie te onttrekken van de openbaarheid. Tegelijkertijd kunnen er wel dilemma’s spelen, bijvoorbeeld wanneer de openbaarmaking van dergelijke gegevens mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Daarbij spelen een aantal elementen een rol.
Als er een verzoek wordt gedaan tot openbaarmaking, is het van belang om welke gegevens verzocht wordt. Als bedrijfsgegevens ook als milieu-informatie aan te merken zijn, dan dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van openbaarmaking tegenover het belang van het bedrijf om de bedrijfsgegevens niet openbaar te maken. Bij deze belangenafweging staat openbaarmaking van de gegevens voorop. Er kan alleen van openbaarmaking van de (betreffende) informatie worden afgezien wanneer het bedrijf concreet kan onderbouwen dat openbaarmaking daadwerkelijk en ernstige schade toebrengt aan het bedrijfsbelang3.
Op grond van artikel 5.1, zevende lid, van de Woo mogen er bij emissiegegevens geen uitzonderingsgronden worden toegepast. Deze gegevens moeten dan ook altijd openbaar worden gemaakt als daartoe een verzoek wordt gedaan. Ook als het hierbij gaat om gegevens die de persoonlijke levenssfeer raken, zoals bedrijfsadressen die tevens woonadressen zijn.4 Dit laatste is een verplichting die direct voortvloeit uit de richtlijn.
Ik realiseer mij dat er zich dilemma’s kunnen voordoen bij de openbaarmaking van informatie, bijvoorbeeld wanneer openbaarmaking van informatie mede raakt aan de persoonlijke levenssfeer van agrarische ondernemers. Ik vind het daarom van belang om de verschillende belangen die hier kunnen spelen af te wegen, binnen de kaders die onder meer de Woo, de richtlijn en het verdrag bieden. Dit zal ook worden meegenomen in de wetsevaluatie van de Woo en bij de vormgeving van doelsturing.
Wordt overwogen om de dataverzameling voor doelsturing (deels) buiten de overheid te organiseren, bijvoorbeeld via ketenorganisaties, sectorale systemen of onafhankelijke dataplatforms?
In het kader van doelsturing zal nog besloten moeten worden hoe de organisatie van data delen ingericht zal worden. Daarbij is het goed om op te merken dat informatie die nodig is voor een goede taakuitoefening door de overheid niet gepositioneerd kan worden buiten de invloedsfeer van het ministerie waardoor documenten buiten de reikwijdte van de Woo vallen. Ook indien het verzamelen, controleren en bewerken van agrarische bedrijfsinformatie gebeurt door een specifiek daarvoor op te richten private entiteit, is niet uit te sluiten dat die entiteit geheel of gedeeltelijk onder de Woo valt, omdat voor milieu-informatie een ruim begrip van «overheid» moet worden gehanteerd. Bij besluitvorming door de overheid is het noodzakelijk dat de overheid over relevante gegevens beschikt.
Bent u bekend met systemen in de veehouderij waarbij gegevens over diergezondheid en bedrijfsvoering via ketenpartijen worden verzameld, zoals binnen de zuivelsector via systemen als KoeMonitor/KoeKompas?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Ziet u mogelijkheden om monitoring in het kader van doelsturing primair via gebiedsmonitoring te organiseren, bijvoorbeeld via gebiedscoöperaties of andere collectieve verbanden van boeren, zodat niet direct bedrijfsgegevens van individuele landbouwbedrijven bij de overheid berusten?
Bij een systeem van doelsturing op bedrijfsniveau zal monitoring primair via individuele landbouwbedrijven georganiseerd worden. Bovendien is voor sommige toepassingsvormen van doelsturing herleidbaarheid naar bedrijven een vereiste. Hiernaast kunnen de mogelijkheden naar gebiedsmonitoring verkend worden om gegevens op een meer geaggregeerd niveau te verzamelen. Zie ook het antwoord op vragen 4 en 5 voor het geval herleidbaarheid naar bedrijven nodig is.
Welke waarborgen worden overwogen om ervoor te zorgen dat boeren veilig en zonder risico op openbaarmaking van bedrijfsgevoelige informatie kunnen deelnemen aan systemen voor doelsturing?
Er moeten hierover nog keuzes worden gemaakt, waarbij uiteindelijk van belang is dat besluiten zorgvuldig worden voorbereid en dragend worden gemotiveerd. Bij het maken van deze keuzes zal ik de belangen van openbaarheid en de bescherming van bedrijfs- en persoonsgegevens afwegen binnen de geldende kaders.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het op donderdag 9 april 2026 geplande commissiedebat Doelsturing?
Het commissiedebat Doelsturing is door uw Kamer uitgesteld tot nader order. De reguliere termijn voor het beantwoorden van Kamervragen is gehanteerd.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de afdeling sociale wetenschappen van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) een vacature heeft geplaatst die uitsluitend is bedoeld voor wetenschappers van kleur?1
Uit navraag bij de Erasmus Universiteit Rotterdam heb ik begrepen dat de vacature niet uitsluitend bedoeld was voor wetenschappers van kleur. En dat de Erasmus Universiteit Rotterdam de vacature heeft aangepast om te verduidelijken dat ze geen sollicitanten uitsluit.
Wat vindt u ervan dat de EUR een methode van personeelswerving gebruikt die is gebaseerd op huidskleur, die ertoe leidt dat een groot aantal kandidaten bij voorbaat wordt uitgesloten omdat zij de «niet de goede huidskleur» hebben?
Het is niet aan mij als Minister om in te gaan op de inhoud van vacatures van een universiteit. Instellingen geven zelf hun werving- en selectiebeleid vorm. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders.
Wie kunnen er precies solliciteren op vacatures voor «scholars of color» en wie niet en deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is om mensen in te delen in twee categorieën, zoals hier lijkt te gebeuren, namelijk wel of niet «of color»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een dergelijk wervingsbeleid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat is vastgelegd in Artikel 1 van de Nederlandse Grondwet en dat discriminatie «op welke grond dan ook» verbiedt? Zo nee, waarom niet?
Artikel 1 van de Grondwet is voor wat betreft de verhouding tussen werkgever en werknemer nader geconcretiseerd in de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Op basis van artikel 2 lid 3 Awgb mag er in sommige gevallen en onder bepaalde voorwaarden sprake zijn van een voorkeursbeleid om feitelijke achterstanden van groepen tegen te gaan. Het moet dan gaan om het wegnemen of verminderen van feitelijke nadelen die verband houden met de grond ras of geslacht en het onderscheid moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel.
Deelt u de mening dat het vreemd en zorgelijk is dat een faculteit voor sociale wetenschappen die commitment claimt tot «antiracisme» juist raciale eisen stelt?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Wat vindt u van de aan deze vacature kennelijk onderliggende opvatting van de faculteit voor sociale wetenschappen van de EUR dat wetenschappers van kleur bijzondere expertise hebben voor de studie van ongelijkheid die andere wetenschappers ontberen?
Zoals in antwoord 1 aangegeven, heb ik begrepen dat de vacature openstaat voor alle wetenschappers.
Hoe beoordeelt u het feit dat de twee vacatures geen eisen stellen aan specialisaties of methodologische vaardigheden?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Bent u van mening dat een vacaturetekst als «Commitment to integrating progressive, antiracist and social justice resources and pedagogy in the classroom is an essential component of both positions» academici met conservatieve opvattingen lijkt uit te sluiten? Graag een toelichting.
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vragen 2 en 3.
Is u bekend of er buiten de ESSB van de EUR nog meer faculteiten zijn die vacatures plaatsen die uitsluitend zijn bedoeld voor «scholars of color»?
Ik heb van de Erasmus Universiteit Rotterdam begrepen dat die er niet zijn.
Bent u bereid met de universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat procedures om personeel te werven gevrijwaard blijven van discriminatoire criteria?
Ik heb als Minister geen bemoeienis met het wervingsbeleid op universiteiten. Ik vertrouw erop dat de instellingen handelen conform geldende wettelijke kaders. Ik zie geen noodzaak om additionele afspraken te maken met de universiteiten.
Deelt u het oordeel van dit voorval als een voorbeeld van positieve discriminatie?
Het aanmoedigen van kandidaten van kleur om te solliciteren is geen voorkeursbeleid, oftewel positieve discriminatie, ook anderen zijn welkom om te solliciteren. Bovendien betekent voorkeursbeleid voor mensen van kleur niet per definitie dat er sprake is van verboden onderscheid. Een werkgever mag voorkeursbeleid voeren als een bepaalde groep mensen onvoldoende vertegenwoordigd is en er is voldaan aan een aantal andere vereisten. Het is niet aan mij om te oordelen over individuele gevallen.
Zo ja, acht u dit soort discriminatie onwenselijk en gaat u daar actief actie tegen nemen in uw nieuwe nationale programma tegen racisme en discriminatie?
Uw Kamer heeft het kabinet gevraagd een overkoepelend programma tegen discriminatie en racisme te maken. Daarin zal het kabinet actie ondernemen tegen alle vormen van verboden onderscheid. Verder wijs ik graag naar mijn antwoorden op vragen 4 en 11.
Mogelijke stemfraude bij de gemeenteraadsverkiezingen in Gorinchem. |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat in Gorinchem vermoedens bestaan van stemfraude met volmachten bij de recente gemeenteraadsverkiezingen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat er mogelijk op grote schaal gebruik is gemaakt van volmachten, waaronder situaties waarin meerdere volmachten op vergelijkbare wijze waren voorbereid?
De mogelijkheid om te stemmen bij volmacht wordt in ons land breed gedragen, omdat het bijdraagt aan de toegankelijkheid van verkiezingen: mensen die niet zelf naar het stemlokaal kunnen, krijgen zo toch de mogelijkheid om hun stem uit te brengen. 54% van de kiezers die bij de Europees Parlementsverkiezing in 2024 een volmacht heeft afgegeven zou niet zijn gaan stemmen als machtigen niet mogelijk was.2 Dit laat zien dat het stemmen per volmacht een toegevoegde waarde heeft in ons verkiezingsproces; het zorgt dat er geen stemmen verloren gaan en levert een belangrijke bijdrage aan de opkomst bij verkiezingen.
De mogelijkheid om bij volmacht te stemmen brengt echter ook kwetsbaarheden met zich mee, zoals dat kiezers onder druk gezet kunnen worden om hun volmacht af te geven. Internationale waarnemers hebben bij eerdere verkiezingen ook op deze risico’s gewezen. Het ronselen van volmachten is strafbaar. De wettelijke strafbepalingen zijn op dit onderwerp recent nog aangescherpt. Hiervoor is 1 januari jl. een wetswijziging3 in werking getreden (Stb. 2025, 272) waarbij de delictsomschrijving is aangescherpt en de strafmaat is verhoogd. Ook is er voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen extra ingezet op aanvullende voorlichting voor kiezers, gemeenten en stembureaumedewerkers.
Wanneer er sprake is van een hoog percentage volmachten bij een stemlokaal kan dit een aanwijzing zijn voor mogelijke risico’s zoals ronselen. Daar kan echter niet op voorhand vanuit gegaan worden. Er kunnen ook andere verklaarbare factoren zijn: bij stemlokalen in de buurt van verzorgingscentra worden bijvoorbeeld vaker stemmen bij volmacht uitgebracht dan bij andere stemlokalen. In de praktijk zien we dat concrete aanwijzingen van onregelmatigheden zoals ronselen worden gesignaleerd en dat dit leidt tot aangifte en onderzoek door het Openbaar Ministerie (hierna: OM). De politie en het OM doen op dit moment onderzoek naar de gebeurtenissen rond de gemeenteraadsverkiezing in Gorinchem. Op de uitkomsten van dit onderzoek kan ik niet vooruitlopen. Als uit dat onderzoek blijkt dat er daadwerkelijk sprake is van ronselen, is dat strafbaar en is het aan de rechter om hierover te oordelen.
De casus Gorinchem betrek ik bij de evaluatie van de verkiezingen, om te beoordelen of aanvullende aanpassingen nodig zijn. Daarbij geldt dat elke maatregel zorgvuldig moet worden afgewogen: beperkingen van de mogelijkheid om bij volmacht te stemmen kunnen de toegankelijkheid van de verkiezingen beïnvloeden, vooral voor kiezers die echt niet zelf kunnen stemmen. Dit belang wordt altijd meegewogen.
Zijn er signalen dat vergelijkbare praktijken met betrekking tot volmachtstemmen ook in andere gemeenten hebben plaatsgevonden? Zo ja, waar en wordt hier ook onderzoek naar gedaan?
Er zijn geen andere signalen bij mij gemeld. Wanneer er sprake is van vergelijkbare praktijken in andere gemeenten is het aan het betreffende college om aangifte te doen, zodat de signalen kunnen worden onderzocht.
In hoeverre acht u het zorgwekkend dat op één stembureau een relatief hoog aantal volmachten is uitgebracht (circa 135 op 650 stemmen)?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het huidige systeem van stemmen bij volmacht kwetsbaar is voor misbruik? Zo ja, welke risico’s zijn hierbij bekend? Hoe worden deze risico’s op dit moment aangepakt?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre komt misbruik van volmachten vaker voor bij verkiezingen in Nederland en wordt dit structureel gemonitord?
De omvang van ronselen van volmachten bij verkiezingen in Nederland lijkt in de praktijk beperkt. Uit onderzoek van de Kiesraad blijkt dat er in de periode 1998–2015 dertien keer aangifte is gedaan van het ronselen van volmachten, waarna het OM een onderzoek is gestart. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2022 is het OM in één geval tot vervolging overgegaan vanwege ronselen.
Er is geen actuele monitoring ingericht waarin het misbruik van volmachten structureel op een plek wordt bijgehouden. Iedere casus van misbruik van volmachten is ongewenst. Gemeenten en stembureaus hebben een belangrijke rol in het signaleren van mogelijke onregelmatigheden tijdens verkiezingen. Het ronselen van volmachten is strafbaar. Als er signalen van ronselen zijn, dient de betreffende gemeente aangifte te doen. Dat is ook in Gorinchem gebeurd.
Deelt u de zorg dat situaties waarin kiezers worden benaderd om hun volmacht af te geven het vertrouwen in het verkiezingsproces kunnen ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Het initiatief om een volmacht af te geven moet altijd bij de kiezer zelf liggen. Wanneer kiezers worden benaderd of zelfs onder druk worden gezet om hun volmacht af te geven, ligt dit initiatief niet langer bij de kiezer maar bij de persoon die de volmacht probeert te bemachtigen. Dit kan worden gekwalificeerd als ronselen en is schadelijk voor het vertrouwen in het verkiezingsproces. Om die reden is de strafbaarstelling en strafmaat voor ronselen recent aangescherpt.
Welke rol spelen kandidaten of politieke partijen bij het verzamelen van volmachten en waar ligt de grens tussen legitieme ondersteuning en ongewenste beïnvloeding?
Het komt voor dat politieke partijen bemiddelen tussen kiezers die een volmacht willen afgeven en potentiële gemachtigden. Dit kan handig zijn voor kiezers die zeker willen weten dat de gemachtigde op de partij van hun keuze gaat stemmen. Deze praktijk is toegestaan, mits het initiatief nog altijd bij de kiezer zelf ligt om contact op te nemen met de politieke partij, zodat een gemachtigde kan worden aangewezen en de kiezer dus ook weet wie de volmachtnemer is. Zodra politieke partijen of individuele kandidaten zelf kiezers benaderen om hen te bewegen hun volmacht af te geven, is er sprake van ronselen. Het is dus van belang om deze grens scherp voor ogen te houden.
Bent u bereid te onderzoeken of het huidige systeem van volmachtstemmen moet worden aangepast of aangescherpt om fraude en beïnvloeding tegen te gaan?
Iedere verkiezing wordt uitgebreid geëvalueerd met als doel te onderzoeken welke verbeteringen in het verkiezingsproces mogelijk zijn. De casus in Gorinchem wordt betrokken bij de evaluatie van de gemeenteraadsverkiezingen. Daarbij wordt bezien of en zo ja hoe de regels over het gebruik van volmachten moeten worden aangescherpt.
Welke vervolgstappen worden overwogen indien uit het onderzoek blijkt dat daadwerkelijk sprake is geweest van stemfraude en wat betekent dit voor de geldigheid van de verkiezingsuitslag in Gorinchem?
Het is aan het OM en vervolgens aan de rechter om te bepalen welke vervolgstappen passend zijn wanneer er sprake is van het ronselen van volmachten of andere vormen van stemfraude in Gorinchem. De gemeenteraad van Gorinchem heeft op 31 maart jl. besloten de nieuw verkozen leden niet toe te laten en een herstemming te organiseren. Inmiddels is bekend dat deze herstemming plaatsvindt op 29 april aanstaande. De gemeenteraad heeft hiertoe besloten omdat er te veel twijfels zijn over de betrouwbaarheid van de stemming, nu er een onderzoek loopt naar mogelijke verkiezingsfraude door de politie en het OM.
Op welke wijze wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek en eventuele bredere implicaties voor toekomstige verkiezingen?
Zie antwoord vraag 9.
De verhaalbaarheid van schadevergoedingen in het Groningse gasdossier |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving, onder andere in De Telegraaf, waarin aandeelhouders van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), te weten Shell en ExxonMobil, stellen dat de Nederlandse Staat mogelijk te ruimhartige schadevergoedingen uitkeert die buiten de contractuele afspraken vallen?1
Ja.
Waarop baseert u de veronderstelling dat de kosten van schadeherstel, versterking en compensatie volledig op de NAM kunnen worden verhaald?
Uit de Tijdelijke wet Groningen (TwG) volgt welke kosten bij NAM in rekening moeten worden gebracht. Per heffingsbesluit wordt beoordeeld en toegelicht of de kosten die zijn gemaakt in het kader van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie op basis van de eisen uit de TwG kunnen worden geheven. Indien met compensatie wordt gedoeld op de uitgaven voor de sociale en economische agenda dan wijs ik erop dat deze uitgaven niet verhaald worden op de NAM.
In hoeverre bent u bekend met het standpunt van de aandeelhouders van de NAM dat bepaalde schadevergoedingen, zoals forfaitaire of ruimhartige regelingen, niet onder de oorspronkelijke aansprakelijkheidsafspraken vallen?
De standpunten van de NAM en de aandeelhouders van NAM dat bepaalde kosten in verband met de schadeafhandeling niet aan NAM zouden kunnen worden doorbelast op grond van de Tijdelijke wet Groningen zijn mij bekend. De standpunten van NAM zijn recent nog aan de orde gekomen tijdens de (openbare) zitting van de rechtbank Noord-Nederland van medio maart jl. inzake de beroepsprocedures van NAM tegen de beslissingen op bezwaar over de heffingsbesluiten fysieke schade 2020 en waardedaling 2020 en 2021.
Kunt u uitsluiten dat een rechter of arbitragepanel uiteindelijk oordeelt dat (een deel van) de kosten van schadeherstel en compensatie niet op de NAM kan worden verhaald en daarom voor rekening van de Nederlandse Staat komt?
Nee.
Kunt u uiteenzetten welke categorieën van schade en compensatie het kabinet volledig verhaalbaar acht op de NAM?
De kosten voor de schadeafhandeling acht ik op grond van de Tijdelijke wet Groningen volledig verhaalbaar op NAM voor zover de kosten door het Instituut Mijnbouwschade Groningen zijn gemaakt in verband met de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden. Het gaat dan bijvoorbeeld om schadevergoedingen die zijn uitgekeerd aan gedupeerden.
Kunt u tevens aangeven welke categorieën van kosten mogelijk buiten de aansprakelijkheid van de NAM vallen?
Kosten die buiten de aansprakelijkheid van de NAM vallen zijn bijvoorbeeld onverplichte tegemoetkomingen (zoals de verduurzamingsmaatregelen, de knelpuntenregelingen en een deel van de totale kosten van daadwerkelijk herstel) alsmede de kosten ter uitvoering van de sociale agenda en de economische agenda.
Kunt u, indien bepaalde kosten mogelijk niet verhaalbaar blijken, inzicht geven in de potentiële financiële omvang hiervan voor de Nederlandse Staat?
Ik kan op dit moment geen inschatting geven van de potentiële financiële omvang van niet verhaalbare kosten. Een groot deel van de kosten dat al aan NAM is doorbelast, staat ter discussie in bezwaarprocedures of ligt nu ter beoordeling voor bij een rechtbank of een scheidsgerecht. Voor andere kosten zal de omvang pas duidelijk worden bij het vaststellen van de eerstvolgende heffingsbesluiten.
Heeft het kabinet een actuele risicoanalyse gemaakt van het scenario waarin een rechter of arbitragepanel oordeelt dat een deel van de uitgekeerde schadevergoedingen niet op de NAM kan worden afgewenteld?
Gelet op de procespositie van de Staat is het niet in het belang van de Staat om hier nu concreet op in te gaan. Op basis van de meest recente berichtgeving van de scheidsgerechten wordt eind tweede kwartaal van 2026 een vonnis verwacht in eerste fase in de arbitrage versterken en in de arbitrage schade. Daarnaast heeft de rechtbank Noord-Nederland aangekondigd op 12 juni a.s. uitspraak te willen doen in het beroep van NAM tegen de beslissingen op bezwaar over de heffingsbesluiten fysieke schade 2020 en waardedaling 2020 en 2021. Ik wil daar nu niet op vooruitlopen.
Zo ja, wat is de uitkomst van deze risicoanalyse en over welke orde van grootte spreken we dan? Gaat het hierbij om honderden miljoenen euro’s of daadwerkelijk om miljarden euro’s?
Zie antwoord op vraag 8.
Waarom is de presentatie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) uit de openbaarheid gehaald, en kan deze alsnog met de Kamer worden gedeeld?
Het document van het IMG is niet openbaar, omdat het valt onder het verschoningsrecht van zijn advocaat. Dat betekent dat het gaat om vertrouwelijke informatie en persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad. Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in beroep2 bevestigd dat het IMG openbaarmaking op goede gronden heeft geweigerd.
Kunt u het rapport dat ten grondslag ligt aan de presentatie van het IMG waarnaar wordt verwezen, met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet? Kunt u daarbij tevens aangeven welke aanvullende bevindingen en analyses in dit onderliggende rapport zijn opgenomen die niet in de presentatie zijn verwerkt?
Nee, zie antwoord op vraag 10.
Beschikt het kabinet over andere rapporten, analyses of documentatie van vergelijkbare aard met betrekking tot bevingsrisico’s, schade-inschattingen of financiële risico’s in het Groningse gasdossier? Zo ja, kunt u deze documenten met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben graag bereid in een vertrouwelijke (technische) briefing de Kamer hierover te informeren, maar gelet op de procespositie van de Staat vind ik op dit moment een antwoord op deze vraag hier niet passend.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is indien de Nederlandse belastingbetaler uiteindelijk opdraait voor kosten die volgens het kabinet op de NAM verhaald zouden moeten worden?
Deze visie deel ik niet. Op dit moment wordt al het mogelijke gedaan om de kosten voor de schade-afhandeling en de versterkingsoperatie in Groningen binnen de kaders van de Tijdelijke Wet Groningen te verhalen op de NAM. De schadeafhandeling en de versterkingsoperatie in Groningen dienen evenwel een zwaarwegend doel. Het kabinet heeft dan ook besloten dat het koste wat het kost zo lang als het nodig is moet worden doorgezet. Gelet op de baten die de Nederlandse samenleving jarenlang heeft genoten van de Groningse gaswinning, is het acceptabel dat de kosten daarvoor – voor zover die niet op NAM kunnen worden verhaald – voor rekening van de Staat komen.
Is de Kamer eerder geïnformeerd over het risico dat een deel van de uitgekeerde schade niet verhaald kan worden op de NAM en dat daardoor de Staat een financieel risico loopt? Zo ja, wanneer en op welke wijze is de Kamer hierover geïnformeerd?
Ja, de Kamer is hierover geïnformeerd. Zo is de Kamer begin 2024 door de toenmalig informateur Plasterk geïnformeerd over de budgettaire tegenvallers en risico’s bij de verschillende departementen. In dat kader is door het Ministerie van EZK gewezen op risico’s voortvloeiend uit de arbitrageprocedures (zie Bijlagen bij eindverslag informateur Plasterk dd. 12 februari 2024 pagina 33). Ook in de meest recente Kamerbrief over de stand van zaken in de juridische procedures NAM, Shell en ExxonMobil is nadrukkelijk benoemd dat er afhankelijk van de uitspraken van het scheidsgerecht in de arbitrages sprake is van mogelijke budgettaire risico’s (zie Kamerstukken II, 2025–2026, 33 529, nr 1340).
Verder wijs ik er op dat op verzoek van de Eerste Kamer op 21 mei 2024 en 28 januari 2025 vertrouwelijke technische briefings hebben plaatsgevonden.
Is er op de Rijksbegroting een budget gereserveerd om mogelijke financiële risico’s op te vangen indien de kosten niet op de NAM kunnen worden verhaald? Zo ja, waar en om welke bedragen gaat het? Zo nee, waarom acht het kabinet dit niet noodzakelijk?
Nee, het kabinet acht dit niet noodzakelijk. De kosten voor de schadeafhandeling acht het kabinet op grond van de Tijdelijke wet Groningen volledig verhaalbaar op NAM voor zover de kosten door het IMG zijn gemaakt in verband met de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden. Voor de aanvullende PEGA-maatregelen heeft het kabinet aan de voorkant geld gereserveerd. Voor kosten die nu zijn opgenomen in een heffing zijn geen voorzieningen of reserveringen getroffen. Ik wil niet vooruitlopen op uitspraken in de verschillende procedures.
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer te verzoeken onderzoek te doen naar de vraag of de rijksoverheid in het kader van het Groningse gasdossier publiek geld zinnig, zuinig en zorgvuldig besteedt?
Jaarlijks ontvangt de Kamer reeds de onafhankelijk opgestelde Staat van Groningen en Noord-Drenthe waarin onder meer de stand van zaken rondom schadeafhandeling en de versterkingsoperatie uitvoerig wordt belicht. Daarnaast zal de Algemene Rekenkamer in zijn verantwoordingsonderzoek over 2025 opnieuw ingaan op de doelmatigheid en doeltreffendheid van maatregelen die zijn genomen om de schadeafhandeling en uitvoering van de versterking te verbeteren. Het verantwoordingsonderzoek verschijnt op de derde woensdag van mei (woensdag 20 mei 2026).
Op welke wijze is het fraudebeleid en het fraudedetectieprotocol bij schadeafhandeling aangepast naar aanleiding van de aanhouding van vijf verdachten door de FIOD in een onderzoek naar subsidiefraude?2
Het IMG kent met het Bureau Bijzonder Onderzoek (BBO) een gespecialiseerd team dat onderzoek doet naar fraudemeldingen en malversaties binnen de schadeafhandeling. De FIOD, onder leiding van het Openbaar Ministerie, heeft vijf verdachten aangehouden in het kader van een onderzoek naar subsidiefraude rondom aardbevingsschade in Groningen. Naar aanleiding van de aanhoudingen heeft het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) samen met het IMG maatregelen genomen om de kans op waardevermeerderingssubsidiefraude te beperken. De FIOD en het Openbaar Ministerie zijn nadere onderzoeken naar deze vorm van subsidiefraude aan het voorbereiden. Om potentiële fraudeurs niet wijzer te maken, wordt niet nader geduid om welke maatregelen het precies gaat. Het IMG blijft alle meldingen met een vermoeden van fraude onderzoeken en treft waar nodig maatregelen.
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de fraudebestrijding binnen het schadeherstel, waaronder cijfers over terugvorderingen, signalen van misbruik en het aantal aangiftes?
Ja. Het IMG rapporteert sinds 2024 in zijn jaarverslag al over de fraudebestrijding. Dit jaarverslag wordt uw Kamer jaarlijks door IMG aangeboden, laatstelijk op 27 maart jl.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk een week voorafgaand aan het commissiedebat Herstel Groningen van 22 april 2026?
Ja.
De aardbeving met een kracht van 3.0 in Drenthe |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Sandra Beckerman (SP), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Pieter Heerma (CDA), de Bat |
|
|
|
|
Erkent u dat het zeer pijnlijk is dat een aardbeving in Drenthe opnieuw voor schade heeft gezorgd zonder dat de rijksoverheid tijdig heeft gezorgd voor een rechtvaardige schaderegeling?
Het vorige kabinet heeft afgelopen januari naar aanleiding van twee uitgevoerde evaluaties aangegeven dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van schade door bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk (hierna: mijnbouwschade) door de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) niet op alle punten voldoet aan de verwachtingen en dat het kabinet deze samen met de mijnbouwondernemingen wil verbeteren1.
Deze structurele verbeteringen vragen om gesprekken met alle partijen uit de mijnbouwsector, die actief zijn in verschillende mijnbouwactiviteiten, zoals zout-, gas- en oliewinning. Een proces om met al deze partijen tot nieuwe afspraken te komen kost tijd. Het feit dat gedurende dit proces een aardbeving door gaswinning heeft plaatsgevonden die schade heeft veroorzaakt betreur ik. Daarom wil ik zo snel mogelijk – binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt – tot een specifieke aanpak komen voor de schade die veroorzaakt is door de beving van 14 maart 2026. Ik ben hierover met NAM en de CM in gesprek en betrek hierbij ook de medeoverheden. In mei zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Erkent u dat bewoners zeggen dat «de breuk in het vertrouwen groter is dan de scheur in het huis»?1 Snapt u dat de woede van bewoners diep zit gezien de ongelijkheid tussen de schaderegelingen in Drenthe en de bureaucratie rondom de schadeafhandeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Naar aanleiding van de beving heb ik maandag 16 maart 2026 een bezoek aan het getroffen gebied gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en de lokale en provinciale bestuurders (de drie burgemeesters van Assen, Midden-Drenthe en Aa en Hunze, de commissaris van de Koning en de gedeputeerde van de provincie). Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen hoe het met de inwoners gaat en wat de weerslag van de bevingen is geweest. Deze gesprekken hebben mij er nog meer van bewust gemaakt dat aardbevingen door mijnbouwactiviteiten en de schade die dit veroorzaakt een stevige impact kunnen hebben, niet alleen op huizen, maar ook op het leven van mensen.
In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een andere aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade dan in de rest van Nederland. Hier werden in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Kortgezegd, de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld verschillen in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Daarnaast heeft de schade in het effectgebied van het Groningenveld en de afhandeling daarvan tot een grote mate van maatschappelijke ontwrichting geleid. Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor de afhandeling van mijnbouwschade in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg een andere aanpak geldt dan in de rest van Nederland (waaronder Eleveld).
Dat neemt niet weg dat het de hoogste prioriteit heeft dat ook de schade buiten het IMG-effectgebied op een snelle, gedegen en menselijke wijze afgehandeld wordt. Gelet op de ervaringen na de beving bij Ekehaar in 2023 vind ik het van belang dat er zo spoedig mogelijk een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt.
In maart 2024 werd de motie van de leden Beckerman en Bushoff2 aangenomen om het bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland te laten gelden: kunt u deze motie alsnog spoedig uitvoeren, zodat gedupeerden in Drenthe eindelijk een rechtvaardige schadevergoeding krijgen?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden, zoals dat in het IMG-effectgebied geldt2, naar de rest van Nederland juridisch houdbaar is, heeft het toenmalige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied en 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland. De uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet juridisch houdbaar.
Daarbij is het goed om te noemen dat de instelling en werkwijze van de CM ervoor heeft gezorgd dat het resultaat voor schademelders in de rest van Nederland praktisch gelijk is aan toepassing van het bewijsvermoeden. De CM neemt de bewijslast van de schademelder over en doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade. Indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit gaat de CM ervan uit dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch eenzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijs ik naar de brief van het vorige kabinet van 27 maart 20254.
Uw beleidsvoorganger heeft Drenthe reeds een nieuwe, soepelere regeling met terugwerkende kracht beloofd, maar beloftes dichten echter geen scheuren: hoe snel kunt u met daden komen? Welke stappen gaat u wanneer zetten?
Om zo snel mogelijk tot goede schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 te komen, beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en de belangrijkste elementen van de aangekondigde verbeteringen reeds bevat. Zoals uiteengezet in de recente brief over de beving bij Geelbroek5, wordt er nu hard gewerkt aan de schadeafhandeling door de CM, in twee stappen.
Ten eerste wil ik dat er zo snel mogelijk tot een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt. Ik ben reeds met NAM en de CM in gesprek over een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026. Het uitgangspunt is dat deze snel, gedegen en menselijk is. Met de lokale en provinciale bestuurders is maandag 16 maart besproken dat we vier tot zes weken de tijd nemen om duidelijkheid te bieden over deze aanpak.
In het verlengde daarvan ga ik – als tweede stap – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in gesprek om te komen tot generieke verbeteringen binnen de huidige systematiek van de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade.
Welke zekerheid kunt u gedupeerden geven? Kunt u een einddatum noemen waarvoor u alle schades beoordeeld wilt hebben? Gaat u hierbij direct onterecht afgewezen of te laag beoordeelde schades vergoeden?
De komende weken sta ik in nauw contact met de CM, de lokale bestuurders van het gebied waar de beving heeft plaatsgevonden en de NAM om zo snel mogelijk tot een schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 komen. Zoals hierboven aangegeven beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en reeds de belangrijkste elementen van de in januari geschetste verbeteringen bevat. In deze fase kan ik nog niet vooruitlopen op de inhoud van de aanpak. Ik zal uw Kamer hier in mei verder over informeren.
Hoe kunt u bewoners ontzorgen? Welke extra stappen wilt u zetten voor deze bewoners die hun thuis en hun vertrouwen beschadigd zien?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe voorkomt u dat er, net als bij andere mijnbouwschaderegelingen, weer een nieuwe regeling wordt opgetuigd met hoge uitvoeringskosten?
Alle betrokken partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen. Het is van groot belang om hierbij oog te hebben voor de schaal van de schadeafhandeling. Gegeven de zwaarte van de beving is de uitvoerbaarheid van de aanpak een belangrijk criterium. Er moet immers voorkomen worden dat schademelders lang in onzekerheid zitten, in het bijzonder degenen met de zwaarste schades. Het instellingsbesluit van de CM biedt ook ruimte om bij een groot aantal schademeldingen voor een versnelde en vereenvoudigde aanpak te kiezen. Bij de aanpak zal ik ook nadrukkelijk oog hebben voor het feit dat een deel van de schademelders woonachtig is in het IMG-effectgebied.
Wat is volgens u een goede balans tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten? Vindt u voor elke geadviseerde euro schadevergoeding 5,65 euro aan onderzoekskosten in balans?
De standaard werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoek zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. De CM geeft in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar6 aan onderzoek ter plaatse belangrijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen, ook omdat dit het vertrouwen bij schademelders bevordert.
Tegelijkertijd wordt terecht opgemerkt dat de onderzoekskosten van schade-experts voor hoge uitvoeringskosten van de CM zorgen. Zoals aangekondigd wil ik de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade door de CM verbeteren, onder meer door samen met de mijnbouwondernemingen een betere verhouding tussen geadviseerde schadevergoedingen en onderzoekskosten te realiseren. Ik wil ook dat dit element terugkomt in de specifieke aanpak van de beving van 14 maart 2026 die momenteel wordt ontwikkeld.
Tot slot is het goed om hier nog bij te vermelden dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM adviseert een vergoeding voor mijnbouwschade uit te keren. In andere gevallen komen kosten voor rekening van de overheid.
Hoe zorgt u dat Noord-Nederland nu eindelijk boven gas gaat, gelet op het feit dat Noord-Nederland klappen blijft krijgen door bestaande en oude gaswinning en ontoereikende regelingen voor herstel en compensatie en er stemmen blijven opgaan voor nieuwe gaswinning uit kleine velden en het Groningenveld?
Ik ben in nauw contact met lokale bestuurders, de CM en NAM, die verantwoordelijk is voor de (inmiddels ingesloten) gaswinning uit het Eleveld gasveld en aansprakelijk is voor schade die bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit dat veld veroorzaakt. Alle partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen, met oog voor de uitvoerbaarheid. Zoals ook reeds in antwoord op vraag 1 aangegeven wil ik daarom dat er snel een specifieke aanpak komt voor de beving van 14 maart.
Welke garanties kunt u in Noord-Nederland geven dat de overheid die zo vaak onbetrouwbaar is geweest, nu eindelijk problemen gaat oplossen in plaats van nieuwe problemen gaat veroorzaken?
Zie antwoord vraag 9.
Welke voorwaarden en aannames waren aan de oorspronkelijke winningsvergunning gekoppeld om de veiligheid te garanderen? Zijn al deze voorwaarden ook effectief uitgevoerd? Zo nee, welke niet en waarom niet? Hoe kan het dat er dan alsnog bevingen hebben plaatsgevonden? Wat leert u van de veronderstellingen van toen die nu negatief uitpakken? Zult u op basis daarvan nieuwe, bijkomende voorwaarden stellen aan eventuele nieuwe vergunningen voor gaswinning in Nederland om daar de veiligheid wel te garanderen, ook na het beëindigen van de winningsactiviteiten?
Om gas te mogen winnen is, in aanvulling op een winningsvergunning, instemming met een winningsplan nodig. Het gasveld Eleveld valt binnen het winningsplan Westerveld, waarin meerdere gasvelden zijn opgenomen. Het winningsplan Westerveld is voor het gasveld Eleveld in 2018 voor het laatst beoordeeld (op 26 maart 2024 is ingestemd met een actualisatie van het winningsplan voor het gasveld Assen). Ten behoeve van de beoordeling is advies gevraagd aan TNO, SodM, de Technische Commissie Bodembeweging (Tccb, tot en met 2023 adviseur) en de Mijnraad. Bij de beoordeling van winningsplannen wordt altijd gekeken naar de kans op bodemtrilling.
In het gasveld Eleveld zijn al vaker bevingen geweest met lagere magnitudes. Naast de kans op beven wordt ook de kenmerken van het gasveld, de mogelijke magnitudes van een beving en de effecten aan de bovengrond meegenomen zoals bebouwing en infrastructuur. Tezamen is dit het seismisch risico (SRA), dat in het winningsplan wordt aangegeven. Uit deze SRA is naar voren gekomen dat het gasveld Eleveld in de laagste categorie valt (I) maar dicht bij de grens naar een hogere categorie zit (II). Om deze reden zijn specifiek voor het gasveld Eleveld, mede naar aanleiding van de adviezen van de adviseurs, voorwaarden in het besluit opgenomen die normaliter voor SRA II-velden gelden. NAM heeft versnellingsmeters moeten bijplaatsen en een seismisch risicobeheersplan (SRB) moeten opstellen voor het gasveld Eleveld. Daarnaast is in het besluit een voorschrift opgenomen dat NAM bouwkundige vooropnamen moeten uitvoeren. NAM heeft deze voorwaarden van het besluit uitgevoerd. Op dit moment bezie ik hoe om te gaan met de veiligheidsrisico’s en schade door bevingen in het kader van de herziening van de Mijnbouwwet. Ik heb SodM, TNO, Mijnraad en het KNMI gevraagd om hier een gezamenlijk beleidsadvies voor op te stellen.
Het uitsluiten van Joodse organisaties bij onderzoek naar Joods vastgoed in Rijswijk |
|
Gidi Markuszower (PVV), Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de gemeente Rijswijk ervoor heeft gekozen om het Nieuw Israëlitisch Weekblad en Irgoen Olei Holland niet te informeren over een onderzoek naar Joods vastgoed tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, omdat deze media volgens de gemeente een bepaalde «kleuring» zouden geven aan het conflict in Gaza?1
Deelt u de mening dat het uiterst kwalijk is als een gemeente besluit Joodse media en organisaties uit te sluiten van communicatie over een onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie en dat dit op zijn minst de schijn wekt van discriminatie op grond van politieke gezindheid, afkomst of religie?
In algemene zin staat buiten kijf dat het uitsluiten van Joodse media en organisaties vanwege hun geloof of afkomst onacceptabel is. Het doen van onderzoek, naar welk onderwerp dan ook, speelt een belangrijke rol bij het verrijken van kennis en ontwikkelingen in de samenleving. Wanneer een gemeente onderzoek doet of laat uitvoeren betreft dit een lokale aangelegenheid. De gemeentelijke autonomie maakt dat gemeentebesturen een eigen bevoegdheid hebben. Hierbinnen kunnen zij ook zelf onderzoek verrichten en hier beleidskeuzes op baseren. Het is niet aan mij om een kwalificatie te geven aan de wijze waarop een gemeente in een concreet geval optreedt in het kader van een onderzoek. Het is aan de gemeenteraad om haar college van burgemeester en wethouders ter verantwoording te roepen wanneer zij dat nodig acht.
Hoe beoordeelt u het feit dat het college van burgemeester en wethouders hiermee inging tegen het advies van zowel de onderzoeker als de begeleidingscommissie, die aangaf dat het uitsluiten van deze media de onafhankelijkheid en kwaliteit van het onderzoek kon schaden?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat communicatie over onderzoek naar onteigend Joods vastgoed uit de Tweede Wereldoorlog afhankelijk wordt gemaakt van de politieke opvattingen die een gemeente toeschrijft aan bepaalde Joodse media of organisaties?
In het algemeen ben ik het met u eens dat Joodse media of organisaties niet op basis van hun politieke opvattingen uitgesloten zouden moeten worden bij onderzoeken naar onteigend Joods vastgoed uit de Tweede Wereldoorlog.
Hoe verhoudt de handelwijze van de gemeente Rijswijk zich volgens u tot artikel 1 van de Grondwet, waarin expliciet is vastgelegd dat discriminatie op grond van onder meer politieke gezindheid niet is toegestaan?
Het is niet aan mij om een kwalificatie te geven over de handelwijze van het gemeentebestuur van Rijswijk. Wanneer er een vermoeden is van het overtreden van artikel 1 van de Grondwet, kan de rechter daar desgevraagd een oordeel over uitspreken.
Deelt u de zorgen dat door deze beslissing mogelijk relevante getuigen, nabestaanden of andere belanghebbenden nooit zijn bereikt, waardoor het onderzoek naar Joods vastgoed mogelijk onvolledig is gebleven?
Het is niet aan mij om over een specifiek geval een opvatting te hebben. Wel kan ik het mij voorstellen dat er in dit geval een zorg bestaat dat mogelijk niet alle relevante getuigen, nabestaanden of andere belanghebbenden zijn bereikt in dit onderzoek. Echter, ik wil en kan niet oordelen of het onderzoek van de gemeente Rijswijk daarmee als onvolledig kan worden gezien.
Bent u bereid te onderzoeken of de handelwijze van de gemeente Rijswijk in strijd is met het discriminatieverbod en met de zorgvuldigheid die van een overheid mag worden verwacht bij onderzoek naar onteigend Joods bezit?
Nee. De Nationale ombudsman is in beginsel bevoegd om klachten over de gedraging van – in dit geval – de gemeente Rijswijk te onderzoeken en hierover te oordelen. Met de komst van de uitbreiding van de Algemene wet gelijke behandeling – naar zogenaamd eenzijdig overheidshandelen – wordt het in de toekomst voor het College voor de Rechten van de Mens ook mogelijk om over het handelen van de overheid te oordelen. Een wetgevingstraject hiervoor ben ik momenteel aan het voorbereiden.
Welke rol ziet u voor het Rijk om te waarborgen dat gemeenten bij onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie zorgvuldig, onafhankelijk en zonder politieke of ideologische afwegingen handelen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf dient het college van burgemeester en wethouders haar verantwoording af te leggen aan haar gemeenteraad. Het is aan de gemeenteraad om het college aan te spreken op haar handelen. Dit geldt ook bij onderzoek naar Joods vastgoed en mogelijke restitutie.
Deelt u de mening dat het bijzonder pijnlijk en ongepast is als juist bij onderzoek naar onrecht dat Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan opnieuw een situatie ontstaat waarin Joodse organisaties of media worden buitengesloten en dat dit bijdraagt aan het toenemende antisemitisme in Nederland?
Ik kan mij voorstellen dat er gevoelens van onvrede bestaan bij de Joodse organisaties die niet direct zijn betrokken bij het onderzoek van de gemeente Rijswijk. Echter, zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangaf dient het college van burgemeester en wethouders verantwoording af te leggen aan haar gemeenteraad. Het is aan de gemeenteraad om het college aan te spreken op haar handelen.
Bent u bereid om op korte termijn in gesprek te gaan met de gemeente Rijswijk om opheldering te vragen over deze gang van zaken en de Kamer hierover te informeren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht ‘Basisscholen onder vuur wegens beschuldiging discriminatie: 'Willen witte scholen wit houden'’ |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Basisscholen onder vuur wegens beschuldiging discriminatie: «Willen witte scholen wit houden»»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Hoe duidt u de onacceptabele situatie die geschetst wordt in het bericht, waarin kinderen mogelijk wegens hun migratieachtergrond worden geweigerd of ontmoedigd bij toelating tot basisscholen?
Naar aanleiding van uw vragen is vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) contact opgenomen met het verantwoordelijke bestuur, stichting Prohles. Het bestuur geeft aan dat het, na het besluit over de voorgenomen sluiting van de Sjaloomschool, samen met de directeuren van de andere Prohles-scholen een plek heeft gezocht voor de leerlingen die een nieuwe plaatsing nodig hebben. Daarbij is afgesproken dat niemand op voorhand zou worden geweigerd. Ouders kregen een advies over welke school (of scholen) voor hun kind(eren) plek heeft volgend schooljaar en de ouders zijn uitgenodigd om daar te gaan kijken. Ouders zijn soms bij een andere school langsgegaan dan de school die hen was aangeraden en kregen daar te horen dat er geen plek was voor hun kind(eren).
In het eerdergenoemde contact met Prohles, heeft Prohles aangegeven dat dit enkel te maken had met de capaciteit van de betreffende klas of klassen. Toch hebben sommige ouders dat anders gehoord of ervaren. Prohles heeft de scholen daarop aangesproken dat geen enkele leerling op voorhand zou worden geweigerd. Daarna heeft Prohles een ouderavond georganiseerd. Prohles garandeert dat alle kinderen een plek krijgen, rekening houdend met de voorkeur van de ouders.
Naar aanleiding van de voorgenomen sluiting van de Sjaloomschool en het signaal uit de media is er veelvuldig contact geweest vanuit de Inspectie van het Onderwijs met de school en het bestuur. De Inspectie is tevreden over de stappen die het bestuur sindsdien richting de school en ouders heeft gezet en ziet geen reden om handhavend op te treden.
Deelt u de mening dat discriminatie en racisme geen rol mogen spelen in het toelatingsproces van basisscholen?
Ja. Discriminatie op basis van afkomst is in Nederland verboden. Afkomst mag nooit reden zijn om een kind de toegang tot een school te weigeren. Wat de intenties of afspraken ook waren in de geschetste situatie, het is hoe dan ook pijnlijk dat deze Katwijkse ouders en kinderen het zo hebben beleefd.
Een school mag alleen bij uitzondering om bepaalde redenen toelating weigeren. Het gaat dan bijvoorbeeld om gebrek aan capaciteit.
Bijzondere scholen mogen onder strikte voorwaarden bij toelating tot of deelname aan het onderwijs onderscheid maken op basis van religie of levensovertuiging, voor zover een dergelijk onderscheid een relatie heeft met de grondslag van de school. Deze voorwaarden zijn neergelegd in met name artikel 7, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling.2
Worden signalen van discriminatie wegens een migratieachtergrond bij toelating tot het onderwijs actief gemonitord?
Meldingen van discriminatie en racisme worden door verschillende bevoegde instanties bijgehouden. Het College voor de Rechten van de Mens (CvdRM) en de antidiscriminatievoorzieningen, zoals bedoeld in de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen, maken in rapportages van ontvangen meldingen een uitsplitsing naar discriminatiegrond en het domein waarop dit zich afspeelt. Het College voor de Rechten van de Mens laat weten dat deze cijfers vanwege het zeer geringe aantal verzoeken om een oordeel over discriminatie in het onderwijs niet verder worden uitsplitst naar subcategorieën, zoals de toelating tot het onderwijs. De antidiscriminatievoorzieningen ontvingen in 2025 in totaal negen meldingen over discriminatie bij toelating tot onderwijs wegens een migratieachtergrond. De Inspectie van het Onderwijs blijkt vorig jaar 55 meldingen te hebben ontvangen over toelatingen in het primair onderwijs. Signalen over discriminatie ontvangt zij zelden.
Zo ja, heeft u concrete cijfers van meldingen van (vermoedens van) discriminatie bij toelatingen tot onderwijs, bijvoorbeeld via de inspectie, de ouders, het onderwijs of het College van de Rechten van de Mens?
Zie antwoord vraag 4.
Zo niet, bent u van plan om meldingen van discriminatie bij toelatingen tot onderwijs actief te monitoren?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u voornemens maatregelen te treffen om discriminatie van leerlingen bij toelating tot het onderwijs tegen te gaan? Zo ja, welke?
Er is voorzien in verschillende instrumenten om discriminatie, ook bij de toelating tot scholen, tegen te gaan. De betreffende wetgeving hierover is duidelijk. Daarnaast blijken de huidige instrumenten toereikend om vermoedens van discriminatie bij toelating tot het onderwijs aan te pakken.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om scholen te verplichten om in een openbaar register of op hun website actueel inzicht te geven in de beschikbare capaciteit per school of leerjaar, zodat voor ouders transparant is wanneer een school daadwerkelijk vol is en wordt voorkomen dat het argument van «geen beschikbare plaatsen» selectief wordt gebruikt?
Naar aanleiding van de motie Krul3 verkent het Ministerie van OCW of scholen verplicht kunnen worden het aantal beschikbare plaatsen openbaar te maken. Uw Kamer wordt hierover geïnformeerd in de jaarlijkse Kamerbrief over passend en inclusief onderwijs.
Hoe weegt u de leerplicht en het recht op onderwijs tegenover het weigeren van leerlingen op basis van hun afkomst?
Het weigeren van leerlingen op grond van afkomst is discriminatie en niet toegestaan op grond van de Algemene wet gelijke behandeling.
Welke mogelijkheden hebben ouders wanneer zij vermoeden dat hun kind ongelijk wordt behandeld bij toelating tot een school?
Ouders hebben bij een dergelijk vermoeden veel mogelijkheden.
Met het wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs, dat momenteel aanhangig is bij uw Kamer, doet de regering voorstellen om de klachtenprocedure te herzien.
Hoe wordt toezicht gehouden op toelatingsbeleid van scholen, en welke rol speelt de Inspectie van het Onderwijs hierbij?
De Inspectie van het Onderwijs ziet toe op de naleving van de onderwijswetten. Het toezicht van de Inspectie op het toelatingsbeleid is signaalgericht. Als de Inspectie een melding krijgt van mogelijke discriminatie bij toelating, neemt zij contact op met het bestuur. Doorgaans merkt de Inspectie dat besturen de wettelijke vereisten respecteren bij het vormgeven van hun toelatingsbeleid. De Inspectie kan de melding nader onderzoeken en indien het bestuur de onderwijswetgeving niet heeft nageleefd ook handhaven. De inspectie stelt hierbij een wettelijke tekortkoming vast en geeft het bestuur de opdracht om dit te herstellen.
Het bericht ‘Bewoners Westerdraai in Appingedam blokkeren straat voor bouwverkeer’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bewoners Westerdraai in Appingedam blokkeren straat voor bouwverkeer» en wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ken het bericht. Ik begrijp de frustratie van bewoners heel goed. De situatie laat goed zien dat de versterking een complex, langdurig en ingrijpend proces is voor bewoners en omwonenden. Ook zie ik dat de verschillen in deze buurt leiden tot sociale onrust. Het is belangrijk om deze bewoners duidelijkheid te geven over de vervolgstappen.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in één wijk, Westerdraai in Appingedam, 98 woningen worden gesloopt voor sloop/nieuwbouw, terwijl 52 woningen (nog) niet worden gesloopt?
Erkent u dat dit beleid leidt tot verschillen tussen bewoners binnen dezelfde wijk en daarmee bijdraagt aan de groeiende ongelijkheid onder gedupeerden?
Wanneer kunnen de 52 huishoudens die (nog) niet in aanmerking komen voor sloop/nieuwbouw duidelijkheid verwachten?
Hoe kijkt u aan tegen de onzekerheid die dit beleid oplevert voor bewoners van wie de woning (nog) niet wordt gesloopt?
Is het tegengaan van de steeds groeiende ongelijkheid ook prioriteit voor u?
Ja, het zoveel mogelijk verkleinen van verschillen heeft voor mij hoge prioriteit. Daarom zet ik de aanpak voort die door mijn ambtsvoorgangers is ingezet.
Zet u de ambitie van uw ambtsvoorganger voort om verschillen zoveel mogelijk te verkleinen?2
Zie antwoord vraag 6.
Hoe verhoudt de gecreëerde ongelijkheid in de wijk Westerdraai in Appingedam zich tot maatregel 12, «Meer maatwerk om verschillen tegen te gaan», uit Nij Begun?3
Voor de aanpak van verschillen richt het kabinet zich op het creëren van een gelijkwaardige uitkomst voor alle bewoners in het gebied. Dit zoals ook geadviseerd door de commissie van Geel. Dat betekent voor deze bewoners dat ze een volledige vergoeding krijgen voor het isoleren en ventileren van de woning tot aan de isolatiestandaard.
Tegelijkertijd constateert de commissie dat in buurten waar veel sloop-nieuwbouw plaatsvindt het kan zijn dat deze gelijkwaardige uitkomst onvoldoende tegemoet komt aan de verschillen in die buurt. Om vast te stellen of dit aan de orde is hebben de gemeenten en NCG de eerder genoemde routekaart ontwikkeld. Met het doorlopen van deze routekaart wordt, zoals aangegeven in maatregel 12 van Nij Begun, daar waar nodig maatwerk geboden om verschillen te verkleinen.
Bent u bereid extra budget beschikbaar te stellen zodat de hele wijk sloop/nieuwbouw krijgt conform maatregel 12 van Nij Begun, «Het kabinet stelt extra budget beschikbaar zodat de NCG bijvoorbeeld sloop/nieuwbouw kan aanbieden op plekken waar verschillen tussen bewoners tot onbegrip en sociale spanningen hebben geleid»? Zo nee, waarom niet?
Voor het verkleinen van de onaanvaardbare verschillen in de versterking heeft het kabinet € 240 miljoen vrijgemaakt. Dit is bovenop de middelen voor het dempen van verschillen die als onderdeel van het bestuurlijke afspraken 2020 aan gemeenten beschikbaar is gesteld met hetzelfde doel, namelijk het verkleinen van verschillen in de regio. Met deze middelen kunnen we betekenisvolle stappen zetten in het verkleinen van verschillen. Indien er tekorten hierbij ontstaan dan gaat het Kabinet op zoek naar oplossingen.
Kunt u toelichten in hoeverre de regeringscommissaris ruimte heeft om zelfstandig keuzes te maken, en in welke mate is hij daarbij gebonden aan de coalitieafspraken die in Den Haag zijn gemaakt?
Op 13 maart is uw Kamer geïnformeerd over de profielschets voor de regeringscommissaris4. Daarin staat dat een duidelijke opdracht en mandaatverlening aan de regeringscommissaris essentieel is. Na aanstelling van de regeringscommissaris zal de opdracht worden opgesteld, zodat duidelijk is wat er van de regeringscommissaris wordt verwacht en binnen welke kaders hij of zij handelt. Daarom is het op dit moment te vroeg om al een uitspraak te doen over het mandaat van de regeringscommissaris. Wel kan ik zeggen dat de regeringscommissaris handelt onder mijn volledige ministeriële verantwoordelijkheid. Dat betekent dat de regeringscommissaris zich net als ik aan het regeerakkoord moet houden. Wel kan de regeringscommissaris gevraagd of ongevraagd advies uitbrengen. Dit advies kan mij aanleiding geven om binnen het Kabinet het gesprek aan te gaan, over wat er nodig is om dit advies uit te voeren.
Heeft de regeringscommissaris bijvoorbeeld het mandaat om te besluiten om de hele wijk Westerdraai sloop/nieuwbouw aan te bieden?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het plenaire debat over de wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen?
Ja.
Bent u bekend met het rapport ‘The Foreign Censorship Threat, Part II: Europe’s Decade-Long Campaign to Censor the Global Internet and how it harms American Speech in the United States’ van de Committee on the Judiciary van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, waarin wordt ingegaan op het signaleren en/of «flaggen» van berichten op sociale media door overheden en Europese instellingen?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u bevestigen of, en zo ja op welke wijze, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en/of andere ministeries contact hebben gehad met de Europese Commissie over het signaleren, «flaggen» of laten verwijderen van berichten op sociale media?
Zoals uitgelegd in de Kamerbrief van 9 januari 2026 over de evaluatie Tweede Kamerverkiezing 28 oktober 2025 maakt het Ministerie van BZK het contact met de platformen na afloop van de verkiezingen openbaar in een rapport via de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.2 De Europese Commissie speelt hierin geen rol. Het ministerie heeft met de platformen van X, Meta, TikTok, Google en Snapchat de vrijwillige afspraak dat zij meldingen van het Ministerie van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelden. Hierbij blijft het platform te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de afhandeling en de beoordeling van de melding die gedaan wordt, in relatie tot geldende regelgeving en de gebruikersvoorwaarden. Het Ministerie van BZK heeft geen bevoegdheid content te laten verwijderen.
Klopt het dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties door de Europese Commissie is aangewezen als zogenoemde «trusted flagger» onder de Digital Services Act? Zo ja, op basis van welke bevoegdheid of afspraak is deze rol aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegekend?
Nee, de Europese Commissie heeft BZK niet aangewezen als «trusted flagger». Zoals reeds aangegeven in mijn brief van 4 maart jl. aan uw Kamer is deze rol toebedeeld aan de ACM.3 BZK heeft een vrijwillige afspraak met enkele platformen, zoals uitgelegd in het antwoord op vraag 2. Dit noemen we de «verkiezingen flagger status».
Kunt u een overzicht geven van alle relevante informatie tussen Nederlandse ministeries en de Europese Commissie over het «flaggen», modereren of verwijderen van sociale-mediaberichten met betrekking tot de laatste Kamerverkiezingen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Hoeveel sociale-mediaberichten zijn door Nederlandse overheidsinstanties of via samenwerking met Europese instellingen gemarkeerd of «geflagged» bij sociale-mediaplatforms? Bij welke sociale-mediaplatforms zijn deze meldingen gedaan? Hoeveel van die «geflagde» berichten zijn daadwerkelijk door de betreffende sociale-mediaplatforms verwijderd, verborgen, gedeprioriteerd of anderszins beperkt in zichtbaarheid?
Zie de brief aan uw Kamer van 9 januari jl. van mijn ambtsvoorganger met als bijlage het rapport over de inzet van de verkiezingen flagger status.4 Zie ook mijn brief van 4 maart jl. aan uw Kamer met een reactie op vragen van het lid Stöteler (PVV) over de inzet van de flagger status door BZK.5 Hierin is vermeld dat de flagger status tweemaal is ingezet bij de Tweede Kamerverkiezing in 2025. Eenmaal richting X en eenmaal richting Meta.
Op basis van welke criteria of richtlijnen werden berichten «geflagged» of gemeld bij sociale-mediaplatforms, en in hoeveel gevallen ging het bij de gemelde berichten om politieke uitingen, meningen of bijdragen aan het politieke debat?
In het rapport dat op 9 januari jl. met uw Kamer is gedeeld, is te lezen dat het Ministerie van BZK niet kijkt naar en geen uitspraken doet over verkiezingsbeloften of politieke of maatschappelijke uitingen.6 Het Ministerie van BZK zet de verkiezingen flagger status met grote terughoudendheid in en alleen wanneer berichtgeving op sociale media platformen de integriteit van het verkiezingsproces mogelijk in gevaar brengt. Bijvoorbeeld bij berichtgeving over een verkeerde verkiezingsdatum, of feitelijk onjuiste informatie over hoe en waar te stemmen.
Bent u het eens dat het meer dan onwenselijk is dat overheden, Europese instellingen of door hen aangewezen organisaties invloed uitoefenen op de moderatie van politieke content op sociale media, met name in de aanloop naar verkiezingen?
Ik hecht aan een open publiek debat, waar politieke uitingen een essentieel onderdeel van zijn. Er wordt door BZK niet gemodereerd op politieke content, zoals vermeld in het antwoord op vraag 6. Wel vind ik het belangrijk, zoals aangegeven in mijn brief van 4 maart jl. aan uw Kamer, dat platformen hun verantwoordelijkheid nemen voor het beschermen van het publieke debat en het verkiezingsproces onder de Europese digitale wetgeving, en voert het kabinet daarover ook gesprekken met de platformen.7 Het kabinet steunt de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Europese Commissie volledig in hun toezichthoudende taken.
Deelt u de mening dat de vrijheid van meningsuiting hét fundament van onze vrije samenleving is en moet blijven? Zo ja, hoe borgt u dat? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het van belang dat rekening wordt gehouden met alle toepasselijke grondrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting. Dit blijkt onder meer uit de wijze waarop de Digital Services Act (DSA) is ingericht. Niets in de DSA verplicht platformen ertoe legale content te verwijderen, en overheden krijgen nadrukkelijk geen bevoegdheden om informatie te laten verwijderen.
Strafbare acties van Extinction Rebellion en het blokkeren van scholen in Amsterdam |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat activisten van Extinction Rebellion in de nacht van 4 op 5 maart 2026 meerdere middelbare scholen in Amsterdam hebben geblokkeerd door sloten dicht te lijmen en kettingen om schoolhekken te leggen, waardoor de toegang tot de gebouwen werd verhinderd?1
Ja.
Deelt u de mening dat het dichtlijmen van sloten, het blokkeren van de toegang tot gebouwen en het veroorzaken van schade aan eigendommen simpelweg strafbare feiten zijn en niets te maken hebben met het recht op demonstratie?
Ik sluit me aan bij de woorden van de burgemeester van Amsterdam, die de actie nadrukkelijk afgekeurd heeft en heeft aangegeven dat dit niets met demonstratievrijheid te maken heeft. Demonstreren is een groot goed in onze democratische rechtsstaat. Het biedt veel ruimte voor diverse soorten acties, mits dit vreedzaam en binnen de grenzen van de wet gebeurt. Het plegen van geweld, intimidatie of, zoals in dit geval vernielingen hoort daar niet bij.
Hoe beoordeelt u het feit dat Extinction Rebellion zelf aangeeft dat deze actie «nog maar het begin» is en dat verdere ontwrichtende acties worden aangekondigd?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel aanhoudingen zijn er verricht naar aanleiding van deze actie en welke strafbare feiten worden de betrokken activisten precies ten laste gelegd?
Op dit moment zijn er nog geen aanhoudingen verricht.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de volledige schade, herstelkosten en politie-inzet op de daders en de organisatie worden verhaald, zodat niet de samenleving maar de veroorzakers betalen?
Het uitgangspunt is dat schade zoveel mogelijk op de daders wordt verhaald. Momenteel zijn er nog geen aanhoudingen verricht en zijn er geen verdachten in beeld. Daarmee ontbreekt op dit moment de mogelijkheid om schade te verhalen. Mocht alsnog uit onderzoek blijken wie verantwoordelijk is, dan wordt uiteraard bezien of schade op hen kan worden verhaald.
Het is aan de scholen zelf om te besluiten om over te gaan tot aangifte, evenals het verhalen van eventuele materiële schade op de vermeende daders. Het kabinet houdt niet bij wanneer en waarvan scholen aangifte doen. Het kabinet vindt het belangrijk dat daders die schade veroorzaken, deze zoveel mogelijk vergoeden en stimuleert dan ook het doen van aangifte bij vermoedens van strafbare feiten. Om schade te kunnen verhalen, moet wel duidelijk zijn wie voor de schade verantwoordelijk is. Het is helaas niet altijd mogelijk om aan te tonen wie welke schade heeft aangericht. Schadeverhaal op de daders zonder dat hun identiteit bekend is, is niet mogelijk.
Ziet u aanleiding om te onderzoeken of artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek moet worden aangepast of uitgebreid zodat ook organisaties die structureel maatschappelijke ontwrichting of chaos nastreven, maar op dit moment misschien niet direct onder de reikwijdte van dit wetsartikel vallen, effectiever kunnen worden verboden?
Wanneer er daadwerkelijk strafbare feiten worden gepleegd, biedt de wet nu al voldoende middelen om daartegen op te treden.
Wat gaat u verder concreet doen tegen deze anarchistische organisatie die herhaaldelijk strafbare en ontwrichtende acties organiseert en welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat Extinction Rebellion opnieuw publieke voorzieningen kan blokkeren en de openbare orde kan verstoren?
De beoordeling of er in een concreet geval is van strafbare feiten is aan het OM, en uiteindelijk aan de rechter. Het is aan het lokaal gezag om demonstraties te faciliteren en waar nodig maatregelen te treffen als de openbare orde in het gevaar is.
De stand van zaken van de Modernisering Wet op de lijkbezorging. |
|
Renilde Huizenga (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de laatste stand van zaken met betrekking tot de modernisering van de Wet op de lijkbezorging (Wblo)?
Inmiddels zijn de consultatiereacties vrijwel geheel verwerkt in het wetsvoorstel. De indiening ervan bij de Raad van State is vertraagd omdat de financiële dekking van het wetsvoorstel nog niet rond is. Een ordentelijk dekking voor het wetsvoorstel is uiteraard een harde voorwaarde voordat het voorstel aan de Raad van State kan worden voorgelegd. Hierover ben ik in gesprek met mijn collega’s van VWS en JenV. Ik streef ernaar om de dekking voor het wetsvoorstel uiterlijk bij de ontwerpbegroting in september te verwerken.
Waarom heeft de aanbieding van het wetsvoorstel Wblo aan de Kamer tot op heden niet plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u de ingekomen reacties op de internetconsultatie?
Er zijn veel uiteenlopende en ook uitgebreide reacties binnengekomen tijdens de consultatie. Deze reacties zijn vrijwel geheel verwerkt. Ik wil hier nu niet op vooruit lopen. Op het moment dat het wetsvoorstel wordt aangeboden aan de Raad van State wordt het wetsvoorstel en de bijbehorende memorie van toelichting weer openbaar. In deze toelichting wordt uitgebreid gereflecteerd op de ontvangen reacties en wordt toegelicht tot welke aanpassingen dit eventueel heeft geleid. Tevens zal er een verslag worden gepubliceerd van de consultatiereacties.
Bent u nog steeds voornemens de Wblo in het eerste kwartaal van 2026 aan de Raad van State ter advisering voor te leggen?
Kunt u een beoogd tijdpad uiteenzetten voor de verdere behandeling van de Wblo?
Welke stappen gaat u ondernemen om dit tijdpad daadwerkelijk te realiseren? Hoe gaat u voorkomen dat de wetsbehandeling wederom vertraging oploopt?
In hoeverre ziet u mogelijkheden om vooruitlopend op de afronding van de wetsbehandeling een gedoogbeleid ten aanzien van de Wblo te hanteren?
Ik begrijp dat er een maatschappelijke wens is om resomeren zo snel als mogelijk toe te staan. Ik zie echter geen ruimte voor een gedoogbeleid. Het wetgevingsproces en het primaat van de wetgever vormen een noodzakelijke waarborg voor een zorgvuldige en respectvolle omgang met de lichamen van overledenen waarop het wetsvoorstel betrekking heeft.
De beoordeling van de toelaatbaarheid van deze nieuwe techniek in het kader van het wetsvoorstel ter modernisering van de Wlb vereist een zorgvuldig democratisch proces, waarin uiteenlopende politieke, maatschappelijke en ethische belangen expliciet worden afgewogen.
Het hanteren van een gedoogbeleid vooruitlopend op parlementaire besluitvorming zou afbreuk doen aan deze systematiek en aan het primaat van de wetgever. Juist waar het gaat om ingrijpende beslissingen rond lijkbezorging, een onderwerp dat raakt aan de menselijke waardigheid, de grafrust en de nagedachtenis van de overledene, is een duidelijke en expliciete wettelijke grondslag vereist. Het is aan de regering én het parlement als formele wetgever om ter zake de noodzakelijke waarborgen, voorwaarden en grenzen vast te stellen. Het past niet om via bestuurlijk gedogen een materiële uitbreiding van bevoegdheden te realiseren waarvoor de wet thans geen toereikende basis biedt. Rechtszekerheid en democratische legitimatie vergen hier terughoudendheid van het bestuur.
Toezichtrapport 83 |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Is het correct dat de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) op pagina 9 van Toezichtrapport 83 het volgende schrijft: «De CTIVD heeft door middel van zelfstandig onderzoek in de systemen van de AIVD vastgesteld dat binnen de onderzoeksperiode personen onderwerp van onderzoek zijn geweest die kritiek hadden geuit op het coronabeleid.»?
De parlementaire enquêtecommissie van de Tweede Kamer heeft de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) verzocht te verkennen of er aanleiding is om onderzoek te doen naar het handelen van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gericht op critici van en protest tegen coronabeleid.
De CTIVD vat op pagina 3 het volgende samen: «De CTIVD heeft vastgesteld dat het louter uiten van coronakritiek in geen enkel geval aanleiding is geweest onderzoek te doen. In alle gevallen was er sprake van een vermoeden van een dergelijk gevaar dat voortkwam uit uitspraken of gedragingen. Deze uitspraken of gedragingen waren bijvoorbeeld gericht op geweld, het verspreiden van angst of desinformatie, het zaaien van haat of een combinatie van het voorgaande. Gezien het felt dat de diensten een taak hebben om vast te stellen of een vermoedelijke dreiging voor de nationale veiligheid, de democratische rechtsorde of defensiebelangen zich ook daadwerkelijk voordoet, waren er gegronde redenen om deze personen te onderzoeken.»
Op pagina 19 concludeert de CTIVD De diensten hebben de wettelijke taak om onderzoek doen naar personen die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de nationale veiligheid, democratische rechtsorde of voor defensiebelangen. Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat in de onderzoeksperiode anti-overheids-extremisme onderdeel uitmaakte van deze taak. In dat kader hebben de diensten ook onderzoek gedaan naar personen, waarbij ook personen zijn onderzocht die zich kritisch hebben uitgelaten over het coronabeleid. Bij geen van deze personen was die kritiek als zodanig de aanleiding om een onderzoek te starten of bevoegdheden in te zetten.»
Wat vindt u hiervan? Is het wenselijk, in een (formeel) vrije en open samenleving, dat kritische burgers door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) in de gaten worden gehouden simpelweg omdat ze kritisch zijn op het regeringsbeleid?
Dit wordt niet door de CTIVD geconcludeerd. Zie antwoord op vraag 1.
Is het correct dat de CTIVD in dit rapport concludeert dat coronacritici onderzocht mogen worden door de inlichtingendiensten als hun kritiek wordt gezien als een vorm van «desinformatie» of een «complottheorie»?
Nee, zie ook het antwoord op vraag 1. Daarnaast benoemt de CTIVD dat de diensten personen in onderzoek nam, enkel wanneer zij aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormden voor de nationale veiligheid, de democratische rechtsorde of voor defensiebelangen, zoals wettelijk vastgesteld in de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) 2017.
Kunt u een lijst verschaffen met beweringen van coronacritici die door de inlichtingendiensten worden gezien als «desinformatie» of een «complottheorie» en daarmee een onderzoek door de inlichtingendienst naar de Nederlandse burger die die kritiek uit kan rechtvaardigen?
De AIVD kan onderzoek doen zoals beschreven in de WIV 2017. Het is casusafhankelijk of dit in een individueel geval aan de orde is en over de werkwijze die daarbij wordt gehanteerd kan vanwege dezelfde WIV 2017 geen mededeling worden gedaan.
Bent u van mening dat een machtig internationaal netwerk dat gebruik maakt van (seksuele) chantage als drukmiddel (bijvoorbeeld het netwerk van Jeffrey Epstein) een gevaar kan opleveren voor onze democratische rechtsorde?
Er is sprake van een dreiging voor de democratische rechtsorde wanneer de democratische rechtstaat en de open samenleving onder druk staat. Of er sprake is van een gevaar voor de democratische rechtsorde is afhankelijk van de daadwerkelijke gedragingen die worden ondernomen en welke intenties daar achter zitten.
Verricht de AIVD onderzoek naar dit soort netwerken in het algemeen en het netwerk van Epstein in het bijzonder? Zo nee, waarom niet?
Vanwege de WIV 2017 kan ik, in het openbaar geen uitspraken doen over al dan niet lopende onderzoeken bij de diensten.
Zou de AIVD, wat u betreft, onderzoek moeten doen naar dit soort internationale machtsnetwerken die een gevaar kunnen vormen voor onze democratische rechtsorde? Meer specifiek: zou de AIVD niet veel en veel beter onderzoek kunnen gaan doen naar bijvoorbeeld het netwerk van Epstein en de mogelijk corrumperende werking daarvan op onze democratie in plaats van kritische burgers die waarschuwen voor dit soort netwerken (van kwaadaardige elites welteverstaan) te onderzoeken omdat deze kritische burgers daarmee «complottheorieën» aanhangen en een «kwaadaardig elite-narratief» verspreiden?
De AIVD kan, op basis de WIV 2017, onderzoek verrichten met betrekking tot alle organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de nationale veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat.
Bent u bekend met het recent gepubliceerde Amerikaanse onderzoeksrapport d.d. 3 februari jl. The foreign censorship threat, part II: Europe’s decade-long campaign to censor the global internet and how it harms American speech in the United States, waarin wordt verwezen naar Europese en nationale betrokkenheid bij moderatie van politiek-inhoudelijke uitingen op sociale media?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u het feit dat de EU in 2023 een handboek opstelde voor techbedrijven om te modereren bij de volgende onderwerpen: «populist rhetoric», «anti-government/anti-EU»-content, «anti-elite»-content, «political satire», «anti-migrants and Islamophobic content», «anti-refugee/immigrant sentiment», «anti-LGBTIQ... content» en «meme subculture»?2 Kunt u uw antwoord toelichten?
Het opgestelde handboek in 2023 van de Europese Unie (EU) heeft betrekking op zogeheten borderline content. Hoewel borderline content geen strikt illegaal karakter heeft en niet per definitie tot geweld hoeft te leiden, kan zij de veiligheid van burgers en instituties ernstig ondermijnen. Dit kan bijvoorbeeld doordat dergelijke uitingen aanzetten tot haat of opruiing, of doordat extremistisch gedachtengoed erdoor wordt genormaliseerd. Dit type content draagt bij aan radicaliseringsprocessen en is zeer zorgelijk. Het EU-handboek betreft een niet-bindende leidraad voor online platformen bij het omgaan met online risico’s, en daarmee het voorkomen dat de veiligheid van burgers en instituties wordt ondermijnd door terroristische en schadelijke content. In het kader van dit EU-handboek staat de vrijheid van meningsuiting centraal: uitingen zoals politieke satire, kritiek op de overheid of zogenoemde populistische retoriek maken deel uit van het democratisch debat.
Hoe beoordeelt u het feit dat de EU via de Permanent Task-Force Crisis Response Group «desinformatie bestreed» op het gebied van onderwerpen zoals bijvoorbeeld COVID-19 en een potentieel verband tussen de sancties tegen Rusland en de Europese energiecrisis? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het staat de Europese Commissie vrij om haar eigen werkprocessen en informatiestromen vorm te geven in lijn met de in de Verdragen neergelegde bevoegdheden. Het instellen van een interne taskforce om de EU Code of Practice on Disinformation effectief uit te werken valt binnen deze bevoegdheid.
Acht u het wenselijk dat de EU techbedrijven aanmoedigt dan wel opdraagt zich te bemoeien met legale, niet-gewelddadige politieke uitingen op sociale media? Kunt u uw antwoord toelichten?
De EU draagt techbedrijven niet op om zich te bemoeien met legale, niet-gewelddadige politieke uitingen op sociale media. Wel is er de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA»), die voorschrijft dat zogenaamde zeer grote online platforms de systeemrisico’s, die voortvloeien uit het ontwerp of de werking van hun diensten, moeten identificeren. En waar nodig maatregelen te nemen. Hieronder vallen ook negatieve effecten op het publieke debat en verkiezingsproces. Of sprake is van systeemrisico’s, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval en dat moet in eerste instantie door het platform zelf beoordeeld worden. Het kabinet staat achter deze wetgeving. Daarbij is het uiteraard van belang dat rekening wordt gehouden met alle toepasselijke grondrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting. Dit brengt bijvoorbeeld mee dat maatregelen tegen schadelijke content niet zozeer gericht zullen zijn op het verwijderen van die content, maar bijvoorbeeld op het markeren daarvan.
Kunt u aangeven of het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 2023 door de Europese Commissie is aangewezen als «trusted flagger» in het kader van de Digitale Dienstenverordening (DSA)? Zo ja, per welke datum gold deze aanwijzing en welke bevoegdheden en taken waren daaraan verbonden?
Dit klopt niet. De Europese Commissie kan deze status ook niet verlenen binnen de DSA. Dit is toebedeeld aan de nationale toezichthouder op basis van de DSA. Wel heeft het ministerie met de platformen van X, Meta, TikTok, Google, en Snapchat de vrijwillige afspraak dat zij meldingen van het Ministerie van BZK gedurende de verkiezingsperiode met prioriteit behandelden. Hierbij blijft het platform te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de afhandeling en de beoordeling van de melding die gedaan wordt, in relatie tot geldende regelgeving en de gebruikersvoorwaarden.
Het Ministerie van BZK heeft via deze kanalen geen bevoegdheid content te laten verwijderen.
Kunt u inzicht geven in het aantal en het type meldingen dat door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, of namens Nederland, als «trusted flagger» is gedaan bij sociale mediaplatforms in de periode voorafgaand aan de Tweede Kamerverkiezingen van 2023 en 2025? Kunt u daarbij specificeren in hoeverre deze meldingen betrekking hadden op politieke of maatschappelijke uitingen? Kan de Kamer deze meldingen ontvangen of vertrouwelijk inzien? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van BZK maakt het contact met de platformen na afloop van de verkiezingen openbaar in een rapport via de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.3 In dit rapport is te lezen dat het Ministerie van BZK niet kijkt naar en geen uitspraken doet over verkiezingsbeloften of politieke of maatschappelijke uitingen. Het Ministerie van BZK zet dit middel met grote terughoudendheid in en alleen wanneer berichtgeving op sociale media platformen de integriteit van het verkiezingsproces mogelijk in gevaar brengt. Bijvoorbeeld bij berichtgeving over de verkeerde verkiezingsdatum, of feitelijk onjuiste informatie hoe en waar te stemmen.
Hoe beoordeelt u de rol van ministeries als «trusted flagger» in perioden waarin verkiezingen plaatsvinden? Erkent u dat hier automatisch sprake is van conflicterende belangen, aangezien de Minister van Binnenlandse Zaken tijdens verkiezingen het risico loopt te worden weggestemd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik kan mij hier niet in vinden. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 neemt het Ministerie van BZK enkel contact op met een platform wanneer er een risico bestaat voor de organisatie, uitvoering en integriteit van het verkiezingsproces.
Een voorbeeld van de inzet van de flagger status bij de Provinciale Staten en waterschapsverkiezingen in 2023: Het Ministerie van BZK heeft bij X melding gemaakt van berichten die kiezers die op FvD zouden willen stemmen opriepen de naam van de landelijke fractievoorzitter op het stembiljet bij te schrijven. Het bijschrijven van een naam op een stembiljet leidt tot een ongeldige stem. In de evaluatie van deze verkiezing is deze melding aan de Tweede Kamer gerapporteerd.4
Kunt u toelichten in hoeverre Nederland, via overleg met de Europese Commissie of via directe contacten met socialemediaplatforms, betrokken is geweest bij afspraken of maatregelen over moderatie van uitingen in relatie tot verkiezingen of specifieke politieke onderwerpen zoals bijvoorbeeld de oorlog in Oekraïne, immigratie of het coronabeleid? Kunt u de Kamer informeren over de aard en omvang van deze betrokkenheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in vraag 6, kunt u het contact met de platformen terugvinden in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.
In het betreffende Amerikaans onderzoeksrapport wordt op pagina 106 geschreven dat «between 2023 and 2025, the Commission engaged with platforms and pressured them to aggressively censor content ahead of national elections in [...] the Netherlands [...]»: kunt u aangeven hoe u deze constatering beoordeelt, of u zich hierin herkent?
Het kabinet herkent zich niet in de uitspraken die worden gedaan in het rapport. Anders dan het rapport suggereert, schrijft de DSA geen censuur voor. De vrijheid van meningsuiting staat centraal in de DSA. De Europese Commissie is in gesprek gegaan met platformen over hun verantwoordelijkheden en verplichtingen op grond van de DSA. Het kabinet steunt de Europese Commissie volledig in het handhaven van de Europese digitale wetgeving, waaronder de DSA.
Kunt u de Kamer alle correspondentie doen toekomen tussen de Europese Commissie (of de EU in het algemeen) en het Ministerie van Binnenlandse Zaken (of Nederland in het algemeen) met betrekking tot «trusted flagger»-meldingen rond de verkiezingen van 2023 en 2025? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in vraag 6 is het contact met de platformen reeds openbaar gemaakt in de evaluatie van de desbetreffende verkiezing.
Klopt het, zoals op pagina 107 van het Amerikaanse overheidsrapport te lezen is, dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken aanwezig was bij de «Verkiezingsbijeenkomst TikTok», georganiseerd door de Europese Commissie in Den Haag op vrijdag 10 november 2023? Wat was de inbreng/rol van het ministerie tijdens deze bijeenkomst? Wie waren bij deze bijeenkomst aanwezig? Wat was het programma? Kunt u de Kamer de verslagen/notulen doen toekomen die zijn gemaakt tijdens deze bijeenkomst, evenals correspondentie voorafgaand aan en na afloop daarvan? Zo nee, waarom niet?
Dit klopt niet. De bijeenkomsten die het Ministerie van BZK heeft bijgewoond kunt u terugvinden in de Kamerbrief Contact platformen in aanloop naar TK25 verkiezing.5
Klopt het dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) zes weken voor de verkiezingen in 2025 een bijeenkomst heeft georganiseerd over de verkiezingen, in het kader van de DSA en met vertegenwoordigers van de Europese Commissie, Alphabet, Meta, Microsoft, TikTok en X? Klopt het dat hier is gesproken over het censureren van «schadelijke content» in het kader van de verkiezingen? Hoe werd «schadelijke content» gedefinieerd? Kunt u een aantal voorbeelden van dergelijke «schadelijke content» geven?
Op 15 september 2025 heeft de ACM een rondetafelbijeenkomst georganiseerd over de DSA en de Tweede Kamerverkiezing van 29 oktober 2025.6 Tijdens de bijeenkomst spraken de deelnemers met elkaar aan de hand van vier thema’s: synthetische (door AI-genereerde) content, aanbevelingssystemen (algoritmen), toegang tot data voor onderzoekers, en viraliteit. De nadruk lag onder andere op zaken als transparantie, de praktische uitvoerbaarheid van maatregelen en de mogelijke invloed op het verkiezingsproces. Zo werd er onder andere stilgestaan bij het risico van online bedreigingen van politici en journalisten en de maatregelen die platforms hiertegen nemen. Ook kwam de mogelijke impact aan bod van AI-gegenereerde antwoorden op platforms en zoekmachines op verkiezingsgerelateerde vragen over bijvoorbeeld partijprogramma’s en kandidaten. De ACM heeft kort na afloop van de bijeenkomst ook een verslag gepubliceerd, met daarin informatie over de deelnemers en de gespreksthema’s.
Welke afspraken zijn gemaakt tijdens de bijeenkomst genoemd in vraag 12? Kunt u de Kamer de gespreksverslagen/notulen van deze bijeenkomst doen toekomen, waaronder in elk geval de presentatie van de Europese Commissie, van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en van Manon Leijten (bestuurslid van de ACM)? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de rondetafel zijn er geen specifieke afspraken gemaakt tussen de ACM en aanwezigen. Doel van de rondetafel was kennisuitwisseling. De ACM heeft kort na afloop van de bijeenkomst ook een verslag gepubliceerd, met daarin informatie over de deelnemers en de gespreksthema’s.7 De Europese Commissie heeft tijdens de rondetafel uitleg gegeven over de werking van het raamwerk van relevante Europese regelgeving, waaronder de DSA en de Europese Verordening betreffende transparantie en gerichte politieke reclame (VPR). Hiervan zijn geen slides beschikbaar. Het Ministerie van BZK heeft een presentatie gegeven over de inrichting van het verkiezingsproces in Nederland. De daarbij gebruikte slides zijn opgenomen als bijlage. De ACM heeft de bijeenkomst geopend met een kort welkomstwoord en heeft de middag technisch voorgezeten. Er is vanuit de ACM geen presentatie gegeven.
Kunt u bovenstaande vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat criminelen een slaatje proberen te slaan uit de oververhitte woningmarkt |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Internetcriminelen profiteren van woningnood, politie waarschuwt voor nepverhuursites»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Wat vindt u van het grote aantal aangiften over nepverhuursites die zijn binnengekomen bij het Landelijk Meldpunt Internetoplichting en bij het klachtenloket ConsuWijzer van de Autoriteit Consument en Markt?
Het is natuurlijk zorgelijk dat mensen de huidige krapte op de woningmarkt misbruiken en zichzelf daarbij financieel verrijken ten koste van anderen. Het is daarom heel goed dat het Landelijk Meldpunt Internetoplichting van de politie, de Fraudehelpdesk en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) ieder vanuit hun eigen rol optreden tegen deze problematiek en, waar relevant, ook de samenwerking zoeken om verder slachtofferschap te voorkomen. Het is daarbij goed om een onderscheid te maken tussen oplichting/fraude enerzijds en misleiding anderzijds. Van fraude is sprake als er wordt voldaan aan art. 326 van het Wetboek van Strafrecht. Hierin staat beschreven dat er sprake moet zijn van een wederrechtelijk voordeel, dat er enige vorm van imitatie en/of een samenweefsel van listige kunstgrepen is gebruikt. Het niet nakomen van een overeenkomst of alleen het achterlaten van informatie valt niet hieronder. Mocht er sprake zijn van (een verdenking van) fraude, dan kan de politie een strafrechtelijk onderzoek instellen.
Er is sprake van misleiding indien een aanbieder valse of onvolledige informatie verstrekt over de belangrijkste kenmerken van zijn product of dienst. Ook is sprake van misleiding als een aanbieder informatie verstrekt die weliswaar strikt genomen juist is, maar die door een consument gemakkelijk verkeerd kan worden begrepen, bijvoorbeeld omdat de informatie onduidelijk, onbegrijpelijk of dubbelzinnig is. De ACM ziet toe op de naleving van regels over misleiding. Alle handelaren dienen zich aan de regels over misleiding van de ACM te houden, ook websites waar huurwoningen worden aangeboden. Als huurwoningwebsites zich niet aan de regels houden, kan de ACM handhavend optreden.
Sinds november 2016 zijn er 150 aangiften voor kamer- en woningverhuurfraude binnen gekomen bij de politie. De politie ziet geen toename in het aantal aangiftes van oplichting door websites met niet-bestaande woningen. De afgelopen jaren is het aantal aangiftes redelijk stabiel. Wel moet men er rekening mee houden dat het afgelopen jaar in het teken stond van thuiswerken en thuis studeren. De kans bestaat dat daardoor minder studenten op kamers zijn gegaan en daarmee ook in mindere mate is gezocht naar kamers, wat de kans op oplichting verkleint. Ook het aantal woningoverdrachten was vorig jaar laag2. De politie blijft actief het aantal aangiften monitoren.
De Fraudehelpdesk biedt fraudeslachtoffers een helpende hand door hen te adviseren en naar de juiste instantie te verwijzen. De Fraudehelpdesk probeert slachtofferschap te voorkomen door burgers en bedrijven bewust te maken van fraude-risico’s en praktische tips te geven over hoe zij die risico’s kunnen beperken. Het aantal meldingen bij de Fraudehelpdesk voor kamer- en woonverhuurfraude neemt af sinds 2019 (zie onderstaande tabel).
2019
2020
2021 tot 1 juni
Meldingen
383
271
101
Slachtoffers
146
101
33
Schadebedrag
234.105,–
185.930,–
57.135,–
ACM Consuwijzer heeft in de periode 2018 tot aan maart 2020 meer dan 300 meldingen ontvangen over huurwoningwebsites. De ACM heeft naar aanleiding van de ontvangen signalen recentelijk aangekondigd onderzoek te doen naar misleiding door huurwoningwebsites3. Dit onderzoek richt zich op abonnementen die aan consumenten worden aangeboden, waarbij de consument toegang krijgt tot informatie over het woningaanbod van derden, zoals verhuurmakelaars. Uit de signalen blijkt dat consumenten na het afsluiten van het abonnement niet in contact komen met de verhuurmakelaar, of dat de woning niet beschikbaar is of niet bestaat. Het betreffende onderzoek loopt nog. Wanneer de ACM tijdens een onderzoek of naar aanleiding van signalen vermoedens heeft van fraude of oplichting zal zij hierover contact zoeken met het Landelijke Meldpunt Internetoplichting, omdat de ACM niet bevoegd is om handhavend op te treden tegen fraude.
Deelt u de zorgen van de politie dat dit slechts het topje van de ijsberg betreft? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om de aangiftebereidheid bij online woonoplichting te verhogen?
Het is zorgelijk dat oplichters misbruik maken van woningzoekenden door inschrijvingsgelden te vragen voor websites met niet-bestaande woningen. Of dit het topje van de ijsberg is, kan ik op basis van de beschikbare gegevens niet vaststellen. Om meer inzicht te krijgen in de daadwerkelijke aantallen is het van belang dat slachtoffers zich melden bij de politie, de Fraudehelpdesk of de ACM. Om de aangiftebereidheid te vergroten wordt vaak online aangifte ingezet, omdat dit de drempel tot aangifte verlaagt. Het is al mogelijk om online aangifte te doen van online aankoop- en verkoopfraude waar ook oplichting door middel van nepverhuurwebsites onder valt. Andere manieren om aangiftebereidheid te vergroten voor kamer- en woonverhuurfraude is de bewustwording bij het publiek te vergroten, door naast de waarschuwingen, ook erop te wijzen dat het maken van een melding en aangifte doen van groot belang is. In de gerichte social media campagnes van scholieren.com en het Centrum van Criminaliteitspreventie en Veiligheid, in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, wordt hier aandacht aan besteed. Zie antwoord 4 & 7 voor de verdere toelichting over deze gerichte social media campagne.
Herinnert u zich de waarschuwing van de Fraudehelpdesk en de Woonbond uit 2019 dat oplichting via neppe verhuursites toeneemt?2Zo ja, welke maatregelen zijn er destijds genomen om deze vorm van woonfraude aan te pakken? Bent u van mening dat deze maatregelen het beoogde effect hebben gehad?
Ik herinner me de waarschuwing van de Fraudehelpdesk en de Woonbond uit 2019 nog goed. Mijn departement heeft hier direct op ingespeeld door opdracht te geven aan het CCV en het platform scholieren.com om een social mediacampagne uit te rollen op o.a. het druk bezochte social media account eindexamens. Dit was een gerichte preventieactie op de doelgroep eindexamen scholieren, die na de zomer startte met studeren in een nieuw stad en op zoek ging naar een kamer.
Ook de politie heeft via het social media account vraaghetdepolitie.nl jongeren gewaarschuwd voor kamerverhuurfraude. Deze gerichte social media campagne is afgelopen maand herhaald met het oog op de introductieweken van de universiteiten en hogescholen.
Het effect van deze preventieactiviteiten en interventies is lastig vast te stellen, omdat niet gemeten kan worden hoeveel oplichtingen hiermee voorkomen worden. Het aantal meldingen bij de Fraudehelpdesk voor kamer-/woningverhuurfraude neemt de afgelopen twee jaar wel af. Echter stond 2020 in het licht van thuiswerken en thuis studeren, waardoor de verwachting is dat minder studenten gezocht hebben naar een studentenkamer.
Deelt u de opvatting dat meer maatregelen tegen online woonoplichting noodzakelijk zijn? Zo ja, welke mogelijkheden zijn er om malafide verhuursites en de online oplichters achter deze websites harder aan te pakken?
Ik acht het niet noodzakelijk op dit moment om meer maatregelen te nemen tegen kamer- en woonverhuurfraude in strafrechtelijke zin. Er worden al verscheidene maatregelen genomen om kamer- en woningverhuurfraude tegen te gaan, zowel op het gebied van preventie als opsporing. Er wordt ingezet op het geven van voorlichting aan de mensen over de risico’s bij het zoeken naar een woning op het internet. Daarnaast zet de politie zich in op het uit de lucht halen van deze malafide websites. In 2021 heeft de politie voor drie websites actief een notice and take down doen uitgaan naar de hostingproviders. Deze website zijn dus uit de lucht gehaald. De overige elf websites die bekend zijn bij de politie waren slechts kort actief en online. Daarvoor was het niet nodig om een notice and take down uit te laten gaan. Naast het uit de lucht halen van deze websites is van belang dat de verhuurplatformen de maatregelen aanscherpen om oplichting en misleiding te voorkomen. Zoals eerder aangegeven heeft de ACM hier ook een onderzoek naar ingesteld.
Heeft u inzicht in het totaal aantal meldingen van oplichting via neppe verhuursites? Zo ja, is er sprake van een toename ten opzichte van voorgaande jaren? Zo nee, hoe bent u van plan beter inzicht te krijgen in het aantal oplichtingen via nepverhuursites?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de zorg van de politie en de ACM dat voornamelijk studenten die deze zomer op zoek gaan naar woonruimte het slachtoffer zullen worden van deze oplichtingspraktijken? Zo ja, hoe bent u van plan deze specifieke doelgroep te waarschuwen voor online woonoplichting en misleiding? Vraag 8 Kunt u de uitkomsten van het onderzoek dat op dit moment door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) wordt gedaan naar online woonoplichting de Kamer doen toekomen zodra deze beschikbaar zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat Vereniging Eigen Huis wordt overspoeld door klachten over makelaars |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Van prijsmanipulatie tot vriendjespolitiek: honderden klachten over makelaars»?1
Ja.
Wat vindt u van de grote hoeveelheid klachten die zijn binnengekomen bij het meldpunt van Vereniging Eigen Huis (VEH)?
Dat is tweeledig. Ten eerste ben ik Vereniging Eigen Huis dankbaar voor het
openen van het meldpunt en daarmee het inzichtelijker maken van de misstanden die momenteel spelen. Tegelijkertijd betreur ik het dat het meldpunt nodig is en dat er zo veel klachten zijn binnen gekomen.
Zoals eerder aangegeven in mijn brief van 22 april 2021 vind ik wanpraktijken bij makelaars ontoelaatbaar. Kopers en verkopers moeten ervan op aan kunnen dat makelaars integer handelen.2 Het meldpunt van VEH maakt inzichtelijk dat die integriteit niet vanzelfsprekend is.
Ik ga ervan uit dat de brancheorganisaties hun leden aanspreken op de meldingen en klachten en maatregelen treffen om dergelijke praktijken tegen te gaan. Ik blijf de komende tijd met brancheorganisaties en VEH in gesprek om te horen hoe er met de geconstateerde klachten om wordt gegaan. Daarnaast stel ik op dit moment samen met de sector nieuwe regels op om dergelijke misstanden in de toekomst te voorkomen.
Deelt u de opvatting van VEH dat door een gebrek aan regels en duidelijke afspraken veel makelaars over de grens gaan van wat ethisch toelaatbaar is? Zo ja, erkent u dat uw ministerie de verantwoordelijkheid heeft om kaders te stellen voor wat wel en niet toegestaan is binnen het (ver-)koopproces van een woning?
Vanuit de meldingen bij het meldpunt van VEH blijkt dat makelaars niet altijd integer handelen. Een gebrek aan regels in de sector speelt hierin inderdaad een belangrijke rol. Daarom stel ik op dit moment samen met de brancheorganisaties en andere organisaties waaronder Vereniging Eigen Huis duidelijke regels op voor een eerlijk, transparant en handhaafbaar koopproces.
Welke concrete afspraken zijn voortgekomen uit de gesprekken die u recent met de verschillende brancheorganisaties heeft gevoerd? Bent u van mening dat deze afspraken afdoende zijn om misstanden aan te pakken?
Omdat de gesprekken nog lopen kan ik geen uitspraken doen over de concrete uitkomsten. Wel kan ik alvast aangeven dat ik onder andere inzet op het standaard opnemen van voorbehouden van financiering en bouwtechnische keuring in het koopcontract, het direct schriftelijk bevestigen van biedingen om onderhandeling na het sluiten van de bieding te voorkomen en het verplicht en proactief inzicht geven in het verloop van het biedingsproces aan zowel verkoper als potentiële kopers. Ik zal uw Kamer dit najaar informeren over welke stappen ik en de sector gaan zetten om misstanden bij makelaars tegen te gaan.
Staat u nog achter uw uitspraak dat bij onvoldoende voortgang bij de aanpak van misstanden aanvullende maatregelen door het demissionaire kabinet niet zijn uitgesloten?2 Zo ja, deelt u de opvatting dat de huidige berichtgeving aanleiding geeft om extra stappen te zetten?
Ik sta nog steeds achter deze uitspraken en ik deel de opvatting dat de huidige berichtgeving aanleiding geeft om extra stappen te zetten. Ik zie een belangrijke rol voor de brancheorganisaties om zelf de nieuwe regels over het koopproces te implementeren. Tegelijkertijd verken ik ook de mogelijkheden om de nieuwe afspraken waar nodig en desnoods wettelijk vast te leggen.
Bent u bereid om, naar aanleiding van de grote hoeveelheid klachten bij VEH, een onderzoek te starten naar de misstanden in de makelaarswereld en passende maatregelen te treffen om het koop- en verkoopproces van huizen eerlijker te laten verlopen?
De huidige resultaten van het meldpunt zijn voor mij al aanleiding om aanvullende maatregelen te nemen. Daarom zie ik weinig toegevoegde waarde in het opstarten van een nieuw onderzoek naar de misstanden in de makelaarswereld. Wel heb ik het VEH in een reactie gevraagd om het meldpunt open te houden om bij te houden of het aantal misstanden afneemt. Deze reactie aan VEH is bijgevoegd4 bij deze beantwoording.
Op welke wijze bent u van plan om op korte termijn de transparantie in de verschillende onderdelen van het aankoopproces te verbeteren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 en 5 werk ik momenteel met brancheorganisaties en andere betrokken partijen aan concrete afspraken voor een eerlijk, transparant en handhaafbaar koopproces. Daarbij staan drie vragen centraal: welke regels zijn er en welke zijn er nodig voor een eerlijk koopproces? Hoe zorgen we dat deze regels voor iedereen duidelijk en navolgbaar zijn? En hoe handhaven we deze regels in de praktijk? Ik zal uw Kamer dit najaar informeren over welke stappen ik en de sector gaan zetten om misstanden bij makelaars tegen te gaan.
Wat vindt u van het voorstel van de NVM dat het makelaarsberoep weer tot beschermde titel moet worden?3
De beschermde status van het makelaarsberoep is indertijd afgeschaft om verschillende, uiteenlopende redenen. Indertijd (1998) concludeerden onderzoekers van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW) o.a. dat de markt voor bemiddeling bij koop of verkoop van onroerende zaken onvoldoende transparantie ten aanzien van kwaliteit bood.
Het idee van het MDW-project was dat de beroepsgroep, middels een zelf opgezette certificeringsregeling, periodieke hertoetsing zou gaan hanteren waardoor kwaliteit beter gewaarborgd kon worden. Een certificeringsregeling zou meer eisen kunnen stellen en voorzien in een goede interne klachtenprocedure, tuchtrecht en een beroepsaansprakelijkheidsverzekering van de deelnemers. Hierdoor wordt, naast de deskundigheid van de tussenpersoon (input) ook de kwaliteit van de dienstverlening (output), gewaarborgd.
Net als Vereniging Eigen Huis vind ik het reguleren van het makelaarsberoep op voorhand geen oplossing voor de huidige wanpraktijken. De argumenten van het MDW-project om het makelaarsberoep niet langer te reguleren, gelden wat mij betreft nog steeds. Wel concludeer ik dat van de beoogde zelf-certificeringsregeling weinig terecht is gekomen en het soms ontbreekt aan waarborging van de kwaliteit.
De huidige wanpraktijken ontstaan door een gebrek aan regels. Mede hierdoor heeft de consument onvoldoende controlemogelijkheden en is goed functionerend zelfregulering onmogelijk. Het beschermen van het makelaarsberoep lost die onduidelijkheid niet op en geeft consumenten geen duidelijker inzicht in verloop van het proces. Duidelijke regels en het verbeteren van transparantie kunnen dat wel. Alleen als de sector ook dan niet in staat blijkt om het eigen toezicht beter te organiseren, zal ik de stappen naar een centraal certificatie-, vergunningsysteem of het inperken van de bevoegdheden van makelaars in het koopproces overwegen. Dergelijke systemen kunnen namelijk barrières opwerpen voor concurrentie en innovatie.
Belemmeringen bij het verduurzamen van woningen |
|
Henri Bontenbal (CDA), Pieter Heerma (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Is het waar dat ondanks het feit dat de verplichte kennis- en ervaringstoets voor het verhogen van een hypotheek zonder advies voor het verduurzamen van woningen sinds 1 april is vervallen er in de praktijk nog weinig aanbieders gebruik maken van deze mogelijkheid? Wat is daar volgens u de oorzaak van?
Het klopt dat in de praktijk nog weinig kredietaanbieders de mogelijkheid bieden aan consumenten om zonder advies een aanvullende hypotheek af te sluiten voor de financiering van verduurzamingsmaatregelen zonder dat een kennis- en ervaringstoets hoeft te worden afgelegd. Echter de kennis- en ervaringstoets is pas per 1 april jl. geschrapt dus ik kan me voorstellen dat kredietaanbieders hierover nog een beslissing moeten nemen. Bovendien vergt het aanpassen van systemen ook de nodige tijd.
Deelt u de mening dat bewoners die zelf in actie komen om hun woning te verduurzamen daarbij zoveel mogelijk ondersteund moeten worden en dat (financiële) belemmeringen moeten worden weggenomen?
Ja.
Wat is de achterliggende gedachte van het opnemen van de eis dat een aanvullende hypotheek voor het verduurzamen van een woning binnen vijf jaar na het sluiten van de al aanwezige hypotheek moet worden afgesloten?
De achterliggende gedachten bij de vijf jaar is dat als de consument reeds een hypotheek heeft en die binnen vijf jaar verhoogt bij dezelfde aanbieder, mag worden aangenomen dat de consument nog de kennis heeft van het hypotheekproduct en inzicht heeft in de financiële risico’s die samenhangen met een hypotheek.
In hoeverre is deze beperking van 5 jaar nodig gezien het feit dat in alle gevallen door de geldverstrekker wordt getoetst of de hypotheek verantwoord is?
De kennis- en ervaringstoets en de krediettoets dienen een verschillend doel. De kennis- en ervaringstoets is voorgeschreven zodat de hypotheekaanbieder kan beoordelen of een consument over voldoende kennis- en ervaring beschikt om het hypotheekproduct te begrijpen en inzicht heeft in de financiële risico’s die zijn verbonden aan het afsluiten van een aanvullend krediet. Daarnaast dient de kennis- en ervaringstoets om te beoordelen of de consument in staat is om zonder advies een financieel product (in dit geval een hypotheek) af te sluiten. De kredietwaardigheidstoets dient de hypotheekaanbieder uit te voeren om te beoordelen of het krediet verantwoord is voor de consument. Daarbij gaat het om de vraag of de consument de rente en aflossing van het krediet kan betalen. Het uitsluitend beoordelen of een krediet verantwoord is, is niet voldoende. De consument moet ook zelf kunnen beoordelen of het betreffende hypotheekproduct passend is gelet op zijn situatie, wensen en behoeften. Om die reden bestaan de kennis- en ervaringstoets en de krediettoets naast elkaar.
Erkent u het feit door deze eis het aantal huiseigenaren dat wordt gestimuleerd om te investeren in het verduurzamen van hun woning aanzienlijk beperkt wordt? Deelt u de mening dat dit een onnodige beperking is en dat hierdoor een grote potentiele verduurzaming van het woningbestand wordt gemist, gezien de recente waardestijgingen van woningen waardoor veel huiseigenaren een forse overwaarde hebben opgebouwd? Zo nee, waarom niet?
Door het schrappen van de kennis- en ervaringstoets kunnen de kosten voor het afsluiten van een aanvullende hypotheek voor verduurzaming zonder advies voor huiseigenaren dalen. De huiseigenaar kan eenvoudiger zelf (zonder advies) zijn hypotheek verhogen ter financiering van verduurzamingsmaatregelen. Hierdoor kunnen huiseigenaren worden gestimuleerd om te investeren in het verduurzamen van hun woning. Het is wenselijk om hierbij de beperking van vijf jaar te hanteren, omdat er niet zonder meer vanuit kan worden gegaan dat na vijf jaar na afsluiten van de reeds aanwezige hypotheek de kennis over de hypotheek nog voldoende is om zonder advies een aanvullende hypotheek af te sluiten. De kennis- en ervaring van de consument zal dan opnieuw moeten worden getoetst.
Naast het verhogen van hun hypotheek (al dan niet zonder advies) kunnen huiseigenaren er ook voor kiezen om de verduurzamingsmaatregelen te financieren met een consumptief krediet (al dan niet via het Nationaal Warmtefonds). Daarnaast heb ik diverse subsidieregelingen opengesteld, zoals de ISDE, RRE, SAH en RVV-V. Meerjarig onderzoek laat overigens zien dat de meeste woningeigenaren de verduurzaming van hun woning betalen met spaargeld. Er zijn derhalve diverse financieringsmogelijkheden voor woningeigenaren.
Bent u gezien het bovenstaande bereid om de eis dat een aanvullende hypotheek voor het verduurzamen van een woning binnen vijf jaar na het sluiten van de al aanwezige hypotheek moet worden afgesloten te laten vervallen? Zo nee, waarom niet?
Als voorwaarde voor het zonder kennis- en ervaringstoets afsluiten van een aanvullende hypotheek via execution only (zonder advies) voor het verduurzamen van de woning is opgenomen dat de aanvullende hypotheek binnen vijf jaar na het afsluiten van de al aanwezige hypotheek moet zijn afgesloten. Achterliggende gedachte hierbij is dat als de consument reeds een hypotheek heeft en die binnen vijf jaar verhoogt bij dezelfde aanbieder, mag worden aangenomen dat de consument nog de kennis heeft van het hypotheekproduct en inzicht heeft in de financiële risico’s die samenhangen met een hypotheek. Ik zie geen reden om de termijn van vijf jaar te laten vervallen omdat er niet zonder meer vanuit kan worden gegaan dat na deze periode van vijf jaar de kennis over het financieel product nog voldoende is om zonder advies een aanvullende hypotheek af te sluiten.
Bent u tevens bereid om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om de taxatiekosten voor de financiering van het verduurzamen van de woning zoveel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van taxaties die zoveel mogelijk zijn gebaseerd op modelmatige waarderingen?
Voor het verhogen van de hypotheek voor het verduurzamen van de woning is een taxatie van de woning verplicht. Voorheen kon er in bepaalde gevallen gebruik gemaakt worden van een volledig modelmatige waardering. In mei 2020 heeft de Europese Bankautoriteit (EBA) de richtsnoeren over initiëring en monitoring van leningen vastgesteld1. De Nederlandsche Bank (DNB) en de Europese Centrale Bank (ECB) passen deze richtlijnen sinds 30 juni toe.
Hierdoor is het voor bancaire hypotheekverstrekkers niet meer mogelijk om gebruik te maken van enkel een volledig modelmatige waardering bij het verstrekken van een hypothecair krediet. Dit geldt ook voor een verhoging van de hypotheek voor het verduurzamen van de woning.
De richtsnoeren van de EBA laten wel ruimte voor een zogenaamde hybride taxatie2. Dit is een taxatievorm waarbij een modelmatige waardering het uitgangspunt is, die vervolgens door een taxateur wordt beoordeeld, geëvalueerd en goedgekeurd. Met het hybride taxatieproduct kan onder meer een verhoging van de hypotheek voor verduurzaming laagdrempelig blijven en kan de situatie worden vermeden dat voor deze aanpassingen een duurdere fysieke taxatie moet worden uitgevoerd.
Om gebruik te kunnen maken van een hybride taxatievorm moet aan bepaalde criteria worden voldaan. Zo kan deze vorm van taxeren alleen worden gebruikt als het gebruikte model voldoende betrouwbaar de waarde van de individuele woning kan bepalen. Daarnaast geldt dat een hybride taxatie alleen gebruikt mag worden indien de maximale hoogte van het hypothecair krediet ten opzichte van de waarde van de woning (loan-to-value) niet meer dan 90 procent bedraagt.
Zoals toegelicht in mijn recente Kamerbrief3 over woningtaxaties zijn er verschillende hybride producten ontwikkeld. De prijs van deze producten kan verschillen. Ik vind het belangrijk dat het product laagdrempelig en goedkoop is voor de consument, maar dat ook de kwaliteit voldoende is geborgd. Daarom zal ik de vinger aan de pols houden wat betreft de uiteindelijke kosten van de hybride taxatieproducten.
Het bericht dat onafhankelijke experts grote vraagtekens zetten bij het Amsterdamse erfpachtstelsel |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Erfpacht in Amsterdam: een Gordiaanse knoop»?1
Ja, dit rapport is in opdracht van de gemeenteraad van Amsterdam geschreven. Het is op 30 juni 2021 in de raadscommissie besproken. Het college heeft aangegeven het te betrekken bij haar eigen onderzoek naar erfpacht. Behandeling van het erfpachtbeleid en het rapport is nog volop gaande in de gemeente Amsterdam.
Onderschrijft u de analyse dat huiseigenaren in Amsterdam de afgelopen twintig jaar onvoldoende consumentenbescherming hebben genoten in het Amsterdamse erfpachtsysteem? Wat vindt u hiervan?
Ik heb gelezen dat bureau Berenschot verschillende aanbevelingen doet waarmee onder andere de consumentenbescherming, en het erfpachtstelsel in het algemeen, verbeterd zouden kunnen worden. Het college van B&W heeft in haar bestuurlijke reactie aangegeven deze aanbevelingen mee te willen nemen in haar brede onderzoek naar erfpacht.
Consumentenbescherming is een groot goed en het is belangrijk te blijven bezien of hier ruimte is voor verbeteringen. Bij de aankoop van een erfpachtrecht rust op de makelaar en notaris een informatieplicht. Van de erfpachter zelf mag ook verwacht worden dat hij zichzelf voldoende informeert. Bij de consumentenbescherming van erfpachters zijn meerdere partijen betrokken met ieder hun eigen verantwoordelijkheid. De gemeente Amsterdam heeft als erfverpachter hier ook een rol. Ik zie dat de laatste jaren er al vele stappen zijn gezet en de lokale politieke discussie over verdere verbetering volop gaande is.
Kunt u een reflectie geven op de conclusies in het rapport over de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van Amsterdamse huiseigenaren onder het erfpachtsysteem?
Het beginsel van rechtsgelijkheid brengt mee dat gelijke gevallen door de wet en bij de toepassing van de wet door de overheid en de rechter gelijk worden behandeld (verbod op willekeur). Maar als er sprake is van ongelijke gevallen, kan het aan de orde zijn dat deze gevallen in evenredige mate ongelijk worden behandeld. Het blijkt dat er in de praktijk veel verschillen zijn tussen Amsterdamse huiseigenaren. Die kunnen liggen in de eigendomssituatie, afspraken in de erfpachtakte, etc. Daardoor kan het voorkomen dat er een verschil in behandeling is. Dat wil dus niet zeggen dat er sprake is van rechtsongelijkheid, omdat de situaties onderling verschillen. Ik kan mij voorstellen dat dit niettemin gevoelens van ongelijkheid teweeg kan brengen, omdat sommige situaties op het eerste gezicht niet lijken te verschillen (gelijke woning op een soortgelijke locatie), maar er wél verschillen zijn (eigendomssituatie, de bijzondere of algemene bepalingen in de erfpachtakte). Berenschot constateert ook dat gevallen niet gelijk zijn.
Bent u het eens dat overheidslichamen die privaatrechtelijke instrumenten jegens consumenten inzetten bij de uitvoering van beleid de beginselen van goed bestuur als normenkader moeten nemen, zoals ook Berenschot doet? Zo nee, waarom niet?
De overheid is in haar handelen gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat geldt ook bij het privaatrechtelijk handelen van een gemeentebestuur.
Wat vindt u van de conclusie van Berenschot dat het Amsterdamse erfpachtsysteem in toenemende mate het karakter van een grondbelasting heeft gekregen, waarin Amsterdammers in ongelijke mate worden belast?
Het Amsterdamse erfpachtstelsel is eind negentiende eeuw ontstaan. De doelstellingen bij de invoering waren onder meer het invloed houden op het gebruik van de grond en het ten goede laten komen aan de gemeenschap van grondwaardestijging.
De invloed van de overheid op het gebruik van de grond is door publiekrechtelijke regelgeving in de loop van deze en vorige eeuw aanmerkelijk versterkt, niettemin biedt erfpacht in aanvulling hierop nog steeds ruimere mogelijkheden. De doelstelling om de grondwaardestijging op termijn ten goede te laten komen aan de gemeenschap is in eerste instantie vormgeven door het invoeren van tijdelijk erfpacht; na een periode van 75 jaar moest de grond weer om niet terug geleverd worden aan de gemeente. Begin twintigste eeuw is het aangepast naar voortdurend erfpacht waarbij het tarief eerst na 75 jaar en vervolgens eens in de 50 jaar wordt bijgesteld. Ook de doelstelling van een grondbelasting zou kunnen zijn: het ten goede laten komen van de grondwaardestijging aan de gehele gemeenschap.
Met de invoering van eeuwigdurende erfpacht in 2016 is de gemeente Amsterdam afgestapt van de doelstelling dat de grondwaardestijging ten goede moet komen aan de gemeenschap en wordt de canon niet meer herzien aan de hand van de (autonome) waardeontwikkeling. Voor zover er in het verleden al een gebrekkige analogie met een belasting was2, heeft erfpacht met de invoering van het Amsterdamse eeuwigdurende erfpachtstel helemaal niet meer het karakter van een grondbelasting. Na overstap op eeuwigdurende erfpacht komt de waardestijging aan de erfpachter toe.
Herinnert u zich uw beantwoording van de vragen van Ronnes2 waarin u concludeert dat de consumentenbescherming van erfpachters in Amsterdam op verschillende manieren wordt geborgd? Zo ja, heeft u destijds signalen opgevangen dat dit borgsysteem wellicht niet naar behoren zou functioneren?
Ja, ik ken de antwoorden op vragen van het lid Ronnes over erfpacht. Ik ben nog steeds van mening dat de consumentenbescherming van erfpachters in Amsterdam op verschillende manieren wordt geborgd. Wel is mij bekend dat niet iedereen tevreden is met het beleid dat gevoerd wordt. Het gesprek en de discussie hierover wordt lokaal gevoerd.
Klopt het dat er geen duidelijke partij is die toeziet op de consumentenbescherming binnen het erfpachtrecht? Deelt u het standpunt dat dit zo spoedig mogelijk moet veranderen om plotselinge en excessieve stijgingen van de erfpacht te voorkomen?
In de antwoorden op de Kamervragen van lid Ronnes4 is ingegaan op hoe de consumentenbescherming in het Amsterdamse erfpachtstelsel is geborgd. Er is een regeling voor geschillen, welke is opgenomen in de meeste erfpachtovereenkomsten, zoals bijvoorbeeld in Amsterdam de drie deskundigenprocedure voor het bepalen van de canon. Daarnaast is er een (gemeentelijke) ombudsman waartoe erfpachters zich kunnen wenden en staat de weg naar de burgerlijke rechter open als er geen oplossing voor het conflict bereikt wordt. Bovendien komt het erfpachtbeleid tot stand binnen de lokale democratie. Het gemeentebestuur stelt het erfpachtbeleid vast, het college van B&W wordt gecontroleerd door de gemeenteraad, de gemeente is gehouden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en een (gemeentelijke) Rekenkamer houdt toezicht op het lokaal bestuur. Niettemin is verder verbetering van de consumentenbescherming altijd mogelijk en juich ik de inspanningen van het gemeentebestuur daartoe toe.
Bent u het met de indiener eens dat Nederland op basis van het EU-verdrag gehouden is om ook aan huiseigenaren met erfpacht een hoge mate van consumentenbescherming te bieden? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik bij het antwoord op vraag 2 en 7 al heb aangegeven is consumentenbescherming een groot goed. In de reactie op de Kamervragen van het lid Ronnes wordt aangegeven dat de consumentenbescherming bij erfpacht op verschillende manieren is geborgd. Ik zie dat het gesprek en de discussie over verdere verbetering in Amsterdam momenteel wordt gevoerd.
Bent u het eens dat overheidslichamen die erfpacht inzetten voor de invulling van hun grondbeleid, vrijwillig het publiekrechtelijke normenkader van de AFM voor complex financiële producten zouden moeten hanteren, zoals Berenschot ook voorstelt? Zo nee, waarom niet?
Erfpacht is een zakelijk recht dat iemand het recht geeft de onroerende zaak van iemand anders te gebruiken. De normen uit de Wet op het financieel toezicht (Wft) zijn toegesneden op financiële producten en verschillen per financieel product. Erfpacht is geen financieel product en daarom zijn de normen uit de Wet op het financieel toezicht niet geschikt om vrijwillig toe te passen op erfpacht.
In het rapport van Berenschot lees ik dat zij aanbevelen dat de gemeenteraad een normenkader vaststelt en het college opdragen zich aan het normenkader te houden. Wettelijk zijn er regels waaraan erfpacht moet voldoen. Het is aan het gemeentebestuur nadere kaders te stellen mocht het dit nodig achten. Het gesprek hierover vindt nu lokaal volop plaats.
Welke maatregelen zijn uws inziens nodig om tot een effectieve waarborg en bescherming ten aanzien van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid te komen in het Amsterdamse erfpachtsysteem? Bent u bereid om hierover in gesprek te treden met het Amsterdamse college van B&W?
Zoals ik bij het antwoord op vraag 7 heb aangeven is de bescherming van erfpachters op een aantal manieren geborgd. Er is een regeling voor geschillen, welke is opgenomen in de meeste erfpachtovereenkomsten, zoals bijvoorbeeld in Amsterdam de drie deskundigenprocedure voor het bepalen van de canon. Daarnaast is er een (gemeentelijke) ombudsman waartoe erfpachters zich kunnen wenden. Bovendien komt het erfpachtbeleid tot stand binnen de lokale democratie. Het gemeentebestuur stelt het erfpachtbeleid vast, het college van B&W wordt gecontroleerd door de gemeenteraad, de gemeente is gehouden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en een (gemeentelijke) Rekenkamer houdt toezicht op het lokaal bestuur. Mocht een erfpachter van mening zijn dat het gemeentebestuur niet handelt conform wat is overeengekomen dan staat de weg naar de rechter open als er geen oplossing voor het conflict bereikt wordt, net zoals dat bij andere geschillen over de koop of levering van onroerende zaken het geval is.
Het gesprek over verdere verbetering vindt nu lokaal volop plaats. Ik vind het gepast eerst de uitkomsten van deze lokale gesprekken af te wachten.
Vindt u dat uw ministerie ook een zorgplicht heeft voor de Amsterdammers die op dit moment in onvoldoende mate worden beschermd tegen de wispelturige werking van het Amsterdamse erfpachtstelsel? Zo ja, welke maatregelen bent u van plan te treffen naar aanleiding van de conclusies uit het Berenschot rapport? Zo nee, waarom niet?
Het is in de eerste plaats aan de gemeente Amsterdam om haar erfpachtbeleid vorm te geven. Het Berenschot rapport is in opdracht van de gemeenteraad opgesteld. Het is dan ook aan de gemeente Amsterdam te bepalen wat zij doen met de conclusies en aanbevelingen uit het rapport.
Bent u bereid om, in het geval de gemeente Amsterdam niet vrijwillig het normenkader van goed bestuur en het normenkader van de AFM voor complexe financiële producten gaat hanteren voor erfpacht, hier wettelijke maatregelen voor te treffen, zodat erfpachters in Amsterdam en daarbuiten wel een hoge mate van consumentenbescherming zullen genieten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u hiervoor de stappen en het tijdpad aangeven om dit te realiseren?
Zoals ik bij mijn eerdere antwoorden heb aangegeven is het gemeentebestuur van Amsterdam gehouden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er zijn geen aanwijzingen dat het gemeentebestuur zich niet houdt aan deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In algemene zin ben ik van mening dat de consumentenbescherming bij erfpacht voldoende is geborgd. Indien verbeteringen mogelijk zijn, juich ik dat toe.