| Ingediend | 30 maart 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 11 mei 2026 (na 42 dagen) |
| Indiener | Shanna Schilder (PVV) |
| Beantwoord door | Enneüs Heerma (CDA) |
| Onderwerpen | bestuur gemeenten |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z06485.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-1882.html |
Ja.
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat vloeit in belangrijke mate voort uit de godsdienstvrijheid in artikel 6 en het discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet. Het houdt ten eerste in dat de overheid zich neutraal opstelt richting religies door ze gelijk te behandelen en er geen voor te trekken. De staat bemoeit zich daarnaast niet of zeer beperkt met de interpretatie van religie en respecteert de organisatievrijheid van geloofsgemeenschappen. Geloofsgemeenschappen hebben van hun kant geen formele zeggenschap binnen de overheidsorganisatie.
Het beginsel van scheiding tussen kerk en staat sluit niet uit dat de overheid ruimte biedt aan geloofsuitingen in bijeenkomsten die ze organiseert, of subsidie verleent aan religieuze organisaties voor het bereiken van maatschappelijke doelen. Bij het bieden van die ruimte en bij die samenwerking dient de overheid zorgvuldig te werk te gaan om de religieuze neutraliteit van de overheid te bewaren. Dat betekent zoals gezegd dat de overheid geen godsdienst voorschrijft of voortrekt. Tegelijkertijd past aandacht voor pluriformiteit binnen een democratische rechtsstaat zoals Nederland, waar een grote diversiteit bestaat aan levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen.
Idealiter hebben door gemeenten gefinancierde activiteiten een openbaar karakter, dienen ze een maatschappelijk doel en voldoen ze aan bepaalde kwaliteitseisen. In welke mate een concrete iftaractiviteit overeenstemt met de gemeentelijke religieuze neutraliteit is aan de gemeenten om te beoordelen. De aanwezigheid van een gebed op een dergelijke bijeenkomst maakt deze in ieder geval nog niet in strijd met de scheiding tussen kerk en staat.
Zie antwoord vraag 2.
Zie antwoord vraag 2.
Zie antwoord vraag 2.
Het wettelijke kader met betrekking tot de scheiding tussen kerk en staat heb ik hierboven uiteengezet. De keuze om binnen dat kader meer of minder samenwerking te zoeken met godsdiensten en godsdienstig geïnspireerde initiatieven te steunen is er een die gemeenten zelfstandig maken in het kader van de gemeentelijke autonomie. De scheiding tussen kerk en staat sluit het samenwerken met religieus geïnspireerde initiatieven om maatschappelijke doelen te behalen niet uit. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan organisaties met een religieuze grondslag die maatschappelijk werk verrichten, zoals het Leger des Heils. Op grond van de Grondwet en de Gemeentewet heeft de gemeenteraad het budgetrecht en bepaalt deze zelf hoe het zijn middelen inzet. Het is in principe niet aan mij als Minister om daarover een oordeel te vellen.
Zie antwoord vraag 6.
Voor veel Nederlanders zijn religieuze praktijken een belangrijk onderdeel van hun leven. Dit leidt ertoe dat gemeenten soms de dialoog tussen Nederlanders bevorderen langs de band van activiteiten die verband houden met een bepaalde godsdienst. Hierboven heb ik uitgelegd dat het neutraliteitsbeginsel niet uitsluit dat samen wordt gewerkt met godsdienstig geïnspireerde activiteiten bij het bereiken van maatschappelijke doelen. Daarbij dient de overheid wel zorgvuldig te werk te gaan zodat de religieuze neutraliteit van de overheid bewaard blijft. Ik vertrouw op het vermogen van gemeenten om aan de hand van de concrete omstandigheden en voorkeuren in de gemeente en de concrete eigenschappen van de iftaractiviteiten een afweging te maken.
Het budgetrecht in de gemeente berust bij de gemeenteraad. Het college verantwoordt zich aan de raad over de bestedingen. Die verantwoording ziet onder meer op de bestedingen op basis van de begroting, maar ook op de uitvoering van subsidieverordeningen. De lokale politiek heeft voldoende wettelijke mogelijkheden om deze politieke dialoog te laten plaatsvinden.
Dat een subsidie is verleend voor een bepaalde activiteit betekent niet dat de subsidieontvanger een volgende keer automatisch weer recht heeft op subsidie voor die activiteit. Het is aan het bestuursorgaan waar de subsidieaanvraag wordt ingediend om daarover te beslissen. Een bestuursorgaan kan een subsidie verlenen op basis van een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieverordening van de gemeenteraad. Ook kunnen zogenoemde incidentele subsidies worden verleend, waaraan geen wettelijk voorschrift ten grondslag ligt. Het wel of niet verstrekken van een dergelijke incidentele subsidie behoort tot de beleidsvrijheid van het bestuursorgaan. Binnen de gemeente verantwoordt het college zich aan de raad over de bestedingen op basis van de begroting.
Ook hier is sprake van een keuze die een gemeente kan maken binnen de eigen autonomie, en is er ruimte dit te doen binnen de wettelijke kaders rondom de scheiding tussen kerk en staat. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 8.
Mijn ministerie heeft in 2019 in samenwerking met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) het Tweeluik religie en publiek domein gepubliceerd. Dit Tweeluik biedt voldoende handvatten aan gemeenten om een juridisch correcte afweging te maken inzake het wel of niet subsidiëren van activiteiten met een religieus element. Ook het subsidiëren van iftarmaaltijden wordt in het document besproken. De handreiking is onder andere beschikbaar op de website van de VNG.
Hierbij deel ik u mede dat de aan mij gestelde vragen van het lid Schilder van de Groep Markuszower over gemeentelijke uitgaven aan iftar-activiteiten (ingezonden op 30 maart 2026), met kenmerk 2026Z06485, niet binnen de termijn van drie weken kunnen worden beantwoord. Voor de beantwoording van de vragen is meer tijd nodig. De interdepartementale afstemming vergt meer tijd. Uw Kamer ontvangt de antwoorden zo spoedig mogelijk.