De positie van gedupeerde ouders in het buitenland en rechtsbescherming binnen de hersteloperatie |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen dat gedupeerde ouders dossiers ontvangen waarin delen zijn gelakt, terwijl deze betrekking hebben op hun eigen persoonsgegevens?
Dat is mij niet bekend. De standaard werkwijze is dat de eigen persoonsgegevens van de gedupeerde niet worden gelakt. Ook zijn er controlemechanismen bij UHT ingesteld om te voorkomen dat dit wel gebeurt. Indien dit voorkomt, dan kan via het Serviceteam van UHT hier melding van worden gemaakt en kan dit worden gecorrigeerd.
Indien er stukken naar een ex-partner van een gedupeerde worden verstuurd, bijvoorbeeld omdat deze zich heeft aangemeld voor compensatie, dan worden de gegevens van de gedupeerde gelakt vanaf het moment dat zij geen toeslagpartners meer waren.
Hoe verhoudt het verstrekken van gelakte dossiers zich tot de verplichting voor ouders om hun werkelijke schade aannemelijk te maken?
Het lakken heeft geen invloed op het aannemelijk maken van aanvullende schade. De werkwijze is dat UHT namen en persoonsgegevens van medewerkers en van derden lakt. Dat heeft geen impact op de inhoudelijke informatie; deze informatie blijft leesbaar aanwezig in het dossier.
Hebben externe partijen die betrokken zijn bij schadebeoordelingen toegang tot ongelakte dossiers?
De Commissie Werkelijke Schade (CWS) en de Commissie van Wijzen ontvangen ongelakte dossiers van UHT. Externe schade-experts die door de CWS worden ingezet, ontvangen geen stukken van UHT noch van CWS. Zij krijgen een vraagstelling en een machtiging van de ouder om stukken bij bijvoorbeeld de medische behandelaren op te vragen. Een schade-expert op het gebied van inkomen ontvangt met toestemming van de ouder diens inkomensgegevens om een inkomensschadeberekening op te stellen.
Hoe waarborgt u het beginsel van wapengelijkheid als beoordelaars over meer informatie beschikken dan ouders zelf?
Ouders en gemachtigde beschikken via het ouderdossier over de op de zaak betrekking hebbende stukken. Overige informatie die niet op de zaak betrekking heeft, wordt niet betrokken bij de beoordeling. Daarnaast worden bij het lakken alleen namen en persoonsgegevens gelakt en geen inhoudelijke passages.
Hoe beoordeelt u verschillen tussen gemeenten in ondersteuning van gedupeerde ouders via de SPUK-regeling?
Brede ondersteuning is maatwerk, passend bij de situatie van de rechthebbende. Het is inherent aan deze maatwerkaanpak dat er verschillen bestaan in ondersteuning en dat daarmee de kosten voor het realiseren van een plan van aanpak sterk kunnen verschillen.
Tegelijkertijd heb ik samen met de VNG het advies van de commissie Van Dam ter harte genomen en is er sinds begin 2025 ingezet op de verdere harmonisering van gemeentelijk beleid ten aanzien van de brede ondersteuning, zodat ouders en jongeren meer duidelijkheid wordt geboden over wat zij kunnen verwachten.
Om meer harmonisatie te bereiken zijn er termijnen voor materiële verstrekkingen en voor de looptijd van een plan van aanpak ingevoerd met de wetswijziging per 1 januari 2025. Daarnaast heeft de VNG model beleidsregels gepubliceerd in juni 2025, samen met een implementatiehandleiding voor gemeenten. Ook organiseert de VNG bijvoorbeeld trainingen en regiokringen die bijdragen aan een meer uniforme uitvoering van de brede ondersteuning.
Naast deze maatregelen heeft de bestuurlijk regisseur Paul Blokhuis de opdracht zich in te zetten voor versterking, verbetering en harmonisering van de ondersteuning aan gedupeerde ouders en hun gezinnen vanuit gemeenten. Daarmee heeft hij ook de opdracht namens de VNG en mij gekregen om te werken aan verdere harmonisatie van de brede ondersteuning door gemeenten. Daarbij blijft er altijd ruimte voor maatwerk in de ondersteuning. De bestuurlijk regisseur is over de uitvoering van de brede ondersteuning in gesprek met gedupeerde ouders, jongeren en gemeenten; toetst of gemeenten de beleidsregels hebben vastgesteld, haalt goede werkpraktijken op en stimuleert kennisuitwisseling tussen gemeenten zodat zij van elkaar leren.
Erkent u dat hierdoor verschillen in ondersteuning ontstaan afhankelijk van de woonplaats van gedupeerde ouders?
Zie antwoord vraag 5.
Welke maatregelen neemt u om te zorgen voor een uniform niveau van ondersteuning voor alle gedupeerden?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke wijze wordt binnen herstelroutes rekening gehouden met immateriële schade van jongeren die direct zijn geraakt door de toeslagenaffaire?
Gedupeerde ouders ontvangen compensatie voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van de toeslagenaffaire. Deze compensatie is bedoeld voor het hele gezin. Er zijn twee hoofdroutes voor ouders om een aanvullende schadevergoeding aan te vragen: de route van Stichting (Gelijk)waardig Herstel de route MijnHerstel. Beide routes hanteren hetzelfde ruimhartige forfaitaire schadekader. In dit uniforme schadekader zijn er verschillende immateriële schadeposten die zijn gerelateerd aan het ervaren leed van het gezin, onder meer: ontoereikende waarborging levensstandaard kinderen, verlies van gelijke kansen in het gezin, impact door inperking ouderschap, impact door ongewenste onthechting, gevoelde discriminatie. Daarnaast biedt het uniforme schadekader de mogelijkheid om, wanneer zich binnen het gezin een uitzonderlijke impactvolle gebeurtenis heeft voorgedaan, hiervoor aanvullende compensatie te ontvangen.
Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor het inkomensverlies.
Is er voor jongeren die te maken hebben gehad met uithuisplaatsing een afzonderlijk traumasensitief traject ingericht?
Het Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen ondersteunt gezinnen, ouders en kinderen die te maken hebben gehad met de toeslagenaffaire en een uithuisplaatsing. Het Ondersteuningsteam helpt gedupeerde ouders en hun kinderen om het contact te herstellen en de situatie te verbeteren. In de aanpak van het team staat een traumasensitieve werkwijze centraal: de professionals werken in hun begeleiding vanuit kennis over de impact van (chronische) stress en ingrijpende ervaringen op gedrag, vertrouwen en relaties.
Hoe wordt voorkomen dat dossiers van jongeren vastlopen in dezelfde administratieve processen als die van hun ouders?
Om het leed dat kinderen mogelijk hebben ervaren als gevolg van de toeslagenaffaire te erkennen, ontvangen zij de kindregeling. Kinderen hebben automatisch recht op de kindregeling als vastgesteld wordt dat een van hun ouders gedupeerd is. Zij hoeven hier in beginsel geen aanvraag voor te doen. Kinderen ontvangen dus ook geen dossier, aangezien het recht op de kindregeling bepaald wordt door de gedupeerdheid van een ouder en de gebeurtenissen die hiertoe geleid hebben. Kinderen ontvangen een financiële tegemoetkoming en kunnen zich vanaf hun zestiende jaar zelfstandig melden bij hun gemeente voor brede ondersteuning. Als er behoefte is aan een luisterend oor of lotgenotencontact, kunnen jongeren terecht bij het jongerennetwerk Unity Works van Stichting Lotgenotencontact.
Hoeveel gedupeerde ouders bevinden zich volgens uw gegevens momenteel buiten Nederland?
Per 31 december 2025 zijn er bij het OTB 1.656 gezinnen aangemeld uit 45 verschillende landen.
Hoeveel van deze ouders beschikken niet over een BSN, DigiD of geldig Nederlands identiteitsdocument?
In principe heeft iedere Nederlander een BSN, ook als je in het buitenland woont. Daarmee kan een DigiD worden aangevraagd.
Kinderen die in het buitenland zijn geboren en geen BSN hebben, maar wel in aanmerking komen voor de kindregeling, kunnen hiervoor contact opnemen met het Serviceteam van UHT.
In hoeverre iemand een geldig identiteitsdocument heeft is geen onderdeel van de hersteloperatie en hierover zijn de gegevens niet bekend.
Hoe kunnen deze ouders hun dossier opvragen en deelnemen aan herstelprocedures?
Ouders in het buitenland, die zijn erkend als gedupeerde, kunnen via de persoonlijk zaakbehandelaar hun dossier opvragen. Zij doorlopen het herstelproces op vergelijkbare wijze als gedupeerden in Nederland. Ook kunnen gedupeerde ouders in het buitenland in aanmerking komen voor hulp via het Ondersteuningsteam Buitenland (OTB, https://hetotb.nl/).
Ouders in het buitenland zonder DigiD kunnen telefonisch contact opnemen met het Serviceteam. Er is een telefoonnummer beschikbaar waar zij vanuit het buitenland naar kunnen bellen, of zij kunnen een terugbelverzoek achterlaten op de herstelwebsite https://herstel.toeslagen.nl/contact/contact-vanuit-het-buitenland/.
Daarnaast is er altijd een mogelijkheid om UHT via post te benaderen.
Gedupeerde ouders van de kindertoeslagaffaire in Caribisch Nederland kunnen aanvullend terecht bij Belastingdienst Caribisch Nederland (BCN) voor hulp en ondersteuning.
Welke inspanningen worden verricht om gedupeerde ouders in het buitenland actief te traceren en te informeren over hun rechten binnen de hersteloperatie?
UHT houdt niet bij waar iemand woont, alleen of deze gedupeerde hulp door het OTB wenst. Het OTB voorziet ouders in het buitenland van informatie en biedt hen hulp en ondersteuning. In België en in het Caribisch gebied verblijven de meeste ouders die naar het buitenland zijn vertrokken. In deze landen is vanaf de start van de hersteloperatie daarom regelmatig ingezet op extra communicatie in de media van deze landen. Ook weten de ouders in het buitenland veelal hun weg te vinden in de diverse oudercontactgroepen in de betreffende landen.
Alle ouders krijgen tijdens hun traject bij UHT informatie over hun rechten binnen de hersteloperatie. Dit is voor ouders in het buitenland niet anders dan in Nederland.
Kunt u aangeven hoeveel gedupeerde ouders volgens uw gegevens in het buitenland verblijven, in welke landen zij zich bevinden en hoeveel van hen nog geen contact hebben gehad met een persoonlijke zaakbehandelaar?
Per 31 december 2025 zijn er bij het OTB 1.656 gezinnen aangemeld uit 45 verschillende landen. Er zijn geen signalen bekend dat ouders geen contact kunnen krijgen met de casemanagers bij Radar/OTB.
Op welke wijze onderzoekt u welke gedupeerde ouders in het buitenland mogelijk nog niet zijn bereikt of niet hebben gereageerd, en welke stappen worden genomen om deze groep alsnog actief te benaderen?
Het OTB biedt ondersteuning aan gedupeerde ouders die in 45 verschillende landen over de wereld leven. In landen waar veel (potentieel) gedupeerde ouders wonen, met name in België en in het Caribisch gebied, is veel gedaan om deze ouders te bereiken met communicatie in de media van het betreffende land.
De mogelijkheid voor aanmelding voor gedupeerde ouders is in principe gesloten sinds 1 januari 2024. Mochten zich nu nog ouders melden, is er de mogelijkheid om een beroep te doen op verschoonbare termijnoverschrijding.
Zijn er afspraken met buitenlandse schuldeisers om te voorkomen dat herstelbetalingen direct in beslag worden genomen? Zo nee, bent u bereid deze vorm te geven?
De wet- en regelgeving zoals in de hersteloperatie is vormgegeven, geldt niet in het buitenland. We kunnen schuldeisers in het buitenland niet dwingen om invorderingen te pauzeren, zoals we dit met de pauzeknop van 1 jaar (moratorium) in Nederland hebben afgesproken.
Met de Belgische overheid hebben we afspraken kunnen maken over toepassing van invorderingsrust en deelname aan de afwikkeling van schulden.
Ook hebben we procesafspraken gemaakt met Sociale Banken Nederland (SBN) indien een ouder daar een schuld bij een buitenlandse schuldeiser indient. SBN doet dan altijd pogingen om de buitenlandse schuldeiser te benaderen om afspraken te maken. Dit gebeurt telefonisch en met brieven die in meerdere talen beschikbaar zijn. Hierin wordt ook informatie gedeeld over de voordelen van meewerken aan de schuldenregeling en uitleg gegeven over de toeslagenaffaire.
U geeft in de voortgangsrapportage aan dat er wordt gewerkt aan een steunpunt waar gedupeerde ouders en getroffen jongeren terecht kunnen voor vragen over psychosociale hulp. Ligt de ontwikkeling nog steeds op schema, nu het tweede kwartaal van dit kalenderjaar snel nadert?
Deze ontwikkeling ligt zeker op schema. Sinds maandag 16 maart 2026 is het Landelijk Steunpunt Mentaal Welzijn geopend voor de leerfase. Aanmelding van gedupeerde ouders en jongeren van 18 jaar en ouder verloopt in deze leerfase via gemeenten en een aantal ketenpartners (Stichting Lotgenotencontact, KOTA-Rapportage en lokale netwerken). Daarnaast is het steunpunt in de leerfase beschikbaar voor advies en vragen van gemeenteambtenaren brede ondersteuning en professionals mentaal welzijn.
Vanaf 1 juli 2026 gaat het steunpunt volledig open. Iedereen kan vanaf die datum op eigen initiatief contact opnemen.
Veiligheids- en gezondheidsrisico’s van windturbines |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Bertram , van Bruggen |
|
|
|
|
Gelet op de antwoorden op eerdere Kamervragen over de veiligheidsrisico’s van windturbines en de daarin genoemde verwijzingen naar rapportages van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV)1 heeft het lid Vermeer de volgende aanvullende vragen.
Zoals eerder is geantwoord op de Kamervragen van Kamerlid Vermeer (BBB) van 12 november 2025, kunnen windturbines door de Onderzoeksraad worden onderzocht. De Onderzoeksraad kan hiertoe vanuit zijn bevoegdheid als zelfstandig bestuursorgaan beslissen. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad geen onderzoeken gedaan naar de veiligheidsrisico’s van windturbines op land. In de 4e kwartaalrapportage luchtvaart3 van 2021 heeft de Onderzoeksraad het onderwerp windturbines genoemd. De resultaten waren geen aanleiding voor een verder onderzoek.
Waarom wordt in uw beantwoording gesteld dat er geen significante veiligheidsrisico’s zijn, terwijl de OVV-kwartaalrapportage juist wél benoemt dat windturbines bijdragen aan verdichting van VFR-verkeersstromen2 en daarmee een verhoogde kans op luchtbotsingen?
De Rijkswet op de Onderzoeksraad voor Veiligheid garandeert de onafhankelijke positie van de Onderzoeksraad. Voor enkele typen voorvallen geldt een onderzoeksverplichting. Voorvallen met windturbines vallen daar niet onder. De Onderzoeksraad heeft zelfstandige beslissingsbevoegdheid om uit de veelheid van voorvallen en veiligheidsthema’s, onafhankelijk te kiezen welke hij wil onderzoeken. Iedereen kan een verzoek doen aan de Onderzoeksraad tot het starten van een onderzoek en dat gebeurt ook regelmatig. Ook dan maakt de Onderzoeksraad zijn eigen afweging. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad onvoldoende aanleiding gezien om voorvallen met windturbines te onderzoeken.
Waarom heeft de OVV nooit een volledig onderzoek uitgevoerd naar veiligheidsrisico’s van windturbines, terwijl burgers voor hun veiligheid volledig afhankelijk zijn van overheid, bedrijven en instellingen?
De veiligheidsperimeters staan op de Aandachtskaart-Windturbines4, die brandweer handvatten biedt bij de bestrijding van incidenten rondom windturbines. De Aandachtskaart is ontwikkeld door het NIPV samen met deskundigen van de brancheorganisatie Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA, nu bekend onder de naam NedZero) en deskundigen uit de diverse veiligheidsregio's. De Aandachtskaart is vastgesteld door de landelijke Vakraad Incidentbestrijding en gecommuniceerd met de 25 veiligheidsregio’s, waar de brandweer onderdeel van is. De veiligheidsregio’s zijn zelf verantwoordelijk voor verdere verspreiding over lokale korpsen.
Welke veiligheidsperimeter wordt gehanteerd rond een brandende windturbine, wie stelt deze instructies vast en zijn deze eenduidig bekend bij alle brandweerkorpsen en veiligheidsregio’s?
De exploitant van een windturbine is verantwoordelijk voor het opruimen van brokstukken, gesmolten materiaal en brandresten na afloop van een incident. De Omgevingsdiensten adviseren en controleren of de opruimwerkzaamheden correct worden uitgevoerd. Er is geen sprake van een standaard straal van verspreiding, omdat dit onder andere afhankelijk is van de locatie van de brand en de windrichting. Het gebied wordt bepaald in samenwerking met de brandweer, gespecialiseerde schoonmaakbedrijven en de omgevingsdiensten.
Hoe wordt gecontroleerd wat er gebeurt met brokstukken, brandresten en gesmolten materialen die van grote hoogte verspreid worden en tot welke afstand wordt dit onderzocht?
De vergunningverlenende partij stelt hiervoor geen specifieke eisen in het vergunningstraject. Wel is de exploitant vanuit de zorgplicht (artikel 2.11 Besluit Activiteiten Leefomgeving) verplicht alle passende maatregelen te treffen tegen de nadelige gevolgen van een incident. Als vanuit de zorgplicht aanvullende communicatie noodzakelijk is, dan wordt hierbij samengewerkt met de veiligheidsregio. De veiligheidsregio’s hebben onder andere de taak en verantwoordelijkheid om omwonenden te informeren over risico’s op het moment dat er risico’s ontstaan bij eventuele incidenten.
Welke concrete eisen stellen vergunningverlenende partijen aan initiatiefnemers met betrekking tot communicatie over risico’s en noodprocedures voor omwonenden?
Actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines zijn te berekenen met de rekenmethodiek van het RIVM5. De rekenmethodiek wordt vastgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en aangewezen in de Omgevingsregeling (Artikel 4.11 lid b). In 2021 heeft de laatste herziening van de rekenmethodiek6 plaatsgevonden op basis van incidentencasuïstiek tot die tijd.
Het incident zoals in Nieuwleusen heeft na 2021 plaatsgevonden en wordt ondervangen in de huidige rekenmethodiek. In de huidige rekenmethodiek neemt het RIVM diverse risicoscenario’s mee op basis van casuïstiek en wetenschappelijke literatuur. Een van die scenario’s is brand op hoogte. Gevolg daarvan is dat delen van de windturbine zich kunnen verspreiden in de omgeving en het is mogelijk dat daardoor personen en gebouwen getroffen kunnen worden. De veiligheidsafstand tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties die volgt uit de rekenmethode, en de inzet vanuit de veiligheidsregio, zorgen dat een voldoende veiligheidsniveau wordt gewaarborgd.
Wat zijn de actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines, hoe wordt de rekenmethodiek vastgesteld, door wie, en wanneer zijn deze afstanden voor het laatst aangepast op basis van incidentcasuïstiek zoals bij Nieuwleusen?
Voor windturbines geldt de zorgplicht onder artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving en daarnaast is de veroorzaker op grond van de Wet milieubeheer (artikel 17.13) verantwoordelijk voor het beperken en herstellen van de milieugevolgen van de brand. De verantwoordelijkheid voor het herstellen van milieuschade door een incident met windturbines en bijbehorende kosten, ligt bij de exploitant. Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat verzekeraars de schade zullen vergoeden die onder de dekking van de bij hun afgesloten polis valt.
Het is bekend dat actieve brandbestrijding in windturbines niet mogelijk is in verband met toegangsbeperkingen. Daarom focust de sector op preventie, passieve bewaking, en schadebeperking, om veiligheid van mensen te beschermen, ondersteund door regelmatig onderhoud en verplichte jaarlijkse inspecties.
Hoe wordt van exploitanten verwacht dat zij milieuschade beperken wanneer brandbestrijding bij windturbines feitelijk niet mogelijk is en welke normen of eisen gelden hiervoor?
Voor projecten met 3 of meer windturbines geldt een vergunningsplicht onder de Omgevingswet en worden eisen gesteld op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor 1 of 2 windturbines gelden de direct werkende gebruiksregels voor windturbines, zoals vermeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Conform deze gebruiksregels dient bijvoorbeeld een jaarlijkse inspectie plaats te vinden bij de windturbine ten behoeve van de externe veiligheid (artikel 4.428 Bal) en geldt een informatieplicht over het buiten gebruik stellen (artikel 4.429 Bal). Dit om de omgeving te beschermen tegen bladbreuk en afworp, mastbreuk of omvallen en bijvoorbeeld ijsafwerping. Aanvullend wordt afstand gehouden rondom windturbines bij ruimtelijke ontwikkelingen van kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties op basis van risicocontouren (artikel 5.7 lid 1 en artikel 5.8 lid 1c Bkl).
Voor windturbines zijn ook veiligheidsnormen vastgelegd in de NEN-EN-IEC 61400-1, NEN-EN-IEC 61400-2 en Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 8400. De provincie of gemeente (in sommige gevallen het Rijk) is bevoegd gezag en toetst aan deze eisen. Hierop kunnen zij de veiligheidsregio vragen om advies. Zie ook de Kennisbundel Windturbines7 van het NIPV voor een nadere toelichting op regelgeving rondom windturbines.
Naar welke specifieke wet- en regelgeving wordt verwezen wanneer wordt gesteld dat de bestrijdbaarheid en gevolgen voor de leefomgeving voldoende zijn ondervangen, terwijl u tegelijk aangeeft dat brandbestrijding op hoogte niet kan plaatsvinden?
In de Aandachtskaart-Windturbines8 is een standaardveiligstellingsafstand van 500 meter opgenomen in geval van het mogelijk afbreken van vallende delen en wordt tot nu toe als handvat gebruikt. Op dit moment wordt deze afstand nog als actueel gezien op basis van de huidige turbinehoogtes.
Op welke turbinehoogte is de brandweeraandachtskaart met een standaardveiligstellingsafstand van 500 meter gebaseerd en is deze afstand nog actueel gezien de aanzienlijke toename in turbinehoogtes?
Windturbines op land |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland het enige EU-land is dat jaargemiddelde geluidsnormen voor windturbines hanteert, terwijl landen als Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk korte-termijnnormen gebruiken (variërend van per uur tot per 10 minuten)?
De EU schrijft niet voor welke geluidmaat gebruikt moet worden voor normering, lidstaten kunnen hierin eigen keuzes maken. Er is geen uniforme benadering van de geluidnormen voor windturbines en er zijn veel verschillen tussen landen. In Europa hanteren Nederland – als enige EU-land – en Noorwegen een jaargemiddelde geluidnorm voor windturbines. De verschillen berusten vooral op vertrouwdheid met bepaalde maten, maar hebben op zichzelf geen consequenties voor de bescherming, aangezien deze wordt bepaald door de hoogte van de norm.
Waarom wijkt Nederland af van deze internationale praktijk van kortere beoordelingsperioden, vooral gezien het feit dat gezondheidseffecten zoals slaapverstoring juist samenhangen met piekgeluiden en niet met jaargemiddelden?
Met het gebruik van een jaargemiddelde geluidmaat wordt juist rekening gehouden met de effecten op de gezondheid van omwonenden. Hiermee wordt aangesloten bij de advieswaarden voor omgevingsgeluid van de WHO en bij de uit wetenschappelijk onderzoek beschikbare hinderrelaties. Het plan-MER laat zien dat een jaargemiddelde norm in de praktijk ook het maximaal optredende geluidsniveau van een windturbine begrenst en bovendien ook de tijdsduur begrenst dat het geluid maximaal mag zijn.
Kunt u bevestigen dat de directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in een Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit-procedure (LOWI) heeft verklaard dat de RIVM-factsheet over windturbinegeluid «niet gelezen kan worden als de laatste stand van de wetenschap», maar slechts een «weergave van beleidsonderbouwing» is? Zo ja, hoe kan dit vervolgens de basis vormen voor gemeentelijke en provinciale besluitvorming?
Nee. Deze RIVM-factsheet geeft een overzicht van wat op het moment van opstellen (2021) bekend was over gezondheidseffecten van geluid van windturbines. De uitspraak van de DG-RIVM had betrekking op één passage in deze factsheet, namelijk over de gebruikte blootstelling-responsrelatie. Deze blootstelling-responsrelatie is destijds gekozen als onderbouwing van het Nederlandse beleid. De uitspraak ging niet over de hele factsheet.
Bent u bereid de gezondheidskundige basis van de normen te actualiseren op basis van recentere buitenlandse onderzoeken, zoals de Duitse dose-effect relatie (2022), die wel met feitelijke metingen is gevalideerd?
Het vaststellen van de milieunormen doorloopt het reguliere besluitvormingsproces van een algemene maatregel van bestuur. Bij de keuzes die ten grondslag liggen aan de nieuwe concept-windturbinenormen spelen de conclusies uit het plan-MER een belangrijke rol. In het plan-MER is de stand van de kennis over de relatie tussen windturbinegeluid en hinder tegen het licht gehouden. Indien na vaststelling van de AMvB, recent gepubliceerd onderzoek aantoont dat het beeld over hinder wezenlijk wijzigt, kan dit aanleiding vormen om dit proces opnieuw te doorlopen.
Hoe beoordeelt u de berekening1 dat bij Level day-evening-night (Lden) 45 decibel (dB) circa 40% van de omwonenden ernstige hinder ervaart? Bent u bereid een wetenschappelijke toets uit te laten voeren op deze berekening?
Het RIVM voert momenteel een blootstelling-responsonderzoek uit naar de relatie tussen windturbinegeluid en hinder en slaapverstoring in de Nederlandse context. Het gaat daarbij, net als in het Duitse onderzoek, om de kans op ernstige hinder bij een bepaalde blootstelling, niet om het percentage van alle omwonenden van een windpark dat naar verwachting ernstige hinder ervaart. Wanneer de resultaten van het Nederlandse onderzoek van het RIVM beschikbaar komen, zal het RIVM deze op een zorgvuldige manier naast eerdere bevindingen leggen, waaronder die van het Duitse onderzoek. De resultaten worden eind 2026 verwacht en de Kamer zal over de rapportage van het RIVM geïnformeerd worden.
Bent u bereid onafhankelijk veldonderzoek te laten uitvoeren naar de verspreiding van PFAS, BPA en andere schadelijke stoffen afkomstig van slijtage van windturbinebladen, zoals nu door meerdere experts wordt aanbevolen?
Nee. Primair is het aan het bevoegd gezag om voorwaarden te stellen ter voorkoming van schade aan gezondheid of milieu en daarop te handhaven. Daarbij zijn er geen aanwijzingen dat slijtage van windturbinebladen een bedreiging vormt voor gezondheid en milieu. Eerder onderzoek gaf aan dat de emissies marginaal zijn2 Daarom is er nu geen aanleiding om hier nader onderzoek naar te laten doen.
Kunt u uitleggen waarom het voorzorgsprincipe niet wordt toegepast zolang er geen duidelijkheid is over zowel chemische emissies als mogelijke effecten van infra- en laagfrequent geluid?
Het voorzorgsprincipe houdt in dat bij serieuze indicaties van risico’s voor gezondheid of milieu, vooruitlopend op definitief bewijs, maatregelen getroffen worden ter voorkoming van die schade. In dit geval zijn dergelijke indicaties niet beschikbaar, noch voor chemische emissies, noch voor infra- en laagfrequent geluid. Het voorzorgsprincipe is bijvoorbeeld wel toegepast bij het gebruik van blusschuim en bestrijdingsmiddelen die significante bronnen zijn van PFAS-emissies naar het milieu.
Kunt u bevestigen dat volgens het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) de directe elektriciteitsvraag van 2050 (273 terawattuur (TWh)) volledig kan worden gedekt door wind op zee, zon en kernenergie, ook zonder extra wind op land? (NPE-cijfers: 315 TWh wind op zee, 135 TWh zon, 56 TWh kernenergie)
Nee. Naast de directe elektriciteitsvraag moet ook de vraag voor elektrolyse worden meegenomen. Daarnaast moet het aanbod en vraag ook in de tijd met elkaar worden afgestemd, wat vraagt om een bepaalde mate van overdimensionering. In de geplande actualisatie van het NPE is zij voornemens om de bijgewerkte cijfers van het verwachte CO2-vrije elektriciteitsaanbod uit kernenergie, windenergie op land, windenergie op zee en zon-PV op basis van de bijgestelde vraag te schetsen. Zij is van plan om hier ook o.a. de veranderende kosten voor waterstof in mee te nemen.
Waarom handhaaft het NPE dan een doorgroeiambitie van 29 TWh extra wind op land, terwijl uit de beantwoording van eerdere Kamervragen blijkt dat de waterstofgerelateerde vraag in Nederland waarschijnlijk grotendeels goedkoper via import wordt ingevuld?
Windenergie op land wordt niet gebruikt om te voldoen aan de waterstofgerelateerde vraag. Windenergie op land is nodig om woningbouw, bedrijvigheid en mobiliteit mogelijk te maken. Het is namelijk met zon-PV de meest kosteneffectieve manier om hernieuwbare energie op te wekken. Het draagt bij aan de diversificatie van het opwekportfolio in Nederland en op die manier aan meer energieonafhankelijkheid. Ook kan windenergie op land dichter bij de vraag en dus netefficiënt worden ingepast, en daarmee bijdragen aan het verminderen van netcongestie. Een goede inpassing van windenergie op land en betrokkenheid van omwonenden is van belang. Windenergie op land is daarom essentieel voor een betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam energiesysteem, naast windenergie op zee, zon-PV en kernenergie.
In de actualisatie van het NPE is de Minister van KGG van plan om o.a. in te gaan op een nieuwe richtwaarde voor windenergie op land richting 2040. Ook is zij van plan om in te gaan op de relatie met waterstofproductie en -import in Nederland.
Kunt u bevestigen dat maatschappelijke kosten zoals slaapverstoring, stress, zorgkosten, uitval op werk en school, woningwaardedaling en leefomgevingsschade niet worden meegenomen in de huidige maatschappelijke kosten-batenanalyse (mkba) en systeemverkenningen voor het energiesysteem?
Om de beleidsinzet voor de energietransitie te bepalen worden verschillende perspectieven en systeemanalyses meegenomen. Er is niet één MKBA die hieraan ten grondslag ligt. Het RIVM doet in opdracht van EZK uitgebreid onderzoek naar gezondheidseffecten, zoals slaapverstoring en stress, waarvan de resultaten worden meegewogen in beleid, zoals de milieunormen voor windturbines. Het kabinet neemt deze inzichten mee in de beleidskeuzes, net als andere inzichten over de impact op leefomgeving zoals bijvoorbeeld ruimtegebruik. In het NPE wordt op nationaal niveau bepaald wat de beleidsinzet is voor de energietransitie. De Minister van KGG zal een geactualiseerd NPE rond de zomer naar de Kamer sturen. De vertaling naar de regio’s gebeurt in samenwerking met de decentrale overheden. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar het kostenperspectief, maar ook naar de impact op de leefomgeving en ruimtelijke inpassing. Indien nodig wordt op basis daarvan het landelijke beeld in het NPE weer bijgesteld.
Bent u bereid een integrale mkba uit te voeren waarin wind op land, wind op zee, kernenergie en import in verschillende scenario’s worden vergeleken, zodat de politiek een transparante keuze kan maken?
De Minister van KGG ziet geen meerwaarde in een aparte nationale MKBA. De impact op de leefomgeving van verschillende energieoplossingen wordt al onderzocht en meegewogen. Bovendien is de impact erg afhankelijk van specifieke locaties, waardoor een generieke MKBA op nationaal niveau weinig meerwaarde heeft voor besluiten in de regio.
Kunt u bevestigen dat wind op land vanwege de lagere vollasturen en grotere fluctuaties een ongunstiger productieprofiel heeft dan wind op zee, waardoor in de praktijk meer bijstook in gascentrales nodig is? Zo nee, kunt u dit onderbouwen met historische productiedata?
Windenergie op land heeft een lagere capaciteitsfactor dan windenergie op zee, en daardoor wordt er per geïnstalleerd vermogen minder energie opgewekt. Tegelijkertijd zijn de kosten van windenergie op land significant lager dan die van windenergie op zee. Windenergie op land en windenergie op zee zijn nodig om ook 's nachts elektriciteit op te wekken en sluiten goed aan bij het opwekprofiel van zon-PV. Op dit moment zijn er periodes waarop de zon niet schijnt en de wind niet waait. Op deze momenten zijn er andere bronnen nodig, zoals gas- of kerncentrales of flexibele oplossingen.
Bent u bereid dit CO2-verschil structureel te laten doorrekenen door Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) of TNO, zodat de klimaatimpact van extra wind op land objectief beoordeeld kan worden?
Nee. Het CO2-reductiepotentieel van de verschillende klimaattechnieken zoals windenergie op land en windenergie op zee wordt al door PBL doorgerekend om de maximale subsidiebedragen vast te stellen voor de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++), Tijdelijk Ondersteuningsmechanisme Windenergie Op Zee (TOWOZ) en in de toekomst ook voor de tweerichtingscontracten voor zonne- en windenergie. Daaruit komt een objectieve maatstaf om de emissiereductie en kosten per techniek met elkaar te vergelijken: de subsidie-intensiteit (euro/tCO2).
Hoe rijmt u dat in officiële communicatie en in het Klimaatakkoord wordt gesteld dat windmolens «bij voorkeur op zee» moeten worden geplaatst, terwijl tegelijkertijd de ambitie voor wind op land wordt vergroot ondanks het al bereiken van de oorspronkelijke 35 TWh-doelstelling?
In het toekomstige energiesysteem is zowel windenergie op land als windenergie op zee nodig, zoals ook vermeld in het NPE 2023. De 35 TWh-doelstelling is voor 2030, ook daarna blijft de doorgroei van windenergie op land nodig. Daarom is de Minister van KGG van plan om in de actualisatie van het NPE een nieuwe richtwaarde voor windenergie op land op te nemen. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Cumulatieve hydrodynamische effecten van offshore windparken op de Noordzee |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recent gepubliceerde studie «Cumulative hydrodynamic impacts of offshore wind farms on North Sea currents and surface temperatures»1, waaruit blijkt dat offshore windparken substantiële veranderingen veroorzaken in stromingen, menging en temperatuur in de Noordzee?
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat grootschalige uitrol van windparken de gemiddelde oppervlakte-stromingssnelheid met 10% tot 20% kan verlagen, en lokaal zelfs meer dan 20%? Welke implicaties heeft dit volgens u voor veiligheid, scheepvaart, ecologie en morfologie?
Dit onderzoek draagt bij aan het vergroten van de wetenschappelijke kennis over de effecten van windenergie op zee op de omstandigheden op de Noordzee. Het sluit aan bij onderzoek dat ikzelf hiernaar laat uitvoeren, bijvoorbeeld via het Wind op Zee Ecologisch Programma (Wozep) en het Monitorings- en Onderzoeksprogramma Scheepvaartveiligheid Wind op Zee (MosWoz).
In het Wozep-programma wordt sinds 2019 onderzoek verricht naar effecten van windenergie op het Noordzee ecosysteem, waaronder de hydrodynamische effecten van de uitrol van offshore wind in de Nederlandse én de internationale Noordzee. Hieruit zijn meerdere rapportages2 voortgekomen.
Offshore windparken kunnen leiden tot (lokale) veranderingen in de waterkolom. Wat deze veranderingen daadwerkelijk inhouden voor het mariene leven, waaronder vis, is nog in onderzoek. De huidige kennis biedt vooralsnog geen aanleiding om de uitrol van windenergie op zee aan te passen.
Ik wijs er overigens op dat de door het lid Vermeer geciteerde studie uitgaat van deels hypothetische windparken, bovenop de werkelijke Nederlandse situatie. Naar verwachting zijn de uiteindelijke effecten dus kleiner dan deze studie schetst.
Voor scheepvaartveiligheid is in Nederland het MosWoz-programma opgezet. Binnen dit programma laat ik onderzoek uitvoeren naar de effecten op de scheepvaartveiligheid van windparken op zee. De door het lid Vermeer genoemde vragen met betrekking tot scheepvaartveiligheid komen in dit programma aan de orde.
De studie laat zien dat zowel wind- als getijwakes turbulentie en mengprocessen veranderen, met sterke lokale hotspots bij turbinefundaties en grootschalige afname van verticale menging buiten windparken. In hoeverre worden deze hydrodynamische veranderingen momenteel meegenomen in MER-procedures en vergunningverlening?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven worden deze effecten door het kabinet onderkend en vindt hier vervolgonderzoek naar plaats. De verschillende milieueffectrapportages (MER) bij de kavelbesluiten voor windenergie op zee besteden ook aandacht aan de hydrodynamische veranderingen als gevolg van windparken. Het is verplicht in de MER-procedures voor de kavelbesluiten de meest recente wetenschappelijke inzichten mee te nemen, inclusief alle onzekerheden, dus ook deze.
Welke risico’s ziet u voor zuurstofhuishouding, eutrofiëring en visbestanden, met name in kwetsbare gebieden zoals de Oyster Grounds, aangezien de studie aantoont dat stratificatie in grote delen van de Noordzee sterker wordt door verminderde verticale menging, inclusief het ondieper worden van de pycnocline met circa 2 meter?
Zie de antwoorden op de vragen 1 en 2. In de door het lid Vermeer geciteerde studie en de door mij aangehaalde studies worden veranderingen geconstateerd. Wat deze veranderingen ecologisch inhouden, onder andere ten aanzien van de visbestanden, is nog onderwerp van onderzoek. Zodra duidelijk is wat de effecten van de veranderingen zijn op de ecologie en de visbestanden neemt het kabinet deze kennis mee in haar beleid.
Waarom kent het Nederlandse ruimtelijke beleid momenteel geen minimale afstandsnormen gebaseerd op hydrodynamische of ecologische criteria, aangezien de studie benadrukt dat turbine-spacing (1.000 meter versus 3.000 meter) een cruciale factor is voor de omvang van hydrodynamische verstoring?
Tot op heden is de kennis van hydrodynamische of ecologische aspecten nog onvoldoende robuust om deze te vertalen naar minimale afstandsnormen. Bij het ontwerp van de Nederlandse windparken op zee wordt tot nu toe vooral gestuurd op relatief compacte windparken om buiten de windparken zoveel mogelijk ruimte over te laten voor andere activiteiten, zoals visserij. Overigens zijn de afstanden tussen de windturbines dan nog steeds groter dan 1.000 meter. Het vergroten van de onderlinge afstanden tussen de windturbines laat ik onderzoeken voor toekomstige windparken op zee vanwege de mogelijk positieve effecten op de businesscase van windparken op zee en op de Noordzeenatuur. Dit betekent echter wel dat bij een gelijkblijvende bijdrage van windenergie op zee aan ons energiesysteem meer ruimte op zee benodigd zal zijn.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de totale impact van toekomstige windparken lijkt op een additionele antropogene klimaatforcing, met hydrodynamische en thermische veranderingen die zich op bekkenniveau verspreiden? Vindt u dat dit type effecten voldoende worden erkend in internationale afspraken binnen Noordzeesamenwerking?
Ik kan nog geen conclusies beoordelen omdat het onderzoek hiernaar nog in volle gang is, waaronder binnen de programma’s Wozep en MONS. Daarnaast wordt hiervoor internationale samenwerking op het gebied van modelontwikkeling en -validatie opgezet. Ook de betekenis van de gemodelleerde veranderingen voor de Noordzeenatuur is nog in onderzoek bij de genoemde onderzoeksprogramma’s.
Acht u het wenselijk om conform de aanbeveling van de onderzoekers over te stappen op volledig gekoppelde atmosfeer-oceaanmodellen bij de beoordeling van offshore windprojecten, gezien het feit dat atmosferische terugkoppelingen (zoals veranderende windpatronen) de huidige resultaten nog kunnen versterken?
Vooralsnog is er vanuit het Wozep-programma geconcludeerd dat het nog niet zinvol is om in te zetten op dit type van modelverbetering, zolang nog niet duidelijk is of en hoe de doorwerking van effecten op hydrodynamische omstandigheden doorwerken in de voedselketen of naar beschermde diersoorten.
Kunt u aangeven hoe het huidige Nederlandse beleid borgt dat cumulatieve, grensoverschrijdende en langjarige hydrodynamische effecten voldoende worden meegenomen, aangezien de studie suggereert dat cumulatieve effecten een grotere rol spelen dan tot nu toe aangenomen en zich honderden kilometers van de windparken kunnen manifesteren?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om, samen met buurlanden rond de Noordzee, een actualisatie van de gezamenlijke strategische impactanalyses uit te voeren waarin deze nieuwe bevindingen expliciet worden geïntegreerd, zodat toekomstige windenergieontwikkeling niet leidt tot onvoorziene grootschalige veranderingen van het Noordzeesysteem?
In het kader van de internationale samenwerking neemt ons land onder andere deel aan een werkstroom binnen het Greater North Sea Basin Initiative (GNSBI) om een zo compleet mogelijk beeld te verkrijgen van alle drukfactoren op de Noordzeenatuur. Daar wordt uitgewisseld over methodiekontwikkeling, tussen landen en andere regionale organisaties zoals OSPAR en ICES, om de cumulatieve druk van bijvoorbeeld visserij, scheepvaart, mijnbouw, maar ook windenergie op zee op vergelijkbare wijze inzichtelijk te maken.
Indien u dat niet van plan bent, waarom niet?
Ik onderken dat het belangrijk is om de effecten van windparken op de Noordzee en de daar aanwezige natuur in kaart te brengen en heb daar, in samenwerkingen met de andere departementen, onderzoeksprogramma’s voor opgezet. Ook internationaal vraag ik aandacht hiervoor. Met de huidige kennis is er echter geen aanleiding om de uitrol van windenergie op zee aan te passen.
Het terugkrijgen van belastingrente door belastingplichtigen die te veel hebben betaald in box 3 |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat bezwaarmakers alleen belastingrente kunnen terugkrijgen als zij het OWR-formulier hebben ingediend voor de definitieve aanslag werd vastgesteld?
Dit klopt. Op grond van de huidige fiscale wet- en regelgeving1 vindt geen rentevergoeding plaats in het geval dat een definitieve aanslag wordt verminderd bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure. De hoofdregel op basis van wetgeving is dat bij rechtsherstel box 3 alleen (belasting)rente vergoed wordt als het formulier Opgaaf werkelijk rendement (formulier OWR) ingediend is voordat de definitieve aanslag is vastgesteld, aan alle overige wettelijke voorwaarden met betrekking tot belastingrentevergoeding is voldaan én dat formulier OWR leidt tot een teruggaaf van belasting.
Klopt het dat de Belastingdienst doelbewust belastingplichtigen heeft geadviseerd om geen actie te ondernemen in afwachting van een brief met nadere informatie, waardoor zij geen recht hebben op terugbetaling inclusief belastingrente?
De Belastingdienst heeft, onder andere per brief, belastingplichtigen geadviseerd om te wachten met indienen van gegevens inzake het werkelijk rendement (hierna: tegenbewijs leveren) tot de beschikbaarheid van het formulier OWR (in juli 2025) en tot het ontvangen van een attentiebrief voor een goed verloop van de hersteloperatie. Dit formulier OWR, waarvan het gebruik door een amendement van uw Kamer op de Wet tegenbewijsregeling box 3 verplicht is gesteld, is namelijk juist ontwikkeld om het rechtsherstel box 3 zo zorgvuldig en uitvoerbaar mogelijk te maken voor de Belastingdienst en de betrokken belastingplichtigen. Het vergoeden van belastingrente was geen overweging bij de communicatie hierover.
In juli 2025 was het formulier OWR klaar voor gebruik en konden belastingplichtigen het tegenbewijs leveren.2 Wegens dreigende verjaring van de aanslagtermijn is de Belastingdienst in een groot aantal gevallen genoodzaakt geweest om de aanslagen inkomstenbelasting over 2021 en 2022 vast te stellen, voordat de belastingplichtigen tegenbewijs geleverd hadden of konden leveren. Het wettelijke gevolg van deze samenloop is dat in deze gevallen geen belastingrente wordt vergoed bij een latere belastingvermindering op grond van het ingediende formulier OWR.
Zo ja, is wat u betreft hier sprake van misleiding of een andere vorm van verwijtbaar handelen aan de kant van de Belastingdienst, aangezien dit burgers bewust in een positie heeft gemanoeuvreerd waarbij zij geen rente meer terugkrijgen naast de ambtshalve vermindering?
Er is geen sprake geweest van een bewuste misleiding of een andere bewuste handeling van de Belastingdienst om ervoor te zorgen dat een groep belastingplichtigen geen (belasting)rente zal krijgen bij hun belastingvermindering wegens het rechtsherstel box 3.
Zo ja, houdt u dan vast aan de aanpak van niet terugbetalen als het om een foutieve handelwijze van de Belastingdienst gaat waarbij belastingplichtigen financieel worden gedupeerd?
In navolging van mijn antwoord bij vraag 3, vind ik de kwalificatie foutieve handelwijze niet terecht. Zoals weergegeven bij vraag 1, geldt voor iedereen, binnen en buiten het rechtsherstel box 3, dat geen belastingrente wordt vergoed bij een vermindering van de aanslag bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure. Met alleen de belastingvermindering wordt passend en voldoende rechtsherstel geboden. Voorts zullen er veel gevallen zijn geweest waarbij ook geen belastingrente zou worden vergoed indien het tegenbewijs direct bij de aangifte geleverd had kunnen worden.
Om wel belastingrente te vergoeden aan de onderhavige groep belastingplichtigen zou de wet gewijzigd moeten worden. Een verruiming van de huidige wettelijke belastingrenteregeling acht ik echter niet wenselijk, omdat een dergelijke verruiming van de situaties waarin belastingrente verschuldigd is op juridische afbakeningsproblemen stuit. Het maken van een uitzondering op de huidige wettelijke regeling voor een grote groep belastingplichtigen, maakt de wettelijke regeling dat geen rentevergoeding plaatsvindt in het geval een eerder vastgestelde aanslag wordt verminderd bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure juridisch (zeer) kwetsbaar. Daarnaast zou een wetswijziging tijd kosten, waardoor de uitvoering van het rechtsherstel box 3 vertraging zou oplopen. Daardoor zouden belastingplichtigen mogelijk langer moeten wachten op de beoordeling van het formulier OWR en een eventuele teruggaaf van belasting. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat conform de huidige wet geen belastingrente wordt vergoed als het formulier OWR is ontvangen na de definitieve aanslag. Indien was besloten om in deze gevallen de rente wel te vergoeden, zou dit hebben geleid tot een budgettaire derving van € 175 miljoen, die nog van dekking had moeten worden voorzien.
Uw voorganger schreef in een kamerbrief van 18 december 2025 dat in een aantal gevallen, met name over belastingjaren 2021 en 2022, vanwege dreigende verjaring de definitieve aanslag in de tussenliggende periode is opgelegd. Om hoeveel gevallen gaat het?
Over het belastingjaar 2021 zijn circa 292.000 definitieve aanslagen ter voorkoming van verjaring opgelegd en over het belastingjaar 2022 zijn circa 905.000 definitieve aanslagen ter voorkoming van verjaring opgelegd.
Bent u het ermee eens dat het komen tot een passend antwoord op deze problematiek niet alleen een kwestie is van «wat juridisch noodzakelijk is», maar ook van wat wenselijk is vanuit de gedachte dat de overheid betrouwbaar en dienstbaar moet zijn?
Ik ben mij ervan bewust dat door de communicatie vanuit de Belastingdienst burgers mogelijk hebben gewacht met het indienen van de opgaaf werkelijk rendement tot het ontvangen van een attentiebrief. Ik ben het met u eens dat daarom ook anders naar het niet vergoeden van belastingrente bij het rechtsherstel box 3 kan worden gekeken. Echter, dit doet niet af aan de redenen, zoals vermeld bij het antwoord op vraag 4, om geen (belasting)rente te vergoeden.
In dezelfde kamerbrief van 18 december 2025 staat dat uw voorganger na een gedegen afweging tot de slotsom is gekomen dat er geen juridische noodzaak bestaat om de wettelijke regels rondom het vergoeden van belastingrente te verruimen. Kunt u dit uitgebreider toelichten? Bent u bereid een andere afweging te maken?
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat bij rechtsherstel box 3 als uitgangspunt geldt dat met alleen de belastingvermindering passend en voldoende rechtsherstel wordt geboden. Vanuit juridisch oogpunt is het vergoeden van (belasting)rente bij die vermindering derhalve niet noodzakelijk. De enige uitzondering hierop is wanneer op grond van de wet wel belastingrente vergoed dient te worden. Dit is alleen het geval wanneer het formulier OWR is ingediend voordat de definitieve aanslag is vastgesteld (inclusief het voldoen aan andere eerdergenoemde voorwaarden). De weergegeven samenloop van het vaststellen van de aanslagen inkomstenbelasting over 2021 en 2022 wegens dreigende verjaring voordat de belastingplichtigen tegenbewijs geleverd hadden of konden leveren, brengt geen juridische noodzaak met zich om de wettelijke regeling te verruimen. Ik kan mij voorstellen dat deze conclusie niet door iedere individuele belastingplichtige wordt begrepen. Echter, op grond van de bij vraag 4 weergegeven belangenafweging kom ik, overeenkomstig mijn voorganger, tot de conclusie om de huidige wettelijke belastingrenteregeling niet te verruimen.
Wat zou het budgettaire beslag zijn van het vergoeden van de rente voor niet bezwaarmakers tegen de voorlopige aanslag?
Indien was besloten om in deze gevallen de rente wel te vergoeden, zou dit hebben geleid tot een budgettaire derving van € 175 miljoen. Deze budgettaire derving had nog van dekking moeten worden voorzien.
Bent u bereid om een brief naar de Kamer te sturen met uitgewerkte opties voor het terugbetalen van belastingrente aan alle belastingplichtigen die te veel belasting hebben betaald in box 3, waarbij u ingaat op thema’s als kosten en rechtsongelijkheid?
Gezien de bij vraag 4 weergegeven belangenafweging en de daarop gebaseerde conclusie om de huidige wettelijke belastingrenteregeling niet te verruimen, meen ik dat het uitwerken van opties om in meer situaties van rechtsherstel box 3 belastingrente te vergoeden niet de juiste route is.
Is er op dit moment sprake van sectorale uitzonderingsposities binnen de goederenhandel?
Nee, er zijn geen generieke uitzonderingen voor specifieke sectoren op het verbod om contante betalingen voor transacties voor de aan- of verkoop van goederen boven de 3.000 euro (hierna: het verbod). In overleg met de toezichthouder Dienst Financieel-Economische Integriteit (DFEI) is wel afgesproken om voor aankopen van goederen buiten de Europese Unie een uitzondering te maken bij de handhaving. Deze uitzondering is gemaakt naar aanleiding van zorgen uit de sector, waarna ik de Eerste Kamer bij de wetsbehandeling heb toegezegd om samen met de toezichthouder te bezien of er in het toezicht mogelijk disproportionele gevolgen weggenomen kunnen worden. De uitzondering komt hieraan deels tegemoet. Hierbij stuur ik u een afschrift van mijn brief aan de Eerste Kamer.
Zijn er wat u betreft sectoren die vanwege het verbod op contante verkopen boven de 3.000 euro een verslechtering van hun concurrentiepositie ondervinden ten opzichte van Europese buurlanden?
Na afloop van het debat in de Eerste Kamer over het verbod heb ik de sectoren die hun knelpunten bij de leden van de Eerste Kamer hadden aangekaart, opgeroepen om zich te melden. Met vertegenwoordigers uit deze sectoren is vervolgens gesproken. De sectoren die knelpunten zeggen te ondervinden zijn de voertuigen-, onderdelen- en metaalsector waar partijen uit Afrika, Zuid-Amerika en Oost-Europa vaak contant betalen. Zij schetsten dat zij in Nederland transacties verrichten voor de verkoop van hun waren, in hoge sommen contant geld met partijen binnen en buiten de EU. Zij wezen op het risico dat deze buitenlandse partijen na invoering van het verbod zouden uitwijken naar andere landen, zoals Duitsland, waar nu geen verbod geldt. Daarnaast stelden partijen uit de scheepvaart dat zij soms genoodzaakt zijn om in het buitenland ter plekke aankopen contant te doen.
Kunt u aangeven waarom er niet is gekozen voor uitzonderingsposities voor sectoren die gevoelig zijn voor een verslechtering van hun concurrentiepositie bij een verbod op contante betalingen boven de 3.000 euro?
Aan de hand van het afwegingskader zoals geschetst in de brief aan de Eerste Kamer zouden uitzonderingen voor deze sectoren zorgen voor ondermijning van de wet en voor slechte handhaafbaarheid. Ten eerste zou een uitzondering juist de sectoren met hoog witwasrisico betreffen, terwijl de wet juist beoogt om witwassen aan te pakken. Ten tweede is een bredere uitzondering niet handhaafbaar, omdat de toezichthouder moeilijk kan verifiëren of een transactie daadwerkelijk met een buitenlandse partij plaats heeft gevonden. Hierdoor zouden constructies kunnen worden opgetuigd om het verbod te omzeilen en zou het risico op misbruik fors toenemen. Ten derde sluit een uitzondering niet aan op de Europese antiwitwasverordening, die vanaf juli 2027 een algemene limiet instelt. Deze Europese limiet biedt geen ruimte voor sectorale uitzonderingen binnen de EU. Daarom wordt alleen een uitzondering gemaakt voor aankopen buiten de EU, waarbij het witwasrisico lager is, de toezichthouder de handhaafbaarheid kan waarborgen en waar vanaf juli 2027 geen Europese regelgeving voor geldt.
Wat heeft u gedaan om de nadelige effecten voor Nederlandse sectoren die te maken hebben met contante betalingen bij verkoop zoveel mogelijk te minimaliseren?
Er zijn gesprekken gevoerd met de sectoren en toezichthouder DFEI om mogelijke uitzonderingen te verkennen. Hierbij is de sectoren gevraagd om voorbeelden aan te dragen van situaties waarin zij knelpunten ervaren. De voorbeelden bedroegen veelal transacties die een hoog risico op witwassen vormen, terwijl de wet juist witwassen moet aanpakken. De werkbare en uitlegbare uitzondering die is gevonden betreft aankopen buiten de EU. Voor verkooptransacties is geen uitzondering mogelijk gebleken op basis van de bij het antwoord op vraag 3 geschetste overwegingen.
Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2026 ervaren exportbedrijven volgens hun eigen signalen «gigantische problemen». Kunt u zich deze dreiging voor de bedrijfsvoering voorstellen en was u hiervan op de hoogte?
Het is mij bekend dat partijen die handeldrijven met partijen uit het buitenland en daarbij gebruik maken van hoge sommen contant geld geraakt worden door deze wet. Voor deze sectoren is dat vervelend. Deze consequenties zijn tijdens de Kamerbehandelingen van het verbod besproken. Met name tijdens het debat met de Eerste Kamer is hier uitvoerig bij stil gestaan. Tegelijkertijd kwam in het debat ook aan de orde dat juist deze sectoren uit onderzoek naar voren komen als sectoren waarin sprake is van een hoog risico op witwassen. Het zou de effectiviteit van de wet onderuit halen om hiervoor uitzonderingen te maken.
Hoe rechtvaardigt u dat de wet is ingevoerd zonder dat er voor de exportverkopen een werkbaar alternatief of uitzondering is gecreëerd?
De strekking van het verbod laat geen ruimte voor uitzonderingen bij exportverkopen vanwege het hoge witwasrisico en onvoldoende mogelijkheid tot handhaafbaarheid. Een uitzondering zou een flinke maas in de wet veroorzaken en misbruik in de hand werken.
Volgens de sector is er in uw reactie van 19 december 2025 voor gekozen om enkel een handreiking te doen op het gebied van aankopen buiten de EU, is deze lezing correct?
Ja, de uitzondering die in het toezicht wordt gemaakt betreft aankopen buiten de EU. Zie de antwoorden hierboven en het afschrift van mijn brief aan de Eerste Kamer.
Bent u ervan op de hoogte dat het kernprobleem voor de exportsector in Nederland niet ligt bij de aankoop van goederen, maar juist bij de verkoop aan handelaren uit landen waar een digitale betaalinfrastructuur simpelweg niet bestaat of onbetrouwbaar is?
Ja, dat is bekend. Er is door enkele sectoren gewezen op transacties met partijen uit landen zonder goed werkend digitaal betaalsysteem. Tegelijkertijd is het vanwege de reeds genoemde overwegingen onwenselijk om generieke uitzonderingen te maken.
Bent u bereid verder met de exportsector (en andere kwetsbare sectoren) in gesprek te gaan over maatregelen om de nadelige effecten van het verbod op contante betalingen boven de 3.000 euro te beperken?
Er hebben reeds gesprekken met de sectoren plaatsgevonden. Binnen het huidige wettelijk kader is geen bredere uitzondering mogelijk is. De wet regelt dat binnen drie jaar na inwerkingtreding van de wet een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk aan de Staten-Generaal wordt gestuurd. Hierin zal ook worden stilgestaan bij eventuele nadelige effecten. Daarover kan dan het debat plaatsvinden.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden
Ja.
Het aflopen van de 30jaarstermijn en het budgettair beslag van de hypotheekrenteaftrek |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Uit berichten van onder andere het FD en TaxLive1 blijkt dat na 2031 honderdduizenden mensen hun recht op renteaftrek verliezen, maar dat de administratie hiervoor ontbreekt, zowel bij de Belastingdienst als bij banken: wat doet u om te voorkomen dat deze situatie uitloopt op massale bezwaarprocedures en administratieve chaos voor burgers en uitvoerders?
Is er wat u betreft een risico dat financiën na 2031 geconfronteerd zal worden met aanzienlijk hogere derving voor de hypotheekrenteaftrek, aangezien met geen mogelijkheid gecontroleerd kan worden welke belastingplichtigen al gedurende 30 jaar gebruik hebben gemaakt van de aftrek en vele belastingplichtigen de aftrek achteloos zullen blijven toepassen?
Zoals in het rapport staat beschreven kunnen de gemiste jaarlijkse belastingopbrengsten als geen besluitvorming plaatsvindt – en de huidige situatie dus in stand blijft – vanaf 2031 oplopen tot boven de 100 miljoen euro per jaar door het (on)bewust overschrijden van de 30-jaarstermijn door burgers. Dit is een inschatting die met grote onzekerheden omgeven is.
Het huidige coalitieakkoord lijkt geen wijziging aan te brengen in de ramingen rond de hypotheekrenteaftrek: waarom is er geen rekening gehouden met extra budgettaire risico’s?
Het genoemde rapport biedt meer inzicht in de budgettaire risico’s bij het aflopen van de 30-jaarstermijn. Hoewel het wel doorwerking heeft op het EMU-saldo vanaf 2031, zijn dergelijke effecten niet relevant voor het inkomstenkader.
Zijn er überhaupt budgettaire risicoanalyses beschikbaar ten aanzien van dit thema?
Zie het antwoord op vraag 2.
Zo nee, bent u bereid om deze vorm te geven?
Zie het antwoord op vraag 4.
Waarom is bij het ontwerp van dit systeem volgens u destijds niet beter nagedacht over de uitvoerbaarheid op de lange termijn en de benodigde administratieve waarborgen?
De 30-jaarstermijn is per 1 januari 2001 ingevoerd. Het uitgangspunt van de huidige wetgeving is dat het primair aan belastingplichtigen is om aannemelijk te maken dat recht bestaat op een aftrek. Een vorig kabinet heeft in 2019 naar aanleiding van aanbevelingen van Panteia over het alsnog gaan opzetten van een dergelijk administratiesysteem aangegeven dit niet te gaan doen om de volgende redenen. Deze overwegingen zijn nog steeds relevant3:
Ook is eerder door mijn ambtsvoorganger naar aanleiding van de kabinetsreactie op de evaluaties ingegaan op de uitvoeringsproblemen van de Belastingdienst.4
De Belastingdienst probeert belastingplichtigen overigens zo goed mogelijk in staat te stellen met zo min mogelijk inspanningen automatisch aan fiscale verplichtingen te kunnen voldoen. Een belangrijk instrument hierbij is bijvoorbeeld de vooraf ingevulde aangifte. Doordat er geen gegevens beschikbaar zijn, kunnen belastingplichtigen echter niet geholpen worden bij het onderbouwen van een recht op aftrek.
Verder was de invoering van de 30-jaarstermijn slechts een onderdeel van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. Er is destijds niet voor gekozen een dergelijk administratiesysteem op te zetten. Naast de bovengenoemde redenen om niet over te gaan op een administratiesysteem hadden destijds de invoering van het boxenstelsel (en de vermogensrendementsheffing), het vervangen van belastingvrije sommen door heffingskortingen en de introductie van uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet of weinig verdienende partner prioriteit. Ook toen waren er al uitdagingen op het gebied van ICT capaciteit. Het effect van de 30-jaarstermijn zou zich ook pas voor het eerst voordoen in 2031, terwijl deze onderdelen per 2001 in werking moesten treden.
Klopt het dat het kabinet feitelijk maar vijf jaar administratie/aangiften bijhoudt en bewaart van particulieren?
Nee, dat klopt niet. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Kunt u aangeven waarom de Belastingdienst maar vijf jaar aan administratie bewaart, terwijl de hypotheekrenteaftrek een looptijd tot 30 jaar kent?
De Belastingdienst bewaart de aangiften, aanslagen en andere stukken rondom de inkomensheffing in het algemeen 14 jaar na het belastingjaar conform de Archiefwet en de selectielijst. De eigenwoningregeling maakt daar onderdeel van uit.5 Overheidsorganisaties zijn wettelijk verplicht (artikel 5 van de Archiefwet 1995 en artikel 5 van het Archiefbesluit 1995) om te beschikken over een selectielijst. De selectielijst beschrijft welke archiefbescheiden voor vernietiging of voor blijvende bewaring in aanmerking komen. De gegevens van de afgelopen 14 jaar zijn echter niet voldoende voor de beoordeling van de 30-jaarstermijn voor alle belastingplichtigen.
Hoe verhouden deze standaarden aan de kant van de Belastingdienst zich tot de administratievereisten voor belastingplichtigen(in het bijzonder ondernemers/zelfstandigen)?
Administratieplichtigen zijn op basis van artikel 52 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) verplicht de zakelijke administratie over een belastingjaar zeven jaar te bewaren. Ondernemers voor de inkomstenbelasting zijn administratieplichtig. Voor particulieren geldt een dergelijke verplichting niet.
De Belastingdienst kan tot vijf jaar terug de te weinig betaalde belasting navorderen. Daarom is het verstandig om de administratie in ieder geval vijf jaar te bewaren. Zeker als het gaat om inkomensverlagende posten die de belastingplichtige aannemelijk moet maken.
Acht u het verantwoord om van burgers te verlangen dat zij, 30 jaar na ingang van hun hypotheek, zelf kunnen aantonen dat zij nog recht hebben op renteaftrek, terwijl de overheid en banken de administratieve gegevens veel korter bewaren? Ziet u risico’s voor rechtszekerheid en belastingmoraal?
Het uitgangspunt van de huidige wetgeving is dat het primair aan belastingplichtigen is om aannemelijk te maken dat recht bestaat op een aftrek. In het rapport staat beschreven dat het valt te betwijfelen of belastingplichtigen zich daar voldoende van bewust zijn en of zij het overzicht zelf wel hebben. De afgelopen jaren hebben er bovendien meer wijzigingen plaatsgevonden aan de eigenwoningregeling die de benodigde administratie lastiger hebben gemaakt. Het niet juist kunnen indienen van de aangifte inkomstenbelasting vanwege het ontbreken van de benodigde informatie is niet goed voor de belastingmoraal en kan het gevoel van rechtszekerheid schaden. Tegelijkertijd hebben alle uitgewerkte oplossingen ook voor- en nadelen.
Bent u voornemens de 30 jaarstermijn te verlengen, omdat de huidige einddatum gezien de beperkte administratie aan de kant van de overheid niet te handhaven is?
In het rapport zijn meerdere oplossingsrichtingen opgenomen. Tegelijkertijd heeft iedere oplossingsrichting voor- en nadelen. Het kabinet zal naar aanleiding van het rapport een kabinetsreactie opstellen.
Kunt u aangeven wat de jaarlijkse budgettaire gevolgen zijn als de termijn wordt verlengd tot bijvoorbeeld 2040?
Het genoemde rapport schetst mogelijke oplossingsrichtingen en de daarmee gepaard gaande budgettaire gevolgen. Bijlage 3 bij het rapport geeft een indicatie van de budgettaire gevolgen als de 30-jaarstermijn wordt verlengd tot 2040. De jaarlijkse budgettaire derving die dan ontstaat bedraagt circa 860 miljoen euro in 2031 en loopt op tot circa 1,8 miljard euro in 2040.
Is hiertoe reeds financieel beleid of een kostenraming beschikbaar?
Zie antwoord op vraag 12.
Wanneer verwacht u met een concreet voorstel te komen om de uitvoeringsproblemen rond deze kwestie tijdig op te lossen?
Zoals eerder genoemd zal het kabinet in een kabinetsreactie op het rapport ingaan hoe het om zal gaan met de 30-jaarsproblematiek.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De onafhankelijke positie van de rechtbank Den Haag en de uitspraak over de zaak van Greenpeace over het ‘beschermen’ van Bonaire. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2026 over de «Klimaatzaak Bonaire» van Greenpeace tegen de Staat?
Ja, dat heb ik. Op 2 februari 2026 stuurde het vorige kabinet een Kamerbrief met een eerste appreciatie van deze uitspraak1 en op 10 april over de beslissing om hoger beroep in te stellen2.
Deelt u het inzicht dat nationale wet- en regelgeving, ook gelet internationale afspraken en verplichtingen met betrekking tot het klimaat, altijd in het perspectief van een brede belangenafweging dienen te staan om te evenwicht in beleid en uitvoering te waarborgen?
Ja, en dit gebeurt ook. Regels van internationaal recht, hieronder vallen ook mensenrechtenverdragen, maken deel uit van de Nederlandse rechtsorde op basis van onze Grondwet (Gw). Artikel 91, eerste lid, Gw bepaalt dat het Koninkrijk niet aan verdragen gebonden mag worden zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De verplichting tot naleving van internationaal recht is vastgelegd in de artikelen 93 en 94 Gw. Zodra regels van internationaal recht Nederland op internationaal niveau binden, is er de verplichting om deze regels na te komen, ook in de nationale rechtsorde. Bij de totstandkoming van nationale wet- en regelgeving wordt steeds een belangenafweging gemaakt. Al bij de voorbereiding van een wetsvoorstel worden belanghebbende partijen betrokken, bijvoorbeeld door hen te verzoeken te adviseren. Hierbij worden ook uitvoeringsconsequenties betrokken. Als het wetsvoorstel vervolgens via internetconsultatie openbaar wordt gemaakt kunnen burgers, organisaties of professionals adviseren, hun mening of feedback geven. Op basis van alle voorhanden zijnde informatie wordt een belangenafweging gemaakt waarbij alle relevante belangen worden betrokken.
Deelt u de mening dat de rechter het hoogste scenario 8.5 in het IPCC-rapport (met een stijging van de zeespiegel van 27 centimeter in 2050 en 85 centimeter in 2100) dat een modelmatige wetenschappelijke benadering bevat over stijging van de zeespiegel door klimaatverandering ten onrechte interpreteert als feitelijke werkelijkheid in de motivering van zijn uitspraak?
In het algemeen kan ik over de scenario's die zijn gebaseerd op het IPCC-rapport het volgende mededelen: alle scenario’s zijn gebaseerd op modelberekeningen. Ieder scenario is een mogelijkheid. De rechtbank heeft het in de uitspraak over de «verwachte» zeespiegelstijging en geeft de bandbreedtes van de mogelijke zeespiegelstijging weer. Daarmee geeft de rechtbank de onzekerheid over de mate van zeespiegelstijging door klimaatverandering weer. Voor ieder mogelijk scenario geldt dat er een verschil in waarschijnlijkheid van het scenario zit.
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste en onzorgvuldige omgang door de rechter met een wetenschappelijk rapport geen detail betreft, maar een grove fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat de rechter wetenschap serieus dient te nemen en daarom extreme scenario’s in modelmatige rapporten die mede de basis vormen voor een brede belangenafweging nooit mag verwarren met feitelijke waarheden?
Wetenschap dient serieus genomen te worden. De rechtbank beschrijft in de uitspraak de «verwachte» zeespiegelstijging en geeft de bandbreedtes van de mogelijke zeespiegelstijging weer. (zie ook het antwoord op vraag 3).
Hoe beoordeelt u het feit dat in de uitspraak van de rechtbank rekening gehouden wordt met een zeespiegelstijging van tot 127 cm bij het hoge uitstootscenario, terwijl we volgens het IPCC op koers liggen voor een gemiddeld uitstootscenario?
Het past mij als bewindspersoon niet om duiding te geven aan de overwegingen in een rechterlijke uitspraak. In het algemeen kan ik zeggen dat de rechtbank de «zeespiegelstijging tot 127 cm» niet als feit maar als mogelijk scenario noemt. Er is geen reden om dit scenario uit te sluiten als mogelijkheid, dit doen het IPCC en het KNMI ook niet. De rechtbank geeft slechts aan wat in verschillende scenario’s de verwachte zeespiegelstijging is. Daarmee geeft de rechtbank de onzekerheid over de mate van zeespiegelstijging door klimaatverandering weer.
Onderkent u het feit dat in de uitspraak wordt verondersteld dat het doel van het Klimaatakkoord van Parijs «opwarming beperken tot 1,5 graad Celsius» is, terwijl dat feitelijk onjuist is omdat het akkoord niet spreekt over de opwarming beperken tot minder dan 1,5 graad Celsius, maar letterlijk «well below» 2 graad Celsius, en over het nastreven van pogingen («pursue efforts») om aan het einde van de eeuw tot minder dan 1,5 graad Celsius te komen ten opzichte van het pre-industriële niveau?
Het klopt dat artikel 2 van de Overeenkomst van Parijs spreekt over «ruim onder 2°C» en «streven de stijging te beperken tot 1,5 °C». De rechtbank geeft in de uitspraak aan dat na de Overeenkomst van Parijs de klimaatdoelen uit de Overeenkomst van Parijs steeds zijn bevestigd en zelfs aangescherpt. Gelet op het toenemende aantal rampen door extreme weersomstandigheden en nadere wetenschappelijke inzichten besloten de VN-verdragstaten onder andere bij het Glasgow Climate Pact (COP26), het Sharm el Sheikh Implementation Plan (COP27) en de First Global Stocktake in Dubai (COP28) dat de opwarming van de aarde moet worden beperkt tot maximaal 1,5 °C. Daarbij verwijst de rechtbank onder andere naar het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH). In het IGH-advies kwalificeert het IGH de temperatuurgrens van 1,5°C als het overeengekomen primaire doel van de partijen bij de Overeenkomst van Parijs ter beperking van de mondiale gemiddelde temperatuurstijging.
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste interpretatie door de rechter van het Klimaatakkoord geen detail betreft, maar een fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Zie het antwoord op vraag 7.
Welke maatregelen, die de Nederlandse regering de afgelopen jaren trof, hebben bijgedragen aan de instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire, of welke voorgenomen maatregelen gaan bijdragen aan de instandhouding of versterking van het koraal?
Er is een aantal maatregelen genomen op Bonaire om verdere achteruitgang van koraal op Bonaire tegen te gaan. Bijvoorbeeld in de afgelopen vier jaar in het kader van fase 1 van het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030. Deze zijn afgestemd met het Openbaar Lichaam Bonaire, gefinancierd door het Rijk, en uitgevoerd door lokale organisaties onder aansturing van het Openbaar Lichaam. Het gaat hierbij om een koraalrestauratieproject, natuurherstel Slagbaai, verbetering van beheer van afvalwater door onder andere uitbreiding van de RWZI, bestrijding van Sargassum, maar ook de aanpak van loslopend vee zodat er minder sedimentafspoeling richting zee plaatsvindt. Voor fase 2 zal samen met de Openbare Lichamen vastgesteld worden welke maatregelen nodig zijn om verdere achteruitgang te voorkomen. Deze maatregelen vallen onder het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Deelt u de mening dat het onrealistisch is om te denken dat maatregelen die Nederland kan treffen ten aanzien van klimaat bijdragen aan instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire?
Er zijn maatregelen genomen op Bonaire om verdere achteruitgang van koraal op Bonaire tegen te gaan (zie het antwoord op vraag 9). Deze maatregelen kunnen bijdragen aan instandhouding of versterking van het koraal. Daarbij merk ik op dat de rechtbank in de uitspraak aangeeft dat landen een deelverantwoordelijkheid hebben om maatregelen te treffen om klimaatverandering te voorkomen.
Deelt u de mening dat in de uitspraak van de rechtbank aantoonbare onjuistheden en onvolledige weergaven van internationale afspraken staan, zodat deze uitspraak geen stand kan houden en hoger beroep geboden is?
De Kamer is geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen. Het kabinet zal de precieze gronden van het hoger beroep bepalen en uitwerken.
Hoe beoordeelt u het dat de landsadvocaat heeft nagelaten om tegenargumenten te geven tegen aantoonbare onjuiste beweringen van de eisende partij?
Deze veronderstelling in uw vraag deel ik niet. In een civielrechtelijke procedure als onderhavige stellen partijen eigen processtukken op. Zo heeft de Staat met een conclusie van antwoord en een conclusie van dupliek gereageerd op de vorderingen en stellingen van Greenpeace. Door middel van deze processtukken heeft de Staat verweer gevoerd tegen stellingen waar volgens de Staat een andere interpretatie van bestaat of stellingen die volgens de Staat onjuist of onvoldoende onderbouwd waren.
Hoe beoordeelt u het feit dat de rechter en voorzitter van de zitting publiekelijk op social media al jarenlang frequent uitspraken doet over zijn uitgesproken opvattingen over klimaat, geopolitiek en zelfs een petitie deelt om «het financieren van de klimaatcrisis» te stoppen?
Voor een sterke, goed functionerende rechtspraak is het belangrijk dat rechters volop deelnemen aan het maatschappelijke leven. Ook rechters hebben, net als iedereen in Nederland, vrijheid van meningsuiting. Voor rechters zitten hier wel grenzen aan. Rechters hebben immers ook een bijzondere positie in de samenleving. De samenleving moet op de Rechtspraak kunnen vertrouwen. De Rechtspraak heeft een gedragscode die online te raadplegen is. In de Gedragscode Rechtspraak3 is ook aandacht voor het gebruik van sociale media. Ten slotte heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) een rechterscode. De NVvR-rechterscode is in 2026 geactualiseerd en bevat normen die rechters zichzelf stellen. Zowel binnen als buiten de zittingszaal.
Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. Wraken is het formeel vragen om een andere rechter voorafgaand aan of tijdens een rechtszaak, omdat de huidige rechter partijdig of vooringenomen lijkt.
Deelt u de mening dat een rechter die herhaaldelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid niet onafhankelijk en daarom niet geschikt is om een gerechtelijke uitspraak te doen over klimaatbeleid?
De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak worden via verschillende wegen voldoende gewaarborgd, zie het antwoord op vraag 13.
Waarom heeft de landsadvocaat geen verzoek gedaan om de rechter te wraken omdat hij publiekelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid?
Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. In de rechtszaak over klimaatverandering op Bonaire heeft de Staat geen aanleiding gezien om de landsadvocaat te vragen een wrakingsverzoek in te dienen. Zie verder het antwoord op vragen 13 en 14.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze rechter in het verleden ook gerechtelijke uitspraken met verstrekkende gevolgen voor democratisch beleid heeft gedaan over stikstof en klimaat?
Om te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan rechters in een rechtsgebied of team worden toebedeeld zijn in ieder gerecht regels opgesteld voor zaakstoedeling. De Code zaakstoedeling4 heeft tot doel te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan de rechters worden toegedeeld. Een rechter kan aldus betrokken zijn bij meerdere uitspraken. Ik heb geen reden om aan te nemen dat deze Code in dit geval onjuist is toegepast of dat voornoemde gedragscodes zijn geschonden (zie het antwoord op vragen 13 en 14).
Gaat de Staat in hoger beroep tegen de uitspraak?
Het kabinet heeft de Kamer geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen. Het kabinet zal de precieze gronden van het hoger beroep bepalen en uitwerken.
Deelt u de mening dat de onmiskenbaar vooringenomen houding van de rechter die zijn positie om onafhankelijk en onbevooroordeeld te oordelen leidt tot een mogelijke herzieningsgrond, dit nog afgezien van voldoende zwaarwegende argumenten om in hoger beroep te gaan?
Zoals hiervoor al is gemeld, is er geen aanleiding geweest voor de Staat om de rechter te wraken. De Kamer is geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen.
Een herziening (of zoals dat in het civiele recht heet, een herroeping) is overigens in Nederland alleen mogelijk als tegen de uitspraak geen rechtsmiddel meer openstaat (en in zeer uitzonderlijke gevallen). Daarvan is in dit geval geen sprake.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De juridische status, werking en het gebruik van de webmodule beoordeling arbeidsrelaties voor zzp’ers |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u tijdens het commissiedebat Zzp van 18 december 2025 heeft gesteld dat de webmodule «in lijn is gebracht met wet- en regelgeving en ook met geldende jurisprudentie» en dat daarin rekening wordt gehouden met alle gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest, inclusief extern ondernemerschap?
Ja, dit heeft mijn ambtsvoorganger gezegd in het commissiedebat van 18 december 2025.
Op welke concrete jurisprudentie baseert u de stelling dat de webmodule in lijn is met geldende jurisprudentie?
De webmodule is gebaseerd op een grote hoeveelheid uitspraken. In het antwoord op vraag 3 wordt aangegeven hoe de webmodule zich verhoudt tot recente jurisprudentie zoals de uitspraak van de Hoge Raad inzake Deliveroo en de prejudiciële beslissing inzake Uber.1 Deze uitspraken zijn gedaan na de ontwikkeling van de webmodule.
Op welke wijze past de webmodule de door de Hoge Raad voorgeschreven holistische weging van alle relevante gezichtspunten bij de kwalificatie van arbeidsrelaties toe?
De webmodule vraagt de elementen uit die belangrijk zijn om een arbeidsrelatie te kwalificeren. Daaronder vallen de gezichtspunten uit het Deliveroo arrest. De Hoge Raad heeft daarbij aangegeven dat deze gezichtspunten holistisch moeten worden gewogen en heeft op voorhand geen rangorde aangebracht.
Hieronder wordt voor de standaard vragenlijst uit de webmodule aangegeven welke vragen betrekking hebben op de elementen uit het Deliveroo-arrest:
Uit bovenstaand overzicht blijkt dat de webmodule alle elementen uit het Deliveroo-arrest uitvraagt. Echter, doordat de vragen worden gesteld aan de opdrachtgever, worden beperkt vragen gesteld over het ondernemerschap van de werkende buiten de specifieke arbeidsrelatie om. De opdrachtgever heeft daar immers (mogelijk) beperkt zicht op.
Ook zal op de startpagina extra aandacht worden besteed aan de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest en meer specifiek het extern ondernemerschap. Hiermee wordt benadrukt dat de webmodule het extern ondernemerschap slechts beperkt uitvraagt, omdat dit voor de opdrachtgever lastig te beantwoorden is. Maar dat het extern ondernemerschap van de werkende wel één van de gezichtspunten is die bij de beoordeling van de arbeidsrelatie een volwaardige rol speelt. Het is aan de opdrachtgever en werkende om hier een standpunt over in te nemen en dit (in combinatie met de uitkomst van de webmodule) te betrekken bij de beoordeling van de arbeidsrelatie.
Klopt het dat de webmodule geen expliciete vragen bevat over elementen van extern ondernemerschap, zoals het werken voor meerdere opdrachtgevers, acquisitie en het dragen van ondernemersrisico?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 blijkt, bevat de webmodule een aantal vragen die zien op ondernemerschapskenmerken, maar zien deze vooral op de specifieke arbeidsrelatie waarvoor de webmodule wordt ingevuld. Deze geven echter al wel enig zicht op aspecten die zien op ondernemerschap in bredere zin. Mag er voor meerdere opdrachtgevers worden gewerkt, wordt er financieel risico gelopen zowel voor schade als voor het niet opleveren van het afgesproken resultaat. Omdat de vragen worden gesteld aan de opdrachtgever die de opdrachtnemer inhuurt, zien deze vragen niet op arbeidsrelaties met andere opdrachtgevers.
Kunt u de puntentoekenning en wegingssystematiek van de webmodule volledig inzichtelijk maken, inclusief de juridische en beleidsmatige onderbouwing van de aan die systematiek ten grondslag liggende keuzes?
De webmodule stelt een grote diversiteit aan vragen. In de voortgangsbrieven «werken als zelfstandige» van 22 november 2019, 15 juni 2020 en 20 september 20212 is uw Kamer geïnformeerd over de totstandkoming van de webmodule, de testfase, de foutenmarge en de uitkomsten van de pilot. Bij deze Kamerbrieven is ook de puntentoekenning en de weging openbaar gemaakt.
Met de webmodule wordt de holistische weging zo goed mogelijk benaderd.
Er wordt echter ook onderkend dat de praktijk dusdanig divers is dat een standaard instrument zoals de webmodule nooit met alle feiten en omstandigheden van het individuele geval rekening kan houden. Ook kan het in een individueel geval voorkomen dat een of meer indicaties in de holistische toets zwaarder of minder zwaar wegen dan in de wegingssystematiek van de webmodule. Aan de webmodule kan daarom geen zekerheid worden ontleend. De webmodule geeft een indicatie of bepaalde werkzaamheden zich ervoor lenen door een zelfstandige te worden gedaan, of dat er gezien de feiten en omstandigheden sprake lijkt van een dienstbetrekking.
Kunt u bevestigen dat de webmodule binnen de Rijksoverheid en andere overheidsorganisaties wordt gebruikt bij de inhuur van zzp’ers?
De Rijksoverheid spant zich in om schijnzelfstandigheid terug te brengen naar nul. In een circulaire heeft de Minister van BZK de verschillende departementen opgeroepen om schijnzelfstandigheid tegen te gaan, zodat wordt voldaan aan wet- en regelgeving. De verschillende ministeries zijn in de basis zelf verantwoordelijk voor een zorgvuldige beoordeling van een arbeidsrelatie op basis van een weging van alle feiten en omstandigheden van het geval. In de circulaire staat dat zij hierbij gebruik kunnen maken van het huidige handhavingskader van de Belastingdienst, de webmodule of de binnen het Rijk opgestelde Leidraad aanpak schijnzelfstandigheid. De webmodule is dus een van de mogelijke hulpmiddelen bij deze beoordeling. De Rijksbrede leidraad aanpak schijnzelfstandigheid wordt momenteel herzien op basis van de meest recente jurisprudentie. Daarbij worden de uitspraken Deliveroo en Uber als uitgangspunt gehanteerd en krijgt (extern) ondernemerschap een volwaardige rol in de beoordeling.
Hoe verhoudt het gebruik van de webmodule bij de inhuur van zzp’ers door overheidsorganisaties zich tot uw uitspraak in het commissiedebat van 18 december 2025 dat de webmodule een indicatief hulpmiddel is en geen juridisch bindend karakter heeft?
Elke organisatie, waaronder overheidsorganisaties, die voor een bepaalde opdracht iemand wil inhuren, zal zich daarbij vooraf moeten afvragen of de specifieke werkzaamheden en de wijze waarop deze uitgevoerd moeten worden zich ervoor lenen om door een zelfstandige te worden uitgevoerd of dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Als overduidelijk is dat er «in dienst van» de werkgevende zal worden gewerkt, dan kan voor die specifieke klus geen zelfstandige worden ingehuurd. De webmodule kan bij deze beoordeling vooraf een hulpmiddel zijn. De uitkomst van de webmodule kan ook een aanleiding zijn om de opdracht en de wijze waarop deze uitgevoerd moet worden dusdanig aan te passen dat alsnog een zelfstandige kan worden ingehuurd.
Kunt u bevestigen dat de Belastingdienst de webmodule gebruikt ter ondersteuning van standpunten in (voor)overleg of handhavingscontexten?
Voor de beoordeling van een arbeidsrelatie weegt de Belastingdienst alle feiten en omstandigheden van het geval mee. Dit blijkt ook uit de Handleiding bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken die de medewerkers van de Belastingdienst ondersteuning biedt bij de uitvoering van bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken bij opdrachtgevers waar het beoordelen van de kwalificatie van arbeidsrelaties speelt3. De huidige webmodule is een hulpmiddel bij de beoordeling van arbeidsrelaties. De uitkomst van de webmodule heeft geen juridische status.
Hoe verhoudt het gebruik van de webmodule door de Belastingdienst zich tot het uitgangspunt dat aan de webmodule geen rechten kunnen worden ontleend en dat deze geen juridisch bindend instrument is?
Zie het antwoord op vraag 8.
Bent u bekend met eventuele interne juridische adviezen, signalen of aandachtspunten binnen uw ministerie, de Belastingdienst of andere betrokken uitvoeringsorganisaties waarin wordt gewezen op mogelijke spanning tussen de webmodule en recente jurisprudentie over de kwalificatie van arbeidsrelaties?
De webmodule is ontwikkeld in samenwerking tussen mijn ministerie, de Belastingdienst en UWV. Zoals toegelicht in het antwoord op vragen 3, 4 en 5 is daarbij de holistische weging zo goed als mogelijk benaderd. Ook is in afstemming tussen mijn ministerie en de uitvoeringsorganisaties een melding toegevoegd aan de uitkomst «geen oordeel mogelijk» om daarmee ook de recente uitspraken in Deliveroo en Uber een plek te geven in de webmodule. Daarbij realiseren we ons dat we geen verdere specifieke uitvraag doen over extern ondernemerschap van de werkende. Om specifiek aandacht te schenken aan de rol van (extern) ondernemerschap, zal op de startpagina extra aandacht worden besteed aan de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest met daarbij specifiek aandacht voor het negende gezichtspunt (extern ondernemerschap).
Er zijn mij geen verdere signalen bekend over spanning tussen de webmodule en recente jurisprudentie.
Op welke wijze zijn dergelijke signalen, indien aanwezig, betrokken bij de ontwikkeling en het gebruik van de webmodule?
Zie het antwoord op vraag 10.
Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Tieman , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Is reeds uitgewerkt hoe bij deze ontwikkelingen wordt geborgd dat geen verslechtering van de ecologische of chemische toestand van de betrokken waterlichamen optreedt?1
Nee, nog niet. Dit is pas zinvol als de plannen verder zijn uitgewerkt. Net als bij elk project zal ook hier voldaan moeten worden aan de eisen die de Kaderrichtlijn Water stelt.
Is inzichtelijk gemaakt hoe deze plannen zich verhouden tot het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) richting 2027, op waterlichaamniveau?
Zie het antwoord op vraag 1.
En op welk moment in het besluitvormings- en vergunningentraject vindt de expliciete EU-rechtelijke KRW-toets plaats?
De verdere uitwerking van de plannen moet voldoen aan de eisen die de KRW stelt, net als aan andere regelgeving omtrent milieu en natuur. Toetsing hieraan gebeurt tijdens het uitwerken van de plannen, bijvoorbeeld bij de ontwerpeisen en tijdens de Plan-MER, en later in detail tijdens concrete vergunningstrajecten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Water van 2 februari aanstaande?
Ja.
Het artikel 'Kabinet trekt toch 700 miljoen euro extra uit voor Oekraïne' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Het kabinet gebruikt 700 miljoen aan onderuitputting in de begroting voor extra steun aan Oekraïne, is deze gang van zaken niet in strijd met de begrotingsregels, aangezien onderuitputting niet gebruikt mag worden voor nieuw beleid?1
Het kabinet kan besluiten om de onderuitputting anders aan te wenden. In dit geval gebruikt het kabinet de onderuitputting ten behoeve van steun aan Oekraïne en zet daarmee een eerste stap in de opvolging aan de motie van de Kamer. Het aanwenden van de onderuitputting betekent wel dat deze onderuitputting niet beschikbaar is voor het invullen van de in=uittaakstelling, waardoor in de toekomst eerder tegenvallers kunnen ontstaan.
Hoe verhoudt het toch vrijmaken van extra geld zich tot de stellingname van het kabinet tegen de motie Klaver cs. waar de Minister-President nog duidelijk was in zijn boodschap dat er geen onmiddellijke ruimte was voor extra steun aan Oekraïne? (Kamerstuk 36 045, nr. 243)
Het kabinet ziet de noodzaak voor onverminderde steun aan Oekraïne en kijkt daarbij wat Oekraïne nodig heeft en wat Nederland kan bieden. Het kabinet erkent de wens van de Kamer om op korte termijn extra militaire steun te leveren en heeft daartoe bezien wat er mogelijk is. Met het aanwenden van onderuitputting zet het kabinet een eerste stap in de opvolging aan de motie van de Kamer. Het kabinet beziet vervolgens in het begin van het nieuwe jaar hoe verdere opvolging aan de motie gegeven kan worden.
Kunt u een actueel overzicht geven van alle bilaterale steun (giften) van Nederland aan Oekraïne tot nu toe, waarbij inzichtelijk is gemaakt wanneer welk bedrag is geschonken en voor welk doel (militair/civiel)?
Sinds de Russische invasie in Oekraïne in 2022 is er tot aan Miljoenennota 2026 13,4 miljard euro via Defensie2, 3,4 miljard euro via BZ/BHO en 442 miljoen euro via Financiën aan steun voor Oekraïne toegezegd. 3,4 miljard euro aan militair- en niet-militaire steun valt in 2026. Daarnaast is er 700 miljoen euro vrijgemaakt in 2025 in reactie op de Tweede Kamermotie voor aanvullende militaire Oekraïnesteun3. In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de totale internationale steun door Nederland. De tabel is inclusief de additionele 700 miljoen euro in 2025.
De militaire steun ziet met name op munitieleveringen en wapensystemen zoals F-16 toestellen, tanks en luchtverdediging. Met de niet-militaire steun draagt het kabinet onder andere bij aan acute noodhulp, herstel van (energie-)infrastructuur, huizen en drinkwatervoorzieningen.
2022
2023
2024
2025
2026
2027
2028
2029
2030
Militaire steun2
171
965
2.482
5.522
2.563
965
597
145
40
Niet-militaire steun (incl. macro-financiële bijstand)
457
546
807
772
856
445
9
4
5
Bedragen t/m 2024 volgen uit Financieel Jaarverslag Rijk. Bedragen 2025–2030 volgen uit de Oekraïne bijlage bij Miljoenennota 2026 en zijn geactualiseerd voor de nota van wijziging bij Najaarsnota 2025.
De getoonde reeks voor militaire steun wijkt enigszins af t.o.v. de laatste update Kamerbrief leveringen aan Oekraïne. Waar de Kamerbrief kijkt naar leveringen uit eigen voorraad, ziet deze reeks op netto-kasuitgaven in de begroting. De bedragen aan militaire steun in de tabel hebben vanaf 2028 volledig betrekking op compensatie voor in het verleden geleverd materieel uit eigen voorraad. Door deze compensatie kan dit materieel worden vervangen ten bate van de eigen krijgsmacht.
Kunt u een actueel overzicht geven van bilaterale steun in de vorm van leningen aan Oekraïne tot nu toe, waarbij inzichtelijk is gemaakt wanneer welk bedrag is verstrekt en voor welk doel?
Nederland heeft in 2022 één specifieke bilaterale lening van 200 miljoen euro aan Oekraïne, verstrekt via een kredietlijn van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Deze lening was bedoeld als begrotingssteun aan Oekraïne om de dagelijkse uitgaven te financieren en de economie draaiende te houden.4
Kunt u een actueel overzicht geven van de bilaterale steun tot nu toe van alle andere Europese lidstaten in de vorm van leningen én giften aan Oekraïne?
Volgens de meest recente beschikbare cijfers van de Europese Commissie hebben de Europese Commissie en EU-lidstaten in totaal tot en met 2025 circa 170 miljard euro steun geleverd aan Oekraïne (waaronder 66 miljard euro in militaire steun en 100,6 miljard euro in niet-militaire steun). Deze cijfers zijn mogelijk niet volledig. Het aandeel van lidstaten in de steun van de Europese Commissie wordt over het algemeen bepaald aan de hand van de bni-sleutel, maar deze verschilt ieder jaar. Daarom is het lastig om de totale steun terug te voeren op individuele lidstaten.
Elke lidstaat maakt individuele afwegingen over de omvang van de steun evenals de mate waarin publieke informatie over deze steun verstrekt wordt. Het kabinet doet daarom geen uitspraken over de steun verleend door andere lidstaten.
Kunt u een actueel overzicht geven van steun in Europees verband uitgesplitst in giften, leningen en garanties waarbij tevens inzichtelijk is gemaakt wat het Nederlandse aandeel is per categorie?
Via verschillende instrumenten heeft de EU steun geleverd aan Oekraïne. Hieronder worden de verschillende steunpakketten uiteengezet:
Naast hierboven genoemde niet-militaire steun is er in EU-verband ook militaire steun verstrekt aan Oekraïne. Volgens de Europese Commissie is er door de EU en lidstaten 66 miljard euro aan militaire steun geleverd, waaronder 6,1 miljard euro onder de Europese vredesfaciliteit (EPF) en 362 miljoen euro voor de EU Military Assistance Mission in support of Ukraine (EUMAM). Vanuit het Ministerie van Buitenlandse Zaken is in de periode 2023 tot en met 2025 171,5 miljoen euro bijgedragen aan het EPF voor Oekraïne. Hieruit wordt ook het niet-operationele deel van EUMAM betaald. Vanuit het Ministerie van Defensie is circa 35 miljoen euro uitgegeven tot en met 1 april 2025 aan het operationele deel van EUMAM. Zoals aangegeven in de recent verstuurde Kamerbrief5 komt het grootste deel van het EPF nog niet tot besteding door een veto van Hongarije.
Wat heeft de opvang van Oekraïners in Nederland tot nu toe gekost per jaar voor de nationale overheid, inclusief kosten voor zorg, onderwijs en sociale zekerheid? Kunt u deze kosten uitsplitsen per genoemde categorie?
Een overzicht van de gerealiseerde geoormerkte uitgaven voor Oekraïense ontheemden van voorgaande jaren zijn terug te vinden in het Financieel Jaarverslag Rijk van het desbetreffende jaar. In deze overzichten wordt voor 2024, 2023 en 2022 het onderscheid gemaakt tussen opvang ontheemden, zorg en onderwijs.
2022
2023
2024
Opvang ontheemden
1.079
3.436
2.598
Zorg
54
170
223
Onderwijs
200
222
75
Wat heeft de opvang van Oekraïners tot nu toe gekost per jaar voor decentrale overheden, inclusief kosten voor zorg, onderwijs en sociale zekerheid? Kunt u deze kosten uitsplitsen per genoemde categorie?
Zie antwoord op vraag 7.
Het verder uitsplitsen van de kosten voor de opvang tussen nationale overheid en de decentrale overheden is niet mogelijk. Daarbij zijn de kosten van de nationale overheid vaak een vergoeding aan decentrale overheden voor de gemaakte kosten. Dit geldt bijvoorbeeld voor de opvang van ontheemden. Zo maken de veiligheidsregio’s onder andere kosten voor de eerste opvang en maken gemeenten kosten voor de gemeentelijke opvang (GOO) en de particuliere opvang (POO). Voor zover beschikbaar worden de gemaakte kosten per begroting gepresenteerd in de departementale jaarverslagen.
Is Nederlandse steun in welke vorm dan ook betrokken bij het onlangs gemelde corruptieschandaal in Oekraïne of eerder betrokken geweest bij corruptie in Oekraïne op welk niveau dan ook?
Op dit moment zijn er geen indicaties dat met Nederlandse steun malversaties zouden hebben plaatsgevonden. Nederland heeft geen bijdrages gedaan aan het Oekraïense staatsenergiebedrijf Energoatom. Het grootste deel van de Nederlandse energiesteun aan Oekraïne loopt via internationale instellingen, zoals de Wereldbank en de EBRD. Deze banken hebben langjarige ervaring met het verlenen van steun en hebben sterke controlemechanismen om corruptie te voorkomen. Nederland ondersteunt Oekraïne actief bij het versterken van anti-corruptie-instanties, zowel bilateraal als in Europees verband.
Welke garanties heeft het kabinet dat Nederlandse steun doelmatig wordt besteed?
De Nederlandse procedures en auditing regels zien toe op de rechtmatige en doelmatige besteding van de beschikbaar gestelde middelen voor steun aan Oekraïne.
Het toetsen van militaire doelmatigheid vindt plaats aan de voorkant, waarbij de behoefte vanuit Oekraïne (centraal gecoördineerd door NATO Security Assistance and Training for Ukraine (NSATU)) al dan niet wordt gekoppeld aan het aanbod. Dit kan commercieel of eigen voorraad betreffen. De informatie over doelmatigheid van het militair vermogen komt terug via NSATU en Oekraïne.
Welke controlemechanismen heeft de Nederlandse regering tot haar beschikking om na te gaan of Nederlandse steun voldoende doelmatig wordt besteed?
Directe aanschaf in Oekraïne gebeurt op basis van het Nederlandse model. De Nederlandse procedure omvat een gegronde controle van elk bedrijf door de Audit Dienst Rijk (ADR). Deze regels en procedures nemen tijd in beslag en vereisen toegang tot informatie over bijvoorbeeld de prijsopbouw en winstmarges van de voorgenomen verwerving. Dit Government to Business-model zorgt ervoor dat er geen tussenkomst is van overheidsfunctionarissen bij de totstandkoming van contracten. Bij het Nederlandse model van directe samenwerking met de Oekraïense industrie, is Nederland zelf verantwoordelijk voor het uitonderhandelen en overeenkomen van een contract met een Oekraïense leverancier. Er zijn ook samenwerkingsovereenkomsten met NATO-trusted partners waarbij het partnerland de verwerving doet; Nederland vertrouwt in dat geval op de procedures van bondgenoten.
De Nederlandse niet-militaire steun loopt voor het grootste deel via de internationale financiële instellingen, zoals de Wereldbank en de EBRD. Deze banken hebben ervaring met steunprogramma’s in Oekraïne en passen audit- en controlemechanismen toe om corruptie zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast loopt een deel van de Nederlandse bijdragen via de EU en VN-organisaties, die alle bijdragen toetsen op risico’s rondom fraude en corruptie. In geval van bilaterale steunprogramma’s wordt gewerkt met Nederlandse uitvoerende organisaties met een bewezen track record. Bij nieuwe bijdragen doorlopen uitvoerende organisaties een integriteitsanalyse en is er op reguliere basis contact over de stand van zaken m.b.t. hun werkzaamheden in Oekraïne.
Kunt u deze vragen vóór het plenaire debat over de Europese top van 18 en 19 december beantwoorden?
Ja.
Het sectoraal uitzendverbod en initiatieven van de Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV) om de omstandigheden van arbeidsmigranten te verbeteren |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u een voorstander van de toepassing van het sectorale uitzendverbod als beleidsinstrument? Waarom wel/niet?
Alle arbeidskrachten moeten goed behandeld worden. Er zijn verschillende instrumenten om hier toezicht op te houden en op te handhaven. Uit de verkenning naar een sectoraal in- en uitleenverbod komt naar voren dat in sectoren waar arbeidswetten wijdverspreid en stelselmatig worden overtreden, een aanvullende maatregel kan worden overwogen naast de Wtta. Ook is in de verkenning naar voren gekomen dat er in de vleessector wijdverspreide en stelselmatige overtredingen van arbeidswetten zijn. Het kabinet heeft daarom besloten om als stok achter de deur een in- en uitleenverbod voor te bereiden voor de vleessector.
Volgens de vleessector blijven de omstandigheden die faciliterend zijn aan misstanden ook bij een sectoraal uitzendverbod nog altijd bestaan, omdat uitzendkrachten enkel een andere contractvorm zouden krijgen, bent u het eens met deze stelling? Kunt u toelichten waarom wel/niet?
In grote gedeelten van de vleessector is sprake van hoge percentages flexwerk (rond de 70%) en met name uitzendkrachten. Indien een uitzendbureau betrokken is zijn er meer dan twee keer zo veel overtredingen van arbeidswetten. De aanwezigheid van een uitzendconstructie is zelfs de belangrijkste voorspeller voor deze vorm van overtredingen. Ook voor overtredingen van arbeidswetten die toezien op arbeidsomstandigheden is de aanwezigheid van een uitzendbureau een belangrijke voorspeller. Een sectoraal in- en uitleenverbod richt zich naast de uitlener ook specifiek op de inlener die oneigenlijk drukken van de prijs en daarmee de misstanden faciliteert. Bij de uitwerking van het in- en uitleenverbod voor de vleessector wordt er gekeken naar weglekrisico’s. Het gaat hier om de situatie dat arbeidskrachten via een andere flexibele arbeidsrelatie worden ingehuurd om het in- en uitleenverbod te omzeilen. Daarnaast dient deze maatregel te worden bezien als een mogelijke aanvulling op de bestaande mogelijkheden om te handhaven op overtredingen van arbeidswetten.
De Centrale Organisatie voor de Vleessector (COV) richt zich naar eigen zeggen op verbetermaatregelen voor de sector zoals het opzetten van onboardingprogramma’s om arbeidsmigranten wegwijs te maken in hun werkomgeving en rechten en het implementeren van preventieve maatregelen om bedrijfsongevallen te voorkomen, ziet u deze inzet ook?
Op (hoog)ambtelijk niveau worden er gesprekken gevoerd met VleesNL (de nieuwe naam van COV) over de stappen die zij kunnen zetten om echt impact te hebben. Ook in die gesprekken maken zij duidelijk dat ze hier als sector mee bezig zijn. Op basis van de voortgang van deze gesprekken zal de Kamer op de hoogte worden gebracht over de stand van zaken in de sector.
Klopt het dat de COV u actief een verzoek heeft gedaan voor een gesprek?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om in gesprek te treden met de COV over de gang van zaken rond eventuele verbeterprocessen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om af te zien van de optie tot een sectoraal uitzendverbod en zich met sectorpartijen als de COV in te zetten voor het tegengaan van misstanden, gegeven de vermeende beperkingen van een sectoraal uitzendverbod?
Zie antwoord vraag 3.
De verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat kinderen in krimp- en grensregio’s een bovengemiddelde kans hebben om in energiearmoede op te groeien?1
Ja het kabinet is bekend met het onderzoek van TNO over kinderen in energiearmoede. TNO heeft becijferd dat in 2024 naar schatting 510.000 huishoudens (circa 6% van het totaal aantal huishoudens) en 293.000 kinderen in energiearmoede leven. TNO laat daarbij zien dat kinderen die in energiearmoede opgroeien zich in een kwetsbaardere sociaaleconomische situatie bevinden. Zo is het huishoudinkomen vaak aanzienlijk lager. Energiearmoede komt het vaakst voor in de Randstad (frequentie), maar de diepte van energiearmoede is in de grensregio’s gemiddeld groter, doordat het gemiddelde inkomen lager ligt en de gemiddelde woonoppervlakte groter is2. In de overige regio’s zien we gemiddeld een lager percentage huishoudens in energiearmoede.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat kinderen in krimp- en grensregio’s een grotere kans hebben om in energiearmoede op te groeien?
Het kabinet vindt het belangrijk dat alle huishoudens in Nederland kunnen meekomen in de energietransitie en een betaalbare energierekening hebben, ongeacht waar iemand woont. Daarnaast zet het kabinet zich ook breed in om (de gevolgen) van kinderarmoede tegen te gaan3. Geen kind zou in armoede moeten opgroeien. Daarom blijft dit kabinet zich er sterk voor maken om kinderarmoede aan ta pakken, waar dan ook in Nederland. Zoals in de beantwoording van vraag 1 is aangegeven, komt energiearmoede (onder kinderen) het vaakst voor in de Randstad en in grensregio’s. Om huishoudens in energiearmoede te ondersteunen heeft dit kabinet diverse maatregelen verlengd of verder uitgebreid, zoals de inzet van de Specifieke uitkering Energiearmoede aan gemeenten met in totaal € 550 miljoen, het Tijdelijk Noodfonds Energie en het verder uitfaseren van huurwoningen met een EFG-label. Zie hiervoor ook de Kamerbrief uit augustus vorig jaar: Monitor Energiearmoede 20244. De gevolgen die energiearmoede kan hebben op kinderen zijn daarbij belangrijk om mee te wegen in het te nemen beleid.
Hoe bent u van plan te waarborgen dat gezinnen met kinderen in krimp- en grensregio’s toegang houden tot betaalbare energie?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 is benoemd, hecht het kabinet eraan dat huishoudens in Nederland een betaalbare energierekening hebben. Hiertoe zijn diverse maatregelen genomen en nog steeds van kracht. Op dit moment werkt het kabinet ook aan de uitwerking van een publiek energiefonds5, waarmee aan huishoudens in energiearmoede tijdelijke financiële steun wordt geboden en huishoudens actief worden doorverwezen naar hulp bij het verduurzamen van de woning.
TNO heeft in opdracht van het Rijk naar aanleiding van een motie van het voormalig Kamerlid Postma6 een onderzoek uitgevoerd naar de effecten van beleidsopties om energiearmoede verder tegen te gaan tijdens de energietransitie. De uitkomsten hiervan zijn recent met de Kamer gedeeld7.
Deelt u het inzicht dat krimpregio’s zoals Zuid-Limburg en Noord-Groningen te maken hebben met een dubbele kwetsbaarheid, namelijk (1) slechtere energetische kwaliteit van de woningvoorraad en (2) demografische achteruitgang?
Uit cijfers van het CBS en een prognose van ABF Research8 blijkt dat elke regio zijn eigen demografische uitdagingen kent. Het kabinet deelt dat het aandeel energiearme huishoudens en de demografische ontwikkeling in de genoemde regio’s onze aandacht verdienen. In de genoemde regio’s is sprake van vergrijzing en het wegtrekken van jongeren, waardoor lokale faciliteiten onder druk komen te staan. Dat vraagt daarmee ook om een regionale aanpak die juist ook rekening houdt met de lokale gevolgen van demografische ontwikkelingen. Het kabinet en de regio’s werken samen om de kwaliteit van leven, wonen en werken van inwoners en ondernemers te verhogen, onder meer via de regiodeals.
Bent u bereid concrete maatregelen te nemen om in aansluiting op het rapport «Elke regio telt!» deze regionale ongelijkheden te verkleinen, zo ja welke en zo nee waarom niet?
Het kabinet onderzoekt, in lijn met motie-Van der Plas, hoe een plattelandstoets kan worden vormgegeven over de breedte van het nationale beleid. Belangrijke input hiervoor volgt uit de Rural Policy Review die in september 2025 van start is gegaan en loopt tot begin 2027. Dit onderzoek, dat wordt uitgevoerd door de OESO, heeft als doel om meer inzicht te krijgen in de (sociaaleconomische) staat van het landelijk gebied en de mogelijke beleidsinzet hierop, waar een plattelandstoets onderdeel van kan zijn.
Het kabinet heeft daarnaast, in aansluiting op het rapport «Elke regio telt» en het daaruit voortgekomen Nationaal Programma Vitale Regio’s, oog voor regionale en lokale ontwikkelingen, bijvoorbeeld bij de aanpak van energiearmoede. De Monitor Energiearmoede geeft een inschatting van energiearmoede op nationaal en lokaal niveau. De verdeling van de Specifieke uitkering aanpak energiearmoede is gebaseerd op het percentage huishoudens met energiearmoede in de verschillende gemeenten. Verder is de aanpak van energiearmoede onderdeel geweest van regio- en wijkgerichte programma’s. Zo was de bespaarcoach één van de projecten van de Regio Deal Oost-Groningen I om woningeigenaren met een laag inkomen te ondersteunen bij het verduurzamen van hun woning en het besparen van energie. Door de City Deal Energieke Wijken zijn huishoudens in de gebieden van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) geholpen bij het verduurzamen van hun woning. Specifiek voor de regio’s Groningen en Noord-Drenthe is voor toekomstbestendige woningen van goede energetische kwaliteit ook maatregel 29 van Nij Begun van belang. Tenslotte dragen het Nationaal isolatieprogramma, de Nationale prestatieafspraken met woningcorporaties, de wijkaanpak met een regierol voor gemeenten en andere subsidies en ondersteuning ook in deze regio’s bij aan de aanpak van energiearmoede. Besluitvorming over verdere maatregelen om regio’s en wijken te versterken en mogelijke verschillen terug te dringen is aan een nieuw kabinet.
Op welke wijze wordt met betrekking tot de verhoogde kans op energiearmoede van kinderen in krimp- en grensregio’s de regiotoets uitgevoerd, zodat de gevolgen voor regio’s en plattelandsgebieden expliciet worden meegewogen, in lijn met de aangenomen motie van het lid Van der Plas over onderzoeken hoe een plattelandstoets nader uitgewerkt kan worden en een rol kan spelen bij overheidsbeleid en wet- en regelgeving (Kamerstuk 36 410, nr. 121)?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u een actuele uitsplitsing geven van energiearmoede naar regio, inclusief het aantal huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie (het structureel uitzetten of laag houden van verwarming)?
Het aantal energiearme huishoudens dat te maken heeft met onderconsumptie was in 2023 naar schatting circa 124 duizend. Dit is in kaart gebracht in de jaarlijkse Monitor Energiearmoede die met de Tweede Kamer is gedeeld9. TNO schat dat voor 2024 deze groep licht zal dalen in absolute aantallen, naar ongeveer 119 duizend huishoudens. De regionale verdeling van onderconsumptie is niet in kaart gebracht.
Figuur 1 presenteert de energiearmoedekaart van Nederland voor 2024 op gemeenteniveau10. De gemeenten waarbij het aandeel huishoudens met energiearmoede naar schatting boven 10% uit komt in 2024 zijn: Heerlen, Vaals, Enschede, Rotterdam, Almelo, Pekela, Oldambt, Maastricht, Arnhem en Kerkrade.
Figuur 1. percentage energiearme huishoudens per gemeenten in 2024 (voorlopige schatting)
Klopt het dat beleid rondom energiearmoede momenteel versnipperd is over meerdere ministeries (Klimaat en Groene Groei, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en dat hierdoor een overkoepelende visie ontbreekt?
De ministeries van KGG, VRO en SZW werken samen aan de aanpak van energiearmoede. Huishoudens met energiearmoede hebben een laag inkomen, hoge kosten voor gas en elektriciteit en/of een woning van lage energetisch kwaliteit. Dit vraagt om een aanpak op verschillende fronten. De Minister van VRO heeft het voortouw bij beleid dat gericht is op het verbeteren van de energetische kwaliteit van woningen. De Minister van SZW is verantwoordelijk voor het behoud van koopkracht en gerichte financiële ondersteuning. De Minister van KGG is stelselverantwoordelijk voor het energiesysteem, waaronder de betaalbaarheid van de energierekening.
In 2022 zijn de ministeries van KGG, VRO en SZW onder leiding van TNO het Landelijk Onderzoeksprogramma Energiearmoede gestart. Dit programma is september 2025 afgelopen, maar het vraagstuk blijft actueel. Structurele monitoring en meerjarige kennisontwikkeling blijft nodig om nationale en lokale besluitvorming over energiearmoede te ondersteunen. De ministeries van KGG, VRO en SZW hebben daarom in samenwerking met TNO en RVO het Nationaal Energiearmoede Observatorium (NEO) opgezet. Het NEO ontwikkelt en ontsluit kennis via (1) monitoring, (2) onderzoek en (3) kennisnetwerkbeheer. Het vervult ook een belangrijke signaalfunctie: het brengt zowel effectief beleid als knelpunten in de uitvoering vroegtijdig in beeld, zodat de overheid tijdig en gericht kan worden geïnformeerd en geadviseerd. Het observatorium is sinds 1 januari 2026 van start gegaan.
Bent u bereid een langetermijnstrategie energiearmoede op te stellen met duidelijke doelen, indicatoren en interdepartementale coördinatie?
Zie antwoord vraag 8.
Herkent u de signalen dat de private sector – zoals netbeheerders en energiebedrijven – bereid is een grotere rol te spelen in het opsporen en oplossen van energiearmoede?
Bij de aanpak van energiearmoede hebben publieke en private partijen elk een eigenstandige rol. Veel energiebedrijven helpen met het bestrijden van energiearmoede door informatie te verstrekken over verduurzamen of over energiebesparing. Energiebedrijven hebben vaak een loket opgezet waarbij ze consumenten helpen met verduurzamen via informatieverstrekking of met het aanbieden van woningadvies op maat.
Publieke en private partijen werken samen bij het oplossen van betalingsproblemen. Het doel is om zo vroeg mogelijk te signaleren wanneer huishoudens in de problemen komen en tijdig een passende oplossing te bieden. Deze samenwerking is vastgelegd in de Energieregeling en in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en onderliggende afspraken. De bescherming van de consument is specifiek vastgelegd in de Energieregeling en recent uitgebreid en is vanaf 1 januari jl. van kracht. De vernieuwde regels zijn opgesteld in samenwerking met schuldhulpverleners, de VNG, energieleveranciers en Netbeheer Nederland.11 De regeling is erop gericht om de consument te beschermen en gezamenlijk afsluiting van energie te voorkomen. Concreet vereist de regeling leveranciers en netbeheerders om contact op te nemen met de consument om de betalingsachterstand op te lossen, bijvoorbeeld door een redelijke en passende betalingsregeling te treffen. Verder zijn de mogelijkheden tot gegevensuitwisseling tussen leveranciers en gemeente uitgebreid, zodat tijdig hulp geboden kan worden bij schuldhulpverlening. Het kabinet monitort continu hoe deze wijzigingen uitpakken.
Bent u bereid deze rol te verankeren, bijvoorbeeld door afspraken over vroegsignalering, datadeling en lokale samenwerking?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid de rol van energiecoöperaties en energiecoaches te versterken in de aanpak van energiearmoede, gelet op hun nabijheid en het grotere vertrouwen dat zij genieten in wijken?
Ja. Gemeenten hebben in drie tranches in 2022 en 2023 in totaal € 550 miljoen ontvangen voor de aanpak van energiearmoede via de SPUK Aanpak Energiearmoede. Veel gemeenten hebben deze middelen ingezet door middel van de inzet van energiehulporganisaties, ook veelal lokaal gewortelde organisaties. De uitvoeringstermijn van deze SPUK is verlengd van 2025 naar 2027 zodat gemeenten meer tijd hebben voor de uitvoering. Op 7 november heeft het Ministerie van SZW nog aanvullend 30 miljoen beschikbaar gesteld voor de lokale energiearmoedeaanpak12.
Daarnaast heeft het kabinet, naar aanleiding van amendementen Postma/Rooderkerk13, een subsidie van 7,5 miljoen euro verstrekt aan het Actienetwerk Energiehulp. Met dit netwerk, opgericht door Fixbrigade Nederland en Energiebank Nederland, wordt gewerkt aan het bestrijden van energiearmoede en een rechtvaardige energietransitie. Dat doet het netwerk door lokale sociaal-maatschappelijke energiehulp-initiatieven op te zetten of te versterken waar dat nodig is, en door te bouwen aan een landelijk netwerk van lokaal gewortelde energiehulp-initiatieven die een bewezen effectieve energiehulp-aanpak toepassen.
De SPUK Aanpak Energiearmoede is ingezet in reactie op de energiecrisis van 2022. De middelen lopen nu af. De inzet voor het Europese Sociaal Klimaat Fonds en eventuele andere besluitvorming over verdere maatregelen die kunnen bijdragen aan de aanpak van energiearmoede nemen de lessen uit de ervaringen hiervan mee. Ook inzichten uit het recent verschenen onderzoek van TNO over energiearmoede ter opvolging van de motie-Postma bieden handvatten daartoe14.
Hoe gaat u gemeenten ondersteunen in het benutten van bestaande buurtpunten en wijkcentra bij het bereiken van moeilijk bereikbare groepen, waaronder bewoners met diverse culturele achtergronden?
Bij het signaleren en aanpakken van geldzorgen is het belangrijk dat er laagdrempelige hulproutes zijn. Er zijn ruim twintigduizend vrijwilligers die mensen met geldzorgen begeleiden aan de keukentafel. SZW stimuleert dit middels een subsidie aan de Alliantie Vrijwillige Schuldhulp. Ook zijn er inmiddels 170 inlooppunten waar vrijwilligers mensen met geldzorgen helpen; ook hiervoor heeft SZW subsidie verstrekt. Deze en andere hulproutes worden beter vindbaar gemaakt door publiekscampagnes samen met Geldfit. Ook lopen er trajecten om huisartsen, geboortezorg, scholen, werkgevers etc. te betrekken bij de aanpak van geldzorgen. Meer hierover staat in het Nationaal Programma Armoede & Schulden, die de Kamer in juni 2025 heeft ontvangen15.
Tevens wordt samengewerkt met sleutelpersonen en ervaringsdeskundigen. Het is vaak lastig voor mensen met geldzorgen om hulp te vragen en in contact te komen met maatschappelijke en gemeentelijke organisaties. Andersom geldt dit ook. Daarvoor heb je mensen nodig die een brug kunnen slaan tussen deze organisaties en inwoners met geldzorgen. In een aantal gemeenten zijn ervaringswerkers en sleutelpersonen aan de slag gegaan om verbinding te leggen met inwoners en hen actief in contact te brengen met organisaties die hulp en ondersteuning bieden. Deze aanpak wordt nu uitgerold in andere gemeenten. Divosa, Pharos, Stichting Expertisecentrum Sterk uit Armoede, Vereniging Humanitas, Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, en Sociaal Werk Nederland16 versterken netwerken die het gesprek over geld stimuleren, waarin zorgen erkend worden en hulp snel te vinden is. In dit project wordt daarom onder andere ingezet op het trainen van ervaringswerkers en sleutelpersonen waarbij de geleerde lessen worden meegenomen.
Hoe voorkomt u dat huurders opgescheept blijven met torenhoge energierekeningen als gevolg van slechte woningkwaliteit waar zij zelf niet in kunnen of mogen investeren?
In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) is met woningcorporaties afgesproken dat woningcorporaties zich inzetten om uiterlijk in 2028 alle E, F en G-labels uit de sector te laten verdwijnen. Zij zijn hierin al goed op weg. Het aantal sociale huurwoningen met een EFG-label is gedaald van 180.700 in 2023 naar 127.500 in 2025. In de NPA is ook afgesproken meer in te zetten op reductie van de gemiddelde warmtevraag van huurwoningen door isolatie. In 2030 wordt verwacht dat ruim 800.000 huurders bij sterk verbeterde isolatie € 350 tot € 550 euro per jaar kunnen besparen. Het aantal corporatiewoningen met een A-label of hoger is 47%.
Met het opnemen van minimum energieprestatie-eisen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor huurwoningen zorgen we voor toekomstbestendige woningen voor alle huurders. Het uitgangspunt hierbij is dat een juridische regeling moet zorgen dat een goed evenwicht ontstaat tussen de belangen van verhuurders, huurders en het algemeen belang. Alle eigenaren van huurwoningen met een energielabel E, F of G moeten hun pand uiterlijk op 1 januari 2029 verduurzamen naar minimaal energielabel D. Het opnemen van de eis draagt bij aan meer grip op de energierekening en beter wooncomfort van huurders. De verhuurder verbetert de woning, wat zich terugvertaalt in een hogere waarde van de woning en in de huurprijs. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 9 januari 202617 wordt parallel aan de Bbl-wijziging bekeken hoe de huurregels in het Burgerlijk Wetboek (BW) moeten worden aangepast, zodat investeringen in verduurzaming eenvoudiger in de huurprijs kunnen worden verwerkt. Het voornemen is om voor de wijziging van het BW begin 2026 een internetconsultatie te starten. Het uitgangspunt wat het kabinet wil hanteren is dat een verhuurder hierbij een redelijke huurverhoging kan vragen gezien de nodige investering en verbetering. Het voorstel om de eisen op te nemen in het Besluit bouwwerken leefomgeving is in november in internetconsultatie gegaan.
Bij de invoering van de Wet betaalbare huur per 1 juli 2024 is in het woningwaarderingsstelsel (WWS) een puntenaftrek voor energielabels E, F en G opgenomen. Daarmee worden verhuurders nu ook al financieel geprikkeld de woningen met de laagste energielabels uit te faseren. Met onder andere een uitbreiding en verbetering van de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH) worden private verhuurders ondersteund in het realiseren van de verduurzaming.
Huurders kunnen daarnaast gebruik maken van het wettelijk initiatiefrecht. Dit houdt in dat huurders verduurzaming bij de rechter af kunnen dwingen, als zij hiertoe een redelijk voorstel doen. Een ontwerpwetsvoorstel om het initiatiefrecht uit te breiden, zodat huurders ook initiatief kunnen nemen voor een maatregel als een (hybride) warmtepomp, is in internetconsultatie gebracht.
Wilt u de Kamer uiterlijk eind december dit jaar informeren over wat u gaat doen met de aanbevelingen uit het rapport van TNO?
Energiearmoede onder kinderen is onverminderd een belangrijk onderwerp. Jaarlijks brengt de Monitor Energiearmoede de ontwikkelingen van energiearmoede in kaart. De Kamer heeft daarnaast enkele weken geleden het TNO onderzoek ontvangen waarbij is onderzocht hoe energiearmoede zich zal ontwikkelen gedurende de energietransitie op basis van een factoranalyse18. Om energiearmoede te verlagen, heeft TNO acht beleidsmaatregelen onderzocht; vier hiervan hebben een significant positief effect op het verlagen van energiearmoede. Besluitvorming over eventuele generieke of gerichte maatregelen zoals genoemd in het rapport, is aan een volgend kabinet omdat dergelijke maatregelen een meerjarige beleidsaanpak vergen en ook forse budgettaire consequenties kunnen hebben. Zowel het rapport van TNO naar energiearmoede onder kinderen als het eerder genoemde onderzoek naar de effecten van beleidsopties op energiearmoeden bieden hier relevante overwegingen voor.
De toe-eigening door Aegon van € 2,5 miljard uit Optas, bestemd voor indexatie van pensioenaanspraken van havenwerkers en andere Optas-verzekerden |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Is u bekend dat het Pensioenfonds voor Vervoer- en Havenbedrijven (PVH) vanaf 1965 indexatie toepaste en dat de aanspraken van havenwerkers in de periode vanaf 1 januari 1985 tot 1998 met circa 28% zijn geïndexeerd, maar sindsdien niet meer, met enorm koopkrachtverlies tot gevolg?
Is u bekend dat Optas bij de oprichting in 1990 bewust een niet-commercieel karakter kreeg, vrijstelling van vennootschapsbelasting genoot, en statutair en fiscaal (in verband met de vrijstelling vennootschapsbelasting) verplicht was om de winsten uitsluitend ten bate van de verzekerden aan te wenden, onder meer voor indexatie? En is u bekend dat de winsten van Optas statutair en fiscaal niet ten goede konden komen van de aandeelhouder(s) van Optas?1
Is u bekend dat bij de overgang van PVH naar Optas (1990/1996) expliciet is afgesproken dat de winsten aan de verzekerden ten goede komen om de pensioenen waardevast te houden, en dat hierover garanties zijn gegeven, onder meer in de Pensioenkrant van PVH van december 1996 en in de nieuwsbrieven van de vakbonden van december 1996 voorafgaand aan het referendum onder hun leden over de wijzigingen bij PVH en de overgang van PVH naar Optas?
Begrijpt u dat havenwerkers en andere deelnemers van PVH er op basis van deze afspraken en garanties en het niet commerciële karakter van Optas op hebben vertrouwd dat de winsten van Optas aan hen ten goede zouden komen en voor indexatie zouden worden gebruikt?
Realiseert u zich dat deelnemers van een pensioenuitvoerder volgens de nog steeds geldende jurisprudentie van de Hoge Raad op grond van wettelijke bepalingen, statuten, afspraken, garanties, en/of de redelijkheid en billijkheid recht kunnen hebben op de overschotten van de pensioenuitvoerder2 en deze situatie bij Optas van toepassing is?
Is u bekend dat Aegon, als aandeelhouder en feitelijk bestuurder van Optas, ondanks de statutaire en fiscale verplichtingen van Optas om de winst aan te wenden ten bate van de verzekerden, indexatie van de pensioenaanspraken van de Optas-verzekerden vanaf 2007 heeft geblokkeerd en de winsten binnen Optas heeft opgepot?
Bent u op de hoogte van het Fusie Memo uit 2018 van Aegon, waaruit blijkt dat Aegon met Optas wilde fuseren om zich de binnen Optas opgepotte winst van € 2,5 miljard toe te eigenen en Aegon wist dat dit bedrag op grond van de statuten van Optas en de fiscale eisen niet aan Aegon ten goede kon komen?
Is u bekend dat Aegon de Optas-verzekerden voorafgaand aan de fusie – met instemming van De Nederlandsche Bank (DNB) – in strijd met de waarheid heeft medegedeeld dat er door de fusie niets verandert, waardoor de Optas-verzekerden volgens de rechter geen reële mogelijkheid hebben gehad om zich tegen de voorgenomen fusie te verzetten en de rechter het instemmingsbesluit van DNB met de fusie, wegens schending van dit verzetrecht en het geheim houden van stukken door DNB, in 2023 heeft herroepen?3
Realiseert u zich dat de fusie en toe-eigening door Aegon van de € 2,5 miljard onrechtmatig is door het ontbreken van de wettelijk vereiste instemming van DNB (nu het instemmingsbesluit is herroepen)?
Hoe beoordeelt u de handelwijze van Aegon, dat zij ondanks de statutaire en fiscale verplichtingen van Optas indexatie blokkeerde en de winsten binnen Optas oppotte, en zich in 2019 middels de fusie met Optas de winst van € 2,5 miljard heeft toegeëigend, terwijl dit bedrag statutair en op grond van de fiscale regels niet aan Aegon ten goede kan komen?
Hoe beoordeelt u dat DNB heeft ingestemd met de onjuiste mededeling van Aegon aan de verzekerden dat er door de fusie niets verandert, en ondanks waarschuwingen heeft ingestemd met de fusie en de toe-eigening door Aegon van de € 2,5 miljard, en (op verzoek van Aegon) het Fusie Memo en andere essentiële stukken in strijd met haar wettelijke verplichting geheim heeft gehouden?
Realiseert u zich dat deze gang van zaken – de toe-eigening door Aegon van de € 2,5 miljard, het uitblijven van indexatie, de onrechtmatige instemming van DNB en het feit dat de € 2,5 miljard (ondanks herroeping van de instemming) nog steeds in de kas van Aegon zit – tot grote publieke verontwaardiging en aantasting van vertrouwen in het pensioenstelsel leidt, en met name de (oud)havenwerkers geboren voor 1950 spoedeisend belang hebben bij beëindiging van deze misstand?
Bent u gelet op uw toezichtstaak op DNB en het maatschappelijke belang bereid om DNB op te dragen om ervoor te zorgen dat het vermogen van € 2,5 miljard (en de aangroei daarvan) alsnog voor de (voormalige) Optas-verzekerden wordt veiliggesteld en spoedig wordt aangewend voor indexatie en verbetering van hun pensioenaanspraken, en DNB zo nodig op te dragen om Aegon een daartoe strekkende aanwijzing te geven4? Mede gezien uw opmerking bij de beantwoording van de vragen van Joseph en Omtzigt van mei 2025 «dat pensioenvermogen haar pensioenbestemming dient te behouden»5.
Welke andere juridische of beleidsmatige instrumenten ziet u om te zorgen dat de € 2,5 miljard (en aangroei) zijn pensioenbestemming behoudt en alsnog ten goede komt van de rechthebbenden?
Wilt u in uw beantwoording ingaan op de omissie dat eerdere Kamerstukken en uw antwoorden van juni 2025 geen rekening hielden met de feiten en omstandigheden die in deze vragen zijn opgesomd, en er rekening mee houden dat de uitspraken van het Hof Den Haag en de Rechtbank Den Haag uit 2024 door de Optas-verzekerden in rechte worden bestreden, de conclusie van de advocaat-generaal in de cassatieprocedure tegen de uitspraak van het Hof door eisers in cassatie is weerlegd, en de uitspraken uit 2009/2011 in de jaarrekeningenprocedure tegen Optas/Aegon geen bindende kracht hebben voor de Optas-verzekerden en onder andere op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden door hen worden bestreden.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Hierbij treft u de antwoorden aan. Vanwege de aard van de vragen zijn deze in samenhang met elkaar beantwoord.
Het artikel 'Drie dagen in dienst, 19.000 euro na ontslag wegens geloof' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD), Rijkaart , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het RTL-nieuwsartikel «Drie dagen in dienst, 19.000 euro na ontslag wegens geloof»1 en met de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 26 september 2025?2
Ja.
Hoe beoordeelt u, met inachtneming van de trias politica en dus zonder in te gaan op het rechterlijk oordeel zelf, de bredere maatschappelijke gevolgen van deze uitspraak voor de arbeidsmarkt, de positie van werkgevers en de omgang met geloofsovertuigingen op de werkvloer? Wat vindt u hiervan?
Vanwege de scheiding van staatsmachten kunnen wij, zoals u stelt, inderdaad niet treden in het rechterlijk oordeel in deze specifieke zaak. Wel kunnen wij ingaan op bredere maatschappelijke implicaties. De uitspraak raakt aan een spanningsveld: enerzijds de grondrechten op gelijke behandeling en vrijheid van godsdienst, en anderzijds de noodzaak voor werkgevers om hun bedrijfsvoering doeltreffend te organiseren.
Uit deze zaak blijkt dat wensen en belangen van werkgever en werknemer rondom deze thema’s kunnen botsen. Belangrijk is dat, als zich dat voordoet, afspraken gemaakt kunnen worden op basis van goed werkgeverschap en goed werknemerschap,. In verreweg de meeste gevallen kunnen botsende wensen en belangen in de praktijk op die manier toch met elkaar worden geregeld (zie ook antwoord op vraag3.
Deze uitspraak maakt het belang duidelijk dat werkgevers in dergelijke gevallen onder meer:
Tegelijkertijd benadrukt de uitspraak dat de proeftijd geen vrijbrief is om te handelen in strijd met de gelijke behandelingswetgeving. Dat is geen nieuwe juridische lijn, maar wordt door deze zaak opnieuw zichtbaar.
Deelt u de zorgen dat deze uitspraak ertoe kan leiden dat werkgevers terughoudender worden om sollicitanten aan te nemen bij wie het vermoeden bestaat dat hun geloofsovertuiging tot beperkingen of conflicten op de werkvloer kan leiden, vanwege het risico op claims? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen acht u noodzakelijk om dit te voorkomen?
Werkgevers zijn gehouden om een verzoek om aanpassing van werkzaamheden of faciliteiten in verband met geloofsovertuiging zorgvuldig te beoordelen. De wettelijke kaders bieden werkgevers daarbij voldoende ruimte om rekening te houden met hun bedrijfsvoering zonder dat dit leidt tot discriminatie vanwege godsdienst of levensovertuiging. Zie voor meer toelichting op dit punt de antwoorden op vragen 5 en 7.
Deelt u de mening dat de huidige wetgeving onvoldoende houvast biedt voor werkgevers om te bepalen welke geloofsuitingen of -beperkingen binnen de dagelijkse bedrijfsvoering redelijkerwijs zijn te faciliteren en welke niet? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
In beginsel is er binnen de wettelijke kaders genoeg ruimte om tussen werkgever en werknemer te bepalen welke uitingen redelijkerwijs zijn te faciliteren door de werkgever. Uiteraard geldt dat discriminatie wegens godsdienst en levensovertuiging in Nederland verboden is. Ook op de werkvloer bestaat er een zekere mate van vrijheid om geloof te uiten.
Tegelijkertijd hebben werkgevers weldegelijk mogelijkheden om onderscheid te kunnen maken – en uitingen niet te faciliteren. Dit is toegestaan als een beperking op de vrijheid van godsdienst «objectief gerechtvaardigd» kan worden.
Voorwaarde om hieraan te voldoen is dat het te bereiken doel met het maken van onderscheid legitiem is (bijvoorbeeld om de bedrijfsvoering goed te laten verlopen) én het middel om het doel te bereiken daartoe geschikt en noodzakelijk is. Daarnaast is in de Awgb opgenomen onder welke specifieke omstandigheden het onderscheid niet verboden is. De wet biedt daarmee voldoende ruimte aan werkgevers om invulling te geven aan hun bedrijfsvoering zonder dat dit leidt tot discriminatie vanwege godsdienst of levensovertuiging.
Is het volgens u logisch dat als tijdens de proeftijd blijkt dat een werknemer het werk feitelijk niet wil en/of kan doen vanwege de geloofsovertuiging de werkgever deze arbeidsrelatie dan beëindigt? Zo nee, waarom niet?
De proeftijd is voor een werkgever een manier om te achterhalen of de werknemer geschikt is voor zijn/haar werk. Voor de werknemer kan de proeftijd onder andere worden gebruikt om te bepalen of de baan aansluit bij de verwachtingen/wensen. Voordeel van de proeftijd is dat gedurende de proeftijd de arbeidsovereenkomst per direct kan worden beëindigd. De werkgever en de werknemer hoeven geen opzegtermijn in acht te nemen. Wel moeten werkgever en werknemer zich ook tijdens de proeftijd houden aan «algemene beginselen» waaronder het beginsel van non-discriminatie en goed werkgever- en werknemerschap.
Betekent deze uitspraak feitelijk dat een werkgever beter om algemene en/of niet nader te specificeren redenen ontslag kan verlenen in de proeftijd?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 5, kan een werkgever de arbeidsovereenkomst gedurende de proeftijd per direct beëindigen. De werkgever hoeft daarbij geen schriftelijke reden te geven voor de opzegging, tenzij de werknemer hier zelf om vraagt. De werkgever kan zelfs weigeren om aan het verzoek van de werknemer gehoor te geven. Wel kan een werknemer ook een proeftijdontslag zonder reden altijd aanvechten bij de rechter, bijvoorbeeld als hij het vermoeden heeft dat er sprake is van ongelijke behandeling.
Wanneer een werknemer bepaalde kerntaken weigert uit te voeren vanwege geloofsovertuiging, in hoeverre moet een werkgever volgens u verplicht worden om werkzaamheden aan te passen en/of collega’s en klanten te belasten? Waar ligt volgens u de grens?
Werkgevers zijn gehouden om een verzoek om aanpassing van werkzaamheden of faciliteiten in verband met geloofsovertuiging zorgvuldig te beoordelen. Daarbij geldt dat een werkgever moet bezien of en in hoeverre een verzoek redelijkerwijs kan worden gefaciliteerd, zonder dat dit leidt tot een onevenredige belasting van de bedrijfsvoering of van collega’s, of tot aantasting van de dienstverlening aan klanten.
Het genoemde verbod van onderscheid geldt bijvoorbeeld niet ten aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn (AWGB art 2, lid4.
De wet verplicht werkgevers dus niet om álle geloofsgerelateerde beperkingen te honoreren. Facilitering moet redelijk, proportioneel en uitvoerbaar zijn. Wanneer een werknemer structureel weigert om wezenlijke taken uit te voeren en passende alternatieven ontbreken, kan de werkgever op basis van het bestaande juridische kader concluderen dat de functie niet langer vervulbaar is, mits dit besluit zorgvuldig en zonder verboden onderscheid wordt genomen. Hierbij is het beginsel «goed werkgeverschap» relevant.
Tegelijk is er ook het beginsel van «goed werknemerschap». Dat houdt onder meer in dat werknemers zich op hun beurt ook redelijk en flexibel moeten opstellen.
Verwacht u dat deze uitspraak consequenties heeft voor sectoren waarin specifieke werkzaamheden regelmatig botsen met religieuze voorschriften, zoals slachterijen, landbouwgerelateerde dienstverlening, zorg, horeca en schoonmaak?
De (Europeesrechtelijke) jurisprudentie laat zien dat de beoordeling of er sprake is van een verboden onderscheid, direct dan wel indirect, op grond van godsdienst een feitelijke beoordeling is waarbij alle feiten en omstandigheden meegewogen moeten worden.5 Denk hierbij aan de aard van de werkzaamheden van de betrokkene en of deze werkzaamheden een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste vormen.
De rechtbank Noord-Holland heeft in deze casus de specifieke feiten en omstandigheden afgewogen en geconcludeerd dat er sprake is van een direct verboden onderscheid op grond van godsdienst.6 Dat maakt dat er geen algemene opmerking kan worden gemaakt over of deze uitspraak consequenties heeft voor sectoren waarin specifieke werkzaamheden mogelijk botsen met religieuze voorschriften. In een andere situatie kunnen andere factoren namelijk van belang zijn die maken dat er geen sprake is van een verboden onderscheid. Verder is het in algemene zin belangrijk dat werkgevers er zorg voor dragen dat zij geen verboden onderscheid maken.
Kunt u aangeven hoeveel zaken in de afgelopen vijf jaar bij het College voor de Rechten van de Mens of de rechter zijn voorgelegd waarin ontslag of conflicten rond werkweigering werden gelinkt aan geloofsovertuiging? Ziet u een trend?
Uit navraag bij het College voor de Rechten van de Mens blijkt dat het College sinds 2020 14 keer heeft geoordeeld over de vraag of sprake was van onderscheid op grond van godsdienst bij de werving en selectie of de beëindiging van een dienstverband. Het College oordeelde in zes zaken dat sprake was van verboden onderscheid op grond van godsdienst. De cijfers laten geen trend zien.
De Raad voor de Rechtspraak heeft desgevraagd laten weten dat het niet mogelijk is om zaken te filteren die gaan over ontslag of conflicten rond werkweigering gelinkt aan geloofsovertuiging.
Bent u bereid samen met sociale partners te bekijken of aanpassing van wet- of regelgeving nodig is om zowel vrijheid van godsdienst als uitvoerbaarheid van werk te borgen, zonder dat werkgevers worden blootgesteld aan disproportionele risico’s?
Met inachtneming van de geformuleerde antwoorden, zien wij op dit moment geen reden om wet- en regelgeving aan te passen.
Bent u bereid een juridische verkenning te starten naar de mogelijkheden om werkgevers meer duidelijkheid en ruimte te bieden binnen de huidige wet- en regelgeving om in te grijpen wanneer handelingen of beperkingen die voortvloeien uit een geloofsovertuiging de uitvoering van werkzaamheden of de representativiteit binnen het werk belemmeren?
Wij vinden, met inachtneming van de hierboven geformuleerde antwoorden, dat de juridische kaders toereikend zijn.
Plannen van de Europese Commissie voor een eigen inlichtingendienst |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Europese Commissie werkt aan eigen inlichtingenorgaan» (NOS, 11 november 2025)?1
Ja.
Deelt u de zorg dat de Europese Commissie met de oprichting van een eigen inlichtingenstructuur opnieuw een stap zet richting een Europese superstaat, waarbij nationale bevoegdheden worden weggedelegeerd?
Er is op dit moment geen voorstel van de Europese Commissie gedeeld met de lidstaten voor een dergelijke inlichtingenunit. De details omtrent internationale samenwerking van de diensten zijn staatsgeheim, ik kan daar in het openbaar geen uitspraken over doen. Indien er een voorstel vanuit de Europese Commissie gepubliceerd wordt, zal uw Kamer zoals gebruikelijk hierover geïnformeerd worden door middel van een kabinetsreactie.
Klopt het dat de Commissie hiermee taken naar zich toe trekt die normaliter onder de nationale veiligheidsdiensten (zoals AIVD en MIVD) vallen?
Zie antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt dit voorstel zich tot het subsidiariteitsbeginsel en de uitsluitende verantwoordelijkheid van lidstaten voor nationale veiligheid, zoals vastgelegd in het Verdrag betreffende de Europese Unie?
Nederland is voorstander van het intensiveren van inlichtingensamenwerking op Europees niveau. Het SIAC, de Single Intelligence Analysis Capacity,1 is voor het kabinet de centrale toegangspoort voor strategische inlichtingenbijdragen voor de Europese Unie. Het versterken van SIAC, zoals afgesproken in het EU Strategisch Kompas, is daarbij een belangrijke doelstelling.
1 SIAC betreft een inlichtingenstructuur, die inlichtingen analyseert, verwerkt en verspreidt. Het EU Intelligence and Situation Centre (INTCEN) en het Intelligence Directorate of the European Military Staff (EUMS INT), beide EU External Action Services structuren (EEAS), zijn twee intergouvernementele functionele entiteiten die inlichtingenanalyses en situationeel bewustzijn faciliteren aan de EU besluitvormende instanties. Deze beide entiteiten faciliteren inlichtingenanalyses op basis van inlichtingen die vrijwillig ter beschikking zijn gesteld door de inlichtingendiensten van de EU lidstaten. INTCEN en EUMS INT zijn afzonderlijk gestructureerd, maar werken samen onder het SIAC. Voor meer informatie zie: Impetus #28 | EEAS
Het beschermen van de nationale veiligheid is een taak van de lidstaten. Het delen van inlichtingen met SIAC gebeurt daarom op vrijwillige basis. Het delen van inlichtingen vindt plaats in het inlichtingendomein. De diensten maken daar een eigenstandige afweging in, binnen de daartoe vastgestelde (wettelijke) kaders. Het kabinet zal een eventueel voorstel van de Europese Commissie langs bovenstaande lijnen beoordelen.
Vindt u dat de Europese Commissie überhaupt een rol zou moeten hebben op het terrein van inlichtingen, en zo ja: waarom?
Zoals aangegeven in antwoord 4 is Nederland voorstander van het intensiveren van inlichtingensamenwerking op Europees niveau. Het SIAC geldt daarbij als de centrale toegangspoort voor strategische inlichtingenbijdragen voor de Europese Unie.
Deelt u de mening dat het delen van gevoelige informatie met een Brusselse structuur veiligheidsrisico’s oplevert, onder andere door verschillen in toezicht, databescherming en omgang met staatsgeheimen?
Het delen van inlichtingen vindt plaats in het inlichtingendomein. Onze diensten maken daar een eigenstandige afweging in, binnen de daartoe vastgestelde (wettelijke) kaders.
Hoe beoordeelt u de opmerking uit het artikel dat lidstaten «niet staan te springen» om hun inlichtingen te delen met de Commissie, mede vanwege wantrouwen over vertrouwelijkheid?
Dat is het oordeel van de auteur.
Is Nederland betrokken bij de voorbereidende gesprekken over deze Europese inlichtingendienst? Zo ja, welke inzet hanteert Nederland daar?
De details omtrent internationale samenwerking van de diensten zijn staatsgeheim, ik kan daar in het openbaar geen uitspraken over doen.
Kunt u garanderen dat Nederland geen bevoegdheden, inlichtingen of capaciteit zal afstaan aan een Europese inlichtingendienst?
Uit de berichtgeving blijkt geen sprake van een Europese inlichtingendienst. Er is op dit moment geen voorstel van de Europese Commissie gedeeld met de lidstaten voor een dergelijke inlichtingen unit. Een eventueel voorstel zal het kabinet beoordelen langs de lijnen geschetst in antwoord 4
Deelt u de mening dat versterking van nationale diensten en bilaterale samenwerking tussen lidstaten effectiever en veiliger is dan een gecentraliseerde Brusselse inlichtingendienst?
In het algemeen geldt dat de diensten grote waarde hechten aan de samenwerking met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De vertrouwensrelaties die de afgelopen jaren met partnerdiensten zijn opgebouwd, leiden ertoe dat inlichtingen steeds effectiever en doelmatiger onderling gedeeld kunnen worden. De diensten zullen waar mogelijk deze samenwerking intensiveren. Uit de berichtgeving blijkt geen sprake van een gecentraliseerde Brusselse inlichtingendienst. Er is op dit moment geen voorstel van de Europese Commissie gedeeld met de lidstaten voor een dergelijke inlichtingen unit. Een eventueel voorstel zal het kabinet beoordelen langs de lijnen geschetst in antwoord 4.
Bent u bereid in Europees verband actief bezwaar te maken tegen de oprichting van een Europees inlichtingenorgaan en dit ook publiekelijk uit te spreken?
Het kabinet waakt voor parallelle (quasi-)inlichtingenstructuren en draagt al geregeld in Europees verband uit dat SIAC voor het kabinet de enige toegangspoort voor strategische inlichtingenbijdragen voor de Europese Unie is.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen» van 11 november 2025, waarin de gemeente Moerdijk haar standpunt toelicht over de uitbreiding van het haven- en industrieterrein in het kader van de nationale Powerport-opgave?
Ja.
Kunt u aangeven op welke feitelijke grondslag de gemeente Moerdijk voornemens is het dorp Moerdijk op te heffen, en welke stappen tot op heden zijn ondernomen richting realisatie van dit besluit?
In het traject Powerport regio Moerdijk verkent het kabinet samen met de decentrale overheden, waaronder gemeente Moerdijk, de mogelijkheden voor ontwikkeling van dit gebied. Het is niet aan het kabinet om namens de gemeente te spreken, maar het kabinet begrijpt dat de gemeente een voorkeur heeft uitgesproken voor de oostelijke ontwikkelrichting voor het gebied, omdat zij menen dat ze hiermee op lange termijn de balans tussen leefbaarheid en economische ontwikkeling het beste kunnen zekerstellen. Het kabinet heeft op 1 december 2025 aangegeven nog geen voorkeursrichting te kunnen uitspreken op basis van de bij het kabinet aanwezige uitkomsten van onderzoeken en het participatietraject. Het kabinet heeft dit toegelicht in een Kamerbrief d.d. 2 december 20251.
Kunt u aangeven op welke juridische grondslag de gemeente Moerdijk voornemens is het dorp Moerdijk op te heffen, en welke stappen tot op heden zijn ondernomen richting realisatie van dit besluit?
Op dit moment is er geen juridische grondslag voor een definitief besluit. Het betreft een bestuurlijke voorkeursrichting vanuit de gemeente.
Wat is het vastgestelde of vooraf bepaalde besluitvormingsproces?
Het besluitvormingsproces voor de ontwikkeling van Powerport Moerdijk staat nog niet vast. Op een volgend bestuurlijk overleg stellen het kabinet, provincie Noord-Brabant en de gemeenten Moerdijk, Drimmelen en Geertruidenberg en waterschap Brabantse Delta vast wat de te doorlopen juridische procedure is.
Is er aan alle 1.100 inwoners gevraagd of zij weg willen? Zo ja, is er gevraagd onder welke voorwaarden? Zo nee, gaat u dat wel doen?
In aanloop naar het voorgenomen besluit van 1 december 2025, zijn er vanuit de Ontwerptafel Powerport regio Moerdijk meerdere participatiebijeenkomsten georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomsten zijn inwoners geïnformeerd over Powerport regio Moerdijk en beide zoekrichtingen. Inwoners, agrariërs, bedrijven en het Havenbedrijf konden aangeven wat voor hen belangrijk is (hun randvoorwaarden en condities). Er is gesproken met inwoners welke gevolgen de twee zoekrichtingen hebben voor hen en wat er voor hen geregeld moet worden mocht één van de zoekrichtingen daadwerkelijk worden gekozen. De gesprekken hebben plaatsgevonden met inwoners en ondernemers in beide zoekrichtingen: Zevenbergschen Hoek (24 september 2025), het buitengebied (25 september 2025), Moerdijk (1 oktober 2025), Zevenbergen (2 oktober 2025) en Klundert (6 oktober 2025). Voor deze brede bijeenkomsten zijn alle inwoners uitgenodigd. De uitkomst van de participatie is te lezen op de website van de gemeente2. De inhoud is geverifieerd met verschillende vertegenwoordigingen van inwoners, voordat deze is meegenomen als input voor het besluit van 1 december 2025.
Er is tot nu toe een zorgvuldig participatieproces doorlopen. Ook in de volgende fase dient participatie een goede plek te krijgen. Bij de uitwerking van randvoorwaarden en condities zal ruimte zijn om input van individuele inwoners, agrariërs en bedrijven te betrekken. Op welke manier dit gaat gebeuren wordt uitgewerkt in het plan van aanpak voor het vervolgproces.
Hoe realistisch acht u het zelf dat dit plan binnen 10 jaar doorgaat gezien de onrust en juridische strijd die dit zal veroorzaken?
Het kabinet acht het realistisch dat ruimtelijke ontwikkelingen zullen plaatsvinden. De eerste energieprojecten vragen nu al of op korte termijn om een keuze om start van de bouw rond 2030 mogelijk te maken. Deze zijn nodig voor de nationale en regionale energievoorziening en de verduurzaming van bestaande industrie.
Om ook voor de toekomst voldoende ruimte te kunnen bieden aan een groeiende economie, is naar verwachting meer ruimte voor bedrijvigheid en energie noodzakelijk. Daarbij zullen moeilijke keuzes gemaakt moeten worden over functies die zullen verdwijnen om plaats te maken. Voordat een definitief besluit wordt genomen over waar de ontwikkelingen plaats moeten vinden, zal een zorgvuldige planologische procedure doorlopen worden waarbij belanghebbenden, dus ook inwoners en ondernemers in Moerdijk, de mogelijkheid hebben om in bezwaar en beroep te gaan.
Erkent u dat dit besluit diep ingrijpt in de levens van de circa 1.100 inwoners van het dorp Moerdijk, die nu in onzekerheid verkeren over hun woningen, hun gemeenschap en zelfs over het voortbestaan van het lokale kerkhof?
Een eventueel besluit tot opheffing, zoals verwoord in het collegebesluit van de gemeente Moerdijk richting de gemeenteraad en daarmee de inzet van de gemeente Moerdijk richting het Bestuurlijk Overleg van 1 december jl., is een ingrijpende keuze met veel impact voor de lokale gemeenschap. De zorgen en emoties in het gebied zijn invoelbaar en het kabinet heeft begrip voor de inwoners, ondernemers en agrariërs die al lange tijd in onzekerheid leven.
Welke alternatieve plannen anders dan Moerdijk opheffen zijn verkend? Worden deze alternatieven nog opnieuw beoordeeld vóór het definitieve besluit op 1 december?
Zie antwoord op vraag 2, er is nog geen definitief besluit genomen. In een eerdere fase van de Ontwerptafel Powerport regio Moerdijk zijn diverse technische verkenningen uitgevoerd waarbij onder meer is gekeken naar de exacte omvang van de benodigde extra ruimte en vooral ook waarom die per se in de Powerport Regio Moerdijk gevonden moet worden, waarom het niet elders in Nederland kan en wat er gebeurt als we geen extra ruimte bieden. Hierbij zijn verschillende alternatieven voor de uitbreiding van Powerport Moerdijk verkend. Hieruit zijn de varianten oost en zuidoost overgebleven als realistische uitbreidingsrichtingen.
Hoe beoordeelt u het voornemen om Moerdijk op te heffen, mede in het licht van de grondwettelijke taak van de overheid om de leefbaarheid en het welzijn van haar inwoners te waarborgen?
Op het bestuurlijk overleg van 1 december is geen keuze gemaakt voor een ontwikkelrichting, dat is aan een nieuw kabinet. Het kabinet heeft respect voor het collegebesluit van de gemeente Moerdijk om hun voorkeur uit te spreken. Zij staan als lokale overheid het dichtste bij hun inwoners en achten dit de beste keuze voor hun gemeenschap. De gemeente heeft dit besluit niet lichtzinnig genomen. Zij stellen dat de oostelijke richting alleen kan onder zwaarwegende voorwaarden, zoals het in stand houden al dan niet verbeteren van de leefbaarheid in de gemeente Moerdijk, evenals een goede compensatie voor bewoners en ondernemers in en rondom het dorp Moerdijk.
Zijn er landelijke criteria of indicatoren om te beoordelen of de opheffing van een bestaand dorp, zoals Moerdijk, proportioneel, noodzakelijk en subsidiair is in de context van de energietransitie?
Er zijn geen landelijke criteria. Indien het kabinet en de regio gezamenlijk besluiten om een voorkeursrichting te kiezen dan is dat op basis van een integrale afweging van alle belangen en opgaven, waar ook de belangen van ondernemers, inwoners en agrariërs in het gebied meewegen.
Zijn de plannen voor Moerdijk nog steeds actueel gezien de ontwikkelingen rondom stagnerende projecten aangaande windturbines op zee en een dalend vestigingsklimaat waar de Botlek last van heeft?
Ja, de plannen voor windturbines, energie-infrastructuur en verduurzaming van de industrie zijn actueel. Er zijn meerdere energieprojecten in procedure / in onderzoek waarvan de bouw rond 2030 begint. Daarbij is Moerdijk een van de locaties die in beeld is voor aanlandingen voor windparken op zee. Ook verduurzaming en uitbreiding van industriële bedrijvigheid is actueel. Op 20 juni 2025 is een Kamerbrief3 verstuurd waarin staat aangegeven dat er richting 2050 meer ruimte nodig is voor de economie, de verduurzaming en het circulair maken van de industrie. Parallel wordt gewerkt aan het verbeteren van het vestigingsklimaat. Daar spelen verschillende factoren een rol in, voldoende fysieke- en milieuruimte voor de industrie is daar één van.
Is er al bekend welke agrariërs te maken zullen krijgen met kabeltracés?
Dit verschilt per locatie, niet alle kabel- en hoogspanningstracés liggen al vast. De tracés voor de Delta Rhine Corridor en de 380kV hoogspanningsverbinding Zuid-West Oost liggen al vast. Deze zijn te vinden op de respectievelijke projectwebsites4, 5. Tracés voor andere projecten worden de komende jaren vastgesteld.
Hoe is het draagvlak onder agrariërs voor kabeltracés?
Kabeltracés worden gezien als noodzakelijk voor de energievoorziening van Nederland. Tijdens het participatieproces hebben agrariërs gevraagd om in de aanlegfase zo veel mogelijk rekening te houden met hun belangen en bedrijfsvoering, bijvoorbeeld door zoveel mogelijk te bundelen en zorgvuldig afgewogen trajectkeuzes. Bij de aanlegfase wordt daarom getracht zo min mogelijk verstoring van de bedrijfsvoering van agrariërs te veroorzaken.
Zijn er Rijksmonumenten in Moerdijk aanwezig? Zo ja, wat betekent dit op den duur als het dorp afgebroken moet worden?
Het dorp Moerdijk heeft 1 inschrijving in het Rijksmonumentenregister: de Nederlands hervormde kerk uit 1815. Hierover zullen afspraken gemaakt worden in de uitwerking van het nog te nemen besluit over de voorkeursrichting.
Welke impact heeft dit besluit op de grondkwaliteit en de grondwaarde?
Het nemen van een besluit voor de voorkeursrichting heeft geen invloed op de grondkwaliteit. Voor de grondwaarde in Moerdijk heeft een dergelijk besluit wel gevolgen. Op dit moment is een garantieregeling van kracht voor woningeigenaren in Moerdijk om de waarde van de woningen te behouden. Voor de situatie na het vaststellen van een voorkeursrichting zullen regelingen uitgewerkt worden voor grondeigenaren. De uiteindelijke ontwikkeling kan wel impact hebben op de grondkwaliteit. Hier moet op een later moment onderzoek voor plaatsvinden.
Is er een risicoanalyse beschikbaar over de negatieve effecten (psychosociaal, sociaal-economisch, infrastructuur) voor bewoners? Zo ja, kan deze openbaar worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Deze is nog niet beschikbaar en wordt in 2026 verwacht.
Welke impact heeft dit besluit op lokale ondernemers en hoe worden zij gecompenseerd?
De impact op alle betrokkenen in het gebied is groot, zo ook voor de ondernemers. In hoeverre dit ook financiële consequenties heeft voor ondernemers is per ondernemer verschillend. Uitgangspunt voor het kabinet is dat ook ondernemers compensatie dienen te krijgen voor de geleden schade. Hierover lopen gesprekken tussen betrokken overheden als onderdeel van de besluitvorming over de uitbreidingsrichting.
Hoe wordt de emotionele en sociale impact van dit besluit meegewogen, met name voor ouderen, gezinnen en nabestaanden die geconfronteerd worden met vragen over het behoud of verplaatsing van graven op het kerkhof?
In 2026 zal een analyse gestart worden naar de emotionele en sociale impact van de keuze voor een van de ontwikkelrichtingen. De uitkomst van deze analyse vormt één van de bouwstenen voor de nog op te stellen transitiestrategie.
Welke maatregelen neemt het Rijk om te voorkomen dat woningwaarden kelderen in gemeente Moerdijk als gevolg van de onzekerheid over de toekomst?
Het kabinet ziet in dat woningwaarden, voornamelijk in het dorp Moerdijk, beïnvloed worden door de ontwikkelingen binnen de Powerport regio Moerdijk en de besluitvorming van 1 december 2025. Om woningeigenaren de kans te bieden om te vertrekken als zij dit willen, kunnen zij gebruik maken van de Moerdijkregeling6. Dit is een garantieregeling waarbij huiseigenaren de garantie krijgen dat hun woning aan de gemeente verkocht kan worden voor 100% (voorheen 95%) van de getaxeerde en geïndexeerde waarde. De indexatie is gebaseerd op de gemiddelde waardeontwikkeling van vergelijkbare woningtypen in de provincie Noord-Brabant.
Welke rol ziet u voor uzelf als Minister van Volkshuisvesting in het bieden van perspectief aan bewoners van het dorp Moerdijk, gelet op het feit dat 1.100 inwoners op straat dreigen komen te staan?
Het kabinet stelt allereerst dat niemand uit het dorp Moerdijk zomaar op straat komt te staan. Nederland heeft een groot tekort aan woningen. Tot 2040 moeten in de provincie Noord-Brabant ongeveer 100.000 woningen gebouwd worden. In het geval het besluit in juni wordt genomen om ongeveer 500 woningen in Moerdijk te slopen, dan lijkt dat daarmee strijdig. Echter voor de bouw van deze nieuwe woningen en bedrijven hebben we energie nodig en hiervoor moet het energienet uitgebreid worden. Daarnaast is er meer ruimte nodig voor nieuwe bedrijven, de verduurzaming en het circulair maken van de industrie, ook in de Powerport regio Moerdijk. Dat hiervoor mogelijk 1.100 inwoners moeten wijken, maakt dat we deze stap niet lichtzinnig zullen zetten. Een principebesluit over de voorkeursrichting die zal leiden tot opheffen van het dorp Moerdijk zal hand in hand moeten gaan met afspraken over herhuisvesting en compensatieregelingen.
Hoe draagt het verdwijnen van het dorp Moerdijk en de mogelijke verdringing van agrarische bedrijven bij aan het versterken van de brede welvaart, zoals beoogd in de Nota Ruimte bij de uitbreiding van de Powerport-regio Moerdijk?
De uitbreiding van het haven- en industriecluster Moerdijk heeft negatieve effecten op de omgeving, ongeacht de uitbreidingsrichting. De uitbreiding van het haven- en industriecluster in oostelijke richting heeft grote gevolgen voor de leefbaarheid van het dorp Moerdijk en agrarische bedrijven. Uit het participatietraject en technische analyse blijkt echter dat het alternatief van uitbreiding in zuidoostelijke richting leidt tot verdringing van meer agrarische bedrijven én aantasting van de leefbaarheid van meerdere omliggende dorpskernen met meer inwoners. Het dorp Moerdijk raakt dan ingeklemd door de ontwikkelingen vanuit industrie en energie, waardoor overlast toeneemt en een leefbaar perspectief onzeker is. Daarbij blijft de kans bestaan dat de discussie over de houdbaarheid van het dorp op een later moment opnieuw terugkomt. Om de impact van de uitbreiding te ondervangen en de leefbaarheid in deze regio te versterken hebben het kabinet en de regio op 1 december afgesproken om een pakket van randvoorwaarden op te stellen, gegeven de forse impact van de besluitvorming op bewoners (kopers en huurders), ondernemers en de structurele (sociale) leefbaarheid en brede welvaart in de omgeving. Dit wordt onderdeel van het besluit over de voorkeur van de ontwikkelrichting, waarvan het voornemen is dit in juni 2026 te doen, en de vaststelling van het nog op te stellen gebiedsplan.
Hoe krijgen bewoners en agrariërs daadwerkelijk invloed op het proces waarin de clusterspecifieke consequenties en de vertaling van de gekozen richting worden vormgegeven, en hoe wordt hun inbreng daarbij gewogen ten opzichte van de economische belangen van het havenbedrijf en de industrie?
Bewoners en agrariërs zijn de afgelopen maanden betrokken bij het participatietraject. De uitkomsten van dit traject worden meegenomen in de huidige en toekomstige besluitvorming. Voor verdere uitwerking word ook een participatiestrategie opgesteld.
Kunt u aangeven of en hoe het kabinet bereid is om op voorstel van de gemeente Moerdijk en haar bewoners gezamenlijk tot een alternatief plan te komen waarbij behoud van de kern mogelijk is?
Het college van de gemeente Moerdijk heeft zelf de stap naar voren gezet door haar voorkeur uit te spreken voor uitbreiding oostwaarts. De gemeenteraad heeft hiermee ingestemd met 19 stemmen voor en 3 stemmen tegen. De gemeente heeft aangegeven dat de uitkomsten van het participatietraject en de technische analyses duidelijk zijn en wil vooral duidelijkheid geven aan haar inwoners en ondernemers over de voorwaarden van het te nemen principebesluit.
Hoe verhoudt het besluit tot opheffing van Moerdijk zich tot het bestaansrecht van basisschool IBS De Klaverhoek en bent u zich ervan bewust dat hierdoor klassen abrupt uiteengerukt dreigen te worden?1, 2
Het kabinet is zich bewust van het risico van het «leeglopen» van de basisschool wanneer gezinnen vetrekken. Op dit moment is hiervan nog geen sprake. Indien besloten wordt tot oostwaartse uitbreiding en overgegaan wordt tot het opkopen van vrijkomende woningen kan dit wel aan de orde zijn. In de nog op te stellen transitiestrategie zal hier aandacht aan besteed worden.
Hoe wordt geborgd dat inwoners van Moerdijk, waaronder ouderen en kwetsbaren, toegang blijven houden tot zorg in de buurt als het dorp wordt opgeheven en zij noodgedwongen moeten verhuizen?
Op dit moment is nog geen sprake van teruglopende voorzieningen. Indien besloten wordt tot oostwaartse uitbreiding en overgegaan wordt tot het opkomen van vrijkomende woningen kan dit wel aan de orde zijn. In de nog op te stellen transitiestrategie zal hier aandacht aan besteed worden.
Is het mogelijk dat inwoners die willen blijven dat mogen? Onder welke voorwaarden?
Op dit moment is geen sprake van gedwongen vertrek van inwoners. Er is nog geen besluit genomen. Als wel wordt besloten tot opheffing van het dorp Moerdijk, dan kunnen inwoners die willen blijven de komende jaren, waarschijnlijk tot 2035, in het dorp blijven wonen. De eerste werkzaamheden voor energieprojecten vinden plaats rond 2030, de uitbreiding van het haven- en industriecluster begint naar verwachting pas na 2035.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja, de vragen zijn een voor een beantwoord.
De veiligheidsrisico’s van windturbines op land |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) ooit onderzoek gedaan naar brand- en veiligheidsrisico’s van windturbines op land?
Windturbines kunnen door de Onderzoeksraad voor Veiligheid worden onderzocht als zij daartoe beslissen vanuit hun bevoegdheid als zelfstandig bestuursorgaan. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad geen onderzoeken gedaan naar veiligheidsrisico’s van windturbines op land. Wel is het onderwerp windturbines eenmaal genoemd in een kwartaalrapportage, maar hier was geen sprake van significante veiligheidsrisico’s1.
Zo ja, kan dat onderzoek met de Kamer worden gedeeld? Zo nee, wilt u de OVV verzoeken dit alsnog te doen?
Nee, een dergelijk verzoek gebeurt alleen in uitzonderlijke gevallen. De Onderzoeksraad beslist als zelfstandig bestuursorgaan zelf welke voorvallen en onderwerpen worden onderzocht, en richt zich vooral op situaties waarin burgers voor hun veiligheid afhankelijk zijn van partijen als de overheid, bedrijven of instellingen.
Hoe wordt geborgd dat windturbines van 130 meter en hoger voldoen aan eisen voor externe veiligheid, blusbaarheid en rampenbestrijding?
Deze borging vindt plaats door middel van regelgeving. Voor een of twee windturbines gelden de direct werkende gebruiksregels voor windturbines, zoals vermeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en afstandsnormen (Bkl). Voor projecten met drie of meer windturbines geldt een vergunningsplicht onder de Omgevingswet (Bal).
De gebruiksregels in het Bal stellen dat jaarlijks een inspectie dient plaats te vinden vanwege externe veiligheid (artikel 4.428 Bal), sprake is van een informatieplicht over het buiten gebruik stellen (artikel 4.429 Bal), en een veilig ontwerp (artikel 4.430 Bal). Dit om de omgeving te beschermen tegen bladbreuk en afworp, mastbreuk of omvallen en bijvoorbeeld ijsafwerping. Daarnaast stelt het Bkl dat bij de inpassing van windturbines in ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met windturbines als «risicobron», bijvoorbeeld op basis van de verplicht berekende risicocontour.
De provincie of gemeente (en in uitzonderlijke gevallen het Rijk) is bevoegd gezag en toetst aan de borging en naleving van de eisen. Bovendien kunnen zij de veiligheidsregio altijd vragen om advies. Het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid heeft een kennisbundel opgesteld voor de vraag welke regels er van toepassing zijn2.
Is er voldoende bluscapaciteit beschikbaar om branden op grote hoogte te bestrijden?
In het algemeen geldt dat branden op grote hoogte moeilijk te bestrijden zijn. In hoogbouw (woningen en bedrijven) worden er daarom extra brandpreventieve eisen gesteld om bewoners te beschermen en de brandweer voldoende in staat te stellen een veilige inzet te doen. Voor windturbines gelden deze eisen niet.
Specifiek voor windturbines geldt dat eerst zal worden geprobeerd de windturbine uit te laten zetten door de beheerder van de windturbine. Het bestrijden van de brand op hoogte is vanwege de slechte toegankelijkheid en besloten ruimte vanwege de veiligheid van het personeel niet mogelijk. De standaardprocedure van de brandweerinzet is daarom dat deze gericht is op het veiligstellen van de omgeving.
Worden omwonenden voldoende geïnformeerd over risico’s en noodprocedures bij brand of technisch falen?
Informeren is aan de initiatiefnemer en vergunningverlenende partij. Tijdens een incident vindt communicatie, ook met omwoners, plaats vanuit de betrokken veiligheidsregio met mogelijk handelingsperspectieven als dat van toepassing is.
Hoe beoordeelt u het incident bij Nieuwleusen, waar brokstukken en gesmolten kunststof neerkwamen op landbouwgrond?
De brand in de windturbine is een vervelende gebeurtenis, zeker ook voor omwonenden. Het is waardevol als er lessen geleerd kunnen worden van dit voorval, bijvoorbeeld om te gebruiken als casuïstiek bij de rekenmethodiek voor externe veiligheidsafstanden van windturbines.
Hoe zijn de opruiming, schadevergoeding en milieuschade bij dergelijke incidenten geregeld?
De exploitant van een windturbine is verantwoordelijk voor het beperken van milieuschade en deze na afloop van een incident te herstellen. Omgevingsdiensten houden toezicht hierop vanuit bestuursrechtelijk perspectief. De exploitant kan zich voor de schade verzekeren. Grondeigenaren die schade ondervinden kunnen ook civielrechtelijk stappen ondernemen richting de exploitant.
Bent u bereid samen met provincies en gemeenten een landelijke risicoanalyse op te stellen voor windturbines van 130 meter en hoger, inclusief blusbaarheid en impact op de leefomgeving?
De huidige wet- en regelgeving voor het plaatsen van windturbines is uitvoerig, ondervangt de impact op de leefomgeving en bestrijdbaarheid en is gebaseerd op de laatste actuele inzichten rondom veiligheidsaspecten van windturbines3. Op dit moment zie ik daarom geen aanleiding een landelijke risicoanalyse op te stellen voor windturbines van 130 meter en hoger.
Het toevoegen van agri-PV aan landbouwgrond. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u van mening dat de landelijke overheid agri-PV, een techniek die landbouwgrond combineert met zonnepanelen om zowel duurzame energie op te wekken als voedsel te produceren, dient te stimuleren?
Agri-PV is een combinatie van landbouw en het opwekken van zonne-energie waarbij een zonnepark wordt aangelegd op de aanwezige cultuurgrond. Agri-pv kan bijdragen om de doelen op het gebied van energietransitie te behalen. Daarbij is volgens het kabinet van belang dat hiervoor de meest passende beleidsinstrumenten ingezet worden, zoals bijvoorbeeld subsidieregelingen.
Klopt het dat de Belastingdienst bij het toekennen van de landbouwvrijstelling een interpretatie hanteert waarbij enkel landbouwgrond die voor 90% dienstbaar is aan het eigen landbouwbedrijf in aanmerking komt voor de landbouwvrijstelling?
Ja, dat klopt. De waardeverandering van landbouwgrond die geheel of nagenoeg geheel dienstbaar is aan het eigen landbouwbedrijf komt in aanmerking voor de landbouwvrijstelling.1 Dat de grond geheel of nagenoeg geheel dienstbaar moet zijn aan het eigen landbouwbedrijf volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad.2 In percentages uitgedrukt betekent dit dat de grond voor minimaal 90% wordt aangewend in het kader van het landbouwbedrijf.
Voor de toepassing van de landbouwvrijstelling wordt onder landbouwbedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op – kort gezegd – het voortbrengen van producten van akkerbouw, van weidebouw of van tuinbouw, of op het in het kader van de veehouderij fokken, mesten of houden van dieren.3
Klopt het dat alleen grond die nimmer ten behoeve van zonnepanelen gebruikt wordt in aanmerking komt voor de landbouwvrijstelling?
Het is afhankelijk van de feitelijke situatie of de landbouwvrijstelling kan worden toegepast. Zoals in antwoord 2 aangegeven, komt de waardeverandering van landbouwgrond die geheel of nagenoeg geheel (dus voor ten minste 90%) wordt aangewend in het kader van het eigen landbouwbedrijf in aanmerking voor de landbouwvrijstelling. Het opwekken van energie valt niet onder de wettelijke definitie van het landbouwbedrijf.
Voor grond in gemengd gebruik – bijvoorbeeld wanneer op het gehele perceel zonnepanelen zijn geplaatst waar schapen onder de panelen door kunnen lopen – geldt dat deze grond niet in aanmerking komt voor toepassing van de landbouwvrijstelling. In deze situatie kan namelijk niet worden voldaan aan de voorwaarde dat de landbouwgrond geheel of nagenoeg geheel wordt aangewend in het kader van het landbouwbedrijf. Als de funderingspalen en de zonnepanelen bijvoorbeeld op een (aparte) strook van het perceel zijn geplaatst, dan wordt, voor de bepaling of de grond geheel of nagenoeg geheel in het eigen landbouwbedrijf wordt gebruikt, gekeken naar het feitelijke gebruik per vierkante meter en niet naar het perceel in het geheel. In de regel zal gekeken worden naar de oppervlakte van het perceel dat in gebruik is voor agrarische doeleinden en de oppervlakte van het perceel dat niet in gebruik is voor agrarische doeleinden. De grond waarop funderingspalen en zonnepanelen zijn geplaatst komen niet in aanmerking voor de landbouwvrijstelling, omdat de productie van energie niet onder de wettelijke definitie van landbouwbedrijf valt. Het laten grazen van dieren onder de panelen doet daar – zoals hiervoor aangegeven – niet aan af. De grond wordt dan gemengd gebruikt en daarmee kan niet meer worden voldaan aan de voorwaarde dat de grond geheel of nagenoeg geheel wordt aangewend in het kader van het eigen landbouwbedrijf.
Afhankelijk van de situatie is het mogelijk dat een deel van het perceel in aanmerking komt voor de landbouwvrijstelling, wanneer voor dat deel wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in de wet. Zo komt de cultuurgrond die niet ten behoeve van de zonnepanelen wordt gebruikt normaliter in aanmerking voor de toepassing van de landbouwvrijstelling (mits ook wordt voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden). De eigenaar van de grond, de agrarische ondernemer, beschikt over de gegevens die kunnen dienen om vast te stellen of de grond geheel of nagenoeg geheel dienstbaar is aan het eigen landbouwbedrijf. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) beschikt over gegevens die zijn aangeleverd door de agrarische ondernemers zelf. Deze gegevens worden ingevoerd voor de gecombineerde opgave, de zogenoemde meitelling, ten behoeve van onder andere subsidieaanvragen. De agrarische ondernemer geeft hiermee aan hoeveel grond hij in gebruik heeft voor agrarische doeleinden. Een van de vragen in dit formulier is of er energieproductie plaatsvindt op zijn landbouwgrond. Als de agrariër funderingspalen en zonnepanelen op het perceel heeft, dient hij hiermee rekening te houden bij het aanleveren van gegevens bij RVO. Deze gegevens zijn ook bij de Belastingdienst bekend.
Hoe wordt überhaupt vastgesteld welk percentage van het perceel agrarisch wordt benut?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt de ruimte onder eventuele zonnepanelen meegenomen als grond dienstbaar aan het eigen landbouwbedrijf/hoofdactiviteit van de agro-ondernemer?
Zoals in de antwoorden 3 en 4 aangegeven is het afhankelijk van de feitelijke situatie of kan worden voldaan aan de voorwaarde dat de grond geheel of nagenoeg geheel gebruikt wordt in het kader van het landbouwbedrijf. Voor de grond waarop de funderingspalen en de zonnepanelen zijn geplaatst geldt dat deze niet wordt gebruikt in het kader van het landbouwbedrijf, maar dat de grond dient voor de productie van energie. Dat geldt in beginsel ook voor de ruimte onder de zonnepanelen, daarbij wordt de feitelijke situatie beoordeeld.
Zo nee, waarom kan voor de vrije grond onder de zonnepanelen geen beroep worden gedaan op de landbouwvrijstelling?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom wordt er geen onderscheid gemaakt tussen de vrije grond onder de zonnepanelen en funderingspalen bij een aanvraag voor toekenning van de landbouwvrijstelling?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat het toevoegen van agri-PV aan landbouwgrond, als waardevolle bijdrage in de energietransitie, voortaan geen negatieve fiscale effecten meer heeft voor boeren?
Het ligt niet voor de hand om de reikwijdte van de landbouwvrijstelling te verbreden waardoor naast de waardeverandering van de grond bij voorzetting van de aanwending ervan in een landbouwbedrijf ook de waardeverandering als gevolg van de exploitatie van een zonnepark is vrijgesteld. Een verruiming past niet bij het doel van de landbouwvrijstelling, draagt bij aan een verdere complexiteit van het belastingstelsel (afbakeningsproblematiek) en heeft budgettaire consequenties. Bovendien vergt een verruiming een wetswijziging en dit is op korte termijn niet te realiseren. De landbouwvrijstelling is vorig jaar geëvalueerd als niet doeltreffend en niet doelmatig. Het ligt in dat kader niet voor de hand om deze regeling verder uit te breiden naar andere activiteiten, waar deze regeling vanuit zijn oorsprong niet voor is bedoeld. Tot slot zal bij verruiming van de regeling afstemming met de Europese Commissie noodzakelijk zijn over de vraag of een dergelijke verruiming van de landbouwvrijstelling tot (ongeoorloofde) staatssteun leidt.
Zonnevelden op landbouwgrond en risico’s voor bodem, water en gezondheid |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom worden er nog steeds zonne- en windprojecten uitgerold, terwijl de doelen van de Regionale Energie Strategie (RES)al zijn gehaald en het elektriciteitsnet overvol is?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) rapporteert jaarlijks over de voortgang van de RES’en in de RES-Monitor. De meest recente RES-Monitor geeft aan dat in 2024 29,8 TWh hernieuwbare elektriciteit op land is gerealiseerd (peildatum 1 oktober 2024). Daarmee is de RES-doelstelling van 35 TWh in 2030 in zicht, maar is deze nog niet gehaald. De RES-ambitie van 55 TWh hernieuwbare elektriciteit in 2030 wordt naar verwachting niet gehaald in 20301.
Hernieuwbare energie op land is essentieel in een brede mix van bronnen om te komen tot een duurzame en robuuste energievoorziening nu en in de toekomst. Deze vorm van energie is een kostenefficiënte manier in de transitie naar een CO2-vrij energiesysteem en maakt als onderdeel van de decentrale ontwikkelingen in ons energiesysteem wonen, werken en verplaatsen mogelijk.
Het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) voorziet dan ook de noodzaak tot groei van hernieuwbare elektriciteit op land, ook na 20302. De realisatie van zonne- en windprojecten, nabij de vraag van elektriciteit, kunnen bijdragen aan het verminderen van netcongestie en tegelijkertijd lokaal eigenaarschap en energie-onafhankelijkheid vergroten. RES-regio’s zullen daarom vasthouden aan hun eigen doelen ondanks huidige uitdagingen.
Vindt u het verantwoord dat vruchtbare landbouwgrond voor zonnevelden wordt opgeofferd, terwijl voedselzekerheid steeds belangrijker wordt?
Zowel voedselzekerheid als leveringszekerheid van elektriciteit zijn van belang voor Nederland. Zonne-energie is een essentieel onderdeel van ons duurzame, betaalbare en betrouwbare energiesysteem, maar brengt ook ruimtelijke implicaties met zich mee.
Met de aangescherpte Voorkeursvolgorde Zon wordt via de volgordelijkheid van de volgende vier treden: trede 1 «zon op daken en gevels», trede 2 «zon binnen bebouwd gebied», trede 3 «zon buiten bebouwd gebied», en trede 4 «zon op landbouw- en natuurgronden» ingezet op multifunctioneel ruimtegebruik waarbij zon-PV zoveel mogelijk samengaat met andere functies om de vrije ruimte efficiënt te benutten3. Volgens trede 4 worden «zon op landbouw- en natuurgronden» zoveel mogelijk ontzien voor de realisatie van zon-PV. Zonnevelden op deze gronden zijn in principe ongewenst, tenzij het gaat om één van de volgende uitzonderingsmogelijkheden: agri-PV, transitiegronden en/of netneutrale zonnevelden.
Zonnevelden die in de komende jaren worden gerealiseerd hadden reeds een vergunning of verkeerden in vergevorderd stadium van het project, voordat de bestuurlijke afspraken over de Voorkeursvolgende Zon zijn aangescherpt of vallen onder één van de uitzonderingsgronden4.
Bent u bereid het gebruik van landbouwgrond voor zonnevelden te beperken zolang er alternatieve locaties (zoals daken en bedrijventerreinen) beschikbaar zijn?
Hierin voorziet de aangescherpte Voorkeursvolgorde Zon (zie vraag 2).
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Raad van State van 18 juni 2025 inzake het inpassingsplan «Windpark IJsselwind Zutphen» (ECLI:NL:RVS:2025:2677) dat emissies van BPA door windturbines in een milieueffectrapportage (MER) onderzocht moeten worden? Geldt dit ook voor zonnepanelen die chemicaliën kunnen lekken in bodem en water?
Provinciale staten hebben op basis van een vormvrije mer-beoordeling geoordeeld dat voor Windpark IJsselwind Zutphen geen MER hoeft te worden opgesteld, omdat het project niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De Raad van State oordeelt in de genoemde tussenuitspraak dat dit besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet is toegelicht hoe de mogelijke gevolgen van erosie van de wieken – met name de emissie van BPA – voor gezondheid en milieu zijn meegenomen in de mer-beoordeling. De Raad van State heeft provinciale staten opgedragen dit gebrek te herstellen door alsnog toereikend te motiveren of op het punt van erosie belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden.
Voor zonneweides geldt in de regel geen verplichting tot het opstellen van een (vormvrije) mer-beoordeling. Wel moeten bij de voorbereiding van besluiten voor zonneweides de mogelijke milieugevolgen op grond van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel in beeld worden gebracht en meegewogen.
Zijn de risico’s van lekkende chemicaliën uit zonnepanelen voor bodem en water al in kaart gebracht? Zo nee, wanneer wel?
In opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft het RIVM eerder onderzoek gedaan naar de «Verkenning van gevaarlijke stoffen in de energietransitie»5, waarbij ook de samenstelling van materialen voor zonnepanelen zijn onderzocht. Hieruit blijkt dat sommige zonnepanelen gevaarlijke stoffen kunnen bevatten. Uit de verkenning blijkt overigens ook dat er zonnepanelen beschikbaar zijn waar deze stoffen niet in zitten. De eventuele aanwezigheid van deze schadelijke stoffen levert geen ernstige risico voor gezondheid en milieu op tijdens normaal gebruik. Het Ministerie van IenW oordeelt dat bij het ontbreken van een risico op uitloging van schadelijke stoffen, onderzoek naar eventuele bodemverontreiniging door zonnepanelen geen hoge prioriteit heeft.
Deelt u de mening dat het verstandig is om nieuwe zonnevelden op landbouwgrond op te schorten totdat deze risico’s duidelijk zijn?
Zonnevelden worden al gerealiseerd volgens de volgordelijkheid van de aangescherpte Voorkeursvolgorde Zon waarbij het realiseren van zonnepanelen op landbouw- en natuurgronden in principe ongewenst is. Dat staat los van de vermeende risico’s.
Hoe beoordeelt u signalen dat elektromagnetische velden (EMV) en lekstromen rond elektriciteitsinfrastructuur schadelijk zijn voor bedrijven en mogelijk ook voor omwonenden?
Op dit moment bestaan er diverse beleids- en normenkaders die EMV raken. Zo worden internationale richtlijnen en Europese normen gevolgd en een toelatingsregime gevoerd van apparaten en installaties met CE-markering. Tevens hanteert het ministerie voorzorgbeleid6 rond hoogspanningslijnen. Zorgen over gezondheid rond EMV hebben in 2007 geleid tot oprichting van het Kennisplatform EMV. Dit platform heeft als kerntaak het duiden van wetenschappelijk onderzoek en het geven van informatie over elektromagnetische velden en gezondheid. Als er desondanks signalen zijn rond EMV of lekstroom worden deze serieus onderzocht. Het is tot nu toe niet gebleken dat EMV of lekstroom de oorzaak is van schade.
Waarom zijn de effecten van toename van EMV’s onvoldoende onderzocht in de MER voor de Programma Energiehoofdstructuur, en wanneer komt dat wel in beeld?
In een MER worden milieueffecten onderzocht. EMV is geen onderdeel van de MER, omdat tot nu toe is gebleken dat er geen milieueffecten zijn van EMV (zie ook het antwoord bij vraag 7). Er is voorzorgsbeleid opgesteld voor EMV. Dat is toepasbaar als er mogelijke tracés voor hoogspanningsverbindingen bekend zijn. Dat is niet het geval in PEH vanwege het hoge abstractieniveau. Vanwege het voorzorgsbeleid wordt EMV in een later stadium in beeld gebracht op projectniveau. Dat leidt tot het optimaliseren van mogelijke tracés en vervolgens het vergelijken en afwegen van tracéalternatieven. In het ontwerp en de planvorming voor een hoogspanningsverbinding worden bronmaatregelen genomen zoals is beschreven in het voorzorgbeleid.
Erkent u dat eerst onafhankelijk onderzoek naar risico’s van chemicaliën en EMV’s nodig is, voordat nieuwe grootschalige projecten op landbouwgrond of nabij woongebieden doorgaan?
Ook tijdens de realisatie van nieuwe grootschalige zon-PV projecten, volgens de volgordelijkheid van de Voorkeursvolgende zon-PV, kan onafhankelijk onderzoek blijven worden gedaan naar eventuele risico’s voor de leefomgeving. Er is al veel onafhankelijk onderzoek gedaan en vindt nog steeds plaats naar de risico’s van gevaarlijke stoffen in de energietransitie en EMV. De, in het antwoord op vraag 5 en 7, genoemde beleids- en normenkaders zijn hier ook op gebaseerd. De onderzoeken worden onafhankelijk geduid door het RIVM en het Kennisplatform EMV. Deze informatie publiceert het RIVM en, voor EMV, op het Kennisplatform (www.kennisplatform.nl).