Scholen die op havo doorstromers van vmbo verbieden om in de vierde klas te doubleren |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de conclusie van het Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ECBO) dat het vooral aan de scholen ligt dat vmbo’ers die doorleren op de havo geen havo-diploma halen en niet aan deze scholieren zelf?
Slagingskansen op het havo worden door meerdere factoren beïnvloed. Ik vind het echter wel een kwalijke zaak als scholen verschillende criteria hanteren voor leerlingen die van het vmbo komen en voor leerlingen die van het havo komen.
Hoe beoordeelt u het feit dat minstens de helft van de havo-scholen als regel hanteert dat vmbo’ers niet mogen blijven zitten in 4 havo?
Mijns inziens is het van belang dat al het schoolbeleid transparant is en voor alle leerlingen op een school gelijk. Dit geldt uiteraard ook voor de regels die een individuele school hanteert ten aanzien van doubleren.
De Onderwijsinspectie zal overigens het doublurebeleid meenemen in het onderzoek naar het toelatingsbeleid van havo-scholen. Dit onderzoek wordt in de loop van 2011 uitgevoerd.
Acht u het acceptabel dat vele scholieren op deze wijze de pas wordt afgesneden, omdat zij worden gedwongen direct van school te gaan als zij vier havo niet in één jaar redden en deelt u de mening dat hun talenten dus worden gefrustreerd?
Zie mijn antwoord op vragen 2 en 3 van het lid Van der Ham (D66) (vraagnummer 2010Z17720, ingezonden op 25 november 2010). Zie tevens mijn antwoord op vraag 2 van de leden Ferrier en Biskop (beide CDA) (vraagnummer 2010Z17812, ingezonden op 26 november 2010).
Deelt u de mening dat hier sprake is van een perverse regel die niet in verhouding staat tot de kansen die betrokken scholieren maken om het havo succesvol af te ronden?
Zie mijn antwoord op vragen 2 en 3 van het lid Van der Ham (D66) (vraagnummer 2010Z17720, ingezonden op 25 november 2010).
Hoe gaat u bij de uitvoering van de motie Çelik/Voordewind1 inzake de toelatingseisen die scholen stellen aan vmbo-t’ers voor doorstroming naar havo, dit verschijnsel aanpakken?
Ik heb de VO-raad gevraagd om in overleg te treden met het onderwijsveld over de doorstroom van vmbo naar havo, en de toelatingseisen voor havo 4 in het bijzonder. Het overleg vindt op dit moment plaats. Vo-scholen moeten de ruimte hebben om zelf hun toelatingsbeleid vast te stellen. Dat laat echter onverlet dat leerlingen en ouders moeten weten waar ze aan toe zijn. Scholen moeten heldere en eenduidige toelatingseisen hanteren en deze tijdig bekend maken in bijvoorbeeld in de schoolgids of op de website. Om te onderstrepen dat ik deze kwestie bijzonder serieus neem, heb ik de Inspectie van het Onderwijs gevraagd om in het tweede kwartaal van 2011 hiernaar onderzoek te doen en mij hierover te rapporteren. Mochten de uitkomsten van het onderzoek daar aanleiding toe geven, dan zal ik de wet- en regelgeving aanscherpen.
Het feit dat ministeries de vergoedingen aan leden van adviescolleges en commissies - vallen onder hun ministeries - nog steeds niet (volledig) openbaar maken |
|
Brigitte van der Burg (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het RTL nieuwsitem over het ontbreken van gegevens van vergoedingen aan leden van adviescolleges en commissies vallend onder een ministerie?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat in een circulaire van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 29 januari 2009, de ministeries er expliciet op attent worden gemaakt dat de Tweede Kamer de toezegging heeft gekregen dat alle ministeries een overzicht van vergoedingen aan leden van adviescolleges en commissies op hun websites openbaar zullen maken?
Ja, ik ben bekend met deze circulaire. Er is toegezegd aan de Tweede Kamer dat alle ministeries een overzicht van vergoedingen van leden van adviescolleges en adviescommissies op hun websites openbaar maken.
Deze circulaire is verstuurd om deze toezegging nogmaals onder de aandacht te brengen.
Kunt u uiteenzetten waarom het nog steeds niet mogelijk is om op de websites van de verschillende departementen gegevens te vinden betreffende de vergoedingen die zijn verstrekt aan leden van adviescolleges en commissies vallend onder dat ministerie?
De departementen zijn zelf verantwoordelijk voor publicatie. Voor het ministerie van BZK geldt dat de vergoedingen worden getoetst en bij de instelling van de commissies in de staatscourant worden gepubliceerd. Ze zijn echter niet op de website geplaatst. Overigens is dat nu wel het geval: op 29 november 2010 zijn de actuele gegevens op rijksoverheid.nl geplaatst.
Navraag leert dat ook een aantal andere departementen de vergoedingen wel toetst en registreert, maar deze niet altijd direct op internet publiceren.
Deelt u de mening dat na een periode van circa twee jaar, alle ministeries zo snel mogelijk de gegevens over deze vergoedingen bekend horen te maken om maximale transparantie te betrachten en het mogelijk te maken om te controleren of het anti-cumulatiebeding in acht wordt genomen?
Ja. Overigens is de controle op handhaving van het anti-cumulatiebeding een verantwoordelijkheid van de afzonderlijke ministers.
Bent u bereid toe te zeggen dat voor 1 januari 2011 de gegevens omtrent vergoedingen aan leden van adviescolleges en commissies openbaar zijn gemaakt op de websites van de verschillende departementen?
De vergoedingen aan leden van de commissies van het ministerie van BZK, zijn op 29 november 2010 op internet gepubliceerd. Ik heb de andere departementen verzocht om de gegevens, voor zover dit nog niet is gebeurd, zo spoedig mogelijk te publiceren.
Nagenoeg alle gegevens staan nu op internet: de ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken hebben eind november/begin december de vergoedingen gepubliceerd. Defensie, EL&I en VWS hebben toegezegd zo spoedig mogelijk de actuele gegevens te publiceren en daarbij te streven om dit in ieder geval voor 1 januari 2011 te doen. De overige departementen publiceerden eerder al een actueel overzicht op de website.
Het terugvorderen van miljoenen in verband met misbruik van pgb's |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Menzis Zorgkantoor meer dan honderd persoongebonden budgetten (pgb’s) terugvordert in de regio Twente in verband met fraude, niet complete besteding en onvoldoende verantwoording van de pgb’s?1
Ja.
Klopt het bericht dat het gaat om een totaal bedrag aan terugvorderingen van miljoenen euro’s? Zou een vergelijkbare actie in andere regio’s tot een soortgelijk hoog bedrag leiden?
Menzis heeft inderdaad een vordering van enkele miljoenen op budgethouders. Het terugvorderen van niet bestede middelen is echter bestaande praktijk. Jaarlijks worden door de zorgkantoren, naar aanleiding van de verantwoording door budgethouders, niet of onjuist besteedde middelen teruggevorderd of verrekend met toekomstige budgetten. Het gaat om gemiddeld 10% van het pgb. Landelijk gaat het om ruim 200 miljoen. Bij het vaststellen van de beschikbare middelen voor het pgb (het pgb-subsidieplafond) is met dit ervaringsgegeven rekening gehouden.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het uitvoeren van de motie De Vries/Wolbert2, waarin de regering wordt verzocht alles in het werk te stellen om de taken van bemiddelingsbureaus te scheiden zodat beheer, bemiddeling en het aanbieden van zorg niet meer door één bureau ka worden gedaan?
Hiermee is het vorige kabinet voortvarend aan de slag gegaan. Zoals mijn voorganger in haar brief van 12 juni 2009 (kenmerk: DLZ/CB-U-2912189) heeft aangegeven, hebben Per Saldo en stichting de Ombudsman een gedragscode voor pgb-bemiddelingsbureaus ontwikkeld waarin deze scheiding van taken is vastgelegd. Op basis van deze gedragscode is vervolgens door Per Saldo en het Keurmerkinstituut met subsidie van VWS een kwaliteitskeurmerk voor pgb-bemiddelingsbureaus ontwikkeld. Dit keurmerk is bijna klaar. Het streven is dat bemiddelingsbureaus vanaf 1 januari 2011 een aanvraag voor het keurmerk kunnen indienen. In de werkgroep fraude die mij begin volgend jaar zal adviseren, wordt bekeken of het wenselijk is dit keurmerk een wettelijke status te geven.
Wat is de stand van zaken in de ontwikkeling van het keurmerk voor bemiddelingsbureaus? Wat is op dit moment de stand van zaken met betrekking tot het uitvoeren van de motie Wolbert3, waarin de regering wordt verzocht te stimuleren dat er een keurmerk komt voor commerciële zorgaanbieders die zorg leveren die wordt betaald uit een pgb?
De stand van zaken ten aanzien van het keurmerk voor bemiddelingsbureaus heb ik uiteengezet in het antwoord op vraag 3.
Ik geef op de volgende wijze uitvoering aan de motie Wolbert.
Na overleg met Per Saldo zijn we gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat budgethouders meer baat hebben bij goede vergelijkende informatie over zorgaanbieders dan bij een keurmerk. Ik heb vervolgens aan Per Saldo subsidie verstrekt om een deel van deze keuze-informatie te ontwikkelen. De volgende drie aspecten worden uitgewerkt:
Wat is uw mening over het advies dat Menzis pgb-houders geeft om aangifte te doen wanneer zij niet de zorg ontvangen die zij nodig hebben? Herkent u zich in de uitspraak dat wettelijke uitspaken in dergelijke zaken te lang op zich laten wachten? Op welke manier kan dit effectiever worden aangepakt?
De pgb-regeling gaat ervan uit dat de budgethouder zelf verantwoordelijk is voor het inkopen van de benodigde zorg. Deze zorg dient zowel qua omvang als kwaliteit voldoende te zijn. Afspraken over de te leveren zorg worden, al dan niet met tussenkomst van een bemiddelingsbureau, vastgelegd in een overeenkomst tussen budgethouder en zorgaanbieder. Wanneer de budgethouder merkt dat de zorgaanbieder de gemaakte afspraken niet nakomt en (kwalitatief) onvoldoende zorg levert, dient deze de zorgverlener hierop aan te spreken. Ook kan de budgethouder, als deze ontevreden is over de geleverde zorg, overstappen naar een andere zorgaanbieder. Aangifte door de budgethouder is alleen dan aan de orde wanneer blijkt dat er sprake is van onrechtmatig handelen door de zorgaanbieder of bemiddelaar. Veel fraudesignalen hebben betrekking op budgethouders die zelf niet goed in staat zijn de regie over hun zorgvraag en budget te voeren.
Deze budgethouders geven de regie en het budgetbeheer uit handen en worden vervolgens het slachtoffer van praktijken van malafide pgb-bureautjes. Deze bureaus leveren nauwelijks of geen zorg en besteden het pgb aan andere zaken dan waar het voor bedoeld is. In dergelijke zaken is het doen van aangifte zeker van belang.
In zijn algemeenheid kan niet worden gesteld dat een uitspraak naar aanleiding van een aangifte te lang op zich laat wachten. De tijd die hiervoor nodig is verschilt van geval tot geval en is mede afhankelijk van de complexiteit van een zaak. In het overleg «Fraudebestrijding in de zorg», dat op initiatief van VWS periodiek bijeenkomt, is gemeld dat het Openbaar Ministerie, politie en verzekeraars werken aan een convenant om te komen tot betere stroomlijning van meldingen en aangiften van verzekeringsfraude.
Kunt u toezeggen dat u de zorgkantoren van de andere verzekeraars gaat vragen dat ook zij zich zullen toeleggen op het beter signaleren van mogelijke fraude en aangifte te doen in geval van vermoedens van fraude en het terugvorderen van teveel betaalde of niet verantwoorde zorg?
Dit is bij zorgkantoren bestaande praktijk. Het College voor Zorgverzekeringen heeft in samenspraak met de zorgkantoren een controleprotocol ontwikkeld dat met ingang van dit jaar in gebruik is genomen. Alle zorgkantoren controleren op basis van dit controleprotocol. Zij zijn daarbij alert op het zich voordoen van fraude. Wanneer fraude wordt gesignaleerd wordt het pgb stopgezet en worden de onjuist besteedde middelen teruggevorderd.
De zorgkantoren delen hun fraudesignalen onderling.
Softdrugsbeleid |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Amsterdam wil geen pasjessysteem coffeeshops»?1
Ja.
Hoe verhoudt zich uw uitgangspunt dat een pasjessysteem overlast moet tegengaan met de uitspraak van de Amsterdamse burgemeester dat Amsterdam geen overlast ervaart van bezoekers van coffeeshops? Bent u van mening dat een pasjessysteem de drugscriminaliteit zal doen afnemen? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom wilt u toch een pasjessysteem invoeren?
Doel van een pasjessysteem is het bevorderen van kleinschaligheid. De relatie tussen deze maatregel en drugcriminaliteit is dat kleinschaligheid leidt tot een geringere aanvoer van cannabis naar de coffeeshop. Landelijke invoering voorkomt dat zich een waterbed-effect voordoet en er regionaal coffeeshoptoerisme op gang komt. Verder verwijzen wij naar het antwoord op de vragen van het lid Van der Ham (vraagnummer 2010Z17721, ingezonden 25 november 2010) en de daarin genoemde drugsbrief.
Bent u bereid het invoeren van het pasjessysteem over te laten aan die gemeenten die het nodig denken te hebben? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat door het invoeren van een pasjessysteem gebruikers die geen pasje hebben hun toevlucht zullen nemen tot illegale verkooppunten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u voorkomen dat de verkoop van cannabis nog meer in de illegaliteit verdwijnt?
Het is niet uitgesloten dat een deel van de gebruikers zonder pasje zijn toevlucht zal nemen tot illegale verkoopunten. Illegale verkooppunten worden conform de wettelijke mogelijkheden aangepakt door het lokale bestuur, het Openbaar Ministerie en de politie.
Deelt u de mening dat gebruikers die bij illegale verkooppunten cannabis kopen eerder in aanraking zullen komen met andere (hard)drugs? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daar tegen doen?
Die mogelijkheid bestaat. Bij illegale verkooppunten is geen controle mogelijk op de middelen die daar worden aangeboden. Illegale verkooppunten worden conform de wettelijke mogelijkheden aangepakt door het lokale bestuur, het Openbaar Ministerie en de politie.
Bent u van mening dat het drugsbeleid benaderd moet worden vanuit de «harm-recution» en dus met een grote gezondheidscomponent? Zo nee, wat is er veranderd aan het uitgangspunt ? Zo ja, hoe gaat u dat vormgeven?
Wij delen de mening dat drugsbeleid moet worden benaderd vanuit zowel de gezondheidscomponent als handhaving en overlastbestrijding. Ons beleid is daar ook op gericht.
Bent u van mening dat het huidige drugsbeleid jongeren beschermen en weerbaar maken tegen gebruik en koop bij drugsrunners en andere illegale verkopers van softdrugs? Zo nee, waarom niet en welke echte oplossingen gaat u voorstellen? Zo ja, welke cijfers tonen aan dat de strafbaarstelling van drugsverkoop via drugsrunners en andere illegale verkopers succesvol is?
Het weerbaar maken van jongeren tegen drugs is onderdeel van het gezondheidsbeleid. Deze problematiek laat zich niet makkelijk in cijfers vatten.
Deelt u de mening dat al jaren verbod op verbod wordt gestapeld, maar dit niet het gewenste effect heeft? Deelt u de mening dat preventie en handhaving juist daarom hand in hand moet gaan? Zo ja, wat gaat u eraan doen. Zo nee, waarom niet?
Wij zijn met u van mening dat preventie en handhaving hand in hand moeten gaan. Er bestaat momenteel een noodzaak tot intensivering van de bestuurlijke en justitiële aanpak van de georganiseerde misdaad. Het is van belang dat de overheid hierbij als één front optreedt tegen de georganiseerde misdaad.
Maakt u zich ook zorgen om de schooluitval van jongeren onder de 18 jaar en jongeren erboven door gebruik van genotsmiddelen, waaronder cannabis? Welke preventieve maatregelen wil u nemen zin om schooluitval door genotsmiddelen tegen te gaan? Of bent u van mening dat het sluiten van coffeeshops of ontmoedigen van verkoop van softdrugs via coffeeshops een adequaat middel is om jongeren af te houden van het gebruik van softdrugs? Zo nee, waarom meent u toch maatregelen te moeten nemen tegen coffeeshops? Zo ja, kunt u dit staven aan de hand van cijfers?
Volgens onderzoek spelen veel factoren een rol bij schooluitval. Cannabis is daarbij een factor, maar niet de belangrijkste. Via het partnership vroegsignalering wordt ingezet op tijdige detectie door zorgverleners van beginnende alcohol- en drugsproblematiek.
Kent u het artikel «Het Nederlands drugsbeleid en de wet van de remmende voorsprong»?2
Ja.
Deelt u de mening van de schrijver dat Nederland haar voorsprong op het gebied van liberaal drugsbeleid heeft verloren door de wet van de remmende voorsprong? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. De veranderende aard van de drugsproblematiek vraagt om aanpassingen in ons beleid om problemen zo goed mogelijk op te lossen. Hoe onze oplossingen zich verhouden tot die in andere landen is daarbij niet leidend.
Bent u met de schrijver van mening dat slimme en creatieve juristen moeten kijken naar de mogelijkheden voor een gereguleerde of gelegaliseerde aanvoer om op die manier legaal drugsbeleid te kunnen voeren? 13 Bent u van mening dat het niet mogen telen van wiet door coffeeshops of het niet hebben van een grotere handelsvoorraad korte metten zal maken met criminaliteit, overlast en intimidatie? Zo ja, op welke wijze?
Nee, die mening deel ik niet. Het reguleren van de achterdeur zien we niet als oplossing voor de bestaande problemen.
Hoe moet overlastgevende thuisteelt tegengegaan worden nu het telen van wiet door coffeeshops niet mogelijk wordt gemaakt?
Indien u bedoelt te vragen of het toestaan van het telen van wiet en van een grotere handelsvoorraad criminaliteit zal helpen voorkomen, dan verwijzen wij u naar ons antwoord op de vragen 12 en 15.
Is het verhogen van de handelsvoorraad volgens het voorstel van Commissie-Van de Donk een manier om criminaliteit begaan tegen de loopjongens van cannabis tegen te gaan? Zo ja, bent u bereid deze loopjongens deze bescherming te bieden? Zo nee, waarom niet en welk middel is wel effectief?
Het telen van wiet is verboden op grond van de Opiumwet. Dit geldt zowel voor thuisteelt als voor de meer professioneel georganiseerde teelt. Overlastgevende thuisteelt moet krachtig worden tegengegaan en wordt daarom bestuurlijk en justitieel gehandhaafd.
Oplopende spanningen in Guinee naar aanleiding van de presidentsverkiezingen van 15 november 2010 |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de oproep van de International Crisis Group (ICG) aan de internationale gemeenschap actie te ondernemen om een crisissituatie in Guinee te voorkomen?1
Ja
Hoe beoordeelt u de analyse van de ICG over de politieke spanningen in het land?
Ik deel de zorgen van de ICG over de politieke spanningen in Guinee.
Deelt u de mening van de ICG dat er een rol is weggelegd voor de Verenigde Naties (VN) bij het versterken van de stabiliteit in Guinee en het voorkomen van een verdere escalatie van de spanningen?
Ik onderschrijf dat hier een rol voor de VN is weggelegd. De VN heeft deze rol overigens reeds op zich genomen. In reactie op de spanningen hebben de Secretaris-generaal en de VN Veiligheidsraad de politieke leiders in Guinee opgeroepen hun geschillen via de bestaande juridische instrumenten op te lossen en af te zien van geweld. De speciale VN-vertegenwoordiger voor West-Afrika, Said Djinnit, heeft tevens aangegeven dat de VN de transitieregering waar mogelijk graag zal bijstaan.
De VN bood eerder ondersteuning aan de verkiezingen voor een bedrag van $ 9.7 miljoen. Het United Nations Office of the High Commissioner for Human Rightsvolgt de mensenrechtensituatie in Guinee nauwlettend en heeft de regering opgeroepen zich te houden aan de internationale standaarden ten aanzien van gebruik van geweld door veiligheidstroepen.
Op welke wijze kan Nederland zowel rechtstreeks als via de Europese Unie (EU) en andere fora bijdragen aan de-escalatie en conflictpreventie? Bent u bereid daartoe stappen te ondernemen?
Ik ben van mening dat de problematiek in Guinee het meest effectief in EU-verband kan worden aangepakt. De EU, en daarmee Nederland, heeft via de politieke dialoog met Guinee telkens geëist dat de overgangsregering vrije en transparante verkiezingen organiseert. Pas daarna kunnen EU-fondsen voor Guinee beschikbaar worden gesteld.
EU Hoge Vertegenwoordiger Ashton heeft zorg uitgesproken over de recente gewelddadigheden en alle partijen opgeroepen tot kalmte. Ook heeft de EU het Hooggerechtshof van Guinee opgeroepen alle klachten over de verkiezingen op transparante wijze te beoordelen, teneinde een draagvlak te creëren voor de definitieve verkiezingsuitslag.
Het plan voor provinciale parallelwegen A12 bij Gouda, Zuidplas, Waddinxveen en Lansingerland |
|
|
|
|
Bent u bekend met de plannen voor provinciale parallelwegen langs de A12 bij Gouda, Zuidplas, Waddinxveen en Lansingerland?
Ja. Het project maakt onderdeel uit van het MIRT Projectenboek 2011, pagina 183.
Zoals ik u tijdens het Notaoverleg heb toegezegd informeer ik u hierbij over de afwegingen die zijn gemaakt.
Er is sprake van een fors verkeersknelpunt ter hoogte van het Gouweaquaduct, waar de A12 en de A20 samenkomen. Dit wordt met name veroorzaakt door de vele weefbewegingen die er worden gemaakt. Het betreft het kruisen van de verkeersstromen Rotterdam–Utrecht (A20 richting A12 in oostelijke richting) en Den Haag–Gouda (A12 afslag Gouda). Daarnaast dient de Zuidplaspolder beter te worden ontsloten, met het oog op de ruimtelijke ontwikkelingen rond de Zuidplas.
Uit onderzoek (het eindrapport van de MIRT-Verkenning) blijkt, dat een oplossing op het hoofdwegennet te weinig soelaas biedt. Het scheiden van de verkeersstromen, afhankelijk van hun herkomst en bestemming, door het realiseren van een parallelstructuur brengt de oplossing wel en heeft daarbij een MKBA-score van 5,2.
Wordt de afrit Gouda vanuit Den Haag richting Utrecht, zoals tekeningen aangeven, afgesloten en wat zijn daarvan dan de gevolgen in termen van de noodzaak van omrijden en extra vertraging en files?
De eerste afrit A12 vanuit Den Haag richting Utrecht ná het Gouweaquaduct wordt gedeeltelijk opengelaten. Voor het verkeer vanuit Rotterdam (A20) richting Gouda blijft deze afrit open.
Het verkeer vanuit Den Haag richting Gouda zal gebruik maken van de te realiseren parallelbaan ten noorden van de A12 ter hoogte van het Gouweaquaduct.
Met deze ingreep worden vertragingen en files op het hoofd- en op het onderliggend wegennet gereduceerd. De verkeersstromen Den Haag–Gouda en Rotterdam–Gouda zitten elkaar op het HWN niet langer in de weg. Dit principe, ontvlechting van verkeersstromen, is één van de principes uit de MobiliteitsAanpak.
De reistijd Den Haag–Gouda en Gouda–Den Haag wordt hierdoor tijdens spitstijden aanmerkelijk korter. Buiten de spitstijden kan de reistijd naar Den Haag–Gouda door de iets langere aanrijdroute (circa 1,2 kilometer) toenemen. Naar verwachting is dit ongeveer 2 minuten, waarin het openingsregime van de brug en verkeerslichten (groene golf) onderweg niet zijn meegenomen.
Waarom eindigt de parallelweg aan Noordzijde richting Zoetermeer/Den Haag in een buurtschap in Lansingerland? Welke overlast en files zal dat veroorzaken?
De Rottelaan eindigt niet in het buurtschap Kruisweg, maar sluit in Lansingerland aan op de N209.
De Rottelaan is niet verbonden met de lokale Kruisweg van het buurschap en veroorzaakt hier geen files. Integendeel, het ontlast de onderliggende wegenstructuur en vermindert congestie op de A12 als gevolg van in- en uitvoegend bestemmingsvrachtverkeer met een lokale bestemming (voornamelijk de veiling van Bleiswijk).
Hoe beoordeelt u de gevolgen van het plan voor de doorstroming op de A12 en de ontsluiting van de bouwlocatie Zuidplas?
Ik beoordeel de gevolgen van het project als positief, zowel voor de doorstroming op het hoofdwegennet als voor de bereikbaarheid van de regio.
Het project A12/A20 Parallelstructuur Gouweknoop is ook bedoeld om de doorstroming op de A12 te verbeteren en tevens de Zuidplas beter bereikbaar te maken.
Kunt u de vermoedens bevestigen dat door deze plannen forse nieuwe verkeersproblemen ontstaan of kunt u beargumenteerd aantonen dat er sprake is van een verbetering en versnelling van de verkeersafwikkeling?
Er ontstaan geen nieuwe verkeersproblemen. Ik verwijs u verder graag naar mijn antwoorden op uw vragen 2, 3 en 4.
Is het niet verstandiger om een alternatief uit te werken met een vergroting van het Gouweknooppunt en aanleg van de Moordrechtboog, zo mogelijk in combinatie met een parallelstructuur over langere afstand, zoals die bij Den Bosch en Eindhoven is gerealiseerd?
Nee. In de Verkenningenfase is een dergelijke oplossing onderzocht. Uit het eindrapport van de MIRT-Verkenning blijkt, dat een oplossing op het hoofdwegennet minder oplossend vermogen heeft. Een parallelstructuur zoals bij Den Bosch en Eindhoven zal bovendien veel duurder zijn.
Bent u van mening dat wanneer de gevolgen van de provinciale plannen zo negatief zijn, deze plannen direct in de prullenbak moeten verdwijnen? Bent u tevens van mening dat er een plan moet komen dat daadwerkelijk de doorstroming op de A12 en de toegankelijkheid van genoemde gemeenten bevordert?
Nee. Zie mijn antwoorden op uw vragen hierboven.
Een grote groep jongens die jarenlang niets doet, stopt met studeren, en de hele dag doorbrengt met drinken, blowen en gamen |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de grote groep jongens die jarenlang niets doet, de dag doorbrengt met gamen en blowen, en wordt aangemerkt als een absolute risicogroep voor depressie?1
Ik heb kennis genomen van het artikel. Mij zijn echter geen wetenschappelijke onderzoeksgegevens bekend over de omvang van deze groep.
Deelt u de mening «dat de samenleving dit gedrag prima vindt» en geen gevolgen verbindt aan het niet komen opdagen bij onderwijs door depressies onder jongeren? Zo ja waarom? Zo nee, welke effectieve preventiemaatregelen zijn er of worden in de toekomst genomen, met welk meetbaar doel?
Nee. Het is niet normaal als jongeren stoppen met studeren of werken en de hele dag doorbrengen met drinken, blowen en gamen.
Het voorkomen van uitval van jongeren staat hoog op de agenda van het Kabinet. De minister van OCW heeft daarom het actieplan «Aanval op Schooluitval» opgesteld om zo schooluitval in het VO en MBO terug te dringen tot maximaal 25 000 vroegtijdige schoolverlaters in 2016.
Daarnaast zijn er in het VO en MBO Zorg en Adviesteams. In geval van beginnend probleemgebruik op scholen kan er vanuit de ZAT’s contact worden gelegd met de verslavingszorg.
In het hoger onderwijs zijn meerjarenafspraken gemaakt om uitval te verminderen en studiesucces te verbeteren. Voor deze specifieke groep depressieve jongeren verwijs ik naar voorzieningen die aanwezig zijn bij hoger onderwijsinstellingen, zoals studentdecanen en studentpsychologen. Hiervoor zijn geen kwantitatieve doelen gesteld.
Is het waar dat dit gedrag mede wordt veroorzaakt doordat ouders gezag over hun kind hebben verloren, niet begeleiden, en geen structuur in de dag aanbrengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke preventieve maatregelen worden genomen om ouders hierbij te ondersteunen?
Uit het recent uitgevoerde HBSC-onderzoek2 blijkt juist dat ouders in Nederland zich sterk bewust zijn van het belang van hun opvoeding voor de ontwikkeling van hun kinderen. Zij hechten er aan om hun kinderen te leren om zich sociaal en gezond te gedragen.
Ouders worden hierbij preventief ondersteund via het schoolprogramma de Gezonde School en Genotmiddelen. Zij krijgen informatie hoe ze bij de opvoeding aandacht kunnen besteden aan roken, alcohol en drugs en leren dit ook toe te passen. In de landelijke nota gezondheidsbeleid, die ik in 2011 zal uitbrengen, zal ik aangeven op welke wijze ik met dit beleid wil verder gaan.
Ook kunnen ouders met vragen over het opvoeden en opgroeien van hun kinderen terecht bij de Centra voor Jeugd en Gezin. In 2011 zal iedere gemeente hiervoor een laagdrempelig en toegankelijk front office hebben.
Vindt u het zorgelijk dat bijna een vijfde van cannabisgebruikende mannelijke scholieren meer dan tien keer per maand blowt, versus een op de veertien meisjes?
Ja beide vind ik zorgelijk. Naast het feit dat cannabis- en alcoholgebruik leiden tot verminderd denkvermogen en concentratiestoornissen, blijkt uit recent wetenschappelijk onderzoek dat alcohol en cannabis schadelijk zijn voor de zich ontwikkelende hersenen van jongeren.
De genoemde verdeling geldt overigens binnen de groep actueel gebruikende scholieren en is afkomstig uit de Nationale Drug Monitor. Bron hiervoor is het Peilstationsonderzoek scholieren3. Uit die studie blijkt dat voor de groep scholieren als geheel dit voor cannabis neerkomt op 1,8% van de jongens en 0,5% van de meisjes.
En voor het totale aantal 16 jarige scholieren komt dit voor alcohol neer op 18% van de jongens en 4% van de meisjes. Deze getallen hebben betrekking op het drinkgedrag op een weekenddag.
Vindt u het zorgelijk dat jongens vaker en meer drinken dan meisjes, zo drinkt een kwart van de 16-jarige jongens meer dan 20 glazen op een avond tegen 6 procent van de meisjes?
Zie antwoord vraag 4.
Welke preventieve maatregelen op het gebied van jeugd en genotsmiddelen neemt u momenteel om dit gedrag te verminderen? Wat is tot op heden het effect?
De huidige preventieve maatregelen voor jongeren en genotmiddelen omvatten het schoolprogramma de Gezonde School en Genotmiddelen, de alcohol en drugs infolijn (deze is bedoeld voor jongeren die gericht informatie zoeken) en leefstijlcampagnes.
De Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010 laat zien dat de trends in alcohol- en drugsgebruik niet ongunstig zijn. Iets minder jongeren drinken, maar als zij drinken, drinken zij te veel. Het cannabisgebruik is sinds 1996 met 5% gedaald tot 17% in 2007. Ook het aantal jongeren dat zich wegens cannabisproblemen meldt bij de verslavingszorg is sinds 2002 verviervoudigd, terwijl het aantal gebruikers niet is toegenomen.
Deelt u de mening dat een breder preventiebeleid ten aanzien van jeugd en genotsmiddelen tot betere resultaten zou hebben geleid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het huidige preventiebeleid ten aanzien van jeugd en genotmiddelen is al breed opgezet. Voorbeelden hiervan zijn de Alcohol en Drugsinfolijn, de Gezonde School en Genotmiddelen en de integrale aanpak van de leefstijlcampagnes. Mijn visie op preventiebeleid zal ik uiteenzetten in de landelijke nota gezondheidsbeleid die ik in het voorjaar van 2011 zal uitbrengen.
Welke preventiemaatregelen op het gebied van jeugd en genotsmiddelen worden met ingang van 2011 of tijdens de komende kabinetsperiode stopgezet?
Voor de beantwoording van deze vraag wil ik verwijzen naar de landelijke nota gezondheidsbeleid.
Vindt u dat u naar aanleiding van de nationale Drug Monitor 2009, Emancipatie-monitor 2008, en Prevalentie van Depressie 2008 van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) nieuwe preventiemaatregelen moet nemen? Zo ja welke? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 8.
Tandenknippen in de varkenshouderij |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op mijn vragen over het knippen van tanden als maatregel tegen bijterij bij varkens van 9 november 2010?1
Ja.
Bent u bereid onderstaande vragen allemaal en afzonderlijk te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Is het waar dat het is toegestaan om bij biggen niet ouder dan zeven dagen de hoektanden bij te vijlen?2 Is het waar dat ook het knippen van de tanden, dat per 1 januari 2009 verboden is, alleen werd toegestaan bij de hoektanden? Is het waar dat in het kraamhok geen ingrepen op de snij, dan wel andere tanden zijn toegestaan?
Is het waar dat nergens in de literatuur wordt uiteengezet dat het vijlen van hoektanden bijterij op latere leeftijd kan tegengaan? Zo nee, op welke wetenschappelijke informatie baseert u uw standpunt dat het vijlen van hoektanden bijterij op latere leeftijd zou kunnen tegengaan, bent u bereid de Kamer deze onderzoeken toe te zenden en kunt u toelichten waarom de European Food Safety Authority (EFSA) in haar uitgebreide «Scientific Report on the risks associated with tail biting in pigs and possible means to reduce the need for tail docking considering the different housing and husbandry systems»3 deze mogelijkheid niet noemt? Zo ja, waarom is het vijlen van hoektanden dan preventief toegestaan om bijterij te voorkomen, als immers niet bewezen is dat dit een effectieve maatregel is?
Deelt u de mening dat het onderzoek van het landbouw Economisch Instituut naar het voorkomen van staartbijten4, in tegenstelling tot wat u stelt in uw antwoorden op eerdere vragen over dit onderwerp, juist stelt dat het knippen van tanden wordt ingezet als curatieve maatregel in plaats van als preventieve maatregel, en dat deze conclusie onder andere volgt uit het feit dat het knippen van tanden is opgenomen in tabel 3.10, p. 32, van dit onderzoek met daarin antwoorden van varkenshouders op de vraag «welke maatregelen ze zelf namen wanneer staartbijten optrad» en waarin alleen maar curatieve maatregelen worden opgesomd, zoals het uit de groep halen van bijters, en niet in tabel 3.11, p. 34, waarin antwoorden zijn opgenomen op de vraag «wat in hun ogen risicofactoren zijn die staartbijten in de hand kunnen werken» waar bijvoorbeeld wel de staartlengte wordt aangegeven als risicofactor, maar niets over de aanwezigheid of lengte van tanden wordt gesteld? Zo nee, waarom niet en op basis van welke aanvullende gegevens komt u tot dit oordeel?
Waar het in het genoemde onderzoek om gaat is te achterhalen wat de drijfveren zijn van ondernemers om bepaalde ingrepen toe te passen en wat zij als risicofactoren van bijterij zien. Deze informatie is nodig om in 2011 een routeplan te maken hoe nog voor 2023 verantwoord gestopt kan worden met het couperen van staarten en het vijlen van tanden. Een ondernemer die last heeft van bijterij op zijn bedrijf zal zowel curatief als preventieve maatregelen nemen. Curatieve maatregelen past hij toe om bijterij een halt toe te roepen, preventieve maatregelen past hij toe om problemen te voorkomen. Het vijlen van tanden is een preventieve maatregel. Daarbij is gebleken dat preventieve maatregelen door veehouders ook wel als curatief zijn beoordeeld. In tegenstelling tot wat altijd gedacht was, blijkt nu uit het onderzoek dat ook andere managementmaatregelen mogelijk geschikt zijn om bijterij te voorkomen, dan wel tegen te gaan. Dit zal ik zeker meenemen in de besprekingen over het routeplan.
Op basis van welke gegevens komt u tot de conclusies dat waar varkenshouders aangeven dat tanden knippen een maatregel tegen bijterij kan zijn, dit alleen over de hoektanden gaat en dit alleen betrekking kan hebben op preventieve maatregelen wanneer het dier jonger dan zeven dagen is? In hoeverre is er onderzoek geweest naar deze bewering? Bent u bereid de gegevens waarop u zich baseert aan de Kamer te doen toekomen?
Het vijlen en voorheen het knippen van tanden is een maatregel die ernstigere beschadiging door te scherpe hoektanden bij excessief bijtgedrag voorkomt. Deze maatregel mag volgens het Ingrepenbesluit alleen worden toegepast bij biggen jonger dan 7 dagen als uit ervaring blijkt dat op het bedrijf ernstigere beschadiging optreed als deze maatregel niet wordt toegepast. De nVWA controleert op de uitvoering van het Ingrepenbesluit en dus voor zover mogelijk op het alleen toepassen van deze maatregel bij dieren niet ouder dan 7 dagen en alleen de hoektanden. Uit de controleresultaten tot op heden blijkt dat deze eis uit het Ingrepenbesluit wordt nageleefd.
Aangezien u in uw antwoorden op mijn eerdere vragen1 niet ingaat op de rol van de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit stel ik u deze vragen opnieuw: Op welke wijze controleert de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit (nVWA) of er tanden illegaal geknipt of geslepen worden? Hoe vaak wordt hierop gecontroleerd en welke detectiemethoden worden daarvoor gebruikt? Welke sanctie staat op het illegaal knippen en slijpen van tanden? Hoe vaak is deze sanctie opgelegd in de afgelopen twee jaar?
Het knippen van tanden is een niet toegestane ingreep. Tijdens een welzijnscontrole op het bedrijf controleert de nVWA regelmatig of de hoektanden van de biggen geknipt of geslepen zijn. Indien er sprake is van het knippen van hoektanden, wordt verbaliserend opgetreden. Dit is nog niet het geval geweest. Indien er sprake is van het vijlen van de hoektanden, wordt nagegaan of er problemen zijn of zijn geweest ten gevolge van bijterij, zoals tepelverwondingen bij de zeug. Ook wordt vaak met de veehouder nut en noodzaak ervan besproken. In de afgelopen periode zijn geen overtredingen geconstateerd. Het achteraf bewijzen dat de hoektanden niet vóór maar na de 7 dagen gevijld zijn, is feitelijk helaas niet mogelijk.
Deelt u de mening, dat zelfs als het waar zou zijn dat tandenknippen en -vijlen slechts preventief zou worden toegepast, dat dit dan allereerst een belangrijk aanvullend signaal is dat de huidige manier van het houden van varkens niet verantwoord is, omdat boeren blijkbaar niet alleen massaal de staarten van hun varkens afknippen, maar ook op grote schaal tanden van biggen vijlen om te voorkomen dat de dieren elkaar gaan bijten? Hoe beoordeelt u dit en welke consequenties verbindt u hieraan?
Nee, die mening deel ik niet. Uit de controleresultaten blijkt juist dat knippen niet en vijlen sporadisch voorkomt en zeker niet standaard wordt uitgevoerd op alle bedrijven. Het LEI- onderzoek toont aan dat varkensboeren juist op zoek gaan naar andere minder ingrijpende maatregelen om bijterij tegen te gaan.
Is het waar dat u stelt dat kennelijk dus routinematig bij ongeveer 2,5 miljoen biggen per jaar de tanden worden afgevijld? Hoe beoordeelt u dit? Wat zegt dit gegeven over de huidige manier waarop er in Nederland varkens gehouden worden?
Nee. Gelet op de controleresultaten van de nVWA wordt vijlen toegepast als er daadwerkelijk problemen zijn. Het LEI-onderzoek laat zien dat deze ingreep binnen afzienbare tijd tot het verleden kan gaan behoren. Dit wordt nader uitgewerkt in het routeplan.
Terugvordering van Wet Sociale Werkvoorziening (Wsw)-budgetten |
|
Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat in 2008 de verantwoording van het Wsw-budget is overgegaan van de Wsw-uitvoerders naar de gemeenten? Zijn gemeenten daardoor verplicht om ook Wsw’ers op te geven die niet bij de eigen uitvoerder werkzaam zijn?
Ja, met de wetswijziging Wsw, in werking getreden op 1-1-2008, is geregeld dat gemeenten budgettair verantwoordelijk zijn voor het Wsw-budget en zich daarover ook naar het Rijk dienen te verantwoorden. Deze verantwoording wordt geleverd via vier indicatoren. De gemeente dient o.a. te verantwoorden hoeveel Wsw-geïndiceerden woonachtig zijn in de gemeente en op de wachtlijst staan dan wel werkzaam zijn, ongeacht waar deze Wsw-werknemers hun arbeid verrichten.
Is het waar dat verschillende gemeenten1 dit laatste nalieten en u daardoor een deel van het toegewezen budget heeft teruggevorderd?
Ja.
Heeft u een aantal gemeenten van tevoren op deze fout gewezen, zodat in die gevallen terugvordering is voorkomen? Klopt het dat een aantal gemeenten geen waarschuwing heeft gekregen? Zo ja, kunt u nader ingaan op dit verschil?
De werkwijze inzake de verantwoording door gemeenten is als volgt.
De gemeenten worden jaarlijks gewezen op het belang van het indienen van een tijdige en juiste verantwoording. De verantwoordingsinformatie wordt door gemeenten aan BZK geleverd, die dit, nadat vastgesteld is dat de informatie aan de formele vereisten voldoet, doorstuurt naar het betreffende vakdepartement. Gemeenten kunnen daarbij, binnen een redelijke termijn, een herziene verantwoording aanleveren aan BZK bij een geconstateerde omissie.
Uitgangspunt bij gebruikmaking en verwerking door het vakdepartement is dat gemeenten tijdig een volledige en juiste verantwoording indienen. Dit vloeit voort uit de SiSa systematiek (Single information, Single audit) en de daaraan gekoppelde regelgeving, onder andere in de Financiële-verhoudingswet.
SZW controleert de ontvangen verantwoordingsinformatie jaarlijks op volledigheid en juistheid van de ontvangen stukken.
Van de juistheid wordt uitgegaan tenzij bij controle en verwerking sprake is van discussie over de rechtmatigheid, blijkend uit de accountantsverklaring, of indien – bij de Wsw – sprake is van inhoudelijk evidente aberraties in de cijfers. Bijvoorbeeld het ontbreken van getallen waar dat redelijkerwijs niet juist kan zijn. In die gevallen wordt de gemeente door SZW nader bevraagd en in de gelegenheid gesteld mogelijke omissies te herstellen of toe te lichten. Dit gebeurt voordat, op grond van de verantwoordingsgegevens, overgegaan wordt tot vaststelling van de eerder verstrekte middelen. In aanvulling op de verantwoording door gemeenten over 2008 is door het ministerie van SZW een éénmalige extra interne controle uitgevoerd omdat gemeenten de verantwoording over de Wsw voor het eerst zelf dienden aan te leveren. Deze onverplicht uitgevoerde interne controle heeft plaatsgevonden op het aantal Wsw-geïndiceerden over 2008, afgezet tegen het aantal in 2007.
Indien de extra interne controle leidde tot de constatering van (mogelijke) onduidelijkheden, fouten of onzekerheden is dit aan de betreffende gemeente voorgelegd en is de mogelijkheid tot bevestiging dan wel herstel geboden.
Is het zo dat het teruggevorderde geld wel voor het daarvoor bestemde doel is gebruikt? Was er ook geld teruggevorderd als er geen administratiefout was gemaakt?
Gemeenten zijn wettelijk verplicht zich jaarlijks te verantwoorden over door het Rijk beschikbaar gestelde specifieke uitkeringen, waaronder de Wsw, via de daartoe aangewezen procedure (zie tevens het antwoord op vraag 3). Tevens geldt dat het niet realiseren van de door SZW aan gemeenten toegekende aantal te realiseren Wsw-plekken en het daarbij behorende budget, leidt tot terugvordering van de gelden die hiermee gemoeid zijn en ook als dit het gevolg is van het feit dat gemeenten zelf onjuiste gegevens verantwoorden. Dit is een imperatief voorschrift in de Wsw; deze regel geldt overigens al sinds jaren en de gemeenten zijn hiermee ook bekend alsook met de wijze waarop ik hiermee omga ten aanzien van het vaststellen van de Wsw-subsidie.
Ik wijs er op dat de verantwoordingsprocedure voor de Wsw met ingang van 2007 aanzienlijk is vereenvoudigd: van 123 indicatoren naar slechts 4 en er dient enkel verantwoord te worden in aantallen. Qua verantwoordingslast/bureaucratie is dus een zeer substantiële reductie bewerkstelligd.
Bijna alle gemeenten hebben zich op juiste wijze verantwoord. Een aantal gemeenten heeft deze verplichting niet goed opgepakt. Terugvordering heeft alleen plaatsgevonden in de gevallen waarbij sprake is van fouten in de verantwoording – als gevolg van een onzorgvuldig uitgevoerde verantwoordingsprocedure – waarbij de gemeenten niet hebben aangetoond dat deze gehanteerde handelwijze niet verwijtbaar zou zijn. Administratieve vergissingen, zoals tikfouten, zijn gemeenten niet aangerekend.
Deelt u de mening dat de overheid bureaucratie moet beperken? Kan volgens u een administratieve vergissing een reden zijn voor terugvordering? Geldt dit ook als is aangetoond dat het budget wel conform de doelstelling en regelgeving is gebruikt?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat naar schatting vijftig boodschappenbegeleidingsdiensten voor ouderen komen te vervallen door bezuinigingen van gemeenten |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat naar schatting vijftig boodschappenbegeleidingsdiensten voor ouderen door bezuinigingen van gemeenten dreigen te verdwijnen?1 Deelt u de mening dat dit onwenselijk is?
Ik ben bekend met het bericht.
Het is jammer wanneer gemeenten bezuinigen op belangrijke diensten voor ouderen, zeker als deze diensten ervoor zorgen dat zij langer zelfstandig kunnen wonen. Ook de gebruikers zelf geven aan dat zij veel baat hebben bij deze boodschappenbegeleidingsdiensten. Ik vind het erg belangrijk dat ouderen zo lang mogelijk in hun eigen vertrouwde en veilige omgeving kunnen blijven. Bovendien blijkt dat binnen deze projecten veel vrijwilligers zich met hart en ziel voor hun medemensen inzetten. Ook dat vind ik erg waardevol.
Wel kan ik mij voorstellen dat gemeenten andere manieren vinden om ouderen zo lang mogelijk zelfstandig en zelfredzaam te houden en die goed aansluiten bij de wens van de ouderen zelf. Die beslissing is aan gemeenten. Zij zijn in het Wmo-kader volledig verantwoordelijk voor welzijnsvoorzieningen, zoals boodschappendiensten, zodat zij lokaal maatwerk kunnen verrichten.
De Wmo is zo ingericht dat gemeentebesturen terdege rekening moeten houden met de wensen van hun burgers. Uiteraard leggen gemeentebesturen over hun Wmo-beleid verantwoording af aan hun raden. Daarnaast is in de wetsartikelen 11 en 12 van de Wmo geregeld dat gemeenten belanghebbenden bij de beleidsvoorbereiding moeten betrekken en dat zij verplicht zijn om vertegenwoordigers van vragers om beleidsadvies te vragen. Tot slot kent de Wmo het compensatiebeginsel (artikel 4. Dat beginsel regelt dat de gemeente voorzieningen moet treffen zodat burgers met beperkingen in staat zijn om (o.a.) een huishouden te voeren en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.
Ik zal dus geen actie ondernemen om het verdwijnen van deze specifieke welzijnsvoorziening te voorkomen. Wel ondersteun ik gemeenten op allerlei manieren om op een goede manier vorm te geven aan hun lokale welzijnsbeleid. Ik denk aan de programma’s: «Welzijn Nieuwe Stijl», «Beter in Meedoen», «Voor Elkaar», «Wmo-in-de-buurt» en «Welzijn, Wonen en Zorg maak het samen!»
Zijn deze gemeenten ervan op de hoogte gesteld dat de in het artikel genoemde voorgenomen bezuiniging van 200 miljoen euro op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) niet doorgaat? Zo nee, waarom niet?
Er is hier mogelijk sprake van een misverstand, omdat ten tijde van de kabinetsformatie met betrekking tot het Wmo-budget gesproken is over een tweetal bijstellingen van € 200 miljoen.
In de miljoenennota 2011 is een bijstelling van € 200 miljoen van het Wmo-budget opgenomen. Deze bijstelling van € 200 miljoen bestaat uit twee delen. In de eerste plaats wordt er vanuit gegaan dat er voor de PGB-uitgaven in de Wmo € 150 miljoen minder nodig is. Ook het SCP – de onafhankelijke derde – constateert in haar advies over het Wmo-budget 2011 dat sprake is van een overschatting van deze uitgaven. Het tweede deel bestaat uit een korting van € 50 miljoen. Het gaat hier om door de gemeenten te realiseren doelmatigheidswinst door meer gebruik te maken van collectieve voorzieningen in plaats van individuele voorzieningen.
Ten tijde van de kabinetsformatie is daarnaast een mogelijke tweede korting van € 200 miljoen op de Wmo-uitgaven (totaal dus € 400 miljoen) aan de orde geweest. In de Economische Verkenningen 2011–2015 (maart 2010) heeft het CPB namelijk (technisch) verondersteld dat een deel van de groei van de zorgkosten wordt opgebracht door hogere eigen betalingen in de Wmo. Hogere eigen betalingen in de Wmo komen ten gunste van gemeenten, waardoor volgens het CPB het Wmo-budget met € 200 miljoen verlaagd zou kunnen worden. Deze (andere) korting is niet overgenomen door het kabinet.
Het oormerken van Wmo-middelen voor specifieke doelgroepen past ten principale niet bij aard en het doel van de wet.
Deelt u de mening dat het budget voor de Wmo geoormerkt zou moeten worden voor Wmo-doelgroepen om te voorkomen dat gemeenten op ouderen en hulpbehoevenden gaan korten in plaats van in linkse hobby’s?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat boodschappenbegeleidingsdiensten een belangrijke bijdrage leveren aan het kabinetsdoel dat ouderen langer zelfstandig moeten kunnen blijven wonen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat u ondernemen om het verdwijnen van deze boodschappenbegeleidingsdiensten voor ouderen en hulpbehoevenden te voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
De rechtsopvolger van Meavita en verpleeghuis Houtwijk te Den Haag |
|
|
|
|
Bent u van mening dat met de financiële injectie in de Haagse rechtsopvolger van Meavita beoogd is de kwaliteit van de zorg te continueren? Zo ja, kunt u een oordeel uitspreken over het behaalde resultaat tot nu toe? Zo nee, waarom niet?
HWW Zorg (waar de locatie Houtwijk onderdeel van uitmaakt) is opgericht voor het geval dat door de moeilijkheden waarin Meavita-west verkeerde, de continuïteit van zorg in gevaar zou komen. Toen bleek dat er, na het faillissement van Meavita-west, geen andere partij was die de zorgverlening kon of wilde overnemen is HWW Zorg geactiveerd. Vanuit het perspectief van continuïteit van zorg heeft mijn voorganger er bij de nieuwe stichting op aangedrongen geen selectie aan de poort toe te passen en alle medewerkers van Meavita-west over te nemen. Wetend dat er een aantal zou moeten afvloeien. In de debatten die daarover in de maanden maart en april van 2009 met uw kamer gevoerd zijn is duidelijk aangegeven dat steunverlening nodig zou zijn voor het financieren van het sociaal plan en andere daarmee samenhangende kosten. Steunverlening is bedoeld om financiële problemen op te lossen, de financiering van kwaliteitsverbetering dient te komen uit de reguliere exploitatie. De NZa controleert bij de toekenning van steun nadrukkelijk of er geen posten worden opgevoerd die uit de reguliere exploitatie betaald dienen te worden. De steun is dan ook verleend voor bepaalde posten. Na afloopt van ieder kwartaal wordt een financiële rapportage verstrekt ten aanzien van de besteding van de steunverlening. De jaarrekening over 2010 zal een beeld geven van het exploitatieresultaat en de vermogenspositie van HWW Zorg.
Hoe ziet u deze steun in relatie tot de slechte resultaten van verpleeghuis Houtwijk? Deelt u de mening dat de financiële bijdrage had moeten leiden tot het weer op orde komen van de zorgverlening aangezien het geld daarvoor bedoeld was? Zo ja, wat gaat u voor actie ondernemen richting de zorginstelling en zo nee, waarom vindt u dat niet?
De steun is bedoeld om de Meavita-erfenis als gevolg van overgang van personeel naar HWW Zorg, zonder selectie aan de poort, op te vangen. De Meavita-schulden zijn achtergebleven in de failliete boedel. Het is dus onmogelijk dat verleende steun gebruikt wordt om schuldeisers van Meavita-west te betalen.
Deelt u de zorgen dat er nu met belastinggeld ondermaatse zorg wordt bestendigd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties worden er ondernomen?
De IGZ heeft een van de locaties van HWW Zorg, namelijk verpleeghuis Houtwijk, onder verscherpt toezicht geplaatst omdat de doelen uit het opgestelde verbeterplan niet blijken te worden gehaald. Het is goed dat de IGZ nu naar een zwaar middel grijpt om verbetering van kwaliteit van zorg af te dwingen. De IGZ constateert dat de verbeterplannen bij de andere locaties gelukkig wél werken.
Hierboven heb ik al aangegeven dat de verleende steun niet besteed mag worden aan kwaliteitsverbetering.
Deelt u de mening dat het geld bedoeld was voor de zorgverlening? Hoe is de verhouding tussen de effecten van de financiële injectie als het gaat om organisatorische maatregelen, zoals het sociaal plan, en maatregelen die direct effect hadden voor de zorgverlening? Zo ja, welke actie gaat u nu ondernemen? Zo nee, hoe gaat dit dan nu alsnog gebeuren?
De zorgverlening, inclusief de kwaliteit daarvan, dient te worden gefinancierd vanuit de productieafspraken met het zorgkantoor. De kosten van het sociaal plan zijn bestreden met de steunverlening. Dat betekent dat ik geen actie onderneem anders dan dat het toezicht van de IGZ geldt en de maatregelen die daaruit voortvloeien.
Waren er andere mogelijkheden om de continuïteit van zorg in Den Haag te garanderen? Zo ja, welke? Waarom is toch voor de financiële injectie gekozen?
Ten tijde van het faillissement waren er geen andere aanbieders die de door Meavita-west geleverde zorg konden of wilden overnemen.
Heeft de financiële injectie aanleiding gegeven de bestaande regels voor staatssteun te wijzigen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Mij is bekend dat de NZa bezig is met een aanpassing van de Beleidsregel steunverlening. Binnenkort valt daarover besluitvorming van de NZa te verwachten. Nog meer dan in het verleden wordt steunverlening een ultimum remedium.
Kunt u aangeven hoe het met de zorg gesteld is in de andere organisaties van de rechtsopvolgers van Meavita in Groningen en in Den Haag? Kunt u een specificatie op hoofdlijnen geven?
In Den Haag voert de IGZ ook onderzoek uit in de overige locaties van HWW Zorg. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuurtje dd. 23 november 2010 ook al heb aangegeven, is de inspectie over de andere locaties tevreden. Hier is voldoende aangetoond dat er gewerkt wordt aan veranderingen en dat er duidelijk verbeteringen zijn ontstaan.
In Groningen heeft Thuiszorg Groningen (TZG) de zorgverlening van de Meavita-dochter overgenomen. TZG staat los van HWW Zorg. Over TZG heb ik geen negatieve berichten ontvangen.
Kunt u een planning geven waarin u verwacht dat de zorg weer op niveau is voor de medewerkers en de mensen die de zorg ontvangen?
De IGZ zal mij op de hoogte stellen zodra het verscherpt toezicht bij HWW Zorg kan worden opgeheven. De verwachting van de IGZ is dat het verscherpt toezicht drie tot vier maanden duurt.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
Dat gaat helaas niet lukken, aangezien ik op uw verzoek de vragen wil bundelen met de kamervragen van mw. Dijkstra (D66) en vanwege het besluit uit de procedurevergadering van 24 november 2010, waarin verzocht is om een reactie op de noodzakelijkheid van een Plan-B.
Het bericht dat het verbod op zittenblijven op de havo voor doorstromers uit het vmbo funest is |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het verbod op zittenblijven doorstromers uit het vmbo nekt?12
Ik zou het een kwalijke zaak vinden dat VO-scholen verschillende standaarden hanteren voor leerlingen die in een en dezelfde klas zitten.
Vindt u het rechtvaardig dat vmbo’ers niet alleen aan extra eisen moeten voldoen om toegelaten te worden tot de havo, maar dat er voor hen ook nog aparte regels gelden als zij eenmaal zijn toegelaten?
Nee. Mijns inziens is het van belang dat al het schoolbeleid transparant is en voor alle leerlingen op een school gelijk. Dit geldt uiteraard ook voor de regels die een individuele school hanteert ten aanzien van doubleren.
Wat gaat u doen om deze ongelijkheid op te heffen?
De Onderwijsinspectie doet op mijn verzoek in de loop van 2011 onderzoek naar de transparantie van het toelatingsbeleid dat havo-scholen hanteren. Ik heb de Inspectie gevraagd in dit onderzoek tevens het doubleerbeleid van deze scholen mee te nemen. Ik verwacht de onderzoeksresultaten eind 2011.
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aangenomen motie-Van der Ham c.s. over transparante en eenduidige toelatingseisen voor de havo?3
Scholen zijn momenteel verplicht om over een toelatingsbeleid te beschikken. Helaas zijn deze toelatingseisen lang niet altijd openbaar, wat jaarlijks tot de nodige teleurstellingen leidt. Ik heb de VO-raad gevraagd om in overleg te treden met het onderwijsveld over de doorstroom van vmbo naar havo, en de toelatingseisen voor havo 4 in het bijzonder. Het overleg vindt op dit moment plaats.
Ik vind het van groot belang dat vo-scholen leerlingen en ouders tijdig informeren over de toelatingseisen, en dat deze eisen gelijk zijn voor alle leerlingen die zich bij de school aanmelden. Het kan niet zo zijn dat verschillende leerlingen verschillende eisen gelden, terwijl ze zich bij dezelfde school aanmelden.
Ik verwacht dat de inspanningen van de VO-raad tot het gewenste effect zullen leiden. Om te onderstrepen dat ik deze kwestie bijzonder serieus neem, heb ik de Inspectie van het Onderwijs gevraagd om in het tweede kwartaal van 2011 hiernaar onderzoek te doen en mij hierover te rapporteren. Mochten de uitkomsten van het onderzoek daar aanleiding toe geven, dan zal ik de wet- en regelgeving aanscherpen.
De uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage over de grensdetentie van een alleenstaande minderjarige asielzoeker |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 oktober 2010 over de grensdetentie van een zeventienjarige alleenstaande asielzoeker?1
Ja.
Bent u in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak? Zo nee, waarom niet?
Nee. Bij uitspraak van 13 oktober 2010, AWB 10/29208, heeft de meervoudige kamer van de rechtbank te 's-Gravenhage, zitting houdende te Amsterdam, na daartoe een schouw te hebben gehouden in het AC Schiphol, geoordeeld dat tenuitvoerlegging van de maatregel van artikel 6, lid 1 en 2 Vw ten aanzien van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) in strijd is met artikel 5, lid 1 aanhef onder f van het EVRM.
De rechtbank wijst er onder meer op dat niet een specifiek op de situatie van de vreemdeling toegespitste belangenafweging is gemaakt en niet is bezien of met een alternatief kon worden volstaan. Dit klemde naar het oordeel van de rechtbank temeer nu de vrijheidsontnemende maatregel alsook de toegangsweigering na de afwijzende asielbeschikking is opgeheven.
Ik heb met name in de overwegingen van de rechtbank inzake de belangenafweging en het bezien van alternatieven aanleiding gezien geen hoger beroep in te stellen.
Wat is het gevolg van deze uitspraak voor uw beleid ten aanzien van de grensdetentie van alleenstaande minderjarige asielzoekers (amv’s)?
Ik bezie thans hoe ik de procedure zodanig kan inrichten, dat zowel de belangen die in internationaal verband het grenstoezicht dienen als de belangen die ik in het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen voorsta op de best mogelijke wijze kunnen worden verenigd.
In dit verband wil ik wijzen op de brief van de minister van Justitie van 18 juni 2010 waarin werd aangegeven dat naar alternatieven voor vreemdelingenbewaring wordt gezocht.
Waarom bent u er, sinds de inwerkingtreding van de nieuwe asielprocedure op 1 juli 2010, toe overgegaan om amv’s ouder dan 15 jaar, die via Schiphol Nederland proberen binnen te reizen, in grensdetentie op Aanmeldcentrum (AC) Schiphol te plaatsen? Waarom hebt u niet gekozen voor het alternatief van beschermde opvang, zoals dat voor 1 juli 2010 gebruikelijk was? Is de praktijk van grensdetentie nog houdbaar nu de rechtbank onherroepelijk heeft geoordeeld dat de plaats en verblijfsomstandigheden, onder meer vanwege het penitentiaire karakter, niet voldoen voor het verblijf van een alleenstaande minderjarige asielzoeker?
De werkwijze die sinds 1 juli 2010 wordt gevoerd, is een vrijwel ongewijzigde voortzetting van de werkwijze zoals die vóór 1 juli 2010 werd gevoerd. Zowel in de oude als de nieuwe situatie is het beleidsmatig mogelijk om alleenstaande minderjarige vreemdelingen te verplichten zich gedurende de procedure in het aanmeldcentrum Schiphol op te houden op grond van een maatregel ex artikel 6, lid 1 en 2, Vw. Wanneer er na afloop van de procedure in het AC geen twijfel meer bestaat over de minderjarigheid, wordt de maatregel opgeheven en de amv in de opvang geplaatst.
Van belang is dat zowel uitspraken van Europese Hof voor de Rechten van de mens (EHRM) en Europese regels zoals de Terugkeerrichtlijn de verwijderingsdetentie (van minderjarigen) niet uitsluiten, dan wel onder voorwaarden toestaan. Dan moet dus worden geconcludeerd dat ook de mensenrechten detentie niet uitsluiten, mits terughoudendheid en zorgvuldigheid wordt betracht.
Aan de grens op Schiphol is sprake van een bijzondere situatie. De Schengen grenscode geeft mij de mogelijkheid daar asielzoekers vast te houden, terwijl aan de grens hun aanvraag wordt beoordeeld. Die bevoegdheid is niet uitgezonderd voor minderjarigen. Er zijn zowel uitspraken waarin door de rechtbank wordt geoordeeld dat alleenstaande minderjarigen op de locatie op Schiphol niet moeten worden vastgehouden, vanwege de omstandigheden die minder geschikt zijn voor kinderen, als uitspraken die oordelen dat dit wel is toegestaan2.
Mede naar aanleiding hiervan wordt thans bezien hoe ik de procedure aan de grens zodanig kan aanpassen, dat ik zowel de belangen die in internationaal verband het grenstoezicht dienen, als de belangen die ik in het beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdeling voorsta, op de best mogelijke wijze kan verenigen.
Daarbij denk ik aan een werkwijze waarbij van amv's aan wie de toegang is geweigerd op AC Schiphol nog voor de start van de algemene asielprocedure wordt beoordeeld of er twijfel bestaat aan de gestelde minderjarigheid en de noodzaak voor eventuele beschermde opvang. In de gevallen dat aan de minderjarigheid niet wordt getwijfeld, zal de asielprocedure op dezelfde wijze starten als voor amv's aan wie de toegang niet is geweigerd: namelijk in AC Den Bosch, na een rust- en voorbereidingstermijn van ten minste 6 dagen.
Wat is uw verklaring en kwalificatie van de uitspraak van de rechter, dat u al ruim vijf maanden een beleid voert dat minderjarigen in grensdetentie plaatst, dat in strijd is met artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens? Deelt u de mening dat onderzocht moet worden in hoeverre de amv’s die sinds 1 juli 2010 in grensdetentie hebben gezeten schadeloos gesteld kunnen worden? Kunt u dit toelichten?
De uitspraak heeft me verbaasd omdat, zoals ik in mijn antwoord op de vorige vraag al aangaf, de asielprocedure van alleenstaande minderjarigen ook vóór 1 juli 2010 al werd behandeld in het AC Schiphol en dit voorheen niet tot een negatief rechterlijk oordeel heeft geleid. Bovendien zijn de verblijfsomstandigheden in het aanmeldcentrum op Schiphol sinds 1 juli 2010 niet in nadelige zin veranderd, maar zijn deze juist in verband met de invoering van de algemene asielprocedure per 1 juli 2010 verbeterd.
Ik meen dan ook niet dat de uitspraak ertoe moet leiden dat er met terugwerkende kracht tot 1 juli 2010 grond voor een schadevergoeding is voor het verblijf in het aanmeldcentrum.
Daar komt bij dat amv's die in grensdetentie hebben gezeten en van wie de asielaanvraag in het AC Schiphol is behandeld, dit aan de orde hebben kunnen stellen in een beroep tegen de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel en langs die weg om schadevergoeding konden vragen.
Deelt u de mening dat alleenstaande minderjarige asielzoekers aan wier leeftijd niet getwijfeld wordt, bij binnenkomst in Nederland niet in een gevangenis geplaatst horen te worden? Bent u bereid uw praktijk ten aanzien van deze grensdetentie onmiddellijk te beëindigen en een alternatief te gebruiken? Bent u bereid daarbij een onderscheid te maken tussen «gewone amv’s», die bijvoorbeeld naar de opvang in Den Bosch kunnen, en amv’s die een risico lopen op ontvoering of slachtoffer zijn van mensenhandel, en die in de beschermde opvang moeten worden geplaatst? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Ik ben van mening dat detentie van alleenstaande minderjarige vreemdelingen in beginsel alleen na een gedegen afweging van belangen toegepast moet worden en zoveel mogelijk moet worden uitgevoerd in een daarvoor geschikte inrichting. In het antwoord op vraag 4 heb ik aangegeven in welke gevallen daartoe kan worden overgegaan.
Zullen als gevolg van de uitspraak van de rechtbank de faciliteiten en het regime van de nieuwbouwlocatie voor grensdetentie op Schiphol Oost worden aangepast?
De groeiende afstand tussen schoolbesturen en de werkvloer in het onderwijs |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de signalen dat de verplichte bovenschoolse afdracht, per bestuur sterk verschilt en in sommige gevallen oploopt tot wel 30% van de bekostiging die zij ontvangen van het ministerie?
Schoolbesturen in het primair- en voortgezet onderwijs ontvangen voor hun scholen van het ministerie van OCW jaarlijks één bedrag voor materiële en personele kosten. De hoogte van het budget dat schoolbesturen ontvangen hangt onder andere af van het aantal scholen en het aantal leerlingen. Het is de verantwoordelijkheid van het bestuur om deze middelen aan te wenden ten dienste van het onderwijs. De invoering van lumpsumbekostiging biedt schoolbesturen de mogelijkheid op basis van eigen keuzes de middelen in te zetten voor de verbetering van de onderwijskwaliteit. Men kan daarmee de financiële en onderwijsinhoudelijke prioriteiten zelf bepalen.
Het is aan het bestuur om te bepalen in welke mate taken centraal of decentraal worden uitgevoerd. Een meer centrale aanpak kan bijdragen aan ontlasting van schoolleiders en leraren op schoolniveau. De kosten die gepaard gaan met een dergelijke bovenschoolse organisatie zullen veelal samenhangen met de keuzes van het schoolbestuur. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om middelen voor de bovenschoolse bestuurlijke organisatie, na(scholing), gemeenschappelijk inkoopbeleid, personeelsbeleid e.d.
Schoolbesturen verantwoorden zich jaarlijks in het jaarverslag over het door hen gevoerde financieel beleid. Er zijn het ministerie geen signalen bekend van afdrachtpercentages van 30% van de bekostiging. Ik beoordeel dan ook niet het percentage bovenschoolse afdracht maar, via het reguliere toezicht van de Inspectie van het Onderwijs, de kwaliteit van het onderwijs en de rechtmatigheid van de besteding van de bekostiging. Verder ligt er ook een verantwoordelijkheid bij de medezeggenschap en de interne toezichthouder. In geval van hoge bovenschoolse kosten zijn zij in positie om kritische vragen te stellen. In de beantwoording van de volgende vragen ga ik daar verder op in.
Ik verwacht van scholenbesturen dat zij zeer kritisch omgaan met dit vraagstuk en dat bestuurders zich in hun afwegingen laten leiden door bescheidenheid en aanspreekbaarheid.
Deelt u de mening dat zulke hoge afdrachtpercentages buitenproportioneel zijn en dat deze de kwaliteit van het primaire proces in het onderwijs ondermijnen?
Zie mijn antwoord op vraag 1. Overigens ben ik van mening dat hierin een grote rol is weggelegd voor de medezeggenschapsraad die de kosten van bovenschools management ter sprake kan brengen en transparantie kan eisen. Gezien het belang van goede verantwoording over het gevoerde financiële beleid door schoolbesturen zal ik in de evaluatie van de Wet medezeggenschap op scholen aandacht besteden aan de wijze waarop de medezeggenschap haar verantwoordelijkheid oppakt. De evaluatie is voorzien in 2012. Verder ligt er ook een taak voor de Raad van Toezicht of overige toezichthouders om hier kritisch op toe te zien. Beide organen zijn instrumenten voor checks en balances in het belang van het primaire onderwijsproces.
Bestaat er een overzicht waaruit blijkt welke schoolbesturen, welke percentages hanteren voor de verplichte bovenschoolse afdracht? Zo ja, kunnen wij dat overzicht toegestuurd krijgen? Als er geen overzicht bestaat, bent u dan bereid om de Kamer op redelijke termijn dit overzicht te verschaffen?
Het primair en voortgezet onderwijs kennen geen voorschriften voor besturen om te (laten) registreren welk deel van de bekostiging wordt aangewend voor bovenschoolse activiteiten. Zonder het opleggen van extra administratieve lasten kan ik niet over het gevraagde overzicht beschikken. Daarnaast lopen er twee zaken door elkaar: verplichte afdracht wil niet zeggen dat er veel overhead is. Alleen dat een deel van de bekostiging via het bestuur loopt.
Uit het onderzoek «Overhead of onderwijs», uitgevoerd door Ecorys en IPSE studies te Delft in opdracht van de VO-raad (oktober 2007) is namelijk gebleken dat in het voortgezet onderwijs van elke 100 euro, 7 euro wordt besteed aan management en 10 euro aan ondersteuning. De rest gaat direct naar het primaire onderwijsproces. Uit recent onderzoek door Bureau Berenschot blijkt dat in het primair onderwijs voor de totale formatie die bovenschools wordt ingezet het gemiddeld percentage maar 2,7 procent is.
Tegen deze achtergrond zie ik geen noodzaak om schoolbesturen extra te belasten met een dergelijke bevraging. Neemt niet weg dat wat betreft de omvang van het bovenschoolse management en de daaraan gekoppelde middelen er altijd verschillen tussen diverse schoolbesturen zullen bestaan. Dit vanwege de samenhang met de specifieke inrichting van de organisatie.
Hoe beoordeelt u het als schoolbesturen fulltime juristen in dienst hebben?
Schoolbesturen maken zelf de afweging op welke wijze de formatie van het onderwijs ondersteunend personeel wordt ingevuld.
Hoe beoordeelt u de juridisering van de verhouding tussen scholen en ouders? Zullen aanstellingen van fulltime juristen slechts zijn bedoeld om zich in te dekken tegen (lastige) ouders? Deelt u de mening dat rechtstreeks contact tussen ouders en het schoolbestuur de voorkeur verdient boven afhandeling van klachten door juristen?
Ik deel uw mening dat het zeker de voorkeur verdient dat schoolbesturen en bijvoorbeeld ouders het gesprek met elkaar aangaan en er gezamenlijk in goede harmonie uit komen. Of en in welke mate de verhouding tussen scholen en ouders juridiseert is mij niet bekend.
Scholen kunnen juridisch gekwalificeerde mensen inzetten. De juristen worden niet alleen ingezet bij zaken met betrekking tot ouders, maar ook personeelszaken en andere maatschappelijke domeinen doen meer en meer een beroep op de juridische expertise binnen scholen. Maar ook de ouders gaan hierin mee en roepen steeds vaker juridische ondersteuning in gezien het belang dat zij in de materie stellen.
Deelt u de mening dat er andere en betere manieren zijn om rechtsbijstand te borgen, bijvoorbeeld door een rechtsbijstandsverzekering te nemen of lid te worden van de vakbond of een werkgeversvereniging? Kunt u uw antwoord motiveren?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Hoe beoordeelt u de signalen dat grote schoolbesturen zich lijken af te schermen van de schoolleiders doordat zij signalen, vragen en wensen vanuit de werkvloer, laten uitfilteren door clustermanagers? Bent u niet bang dat op deze manier de kloof tussen het schoolbestuur en de werkvloer groter wordt?
Het is aan besturen om te zorgen dat zij voldoende weten wat er op de werkvloer speelt. Een Code Goed Bestuur is voor scholen verplicht, waarin horizontale verantwoording en communicatie met interne en externe partijen belangrijke onderdelen zijn. In het voortgezet onderwijs heeft een grote meerderheid van de besturen de code van de VO-raad reeds op alle onderdelen ingevoerd. Voor het primair onderwijs heeft de PO-Raad een Code Goed Bestuur ontwikkeld die momenteel door haar leden wordt geïmplementeerd.
Daarnaast speelt ook de medezeggenschap een belangrijke rol. Er ligt voor een deel een taak bij de (G)MR om de kloof tussen schoolbesturen en de werkvloer op de scholen te beslechten. Daar hebben zij voldoende ruimte en bevoegdheden voor.
Deelt u de mening dat Kamerleden individuele casuïstiek, inclusief hoor- en wederhoor, soms nodig hebben om een meer algemeen punt politiek te agenderen en bent u voorts van mening dat scholen en schoolbesturen daaraan medewerking zouden moeten verlenen, ook als het om privacygevoelige onderwerpen gaat?
Dat Kamerleden hun oor te luister leggen in de sector om te weten wat er speelt lijkt me prima. In de onderwijswetten is bepaald dat besturen van scholen aan de minister van OCW informatie verstrekken ten behoeve van het vaststellen van de bekostiging dan wel het te voeren beleid. Daarnaast legt elk bestuur verantwoording af door middel van het jaarverslag. Behoudens wettelijke verantwoordingsverplichtingen is het aan schoolbesturen om eigenstandig een afweging te maken of medewerking wordt verleend aan nadere (privacygevoelige) informatieverstrekking. Tenzij medewerking wordt gevraagd in het kader van de Wet op de parlementaire enquête 2008, dan vervalt het recht voor besturen om zich te onthouden van dergelijke informatieverstrekking. Nadere aanpassing van regelgeving op dit punt is wat mij betreft niet noodzakelijk.
Hoe beoordeelt u de ongeschreven regels en/of de gedragscode die sommige besturen hanteren dat directies/ leerkrachten niet mogen overleggen met volksvertegenwoordigers?
Dergelijke signalen zijn mij niet bekend.
Deelt u de ongerustheid over de manier waarop schoolbesturen bijna drie jaar na het verschijnen van het rapport van de commissie-Dijsselbloem, dat een wantrouwen tussen de managers en leraren signaleerde, nog altijd niet een gepaste bescheidenheid weten op te brengen? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan? Zo nee, waarom niet?
Het is de taak van de interne toezichthouder, in het schoolbestuur of in de Raad van Toezicht, erop toe te zien dat de WMS op school- en bestuursniveau naar behoren wordt uitgevoerd. Voor 1 augustus 2011 hebben alle besturen een functiescheiding in het kader van het interne toezicht tot stand gebracht. Ook de verplichting van het hebben van Code Goed Bestuur voor het primair en voortgezet onderwijs biedt hiervoor aanknopingspunten, bijvoorbeeld als het gaat om de bestuurscultuur en integer handelen.
Als sprake is van onbehoorlijk handelen van de leden van medezeggenschapsraden, schooldirecteuren of -bestuurders kunnen betrokkenen een klacht indienen bij de klachtencommissie van de school. Tevens kan de Inspectie van het Onderwijs naar aanleiding van signalen nader onderzoek starten.
De gevolgen van het softdrugsbeleid voor steden |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Amsterdam wil geen pasjessysteem coffeeshops»1, en op het onderzoek van de Universiteit van Tilburg naar het zogenoemde «pasjessysteem»? 2 Deelt u de mening van de burgemeester van Amsterdam dat de omstandigheden in Amsterdam anders zijn dan die in grensplaatsen? Ziet u ook dat ook in andere grote steden en gemeenten de situatie anders is dan in genoemde grensgemeenten? Erkent u dat de overlast van softdrugsgrenstoeristen in gedrag, overlast en problematiek danig verschillen? Zo nee, zijn er gegevens waaruit dat zou blijken? 3 Bent u bereid de voorgenomen maatregelen allereerst te bespreken in de grensregio's en rond de verdere opschaling in overleg te treden met de gemeenten? Bent u bereid maatwerk toe te staan naar gelang de problematiek vraagt en daarbij lokale ervaring en wensen serieus te nemen? 4 Bent u bereid een brief aan de Kamer te doen toekomen met een reactie op de verschillende onderdelen van het onderzoek van de Universiteit van Tilburg naar het pasjessysteem, waaruit zou blijken dat de pas illegale straathandel bevordert en averechts werkt, ten gevolge waarvan gemeente Maastricht minder enthousiast is het systeem in te voeren?
Wij hebben kennisgenomen van zowel het bericht als het rapport. In de drugsbrief waarnaar uw Kamer op 11 november jongstleden om gevraagd heeft, komen we terug op onderdelen van dat onderzoek.
Het DNA-verdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten (VS) |
|
Ard van der Steur (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opstelten sluit dna-verdrag met VS»?1
Ja.
Klopt het dat Nederland en de Verenigde Staten toegang krijgen tot elkaars databanken met gegevens over dna-profielen en vingerafdrukken? Zo ja, is er sprake van volledige wederkerigheid?
Ja, in individuele gevallen wordt via daartoe geautoriseerde medewerkers van nationale contactpunten toegang mogelijk gemaakt tot elkaars databanken met referentiegegevens over vingerafdrukken en DNA-profielen. Ik verwijs naar de brieven van 14 juni en 13 augustus 2010 die mijn ambtvoorganger, mede in zijn hoedanigheid van Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken, aan uw Kamer heeft gestuurd (TK, 2009–2010, 32 123 VI, nrs. 109 en 124). Wat betreft de wederkerigheid verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 3 van het lid Schouw van uw Kamer (2010Z17699, ingezonden 25 november 2010).
Klopt het dat u van mening bent dat ernstige misdrijven hierdoor sneller kunnen worden opgelost? Zo ja, waar baseert u dit op? Zijn er concrete zaken in het verleden die hier aanleiding toe geven? En wat verstaat u precies onder een ernstig misdrijf?
Ja. De Verenigde Staten van Amerika (VS) en Nederland sturen elkaar op dit moment al verzoeken om matching van DNA-profielen en vingerafdrukken bij misdrijven. Het matchen gebeurt nu handmatig en de afhandeling duurt vaak lang. Door de afspraken uit het verdrag zal het matchen en het afhandelen sneller verlopen en kunnen verdachten van ernstige misdrijven sneller opgespoord worden. Er zijn geen specifieke zaken die aanleiding hebben gegeven tot het sluiten van dit verdrag. Ik verwijs naar bovengenoemde brief aan uw Kamer van 13 augustus 2010 voor een omschrijving van de strafbare feiten waarop het verdrag van toepassing is.
Kunt u precies aangeven welke waarborgen en protocollen in het verdrag zijn opgenomen als het gaat om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer? Zo nee, waarom niet?
De referentiegegevens over vingerafdrukken en DNA-profielen in de databanken zijn niet herleidbaar tot de identiteit van de betrokken personen. Als het uitwisselen van referentiegegevens een match oplevert, is het verstrekken van de gerelateerde persoonsgegevens pas aan de orde als daartoe een rechtshulpverzoek is ontvangen. Ik verwijs verder naar de in het antwoord op vraag 2 genoemde brieven, mijn antwoord op vraag 8 van het lid Schouw van uw Kamer (2010Z17699, ingezonden 25 november 2010) en de tekst van het verdrag (Tractatenblad 2010, 321).
Weet u dat de Amerikaanse wetgeving voorschrijft dat de Amerikaanse regering met landen die deelnemen aan het Visa Waiver Program of daarvoor in aanmerking willen komen, maatregelen overeenkomt om de uitwisseling van informatie met betrekking tot de veiligheid en de rechtshandhaving te versterken? Gaat het hier om een dergelijke maatregel? Zo nee, waarom is er dan tot dit verdrag besloten?
Ja, ik verwijs naar de eerdergenoemde twee brieven aan uw Kamer.
Sluiten andere lidstaten van de Europese Unie vergelijkbare verdragen met de Verenigde Staten? Zo ja, welke lidstaten?
Volgens de Amerikaanse overheid zijn er op dit moment 15 andere EU-lidstaten die met het Prevention and Combatting of Serious Crime (PCSC) verdrag vergelijkbare overeenkomsten met de VS hebben ondertekend. Het gaat om Oostenrijk, Tsjechië, Slowakije, Estland, Finland, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Hongarije, Italië, Letland, Litouwen, Malta, Portugal, en Spanje.
Is er sprake van afstemming tussen de lidstaten van de Europese Unie in dezen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik verwijs naar het antwoord op vragen 3 en 4 van het lid Hennis-Plasschaert en het toenmalige lid Teeven van uw Kamer (2010Z14346, ingezonden 7 oktober 2010). Bij de totstandkoming van het verdrag tussen Nederland en de VS is uiteraard wel sprake geweest van informele contacten met andere EU-lidstaten.
Wapenexport |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Rhetoric or restraint: Trade in military equipment under the EU transfer control system»?1
Ja.
Is het waar dat Nederland sinds vorig jaar geen nieuwe vergunningen voor wapenexport naar Venezuela verleent?
Ja. Tijdens het Algemeen Overleg Wapenexportbeleid op 6 oktober 2009 heeft de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer gemeld dat hij van mening was dat nieuwe vergunningaanvragen voor Venezuela niet konden worden goedgekeurd. Daarbij heeft hij benadrukt dat de overheid niettemin als betrouwbare overheid wilde opereren en dat verlengingen van reeds bestaande vergunningen derhalve zouden worden gehonoreerd, mits een zorgvuldige toetsing aan de hand van de acht criteria van de EU dit toeliet. Dit beleid is nog steeds van toepassing.
De basis voor dit besluit ligt inderdaad met name bij criterium 4 (regionale stabiliteit). De regering is bezorgd omtrent een aantal ontwikkelingen (o.a. de uitbreiding van de capaciteit van de Venezolaanse krijgsmachtsonderdelen) die dienen te worden meegewogen in besluitvorming omtrent wapenexportaanvragen voor Venezuela.
Klopt het dat criterium 4 van het Europese Unie Gemeenschappelijk Standpunt inzake de controle op uitvoer van militaire goederen en technologie hiervan de basis is? Is het waar dat van dit risico al in 2008 sprake was?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom zijn bestaande vergunningen voor wapenexport naar Venezuela toch verlengd?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de rapportages wapenexport naar Venezuela ten onrechte Spanje als eindbestemming kregen?2
Nee. In de maandrapportages militaire goederen 2007 en 2008 staat Spanje weliswaar als land van bestemming vermeld, maar staat Venezuela uitdrukkelijk als land van eindbestemming vermeld. De in die maandoverzichten opgenomen gegevens, inclusief de waarden, zijn dus correct. Ook de rapportage in het jaarrapport 2006, toen de oorspronkelijke vergunning werd afgegeven, is correct in de zin dat de toenmalige waarde van iets meer dan € 190 miljoen opgenomen is in de waarde die bij Venezuela (het land van eindbestemming) wordt vermeld.
De verwerking van een verhoging van de waarde van de vergunning in het jaarrapport 2007 is echter onjuist vermeld. De toetsing van de uitbreiding van de waarde van vergunning, vanwege de opname van aanvullende navigatie- en communicatie-apparatuur, is gebaseerd op een transactie met eindbestemming Venezuela. Dat is correct. Maar de extra waarde van ongeveer € 65 miljoen is in het jaarrapport abusievelijk achter Spanje geboekt. Deze fout is hersteld. De gegevens, inclusief het gegeven dat het verlengingen van de looptijd van een eerder afgegeven vergunning op Spanje met de eindbestemming Venezuela betrof, zijn correct opgenomen in de maandoverzichten op www.rijksoverheid.nl/exportcontrole.
Is het waar dat de vergunningswaarde van deze export bij de verlenging in 2007 is verhoogd met 65 miljoen euro en vervolgens in 2008 voor hetzelfde nieuwe bedrag van 255 miljoen euro is verlengd?2
Zie antwoord vraag 5.
Is het waar dat de toenmalige minister van Defensie in 2006 met betrekking tot Venezuela zijn zorgen had geuit over de regionale stabiliteit terwijl de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken daar anders over dacht?3
Ten tijde van de oorspronkelijke vergunningaanvraag in 2006 deelde de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken de zorgen van de toenmalige minister van Defensie. Het wapenexportbeleid inzake Venezuela was dan ook dat uitvoer werd toegestaan met uitzondering van de levering van grote, offensieve en geavanceerde wapensystemen die een verstorende werking zouden kunnen hebben op de regionale stabiliteit en daarmee op de veiligheid van de Nederlandse Antillen en Aruba. Gezien de defensieve aard van de radarsystemen waarvoor de bovengenoemde vergunning werd aangevraagd, is beoordeeld dat deze goederen de regionale stabiliteit niet zouden verstoren. Dit besluit stond los van de militaire oefening die in 2006 in het Caribische gebied plaatsvond en waarbij de Venezolaanse marine overigens betrokken was.
Waarom is toch tot vergunningverlening aan Venezuela overgegaan ondanks dat een paar maanden daarvoor in het Caribische gebied onder Nederlandse leiding een grootschalige militaire oefening plaatsvond?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat Nederland geen ad hoc vergunningsplicht heeft opgelegd aan doorvoer van strategische goederen van Tsjechië via Nederland naar Sri Lanka? Waarom is dit niet gedaan?
Dat klopt. Artikel 6, tweede lid, van het Besluit strategische goederen bepaalt dat de vergunningplicht niet van toepassing is op de doorvoer door Nederland van militaire goederen die afkomstig zijn uit, of als eindbestemming hebben, Australië, Japan, Nieuw-Zeeland, Zwitserland of een van de lidstaten van de Europese Unie of de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie. Het uitgangspunt hierbij is dat genoemde landen bondgenoten zijn die een volwaardig exportcontrole instrumentarium hebben en aangesloten zijn bij de multilaterale regimes waar «best practices» over exportcontrole worden opgesteld.
Tsjechië is een EU-lidstaat en past, net als Nederland, bij de toetsing van aanvragen voor uitvoervergunningen de in Europees verband overeengekomen criteria toe van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB. Zendingen die in genoemde landen van herkomst een dergelijke toetsing hebben doorstaan, vallen bij doorvoer dus niet onder de vergunningplicht. Er geldt echter een meldplicht.
Verder bepaalt artikel 6, derde lid, van het Besluit strategische goederen dat de minister kan besluiten dat voor doorvoer door Nederland van militaire goederen in situaties als bedoeld in het tweede lid alsnog een vergunning vereist is. Deze bepaling is niet bedoeld om de toetsing door genoemde bondgenoten over te doen en eventueel te corrigeren, maar bijvoorbeeld om een toetsing te doen indien niet kan worden aangetoond dat in het land van herkomst een uitvoervergunning is afgegeven of indien blijkt dat de goederen bij doorvoer bijvoorbeeld worden ingeladen in een schip met een andere bestemming dan die aangegeven is op de (buitenlandse) uitvoervergunning. Geen van beide omstandigheden deed zich hier voor.
Hoe beoordeelt u criterium 2, 3 en 4 als het gaat om wapenexport naar Sri Lanka? Heeft u op enigerlei wijze uw zorgen geuit aan Tsjechië hierover? Zo ja, op welke wijze?
Nederland voert een zeer terughoudend wapenexportbeleid ten opzichte van Sri Lanka. Hierbij wordt nauwkeurig gekeken naar de mensenrechtensituatie (criterium 2), de interne politieke situatie (criterium 3) en de regionale stabiliteit (criterium 4). Daarbij geldt dat de interne politieke situatie gestabiliseerd is sinds het eind van de burgeroorlog in mei 2009 en de herverkiezing van president Rajapaksa in januari jl.. De mensenrechten in Sri Lanka worden echter regelmatig geschonden. Omdat iedere aanvraag op zichzelf wordt beoordeeld op basis van de aard van de goederen, wie de eindgebruiker en wat het eindgebruik is, wordt bij iedere aanvraag nagegaan of de goederen kunnen worden ingezet voor mensenrechtenschendingen of zullen bijdragen aan de verslechtering van de interne situatie. Indien dit het geval is, dan wordt er geen vergunning afgegeven. In de laatste vijf jaar is één vergunning voor de uitvoer van militaire goederen naar Sri Lanka afgegeven. Zoals in een Lijst van vragen en antwoorden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 22 054, nr. 143) is toegelicht, betrof die vergunning uit 2007 een zending pontons voor een civiel project van een Japanse ontwikkelingsorganisatie.
De nieuwe huisvesting van de provincie Utrecht |
|
Hans Spekman (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Provincie Utrecht huist riant, terwijl ambtenaren moeten vertrekken»?1
Ja.
Kloppen de feiten over het aantal provinciehuizen en de verbouwingskosten, zoals gepresenteerd in het artikel? Zo nee, wat klopt er niet?
Kosten van de bouw, verbouwing en beheer van de provinciehuizen zijn als gevolg van de provinciale autonomie de verantwoordelijkheid van de provincie Utrecht. Deze provincie verwijst hiervoor naar een overzicht in de begroting. Deze begroting is 25 oktober 2011 vastgesteld door de Provinciale Staten van Utrecht.
Welke financiële risico’s loopt de provincie Utrecht met het hebben van momenteel maar liefst drie provinciehuizen? Vindt u deze risico’s verantwoord? Zo niet, wat doet u er aan in het licht van uw toezicht op de provincies?
De provincie Utrecht is als autonome bestuurslaag zélf verantwoordelijk voor de financiële risico’s die de provincie wil lopen bij de huisvestingskosten. Deze risico’s en de wijze waarop deze worden opgevangen dienen inzichtelijk te worden gemaakt in de begroting en te worden vermeld in de paragraaf weerstandsvermogen. Het toezicht op de provincies is gericht op de financiële positie van de provincies, zoals tot uitdrukking komt in structureel evenwicht op de begroting en/of meerjarenraming. Het toezicht is niet gericht op het te voeren beleid van de provincie betreffende huisvesting of andere beleidsmatige beslissingen met financiële consequentie. Er zijn vooralsnog geen redenen om aan te nemen dat het evenwicht op de begroting van de provincie Utrecht verstoord dreigt te worden.
Deelt u de mening dat provinciale besturen, in het licht van de voorgenomen bezuinigingen op onder andere de provinciale overheid, uiterst terughoudend moeten zijn met investeringen in de huisvesting van provinciale ambtenaren? Zo ja, bent u bereid dit bij de provinciale besturen onder de aandacht brengen? Zo nee, waarom niet?
Nee, het besluit tot investeringen in de huisvesting is een autonome aangelegenheid van de provincie Utrecht.
Bent u, analoog aan de wet Algemene regels herindeling (Arhi), voornemens de randstadprovincies onder verscherpt financieel toezicht te plaatsen gelet op het kabinetsvoornemen om deze provincies op te schalen? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Op het moment dat het kabinetsvoornemen ten aanzien van de provinciale opschaling in de Randstad concreet gestalte krijgt, zal worden bezien of het nodig is om, analoog aan de Wet algemene regels herindeling, bepaalde voorzieningen te treffen.
Stelen via het internet door middel van internetincasso |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van de Consumentenbond, waaruit blijkt dat het kinderlijk eenvoudig is om op het internet iets te kopen en iemand anders door een internetincasso voor de kosten op te laten draaien?1
Strikt genomen bestaan er geen automatische incasso’s op het internet. Er zijn wel websites waarbij identificatie bij het verlenen van een online incasso-opdracht slechts door het aanvinken van een vakje geschiedt. Uit navraag bij Currence2 en de Nederlandse Vereniging van Banken blijkt het inderdaad voor te komen dat een rekening van een ander wordt gebruikt om te betalen door personen die zich bij het verlenen van een online incasso-opdracht voor een ander uitgeven. Currence geeft aan dat het om 80 tot 100 gevallen per jaar gaat, op een totaal aantal transacties van 1,3 miljard per jaar. Volgens Currence gaat het daarbij louter om kleine schadegevallen en is er voor zover bekend nooit sprake van betrokkenheid van criminele netwerken.
Overigens hebben de Nederlandse banken zichzelf en hun klanten tegenover Currence contractueel verplicht om alleen incasso-opdrachten te verwerken waar schriftelijk toestemming voor is verleend. In hun incassocontract met winkels stellen banken dit ook als voorwaarde. Indien toch sprake blijkt te zijn van een onrechtmatige incasso-opdracht heeft de benadeelde consument recht op teruggave van geld. Currence biedt benadeelde rekeninghouders daarom desgewenst hulp met algemene informatie en/of gerichte ondersteuning (zie www.currence.nl). Wij waarderen in dit verband ook de inspanningen van de Consumentenbond om haar leden goed te informeren en onderschrijven de waarde van de tips die de Consumentenbond in de Geldgids geeft.
Op welke schaal komt dit voor?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze kunnen mensen die zich hieraan schuldig maken worden opgespoord en bestraft?
Om te beginnen dient een consument bij zijn of haar bank te melden dat er onrechtmatig geld van zijn of haar rekening is afgeschreven. Als na controle blijkt dat daar inderdaad sprake van is, kunnen benadeelden aangifte van oplichting doen. Conform de Aanwijzing voor de opsporing wordt vervolgens gekeken naar de ernst van het strafbare feit en de aanwezigheid van opsporingsindicaties. Afhankelijk daarvan en van de beschikbare capaciteit wordt al dan niet een opsporingsonderzoek gestart. In het kader van het opsporingsonderzoek kan gebruik worden gemaakt van de opsporingsmiddelen en -bevoegdheden die politie en justitie ten dienste staan. Na afronding van het opsporingsonderzoek beslist het Openbaar Ministerie of het overgaat tot dagvaarden, transigeren of seponeren.
Deelt u de mening dat het niet aanvaardbaar is dat slachtoffers die opdraaien voor de rekening van een ander zoveel moeite moeten doen om hun geld terug te krijgen? Bent u bereid dit voor slachtoffers makkelijker te maken? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Voor zover mij bekend dient een consument alleen bij de eigen bank te melden dat onrechtmatig geld van zijn of haar rekening is afgeschreven. Als die melding klopt, krijgt men altijd automatisch het geld terug van de bank. Ik zie dan ook geen mogelijkheid en noodzaak om dit procédé voor consumenten verder te vergemakkelijken.
Vindt u de automatische incasso op het internet een veilige betaalmethode? Deelt u de mening dat er veel veiliger alternatieven voorhanden zijn, zoals bijvoorbeeld iDeal en dat de automatische incasso op het internet niet nodig is?
Wij delen de mening dat er veiliger alternatieven voorhanden zijn dan een «automatische internetincasso». Uiteraard moeten de identiteitscontroles en de betaalmethoden die door de webwinkels worden aangeboden betrouwbaar zijn. Het is echter praktisch gezien niet goed mogelijk om de «automatische incasso» geheel van het internet te verbannen. Het is de verantwoordelijkheid van de marktpartijen om te bepalen welke methodes betrouwbaar zijn en welke technologie het meest geëigend is om fraude tegen te gaan. Ten slotte achten wij het, gezien het grensoverschrijdend karakter van het internet voor webwinkels, relevant om aan te sluiten bij Europese initiatieven. Zo zal in 2012 of 2013 een Europees incassosysteem worden ingevoerd. Bij een eerste incasso-opdracht ontvangen mensen voortaan eerst een waarschuwing dat binnen een bepaalde termijn door een bedrijf geld van hun rekening wordt afgeschreven. Daardoor kunnen zij zelf invloed uitoefenen op de bedragen die van hun rekening afgeboekt worden. Ook is de compensatie van benadeelde consumenten goed geregeld. Wij zien dan ook geen aanleiding om de keuze van marktpartijen hierin verder te sturen.
Welke mogelijkheden ziet u om de automatische incasso op het internet onmogelijk te maken? Bent u hier ook toe bereid? Zo nee, welke maatregelen gaat u dan nemen om deze betaalmethode betrouwbaarder te maken? Bent u bereid er tenminste voor te zorgen dat betalingen per email of sms moeten worden bevestigd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De integrale bekostiging van zorg aan chronisch zieken |
|
Eeke van der Veen (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht in de zaak die zorggroep Meditta had aangespannen tegen zorgverzekeraar Achmea?1
Ja.
Welk effect verwacht u dat dit vonnis heeft op de voortgang van ketenzorg?
Ketenzorg, oftewel integrale zorg voor chronisch zieken vind ik – net als mijn voorganger – van groot belang. Naar mijn mening doet dit vonnis niets af aan het huidige beleid en ik verwacht ook niet dat het een structureel negatief effect op de ontwikkeling van ketenzorg zal hebben. Ik hoop dat het vonnis de nodige duidelijkheid geeft op basis waarvan zorgaanbieders en verzekeraars in de nabije toekomst tot overeenstemming kunnen komen over de bekostiging van integrale zorg.
Handelt Achmea volgens u in lijn met de bedoeling van de overgangsregeling?
De overgangs-regeling is opgesteld met als doel partijen ervaring op te laten doen met de nieuwe wijze van bekostigen. Het vonnis is er duidelijk over dat Achmea niet in strijd handelt met de overgangsregeling. Het verwijst onder meer naar de bepaling in de beleidsregel «Prestatiebekostiging multidisciplinaire zorgverlening chronisch zieken». Deze bepaling sluit de bekostiging van afzonderlijke prestaties in plaats van integrale bekostiging niet uit. Als partijen in de onderhandelingen niet tot afspraken over integrale bekostiging kunnen komen blijft het alternatief van bekostiging via de afzonderlijke deelprestaties beschikbaar, al dan niet gecombineerd met een zogenaamd koptarief.
Wat is uw visie op ketenzorg en integrale bekostiging? Wat zijn volgens u de effecten van het invoeren van integrale zorgprogramma’s op de kwaliteit van de zorg voor chronisch zieken? Wanneer kan de Kamer informatie over de vervolgstappen die u ziet voor het verbeteren van de ketenzorg tegemoet zien?
Ik ben van mening dat de programmatische aanpak van chronische ziekten van grote waarde is, omdat het de patiënt centraal stelt en gebaseerd is op zorgstandaarden die de norm voor goede zorg beschrijven. Integrale zorgprogramma’s zullen naar verwachting resulteren in een betere zorg en daarnaast in een verschuiving van zorg vanuit de tweedelijn naar de eerstelijn.
Om de totstandkoming van dergelijke zorgprogramma’s te bevorderen is per 2010 integrale bekostiging mogelijk voor drie chronische aandoeningen: diabetes, vasculair risicomanagement en COPD.
Ketenzorg en de integrale bekostiging ervan moeten gezien worden als een groeimodel, waarmee verdere ervaring moet worden opgedaan. Integrale bekostiging is hierbij geen doel op zich, maar een middel om te komen tot meer en betere integrale zorg voor chronisch zieken. De evaluatiecommissie Integrale bekostiging doet nu onderzoek naar de effecten van integrale bekostiging voor chronisch zieken. Een eerste tussenrapportage hiervan verwacht ik begin volgend jaar.
Bent u op de hoogte van berichten dat zorggroepen overwegen te stoppen met nieuwe zorgprogramma’s vanwege de onzekerheid over de financiering van ketenprogramma’s? Zo ja, wat vindt u daarvan?
Ik zou het betreuren als zorggroepen op basis van het vonnis in de zaak Meditta/Achmea zouden besluiten te stoppen met nieuwe zorgprogramma’s. Ik vind het namelijk te vroeg om over onzekerheid van de financiering te spreken. Mij hebben namelijk ook signalen bereikt over zorggroepen en verzekeraars die wél tot een overeenkomst over integrale bekostiging dan wel bekostiging via afzonderlijke deelprestaties komen.
Wat vindt u van de uitspraak dat de zorggroep patiënten niet mag informeren over het feit dat Achmea geen integraal tarief voor integrale zorg vergoedt, maar alleen losse verrichtingen?
De uitspraak van de rechter is voor mij een gegeven, daar wil en kan ik geen oordeel over geven. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat patiënten recht hebben op goede zorg én de beschikking moeten hebben over de juiste informatie zodat zij desgewenst keuzes kunnen maken.
Welke mogelijkheden ziet u voor de zorgaanbieder of de zorggroep als per 2011 de betaaltitel is verdwenen, maar de zorg niet gestopt mag worden omdat een financiële administratieve reden niet als gewichtige reden wordt gezien, en de patiënt ook niet geïnformeerd mag worden?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is opgemerkt is de bekostiging van afzonderlijke prestaties, al dan niet gecombineerd met een koptarief, een alternatief in gevallen waarin partijen niet tot overeenstemming komen over het integrale tarief. Het is aan zorgaanbieders en zorgverzekeraars om hier op een goede manier mee om te gaan.
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de ontwikkeling van zorgstandaarden?
Zorgstandaarden zijn de norm van en voor veldpartijen. Het initiatief voor de ontwikkeling ervan ligt bij veldpartijen: patiëntenvertegenwoordigers en zorgaanbieders ontwikkelen de zorgstandaard en stellen deze gezamenlijk vast.
VWS is niet direct betrokken bij de ontwikkeling van zorgstandaarden, maar ondersteunt wel de totstandkoming ervan.
Momenteel stagneert de ontwikkeling van enkele nieuwe zorgstandaarden doordat niet alle beroepsgroepen volledig meewerken. Per zorgstandaard gaan de betrokken partijen hier verschillend mee om, in sommige gevallen wordt ervoor gekozen toch verder te gaan met de ontwikkeling maar dan zonder de inbreng van de betreffende beroepsgroepen.
Op dit moment worden daarom op ambtelijk niveau gesprekken gevoerd om bezwaren die bij sommige beroepsgroepen leven te achterhalen. Hierbij is onder andere van belang te benadrukken dat de ontwikkeling en autorisatie van een zorgstandaard en het vervolgens overgaan op integrale bekostiging van de betreffende zorg, twee aparte besluiten zijn.
Wanneer kan de Kamer de eerste rapportage van de evaluatiecommissie tegemoet zien?
Een eerste tussenrapportage van de evaluatie commissie verwacht ik begin volgend jaar.
In welke mate wordt op dit moment aan de volgende voorwaarden voldaan:
U vraagt mij naar voorwaarden voor integrale bekostiging. Aan de punten die u noemt wordt momenteel gewerkt. Ik wijs u graag op de evaluatiecommissie integrale bekostiging die onderzoekt in hoeverre aan de beoogde randvoorwaarden wordt voldaan om de invoering van integrale bekostiging succesvol te laten zijn. Zodra de evaluatiecommissie de eindrapportage heeft gedaan van dit onderzoek in 2012 zal ik hier uitvoeriger hierop ingaan.