Het bericht dat succesvolle en geldbesparende zorgprojecten in Leiden en Nijmegen dreigen te stoppen |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Succesvol Leids zorgproject in gevaar door geldproblemen»?1 Onderschrijft u de visie van betrokken ziekenhuizen, huisartsen en zorgverzekeraars, dat dit zorgproject een succesvol voorbeeld is van doelmatige samenwerking?
Ja, ik ben bekend met het bericht en het project in Leiden. Ik ben van mening dat het wenselijk is dat huisartsenposten en de Spoed Eisende Hulp (SEH) meer samen werken om de acute zorgketen beter in te richten. Dit is niet alleen goed voor de kwaliteit van zorg (bijvoorbeeld door de betere afstemming tussen huisarts en medisch specialist), maar ook voor de efficiëntie van zorg. Wanneer huisartsenpost en SEH samenwerken in het opvangen van mensen die zonder verwijzing van een huisarts of 112 naar de SEH komen (de zogenoemde zelfverwijzers), leidt dit er toe dat minder mensen onnodig gebruik maken van relatief dure medisch specialistische zorgvoorzieningen. De patiënt wordt door de samenwerking tussen huisartsenpost en SEH geholpen in de omgeving die het beste past bij zijn (acute) zorgvraag.
Kunt u uiteenzetten waarom de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een hoger tarief voor de huisartsen in de genoemde situaties tegenhoudt?
Huisartsen die werkzaam zijn in een Huisartsen dienstenstructuur (HDS) – samenwerkingsverband van huisartsen voor de ANW-diensten ook wel huisartsenpost genoemd- mogen maximaal een uurtarief van € 65,– aan de HDS declareren voor de avond-, nacht- en weekendzorg (ANW-zorg). Voor de HDS zelf stelt de NZa een budget vast waarbinnen slechts ruimte bestaat om maximaal deze € 65,– aan de huisartsen te vergoeden. Ook de HDS is gehouden aan het maximum uurtarief.
De basis van deze tariefregulering vindt zijn oorsprong in het betaalbaar houden van de (acute) zorg. Indien het tarief voor de huisarts werkzaam in een HDS vrij zou zijn, terwijl de HDS een «vast» budget krijgt voor het organiseren van de ANW-zorg (waarbij wordt uitgegaan van een bedrag van maximaal € 65,– per uur) dan kunnen huisartsenposten in financiële problemen raken indien zij de huisartsen een hogere vergoedingen zouden moeten betalen. Bij het oprichten van de huisartsenposten was het uitgangspunt dat de «reguliere» huisartsen in de ANW-uren alle diensten zouden doen. De inkomsten die deze huisartsen ontvangen uit de ANW-uren komen bovenop de inkomsten uit de reguliere praktijk. Het maximum van € 65,- per uur voor huisartsen is dan ook een «kaal»-tarief zonder toevoeging van sociale lasten (zoals pensioen en arbeidsongeschiktheidsverzekering), aangezien deze lasten al zijn verwerkt in de inkomsten voor de praktijk overdag. Het uurtarief is overigens met ingang van dit jaar verhoogd van € 50,– naar € 65,– (± 30%).
De NZa reguleert zorgprestaties. Zodra een huisarts zorg levert in een HDS, geldt voor die diensten het maximumuurtarief van € 65,–. Wanneer veldpartijen deze regels overtreden, dient de NZa ze te handhaven.
Kunt u uiteenzetten op welke wijze de NZa handhaaft bij een economisch delict?
De wijze waarop de NZa haar toezicht heeft vormgegeven staat in haar toezichtvisie «zicht op toezicht». Indien de NZa signalen ontvangt over mogelijke overtredingen door zorgaanbieders en/of zorgverzekeraars doet zij onderzoek of er sprake is van een mogelijke overtreding van de WMG of Zvw. Indien de NZa vervolgens heeft vastgesteld dat er sprake is van een overtreding c.q. een economisch delict past zij het «plan handhaving» toe (dit is op de website van de NZa te downloaden). Afhankelijk van de aard en omvang van de overtreding kunnen handhavingsinstrumenten ingezet worden, zoals een aanwijzing, last onder dwangsom of boete. Indien mogelijk kan de NZa ook voor minder formele interventie kiezen in de vorm van bijvoorbeeld een normoverdragend gesprek.
Kunt u toelichten of nog meer initiatieven onder druk staan als gevolg van het uitblijven van passende regelgeving?
Van de Vereniging Huisartsenposten Nederland heb ik in gesprekken begrepen dat er drie samenwerkingsprojecten zijn -inclusief Leiden en Nijmegen- die kampen met problemen rondom de inzet van waarnemers in de ANW-uren en het maximum uurtarief van de huisarts.
Komt passende regelgeving voor deze initiatieven nog op tijd?
Voorlopig is het voor verzekeraars en huisartsenposten mogelijk om op alternatieve manieren de samenwerking tussen huisartsenpost en SEH additioneel te bekostigen. Zo worden tijdelijke afspraken gebaseerd op de NZa-beleidsregels «innovatie» of «lokale productiegebonden toeslag (LPT)». Deze beleidsregels bieden de verzekeraar de ruimte om extra geld naar de huisartsenpost te krijgen. Daarnaast wordt soms gebruik gemaakt van de reguliere budgetruimte in de financiering van huisartsenposten, de NZa-beleidsregel «HDS» inclusief de «plusmodule». In de situatie Leiden hebben de partijen echter aangegeven de huidige financiële ruimte op basis van geldende regelgeving voor andere zaken te willen inzetten dan de samenwerking tussen huisartsenpost en SEH. In overleg met de NZa ben ik momenteel aan het bekijken of het op korte termijn mogelijk is om de regelgeving aan te passen zodat er budget overgeheveld kan worden van de SEH naar de huisartsenpost.
Sluit de systematiek van budgetfinanciering met vaste parameters wel aan bij de landelijke differentiatie?
Het budget van een huisartsenpost wordt vastgesteld op basis van een (maximaal) bedrag per inwoner. Een HDS kan per inwoner in aanmerking komen voor een basisbedrag van maximaal € 10,95. Daarnaast zijn er gedifferentieerde toeslagen voor op het platteland (een extra module per inwoner van maximaal € 2,74) en voor een hoge zorgconsumptie (een extra module van maximaal € 2,19). Om in aanmerking komen voor de module platteland en zorgconsumptie zijn door de NZa voorwaarden vastgesteld.
Aangezien acute hulpverlening door de huisarts vaak noodzakelijk is in de regio waarin de patiënt woonachtig is, ligt een budgetfinanciering op basis van inwoners aantal per regio voor de hand. De extra modules voor zorg in plattelandsgebieden (waar bijvoorbeeld door lage concentratiegraad soms extra infrastructuur noodzakelijk is) en zorgconsumptie (waar bij een hoge zorgconsumptie in een gebied met bijvoorbeeld veel kinderen meer consulten worden geleverd), zorgen voor de differentiatie in het budget. Daarnaast kunnen huisartsenposten nog met de zorgverzekeraar additionele afspraken maken door middel van de zogenoemde «plusmodule». Door deze aanvullende bekostigingsregels kunnen verzekeraar en de HDS’en lokale verschillen in de zorgverlening gedifferentieerd belonen.
Kunt u garanderen dat innovaties in werkwijze die geld besparen, ook in de toekomst gefinancierd worden?
Door middel van diverse regelingen in de bekostiging geef ik veldpartijen (financiële) vrijheid om de zorg te organiseren op de wijze die zij wenselijk achten. Voor innovaties bestaan daarnaast diverse mogelijkheden op basis van aparte NZa-beleidsregels. De vraag welke innovaties in de toekomst gefinancierd worden, is dus een vraagstuk die de veldpartijen onderling kunnen oplossen.
Camera’s langs de wegen |
|
Paulus Jansen |
|
Camiel Eurlings (minister verkeer en waterstaat) (CDA) |
|
Wat is uw mening over het bericht «Massaal op de rem voor nieuwe camera’s»?1
Het is een bekend verschijnsel dat automobilisten afremmen bij camera’s, zeker in de periode kort na de plaatsing. De gewenningsperiode is meestal een paar weken.
Hoe vaak zijn in 2009 verkeersongevallen of files veroorzaakt door de aanwezigheid van camera’s langs wegen? Indien dit niet bekend is: is er algemeen onderzoek gedaan naar de relatie tussen de aanwezigheid van camera’s langs wegen en het ontstaan van verkeersongevallen of files?
Er zijn geen aanwijzingen dat de aanwezigheid van camera’s langs wegen verkeersongevallen veroorzaakt. Rijkswaterstaat plaatst verkeersobservatie-camera’s op plaatsen waar veel ongevallen gebeuren om zo de hulpverlening sneller en effectiever te laten plaatsvinden. Er zijn evenmin aanwijzingen dat de aanwezigheid van camera’s langs wegen files veroorzaakt.
Welke instanties en bedrijven hebben toestemming om camera’s langs wegen te plaatsen? Hoeveel camera’s hangen er ondertussen langs de Rijkswegen en met welk doel?
Aan verzoeken van politie en de Belastingdienst om camera’s langs de wegen te plaatsen wordt in principe medewerking verleend, mits de veiligheid en het doelmatig gebruik van de weg niet in het geding zijn. Daarnaast heeft de leverancier van verkeersgegevens aan de Nationale Databank Wegverkeergegevens (NDW) toestemming gekregen voor het plaatsen van inwinapparatuur, waaronder camera’s. Rijkswaterstaat voert een terughoudend beleid bij aanvragen van bedrijven. Er wordt alleen toestemming verleend in een tijdelijke situatie, die doorgaans gepaard gaat met grootschalige en voor het publiek veel hinder opleverende wegwerkzaamheden. Bedrijven zoals de Verkeersinformatiedienst plaatsen soms camera’s rondom belangrijke knelpunten. Hiervoor wordt toestemming gevraagd aan de beheerders van gebouwen, waaraan de camera wordt bevestigd.
Er worden camera’s langs rijkswegen geplaatst voor verschillende doeleinden: verkeersobservatie, verkeersmanagement en verkeersonderzoek (RWS), informatievergaring (NDW) en handhaving (KLPD).
Het aantal camera’s langs rijkswegen varieert, omdat naast vaste camera’s ook tijdelijke camera’s voor uiteenlopende doeleinden geplaatst worden. Bij tijdelijke camera’s gaat het om een beperkt aantal dagen.
Op dit moment heeft Rijkswaterstaat een kleine 1 800 vaste camera’s langs het hoofdwegennet staan voor verkeersobservatie en verkeersmanagement. Daarnaast zijn er enkele tientallen camera’s voor bediening op afstand, bewaking van objecten van Rijkswaterstaat. Voor de NDW zijn nu ongeveer 350 camera’s langs rijkswegen geplaatst en er staan ongeveer 50 camera’s van het KLPD.
Kunt u per categorie camera’s specificeren wat deze registreren en wie deze informatie mag gebruiken? Is voor de verschillende categorieën cameratoezicht toestemming gevraagd aan en verleend door het College Bescherming Persoonsgegevens?
Indien met camera’s beeldverwerking plaatsvindt om persoonsgegevens te verzamelen en camerabeelden worden verwerkt of opgeslagen is de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van toepassing en daar waar RWS de persoonsgegevens verwerkt ook het privacyreglement verkeersregistratie-systemen van RWS. Camerabeelden zonder kenmerken van individuele voertuigen mogen in principe door eenieder worden hergebruikt, als deze door de maker beschikbaar worden gesteld.
De camera’s voor verkeersobservatie en verkeersmanagement (RWS) registreren de verkeersstromen in algemene zin. Deze camera’s moeten verkeersopstoppingen signaleren, zicht geven bij ongevallen, het mogelijk maken spitsstroken te schouwen en toezicht hebben op pechhavens, tunnelingangen, bruggen e.d. De camerabeelden worden real-time alleen doorgestuurd naar verkeerscentrales. Hierbij worden geen gegevens van individuele voertuigen in beeld gebracht.
Bij de tijdelijke camera’s voor verkeersonderzoek (RWS) gebeurt dit wel. Hierbij worden gegevens van individuele voertuigen verzameld om meer inzicht te krijgen in de verkeersbewegingen op het wegennet. De individuele weggebruikers worden gevraagd om deel te nemen aan een verkeersenquête. Deze verwerking is gebaseerd op een wettelijke grondslag en gemeld bij de Functionaris Gegevensbescherming van VenW en voldoet daarmee aan de meldingsplicht conform de Wet bescherming persoonsgegevens.
De camera’s die voor NDW informatie vergaren registreren voor het merendeel reistijden en soms ook intensiteiten. Deze data worden via een minuutgemiddelde (en zonder kenmerken van individuele voertuigen) aan de centrale NDW database geleverd en daar opgeslagen. Deze informatie wordt ter beschikking gesteld aan wegbeheerders (zijnde NDW eigenaren) ten behoeve van verkeersmanagement en tegen verstrekkingskosten aan met name marktpartijen als service providers. De leverancier van NDW heeft haar camera’s aangemeld bij het College bescherming persoonsgegevens en voldoet daarmee aan de meldingsplicht conform de Wet bescherming persoonsgegevens.
Bij handhaving (KLPD) worden gegevens van individuele voertuigen verzameld om overtreders ten aanzien van het gebruik van het wegennet op te sporen, zoals snelheidsovertredingen met behulp van trajectcontrole-camera’s. Daarnaast gaat het om het spotten van voertuigen die op opsporingslijsten voorkomen, de zogenoemde hitlijsten. Het KLPD is zelf verantwoordelijk voor het doen van een melding bij het Cbp.
Vindt u het acceptabel dat concurrerende bedrijven2 via eigen camera’s dezelfde informatie verzamelen, waardoor onnodig veel camera’s langs de weg staan? Kunt u uw antwoord toelichten?
De beelden die ANWB, Verkeersinformatiedienst en andere bedrijven in hun rol als service provider voor verkeersinformatie aan het publiek tonen, zijn grotendeels afkomstig van verkeersobservatiecamera’s van Rijkswaterstaat. In incidentele gevallen zijn bedrijven van mening extra dienstverlening aan hun klanten te kunnen bieden door zelf camera’s te plaatsen. Als zij hiervoor een beroep doen op Rijkswaterstaat wordt alleen in bijzondere gevallen tijdelijk toestemming verleend.
Welke criteria hanteert u om een wildgroei van camera’s langs de wegen te voorkomen? Als deze er nog niet zijn: wilt u deze ontwikkelen? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Camera’s langs wegen worden alleen geplaatst voor de doeleinden genoemd bij de beantwoording van vraag 3. Zoals uit het voorgaande blijkt wordt zeer terughoudend omgegaan met verzoeken om camera’s te mogen plaatsen. Om te zorgen dat niet onnodig veel camera’s worden geplaatst is er voor de kentekenonderzoeken een landelijk overleg, waarin voor zoveel mogelijk afstemming tussen de diverse onderzoeken wordt gezorgd. Daarnaast zal VenW zich inspannen voor één gezamenlijk camerasysteem voor diverse doeleinden voor de publieke partijen.
Een lid van de Commissie Deetman met nauwe banden met diverse kerkelijke instellingen |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel in het NRC Handelsblad over de nauwe band van een lid van de commissie-Deetman met de Rooms-Katholieke Kerk (RK Kerk)?1
Ja.
Klopt het dat een van de leden van de commissie-Deetman, nauwe banden heeft met kerkelijke instellingen en jarenlang als onderzoeker betrokken is geweest voor de Conferentie Nederlandse Religieuzen, die tevens een van de opdrachtgevers is van de commissie-Deetman? Klopt het dat dit lid ook in dienst is van de dominicanen en werkte voor andere religieuze gemeenschappen die door de commissie worden onderzocht?
De heer Deetman heeft laten weten dat de commissie waarvan hij voorzitter is, is samengesteld op basis van strenge selectiecriteria om tot waarheidsvinding te komen en dat de leden allen moeten voldoen aan de hoogste eisen van deskundigheid en als zodanig bij hun vakgenoten bekend zijn. Daartoe behoort dat hun wetenschappelijke integriteit, die volledige onafhankelijkheid tegenover de opdrachtgevers impliceert, boven alle twijfel verheven is. Dit geldt voor alle leden van de commissie en ook voor mw. Marit Monteiro. Dat zij in het verleden heeft gewerkt voor de Konferentie Nederlandse Religieuzen en de Orde der Dominicanen doet daar niet aan af. Aangezien er geen verantwoordelijkheidsrelatie bestaat tussen de regering en de commissie-Deetman, zie ik geen noodzaak om hierover verder met de heer Deetman in overleg te treden.
Wist de heer Deetman van de achtergrond en betrokkenheid van bovenbedoeld lid bij de RK Kerk voordat zij gevraagd werd zitting te nemen in zijn commissie? Zo ja, vindt u dit met het oog op partijdigheid verantwoord?
Zie antwoord vraag 2.
Herinnert u zich de eerdere Kamervragen over de onafhankelijkheid van het onderzoek naar seksueel misbruik binnen de kerk en uw antwoord dat u het vertrouwen heeft in het feit dat de commissie-Deetman onafhankelijk is?2
Ja.
Bent u na bekendmaking door het NRC Handelsblad van de achtergrond van bovengenoemd lid deze mening nog steeds toegedaan? Zo ja, op basis waarvan? Deelt u de mening dat om elke schijn van partijdigheid te voorkomen bovengenoemd lid onmiddellijk uit de commissie- Deetman dient te stappen? Bent u bereid hierover met de heer Deetman in overleg te gaan en hem dit kenbaar te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat met de nu bekend geworden informatie over het lid van de commissie-Deetman het vertrouwen van slachtoffers in een onafhankelijk onderzoek door de kerk wordt geschaad? Deelt u de mening dat de schijn gewekt wordt dat de commissie-Deetman niet onafhankelijk is en dat de kerk een vinger in de pap heeft en het onderzoek hiermee flink naar haar hand zal zetten?
De verantwoordelijkheid voor het onderzoek, voor het waarborgen van de transparantie ervan, alsmede voor het tijdpad van het onderzoek ligt bij de commissie-Deetman. De Nederlandse Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen hebben de commissie-Deetman een mandaat gegeven voor 1,5 jaar dat maximaal eenmaal verlengd kan worden met 6 maanden. In het onderzoeksvoorstel van de commissie-Deetman is een tijdslijn geschetst waaruit kan worden opgemaakt dat de Commissie verwacht na 25 weken de uitkomsten van het onderzoek te kunnen presenteren.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er een onafhankelijk onderzoek komt en dat recht wordt gedaan aan het leed dat kinderen jarenlang hebben moeten ondergaan?
Zie antwoord vraag 6.
Wanneer komt de commissie-Deetman met haar onderzoek naar buiten?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is de stand van zaken van de commissie-Samson die onderzoek doet naar seksueel misbruik binnen overheidsinstellingen? Wordt er tussen deze commissie en de commissie-Deetman samengewerkt? Zo ja, waaruit bestaat deze samenwerking en op welke wijze wordt precies samengewerkt? Wanneer kan de Kamer het onderzoek van de commissie-Samson tegemoet zien?
In onze brief van 16 juli 2010 (TK 32 123 VI, nr. 119) hebben wij uw Kamer geïnformeerd over de samenstelling van de commissie-Samson, de reikwijdte van het onderzoek, de periode die onder de loep wordt genomen en de contacten met de commissie-Deetman. Daarbij hebben wij aangegeven dat het onderzoek binnen twee jaar tot resultaten en aanbevelingen moet leiden. Tevens hebben we bericht dat er contacten zijn tussen de de commissies-Samson en -Deetman.
Het meldpunt voor signalen van seksueel misbruik van jeugdigen die onder verantwoordelijkheid van de overheid in instellingen zijn geplaatst, is sinds 19 juli 2010 in de lucht. De commissie-Samson is op 1 augustus 2010 geïnstalleerd. Thans is het onderzoek van de commissie-Samson formeel begonnen. Mede in het licht van onze brief van 16 juli verwachten wij de bevindingen van de commissie-Samson voor 1 juli 2012, waarna uw Kamer zo spoedig mogelijk zal worden geïnformeerd.
De commissies-Samson en -Deetman zijn verschillend van aard, maar beide onafhankelijk. Tegelijkertijd is er wel informatie-uitwisseling over de aanpak en uitvoering van de respectievelijke onderzoeken, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid.
De moeilijke positie van Afghaanse tolken die actief zijn geweest voor de Task Force Uruzgan |
|
Anouchka van Miltenburg (VVD), Han ten Broeke (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat meer dan honderd Afghaanse tolken, die in de afgelopen periode actief zijn geweest voor de Task Force Uruzgan, zich ernstige zorgen maken over hun toekomst in Afghanistan resp. Uruzgan wanneer de Nederlandse missie daar zal zijn beëindigd?1
Nederland heeft grote waardering voor het werk dat de Afghaanse tolken hebben verricht voor de Task Force Uruzgan (TFU) en Afghanistan. De samenwerking en de verstandhouding met deze tolken zijn altijd goed geweest. Vanaf het moment dat duidelijk werd dat er een einde zou komen aan de Nederlandse missie in Uruzgan zijn alle partners en betrokkenen hiervan zo snel mogelijk op de hoogte gesteld. Ook de tolken werkzaam voor de TFU zijn van het vertrek van Nederland op de hoogte gebracht, waarbij is toegezegd dat Nederland zich zou inzetten voor werkbehoud van de tolken bij de NATO Maintenance and Supply Agency (NAMSA). NAMSA ondersteunt ISAF bij het verkrijgen van diensten en goederen van derden, waaronder brandstof, transport en tolken.
De Afghaanse tolken hebben op individuele basis contracten gesloten met NAMSA. NAMSA draagt zorg voor de betaling van de salarissen en wijst Afghaanse tolken toe aan de verschillende Task Forces en aan de overige organisaties en eenheden. In de afgelopen vier jaren heeft de Nederlandse TFU ongeveer 100 tolken toegewezen gekregen door NAMSA. Deze tolken komen niet uit Uruzgan zelf. Nederland heeft een afroepcontract gesloten met NAMSA dat afloopt op 1 augustus 2010. Bij het vertrek van de TFU worden door NAMSA de tolken al naar gelang de behoefte elders ingezet. Zo zijn ongeveer 50 tolken ondergebracht bij de Combined Taskforce Uruzgan (CTU) en zijn 20 Afghaanse tolken toegewezen aan de Redeployment Task Force (RDTF). Het nieuwe afroepcontract dat Nederland heeft gesloten met NAMSA loopt tot 1 december 2010 en zal indien nodig worden verlengd.
Na de beëindiging van de redeployment zal Nederland zich inzetten bij NAMSA voor werkbehoud van de tolken. Een enkele tolk heeft inmiddels van het aanbod tot contractbehoud bij NAMSA afgezien en heeft op vrijwillige basis besloten de werkzaamheden te beëindigen.
Het is bekend dat onder delen van de bevolking in Uruzgan zorgen leven over de veiligheidssituatie na het vertrek van de Nederlandse troepen. Zorgen bestaan er ook bij enkele tolken die al langere tijd voor de TFU werkzaam zijn. Door een goede en verantwoordelijke overdracht van de Nederlandse taken kan de CTU voortbouwen op de Nederlandse inspanningen.
Bestaat er nog onduidelijkheid over de vraag of de Amerikanen en de Australiërs deze tolken zullen overnemen van de Task Force Uruzgan en bestaat bovendien bij veel van de betrokken tolken tegenzin om hun diensten aan te bieden aan de Amerikanen en de Australiërs omdat ze zich goed thuis voelden bij de aanpak van de Nederlandse militairen maar niet bij de minder omzichtige aanpak die zij kenmerkend achten voor Amerikanen en Australiërs? Is metterdaad een aantal tolken die eerst voor de Nederlandse militairen actief waren en daarna enige tijd voor de Amerikanen en Australiërs, vervolgens gestopt met dit werk omdat zij de Amerikanen en de Australiërs «gewelddadig» vonden?
Zie antwoord vraag 1.
Schrikken sommige tolken ervoor terug om weer naar hun families te gaan uit angst voor represailles door de Taliban?
Zie antwoord vraag 1.
Hebben andere ISAF-partners programma’s waarbij tolken actief worden begeleid of waarbij zelfs verblijfsvergunningen (greencards) worden aangeboden?
NAMSA hanteert een standaardcontract waarin geen regeling is opgenomen over het verkrijgen van een visum. Het is wel bekend dat sommige ISAF-landen een soepele visumregeling kennen.
Op welke wijze wilt u steun geven aan de Afghaanse tolken van de Task Force Uruzgan?
De Afghaanse tolken die werkzaam zijn geweest voor de TFU zullen worden ondersteund zoals beschreven in de antwoorden op vraag 2 en 3.
Het door Nederland medefinancieren van een moskee op ground zero |
|
Geert Wilders (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat Nederlands belastinggeld gebruikt wordt voor het steunen van American Society for Muslim Advancement (ASMA), de organisatie van imam Faisal Abdur Rauf, die een moskee wil bouwen op ground zero?1
Nee, de American Society for Muslim Advancement (ASMA) is niet betrokken bij de bouw van een moskee op ground zero in de Verenigde Staten. Daarvoor wordt dus ook geen Nederlands belastinggeld gebruikt.
Wel ontvangt de American Society for Muslim Advancement subsidie van het Nederlandse MDG3 fonds voor de uitvoering het Women’s Islamic Initiative in Spirituality and Equity (WISE) Compact program. WISE heeft als doelstelling zelfbeschikking en volledige participatie van moslimvrouwen in hun gemeenschap. Om dit doel te bereiken richten activiteiten zich onder andere op hervorming van bestaande wetgeving, ontwerpen van nieuwe wetgeving en trainingen voor vrouwen die gericht zijn op meer gelijkheid tussen vrouwen en mannen.
Dat doen ze in voornamelijk Afghanistan, Egypte en Pakistan. Het gaat om projecten om genitale verminking te voorkomen, geweld tegen vrouwen tegen te gaan, vrouwen-trainingen (o.m. media, leiderschap) te organiseren.
De projectduur is van 13 oktober 2008 tot 30 juni 2011.
Zo ja, erkent u dat het absurd is om juist op ground zero een moskee te bouwen en dat dit ook een belediging is voor (nabestaanden van) de slachtoffers van 9–11? Zo nee, waarom niet?
Zie vraag 1.
Zo ja, bent u, gelet op het beledigende plan om genoemde moskee te bouwen, bereid om de subsidie voor ASMA onmiddelijk in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Nee. Aangezien er geen sprake is van steun aan de bouw van een moskee. Het intrekken van de subsidie aan ASMA, die zich richt op het bevorderen van gelijke rechten voor vrouwen in landen als o.a. Afghanistan, Pakistan en Egypte, wordt dan ook niet overwogen.
De Schipholtunnel |
|
Paulus Jansen |
|
Wat is uw mening over het bericht dat de reparatie aan de Schipholtunnel maandenlang zal duren en daardoor één van de twee sporen in één rijrichting in de Schipholtunnel niet beschikbaar is?1 Kloppen de beschreven feiten?
De reparatiewerkzaamheden zijn inmiddels afgerond. Wat betreft de situatie met betrekking tot de Schipholtunnel, verwijs ik u naar mijn antwoorden op vraag 3 van dhr. Slob.
Wat was precies de toedracht en oorzaak van het ongeval en hoe groot is de omvang van de schade? Kunt u ook uiteenzetten in hoeverre deze schade (inclusief vervolgschade) op de veroorzaker te verhalen is?
Van NS en ProRail heb ik begrepen dat de pantograaf2 van de trein is losgekomen van de bovenleiding. De bovenleiding is afgebroken en zowel bovenleiding als pantograaf zijn via de trein op het spoor beland. Het is te vroeg om vast te stellen of respectievelijk de pantograaf danwel de bovenleiding of een combinatie van factoren e.e.a. heeft veroorzaakt.
De precieze oorzaak wordt nog onderzocht. Dat betekent dat momenteel een aantal onderzoeken plaatsvindt:
Voor de omvang van de schade verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5 van de heer Slob.
Hoe is het mogelijk dat de benodigde reparatiematerialen niet in voldoende mate aanwezig zijn, waardoor de reparatie veel langer gaat duren?
Zie het antwoord op vraag 4 van dhr. Slob. De duur van de reparatie werd mede veroorzaakt door het feit dat over een lengte van ongeveer 5,5 km werkzaamheden verricht werden. Om deze werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren (de hele tunnelbuis moest buiten gebruik worden genomen) met zo min mogelijk hinder voor reizigers, werd dit omvangrijke werk ’s nachts uitgevoerd.
Hoe valt deze situatie te rijmen met de uitspraak van uw ambtsvoorganger: «Railinfrabeheer beschouwt de situatie, waarbij er onvoldoende reservemateriaal beschikbaar is, als een incident. Dat neemt niet weg dat een dergelijke situatie niet mag voorkomen.»?2
Zie het antwoord op vraag 4 van de heer Slob.
Wie is primair verantwoordelijk voor het beschikbaar houden van voldoende reparatiematerialen? Als dit ProRail is: Als dit de spoorwegaannemers zijn:
Zie het antwoord op vraag 4 en 6 van dhr. Slob. ProRail beschikt zelf niet over reservemateriaal. Dit is contractueel belegd bij de aannemers, zij dienen voldoende reservemateriaal beschikbaar te houden. ProRail voert een nieuwe contractvorm in om de prestaties hierop verder te verbeteren.
Hoe ziet de planning van de reparatie er uit en wat betekent dit voor de dienstregeling (vervallen treinen)? Hoeveel reizigers worden hierdoor gedupeerd? Wat is uw mening hierover?
Voor de planning van de werkzaamheden verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3 van de heer Slob.
De werkzaamheden zijn op 23 september jl. afgerond. Er is zoveel mogelijk 's nachts gewerkt met inzet van extra mensen om de hinder voor de treindienst zoveel mogelijk te beperken. De dienstregeling is door NS aangepast (vanaf maandag 26 juli tot 24 september) om zoveel mogelijk reizigers van dienst te kunnen zijn. Voor sommige treinen week door de aanpassing van de dienstregeling de vertrek- of aankomsttijd enige minuten af van wat de reiziger gewend was.
Hoeveel treinen zijn in 2009 uitgevallen doordat sporen niet beschikbaar waren ten gevolge van (reparaties na) ongelukken? Hoe heeft de treinuitval door deze oorzaak zich de afgelopen jaren ontwikkeld? Lopen er gerichte acties om de beschikbaarheid van het spoor na incidenten te versnellen?
Het is lastig aan te geven hoeveel treinen er zijn uitgevallen ten gevolge van reparaties na ongelukken. NS en ProRail werken vaak met een vervangende dienstregeling waarbij de uitval van treinen zoveel mogelijk wordt beperkt.
ProRail werkt samen met vervoerders in het OCCR (Operationeel Controle centrum ProRail) aan een snelle en efficiënte afhandeling van calamiteiten juist om de beschikbaarheid van het spoor na een incident verder te verbeteren.
De bewapening van lokale milities in Afghanistan |
|
Martijn van Dam (PvdA), Angelien Eijsink (PvdA) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het artikel «Afghans to form local forces to fight Taliban» in de New York Times van 14 juli jl., waarin wordt gemeld dat de Afghaanse regering na intensieve onderhandelingen met militaire commandanten van de NAVO heeft ingestemd met de vorming van lokale gewapende milities, die overigens geen milities mogen heten, waarvan Amerikaanse militaire functionarissen hopen dat zij tijdelijk zullen helpen in afgelegen regio’s aanvallen van de Taliban te verijdelen?1
Ja.
Kunt u de strekking van het artikel bevestigen?
Gedeeltelijk. Bepaalde conclusies die door de schrijver van het artikel worden getrokken, worden niet onderschreven.
Was u op de hoogte van deze onderhandelingen tussen NAVO-functionarissen en de Afghaanse regering?
Nederland was op de hoogte van de plannen om een zogenaamde Afghan Public Protection Force (APPF) op te richten. In de Joint Coordination and Monitoring Board, waarin de internationale gemeenschap belangrijke beleidvraagstukken en ontwikkelingen met de Afghaanse autoriteiten bespreekt, heeft Nederland ook mee kunnen spreken over dit voornemen.
De discussie over de Afghan Public Protection Force is de afgelopen weken in de Afghaanse Nationale Veiligheidsraad geïntensiveerd. Daaraan werd deelgenomen namens ISAF door Commandant Petraeus (en eerder zijn voorganger McChrystal) en NAVO Senior Civiele Vertegenwoordiger Sedwill. Hierna is een aangepast plan gepresenteerd aan de internationale gemeenschap, waarin het initiatief is omgedoopt in «lokale politie» («local»of «community police»). De bezwaren tegen eerdere varianten van lokale beveiligingseenheden zijn met dit aangepaste plan weggenomen. Nederland zal de verdere formele uitwerking van dit plan voorts nauwlettend in de gaten blijven houden.
Op welke wijze zijn de NAVO-lidstaten betrokken bij de vormgeving van dit plan?
Zie antwoord vraag 3.
Wat was uw opvatting over de wenselijkheid van dit plan?
Nederland is voorstander van de versterking van de soevereiniteit van de Afghaanse staat en de vergroting van de Afghaanse verantwoordelijkheid, ook op het gebied van veiligheid. Hoewel Nederland en internationale partners zich aanvankelijk terughoudend en kritisch hebben opgesteld ten aanzien van diverse Afghaanse plannen voor oprichting van lokale beveiligingseenheden, stuit het nieuwe plan niet meer op fundamentele bezwaren. De noodzaak tot verbetering van de bescherming van gemeenschappen en de beveiliging van overheidsinstellingen in Afghanistan is evident. Daarbij heeft Nederland ook begrip voor de beweegredenen van de Afghaanse autoriteiten om de schaarse politieagenten voor echt politiewerk in plaats van beveiligingswerk in te willen zetten.
Bij de eerste presentatie van het plan bestonden zorgen over de uitwerking van de oprichting van een dergelijk systeem van public protection forces. Zo was er onduidelijkheid over de «command & control» van deze tijdelijke lokale eenheden en over de vraag hoe het initiatief past in eerdere Afghaanse ontwapeningsprogramma’s. De nader uitgewerkte plannen komen echter voor een groot deel aan deze zorgen tegemoet. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om bestaande lokale groepen te herbewapenen noch te versterken en hiertegen zijn controlemechanismen voorzien. Verder is de lokale politie beter ingebed in de Afghaanse veiligheidsstructuren doordat deze deel zal gaan uitmaken en onder bevel zal komen te staan van de Afghaanse politie en uiteindelijk het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Kandidaten voor de lokale politie zullen hetzelfde selectieproces doorlopen als kandidaten voor de reguliere politie. Ook worden biometrische gegevens genoteerd en wapens geregistreerd. De lokale politie komt onder rechtstreeks bevel te staan van het hoofd van de districtspolitie. Daarnaast worden aan de eenheden leden van de Afghaanse nationale veiligheidsdienst (NDS) toegevoegd om ervoor te zorgen dat deze lokale eenheden niet worden geïnfiltreerd door de Taliban. Tot slot is het tijdelijke karakter van deze eenheid van de politie (twee tot vijf jaar) bevestigd. In eerste instantie zal rekruten voor de lokale politie een tweejarig contract worden aangeboden, met een maximale verlenging tot vijf jaar. Daarna kunnen deze personen solliciteren op posities binnen zowel de politie als het leger.
Hoe beoordeelt u het geschetste risico dat stammen dankzij de bewapening hun onderlinge strijd met meer geweld kunnen voortzetten en dat het bewapenen van lokale groepen tot toename van het geweld zou kunnen leiden?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het geschetste risico dat dit plan door veel Afghanen gezien zal worden als werkgelegenheidsproject, een manier om makkelijk geld te verdienen, en zodoende andere economische ontwikkeling kan verhinderen?
Dit geschetste risico wordt niet groot ingeschat.
Welke garantie is er dat werkelijk sprake is van een korte termijnplan en dat na het verstrijken van die korte termijn (hoe lang is dat eigenlijk)? mensen hun wapens en uniformen weer inleveren?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe groot acht u het risico dat een en ander zal leiden tot verminderd vertrouwen in overheidsfunctionarissen, aangezien ongetrainde lokale mensen wel een uniform gaan dragen en zodoende namens de overheid opereren?
De lokale politie zal niet ongetraind zijn, maar worden ingezet na een drie-weekse training. De training zal worden verzorgd door Amerikaanse troepen, waar mogelijk aangevuld met reserve-officieren van het Afghaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken. Daarnaast is het takenpakket van deze lokale politie eenheden beperkt tot vooral beveiligings- en bewakingswerkzaamheden. De eenheden krijgen geen arrestatie- of onderzoeksbevoegdheden. De bedoeling is dat deze tijdelijke lokale politie-eenheden de veiligheid bevorderen in gebieden waar nu weinig of geen Afghaanse politie of leger aanwezig zijn.
Hoeveel geld steekt de NAVO hierin? Waaruit wordt dat gefinancierd? Levert Nederland direct of indirect ook een bijdrage?
De oprichting van de lokale politie eenheden zal volledig door de Verenigde Staten worden gefinancierd.
Heeft u kennisgenomen van het arrest van de Hoge Raad1 waarin deze een eerdere uitspraak van de Ondernemingskamer heeft vernietigd en nadere standpunten heeft ingenomen over de invulling van de Code Tabaksblat en in het bijzonder het standpunt van de Hoge Raad over de rol en taakvervulling van de Raad van Commissarissen bij beursgenoteerde ondernemingen?
Ja.
Bent u van mening dat het na deze uitspraak nog mogelijk is als onderneming om – gemotiveerd – af te wijken van de Code Tabaksblat? Zo nee, acht u het wenselijk dat niet meer gemotiveerd van de Code Tabaksblat kan worden afgeweken, juist nu gemotiveerd afwijken bij de invoering van de Code Tabaksblat expliciet mogelijk is gemaakt?
De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 9 juli 2010 onder meer geoordeeld over de rol van de raad van commissarissen. De Hoge Raad heeft beslist dat de wettelijke taakopdracht (artikel 2:140 lid 2 BW) van de raad van commissarissen van een NV neerkomt op:
In de procedure was aangevoerd dat de raad van commissarissen de plicht heeft om een bemiddelende rol te vervullen bij conflicten tussen bestuur en aandeelhouders. Een plicht tot actieve bemiddeling vloeit volgens de Hoge Raad niet voort uit de hiervoor bedoelde taakopdracht. Dat laat onverlet dat de aandeelhouders de raad van commissarissen kunnen benaderen met verzoeken om bemiddeling. In dat geval heeft de raad van commissarissen, gelet op zijn verantwoordelijkheid jegens de vennootschap en haar onderneming, de vrijheid om van geval tot geval af te wegen of rechtstreeks contact met de aandeelhouders en/of bemiddeling tussen de aandeelhouders en bestuur wenselijk is in het belang van de vennootschap en haar onderneming (r.o. 4.5.1 en 4.5.2).
Best practice bepaling III.1.6 onder f van de Nederlandse corporate governance code (hierna: «de Code») vult de toezichthoudende rol van de raad van commissarissen nader in. De Code bepaalt dat het toezicht van de raad van commissarissen op het bestuur onder andere omvat: de verhouding van het bestuur met de aandeelhouders. Dat sluit aan op de toezichthoudende rol die in de wet is bepaald. De Hoge Raad heeft aangegeven dat de Codebepaling niet kan leiden tot de conclusie dat de raad van commissarissen verplicht is tot bemiddeling tussen het bestuur en de aandeelhouders.
Hoewel een verplichting tot bemiddeling ontbreekt, vloeien er wel andere verplichtingen voort uit de Code. De uitspraak van de Hoge Raad brengt geen verandering in het «pas toe of leg uit» systeem dat voor dergelijke verplichtingen is voorgeschreven. Zo moeten beursvennootschappen in het jaarverslag verantwoorden of zij aan best practice bepaling III.1.6. onder f hebben voldaan en zo nee, waarom niet. Vervolgens is het primair aan de aandeelhouders om daaraan desgewenst consequenties te verbinden.
Deelt u de opvatting dat na deze uitspraak géén ruimte meer bestaat voor een Raad van Commissarissen om een bemiddelende rol te vervullen dan wel dat die verplichting onder omstandigheden niet meer kan ontstaan? Zo ja, acht u deze ontwikkeling wenselijk? Zo nee, in hoeverre kan dan naar uw oordeel nog steeds gemotiveerd van de Code Tabaksblat worden afgeweken?
Zoals in verband met vraag 2 is aangegeven, wordt het aan de raad van commissarissen overgelaten om te bepalen of hij in een bepaald geval een bemiddelende rol gaat vervullen vanwege een conflict tussen het bestuur en de aandeelhouders. De raad van commissarissen moet daartoe afwegen of zo’n bemiddelende rol wenselijk is in het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming. Er is geen wettelijke verplichting om een bemiddelende rol te vervullen bij elk conflict tussen het bestuur en de aandeelhouders.
De Nederlandse corporate governance code verplicht evenmin tot een bemiddelende rol. Omdat er geen verplichting bestaat tot het vervullen van een bemiddelende rol, is er geen verplichting om daarover verantwoording af te leggen aan de aandeelhouders via het «pas toe of leg uit» systeem (vgl. ook de uitspraak van de Hoge Raad, r.o. 4.5.1).
Wat is naar uw oordeel de positie van de onderzoekers die op basis van het eerder – nu vernietigde – arrest van de Ondernemingskamer met hun onderzoek zijn aangevangen en nu een (wettelijke) basis lijken te ontberen om vergoeding voor de door hen geïnvesteerde tijd te verkrijgen? Acht u het wenselijk dat voor deze gevallen een oplossing wordt geboden? Zo ja, welke stappen gaat u daartoe nemen?
In algemene zin meen ik dat onderzoekers die hun werkzaamheden in opdracht van de Ondernemingskamer hebben verricht, de daarvoor met hen afgesproken vergoeding dienen te ontvangen. In het geval van ASMI heeft de Hoge Raad het geding terugverwezen naar de Ondernemingskamer ter verdere behandeling en beslissing. Wanneer er een eindbeslissing is, zal ik deze betrekken bij de gedachtevorming over het enquêterecht, waarvoor een herziening in voorbereiding is.
Een door het Amerikaanse leger uitgegeven stripboek over homoseksuelen |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «don’t ask, don’t tell», over een stripboek in het Amerikaanse leger waarin wordt uitgelegd hoe om te gaan met homoseksuele collega’s?1
Ja.
Acht u het acceptabel dat een militaire bondgenoot van Nederland op een dergelijke wijze aanzet tot discriminatie van homoseksuelen?
Binnen de Amerikaanse strijdkrachten wordt ten aanzien van homoseksualiteit het don’t ask don’t tell beleid gehanteerd. Bij de behandeling van de National Defense Authorization Act for Fiscal Year 2011 is een voorstel aangenomen om dit beleid te wijzigen. Ik zal mijn Amerikaanse ambtsgenoot hierop daarom niet aanspreken. Zoals ik al geantwoord heb op de vragen van de leden Van Bommel en Van Velzen (Handelingen TK 2009–2010, Aanhangsel nr. 2198) is de samenwerking tussen de Nederlandse en Amerikaanse strijdkrachten uitstekend. Problemen in de samenwerking met Amerikaanse strijdkrachten door het Amerikaanse beleid ten aanzien van homoseksuele militairen zijn mij niet bekend.
Kunt u aangeven of de homovijandige houding van en binnen het Amerikaanse leger op enig moment tot problemen heeft geleid voor Nederlandse homoseksuele militairen in samenwerkingsprojecten tussen Nederlandse en Amerikaanse militairen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid van uw afkeuring blijk te geven aan uw Amerikaanse ambtsgenoot over het gebruik van dergelijke discriminerende stripboeken? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u ondubbelzinnig aangeven dat Nederlandse militairen op geen enkel moment hoeven te vrezen voor door hun superieuren geïnstigeerde discriminatie en dat in voorkomende gevallen hard zal worden opgetreden tegen uitingen van discriminatie naar seksuele geaardheid binnen de Nederlandse krijgsmacht?
De staatssecretaris heeft op 21 januari 2009 in het Actieplan diversiteit Defensie 2009–2010 (Kamerstuk 31 700 X, nr. 80) het standpunt van Defensie over de bejegening van medewerkers met een andere seksuele geaardheid uiteengezet. In het Actieplan diversiteit Defensie staat: «Mensen met een andere seksuele geaardheid (homoseksuelen, lesbiennes en biseksuelen) moeten zonder dat ze zich bedreigd of gediscrimineerd voelen hun werk bij Defensie kunnen doen». In de Kamervragen over dit onderwerp is dit standpunt op 16 maart 2009 nogmaals benadrukt (Kamerstuk 31 700 X, nr. 95).
Bent u bereid Nederlandse militairen onder alle omstandigheden te beschermen tegen de kennelijk homovijandige houding onder bondgenoten?
Ja.
Zouden vormen van discriminatie van homoseksuele militairen gevolgen kunnen hebben voor de bondgenootschappelijke samenwerking? Zo neen, waarom niet? Zo ja, aan welke gevolgen denkt u?
De staatssecretaris van Defensie heeft op 17 oktober 2008 in zijn brief (Kamerstuk 27 017, nr. 45) uiteengezet hoe binnen het bondgenootschap wordt omgegaan met het homo-emancipatiebeleid.
Deelt u de mening dat discriminatie op de werkvloer, ook binnen het leger, te allen tijde bestreden dient te worden? Zo neen, waarom niet?
Ja.
Het bericht dat steeds meer mantelzorgers stoppen met werken |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat «steeds meer mantelzorgers stoppen met werken»?
Ik ken het bericht van Werk&mantelzorg waarin wordt aangegeven dat meer mantelzorgers stoppen met werken of minder gaan werken.
Wat is uw mening over de relatie die wordt gelegd tussen enerzijds de pakketmaatregelen in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en anderzijds het steeds vaker stoppen met werken dan wel het minder gaan werken?
Uit de Cliëntenmonitor Langdurige Zorg en de Jeugdmonitor AWBZ blijkt inderdaad dat een deel van de mantelzorgers zich genoodzaakt zien minder te gaan werken of te stoppen met werken vanwege hun zorgactiviteiten. In de laatste voortgangsrapportage over de pakketmaatregelen AWBZ van 21 juli 2010 heb ik u daarover geïnformeerd. Bij het formuleren van de pakketmaatregelen is ervoor gezorgd dat de zogenaamde «zwaardere gevallen» zoveel mogelijk worden ontzien. Wanneer mensen die geconfronteerd worden met de pakketmaatregelen, zich desondanks genoodzaakt zien minder te gaan werken, is dat natuurlijk vervelend. Ik reken erop dat de maatregelen die zijn opgenomen in de kabinetsbrieven «Voor elkaar» en «Naast en met elkaar» eraan bijdragen dat dit zoveel mogelijk wordt voorkomen. Immers, het beter bereiken van mantelzorgers door bijvoorbeeld gemeenten en professionele hulpverleners en door een grotere bekendheid van mantelzorgers met mogelijkheden van ondersteuning kunnen het combineren van werk en zorg zeker ten goede komen.
Welke maatregelen heeft u voor ogen om de toenemende krapte op de arbeidsmarkt en het toenemend beroep dat er wordt gedaan op mantelzorgers met elkaar samen te laten gaan?
Nederland mag zich gelukkig prijzen. In geval van chronische ziekte en beperkingen kunnen veel mensen rekenen op de inzet van mantelzorgers en vrijwilligers. Naar verwachting wordt het beroep op mantelzorgers de komende jaren groter ten gevolge van een groeiende zorgvraag en het schaarser wordende personeelsaanbod in de zorg. Om er voor te zorgen dat mantelzorgers zoveel mogelijk hun zorg kunnen blijven verlenen, op een goede manier hun eigen leven kunnen voortzetten én daarnaast aan het arbeidsproces te kunnen blijven deelnemen, heeft de toenmalige staatssecretaris Bussemaker – in het kader van de kabinetsbrieven «Voor elkaar» en «Naast en met elkaar» – een aantal activiteiten gestart. Ik noem u enkele activiteiten specifiek gericht op werk en mantelzorg:
Daarnaast is een goede ondersteuning van mantelzorgers van belang om overbelasting te voorkomen en het combineren van werk en zorg mogelijk te maken. Ik noem enkele voorbeelden:
Dit betekent niet dat we achterover kunnen leunen. Het beleid van de afgelopen jaren biedt mijns inziens een goede basis voor de volgende kabinetsperiode. Bij maatregelen op het terrein van de zorg en van arbeid blijft oog voor de positie van mantelzorgers van belang.
Gelet op wat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) constateerde onlangs constateerde, namelijk dat 20% van de medewerkers met mantelzorgtaken graag verlof had willen opnemen maar niet op de hoogte bleek te zijn van de mogelijkheden daartoe, vindt u dat de overheid hier een voorlichtende taak heeft en zo ja, hoe gaat u dat aanpakken? Zo nee, wie acht u daar verantwoordelijk voor?
Het is niet zo dat 20% van de medewerkers met mantelzorgtaken graag verlof had willen opnemen maar niet op de hoogte bleek te zijn van de mogelijkheden daartoe.
Uit de gegevens van het CBS komt naar voren dat van de groep werknemers die voor een ziek familielid zorgen circa 20% wel behoefte heeft aan zorgverlof maar er geen gebruik van heeft gemaakt. Van déze groep werknemers heeft 12,3% geen gebruik gemaakt van een van de verlofregelingen omdat zij daarmee onbekend waren. Onbekendheid met de mogelijkheden van de beschikbare regelingen speelt dus een beperkte rol bij het niet opnemen van verlof voor de verzorging van een langdurig zieke. De hoofdreden waarom 20% van de werknemers die voor een ziek familielid zorgen wel behoefte heeft aan verlof maar er geen gebruik van maakt, is vooral gelegen in de omstandigheid dat het werk het niet toe liet om verlof op te nemen: bij zowel mannen als vrouwen ligt dit op 38,7 procent. Uit ervaringen die tot nu toe zijn opgedaan bij de het project Werk&mantelzorg komt naar voren dat het introduceren van flexibele werkprocessen op de werkvloer hierin een aanzienlijke verbetering kan brengen.
Zowel de sociale partners als de overheid hebben een rol bij de voorlichting over de verlofregelingen. Wezenlijk onderdeel van een mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid is dat de werkgever in overleg met de werknemer beziet welke mogelijkheden er zijn om het werk aan te passen aan de zorgverantwoordelijkheden. Verlof is een van de instrumenten die daarvoor kunnen worden ingezet. Voorlichting door de sociale partners of individuele werkgevers ligt daarnaast ook voor de hand gezien de mogelijkheden die de Wet arbeid en zorg biedt om op het niveau van de cao of het individuele bedrijf nadere regelingen te treffen over het gebruik van de verlofregelingen.
De verantwoordelijkheid van de rijksoverheid is met name gelegen in het geven van informatie over de wettelijke kaders. Bij de totstandkoming van de Wet arbeid en zorg is intensieve voorlichting gegeven, onder andere door de uitgave van het tijdschrift Toptijd. Momenteel biedt de website van het ministerie van SZW informatie over de diverse verlofregelingen. Het ligt voor de hand dat bij eventuele aanpassing van de Wet arbeid en zorg in het kader van de Beleidsverkenning modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden opnieuw actief voorlichting zal worden gegeven over de (gewijzigde) regelgeving.
Hoe kan het, dat uw ministerie nog niet het certificaat «mantelzorgvriendelijk» heeft? Bent u van plan tot voorbeeld te zijn voor alle werkgevers die u aanspreekt op tot mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid? Heeft u de ambitie om uw ministerie tot de koplopers te laten behoren in het door het ministerie ondersteunde initiatief van Mezzo «Werk en Mantelzorg?»
Mijn ambities om te komen tot een mantelzorgvriendelijk personeelsbeleid gaan verder dat het ministerie van VWS. Met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is begin dit jaar een project gestart dat erop is gericht mantelzorg binnen alle departementen beter op de kaart te krijgen. Dat gebeurt door het vergroten van het bewustzijn bij de departementen van het feit dat er veel werknemers van het Rijk mantelzorg verlenen. Tevens worden handreikingen geboden om hen daarbij goed te kunnen ondersteunen. Het spreekt vanzelf dat VWS hieraan actief mee doet.
Deelt u de mening dat het vraagstuk van het combineren van werk en zorg steeds urgenter om antwoorden vraagt die verder gaan dan bewustwording en informatie verschaffen? Bent u bereid om de ontwikkelingen en inspanningen op het terrein van mantelzorg en werk nauwgezet te volgen en de Kamer daar periodiek een «stand van zaken brief» over te sturen?
Ik deel uw mening dat het vraagstuk van het combineren van werk en zorg om meer vraagt dan het verschaffen van informatie en het bevorderen van bewustwording. Dat is echter vooral een aangelegenheid die zich tussen de sociale partners -bijvoorbeeld rond het afsluiten van de CAO- afspeelt. VWS en SZW kunnen wel partijen stimuleren om deze verantwoordelijkheid op te pakken, en doen dat ook. Het verschaffen van informatie, het verspreiden van best practices en het verhogen van de bewustwording zijn daarbij belangrijke instrumenten. Het is aan het nieuwe kabinet om te bepalen of nog andere maatregelen moeten worden ingezet, en hoe de ontwikkelingen op dit terrein zullen worden gevolgd en hoe daarover zal worden gerapporteerd.
Het bericht dat steeds meer zorginstellingen kosten aan bewoners doorrekenen voor zaken die vallen onder de AWBZ |
|
Geert Wilders (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «zorginstellingen benadelen bewoners»?1
Ik heb kennis genomen van dit bericht.
Waarom stapelen deze misstanden, zoals dat bewoners van zorginstellingen moeten betalen voor koffie, fruit of zelfs het oppompen van de banden van de rollator, zich alsmaar op, terwijl dit verzekerde zorg uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) is?
Het vragen van bijbetalingen voor diensten die tot de verzekerde zorg behoren is niet geoorloofd. Het is in strijd met artikel 35 van de Wmg. Aanbieders die wel bijbetalingen vragen handelen in strijd met de wet. De NZa heeft op 15 juli jl. aan alle zorgkantoren en alle instellingen in gehandicaptenzorg en verpleging- en verzorgingshuiszorg een brief gestuurd waarin de NZa wijst op de vigerende regelgeving en aangeeft dat het vragen van bijbetalingen voor diensten tot de verzekerde zorg behoren niet geoorloofd is. De NZa heeft naar aanleiding van de brieven reacties ontvangen. De NZa verwacht uiteindelijk bij tussen de 50 en 100 instellingen te constateren dat er sprake is van onterechte betalingen voor zorg die onder het verzekerd pakket valt.
Bent u bereid om alle instellingen die zich hieraan schuldig maken te berispen en in tweede instantie een aanwijzing te geven? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Tegen instellingen die ten onrechte bijbetalingen vragen voor zorg die onder het verzekerd pakket valt, wordt opgetreden door zorgkantoren en de NZa. De NZa heeft een handhavingsbevoegdheid op basis van de Wet markordening gezondheidszorg. De handhavingsmogelijkheden die de NZa heeft zijn het geven van een aanwijzing, het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een bestuurlijke boete. Voor de wijze waarop de betrokken partijen – zorgkantoren, cliëntenraden en NZa - optreden tegen onterechte eigen betalingen wil ik u verwijzen naar mijn brief over «onterechte betalingen in AWBZ-instellingen» (kenmerk DLZ-3016126).
Bent u bereid om alle instellingen aan te schrijven en duidelijk te maken dat er niet bijbetaald hoeft te worden voor AWBZ-verzekerde zorg? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Alle aanbieders in gehandicaptensector en verpleging- en verzorgingshuissector zijn door de NZa per brief van 15 juli jl. gewezen op de vigerende regels en richtlijnen. Hierin is duidelijk vermeld dat het niet geoorloofd is om bijdragen van cliënten te vragen voor zaken die tot de aanspraken behoren. Er is onder andere verwezen naar de brochure «Daar hebt u recht op in een AWBZ-instelling» van het College voor zorgverzekeringen (CVZ). Dit document biedt een goede basis voor het maken van afspraken tussen zorgkantoren en instellingen en voor cliëntenraden.
Deelt u de mening dat het van de gekke is dat gevangenen wel vele rechten hebben en dat deze verwoord zijn in de Penitentiaire beginselenwet en dat ouderen, gehandicapten en chronisch zieken in instellingen geen afdwingbare rechten hebben, maar worden afgescheept met slappe Normen Verantwoorde Zorg? Zo nee, waarom niet?
Ik deel niet uw mening dat ouderen, gehandicapten en chronische zieken in instellingen afgescheept worden met slappe normen. Bewoners van zorginstellingen ontvangen zorg op grond van een indicatie die aansluit op de zorgbehoefte van de cliënt. De zorginstelling gebruikt de indicatie om de zorg in overleg met de cliënt af te stemmen. De zorgafspraken worden vastgelegd in een zorgplan. De cliënt heeft dus wel degelijk inspraak in de ontvangen zorg. Daarnaast hebben bewoners bij geneeskundige behandeling recht op informatie, toestemming, dossiervorming en privacy. Verder kunnen cliënten klachten indienen als ze de zorg niet goed vinden en via cliëntenraad invloed uitoefenen op de inhoud en kwaliteit van de zorg. De rechten van cliënten zijn vastgelegd in de Kwaliteitswet en de Wet Big, Wet klachtrecht cliënten zorgsector en de Wet medezeggenschap Wmcz.
Ik heb recentelijk het wetsvoorstel wet cliëntenrechten zorg bij uw Kamer ingediend. Met deze wet wil het kabinet de individuele en collectieve rechtspositie van de cliënt versterken en verduidelijken. De wet geeft cliënten recht op goede zorg in alle relaties tussen cliënten en zorgaanbieders in de gehele keten van de zorg. Met de nieuwe wet gaan de cliëntenrechten uit de Wet geneeskundige behandelovereenkomst ook voor alle cliënten in de langdurige zorg gelden.
Tenslotte wordt een impuls gegeven aan de rechten van cliënten door algemene leveringsvoorwaarden. In de verpleging- en verzorgingshuissector zijn in april 2010 tweezijdige leveringsvoorwaarden vastgesteld, deze treden per 1 januari 2011 in werking. De VVT-sector heeft de primeur van uniforme, sectorbreed gedragen Algemene Voorwaarden. Met de komst van uniforme algemene voorwaarden wordt een stevige basis gelegd voor de relatie zorgaanbieder-cliënt in deze sector. Hierin is onder meer een onafhankelijke geschillenregeling buiten de zorginstelling opgenomen.
Ik ben van mening dat bovenstaande voldoende waarborgen biedt voor een cliënt om de zorg te ontvangen die hij geïndiceerd heeft gekregen.
Bent u bereid om bewoners van instellingen afdwingbare rechten te geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat Spanje haar zorgen heeft geuit over het uitzetten van christenen uit Marokko |
|
Raymond de Roon (PVV), Louis Bontes (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Spanje: Marokko zet christenen uit»1 en «Zorg over uitzetten christenen door Marokko?»2
Ja.
Klopt het dat sinds maart van dit jaar er al 130 christenen zijn uitgezet door de Marokkaanse autoriteiten?
Er zijn inmiddels rond de 130 buitenlandse christenen het land uitgezet op beschuldiging van proselitisme. Het exacte aantal is niet bekend.
Zit er een stijging in het aantal uitgezette christenen in het afgelopen jaar in vergelijking met voorgaande jaren, gelet op het feit dat in maart 2010 er ook al zeven Nederlanders het land uit zijn gezet en in december 2009 er sprake was van de uitzetting van vijf christelijke zendelingen?
Ja, er is het afgelopen jaar sprake van een stijging van het aantal uitgezette christenen.
Kunt u aangeven hoeveel van de 130 uitgezette christenen de Nederlandse nationaliteit hebben? Zo nee, waarom niet?
Er zijn dit jaar zeven christenen met de Nederlandse nationaliteit uitgezet. Van twee Nederlandse christenen is de verblijfsvergunning ingetrokken.
Deelt u de ongerustheid van de Spaanse regering over het uitzetten van christenen? Zo ja, bent u bereid om net als de Spanjaarden deze kwestie aan te kaarten bij de Marokkaanse regering? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de ongerustheid van de Spaanse regering. Op 9 maart j.l. heb ik de Marokkaanse ambassadeur nog ontboden om tegen de uitzetting van Nederlandse christenen te protesteren, en ik zal ook in de toekomst niet nalaten het belang van het respecteren van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in contacten met Marokko en in de relevante internationale fora aan de orde te stellen. Daartoe behoren ook expliciet de vrijheid om geen geloof aan te hangen, dan wel om van geloof te veranderen. In dit verband verwijs ik u ook naar mijn antwoord d.d. 21 januari 2010 op de vragen van de leden Van der Staaij (SGP), De Roon (PVV) en Voordewind (ChristenUnie) over de uitzetting van christelijke zendelingen uit Marokko (kamervragen 2009–2010, nr. 1322).
Zorginstellingen benadelen bewoners |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) dat zaken die door de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) gedekt worden zoals een kopje koffie, fruit etc niet in rekening mogen worden gebracht bij bewoners van zorginstellingen?
Ik deel de mening van de NZa dat aanbieders geen geld in rekening mogen brengen voor producten en diensten die tot de aanspraken behoren. Het vragen van bijbetalingen voor diensten die tot de verzekerde zorg behoren is niet geoorloofd. Het is in strijd met artikel 35 van de Wmg.
Wat voor maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat dit in de toekomst weer gebeurt en bent u bereid bewoners die reeds voor dergelijke zaken betaald hebben te (laten) compenseren?
Tegen bestaande overtredingen wordt opgetreden door zorgkantoren en de NZa. Ik wil er echter ook voor zorgen dat dit soort incidenten in de toekomst niet meer voorkomen. Het is daarom cruciaal dat aanbieder en cliëntenraad in overleg treden en dat het besef wat wel en niet geoorloofd is neerdaalt in de instelling zelf. Voor de wijze waarop de betrokken partijen – zorgkantoren, cliëntenorganisaties, cliëntenraden en NZa - gezamenlijk optreden tegen onterechte eigen betalingen wil ik u verwijzen naar mijn brief over «onterechte betalingen in AWBZ-instellingen» (kenmerk DLZ-3016126).
Ten aanzien van terugbetalingen ben ik van mening dat de cliënt tegemoet moet worden gekomen voorzover er wordt geconstateerd dat er onterecht geld in rekening is gebracht. In Nederland geldt dat wat onverschuldigd is betaald teruggevorderd kan worden (art. 6:203 Burgerlijk Wetboek). Ik heb geen bevoegdheden of instrumenten om dit als minister af te dwingen. Ik doe appel op aanbieders om in het overleg met individuele cliënten of cliëntenraden tot een voorstel te komen voor tegemoetkoming als er sprake is van onterechte bijbetalingen. Het staat individuele cliënten bovendien vrij om juridische stappen te zetten of een klacht in te dienen bij de aanbieder, bijvoorbeeld door de instelling in verzuim te stellen vanwege onverschuldigde betaling.
Langdurige storing Schipholtunnel |
|
Arie Slob (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Reparatie Schipholtunnel gaat maanden duren»?1
Ja.
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen over Rail Infrabeheer en vertragingen?2
Ja. Ik heb kennisgenomen van de citaten van mijn ambtvoorganger uit 2002.
Waarom is pas een week na het ontstaan van de schade in de Schipholspoortunnel bekend geworden dat er een tekort aan reservemateriaal is en dat de storing daardoor nog maanden gaat duren?
Dat er een tekort aan reservematerieel zou zijn, was al snel bekend. Eerste prioriteit was het onderzoek naar de schade en vervolgens om de dienstregeling weer zoveel mogelijk te normaliseren. Vanwege de unieke aard en omvang van de schade heeft het onderzoek enige tijd in beslag genomen.
Na het incident op 13 juli waren oorspronkelijk allevier de sporen onbruikbaar. Op 14 juli is één van de sporen weer in gebruik genomen. Vanaf 16 juli zijn nog twee sporen weer in gebruik genomen. Sinds vrijdag 24 september is de tunnel weer volledig in gebruik. De voortgang van de werkzaamheden was deels afhankelijk van beschikbare materialen. Ook speelde een rol dat de werkzaamheden aan dit spoor zoveel mogelijk in de nacht werden verricht opdat de aangepaste dienstregeling van NS niet wordt aangetast en de hinder voor de reiziger beperkt bleef.
Is het tekort aan reservemateriaal ontstaan bij ProRail of bij de spooraannemers?
ProRail beschikt zelf niet over reservemateriaal. Dit is contractueel belegd bij de aannemers. Zij dienen volgens afspraken met ProRail bepaalde hoeveelheden reservemateriaal beschikbaar te hebben. De Schipholtunnel heeft een uniek karakter, wat betreft materiaal en locatie: de dichte tunnelbuis, de beperkte werkruimte, veiligheidseisen in verband met treinverkeer en mate van luchtdruk. De materialen zijn indertijd op maat gemaakt en daarmee unicaten die nergens anders in het land worden gebruikt. Dit vanwege specifieke veiligheidseisen die per tunnel gelden.
Zoveel reservemateriaal op voorraad houden als bij deze reparatie nodig was, is volgens ProRail bedrijfseconomisch niet verantwoord. Afwegingen die hierbij worden gemaakt zijn: de kansberekening op uitval van circa 3 km bovenleiding, de kans op veroudering van materiaal en dus veiligheidsrisico’s, desinvestering van maatschappelijke middelen. Zo waren conform de afspraak tussen ProRail en de betreffende aannemer(s) wel enkele ophangcontructies voor de Schipholtunnel voorradig maar geen honderden. In deze unieke situatie voorzien de contracten om bovengenoemde redenen niet.
Hoe groot is de schade voor NS en de maatschappelijke schade per maand voor het niet beschikbaar zijn van één spoor in de tunnel?
Een inschatting van de omvang van de schade is moeilijk te maken. Gelukkig ging het nu om een vakantiemaand en was er met name minder spitsvervoer. Daarnaast deden ProRail en NS er alles aan om de overlast voor reizigers zoveel mogelijk te beperken. ProRail keek bijvoorbeeld naar mogelijkheden om elders geschikt materiaal te vinden.
Vindt u nog steeds dat de maatregelen om te zorgen dat er geen vertragingen ontstaan door een tekort aan materieel of reserveonderdelen, volstaan?
Ik reken ProRail af op de beschikbaarheid en de betrouwbaarheid van de geleverde infrastructuur en op de kwaliteit van de bijsturing. ProRail is verantwoordelijk voor het weer beschikbaar komen van het spoor en om samen met de NS de reizigersoverlast te beperken. Ook is ProRail verantwoordelijk voor goede afspraken met de aannemers. Ik heb van ProRail begrepen dat men met het oog daarop de komende jaren een nieuwe contractvorm – Prestatie Gericht Onderhoud (PGO) – invoert, met een bonus malus systeem op de prestaties van de aannemer.
Bent u bereid ProRail aan te spreken over de langdurige uitval van treinen tussen Hoofddorp en Schiphol en tussen Lelystad en Schiphol?
De gebrekkige informatievoorziening door onderwijsinstellingen over het collegegeld bij een tweede studie |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) met betrekking tot de informatievoorziening door onderwijsinstellingen in het hoger onderwijs rond de voorwaarden en hoogte van het collegegeld bij een tweede studie?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusies, zoals die worden gedaan naar aanleiding van dit onderzoek, over gebrekkige en incorrecte informatie richting studenten?
Uit de steekproef van het ISO bleek dat sommige medewerkers niet goed op de hoogte waren van de stand van zaken op hun instelling; sommige medewerkers gaven aan dat zij de laatste regelingen niet altijd tijdig te horen kregen van hun bestuur. Ook op de websites was de informatie soms onvolledig.
Voor studenten die nu een studie kiezen voor het studiejaar 2011–2011 is het lastig als deze informatie bij de instellingen niet tijdig op orde is.
Bent u van mening dat het zorgwekkend is dat zo vlak voor aanvang van het nieuwe studiejaar de informatievoorziening op diverse hogescholen en universiteiten gebrekkig, incompleet en in gevallen ook incorrect lijkt te zijn?
Ja, dit schept voor studenten onnodige verwarring.
Welke afspraken heeft u eerder gemaakt met de diverse partners (onder andere de vereniging van universiteiten en de vereniging van hogescholen) binnen het hoger onderwijs om te zorgen dat voor aanvang van het nieuwe studiejaar duidelijke en correcte informatievoorziening kunnen geven?
Toen de wet versterking besturing is aangenomen is in mei 2010 door OCW de juiste informatie verspreid op de website van de rijksoverheid, op de website van DUO/IB-groep voor zowel instellingen als studenten en aan de koepels VSNU en HBO-raad. Ook heeft DUO/IB-groep informatie aan de instellingen verstrekt in haar digitale nieuwsbrief.
Doel was de informatie zo eenduidig mogelijk te verspreiden. Het ISO heeft zijn tevredenheid getoond over deze acties.
Aan de koepels VSNU en HBO-raad is gevraagd de informatieverspreiding aan de instellingen ter hand te nemen, bij voorkeur met dezelfde voorlichtingstekst als de andere informatiebronnen om verwarring te voorkomen. Het is de verantwoorde-lijkheid van koepels en instellingsbesturen om hun voorlichting tijdig op orde te hebben.
Is het mogelijk dat in deze fase verschillende onderwijsinstellingen nog geen bedragen kunnen noemen voor studies waarvoor het instellingscollegegeld van toepassing is? Bent u van mening dat dit wel cruciale informatie is voor studenten die in september aan een tweede studie willen beginnen en nu de kosten moeten kunnen inschatten?
Het is aan de instellingen om de hoogte van het instellingscollegegeld vast te stellen.
Vanuit de overheid is er voor de instellingen geen belemmering om het collegegeld op dit moment vast te stellen en bekend te maken.
Bent u bereid om op korte termijn aan de bel te trekken bij de diverse partners zodat studenten wel voorzien worden van de benodigde en correcte informatie over het volgen van een tweede studie bij een HBO- of universitaire instelling?
In mei 2010 is door OCW een brede voorlichtingsactie uitgevoerd om de juiste informatie over collegegeld te verspreiden. Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Het ISO is hiervan op de hoogte gesteld en heeft zijn tevredenheid hierover uitgesproken.
Bij wijzigingen zal deze informatie geactualiseerd worden.
Op dit moment is het aan de instellingen om de informatievoorziening correct en op tijd weer te geven.
Mogelijke trucs bij diplomaverstrekking op de Hanzehogeschool |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is het oordeel van de regering over de in de brieven genoemde «alternatieve afstudeermogelijkheden» die zogenaamde «staartstudenten» onder andere via mondelinge examens en vormen van buitenschoolse competenties worden aangeboden? Is er wat u betreft sprake van een voldoende kwalitatieve vorm van afstuderen?12
Ik vind dat er reden is tot zorg over de kwaliteit van deze alternatieve afstudeermogelijkheden. De inspectie is in juli jl. een onderzoek gestart naar alternatieve afstudeertrajecten onder alle instellingen in het hoger onderwijs. Bij brief van 28 juli werd de Tweede Kamer daarover geïnformeerd (Kamerstukken II, 2009–2010, 31 288, nr. 109). De tussenrapportage over dit onderzoek is op 19 oktober jl. naar uw Kamer verzonden. Daarin geeft de inspectie aan rondom alternatieve afstudeertrajecten risico’s waar te nemen voor langstuderenden en voor overige studenten ten aanzien van:
De vraag of er sprake is van een voldoende kwalitatieve vorm van afstuderen kan niet eerder worden beantwoord dan april 2011, wanneer de rapportage van de inspectie over de uitkomsten van het landelijke verdiepingsonderzoek beschikbaar komt.
Is er naar het oordeel van de regering een vergelijking te trekken met de mogelijke onvolkomenheden die speelden bij InHolland rond het verstrekken van diploma’s?
Dat zal het landelijk verdiepingsonderzoek van de inspectie moeten uitwijzen.
Wat is de rol van de inspectie geweest bij het wegen van deze vorm van diplomaverstrekking?
Er is geen betrokkenheid van de inspectie geweest bij de opzet van het genoemde traject.
Kunt u aangeven of deze methoden op meer plekken in het hoger onderwijs worden toegepast? Wilt u dat onderzoeken?
Uit de tussenrapportage van de inspectie blijkt dat veel instellingen beleid voeren op langstudeerders. Bij 41 instellingen wordt door de inspectie aanvullende informatie opgevraagd en de reeds beschikbare informatie zal geverifieerd. Op grond daarvan kan worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van risico’s. Is dat het geval dan volgt een verdiepingsonderzoek op de examinering. Indien daarbij risicovolle situaties worden aangetroffen, wordt nagegaan of er hiaten zijn in het interne toezicht en de kwaliteitszorg van de instelling. Waar nodig wordt samen met de NVAO onderzoek in gang gezet naar het gerealiseerde eindniveau van afgestudeerden. Mochten in deze stappen onregelmatigheden worden aangetroffen, dan wordt het instellingsbestuur gemaand de nodige maatregelen te treffen en een verbeterplan op te stellen.
Het dragen van een niqaab |
|
Ger Koopmans (CDA) |
|
Camiel Eurlings (minister verkeer en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Draagster niqaab in Uden uit bus gezet»?1
Ja.
Bent u van mening dat het gedrag van de chauffeur onbehoorlijk is geweest en excuses op zijn plaats zijn?
De openbaar vervoerbedrijven hebben ervoor gekozen geen specifiek beleid te voeren ter ontmoediging van het dragen van gelaatsbedekkende kleding in het openbaar vervoer. In de vervoervoorwaarden van de vervoerbedrijven zijn aan de reizigers geen eisen gesteld ten aanzien van deze kleding.
Volgens de bedrijfsregels van de vervoerder had de niqaab draagster op dezelfde manier behandeld moeten worden als alle andere reizigers. Omdat ze in het bezit was van een geldig vervoerbewijs had haar de toegang tot het voertuig niet ontzegd mogen worden. De buschauffeur heeft dan ook in strijd gehandeld met de bedrijfsregels en het vervoerbedrijf heeft haar excuses aangeboden.
Deelt u de mening dat het gedrag van de chauffeur te billijken is aangezien de niqaab het gelaat, slechts op de ogen na, bedekt en er geen herkenning noch identificatie kan plaatsvinden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten wat de laatste stand van zaken is met betrekking tot gelaatsbedekking in het openbaar vervoer, wat uw standpunt is en wat u de afgelopen periode richting vervoersbedrijven heeft ondernomen, zoals aangekondigd in uw antwoord op de feitelijke vragen van collega Sterk (bij de begrotingsbehandeling Wonen, Wijken en Integratie 2010)?2
Het kabinetsbesluit van 8 februari 2008 (kamerstuk 31 200 VII, nr 48) is helder over het dragen van gelaatsbedekkende kleding. Het kabinet vindt het dragen van dergelijke kleding onwenselijk. Gelet op de hinder en de veiligheidsrisico’s die kunnen worden ondervonden bij het dragen van gelaatsbedekkende kleding in het openbaar vervoer zal met vervoersondernemingen worden overlegd over het in de algemene vervoervoorwaarden van de vervoerbedrijven opnemen van verbodsbepalingen ten aanzien van gelaatsbedekkende kleding en is het kabinet bereid zonodig nadere maatregelen te nemen.
Naar aanleiding van bovenstaande toezegging in het kabinetsbesluit heb ik overleg gevoerd met openbaar vervoermaatschappijen over een verbod op gelaatsbedekkende kleding in het openbaar vervoer. De vervoerders vrezen dat uitvoering en handhaving van het verbod leidt tot spanningen. Bovendien is het opnemen van een verbod op gelaatsbedekkende kleding in de vervoervoorwaarden van de vervoerders, zoals vermeld onder vraag 2 en3, onvoldoende omdat het verbod niet uitgevoerd en gehandhaafd kan worden zonder een wettelijke basis.
Zoals aangegeven is het kabinet van mening dat gelaatsbedekkende kleding onwenselijk is. Open communicatie is immers essentieel voor goed verlopend onderling verkeer tussen mensen in de samenleving. Het is aan het volgende kabinet om zo nodig verdere stappen te ondernemen.
Bent u bereid om het vervoersbedrijf er op te wijzen dat in het kader van het vergroten van de veiligheid en het veiligheidsgevoel in het openbaar vervoer het noodzakelijk is dat mensen herkend kunnen worden in een bus en dat een niqaab daarbij niet past, dit ook gezien de ontwikkelingen in het buitenland en de mogelijke verboden van gelaatsbedenkende kleding zoals niqaabs en burqa’s in België, Spanje en Frankrijk?
Zie antwoord vraag 4.
De omgewaaide hoogspanningsmasten tussen Doetinchem en Ulft |
|
Paulus Jansen |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
Voldeden de vijf hoogspanningsmasten die op 14 juli jl. zijn omgewaaid aan de constructieve eisen van de nieuwe Europese norm voor hoogspanningsmasten?
Tennet heeft onmiddellijk na de gebeurtenis bij Vethuizen de oorzaak laten onderzoeken door KEMA. Op 18 november jl. heeft TenneT de onderzoeksresultaten gepubliceerd («Rapportage storingsonderzoek 150kv-lijn Doetinchem-Ulft/Dale», KEMA, oktober 2010).
Het onderzoek heeft aangetoond dat het omwaaien van de masten is veroorzaakt door extreme weersomstandigheden waarbij windsnelheden zijn bereikt tussen de 150 en 200 km/u. KEMA raamt dat de betreffende masten zijn bezweken bij een windbelasting van ca. 180 km/u. Deze windsnelheden zijn niet meer te vatten in de bekende schaal van Beaufort: windkracht 12 «orkaan» (117 km/h).
De nieuwe Europese normen voor het hoogspanningsnet gelden voor nieuwbouw vanaf mei 2002. Elke mast die na die datum is geplaatst, moet voldoen aan deze norm. In deze nieuwe norm wordt vereist dat de masten een windbelasting van maximaal 144 km/h kunnen doorstaan.
De omgewaaide masten zijn gebouwd in 1970 en voldeden volgens KEMA aan de constructienormen van dat moment. KEMA heeft de ontwerpberekeningen van de masten tevens getoetst aan de nieuwe Europese norm en daaruit blijkt dat de bezweken onderdelen van de masten ook voldeden aan de ontwerpspecificaties van de nieuwe Europese norm. Ondanks het feit dat de betreffende onderdelen van de masten voldeden aan de constructieve eisen van de nieuwe Europese norm, zijn zij bezweken onder de in Vethuizen opgetreden windsnelheden. Deze waren dermate extreem, dat ook nieuwe masten ver boven de ontwerpsterkte zouden zijn belast.
Het 100% uitsluiten van dit soort risico’s is onmogelijk. Uiteraard moeten de constructie-eisen zodanig zijn, dat de infrastructuur van TenneT bestand is tegen bepaalde weersomstandigheden, maar ook tegen andere risico’s. Indien ons klimaat structureel verandert, waardoor zich frequenter extreme situaties zouden kunnen voordoen, kan dat aanleiding zijn de normen verder aan te scherpen. Echter, een woonhuis dat in 1960 is gebouwd, wordt ook niet gerenoveerd telkens als de bouwverordening wordt aangepast. Waar het om gaat is dat de leveringszekerheid wordt gewaarborgd. Daarvoor is het niet nodig, maar ook niet economisch en maatschappelijk verantwoord, om bij elke gewijzigde of aangescherpte norm de hele Nederlandse hoogspanningsinfrastructuur te vervangen of aan te passen. Het beleid van TenneT en de regionale netbeheerders is er op gericht, daar waar mogelijk en noodzakelijk, de robuustheid van verbindingen te vergroten en onverhoopt optredende storingen zo snel mogelijk te verhelpen. Ook in het geval van Vethuizen was de stroomvoorziening binnen een uur hersteld.
Hoeveel procent van de Nederlandse masten voldoet aan de Europese norm?
De nieuwe Europese norm (EN 50341) bestaat sinds 2002. Deze is hoofdzakelijk gebaseerd op de Nederlandse normen zoals die in 1995 zijn aangescherpt (NEN 1060). Voor circa 5 procent van de masten in het Nederlandse transportnet geldt dat ze na 1995 zijn gebouwd.
Dit houdt niet in dat 95% van de hoogspanningsmasten onveilig zou zijn en voortijdig vervangen zouden moeten worden. Het onderzoek van KEMA toont immers aan dat ook de onderzochte masten uit 1970 op de essentiële punten blijken te voldoen aan de nieuwe norm.
Is het waar dat de masten die niet voldoen, meer dan 40 jaar oud zijn? Wat is de afschrijvingsduur van deze masten?
De omgevallen masten dateerden uit 1970. Ze waren dus 40 jaar oud, terwijl hoogspanningsmasten zo'n 50 tot 100 jaar mee kunnen gaan. De masten worden tweemaal per jaar visueel gecontroleerd door TenneT, en daar waar nodig zal door TenneT actie worden ondernomen. Iedere zes jaar komt elke mast aan de beurt voor een uitgebreide inspectie. De betrokken masten zijn recent uitgebreid geïnspecteerd. Eenmaal per 15 jaar wordt een mast geschilderd. KEMA heeft in het hierboven genoemde onderzoek vastgesteld dat het onderhoud aan de masten geen onregelmatigheden heeft laten zien en dat er geen defecten of verborgen defecten aangetoond konden worden.
Hoeveel procent van de masten die niet aan de norm voldoen bevindt zich in een tracé dat gebaseerd is op het n-1 principe, waardoor omwaaien niet automatisch tot totale stroomuitval in het achterliggende gebied leidt? Indien dat percentage groter is dan 0, vindt u dat acceptabel?
De risico’s van stroomuitval is in een aantal gebieden in Nederland hoger dan wenselijk is. Hierover is de afgelopen jaren regelmatig gedebatteerd met uw Kamer. Dit heeft geleid heeft tot wettelijk verankerd beleid voor deze zogenaamde uitlopers van het hoogspanningsnet, waar het «n-1» principe niet gehanteerd kan worden. In dat kader werkt TenneT thans aan maatregelen die de risico’s in 11 uitlopers zullen verminderen. De leveringszekerheid zal hierdoor worden vergroot. De gebeurtenissen in Vethuizen onderstrepen de noodzaak van dit beleid.
Welke investering is gemoeid met de vervanging van de masten, die niet voldoen aan de constructieve eisen?
Alle masten voldoen aan de constructieve eisen waarvoor ze ontworpen zijn en worden regelmatig geïnspecteerd. Daar komt bij dat de masten in Vethuizen ook blijken te hebben voldaan aan de nieuwste constructieve eisen. Ik begrijp van TenneT dat er geen apart programma is om bestaande masten aan te passen aan nieuwe normen.
Is de vervanging/versterking van deze masten al ingepland? Op welke termijn zal dit geschieden?
Bij de aanleg van nieuwe hoogspanningsmasten houdt TenneT vanzelfsprekend rekening met de nieuwste eisen die worden gesteld aan de bouw van nieuwe verbindingen. De energiesector is zelf ook nauw betrokken bij de totstandkoming van nieuwe (internationale) normen, bijvoorbeeld in relatie tot klimatologische veranderingen. Ik verwijs hier ook nogmaals naar mijn antwoord op vraag 1.
Bestaande masten worden regelmatig geïnspecteerd en vervangen indien daar de noodzaak toe bestaat. Ik zie geen reden dat Tennet deze benadering zou moeten wijzigen.
Promotieactiviteiten van Heineken tijdens de huldiging van het Nederlands elftal |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Ab Klink (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de promotieactiviteiten van Heineken tijdens de huldiging van het Nederlands elftal in Amsterdam op dinsdag 13 juli jl.?
Ja.
Bent u bekend met het bericht1 dat Heineken bijzonder ingenomen was met de uitgevoerde marketing strategie en het bier gratis ter beschikking heeft gesteld? Bent u op de hoogte van deze elementen van de marketing strategie van Heineken?2
Ja, het bericht in het dagblad Trouw van 15 juli jl. is mij bekend. En nee, ik ben niet op de hoogte van de marketing strategie van Heineken N.V. Wel heb ik geconstateerd dat er door Heineken promotieteams promotiemateriaal is uitgedeeld aan mensen in het publiek.
Het Commissariaat voor de Media heeft de beelden van de televisieuitzending bekeken en heeft aangegeven dat er geen overtreding van de Mediawet heeft plaatsgevonden. De conclusie van het Commissariaat is dat beide omroepen (SBS en NOS) netjes verslag hebben gedaan en er geen sprake was van sluikreclame. Het Nederlands Instituut voor Alcoholbeleid (STAP) heeft naar aanleiding van de huldigingsuitzending een klacht ingediend bij de Reclame Code Commissie (zelfregulering) inzake het niet naleven van de Reclamecode voor Alcoholhoudende dranken, maar de klacht is door de commissie afgewezen.
Wat uw mening over deze zichtbare verstrengeling van het zich presenteren van de voetbalhelden, zijnde belangrijke voorbeeldfiguren voor jongeren, met de doelgerichte promotie van een biermerk?
Het ging hier om een unieke gebeurtenis waarvan in dit geval zowel kinderen, jongeren als volwassenen getuige zijn geweest. Desondanks betreur ik het dat juist dit beeld, bewust of onbewust, is neergezet.
Deelt u de mening dat op deze wijze alcoholpromotie een zeer groot aantal minderjarigen heeft bereikt?
Ja, uit gegevens aangeleverd door Heineken valt op te maken dat 165 000 jongeren zijn bereikt.
Bent u bekend met de Reclamecode voor Alcoholhoudende dranken waarin staat beschreven dat alcoholpromotie niet gericht dient te zijn op een publiek dat uit meer dat 25% minderjarigen bestaat? Deelt u de mening dat deze zogenaamde 25% regel niet heeft kunnen voorkomen dat een zeer groot aantal jongeren met alcoholpromotie is geconfronteerd?
Ja, ik ben bekend met de betreffende bepaling in de Reclamecode voor Alcoholhoudende dranken. En ja, deze 25% regel heeft niet kunnen voorkomen dat overdag 165 000 jongeren herhaaldelijk zijn geconfronteerd met het merk Heineken.
Deelt u de mening dat er bij de alcoholindustrie op dient te worden aangedrongen dat de 25% regel dient te worden aangepast? Welke aanpassing stelt u voor?
Een aanpassing van de 25% regel lijkt mij vooralsnog niet nodig. Er is frequent ambtelijk overleg met STIVA (Stichting Verantwoord Alcoholgebruik), de koepel van de alcoholindustrie, over de wijze waarop zij maatschappelijk verantwoord ondernemen gestalte geven.
Bent u bekend met de werkgroep Alcohol en Jongeren van het Regulier Overleg Alcohol (ROA) en haar rapport getiteld «Jongeren en alcohol mixen niet» waarin o.a. een programma met het NOS*NSF is opgenomen om het alcoholgebruik onder jongeren terug te dringen (Kamerstuk 27 565, nr. 103)? Deelt u de mening dat de alcoholpromotiestrategie van Heineken tijdens de huldiging van het Nederlandse elftal op 13 juli jl. haaks staat op de voorgenomen activiteiten van NOS*NSF? Welke conclusie trekt u uit deze feiten?
Ja, daar ben ik mee bekend. NOC*NSF zet zich op verschillende manieren in om het alcoholgebruik door jongeren in sportkantines te verminderen. Zij doet dit in nauw overleg en in samenwerking met haar leden waarvan de KNVB er één is. Een voorbeeld van deze activiteiten is het uitrollen van de campagne «Geen 16, geen druppel». De activiteiten van Heineken tijdens de huldiging passen niet goed in de uit te dragen norm «geen alcohol onder de 16».
Deelt u de mening dat deze promotie-actie van Heineken gemeentelijke activiteiten ontmoedigt, daar tal van gemeenten in Nederland actief zijn met het ontwikkelen van een lokaal alcoholbeleid met als doel het alcoholgebruik onder jongeren terug te dringen, onder andere in de sportsector.
Er zijn ons nog geen signalen bekend dat deze actie het gemeentelijk beleid heeft ontmoedigd.
Bent u bereid om beleid te ontwikkelen dat als doel heeft om de thans zeer geaccepteerde samenhang tussen alcoholreclame en sport terug te dringen?
Er is door ons reeds voorlichting en beleid ontwikkeld om het alcoholgebruik bij sporters en in sportkantines terug te dringen. Zo kent de Reclamecode voor Alcoholhoudende dranken diverse specifieke regels die betrekking hebben op het fenomeen sport, zoals de verboden voor alcoholreclame op vervoermiddelen voor snelheidssporten. Daarnaast is er een campagne ontwikkeld door het Trimbos-instituut gericht op het niet schenken van alcohol aan jongeren in sportkantines. Deze campagne wordt door NOC*NSF gecontinueerd. Als laatste voorbeeld van ingezet beleid kunnen we de voorlichtingsinstructie voor barvrijwilligers noemen, de Instructie Verantwoord Alcohol Schenken.
Acht u het wenselijk dat in Nederland, in navolging van Frankrijk, sportsponsoring door alcoholproducenten wettelijk verboden wordt?
Vooralsnog is hiertoe geen aanleiding.
Drinkwater en Europese vereisten |
|
Ad Koppejan (CDA) |
|
Tineke Huizinga (CU) |
|
|
|
|
Kunt u uw antwoord op mijn vraag over een mogelijke nationale kop bovenop de Europese richtlijn met betrekking tot de nationale norm voor metabolieten tijdens het algemeen overleg over het Drinkwaterbesluit d.d. 30 juni 2010 nader toelichten aan de hand van beantwoording van de volgende vragen, aangezien na het algemeen overleg uit het veld tegenstrijdige berichten komen?1
Ja.
Is er in de Europese Drinkwaterrichtlijn 98/83 een norm opgenomen voor niet humaan-toxicologisch relevante metabolieten van gewasbeschermingsmiddelen? Zo nee, waarom kiest u ervoor om in het Drinkwaterbesluit een norm voor niet humaan-toxicologisch relevante metabolieten van gewasbeschermingsmiddelen op te nemen?
In de Drinkwaterrichtlijn is een norm opgenomen voor «relevante metabolieten» van pesticiden (zie Engelstalige tekst, Bijlage I, Deel B, opmerking 6: «relevant metabolites, degradation and reaction products»). De Drinkwaterrichtlijn maakt geen onderscheid in humaan-toxicologisch relevante metabolieten en niet humaan toxicologisch relevante metabolieten. Op basis van artikel 4 en 5 van de Drinkwaterrichtlijn is gekozen om een specifieke eis voor niet humaan-toxicologische relevante metabolieten op te nemen in het Drinkwaterbesluit. De Drinkwaterrichtlijn vereist, op basis van artikel 5, derde lid, dat lidstaten waarden vaststellen voor aanvullende parameters die niet in bijlage I van de richtlijn zijn opgenomen indien de bescherming van de volksgezondheid op hun grondgebied of een deel daarvan dit vereist.
De vastgestelde waarden moeten voldoen aan de in artikel 4, eerste lid, opgenomen eis dat de waarde op een zodanig niveau wordt gesteld dat er geen gevaar ontstaat voor de volksgezondheid. Relevante metabolieten kunnen op basis van stofeigenschappen worden aangemerkt als humaan-toxicologisch relevant of niet humaan-toxicologisch relevant. Niet humaan-toxicologisch relevante metabolieten leveren in lage concentraties geen direct gevaar voor de volksgezondheid. Zij zijn echter wel relevant voor de drinkwaterkwaliteit als bedoeld in de Drinkwaterrichtlijn. Het is bekend dat bij bereiding van drinkwater niet-relevante metabolieten het startmateriaal kunnen vormen voor humaan toxicologische producten. Zij moeten derhalve als «relevant» worden beschouwd. Om die reden en vanuit het voorzorgsprincipe, met oog op het voorkomen van mengseltoxiciteit, bestaat de noodzaak om ook voor deze stoffen een normwaarde te hebben.
Overigens, met de huidige tekst in het ontwerpbesluit is Nederland minder streng dan andere lidstaten (bijvoorbeeld Engeland, Duitsland en Denemarken).
Acht u het noodzakelijk om de norm voor niet humaan-toxicologisch relevante metabolieten van gewasbeschermingsmiddelen aan de Europese Commissie te notificeren? Zo nee, waaruit blijkt dat dit niet noodzakelijk is?
De norm voor niet humaan-toxicologische relevante metabolieten vloeit direct voort uit de Drinkwaterrichtlijn (één op één implementatie). In het geval van één op één implementatie hoeft niet te worden genotificeerd. De norm zal wel (als onderdeel van het Drinkwaterbesluit) aan de Commissie worden gemeld ter uitvoering van art. 17, tweede lid, van de Drinkwaterrichtlijn.
Overweegt u om in het Drinkwaterbesluit ook voor andere stoffen dan gewasbeschermingsmiddelen een waarde voor niet humaan-toxicologisch relevante metabolieten op te nemen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zijn geen andere stoffen bekend waarbij dezelfde problematiek speelt. Overigens geldt de norm voor niet-humaan relevante metabolieten niet alleen voor gewasbeschermingsmiddelen, maar ook voor biociden.
Kunt u uiteenzetten waarop de hoogte van de norm is gebaseerd? Is daarbij de relatie met het risicobeleid van de overheid betrokken, of staat de hoogte van de norm daar los van?
Vanuit humaan-toxicologisch oogpunt ligt het voor de hand om voor niet-humaan toxicologisch relevante metabolieten een andere norm te hanteren dan voor humaan-toxicologisch relevante metabolieten (0,1 microgram/l). Op basis van een RIVM-briefrapport van juni 2006 (Bestrijdingsmiddelen en hun metabolieten in leidingwater, rapport 703719050/2006, te vinden op www.rivm.nl) is besloten om voor niet humaan-toxicologisch relevante metabolieten een hogere voorzorgsnorm te hanteren, namelijk 1,0 microgram/l. Er is een relatie met het risicobeleid van de overheid als het gaat om het toepassen van het risicobeleid.
De norm is overigens wel gebaseerd op risico inschatting van effecten op basis van stofeigenschappen. De waarde van 1,0 microgram/l komt overeen met de signaleringswaarden voor antropogene stoffen, zoals voorgesteld in tabel IIIc van het ontwerp-besluit. De praktijk van de afgelopen 25 jaar heeft uitgewezen dat de waarde van 1 microgram/l in de praktijk goed voldoet.
Klopt het dat het betreffende Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)-rapport stelt dat het voor analyse- en monitoringsdoeleinden wenselijk is dat er een streefwaarde is, zodat de analysemethode hierop kan worden aangepast en de analyseresultaten getoetst kunnen worden? Waarom gaat u verder en introduceert u een norm en geen streefwaarde?
In het onder vraag 2 genoemde RIVM-briefrapport wordt de term «streefwaarde» uitsluitend gebruikt in verband met de vereiste nauwkeurigheid van monitoring- en analysetechnieken. Bedoeld wordt een beschrijving van het gewenste kwaliteitsniveau van meettechnieken. Zoals uit verdere tekst van het rapport blijkt, is het advies van het RIVM gericht op het hanteren van een maximumwaarde – ofwel norm – voor niet humaan-toxicologisch relevante metabolieten in relatie tot de drinkwaterkwaliteit.
Kunt u de impact van deze nieuwe norm toelichten? Zo nee, bent u bereid eerst een impactanalyse te laten uitvoeren alvorens de norm vast te stellen?
Op basis van metingen die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd wordt geen extra impact verwacht. Om die reden ligt uitvoering van een impactanalyse ook niet voor de hand. Het betreft een beperkt aantal stoffen. Tot op heden zijn alleen BAM en AMPA door de VROM-Inspectie aangemerkt als niet humaan-toxicologisch relevante metabolieten. Het opnemen van de norm leidt niet tot extra meetinspanningen. Drinkwaterbedrijven nemen deze stoffen nu reeds mee in hun meetprogramma’s. Zij volgen daarmee de strategie die is beschreven in het RIVM- rapport «Meetstrategie bestrijdingsmiddelen voor de drinkwaterbedrijven» (rapport 703719011/2006, te vinden op www.rivm.nl).
Welke inspanningen moeten de drinkwaterbedrijven, alsmede het bedrijfsleven leveren om invulling te geven aan de gestelde norm voor niet humaan-toxicologisch relevante metabolieten van gewasbeschermingsmiddelen? Kunt u uiteenzetten welke kosten ongeveer met deze inspanningen zijn gemoeid? Hoe verhouden deze inspanningen zich tot het overheidsbeleid om de regeldruk te verminderen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om de norm voor niet humaan-toxicologisch relevante metabolieten van gewasbeschermingsmiddelen uit het Besluit te halen?
Een normwaarde voor niet humaan-toxicologische relevante metabolieten is passend, gelet op de aanwezigheid van deze stoffen in bronnen voor de drinkwatervoorziening en de interpretatieruimte die de Drinkwaterrichtlijn biedt (zie antwoord op vraag 2).