Het bericht 'Slachtoffers in de kou' |
|
Lilian Helder (PVV), Hero Brinkman (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht: «Slachtoffers in de kou»?1
Ja.
Klopt het dat ruim 15 000 slachtoffers jaarlijks hulp mislopen omdat het nieuwe computersysteem (BVH) van de politie slecht functioneert?
Uit de analyses die zijn gemaakt blijkt niet dat er sprake is van een fout in het systeem. De slachtoffergegevens worden automatisch doorgegeven aan Slachtofferhulp Nederland als de politieagent heeft aangevinkt dat de gegevens van het slachtoffer mogen worden doorgestuurd. Het invullen van deze vraag wordt in de praktijk niet altijd gedaan.
is het waar dat slachtoffers op het politiebureau de keuze voorgelegd horen te krijgen of hun gegevens mogen worden doorgespeeld aan Slachtofferhulp, die psychische, praktische en juridische hulp kan geven? Klopt het dat die hulpvraag standaard op «nee» staat en dat er geen automatische melding is waardoor agenten soms in aangiften vergeten op te nemen of mensen slachtofferhulp willen? Zo nee, wat is dan de reden dat slachtoffers hulp mislopen?
Slachtoffers krijgen de keuze voorgelegd of hun gegevens mogen worden doorgegeven aan Slachtofferhulp Nederland. Het antwoord op die vraag staat niet standaard op «nee». Voor het overige verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Hoe gaat u bewerkstelligen dat slachtoffers die aangifte doen van bijvoorbeeld beroving, inbraak of geweld, altijd de keuze wel of geen slachtofferhulp krijgen voorgelegd?
Om ervoor te zorgen dat slachtoffers voortaan consequent slachtofferhulp krijgen aangeboden is het nodig dat standaard de gegevens van slachtoffers naar Slachtofferhulp Nederland worden doorgestuurd. Om te bezien of het standaard automatisch doorsturen van slachtoffergegevens naar Slachtofferhulp Nederland juridisch mogelijk is, heb ik laten onderzoeken of de Wet politiegegevens hieraan in de weg staat. Uit deze juridische analyse blijkt dat de Wet politiegegevens geen belemmeringen kent voor automatische doorverwijzing van alle slachtoffers aan Slachtofferhulp Nederland. De gegevens mogen ook worden doorgestuurd wanneer niet aan het slachtoffer is gevraagd of zijn gegevens mogen worden doorgegeven. Ik heb daarom aan de politie gevraagd om op zo kort mogelijke termijn een dergelijke 100%-doorverwijzing in het systeem in te voeren. De politieagent hoeft dan niet meer zelf in het systeem gegevens over het doorverwijzen in te voeren. Slachtoffers die geen prijs stellen op slachtofferhulp kunnen dat bij het eerste contact met Slachtofferhulp Nederland aangeven. Overigens behoudt de politie de ruimte om in individuele gevallen, bijvoorbeeld in geval van anonieme aangifte, de afweging te maken om slachtoffergegevens niet automatisch naar Slachtofferhulp Nederland door te laten sturen.
Daarnaast zijn er personen die niet zelf rechtstreeks slachtoffer zijn maar wel voor slachtofferhulp in aanmerking komen (bv. omstanders). De politieagent dient dit expliciet in het systeem aan te geven. Ik heb daarom aan de politietop gevraagd om te zorgen voor juiste invoer, op korte termijn en in alle korpsen.
Het artikel "Beroering om beloning Joustra" |
|
Hero Brinkman (PVV), André Elissen (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Beroering om beloning Joustra»?1
Ja.
Klopt deze berichtgeving? Zo ja, kunt u inzicht geven in de bijzondere arbeidsvoorwaarden en extra faciliteiten die met de nieuwe voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid zijn overeengekomen?
De voorzitter is niet «in dienst» van de raad of het ministerie, waardoor geen sprake is van arbeidsvoorwaarden. Ter onderstreping van de onafhankelijke positie van de raad kent de op de Onderzoeksraad van toepassing zijnde regelgeving geen rechtspositie als rijksambtenaar (of vergelijkbaar) voor de voorzitter en de leden van de raad. Deze personen zijn dus niet «in dienst» van de raad en ontvangen voor hun lidmaatschap een vergoeding in plaats van een salaris.
De voorzitter van de Onderzoeksraad ontvangt voor zijn werkzaamheden bij de Onderzoeksraad voor veiligheid een vergoeding vergelijkbaar met het salaris van de voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), zoals vermeld in Bijlage A van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA). De totale vergoeding bedraagt op basis van drie werkdagen in combinatie met een beschikbaarheid en bereikbaarheid van 24 uur per dag en zeven dagen per week, 75% (60% + 15%) van de voornoemde vergoeding van de voorzitter van de WRR (op basis van een 40-urige werkweek en verhoogd met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering) en ongeacht de vraag of er de facto drie of meer dagen per week wordt gewerkt. Dit bedrag is inclusief het werknemersdeel voor sociale lasten en van de pensioenpremie. Naast deze vergoeding ontvangt de voorzitter een bijdrage voor het werkgeversdeel voor sociale lasten en het werkgeversdeel van de pensioenpremie, die door hem – bij gebrek aan «werkgever» – zelf voldaan dienen te worden. Daarnaast komt de voorzitter in aanmerking voor een representatiekostenvergoeding, vergelijkbaar met de regeling voor de representatievergoeding conform het Besluit vergoeding representatiekosten rijkspersoneel.
Hoe verhoudt de salariëring van deze functie zich tot een vergelijkbare functie binnen de rijksoverheid, daarbij in acht genomen het feit dat het enkel een adviesfunctie betreft en het zeer beperkt aantal personeel waar de voorzitter leiding aan geeft? Kunt u deze salariëring tevens hercalculeren naar een voltijd functie gezien het feit dat deze voorzitter kennelijk drie dagen in de week werkt?
Zowel bij de vorige als huidige voorzitter is sprake van een vergoeding op het niveau van een directeur-generaal/secretaris-generaal, schaal 19, waarbij bij de huidige voorzitter de vergoeding is gebaseerd op drie werkdagen. De vergelijking met de functie van voorzitter van de WRR is mijns inziens passend.
Een hercalculatie naar vijf dagen komt zoals hiervoor is uiteengezet neer op het salaris van schaal 19 bij een werktijd van 40 uur.
Kunt u aangeven hoeveel rampen in de week de voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid nodig heeft om met zijn dienstauto naar toe te rijden? Wat is de meerwaarde dat deze voorzitter een dure dienstauto met chauffeur moet hebben? Bent u bereid dit te heroverwegen?
Een dienstauto met chauffeur is passend en functioneel bij dit type werk en de omstandigheden waaronder de voorzitter zijn functie uitoefent en overigens gebruikelijk bij functies op dit niveau binnen de rijksdienst. Ik zie derhalve geen reden voor heroverweging.
Omdat de vorige voorzitter in zijn hoedanigheid als lid van de Koninklijk Huis de beschikking had (en heeft) over een auto met chauffeur, was het in die situatie niet nodig om deze voorziening vanuit de Onderzoeksraad te treffen. De Onderzoeksraad ontvangt extra budget voor de kosten van de dienstauto met chauffeur, zodat deze onkosten niet ten koste gaan van de mogelijkheid van de raad om onderzoeken te verrichten.
Kunt u verzekeren dat de heer Joustra niet opnieuw voor veel geld zijn kantoor gaat verbouwen en dat enige gematigdheid van de nieuwe voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid in deze tijd van bezuinigingen gepast is?
Ik heb geen signalen ontvangen dat de voorzitter voor veel geld een verbouwing heeft laten plaatsvinden, of daartoe een voornemen heeft geuit.
Bedreigingen door jagers |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jacht op zwaan escaleert totaal»?1
Ja.
Klopt het dat de politie in eerste instantie weigerde te komen terwijl een burger zich bedreigd voelde en om die reden de politie belde? Hoe beoordeelt u dit?
Het regiokorps Gelderland-Zuid heeft mij meegedeeld dat de communicatie tussen de melder en de politie aanvankelijk niet goed is verlopen. Hierdoor ontstond onduidelijkheid over de plaats waar de gebeurtenis zich afspeelde en wat er zich afspeelde. Er is geen sprake geweest van een aanvankelijke weigering om ter plaatse te komen, maar van onduidelijkheid. Dat de melder hierdoor mogelijk het gevoel heeft gekregen dat de politie niet wenste te komen betreurt de politie en ik sluit mij daarbij aan. Ik verwijs verder naar het antwoord op vragen 3 en 4.
Bent u ervan op de hoogte dat onder andere in Noord-Holland en Brabant ook recent burgers verbaal en fysiek zijn bedreigd door jagers, waaronder door leden van de Wildbeheereenheid?
In de in het antwoord op vraag 2 genoemde zaak heeft het regiokorps Gelderland-Zuid mij meegedeeld dat de politie later op de dag waarop het voorval plaatsvond op locatie de aangiften van beide aangeefsters heeft opgenomen. Vervolgens is een strafrechtelijk onderzoek gestart.
Verder heeft de politie over de periode vanaf 1 maart 2006 tot 1 maart 2011 gegevens kunnen achterhalen over zes gevallen waarin het volgens een politiemutatie of proces-verbaal ging om – vermeende – bedreigingen van passanten door jagers tijdens het jagen. Ik kan niet garanderen dat dit overzicht volledig is, aangezien voorvallen in aangiftes of politiemutaties anders omschreven kunnen zijn en daardoor bij de zoekslag niet gevonden kunnen zijn.
Vijf voorvallen hebben, vanwege verschillende gronden, niet geleid tot een strafrechtelijk vervolg. Een voorval is wel vervolgd maar heeft geleid tot een vrijspraak.
Heeft u zicht op het aantal incidenten de laatste vijf jaar waarbij jagers burgers bedreigden? Zo ja, kunt u aangeven om hoeveel gevallen dit ging en wat de strafrechtelijke gevolgen hiervan waren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat deze aanvallen en bedreigingen een aantasting vormen van de openbare veiligheid en dat hier streng tegen op getreden dient te worden? Zo ja, op welke wijze kan en wilt u hieraan bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de mij ter beschikking staande gegevens kan ik niet opmaken dat er daadwerkelijk sprake is geweest van aanvallen en bedreigingen (ik verwijs naar het antwoord op vraag 4). Wel deel ik vanzelfsprekend de mening dat bedreigingen niet acceptabel zijn en een aantasting vormen van de veiligheid. De politie en het Openbaar Ministerie hebben voldoende handvatten om dergelijke zaken op te pakken.
Deelt u de mening dat jagers die zich niet aan de gedragsnormen houden niet het faunabeleid van overheden dienen uit te voeren? Zo ja, bent u bereid hiertoe regels of aanbevelingen aan de provincies te doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
De gedragsnormen hebben de jagers onderling afgesproken en zijn niet bepalend voor het beleid van overheden. In deze gedragsnormen staat hoe een jager zich dient te gedragen in het veld. De gedrags- en weidelijkheidsregels van Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging zijn hiervan een voorbeeld. Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 7 en het antwoord van de toenmalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op vragen van het lid Thieme van uw Kamer (Kamerstukken II, 2007–2008, Aanhangsel Handelingen, nr. 2448).
Deelt u de mening dat jagers die de gedragsregels overtreden een levenslang jachtverbod zouden moeten krijgen, gelet op het feit dat voor vuurwapengebruik onbesproken gedrag een voorwaarde is? Zo ja, bent u bereid dit nadrukkelijk in regels vast te leggen? Zo nee, hoe verhoudt dit zich tot de wens van het kabinet om te komen tot een lik-op-stuk beleid?
Ik vind dat de bestaande wet- en regelgeving voldoende mogelijkheden biedt voor een adequate en tijdige reactie. In de Flora- en faunawet zijn meerdere gronden opgenomen waarop de korpschef een jachtakte kan weigeren of intrekken, zoals in geval van (vrees voor) misbruik van vuurwapens of munitie. (artikel 39, eerste lid onder e en artikel 41, eerste lid onder c).
Ook op basis van de Circulaire Wapens en munitie 2005 wordt misbruik in het verleden door de korpschef betrokken bij de beoordeling van aanvragen voor een wapenvergunning, zoals in casu een jachtakte. Bij veroordelingen kunnen personen namelijk gedurende een bepaalde periode voor nieuwe aanvragen worden uitgesloten. De in mijn antwoord op vraag 6 genoemde gedragsnormen zijn in dit kader niet relevant.
Het initiatief MEDIA & COO |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het initiatief MEDIA & COO van de organisatie OUDERS & COO?1
Ja.
In hoeverre herkent u zich in de conclusie van OUDERS & COO dat de codeurs van Kijkwijzer in de loop der jaren soepeler met de checklist omgaan en dat het toezicht hierop gebrekkig is? Welke gevolgen verbindt u hieraan?
Hier herken ik mij niet in. Het Kijkwijzer systeem is gebaseerd op wetenschappelijke kennis, speelt in op nieuwe ontwikkelingen in het media-aanbod en houdt zorgvuldig rekening met de wensen van ouders en opvoeders. De kwaliteit van de Kijkwijzer classificaties van televisieprogramma’s en films wordt regelmatig gecontroleerd door medewerkers van het NICAM. Het Commissariaat voor de Media houdt metatoezicht op de wijze waarop omroepen en distributeurs de Kijkwijzer toepassen en brengt hierover jaarlijks zijn rapport uit. Over 2009 concludeerde het Commissariaat dat: «De classificaties betrouwbaar, valide, stabiel, consistent en nauwkeurig zijn en dat het NICAM zorgvuldig waakt over de betrouwbaarheid van het systeem».
Bent u ook van mening dat alternatieve beoordelingen naast de Kijkwijzer voor ouders verwarrend kunnen werken en dat zoveel mogelijk gestreefd moet worden naar eenduidigheid in de advisering? Bent u in dit licht bereid te bezien welke lessen getrokken kunnen worden uit het onderzoek van OUDERS & COO, waaruit blijkt dat de Kijkwijzer in internationaal perspectief op diverse punten flink afwijkt?
Ik vind dat de Kijkwijzer de aangewezen methode is om ouders en opvoeders te informeren over mogelijke schadelijkheid van mediaproducties. Er kunnen uiteraard maatschappelijke initiatieven zijn die vanuit een eigen perspectief ouders informeren. Het is daarbij in het belang van ouders dat helder is waarop vergelijkingen zijn gebaseerd.
Ik deel de conclusie van Ouders & COO niet dat Kijkwijzer in internationaal perspectief afwijkt. In het Duitse wetenschappelijke tijdschrift TV-Diskurs wordt elk kwartaal een vergelijking van Europese filmclassificaties gepubliceerd. Daaruit blijkt stelselmatig dat de Kijkwijzer classificaties voor het overgrote deel in lijn zijn met Duitsland, Engeland en Scandinavië.
Internationale vergelijkingen kunnen overigens niet zomaar gemaakt worden omdat de uitgangspunten niet altijd gelijk zijn. Kijkwijzer waarschuwt voor mogelijke schadelijkheid, terwijl de classificaties van buitenlandse keuringen vaak een combinatie zijn van schadelijkheid en geschiktheid.
Hoe beoordeelt u het pleidooi voor een krachtige ouderorganisatie in medialand, die zich als een effectief tegenwicht in de markt kan opstellen? Op welke wijze wilt u naast voorlichting ook de positie van ouders als belangenbehartiger versterken?
Bij de Kijkwijzer zijn ouders vanaf de start betrokken via consumentenonderzoek en via de onafhankelijke Adviescommissie van het NICAM. Dat vind ik voor dit systeem afdoende. Verschillende vertegenwoordigers van ouderorganisaties zijn lid van deze commissie en hebben zo invloed op het systeem. Ouders & Coo is in het verleden herhaaldelijk uitgenodigd om deel uit te maken van deze commissie maar kiest hier niet voor.
Heeft het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM) inmiddels besloten aan de Kijkwijzer een criterium voor hufterig gedrag toe te voegen, gelet op de mogelijke agressie die het gevolg is van bepaalde films?2 Zo nee, bent u bereid hierop bij het NICAM aan te dringen?
De huidige pictogrammen die waarschuwen voor geweld en ruw taalgebruik zijn ook van toepassing op «hufterig gedrag». Ik heb het NICAM gevraagd om nog eens na te gaan of hufterig gedrag in de codering voldoende zwaar wordt meegewogen. Het NICAM heeft aangegeven te zullen onderzoeken of er reden is om met de wetenschappers te bekijken of dit aanleiding geeft de criteria aan te passen. Dit eist zorgvuldigheid en dient – zoals het hele Kijkwijzer systeem – gebaseerd te zijn op feiten en wetenschappelijke inzichten.
Onderkent u dat voor de status van de Kijkwijzer van belang is dat de uitwerking en handhaving consequent ter hand worden genomen? Hoe is de coulanceregeling voor bioscopen om kinderen vanaf 14 jaar onder begeleiding toe te laten bij films die slechts voor 16-jarigen geschikt zijn te rijmen met de systematiek van de Kijkwijzer? Bent u van plan hier een eind aan te maken? Zo nee, waarom niet?
In 2010 hebben de daartoe aangewezen buitengewoon opsporingsambtenaren 946 controles uitgevoerd bij bioscopen, bibliotheken, videotheken en winkels in het kader van de handhaving van artikel 240a Sr. Er is drie maal proces-verbaal opgesteld. De coulanceregeling voor bioscopen is ingevoerd om ouders de gelegenheid te geven ook zelf in te schatten of hun kind voldoende «rijp» is om de film te zien. Zij kunnen immers bij vertoning van de film in de huiskamer dezelfde afweging maken. Na ruim een jaar ervaring met dit «parental guidance» systeem, dat ook in een aantal andere landen wordt toegepast, heeft de bioscoopbond te kennen gegeven dat het tot veel verwarring onder het publiek leidt. Veel bioscopen houden zich daarom liever strikt aan art. 240a Sr, ongeacht of het kind door zijn ouder(s) wordt begeleid. Binnenkort zal met de bioscoopbranche overlegd worden om in ieder geval bij het meest schadelijk te achten beeldmateriaal, met de classificatie 16 jaar, geen parental guidance meer toe te passen.
De aansluiting van de Westerbaan in gemeente Katwijk |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de brief van de voormalige minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 2 maart 2011, waarin zij toezeggingen doet ten aanzien van de gemeente Katwijk?1
Rijk, provincie en gemeente zijn al geruime tijd in een constructief overleg over het oplossen van de verkeersproblematiek rondom Katwijk.
Het probleem van de verkeersdrukte in Katwijk heeft zowel te maken met het sluiten van de Cantineweg in 2009 als met het doortrekken van de Westerbaan. Voor wat betreft het eerste zijn provincie als bevoegd gezag en gemeente aan zet om een nieuwe tijdelijke openstelling te realiseren. Op dit punt wordt geen belemmering opgelegd door het ministerie van EL&I.
Wat betreft het doortrekken van de Westerbaan onderstreep ik de afspraken die zijn vastgelegd in de brief van mijn voorganger aan u van 24 februari 2010. Ik ben bereid de begrenzing van het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide aan te passen op een wijze die de realisatie van de rondweg mogelijk maakt. Voorwaarde hierbij is dat provincie in samenwerking met de gemeente een ecologisch deugdelijk onderbouwd en gedragen voorstel doet, waaruit blijkt dat de instandhoudingsdoelstellingen gewaarborgd blijven.
Zoals recent besproken in het overleg op 21 februari met gemeente en provincie, behoeft het thans voorliggende voorstel nog nadere uitwerking. Ik zie dat, gezien de mogelijkheden in het gebied, met vertrouwen tegemoet. Ik verwacht dat de begrenzing van het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide kan worden aangepast. Dat is mijn nadrukkelijke inzet.
Erkend u het belang van een permanente verbinding tussen de Westerbaan en de Meeuwenlaan voor de gemeente Katwijk en de provincie Zuid-Holland?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat de gemeente de benodigde compenserende maatregelen heeft getroffen om de instandhoudingdoelen in het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat de verkeersdruk in een woonwijk bijna is verdubbeld doordat de rondweg niet gerealiseerd kan worden, met als gevolg dat er onveilige situaties ontstaan in de woonwijk? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u de grens van het Natura 2000-gebied de Meijendel & Berkheide nabij de Westerbaanweg terugbrengen naar de oorspronkelijke grens van het gebied conform de toezegging van de voormalig minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waardoor ruimte ontstaat voor het tracé van de Westerbaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe gaat u de toezegging van de voormalige minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op korte termijn uitvoeren, nu de gemeente Katwijk en de provincie Zuid-Holland de vereiste ecologische onderbouwing hebben geleverd, zodat de Gemeente Katwijk verder kan met de procedures voor de realisatie van de rondweg?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u toezeggen het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide net als andere stikstof gevoelige gebieden pas definitief aan te wijzen als de Programmatische Aanpak Stikstof gereed is?
De toezegging zal worden geformaliseerd met het definitieve aanwijzingsbesluit voor het gebied Meijendel & Berkheide. De afspraken in het regeerakkoord over de decentralisatie van het natuurbeleid, de herijking van de EHS, de bezuinigingen op het natuurbeleid en de voortgang van de PAS hebben invloed op het moment waarop weer tot definitieve aanwijzing kan worden over gegaan. Ik verwacht dit besluit niet eerder dan rond de zomer vast te kunnen stellen.
De toenemende aanvallen op christenen in Indonesië |
|
Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Kerken in Indonesië aangevallen»?1
Ja.
Deelt u de analyse dat het tegen internationale mensenrechtenverdragen indruist dat Antonius Bawengan wegens godslastering/belediging van de islam voor vijf jaar wordt veroordeeld? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid bij de Indonesische autoriteiten aan te dringen op de directe vrijlating van deze man?
Dhr. Bawengan is veroordeeld op basis artikel 155a en 156 van het wetboek van strafrecht. Artikel 156 is gelieerd aan de oorspronkelijk uit 1965 stammende anti-blasfemiewet, welke in 2010 nog door het Indonesische Constitutionele Hof werd bekrachtigd. De wet heeft tot doel om heiligschennis en belediging van de zes officieel toegestane religies in Indonesië (islam, katholicisme, protestantisme, hindoeïsme, boeddhisme en het confucianisme) tegen te gaan. Vijf jaar is volgens artikel 156 van het Indonesische Wetboek voor Strafrecht de maximale straf hiervoor. Deze wetgeving staat op onderdelen op gespannen voet met de artikelen 7, 10 en 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, welke door Indonesië is ondertekend. Ik zal erop aandringen dat deze kwestie aan de orde wordt gesteld tijdens de in maart 2011 geplande EU-Indonesië mensenrechten-dialoog.
Bent u tevens bereid aan te dringen op een snelle berechting van degenen die verantwoordelijk zijn voor de aanvallen op de St. Petrus en Paulus kerk, de Bethelkerk, een niet nader genoemde pinkstergemeente, een niet nader genoemde protestantse gemeente, een christelijk weeshuis en een kliniek?
De Indonesische overheid heeft de door u genoemde beschadiging van kerken en gebouwen veroordeeld en de politie opgedragen om de daders te vervolgen. Ook wordt bekeken in hoeverre groepen aangepakt kunnen worden die zich schuldig maken aan intimidatie en geweld tegen religieuze minderheden. Ik vind dit een belangrijk signaal. Mijn ministerie zal de verdere ontwikkelingen op de voet volgen.
Deelt u de analyse van het Setara Instituut voor Democratie en Vrede dat aanvallen op christenen sterk toenemen en dat de politie niet ingrijpt of soms zelfs actief deelneemt aan dergelijke aanvallen? Onderschrijft u de conclusie dat de Indonesische autoriteiten momenteel niet aan hun nationale en internationale verplichtingen voldoen aangaande de bescherming van hun religieuze minderheden? Zo ja, bent u bereid om zowel in bilateraal als in EU-verband er bij Indonesië op aan te dringen aan deze verplichtingen te voldoen?
Indonesië is een seculiere staat, waar de verhouding tussen de verschillende religieuze groepen in de samenleving over het algemeen wordt gekenmerkt door onderlinge verdraagzaamheid. Er is geen sprake van systematische terreur tegen religieuze minderheden. Wel vindt er de afgelopen jaren een toenemend aantal incidenten plaats, met name in twee van de 33 provincies (te weten West-Java en Oost-Java), gericht tegen sommige christelijke kerkgemeenschappen, de Ahmadiyah, en van tijd tot tijd ook tussen soennieten en shiieten. Waar christelijke groepen betrokken zijn, gaat het vaak om gevallen waarbij lokale overheden, mede onder druk van islamitische groeperingen, geen bouwvergunningen verstrekken voor nieuwe kerken. Een enkele maal is overgegaan tot het sluiten van kerkgebouwen. Deze problematiek lijkt mede het gevolg te zijn van een in 2006 uitgevaardigd interministerieel decreet, dat voorschrijft dat de bouw van gebedshuizen voldoende ondersteund moet worden door de omwonenden. In sommige gevallen is sprake van intimidatie of verstoring van religieuze bijeenkomsten door radicale groeperingen. Het is aan de Indonesische autoriteiten om hier tegen op te treden en de vrijheid van religie te waarborgen. In de praktijk blijken met name de lokale autoriteiten en politie dit niet altijd voldoende te doen. De Indonesische regering heeft in toenemende mate oog voor deze problematiek.
Ik vind het belangrijk om, zoals al regelmatig gebeurt, met de Indonesische autoriteiten in gesprek te blijven over de positie van religieuze minderheden. Ook tijdens de tweede EU-Indonesië mensenrechtendialoog, die wordt gehouden op 9 maart in Brussel, zal deze materie aan de orde worden gesteld.
Voortdurende dolfijnenslachtingen |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat sinds september weer honderden dolfijnen op gruwelijke wijze zijn gedood in Taiji?1
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke actie u de afgelopen maanden heeft ondernomen om Japan ervan te overtuigen dat deze wrede dolfijnenslachtingen zo snel mogelijk moeten worden beëindigd? Heeft u daarbij steun gezocht en gemobiliseerd in andere landen? Zo ja, wat was het resultaat van deze inspanningen? Zo nee, waarom niet?
De mondiale verontwaardiging over deze praktijken hebben bij de genoemde landen vooralsnog niet geleid tot een verandering van hun gedrag. Ik zal het standpunt van Nederland hieromtrent op gepaste momenten uitdragen. Verder verwijs ik naar beantwoording van eerdere Kamervragen over dit onderwerp (Kamervragen 2009–2010, nr. 2319 en het antwoord op Kamervragen van het lid Ouwehand over de jaarlijkse slachting van dolfijnen op de Faröereilanden met kenmerk NLP2010-2579, d.d. 08-09-2010).
Deelt u de mening dat er grotere druk moet worden uitgeoefend op landen als Japan en de Faeröer eilanden om te stoppen met de jaarlijkse slachtpartijen omdat de inspanningen tot nu toe nog niets hebben opgeleverd voor de dolfijnen? Zo ja, welke extra inzet gaat u hiervoor leveren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u nog steeds de mening dat dolfijnen in ieder geval beschermd zouden moeten worden door de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC)?
Nederland heeft tijdens de laatste jaarvergadering van de Internationale Walvisvaart Commissie (IWC62 in Agadir, juni 2010) gepleit voor het onder de IWC brengen van de kleine zeezoogdieren, zoals dolfijnen. Een door België ingediende en mede door Nederland gesteunde motie om dit mogelijk te maken, behaalde evenwel geen meerderheid. Een blokkerende meerderheid van landen binnen de IWC is tegen opname van nieuwe walvissoorten, mede vanwege de impasse waarin de IWC zich thans bevindt.
Ik zal mij in het kader van de IWC, en in samenwerking met andere landen binnen en buiten de EU, blijven inzetten voor een verbreding van de IWC naar de kleine zeezoogdieren. Een belangrijke stap daartoe, is dat een oplossing wordt gevonden voor de huidige tegenstellingen binnen de IWC. Het opnemen van de kleine zeezoogdieren zou een onderdeel kunnen vormen van een nieuw pakket van taken.
Wat is de stand van zaken rond het voorstel dat België in voorbereiding heeft om de beschermingssfeer van de IWC uit te bereiden tot dolfijnen en andere walvisachtigen? Heeft u hierover contact gezocht met België, conform de toezegging van de voormalig minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 21 april 2010? Op welke wijze is Nederland betrokken bij de uitwerking en indiening van dit voorstel bij de IWC?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u garanderen dat op de eerstvolgende IWC-conferentie van Belgische en/of Nederlandse hand een voorstel ligt voor de bescherming van dolfijnen en andere walvisachtigen? Zo ja, wanneer kan de Kamer hier kennis van nemen en welke actie gaat u verder ondernemen om steun te verwerven voor dit voorstel? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Spoorwegincidenten in de gemeente De Bilt |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat er een bijna-ongeluk op de spoorwegovergang aan de Leijenseweg in Bilthoven heeft plaatsgevonden op 2 februari jongstleden?1
Ja.
Is bij u bekend dat eerder genoemde gebeurtenis veel onrust heeft veroorzaakt onder de omwonenden en in de lokale politiek?
Ja, dat is mij bekend.
Hoe is het mogelijk dat in een weekend een veiligheidssysteem kan worden aangelegd dat al twee jaar beschikbaar is? Waarom is dit systeem niet eerder aangelegd? Bent u voornemens om in overleg te treden met ProRail om dit systeem ook bij andere overwegen te laten installeren?
Het betreffende incident werd veroorzaakt door een zogenaamde stoptonend sein passage (STS-passage). Uw Kamer is verschillende malen geïnformeerd over de aanpak van deze STS-passages. De laatste maal was op 14 januari 20112. Eén van de belangrijkste maatregelen bij het terugdringen van STS-passages is de implementatie van ATB-Vv3. Op 28 juni 20104 heeft mijn ambstvoorganger uw Kamer geïnformeerd over de landelijke risico-inventarisatie, op basis waarvan een selectie en prioritering is gemaakt voor seinen die in aanmerking komen voor ATB-Vv. Elk sein heeft daarbij op basis van een aantal criteria risicopunten toegekend gekregen. Het onderhavige sein kwam op basis van de risicoscore niet in aanmerking voor ATB-Vv. ProRail heeft na het incident op 2 februari jl. besloten alsnog ATB-Vv aan te leggen.
ProRail voert momenteel nog een onderzoek uit naar dit incident. De Inspectie Verkeer en Waterstaat ziet hier op toe. Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek worden eventueel vervolgacties bij andere overwegen uitgezet.
Werken de daar aanwezige beveiligingscamera's inmiddels 24 uur per dag? Zo nee, waarom niet?
De beveiligingscamera’s bij deze spoorwegovergang werken 24 uur per dag. Deze camera’s zijn echter aangelegd ten behoeve van de bestrijding van vandalisme en niet voor de spoorwegbeveiliging.
Is bij u bekend dat een trein kon passeren zonder dat de spoorbomen zich sloten en bellen en lichten in werking traden? Hoe beoordeelt u dit?
Het ontwerp bij deze overweg is zodanig dat als een trein voor een rood sein stopt de spoorbomen open blijven staan om doorgang te geven aan het wegverkeer. Als een trein, zoals in het onderhavige geval gebeurd is, niet stopt voor het rode sein treedt alsnog de sluitingsprocedure in werking. Gezien de korte afstand tussen het sein en de overweg zijn de spoorbomen niet gesloten vóór doorkomst van de trein. Door de extra maatregelen zoals beschreven bij het antwoord op vraag 6 is deze situatie nu niet meer mogelijk.
Is bij u bekend of ProRail voornemens is extra maatregelen te treffen om deze overgang nog veiliger te maken? Zo ja, om welke maatregelen gaat het?
ProRail heeft na het incident maatregelen getroffen om de situatie nog veiliger te maken. Bij het betreffende sein is ATB-Vv aangelegd. Daarnaast is de seinopstelling verbeterd. Dit houdt in dat indien dit betreffende sein rood toont, ook het voorafgaande sein in de stand rood gehouden wordt.
Heeft ProRail, gezien de uitspraak van een vertegenwoordiger van dit bedrijf in een uitzending1 van RTV Utrecht dat zij zich hard zullen maken voor en tunnel, reeds contact met u opgenomen? Zo ja, wat was hiervan de uitkomst?
Er vindt overleg plaats tussen de gemeente De Bilt, de provincie Utrecht, Bestuur Regio Utrecht en ProRail naar de mogelijkheid om de overgang ongelijkvloers te maken. Hierover is ook contact geweest met mijn ministerie. Op dit moment wordt onderzocht welke oplossing het meest kosteneffectief is.
Is er een incidentenregistratie van deze spoorwegovergang m.b.t. de laatste tien jaar? Zo ja, bent u bereid hierin inzage te (doen) geven? Zo nee, waarom bestaat een dergelijke registratie niet, overwegende dat deze overweg één van de gevaarlijkste van Nederland is?
Zowel ProRail als de Inspectie Verkeer en Waterstaat hebben een incidentenregistratie van deze spoorwegovergang. De afgelopen 10 jaar hebben zich hier 3 incidenten voorgedaan (inclusief het incident van 2 februari jongstleden).
U ontvangt als bijlage een uitdraai van de registratie van de inspectie.5
Bent u van mening dat een doorkomst tijd van 7 seconden na sluiting van de spoorbomen binnen de normen is en beoordeelt u deze situatie als veilig?
De sluiting van een overweg bestaat uit meerdere stappen:
De overweg op de Leijenseweg kent een dichtligtijd van 7 seconden vóór doorkomst van de trein. Dit is geen uitzonderlijke waarde. De waarde wordt bepaald door de specifieke oversteeklengte van een overweg, waarbij rekening wordt gehouden met de traagste weggebruiker. De overweg voldoet aan de normen en richtlijnen van ProRail.
De telefoontaps in de zaak Baybasin |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de recente berichtgeving over de telefoontaps in de zaak Baybasin?1
Ja.
Is het waar dat de telefoontaps voor onderzoek naar Israël en de Verenigde Staten (VS) zijn gestuurd? Zo ja, wat was de onderzoeksvraag van het OM aan de onderzoekers?
Het onderzoek is uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Toegangscommissie (TC) van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken. (Digitale) kopieën van acht gesprekken zijn naar onderzoekers in Israël en de Verenigde Staten gestuurd. De TC heeft de onderzoekers gevraagd om de gesprekken op basis van signaalanalyse en telecomanalyse te bezien op mogelijke tekenen van manipulatie.
Is het gebruikelijk om onderzoekers in andere landen te vragen banden met telefoontaps of andere audiomateriaal te onderzoeken op mogelijke manipulatie? Zo ja, hoe vaak gebeurt dit en in welke zaken wordt en dergelijk onderzoek verzocht?
Wanneer specifieke deskundigheid is vereist die in Nederland niet of onvoldoende aanwezig is, is het niet ongebruikelijk om forensisch onderzoek uit te besteden aan buitenlandse instanties. Dat geldt voor alle soorten forensisch onderzoek. Hoe vaak specifiek audio-onderzoek in het buitenland verricht wordt, is mij niet bekend.
Waarom is het materiaal in deze zaak juist naar deze twee landen gestuurd?
De Israëlische deskundige is aangezocht op verzoek van de raadsvrouw van Baybasin. De Amerikaanse deskundigen zijn benaderd op verzoek van het Openbaar Ministerie. De deskundigen zijn door de verzoekers geselecteerd op basis van hun specifieke kennis van het vakgebied.
Is het waar dat de onderzoekers in Israël en de VS in deze zaak verschillende banden hebben gekregen? Zo ja, wat is de waarde van de uitkomst van het onderzoek, als de landen verschillend materiaal voor onderzoek aangeboden krijgen? Is het gebruikelijk dat meerdere onderzoekers worden gevraagd de banden te bekijken op eventuele vervalsing of manipulatie en waarop vervolgens verschillend materiaal wordt verstuurd?
De onderzoekers beschikten in eerste instantie over hetzelfde onderzoeksmateriaal. Een deel van dat verstrekte materiaal was digitaal vertraagd om het op een beluisterbare snelheid te brengen. De Israëlische deskundige heeft gevraagd om de niet-vertraagde opnamen. Die heeft hij gekregen en ze vervolgens zelf weer vertraagd.
De Amerikaanse onderzoekers is aangeboden om dezelfde opnamen te ontvangen. Zij achtten dat niet nodig.
Welke audiobanden hebben de onderzoekers gekregen en waarom hebben zij niet het origineel of een kloon gekregen? Zijn de banden die de onderzoekers hebben gekregen bewerkt? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom is er dan niet een kloon van de originele tapes gestuurd?
Het oorspronkelijke materiaal bestaat uit optical discs en audiobanden waarop vele duizenden getapte telefoongesprekken staan. Dit oorspronkelijke bewijsmateriaal wordt in beginsel nooit uit handen gegeven. De onderzoekers beschikten over digitale kopieën van acht gesprekken. Het materiaal dat op de audiobanden stond, is vanwege de verstaanbaarheid vertraagd. Zie daaromtrent het antwoord op vraag 5.
Bent u van mening dat het Openbaar Ministerie (OM) beter exact dezelfde klonen had kunnen gebruiken om te laten onderzoeken in Israël en de VS? Zo ja, welke stappen heeft u ondernomen om te bereiken dat alsnog deugdelijk onderzoek wordt gedaan? Zo nee, waarom is dit niet belangrijk? Wat vindt u van de opmerking van de Amerikaanse onderzoekers die zeggen dat authenticiteitanalyses alleen kunnen worden uitgevoerd met de originele opnamen, of klonen daarvan?
De Amerikaanse onderzoekers hebben aangegeven dat ze bij gebruik van het oorspronkelijke materiaal wellicht stelliger uitspraken zouden kunnen doen. Zoals in het antwoord bij vraag 6 is aangegeven, wordt dergelijk belangrijk oorspronkelijk bewijsmateriaal niet uit handen gegeven. Nu dat zo is, hebben de Amerikaanse onderzoekers desgevraagd laten weten, geen behoefte te hebben aan de niet-vertraagde opnamen die de Israëlische deskundige op eigen verzoek ontvangen heeft.
Zijn er regels waarin staat hoe er moet worden omgegaan met tapes met audiomateriaal en wat ter onderzoek gestuurd moet worden om te komen te een deugdelijk onderzoek? Zo ja, welke regels zijn dat?
Ja, er bestaat een FT-norm (forensisch-technische norm) voor «het aanleveren van audiomateriaal voor integriteits-, authenticiteits- en originaliteitsonderzoek». Volgens deze norm is een groot aantal tapgesprekken reeds eerder onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut.
Hoe beoordeelt u de opmerking van de onderzoekers in de VS die zeggen dat heel veel kleine «smoking guns» nog belangrijker zijn dan de paar aanwezige «smoking cannons»? Baart deze opmerking u geen zorgen ten aanzien van de betrouwbaarheid van het aangeleverde materiaal?
Deze opmerking is gemaakt door de Israëlische onderzoeker.
De conclusies van de onderzoekers verschillen aanzienlijk, ook bij dat gedeelte van het materiaal dat voor beide partijen gelijk was (namelijk de gegevens van de optical discs). De Israëlische onderzoeker ziet ook daarin veel meer «smoking guns» dan de Amerikaanse onderzoekers. De geciteerde opmerking zegt niet zozeer iets over de betrouwbaarheid van het aangeleverde materiaal, maar over de geringe «hardheid» van het type analyses dat verricht is. Hetzelfde fragment wordt klaarblijkelijk door de een heel anders geïnterpreteerd dan door de ander.
Wat is er met de analyses van de Israëlische en Amerikaanse onderzoekers gedaan?
Nadat de onderzoekers over en weer op elkaars bevindingen hebben kunnen reageren, zijn de rapportages door een Nederlandse hoogleraar beschreven in een samenvattend document. Naar aanleiding daarvan heeft de TC nog nader onderzoek verricht en laten verrichten. Dit alles is gebruikt ten behoeve van een advies aan het College van procureurs-generaal. Bij dit advies zijn alle technische rapportages gevoegd. Deze zijn door het College eveneens ter beschikking gesteld aan de advocate van Baybasin.
De beloning van de voorzitter van de Raad voor de Veiligheid |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
|
|
|
Welke bijzondere arbeidsvoorwaarden, op het gebied van beloningen, vervoer en personeel, heeft de nieuwe voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid bedongen?1 Waarom krijgt de nieuwe voorzitter een oproepbaarheidstoeslag van 10 procent?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de antwoorden op vragen van de leden Brinkman en Elissen (beiden PVV) aan mij, antwoord op vraag 2. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 1706)
Welke verschillen zijn er in de arbeidsvoorwaarden en salariëring tussen de nieuwe voorzitter en de oude voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid?
Voor de vorige voorzitter gold een vergoeding op basis van vijf werkdagen per week. Ook deze vergoeding was vergelijkbaar met het salaris van de voorzitter van de WRR. De vorige voorzitter beschikte vanuit zijn functie als voorzitter van de Onderzoeksraad geen aanvullende voorzieningen, zoals een dienstauto met chauffeur, aangezien daarin al was voorzien in zijn hoedanigheid als lid van het Koninklijk Huis. Bovendien had de vorige voorzitter reeds de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, waardoor ook geen voorziening voor pensioenopbouw aan de orde was.
Klopt het dat de Onderzoeksraad voor veiligheid een verbouwing heeft moeten doorvoeren, omdat anders het meubilair van de nieuwe voorzitter niet zou passen? Wat waren de totale verbouwingskosten?
De onderzoeksraad is, als zelfstandig bestuursorgaan, voor bedrijfsvoeringsaangelegenheden zoals de interne inrichting van het gebouw, zelf verantwoordelijk. De voorzitter heeft binnen die verantwoordelijkheid zijn wensen ten aanzien van de inrichting van zijn kantoor tot uitvoering laten brengen. Wellicht ten overvloede merk ik op dat het bedoelde meubilair persoonlijk eigendom van de voorzitter is en overigens al meer dan 20 jaar oud. De verbouwingskosten bedroegen circa € 13 500.
Waarom heeft de nieuwe voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid een eigen chauffeur? Klopt het dat er een nieuwe dienstauto is aangeschaft?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de antwoorden op vragen van de leden Brinkman en Elissen (beiden PVV) onder nummer 2011Z02827, antwoord op vraag 4. Wellicht ten overvloede merk ik hier op dat de wijze waarop de Onderzoeksraad uitvoering geeft aan de verstrekking van de faciliteit zoals een dienstauto met chauffeur, tot de zelfstandige verantwoordelijkheid van de raad behoort.
Deelt u de zorgen dat het optreden van de nieuwe voorzitter de beeldvorming rondom de Onderzoeksraad voor veiligheid geen goed doet?
Ik heb geen zorgen over het optreden van de nieuwe voorzitter van de Raad.
De vervalsing van jachtdiploma's |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jachtaktes ontnomen bij jagers»?1
Kunt u aangeven welke straffen staan op het vervalsen van een staatsdiploma?
Deelt u de mening dat vervalsing van een staatsdiploma de weg opent tot legaal vuurwapenbezit en dat het gebruik van vuurwapens, een ernstig strafbaar feit is? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het Openbaar Ministerie in alle gevallen waarin vervalsing van een staatsdiploma heeft geleid tot het onterechte vergunnen van het bezit en gebruik van vuurwapens en dus van illegaal wapenbezit, te allen tijde vervolgd zou dienen te worden? Zo ja, op welke termijn en wijze gaat u bewerkstelligen dat alsnog vervolging zal worden ingesteld? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven in hoeveel van de gevallen in casu sprake is van vervalsing van het jachtdiploma en om welke reden de drie jachtakten zijn ingetrokken?
Kunt u aangeven of intrekking van de jachtakten in alle gevallen samenhing met strafbare feiten en waarom geen vervolging is ingesteld in casu? Bent u bereid in alle gevallen waarin sprake is geweest van wetsovertreding leidend tot het wederrechtelijk gebruik van vuurwapens, vervolging in te stellen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven waarom het functioneel parket te Zwolle en de politie Twente geen mededelingen doen over deze zaak? Bent u bereid alle relevante stukken te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoe vaak en op welke wijze er controles worden uitgevoerd op de echtheid van diploma’s die worden aangewend tot het verkrijgen van een jachtakte c.q. vuurwapenvergunning? Bent u bereid dit toezicht aan te scherpen?
Het nieuwe immigratierecord |
|
Sietse Fritsma (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het feit dat vorig jaar met 150 000 toegelaten immigranten opnieuw een record is gebroken?1
Ik ben bekend met de berichtgeving hierover.
Deelt u de mening dat uit dit nieuwe immigratierecord eens te meer blijkt dat de maatregelen uit het gedoogakkoord snel ingevoerd moeten worden? Zo ja, kunt u voor alle maatregelen aangeven wanneer zij in werking zullen treden?
Met de maatregelen in het regeerakkoord legt het kabinet een ambitieus pakket neer dat is gericht op ombuiging, beheersing en vermindering van de immigratie. Enkele maatregelen uit het regeerakkoord hebben inmiddels al vorm gekregen, bijvoorbeeld de aanpassing van het beleid over het mogen afwachten van voorlopige voorzieningen, waarover uw Kamer is geïnformeerd2. Voor een aantal andere maatregelen geldt dat uw Kamer in brieven is geïnformeerd over de planning daarvan. Ik verwijs hier graag naar de planningsbrief d.d. 22 november 20103, de «roadmap» Europese inzet migratiebeleid4 en de brief «Beleidsvisie stroomlijning toelatingsprocedures»5 die ik op 22 februari jl. aan uw Kamer heb toegezonden.
Het is niet mogelijk voor alle maatregelen separaat aan te geven wanneer deze in werking treden. De inwerkingtreding van maatregelen is daarvoor te zeer afhankelijk van externe factoren en processen, bijvoorbeeld de omstandigheid dat een aantal maatregelen aanpassing van EU-regelgeving vergt, waarbij de planning afhankelijk is van nog te nemen stappen in EU-verband die meestal door de Europese Commissie moeten worden ingeleid en waarvoor thans nog geen planning is te geven. Mijn inzet is er nadrukkelijk op gericht de in het regeerakkoord genoemde maatregelen op de kortst mogelijke termijn door te voeren. Ik zal uw Kamer van de voortgang van de verschillende maatregelen op de hoogte houden en berichten over de daarbij geldende planning wanneer dat mogelijk is.
Deelt u de zorg dat ook uit de cijfers is gebleken dat steeds meer autochtone Nederlanders emigreren en er dus een beeld ontstaat dat veelal laag opgeleide (niet Nederlands sprekende mensen) binnenkomen en goed opgeleide mensen vertrekken?
Nee. Uit de gepresenteerde cijfers komt mijns inziens niet naar voren dat steeds meer autochtone Nederlanders emigreren. Uit de onderliggende cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt eerder het tegendeel.
Uit de berichtgeving van het CBS blijkt dat in 2010 meer in Nederland geboren personen uit Nederland emigreerden dan in 2009. Onder in Nederland geboren personen bevinden zich echter niet alleen autochtonen maar ook (tweede generatie) allochtonen. Voorts berichtte het CBS dat zich in 2010 een stijging voor heeft gedaan in het aantal immigranten, maar ook in het aantal emigranten geboren in andere EU-lidstaten.
De onderliggende cijfers van het CBS laten zien dat emigratie van in Nederland geboren personen sinds 2006 elk jaar daalde en nu voor het eerst, in 2010, licht is gestegen (met 2%). Binnen deze groep is de emigratie van autochtonen licht gedaald, terwijl de emigratie van (tweede generatie) allochtonen is gestegen. Daarnaast steeg de immigratie van personen die in een ander westers land zijn geboren met 9%, waar de emigratie van deze groep met 2% steeg. Wat de groep mensen betreft die geboren zijn in een niet-westers land daalde de immigratie in 2010 met 2% en steeg de emigratie uit Nederland met 14%.
Het CBS heeft deze immigratie- en emigratiecijfers in zijn berichtgeving over het verloop van de bevolking niet gekwalificeerd naar opleidingsniveau of het criterium of Nederlands wordt gesproken of niet. Noch heeft het CBS bericht over de onderliggende migratiemotieven van de immigranten en emigranten.
Indien migratie wel in samenhang met opleiding of afkomst wordt bezien, ontstaat een gevarieerd beeld. Zo blijkt uit recent onderzoek van het bureau Regioplan naar motieven van hoger opgeleide emigranten niet dat er sprake is van massaal vertrek. Autochtonen emigreren vooral vanwege het verlangen naar de ruimte en naar een mooie natuur. Het rapport van dit onderzoek is op 26 januari jl. door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer aangeboden.6
Voorts blijkt uit recent onderzoek van het CBS, gepubliceerd in het Jaarrapport Integratie 20107, dat er onder de tweede generatie allochtonen geen sprake is van braindrain. Onder de tweede generatie zijn het vooral de lager opgeleiden die Nederland verlaten.
Daarnaast blijkt bijvoorbeeld uit informatie van de IND dat vreemdelingen die gebruik maken van de Nederlandse kennismigrantenregeling afkomstig zijn uit een breed scala van landen. Deze vreemdelingen hebben de nationaliteit van zowel westerse als niet-westerse landen.
Bestrijding van antisemitische uitingen |
|
Ahmed Marcouch (PvdA), Martijn van Dam (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u het item gezien in het programma Pownews van 9 februari 2011, waarin een jongen een Hitlergroet uitbracht jegens een gezelschap van rabbijnen, imams en dominees?
Ja.
Is er aangifte gedaan van dit voorval? Zo nee, wilt u de betrokkenen daar actief toe uitnodigen?
Naar aanleiding van de televisie-uitzending op 9 februari heeft het korps Amsterdam-Amstelland rabbijn Evers benaderd en hem gevraagd om aangifte te doen. De rabbijn heeft op 11 februari 2011 aangifte gedaan ter zake van belediging.
Is de jongen die op camera herkenbaar de Hitlergroet brengt en «kankerjoden» roept opgepakt of loopt er politieonderzoek naar deze antisemitische uitingen? Zo ja, op welk moment en op welke basis heeft de politie besloten om actie te ondernemen? Zo nee, bent u van mening dat dit soort gedragingen ambtshalve onderzocht en vervolgd moeten worden?
Naar aanleiding van de aangifte is er een opsporingsonderzoek gestart, waarbij onder meer de foto van verdachte is getoond in het televisieprogramma «Ter plaatse» van RTV Noord-Holland. Daarnaast is de foto geplaatst op de website www.depolitiezoekt.nl. Aangezien het onderzoek nog loopt, kan ik geen verdere mededelingen doen.
De politie kan ook zonder aangifte proces-verbaal van strafbare feiten opmaken en inzenden naar het openbaar ministerie. De officier van justitie beoordeelt de zaak en beslist of tot vervolging wordt overgegaan. Ingevolge de Aanwijzing discriminatie (2007A010) van het College van Procureurs-generaal is daarbij de hoofdregel dat bij overtreding van de discriminatiebepalingen, indien de zaak bewijsbaar en de verdachte strafbaar is, altijd een strafrechtelijke reactie volgt.
Werd de interreligieuze wandeling begeleid door politieagenten? Zo ja, hoe hebben zij gereageerd op de uitingen van deze jongen?
Nee. De politie werd pas kort tevoren op de hoogte gesteld over de wandeling.
Deelt u de observatie dat uit dit filmpje opnieuw blijkt dat mensen die door hun kleding als Joods herkend zouden kunnen worden in de praktijk met antisemitisch gedrag geconfronteerd worden? Vindt u het ook ontoelaatbaar dat Joodse mensen hiermee rekening moeten houden en zich in sommige gevallen genoodzaakt voelen om hun gedrag en voorkomen aan te passen?
Het filmpje bevestigt dat antisemitisch gedrag voorkomt. Antisemitisch en ander discriminerend gedrag is onacceptabel. Niemand in Nederland zou zich door zulk gedrag genoodzaakt moeten voelen om zijn gedrag en voorkomen aan te passen.
Bent u van mening dat de pakkans voor antisemitisme verhoogd moet worden door bijvoorbeeld de gerichte inzet van opsporingsambtenaren die zich op traditioneel Joodse wijze kleden? Zo ja, hoe wilt u bevorderen dat deze lokagenten gericht ingezet worden zodat Joodse mensen weer zonder angst herkenbaar over straat kunnen lopen? Zo nee, waarom niet?
De keuze voor de inzet van gerichte opsporingsmiddelen wordt op lokaal niveau gemaakt, op basis van de lokale kennis. De Regionale Discriminatieoverleggen (RDO’s) spelen hierin een belangrijke rol. De inzet van alternatieve opsporingsmethoden is ook een lokale aangelegenheid, mits deze vallen binnen de wettelijke mogelijkheden. Hoewel daarvoor een wettelijke basis bestaat, ligt de inzet van lokagenten bij antisemitisme, niet voor de hand vanuit overwegingen van subsidiariteit (als andere opsporingsmiddelen niet tot het gewenste resultaat leiden). Ook deze afweging dient echter lokaal te worden gemaakt.
Hoeveel aanhoudingen zijn afgelopen jaar verricht vanwege antisemitisme?
Voor de zomer zullen wij een aanscherping van het actieprogramma ter bestrijding van discriminatie naar de Tweede Kamer sturen. Hierbij sturen wij ook de landelijke cijfers van de politie en het Openbaar Ministerie ten aanzien van antisemitisme in 2010 mee.
Het bericht dat de werkloosheid onder niet-westerse allochtonen in 2010 verder is opgelopen |
|
Léon de Jong (PVV), Joram van Klaveren (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Werkloosheid niet-westerse allochtonen in 2010 verder opgelopen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat immigranten pas nadat deze tien jaar onafgebroken legaal in Nederland woonachtig zijn geweest en gewerkt hebben aanspraak kunnen doen op de voorzieningen van de verzorgingsstaat? Zo nee, waarom niet?
Overeenkomstig het regeerakkoord, wordt bezien in hoeverre aanscherping van het (arbeids)migratiebeleid mogelijk is en wat dit betekent voor de toegang tot onze sociale voorzieningen. De Kamer zal over de uitkomsten worden geïnformeerd.
Kunt u toelichten waarom werkloosheid onder met name Marokkanen en mensen afkomstig uit het Midden-Oosten in 2010 is gestegen? Zo nee, waarom niet?
De werkloosheid onder niet-westerse allochtonen stijgt relatief hard wanneer het slecht gaat met de economie, maar neemt ook sterker af wanneer de economie weer aantrekt. De grotere dynamiek van de werkloosheid onder niet-westerse allochtonen hangt samen met het gegeven dat niet-westerse allochtonen meer dan autochtonen werkzaam zijn op veelal lager gekwalificeerde, tijdelijke banen. Wanneer het slecht gaat op de arbeidsmarkt verdwijnen als eerste deze banen, maar andersom ontstaan vacatures ook als eerste in dit segment van de arbeidsmarkt.
In hoeverre draagt de voortgaande massa-immigratie van ongeschoolde gelukszoekers bij aan het terugdringen van werkloosheid onder met name niet-westerse allochtonen?
Het kabinet legt met de maatregelen in het regeerakkoord een ambitieus pakket neer dat in het algemeen is gericht op ombuiging, beheersing en vermindering van de immigratie. Wat mijn beleidsterrein betreft merk ik op dat Nederland nog zoveel mensen met een uitkering kent, dat het niet nodig is arbeidskrachten van buiten de EU toe te laten tot de Nederlandse arbeidsmarkt, tenzij in uitzonderingssituaties. De uitvoering van de Wet arbeid vreemdelingen zal worden aangescherpt om dit doel te bereiken. Ook de wet zelf zal voor dit doel worden aangepast.
Daarnaast zullen uitkeringsgerechtigden meer worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid om stappen te ondernemen om aan werk te komen. Tegenover een uitkering zoals de bijstand en werkloosheidsuitkering staat de plicht om werk, scholing, of re-integratie te aanvaarden. Tevens komt in de bijstand de plicht om een tegenprestatie te leveren. Het begrip passende arbeid is al verruimd. Het niveau van het werk mag uiteindelijk geen excuus zijn om werkaanbod te weigeren. Deze maatregelen van het kabinet zijn erop gericht om, samen met gemeenten en UWV, meer mensen te laten werken.
Wat is er bekend over de verschillen in arbeidsethos/mentaliteit van niet-westerse allochtonen ten opzichte van autochtonen en in hoeverre spelen die verschillen een rol bij de hoge werkloosheid onder met name niet-westerse allochtonen?
In een onderzoek uit 2005 onder 100 werkgevers met medewerkers uit etnische minderheden, geeft een overgrote meerderheid van de werkgevers aan geen noemenswaardige verschillen te ervaren in de arbeidsprestatie en -motivatie van allochtone en autochtone werknemers.2 Uit onderzoek in 2009 onder werkgevers blijkt dat 87 procent van de werkgevers geen verschil ervaart in het functioneren en de motivatie van allochtone en autochtone medewerkers. 13 procent ervaart allochtonen als meer gemotiveerd dan autochtone Nederlanders.3
In zijn algemeenheid wordt arbeidsethos in weinig onderzoeken naar de arbeidsparticipatie van allochtonen genoemd als belemmering voor arbeidsdeelname. Wel is in 2008 een beperkt kwalitatief onderzoek uitgevoerd door Regioplan in 8 grote gemeenten. Uit de gesprekken met 32 re-integratiemedewerkers over voorkomende belemmeringen bij werkzoekenden, kwam o.a. als ervaringsgegeven naar voren dat bij allochtonen, vaker dan bij autochtonen het geval zou zijn, de opvatting een rol speelt er niet veel op vooruit te gaan als men werkt (armoedeval). Ook werd genoemd dat allochtone jongeren minder bereid zouden zijn om laag op de ladder te beginnen. Verder zouden allochtonen vaker dan autochtonen de neiging hebben hun slechte arbeidsmarktpositie aan externe factoren te wijten. Vanwege de beperkte omvang en opzet van dit onderzoek is het echter moeilijk hier algemene conclusies aan te verbinden.
De meeste onderzoeken4 van de afgelopen jaren laten zien dat de hoge werkloosheid in veel gevallen wordt veroorzaakt door een cumulatie van factoren. Veelgenoemd zijn een matige beheersing van de Nederlandse taal, laag of geen opleidingsniveau, fysieke en psychische gezondheidsklachten, gebrekkige kennis van onderwijs(stelsel) en arbeidsmarkt, weinig betrokkenheid van ouders bij het onderwijs, traditionele opvattingen over de rol van de vrouw (dit speelt vooral bij de eerste generatie) en een passieve houding tijdens het sollicitatieproces. Aanvullend hierop noemt de SER5 de gebrekkige aansluiting tussen zoekgedrag en zoekkanalen van allochtone werkzoekenden en de wervingsstrategieën van werkgevers en de culturele verschillen in communicatie. De impact van bovengenoemde factoren lijkt het grootst bij mensen van Marokkaanse, Turkse, overige niet-westerse en Antilliaanse/Arubaanse herkomst, alhoewel dat per factor verschilt. Daarbinnen is de afstand tot werk het grootst bij laagopgeleiden, migranten van de eerste generatie (vooral vrouwen) en (bepaalde groepen) personen met een verblijfsvergunning asiel.
Hoewel er nog steeds sprake is van een hogere werkloosheid onder niet – westerse allochtonen, laat deze een gestage daling zien. Deze daling is sterker bij allochtonen dan bij autochtonen. Ook voor niet-westerse allochtone jongeren geldt dat hun achterstand ten opzichte van autochtone jongeren in de periode 2002–2010 kleiner is geworden: hun onderwijsdeelname groeide harder en hun netto-arbeidsdeelname6 groeide met bijna 2 procent, waar deze voor autochtone jongeren daalde met bijna 2 procent.
De informatievoorziening palliatieve zorg |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Den Hartog Zorgadvies en het Lindeboom Instituut in opdracht van Agora en de Nederlandse Patiënten Vereniging (NPV), waaruit blijkt dat blijkt dat de bestaande informatie over palliatieve zorg niet altijd even goed aansluit bij de informatiebehoefte van het algemene publiek, patiënten en (potentiële) mantelzorgers?1
Een van mijn medewerkers heeft op 4 februari 2011 een werkconferentie te Bunnik bijgewoond, waarin de conceptresultaten van voornoemde onderzoeken zijn gepresenteerd.
De rapporten zijn overigens ten tijde van het opstellen van dit antwoord nog niet in mijn bezit.
Herkent u de problematiek die in het rapport geschetst wordt?
Een van de actiepunten uit het Plan van Aanpak Palliatieve Zorg 2008–2010 was om meer inzicht te krijgen in de informatiebehoefte van het algemene publiek, patiënten en (potentiële) mantelzorgers, om zo te komen tot een samenhangende en doelgroepgerichte publieks- en patiëntenvoorlichting. Deze rapporten zijn een uitvoering van dit actiepunt.
Met deze rapporten bestaat nu meer inzicht over informatievoorziening rond palliatieve zorg.
Welke mogelijkheden ziet u om de informatievoorziening rond palliatieve zorg beter aan te laten sluiten op de informatiebehoeften van de verschillende doelgroepen?
Eerst na zorgvuldige bestudering van de rapporten, die als gezegd nog niet tot mijn beschikking staan, kan in samenwerking en afstemming met het veld worden bepaald hoe kan worden bereikt dat de informatievoorziening rond palliatieve zorg beter aansluit op de informatiebehoeften, met oog voor de verschillende doelgroepen, die verschillende behoeften hebben.
Het ligt overigens wel in de rede dat een vorm van borging hiervan in het zorgproces tot de mogelijkheden behoort.
Kunt u aangeven hoe u omgaat met de conclusie dat er veel materiaal beschikbaar is, maar dat die informatie lang niet altijd even goed zijn weg vindt via de hulpverlener naar de verschillende doelgroepen? Hoe gaat u hulpverleners motiveren om mensen beter te informeren over de mogelijkheden van palliatieve zorg?
Nadat ik de rapporten heb bestudeerd, zal ik bezien in hoeverre ik de conclusies uit de rapporten kan meenemen bij de ontwikkeling van een module voor palliatieve zorg.
Daarnaast kan het ZonMw-verbeterprogramma, dat is gericht op de professional, een rol spelen bij de verbetering van de informatievoorziening over palliatieve zorg.
Verder is van belang dat ZonMw in januari 2011 de oproep van het ZonMw-programma Palliatieve zorg Goed beschrijven van goede voorbeelden heeft geplaatst, waarin als speerpunt is opgenomen: het versterken van de regiefunctie van de cliënt/naasten en het beschrijven van goede voorbeelden over communicatie met patiënt, mantelzorger of interculturele palliatieve zorg. Resultaten worden vanaf medio 2012 verwacht.
Welke rol ziet u voor verzekeraars weggelegd in de informatievoorziening over palliatieve zorg?
Samen met het veld, waaronder Agora en de NPV, zal worden bezien hoe de informatievoorziening kan worden geoptimaliseerd. De rol van de zorgverzekeraars zal hierin worden meegenomen.
De misstanden in de voetbalspelersmakelaarswereld |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «De sluiproute van de spelersmarkt»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het vermoeden dat clubs zwijggeld incasseren? Is het mogelijk dat clubs grote sommen zwijggeld incasseren zonder dat er vragen gesteld worden over de herkomst van deze transacties? Zo ja, om hoeveel transacties per jaar gaat het?
Ik kan alleen feiten beoordelen.
Als een jeugdspeler een contract tekent bij een buitenlandse club, heeft de club die deze speler heeft opgeleid volgens de regels van de FIFA recht op een opleidings-vergoeding. Alle internationale transfers van spelers onder de 18 jaar worden door een speciale commissie van de FIFA getoetst op de van toepassing zijnde reglementaire bepalingen. Transfervergoedingen kunnen niet geclassificeerd worden als zwijgrecht.
De KNVB heeft oog voor illegale praktijken maar heeft geen specifieke toets voor zwijggeldtransacties binnen het tuchtrecht en licentiesysteem. Vorig jaar heeft de KNVB een integriteitseenheid ingesteld. Deze onafhankelijke commissie is bevoegd om een vooronderzoek in te stellen bij onder andere de handel in minderjarigen en dubieuze handelingen van spelersmakelaars. Op dit moment wordt onderzoek gedaan naar twee spelersmakelaars die spelers onder de 16 jaar zouden hebben begeleid.
Clubs, spelersmakelaars en ouders van minderjarige spelers zijn en blijven zelf verantwoordelijk voor het naleven van wet- en (sport)regelgeving. Nederland heeft geen specifieke wettelijke regels die verbieden dat spelers jonger dan zestien bij een andere Nederlandse of buitenlandse club gaan spelen maar wel reguliere wet- en regelgeving ten aanzien van witwassen, belastingontduiking, fraude, arbeidsrecht etc. Deze wetten en regels worden streng gehandhaafd door de Nederlandse overheid.
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Jeugdtransfers rieken naar kinderhandel»?2
Ja.
Is het waar dat er jaarlijks 100 000 internationale jeugdtransfers plaatsvinden? Om hoeveel transfers vanuit Nederland en naar Nederland gaat het jaarlijks?
Uit navraag bij de KNVB blijkt dat in de periode van 1 januari 2010 tot nu 122 spelers jonger dan 18 jaar vanuit het buitenland naar Nederland gekomen zijn en dat 135 spelers jonger dan 18 jaar vanuit Nederland naar het buitenland gegaan zijn.
De KNVB heeft niet de beschikking over de internationale cijfers inzake jeugdtransfers.
Deelt u de mening dat er naast adequate Nederlandse regelgeving ook in Europees verband sluitende afspraken gemaakt moeten worden om onoorbare en ongewenste activiteiten van spelersmakelaars tegen te houden? Zo ja, kunt u een overzicht geven van de acties die u gaat ondernemen/onderneemt om de handel in jeugdige spelers in Europees verband tegen te gaan?
November 2009 heeft de Europese Commissie een onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren naar het nut en de noodzaak van Europese regelgeving om misstanden met spelersmakelaars tegen te gaan. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat de problemen met betrekking tot spelersmakelaars niet voortkomen uit specifieke regelgeving of het ontbreken daarvan. Europese wet- en regelgeving ten aanzien van spelersmakelaars ligt daarom niet voor de hand, zelfregulering des te meer.
Uit deze studie kwam ook naar voren dat het de verantwoordelijkheid van de lidstaten is om de bestaande nationale arbeids-, belasting- en strafwetgeving te handhaven en dat de Europese Commissie de verantwoordelijkheid op zich kan nemen om de dialoog over spelersmakelaars met en in de sportsector te bevorderen.
In de mededeling over sport (2011) uit de Commissie het voornemen om een conferentie te organiseren om na te gaan hoe de EU-instellingen en de vertegenwoordigers van de sportbeweging (bonden, liga’s, clubs, spelers en makelaars) de situatie ten aanzien van de activiteiten van spelersmakelaars kunnen verbeteren. Deze conferentie zal eind 2011 plaatsvinden.
De doodstraf opgelegd aan een Afghaanse christen |
|
Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Is het bericht waar dat de heer Said Musa, een tot het christendom bekeerde Afghaan, ieder moment ter dood kan worden veroordeeld?1
Nee. De heer Musa is vrijgelaten en bevindt zich inmiddels buiten Afghanistan.
Kunt u ook aangeven wat de stand van zaken is betreffende de heer Shoib Assadulah, die eveneens wordt aangeklaagd voor afvalligheid en kennelijk ook terdood kan worden veroordeeld?
De heer Sayed Shaoib Mosawi (ook bekend als Assadullah) zit in detentie in Mazar-e Sharif. Er bestaat momenteel geen formele aanklacht tegen hem en zijn zaak is (nog) niet voorgekomen.
Is de Nederlandse regering bereid zich op alle niveaus in te zetten om uitvoering van een eventuele doodstraf voor afvalligheid te voorkomen?
De kwestie van bekeerde Afghanen heeft al langere tijd de aandacht van de Nederlandse regering. De regering zet zich zowel bilateraal als in samenwerking met de internationale partners zo effectief mogelijk in om verdere vervolging en oplegging van de doodstraf te voorkomen. Ik heb hierover rechtstreeks contact gehad met de Afghaanse autoriteiten, de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken Clinton, de Hoge Vertegenwoordiger Ashton en haar EU-Vertegenwoordiger in Afghanistan. De Nederlandse ambassade, de EU-delegatie en ook andere ambassades, blijven de situatie nauwlettend volgen en stellen de kwestie tot op het hoogste niveau aan de orde. Gezien de gevoeligheid van het onderwerp «bekering» binnen de Afghaanse samenleving is het echter van het grootste belang dat de internationale inspanning discreet plaatsvinden. Ruchtbaarheid in de (lokale) media zou een gunstige afloop van deze zaak kunnen belemmeren.
Op basis van welke wetgeving kan de doodstraf aan de heer Said Musa worden opgelegd?
Zie antwoord op vraag 1.
In algemene zin kan het volgende gezegd worden over de grondwettelijk vastgelegde vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in Afghanistan. Het Wetboek van Strafrecht kent geen bepaling over bekering van de islam tot een ander geloof. Rechtbanken baseren zich, zoals de Afghaanse grondwet voorschrijft in gevallen waar de Grondwet en het Wetboek van Strafrecht geen bepaling kennen, op de Hanafi jurisprudentie. Volgens sommige interpretaties van het islamitisch recht staat bekering gelijk aan afvalligheid waarop de doodstraf staat. Dit is strijdig met zowel de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens als het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), welke Afghanistan beiden heeft getekend.
Klopt het bericht dat deze Afghaanse burger alleen door advocaten zal worden bijgestaan als hij zich weer tot de islam bekeert? Op welke manier wordt bevorderd dat de heer Musa de beschikking krijgt over alle hulp die hem op basis van internationale verdragen toekomt?
Zie antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat de bescherming van mensenrechten op het gebied van de vrijheid van godsdienst, waaronder ook de vrijheid om zich te bekeren tot een ander godsdienst, een lakmoesproef is voor een betrouwbare Afghaanse overheid, zoals Nederland en haar bondgenoten die nastreeft? Zo ja, op welke manier wordt bevorderd dat bekeerde christenen in de toekomst niet hoeven te vrezen voor hun leven?
Afvalligheid en bekering zijn gevoelige onderwerpen in delen van de Afghaanse samenleving. Met de Afghaanse autoriteiten is een voortdurende dialoog over dit soort onderwerpen gaande. Ik kan u verzekeren dat Nederland en zijn internationale partners regelmatig en op alle niveaus aandacht blijven vragen voor vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, en dus ook de vrijheid om van geloof te veranderen en voor de noodzaak kwetsbare groepen als religieuze minderheden de maximaal mogelijke bescherming te bieden. Ten aanzien van de doodstraf wordt door Nederland en de andere EU-partners een voortdurend appèl gedaan op de Afghaanse autoriteiten om als eerste stap naar afschaffing van de doodstraf een moratorium op de uitvoering daarvan in te stellen.
Deelt u de mening dat de training van politiemensen in Kunduz op geen enkele manier mag bijdragen aan een verslechtering van de positie van christenen in Afghanistan? Zo ja, welke afspraken zijn hierover met de Afghaanse overheid gemaakt?
Ja. De Nederlandse politietrainingsmissie is erop gericht een bijdrage te leveren aan het versterken van de rechtsstaat en daarmee aan een verbetering van de mensenrechtensituatie in Kunduz. De regering vindt het van essentieel belang dat de Afghaanse overheid, waaronder uitvoerende instanties als de politie, kwetsbare groepen en minderheden beschermt. De Afghaanse regering wordt hierop bij voortduring aangesproken, zowel bilateraal als in EU-verband.
Eventuele prijsverhoging naar aanleiding van surfgedrag op internet |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op conclusies die zijn getrokken tijdens een recent congres over «Bahavioural targeting and profiling», waarin onder andere wordt gewaarschuwd voor de praktijk van prijsdiscriminatie aan de hand van surfgedrag? Deelt u de mening dat dit kan leiden tot prijsverhogingen gebaseerd op persoonlijk surfgedrag zoals bijvoorbeeld een herhaald bezoek aan dezelfde webwinkel?1
Het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI) heeft mij het volgende meegedeeld. Technisch bezien is het mogelijk om aan de hand van internetgedrag marketingtools in te zetten met het doel de eindgebruiker gericht te bedienen door het tonen van (advertenties van) producten en diensten die aansluiten bij zijn behoefte, en daarbij prijzen te variëren. Er zijn geen klachten bekend over prijsverhogingen naar aanleiding van een herhaald bezoek aan dezelfde webwinkel. De brancheorganisatie Thuiswinkel.org, de belangenvereniging voor ondernemers die producten en diensten via internet verkopen aan consumenten, heeft juist te kennen gegeven dat hun leden de prijzen verlagen bij herhaald bezoek om te voorkomen dat het vertrouwen van klanten zou worden geschaad. Overigens is prijsdiscriminatie niet verboden, tenzij sprake is van misbruik van een economische machtspositie.
Bent u bereid om te laten onderzoeken wat Nederlandse internetbedrijven doen met de gegevens die mensen al dan niet bewust beschikbaar stellen via hun IP-adres, surfgedrag en netwerk-pagina’s?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 5. Verder zie ik geen aanleiding voor een onderzoek onder alle Nederlandse internetbedrijven met een dergelijke brede vraagstelling.
Hoe dienen uw antwoorden op eerdere vragen te worden geïnterpreteerd?2 Hier stelt u aan de ene kant dat «Device fingerprinting geen gevolgen heeft voor de veiligheid van het internetgebruik of de internetgebruiker» en tegelijkertijd dat het «het onderwerp profiling hoog op de agenda staat van het college bescherming persoonsgegevens (CBP)». Kan er worden geconcludeerd dat u stelt dat er geen gevolgen zijn voor de veiligheid, terwijl de resultaten van een mogelijk onderzoek door het CBP nog bekend moeten worden? Op basis waarvan kunt uitsluiten dat er gevolgen zijn voor de veiligheid?
Ik heb in mijn antwoorden op vragen van het lid Gesthuizen van uw Kamer (Kamerstukken II, 2010–2011, Aanhangsel Handelingen 987) onderscheid gemaakt tussen een aantasting van de veiligheid en een aantasting van de privacy. Van een aantasting van de veiligheid in dit kader is sprake als inbreuk zou worden gemaakt op de goede en integere werking van een computer van een individuele gebruiker. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft mij echter meegedeeld dat device fingerprinting geen consequenties heeft voor de werking van een computersysteem. Om die reden heb ik aangegeven dat er voor GOVCERT.NL vanuit zijn taakopdracht geen aanleiding bestaat onderzoek te verrichten naar dit verschijnsel.
Als bij device fingerprinting sprake is van het verwerken van persoonsgegevens, kan sprake zijn van een aantasting van de privacy als daarbij de Wet bescherming persoonsgegevens niet zou worden nageleefd. Om die reden staat profiling hoog op de agenda van het College bescherming persoonsgegevens.
Klopt in juridische zin de constatering van één van de congresgangers dat wanneer een consument toestemming geeft voor het verzamelen van bepaalde informatie, hij/zij daarmee nog geen toestemming geeft voor het verzamelen van meerdere data in geaggregeerde databases en profiles?
Volgens de Wet bescherming persoonsgegevens wordt onder toestemming van de betrokkene verstaan: elke vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting waarmee de betrokkene aanvaardt dat hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. In deze context is van belang dat de informatievoorziening die de betrokkene ontvangt, voorafgaand aan het geven van zijn toestemming, hem een voldoende duidelijk beeld verschaft van hetgeen de verantwoordelijke van plan is met zijn persoonsgegevens te gaan doen. Als de verantwoordelijke beoogt de verzamelde persoonsgegevens ook te gaan verwerken bij wijze van «profiling», brengt zijn informatieverplichting met zich mee dat hij de betrokkene daarover duidelijk inlicht.
Wilt u een onderzoek laten doen naar de juridische context van profiling en behavioural targeting, en daarbij ook de techniek van device fingerprinting betrekken? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op vragen 3, 4 en 7 op de eerdergenoemde vragen van het lid Gesthuizen van uw Kamer voor de aandacht die al in Nederland en op Europees niveau wordt geschonken aan de (juridische aspecten van) dergelijke onderwerpen. Ik zie verder geen aanleiding voor het laten verrichten van onderzoek.
Overigens wordt bij behavioral targetting soms ook gebruik gemaakt van zogenoemde cookies. Het Ministerie van ELI heeft mij meegedeeld dat ter voorbereiding van de uitvoering van de nieuwe bepalingen in de Telecommunicatiewet inzake «het vertrouwelijke karakter van communicatie», de zogenoemde Cookiewetgeving (Kamerstukken II, 2010–2011, 32 549, nrs. 2 en 3), de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit opdracht heeft gegeven aan IVIR/TNO om onderzoek te doen naar de stand van zaken rondom het plaatsen en het gebruik van cookies. Het onderzoeksrapport zal binnenkort gepubliceerd worden.
Egyptische asielzoekers |
|
Joël Voordewind (CU), Kees van der Staaij (SGP), Hans Spekman (PvdA), Raymond Knops (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u uiteenzetten hoeveel Egyptische asielzoekers inmiddels een aanzegging hebben gehad Nederland te verlaten?
In 2010 zijn er ongeveer 35 aanvragen van vreemdelingen met de Egyptische nationaliteit niet ingewilligd. Dit was ongeveer 72% van het totaal in 2010 behandelde aanvragen van vreemdelingen met de Egyptische nationaliteit. In 2011 zijn er tot en met februari ongeveer 15 aanvragen, ca. 93% van het totaal aantal behandelde aanvragen, niet ingewilligd. Op basis van deze indicatieve cijfers kan niet worden geconcludeerd dat dit ook het daadwerkelijke aantal Egyptische ex-asielzoekers betreft die Nederland daadwerkelijk moest verlaten. Daartoe zou een uitgebreide analyse op dossierniveau moeten plaatsvinden waarbij ook eventuele vervolgprocedures in beeld worden gebracht wat binnen dit korte tijdsbestek niet mogelijk is.
In hoeverre is de situatie in Egypte voor uitgeprocedeerde Koptische christenen voldoende veilig om terug te keren, gelet op recente aanslagen en moorden onder Koptische christenen? Is er voldoende zicht op de situatie in Egypte gelet op de gebrekkige informatievoorziening rond het bloedbad in Sharona?
In Egypte doen zich reeds geruime tijd intra-religieuze spanningen voor. Hierbij zijn ook slachtoffers gevallen. Dit betreur ik ten zeerste.
Deze incidenten leiden evenwel niet tot de conclusie dat elke Koptische christen bij terugkeer het gevaar loopt op een schending van het Vluchtelingenverdrag of van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. Een individuele beoordeling van de noodzaak aan bescherming van Koptische christenen uit Egypte die een asielaanvraag indienen, blijft dus het uitgangspunt. Indien na een zorgvuldige asielprocedure is vastgesteld dat bescherming niet noodzakelijk is, is terugkeer aan de orde. Dit heb ik uw Kamer ook mondeling toegelicht bij de beantwoording van de mondelinge kamervragen van het lid van der Staaij (SGP) op 8 februari jl.
Wanneer verwacht u geactualiseerde ambtsberichten over de situatie in Egypte? Bent u bereid hierbij de recente gewelddadigheden tegen Koptisch christenen expliciet te laten betrekken?
De regering volgt de huidige ontwikkelingen in Egypte nauwgezet. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de minister van Buitenlandse Zaken te vragen een apart algemeen ambtsbericht over de situatie in Egypte op te stellen.
Hoe kunt u verzekeren dat in situaties van diep ingrijpende gebeurtenissen in een herkomstland die grote bezorgdheid oproepen over de veiligheidssituatie aldaar, grote zorgvuldigheid in acht wordt genomen bij de beslissingen omtrent uitzetting, met inachtneming van actuele en weloverwogen informatie over de veiligheidssituatie?
Elke asielaanvraag wordt beoordeeld in het kader van een zorgvuldige asielprocedure met de mogelijkheid van een rechterlijke toets. Deze individuele beoordeling vindt plaats tegen de achtergrond van de actuele situatie en ontwikkelingen in het land van herkomst. De huidige situatie in Egypte vormt geen aanleiding om de terugkeer naar Egypte op te schorten. Na de massale demonstraties, die soms gepaard gingen met gewelddadigheden, in Caïro en andere steden van het land en het aftreden van president Mubarak, is het momenteel rustiger geworden. Er zijn situaties denkbaar waarin, nadat de aanvraag onherroepelijk is afgewezen en de vreemdeling Nederland dient te verlaten, de situatie in het land van herkomst zodanig wijzigt dat onzeker is of daar naartoe kan worden uitgezet. In een dergelijke situatie kan een vertrekmoratorium worden ingesteld. Op dit moment is dat voor Egypte echter niet het geval.
Bent u van mening dat ook indien rechtmatig tot uitzetting wordt besloten, het van wijsheid en behoorlijk bestuur kan getuigen indien niet onmiddellijk tot effectuering wordt overgegaan, indien de rechtsorde in het herkomstland door actuele en dramatische gebeurtenissen ernstig geschokt is? Zo ja, welke gevolgtrekkingen verbindt u daaraan?
Zie antwoord vraag 4.
De onafhankelijke benoeming van de voorzitter van de Onderzoeksraad |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel waarin de voormalig voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid kritiek heeft op de benoemingswijze van zijn opvolger?1
Ja.
Kunt u toelichten hoe het profiel hiervoor is vastgesteld? Wie heeft het profiel vastgesteld en wie heeft hierover kunnen adviseren?
Het functieprofiel voor de nieuwe voorzitter is vastgesteld door de destijds meest betrokken ministers: de ministers van BZK, Verkeer en Waterstaat en Defensie. Over het functieprofiel heeft de Onderzoeksraad geadviseerd.
In welke media en op welke momenten is er geadverteerd voor deze functie?
De advertentietekst met de vacature voor voorzitter en lid van de Onderzoekraad is op 19 juni geplaatst in het NRC en de Volkskrant. Daarnaast heeft een wervings- en selectiebureau actief potentieel geschikte kandidaten benaderd.
Hoe was de sollicitatiecommissie samengesteld? Uit welke gelederen waren deze commissieleden afkomstig?
In opdracht van de drie meest betrokken ministers, de minister van BZK, de minister van Defensie en de minster van Verkeer en Waterstaat, is een ambtelijke selectiecommissie ingesteld op het niveau secretaris-generaal/directeur-generaal. De selectiecommissie werd ondersteund door een wervings- en selectiebureau. De keuze voor dit bureau is afgestemd met – en werd gesteund door – de Onderzoeksraad.
Hoeveel personen hebben er in totaal gesolliciteerd? Hoeveel personen zijn uitgenodigd voor een gesprek met de commissie?
Op de functie hebben tientallen mensen gesolliciteerd. Het wervings- en selectiebureau heeft met circa 35 personen een oriënterend gesprek gevoerd. Na een voorselectie door de selectiecommissie, in afstemming met de eerder genoemde bewindspersonen, heeft de selectiecommissie met zes kandidaten gesproken. De raad is gedurende dit proces van voorselectie en selectie geïnformeerd.
Is voorafgaande de procedure of tijdens de procedure de omvang van de formatieve aanstelling gewijzigd? Zo ja, waarom?
Mijn ambtsvoorganger was van mening dat een 60%-invulling van de functie toereikend is. Die opvatting deel ik. In eerste instantie is de wijze van invulling open gelaten, zodat gedurende het selectieproces nog ruimte bestond om voor een 60% respectievelijk 100%-invulling te kiezen.
Op welke wijze is de Onderzoeksraad voor veiligheid van «begin tot eind» betrokken geweest bij de procedure?
De benoemingsprocedure staat beschreven in de Rijkswet Onderzoeksraad voor Veiligheid (artikel 7). Deze procedure is gevolgd. Leden van de Raad worden bij Koninklijk Besluit benoemd, op voordracht van de minister van Veiligheid en Justitie (voorheen BZK) en in afstemming met de meest betrokken ministers (Defensie en Infrastructuur en Milieu, voorheen Verkeer en Waterstaat), gehoord de Raad. De raad is conform de wet gehoord alvorens de voordracht via de ministerraad aan Hare Majesteit is doorgeleid. De Onderzoeksraad is van het begin tot het einde betrokken geweest bij de totstandkoming van het functieprofiel, de keuze voor een wervings- en selectiebureau en de totstandkoming van de vacaturetekst. Ook is de Raad gedurende het gehele proces in de gelegenheid gesteld om kandidaten aan te dragen, en heeft afstemming plaatsgevonden met de Raad rondom belangrijke selectiemomenten.
Hoeveel benoembare kandidaten zijn er voorgedragen? Aan welke ministers zijn die voorgedragen?
Conform de wettelijke procedure is één kandidaat via de ministerraad aan Hare Majesteit voorgedragen.
Hoe beoordeelt u achteraf gezien (de zorgvuldigheid van) deze procedure?
De procedure heeft op zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
Bent u bekend met de uitspraak van de nieuwe voorzitter van de Onderzoeksraad de heer Joustra «Ik heb met het departement afgesproken dat de Raad voortaan een voordracht zal doen.»?2
De Rijkswet waarborgt volledige onafhankelijkheid van de Raad. Dit geldt voor de onderzoeken, de methodiek en de aanbevelingen. De borging van de onafhankelijkheid van de raad ligt mijns inziens niet zo zeer in de wijze van benoeming van de voorzitter, als wel in de borging van de onafhankelijkheid.
De Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid is in 2008 geëvalueerd. Uit dat onderzoek kwam de benoemingsprocedure niet als aandachtspunt naar voren. Desalniettemin is met de nieuwe voorzitter afgesproken de procedure zowel ten aanzien van de leden als van de voorzitter op mogelijke onvolkomenheden te bezien,
Kunt u het bestaan van deze afspraak bevestigen? Zo nee, kunt u toelichten welke afspraak u wel heeft gemaakt met de nieuwe voorzitter omtrent benoemingen?
Zie antwoord vraag 10.
Zo ja, bent u bereid de tekst van de Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid (m.n. artikel 7, lid 1) te wijzigen zodat deze in overeenstemming wordt gebracht met deze nieuwe praktijk? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening dat de huidige benoemingsprocedure van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid in zijn geheel nog eens tegen het licht gehouden moet worden vanuit het perspectief van onbevreesde onafhankelijkheid van de raad?
Zie antwoord vraag 10.
Welke feitelijke mogelijkheden ziet u om de benoeming van de voorzitter van de Onderzoeksraad voor veiligheid geen «politieke benoeming» meer te laten zijn, zoals de oud-voorzitter heeft aangegeven wenselijk te vinden?
Zie het antwoord op de vragen 10, 11, 12 en 13.
Deelt u de mening dat vanuit het principe van onafhankelijkheid een benoeming door de Kamer – al dan niet na een voordracht van een nader samen te stellen commissie of de Onderzoeksraad voor veiligheid zelf – van de voorzitter meer voor de hand ligt? Zo nee, welke bezwaren heeft u tegen een dergelijke benoemingswijze?
De onafhankelijkheid van de Raad is wat mij betreft voldoende geborgd in de Rijkswet. Bij de volgende evaluatie van de Rijkswet kan een eventuele versterking van de rol van de Kamer desgewenst worden betrokken.