Ontsnapte tijgers bij circus Belly Wien in Alphen aan den Rijn |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat er bij circus Belly Wien onlangs drie tijgers zijn ontsnapt, waarbij één kameel is gedood, een kameel gewond is geraakt en een paard fikse bijtwonden heeft opgelopen?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit een gevaarlijke situatie was, waarbij mensen in levensgevaar hadden kunnen komen? Zo ja, welke consequenties trekt u hieruit? Zo nee, hoe beoordeelt u dit incident dan?
Wanneer roofdieren ontsnappen is dat altijd gevaarlijk. In deze situatie is er geen gevaar geweest voor de veiligheid van publiek, want er was geen publiek aanwezig. Het circuspersoneel heeft de dieren weer snel gevangen.
De politie heeft de zaak onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat het slot van de tijgerkooi is vernield en dat de tijgers met opzet naar buiten zijn gelaten. De politie heeft de dader(s) niet kunnen achterhalen.
Kunt u uiteenzetten hoe het mogelijk is dat de tijgers überhaupt ontsnapt zijn en wat hierop de sancties zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten welke veiligheidsvoorschriften precies gelden voor het plaatsen van kooien en buitenverblijven en het tentoonstellen van wilde dieren door circussen wanneer zij een Nederlandse gemeente aandoen? Zijn deze voorschriften voor alle gemeenten gelijk of worden die door het plaatselijke bestuur vastgesteld? Acht u deze voorschriften afdoende om de veiligheid van mens en dier te waarborgen?
Er zijn geen wettelijke voorschriften voor circussen op dit punt. Gemeenten kunnen hun eigen voorschriften opnemen in de Algemeen Plaatselijke Verordening.
Kunt u uiteenzetten hoe vaak er controles hebben plaatsgevonden op openbare orde en veiligheid bij circussen in de afgelopen vijf jaar en wat de bevindingen daarvan waren? Hoe vaak zijn dierentuinen gecontroleerd op deze aspecten?
Voor openbare orde en veiligheid zijn de lokale autoriteiten (politie en gemeenten) verantwoordelijk. Incidenten op het terrein van openbare orde en veiligheid bij circussen worden niet centraal geregistreerd. Ik kan daarom niet aangeven hoe vaak er op die aspecten is gecontroleerd en wat daarvan de bevindingen waren.
Dierentuinen beschikken over een veiligheidsprotocol dat beoordeeld wordt bij de aanvraag voor een dierentuinvergunning. Wanneer dierentuinen belangrijke wijzigingen melden, wordt aandacht besteed aan de veiligheid. Bij incidenten wordt de situatie samen met de vergunninghouder doorgenomen.
Beschikt circus Belly Wien over de benodigde certificaten in het kader van Artikel 48 van de Uitvoeringsverordening (EG) nr. 338/97 en het Certificaat reizende tentoonstelling? Op welke wijze, met welke frequentie en door wie is dat de afgelopen jaren gecontroleerd? Zo nee, hoe kan een circus dat niet over deze certificaten beschikt een vergunning krijgen voor optredens in Nederland?
Circus Belly Wien beschikt, voorzover nodig, over EG-certificaten, zoals bedoeld in artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97.
In artikel 30 van Verordening 865/2006 krijgen lidstaten de mogelijkheid om certificaten voor reizende tentoonstellingen af te geven. Nederland maakt van deze mogelijkheid geen gebruik.
Verder is in Nederland voor het houden van bepaalde soorten, waaronder voor berberapen en tijgerwelpen, een bezitsontheffing nodig. Bij iedere aanvraag voor een bezitsontheffing wordt door de Dienst Regelingen altijd gecontroleerd of de dieren rechtmatig verkregen zijn. Als de aanvraag daartoe aanleiding geeft wordt de nVWA daarbij ingeschakeld.
Is het waar dat genoemde certificaten hun geldigheid verliezen als de daarop vermelde dieren zijn ontsnapt? Zo ja, klopt het dat deze certificaten hun geldigheid hebben verloren? Zo nee, hoe zit het dan? Op welke wijze en door wie wordt de geldigheid van deze certificaten getoetst en welke gevolgen worden verbonden aan een negatieve uitkomst van een dergelijke toetsing?
Genoemde certificaten verliezen niet hun geldigheid bij ontsnapping van dieren.
Zowel de Dienst Regelingen als de nVWA controleren certificaten op hun geldigheid. Als de certificaten niet geldig blijken te zijn, kan handhavend worden opgetreden.
Kunt u uiteenzetten welke meldingen de afgelopen jaren bij de handhavende autoriteiten zijn binnengekomen over onveilige situaties bij circus Belly Wien? Kunt u bevestigen dat er in 2010 melding is gemaakt over de manier waarop het circus de dieren had gehuisvest in Almere waarbij leerlingen van een bezoekende basisschool zonder bufferzone langs de tijgerkooien konden lopen en dat er geen net gespannen was boven het buitenverblijf van de tijgers, waardoor zij gemakkelijk over het hek hadden kunnen springen en ontsnappen? Kunt u bevestigen dat daarbij ook melding is gemaakt van de situatie dat deze leerlingen hun hand door de tralies van het verblijf van de berberapen konden steken? Deelt u de mening dat het hier om gevaarlijke situaties ging? Zo ja, waarom is er niet ingegrepen om de veiligheid van deze kinderen te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Voor de beantwoording van het eerste deel van deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord onder vraag 5.
Bij de nVWA zijn in 2010 enkele meldingen binnengekomen over het circus Belly Wien, waaronder een algemene mail op 1 juni 2010 over mogelijke onveilige toestanden bij Circus Belly Wien. Tijgers zouden te dicht benaderd kunnen worden door het publiek. In de melding wordt niet gesproken over het ontbreken van netten boven het buitenverblijf van de tijgers of van kinderen die hun handen door de tralies van het apenverblijf kunnen steken. De melding is overgedragen aan de gemeente Geldrop-Mierlo, waar het circus de derde week van juni 2010 haar tenten zou opslaan. Als mensen wilde dieren te dicht kunnen benaderen, is dat potentieel gevaarlijk. De zorg voor de veiligheid is de verantwoordelijkheid van gemeenten. Gemeenten kunnen veiligheidsvoorschriften aan de vergunning verbinden.
Voor zover mij bekend zijn er in het verleden bijtincidenten met een aap van het betreffende circus geweest. Na overleg met het circus is bij de eerste melding in 2006 het bloed van de aap getest op besmettelijke ziekten. De aap bleek niet besmet te zijn te zijn met ziekten die ook gevaarlijk zijn voor mensen.
Kunt u toelichten wat er met bovengenoemde meldingen is gedaan? Kunt u bevestigen dat er al eerder melding is gemaakt van vier bijtincidenten met apen bij circus Belly Wien? Zo ja, hoe is er met deze meldingen omgegaan?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u, mede gelet op de meldingen over gevaarlijke situaties en bijtincidenten, uitleggen waarom u onlangs een ontheffing heeft verleend aan circus Belly Wien om de tijgers en berberapen onder zich te houden terwijl het circus geen vergunning had om deze dieren te houden? Waarom bent u overgegaan tot het verlenen van ontheffing in plaats van handhavend op te treden? Onderkent u dat u hiermee het illegaal houden van beschermde wilde dieren in feite heeft gelegaliseerd?
De berberapen en de tijgerwelpen bij het betreffende circus hadden een legale afkomst, die voldoet aan de CITES regelgeving. Daarboven geldt voor apen en katachtigen dat circussen moeten beschikken over een zogenoemde bezitsontheffing op basis van de Flora- en faunawet. Het betreffende buitenlandse circus heeft bij mij een aanvraag hiervoor gedaan. Omdat de dieren rechtmatig waren verkregen en er geen aanleiding was om te veronderstellen dat de dieren niet op de juiste wijze zouden worden gehouden, heb ik de ontheffing verleend.
In de ontheffing is als voorwaarde opgenomen dat moet worden voldaan aan de artikelen 36 en 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
Deelt u de mening dat het gerechtvaardigd is dat gemeenten op grond van regels van openbare orde en veiligheid in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) circussen met wilde dieren in hun gemeente moeten kunnen weren? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden de APV daartoe biedt? Zo nee, waarom niet?
Het is mij bekend dat een aantal gemeenten geen circussen met wilde dieren op hun grondgebied wenst. Zoals aangegeven in reactie op eerdere Kamervragen2 hebben gemeenten een autonome regelgevende bevoegdheid, die onder meer wordt begrensd door regelgeving op rijks- en provinciaal niveau. De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is uitputtend bedoeld voor dierenwelzijnsbeleid. Uit het gemeenterecht vloeit voort dat gemeenten in zo’n geval niet bevoegd zijn om vanuit een oogpunt van dierenwelzijn eigen regels over dieren te stellen. Dit is bevestigd in een uitspraak van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.3
Gemeenten hebben wel de bevoegdheid om met andere oogmerken regels te stellen inzake dieren, mits deze regels niet in strijd zijn met de normen in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld regels stellen over circussen in het belang van de openbare orde of veiligheid. In een concreet geval is het aan de rechter om te beoordelen of een gemeente bij het opstellen van regels binnen de grenzen van haar bevoegdheid is gebleven.
Het stellen van regels over openbare orde en veiligheid is bij uitstek een lokale verantwoordelijkheid, waarmee die afweging dus op het meest toepasselijke niveau wordt gemaakt.
Bent u bekend met het feit dat tientallen gemeenten circussen met wilde dieren willen verbieden binnen hun gemeente en tot nog toe nog steeds gedwongen zijn circussen met wilde dieren toe te laten? Hoe beoordeelt u dit, meewegende dat juist ook de gemeente Alphen aan de Rijn zich tot een rechtszaak toe heeft ingespannen voor een gemeentelijk verbod op circussen met wilde dieren?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid de alsmaar groeiende groep gemeenten die circussen met wilde dieren willen weren van hun grondgebied tegemoet te komen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, hoe verhoudt zich dit tot de passage «Taken van het bestuur worden op een zo dicht mogelijk bij de burger gelegen niveau gelegd» uit het regeerakkoord?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bekend met de brief van de Europese Commissie waarin zij aangeeft dat lidstaten op nationaal niveau een verbod op wilde dieren in circussen mogen instellen? Bent u bereid deze mogelijkheid, in navolging van andere lidstaten, te benutten? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het is mij bekend dat Oostenrijk wilde dieren in circussen heeft verboden. Voorts is mij bekend dat de Europese Commissie van mening is dat de vraag hoe wilde dieren in het circus het best kunnen worden beschermd door de lidstaten zelf dient te worden beoordeeld. Dit heeft de Commissie aangegeven in haar motivering om een tegen Oostenrijk ingezette infractieprocedure niet door te zetten. De Europese Ombudsman heeft in maart 2010 het formele besluit genomen dat de Europese Commissie slecht bestuur heeft gepleegd. Dit is gebeurd, omdat volgens de Europese Ombudsman de genoemde motivering van de Europese Commissie niet afdoende was. Ik ben geen voorstander van een nationaal verbod. Ik wil juist de mogelijkheid benutten om tot Europese regelgeving te komen.
Een verkenning om strafvervolging van buitenlandse politici in Nederland tegen te gaan |
|
Tofik Dibi (GL), Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Kloppen de berichten dat u laat onderzoeken hoe kan worden voorkomen dat buitenlandse politici in Nederland worden vervolgd voor het schenden van mensenrechten?1
Nee. Wat ik laat onderzoeken is hoe de Staat zou moeten omgaan met situaties waarin juridische acties dreigen tegen buitenlandse overheidsfunctionarissen die in Nederland verblijven of voornemens zijn naar Nederland te komen, met inachtneming van de toepasselijke internationaalrechtelijke kaders.
Een aantal categorieën buitenlandse overheidsfunctionarissen geniet immuniteit en kan om die reden in Nederland niet strafrechtelijk worden vervolgd. Dat vloeit voort uit het volkenrecht en heeft zijn neerslag gevonden in artikel 8 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 16 van de Wet internationale misdrijven.
Kloppen onze constateringen dat u dus kennelijk de goede bilaterale betrekkingen met de autoriteiten van staten waar mensenrechten worden geschonden belangrijker vindt dan de handhaving van de internationale rechtsorde, waar nu juist de universele werking van de mensenrechten van enorme betekenis wordt geacht? Sinds wanneer prevaleert voor de Nederlandse overheid de vrees voor de gevolgen van een «onwelkom ontvangst» van buitenlandse overheidsfunctionarissen boven de verbolgenheid over ernstige schendingen van de rechten van de mens?
Nee. Het bevorderen van de internationale rechtsorde vormt een belangrijk onderdeel van het Nederlandse buitenlands beleid. Daarbij staat de bevordering van de naleving van mensenrechten centraal en wordt evenzeer veel belang gehecht aan andere onderdelen van het volkenrecht die essentieel zijn voor een goed functionerende internationale rechtsorde, zoals het respecteren van de immuniteit waar bepaalde personen aanspraak op kunnen maken. Het kan voor ons land in uitzonderlijke gevallen aan de orde zijn te overwegen buitenlandse functionarissen in Nederland te ontvangen en deze te vrijwaren van vervolging voor de Nederlandse rechter. Dit moet van geval tot geval worden beoordeeld. Hierbij kan worden gedacht aan bezoeken door (voormalige) functionarissen die van groot belang zijn voor de buitenlandse betrekkingen, bijvoorbeeld wanneer er vlak voor het betreffende bezoek een kort geding dreigt te worden aangespannen dat gericht is op de vervolging van deze functionaris. De juridische ruimte om in een dergelijk geval tot een tijdelijke vrijwaring van vervolging over te gaan laat ik verkennen, evenals de bijbehorende risico’s.
Hoe verhoudt deze voorgenomen koerswijziging zich tot de door Nederland geratificeerde mensenrechtenverdragen en het streven van de Nederlandse regering om een actief beleid te voeren om schendingen van de mensenrechten en misdaden tegen de menselijkheid actief te vervolgen, om het bestaan van een vrijhaven voor dergelijke internationale misdrijven te voorkomen en om Den Haag te profileren als de spreekwoordelijke hoofdstad van de internationale rechtsgemeenschap?
Er is geen koerswijziging. Het betreft een verkenning van opties binnen de kaders van het internationaal recht en conform de Nederlandse verdragsverplichtingen op het gebied van de bestrijding van internationale misdrijven.
Deelt u onze angst dat deze benadering er uiteindelijk alleen maar toe zal leiden dat feitelijke straffeloosheid mensenrechtenschendingen alleen maar in de hand zal werken, waardoor het gevoel van internationale gerechtigheid zal afbrokkelen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De verkenning richt zich op het in uitzonderlijke gevallen toekennen van immuniteit aan buitenlandse overheidsfunctionarissen, conform het internationaal recht. Immuniteit staat niet gelijk aan straffeloosheid, maar vormt een tijdelijke, procedurele barrière voor strafvervolging voor de nationale rechter. Immuniteit doet geen afbreuk aan de individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid.
Bent u met andere woorden dus bereid om bijvoorbeeld president Mugabe van Zimbabwe toegang tot Nederland te verlenen en wellicht zelfs officieel te ontvangen, in de wetenschap dat hij internationaal erkende vrijheidsrechten, zoals de gewetens-, uitings- en demonstratievrijheid en de vrijheid van drukpers, met handen en voeten treedt?
Ik kan niet uitsluiten dat onder bepaalde omstandigheden personen tot Nederland worden toegelaten die mogelijk betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen, maar die tevens aanspraak kunnen maken op immuniteit op basis van het internationaal recht. Als gastland van diverse internationale organisaties is Nederland bijvoorbeeld verplicht om toegang tot ons land te verlenen aan alle vertegenwoordigers van staten bij internationale organisaties, ongeacht of zij verdacht worden van internationale misdrijven.
Bent u bereid om ogenblikkelijk elke verkenning te staken die ertoe leidt dat afgezien wordt van strafvervolging van buitenlandse overheidsfunctionarissen en juist nog actiever in te zetten op de bestrijding van dit soort ernstige misdrijven? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik zie hiertoe geen aanleiding. De verkenning van mogelijkheden vindt plaats binnen de grenzen van het recht. Verder wijs ik op een bij uw Kamer aanhangig wetsvoorstel, waarmee de mogelijkheden om internationale misdrijven in Nederland op te sporen en te vervolgen worden verruimd (Kamerstukken II 2009–2010, 32 475, nr. 2).
Fraude met PGB'S |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat berichten over grootschalige fraude met Persoonsgebonden Budgetten (PGB’s) een klap in het gezicht zijn van die mensen die te goeder trouw een PGB inzetten voor eigen regie ten aanzien van hun zorgbehoefte?1
Ja.
Hoe staat u tegenover de uitspraken van Zorgverzekeraars Nederland (ZN), die in een persbericht stellen dat deze zaak lijkt te bevestigen dat de huidige PGB-regeling uitnodigt tot systematische en grootschalige fraude? Kan de claim van ZN, die zich zorgen maakt «over het toenemend misbruik van het PGB» worden onderbouwd? Kunt u cijfers geven over de ontdekte fraude in de afgelopen jaren ten opzichte van de verstrekte PGB’s? Wijken deze cijfers af van ontdekte en vermoedde fraude in de Zorg in Natura?
Uit cijfers die ZN onlangs bekend heeft gemaakt en uit andere signalen blijkt dat er sprake is van een toenemend aantal fraudegevallen met het pgb. ZN meldt 133 onderzochte fraudezaken in 2008 en 204 in 2010. De afgelopen jaren is er in totaal voor een bedrag van € 6 miljoen aan pgb-fraude vastgesteld. In 2010 bedroegen de totale pgb-uitgaven ruim € 2,3 miljard. We weten uit de rapportage van ZN en van andere partijen, zoals de NZa en de SIOD, dat de pgb-regeling fraudegevoelig is. Alhoewel ik de bestuurlijke rapportage van het Openbaar Ministerie nog moet ontvangen, lijken de recente arrestaties de fraudegevoeligheid van het pgb te onderstrepen. (zie ook antwoorden op kamervragen van de leden De Jong en Van den Besselaar, kenmerk 2011Z01607) Ik vind het daarom belangrijk dat er maatregelen worden genomen om de risico’s op fraude die de huidige regeling en uitvoering met zich meebrengen te verminderen. De werkgroep fraude is hier momenteel mee bezig en zal mij in maart hierover rapporteren.
De cijfers van ZN bevatten geen informatie over fraude bij zorg in natura. Echter, uit het Algemeen rapport uitvoering AWBZ 2009 over fraude in de AWBZ van de NZa, blijkt dat in nagenoeg alle onderzochte fraudezaken sprake is van fraude met het pgb.
Kunt u uiteenzetten of het keurmerk dat door Per Saldo (belangen vereniging van mensen met een PGB) is ontwikkeld per direct wordt ingezet om fraude tegen te gaan?
Het keurmerk is ontwikkeld om budgethouders betere garanties te bieden inzake de kwaliteit en betrouwbaarheid van pgb-bureaus. Het keurmerk kan inmiddels worden aangevraagd bij het Keurmerkinstituut. In de werkgroep fraude die mij in maart zal adviseren, wordt bekeken of het wenselijk is dit keurmerk een verplicht karakter te geven.
Kunt u uiteenzetten langs welke lijn de fraudeaanpak zal lopen, zonder de efficiëntie in de zorg te beïnvloeden?
Momenteel worden in overleg met alle bij het pgb en de fraudebestrijding betrokken partijen maatregelen uitgewerkt om fraude met pgb’s terug te dringen. Deze maatregelen richten zich op de gehele pgb-keten. Het gaat dus niet alleen om mogelijke aanpassingen in de subsidieregeling, maar ook om verbeteringen in de voorlichting (preventie), de controle (detectie) en de sanctiemogelijkheden (repressie). Een advies is in maart gereed. In de pgb-brief die ik in mei aan de Kamer zal sturen, zal ik u informeren over de fraude-maatregelen, die ik op basis van dit advies ga nemen.
Bent u bereid te kijken naar de organisatie van het besluitvormingsproces? Deelt u de mening dat het moment van informatieverstrekking en voorlichting dat vooraf moet gaan aan de keuze voor een PGB of Zorg in Natura (ZIN) scherper kan?
Zoals in het AO pgb van 16 februari jl. aangegeven vind ik, net als u, een goede en tijdige informatievoorziening aan AWBZ-cliënten van groot belang. Ik ga met alle relevante AWBZ-ketenpartners en Per Saldo in gesprek om gezamenlijk te kijken hoe de informatievoorziening is te verbeteren.
Bent u bereid breed te kijken naar mogelijkheden fraude effectief tegen te gaan door de keuze van mensen voor ZIN of een PGB te ondersteunen, bijvoorbeeld door vaker in een persoonlijk gesprek de mogelijkheden van zorg in natura te bespreken, en niet alleen met formulieren te werken?
Zie antwoord vraag 5.
Voetbalwedstrijden en collectief vervoer |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat veel supporters wegblijven van uitwedstrijden, omdat ze alleen met collectief vervoer kunnen reizen, met alle nadelen van dien?
Nee.
Deelt u de mening dat de Voetbalwet zich juist kan bewijzen door de combiregeling af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
De Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast kan bijdragen aan een verminderd gebruik van de combiregeling, maar deze niet vervangen. Een belangrijk verschil tussen beide maatregelen is dat de wet zich richt op de aanpak van een aanwijsbaar en beperkt aantal personen die individueel of in groepsverband in het verleden herhaaldelijk de openbare orde hebben verstoord of bij die groepsgewijze ordeverstoring een leidende rol hebben gehad en jegens wie ernstige vrees voor verdere verstoring bestaat, terwijl een combiregeling bij bepaalde risicowedstrijden wordt opgelegd aan alle bezoekende supporters van de uitspelende club, op basis van een inschatting van de veiligheidsrisico’s rondom een wedstrijd. Beide maatregelen kunnen afhankelijk van de situatie hun nut hebben. In het vernieuwde beleidskader Voetbal en Veiligheid zullen de ketenpartners (politie, gemeenten, KNVB, Openbaar Ministerie, Auditteam, ministerie van Veiligheid en Justitie) op landelijk niveau afspraken maken om het aantal combiregelingen te laten dalen. Het beleidskader verschijnt dit voorjaar.
Deelt u de mening dat een driekwart leeg vak, waarin bezoekers van uitwedstrijden gekooid hun wedstrijd bekijken, eruit ziet als een rotte kies in een verder puntgaaf gebit en dat dit de clubs tonnen aan inkomsten per seizoen scheelt? Zo nee, waarom niet?
Voetbalclubs dienen zich als een goed gastheer op te stellen. Het Auditteam Voetbal en Veiligheid doet op dit moment een onderzoek onder uitsupporters. Dit onderzoek verschijnt deze zomer en richt zich op vervoer, ontvangst en supportersbeleid. De resultaten worden besproken in de regiegroep Voetbal en Veiligheid waarin vertegenwoordigers van politie, OM, gemeenten, KNVB, Auditteam en het ministerie van Veiligheid en Justitie zitten.
Bent u bekend met de Engelse situatie, waarin supporters van beide ploegen als gevolg van de Engelse Voetbalwet gebroederlijk naar het stadion komen en zich voorbeeldig gedragen in en om het stadion?
Ervaringen in het buitenland met de aanpak en bestrijding van voetbalvandalisme worden vanzelfsprekend bij de vormgeving en operationalisering van het Nederlandse beleid betrokken. De ervaringen met de Engelse voetbalwet worden meegenomen bij de evaluatie van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast, zoals toegezegd bij de aanvaarding van de daartoe strekkende motie Dölle c.s. (kamerstukken 31 467, I)
Bent u bereid de combiregeling in overleg met de KNVB vanaf het volgende seizoen af te schaffen, zodat de KNVB ruimschoots de tijd heeft de gevolgen naar de clubs en de supporters te communiceren? Zo nee, waarom niet?
Allereerst is het belangrijk dat alle partijen volgens het beleidskader voetbal en veiligheid gaan werken. Zo lang zich nog steeds incidenten rondom voetbalwedstrijden voordoen zijn maatregelen zoals een combiregeling nodig. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Criminele activiteiten in de taxi wereld |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Coke koop je in de taxi»?1
Ja, met de kanttekening dat het artikel mij bekend is onder de titel «Taxi’s Cocaïne Amsterdam».
Wat vindt u ervan dat door een kleinschalige steekproef al zoveel criminele activiteiten aan het licht zijn gebracht? Deelt u de mening dat dit doet vermoeden op grote schaal taxichauffeurs wat extra’s bijverdienen?
Een betrouwbaar beeld over de omvang van handel in drugs door taxichauffeurs is naar mijn oordeel, mede vanwege de beperkte schaal van de steekproef, niet af te leiden uit het artikel. Handel in cocaïne is strafbaar en niet acceptabel.
Zijn er bij u meer cijfers bekend over dergelijke criminele activiteiten in de taxiwereld en is bij u bekend of het hier gaat om de zogenaamde «vrije rijders» of komt dit ook voor onder taxi chauffeurs die aangesloten zijn bij een erkende taxiorganisatie?
Voor een algemeen beeld over aanwezigheid van criminaliteit in de taxisector verwijs ik naar het rapport «Preventieve doorlichting van de taxibranche», dat de toenmalige Minister van Justitie per brief van 20 maart 2009 aan de Tweede Kamer gezonden heeft (Kamerstuk 29 911, nr. 25). Het rapport gaat overigens niet in op specifieke groepen taxichauffeurs en de verschillen tussen «vrije rijders» en taxichauffeurs die aangesloten zijn bij een erkende taxiorganisatie.
Welke maatregelen gaat u nemen om de criminelen tussen de goedwillende taxi chauffeurs uit te pikken? Bent u bereid deze maatregelen aan te scherpen?
Zoals bekend zijn de politie en het Openbaar Ministerie verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging van overtredingen. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor veilig en betrouwbaar taxivervoer met het oog op het belang van de consument, wijs ik erop dat recent meerdere maatregelen genomen zijn om de integriteit van de taxichauffeur beter te borgen.
Sinds medio 2010 heeft de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) de bevoegdheid om een chauffeurspas te schorsen bij ernstige delicten of het vermoeden hiervan. Deze bevoegdheid maakt onderdeel uit van de wijziging van het Besluit personenvervoer 2000 d.d. 4 mei 2010.
Voorts is door het Ministerie van Veiligheid en Justitie de implementatie voorbereid van een systeem van continue screening van de integriteit van taxichauffeurs, dat volgens planning medio 2011 in werking treedt (31 521, nr. 57). Dit systeem houdt in dat in het geval een taxichauffeur strafrechtelijk wordt vervolgd dan wel veroordeeld voor het plegen van een ernstig delict, het Ministerie van Veiligheid en Justitie daarvan melding doet aan IVW. Op grond van het Besluit personenvervoer 2000 zal IVW in dat geval de betrokkene verzoeken om een nieuwe Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) aan te vragen, en kan IVW hangende de procedure de chauffeurspas schorsen. Indien vervolgens aan de taxichauffeur geen nieuwe VOG wordt verstrekt, trekt IVW de chauffeurspas in.
De verbetering van de kwaliteit van het taxivervoer staat voorts centraal in het bij de Tweede Kamer aanhangige wetvoorstel waarop in vraag 5 wordt gedoeld.
In hoeverre biedt het voorstel voor de taxiwet2, dat nu bij de Kamer voorligt, mogelijkheden om bij dergelijke overtredingen de desbetreffende taxichauffeurs en taxiorganisaties op te sporen en aan te pakken?
Het bedoelde wetsvoorstel biedt voor gemeenten bevoegdheden om aanvullende regels te stellen en voorzieningen te treffen in het belang van de kwaliteit van taxivervoer. Op grond van de voorgestelde artikelen 82a en 82b kunnen gemeenten aan taxichauffeurs aanvullende kwaliteitseisen stellen respectievelijk groepsvorming opleggen. Veilig en betrouwbaar taxivervoer met het oog op het belang van de consument staat in het wetsvoorstel centraal. Dit nieuwe wettelijke regiem ondersteunt de inzet om overtredingen zoals in de vraag bedoeld, tegen te gaan.
Bent u bereid de bevoegdheden van de «mystery guests», zoals genoemd in de aangenomen motie De Mos3, hiervoor aan te wenden en deze op een grotere schaal in te zetten?
Over de inzet van «mystery guests» in het toezicht op en de kwaliteitsbeoordeling van taxichauffeurs heeft mijn voorganger de Kamer naar aanleiding van de motie De Mos geïnformeerd per brief van 9 maart 2010 (Kamerstuk 31 521, nr. 45). De inzet van «mystery guests» door IVW is niet gericht op opsporing van criminele activiteiten, maar op de naleving van wet- en regelgeving waarop IVW toeziet. Dit laat onverlet dat geconstateerde criminele activiteiten door IVW worden gemeld aan de politie.
Het Mor Gabriel klooster in Turkije |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de Turkse staat een rechtszaak tegen het Mor Gabriel klooster bij het Turkse hooggerechtshof in Ankara gewonnen heeft, zodat het klooster een gedeelte van zijn eeuwenoude landerijen moet afstaan?1
Ja.
In antwoorden op eerdere Kamervragen gaf uw ambtsvoorganger aan dat de ambassades van EU-lidstaten bij toerbeurt de rechtszaken tegen het klooster zouden bijwonen en dat de Kamer daarover geïnformeerd zou worden. Kunt u uiteenzetten wie de rechtszitting heeft bijgewoond en wat de bevindingen zijn in de EU?2
De Nederlandse Ambassade volgt de rechtszaak over het Mor Gabriël-klooster op de voet. Zo is Nederland regelmatig bij zittingen aanwezig geweest. Indien dit niet geval was, werd ons land vertegenwoordigd door de EU-delegatie of andere EU-lidstaten. Het Kabinet deelt de conclusie van de Europese Commissie in haar laatste voortgangsrapport, dat een flinke inspanning vereist is ten aanzien van de rechten van religieuze minderheden.
Deelt u de mening dat de Turkse overheid, door het aanspannen van vele rechtszaken tegen het klooster, de rechten van de minderheden niet garandeert, zoals ook opgemerkt in de voortgangsrapportage over Turkije van de Europese commissie?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de Turkse ambassadeur in Nederland in een onderhoud te wijzen op de precaire situatie van de christelijke minderheden in zijn land, hem te verzoeken aan de Turkse regering de rechtszaken van de overheid tegen het Mor Gabriel klooster in te trekken en de resolutie 1704 (speciaal punt 19.6 dat om bescherming van het klooster en zijn eigendommen gaat) van de Raad van Europa na te leven, en daarop terug te rapporteren aan de Raad van Europa zoals gevraagd?
Mede op aandringen van Nederland, heeft de EU-vertegenwoordiging in Turkije op 15 februari jl. bij de Turkse regering gedémarcheerd, om namens alle EU-lidstaten haar zorg uit te spreken over het verloop van de Mor Gabriël-rechtszaak. Verder heeft Nederland zich herhaaldelijk in Raad van Europa-verband hiervoor ingezet, waarbij de godsdienstvrijheid voor alle Turkse inwoners werd benadrukt. Ook heb ik zelf mijn zorgen geuit over deze zaak in consultaties met mijn Turkse collega op 2 februari jl. Het Kabinet zal, tot slot, de reguliere bilaterale contacten blijven aanwenden om aandacht te vragen voor de rechten van (religieuze) minderheden in Turkije. Dit zal ook in gesprekken met de Turkse Ambassadeur aan de orde komen.
Bent u bereid om dit onderwerp te agenderen in de EU en zo ja, op welke wijze?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om uw en onze zorgen over het Mor Gabriel klooster aan de Turkse regering over te brengen tijdens uw bezoek aan Turkije en kunt u ons op de hoogte stellen van het antwoord dat u van de Turkse minister krijgt?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'Gevangenis huurt meer imams in en minder pastors en humanisten' |
|
Lilian Helder (PVV), Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gevangenis huurt meer imams in en minder pastors en humanisten»?1
Ja.
Is het waar dat het aantal gevangenisimams stijgt ten opzichte van andere (geestelijke) verzorgers?
Ja. Dit is het gevolg van de uitkomsten van een voorkeurspeiling die is uitgevoerd in 2008, 2009 en 2010. De voorkeurspeiling betreft een onderzoek dat gedurende de hierboven vermelde drie opeenvolgende jaren is uitgevoerd onder een representatief deel van de ingeslotenen naar hun voorkeur voor de verschillende denominaties. Daaruit blijkt dat de vraag naar sommige denominaties is gegroeid en naar andere is gedaald.
Hoe beoordeelt u het commentaar van de voorzitter van het Humanistisch Verbond, die de wijze waarop Justitie de wensen van gedetineerden heeft gepeild «misleidend» noemt?
Het Nederlands strafrecht en gevangeniswezen berusten op de gedachte dat de gevangenisstraf dient als reactie op een misdrijf en in de hoop dat dit herhaling voorkomt. De gevangenisstraf strekt echter niet tot verandering van personen en de diepste overtuiging van mensen die door grondrechten worden beschermd. Het zou leiden tot een vorm van «brainwashing». Daarom volgt de geestelijke verzorging de overtuiging van personen en beoogt niet deze te hervormen.
In hoeverre deelt u de visie dat de integratie nog verder onder druk komt te staan bij een toename van het aantal imams in het gevangeniswezen?
Het Nederlands strafrecht en gevangeniswezen berusten op de gedachte dat de gevangenisstraf dient als reactie op een misdrijf en in de hoop dat dit herhaling voorkomt. De gevangenisstraf strekt echter niet tot verandering van personen en de diepste overtuiging van mensen die door grondrechten worden beschermd. Het zou leiden tot een vorm van «brainwashing». Daarom volgt de geestelijke verzorging de overtuiging van personen en beoogt niet deze te hervormen.
Op grond van de hierboven reeds toegelichte voorkeurspeiling is vast komen te staan dat het aantal formatieplaatsen voor islamitisch geestelijke verzorging diende te worden uitgebreid om te kunnen voldoen aan het wettelijke vereiste dat de geestelijke verzorging zoveel mogelijk dient aan te sluiten bij de godsdienst of levensovertuiging van de ingeslotenen. Ik zie geen relatie tussen de taakuitoefening door de bij DJI aangestelde islamitisch geestelijk verzorgers en de integratie van ingeslotenen in de Nederlandse maatschappij. Ik deel de visie dan ook niet dat de integratie onder druk komt te staan bij een toename van het aantal imams in het gevangeniswezen.
Deelt u de mening dat onze samenleving grotendeels is gevormd door de joods/christelijk/humanistische cultuur, dat deze in Nederland dominant moet blijven en dat het stijgende aantal imams in gevangenissen dit niet bevordert? Zo nee, waarom niet?
Onze samenleving heeft gedurende vele eeuwen de invloed van allerlei culturen ondergaan. De cultuur van de samenleving wordt gevormd door allen die daaraan volgens hun eigen overtuiging deelnemen. In de samenleving zoals wij die kennen is de Joods/christelijk/humanistische cultuur dominant. De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals geregeld in artikel 6 van de Grondwet en in internationale verdragen omvat mede het recht om naar die overtuiging te leven, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Met de geestelijke verzorging in de penitentiaire inrichtingen geeft de overheid uitvoering aan zijn verantwoordelijkheid om voorwaarden te scheppen die het uitoefenen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging mogelijk maken voor hen aan wie de fysieke vrijheid is ontnomen.
Hoe groot is het percentage moslims onder de gedetineerden in Nederlandse gevangenissen?
In de registratiesystemen van DJI wordt niet bijgehouden of iemand moslim is. Door middel van eerdergenoemde voorkeurspeilingen is wel onderzoek verricht naar de voorkeur op het gebied van geestelijke verzorging van de ingeslotenen, niet naar hun godsdienstige of levensbeschouwelijke achtergrond. Uit de voorkeurspeiling volgt dat 21 van de ingeslotenen aangeeft gebruik te willen maken van islamitisch geestelijke verzorging.
Op basis van welke berekening bent u op het specifieke aantal van 43 fte’s voor imams uitgekomen?
Het budget voor geestelijke verzorging binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen is gebaseerd op het totale aantal ingeslotenen. Hierbij wordt een norm gehanteerd van één geestelijk verzorger op 90 ingeslotenen. Toepassing van deze norm, in combinatie met de uitkomsten van de voorkeurspeiling, heeft geleid tot de vaststelling dat er 43 fte nodig zijn voor de islamitisch geestelijke verzorging.
Welke gevolgen heeft de (gedeeltelijke) privatisering van het gevangeniswezen voor deze (geestelijke) verzorgers?
De privatisering van de tenuitvoerlegging van straffen kan geen invloed hebben op de verantwoordelijkheid van de regering om personen die gedwongen hun vrijheid wordt ontnomen in staat te stellen hun vrijheid van godsdienst uit te oefenen.
Bent u bereid onmiddellijk een imamstop (als geestelijk verzorger) in te voeren bij gevangenissen?
De Penitentiaire beginselenwetten bepalen dat elke ingeslotene recht heeft op geestelijke verzorging die zo veel mogelijk aansluit bij zijn/haar godsdienst of levensovertuiging. Nu een deel van de ingeslotenen aangeeft een voorkeur te hebben voor islamitisch geestelijke verzorging, is de overheid verplicht te zorgen voor voldoende islamitisch geestelijk verzorgers in de justitiële inrichtingen. Ik zie dan ook geen enkele aanleiding om een imamstop (als geestelijk verzorger) in te voeren bij DJI.
De moord op de Ugandese homo-activist David Kato |
|
Louis Bontes (PVV), Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ugandese homo-activist vermoord»?1
Ja
Deelt u de afschuw over het feit dat David Kato, die campagne voerde tegen de strafbaarheid van homoseksualiteit, na publicatie van een dodenlijst en de oproep tot het ophangen van homoseksuelen, vermoord is? Zo nee, waarom niet?
Ik ben geschokt door de moord op de vooraanstaande mensenrechtenactivist David Kato. De dader(s) moeten worden opgespoord en vervolgd.
Bent u bereid om politieke druk uit te oefenen op Uganda ten einde de positie van homoseksuelen in Uganda te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
De positie van homoseksuelen is een regelmatig terugkerend agendapunt in de politieke dialoog die Nederland zowel bilateraal als in EU-verband met Uganda voert. Op vrijdag 28 januari 2011 is dit onderwerp en de moord op David Kato nog opgebracht in een gesprek van een aantal ambassadeurs waaronder de Nederlandse met de Ugandese premier. Naar aanleiding van de moord heeft de EU in een lokale verklaring het belang onderstreept van het werk van activisten die opkomen voor de rechten van seksuele minderheden. Samen met andere donoren heeft Nederland daarnaast bij de Ugandese autoriteiten aangedrongen op adequate beveiliging van deze activisten.
Bent u, anders dan in oktober 20102, nu wel eindelijk bereid alle ontwikkelingshulp, op noodhulp na, aan Uganda te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Het stopzetten van Nederlandse ontwikkelingshulp aan Uganda zal niet bijdragen aan de positie van homoseksuelen in dat land. Nederland zal de Ugandese autoriteiten blijven aanspreken op hun verantwoordelijkheid bij het beschermen van de rechten van seksuele minderheden en aandringen op voortvarend strafrechtelijk onderzoek naar de moord op David Kato.
Het wederom ten onterechte verlenen van een vergunning voor het gebruik van kunstlicht en knaldempers bij afschot |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Afschot vossen en konijnen met kunstlicht niet toegestaan»?1
Ja.
Is het waar dat zowel de rechtbank in Zwolle-Lelystad als die in Leeuwarden hebben vastgesteld dat er geen uitzonderingen mogelijk zijn van de Benelux-overeenkomst die onder meer het gebruik van restlichtversterkers, knaldempers en het gebruik van kunstlicht tijdens de jacht c.q. beheer en schadebestrijding verbiedt?
Kunt u toelichten of er provincies zijn waar gebruik van restlichtversterkers, knaldempers, kunstlicht, audiovisuele registratieapparatuur of anderszins volgens het Benelux-verdrag verboden jachtmiddelen worden gedoogd? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat opgetreden dient te worden tegen het gebruik van middelen die volgens het Benelux-verdrag niet zijn toegestaan bij jacht en/of beheer en schadebestrijding en dat vergunningen waarin dergelijke middelen worden gedoogd c.q toegestaan, vernietigd dienen te worden? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid de Algemene Inspectie Dienst (AID) opdracht te geven tot versterkt toezicht op het gebruik van genoemde illegale jachtmiddelen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat een provincie als Gelderland die in haar vergunningen toestemming heeft gegeven tot het gebruik van genoemde verboden middelen daarmee heeft aangezet tot wetsovertreding c.q stroperij? Zo ja, bent u bereid de provincie Gelderland hierop aan te spreken en herhaling onmogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uiteenzetten waarom het zo lang geduurd heeft alvorens er een eenduidig oordeel kwam over toepassing van het Benelux-verdrag, gelet op eerder gestelde vragen?2
Het bericht dat het afschaffen van stadsdelen miljoenen gaat kosten |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport van de Amsterdamse Raad voor de Stadsdeelfinanciën «Advies effecten kabinetsplannen tot afschaffing deelgemeenten» van 18 januari 2011?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie in het advies dat het afschaffen van de stadsdelen structureel minimaal 100 miljoen euro per jaar bedraagt, en dat in de eerste jaren daar nog eens tientallen miljoenen euro’s aan incidentele kosten bijkomen?
Die conclusie deel ik niet. Gevolg van het afschaffen van de stadsdelen is dat er geen dagelijks bestuurders en deelraadsleden meer zijn. Dat betekent dat de gemeente Amsterdam structureel geld zal kunnen besparen als het gaat om salarissen, vergoedingen en op termijn uitkeringen en pensioenen van politieke ambtsdragers. De besparingen op de loonkosten voor politieke ambtsdragers bedragen structureel € 7,6 miljoen per jaar. Daarnaast kan er aanvullend bespaard worden op hun directe ondersteuning (bestuursassistenten, secretaresses, griffie) en op ondersteunende voorzieningen zoals computers, telefoons, reis- en verblijfskosten en fractieondersteuning. Het is niet bekend om hoeveel geld het hier gaat, omdat de deelgemeenten daar eigen keuzes in mogen maken.
Het afschaffen van de politieke laag hoeft geen gevolgen te hebben voor de ophanging en organisatie van de ambtelijke diensten. Decentralisatie kan worden vervangen door deconcentratie, zodat efficiencyvoordelen behouden blijven. Het rapport gaat hier ten onrechte aan voorbij. Dat de afschaffing van de stadsdelen Amsterdam structureel minimaal € 100 miljoen gaat kosten, acht ik dan ook uitgesloten. Dat neemt niet weg dat er incidentele reorganisatiekosten zullen zijn. Hoeveel deze zullen bedragen, is niet bekend, omdat dit afhangt van welke rechtspositionele arrangementen de gemeente met de ambtenaren heeft en vooral hoe men de verdere inrichting van de gemeentelijke organisatie vorm wil geven. Deze kosten kunnen gefinancierd worden uit de besparingen op bestuurslasten.
Overigens merk ik op dat het rapport – in de woorden van de onderzoekers – niet meer is dan een eerste inventarisatie, uitgebracht op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het is aan het college om hier desgewenst bij de advisering over het concept wetsvoorstel een standpunt over in te nemen.
Klopt het dat er financiële gevolgen zijn vanuit het niet optimaal kunnen vormgeven van nog naar gemeenten te decentraliseren taken (delen van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (Awbz) in aanvulling op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo); en de jeugdzorg in aansluiting op de Centra voor Jeugd en Gezin) en dat er een verslechterde situatie te verwachten is ten aanzien van de beheersing van financiële risico’s? Zo nee, hoezo niet?
Nee. Bij de bovengenoemde decentralisaties krijgen gemeenten bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid. Zij zijn vrij in de wijze waarop zij het beleid en de uitvoering organiseren. Veel gemeenten werken hiervoor binnen de Wmo, en vele andere beleidsvelden, samen. In sommige grote gemeenten is de uitvoering gedeconcentreerd of – zoals in het geval van Amsterdam – gedecentraliseerd naar deelgemeenten. Afschaffing van de deelgemeenten hoeft geen financiële consequenties voor de uitvoering van de te decentraliseren onderwerpen te hebben. Als Amsterdam de uitvoering op het huidige schaalniveau wil blijven organiseren, kan de gemeente kiezen voor deconcentratie.
Wat is uw reactie op de conclusie dat het de gemeente Amsterdam niet toegestaan wordt om bij het vormgeven van een efficiënt en effectief werkend lokaal bestuur dezelfde uitgangspunten te hanteren, als het rijk nastreeft bij het decentraliseren van taken en bevoegdheden en de te bereiken decentralisatie-impulsen?
De vergelijking tussen de positie van het Rijk en die van een gemeente op het punt van (binnengemeentelijke) decentralisatie gaat niet op. Het regeerakkoord gaat uit van een versterking van de bestuurlijke hoofdstructuur Rijk – provincies – gemeenten. Voor een hulpstructuur als de deelgemeenten is daarbinnen geen plaats. De bestuurlijke inrichting is een zaak van de wetgever. Met het afschaffen van de deelgemeenten verdwijnt enkel het politieke bestuur. Amsterdam kan er voor kiezen beleid en uitvoering niet op centraal gemeentelijk niveau te organiseren. Decentralisatie wordt dan vervangen door deconcentratie.
Hoe verhoudt dit onderzoek zich tot de in 2009 geadviseerde herverdeling tot zeven stadsdeelgemeenten door Commissie Verbetering Bestuur Amsterdam?2
Het advies van de Commissie Verbetering Bestuur Amsterdam (commissie-Mertens) heeft geleid tot de vorig jaar gerealiseerde opschaling van veertien naar zeven stadsdelen. Kennelijk zag de gemeente toen in dat het met minder deelgemeenten en bestuurders efficiënter is. Het rapport van de Raad voor de Stadsdeelfinanciën geeft een opvatting over wat de financiële gevolgen van het afschaffen van de huidige zeven stadsdelen zouden zijn. Dat is een volstrekt andere situatie. Tussen beide rapporten is dus geen verband te trekken.
Zijn voorgaande verwachte effecten van het afschaffen van de stadsdelen ook te verwachten bij het afschaffen van de stadsdelen in Rotterdam? Zo ja, wat is de totaal te verwachten kostenpost – zowel structureel, als incidenteel – van het afschaffen van de stadsdelen? Zo nee, waarom niet?
De Rotterdamse deelgemeenten hebben een kleinere schaal, een ander takenpakket en een andere organisatie in relatie tot de centrale stad dan de Amsterdamse stadsdelen. Het is daarom lastig om een vergelijking te maken. De voor Rotterdam te verwachten jaarlijkse besparingen aan kosten voor politieke ambtsdragers bedragen € 7,5 miljoen structureel. Daarnaast zal net als in Amsterdam aanvullend bespaard kunnen worden op persoonlijke ondersteuning en faciliteiten voor politieke ambtsdragers. Daar staat tegenover dat – net als in Amsterdam – de incidentele reorganisatiekosten moeilijk zijn in te schatten. Deze kosten kunnen gefinancierd worden uit de besparingen op bestuurslasten.
De totale besparingen aan rechtspositionele aanspraken voor politieke ambtsdragers in Amsterdam en Rotterdam bedragen ongeveer € 15,1 miljoen structureel per jaar.
Bent u nog steeds voornemens de stadsdelen af te schaffen? Zo ja, met welke middelen wilt u deze operatie bekostigen?
Ja. Aangezien de gemeenten structureel zullen besparen op de kosten voor politieke ambtsdragers en hun directe ondersteuning en er slechts incidenteel reorganisatiekosten zijn, is er geen aanleiding Amsterdam en Rotterdam financieel te compenseren. Daarbij zij opgemerkt dat er geen aanleiding is om in het kader van artikel 2 Financiële-verhoudingswet de algemene uitkering uit het gemeentefonds voor Amsterdam en Rotterdam bij te stellen. De keuze voor deelgemeentebesturen is een vrijwillige keuze, waarmee in de verdelingssystematiek van het gemeentefonds nu geen rekening wordt gehouden. Beide steden hebben hier dan ook steeds zelf de kosten voor gedragen of – zoals het onderhavige rapport stelt – de opbrengsten van genoten. Afschaffing van de deelgemeenten leidt tot een structurele besparing op de bestuurlijke lasten die, binnen de systematiek van het gemeentefonds, vrij besteedbaar is voor beide gemeenten.
Het vangnet voor zelfstandigen zonder personeel (zzp-ers) |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis kunnen nemen van het artikel «Zzp-ers zoeken een bed»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitspraken van de directeur van het Centraal planbureau dat er veel verborgen leed zit onder de groep zzp-ers die vorig jaar de klap van de crisis opvingen, waardoor officiële werkloosheidscijfers relatief laag bleven?
Zoals mijn voorganger in antwoord op dezelfde vraag van 15 januari 2010 reeds heeft aangegeven2 is het inherent aan ondernemerschap dat het inkomen van de zelfstandige «meeademt» met de conjunctuur. Als het slecht gaat met de economie krijgen zzp’ers te maken met minder opdrachten en/of een verlaging van uurtarieven om de concurrentie aan te kunnen. Ze profiteren over het algemeen ook als eerste als de economie weer aantrekt.
Alhoewel dit bij de eigen verantwoordelijkheid van ondernemers hoort, kunnen dergelijke financiële klappen hard aankomen. Gegevens van het CBS laten zien dat het gemiddeld persoonlijk inkomen van de gehele groep zelfstandigen in 2009 inderdaad is gedaald, maar gemiddeld nog altijd hoger is dan dat van werknemers in particuliere bedrijven. In hoeverre het inkomen van zzp’ers is gedaald, is niet bekend. De omzetdaling van zzp’ers bedroeg in 2009 volgens het Economisch Instituut Midden- en Kleinbedrijf (EIM) circa 6,5%; dat is min of meer gelijk aan de omzetdaling in Midden- en Kleinbedrijf (MKB) als geheel. Niet alle zzp’ers werden in gelijke mate getroffen door de crisis. Circa één op de vijf zzp’ers had in 2009 een omzetdaling van 10% of meer.
De overgrote meerderheid van de ondernemers blijkt een aanzienlijke financiële buffer te hebben. Op 1 januari 2010 hadden zelfstandigen een doorsneevermogen van € 154 000. Uiteraard is sprake van een aanzienlijke spreiding in de hoogte van het vermogen. Niettemin had 75% van de zelfstandigen op 1 januari 2010 meer dan € 20 000 aan vermogen beschikbaar.
Sinds 2010 heeft de economie een voorzichtig herstel ingezet. De verwachting is dat zzp’ers hiervan profiteren.
Kunt u inzichtelijk maken waarom het niet-gebruik van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (BBZ) hoog is en bent u bereid hierop actie te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen informatie bekend over de mate van niet-gebruik van het Bbz. Wel zijn er signalen dat zelfstandigen niet altijd op de hoogte zijn van het bestaan van het Bbz. Hieruit kan overigens niet worden afgeleid dat zelfstandigen de weg naar het Bbz niet weten te vinden als dat nodig is. Zolang er immers geen financiële problemen zijn is er ook geen reden om naar informatie over het Bbz te zoeken. Wanneer problemen zich dreigen aan te dienen, is het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de zelfstandige zelf om te zoeken naar oplossingsrichtingen of ondersteuningsmogelijkheden, waarbij het Bbz als vangnet kan dienen wanneer andere vormen van ondersteuning (bijvoorbeeld via een bank) niet mogelijk zijn. Gemeenten zijn – als uitvoerder van het Bbz – primair verantwoordelijk voor de bekendheid van het Bbz onder de (potentiële) doelgroep. Gemeenten zijn via de verzamelbrief van februari 2009 (in beginperiode van de crisis) en in december van datzelfde jaar opgeroepen om de mogelijkheden van het Bbz, met name in nijpende situaties, optimaal te benutten. Daarnaast heeft het kabinet het initiatief genomen om op de website antwoordvoorbedrijven.nl een digitaal informatieloket voor zzp’ers op te zetten waarop alle regels en faciliteiten vanuit de overheid – waaronder het Bbz – overzichtelijk worden gepresenteerd.
Deelt u de mening dat het niet wenselijk is dat een zelfstandige gedwongen wordt om te teren op zijn opgespaarde pensioenvoorziening alvorens hij/zij in aanmerking komt voor de BBZ? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke stappen u hierin zal ondernemen?
Het kabinet zal hier uitgebreid op ingaan in zijn reactie op het advies van de SER over de positie van zzp’ers. Deze reactie zal voor 1 april aan de Kamer worden gezonden.
Kunt u uiteenzetten waarom een zelfstandige, bij problematische schulden, geen gebruik kan maken van de minnelijke schuldhulpverlening?
Het is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de zelfstandige zelf om een oplossing te vinden voor eventuele financiële problemen waarin het bedrijf verkeert. Als er sprake is van een in principe levensvatbaar bedrijf dat tijdelijk in moeilijkheden verkeert is ondersteuning via het Bbz mogelijk. In die gevallen waarin het bedrijf niet levensvatbaar is (en het Bbz dus niet van toepassing is), kan de zelfstandige het bedrijf of beroep beëindigen. Daarna kan hij evenals andere burgers een beroep doen op de schuldhulpverlening. Het staat gemeenten overigens vrij om schuldhulpverlening aan te bieden aan zelfstandigen met een nog functionerende onderneming. Gelet op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen rijk en gemeenten op dit vlak is het niet aan mij om hierin verdere stappen te ondernemen.
Deelt u de mening dat de mogelijkheden qua schuldhulpverlening voor zelfstandigen zeer beperkt zijn en vaak in een (te) laat stadium toegankelijk zijn en dat deze niet zijn gericht op de voorzetting van de onderneming? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke stappen u hierin zal ondernemen?
Zie antwoord vraag 5.
Een georganiseerde campagne van geweld in Ivoorkust |
|
Frans Timmermans (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport van Human Rights Watch (HRW) waarin beschreven staat dat milities en het veiligheidsapparaat van de heer Ghabo een schrikbewind voeren in de stad Abidjan?1
Ja.
Zijn er recent in Ivoorkust meer incidenten geweest die erop wijzen dat grootschalige georganiseerde geweldsacties worden ingezet om aanhangers van Quattara aan te vallen?
De incidenten die door Human Rights Watch in zijn rapport worden aangehaald sluiten aan bij de incidenten waarover sinds de in oktober en november 2010 gehouden verkiezingen is gerapporteerd. Meerdere bronnen bevestigen dat de georganiseerde geweldscampagne, die wordt uitgevoerd door de strijdkrachten van Gbagbo, zich met name richt op moslims en andere etnische groepen die specifiek bekend staan als aanhangers van president Ouattara.
Deelt u de mening van HRW dat er dringend maatregelen getroffen moeten worden om tegen deze terreur van geweld, in de vorm van systematische moorden en verkrachtingen, een halt toe te roepen? Zo ja, op welke wijze gaat u, dan wel in EU verband, hier gehoor aan geven?
Nederland heeft recent in EU-verband diverse sanctiemaatregelen ingesteld die gericht zijn tegen personen en instellingen die het bewind van Gbagbo ondersteunen. Deze maatregelen zijn bedoeld om de inkomstenstroom richting Gbagbo en zijn aanhangers te blokkeren en daarmee bij te dragen aan het breken van de macht van het Gbagbo-regime.
Daarnaast ondersteunt Nederland de VN vredesmacht UNOCI in Ivoorkust (6 mln euro p/j), die ondermeer als taak heeft de burgerbevolking te beschermen.
Bent u van plan om gehoor te geven aan de oproep van HRW die wil dat de internationale gemeenschap Gbagbo meer onder druk zet? Wilt u de Kamer informeren over de stappen die u hiervoor heeft ondernomen en de resultaten die dat heeft opgeleverd?
Nederland blijft via de EU de gerichte druk op Gbagbo en degenen die hem ondersteunen opvoeren. Tevens zal Nederland VN-initiatieven ondersteunen die bijdragen aan de bescherming van de mensenrechten van de Ivoriaanse bevolking.
Naar aanleiding van een speciale zitting over Ivoorkust door de Mensenrechtenraad in december 2010 brengt de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten deze maand een rapport uit over de situatie in Ivoorkust. Ik zal zo enigszins mogelijk zorgdragen voor Nederlandse bijdragen aan de opvolging van de aanbevelingen in dit rapport.
Het niveau van beginnende mbo'ers |
|
|
|
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Bent u bekend met het bericht «Beginnende mbo-ers vaak onder niveau basisschool»?1
Ja.
Is het onderzoek representatief te noemen?
Ik kan geen uitspraken doen over de representativiteit van dit onderzoek. Het onderzoek is gebaseerd op een door een particuliere instelling opgestelde diagnostische toets die is afgenomen bij haar klanten.
Deelt u de zorgen rondom de prestaties in de verschillende niveaus? Wat betekent dit voor de landelijke examinering in 2014?
Van diverse mbo-instellingen hoor ik dat de resultaten van beginnende mbo-ers op de diagnostische toetsen taal en rekenen laag kunnen zijn. Ik neem dat signaal serieus en zal het betrekken bij mijn aanpak voor de invoering van de referentieniveaus in het mbo.
Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat de status van de nu gebruikte diagnostische toetsen een andere is dan die van de toekomstige examens. De resultaten van de diagnostische toetsen geven een indicatie van de beheersing van het vereiste referentieniveau. Voor het opstellen van de definitieve normering en moeilijkheidsgraad van de toekomstige examens is meer tijd nodig.
Dit gebeurt in de komende jaren, met betrokkenheid van toetsdeskundigen, taal- en rekenexperts en de onderwijsinstellingen.
Vanaf 2013/2014 (niveau 4 en 2014/2015 (niveaus 2 en 3) worden centrale examens taal en rekenen afgenomen. De zorgen rondom de huidige taal- en rekenprestaties van startende mbostudenten vormen op dit moment voor mij geen aanleiding om af te wijken van dit tijdpad.
Het gaat er allereerst om dat scholen van zowel het voortgezet onderwijs als het middelbaar beroepsonderwijs extra gaan investeren in goed taal- en rekenonderwijs.
Ten tweede voer ik de centrale examens gefaseerd en zorgvuldig in. Vanaf 2011 doen de mbo-instellingen ervaring op met pilotexamens, waarbij de taal- en rekenprestaties van studenten jaarlijks worden gemeten. Ik volg de implementatie nauwgezet aan de hand van tussentijdse evaluaties waarbij ik het College voor Examens en het mbo-veld betrek. Wanneer uit deze testfase blijkt dat de taal- en rekenprestaties ondanks de onderwijsinspanningen van de scholen te laag blijven, zal ik passende maatregelen nemen.
Hoe beoordeelt u de prestaties van de verschillende niveaus (m.n. niveau 2 en 4)?
Ik beschouw de prestaties van de beginnende mbo-ers op de diagnostische toetsen vooral als een signaal dat scholen van zowel het po, vmbo als het mbo aan de slag moeten met extra en gerichte investeringen in taal- en rekenonderwijs.
Als niveau 4 doorstroom naar het hbo mogelijk maakt, moet dan het niveau lezen en rekenen ook op havo-niveau zijn? Wat is de discrepantie nu? En hoe wordt het gat gedicht?
Het referentieniveau 3F Nederlandse taal en rekenen wordt in zowel de examinering van het havo als in die van mbo-4 opgenomen. Daarmee gaan in de toekotnst zowel havisten als mbo4 studenten met hetzelfde niveau van lezen en rekenen naar het hbo. Over de verschillen en overeenkomsten tussen taal- en rekeneisen in de huidige examenprogramma's van het havo en de mbo-4 opleidingen is geen informatie bekend.
Wat gaat u nu precies doen met de referentieniveaus? Wat verstaat u onder zorgvuldig invoeren?
Zie mijn antwoord op vraag 3. Een nadere uitwerking hiervan geef ik in de voortgangsrapportage over de implementatie van de referentieniveaus in de verschillende onderwijssectoren.
De voortgangsrapportage ontvangt de Tweede Kamer in het voorjaar van 2011.
Wat is het effect van dit onderzoek op uw handelen? Voor wie is er werk aan de winkel? Alleen voor de scholen?
Ik neem het signaal dat dit onderzoek geeft serieus en zal het betrekken bij mijn aanpak voor de invoering van de referentieniveaus in alle onderwijssectoren. Deze invoering vergt uiteraard een gezamenlijke inzet van alle betrokken: van docenten en managers van po-, vo- en mbo-scholen, van landelijke ondersteuningsinstellingen en van de overheid in haar voorwaardenscheppende rol.
Als de vmbo-docenten zeggen dat de lat te hoog ligt, hoe werkt dit uit in termen van verwachtingsmanagement? Is waar wat zij zeggen, dat het voor vmbo-leerlingen onhaalbaar is?
Mij is bekend dat er zorgen bij vmbo-docenten bestaan over de haalbaarheid voor vmboleerlingen.
Ik neem deze zorgen serieus en zal ze betrekken bij mijn aanpak voor de invoering van de referentieniveaus in het vo. Lopende verbetertrajecten in het vmbo tonen echter aan dat de taal- en rekenprestaties van vmbo-leerlingen wel degelijk kunnen worden verhoogd.
Verwachtingen van docenten ten aanzien van hun leerlingen zijn belangrijk. Daarom zorg ik ervoor dat vmbo-docenten via het Steunpunt Taal en Rekenen kunnen kennisnemen van succesvolle verbetertrajecten van hun collega-instellingen. Ook kunnen docenten vanaf 2011 met hun leerlingen kennismaken met concrete uitwerkingen van de referentieniveaus in proeftoetsen en -examens.
Is er al zicht op de aanpak en het effect van de 50 miljoen euro die extra is uitgetrokken voor de aanpak van rekenen en taal voor het mbo?
Vanaf 2010 ontvangen de mbo-instellingen 50 miljoen euro voor de aanpak van taal en rekenen.
Er zijn reeds diverse resultaten zichtbaar. Zo heeft elke mbo-instelling in het voorjaar van 2010 een implementatieplan taal en rekenen opgesteld. Verder blijkt dat bijna alle instellingen, als basis voor de inrichting van het taal- en rekenonderwijs, op grote schaal diagnostische toetsen taal en rekenen afnemen bij hun beginnende studenten. Uit het aantal aanmeldingen bij het College voor Examens blijkt bovendien dat veel instellingen in het voorjaar van 2011 ervaring gaan opdoen met de eerste digitale voorbeeldexamens voor mbo-4.
Voor zicht op het effect op leerlingprestaties is het nu nog te vroeg. Het kost enige tijd voordat de effecten van geleverde extra onderwijsinspanningen zich doorvertalen in hogere prestaties van leerlingen op toetsen en examens.
De voornemens van het kabinet met betrekking tot de sociale werkplaatsen en de Wajong |
|
|
|
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Kent u het bericht ««Pittige gesprekken» over één regeling»?1
Ja.
Is er door het kabinet al een concreet voorstel gedaan tot het vormen van een enkele regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt? Zo ja, hoe ziet zo’n regeling er precies uit? Zo nee, wanneer valt zo’n voorstel te verwachten?
Het kabinet wil met de nieuwe regeling werken naar vermogen toe naar een regeling die de WWB/WIJ, Wajong en Wsw hervormt en die decentraal wordt uitgevoerd door gemeenten en/of werkpleinen. Hierdoor kunnen de gemeenten meer mensen laten participeren, budgetten gerichter en effectiever inzetten en kosten besparen.
Zoals ik aan uw Kamer heb gemeld is voor een effectieve en uitvoerbare regeling overleg met de uitvoerders en andere betrokkenen cruciaal. Ik ben het eens met wat de heer Florijn aangeeft in het door u aangehaalde bericht «Pittige gesprekken», dat er op dit moment intensieve en goede gesprekken plaatsvinden met de verschillende uitvoerders. Mijns inziens zijn deze gesprekken van groot belang voor de invulling van de beleidsvoornemens. Op basis van deze gesprekken maak ik afwegingen voor de verdere uitwerking van de plannen.
Daarnaast heb ik reeds aangegeven dat het kabinet en medeoverheden nog in overleg zijn over een eventueel te sluiten bestuursakkoord op hoofdlijnen ten aanzien van deze en een aantal andere decentralisatievoornemens. Zo spoedig als mogelijk zal ik uw Kamer nader informeren.
Zullen er in die regeling voorstellen zitten betreffende duurzame inschaling van Wsw’ers onder het Wettelijk Minimumloon (WML)? Zal er bezuinigd worden op de capaciteit van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) dan wel Wajong voor nieuwe gevallen?
Ik heb reeds aangegeven de hoofdlijnennotitie naar uw Kamer te zullen sturen. In deze hoofdlijnennotitie zullen de afspraken uit het regeerakkoord nader worden uitgewerkt.
Deelt u de mening dat het een voorbeeld van onbehoorlijk bestuur is om gemeenten zo lang in het duister te laten over de bezuinigingen (en de invullingen daarvan) die in het komende jaar al moeten plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Het zou naar mijn overtuiging van onbehoorlijk bestuur getuigen als ik zonder overleg met de gemeenten mijn beleid zou vaststellen. Gemeenten zijn, als toekomstige uitvoerders, voor mij belangrijke partners om tot een goede en zorgvuldige afweging te komen. Overigens constateer ik dat veel gemeenten inmiddels anticiperen op de vermindering van het participatiebudget in 2012 zoals opgenomen in het regeerakkoord.
In hoeveel gemeenten is sprake van onduidelijkheid over de gemeentelijke gevolgen van de beleidsvoornemens inzake de Wsw en Wajong, zoals nu bijvoorbeeld in Appingedam?2
Met gemeenten wordt momenteel intensief overlegd, onder andere met als doel mogelijke onduidelijkheden zoveel mogelijk op te lossen.
Hoeveel gemeenten zullen in de financiële problemen komen door de nieuwe regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt? Hoe groot acht u de kans dat gemeenten een artikel-12-status zullen moeten aanvragen, omdat ze niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen?
Dit is een hypothetische vraag waar ik op dit moment geen antwoord op kan geven.
Deelt u de mening dat de contouren van de voorstellen, zoals die bij gelegenheid in de media verschijnen, als centrale gedachte lijken te hebben dat mensen met een zwakke positie op de arbeidsmarkt daaraan zelf (mede) schuldig zijn en dat de inspanningen om aan de slag te komen daarom geheel aan henzelf toevallen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Dit kabinet wil met de voorstellen de juiste randvoorwaarden creëren om mensen die dat kunnen naar vermogen te laten werken en hen niet onnodig in een uitkering op te sluiten.
Deelt u de mening dat het beter is om de problemen op te lossen met een verplicht quotum voor mensen met een beperking in dienst van bedrijven en overheden, naar het model van het Rotterdamse stadsbestuur dat iedere werkloze een baan wil aanbieden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Quota verplicht opleggen aan bedrijven kan op weinig draagvlak rekenen. Het wordt ervaren als een verkapte lastenverzwaring en/of boete en het is stigmatiserend voor de mensen die het betreft. Buitenlandse ervaringen hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. Ik ben meer voorstander van stimuleren en motiveren van werkgevers.
De mishandeling van een Nederlandse journalist in Caïro |
|
Martijn van Dam (PvdA), Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de mishandeling van een correspondent van dagblad Trouw in Caïro door Egyptische politiefunctionarissen?1
Ja.
Bent u bereid de Egyptische ambassadeur te ontbieden en hem te laten weten dat Nederland woedend en ontzet is over het feit dat een Nederlandse journalist, die zich als zodanig bekend maakt, terwijl er nota bene niet eens demonstranten in de buurt zijn, in elkaar wordt geslagen door tien politiefunctionarissen met knuppels?
De Nederlandse ambassadeur in Egypte heeft de journalist in kwestie direct na melding van het voorval gesproken. Met de betrokken journalist en zijn redactie wordt nauw contact gehouden.
Door de ambassadeur in Cairo is tegenover de Egyptische autoriteiten ergernis en zorg uitgesproken over de wijze waarop deze en andere journalisten zijn behandeld. Daarbij is aangedrongen op het respecteren en waarborgen van vrijheid van pers en nieuwsgaring. Deze boodschap is eveneens overgebracht aan de Egyptische ambassade in Den Haag.
Bent u bereid bij de Egyptische ambassadeur aan te dringen op vervolging van de daders?
Zie antwoord vraag 2.
Past deze mishandeling in een patroon van gebruik van geweld tegen zowel Egyptische als buitenlandse journalisten, bijvoorbeeld gezien de mishandeling van een Britse journalist van The Guardian en het met rubberen kogels beschieten van een cameraman van Al Jazeera en de arrestatie van acht Egyptische journalisten?
Het is bekend dat de Egyptische autoriteiten gewelddadig hebben opgetreden tijdens de demonstraties van de afgelopen dagen. Er zijn geen aanwijzingen voor een gericht optreden tegen (buitenlandse) journalisten.
Kunt u deze vragen binnen een dag beantwoorden, gelet op de ontwikkelingen in Egypte?
Ja.
Een Ivoriaanse exportban op cacao |
|
Liesbeth van Tongeren (GL), Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ouattara roept op tot exportverbod cacao»?1
Ja
Hoe staat u tegenover het voorstel van de democratisch gekozen president van Ivoorkust om de export van cacao vanuit Ivoorkust aan banden te leggen? Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat het met de export verdiende geld gebruikt wordt door het bewind van de heer Gbagbo?
Nederland respecteert president Ouattara’s keuze om op te roepen tot maatregelen die hij nodig acht om de heer Gbagbo te bewegen de uitslag van de verkiezingen te accepteren. De inkomsten uit cacao en met name de exportbelasting die daarop wordt geheven zijn een belangrijke inkomstenbron voor de niet-wettige regering van de heer Gbagbo. Het is begrijpelijk dat de nieuwe president Ouattara deze inkomsten wil afsnijden. Anderzijds is het van belang dat een dergelijke maatregel de Ivoriaanse bevolking niet onevenredig treft.
Bent u voornemens de oproep van de heer Ouattara te ondersteunen om zo de (illegale) geldstromen van de heer Gbagbo te blokkeren? Zo ja, hoe denkt u te kunnen bijdragen? Hoe ziet u hierbij de rol van Nederland – en in het bijzonder de Amsterdamse haven – als ’s werelds belangrijkste overslaghaven van Cacao?
Nederland heeft recent in EU-verband diverse sanctiemaatregelen ondersteund die gericht zijn op het blokkeren van de geldstromen van de heer Gbagbo en zijn aanhangers. Deze maand zal de EU zich opnieuw uitspreken over het sanctieregime tegen Ivoorkust. Het blijft hierbij van belang dat de sancties effectief zijn in het afsnijden van de inkomsten van de heer Gbagbo en zijn aanhangers maar dat tegelijkertijd de Ivoriaanse bevolking zo veel mogelijk wordt ontzien. Daarnaast moet ook worden gekeken naar de effecten op de wereldhandel in cacao, inclusief de positie van de haven van Amsterdam en andere betrokken partijen.
Zou u deze vragen op korte termijn kunnen beantwoorden gezien de urgentie van de oproep van de heer Ouattara?
Ja.
Enorme kostenstijgingen voor woonboten |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Liggeld woonboot duizenden euro’s duurder»?1
Kunt u toelichten om welke reden de huren voor de ligplaatsen met zulke forse bedragen stijgen?
Kunt u toelichten waarom woonboten gelijk worden gesteld met sociale huurwoningen? Welke overeenkomsten en verschillen zijn er tussen deze twee groepen?
Kunt u toelichten welke wettelijke huurbescherming bewoners van woonboten genieten? Op welke punten wijkt deze af van de huurbescherming van bewoners van huurwoningen? Bent u van mening dat dit onderscheid gerechtvaardigd is?
Bent u bereid voor woonbootbewoners die bezwaar maken tegen de huurstijging een overgangstermijn van drie jaar in te voeren?
Het enorme corruptieschandaal bij het Global Health Fund |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fraude kwelt Global Health Fund»?1
Ja, ik ben bekend met deze berichten over het Global Fund to fight Aids, Tuberculosis and Malaria (GFATM).
Is het waar dat 67 procent van het door het Global Health Fund aan een anti-aids programma in Mauritanië ter beschikking gestelde geld via vervalste documenten en andere fraudepraktijken verdwenen is?
De totale ondersteuning van GFATM aan Mauritanië bedraagt US$ 16,5 miljoen. De Inspecteur Generaal van GFATM heeft diepgaand onderzoek ingesteld omdat bij controles problemen bleken te bestaan bij uitgaven in bepaalde categorieën. Het ging hier om een totaal bedrag van US$ 9,6 miljoen, waarvan US$ 6,7 miljoen (67%) door de Inspecteur Generaal als onrechtmatig zijn beoordeeld. Dit houdt in dat uitgaven waren gebaseerd op vervalste documenten, dat uitgaven onvoldoende met documenten waren gestaafd of dat fondsen waren uitgegeven aan activiteiten die niet in het goedgekeurde werkplan waren opgenomen.
Is het waar dat 36 procent van het geld voor een programma voor tuberculose- en malariabestrijding in Mali, alsook 30 procent van de subsidies verstrekt aan Djibouti verspild zijn?
Van de totale ondersteuning van US$ 57,5 miljoen in Mali is inmiddels US$ 11 miljoen onderzocht door de Inspecteur Generaal, omdat ook hier bij controles problemen bleken te bestaan. Het gaat in Mali met name om declaraties op basis van vervalste documenten voor trainingsactiviteiten. De Inspecteur Generaal beschouwt dat US$ 4,3 miljoen onrechtmatig is uitgegeven (36%). In Djibouti bleek bij onderzoek door de Inspecteur Generaal dat bij US$ 5,2 miljoen van de totale bijdrage van US$ 18,4 miljoen (30%) uitgaven onvoldoende gedocumenteerd, en dus onrechtmatig, waren.
Is het waar dat Nederland in de periode 2008–2010 maar liefst 200 miljoen euro aan het Global Health Fund heeft bijgedragen?
Ja.
Deelt u de mening dat Nederland geen cent meer aan het Global Health Fund ter beschikking moet stellen? Zo nee, waarom niet?
Allereerst wil ik benadrukken dat voor mij fraude en corruptie onacceptabel zijn. De zorgvuldige besteding van belastinggeld heeft mijn hoogste prioriteit en ik ben dan ook geschrokken van de berichten over misbruik van fondsen die door GFATM aan landen beschikbaar zijn gesteld. Dergelijke vormen van misbruik kunnen we niet tolereren.
GFATM heeft een «zero tolerance» beleid als het gaat om fraude en corruptie. Om zorgvuldig gebruik van fondsen te bewaken heeft de organisatie een onafhankelijke Inspecteur Generaal aangesteld. Deze voert diepgaande onderzoeken uit als uit de normale controle mechanismen, dan wel op basis van meldingen van klokkenluiders, aanwijzingen voor problemen naar voren komen. Ook voert de Inspecteur Generaal op eigen initiatief onderzoeken uit in landen, waarbij hij prioriteit geeft aan landen waar de corruptierisico’s als hoog worden ingeschat (bijvoorbeeld op basis van informatie van Transparency International) en landen die grote hoeveelheden fondsen hebben ontvangen. Als uit deze onderzoeken blijkt dat er aanwijzingen zijn voor onrechtmatige uitgaven, volgt ook hier een diepgaand onderzoek. Bij dergelijke onderzoeken gaat de stofkam door alle administratie en wordt bonnetje voor bonnetje gecontroleerd. Inmiddels heeft de Inspecteur Generaal uitgaven in 33 landen onderzocht met een totale omvang van US$ 3,5 miljard. De door u aangehaalde fraudegevallen zijn naar voren gekomen uit deze onderzoeken.
Als onrechtmatige uitgaven worden vastgesteld volgt vanzelfsprekend een respons. In samenwerking met nationale autoriteiten wordt strafrechtelijke vervolging ingezet, zo zijn inmiddels in Mali al vijftien personen die betrokken waren bij deze fraude gevangen gezet. Onrechtmatige uitgaven worden vanzelfsprekend teruggevorderd. Financiering wordt stopgezet en GFATM zoekt naar andere organisaties om de uitvoering van programma’s voort te zetten.
De Inspecteur Generaal rapporteert regelmatig over zijn bevindingen aan het bestuur, waarin Nederland vertegenwoordigd is. Het bestuur bespreekt deze bevindingen en de maatregelen die zijn getroffen. Deze maatregelen zijn niet alleen landenspecifiek, zoals hierboven beschreven, maar ook algemeen. De geconstateerde fraude met trainingsprogramma’s heeft bijvoorbeeld geleid tot een wereldwijde bevriezing van trainingsactiviteiten om betere controlemechanismen in te kunnen bouwen. Ook adviseert de inspecteur Generaal het GFATM secretariaat en het bestuur over aanpassingen in procedures om risico’s op fraude en corruptie te verkleinen. In 2010 zijn secretariaat en bestuur aan een ambitieus hervormingsprogramma begonnen dat er niet alleen op gericht is om GFATM beter te laten aansluiten bij processen op landenniveau maar ook om controlemechanismen verder te versterken. Ook deze maatregelen zijn gebaseerd op bevindingen en aanbevelingen van de Inspecteur Generaal.
Aangezien transparantie een kernbeginsel van GFATM is, zijn alle stukken, inclusief de rapporten van de Inspecteur Generaal, beschikbaar op de website. De berichten die de afgelopen dagen via Associated Press in de media zijn verschenen, zijn gebaseerd op informatie die beschikbaar is op de website van GFATM.
Wij hebben in het bestuur direct onze grote zorgen uitgesproken over de fraudegevallen die zijn ontdekt en hebben aangedrongen op een stevige reactie. Het GFATM heeft naar onze mening correct en kordaat gehandeld. Het GFATM houdt zich op strikte wijze bezig met corruptiebestrijding: actieve opsporing, onmiddellijke repercussies (waaronder strafrechtelijke vervolging en terugvordering van fondsen) en een hoge mate van transparantie. De functie van de Inspecteur Generaal heeft hierin een centrale rol.
Door geen cent meer aan GFATM te geven, zoals u suggereert, zou GFATM als het ware gestraft worden voor de actieve inzet om corruptie te bestrijden en haar transparantie hierover. Ik vind dat we daarmee een verkeerde boodschap afgeven. Vanzelfsprekend zullen we alle ontwikkelingen scherp blijven volgen en blijven aandringen op strikte controle mechanismen.
Overigens hecht ik er aan u te melden dat GFATM sinds de lancering in 2002 goede resultaten heeft bereikt. In December 2010 meldde het Fonds dat dankzij GFATM inmiddels 3 miljoen mensen worden behandeld met aidsremmers, dat 7,7 miljoen mensen zijn behandeld voor tuberculose en dat 130 miljoen bednetten zijn verspreid voor de preventie van malaria. Dankzij steun van GFATM zijn miljoenen voortijdige sterfgevallen voorkomen.
Het werven van spionnen in Nederland door de Turkse inlichtingendienst |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Turkije werft moderne spionnen in Nederland»?1
Ja.
Op welke wijze onderzoekt de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) deze praktijken van de Turkse inlichtingendienst? Zijn er op dit moment aanwijzingen dat er in Nederland Turkse spionnen actief zijn en welke maatregelen worden er genomen om deze activiteiten te laten stoppen?
De AIVD doet onderzoek naar heimelijke inlichtingenactiviteiten van andere landen in Nederland. In het openbaar kan niet aangegeven worden naar welke landen de AIVD specifiek onderzoek doet. Waar inlichtingenactiviteiten van andere landen worden onderkend, wordt altijd opgetreden om de inlichtingenactiviteiten te beëindigen. Dit optreden kan op verschillende wijzen vorm krijgen: door operationeel handelen van de AIVD, door diplomatiek optreden door de Nederlandse regering of indien mogelijk, kan overgegaan worden tot justitiële vervolging.
Deelt u de mening dat het werven van Turkse Nederlanders (met een Nederlandse nationaliteit) in strijd is met de goede betrekkingen tussen Nederland en Turkije en een aantasting vormen van de Nederlandse soevereiniteit? Besmetten deze praktijen niet het onderlinge vertrouwen binnen de NAVO?
Het gestelde in de brief aan Uw Kamer van onze ambtsvoorgangers minister Verhagen en minister Ter Horst d.d. 26 september 2008 (kenmerk 2008–0000453360), met als onderwerp «Heimelijke inlichtingenactiviteiten van vreemde mogendheden in Nederland» is nog immer van toepassing.
Nederlandse burgers kunnen door beïnvloeding door een andere mogendheid beperkt worden in de uitoefening van hun grondrechten. Dit is een wezenlijke schending van onze democratische rechtsorde en de soevereiniteit van Nederland.
Heimelijke beïnvloeding van politieke en ambtelijke functionarissen en rekrutering van personen werkzaam in het veiligheidsapparaat vormen een aantasting van de bestuurlijke integriteit. Constatering van dergelijke beïnvloeding leidt altijd tot maatregelen, toegesneden op de aard en omvang van de activiteiten.
Bent u bereid de Turkse regering aan te spreken op deze praktijken en ze nadrukkelijk af te zien van het werven van spionnen onder Nederlandse staatsburgers?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke wijze zorgt u ervoor dat de bestuurlijke integriteit en de weerbaarheid wordt vergroot, teneinde de slaagkans om spionnen te werven tot nul wordt gereduceerd?
In april 2010 heeft het Kabinet het rapport over de Kwetsbaarheidsanalyse Spionage Nederland (KWAS) aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstuk30 821, nr. 11) en daarbij aangegeven dat een kabinetsreactie zou volgen. De kabinetsreactie, in samenwerking met VNO-NCW tot stand gekomen, zal naar verwachting eind februari worden aangeboden aan de Tweede Kamer. In deze reactie zal het Kabinet aangeven welke maatregelen worden genomen, hoe zij invulling wil geven aan haar eigen verantwoordelijkheid en hoe zij bedrijven en andere organisaties willen stimuleren en ondersteunen om ook hun weerbaarheid tegen spionage te verhogen.
Voorts onderhoudt de AIVD contacten met velerlei partijen, waaronder overheidsinstellingen, over spionagerisico’s en andere mogelijke dreigingen. Zo worden spionagebriefings gegeven om het bewustzijn te vergroten en de weerbaarheid tegen spionage te vergroten. In concrete gevallen van spionage informeert de AIVD de betrokken organisatie of instelling, opdat deze in staat zijn maatregelen te treffen.
De hulp en ondersteuning aan mensen die na langdurige detentie worden vrijgesproken |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Sharon Gesthuizen (SP), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending over een man die 28 maanden gedetineerd is geweest en uiteindelijk (in hoger beroep) definitief is vrijgesproken?1 Vindt u het eveneens schrijnend om te horen tot welke problemen deze langdurige detentie heeft geleid, bijvoorbeeld op het gebied van inkomen, huisvesting, verzekeringen en schuldenproblematiek?
Hoeveel mensen zitten in een vergelijkbare positie? Zijn hierover cijfers bekend, bijvoorbeeld hoeveel mensen al langer dan 6, 12, 18, 24 of 30 maanden in hechtenis zitten waarna onherroepelijke vrijspraak volgt?
Welke nazorg is beschikbaar voor mensen die worden vrijgesproken en van de ene op de andere dag, soms na langdurige detentie, weer op straat staan? Bent u van mening dat ook mensen die ten onrechte gedetineerd zijn geweest bij het weer oppakken van het dagelijks leven worden geconfronteerd met de nadelige gevolgen van hun detentie? Is voor hen minimaal dezelfde gemeentelijke nazorg beschikbaar als voor andere ex-gedetineerden die hun gevangenisstraf hebben uitgezeten? Zo nee, waarom niet?
Welke actie onderneemt uw ministerie jegens mensen die achteraf ten onrechte gedetineerd hebben gezeten, los van de uit te keren schadevergoeding?
Waarom zijn in dit geval geen excuses aangeboden? Welke keuze ligt hieraan ten grondslag?
Bent u bereid actie te ondernemen ten aanzien van woningcorporaties die betrokkene geen woning meer verhuren, omdat deze nu als «wanbetaler» te boek staat? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid verzekeringsmaatschappijen, die betrokkene vanwege zijn/haar contact met justitie een polis weigeren, duidelijk te maken dat hiertoe geen enkele reden is nu betrokkene is vrijgesproken?
Deelt u de mening dat het niet alleen geld is dat telt, maar dat van uw ministerie ook mag worden verwacht dat praktische hulp en ondersteuning wordt geboden om het leed te verzachten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke hulp en ondersteuning kunt u bieden?