Het bericht dat een grote hoeveelheid gegevens over een burger beschikbaar is bij belbedrijven en overheden voor controle |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Verräterisches Handy»?1
Voor het gebruik van een mobiele telefoon is de verwerking van tal van gegevens, waaronder begrepen gegevens over de locatie van de telefoon, noodzakelijk. Zonder de verwerking van deze gegevens kan een netwerk voor mobiele telecommunicatie technisch niet functioneren en kan er ook geen rekening voor het gebruik van het netwerk en de dienst worden opgemaakt. In het artikel in «Die Zeit» wordt inzichtelijk gemaakt dat met behulp van deze gegevens een patroon van verblijf en beweging van de telefoon kan worden opgesteld.
Op welke wijze is de situatie van de opslag van gegevens van burgers en de mogelijkheden deze in te zien en te koppelen aan andere openbare bronnen in Nederland, vergelijkbaar met Duitsland?
In Nederland en Duitsland functioneren openbare telecommunicatienetwerken en -diensten wat betreft het verwerken van persoonsgegevens in technische zin op vergelijkbare wijze. Ook de wettelijke bepalingen die de verwerking van persoonsgegevens regelen zijn, vooral als gevolg van EU-richtlijnen, goed vergelijkbaar.
Een verschil is dat de Duitse telecommunicatiewetgeving de verwerking van abonneegegevens afzonderlijk regelt, en dit in Nederland valt onder het regime van de Wet bescherming persoonsgegevens.
Het recht van inzage in persoonsgegevens kan in beide landen zonder onderscheid worden ingeroepen. Het is noch in Nederland, noch in Duitsland uitgesloten rechtmatig verworven persoonsgegevens te koppelen aan gegevens uit openbare bronnen, mits die nieuwe verwerking zelf ook rechtmatig is. Het recht op inzage kent de wet, zowel in Nederland als in Duitsland, alleen aan de betrokkene toe, niet aan derden. In het artikel in «Die Zeit» zijn de gegevens van de heer Spitz overigens door hemzelf aan die krant ter beschikking gesteld, vervolgens door de krant grafisch bewerkt en op een kaart geprojecteerd. Deze gegevens zijn niet verwerkt in combinatie met andere persoonsgegevens van de heer Spitz of van derden.
Welke gegevens mogen de belbedrijven precies op slaan?
Organisaties moeten op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP) persoonsgegevens op behoorlijke en zorgvuldige wijze verwerken en opslaan. Bovendien, zo bepaalt de WBP, mogen persoonsgegevens alleen worden verzameld voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden en mogen ze niet verder worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen. In dit kader schrijft de WBP voor dat organisaties aan het College bescherming persoonsgegevens moeten melden welke persoonsgegevens zij verwerken en de doeleinden waarvoor deze persoonsgegevens worden gebruikt.
Voor wat betreft de verkeersgegevens, dat wil zeggen de door de aanbieders voor het overbrengen van communicatie over elektronische communicatienetwerken verzamelde en verwerkte gegevens, geldt als hoofdregel dat deze verwijderd dan wel geanonimiseerd moeten worden zodra de verkeersgegevens niet langer nodig zijn ten behoeve van de overbrenging van communicatie (artikel 11.5 Tw). Wel mogen de aanbieders conform het tweede en het derde lid verkeergegevens verwerken die noodzakelijk zijn voor facturering en voor zover dat noodzakelijk is voor marktonderzoeken of verkoopactiviteiten met betrekking tot elektronische communicatie diensten of dienst met toegevoegde waarde. Verder zijn de aanbieders verplicht hun abonnees of gebruikers in kennis te stellen over verkeersgegevens die worden verwerkt en de duur van de verwerking (artikel 11.5 lid 4). Dit wordt veelal gecommuniceerd en kenbaar gemaakt via de algemene webpagina van een aanbieder of de privacyverklaringen van betreffende telecomaanbieders.
Voor wat betreft de opslag en het gebruik van gegevens die de telecomaanbieders van hun abonnees of gebruikers verwerken waarmee de geografische positie van de randapparatuur van een gebruiker van een openbare elektronische communicatiedienst wordt aangegeven (de zogenaamde locatiegegevens), geldt dat dit slechts is toegestaan wanneer de gegevens niet herleidbaar zijn tot de betreffende persoon – oftewel geanonimiseerd – of indien de betreffende abonnee of gebruiker toestemming heeft gegeven voor de verwerking van diens locatiegegevens ten behoeve van de levering van een dienst met toegevoegde waarde.
Wel geldt in het kader van artikel 13.2a Tw, de zogenoemde bewaarplicht gegevens telecommunicatie. Dit houdt in dat historische verkeers- en locatiegegevens (zoals bepaald in de bij de telecommunicatiewet opgenomen bijlage) ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten een jaar bewaard dienen te worden. Na afloop van deze termijn zullen de gegevens vernietigd moeten worden.
Voor welke doeleinden mogen zij deze gegevens gebruiken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe lang mogen zij deze gegevens bewaren?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn de opgeslagen gegevens afdoende afgeschermd voor kwaadwillenden? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Het Agentschap Telecom oefent toezicht uit waar het gaat om het gebruik van verkeers- en locatiegegevens van gebruikers en abonnees van aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en -diensten. Bij het Agentschap zijn geen klachten bekend over niet afdoende afscherming van opgeslagen gegevens. Daarnaast oefent het College bescherming persoonsgegevens toezicht uit waar het gaat om de meer algemene bescherming van persoonsgegevens van burgers. Er is voor mij geen aanleiding om te veronderstellen dat deze verkeers- en locatiegegevens bij Nederlandse telecomaanbieders niet goed beveiligd zouden zijn.
Op welke wijze kunnen burgers bezwaar maken tegen het opslaan van deze gegevens?
Het recht van verzet tegen de verwerking van persoonsgegevens door aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en –diensten kan niet worden ingeroepen door abonnees en gebruikers. De verwerking van deze gegevens is gerechtvaardigd omdat er tussen abonnee en aanbieder een overeenkomst is gesloten waarin is bepaald dat de gegevens worden verwerkt. De overeenkomst kan zonder de verwerking van de gegevens niet worden uitgevoerd (zie daaromtrent de antwoorden op de vragen 1 en 3, 4 en 5).
Wel biedt de Telecommunicatiewet de abonnee en gebruiker de mogelijkheid toestemming aan de aanbieder te verlenen of in te trekken voor de verwerking van locatiegegevens ten behoeve van de levering van zogeheten toegevoegdewaardediensten.
Bent u van mening dat de privacy van burgers voldoende gewaarborgd wordt door belbedrijven die de gegevens opslaan? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe vaak worden de gegevens van burgers die bij belbedrijven opgeslagen liggen opgevraagd door de burger zelf? Hoe vaak wordt deze aanvraag gehonoreerd?
Er is navraag gedaan bij enkele aanbieders van openbare elektronische netwerken en -diensten. Door hen is aangegeven dat het opvragen van opgeslagen persoonsgegevens bij telecomaanbieders door gebruikers of abonnees slechts sporadisch voorkomt. Naar schatting worden er gemiddeld enkele verzoeken per telecomunicatieaanbieder per jaar gedaan. Ook is mij te kennen gegeven dat dergelijke verzoeken worden gehonoreerd.
Hoe vaak worden de gegevens van burgers die bij belbedrijven opgeslagen liggen opgevraagd door de overheid? Hoe vaak wordt deze aanvraag gehonoreerd?
Uit het op 25 januari jongstleden gepubliceerde jaarverslag 2010 van het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) komt naar voren dat er in dat jaar 2 592 320 (NAW) bevragingen zijn gedaan.2 Er zijn ondermeer 1 969 314 bevragingen gedaan naar de verkeersgegevens van gebruikers (op basis van artikel 126n Wetboek van Strafvordering) en 619 917 bevragingen gedaan naar de gebruikersgegevens communicatie (op basis van artikel 126na Wetboek van Strafvordering). Verder heeft het CIOT aangegeven dat er in de tweede helft van vorig jaar 24 021 bevragingen zijn geweest wat betreft historische verkeers-, en locatiegegevens. Telecombedrijven zijn verplicht om gegevens van hun klanten beschikbaar te stellen aan de overheid bij bevragingen in het kader van de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Hoe vaak worden de gegevens van burgers die bij belbedrijven opgeslagen liggen opgevraagd door derden? Hoe vaak wordt deze aanvraag gehonoreerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, kent Nederland het recht op inzage alleen aan de betrokkene toe, niet aan derden. Uit navraag bij een tweetal telecomaanbieders heb ik begrepen dat verzoeken van derden niet worden gehonoreerd, tenzij de telecomaanbieder daartoe wordt verplicht op grond van een rechterlijke uitspraak. Er werd verder aangegeven dat vragen van derden gemiddeld zo’n vier tot acht keer per jaar binnen komen.
Bent u van mening dat burgers zich voldoende bewust zijn van welke gegevens over hen worden opgeslagen en hoe deze aan elkaar gekoppeld kunnen worden? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, bent u bereid deze bewustwording te stimuleren? Welke concrete stappen gaat u nemen om deze bewustwording te vergroten?
Voor het gebruik van een mobiele telefoon worden persoonsgegevens verwerkt. Het is een wettelijke verplichting van de aanbieders van deze diensten hun klanten daarover eigener beweging te informeren. De aanbieders stellen daarvoor privacyverklaringen op. Die verklaringen kunnen door abonnees en gebruikers op de websites van de aanbieders worden geraadpleegd. Abonnees en gebruikers worden daar attent gemaakt op de mogelijkheid om het recht van inzage uit te oefenen. Bovendien kunnen abonnees en gebruikers in de algemene voorwaarden bij de overeenkomsten die zij met hun aanbieders sluiten lezen hoe met hun gegevens wordt omgegaan of hoe zij daarover nadere informatie kunnen verkrijgen.
Het bericht dat ADO-spelers het lied 'We gaan op jodenjacht' na de gewonnen wedstrijd tegen Ajax hebben gezongen |
|
Joram van Klaveren (PVV), Richard de Mos (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «ADO-spelers misdragen zich: We gaan op jodenjacht»?1
Ja.
Deelt u de visie dat het oproepen op jodenjacht te gaan te allen tijde walgelijk is en ook als zodanig bestempeld dient te worden? Zo nee, waarom niet?
Het oproepen tot jacht op welke bevolkingsgroep dan ook, is altijd onaanvaardbaar. In casu is door de aanklager betaald voetval van de KNVB en door de club zelf vrijwel direct adequaat gereageerd door de personen in kwestie schorsingen op te leggen.
Omdat het incident plaats vond in een besloten ruimte was er voor het OM geen rol weggelegd.
Welke concrete maatregelen denkt u, in overleg met de KNVB, te gaan nemen om dergelijke antisemitische uitlatingen in het betaalde voetbal voortaan tegen te gaan?
De Minister van VWS heeft u, mede namens mij, op 22 april jl. een actieplan toegezonden waarin o.m. maatregelen staan die ongewenst gedrag en excessen in en rond de sport tegen moeten gaan.
Nog voor de zomer zullen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik met een brief komen over de aanscherping van het antidiscriminatiebeleid.
Het salaris van ICCO-voorzitter Marnius Verweij |
|
Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Speelt ICCO-topman Marinus Verweij met vuur»?1
Ja.
Klopt het dat topman Marinus Verweij van subsidieslurper ICCO jaarlijks bijna 10 000 euro meer verdient dan zijn voorganger?
Ja. Volgens de uitkomsten van het onderzoek naar directiesalarissen dat op
29 oktober 2010 in een Kamerbrief is aangeboden aan de Tweede Kamer, bedroeg het salaris van de directievoorzitter van ICCO op dat moment Eur 114 991,– . Op 1 november 2010 is de heer Verweij aangetreden als voorzitter van de Raad van Bestuur van ICCO. De heer Verweij heeft in de laatste twee maanden van 2010 een bruto salaris van ICCO ontvangen van Eur 21 162,55. Wanneer dat geëxtrapoleerd wordt naar een jaarsalaris, zou dit Eur 126 975,– bedragen. Daarmee wordt voldaan aan de DG-norm voor 2010.
De kwalificatie «subsidieslurper» is een substantief dat ik mij in dit verband overigens niet eigen maak.
Hoe waardeert u deze aanzienlijke salarisverhoging?
Met het instellen van de zogenoemde DG-norm is beoogd in redelijkheid een grens te stellen aan salarissen in de OS-sector.
De verantwoordelijkheid voor de vaststelling van het salaris ligt, mits deze de DG-norm niet overschrijdt, bij de subsidieontvanger. Hoe wijs het is om in een tijd van noodzakelijke bezuinigingen en een kritisch maatschappelijk klimaat een dergelijke verhoging toe te passen, is weer een andere vraag.
Deelt u de mening dat de voorzitter van de Raad van Toezicht van ICCO – Doekle Terpstra – beter niet akkoord had kunnen gaan met deze salarisverhoging, zeker nu de subsidie voor ICCO naar beneden is bijgesteld? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3.
De financiële problemen van het Admiraal De Ruyter Ziekenhuis |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kloppen de berichten dat er sprake is van een dreigend faillissement van het Admiraal De Ruyter Ziekenhuis (ADRZ) in Vlissingen en Goes?1
Ik heb bij het ADRZ navraag gedaan. Het ADRZ heeft mij gemeld dat op dit moment van een dreigend faillissement geen sprake is.
Hoe groot is het financiële tekort bij het ADRZ? Is sprake van een tekort van 14 miljoen euro zoals media berichten of is er sprake van een korting van 8 miljoen euro van overheidswege zoals het ADRZ stelt?23
Het ADRZ heeft in haar berichtgeving gemeld dat het gaat om een korting op de begroting 2011 van € 8 miljoen. Zonder deze korting zou het ADRZ eind 2011 met een tekort van € 8 miljoen eindigen. Volgens ADRZ is het in de pers genoemde tekort van € 14 miljoen onjuist. Het ADRZ heeft in haar berichtgeving een korting van overheidswege van structureel € 6 miljoen gemeld en aanvullende bezuinigingen van € 2 miljoen, tezamen dus € 8 miljoen.
Is het bericht waar dat het grote tekort onder andere wordt veroorzaakt door de kosten van de fusie? 2) Kunt u precies aangeven hoeveel de fusie het ADRZ nu heeft gekost? Hoe heeft de adherentie zich ontwikkeld sinds de fusie heeft plaatsgevonden tussen het Ziekenhuis Walcheren en het Oosterschelde Ziekenhuis? Klopt het dat de adherentie sterk terugloopt door het gebrek aan draagvlak voor het fusieziekenhuis?
Is het bericht waar dat de budgetkorting die u alle ziekenhuizen heeft opgelegd het ADRZ verder in de problemen heeft gebracht? Hoe groot is de budgetkorting die u het ADRZ heeft opgelegd?
Het betreft hier gedetailleerde informatie over een individuele zorginstelling. De door u gevraagde informatie is marktgevoelig. Ik beschik niet over deze informatie, maar zou u deze in verband met de marktgevoeligheid ook niet kunnen geven.
Bent u van mening dat er sprake is van wanbeleid, zoals Zeeuwse politici beweren? Kunt u een toelichting geven?
De verwerking van de budgetkorting noopt het ADRZ inderdaad tot aanvullende maatregelen, zoals het ADRZ deze inmiddels zelf heeft aangekondigd.
Het ADRZ heeft in haar berichtgeving een korting van overheidswege van structureel € 6 miljoen gemeld.
Heeft het ontstane tekort gevolgen voor de nieuwbouwplannen van het ADRZ? Zo ja, welke?
Het is niet aan mij om daar uitspraken over te doen of onderzoek naar te laten doen. Dat is aan direct belanghebbende partijen, bijvoorbeeld de Raad van Toezicht, Ondernemingsraad of cliëntenraad. Zij hebben ook het daartoe geëigende instrumentarium.
Welke personele consequenties hebben de financiële problemen voor het personeel van het ziekenhuis? Worden er mensen gedwongen ontslagen? Zo ja, hoeveel? Wat is daarover uw oordeel?
In mijn brief aan uw Kamer van 2 maart 2011 heb ik aangegeven dat het ADRZ er nog niet in is geslaagd een sluitende business case te presenteren voor één van de voorliggende bouwscenario’s. Dat betekent dat in elk scenario de kosten hoger zijn dan de inkomsten. In de brief van 2 maart 2011 heb ik verder aangegeven dat het aan het ADRZ is om in overleg met potentiële financiers, verzekeraars en lokale partijen tot een alternatief investeringsplan te komen, mogelijk aan de hand van een bredere toekomstschets van hoe de (ziekenhuis)zorg in Zeeland op termijn moet worden georganiseerd.
De structurele korting op de begroting van ADRZ zal meegenomen moeten worden bij de toekomstige plannen.
Op welke wijze kunt u de continuïteit van het ADRZ garanderen? Is de kwaliteit op een adequaat peil? Hoe garandeert u adequate ziekenhuiszorg op Walcheren? Gaat u nog maatregelen daartoe nemen? Gaat u het ziekenhuis een aanwijzing geven?
Voor zover er sprake zou zijn van ontslagen is dat voor de individuele werknemers die het betreft natuurlijk een erg vervelende situatie. De gunstige arbeidsmarktsituatie in de zorg kan hen echter weer nieuwe kansen bieden.
Het is nu aan het ADRZ zelf om de maatregelen te nemen die zij nodig acht. Ik heb daar geen oordeel over, zolang de kwaliteit en bereikbaarheid van de cruciale zorg niet in het geding komt. De IGZ houdt daar toezicht op.
Het ADRZ bericht zelf over de maatregelen die zij neemt, onder meer in haar nieuwsbrief voor stakeholders. In haar nieuwsbrief van 22 maart 2011 geeft ADRZ aan dat de formatie met 134,5 fte verminderd moet worden ten behoeve van een sluitende begroting 2011. ADRZ meldt dat het «Doorlopend Sociaal Plan» van toepassing is. Mij is op dit moment niet bekend of sprake zal zijn van gedwongen ontslagen.
De brief inzake het CTIVD-onderzoek |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u liefst per ommegaande – maar in ieder geval voor 20:30 uur hedenavond – inhoudelijk reageren op het rapport van de CTIVD?1 Kunt u daarbij specifiek ingaan op de vraag hoe de uitkomsten van dit onderzoek zich verhouden tot uw brief en het feitenrelaas die u 21 maart jl. aan de Kamer zond?2
De gedragscode van artsen |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de TV-uitzending waarin naar aanleiding van ruim 300 klachten van patiënten wordt aangegeven dat drie collega’s van de disfunctionerende orthopeed uit het Waterland Ziekenhuis in Purmerend ieder tenminste 50 patiënten van de orthopeed hebben nabehandeld zonder aan de bel te trekken bij de betreffende orthopeed, de directie of de Inspectie voor de Gezondheidszorg?1
In mijn brief van 19 april 2011 geef ik een reactie op deze uitzending.
Hoe beoordeelt u het gedrag van deze artsen als men de gedragscode van artsen ernaast legt die ervan uitgaat dat «een arts die bemerkt dat een collega schade of risico’s voor een patiënt veroorzaakt stappen onderneemt om dit probleem te verhelpen?»2
Artsen moeten volgens de gedragsregels van de KNMG een collega persoonlijk aanspreken als ze signalen zien van mogelijk disfunctioneren. Ik kan niet oordelen of in dit geval de gedragscode van artsen geschonden is. De KNMG kent verenigingstuchtrecht waarbij getoetst wordt aan de KNMG gedragsregels. Zoals ik ook in mijn brief van 19 april 2011 heb aangegeven kan de arts geroyeerd worden door de KNMG wanneer de gedragsregels van de beroepsgroep geschonden zijn en er kan een tuchtklacht ingediend worden op grond van de Wet BIG.
Hoe is het signaleren en aanpakken van medische missers en misstanden geregeld bij andere beroepen die vallen onder de Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) artikel 3 en 34?
De meeste beroepsgroepen kennen net als de KNMG een beroepscode en gedragsregels waar het aanspreken van collega’s op misstanden deel van uit maakt. Veel beroepsgroepen kennen verenigingstuchtrecht waar klachten over beroepsmatig handelen behandeld worden. Op beroepsgroepen die geregeld zijn in artikel 3 van de Wet BIG is daarnaast publiekrechtelijk tuchtrecht van toepassing.
Vindt u dat de morele plicht van artsen en andere hulpverleners om misstanden te melden en op te lossen in de Wet BIG moet worden verankerd via een meldplicht met daaraan verbonden sanctiemogelijkheden? Zo ja, hoe gaat u de wet daarop aanpassen? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 19 april 2011 geef ik een reactie op het voorstel van een meldplicht.
Bent u bereid een medische ongevallenraad in te stellen waar patiënten en hulpverleners medische fouten kunnen melden, medische missers landelijk worden geregistreerd en aanbevelingen ter preventie kunnen worden gedaan? Zo neen, waarom niet?
Nee. Binnen het VMS veiligheidsprogramma hebben alle ziekenhuizen een VIM-systeem (Veilig Incident Melden) opgezet. Doel van dit systeem is het melden van incidenten om deze vervolgens te analyseren en verbeteringen aan te brengen. Het is hierbij van belang dat de zorgverleners die het betreft betrokken zijn in dit leerproces en dat de analyse en het opstellen van verbetermaatregelen binnen de afdeling gebeurt. Naast het VIM systeem zijn voor 10 thema’s, waar de patiëntveiligheidsrisico’s het hoogst zijn, praktijkgidsen met aanbevelingen ter preventie ontwikkeld. Ziekenhuizen zijn momenteel druk bezig om al deze acties op een succesvolle wijze in te zetten ter bevordering van de patiëntveiligheid. Daarnaast geldt er een meldingsplicht van calamiteiten bij de IGZ. Zij heeft daarmee ook een signaleringsfunctie. Het opstellen van een ongevallenraad voegt weinig toe aan deze al lopende acties, maar zorgt wel voor extra administratieve lasten.
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat de geschorste klokkenluider van het Waterland Ziekenhuis volledig wordt gerehabiliteerd? Zo neen, waarom niet?
Als het aan de orde zou zijn dat deze zorgverleners geschorst zijn omdat zij aandacht hebben gevraagd voor de kwaliteit van zorg, dan lijkt mij dat een slechte zaak. Deze zorgverleners verdienen in mijn visie juist een compliment omdat zij signalen over mogelijk slecht presterende collega’s hebben afgegeven bij het bestuur, dat eindverantwoordelijk is voor de kwaliteit van zorg. Ik heb contact gezocht met het Waterlandziekenhuis om te achterhalen of dit aan de orde was.
Mij is verteld dat de twee fysiotherapeuten die een melding hebben gemaakt van wat zij aantroffen in de nabehandeling van een aantal patiënten van de betreffende orthopedisch chirurg niet zijn geschorst. Zij hebben hun werkzaamheden voortgezet. Rehabilitatie is derhalve niet noodzakelijk. Wel is destijds aan de fysiotherapeuten opgedragen gedurende drie maanden geen werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de betreffende orthopedisch chirurg, om een bepaalde mate van rust te creëren.
Het is de verantwoordelijkheid van het bestuur om ervoor zorg te dragen dat misstanden veilig kunnen worden gemeld en dat de melders geen negatieve gevolgen ondervinden wanneer zij dit correct doen. Recent is er door de Brancheorganisaties Zorg (BoZ) een modelregeling klokkenluiden geïntroduceerd. Het Waterlandziekenhuis heeft mij meegedeeld dat zij een vernieuwde klokkenluidersregeling hebben die conform de code is. Dit waarborgt dat werknemers op een correcte manier misstanden kunnen melden.
Wilt u de beantwoording van deze vragen betrekken bij de brief die de Kamer op 22 maart jl. aan u heeft gevraagd naar aanleiding van de uitzending van Tros Radar van 21 maart 2011?
Ja, het antwoord op een aantal van de gestelde vragen kunt in vinden in mijn brief van 19 april 2011.
Illegale handel in antibiotica |
|
Khadija Arib (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de aanhouding van twee mannen uit Groningen en Overijssel voor grootschalige illegale handel in antibiotica?1
Wat zijn de gevolgen van deze illegale handel voor de volksgezondheid en voor de diergezondheid?
De exacte gevolgen van illegale handel in antibiotica voor de volksgezondheid en de diergezondheid zijn op voorhand niet bekend. Het is een gegeven dat het gebruik van antibiotica kan leiden tot resistentievorming van bacteriën. Bij illegale handel bestaat het risico van onoordeelkundig gebruik. Daarbij zou er ook sprake kunnen zijn van kwalitatief afwijkende producten. Dat kan het ontstaan van resistentie versterken hetgeen een risico is voor de volksgezondheid. Om deze risico’s te beperken, is het gebruik van antibiotica gereglementeerd. Bovendien is mijn beleid erop gericht het gebruik van antibiotica te beperken. Het gebruik van illegale antibiotica doorkruist dit beleid en dient ook daarom te worden bestreden.
Zoals toegezegd in mijn brief van 8 december 2010 (Kamerstukken II, 2010–2011, 29 863, nr. 65), zal de nVWA intensiever controleren bij dierenartsen en veehouders op de naleving van de diergeneesmiddelenregelgeving.
Wat is uw oordeel over het feit dat de illegale handel op deze grote schaal plaats kan vinden en wat gaat u er aan doen om deze handel te stoppen?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u zich inspannen om de reikwijdte van de illegale handel en de gevolgen voor de volks- en diergezondheid tot op de bodem uit te zoeken? Zo ja, hoe? Wanneer kunt u de Kamer daarover berichten?
De nVWA houdt toezicht op de naleving van diergeneesmiddelenregelgeving. In dit kader onderzoekt de nVWA ook de illegale handel in illegale diergeneesmiddelen.
Zoals toegezegd in mijn brief van 8 december 2010 (Kamerstukken II, 2010–2011, 29 863, nr. 65), zal de nVWA intensiever controleren bij dierenartsen en veehouders op de naleving van de diergeneesmiddelenregelgeving.
Is er een toename van illegale handel zichtbaar, en hoe staat deze in verband met de afname van 12% van het antibioticagebruik in de officiële cijfers? Zo ja, is er een verband tussen de toename in illegale handel en het voornemen van het kabinet het antibioticagebruik in 2013 gehalveerd te willen hebben?
De omvang van de illegale handel in niet-geregistreerde diergeneesmiddelen is niet bekend. Mijn beleid is erop gericht om een verantwoord gebruik van antibiotica te stimuleren.
Het is moeilijk illegale handel volledig tegen te gaan door controles of de intensivering van controles. Dat onderstreept de noodzaak van een mentaliteitsverandering en de noodzaak om te komen tot een duurzame veehouderij die gericht is op een effectieve preventie van dierziektes.
Klopt het dat in Nederland in tegenstelling tot bijvoorbeeld een land als Denemarken, de economische belangen voorop staan in de afweging over het gebruik van antibiotica in de diergezondheidszorg? Zo ja, waarom? Zo nee, waar blijkt dat uit ?
In Denemarken is het voorschrijven van diergeneesmiddelen door de dierenartsen en de verkoop ontkoppeld. In reactie op het rapport Berenschot (Kamerstukken II 2009–2010, 29 683, nr. 42) is aangegeven dat er aan deze ontkoppeling in de Nederlandse situatie ook forse nadelen kleven. Daarom is primair ingezet op terugdringing van het antibioticumgebruik door de sector. Met de sector zijn afspraken gemaakt om in 2011 tot een vermindering van het antibioticumgebruik van 20% te komen en in 2013 tot een vermindering van 50%. Ik ga ervan uit dat de sector zich aan deze afspraken houdt. Mocht dat echter niet het geval zijn, dan zal ik vergaande maatregelen treffen om de dierenarts- en apothekersfunctie te ontkoppelen. De voorbereidingen hiervoor zet ik thans in gang.
Bent u van mening dat het loskoppelen van voorschrijven en verkoop bij dierenartsen duidelijk invloed lijkt te hebben op de hoeveelheid voorschriften? Waarom wordt het advies van bureau Berenschot niet overgenomen? Waarom wordt in Nederland geen systeem zoals in Denemarken toegepast, waarbij de dierenarts gecontroleerd voorschrijft en er een stevige overheidscontrole is?
Zie antwoord vraag 6.
Kan een overzicht gegeven worden van de rapporten van de Gezondheidsraad en andere instanties, die op het gevaar van antibioticagebruik in de diergezondheidszorg hebben gewezen, en kan daarbij worden aangegeven wat er concreet met (de aanbevelingen in) het rapport is gebeurd?
In de loop der jaren zijn in ons land meerdere rapporten verschenen over de (eventuele) gevolgen van antibioticumgebruik in de veehouderij. Ik noem de belangrijkste. In 1998 adviseerde de Gezondheidsraad over het gebruik van antibiotica als groeibevorderaar. De aanbevelingen van toen (verbod enkele specifieke antibiotica, stoppen met toepassen als groeibevorderaar en surveillance van resistentie op EU-niveau) zijn in de EU alle opgevolgd. In 2009 verscheen het rapport «veegelateerde MRSA» van een consortium van onderzoeksinstellingen. Daarin stonden veel aanbevelingen voor nader onderzoek en aanpassingen in diermanagement. Veel van die aanbevelingen zijn meegenomen bij de uitwerking van de plannen van aanpak in het kader van het convenant antibioticumresistentie veehouderij. In 2011 volgde het RIVM-rapport «risk profile on antimicrobial resistance» met inbreng van meerdere andere onderzoeksinstellingen. Daarin worden aanbevelingen gedaan op het gebied van monitoring en risicoschatting.
Bent u bereid deze vragen vóór het algemeen overleg Diergezondheid van 13 april 2011 te beantwoorden?
Het algemeen overleg Diergezondheid is verplaatst naar 26 mei 2011. Ik stuur u deze antwoorden voor 26 mei 2011.
Het bericht 'Wapendieven vrijgesproken' |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Wapendieven vrijgesproken»?1
Ja.
Klopt het dat de vervolging van de verdachten van de wapenroof uit Schietsportcentrum Westpoint Amsterdam door een gebrek in de tenlastelegging zou zijn geëindigd met een vrijspraak? Zo ja, acht de minister dat wenselijk? Zo nee, wat is dan de feitelijke gang van zaken?
De rechtbank heeft de verdachten vrijgesproken van diefstal van de wapens. De rechtbank was van oordeel dat genoegzaam was gebleken dat de verdachten de wapens hebben weggenomen. Volgens de rechtbank viel echter niet uit te sluiten dat de verdachten de wapens hebben weggenomen op verzoek van de eigenaar en/of zijn vriendin, zodat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening niet kon worden bewezen. Heling van de wapens door de verdachte bij wie de wapens zijn aangetroffen, kon naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden bewezen, omdat de verdachte zelf betrokken was bij het wegnemen van de wapens. Ook van het voorhanden hebben van de wapens werd de verdachte vrijgesproken, omdat een wapenrapport ontbrak en de rechtbank daardoor niet kon vaststellen in welke categorie de wapens en toebehoren vallen.
Het College van procureurs-generaal heeft mij bericht, dat naar de mening van het OM geen sprake is van een gebrek in de tenlastelegging. In eerste aanleg heeft het OM op basis van de aanwezige bewijsmiddelen besloten dit feitencomplex te kwalificeren als diefstal. Er is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. In hoger beroep bestaat de mogelijkheid om de tenlastelegging te wijzigen. Gezien de uitspraak van de rechtbank zal de advocaat-generaal bij het ressortsparket bezien of de tenlastelegging dient te worden aangepast en/of aangevuld.
Het ontbreken van het wapenrapport vormt wel een omissie. De wapenrapporten zijn inmiddels aan het dossier toegevoegd, zodat het verzuim ten aanzien van dit feit is hersteld.
Wordt de vervolging van de betrokken verdachten voortgezet en/of opnieuw opgestart? Zo ja, vanwege welke strafbare feiten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de betreffende verdachten ook in vrijheid gesteld?
Door de vrijspraak was er geen grond om de verdachten nog langer in voorlopige hechtenis te houden.
Hoeveel van de geroofde wapens zijn nog niet terug gevonden?
Van de 180 weggenomen wapens zijn er tot nu toe drie teruggevonden.
De mogelijke inefficiente uitvoering van de aanpassing van perronhoogtes door ProRail |
|
Arie Slob (CU) |
|
Arie Slob (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Spoor Hilversum moet acht centimeter omhoog»1 en het bericht «ProRail bouwde te hoge perrons; aanpassen kost miljoenen»?2
Ja.
Is het waar dat het streven naar een normhoogte voor hoofdrailnetperrons van 76 centimeter al in 1999 bij u en NS Railinfrabeheer bekend was op basis van het onderzoek COST3353 en waar door uw voorganger ook aan wordt gerefereerd in de nota naar aanleiding van het verslag ten aanzien van de concessiewet personenvervoer per trein?4
De in het bedoelde bericht genoemde Europese studie uit 2001 is de COST 335. Dit was een richtinggevend advies, een rapport met best practices. Het rapport had geen formele status. De stations en perrons die in die periode zijn gebouwd, zijn conform de vigerende wet en regelgeving (Spoorwegwet) ontwikkeld en gebouwd, met 84 cm bs (boven spoorstaaf) als norm voor perronhoogte.
Op 1 juli 2008 is een nieuwe Europese norm voor perronhoogtes van kracht geworden. Deze is opgenomen in de TSI-PRM13. Op grond van deze norm kan Nederland perrons bouwen op de hoogte van 76 of 84 cm bs.
Herinnert u zich de brief van uw voorganger uit 2005 over perronhoogten waarin expliciet wordt toegezegd dat «ook lopende perron/station verbouwingen (...) in de prioritering worden meegenomen»?5
Ja. In deze brief wordt bedoeld dat aspecten als lopende perron- en stationverbouwingen, maar ook spreiding van bouwoverlast voor reizigers, het beperken van buitendienstellingen vanwege bouwactiviteiten etc. worden meegenomen in de prioritering van de toegankelijk te maken stations. Hierin is ook aangegeven dat van definitieve toepassing van een perronhoogte van 76 cm bs nog geen sprake was. De effecten van een dergelijke aanpassing waren namelijk nog niet volledig helder.
Is het waar dat de bouw van het derde perron in Hilversum in de tweede helft van 2006 is begonnen?6
De bouw van het derde perron in station Hilversum is inderdaad gestart in de tweede helft van 2006. Dit project voor station Hilversum betrof toen overigens niet alleen de bouw van het derde perron, maar ook de verbreding van de perrontunnel en een capaciteitvergroting van het totale emplacement. Het complex kent nu twee eilandperrons en één zijperron.
Deelt u de mening dat de nieuwe norm bij de bouw van het nieuwe perron dus wel degelijk bekend was en dat de kostbare aanpassing van station Hilversum en de overlast die dit geeft voor de reizigers deze zomer voorkomen had kunnen worden?
Het voornemen uit de toenmalige concept TSI-PRM van een perronhoogte van 76 cm bs was bekend. De TSI-PRM had echter nog geen definitieve status, noch had ProRail formeel opdracht gekregen om af te wijken van de destijds geldende norm voor perronhoogte in Nederland van 84 cm bs. Zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Klopt het dat er vanaf 2002 circa 20 nieuwe stations zijn gebouwd met de oude perronhoogte van 84 centimeter? Kunt u aangeven bij hoeveel bestaande stations er sinds 2002 perrons en/of sporen zijn vernieuwd of gebouwd met het het verkeerde hoogteverschil van 84 centimeter?
Het moment dat concreet kon worden geanticipeerd op een besluit omtrent de norm van 76 cm perronhoogte is 21 december 2007, toen de TSI-PRM bij beschikking nr. 2008/164/EG van de Europese Commissie bekend werd gemaakt; de TSI-PRM is op 1 juli 2008 van kracht geworden. Voor 21 december 2007 zijn alle perrons volgens de geldende regelgeving en afspraken aangelegd. Er was geen sprake van «verkeerde perronhoogte». Zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Wat zijn indicatief de kosten om de hoogte van de perrons van sinds 2002 nieuw gerealiseerde of verbouwde stations aan te passen aan de nieuwe norm, en specifiek voor station Hilversum?
Het is zeer lastig een bedrag per station/perron aan te geven. Stations verschillen, en ook de oplossing per station kan zeer divers zijn. De kosten kunnen grofweg variëren van € 50 000 per station tot veel hogere bedragen. De geplande bijdrage in de kosten vanuit het budget voor toegankelijkheid voor station Hilversum (een totale oplossing voor drie perrons met vijf perronsporen) bedraagt € 2 miljoen.
Klopt het dat het nieuwe sprintermaterieel met lage vloer nog nauwelijks rijdt in Hilversum en dat er behoudens de aanpassing van de hoogte van de sporen op korte termijn geen grootschalige infravervanging bij dit station gepland is? Zo ja, waarom wordt de ophoging van de sporen bij Hilversum dan nu al aangepakt?
In de brief van mijn voorganger van 23 juni 2008 aan uw Kamer (31 200 XII, nr. 88) is expliciet gemeld dat versnelling van het toegankelijk maken van de stations in Nederland betekent dat de directe koppeling tussen instroom van nieuw treinmaterieel en het aanpassen van de perrons moet worden losgelaten. Dit is toen na overleg met betrokken instanties geconcludeerd. Ook bij station Hilversum is dat het geval. Dit betekent echter niet dat er helemaal geen rekening mee wordt gehouden. Materieelinzet, gepland ander werk en hinderbeperking zijn de belangrijkste criteria voor de planning van dit programma.
Wordt bij de planning van de ombouw van de stations voor de aanpassing van de perronhoogte rekening gehouden met de daadwerkelijke inzet van het nieuwe sprintermaterieel, vervangingsmomenten van wissels, sporen en/of spoorbeveiliging, -zoals de inbouw van ETCS7 Level 2- en de aanpassingen van perrons voor visueel gehandicapten die thans worden uitgevoerd?
Ja hier wordt rekening gehouden. Zie ook mijn antwoord op vraag 8.
Deelt u de mening dat het kosteneffectiever is en minder reizigersoverlast oplevert indien dergelijke werkzaamheden niet als separaat project uitgevoerd worden, maar gebundeld worden met grootschalig infra-onderhoud? Bent u bereid om de landelijke kostenvoordelen hiervan in kaart te brengen en de Kamer hierover te informeren?
Ik deel deze mening en vind dat ProRail hier ook zo optimaal mogelijk op stuurt. Door deze aanpak van ProRail is er ten opzichte van de voor perronophogingen in Nederland gereserveerde € 280 miljoen een efficiency ontstaan van € 60 miljoen. Ik heb de intentie deze middelen te benutten voor meer toegankelijkheidsmaatregelen in het kader van TSI-PRM en de motie Roemer – De Krom, en om meer stations in Nederland toegankelijk te maken. Ik zal uw Kamer hierover binnenkort nader informeren met het Actualisatierapport Toegankelijkheid 2010.
Herinnert u zich de toezegging van uw voorganger uit 2006 dat de juridische mogelijkheden worden onderzocht om de bestaande norm op zo kort mogelijke termijn te vervangen door de nieuwe norm van 76 centimeter?8
Ja.
Waarom is artikel 4 lid 1 sub e van de Regeling hoofdspoorweginfrastructuur waarin de hoogte van de perrons is geregeld tot op de dag van vandaag niet aangepast? Wanneer zal dit artikel uiterlijk zijn aangepast?
De aanpassing van deze regeling maakt onderdeel uit van de integrale aanpassing van de spoorregelgeving ter implementatie van diverse EU-richtlijnen en is daarom afhankelijk van de duur van dat proces. Daartoe is recentelijk ook de Spoorwegwet aangepast. De betreffende gewijzigde regeling zal naar verwachting in de loop van 2011 in werking treden.
Deelt u de conclusie dat aanpassing van deze regeling noodzakelijk is ter implementatie van de betreffende Technische Specificaties voor de Interoperabiliteit in de nationale regelgeving? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom dit niet noodzakelijk zou zijn?
De TSI-PRM is na inwerkingtreding van bovengenoemde wijzigingen van de Spoorwegwet automatisch van toepassing in Nederland. Met deze TSI-PRM is derhalve een specifieke nationale regeling overbodig geworden. Daarom ook wordt de norm voor perronhoogtes uit de regeling Hoofdspoorweginfrastructuur gehaald.
De onduidelijkheid rondom de inning van provinciale opcenten |
|
Kees Verhoeven (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het voor de burger duidelijk moet zijn voor welke bestuurslaag hij of zij belasting afdraagt?
Ik deel uw mening dat het voor de burger duidelijk moet zijn voor welke bestuurslaag er belasting wordt afgedragen. De belastinggrondslagen voor de decentrale overheden zijn opgenomen in de wetten die op nationaal niveau worden vastgesteld. De tarieven worden vastgesteld door een democratisch gelegitimeerd orgaan: de provinciale staten. Het feit dat de opcenten op de motorrijtuigenbelasting worden geheven door de rijksbelastingdienst doet daar niet aan af. Op de aanslag motorrijtuigenbelasting is duidelijk aangegeven dat er naast motorrijtuigenbelasting ook opcenten worden geheven ten behoeve van de provincie waar men woonachtig is, of waar het voertuig staat geregistreerd. In mijn ogen is dit voldoende inzichtelijk voor de burger.
Is het naar uw mening voldoende inzichtelijk en transparant hoe en voor welke bestuurslaag bepaalde belastingen geïnd worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat het voor de burger voldoende duidelijk is dat een deel van de motorrijtuigenbelasting een provinciale belasting is? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze kan het voor de burger inzichtelijker gemaakt worden voor welke bestuurslaag een belasting afgedragen wordt?
Zoals ik reeds in mijn eerste antwoord aangaf, is voor de burger reeds inzichtelijk dat tezamen met de motorrijtuigenbelasting ook opcenten worden geheven ten behoeve van de provincie. Het aanslagbiljet waarop de motorrijtuigenbelasting bekend wordt gemaakt is het juiste instrument om inzichtelijk te maken waarvoor men belasting afdraagt. Daartoe bestaan geen obstakels. Het financieringssysteem van de provincies is in mijn ogen reeds transparant en behoeft daartoe geen nadere voorstellen in mijn voorstel voor de provinciale financiën.
Welke obstakels zijn er voor het inzichtelijker maken van de bestuurslaag waaraan belasting betaald wordt?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van plan in uw voorstel voor de provinciale financiën aan te geven hoe het financieringssysteem van de provinciën transparanter gemaakt kan worden? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De aanscherping normen hypothecaire kredietverlening |
|
Bas Jan van Bochove (CDA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de op 21 maart 2011 aan de Kamer toegestuurde brief «aanscherping normen hypothecaire kredietverlening»?
Ja.
Kunt u bevestigen dat enkele nieuwe normen worden geïntroduceerd, zoals een loan-to-value norm en een eis waaruit blijkt dat de marktwaarde van de woning maximaal 50% van de marktwaarde mag zijn? Kunt u (kwantitatief en kwalitatief) aangeven op welke wijze – uitgaande van naleving van de gedragscode – hierdoor het probleem van overkreditering wordt aangepakt?
De nieuwe gedragscode vormt een invulling van de wettelijke open norm voor verantwoorde kredietverstrekking. Er is niet alleen sprake van verantwoorde kredietverstrekking als de verhouding tussen inkomen en hypothecair krediet passend is maar ook als de verhouding tussen het onderpand en hypothecair krediet in de pas loopt. Met introductie van een LTV-norm wordt deze norm nader ingevuld. Het beperken van het aflossingsvrije deel van de hypotheeklening gaat het restschuldrisico tegen.
Er wordt inderdaad een nieuwe LTV-norm geïntroduceerd waarbij de hoofdnorm is dat de hypotheeklening niet meer mag bedragen dan 104% van de marktwaarde van de woning, waar van toepassing vermeerderd met de overdrachtsbelasting (dit komt neer op een hypotheeklening van 110%). In het geval van verbouwing moet de marktwaarde van de woning worden vastgesteld door een ter zake deskundig taxateur. Ook mag maar maximaal 50% van de marktwaarde van de woning aflossingsvrij geleend worden.
Kunt u bevestigen dat in de brief tevens staat opgemerkt dat uit recent onderzoek blijkt dat de bancaire sector terughoudender omgaat met bancaire verstrekking, en dat nog slechts in beperkte mate zou worden afgeweken van de loan-to-income norm? Deelt u de mening dat eigenlijk helemaal niet zou mogen worden afgeweken van deze norm? Bent u bereid om de genoemde onderzoeksresultaten openbaar te maken?
De onderzoeksresultaten van de AFM zijn gepubliceerd in oktober 2010. Het gaat om het rapport Stand van de hypotheekadviespraktijk in Nederland. Rapportage vervolgonderzoek hypotheken. In het onderzoek staat aangegeven dat in 2009 13% van de hypotheken werd verstrekt boven de GHF-norm (in 2007 was dit nog 29%). De AFM heeft vastgesteld dat het aantal overschrijdingen op de GHF is gedaald. Overigens heeft de AFM ook vastgesteld dat nog in een aantal gevallen overkreditering aan de orde is. Het afwijken van de normen van de GHF hoeft niet te leiden tot overkreditering. Maar zou uitsluitend in enkele uitzonderingsgevallen moeten worden toegepast. Deze afwijkingsgronden zijn gelimiteerd opgenomen in de nieuwe gedragscode. Voor een afwijking moet wel een goede reden zijn. De AFM zal toezien op naleving van deze norm in de gedragscode.
Kunt u bevestigen dat in de brief tevens staat dat het voorstel van de NVB een goede invulling vormt van de open norm voor verantwoorde hypothecaire kredietverstrekking? In hoeverre is hierbij ook gekeken naar de economische effecten op de huizenmarkt van dit voorstel? Wat zijn de effecten op de nieuwbouw van woningen? Bent u bereid om naar deze aspecten alsnog onderzoek te laten uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar bijgevoegde antwoorden op de brief van de TK van d.d. 6 april 2011.
Milieuzones |
|
Richard de Mos (PVV), Dion Graus (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat milieuzones slecht toegankelijk zijn voor voertuigen van ondernemers binnen de milieuzone en van voertuigen van de kermis- en circusbranche en dat dit slecht is voor de economie?
Nee, deze mening deel ik niet. Een milieuzone is één van de maatregelen die gemeenten kunnen nemen binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) om aan de luchtkwaliteitsnormen te voldoen. In Nederland zijn momenteel 12 gemeenten met een milieuzone voor vrachtverkeer. De Europese Commissie heeft normen gesteld om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het NSL is een programma waarmee wordt aangetoond dat Nederland de Europese luchtkwaliteitsnormen op tijd gaat halen. In het -met alle overheden tezamen- opgestelde programma zijn alle geplande ruimtelijke projecten opgenomen en alle maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Het NSL heeft ervoor gezorgd dat Nederland van het «bouwslot» afgekomen is en geeft daarmee juist een impuls aan de economie.
Voor het beperkte aantal ondernemers met één of meer vrachtauto’s in het bezit (die niet aan de eisen voldoen) dat gevestigd is binnen de milieuzone geldt dat gemeenten zorgvuldig omgaan met een beroep op de gemeentelijke hardheidsclausule. Hiermee kan een langdurige ontheffing worden verkregen. Een beroep hierop slaagt als de desbetreffende ondernemer failliet dreigt te gaan door de milieuzone-eisen of als de ondernemer een onevenredig grote investering zou moeten doen. Het uitgangspunt is dat ondernemers niet failliet mogen gaan door de eisen van een milieuzone. Tot op heden hebben mij geen signalen bereikt van gemeenten of bedrijfsleven dat er daadwerkelijk ondernemers failliet zijn gegaan als gevolg van de milieuzone. Daarnaast is er de mogelijkheid dat als een ondernemer overgaat tot de aanschaf van een schoner voertuig, dat in dat geval een ontheffing kan worden verkregen voor het oude voertuig tot het moment van levering van het nieuwe voertuig.
Kermisvoertuigen zijn in het Convenant Stimulering Schone Vrachtauto’s en Milieuzonering aangemerkt als bijzonder voertuig. Dit betekent dat deze voertuigen vanwege hun langere levensduur toegang tot de milieuzone hebben tot ze de leeftijd van 13 jaar hebben bereikt. Voor gewone vrachtwagens wordt uitgegaan van een levensduur van 8 jaar. In de helft van de milieuzonesteden ligt het kermisterrein binnen de milieuzone, in de andere helft van de steden niet. Uit tellingen van de Belastingdienst van begin 2011 blijkt dat er ongeveer 900 kermis- en circusvoertuigen in Nederland ouder zijn dan 13 jaar. Deze voertuigen moeten een dagontheffing aanvragen als zij de milieuzone in willen rijden. Staat een voertuig stil gedurende de kermis, dan hoeft voor die dagen geen ontheffing te worden aangevraagd. Dit betekent in de praktijk dat er meestal 2 maal een ontheffing à 25 euro per dag dient te worden aangevraagd voor de dag van opbouw en de dag van afbouw. Naast de mogelijkheid van een dagontheffing (maximaal 12 keer per jaar per gemeente) bestaat er voor de voertuigen ouder dan 13 jaar een mogelijkheid om een beroep te doen op de gemeentelijke hardheidsclausule. Gegeven de hierboven beschreven ontheffingensystematiek, de beperkte omvang van het kermiswagenpark en de relatief lage kosten van de ontheffing voor de ondernemer, leidt het regime wat mij betreft niet tot een significante verslechtering van de economische situatie
Bent u bekend met het feit dat ondernemers veel tijd kwijt zijn met het aanvragen van een ontheffing en dat zij bovendien worden overspoeld met administratieve en financiële lasten?
Ik ben niet van mening dat ondernemers veel tijd kwijt zijn met aanvragen van een ontheffing of dat zij overspoeld worden met administratieve en financiële lasten. Het aanvragen van een dagontheffing gaat via een zeer eenvoudige digitale aanvraagprocedure. De dagontheffing is 30 uur geldig. De controle gebeurt digitaal op basis van het kenteken. Er hoeft dus geen bewijs van betaling of een ontheffing in de vrachtwagen aanwezig te zijn. Sommige gemeenten hebben de faciliteit dat de ontheffing voor de milieuzone tegelijk met een standplaats- of evenementenvergunning aangevraagd kan worden. Dit scheelt dan in de administratieve lasten van de ondernemer.
Zo ja, wilt u de mogelijkheid bekijken om uw weigering om de kermis- en circusbranche een ontheffing te verlenen te herzien, om zo de kermis- en circusbranche tegemoet te treden in een vermindering van regels en kosten?
Zie het antwoord op vraag 2; ondernemers wordt – mits zij aan de criteria voldoen – geen (lokale) ontheffing geweigerd. Gedurende de afgelopen jaren zijn vrachtauto’s een stuk schoner geworden. Vrachtauto’s van 13 jaar en ouder zijn relatief erg vervuilend, dus verlenging van de termijn van 13 jaar of het verlenen van volledige vrijstelling aan de kermisvoertuigen zou het effect van de milieuzone ondergraven. Bovendien leidt verlenging tot een onevenredige bevoordeling ten opzichte van eigenaren van gewone vrachtauto’s, waaraan wel strengere roetfilter- en leeftijdseisen worden gesteld.
Bent u op de hoogte van het feit dat het voertuigenpark in de kermis- en circusbranche een levensduur heeft welke ligt tussen de 30 en 40 jaar? Zo ja, vindt u de nu geldende criteria, waarbij auto’s ouder dan dertien jaar extra worden belast, dan niet bijdragen aan de financiële doodsteek voor de kermis- en circusbranche?
Ik ben ervan op de hoogte dat voertuigen in de kermis- en circusbranche over het algemeen minder kilometers maken en langer gebruikt worden dan andere vrachtauto’s. Voor «gewone» vrachtauto’s gaat het Convenant Stimulering Schone Vrachtauto’s en Milieuzonering uit van een gemiddelde levensduur van 8 jaar. In het convenant wordt dus al tegemoet gekomen aan de langere levensduur van kermis- en circuswagens door deze als «bijzonder voertuig» te bestempelen totdat ze 13 jaar oud zijn. Dit houdt in dat deze voertuigen tot die tijd toegang hebben tot de milieuzones. Voor ondernemers die door de milieuzone-eisen een onevenredig grote investering zouden moeten doen, is een beroep op de gemeentelijke hardheidsclausule mogelijk. Bovendien worden vrachtauto’s ouder dan 13 jaar niet extra belast, maar hebben zij – zoals aangegeven – juist langer toegang tot de milieuzone dan een gemiddelde vrachtwagen.
Bent u bekend met het feit dat fijnstofoverschrijdingen vooral te wijten zijn aan het weer en dat schommelingen daarbij niet te beïnvloeden zijn door verkeersmaatregelen? Zo nee, kunt u een overzicht geven van elke milieuzone, maar ook van elk omliggend gebied rondom de milieuzone, in Nederland met daarbij het percentage fijnstof vóór en na de invoering van de milieuzone?
Het is mij bekend dat de weersomstandigheden een belangrijke rol spelen voor wat betreft het optreden van relatief hoge of lage concentraties van luchtverontreiniging. Echter, voor het halen van de Europese normen gaat het primair om het omlaag brengen van de jaargemiddelde concentraties. Dit kan slechts bereikt worden door de emissies (onder andere van het verkeer) structureel te verminderen. Milieuzones hebben effect op de uitstoot van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof. Een recente studie (oktober 2010) van bureau Goudappel Coffeng (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 31 305, nr. 188) laat dit zien.
Op NSL-knelpuntlocaties waar de maximale gemiddelde jaarlijkse stikstofdioxide (NO2)-concentratie (40 µg/m³) dreigt te worden overschreden, kan – afhankelijk van het aantal vrachtautobewegingen – het hebben van een milieuzone vanaf 2013 leiden tot een afname van de concentratie NO2 met 0,3 μg/m³. Daarmee levert de milieuzone een bijdrage aan het oplossen van resterende NO2-knelpunten. Voor de fijnstof (PM10)-concentratie wordt op NSL-knelpuntlocaties een reductie van 0,15 tot 0,25 μg/m³ bereikt. De verwachte effecten voor 2013 en 2015 zijn vergelijkbaar.
Vastgoed |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Vastgoed is schikkingen zat, elke grote vastgoedfraude voor de rechter»?1
Ja.
Ziet u dat er door de schikkingen in grote vastgoedzaken onduidelijkheid blijft bestaan in de vastgoedmarkt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de voormalig verdachte?
Ik constateer dat partijen op de vastgoedmarkt zich afvragen hoe zij bij hun streven naar het bevorderen van de integriteit in de sector dienen om te gaan met (rechts)personen die een transactie zijn aangegaan met het Openbaar Ministerie (OM). Marktpartijen moeten zelf beslissen met wie zij zaken willen doen en met wie niet. Het enkele feit dat een partij door het OM een transactie krijgt aangeboden, geeft aan dat er volgens het OM sprake is van een bewijsbaar strafbaar feit. Om de beslissing of er al dan niet zaken gedaan dient te worden met een partij verder te vergemakkelijken, hebben marktpartijen een aantal mogelijkheden. Niet alleen kunnen zij vanzelfsprekend aan de betreffende partij navraag doen over de precieze inhoud van de schikking. Ook kunnen zij een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) voor rechtspersonen verlangen. Een transactie met het OM staat geregistreerd in de justitiële documentatie en wordt bij de afweging of een VOG afgegeven betrokken.
Bent u bereidt om instructie te geven dat het Openbaar Ministerie bij vervolging van fraudes niet zomaar schikt zonder publieke schuldbekentenis of het anders voor de rechter brengt?
Het Openbaar Ministerie gaat over tot een transactieaanbod als het de verdachte schuldig acht aan het strafbare feit en meent dat de zaak bewijsbaar is. Op grond van artikel 74 Wetboek van Strafrecht kan het Openbaar Ministerie de verdachte voorwaarden stellen ter voorkoming van strafvervolging. In aanvulling hierop is in de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties bepaald aan welke eisen deze transacties moeten voldoen. Het is aan de verdachte om al dan niet met het transactieaanbod in te stemmen. De schuldbekentenis is noch voor het transactieaanbod door het Openbaar Ministerie noch voor de strafoplegging door de rechter een vereiste. Als de verdachte niet instemt met het transactieaanbod wordt de zaak altijd aan de rechter voorgelegd.
Kunt u bevorderen dat de Nederlandsche Bank en Autoriteit Financiële Marktenkenbaar maken of bedrijven wel of geen zaken mogen doen met schikker?
Het is niet aan de Nederlandsche Bank of de Autoriteit Financiële Markten om voor te schrijven met welke natuurlijke of rechtspersonen de onder toezicht gestelden2 zaken kunnen doen. Onder toezicht gestelden hebben een eigen, wettelijke, verantwoordelijkheid voor een integere bedrijfsvoering ter beheersing van integriteitrisico’s. Dit houdt onder meer in dat zij moeten weten met wie zij zaken doen en wie hun klanten zijn.
Overigens dient een onder toezicht gestelde die betrokken is bij een transactie met het OM dat onverwijld aan de toezichthouder te melden. De toezichthouder kan vervolgens de afweging maken of een dergelijke schikking zou kunnen leiden tot een heroverweging van iemands betrouwbaarheid en/of deskundigheid. Dat bepaalt of de persoon nog langer actief kan of mag zijn in de sector.
Van belang in dit verband is tevens, dat DNB onlangs de «Beleidsregel met betrekking tot integriteitbeleid ten aanzien van zakelijke vastgoedactiviteiten» heeft gepubliceerd. Daarin wordt aangegeven wat van financiële partijen wordt verwacht in verband met de bestrijding van integriteitrisico’s die voortvloeien uit vastgoedtransacties. Zoals aangeven is het de verantwoordelijkheid van de sector om -met behulp van de beleidsregel- adequate maatregelen tegen vastgoedfraude te nemen.
Bent u bereid om te bevorderen dat alle schikkingen met naam en alle details openbaar gemaakt worden, zodat de markt ook nog een eigen afweging kan maken?
Het Openbaar Ministerie brengt bij hoge transacties en bijzondere transacties een persbericht uit. Dit is bepaald in de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties. In het persbericht worden bepaalde details openbaar gemaakt. Dit zijn in elk geval de naam van de verdachte met wie is getransigeerd en de strafbare feiten waarop de transactie ziet. In de onderhavige vastgoedzaak zijn transacties middels persberichten openbaar gemaakt. Deze openbaarmaking dient het algemeen belang. Het persbericht biedt compensatie voor het feit dat er door de transactie geen openbare behandeling ter terechtzitting meer plaatsvindt en evenmin sprake is van een openbare rechterlijke uitspraak waarvan een generaal preventieve werking uitgaat.
In het antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven dat marktpartijen een VOG kunnen verlangen of navraag kunnen doen over de precieze inhoud van de schikking bij de betrokken partij zelf.
Gelet hierop zie ik geen reden te bevorderen dat meer details van transacties openbaar worden gemaakt dan nu het geval is bij hoge of bijzondere transacties. Evenmin zie ik aanleiding te bevorderen dat wordt overgegaan tot openbaarmaking van (details van) transacties die niet vallen onder de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties.
Worden bij openbare aanbestedingen door overheden schikkers uitgesloten?
Op grond van het toepasselijke Europese aanbestedingsrecht voor overheden vormt een onherroepelijke rechterlijke veroordeling een uitsluitinggrond. Indien er getransigeerd wordt, is naar huidig recht uitsluiting bij de aanbestedingsprocedure dus niet mogelijk. Na de fase van aanbesteding en gunning volgt de contractuele fase. Op dit moment wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn om gewenst integer gedrag onderdeel te maken van de overeenkomst nadat gegund is.
De lekkage van benzinedampen bij de ISLA-raffinaderij |
|
Ineke van Gent (GL), Stientje van Veldhoven (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat vorige week meer dan 1 000 kinderen geen onderwijs hebben kunnen volgen wegens ernstige stankoverlast door de ISLA raffinaderij?12
De mediaberichten spreken inderdaad van dit aantal. Ik kan dat niet bevestigen.
Waardoor is deze stankoverlast veroorzaakt? Klopt het dat er sprake zou zijn van een lekkage van benzinedampen? Wanneer is de stankoverlast geconstateerd? Zijn er voor mens en milieu schadelijke stoffen vrijgekomen?
Ik kan de gevraagde informatie niet vertrekken en zij valt niet onder de informatie waarvoor artikel 68 van de Grondwet geldt. Het is de regering van Curaçao die verantwoordelijk is voor het milieubeleid, voor de uitvoering daarvan door de relevante Curaçaose overheidsinstanties en voor de informatieverstrekking naar het Curaçaose parlement en de bevolking.
Wanneer waren er meetgegevens voorhanden over de luchtkwaliteit ter plaatse? Gaven deze meetgegevens aanleiding om handhavend op te treden? Zo ja, is daartoe ook overgegaan? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord bij vraag 2.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat meer malen per jaar tot evacuatie van scholen en omwonenden wegens door de ISLA veroorzaakte stankoverlast moet worden overgegaan? Zo nee, waarom niet?
Het is uiteraard onwenselijk indien scholen moeten worden ontruimd door overlast veroorzaakt door een bedrijf.
Wat is de stand van zaken van de ontwikkeling van alternatieven voor de ISLA raffinaderij? In hoeverre worden de afspraken rond het SEI op dit moment nageleefd? Op welke wijze wordt het gevolg van de door de ISLA raffinaderij veroorzaakte verontreiniging verwerkt in de nota Caribische Natuur?
In januari van dit jaar heb ik met Curaçao in het kader van het Sociaal Economisch Initiatief (SEI) de volgende afspraken gemaakt met betrekking tot de toekomstvisie op de raffinaderij:
De afspraken die in januari van dit jaar omtrent het SEI zijn gemaakt worden tot nu toe nageleefd.
Het Natuurbeleidsplan voor Caribisch Nederland voor de periode 2011–2016 betreft alleen de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het natuur- en milieubeleid op Curaçao, Aruba en Sint Maarten is een autonome verantwoordelijkheid en daardoor primair een aangelegenheid van regering en parlement aldaar.
Bent u van mening dat de handhaving van de aan de ISLA raffinaderij gestelde voorwaarden met het oog op het uitblijven van een adequate bestuurlijke reactie op de frequente, voor mens en milieu schadelijke uitstoot een Rijksaangelegenheid is? Zo nee, waarom niet?
De regering van Curaçao heeft meermalen aangegeven dat het de geldende milieunormen wat betreft de uitstoot door de raffinaderij zal handhaven. Zulks is ook door middel van een rechterlijke procedure afgedwongen. Ik zie geen aanleiding het milieubeleid op Curaçao tot Koninkrijksaangelegenheid te maken.
Bent u bereid om de regering van Curaçao te vragen welke stappen zij onderneemt in reactie op deze recente ontwikkelingen?
De situatie betreffende de raffinaderij is een terugkerend onderwerp in mijn besprekingen met de regering van Curaçao. Tijdens mijn meest recente reis heb ik mij laten informeren over de huidige situatie en de bezorgdheid van de Tweede Kamer omtrent de milieuaspecten overgebracht. Deze zorgen worden overigens – zoals ook blijkt uit de meegestuurde brief – gedeeld door de Curaçaose regering.3
Door de EU gefinancierde promotie van kalfsvlees |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u de reclamecampagne «Kalfsvlees is lekker betrouwbaar. Natuurlijk wordt dat gecontroleerd», zoals die verschenen is in verschillende dagbladen?
Ja.
Hoeveel Europees geld kost deze campagne in totaal?
Vanuit de Europese Unie is een bedrag van € 2 778 647 toegezegd voor een periode van drie jaar.
Onder verwijzing naar uw eerdere antwoorden van 16 juli 20091 waarin u heeft aangegeven dat «De campagne van de sector richt zich op het geven van voorlichting over kwaliteitssystemen in de kalfsvleessector en verstrekt objectieve en uitgebreide informatie over communautaire en nationale regels inzake kwaliteitsregelingen voor de borging van de veiligheid van vleesproducten,» op welke wijze wordt in deze campagne aandacht gegeven aan de problemen rond voedselveiligheid, bijvoorbeeld door MRSA-besmettingen?
Binnen dit programma wordt niet specifiek de aandacht gevestigd op problemen rond bijvoorbeeld MRSA-besmettingen. Dit is ook niet de doelstelling van het programma noch een voorwaarde geweest bij het doorsturen van het programma naar de Europese Commissie. Binnen de campagne wordt, zoals eerder aangegeven, voorlichting gegeven over kwaliteitssystemen in de kalversector. In dit kader wordt ten algemene aandacht geschonken aan veiligheid en gezondheid voor mens en dier.
Deelt u de mening dat de campagne niet objectief noch uitgebreid informatie verstrekt aan de consument zolang zij dit soort problemen, die tot ernstige problemen met de volksgezondheid kunnen leiden niet belicht?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt zich dit tot uw eerdere informatie over deze promotiecampagne2 waarin u aangaf dat de acties [...] in het bijzonder de aandacht [dienen] te vestigen op de intrinsieke eigenschappen en de voordelen van de producten uit de Gemeenschap uit het oogpunt van met name kwaliteit, voedselveiligheid, bijzondere productiemethoden, voedings -en gezondheidsaspecten, etikettering, dierenwelzijn en milieuzorg?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat deze campagne er niet in slaagt objectieve en uitgebreide informatie te geven over de risico’s voor de volksgezondheid die er kleven aan zowel de consumptie als de productie van kalfsvlees en dus als zodanig ook niet gefinancierd zou mogen worden uit publieke middelen?
Nee. Hier is geen sprake van verkeerde voorlichting aan de consument. Zoals reeds hiervoor aangegeven, betreft het voorlichting over het houderijsysteem voor kalveren. Het programma voldoet aan de communautaire eisen en ik zie dan ook geen reden om medewerking te weigeren. Overigens wil ik erop wijzen dat bij de nationale beoordeling van een door de EU meegefinancierd programma in de dierlijke sector, mede gekeken wordt of in het programma aandacht wordt geschonken aan producten die duurzaam (o.a milieu- of diervriendelijker) zijn geproduceerd.
Bent u bereid in de toekomst geen medewerking meer te verlenen aan dit soort campagnes waarbij de consument verkeerd wordt voorgelicht over de effecten van de productie en consumptie van kalfsvlees? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid regelgeving te maken waarbij de vleessector verplicht wordt een waarschuwing op verpakkingen en bij reclameuitingen aan te brengen dat het mogelijk is besmet te worden met de MRSA-bacterie door contact met rauw (kalfs- kippen-, varkens-, kalkoen)vlees; dat het belangrijk is de handen goed te wassen na aanraking van rauw (kalfs- kippen-, varkens-, kalkoen)vlees; dat het zaak is rauw (kalfs- kippen-, varkens-, kalkoen)vlees goed gescheiden te houden van andere etenswaren en zo kruisbesmetting te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Hierbij wil ik eerst opmerken dat de bijdrage van met MRSA besmette vlees(producten) aan de verspreiding van MRSA naar de mens minimaal wordt geacht. De consument is zelf verantwoordelijk voor een gezonde en veilige bereiding van levensmiddelen. Dit houdt in dat vlees goed moet worden verhit. Daarnaast moeten bij de bereiding goede hygiënische maatregelen in acht worden genomen om kruisbesmetting, via bijvoorbeeld groenten, te voorkomen.
De voorlichting van het RIVM en het Voedingscentrum richt zich op deze boodschap. Omdat bacteriële besmetting via kippenvlees regelmatig voorkomt, stelt de Warenwet de volgende waarschuwing op de verpakking van kippenvlees verplicht: «Let op, geef schadelijke bacteriën geen kans. Zorg daarom dat deze bacteriën niet via de verpakking, uw handen of het keukengerei in uw eten terecht komen. Maak dit vlees door en door gaar om deze bacteriën uit te schakelen.» Voor producten afkomstig van kalveren, runderen en varkens is dit risico een stuk geringer. Het is daarom niet proportioneel om deze verplichte vermelding op de verpakking breder toe te passen.
Subsidie religieus vormingsonderwijs op openbare scholen |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is de actuele stand van zaken inzake het religieus en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs binnen het openbaar onderwijs? Kunt u cijfermatig inzichtelijk maken hoe vaak hier gebruik van wordt gemaakt en welke kosten brengt dit met zich mee?
In het schooljaar 2010–2011 zullen ongeveer 70 000 leerlingen van openbare scholen godsdienstonderwijs of humanistisch vormingsonderwijs (G/HVO) ontvangen. Voor het G/HVO ontvangen de samenwerkende organisaties (zie verder het antwoord onder 2) voor 2010–2011 een bedrag van € 10 000 000. Dit wordt voor iets meer dan 95% gebruikt voor de personele kosten en de kosten van de deskundigheidsbevordering van de leraren die het G/HVO geven. Voor het overige gaat het om de kosten van het Dienstencentrum G/HVO en werkgeverskosten van de diverse organisaties.
Is het waar dat dit vormingsonderwijs verplicht bij het Dienstencentrum GVO en HVO moet worden afgenomen? Zo ja, waarom is dit?
In de wet op het primair onderwijs is vastgelegd dat godsdienstonderwijs wordt gegeven door leraren die daartoe zijn aangewezen door kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken, of rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die zich volgens hun statuten het geven van dit onderwijs ten doel stellen. Wat betreft levensbeschouwelijk vormingsonderwijs is bepaald dat dit wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door organisaties op geestelijke grondslag die volledige rechtsbevoegdheid bezitten. In de praktijk gaat het om op landelijk niveau werkende organisaties die al een aantal jaren onderling nauw samenwerken. Deze organisaties zijn dus de werkgevers van bedoelde leraren en zij zijn verantwoordelijk voor uitvoering en inhoud van het G/HVO. Scholen nemen het G/HVO bij deze organisaties af.
Zoals u weet heeft uw Kamer in het verleden herhaaldelijk gewezen op de noodzaak van een subsidiering van het G/HVO en de vorming van een passende (landelijke) organisatiestructuur. Een uitvloeisel hiervan is de oprichting van het Dienstencentrum GVO en HVO dat wordt bestuurd door de samenwerkende organisaties.
Klopt het dat GVO en HVO sinds 2009 door de overheid wordt gesubsidieerd, terwijl dit daarvoor niet het geval was? Waaruit onttrokken deze organisaties voorheen hun geld? Is het in het kader van de scheiding kerk en staat en versobering van de overheidsuitgaven niet logisch om deze subsidies te heroverwegen?
Ja het G/HVO wordt na een langdurig debat tussen opeenvolgende kabinetten en de Kamer en op aandrang van de Kamer vanaf 1 augustus 2009 gesubsidieerd. Daarvoor werd het betaald vanuit eigen middelen van de organisaties en vooral vanuit subsidies door gemeenten. Zoals u bekend zal zijn, wordt er over de consequenties van het beginsel van de scheiding van kerk en staat verschillend gedacht. Zo heeft de Onderwijsraad destijds in het advies «Dienstverband, godsdienst en openbare school» (31 maart 2006) aangegeven dat een subsidiëring door de overheid van het G/HVO niet (bij voorbaat) in strijd is met de Grondwet en een grondwettelijk beginsel als de scheiding van kerk en staat. Dit met een verwijzing naar de situatie van de geestelijke verzorging binnen de krijgsmacht en het gevangeniswezen. Ook de Kamer heeft in voornoemd beginsel geen belemmering gezien om zich voor subsidiëring uit te spreken.
Integratie van Somaliërs |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het onderzoek «Somalische nieuwkomers in Nederland» dat gehouden is onder Somalische nieuwkomers uit Amsterdam, Eindhoven, Den Haag en Rotterdam en waaruit blijkt dat de situatie rondom de integratie van Somalische nieuwkomers verre van rooskleurig is?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat deze groep een cumulatie van problemen kent die voor een groot deel specifiek is voor deze groep, zoals qatgebruik, oorlogstrauma’s, ongeletterdheid dan wel laaggeletterdheid, sociale isolatie, het niet hebben van een startkwalificatie en werkloosheid? Vereisen deze problemen volgens u ook een specifieke aanpak? Zo ja, waaruit moet deze bestaan? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met de problemen van Somaliërs in Nederland zoals geschetst in het onderzoek van Dalmar. Ook onderzoek in opdracht van mijn ministerie door het SCP2 en Regioplan3 laat een weinig positief beeld zien. Er is sprake van grote achterstanden in het onderwijs, arbeidsmarkt en taalbeheersing. Ook is er sprake van onverwerkte trauma’s, cultuurverschillen en ontoereikende kennis van het functioneren van de Nederlandse samenleving.
De situatie van Somaliërs in Nederland is zorgelijk en vraagt de nodige aandacht. Deze aandacht is het meest effectief indien deze is ingebed in het generieke beleid op lokaal niveau. Om deze generieke aanpak goed vorm te geven is kennis noodzakelijk over de specifieke problemen van deze groep, de achterliggende oorzaken en de effectieve interventies. Daarom organiseert het Rijk samen met de meest betrokken gemeenten netwerkbijeenkomsten gericht op kennisdeling en expertise-uitwisseling tussen gemeenten onderling, lokale en regionale uitvoeringsinstanties en zelforganisaties van Somaliërs in Nederland.
Wat is uw oordeel over het feit dat slechts 33% van de ondervraagde mensen tevreden is over het aangeboden inburgeringtraject en slechts 18% tevreden is over het niveau van de taalcursussen? Hoe beoordeelt u in dit verband het feit dat, hoewel een meerderheid van de onderzochte mensen een inburgeringscursus heeft gevolgd, er ook een meerderheid is die de Nederlandse taal niet of slecht spreekt? Wat zegt dit volgens u over de kwaliteit van inburgeringcursussen?
Het onderzoek van Dalmar kent een beperkte opzet. In dit onderzoek wordt verslag gedaan van een onderzoek onder 100 Somalische nieuwkomers die in 2007, 2008 of 2009 naar Nederland zijn gekomen. Een breder opgezet onderzoek van het SCP naar vluchtelingen in Nederland laat een positiever beeld zien. Daaruit blijkt dat bijna 90% van de Somaliërs die een inburgeringsprogramma hebben gevolgd tevreden is over het gevolgde programma. Ook geeft een grote meerderheid aan dat hun beheersing van het Nederlands is verbeterd, hun inzicht in de Nederlandse samenleving is vergroot en het makkelijker is geworden werk te vinden.
Voorts merk ik op dat uit het onderzoek van Dalmar blijkt dat slechts een beperkt deel van de ondervraagde Somaliers de inburgering heeft afgerond; een meerderheid is nog niet begonnen aan de cursus of is er nog mee bezig. Het bevreemdt mij dus niet dat uit dit onderzoek blijkt dat een meerderheid de Nederlandse taal nog niet goed beheerst. Inburgering is slechts een eerste stap in het leren van de Nederlandse taal. Verdere verbetering vraagt praktijkoefening dan wel vervolgopleiding.
Wat is uw oordeel over het feit dat slechts 2% van deze groep mensen een baan heeft en 69% werkzoekend is? Bent u van oordeel dat het huidige instrumentarium en de aangekondigde beleidsvoorstellen van het kabinet toereikend zijn om de arbeidsparticipatie van deze groep substantieel te verhogen? Zo ja, kunt u dat onderbouwen? Zo nee, wat gaat u dan doen om dit alsnog voor elkaar te krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u tot slot bereid in gesprek te gaan met Somalische zelforganisaties in Nederland en de gemeenten waarin relatief veel Somaliërs wonen, en samen voorstellen te formuleren die de integratie onder Somaliërs in Nederland bevorderen?
Zie antwoord vraag 2.
De bewering dat in Afghanistan producten met kinder -en slavenarbeid worden gebruikt in NAVO-projecten |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In Afghan Kilns, a Cycle of Debt and Servitude»1 over kinder- en slavenarbeid in baksteenfabrieken in Afghanistan, waarvan de bakstenen volgens lokale eigenaren en hun agenten «routinematig» worden gebruikt in NAVO-projecten?»
Ja.
Kunt u opheldering verschaffen of deze aantijgingen tegen de NAVO waar zijn?
Van de NAVO is vernomen dat ISAF nadrukkelijk controleert op welke wijze ISAF fondsen worden uitgegeven. Bij de uitvoering van het werk wordt erop gelet of er sprake is van kinderarbeid. Van uitvoerders kan de NAVO met redelijke zekerheid aangeven dat deze geen kinderen in dienst hebben. De NAVO voert een zero tolerance beleid wanneer kinderarbeid wordt geconstateerd.
Zo is in de huidige contracten van de ISAF/NAVO opgenomen dat uitvoerders geen gebruik mogen maken van kinderarbeid. Indien dit toch wordt geconstateerd, dan wordt het contract per direct ontbonden en draait de uitvoerder op voor de gemaakte schade.
In oudere contracten is de kinderarbeidclausule nog niet opgenomen. als er sprake blijkt te zijn van kinderarbeid wordt met de uitvoerder gesproken en geprobeerd het bestaande contract door het nieuwe te vervangen. Als dat laatste niet lukt en de uitvoerder blijft volharden in het gebruik van kinderarbeid, dan wordt het contract ontbonden.
Bent u bereid deze kwestie en andere mogelijke leveringen aan de NAVO van producten van kinder- en slavenarbeid bij de NAVO en de internationale coalitie onder de aandacht te brengen en indien nodig aan te dringen op maatregelen daartegen?
Nederland hecht veel waarde aan de uitbanning van kinderarbeid. Zie ook beantwoording vraag 4. Het onderwerp heeft reeds de aandacht van de NAVO en Nederland heeft deze kwestie besproken met het kantoor van de civiele vertegenwoordiger van de NAVO in Kabul.
Onderneemt de Nederlandse regering zelf activiteiten om kinder- en slavenarbeid in Afghanistan te bestrijden, onder meer waar het gaat om leveringen van met kinder- en slavenarbeid gemaakte producten aan de NAVO en de internationale coalitie? Zo ja, welke activiteiten, op terreinen als hulp voor rehabilitatie, effectieve controle, politiek overleg enzovoort, zijn dit? Zo nee, bent u bereid om dergelijke activiteiten tegen kinder- en slavenarbeid in Afghanistan te ondernemen?
De regering blijft zich sterk maken voor de ratificatie en tenuitvoerlegging van de vier fundamentele arbeidsnormen van de ILO, waaronder het verbod op kinderarbeid. De regering ziet het als haar taak het onderwerp aan te kaarten bij bilaterale bezoeken en in multilateraal verband aan te dringen op ratificatie en implementatie van internationale mensenrechteninstrumenten. Het verbieden van kinderarbeid moet deel uitmaken van een integrale strategie die korte- en lange termijnoorzaken tegelijkertijd aanpakt. Over de Nederlandse inzet tegen kinderarbeid ontving de Kamer in april 2010 een brief.2
In Afghanistan heeft Nederland de «Afghanistan Independent Human Rights Commission» (AIHRC) ondersteund. De AIHRC richt zich ook op kinderrechten (AIHRC «Child Protection Unit»). In Uruzgan heeft het «Dutch Consortium Uruzgan» (DCU) zich ook ingezet voor kinderrechten. Er zijn trainingen over kinderrechten en kinderbescherming gegeven aan leerkrachten, politieagenten en andere overheidsfunctionarissen. Tevens zijn bewustwordingscampagnes opgezet die de dorpsoudsten en de bevolking informeren over het belang van onderwijs, kinderbescherming en kinderrechten. Ook is een centrum voor straatkinderen en werkende kinderen opgericht waar kinderen een beroepsopleiding kunnen volgen en wordt de toegang van straatkinderen en werkende kinderen tot gewone scholen verbeterd.
Daarnaast heeft Nederland onderwijsprogramma’s en werkgelegenheidsprogramma’s (inclusief kleine microkredieten) in Uruzgan gefinancierd. Bij de onderwijsprogramma’s was er ook aandacht voor informeel onderwijs op huislocaties voor kinderen die buiten het formele onderwijs waren gevallen (de zogenoemde «accelerated learning classes»).
Hoe gaat de Nederlandse regering toezien en indien nodig voorkomen dat er leveranties van producten gemaakt met kinder- en slavenarbeid plaatsvinden aan de Nederlandse missie in Kunduz?
In contracten met uitvoerders zal een clausule opgenomen worden over kinderarbeid.
Bent u bekend met het rapport «An Overview on Situation of Child Labour in Afghanistan» van de «Afghanistan Independent Human Rights Commission»2 uit 2006 en informatie van onder meer Unicef over omvangrijke kinderarbeid in onder andere de straatverkoop, het weven van tapijten, het maken van schoenen en het repareren van auto’s?
Ja.
Wat is de meest recente stand van zaken met betrekking tot de deelname aan basisonderwijs van jongens en meisjes in Afghanistan? Wat zijn de meest recente cijfers op het gebied van kinderarbeid?
Momenteel zijn ongeveer 7 miljoen Afghaanse kinderen ingeschreven op school, van wie 37% meisjes. Van alle Afghaanse kinderen in de schoolgaande leeftijd betreft dit pas 58%. 42% van de Afghaanse kinderen, met name meisjes, gaat niet naar school. Daarnaast is ongeveer 15%, bijna een miljoen, van de ingeschreven leerlingen permanent afwezig (bron: Interim Plan van het Ministerie van Onderwijs van februari 2011, blz 6).
Volgens gegevens van UNICEF verricht omstreeks 25% van de Afghaanse kinderen onder de 14 jaar kinderarbeid. Het is volgens UNICEF echter bijzonder lastig om betrouwbare cijfers te achterhalen.
Is het u bekend of de aanbevelingen in het in vraag 6 genoemde rapport op het gebied van onderwijs, werkgelegenheid, wetgeving en bescherming van kinderen een vervolg hebben gekregen middels concrete projecten en programma’s? Bent u bereid de regering van Afghanistan daarover om informatie te vragen en zo nodig aan te bieden om te helpen deze aanbevelingen uit te voeren?
De afgelopen jaren heeft de Afghaanse regering reeds enkele positieve stappen gezet. Het onderwijs is sterk verbeterd; in 2001 waren er minder dan 1 miljoen kinderen ingeschreven, nu zijn dat er circa 7 miljoen. Onder het Taliban bewind gingen ongeveer 5 000 meisjes naar school, dat zijn er nu 2.4 miljoen4. Er zijn «vocational training» programma’s voor kinderen opgezet in de stedelijke gebieden. Medio 2009 heeft de regering het eerste rapport onder het kinderrechtenverdrag gepubliceerd. Dit rapport vormt het raamwerk voor verdere activiteiten op het gebied van kinderrechten. In april 2010 heeft Afghanistan het ILO verdrag tegen de ergste vormen van kinderarbeid en het ILO verdrag dat de minimum leeftijd voor werk vastlegt, geratificeerd. Er is echter nog veel werk te verzetten ondermeer op het gebied van de informele sector, monitoring en de regulering van werkplaatsen en mechanismen op gemeenschapsniveau.
De laatste jaren is er meer aandacht van de kant van VN-organisaties, NGO’s en donoren. ILO en UNICEF zijn leidend. UNICEF heeft eind 2010 aangegeven de Afghaanse regering ondersteuning te verlenen bij het opstellen van de «comprehensive Child Act». UNAMA en AIHRC zijn in overleg over de verdere implementatie van de aanbevelingen uit het rapport van AIHRC.
Nederland stelt in internationaal en EU verband herhaaldelijk mensenrechten(kwesties) en het belang om kinderarbeid uit te bannen aan de orde in de politieke (mensenrechten)dialoog met de Afghaanse regering. Zie ook beantwoording van vraag 4.
Het afblazen van een voorgenomen proef met verbeterd spreekrecht |
|
|
|
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Herinnert u zich de antwoorden op de vragen over een proef met verbeterd spreekrecht in aparte strafmaatzittingen?1
Ja.
Heeft u zelf contact gehad met de rechtbank Amsterdam over dit onderwerp? Zo nee, waarom niet?
Ten behoeve van de beantwoording van uw eerdere vragen heb ik zelf contact gehad met de rechtbank Amsterdam. De Raad voor de rechtspraak heeft mij bericht dat geen sprake is van een proef zoals door vragensteller bedoeld.
Is er in het kader van de voorbereiding van deze proef onderzoek gedaan door de rechtbank Amsterdam naar de juridische implicaties van aparte strafmaatzittingen? Zo ja, zijn de resultaten inmiddels bekend en wat is de uitkomst?
Zoals ik u in de beantwoording van uw eerdere vragen heb gemeld is op dit moment geen sprake van een proef, noch van een concreet voornemen daartoe.
Het is op dit moment dus voorbarig om te spreken van een concrete proef. Wel heeft de Raad voor de Rechtspraak mij inmiddels laten weten dat de betreffende rechtbank een vooronderzoek doet om te kijken of en hoe een aparte strafmaatzitting (onder de huidige wetgeving) in de praktijk is vorm te geven. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de juridische en financiële aspecten. De verwachting is dat dit vooronderzoek voor de zomer zal zijn afgerond.
Is de proef onderwerp van gesprek geweest, al dan niet in beslotenheid, met advocaten, rechters en officieren van justitie? Zo ja, wat is de uitkomst?
In het kader van dit vooronderzoek wordt (uiteraard) ook met rechters gesproken en met belangrijke externe partijen als advocatuur en OM. De rechtbank acht het van belang te luisteren naar wat er in de samenleving speelt. Die gesprekken dienen primair ter gedachtevorming.
Heeft u, voordat u tot uw oordeel kwam dat het uitoefen van spreekrecht tijdens aparte strafmaatzittingen niet leidt tot een betere positie van slachtoffers, de mening gevraagd van de (organisaties van) slachtoffers en nabestaanden zelf? Zo nee, waarom niet? Waarop baseert u uw mening dat het geen verbetering is?
Ik voer periodiek overleg met de organisaties van slachtoffers en nabestaanden. De wens die binnen deze organisaties leeft om het spreekrecht inhoudelijk uit te breiden is mij bekend. Ik sta, zoals eerder gezegd, positief ten opzichte van een uitbreiding van het spreekrecht. Ik streef er naar voor de zomer met een conceptwetsvoorstel te komen waarover de genoemde organisaties zich ook kunnen uitlaten. Ik teken echter aan dat met de invoering van de Wet versterking positie slachtoffers in het strafproces de keuze is bevestigd dat het slachtoffer procesdeelnemer blijft en geen procespartijwordt. Introductie van strafmaatzittingen noopt tot een ingrijpende herinrichting van het onderzoek op de terechtzitting met aanzienlijke consequenties voor de planning van de zittingen en de zittingscapaciteit. Los daarvan ben ik voorshands niet overtuigd van de meerwaarde van een splitsing tussen de feitelijke behandeling van een zaak en een strafmaatzitting, die ertoe zou leiden dat de emotionele belasting van het slachtoffer of de nabestaanden wordt verminderd. Ik zie met belangstelling uit naar de resultaten van het vooronderzoek in Amsterdam op dit punt.
Bent u bereid alsnog uw steun te verlenen aan een proef met aparte strafmaatzittingen waarbij de mogelijkheden van verbeterd spreekrecht kunnen worden onderzocht?
Zie antwoord vraag 5.
De bekostiging van het onderwijsaanbod op Texel |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u zich bewust van de uitzonderingspositie die de Waddeneilanden in Nederland innemen, en vormde deze uitzonderingspositie in het verleden voor de regering de reden dat het eiland Texel in aanmerking kwam voor compensatiegelden voor het voortgezet onderwijs?
In september 2010 heb ik in de Beleidsregel uitzonderingsscholen VO (Stc. 15445, 6 oktober 2010) vastgelegd dat de Friese Waddeneilanden een uitzonderingspositie innemen. In deze beleidsregel geef ik aan waarom en hoe ik het mogelijk maak dat op elk van de eilanden voortgezet onderwijs wordt verzorgd. Om deze reden sta ik bijvoorbeeld toe dat – mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan – de opheffingsnorm niet wordt toegepast en verleen ik een aanvullende bekostiging als tegemoetkoming aan de specifieke uitzonderlijke situatie.
De Hogeberg op Texel heeft van 2001 tot 2011 uitzonderingsbekostiging ontvangen om twee redenen. Ten eerste vanwege de eilandpositie. Ten tweede vanwege de relatief zware personele bezetting van de diverse afdelingen van het vbo ten opzichte van het aantal leerlingen van de afdelingen.
Onderkent u het belang van het bestaan van de enige scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs De Hogeberg op Texel?
Ja.
Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag dat de andere Waddeneilanden een herbevestiging hebben gekregen van de compensatieregeling, maar Texel niet?
Uitgangspunt is dat reguliere bekostiging toereikend is voor VO-scholen met een leerlingaantal boven de stichtingsnorm. De Beleidsregel uitzonderingsscholen VO legt het beleid ten aanzien van uitzonderingsscholen in het voortgezet onderwijs vast. Een belangrijke voorwaarde voor uitzonderingsbekostiging op basis van deze beleidsregel is dat de desbetreffende school structureel een leerlingaantal heeft dat zich onder de geldende opheffingsnorm bevindt. Bij de vier scholen op de Friese Waddeneilanden (Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog) is dit het geval. De Hogeberg op Texel voldoet niet aan deze voorwaarde (op 1 oktober 2010 stonden er 951 leerlingen ingeschreven).
Neemt u het voor lief dat een gevolg van de beëindiging van de compensatiegelden is dat de scholengemeenschap het aanbod van vmbo-onderwijs moet inperken tot minder sectoren dan totnogtoe het geval was? Zo ja, waarom?
Het huidige en toekomstige aanbod van het aantal leerwegen, sectoren en afdelingen is de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Het bestuur van De Hogeberg kan – net zoals alle andere schoolbesturen – binnen de beschikbare lump sum bekostiging keuzes maken binnen het toegestane onderwijsaanbod. Overigens zijn er andere scholengemeenschappen in Nederland met een zelfde of lager leerlingaantal die evenveel studierichtingen en afdelingen aanbieden als De Hogeberg. Om deze reden extra bekostiging toekennen aan De Hogeberg zou dan ook in strijd zijn met het beginsel van rechtsgelijkheid.
Op welke regelingen kunnen scholieren aanspraak maken die, tengevolge van de inperking van het aantal vmbo-sectoren op De Hogeberg, naar de overkant zullen gaan omdat daar nog wel onderwijsaanbod bestaat in de vmbo-sector naar hun keuze?
Leerlingen in het voortgezet onderwijs worden gezien hun leeftijd geacht zich zelfstandig te kunnen verplaatsen. Er zijn dan ook geen regelingen met betrekking tot vervoer van leerlingen indien deze van mening zijn dat het onderwijsaanbod in hun nabije omgeving onvoldoende is. Overigens is het op 4,2 kilometer afstand gelegen Den Helder goed bereikbaar (de reistijd is twintig minuten). Aldaar is een breed aanbod van voorbereidend beroepsonderwijs.