De veiligheidsmonitor van het CBS |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van «Dit is De Dag» over de veiligheidsmonitor van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)?1
Ja.
Deelt u de mening dat validiteit en betrouwbaarheid van misdaadcijfers cruciaal is voor het te ontwikkelen en het te controleren veiligheidsbeleid?
Ja.
Hoe verklaart u de grote verschillen tussen de veiligheidsmonitor (VM) en de integrale veiligheidsmonitor (IVM)?
De toenmalige Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hebben in een brief van 31 maart 2009 uw Kamer bericht over de consequenties van de verschillen tussen de onderzoeksmethodes van de Veiligheidsmonitor (VMR) en de Integrale Veiligheidsmonitor (IVM) (Kamerstukken II, 2008–2009, 28 684, nr. 209). Beide zijn enquêtes naar de door de bevolking beleefde veiligheid en leefbaarheid en het beleefde slachtofferschap. De VMR leverde uitkomsten op landelijk niveau en op het niveau van politieregio’s. De IVM is breder van opzet waardoor ook op gemeente- en wijkniveau een beeld kan worden verkregen.
Bij de invoering van de IVM is de vraagstelling veranderd en is de enquêtemethode uitgebreid met internetenquêtes en schriftelijke enquêtes. Daarnaast is bij de IVM aan lokale overheden de mogelijkheid geboden om op eigen kosten en verantwoordelijkheid aan het onderzoek mee te doen. In de genoemde brief is opgemerkt dat de landelijke uitkomsten van de VMR en de IVM vanwege deze veranderingen niet zonder nadere analyse met elkaar vergeleken kunnen worden. Dit geldt zowel voor het vergelijken van de uitkomsten van de IVM met uitkomsten uit eerdere jaren van de VMR, als voor het vergelijken van de uitkomsten van de in hetzelfde jaar gehouden VMR en IVM. Zoals in de genoemde brief is toegelicht, is de VMR enige jaren op beperktere schaal uitgevoerd (circa 6 000 respondenten) naast de IVM (door wisselende lokale deelname per jaar: tussen de circa 40 000 en 200 000 respondenten) om zicht te krijgen op de gevolgen van de methodebreuk. Ook door het grote verschil in aantal respondenten zijn de resultaten van beide enquêtes over dezelfde onderzoeksperiode niet goed vergelijkbaar. De beperktere VMR is voor het laatst uitgevoerd in 2010. Al bij de resultaten over 2008 bleek dat de methodebreuk bij nagenoeg alle onderzochte grootheden leidde tot een significant verschil in uitkomst tussen de IVM en de VMR.
De verschillen duiden zodoende niet op een kwaliteitsgebrek van de IVM. De uitkomsten van de IVM zijn bruikbaar voor de doelen waarvoor de enquête wordt gehouden, zoals het zicht krijgen op het zogenoemde dark number, het verschil tussen aangegeven en ervaren slachtofferschap. Overigens hebben de resultaten altijd onzekerheidsmarges, omdat de IVM zowel landelijk als lokaal een steekproefonderzoek is. Ik verwijs verder naar het antwoord op vragen 4, 5 en 7.
Hoe verklaart u het feit dat de Stichting Aanpak Voertuigencriminaliteit op grond van haar aangifteregistratie tot 11 000 gestolen auto’s in 2009 komt, terwijl de IVM over hetzelfde jaar uitkomt op 49 000 gestolen auto’s?
Er is overleg gaande tussen mijn Ministerie, het CBS en de sector (Stichting Aanpak Voertuigcriminaliteit) om na te gaan waarop de verschillen op dit vlak kunnen worden teruggevoerd. In ieder geval leert de ervaring dat cijfers uit slachtofferenquêtes altijd afwijken van (aangifte)cijfers uit registraties, Het CBS streeft ernaar de precieze oorzaken van de verschillen zo spoedig mogelijk weg te nemen dan wel te verklaren.
Kunt u uitsluiten dat de vraagstelling in de CBS-veiligheidsmonitor zodanig was dat geënquêteerden de term «autodiefstal» hebben uitgelegd als «diefstal van spullen die in de auto lagen» in plaats van «diefstal uit de auto»?
Om dergelijke misverstanden zoveel mogelijk te voorkomen wordt in de IVM onderscheid gemaakt tussen autodiefstal, diefstal uit de auto en diefstal van onderdelen dan wel beschadiging aan de buitenkant van de auto. Deze drie delictsoorten worden afzonderlijk bevraagd met eigen vraagstellingen. Ik kan echter nooit uitsluiten dat een respondent per ongeluk zich desalniettemin bij de beantwoording vergist.
Is het waar dat de verschillen in uitkomst tussen de VM en de IVM te verklaren zijn door de gebruikte onderzoeksmethode van enquêteren via internet bij de IVM?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe gaat u in de toekomst bewerkstelligen dat de gepresenteerde misdaadcijfers ook daadwerkelijk de feitelijkheid weergeven?
Bij de IVM gaat het, zoals aangegeven in het antwoord op vragen 3, 4 en 6 en anders dan bij registraties, over de beleving van criminaliteit en veiligheid door de bevolking. Daarmee hebben de uitkomsten van dit onderzoek een meerwaarde ten opzichte van gegevens over criminaliteit afgeleid uit registraties. Beide typen onderzoek vullen elkaar aan en geven beide inzicht in criminaliteit, onder meer doordat het zogenoemde dark number zichtbaar wordt. De methodologische kwaliteit van het onderzoek heeft de doorlopende aandacht van de betrokken partijen en dit zal, waar nodig, tot aanpassingen van het instrument leiden.
De top-10 van ergernissen onder automobilisten |
|
Léon de Jong (PVV) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in de Telegraaf «Agressief weggedrag stipt op één»?1
Deelt u de mening dat agressieve bestuurders keihard moeten worden aangepakt? Zo ja, wat gaat u en kunt u doen tegen agressief rijgedrag? Zo nee, waarom niet?
Welke concrete maatregelen gaat dit kabinet nemen om de genoemde ergernissen aan te pakken en hoe wilt u deze gaan handhaven?
Deelt u de mening dat de focus van de verkeerspolitie meer moet liggen op het aanpakken van deze tien punten in plaats van het uitvoeren van mobiele flitscontroles en controles op foutief parkeren? Zo nee, waarom niet?
De wasruimte op een hogeschool |
|
Harm Beertema (PVV), Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wasruimte moslims op hogeschool»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de visie dat een wasruimte voor moslims, op nota bene een christelijke hogeschool, tekenend is voor de voortschrijdende islamisering van het onderwijs?
Ik deel deze visie niet. Rekening houden met het gegeven dat een toegenomen deel van de Nederlandse bevolking zich tot het islamitische geloof rekent, is geen islamisering, maar bij uitstek uiting van de westerse waarden van geloofsvrijheid en tolerantie.
Bent u bereid zich helder uit te spreken tegen de toenemende invloed van de islam op zowel het christelijke als het openbare onderwijs? Zo nee, waarom niet?
Daartoe ben ik niet bereid. Het College van Bestuur is verantwoordelijk voor de gang van zaken op een instelling van hoger onderwijs en mitsdien bevoegd om ook in dezen beslissingen te nemen binnen de algemeen geldende wettelijke kaders. In beginsel staat het de instelling vrij om geloofsbeleving te faciliteren, uiteraard met inachtneming van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Deze wet bevat een verbod op het maken van onderscheid op grond van onder meer godsdienst. Een onderwijsinstelling is hier als werkgever en als aanbieder van onderwijs aan gehouden. Indien een werknemer of student meent dat een onderwijsinstelling in strijd met de Awgb handelt, en men er intern niet uitkomt, dan is het mogelijk om – al dan niet gezamenlijk – een oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling te vragen en/of het geschil aan de rechter voor te leggen. Overigens geeft de betrokken hogeschool in de voorlichting op haar website aan dat het gaat om een rituele wasruimte die door iedereen gebruikt kan worden.
In hoeverre onderschrijft u de mening dat een wasruimte voor moslims een symbool is voor de islamitische ongelijkheid tussen moslims en niet-moslims en daarom tevens vanuit het oogpunt van de emancipatie geen plek hoort te hebben op een onderwijsinstelling?
Deze mening onderschrijf ik niet. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Welke maatregelen denkt u te treffen om de wasruimte zo spoedig mogelijk weg te krijgen?
Geen. Zie de antwoorden op vragen 3 en 4.
Politieagenten die een sollicitatiecursus zouden geven aan jongeren in Amsterdam Nieuw West |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Agenten gaan jongeren leren solliciteren»?1
Ja
Is het waar dat de politie in het stadsdeel Amsterdam Nieuw West in april een sollicitatiecursus voor jongeren gaat geven? Zo nee, wat is er dan niet waar in dit bericht? Zo ja, op grond van welke bevoegdheid of functie-inhoud mogen en kunnen politiemensen een dergelijke cursus geven en wie heeft toestemming voor deze cursus gegeven?
Naar ik van het korps heb begrepen wordt er eenmalig en kleinschalig één avond aan de jeugd in de wijk Amsterdam-West een sollicitatietraining gegeven. De korpsbeheerder en korpschef van de politieregio Amsterdam-Amstelland bepalen de inzet van politiemedewerkers bij een dergelijke voorlichting. De cursus is niet bedoeld om jongeren te stimuleren bij de politie zelf te solliciteren. Doel van deze cursus is om jeugdige mensen te stimuleren werk te zoeken.
Als er een sollicitatiecursus wordt gegeven door de politie, is die cursus dan mogelijk bedoeld om jongeren te stimuleren bij de politie zelf te solliciteren? Zo ja, in hoeverre moet dit bijdragen aan het wél aantrekken van de in het regeerakkoord in het vooruitzicht gestelde 3 000 extra agenten? Zo nee, wat is dan de achtergrond van deze cursus?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de politie zijn handen al meer dan vol zou moeten hebben met kerntaken zoals het handhaven van de openbare orde, het opsporen van strafbare feiten, het verlenen van hulp bij nood en het signaleren van en adviseren bij (on)veiligheidssituaties? Zo ja, deelt u de mening dat het geven van een sollicitatiecursus daar niet bij hoort en hoe kan het dat politie in Amsterdam Nieuw West blijkbaar tijd over heeft? Zo nee, waarom niet?
De korpsbeheerder en korpschef van de politieregio Amsterdam-Amstelland zijn van mening dat de eenmalige inzet van politiemedewerkers bij een dergelijke voorlichting bijdraagt aan het in contact komen en blijven met de jeugd in de (probleem)wijken in de regio. In het algemeen ben ik van oordeel dat het geven van een sollicitatietraining niet tot de taken van de politie behoort.
Het terughalen van de Nederlandse ambassadeur in Teheran |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat u de Nederlandse ambassadeur terugroept uit Iran?1
Ja.
Wordt de ambassadeur teruggehaald voor consultatie of voor onbepaalde tijd? Wat is in eerstgenoemde situatie de termijn waarop de ambassadeur zal terugkeren? Wat zijn in laatstgenoemde situatie de criteria die u hanteert voordat de ambassadeur kan terugkeren?
Ik heb besloten de Nederlandse ambassadeur deze week naar Den Haag terug te roepen voor consultaties. Wanneer de ambassadeur teruggaat naar Teheran is afhankelijk van de uitkomst van het overleg.
Waarom heeft u ervoor gekozen niet direct helder te communiceren over de precieze aard van de terugkomst van de Nederlandse ambassadeur?
Ik heb mijn besluit helder naar buiten gebracht.
Deelt u de mening dat Nederland slechts in het uiterste geval de dialoog met andere landen naar een lager niveau moet brengen? Zo ja, welke overwegingen hebben ertoe geleid dat u deze stap op dit moment heeft gezet?
Ik deel dat uitgangspunt. Naar aanleiding van de ter aardebestelling van mevrouw Baahrami heb ik besloten de Nederlandse ambassadeur voor consultaties terug te roepen naar Nederland. Tegelijkertijd geldt dat ik eraan hecht dat de diplomatieke contacten met Iran doorgang vinden, niet in de laatste plaats vanwege het belang van de inspanningen voor de Nederlandse gedetineerden in Iran en de Nederlanders en Nederlands-Iraanse bipatriden in Iran in het algemeen.
Vindt u het wenselijk dat de relatie met Iran escaleert en Nederland van andere landen afhankelijk wordt voor relaties met Iran?
Ik acht het niet wenselijk spanning in de bilaterale betrekkingen onnodig te laten oplopen.
Deelt u de mening dat het terugroepen van de Nederlandse ambassadeur mogelijk niet de optimale uitkomst is voor Nederlanders die nu nog in Iran verblijven, waaronder Nederlanders in Iraans gevangenschap en Nederlanders die in Iran ter dood veroordeeld zijn? Hoe zorgt u ervoor dat hun diplomatieke steun optimaal gewaarborgd blijft?
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 2 is de Nederlandse ambassadeur niet voor onbepaalde tijd of definitief, maar voor consultaties teruggeroepen. In de periode van zijn afwezigheid wordt door de staf van de Nederlandse ambassade in Teheran het diplomatieke en consulaire werk voortgezet.
Bent u, gezien de relevantie van de vragen en het feit dat de ambassadeur aanstaande donderdag terugkomt, bereid deze vragen binnen twee dagen te beantwoorden?
Ja.
Uiteenlopende eisen voor drogistenexamens en over het feit dat het Drogisterijcollege geen toezicht houdt op het deugdelijke afnemen van het drogisterijexamen |
|
Erik Ziengs (VVD), Johannes Sibinga Mulder |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen1 waarin u aangeeft de wens te hebben dat de drogisterijsector meer werk moet maken van opleidingen en examens voor het beroep van (assistent)drogist, en dat met dit doel door uw voorganger, naast de examenorganisatie Pharmacon een extra examenorgaan is ingesteld? Deelt u de mening dat dergelijke diploma’s van door u aangewezen exameninstanties aan minimum examen- en kwaliteitseisen zouden moeten voldoen?
Ja.
Is het u bekend dat er verschillen bestaan tussen de examen- en kwaliteitseisen van de twee, als examenbevoegd aangewezen, instanties?
Er bestaan verschillen tussen de exameneisen. Er zijn ook verschillende opleiders en opleidingen. Waar het om gaat is dat opleidingen en examens een goede afspiegeling vormen van de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor de beroepsuitoefening. De wet bepaalt in artikel 62 dat de consument duidelijk moet worden ingelicht over de aard en het doel van het geneesmiddel, en over de gevolgen en risico’s voor zijn gezondheid. Dit moet het richtsnoer zijn bij opleiding en examens.
Drogisterijcollege wil meer nadruk leggen op adviesvaardigheden. Het is goed dat nieuwe en andere accenten worden gelegd en dat meer diversiteit ontstaat. Het consistente beeld van de afgelopen jaren is immers dat opleidingen en examinering niet hebben geleid tot goede advisering in drogisterijen. Dit blijkt uit periodieke mystery-shop onderzoeken van de Consumentenbond en laatstelijk ook van TROS Radar.
Deelt u de mening dat deze minimumeisen uniform moeten zijn? Zo ja, hoe? Op welke termijn denkt u ervoor te zorgen dat er uniforme examen- en kwaliteitseisen komen?
De Geneesmiddelenwet, die op 1 juli 2007 in werking is getreden, beoogde onder meer deregulering en liberalisering van de drogisterijsector. Bij de wetsbehandeling in de Tweede Kamer in 2006 heeft mijn ambtsvoorganger duidelijk aangegeven dat de minister van VWS geen bemoeienis heeft met de opleiding, examinering en examenprocedures. Een amendement dat ertoe strekte om de minister van VWS hier mee te laten instemmen, is destijds met klem door mijn ambtsvoorganger ontraden2. Het amendement is ingetrokken.
De minister van VWS heeft dus geen zeggenschap over opleidingen en examens. Dit is overgelaten aan zelfregulering. De minister van VWS kan volgens de wet slechts examenorganisaties aanwijzen.
Ik vind het wel wenselijk dat er een minimaal niveau wordt gewaarborgd. Ik heb Pharmacon en Drogisterijcollege verzocht zich hierover gezamenlijk te buigen. Tot dusver stuit dit op de weigering van Pharmacon. Ik zal er met klem op aandringen dat dit overleg nu voortvarend tot stand komt.
Ook ben ik voornemens een beleidskader op te stellen dat in acht wordt genomen bij de beoordeling van organisaties die de minister van VWS verzoeken te worden aangewezen als exameninstantie. Ik wil dit doen in samenwerking met de desbetreffende veldpartijen.
Bent u op de hoogte van het feit dat één van de als examenbevoegd aangewezen exameninstanties, het Drogisterijcollege, deze examens online afneemt, waarbij er geen waterdichte controle plaatsvindt van de identiteit van de kandidaat die het examen aflegt?
Zowel Pharmacon als Drogisterijcollege nemen hun examens online af. Bij online examinering moet er extra gelet worden op goede (identiteits)controle. Voorzover nodig zal ik er op aandringen dat dit ook wordt gerealiseerd. Er moet geen twijfel zijn over de identiteit van examenkandidaten. Ik zal dit punt meenemen bij het opstellen van het eerdergenoemde beleidskader.
Deelt u de mening dat het voor eigenaren van een drogisterij die personeel in dienst willen nemen hierdoor onduidelijk is of de bezitter van het (assistent)drogistendiploma daadwerkelijk de vereiste kennis bezit?
Examenorganisaties moet zelf zorgdragen voor waterdichte identiteitscontrole. Het moet voor drogisterijen en hun eigenaren zonder meer duidelijk zijn wie het drogistendiploma heeft behaald, en ook dat men de vereiste kennis daadwerkelijk bezit.
Naast het opnemen in het eerdergenoemde beleidskader is een ander middel om hierover uitsluitsel te geven het (online) openbaar maken van de namen van gediplomeerden en het actueel houden van deze lijst. Deze lijst zou ook bekend moeten zijn bij de farmaceutische groothandel in verband met een rechtmatige belevering van detaillisten. Drogisterijcollege heeft hierin reeds toegestemd.
Deelt u de mening dat hierdoor situaties kunnen ontstaan waarbij de geëxamineerde niet dezelfde persoon is als de persoon die het diploma ontvangt, en dat dit onwenselijk is, en hierdoor immers situaties kunnen ontstaan waarin consumenten onvolledig of onjuist advies ontvangen bij het aankopen van bepaalde medicijnen omdat de verkoopmedewerker onvoldoende verstand van zaken heeft?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat er een waterdichte controle op de identiteit van de geëxamineerde moet zijn? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dit bewerkstellingen?
Zie antwoord vraag 5.
De voorstellen van het Europees agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) tot verlening van vliegbrevetten aan vliegtuig bemanningen (Flight Crew Licencing) |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de voorstellen van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) over de verlening van vliegbrevetten aan vliegtuigbemanningen dat op 7-8 december 2010 via de comitoligie procedure in Brussel is aangenomen?
Ja.
Kunt u aangeven op welke wijze de Nederlandse regering betrokken is in het proces tot nu toe en wat uw inbreng in dit proces tot nu toe is geweest?
De Nederlandse overheid is bij dit besluit betrokken geweest via het consultatieproces van het Europese Agentschap van de Luchtvaartveiligheid (EASA) en via de comitologieprocedure onder voorzitterschap van de Europese Commissie.
In het consultatieproces hebben belanghebbende partijen, waaronder de lidstaten, de gelegenheid de EASA van commentaar te voorzien op haar voorgenomen adviezen over de tekst van een voorstel voor regeling van de Europese Commissie.
In de comitologie bespreekt de Commissie haar concept-verordeningen met vertegenwoordigers van de lidstaten. Aldus is de onderhavige verordening in het zogenaamde EASA-comité besproken. De Nederlandse delegatie heeft zich daarbij ingezet voor voorschriften die uit een oogpunt van veiligheidsrisico’s noodzakelijk en proportioneel zijn en bijdragen aan het «level playing field». In dit verband heeft Nederland met het oog op lopende onderhandelingen tussen de EU en de Verenigde Staten gepleit voor een ruime overgangstermijn voor het omzetten van brevetten van derde landen in Europese brevetten.
Kunt u aangeven op welke wijze u betrokken gaat worden bij de verdere behandeling van deze voorstellen en wat uw inzet zal zijn?
De in december 2010 aangenomen concept-verordening van de Commissie is rechtstreeks werkend. De verordening zal overigens vanaf 8 april 2012 gefaseerd, met overgangstermijnen, in werking treden.
De verordening zal in de toekomst zeker worden aangepast. Aan de hand van opgedane ervaringen zal de EASA daar adviezen voor uitbrengen. De Nederlandse inzet zal ook daar gericht zijn op maatregelen die uit een oogpunt van veiligheidsrisico’s noodzakelijk en proportioneel zijn en bijdragen aan het «level playing field».
Deelt u de opvatting dat de Europese luchtvaartindustrie opereert in een wereldwijde markt, waarin wederzijdse erkenning en het behouden van een mondiaal evenwicht essentiële overwegingen zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die opvatting. Het uitgangspunt van wederzijdse erkenning is ook bevestigd in artikel 33 van het Verdrag van Chicago voor de Burgerluchtvaart. Overigens mogen staten die bij dit Verdrag zijn aangesloten wel nagaan of de te erkennen certificaten of brevetten aan de minimum standaarden van Annex 1 (hierna zoals in vraag 6 als ICAO Annex 1 aangeduid) bij dit verdrag voldoen. Zij mogen daartoe ook voorwaarden stellen zolang deze niet discriminatoir zijn.
Om die wederzijdse erkenning te bevorderen sluit de Europese Unie verdragen met derde landen.
Bent u ervan op de hoogte dat, tot op heden, vliegbrevetten voor vliegtuigbemanningen zijn gekoppeld aan het land van registratie van een vliegtuig en niet aan het land waarin zij wonen?
Ja, dat is een universeel beginsel overeenkomstig artikel 32 van het Verdrag van Chicago.
Acht u het wenselijk dat met de invoering van Rule Part-FCL (EASA CRD on NPA 2008–17b) afstand genomen wordt van internationale afspraken, te weten ICAO1 annex 1? Zo ja, waarom?
In Rule Part-FCL is geen afstand genomen van ICAO Annex 1 noch van andere internationale afspraken. Wel geeft Part-FCL invulling aan de wijze waarop wordt nagegaan hoe aanvragen voor erkenning van brevetten van derde landen zijn te honoreren.
Zijn er op dit moment voor u aanwijzingen dat er ICAO-landen zijn die niet voldoen aan de vereiste standaarden voor het verlenen van licenties aan piloten? Zo ja, om hoeveel landen gaat het? Staan deze landen reeds op de zwarte lijst?
ICAO-landen zijn gebonden aan ICAO-Annexen waarin de standaarden voor onder meer het verlenen van brevetten aan piloten staan. De standaarden uit de annexen zijn niet rechtstreeks werkend. De lidstaten van ICAO moeten de standaarden uit de annexen in hun nationale regelgeving verwerken. Daarbij kunnen de lidstaten afwijken van deze standaarden. Zij moeten deze afwijkingen melden bij ICAO. ICAO publiceert deze, zodat de rest van de wereld daar kennis van kan nemen. Landen melden hierin zowel strengere als minder strenge regels. Helaas heeft ICAO deze publicatie voor Annex 1 sinds het jaar 2000 niet meer bijgewerkt.
Daarnaast voert ICAO audits uit over de mate waarin de ICAO-lidstaten de implementatie van de ICAO standaarden in de nationale regelgeving uitvoeren. In de rapporten van deze audits is te vinden in welke mate een land over het algemeen de standaarden van ICAO effectief heeft ingevoerd, ook op het gebied van licenties van piloten. Uit deze rapporten is af te leiden dat er landen zijn die niet volledig aan de ICAO standaarden voldoen. Om hoeveel landen het gaat is niet te zeggen, omdat nog niet alle rapporten van alle lidstaten gereed zijn. Het aantal landen dat de ICAO-standaarden niet goed naleeft, is dan ook niet te geven.
Het systeem van de Europese lijst van luchtvaartmaatschappijen met een exploitatieverbod in de EU (de «zwarte lijst», in EU-verband als «de veiligheidslijst» aangeduid) is ervoor bedoeld om luchtvaartmaatschappijen waarvan is aangetoond dat zij niet veilig zijn, niet langer te laten opereren in het luchtruim van de Europese Unie. Er staan dan ook geen landen maar luchtvaartmaatschappijen op deze lijst. Wel is het mogelijk dat, indien aangetoond wordt dat het toezicht op de veiligheid in de luchtvaart in een land onvoldoende is, alle luchtvaartmaatschappijen uit dat land op de zwarte lijst worden geplaatst. Het afgeven van licenties aan piloten zonder dat aan de juiste voorwaarden wordt voldaan, is één van de criteria die hierbij worden toegepast. De Europese Commissie baseert zich daarbij op de eerder genoemde ICAO audits, op de bevindingen tijdens SAFA inspecties bij operaties van buitenlandse luchtvaartmaatschappijen en op eventueel eigen onderzoek.
Kunt u, indien er landen zijn die zich niet aan de ICAO standaarden houden en desondanks niet op de zwarte lijst staan, aangeven waarom deze landen niet op de zwarte lijst staan?
Zoals aangegeven staan op de lijst niet zozeer landen als wel luchtvaartmaatschappijen. Uitgangspunt voor plaatsing op de lijst is steeds of aan de ICAO standaarden wordt voldaan. Plaatsing op de lijst gebeurt niet lichtvaardig, er moet sprake zijn van een duidelijk onvoldoende niveau om de standaarden te kunnen naleven. De beslissing over plaatsing op de lijst ligt bij de Europese Commissie, bijgestaan door een comité van vertegenwoordigers van lidstaten.
Is de veronderstelling juist dat wanneer een land op de zwarte lijst staat, de toestellen die geregistreerd zijn in dit land zich niet in het Europese luchtruim mogen bevinden? Is dan tevens de veronderstelling juist dat daarmee het risico dat piloten, wier licentie is afgeven door een land dat op de zwarte lijst staat, zich in het Europese luchtruim bevinden nihil is, daar brevetten voor vliegtuigbemanningen zijn gekoppeld aan het land van registratie van een vliegtuig?
Het is correct dat een luchtvaartmaatschappij die op de zwarte lijst staat zich niet in het Europese luchtruim mag begeven. De koppeling van land van herkomst van brevetten en registratie van het vliegtuig klopt. Wel is het mogelijk dat met de autoriteiten van het land van registratie een overeenkomst wordt gesloten op grond waarvan het buitenlandse brevet wordt erkend of gelijkgesteld (volgens een door ICAO ontworpen procedure). Hiertoe moeten die brevetten wel aan de veiligheidseisen blijven voldoen. De kans die u in uw vraag aangeeft blijft daarmee uitermate beperkt.
Wat is uw mening over het ontbreken van onderbouwde veiligheidsargumenten van de EASA voor de voorstellen? Deelt u de mening dat de algemene luchtvaartveiligheid in bijvoorbeeld de VS even goed is als in de Europese Unie (EU)? Zo nee, waarom niet? Verwacht u dat de EASA-voorstellen zullen leiden tot een afname van het aantal in de EU woonachtige piloten met een kwalificatie voor het vliegen op instrumenten? Zo nee, waarom niet?
Er is naar mijn indruk geen sprake van een situatie van het ontbreken van onderbouwde veiligheidsargumenten. Wel werd bij het voorstel van de EASA voor part-FCL de proportionaliteit van enkele voorschriften ter sprake gebracht. Die bepalingen zijn in het overleg in het comité bijgesteld. De huidige tekst acht ik evenwichtig.
Over de vraag of de algemene luchtvaartveiligheid in de VS even goed is als die in de landen van de Europese Unie kan ik niet oordelen. Wel kan ik opmerken dat de VS voldoet aan de standaarden van ICAO. Dit uitgangspunt vormt ook momenteel al de grondslag voor de erkenning van de daar afgegeven brevetten. De Europese Unie en de VS onderhandelen over een overeenkomst waarbij wederzijdse erkenning van elkaars certificaten en brevetten uitgangspunt is. Ik heb in dat verband geen reden om aan te nemen dat het aantal in EU wonende piloten met een kwalificatie voor het instrumentvliegen zal afnemen.
Is bij u bekend hoeveel piloten hun domicilie binnen de Europese Unie hebben en met een Amerikaanse licentie een Amerikaans geregistreerd toestel besturen? Zo ja, om hoeveel vliegtuigen en piloten gaat het?
Nee, dat is mij niet bekend. De overheid heeft alleen een registratie van de houders van Nederlandse brevetten.
Welke redenen kunt u aanvoeren die het mogelijk zouden maken om in de toekomst piloten, die woonachtig zijn in de Europese Unie en op een Amerikaanse licentie een Amerikaans geregistreerd toestel besturen, het vliegen binnen Europa te verbieden?
Er is noch in Nederland, noch in het verband van de Europese Unie een voornemen om de in de vraag bedoelde vliegers het vliegen binnen Europa te beletten. Volgens de nu geldende regelgeving mogen vluchten met Amerikaanse brevetten op Amerikaanse toestellen die worden geopereerd door een Amerikaanse exploitant worden gemaakt mits aan algemene ICAO normen wordt voldaan.
Vanaf 2012 moeten deze vliegers ook aan Europese normen voldoen op gebieden waarvoor geen toepasselijke ICAO normen gelden en voor zover de Europese normen niet strijdig zijn met andere internationale verdragen.
Alleen in de situatie dat een Amerikaanse vlieger op een Amerikaans toestel vliegt dat wordt geëxploiteerd door een Europese exploitant, of wanneer de Amerikaanse vlieger op een Europees toestel vliegt, moet de vlieger na een overgangsperiode tot 2014 niet langer aan de ICAO-normen maar aan de EASA-normen voldoen. Alternatief is dat de EU en de VS een verdrag sluiten dat bepaalt aan welke normen een Amerikaans brevet moet voldoen om daarmee in Europa te mogen vliegen in de situaties als hiervoor aangegeven. Over een dergelijk verdrag worden nu onderhandelingen gevoerd.
Kunt u zich op het standpunt stellen dat als algemeen uitgangspunt zou moeten gelden dat de lidstaten van de Europese Unie en specifiek EASA ook in de toekomst die licenties moet accepteren welke afgegeven zijn door lidstaten aangesloten bij ICAO zolang deze licentie is afgegeven binnen de randvoorwaarden zoals afgesproken in de Chicago conventie met betrekking tot internationale burgerluchtvaart? Deelt u tevens de mening dat EASA de houder van deze licentie in de gelegenheid moet stellen om een luchtvaartuig te besturen van het land dat de licentie heeft afgegeven, zolang de houder van deze licentie zich houdt aan de Europese luchtvaartregels?
Algemeen uitgangspunt is inderdaad dat de lidstaten van ICAO onderling elkaars licenties accepteren zolang deze zijn afgegeven binnen de randvoorwaarden zoals afgesproken in de Chicago Conventie voor de internationale burgerluchtvaart. Dit geldt zonder meer voor buitenlandse luchtvaartuigen die geopereerd worden door een buitenlandse exploitant en op grond van bilaterale luchtvaartverdragen de Unie aandoen. Ten aanzien van luchtvaartuigen die in het buitenland geregistreerd zijn maar gebruikt worden door een binnen de Unie gevestigde operator gelden echter de normen van de EASA verordening. Het zelfde geldt voor houders van een buitenlands vliegbrevet die vliegen op een binnen de EU geregistreerd luchtvaartuig. Ten aanzien van deze categorieën gaat de regelgeving van de EU niet zonder meer uit van het accepteren van licenties van lidstaten van de ICAO. De EASA-normen kunnen op bepaalde punten namelijk afwijken van de ICAO normen. Dit is mogelijk doordat ICAO lidstaten met betrekking tot de eigen exploitanten en luchtvaartuigen eisen mogen stellen die verder gaan dan de algemene ICAO normen.
Om de houders van licenties van derde landen tegemoet te komen zijn in part-FCL, zoals het antwoord op de vorige vraag is toegelicht, gelijkstellingeisen opgenomen. Deze zijn niet strijdig met artikel 33 van het Verdrag van Chicago. Om de wederzijdse erkenning te bevorderen sluit de EU overeenkomsten af met derde landen. Met de VS wordt over zo’n overeenkomst onderhandeld. Om daar voldoende tijd voor te nemen is in part-FCL een overgangstermijn opgenomen tot 8 april 2014. Op basis van de mededelingen van de Europese Commissie over het verloop van de onderhandelingen verwacht ik dat de overeenkomst met de VS voor dat tijdstip afgerond zal zijn.
Gemeenten die regels voor het afhandelen van WOZ-bezwaarschriften aan de laars lappen |
|
Roland van Vliet (PVV), André Elissen (PVV) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bezwaarschriften woz standaard afgewezen»?1
Hoe beoordeelt u het feit dat veel gemeenten een woz-bezwaarschrift niet serieus afhandelen maar gewoon standaard afwijzen en er pas serieus werk van wordt gemaakt als burgers in beroep gaan bij de rechter? Bent u het er mee eens dat een dergelijk «knijp en piep-systeem» onbehoorlijk bestuur is en dat dit dus niet zo hoort te gaan?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat gemeenten bij het verlenen van vergunningen burgers onder druk zetten of intimideren zodat de burger afziet van een woz-procedure? Bent u het ermee eens dat dit misbruik van bevoegdheid («detournement de pouvoir») is en dat dit ontoelaatbaar is?
Deelt u de mening dat deze manier van werken van gemeenten rechtsongelijkheid in de hand werkt, onrechtmatig is en het vertrouwen van de burger in de overheid schaadt?
Bent u bereid een onderzoek te instellen om de aard en omvang van dit probleem in kaart te brengen? Welke plaats ziet u voor de Waarderingskamer in deze om dit soort zaken te monitoren? Op welke wijze denkt u dat hierover door de Waarderingskamer kan worden gerapporteerd?
Welke maatregelen gaat u treffen tegen gemeenten die onzorgvuldig en onrechtmatig handelen bij de behandeling van woz-bezwaarschriften en hoe gaat u dit in de toekomst voorkomen? Is het daarbij een optie om de uitvoering van de Wet woz in de toekomst bij de rijksbelastingdienst onder te brengen?
Zou het wettelijk geregeld kunnen worden om de afhandeltermijn voor alle bezwaren tegen gemeentelijke belastingen Awb-conform te maken (dus een afhandeling binnen zes weken na afloop van de bezwaartermijn) en de termijn voor woz-bezwaren terug te brengen naar maximaal zes maanden?
Hoe staat u tegenover de gedachte om de gemeentewet zo te wijzigen dat na verloop van de afhandeltermijn de «Lex Silencio Positivo» van toepassing wordt en het bezwaar van rechtswege wordt toegewezen?
Het voorkomen van onnodige aansluiting van kleine, lokale netwerken zonder veiligheidsrisico's op het digitale Klic systeem van het Kadaster |
|
Janneke Snijder-Hazelhoff (VVD), Erik Ziengs (VVD) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de digitale nieuwsbrief Kadaster Klic van 16 november 2010?1
Ja.
Bent u het eens met het kadaster dat op dit moment alle netwerken met een veiligheidsrisico of een groot maatschappelijk belang zijn aangesloten op Klic-online? Zo nee, waarom niet.
Ja, daar ben ik het mee eens. Het Kadaster en het Agentschap Telecom zijn de organisaties die mij hierover hebben geïnformeerd.
Sinds 1 oktober 2008 zijn netbeheerders volgens de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WION) verplicht om kabel- en leidinginformatie uit te wisselen. Sinds 1 juli 2010 zijn netbeheerders verplicht om op het digitale systeem, Klic-online, aangesloten te zijn en wordt dus alle informatie tussen grondroerder en netbeheerder digitaal – via het Kadaster – uitgewisseld. Alle netwerken met een veiligheidsrisico of een groot maatschappelijk belang zijn digitaal aangesloten.
Bent u het eens met het kadaster dat de eigenaren van netten die nog niet zijn aangesloten op het systeem voornamelijk relatief kleine, lokale netwerken (zoals recreatiebedrijven) beheren zonder veiligheidsrisico's bij beschadiging? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ingevolge de Regeling Informatie-uitwisseling ondergrondse netten (RION) zijn bepaalde netten uitgezonderd van de verplichting om gegevens uit te leveren via het Kadaster. Het betreft in het bijzonder netten die louter voor eigen gebruik dienen, voor zover zij in eigen en tevens in niet-openbare grond zijn aangelegd en geen gevaarlijke inhoud hebben, zodat ze voor de grondroerder geen veiligheidsrisico opleveren. Het niet opnemen van deze netten doet immers geen afbreuk aan de doelstellingen van de wet, namelijk veilig graven zonder onnodige graafschade.
Als aan deze voorwaarden is voldaan, kan de beheerder voor deze netten dus zelf bepalen of hij voor deze netten gebruik wil maken van de vrijstelling die de WION biedt. Als het recreatiebedrijf – dan wel andere netbeheerders – aan de voorwaarden voldoet, kan hij een grondroerder zelf informeren over waar de kabels en leidingen liggen. Daarnaast zijn netbeheerders niet verplicht om gegevens over huisaansluitingen te verstrekken.
Bent u het ermee eens, gezien de hoge kosten van het digitaliseren (ongeveer 25 000 euro voor een middelgroot recreatiebedrijf) en bijkomende regeldruk, dat door het ontbreken van veiligheidsrisico’s bij beschadiging deze netten eigenlijk helemaal geen onderdeel zouden moeten uitmaken van het Klic-online systeem? Zo nee, waarom niet?
Het Klic-online systeem dat is geregeld in de WION is gericht op het voorkomen van graafschade en draagt daarmee bij aan de verbetering van de veiligheid en het voorkomen van leveringsonderbrekingen van gas, elektriciteit, water en telecommunicatie. Ik wil tegelijkertijd dat deze wet niet tot onnodige lastenverzwaring voor het bedrijfsleven leidt. Zo heb ik eerder een vrijstelling van de meldingsplicht voor agrariërs voor ondiepe graafwerkzaamheden aan uw Kamer toegezegd. En netbeheerders van niet-gevaarlijke netten voor eigen gebruik, gelegen in eigen grond, hoeven zich ook niet op het systeem aan te sluiten (zie mijn antwoord op vraag 3). Maar gezien de risico’s van graafschade kunnen netbeheerders van niet-gevaarlijke netten niet allemaal uitgezonderd worden, bijvoorbeeld wanneer deze netten in openbare grond liggen. Het ontbreken van volledige informatie over de ondergrondse situatie kan in een dergelijke situatie het risico op graafschade vergroten en andere kostenposten veroorzaken. Zo wil een aannemer tijdens de uitvoering niet onverwacht een in de weg liggende kabel of leiding aantreffen waardoor bouwwerkzaamheden ernstig worden vertraagd. Dit soort vertragingskosten kunnen hoog oplopen. Met de huidige uitzonderingen is er een juiste balans tussen verantwoordelijkheid bij de sector en veilig graven met weinig graafschade enerzijds en beperkte kosten en administratieve lasten anderzijds.
Bent u bereid om voor de kleine, lokale netwerken (zoals recreatiebedrijven) zonder veiligheidsrisico’s een uitzondering te maken om hoge kosten en regeldruk voor de netbeheerders te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Dat is niet nodig; er is in de wet al een uitzondering opgenomen. Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 3. Er is inmiddels contact geweest met de Vereniging van Recreatieondernemers Nederland, RECRON. Binnenkort zal samen met de RECRON worden bekeken hoe over de werking van de WION aan de sector wordt gecommuniceerd, en hoe zij van de uitzondering die de regelgeving biedt gebruik kunnen maken.
Bent u bereid om deze wijziging mee te nemen in de door u eind november 2010 aangekondigde wijziging van de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WIO, zodat deze wijzigingen zo snel mogelijk in werking treden? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord bij vraag 3, 4 en 5, waarin wordt gemeld dat er al een uitzondering in de regelgeving is gecreëerd, en de toezeggingen die ik al aan de Kamer heb gedaan.
Pensioenregelingen |
|
Bruno Braakhuis (GL), Jesse Klaver (GL) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «DNB berispt verzekeraars»?1
Ja, ik heb hiervan kennisgenomen.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat deelnemers van pensioenregelingen niet krijgen waar ze recht op hebben?
Ik ben van mening dat een nauwkeurige en transparante administratie van groot belang is voor de deelnemers. Zij moeten weten waar ze recht op hebben en ze moeten het juiste bedrag aan uitkering krijgen. Ik merk op dat het bij de afwijkingen die gevonden zijn om beperkte nominale bedragen gaat. Het kan zijn dat reeds ingegane uitkeringen door verzekeraars herberekend moeten worden. Uiteraard zullen foutief vastgestelde bedragen gecorrigeerd worden.
Wat is uw mening over de conclusie van de DNB dat één van de oorzaken van de administratieve problemen van pensioenverzekeraars is dat de pensioenregelingen vaak te complex zijn?
Het is voorstelbaar dat complexe pensioenregelingen die maatwerk kennen, eerder zullen leiden tot fouten in de administratie. Ik onderschrijf het verzoek dat DNB heeft gedaan aan verzekeraars een plan van aanpak op te stellen waarin wordt aangegeven hoe op korte termijn de onvolkomenheden worden gecorrigeerd. Daarnaast kan los van dit plan van aanpak ook worden gedacht aan stroomlijnen en vereenvoudigen van collectieve pensioenregelingen. Het is echter aan betrokken partijen (verzekeraars en werkgevers) om hier voorstellen voor te ontwikkelen.
Deelt u de mening dat er ook een taak voor u is weggelegd om aan te dringen op vereenvoudiging van pensioenregelingen bij de huidige onderhandelingen met de sociale partners over de uitwerking van het pensioencontract? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Wilt u tegemoetkomen aan onze oproep om hierbij aandacht te besteden aan de administratieve kosten van kleine ondernemers, zodat zij in lijn met het doel van het wetsvoorstel Uniformering loonbegrip ook echt zelf loonaangiften kunnen doen en niet langer door de overheid gedwongen worden om hoge kosten te maken voor externe salarisadministrateurs?
Ik ben van mening dat transparantie en uitvoerbaarheid van groot belang zijn bij de vormgeving van de nieuwe contracten. Dat is ook de opvatting van sociale partners. Deze aspecten spelen bij de onderhandelingen ook een rol. Voor het overige heeft het natuurlijk de aandacht om de administratieve lasten zo veel mogelijk te beperken. Zo vindt thans ambtelijk overleg plaats tussen het ministerie van SZW, het ministerie van Financiën, de pensioenkoepels en het UWV over breder gebruik van de polisadministratie door pensioenuitvoerders. Dat kan ertoe leiden dat pensioenuitvoerders straks niet meer bij de werkgever langs hoeven om allerlei gegevens (oa «loon in geld») op te vragen, omdat zij deze gegevens uit de polisadministratie kunnen halen. Dat betekent lastenverlichting voor zowel werkgevers als pensioenuitvoerders en betekent ook – mits de polisadministratie van voldoende kwaliteit is – minder kans op fouten. Dit traject is opgestart op verzoek van de pensioenkoepels.
Vliegreizen van Maastricht naar Amsterdam |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat een Limburgs bedrijf voornemens is om vluchten aan te bieden van Maastricht naar Amsterdam?1
Uit de media heb ik vernomen dat een Limburgs bedrijf voornemens is om vluchten aan te bieden van Maastricht naar Amsterdam.
Hoe beoordeelt u dit voornemen?
Op grond van Europees recht staat het communautaire luchtvaartmaatschappijen vrij om luchtdiensten binnen de EU (waaronder ook binnenlandse vluchten) uit te voeren, indien zij voldoen aan alle (inter)nationale wettelijke vereisten om te mogen opereren.
Kunt u aangeven wat de extra milieubelasting zal zijn van deze vluchten, en kunt u hierbij ook de extra CO2-uitstoot vermelden die een vlucht van Maastricht naar Amsterdam zal opleveren wanneer deze vergeleken wordt met dezelfde reis per auto en per trein?
Nee, deze informatie is voor de vluchten waar u naar verwijst niet beschikbaar. Ook is de vergelijking tussen verschillende modaliteiten afhankelijk van factoren als type motor, bezettingsgraad en reistijd. De luchtvaartmaatschappij heeft in haar plannen aangegeven te opereren met turbopropvliegtuigen, te weten de Saab 340 en ATR’s. Alhoewel dit turbopropvliegtuigen zijn met een relatief lage uitstoot zal de introductie van deze vluchten, zeker op deze korte route, naar verwachting wel leiden tot gemiddeld genomen meer CO2-emissies dan wanneer met de auto of de trein wordt gereden.
Ik merk daarbij op dat op dit moment langs twee sporen invulling wordt gegeven aan de klimaatprestaties van de luchtvaartsector. Voor de vliegtuiggerelateerde emissies geldt, dat ze vanaf 2012 onderdeel vormen van het systeem van Europese emissiehandel (ETS), dat in 2005 is geïntroduceerd. Daarnaast hebben luchtvaartpartijen eigen plannen ontwikkeld om bij te dragen aan de kabinetsambities en in te spelen op de introductie van het ETS. Deze plannen zijn onder andere vastgelegd in het akkoord «Mobiliteit, logistiek en infrastructuur 2008–2020, Duurzaamheid in beweging».
Kunt u bevestigen dat vooral de korte vluchten (intracontinentaal) gepaard gaan met een zeer grote uitstoot van CO2?
Nee, ik kan dat niet bevestigen, omdat de totale uitstoot van CO2 van diverse factoren afhankelijk is waaronder het type vliegtuig, de lading, de wijze waarop gevlogen wordt alsook de meteorologische omstandigheden. Wel is het zo dat onder vergelijkbare omstandigheden en bij een vergelijkbaar vliegtuig de CO2-uitstoot per kilometer over het algemeen hoger is bij een korte vlucht dan bij een lange vlucht.
Deelt u de mening dat een binnenlandse vlucht in een klein land als Nederland volstrekt overbodig is, een veel te grote belasting van het milieu met zich brengt en dat dit onverantwoord is gezien de uitdaging om de uitstoot van CO2 drastisch te verlagen om het broeikaseffect binnen de perken te houden?
Ik verwijs naar mijn antwoorden op de vragen 2 en 3. Uiteindelijk bepaalt de markt of een product wenselijk dan wel rendabel is.
Zijn er mogelijkheden om dit voornemen niet tot uitvoering te laten komen? Zo ja, welke? Bent u bereid deze zo snel mogelijk te benutten zodat de voorgenomen binnenlandse vluchten geen doorgang kunnen vinden? Zo nee, bent u bereid deze mogelijkheden te creëren en deze zo snel mogelijk in te zetten zodat de voorgenomen binnenlandse vluchten geen doorgang kunnen vinden?
Op grond van EU Verordening 1008/2008 is de interne markt voor communautaire luchtvaartmaatschappijen geliberaliseerd en mogen lidstaten de exploitatie van luchtdiensten op intracommunautaire routes niet afhankelijk stellen van enige vergunning of toelating. Op grond van Europees recht staat het mij niet vrij om dergelijke operaties afhankelijk te stellen van nadere toelatingseisen.
Intracommunautaire luchtdiensten (waaronder binnenlandse vluchten) kunnen uitgevoerd worden indien zij beschikken over een geldige exploitatievergunning en AOC (air operator’s certificate/veiligheidsvergunning) en voldoen aan alle (inter)nationale wettelijke vereisten om te mogen opereren. Bij ernstige milieuproblemen kunnen lidstaten de uitoefening van verkeersrechten op grond van de EU Verordening welliswaar beperken, maar dat is hier niet aan de orde.
Ook moet opgemerkt worden dat voor het binnenlandse vliegverkeer een kerosineaccijns van toepassing is. Deze geldt niet voor het internationale vliegverkeer.
Het alternatieve voorstel van de Nederlandse Vereniging van Banken en de verzekeraars voor tophypotheken |
|
Bruno Braakhuis (GL) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Helft hypotheken moet afgelost?1
Ja.
Deelt u de mening van de Autoriteit Financiële Markten dat er geen onverantwoorde kredieten mogen worden verstrekt?
Ja.
Deelt u ons beeld dat de betalingsproblemen die tot gedwongen verkoop van huizen leiden zich met name voordoen bij de lagere huizenprijzen die nog vallen onder de NHG-norm?
De meeste woningen die gedwongen worden verkocht hebben een prijs die onder de kostengrens van de NHG ligt. Er werden in 2010 in totaliteit 2 086 huizen gedwongen verkocht op veilingen, waarvan 400 onder NHG. Volgens gegevens van het Kadaster valt zo’n 80% van de geveilde woningen binnen de prijscategorie tot € 200 000 en 90% binnen de prijscategorie tot € 250 000.
Weet u dat de NHG als norm stelt dat de helft van de hypotheek moet worden afgelost binnen een looptijd van 30 jaar?
Ja.
Wat vindt u ervan dat banken en verzekeraars hebben aangedrongen op uitstel van regelgeving omdat zij met een alternatief plan zouden komen en dat zij nu de bestaande NHG-normen als oplossing presenteren?
De NVB heeft mij een Gedragscode Hypothecaire Financieringen doen toegekomen welke door bancaire sector en het Verbond van Verzekeraars wordt onderschreven. Ik ben, mede na onderhoud met de Autoriteit Financiële Markten, van mening dat deze nieuwe gedragscode een vergelijkbaar niveau van consumentenbescherming biedt als het besluit toetskader hypothecaire kredietverlening. De banken hebben overigens niet NHG- normen als oplossing gepresenteerd. Zij hebben echter wel een bepaling opgenomen in de gedragscode waarbij ook maar maximaal 50% van de marktwaarde van de woning aflossingsvrij geleend mag worden.
Tot hoeveel onnodige huizenverkopen heeft dit uitstel geleid?
Er is mij geen relatie tussen het aantal huisverkopen en het invoeren van de aangescherpte hypotheekregels bekend.
Transitiegesprekken in Egypte |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
|
|
|
Kent u de berichten dat de Egyptische regering de Moslim-broederschap uitnodigt voor een «dialoog over de toekomst» en tegelijk de koptische christenen uitsluit van dergelijke gesprekken?1
Ik heb kennisgenomen van het door u genoemde artikel.
Deelt u de mening dat het programma van de Moslim-broederschap, dat onder andere invoering van de sharia, censurering van media en achterstelling van vrouwen omvat, geen bijdrage kan zijn aan democratie en rechtsstaat? Zo nee, waarom niet?
Zowel Nederland als de EU pleit voor een transitie van Egypte naar een democratische rechtsstaat. Daarin is het aan het Egyptische volk om te bepalen wie Egypte regeert. Dit impliceert echter ook dat er een kans bestaat dat leden van de Moslimbroederschap invloed krijgen op het bestuur van Egypte. Hoe groot die invloed zal zijn kan ik nu niet zeggen. Dat zullen de aanstaande parlementsverkiezingen in Egypte moeten uitwijzen. Programma’s en standpunten van deelnemers aan de komende verkiezingen zullen vermoedelijk de komende tijd meer gestalte krijgen. De regering zal partijen beoordelen op de mate waarin zij voldoen aan democratische en rechtsstatelijke beginselen.
Wilt u er bij de Egyptische regering op aandringen de Moslim-broederschap, die alleen de islam als de ware vertolking van democratie beschouwt geen podium in de toekomst van Egypte te geven? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u de Egyptische regering duidelijk maken dat Nederland de EU-Egypte associatieovereenkomst zal opzeggen als de Moslim-broederschap invloed krijgt op het bestuur van Egypte? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Onvoldoende capaciteit bij ambassades voor het afleggen van de toets inburgering buitenland |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u inzicht verschaffen in de ontwikkeling van het aantal aanvragen om de inburgeringtoets buitenland af te leggen gedurende de afgelopen 24 maanden?
In 2007 legden 8 297 kandidaten het basisexamen inburgering in het buitenland af. In 2008 legden 7670 kandidaten (een daling van 8% t.o.v. 2007) het basisexamen inburgering in het buitenland af. In 2009 waren dit er 9274, 4678 in de eerste en 4596 in de tweede helft van het jaar. Ten opzichte van 2008 is er derhalve sprake van een stijging van 21%. In de eerste helft van 2010 betrof het aantal examens 5097, een stijging van 11% ten opzichte van de tweede helft van 2009. De gegevens over de tweede helft van 2010 verschijnen in de volgende halfjaarlijkse «monitor inburgeringsexamen buitenland» die in het voorjaar aan de Tweede Kamer verzonden zal worden. De genoemde cijfers zijn afkomstig uit de monitor inburgeringsexamen buitenland augustus 2009 (bijlage bij Kamerstukken II, 2009–2010, 32 005, nr. 3) en de monitor inburgeringsexamen 2010–1 (Kamerstukken II, 2010–2011, 31 143, nr. 85, blg 85248).
Hoe verklaart u deze ontwikkeling? Kunt u aangeven welke rol de gewijzigde eisen die per 1 april 2011 van kracht worden hierin spelen?
Er is sprake van een gestage stijging van het aantal examens sinds 2008. Een kanttekening hierbij is dat er in de eerste helft van 2010 weliswaar sprake is van een stijging, maar dat deze minder groot is dan het jaar ervoor. De stijging kan gerelateerd zijn aan de algehele toename van mvv-toekenningen onder de doelgroep tussen 2006 en 2010 (Kamerstukken II, 2009–2010, 32 175, nr. 10).
Een mogelijke aanvullende verklaring kan gegeven worden vanuit het feit dat het kabinet de plannen om het basisexamen inburgering in het buitenland te verhogen op een aantal momenten naar buiten heeft gebracht. Eerdere ervaringen laten zien (o.a. bij de vorige cesuurverhoging van het basisexamen inburgering in het buitenland per 15 maart 2008) dat, zodra bekend is dat de eisen aangescherpt worden, een groep kandidaten nog snel een aanvraag indient om het basisexamen in oude stijl te kunnen afleggen. Het is voorstelbaar dat een bepaalde groep kandidaten derhalve eerder examen heeft gedaan, dan in eerste instantie gepland en dat er daardoor sprake is van een tijdelijke extra stijging van het aantal afgelegde basisexamens.
Hoeveel capaciteit hebben ambassades om deze verzoeken af te handelen?
De toets inburgering buitenland dient te worden afgelegd bij de diplomatieke post waar de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) wordt gedaan. Behalve bij ambassades kan dit ook bij consulaten-generaal.
De consulaire afdelingen van betreffende diplomatieke posten hebben op dit moment voldoende capaciteit om verzoeken tot het afleggen van de toets af te handelen. Wanneer het examengeld is betaald, kan de kandidaat een afspraak maken, waarbij het uitgangspunt geldt dat het examen binnen een termijn van vier weken moet kunnen worden afgelegd, of later indien de kandidaat dat wenst.
Naar aanleiding van signalen dat er op sommige posten mogelijk onvoldoende capaciteit zou zijn om kandidaten nog vóór 1 april 2011 – de datum waarop de hogere exameneisen in werking zullen treden – examen te laten afleggen, is door het Ministerie van Buitenlandse Zaken een korte inventarisatie uitgevoerd bij de posten naar de situatie per 15 februari jongstleden. Bij enkele posten staan examens ná 1 april gepland. Met de betreffende posten is door het Ministerie van Buitenlandse Zaken contact opgenomen met instructie er voor te zorgen dat alsnog het inburgeringsexamen vóór 1 april a.s. kan worden afgelegd. Voorts worden vooralsnog geen knelpunten voorzien bij het afhandelen van verzoeken tot het afleggen van de toets inburgering buitenland.
Hoe lang duurt de afhandeling van deze verzoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Welke termijn acht u redelijk voor het afhandelen van deze verzoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel aanvragen worden niet binnen deze termijn afgehandeld?
Zie antwoord vraag 3.
Welke oorzaken had het niet halen van deze termijn in die gevallen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke knelpunten voorziet u bij het afhandelen van verzoeken tot het afleggen van de inburgeringtoets buitenland? Op welke ambassades voorziet u deze?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn deze knelpunten van tijdelijke of structurele aard?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gaat u doen om deze problemen te verhelpen?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke wijze heeft u de huidige cursisten er na 28 december 2010 op geattendeerd dat besloten is dat de eisen voor de toets inburgering buitenland per 1 april verhoogd zouden worden?1
Sinds 28 december 2010 worden kandidaten via verschillende kanalen geïnformeerd over het feit dat het niveau van het basisexamen inburgering in het buitenland per 1 april 2011 wordt verhoogd. Het betreft hier ondermeer de websites www.rijksoverheid.nl, www.ind.nl en www.naarnederland.nl. Ook worden kandidaten geïnformeerd door de ambassades en consulaten-generaal en de samenwerkingsverbanden aangesloten bij het landelijk overleg minderheden.
Per Koninklijk Besluit van 13 december 2010 (houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 31 augustus 2010 (Stb. 679) tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de wijziging van het basisexamen inburgering in het buitenland) is opgenomen dat er tussen de publicatie van het Koninklijk Besluit en het tijdstip van inwerkingtreding een redelijke termijn in acht te worden genomen, zodat belanghebbenden en uitvoeringsinstanties zich kunnen voorbereiden op de wijziging van het basisexamen inburgering in het buitenland. Derhalve is in het kader van behoorlijk bestuur een periode van drie maanden aangehouden. Eind december is de datum van inwerkingtreding naar de posten gecommuniceerd.
Bovendien zijn er eerdere communicatiemomenten geweest, ondermeer in december 2009 en oktober 2010 over het kabinetsvoornemen het niveau van het basisexamen inburgering in het buitenland te verhogen.
Heeft u signalen ontvangen dat de tijdspanne tussen de datum van bekendmaking en de datum van inwerkingtreding voor problemen zorgt voor inburgeraars die voor 1 april het examen af willen leggen?
Ik heb zulke signalen niet ontvangen.
Hoeveel inburgeraars in het buitenland die nu een cursus volgen kunnen niet voor 1 april het huidige examen afleggen?
De voorbereiding op het examen wordt overgelaten aan de eigen inzichten en verantwoordelijkheid van de vreemdeling en zijn/haar partner (Kamerstukken 2003–2004, 29 700, nr. 3.). De overheid heeft gezorgd voor de ontwikkeling van een oefenpakket dat te koop is bij de Nederlandse (internet)boekhandels. De overheid biedt geen cursussen die voorbereiden op het basisexamen inburgering in het buitenland aan. Dergelijke cursussen bestaan wel maar worden verzorgd door de markt. Om deze reden bestaat geen zicht op het aantal mensen dat een dergelijke cursus in het buitenland volgt.
Indien een kandidaat vóór 1 april 2011 het basisexamen inburgering in het buitenland wil afleggen, wordt deze aangeraden om zich zo snel mogelijk voor het examen aan te melden en het examengeld over te maken. Nadat de kandidaat een betalingsbevestiging van het examengeld heeft ontvangen, kan de kandidaat een afspraak maken voor het afleggen van het examen. Kandidaten is geadviseerd om uiterlijk 15 februari 2011 contact op te nemen met de ambassade of het consulaat-generaal voor het maken van een afspraak voor het afleggen van het examen.
Het bericht over euthanasie bij baby's die niet gemeld wordt |
|
Jetta Klijnsma (PvdA), Khadija Arib (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Euthanasie bij baby's niet gemeld»?1
Ja.
Klopt het bericht dat euthanasie bij baby’s nauwelijks gemeld wordt, omdat artsen verschillend oordelen over de vraag wanneer er sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden? Hoe beoordeelt u deze situatie?
De Commissie Late Zwangerschapsafbreking en Levensbeëindiging bij Pasgeborenen geeft in haar jaarverslag aan dat er verschillende redenen zijn die aan het uitblijven van meldingen ten grondslag kunnen liggen, waaronder de invoering van de 20-weken-echo op 1 januari 2007, onvoldoende bekendheid bij de artsen met de criteria en de procedure, verschillen van inzicht binnen de beroepsgroep en wellicht ook de vrees om in een justitiële procedure te worden betrokken. De commissie heeft verscheidene activiteiten ontplooid die er op gericht waren een gedachtewisseling binnen en met de beroepsgroep te bevorderen. Ik steun de commissie in haar constatering dat aan belangrijke aspecten rondom de besluitvorming van actieve levensbeëindiging van zwaar gehandicapten pasgeborenen, waaronder het beter ontwikkelen van palliatieve sedatie, prioriteit moet worden gegeven en dat het op de weg van de artsen ligt om hier het voortouw in te nemen. Uiteindelijk blijft het aan de individuele arts om met zijn professionele beoordelingskader de ondraaglijkheid enuitzichtloosheid van het lijden van een pasgeborene te beoordelen.
Klopt het bericht dat er maar slechts vijf meldingen van levensbeëindiging bij baby’s zijn gemeld? Hoe verhoudt het aantal meldingen zich tot de realiteit? Bent u van mening dat alle gevallen van levensbeëindiging gemeld dienen te worden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
In 2009 en 2010 heeft de commissie in totaal vier meldingen van late zwangerschapsafbreking ontvangen en één melding van levensbeëindiging. De realiteit ten aanzien van late zwangerschapsafbreking laat zien dat de technische mogelijkheden van prenataal onderzoek enorm zijn toegenomen en dat ernstige afwijkingen bij de vrucht in een veel vroeger stadium worden geconstateerd. Als de ouders op een dergelijk moment besluiten tot het afbreken van de zwangerschap maar dit doen voor de 24-ste week dan wordt deze afbreking gemeld bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), niet bij de commissie. De commissie stelt ten aanzien van levensbeëindiging bij pasgeborenen dat artsen verschillend oordelen over de stervensfase van het kind en of het onvermijdelijk overlijden gezien moet worden als levensbeëindiging of een natuurlijke dood. Het is aan de artsen te komen tot consensus. Zie voor verdere beantwoording vraag 2 en 4.
Bent u het eens met de commissie die stelt dat de nicu’s (neonatale intensive care units) het ontwikkelen van palliatieve sedatie bij kinderen en pasgeborenen hoge prioriteit moeten geven? Hoe gaat u dit stimuleren?
Zie antwoord op vraag 2.
Vindt u dat er een uniforme richtlijn voor levensbeëindiging van pasgeborenen moet komen? Welke verantwoordelijkheid heeft u bij het tot stand brengen van deze richtlijn?
Bent u bereid deze vragen voor het algemeen overleg van 10 februari 2011 te beantwoorden?
Ja.
De gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum |
|
Pauline Smeets (PvdA), Lutz Jacobi (PvdA), Frans Timmermans (PvdA) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit dagblad De Limburger dd. 22 januari 2011 «Mogelijk tekort Ooijen-Wanssum»?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte, dat er grote zorgen bestaan in Limburg over de voortgang van het project Ooijen-Wanssum nu de regering voornemens is, de aanleg van verbindingszones, waarmee het project voor een gedeelte gefinancierd wordt, terug te draaien?
Ja.
Deelt u de mening dat, zeker gezien de hoge waterstand van de afgelopen maand, een project, dat de waterstand van de Maas aanzienlijk kan verlagen, doorgang moet vinden? Zo nee, waarom niet?
Ik zet me in voor de waterveiligheid in Nederland, dus ook die langs de (onbedijkte) Maas. Daarvoor lopen nu de uitvoeringsprojecten langs de Grensmaas en Zandmaas, de zogenaamde Maaswerken. Een besluit over de doorgang van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum kan ik pas nemen als het daarvoor noodzakelijke MIRT-traject is afgerond.
Ik wijs u er echter wel op dat ik geconfronteerd wordt met beperkte budgettaire ruimte, ik zal dus keuzes moeten maken. Rond de zomer zal ik u, conform mijn toezegging in het AO op 13 december 2010, hierover informeren.
Deelt u de opvatting van uw ambtsvoorganger dat het project Ooijen-Wanssum een mooi voorbeeld is van een gebiedsontwikkelingsproject dat – in het licht van het feit dat de maatregelen in het kader van de hoogwaterbescherming in het Maasdal niet binnen de daarvoor gestelde termijn worden gerealiseerd – de nu gekozen aanpak van versterking en aanleg van kades kan vervangen? Kan in de bestuurlijke overleggen MIRT van het voorjaar van 2011 het besluit tot start van de verkenning genomen worden?
Het is een mooi integraal gebiedsontwikkelingsplan waarin de provincie het voortouw heeft. In het plan wordt voorgesteld de korte en lange termijn hoogwaterbescherming met de aanleg van kades en rivierverruiming te verbeteren.
Ik kan nu niet aangeven dat er in de bestuurlijke overleggen MIRT van het voorjaar (mei) van 2011 een besluit tot start van de verkenning wordt genomen. Een besluit om de MIRT-verkenning te starten ligt alleen voor de hand als er een reële kans is op beschikbaarheid van middelen voor realisatie van de wateropgave. Momenteel is dit voor 2020 niet het geval.
In de beleidsbrief Infrastructuur en Milieu aan de Tweede Kamer (d.d. 26 november 2010) hebben de minister en ik aangegeven: «scherper vast te willen houden aan de eis dat er zicht moet zijn op financiering voordat nieuwe MIRT-verkenningen worden gestart; op voorhand moet duidelijk zijn dat bedragen beschikbaar zijn die overeenkomen met de zwaarte van de opgave».
Ik kan daarom op korte termijn de onzekerheid over het doorgaan van het project Ooijen-Wanssum niet wegnemen.
Deelt u de mening dat het project Ooijen-Wanssum als natte natuur moet worden gerealiseerd?
Realisatie van natte natuur in het project Ooijen is een zaak voor de regio. Provincie heeft aangegeven € 50 mln te hebben gereserveerd voor de ruimtelijke ontwikkeling, inclusief de kosten voor natte natuur.
Kunt u op korte termijn de onzekerheid over het doorgaan van het project Ooijen-Wanssum wegnemen?
Zie antwoord bij vraag 4.
Bent u bereid deze vragen voor 22 februari 2011 te beantwoorden?
Helaas is het mij niet gelukt de vragen voor 22 februari 2011 te beantwoorden.
Het bericht dat psychiatrische patiënten in Nederland veel vaker alleen gelaten worden |
|
Lea Bouwmeester (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Andere landen laten patiënten minder alleen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht dat uit internationale vergelijkingen blijkt dat Nederland koploper separeren is? Hoe verklaart u dat, en wat is uw ambitie om dit tegen te gaan?
Het is mij bekend dat Nederland internationaal hoog scoort als het gaat om het separeren van psychiatrische patiënten. Er is in Nederland een historische voorkeur voor separeren boven een maatregel zoals dwangmedicatie. Finland en Ierland hebben een vergelijkbaar beleid. De reden voor dit beleid ligt in het feit dat in Nederland van oudsher dwangmedicatie ingrijpender wordt gevonden dan opsluiting. Verschillen in separatiecijfers zijn geen indicatie voor meer of minder kwaliteit van zorg. Andere landen medicaliseren of fixeren sneller onder dwang.
Een belangrijk aspect van mijn beleid is het terugdringen van dwang en drang. In Nederland hebben we daarom afspraken gemaakt om het separeren tot het minimum te beperken. Deze cultuuromslag is gaande sinds 2000. Om dit proces verder te ondersteunen zijn in de afgelopen jaren een aantal concrete zaken in gang gezet. Ten eerste is er vanaf 2006 een beleidsregel voor het financieren van de zogenaamde «dwang en drang»-projecten. Deze projecten kunnen beschouwd worden als goede voorbeelden oftewel «best practices» voor het terugdringen van dwang en drang. Dankzij dit beleid is er vanaf 2006 een gestage afname te zien van het aantal separaties en de duur daarvan, terwijl er geen (evenredige) toename van dwangmedicatie of andere dwangtoepassingen waargenomen is. Onlangs is deze beleidsregel voor één jaar verlengd. Ten tweede is kort geleden een intentieverklaring ondertekend door een aantal partijen (VWS, GGZNL, NVvP, LPGGZ, e.d.) met als doel het committeren van deze partijen aan het terugdringen van dwang en drang en het borgen van de «dwang en drang»-projecten in de lijn. Hieruit spreekt een duidelijke ambitie van alle partijen in de geestelijke gezondheidszorg om het aantal en de duur van alle dwangtoepassingen tot het minimum terug te brengen. Ten derde heeft mijn ambtsvoorganger in 2010 veldpartijen opgeroepen om een multidisciplinaire richtlijn dwang en drang te ontwikkelen. Een dergelijke richtlijn is een goed instrument om het beleid rond het terugdringen van dwang en drang te ondersteunen en de goede voorbeelden opgedaan bij alle «dwang en drang»-projecten zorgvuldig te bundelen.
Bent u het eens met de uitspraak «behandelen is gericht op verandering, verandering doe je niet onder dwang»?2
Dwangbehandeling komt voor in de GGZ. Een patiënt kan bijvoorbeeld onder dwang medicatie krijgen toegediend of moet verplicht met een rechterlijke machtiging op een afdeling verblijven. Hiervoor zijn altijd gegronde redenen aanwezig en er liggen uiterst zorgvuldige procedures aan ten grondslag.
Dwangbehandeling en dwangopname worden alleen in uiterste noodzaak toegepast (zijn altijd een ultimum remedium) en worden alleen daar toegepast waar alle andere opties niet tot een gewenst resultaat hebben geleid of waar aannemelijk is dat zij niet tot een gewenst resultaat zullen leiden. Consensus over de behandeling met betrokken partijen (patiënt, eventueel diens vertegenwoordiger en de betrokken hulpverleners) bij de behandeling is uitgangspunt.
Kent u de onderzoeken, van onder andere Bert van der Werf, waaruit blijkt hoe groot de persoonlijke en psychische schade van separeren is? Welke conclusie trekt u hieruit?
In de GGZ is vanaf 2000 een cultuuromslag in gang gezet. De insteek is meer gericht op voorkomen dan separeren. Mensen eenzaam opsluiten is een zeer ingrijpende maatregel die diepe impact heeft en sporen achterlaat. Het beleid is erop gericht om separeren en andere dwangtoepassingen tot het minimum te beperken en zoveel mogelijk terug te dringen. Op basis van recente wetenschappelijke literatuur kunnen de cijfers van Bert van de Werf weerlegd worden of als achterhaald betiteld worden. In het NRC-artikel staat ook dat het vergelijkend internationaal onderzoek van Bert van der Werf naar eigen zeggen «impressionistischer» van aard was. Er kunnen daarmee vraagtekens bij de onderbouwing van zijn onderzoek geplaatst worden.
Wat is uw reactie op de stelling dat het volledig isoleren van patiënten in Nederland nog wordt gezien als een behandelmethode, terwijl we weten dat isolatie door patiënten vaak als traumatisch wordt ervaren? Deelt u de mening dat deze Nederlandse visie achterhaald is, en dat het traumatiseren van patiënten geen onderdeel kan zijn van een behandeling?
Het is mij bekend dat dwangtoepassingen, waaronder isolatie, door patiënten als traumatisch worden ervaren. Daarom heeft mijn ambtsvoorganger beleid ingezet gericht op het terugdringen van dwang en drang. Ik zet dit beleid voort. Traumatiseren is nooit onderdeel of doel van een behandeling. Tijdens een behandeling kan het echter noodzakelijk of zelfs wenselijk zijn de cliënt vanuit veiligheidsperspectief de bescherming van een separeerruimte te geven. Dat kan voor de patiënt maar ook voor de veiligheid van de hulpverleners noodzakelijk zijn.
Mijn beleid gericht op het verminderen van dwang en drang zal echter, hoe spijtig ook, nooit tot een volledig verdwijnen van dwangtoepassingen in de GGZ leiden. Er zullen immers altijd patiënten zijn op wie dwang zal moeten worden toegepast gelet op hun geestelijke gezondheidssituatie. Daarnaast moet ook het perspectief van de hulpverleners en de medepatiënt bij de beoordeling wel of niet overgaan tot separatie worden betrokken. Soms is er geen alternatief om de veiligheid in de kliniek te borgen. Als separatie toch noodzakelijk is, dan overgaan tot snelle mobilisatie of re-integratie van de cliënt.
Wat is uw reactie op de stelling dat, hoewel er nieuwe, betere behandelmethoden zijn, oude methoden nog altijd worden gebruikt? Welke maatregelen worden genomen om juist die toepassing van verbeterde behandelmethoden te stimuleren? Welke stappen zet u?
«Evidence based»-methoden zijn uitgangspunt bij behandeling. GGZ Nederland is nu bezig alle «best practices» of alternatieven die bijdragen aan het terugdringen van dwang en drang in kaart te brengen. In oktober 2011 zal dit proces afgerond zijn. Daarnaast is geld beschikbaar gesteld om deze «best practices» te implementeren en te borgen bij behandeling en begeleiding van patiënten die zeer intensieve zorg nodig hebben. Ten slotte heeft mijn ambtsvoorganger, zoals reeds in mijn antwoord op vraag 2 vermeld, veldpartijen opgeroepen om een multidisciplinaire richtlijn dwang en drang te ontwikkelen. Ik heb er alle vertrouwen in dat veldpartijen de laatste stand van de wetenschap in de multidisciplinaire richtlijn zullen meenemen, en zal toezien op een vlotte ontwikkeling van deze multidisciplinaire richtlijn.
Welke alternatieven voor dwang en drang zijn (onder andere uit het buitenland) u bekend, zoals meer personeel, en in hoeverre wilt u zich inspannen deze in Nederland te introduceren?
Er zijn mij diverse alternatieven bij zeer intensieve zorgvragen bekend. Te denken valt daarbij aan: «één op één»-begeleiding, opschaling bij crises, intensieve care units, inzet van ervaringsdeskundigen, familieparticipatie, comfortrooms, «eerste vijf minuten»-methodiek en vele andere. In 2010 heeft mijn ambtsvoorganger GGZ Nederland gevraagd alle «best practices» of alternatieven die bijdragen aan terugdringen van dwang en drang in kaart te brengen. In oktober 2011 zal dit overzicht afgerond zijn. Daarnaast heb ik gelden beschikbaar gesteld om deze practices te implementeren en te borgen bij behandeling en begeleiding van zeer zorg intensieve cliënten.
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen over verwarde mensen in de politiecel? Waarom worden verwarde mensen in Nederland eerst in de politiecel gezet, in plaats van meteen te worden behandeld in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (ggz)? Deelt u de mening dat zorg vanuit menselijkheid (ook in het weekend) altijd voor opsluiten gaat?
Ja, ik herinner mij de antwoorden op kamervragen over verwarde mensen in de politiecel en ik deel de mening dat zorg altijd voor opsluiten gaat. Het beleid in Nederland is er op gericht dat verwarde mensen niet eerst in een politiecel worden gezet. Opsluiting van verwarde personen in een politiecel is echter niet altijd te voorkomen. Een enkele keer wanneer een verwarde, angstige of agressieve patiënt via de politie in beeld komt bij de GGZ kan het in afwachting van plaats en plaatsing, noodzakelijk zijn een patiënt tijdelijk op het politiebureau vast te houden. Opsluiting in een politiecel vindt dus slechts plaats als tijdelijke eerste opvang, totdat een psychiater kan beoordelen of doorverwijzing naar een GGZ-instelling wenselijk is. Alle partijen, politie, GGZ en acute diensten spannen zich tot het uiterste in deze ongewenste situatie zo kort mogelijk te houden en zo snel mogelijk toeleiding naar zorg te bewerkstelligen.
GGZ Nederland en de politie leggen momenteel de laatste hand aan een convenant met betrekking tot zorg rondom patiënten en eerste opvang.
Verder is in de nieuwe Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg voorgesteld om de crisisopvang zoveel mogelijk te organiseren op een plaats die ingericht is voor zorg met slechts als ultimum remedium een politiecel.
Deelt u voorts de mening dat de huidige Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) te weinig mogelijkheden biedt om vroeg hulp te bieden, zodat separeren kan worden voorkomen? Zo ja, deelt u de mening dat de nieuwe wet verplichte ggz, die hier een oplossingen voor biedt, daarom snel naar de Kamer moet worden gezonden? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
In de huidige Wet bopz kan inderdaad niet altijd in een vroeg stadium die zorg ambulant verleend worden die wel noodzakelijk is. In het wetsvoorstel verplichte geestelijke gezondheidszorg (WvGGZ) zijn meer interventies mogelijk om al reeds in de ambulante sfeer schade af te wenden of te voorkomen. Zo kan iemand reeds thuis intensief worden begeleid of alleen voor de toediening van de voorgeschreven medicatie naar de polikliniek worden gebracht. De interventie moet zijn omschreven in de door de rechter opgelegde zorgmachtiging. Onder de Wet bopz was hier veelal een verblijf aan gekoppeld van minimaal drie dagen. Het wetsvoorstel is overigens op 14 juni 2010 bij uw Kamer ingediend (nr. 32 399).
Kent u de toezegging uit 2008 van uw ambtvoorganger dat er zo snel mogelijk een multidisciplinaire richtlijn dwang en drang zou komen? Waarom is deze er nog steeds niet?
Ja, ik ken de toezegging van mijn ambtsvoorganger. Het Trimbos Instituut heeft een voorstudie gedaan naar de haalbaarheid en wenselijkheid van een multidisciplinaire richtlijn dwang en drang. Dit rapport heeft mijn ambtsvoorganger op 17 februari 2010 aan de Tweede Kamer aangeboden. Met zijn brief van 22 juli 2010 aan de Tweede Kamer heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven positief te staan tegenover de ontwikkeling van een multidisciplinaire richtlijn dwang en drang en de beroepsgroepen te zullen oproepen om zo snel mogelijk met een plan van aanpak voor de ontwikkeling en de implementatie van de richtlijn te komen. Bovenstaande heb ik met mijn brief van 5 augustus 2010 aan veldpartijen kenbaar gemaakt. Kort geleden heb ik bij de beroepsgroepen navraag gedaan naar de stand van zaken rondom het plan van aanpak. Partijen hebben mij een eerste globaal plan van aanpak toegezonden dat nu ter beoordeling voorligt. Op basis hiervan zullen zij de richtlijn ontwikkelen en implementeren. Alle betrokken partijen (V&VN, NIP en NVvP) evenals GGZ Nederland onderschrijven het belang van een multidisciplinaire richtlijn dwang en drang.
De voortgang hiervan is een vast bespreekpunt op de agenda van de Stuurgroep dwang en drang.
De ontwikkeling van een richtlijn is altijd een langdurig traject. Dit geldt in het bijzonder voor de ontwikkeling van een multidisciplinaire richtlijn, omdat hierbij verschillende partijen, elk met zijn eigen deskundigheid en zienswijze, nauw betrokken zijn. Ik zal toezien op een vlotte voortgang.
Deelt u de mening dat het instellen van een high care/ intensive care voor de ggz, waarbij intensief behandelen centraal staat een menswaardig alternatief is voor lange opsluiting? Zo ja, bent u voornemens te zorgen voor meer high care afdelingen in de ggz?
Langdurige opsluiting wordt binnen de GGZ als zeer ongewenst gezien. Daar waar zeer intensieve zorg noodzakelijk is, kan deze binnen de beschermende omgeving van een intensive care unit (ICU) worden uitgevoerd. Diverse instellingen hebben al ICU’s of zijn er mee bezig. Waar deze ICU’s nog niet zijn gevormd, is een andere vorm van intensieve zorg gewenst (b.v. «één op één»-begeleiding door gespecialiseerde begeleiders).
Het dubbel raken van Nederlandse studentenorkesten in bezuinigingen |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA), Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichten dat Nederlandse studentenorkesten aan de bel trekken over het dubbele effect van meerdere bezuinigingen die bij deze orkesten neervallen?1
Ja, die berichten zijn mij bekend.
Hoe beoordeelt u dit signaal en de door hen aan u gestuurde brandbrief over de effecten van cultuurbezuinigingen en de effecten van de langstudeerdersregeling op studenten die in deze orkesten spelen?
Het signaal is weliswaar duidelijk maar enigszins prematuur. Op dit moment is het nog niet duidelijk of de bezuinigingen op cultuurmiddelen een specifieke uitwerking zullen hebben op de studentenorkesten, hierin moeten de komende periode scherpe keuzes worden gemaakt. De voorgenomen maatregel langstudeerders heeft betrekking op alle studenten. Een student die zijn bachelor en zijn master doet krijgt de nominale studieduur en in totaal twee jaar extra de tijd om te studeren tegen het lage collegegeld. Doet hij er langer over dan betaalt hij het verhoogd collegegeld. De extra uitloopjaren gelden voor alle studenten maar zijn vooral een handreiking voor studenten die extra vakken willen volgen of een opleiding volgen die net iets meer van de student vraagt, zoals een bètastudie. Ook biedt het ruimte voor studenten om een bestuursfunctie te vervullen of in een studentenorkest te spelen.
In welke mate hecht u aan het voortbestaan van deze studentenorkesten waarvan het voortbestaan op deze manier uiterst onzeker wordt?
Het participeren in studentenorkesten levert een waardevolle bijdrage aan de sociale en culturele vorming. Er zullen echter scherpe keuzes gemaakt moeten worden. In het cultuurstelsel zal ik dit doen op basis van het advies van de Raad voor Cultuur. Welke effecten dit zal hebben op de studentenorkesten kan ik nu nog niet zeggen.
Deelt u de opvatting dat de langstudeerdersregeling het door het kabinet beoogde doel voorbij streeft wanneer hier juist excellerende studenten mee benadeeld worden? Zo ja, op welke wijze gaat u ervoor zorgen dat er voor deze studenten voldoende ruimte blijft bestaan voor vertraging als gevolg van hun muzikale activiteiten? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 2.
Bent u voornemens om kritisch te kijken naar een opeenstapeling van bezuinigingseffecten voor dergelijke organisaties die hierdoor in hun bestaansrecht en te leveren kwaliteit aangetast worden?
Ik heb de Kamer toegezegd in juni met nadere voorstellen te komen als vervolg op de uitgangspunten voor het te voeren cultuurbeleid die ik op 6 december 2010 heb geformuleerd. Uiteraard zal ik daarbij doorwerkingseffecten in ogenschouw nemen.
Het bericht dat het old boys network nog volop bestaat |
|
Ed Groot (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Old boys zoeken elkaar weer op»?1
Ja.
Is het waar dat uit het Nationaal Commissarissen Onderzoek van de Erasmus Universiteit blijkt dat commissarissen langer op hun plek blijven zitten?
De uitkomsten van het Nationaal Commissarissen Onderzoek 2010 hebben betrekking op de commissarissen die aan het onderzoek hebben deelgenomen. Ten aanzien van deze groep commissarissen hebben de onderzoekers geconcludeerd dat de gemiddelde commissaris zijn functie gedurende elf jaar vervult. Dat is een lichte stijging ten opzichte van 2009, zo vermeldt het onderzoek (p. 11 en 13. Overigens ligt de periode gedurende welke commissarissen volgens het onderzoek in functie zijn onder de maximumperiode van de Code. Best practice bepaling III.3.5. bepaalt daaromtrent namelijk dat een commissaris maximaal driemaal voor een periode van vier jaar zitting kan hebben in de raad van commissarissen. De maximale zittingstermijn van een commissaris volgens de Code komt daarmee op twaalf jaar.
Is het waar dat het gemiddeld aantal commissariaten per persoon is gestegen van 2,6 naar 3,3?
Ten aanzien van die commissarissen die hebben deelgenomen aan het Nationaal Commissarissen Onderzoek 2010, stellen de onderzoekers vast dat het gemiddeld aantal commissariaten is gestegen van 2,6 naar 3,3.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als de kring van commissarissen beperkt blijft tot een kleine kring en dat dit de kwaliteit van het toezicht niet ten goede komt, waardoor de doorstroming van vrouwen en jongeren naar deze bestuursfuncties belemmerd wordt?
In 2010 deden 440 commissarissen mee aan het Nationaal Commissarissen Onderzoek. In 2009 waren dat 432 commissarissen. Hoewel het aantal deelnemers een lichte stijging kent van ongeveer 2%, vormen de deelnemers aan het onderzoek slechts een gedeelte van het totaal aantal commissarissen en leden van raden van toezicht dat in Nederland actief is. Uit een ander onderzoek volgt dat het aantal commissarissen bij Nederlandse bedrijven enkele jaren geleden nog ruim 4 000 bedroeg, leden van raden van toezicht daaronder niet begrepen (vgl. Peij/Van Hezewijk, De wederopstanding van de commissaris, Goed Bestuur 2008/3).
Uit het Nationaal Commissarissen Onderzoek 2010 komt naar voren dat commissarissen in 2010 in 60% van de gevallen aangaven hun commissariaat te hebben verkregen via hun eigen netwerk, ten opzichte van 58% in 2009. De stijging ten opzichte van 2009 is licht en bedraagt ook 2%. Tegenover de lichte stijging van het aantal commissarissen dat hun functie heeft verkregen via het eigen netwerk, staat een eveneens lichte stijging van het aantal commissarissen dat hun commissariaat heeft verkregen door tussenkomst van een headhunter of openbare werving. De onderzoekers menen dat dit wijst op een professionalisering van de markt voor toezichtfuncties en op het volwassen worden van de manier waarop toezichthouders en organisaties elkaar vinden.
Ik zie geen aanleiding voor nadere regelgeving op dit punt. Een diverse samenstelling van de raad van commissarissen kan bijdragen aan de kwaliteit van het door haar uitgeoefende toezicht en de bruikbaarheid van het gegeven advies vergroten. Of de samenstelling van een raad van commissarissen in een concreet geval voldoende divers is wanneer een commissaris wordt benoemd die ook deel uitmaakt van het netwerk van één of meerdere andere commissarissen, kan niet in algemene zin worden aangegeven. Aan welke kandidaat behoefte bestaat zal onder meer afhangen van de samenstelling van de raad van commissarissen, van de vraag aan welke kennis en ervaring behoefte bestaat en van de kennis en ervaring die de andere commissarissen inbrengen.
Welke maatregelen neemt u om dit «old boys» netwerk open te breken?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid bij de Eerste Kamer aan te dringen op spoed bij de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen2 waarin het amendement Irrgang is opgenomen over maximering van het aantal commissariaten?
Bij brief van 27 januari 2011 heeft de voorzitter van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie eraan herinnerd dat de commissie in afwachting is van de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen (31 763). Ik begrijp daaruit dat er geen reden is om aan te nemen dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel niet zal behandelen zodra de memorie van antwoord aan haar is aangeboden.
Bij brief van 14 februari 2011 heb ik de Eerste Kamer bericht dat de memorie van antwoord in voorbereiding is. Mede naar aanleiding van de vragen van de commissie is in de afgelopen periode onderzocht welke gevolgen een aantal amendementen van de Tweede Kamer in de praktijk zal hebben.
De oproep van de voorzitter van het College van procureurs-generaal om winkelbeveiligers te bewapenen |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «OM-baas: meer bevoegdheden beveiliger»?1
Ja.
Is het waar dat de voorzitter van het College van procureurs-generaal dit pleidooi heeft gehouden? Zo ja, was u hiervan op de hoogte en heeft u hiermee ingestemd?
De voorzitter van het College van procureurs-generaal (het College) heeft op 1 februari 2011 in een speech gesproken over de vraag of het wenselijk zou zijn particulieren die betaald worden door bedrijven een publieke taak te laten vervullen als buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s). De aanleiding was een artikel waarin de voorzitter van de Vereniging van particuliere beveiligingsorganisaties pleitte voor meer bevoegdheden voor particuliere beveiligers, bijvoorbeeld bij het aanhouden van een winkeldief (Financieel Dagblad 7 december 2010). De voorzitter van het College is daarbij onder andere ingegaan op de mogelijkheid dat de overheid overlegt met het bedrijfsleven over de inzet van een «winkelboa» die kan optreden tegen winkeldiefstal. Hij is ook ingegaan op de vraag of een dergelijke «winkelboa» sommige geweldsmiddelen zou mogen inzetten.
Mijn uitgangspunt is dat het geweldsmonopolie bij de Staat moet blijven berusten. Ik onderzoek samen met de handhavingspartners hoe overheid en bedrijfsleven hun verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheid optimaal kunnen waarmaken. Ik was er niet van op de hoogte dat de voorzitter deze speech zou geven noch had ik dat behoeven te zijn. Zijn bijdrage aan een discussie over publiek-private samenwerking bij het houden van toezicht en het handhaven in de openbare ruimte sluit aan bij mijn verkenningen. De vraag of eventuele door het bedrijfsleven betaalde boa’s in naam van de Staat en ten behoeve van het algemeen belang geweld zouden mogen toepassen, zal daarbij ook aan de orde komen. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 3.
Is het waar dat de inzet van particuliere beveiligers als buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) een grote trendbreuk is met het huidige beleid, BOA’s in principe in overheidsdienst zijn? Zo nee, hoe verhoudt uw mening zich met de circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar? Zo ja, wat zijn voor u de redenen om een groot deel van het geweldmonopolie te privatiseren?
Het is geen trendbreuk als boa’s niet enkel in dienst zijn van de overheid. Op grond van de Circulaire buitengewoon opsporingsambtenaar (Stcrt. 2011, 926) kunnen gemeenten voor een beperkt aantal opsporingsbevoegdheden boa’s inhuren bij particuliere organisaties. Dergelijke boa’s staan op de loonlijst van een particuliere organisatie en zijn tevens in onbezoldigde dienst van de overheid, zodat de aansturing van en het toezicht op de inzet van de boa en de samenwerking met de politie (regie en informatiedeling) goed kunnen worden geregeld. Van het privatiseren van het geweldsmonopolie is geen sprake. Ik verwijs u hieromtrent ook naar mijn beantwoording van de vragen van het lid Çörüz (Kamerstukken II, 2010–2011, Aanhangsel Handelingen, nr. 1222).
Klopt het dat BOA’s op dit moment ingezet worden in de publieke ruimte en dat hun inzet altijd het publiek belang dient? Deelt u de mening dat dit voor particuliere beveiligers niet altijd gesteld kan worden?
Boa’s van de gemeente zorgen in de (semi-)openbare ruimte voor de handhaving van de lokale veiligheid met een focus op leefbaarheid, overlast en verloedering. Boa’s kunnen derhalve ook optreden op bedrijventerreinen en in winkelcentra. Boa's dienen in het algemeen het publieke belang of een semi-publiek belang, zoals de Openbaar Vervoer-boa of de boswachter. In de private of semi-private ruimte zijn particuliere beveiligers actief die in opdracht van de ondernemer veiligheid bevorderen voor de ondernemer en zijn eigendommen, zijn personeel en zijn publiek. Zij dienen daarmee een privaat en/of commercieel belang en ook een publiek belang.
Welke problemen constateert u in de praktijk van de particuliere beveiligers, die opgelost worden door hen een BOA-status te geven en mogelijk bijbehorende geweldsmiddelen toe te staan? Vindt u de introductie van de particuliere opsporingsambtenaar een proportioneel middel of ziet u andere middelen om deze problemen te ondervangen? Is het aanstellen van extra wijkagenten niet een veel doeltreffender oplossing?
Ik acht het niet wenselijk vooruit te lopen op de in het antwoord op vraag 2 genoemde verkenning. Zodra ik in dat verband tot conclusies ben gekomen, zal ik uw Kamer dienaangaande informeren.
Acht u de rollen verenigbaar van particulier beveiliger en onbezoldigd overheidswerknemer voor het uitoefenen van de taken van BOA-taken? Zo ja, hoe ziet u deze combinatie voor zich? Hoe kan de overheid de inzet van de betreffende beambten sturen?
Volgens artikel 5.2 Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) mag een boa niet naast zijn werkzaamheden als boa tevens werkzaamheden voor een beveiligingsorganisatie verrichten. Van dit verbod wordt op grond van artikel 5.4 Wpbr ontheffing verleend als de functie als opsporingsambtenaar en de werkzaamheden bij de beveiligingsorganisatie zich zodanig tot elkaar verhouden dat het gevaar voor vermenging van taken en het gevaar voor overdracht van politie-informatie of opsporingsinformatie tot een minimum beperkt blijven. Uitgangspunt daarbij is en blijft dat de betrokken persoon niet op één en dezelfde plaats beide petten tegelijkertijd kan dragen en dus niet kan wisselen naar eigen inzicht. Ik acht het van groot belang dat taken en bevoegdheden voor de burger te allen tijde duidelijk zijn.
Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Wat voor extra toezicht door politie en Openbaar Ministerie (OM) op particuliere BOA’s acht u nodig, mede gelet op de knelpunten die al geconstateerd zijn door de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid (IOOV) in juni 2009? Deelt u de mening dat het zinvoller is om deze inzet direct ten goede te laten komen aan criminaliteitsbestrijding?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de introductie van geweldsmiddelen voor particuliere beveiligers de onderlinge verschillen in bevoegdheid tussen de verschillende particuliere en publieke toezichthouders vervaagt? Zo ja, hoe wilt u ervoor zorgen dat de verschillen voor iedereen duidelijk zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de branche van particuliere beveiligingsbedrijven, een commercieel belang heeft als die pleit voor bewapening van beveiligers en toegang tot politiegegevens? Strookt belang van de branch met dat van u, zodat er meer toezichthouders komen zonder dat u 3000 extra agenten hoeft te betalen? Zo ja, welke invloed houdt de overheid op de inzet van particuliere toezichthouders en hoe wordt het geweldmonopolie van de staat gewaarborgd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 3 en 4 dienen de taken van particuliere beveiligers ook een publiek belang.
Gemeentelijke straattoezicht- en handhavingdiensten zijn geen aanvulling op, vervanging of concurrent van de politie, maar een exponent van de eigen verantwoordelijkheid van het lokaal bestuur voor de lokale veiligheid. Zij zijn het antwoord op verzoeken van burgers aan de gemeente om zaken op het terrein van leefbaarheid, verloedering en overlast in de openbare ruimte aan te pakken.
Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 2.
Als u op deze wijze beveiligers als verlengstuk van de politie in kunt zetten tellen, de BOA’s van de dierenbescherming, de Algemene Inspectiedienst (AID) en de landschapsbeheerders dan ook mee bij de taakstelling van de regering voor animal cops? Zo nee, waarom niet?
Dergelijke boa's tellen niet mee bij de taakstelling van de regering voor animal cops. De dierenpolitie gaat bestaan uit 500 agenten en niet uit boa's. Het kabinet heeft ervoor gekozen om agenten met algemene opsporingsbevoegdheid in te zetten bij de aanpak van dierenmishandeling en dierenverwaarlozing. Zo kan de pakkans voor daders van deze delicten worden vergroot en kunnen ook delicten die in samenhang worden gepleegd met dierenmishandeling en dierenverwaarlozing worden aangepakt.