Het bericht 'Gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra' |
|
Stephan Neijenhuis (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van «gemeente vergeet arbeidsmigrant bij bouw distributiecentra»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra onvoldoende aandacht is voor de benodigde huisvesting van arbeidsmigranten die daar gaan werken?
Ja, op dit moment is het beeld dat er in veel gevallen geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met de benodigde huisvesting voor arbeidsmigranten bij het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid, zoals distributiecentra.
Welk deel van de extra werkgelegenheid vanuit nieuwe distributiecentra wordt op dit moment opgevuld met arbeidsmigratie?
Het is niet precies bekend welk deel van de extra werkgelegenheid die voortkomt uit nieuwe distributiecentra wordt ingevuld door arbeidsmigranten. CBS-data laten wel zien dat ongeveer een kwart van de arbeidsmigranten uit de EU in de sector handel, vervoer en horeca werkzaam is2, en dat ruim een derde van de arbeidsmigranten die in de uitzendsector werken te werk gesteld wordt in de logistieke sector.3
Kunt u inzicht geven in de mate waarin gemeenten bij de vergunningverlening of planvorming voor distributiecentra afspraken maken over de huisvesting van werknemers? Bent u bereid dit in kaart te brengen?
Ik heb geen inzicht in de mate waarin gemeenten bij de vergunningverlening of planvorming voor distributiecentra afspraken maken over de huisvesting van werknemers. Uit gesprekken die onder andere de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) voert met gemeenten ontstaat het beeld dat sommige gemeenten de handreiking effectrapportage toepassen om inzicht te krijgen in de effecten op de huisvestingsbehoefte, maar dat dit nog niet structureel in de werkwijze van alle gemeenten is verankerd. Ik heb doorlopend contact met de VNG om de ontwikkelingen op dit gebied bij gemeenten te monitoren.
Deelt u de opvatting dat de maatschappelijke kosten van onvoldoende huisvesting van arbeidsmigranten onderdeel zouden moeten zijn van de afweging bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra? Zo ja, hoe wordt hier momenteel mee omgegaan?
Gemeenten maken afwegingen rondom distributiecentra op basis van de lokale situatie. Ik vind het belangrijk dat zij hierbij structureel aandacht besteden aan de huisvesting van arbeidsmigranten. Gemeenten en ondernemers zouden hierover samen het gesprek moeten voeren en tot oplossingen moeten komen. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet met ruimtelijke ordeningsinstrumenten en gemeentelijke bedrijfseffectrapportages wil zorgen dat huisvesting, voorzieningen en leefbaarheid op orde zijn, voordat extra werknemers worden aangetrokken. Dit beleidsvoornemen wordt op dit moment uitgewerkt. Het kabinet zal uw Kamer hierover in het najaar informeren.
Ook hulpmiddelen van de VNG kunnen ondersteunen bij dit gesprek, bijvoorbeeld de handreiking «Effectrapportage bij nieuwe bedrijvigheid». Deze handreiking is in mei 2024 ontwikkeld door de VNG in samenwerking met verschillende ministeries in navolging van een van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten. De handreiking kan gemeenten helpen om zo vroeg mogelijk zicht te hebben op de gebruiker van een locatie, de werkgelegenheidseffecten en daaraan gekoppelde effecten op huisvesting. De VNG stimuleert gemeenten om deze handreiking te gebruiken, maar heeft geen zicht op welke gemeenten deze handreiking daadwerkelijk toepassen. Het is voorstelbaar dat de implementatie van een dergelijke nieuwe werkwijze tijd kost. De VNG werkt op dit moment aan de doorontwikkeling van deze handreiking naar een bredere werkwijze voor wonen en werken voor gemeenten. Ook ondersteunen zij de komende periode een aantal gemeenten intensiever bij het tot stand komen van integraal beleid en uitvoering omtrent arbeidsmigratie, waar de implementatie van de handreiking effectrapportage onderdeel van is.
Welke mogelijkheden ziet u om gemeenten meer handvatten te geven om bij de vestiging of uitbreiding van distributiecentra eisen te stellen aan de beschikbaarheid van huisvesting voor arbeidsmigranten en wat is de voortgang op aangenomen moties en toezeggingen op dit vlak?
Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven zal het kabinet uw Kamer in het najaar informeren over het beleidsvoornemen uit het coalitieakkoord dat ervoor moet zorgen dat met ruimtelijke ordeningsinstrumenten en gemeentelijke bedrijfseffectrapportages de huisvesting, voorzieningen en leefbaarheid beter op orde zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken. Hierbij zal ook worden gereageerd op de aangenomen moties en toezeggingen op dit vlak.
Hoe wordt de afspraak uit het coalitieakkoord dat de huisvesting van arbeidsmigranten op orde moet zijn voordat extra werknemers worden aangetrokken in de praktijk geborgd bij de ontwikkeling van nieuwe distributiecentra?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is de stand van zaken rond het afwegingskader huisvesting arbeidsmigranten bij nieuwe bedrijvigheid?
Zie antwoord vraag 6.
Welke gevolgen verwacht u van het voornemen om shortstay te beperken tot maximaal 30 nachten en daarna huurbescherming te laten gelden voor arbeidsmigranten die in dergelijke accommodaties verblijven en wat is de voortgang op dit wetsvoorstel?
Het wetsvoorstel passende huurcontracten is op 2 juli jl. in internetconsultatie gebracht. Partijen hebben tot en met 28 augustus de tijd om op het voorstel te reageren. Voorgesteld wordt de uitzondering voor korte-duur-verhuur (short-stay) te begrenzen tot maximaal 30 nachten. Doel van het wetsvoorstel is om ervoor te zorgen dat arbeidsmigranten (en andere huurders) een passende huurovereenkomst met huur(prijs)bescherming krijgen als zij ergens langer dan 30 nachten verblijven. Onderdeel van het wetsvoorstel is dat het mogelijk wordt dat arbeidsmigranten een tijdelijk huurcontract kunnen krijgen en dat er bij huisvesting op het eigen terrein van de werkgever een doelgroepencontract kan worden afgegeven. In beide gevallen is er sprake van huur(prijs)bescherming, maar geldt er een einddatum of mogelijkheid tot beëindiging, aansluitend bij de vaak tijdelijke situatie van arbeidsmigranten.
In een toekomstige situatie waarin de Wet passende huurcontracten van kracht is, betekent dit dat arbeidsmigranten die in genoemde accommodaties voor een periode langer dan 30 nachten verblijven, huur(prijs)bescherming hebben. Gemeenten zien op basis van de Wet goed verhuurderschap toe op het naleven van de huur(prijs)bescherming. De publiekrechtelijke functie van een gebouw of locatie heeft geen invloed op de huurbescherming. Het wetsvoorstel verandert dan ook niets aan de publiekrechtelijke functie van een locatie; het is aan de gemeente om in het omgevingsplan te bepalen of op een locatie huisvesting is toegestaan.
De door Defensie georganiseerde Keti Koti-deugbijeenkomsten |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door Defensie georganiseerde Keti Koti-bijeenkomst in het Wereldmuseum Amsterdam?1 Hoeveel belastinggeld heeft deze bijeenkomst in totaal gekost? Kunt u dit uitsplitsen naar onder meer de kosten voor de locatie, catering, organisatie, de vergoedingen aan de dagvoorzitter(s), sprekers en artiesten, alsmede de personele inzet van Defensie, waaronder het aantal betrokken medewerkers en de daaraan bestede diensturen?
Klopt het dat de Staatssecretaris van Defensie aanwezig was bij deze Keti Koti-bijeenkomst? Zo ja, had de Staatssecretaris echt niets beters te doen dan aanwezig te zijn bij deze deugbijeenkomst? Zo nee, waarom niet?
Bij welke andere Keti Koti-herdenkingen, -vieringen, -diners, -lezingen, -dialogen of andere activiteiten is Defensie dit jaar betrokken geweest, dan wel heeft Defensie deze georganiseerd of financieel of organisatorisch ondersteund? Kunt u per activiteit aangeven wat de financiële kosten waren, hoeveel defensiepersoneel en diensturen hiervoor zijn ingezet en welke externe personen of organisaties hiervoor zijn betaald?
Deelt u de mening dat Defensie zich in een tijd van (hybride) oorlogsdreiging, grote personeelstekorten, materieeltekorten en achterstallig onderhoud moet richten op de verdediging van Nederland in plaats van op deugbijeenkomsten over diversiteit, inclusie en kolonialisme? Bent u bereid te stoppen met het organiseren en faciliteren van dergelijke deugbijeenkomsten? Zo nee, waarom niet?
Het verzilveren van bidirectioneel laden voor het stroomnet en voor huishoudens |
|
Robin van Leijen (D66), Felix Klos (D66), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Eerenberg , Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het achtergrondartikel over de salderingsregeling en bidirectioneel laden in EW Magazine van juni 2026, waarin netbeheerders, energieleveranciers en autofabrikanten stellen dat elektrische auto's die stroom terugleveren zowel de netcongestie kunnen verlichten als huishoudens geld kunnen opleveren?1
Onderschrijft u de inschatting van netbeheerder Stedin in dit artikel dat in Utrecht ongeveer 50.000 van zulke auto's de lokale netcongestie kunnen oplossen en dat dit «een belangrijke korte route» is naar meer ruimte op het net?
Deelt u het beeld dat bidirectioneel laden tegelijk de energierekening van huishoudens verlaagt – volgens het artikel met zo'n € 600 tot € 1.000 per jaar – en volgens uw eigen routekaart met € 900 tot € 1.050?
Erkent u dat dit verdienvermogen voor gewone huishoudens op dit moment níet te verzilveren is, doordat over dezelfde stroom twee keer energiebelasting wordt betaald wanneer die eerst wordt opgeslagen en later teruggeleverd – knelpunten die u in uw eigen routekaart benoemt na een toezegging aan lid Zwinkels (CDA)?
Hoe weegt u de waarschuwing van Stedin dat de energiebelasting vanaf 2027 «die businesscase helemaal nekt», mede in het licht van het wegvallen van de salderingsregeling per 1 januari 2027 – het moment waarop huishoudens juist op zoek gaan naar een manier om hun eigen zonnestroom te benutten?
Welke gevolgen heeft het volgens u voor het huidige marktmomentum – waarbij de Renault 5 en 4 al terugleveren, meerdere merken volgen en in Utrecht dit jaar al meer dan duizend auto's stroom moeten kunnen terugleveren – en voor de investeringszekerheid bij fabrikanten én huishoudens, wanneer de dubbele energiebelasting in stand blijft?
Op welke wijze is in de rijksbegroting rekening gehouden met de belastinginkomsten uit de dubbele energiebelasting bij bidirectioneel laden, en welke budgettaire gevolgen verbindt u aan het wegnemen van deze dubbele heffing? Hoe weegt u die gevolgen tegen de maatschappelijke baten die in uw eigen routekaart worden geschetst?
Welke mogelijkheden ziet u om de «regulatory sandbox» voor bidirectioneel laden nu al te benutten voor een tijdelijke maatregel waarmee de dubbele energiebelasting voor bidirectioneel laden wordt weggenomen, zodat huishoudens en marktpartijen kunnen profiteren van het momentum dat er nu is?
Welke concrete stappen zet u, zodat de voordelen van bidirectioneel laden niet alleen terechtkomen bij mensen met een eigen oprit en laadpaal, maar ook bij bewoners van appartementen en mensen die op straat parkeren?
De medische inzetbaarheid binnen de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving van Nieuwsuur over tekortkomingen binnen de medische ondersteuning van de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB)?1
Klopt het dat medisch opgeleide persoonsbeveiligers gedurende langere tijd onvoldoende konden trainen en daardoor niet langer voldeden aan de vereiste medische bevoegdheden en bekwaamheidseisen? Zo ja, hoeveel medewerkers betrof dit?
Klopt het dat sinds eind 2025 trainingen, opleidingen of hercertificeringen voor medische persoonsbeveiligers niet of onvoldoende hebben plaatsgevonden? Zo ja, wat waren hiervan de oorzaken?
Wanneer zijn de korpsleiding, de leiding van de DKDB en het ministerie voor het eerst geïnformeerd over deze problemen en welke maatregelen zijn sindsdien genomen?
Klopt het dat het ontbreken van voldoende trainers, opleidingscapaciteit of organisatorische aansturing heeft bijgedragen aan het ontstaan van deze situatie? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
In hoeverre hebben personeelstekorten, capaciteitsproblemen of organisatorische keuzes binnen de politie een rol gespeeld bij het uitblijven van trainingen en het vervallen van medische bevoegdheden?
Kunt u uitsluiten dat de beveiliging van bewindspersonen, leden van het Koninklijk Huis of andere zwaar beveiligde personen door deze tekortkomingen in het gedrang is gekomen? Zo nee, waarom niet?
Acht u het aanvaardbaar dat juist de dienst die verantwoordelijk is voor de beveiliging van de meest bedreigde personen van Nederland kampt met tekortkomingen op het gebied van opleiding, training en medische inzetbaarheid? Zo ja, waarom?
De grensoverschrijdende samenwerking van de politie in Nederlandse grensregio's |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre adresseert de op 29 juni 2026 aangekondigde intensivering van de Nederlands-Duitse politiesamenwerking de operationele knelpunten die politie-eenheden in de grensregio's momenteel ervaren, zoals het gebruik van verschillende communicatiemiddelen, verschillende meldkamers, verschillende inzet van middelen als helikopters of de ME, of het uitwisselen van bewijsmateriaal?1
Op 29 juni 2026 heb ik samen met de Duitse Minister van Binnenlandse Zaken Dobrindt afgesproken dat het algemene verdrag voor de grensoverschrijdende politie-inzet tussen Nederland en Duitsland, het verdrag van Enschede, wordt herzien. Het bestaande verdrag dateert uit 2005 en is toe aan vernieuwing.
Met het oog op deze herziening is zowel aan Duitse als aan Nederlandse zijde bij de betrokken diensten en gezagen geïnventariseerd welke knelpunten en operationele wensen er zijn. Deze nationale behoeftestellingen zijn leidend voor de regelingen in het nieuwe verdrag. Daarbij wordt – uiteraard – gebruik gemaakt van de trajecten die hebben geleid tot de het Benelux politieverdrag en het recente (op dezelfde leest geschoeide) Duits-Belgische verdrag voor politiesamenwerking.
Het actualiseren van de artikelen rondom informatie-uitwisseling zal in ieder geval een onderdeel zijn van een toekomstbestendiger verdrag waardoor beter op nieuwe ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Daarnaast zal bijvoorbeeld worden gekeken of het verdrag aangevuld kan worden met bepaalde (technische) middelen. Voor de verdere beantwoording verwijs ik naar het antwoord op de volgende vragen, waaronder vraag 8.
Bent u voornemens om ook de Nederlands-Belgische politiesamenwerking te intensiveren?
De Nederlands-Belgische politiesamenwerking vindt plaats binnen de juridische kaders van het Benelux-politieverdrag dat per 1 oktober 2023 in werking is getreden.2 Sinds 2023 is er veel voortgang geboekt en bevordert het verdrag de operationele politiesamenwerking binnen de Benelux in het kader van onderzoek naar en de opsporing van strafbare feiten en de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Voor het optimaal benutten van het Benelux-politieverdrag zullen nog twee laatste uitvoeringsakkoorden worden opgesteld. Dit ziet op het verrichten van grensoverschrijdende opsporingshandelingen en de rechtstreekse raadpleging van elkaars bevolkingsregisters en andere overheidsregisters die voor de politie toegankelijk zijn. In het kader van het Nederlands voorzitterschap van de Benelux is één van de prioriteiten van Nederland om dit te bevorderen3.
Welke juridische, organisatorische en technische belemmeringen bestaan momenteel bij de grensoverschrijdende samenwerking tussen Nederlandse, Belgische en Duitse politiediensten? En welke van deze belemmeringen worden met de aangekondigde samenwerking aangepakt?
Met de herziening van het verdrag van Enschede is er bijvoorbeeld aandacht voor uniformering, waar nodig en mogelijk, tussen verschillende verdragsregimes om zo onnodige verwarring voor de operatie te verminderen. Dit is met name in de grensstreken van belang, zoals in Limburg waar de grenzen met België en Duitsland dichtbij liggen. Daarbij zal ook gekeken worden naar de uitoefening van bevoegdheden en het gebruiken van bewapening en andere uitrustingsmiddelen.
Welke van deze belemmeringen kunnen door Nederland zelfstandig worden weggenomen?
In de samenwerking met de buurlanden hecht Nederland aan een benadering waarin belemmeringen in gezamenlijkheid worden besproken en aangepakt. Juridische belemmeringen kunnen alleen in verdragen of daarop gebaseerde regelingen worden weggenomen. Nederland pakt binnen deze samenwerking een proactieve rol op, door bijvoorbeeld het initiatief te nemen voor het nieuwe bilaterale verdrag met Duitsland voor de grensoverschrijdende inzet van speciale politie interventie eenheden.4 5
Hoe verhouden de aangekondigde afspraken zich tot het Benelux-verdrag en het Verdrag van Enschede?
Het Benelux politieverdrag is een stuk moderner dan het Verdrag van Enschede en sluit beter aan op actuele veiligheidsuitdagingen. Het Benelux-politieverdrag zal dienen als een belangrijk voorbeeld bij de herziening van het verdrag van Enschede, evenals het recente Duits-Belgische politieverdrag.
Welke mogelijkheden bestaan momenteel voor Nederlandse, Belgische en Duitse meldkamers om realtime meldingen, incidentinformatie en operationele beelden met elkaar te delen?
Organisatorische verschillen, taalbarrières en technische incompatibiliteit van de platformen maken informatie-uitwisseling complex.
Via grensoverschrijdende C2000 gespreksgroepen is het wel mogelijk om realtime via spraak contact te onderhouden. Voor andere vormen van datadeling (beelden, video, operationele informatie) vinden enkele pilots plaats.
Voor de toekomst werkt de EU aan het European Critical Communication System (EUCCS), een pan-Europese infrastructuur voor missiekritische communicatie die grensoverschrijdende realtime communicatie en datadeling tussen hulpdiensten mogelijk moet maken. Vanuit Nederland wordt actief bijgedragen aan de ontwikkeling hiervan en de Vernieuwing Missiekritische Communicatie (VMX), als opvolging van C2000, moet in de toekomst aansluiten op EUCCS.
Wordt onderzocht of een structurele gezamenlijke meldkamerfunctie of een andere vorm van geïntegreerde operationele coördinatie in de grensregio's haalbaar is en, zo ja, wat is daarvan de stand van zaken?
Binnen de politie-eenheid Limburg wordt momenteel verkend of een structurele gezamenlijke meldkamerfunctie of een andere vorm van geïntegreerde operationele coördinatie haalbaar is.
Dit gebeurt samen met Belgische en Duitse meldkamers in de Euregio. In Limburg zijn er reeds bestaande samenwerkingsrelaties en is de operationele noodzaak het grootst. Het traject bevindt zich in de oriënterende fase, waarbij de technische haalbaarheid en de juridische kaders verkend worden. Het doel is te komen tot een gedeeld realtime centrum, van waaruit grensincidenten gezamenlijk kunnen worden aangestuurd en data realtime gedeeld kan worden waardoor er een gedeeld operationeel beeld bestaat. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 6 maken organisatorische verschillen, taalbarrières en technische incompatibiliteit van de platformen deze ontwikkeling complex.
Welke belemmeringen bestaan momenteel bij het grensoverschrijdend delen van operationele politie-informatie en welke maatregelen worden genomen om deze te verminderen?
Zoals ook in mijn antwoord op vraag 1 benoemd ziet een belangrijk onderdeel van de herziening van het verdrag van Enschede op het actualiseren en versterken van het regime van informatie-uitwisseling. Naast de ontwikkelingen en nieuwe regelgeving op dit gebied sinds 2005 zal, zoals ook in het antwoord op vraag 5 benoemd, het Benelux politieverdrag daarbij dienen als een belangrijk voorbeeld. Denk bijvoorbeeld aan raadplegingen van elkaars (politie)databanken. Daarnaast zal met Duitsland het opstellen van gezamenlijke veiligheidsbeelden worden verkend wat zou kunnen bijdragen aan een betere samenwerking om effectief in te kunnen spelen op opkomende dreigingen en het vergroten van de weerbaarheid.
Welke juridische of operationele beperkingen verhinderen dat dergelijke capaciteit wordt ingezet wanneer deze zich dichter bij een incident bevindt dan beschikbare capaciteit uit eigen land?
Onder het bestaande verdrag van Enschede is grensoverschrijdende inzet van reguliere politie al mogelijk. Zie ook mijn antwoord op vraag 10. De grensoverschrijdende inzet en bilaterale samenwerking van Nederlandse en Duitse speciale politie interventie eenheden is op dit moment niet mogelijk onder het verdrag van Enschede. Het kunnen inzetten van speciale interventie eenheden op elkaars territoir is nodig en wenselijk vanwege de voortdurende dreigingen van terrorisme en georganiseerde criminaliteit. Daarnaast ondervinden beide landen vooral in de grensgebieden de effecten van schaarste en geografische spreiding van deze capaciteiten. Met het nieuwe verdrag worden verschillende vormen van grensoverschrijdend optreden van speciale politie interventie eenheden wel mogelijk.
Welke mogelijkheden ziet u om te komen tot permanente gezamenlijke operationele teams of andere structurele samenwerkingsvormen tussen Nederlandse, Belgische en Duitse politiediensten?
In de Nederlands-Duitse grensstreek werken de Nederlandse politie en de Koninklijke Marechaussee (KMar) al samen met Duitse politiediensten in grensoverschrijdende politieteams (GPT’s). Een voorbeeld van een GPT is het team in Bad Bentheim, dichtbij Enschede. Dit team voert gezamenlijke patrouilles uit om grensoverschrijdende feiten tegen te gaan zoals mensensmokkel, fraude, drugssmokkel en witwassen. De afgelopen jaren hebben de Nederlandse politie en de KMar hun samenwerking met de Duitse politie geïntensiveerd.6
Het Benelux politieverdrag voorziet in de mogelijkheid voor het doen van gezamenlijke patrouilles en controles. Dit vindt regelmatig plaats op basis van de operationele behoefte in de grensstreek. Zo vinden in juli verschillende gemengde patrouilles plaats, zoals in Knokke-Heist heeft plaatsgevonden, waarbij Nederlandse en Belgische politieagenten gezamenlijk optrekken aan de Belgische kust waar veel Nederlandse jongeren vakantie vieren, maar ook ondersteunen Nederlandse agenten de Belgische politie tijdens de Gentse Feesten.
Welke lessen trekt u uit bestaande vormen van grensoverschrijdende samenwerking in andere Nederlandse grensregio's, zoals de samenwerking met België in Zeeland en Brabant en met Duitsland in de regio’s Twente en Arnhem-Nijmegen?
Onder meer de operationele behoeften vanuit de regionale politie-eenheden in de grensstreek vormen de basis voor de besprekingen met Duitsland bij de herziening van het verdrag van Enschede. Daarbij is ook gekeken naar wat er op dit moment goed werkt en wat dus behouden moet worden. Zie hiervoor bijvoorbeeld het antwoord op vraag 10.
Zijn er voorbeelden uit andere Europese grensregio's die volgens u relevant zijn voor de verdere ontwikkeling van de grensoverschrijdende politiezorg in Nederland? Zo ja, welke?
De Benelux loopt in het algemeen voorop als het gaat om de grensoverschrijdende politiesamenwerking. Zoals geantwoord op vraag 5 dienen bijvoorbeeld ook de ervaringen uit het recente Duits-Belgische politieverdrag als inspiratie voor de herziening van het verdrag van Enschede.
Welke concrete doelstellingen hanteert u voor de verdere versterking van de operationele samenwerking tussen Nederlandse, Belgische en Duitse politiediensten?
Het streven is om bij de operationele samenwerking met de buurlanden het mogelijke effect van landsgrenzen op de operationele inzet zoveel mogelijk weg te nemen. Bij de herziening van het verdrag van Enschede wordt daarom bijvoorbeeld nagedacht over nieuwe fenomenen, problematieken en (digitale) technieken die mogelijk, ook in de toekomst, relevant zouden kunnen zijn voor de grensoverschrijdende politiesamenwerking tussen Nederland en Duitsland. Toekomstbestendigheid is dus een belangrijke doelstelling. Zoals bij het antwoord op vraag 2 is aangegeven worden nog twee uitvoeringsakkoorden voor optimale benutting van het Benelux-politieverdrag opgesteld. Dit zal onder meer de politiediensten binnen de Benelux meer mogelijkheid gegeven op het gebied van raadpleging van gegevens in elkaars databanken.
Welke indicatoren gebruikt u om te beoordelen of de grensoverschrijdende samenwerking daadwerkelijk leidt tot een effectievere aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit en een snellere operationele inzet?
Het Benelux-politieverdrag heeft als doel de samenwerking op het gebied van de deling van (politie)gegevens te verbeteren en de mogelijkheden tot grensoverschrijdende uitoefening van politiebevoegdheden te verruimen, zoals bijvoorbeeld de grensoverschrijdende achtervolging. Dit draagt bij aan een snelle grensoverschrijdende politie-inzet. In het verdrag en de uitvoeringsakkoorden zijn evaluatiebepalingen opgenomen. Zo zal het verdrag 5 jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Voor sommige uitvoeringsakkoorden geldt een kortere evaluatieperiode.
Bij de herziening van het verdrag van Enschede zal ook worden verkend of een regeling omtrent evaluatie en wijziging van het verdrag opgenomen dient te worden.
Daarnaast kijkt de politie in de grensstreek ook naar bijvoorbeeld het aantal gezamenlijke operationele interventies en de responstijden bij grensoverschrijdende incidenten.
Hoe zorgt u ervoor dat bestaande initiatieven voor grensoverschrijdende politiezorg, waaronder de Grensoverschrijdende Politieteams2, de Euregionale Politiealliantie3 en de samenwerking op basis van het Benelux-verdrag en het Verdrag van Enschede, zich ontwikkelen tot een samenhangende en structurele werkwijze voor alle Nederlandse grensregio's?
Onlangs heb ik mij tijdens een werkbezoek aan Limburg laten informeren over de euregionale politiesamenwerking tussen de politie-eenheid Limburg met de politieburen van België en Duitsland. Het streven van deze pilot voor euregionale politiesamenwerking zal de komende jaren moeten uitmonden in een samenhangende en structurele werkwijze binnen de kaders van de verdragen met de buurlanden. Daarnaast heeft mijn departement met de korpsleiding van de politie focuspunten afgesproken voor de politiesamenwerking tussen Nederland en Duitsland. Onder meer het contact met de regionale eenheden in de grensstreek en de Duitse deelstaten aan de grens, en de regionale initiatieven die daar genomen worden, vormen belangrijke input voor de samenwerking op federaal niveau.
Het bericht ‘Oppositiemedia Turkije geweigerd op NAVO-top in Ankara’ |
|
Nicole Maes (VVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oppositiemedia Turkije geweigerd op NAVO-top in Ankara»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat onafhankelijke en oppositiegezinde Turkse journalisten voor de NAVO-top op 7 en 8 juli in Ankara geen accreditatie hebben gekregen?
Persvrijheid en vrijheid van meningsuiting zijn een belangrijke waarde in en van de NAVO. Het is in dat kader belangrijk dat journalisten goed verslag kunnen doen van de NAVO-top. Het kabinet heeft dat voorafgaand aan de Top ook kenbaar gemaakt aan en in de NAVO.
Rechtsstaat is een integraal onderdeel van de bilaterale en EU-dialoog met Turkije. Ook het belang van persvrijheid komt daarbij aan bod. Dit wordt derhalve onderstreept in de contacten met de Turkse autoriteiten. Het Nederlandse postennet in Turkije monitort daarnaast rechtszaken die zijn aangespannen tegen Turkse journalisten.
Hoe reflecteert u op dit incident in het licht van de bredere binnenlandse situatie in Turkije, waar de persvrijheid onder zware druk staat, naar schatting 90 procent van de media onder overheidscontrole staat, en in de aanloop naar de top honderden preventieve arrestaties in Ankara zijn verricht?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kijkt u in algemene zin naar de persvrijheid in Turkije wetende dat Turkije op plek 163 (van in totaal 180 landen) staat van de World Press Freedom Index en er meer dan 10 journalisten in de gevangenis zitten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van plan het werk van journalisten en verbanden van journalisten in Turkije met Nederlandse fondsen of anderszins te ondersteunen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Met financiering vanuit het Mensenrechtenfonds en MATRA ondersteunt het Nederlandse postennetwerk in Turkije diverse projecten op het gebied van persvrijheid.
Bent u bekend met het artikel «Europeanen onderschatten hoe belangrijk Turkije is»?2
Ja.
Hoe weegt u het geopolitieke en strategische belang van Turkije binnen het NAVO-bondgenootschap af tegen het belang van een democratische rechtsstaat waarin journalisten in vrijheid hun werk moeten kunnen doen?
Zie het antwoord onder vraag 9, 10 en 11.
Hoe verklaart u dat Turkije in staat is zowel een goede relatie met westerse landen te onderhouden en tegelijkertijd directe contacten heeft met landen als Rusland en China?
Het Turkse buitenlandbeleid kenmerkt zich door betrekkingen te onderhouden met een breed scala aan actoren en multilaterale fora. In relatie tot Rusland zet het kabinet er in de contacten met Turkije op in om de druk op Rusland hoog te houden om de agressieoorlog tegen Oekraïne te stoppen.
Ziet u Turkije als onderdeel van de liberale wereldorde, nu de burgemeester van Istanbul inmiddels meer dan een jaar in een cel zit en protesten niet zijn toegestaan en demonstranten preventief worden opgepakt, zoals nu richting de NAVO-top gebeurt?
Voor Nederland en de EU is Turkije een belangrijke en strategische partner op terreinen als onder andere veiligheid, migratie en economie. De bilaterale relatie met Turkije is goed en beslaat intensieve contacten op alle niveaus. Het kabinet ondersteunt de overeengekomen en bestaande insteek van de EU om op een gefaseerde, proportionele en omkeerbare wijze samen te werken met Turkije op terreinen van wederzijds belang.
Binnen de NAVO speelt het land ook een cruciale rol. Turkije is strategisch gelegen, heeft na de VS het grootste leger binnen de alliantie, een snel groeiende defensie-industrie en is een partner in de steun aan Oekraïne. Ook daarom hecht het kabinet waarde aan de relatie met Turkije.
Rechtsstaat is en blijft daarbij een integraal onderdeel van de dialoog met het land, zowel op bilateraal als EU-niveau. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, deelt het kabinet de serieuze zorgen van de Europese Commissie over de rechtstaat in Turkije. Ik verwijs u graag naar de Kabinetsappreciatie Uitbreidingspakket 20253 voor een weergave van de kabinetsinzet in dit kader. Ook de arrestatie van de burgemeester van Istanbul en andere oppositieleden zijn onderwerp van gesprek in contacten met de Turkse autoriteiten. Daarnaast zijn diplomaten van het Nederlandse postennet in Turkije, samen met vertegenwoordigers van andere EU lidstaten, aanwezig bij rechtbankzittingen in de rechtszaken die tegen de burgemeester van Istanbul zijn aangespannen.
Hoe beoordeelt u de strategische relatie met Turkije op het gebied van veiligheid? Ziet u mogelijkheden die relatie de komende jaren te bestendigen of verstevigen en op welke manier? En hoe verhoudt een eventuele bestendiging tot de mensenrechtensituatie in Turkije?
Zie antwoord vraag 9.
Zijn er wat u betreft ook risico’s verbonden aan een nauwere relatie van Nederland of de EU met Turkije en wat zijn die risico’s?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de NAVO-top op 7 juli begint?
Dat is helaas niet gelukt.
De rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie van het massale uitvraagproces inzake een vordering tegen de Staat |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 24 juni 2026, gepubliceerd op 29 juni 2026, met zaaknummer C/16/595361 / HA ZA 25-314, inzake een vordering tegen de Staat door kinderen van een moeder die als gedupeerde van de toeslagenaffaire erkend is1?
Ja
Bent u ermee bekend dat uit deze uitspraak blijkt dat aan de leden van dit gezin, na het erkennen van de moeder als gedupeerde op basis van het ouderverhaal en op grond van vermeend institutioneel vooringenomen handelen bij het terugvorderen naar aanleiding van non-respons, respectievelijk 430.250,– euro is uitgekeerd aan de moeder (vaststellingsovereenkomst van 7 maart 2025 met UHT), ruim 260.000,– euro aan de vader (via de regieroute VSO) en respectievelijk twee keer 10.000,– euro aan de twee oudste kinderen en eenmaal 8.000,– euro aan het jongste kind, waarmee de compensatie voor het gezin als geheel neerkomt op 718.250,– euro?
Ja
Wat is uw reactie op het feit dat uit de brievenadministratie, waarnaar de ADR onderzoek heeft gedaan, is gebleken dat er wel degelijk sprake is geweest van meerdere uitvraag- en rappelbrieven, dat de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag volgens het vonnis van de rechtbank mocht terugvorderen en derhalve niet is gebleken dat er vooringenomen is gehandeld?
Zoals ook benoemd in de brief van 3 juli 20261 geeft de verzend- en ontvangstadministratie geen sluitend en volledig beeld van het geheel aan feiten en gebeurtenissen in de casus van de ouder. Het laat alleen zien dat de standaard brief is verstuurd. Niet of en hoe mensen op de brief hebben gereageerd. Om te bepalen of de aanwezigheid van de verzendadministratie impact zou hebben op de gedupeerdheid van een ouder, zouden alle ouders de Integrale Beoordeling opnieuw moeten doen, inclusief het ouderverhaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven kan ik dit niet doen, omdat ik dit niet goed uitvoerbaar acht, en dit bovendien zou leiden tot grote onrust onder ouders. Tegelijk is de zorg van uw Kamer helder, en ik deel het ongemak hierover. Ik verken momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen. De verzend- en ontvangstadministratie wordt al wel ingezet bij bezwaar, beroep en andere procedures. Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat de ontvangen schadevergoeding nooit wordt teruggevorderd.
Deelt u de conclusie dat met deze uitspraak achteraf duidelijk is geworden dat dit zeer hoge bedrag aan compensatie aan de leden van één gezin op onterechte grond is uitgekeerd? Zo nee, waarom bent u niet bereid de conclusie te onderschrijven die de Staat zelf juist wil aantonen met het inbrengen van deze gegevens in een rechtszaak?
In 2020 is het beleid vormgegeven op basis van de compensatie voor de Combiteam Aanpak Facilitators (CAF) populatie. Daarbij was relevant dat in het zogenoemde kantoorproces (handmatige behandeling van een dossier door een medewerker) een centrale administratie van verzonden brieven en reacties ontbrak, en daarmee correspondentie niet altijd traceerbaar was. Hierdoor ontstond de breed gedeelde aanname dat de administratie ook in andere dossiers onvolledig zou zijn, ook in de massale processen waarbij brieven (deels) geautomatiseerd worden aangemaakt en verzonden. Dit speelde een belangrijk rol in de keuze die in 2020 is gemaakt voor generiek beleid waarbij het ouderverhaal leidend is. Een lijn die ook brede steun had in uw Kamer.
Het is destijds een politieke keuze geweest om het niet hebben ontvangen van een brief aan te merken als een grond voor gedupeerdheid. Over individuele gevallen doe ik verder geen uitspraken.
Waarom blijft u vooralsnog vasthouden aan de lijn dat op grond grond van de brievenadministratie en het ADR-onderzoek niet is vast te stellen in hoeveel gevallen personen onterecht als gedupeerde zijn aangemerkt aangezien hiervoor onder andere opnieuw oudergesprekken gevoerd zouden moeten worden? Erkent u dat dit uitgangspunt niet in lijn is met deze rechterlijke uitspraak, waarin op basis van het bestaande dossier in combinatie met de brievenadministratie wél een dergelijke conclusie wordt getrokken? Wat is hierop uw reactie?
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Daarom is het verhaal van de ouder hierover altijd leidend in de beoordeling.
De rechtbank heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijs toegestaan, maar heeft daaruit geen conclusie getrokken dat er sprake is van onterecht aangemerkte gedupeerdheid. De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid, dat is ook niet aan de civiele rechter, maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. De civiele rechter heeft hier geoordeeld dat eisers onvoldoende hebben aangetoond welke besluiten onrechtmatig waarom en waarom, waardoor er in deze civiele zaak geen sprake is van onrechtmatig handelen.
Onderschrijft u dat deze zaak niet op zichzelf staat, maar dat compensatie op grond van vermeend vooringenomen handelen bij een aantal jaren van non-respons al snel tot enorm hoge compensatiebedragen kan leiden?
Zoals ik in antwoord op vraag 4 heb aangegeven zijn de compensatiegronden een politieke keuze geweest. Verder wil ik benadrukken dat de zaak op zichzelf staat, omdat iedere casus anders is. De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is niet zwart-wit, en heeft vaak niet één oorzaak. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden en zelfs als een ouder enkel gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid, dan kan dit door een samenloop van verschillende oorzaken komen. Een kwantificatie van de relatie tussen het aantal jaren van non-response en de hoogte van de compensatie is dan ook niet te maken.
Hoe vaak is door de Staat tijdens rechtszaken gebruikgemaakt van gegevens uit deze brievenadministratie sinds het uitkomen van het ADR-onderzoek? Wat waren de uitkomsten hiervan en om welke – achteraf – onterecht uitgekeerde compensatiebedragen ging het hierbij?
De Staat gebruikt sinds februari 2026 de verzend- en ontvangstadministratie in rechtszaken. Tot en met 30 juni 2026 is de verzend- en ontvangstadministratie in 8 civiele zaken gebruikt in processtukken. In alle 8 zaken is een ouder gecompenseerd wegens non-respons, terwijl er wél vraagbrieven zijn aangetroffen.
Het is goed om te vermelden dat we in civiele procedures alleen zicht hebben op een kleine groep ouders die een procedure starten. Dat is geen goede representatie van de totale populatie van gedupeerde ouders.
De civiele rechter heeft tot en met 30 juni 2026 in één zaak geoordeeld dat er met de kennis van nu geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen, omdat de ouders wel vraagbrieven hebben ontvangen maar hierop niet is gereageerd. De civiele rechter heeft het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie als bewijsmiddel aanvaard, maar daaruit niet afgeleid dat sprake is van ten onrechte vastgestelde gedupeerdheid of onterecht uitgekeerde compensatie. De beoordeling van de mate van gedupeerdheid is niet aan de civiele rechter maar in laatste instantie aan de bestuursrechter. Het is daarom niet inzichtelijk of de compensatie ten onrechte is uitgekeerd en om welke bedragen dat zou gaan.
Voor overige rechtszaken wordt het gebruik van de verzend- en ontvangstadministratie niet gemonitord.
Bij hoeveel eventueel lopende zaken is hier sprake van?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in 7 lopende civiele zaken als verweer in processtukken gebruikt. In deze 7 zaken zijn vraagbrieven teruggevonden, terwijl de ouder (gedeeltelijk) is gecompenseerd voor non-respons. Het is niet vast te stellen of de ouder destijds een antwoord op de vraagbrief heeft verzonden.
Aangezien de rechtbank op 24 juni 2026 vonnis heeft gewezen in één zaak, wordt die zaak niet meer als een lopende procedure beschouwd. Wel staat tegen het vonnis nog hoger beroep open, zodat de procedure alsnog kan worden voortgezet en in dat geval opnieuw als lopend kan worden aangemerkt.
Op welke andere manieren is er sinds het verschijnen van het ADR-onderzoek gebruikgemaakt van de desbetreffende brievenadministratie? Om hoeveel dossiers ging dit?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt in de volgende gevallen gebruikt:
Er wordt buiten de civiele procedures om niet gemonitord in welke gevallen de administratie wordt gebruikt. Het is daarom niet mogelijk om het aantal dossiers te noemen.
Zoals eerder aangegeven verken ik momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen.
Wordt de brievenadministratie nu standaard gebruikt bij nog niet afgeronde dossiers? Zo nee, waarom niet?
De verzend- en ontvangstadministratie wordt nu standaard gebruikt voor de in antwoord op vraag 9 genoemde gevallen.
Garandeert u dat in geen enkel dossier met betrekking tot vermeend vooringenomen handelen in relatie tot het massale uitvraagproces meer tot betaling of compensatie wordt overgegaan zonder voorafgaande controle van de brievenadministratie? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op vraag 9 heb ik aangegeven in welke gevallen de verzend- en ontvangstadministratie wordt gebruikt. Hoewel in de genoemde processen voldoende waarborgen zijn ingericht, kunnen er in een grote uitvoeringsorganisatie fouten gemaakt worden. Daarom kan ik geen garantie geven dat dit altijd goed gaat.
Hoeveel personen zijn in totaal als gedupeerd aangemerkt en gecompenseerd op grond van «institutioneel vooringenomen handelen» in het kader van het massale uitvraagproces en voor welk bedrag in totaal? Wilt u deze gegevens zo snel en zo precies mogelijk, per toeslagjaar weergegeven, met de Kamer delen?
Circa 34.000 ouders zijn in ten minste één toeslagjaar als gedupeerde aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen. Hoeveel van de 34.000 daarvan in het kader van het massale uitvraag proces als gedupeerde zijn aangemerkt kan alleen worden vastgesteld als de individuele dossiers handmatig worden onderzocht. Het is dan ook niet mogelijk om bedragen te noemen.
Waarom is zo lang doorgegaan met het uitkeren van zeer hoge compensatiebedragen (in het geval van deze rechtszaak op basis van een vaststellingsovereenkomst met UHT uit maart 2025) terwijl het bestaan van de administratie binnen UHT toen al ruim vier jaar bekend was, in de zomer van 2024 een intern onderzoek naar de administratie was gestart en toenmalig Staatssecretaris Achachbar in november 2024 hierover een intern memo ontving?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn binnen UHT signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Bovendien is één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn steeds beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben signalen, soms in afstemming met de Commissie van Wijzen, steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties. Dit maakte aannemelijk dat mogelijk meer informatie beschikbaar was dan eerder werd verondersteld.
Gelet op de mogelijke impact op ouders en de gevoeligheid rondom het gebruik van contra-informatie, is zorgvuldigheid betracht. Er is voor gekozen de informatie eerst onafhankelijk te laten onderzoeken door de ADR. De resultaten daarvan zijn op 6 februari 2026 met uw Kamer gedeeld2. Na het ADR onderzoek is besloten hoe deze administratie gebruikt zou worden.
Deelt u de conclusie dat, de totale omvang van de hersteloperatie overziend, het uitkeren van een astronomisch bedrag aan compensatie op onterechte gronden te voorkomen was geweest wanneer eerder was geluisterd naar, en gehandeld naar aanleiding van, de jarenlange waarschuwingen van UHT-medewerkers over het bestaan van een accurate brievenadministratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de conclusie dat het zeer laakbaar is dat dit niet is gebeurd?
Er is zorgvuldig gehandeld naar aanleiding van de ontvangen signalen. Toen er een concreet signaal kwam heb ik direct de ADR gevraagd onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en volledigheid van de administratie.
De totale hoogte van de individuele compensatie vloeit voort uit de (deels forfaitaire) schadekaders die een invulling vormen van werkelijke schade. Zo is dat in de wet bepaald.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja
Het bericht dat naar verluidt minimaal 41 wolven in Nederland zijn gestroopt |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recent verschenen onderzoek van EcoJust en Humane World for Animals Terug in het vizier: Wolvenstroperij in Nederland?1
Ja.
Wat is uw reactie op het onderzoeksresultaat dat tussen oktober 2021 en maart 2026 naar verluidt minimaal 41 wolven zijn gestroopt en waarschijnlijk nog veel meer? Voelt u een verantwoordelijkheid om met maatregelen te komen? Zo nee, waarom niet?
Stroperij is een bekend fenomeen dat van tijd tot tijd op verschillende locaties de kop opsteekt. Uit navraag bij BIJ12 en politie is niet gebleken dat er sprake is van een opvallende situatie rond verdwenen wolven.
Hoeveel capaciteit wordt er vrijgemaakt bij het Openbaar Ministerie om de gegevens verder te onderzoeken?
Er is geen concreet cijfer te plakken op de capaciteit die hiervoor wordt vrijgemaakt. In algemeenheid wordt de inzet en prioritering van capaciteit met betrekking tot de strafrechtelijke aanpak van stroperij bepaald aan de hand van – onder andere – de concrete feiten en omstandigheden, de bewijsbaarheid, de opsporingsmogelijkheden en de beschikbare capaciteit. Serieuze signalen over mogelijke stroperij worden zorgvuldig beoordeeld en, waar daartoe voldoende aanleiding bestaat, strafrechtelijk opgevolgd.
Kunt u nog eens expliciteren wat u vindt van het illegaal afschieten van wolven?
Het illegaal afschieten van alle beschermde diersoorten keur ik ten zeerste af. Het betreft een strafbaar feit waartegen streng moet worden opgetreden.
Wat vindt u ervan dat mensen pogingen van wolfvergiftiging hebben geregistreerd? Wat vindt u ervan dat mensen hebben geregistreerd dat kadavers worden weggewerkt door ze te begraven, in mestkelders te dumpen, te verbranden of in water te dompelen, en dit in Facebookgroepen wordt besproken?
Wanneer er sprake is van het waarnemen van illegale activiteiten, dan kunnen getuigen hiervan aangifte doen bij de bevoegde instanties. De positie van de getuige is wettelijk geregeld en beschermd. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om via Meld Misdaad Anoniem melding te doen van strafbare feiten.2
Kunt u erkennen dat georganiseerde vervolging van wolven in Nederland een probleem is? Zo nee, waarom niet? Welke verklaring heeft u dan ervoor dat tijdens de onderzoeksperiode 38 van de in Nederland genetisch bevestigde wolven zonder verklaring uit de monitoringsgegevens zijn verdwenen?
Ik heb geen reden om aan te nemen dat er sprake is van georganiseerde vervolging van wolven in Nederland. Wolven kunnen om meerdere redenen van de radar verdwijnen. Bijvoorbeeld doordat ze over de grens naar andere landen trekken of doordat ze zich schuilhouden en daardoor niet zichtbaar zijn voor mensen.
Vindt u het wenselijk dat groepen plattelandsbewoners, waaronder boeren en jagers, ’s nachts patrouilles uitvoeren om wolven op te sporen en te achtervolgen, waarbij ze worden geholpen door realtime waarschuwingen die stichting No Wolves Benelux en GeenWolf online verspreiden? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Ik vind het zeer onwenselijk als mensen actief contact zoeken met wolven. Het is belangrijk dat wolven met rust worden gelaten zodat zij hun schuwheid behouden. Via voorlichting, onder meer door het Landelijk Informatiepunt Wolven, worden mensen opgeroepen wolven met rust te laten.
Bent u op de hoogte van de schokkende beelden van dode en opgejaagde wolven die worden gedeeld op social media, zoals de anti-wolf campagneposter gepubliceerd door Stichting Annemieke, die ook als paginagrote advertentie in de Telegraaf verscheen? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?2 3
Ja. Het heeft niet mijn voorkeur, maar het mag. Ik wil de polarisatie tegengaan door stevig landelijk beleid. Daarom wil ik de regie nemen en een Nationaal Wolvenberaad organiseren om daar met betrokkenen het goede gesprek te voeren over wolven in Nederland.
Bent u ervan op de hoogte dat waarschuwingen over waarnemingen van wolven kunnen worden geïnterpreteerd door mensen als aansporing om op wolven te jagen? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Waarnemingen van wolven spelen een belangrijke rol in de monitoring van de soort en bij het voorkomen van incidenten. Dat deze waarnemingen op een andere manier geïnterpreteerd worden, valt niet uit te sluiten. Dit vormt voor mij geen reden om op te treden.
Ziet u in dat het niet nemen van maatregelen voor voldoende bescherming van de wolf indirect ervoor zorgt dat het aantrekkelijker en gemakkelijker is voor wolvenvervolgers om op jacht te gaan, omdat er sprake is van een beleidssignaaleffect? Zo nee, waarom niet?
Wolven zijn een nationaal beschermde soort waarvoor beschermingsmaatregelen moeten worden genomen door het bevoegd gezag. Ik ben ervan overtuigd dat er voldoende maatregelen worden genomen door het bevoegde gezag en zie geen reden voor een ongewenst beleidssignaaleffect.
Bent u het eens dat Landbouw- en Tuinbouworganisatie (LTO)-voorman Wim Brouwer, die begrip uit voor wolvenstroperij in een interview met de Barneveldse Krant, dit beleidssignaaleffect bevestigt?4 Zo nee, waarom niet?
Stroperij is een strafbaar feit. Zie verder mijn antwoord op vraag 4.
Kunt u in ieder geval bevestigen dat u geen enkel begrip hebt voor eventuele wolvenstroperij onder geen enkel beding en dat wolvenstroperij hard moet worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Ik keur stroperij ten zeerste af. Het betreft een strafbaar feit waartegen streng moet worden opgetreden.
Welke maatregelen treft u om het draagvlak ten aanzien van de aanwezigheid van wolven, bijvoorbeeld met informatiecampagnes rondom de positieve kanten van de aanwezigheid van de wolf, te vergroten?
Via het Landelijk Informatiepunt Wolven, dat vanuit mijn ministerie wordt ondersteund, wordt informatie verstrekt over de aanwezigheid van wolven en hoe mensen daarmee om kunnen gaan. Deze informatie draagt bij aan het draagvlak ten aanzien van de aanwezigheid van wolven.
Kunt u ingaan op elk van de acht aanbevelingen van het onderzoek van EcoJust en Humane World for Animals? Welke gaat u doorvoeren en hoe? Welke niet en waarom? Kunt u dit onderbouwen?
Advies «Erken de omvang van de wolvenvervolging en kom in actie.».
Zoals hierboven aangegeven, wordt er voldoende inzet gepleegd en zie ik geen reden om hier extra op in te zetten.
Advies «Herstel de natuurhandhavingscapaciteit in het buitengebied.».
Zoals hierboven aangegeven is er geen reden om de handhavingscapaciteit te vergroten.
Advies «Richt het Landelijk Deskundigenteam Wolf zonder verder uitstel op.».
Provincies zijn bezig dit team in te richten. Naar verwachting zal het team in 2027 operationeel zijn.
Advies «Verhoog de financiering aan provincies voor de bescherming van vee.» en
Advies «Zorg voor structurele financiering van initiatieven die wolfwerende rasters ondersteunen.».
Via het landelijk initiatief veebescherming ondersteun ik de provinciale initiatieven voor de bescherming van vee, waaronder het gebruik van wolfwerende rasters.
Advies «Initieer een oprechte, blijvende dialoog met de getroffen plattelandsgemeenschappen.»
Ik organiseer in december een eerste Nationaal Wolvenberaad. Dit is bedoeld om het gesprek aan te gaan met betrokkenen over wolven in Nederland en de samenwerking te versterken, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid.
Advies «Erken dat het verzwakken van de bescherming van wolven het risico op vervolging vergroot.»
Wolven zijn een nationaal beschermde soort. Ik zie geen reden voor een groter risico op vervolging door deze beschermingsstatus. Illegale vervolging van wolven is strafbaar.
Advies «Ontwikkel een langetermijnvisie op landgebruik die ruimte maakt voor het samenleven met de wolf.»
In 2025 is vanuit LVVN gestart met het verkennen van de mogelijkheden voor ruimtelijk beleid ten aanzien van wolven. Ik heb vastgesteld dat een aantal belangrijke bouwstenen waarop ruimtelijke keuzes gebaseerd dienen te worden, nog in ontwikkeling is. Begin 2027 verwacht ik beter zicht te hebben op wanneer deze bouwstenen gereed zullen zijn.
Kunt u uitleggen waarom adviezen uit het verleden, zoals van de Wolvencommissie Gelderland5, Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA)6, Landelijk Overleg Wolf7 en experts8 niet worden opgevolgd? Bent u alsnog bereid om deze adviezen uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Over de opvolging van het advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden heeft mijn ambstvoorganger uw Kamer geïnformeerd (Kamerstukken II 2023/24, 33 576, nr. 376). De adviezen van de Wolvencommissie Gelderland en van het Landelijk Overleg Wolf zijn niet gericht aan mijn ministerie. Het is aan de betreffende bevoegde overheden om te besluiten over opvolging van deze adviezen. Daarbij zijn de adviezen niet bindend en ben ik verantwoordelijk voor het beleid.
Bent u bereid om zo snel mogelijk te onderzoeken hoe strenger en steviger op wolvenvervolging kan worden gehandhaafd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u in kaart brengen welke middelen u hiervoor vrijmaakt?
Zoals hierboven aangegeven, is er voldoende handhaving en is er voor mij geen aanleiding om de handhaving uit te breiden.
Bent u nu wel bereid om een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de huidige status van genetisch geïdentificeerde wolven in Nederland? Kan daarbij worden vastgesteld welke doodsoorzaken zijn geconstateerd en, indien onbekend, welke oorzaken het meest waarschijnlijk zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen reden om hier onderzoek naar te doen. Doodsoorzaken van wolven worden in opdracht van BIJ12 onderzocht bij het Dutch Wildlife Health Centre in Utrecht in samenwerking met Wageningen Environmental Research. De uitkomsten van dit onderzoek worden gedeeld met BIJ12 en de provincies. BIJ12 publiceert een overzicht van aangereden of dood gevonden wolven op haar website.10
Bent u nu wel bereid om aanvullende maatregelen te treffen, zoals betere bescherming van ecologen, strengere handhaving tegen bedreigingen en actieve signalering van intimidatie binnen de natuurbeschermingssector? Zo nee, waarom niet?
Ik zie hier geen reden toe. In geval van intimidatie of bedreiging kan eenieder, ongeacht diens achtergrond of functie, te allen tijde aangifte doen. Uit de registratiesystemen van de politie is niet op te maken of er aangiftes zijn gedaan of signalen bekend zijn van bedreigingen aan het adres van ecologen of natuurbeschermers die zich uitspreken over wolven. In die systemen wordt niet systematisch vastgelegd of een betrokkene ecoloog of natuurbeschermer is.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De veiligheid bij Pluryn en andere grote zorginstellingen |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bewoners sterven, personeel loopt weg: grote zorgen over veiligheid bij zorgorganisatie Pluryn»?1
Kunt u reageren op de oorzaken die in het artikel worden geschetst van een grote zorgorganisatie waarin de afstand tussen directie en werkvloer steeds groter is en personeelstekorten en invalkrachten zorgen voor risico’s voor de veiligheid en kwaliteit van zorg?
Hoeveel calamiteiten en incidenten hebben zich voorgedaan bij locaties van Pluryn in de afgelopen vijf jaar en wat was de aard van elk van deze incidenten? Hoe verhoudt zich dit tot incidenten bij andere zorginstellingen van soortgelijke omvang?
Wordt bijgehouden hoeveel incidenten een dodelijk gevolg hebben? Wanneer moet er precies melding worden gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Hoe reflecteert u op de in het artikel beschreven signalen van (oud-)medewerkers en betrokkenen over de onveilige leef- en werkomgeving bij locaties van Pluryn? Zijn dergelijke signalen eerder gedeeld met de IGJ of met uw ministerie? Zo ja, wanneer en wat was de aard van deze meldingen?
Is het voor bewoners en naasten van zorginstellingen zoals Pluryn voldoende duidelijk dat zij onveilige situaties kunnen en melden en waar dit kan? Zo ja, op welke manier wordt dat aan hen gecommuniceerd? Is de manier waarop dit kan toegankelijk voor deze specifieke doelgroep? Aan wie kunnen zij melden en op welke manier?
Hoe is dit geregeld voor medewerkers? Waar kunnen zij onveilige situaties melden en hoe wordt hier opvolging aan gegeven?
In hoeverre zijn (oud-)cliënten en naasten betrokken bij de evaluaties van de kwaliteit en veiligheid van zorg, zowel bij Pluryn als in algemene zin bij zorginstellingen?
Kunt u schetsen welke verantwoordelijkheden er liggen bij gemeenten en welke bij het Rijk als het gaat om toezicht over de veiligheid?
Welke lessen zijn volgens u niet voldoende geleerd uit eerdere onderzoeken naar incidenten en misstanden binnen de jeugdzorg en gehandicaptenzorg, waarbij eveneens sprake was van personeelstekorten, hoog verloop en onvoldoende continuïteit van zorg?
Kunt u uitsluiten dat financiële druk, aanbestedingsprikkels of bezuinigingen hebben bijgedragen aan de ontstane situatie? Zo ja, waarop baseert u dat?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat cliënten de dupe worden van personeelstekorten en bezuinigingen binnen residentiële zorginstellingen? Deelt u de mening dat veiligheid van jongeren en cliënten altijd zwaarder moet wegen dan productieafspraken, financiële doelstellingen of organisatorische belangen? Zo ja, hoe geeft u hier invulling aan?
Het niet-onafhankelijke en niet-vrijblijvende karakter van de Schijf van Vijf |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe kunt u volhouden dat de Schijf van Vijf slechts vrijblijvende publieksvoorlichting is, terwijl het kabinet in haar reactie op rapportages en onderzoeken voeding en alcohol schrijft dat het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten per supermarkt jaarlijks wordt gemonitord, gepubliceerd en gebruikt als uniforme maatstaf voor de mate waarin supermarkten bijdragen aan de zogenoemde gezonde keuze?
Zoals het kabinet heeft aangegeven in de beantwoording van eerdere Kamervragen van het lid Van Meetelen (2026Z07617) hecht het kabinet aan individuele keuzevrijheid. Mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. De Schijf van Vijf kan voor mensen een hulpmiddel zijn om een goed geïnformeerde keuze te maken.
Het kabinet ziet het als taak van de overheid om de gezonde keuze makkelijker te maken. Hierbij hanteert het kabinet de Schijf van Vijf als leidraad voor gezonde voeding. De monitor verkoopaandeel Schijf van Vijf producten in de supermarkt is een middel om inzichtelijk te maken welke bijdrage supermarkten leveren om de gezonde keuze in de supermarkt makkelijker te maken. Het is aan de supermarkt hoe die hier op wil sturen, via aanbod, marketing, positionering of prijzen. De opzet van deze monitor is afgestemd met de supermarkten.
Erkent u dat een advies ophoudt vrijblijvend te zijn zodra de overheid supermarkten publiekelijk langs dezelfde meetlat legt, percentages per supermarktketen publiceert en vervolgens op basis van die meting «concrete afspraken» wil maken over vergroting van het verkoopaandeel Schijf van Vijf-producten? Zo nee, waar ligt voor u dan nog de grens tussen vrijblijvende informatie en beleidsmatige sturing?
Nee, dat ziet het kabinet anders. De adviezen van het Voedingscentrum zijn vrijblijvend voor de consument. Consumenten zijn vrij een eigen afweging te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon.
De inzet van het kabinet is om de gezonde keuze makkelijker te maken. Dit vraagt een verschuiving van de verhouding gezond-ongezond in zowel productaanbod als de marketing ervoor, aangezien deze nu overwegend ongezond zijn. Hiervoor is een indeling nodig voor wat kan worden gezien als een gezond en ongezond product. Het kabinet kiest ervoor de criteria van de Schijf van Vijf hiervoor te gebruiken.
Hoe kunt u spreken van onafhankelijkheid, terwijl het Voedingscentrum volledig afhankelijk is van overheidsfinanciering, zijn plannen moet laten aansluiten op beleidsdoelen van de overheid, zich richting subsidieverstrekkende ministeries moet verantwoorden en bij verlies of verlaging van subsidie direct minder invloed kan uitoefenen via scholen, zorg, wijkbijeenkomsten en andere kanalen?
Met de onafhankelijkheid van het Voedingscentrum doelt het kabinet op de (wetenschappelijk onderbouwde) inhoud van hun informatie. Het kabinet waakt ervoor dat ministeries invloed uitoefenen op inhoudelijke informatie of advisering. Financiering van de overheid maakt het mogelijk dit inhoudelijk onafhankelijke advies te ontwikkelen en in bepaalde mate te verspreiden en onder de aandacht te brengen.
Erkent u dat er sprake is van een kunstmatige scheiding wanneer het kabinet zich beroept op het «onafhankelijke» oordeel van het Voedingscentrum over welke producten wel of niet in de Schijf van Vijf vallen, terwijl dat oordeel vervolgens door hetzelfde kabinet wordt gebruikt voor monitors, beleid, afspraken met supermarkten, productverbetering en mogelijke wettelijke beperkingen op kindermarketing?
Nee, het kabinet ziet dit als een scheiding tussen enerzijds wetenschappelijk onderbouwde inhoudelijke advisering door experts en anderzijds de politieke keuze om deze indeling wel of niet te gebruiken in beleidsmaatregelen.
Hoe kunt u stellen dat de Schijf van Vijf geen normerend instrument is, terwijl producten, supermarkten, marketinguitingen en zelfs baby- en kindervoeding in kabinetsstukken worden beoordeeld aan de hand van de vraag of zij wel of niet voldoen aan de richtlijnen van de Schijf van Vijf, waarna het kabinet spreekt over zorgwekkende uitkomsten, noodzakelijke verbetering van het aanbod en verdere inzet richting bedrijfsleven en Europese regelgeving?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid voortaan eerlijk te erkennen dat de Schijf van Vijf in de praktijk geen losstaand, onafhankelijk en vrijblijvend voedingsadvies is, maar een door de overheid gefinancierde beleidsnorm die via het Voedingscentrum, RIVM-monitors, supermarktafspraken, productverbetering, scholen, zorginstellingen en regelgevingstrajecten wordt ingezet om burgers, instellingen en bedrijven in een door de overheid gewenste richting te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hierboven is aangegeven is de Schijf van Vijf een vrijblijvend advies voor de consument. Het kabinet kiest ervoor om deze indeling wel of niet te hanteren bij beleidsmaatregelen. Vanwege eenduidigheid kiest het kabinet bij indelingen voor wat gezonde en minder gezonde producten zijn, waar mogelijk en passend voor de indeling volgens de Schijf van Vijf.
De uitzending van Nieuwsuur 'Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur «Zijn we klaar voor de afvalrevolutie?» over de opkomst van afslankmedicatie en de vraag of Nederland daarop is voorbereid?1
Welke concrete maatregelen neemt u om te voorkomen dat de toegang tot afslankmedicatie de komende jaren vooral afhankelijk wordt van de portemonnee van patiënten, terwijl patiënten zonder voldoende financiële middelen kunnen uitwijken naar buitenlandse of schimmige websites?
Heeft u een concreet scenario klaarliggen voor de situatie waarin goedkope generieke varianten van GLP-1- en GLP-1/GIP-middelen op grote schaal online beschikbaar komen voor Nederlandse patiënten? Zo ja, wat houdt dat scenario in? Zo nee, waarom niet en wanneer komt dat er wel?
Welke inschatting maakt u van de huidige omvang van het gebruik van afslankmedicatie buiten de reguliere zorgkanalen, bijvoorbeeld via buitenlandse websites, online platforms of sociale media?
Welke prognoses heeft u over de verwachte groei van dit gebruik in 2026 en de jaren daarna, mede gelet op het vooruitzicht dat goedkopere varianten uit onder meer India en China beschikbaar komen?
Welke cijfers zijn beschikbaar over meldingen van verkeerd gebruik, bijwerkingen, vergiftigingen of ziekenhuisopnames door afslankmedicatie bij onder meer de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum, Lareb, huisartsenposten en spoedeisende hulpafdelingen en kunt u deze cijfers uitsplitsen over 2023, 2024, 2025 en 2026 en daarbij waar mogelijk onderscheid maken tussen geregistreerde middelen, off-labelgebruik, online bestelde middelen, vermoedelijk vervalste middelen, zelf geïmporteerde middelen en middelen waarvan de herkomst onbekend is?
Klopt het dat het Zorginstituut Nederland nog bezig is met beoordelingen van nieuwe obesitasmedicatie, waaronder Wegovy en Mounjaro? Waarom moet dit proces zo lang duren, mede gelet op de snelle groei van de markt en het toenemende gebruik buiten de reguliere zorg?
Wanneer verwacht u de publicatie van de adviezen over Wegovy en Mounjaro voor de behandeling van obesitas? Bent u bereid het Zorginstituut te vragen deze publicatie te versnellen? Zo nee, waarom niet en welke afweging ligt daaraan ten grondslag?
Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat het beleid in de praktijk neerkomt op afwachten, terwijl patiënten ondertussen zelf middelen bestellen, doseringen aanpassen of zonder begeleiding stoppen en opnieuw beginnen?
Hoe beoordeelt u het door emeritus hoogleraar Chris Mulder genoemde voorbeeld van een gecontroleerd model waarbij patiënten goedkope medicatie uit het buitenland kunnen bestellen, maar waarbij overheid, inspectie en laboratoria de betrouwbaarheid van middelen toetsen en artsen of apothekers het gebruik begeleiden?
Bent u bereid de juridische, medische en praktische haalbaarheid van zo’n gecontroleerd import- en testmodel voor afslankmedicatie te onderzoeken, inclusief de ruimte binnen Nederlandse en Europese geneesmiddelenwetgeving en binnen bijvoorbeeld het octrooirecht, de douaneregels en de regels voor persoonlijke import?
Indien u een dergelijk model niet mogelijk of niet wenselijk acht, kunt u precies aangeven welke wettelijke, Europese, medische of praktische belemmeringen daaraan in de weg staan?
Bent u bereid te onderzoeken of een lijst van betrouwbare buitenlandse fabrikanten of producten kan worden opgesteld, dan wel of batchgewijze kwaliteitscontrole mogelijk is, zodat patiënten niet volledig zijn overgeleverd aan schimmige websites?
Bent u bereid met huisartsen, apothekers, medisch specialisten en patiëntenorganisaties richtlijnen te ontwikkelen voor veilige begeleiding van patiënten die afslankmedicatie gebruiken of overwegen, ook wanneer zij deze middelen niet via vergoeding verkrijgen?
Op welke termijn informeert u de Kamer over de aanpak van deze problematiek, inclusief scenario’s voor goedkope import, online aanbod, toezicht, patiëntveiligheid, medische begeleiding en de beoordeling van mogelijke vergoeding?
Het bericht ‘Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen’ |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Honderden kinderen klem: pleegzorg muurvast door drastisch tekort aan gezinnen»?1
Welke gevolgen heeft de oplopende wachttijd voor kinderen die wachten op een passend pleeggezin, in het bijzonder voor kinderen die verblijven in een crisispleeggezin of afkomstig zijn uit een onveilige thuissituatie?
Heeft u inzicht in hoeveel kinderen langer dan noodzakelijk moeten wachten op een passend pleeggezin en daardoor langer in een onveilige thuissituatie of een crisispleeggezin verblijven? Zo ja, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Welke concrete bevoegdheden en mogelijkheden gaat u als stelselverantwoordelijke Minister inzetten om te voorkomen dat kinderen door het tekort aan pleeggezinnen langer moeten wachten op een veilige en passende opvangplek?
Bent u bereid de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd te verzoeken onderzoek te doen naar de gevolgen van het tekort aan pleeggezinnen voor de veiligheid en ontwikkeling van kinderen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren, zoals door de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen bepleit? Zo nee, waarom niet?
Wordt momenteel landelijk geregistreerd om welke redenen pleegouders stoppen? Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, waarom wordt dit niet structureel bijgehouden?
In hoeverre herkent u het signaal dat pleegouders zich onvoldoende begeleid voelen en het gevoel hebben er alleen voor te staan? Welke maatregelen gaat u nemen om de begeleiding en ondersteuning van pleegouders structureel te verbeteren, zodat minder pleegouders afhaken?
Welke concrete maatregelen kunt u op korte termijn treffen om te voorkomen dat kinderen vanwege een tekort aan pleeggezinnen langer in een onveilige situatie moeten blijven of langer dan noodzakelijk in een crisispleeggezin verblijven?
Acht u de huidige landelijke aanpak voldoende om het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat kinderen sneller een veilige en passende plek krijgen?
Deelt u de mening dat een tekort aan pleeggezinnen nooit de reden mag zijn dat een kind langer in een onveilige situatie verblijft? Zo ja, op welke wijze waarborgt u dit in de praktijk?
Kunt u de Kamer vóór 1 oktober 2026 informeren over de maatregelen die u neemt om zowel de veiligheid van deze kinderen te waarborgen als het tekort aan pleeggezinnen terug te dringen?
Actuele kwesties met betrekking tot het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wat is de meest recente stand van zaken ten aanzien van de asielopvanglocaties in Hardenberg, Epe en Harderwijk, die inmiddels conform overeenkomsten met het COA gesloten hadden moeten zijn, maar die desondanks vooralsnog open worden gehouden, hetgeen tot onder andere tot dwangsommen heeft geleid?
Zijn er momenteel nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot aflopende contracten, bestuursovereenkomsten of omgevingsvergunningen waarbij het COA afspraken/overeenkomsten met gemeenten mogelijk niet zal nakomen? Zo ja, welke ontwikkelingen en in welke gemeente(n)?
Kunt u een volledig overzicht aan de Kamer verstrekken van alle azc's, doorstroom-, nood- en crisisnoodopvanglocaties waarvan de bestuursovereenkomst, het contract of de omgevingsvergunning tussen nu en 1 februari 2027 afloopt inclusief de overeengekomen sluitingsdata?
Verwacht u dat de beoogde sluitingsdata van deze locaties allemaal eerbiedigd zullen worden door het COA? Zo nee, van hoeveel van die locaties verwacht u op dit moment dat zij, ondanks de overeengekomen einddatum, voorlopig alsnog geheel of gedeeltelijk zullen worden opengehouden door het COA?
Deelt u de mening dat het niet respecteren van overeengekomen sluitingsdata door het COA funest is voor het vertrouwen van gemeenten en hun inwoners in de landelijke overheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet u om ervoor te zorgen dat overeengekomen sluitingsdata gerespecteerd worden?
Wat is de actuele stand van zaken rond de duizenden ongeldig verklaarde boetes voor zwartrijdende asielzoekers op de trein tussen Zwolle en Emmen, waarover vorige maand bericht werd?1
Hoeveel boetes zijn als gevolg hiervan in totaal ongeldig verklaard en welk bedrag is hiermee gemoeid?
Hoeveel boetes aan zwartrijdende asielzoekers zijn er op dit traject uitgeschreven sinds de COA-pas hiervoor niet meer gebruikt wordt? Hoe verhoudt dit aantal zich tot dezelfde periode vorig jaar?
Hoe wordt de actuele handhaving op zwartrijden, inclusief beboeten, door asielzoekers op dit traject vormgegeven?
Klopt het dat, zoals Arriva aangaf, de COA-pas tien jaar lang gebruikt kon worden om boetes op uit te schrijven? Zo nee, hoe lang dan wel?
Door wie is besloten dat dit per 1 januari jongstleden niet meer kon? Wanneer is dit besluit genomen, hoe is dit besluit tot stand gekomen en wanneer is het aan betrokken partijen (zoals Arriva) gecommuniceerd?
Tot wanneer is de COA-pas dit jaar nog gebruikt als identificatiemiddel om boetes uit te kunnen schrijven? Hoe heeft het kunnen gebeuren dat er zo’n lange tussenperiode is ontstaan waarin beboeten op een COA-pas niet meer kon maar toch gebeurde, met als gevolg dat vele boetes ongeldig zijn verklaard?
Wanneer was bij u bekend dat de COA-pas niet meer gebruikt kon worden om boetes op uit te schrijven, inclusief de gevolgen die deze stap had voor reeds uitgeschreven boetes?
Welke concrete stappen zijn er gezet sinds 29 september vorig jaar, toen de toenmalig Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aangaf samen met het COA, het Ministerie van Asiel en Migratie en vervoerders te werken aan verbetering om openstaande boetes voor zwartrijden door asielzoekers te innen?
Welke concrete stappen zijn er sinds het bekend worden van het schrappen van de boetes op de lijn Zwolle-Emmen gezet en door welke betrokken partijen?
Problemen bij de uitvoering van rechtsbijstand onder het Europese Migratiepact |
|
Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Juridische bijstand in asielzaken onder nieuwe EU-migratiepact loopt nu al mis: afspraken met asieladvocaten tijdelijk stopgezet»?1
Ja.
Klopt het dat in de afgelopen dagen een aanzienlijk aantal intakegesprekken tussen asielzoekers en hun rechtsbijstandverlener geen doorgang heeft kunnen vinden doordat uitnodigingen niet of te laat zijn verstuurd en vervoer niet was geregeld?
Het klopt dat na invoering van het Pact zowel intakegesprekken als nabesprekingen van het gehoor tijdelijk niet zijn doorgegaan. Sinds 25 juni 2026 stonden op de locaties Ter Apel, Den Bosch en Zevenaar de eerste gesprekken met asieladvocaten gepland na inwerkingtreding van het EU-Migratiepact. In de periode 25 t/m 29 juni zijn daar in totaal 115 gesprekken ingepland, waarvan 85 geen doorgang vonden wegens niet-verschijnen van de asielzoeker. Dit betrof met name logistieke knelpunten: uitnodigingen die de asielzoeker niet (tijdig) bereikten en vervoer dat niet was geregeld. Op de locatie Schiphol worden in de asielgrensprocedure eveneens zaken onder het Migratiepact behandeld. Daar hebben sinds 12 juni jl. alle geplande intakes en nabesprekingen volgens planning plaatsgevonden.
Hoeveel intakegesprekken en nabesprekingen zijn sinds de inwerkingtreding van het Europese Migratiepact gepland, hoeveel daarvan zijn niet doorgegaan en wat zijn daarvan de oorzaken?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de Raad voor Rechtsbijstand de planning van nieuwe rechtsbijstandsgesprekken tijdelijk heeft opgeschort? Zo ja, sinds wanneer en welke gevolgen heeft dit voor de voortgang van asielprocedures? Wanneer worden de rechtsbijstandgesprekken weer hervat?
De Raad voor Rechtsbijstand heeft op 29 juni 2026 een communicatiebericht verspreid over de logistieke problemen met de planning van kennismakingsgesprekken onder alle asieladvocaten. Advocaten die stonden ingeroosterd voor gesprekken die geen doorgang vonden, zijn individueel geïnformeerd. Op 2 juli 2026 heeft de Raad voor de Rechtsbijstand de planning in asielprocedures weer kunnen hervatten.
Welke organisaties zijn verantwoordelijk voor respectievelijk het tijdig informeren van asielzoekers over afspraken, het organiseren van vervoer, de afstemming tussen Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en Raad voor Rechtsbijstand?
Er is geen wettelijke bepaling die één partij exclusief verantwoordelijk maakt voor het tijdig informeren van asielzoekers over afspraken. In de praktijk nodigt iedere betrokken instantie de asielzoeker zelf per brief uit voor de betreffende afspraak. Post voor asielzoekers wordt geleverd bij de receptie van de opvanglocatie. De asielzoeker is zelf verantwoordelijk voor het tijdig openen en opvolgen van deze post en voor het nakomen van gemaakte afspraken. Dit wordt echter bemoeilijkt wanneer de asielzoeker (nog) niet is toegewezen aan een opvanglocatie en daardoor moeilijk bereikbaar is voor postbezorging.
Het COA is op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van openbaarvervoerskaarten voor reizen van en naar de rechtsbijstandverlener in verband met de asielprocedure. Deze verstrekking maakt onderdeel uit van het reguliere opvangpakket en vloeit voort uit de aan het COA toegekende taken op grond van de Wet COA.
Worden gehoren door de IND uitgesteld wanneer een asielzoeker vooraf geen daadwerkelijk gesprek met zijn of haar advocaat heeft kunnen voeren? Zo nee, hoe waarborgt u in dat geval het recht op effectieve rechtsbijstand? Zo ja, welke vertraging brengt dit in praktijk met zich mee?
In beginsel spreekt de aanvrager twee dagen voor het gehoor zijn advocaat voor een kennismakingsgesprek. Dit gesprek is niet bedoeld als inhoudelijke voorbereiding op het gehoor. De intake is bedoeld om de advocaat tijdig te kunnen koppelen aan een asielzoeker, kennis te maken en toegang te geven tot het dossier. Het uitblijven van dit gesprek staat het doorgaan van het gehoor daarmee niet in de weg. Twee dagen na het gehoor vindt de nabespreking met de advocaat plaats. Vanaf dat moment vervult de advocaat ook formeel een rol in de versnelde en niet-versnelde asielprocedure.
Deelt u de opvatting dat effectieve toegang tot rechtsbijstand een essentieel onderdeel vormt van een zorgvuldige asielprocedure en van de implementatie van het Europese Migratiepact?
Ja. Effectieve toegang tot rechtsbijstand is een essentieel onderdeel van een zorgvuldige asielprocedure. Dit is geborgd doordat gedurende de hele procedure rechtsbijstand beschikbaar is. Juridische counseling is beschikbaar vanaf het moment van de asielaanvraag tot aan de koppeling met een advocaat, waarna de advocaat de juridische vertegenwoordiging overneemt.
Bestaat het risico dat besluiten die onder deze omstandigheden met problemen bij de uitvoering van rechtsbijstand worden genomen door de rechter worden vernietigd vanwege onvolledige rechtsbescherming of procedurele tekortkomingen? Heeft u hierover juridisch advies ingewonnen?
De tijdelijke onderbreking van de planning van asielrechtsbijstand heeft enkele dagen geduurd. Inmiddels is de planning hervat. Dit heeft er niet toe geleid dat in lopende procedures besluiten zijn genomen zonder dat rechtsbijstand beschikbaar was. Gehoren zijn doorgegaan en in overleg met de advocatuur is gezorgd dat nabesprekingen, die aanvankelijk niet konden plaatsvinden, alsnog worden ingepland. De IND heeft vanwege de tijdelijke onderbreking geen besluit genomen en zal geen besluit nemen voordat de asielzoeker rechtsbijstand heeft ontvangen. Tegen deze achtergrond zie ik geen reëel risico dat besluiten door de rechter worden vernietigd wegens onvolledige rechtsbescherming of procedurele tekortkomingen als gevolg van deze tijdelijke onderbreking.
Zijn deze uitvoeringsproblemen het gevolg van onvoldoende voorbereiding op de invoering van het migratiepact, capaciteitsproblemen, ICT-problemen, logistieke knelpunten of andere oorzaken? Kunt u dit toelichten?
Door een achterstand bij de uitplaatsing vanuit Ter Apel naar opvanglocaties verspreid over het land moesten asielzoekers voor gesprekken met hun advocaat en voor IND gehoren naar behandellocaties in het land worden vervoerd. Dat vervoer bleek niet in alle gevallen geregeld. Daarnaast ontstonden knelpunten doordat uitnodigingen voor een gesprek met de advocaat niet tijdig op het juiste adres werden bezorgd of de asielzoeker niet bereikten. Dit werd mede veroorzaakt doordat personen niet konden uitstromen uit de Centrale Ontvangstlocatie (COL) waardoor post niet goed kon worden uitgereikt. Als gevolg hiervan konden veel gesprekken niet doorgaan. De COL is ingericht voor kortdurende opvang en niet voor langdurig verblijf. Voorzieningen voor langer verblijf, zoals een reguliere postvoorziening, waren daarom in beginsel niet beschikbaar. Dit is ondervangen door in Ter Apel een extra postkamer in te richten.
Welke acute maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat rechtsbijstand, vervoer en communicatie zo snel mogelijk weer volledig functioneren?
Om een goede overgang te borgen, zijn tijdelijke werkafspraken gemaakt tussen COA, IND en Raad voor de Rechtsbijstand over betere informatievoorziening, tijdige aanlevering van afsprakenlijsten en duidelijke afspraken over het vervoer voor asielzoekers. In Ter Apel is een extra postkamer ingericht om ervoor te zorgen dat informatie asielzoekers tijdig en correct bereikt. Volwassen asielzoekers zijn zelf verantwoordelijk voor het controleren van hun post, waaronder berichten over het contact met hun advocaat. Deze maatregelen gelden totdat er structurele afspraken worden gemaakt in de uitvoeringsketen. Met deze maatregelen functioneren de informatievoorziening, rechtsbijstand en het vervoer weer volgens de gemaakte werkafspraken. De uitvoering wordt wekelijks gemonitord, zodat de tijdelijke werkprocessen waar nodig kunnen worden bijgesteld. Hiermee wordt de uitvoering verder gestabiliseerd en worden risico's op vergelijkbare knelpunten zoveel mogelijk voorkomen.
Om herhaling te voorkomen worden structurele ketenafspraken voorbereid. Het COA, de IND en de Raad voor Rechtsbijstand verduidelijken verantwoordelijkheden in de uitvoeringsketen en stellen vaste procedures vast voor het tijdig verstrekken van uitnodigingen en het organiseren van vervoer naar afspraken met de IND en de rechtsbijstandverlener. Daarnaast wordt de informatievoorziening verder verbeterd.
Welke structurele maatregelen neemt u om te voorkomen dat vergelijkbare uitvoeringsproblemen zich opnieuw voordoen tijdens de verdere implementatie van het Europese Migratiepact?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht ‘Jodenhaat op sociale media groeit explosief’ |
|
Don Ceder (CU) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het bericht «Jodenhaat op sociale media groeit explosief»?1
Hoe beoordeelt u de conclusie dat het aantal antisemitische uitingen op Nederlandse sociale media tussen 2021 en 2024 is verdubbeld en dat directe bedreigingen tegen Joden zijn vervijfvoudigd?
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen steeds vaker gepaard gaan met gewelddadige retoriek, waaronder oproepen tot uitroeiing en moord op Joden?
Hoe beoordeelt u de constatering dat antisemitische uitingen zich niet langer beperken tot vooral binnen rechts-radicale en complotgerichte online kringen, maar zich vanaf 2023 ook verspreiden naar radicaallinkse kringen?
Hoe beoordeelt u de constatering dat buitenlandse extremistische influencers en netwerken een steeds grotere invloed hebben op Nederlandse gebruikers van sociale media? Welke mogelijkheden ziet u om deze beïnvloeding tegen te gaan?
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om online antisemitisme op sociale media en andere online platforms tegen te gaan?
Geeft het onderzoek aanwijzingen over in hoeverre zeer grote online platforms hun verplichtingen onder de Digital Services Act (DSA) om antisemitische uitingen tegen te gaan voldoende nakomen?
Meent u dat het wettelijk kader van de DSA toereikend is in het bestrijden van antisemitisme op online platforms? Zo nee, wat is er volgens u meer nodig?
Welke gesprekken voert u met online platforms over de bestrijding van antisemitische content gericht op Nederlandse gebruikers?
In hoeverre vallen platforms als 4chan en Soyzellig onder de reikwijdte van de DSA? Welke verplichtingen gelden voor dergelijke platforms? Acht u het huidige toezicht toereikend als dergelijke platforms een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van antisemitische uitingen?
Acht u de huidige capaciteit en mogelijkheden van de toezichthouder, politie, het Openbaar Ministerie en opsporingsdiensten voldoende om online antisemitisme effectief te bestrijden? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Welke aanvullende maatregelen overweegt u naar aanleiding van de bevindingen uit dit onderzoek?
De mogelijke financiering van langeafstandskruisvluchtwapens voor Oekraïne |
|
Maikel Boon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat Nederland de productie financiert van circa 700 Ruta Block 2-kruisvluchtwapens voor Oekraïne, zoals de Oekraïense Minister Mykhailo Fedorov publiekelijk heeft verklaard?1
Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, waarom is zowel tijdens de persconferentie van 17 juni 2026 als in het officiële persbericht van Defensie uitsluitend gesproken over «drones», terwijl de fabrikant de Ruta Block 2 aanduidt als een «cruise system» (kruisvluchtwapen)? Bent u van mening dat u de Tweede Kamer en de Nederlandse samenleving daarmee juist en volledig heeft geïnformeerd?2
Beschouwt u de Ruta Block 2 als een drone, een kruisvluchtwapen of een andere wapencategorie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Waarom heeft u ervoor gekozen de Tweede Kamer en de Nederlandse samenleving niet expliciet openbaar te informeren dat Nederland de productie financiert van langeafstandskruisvluchtwapens voor Oekraïne?
Bent u bereid de Tweede Kamer alsnog openbaar en ondubbelzinnig te informeren over de aard van de door Nederland voor Oekraïne gefinancierde wapensystemen? Zo nee, waarom niet?
Realiseert u zich hoe abject uw megagiften aan Oekraïne zijn, terwijl de Nederlandse bevolking grote bezuinigingen op de zorg en de sociale zekerheid te wachten staan op grond van uw coalitieakkoord en er dankzij uw wanbeleid jaarlijks miljarden euro's naar islamitische gelukzoekers gaan? Zo ja, bent u nog helemaal bij zinnen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Ondanks AZWA-afspraak worden ‘te zware’ ggz-cliënten nog steeds geweigerd' |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ondanks AZWA-afspraak worden «te zware» ggz-cliënten nog steeds geweigerd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat juist de mensen die zo hard goede zorg nodig hebben, deze vaak niet krijgen doordat zij worden geweigerd op grond van exclusiecriteria?
Ja, mensen toegang tot passende zorg weigeren vanwege «zware» of complexe problematiek vindt het kabinet zeer onwenselijk. Juist deze mensen hebben vaak de grootste zorgbehoefte. In de praktijk betekent een afwijzing bovendien regelmatig dat patiënten weer onderaan een andere wachtlijst terechtkomen, met verdere vertraging van passende zorg als gevolg.
Daarom is in het AZWA afgesproken dat dergelijke exclusiecriteria in principe worden geschrapt. Alleen wanneer een weigering zorginhoudelijk noodzakelijk is, blijft deze mogelijk.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat, ondanks de afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, er nog steeds mensen geweigerd worden door ggz-aanbieders op basis van exclusiecriteria?
Het kabinet vindt het onwenselijk wanneer cliënten ten onrechte worden afgewezen op basis van exclusiecriteria. Soms zijn exclusiecriteria overigens wel gerechtvaardigd, bijvoorbeeld wanneer een aanbieder de kwaliteit of veiligheid van de zorg niet kan waarborgen, de benodigde expertise ontbreekt of een andere aanbieder aantoonbaar beter passende zorg kan leveren.
Erkent u dat de gevolgen voor betrokkenen enorm groot kunnen zijn, met onder meer de mogelijkheid tot verergering van klachten en verlies van vertrouwen in de zorg en in de overheid?
Ja. Wanneer mensen met een complexe zorgvraag worden afgewezen op basis van onterechte exclusiecriteria, kan dat grote gevolgen hebben. Zij lopen het risico dat passende zorg wordt uitgesteld, klachten verergeren en het vertrouwen in de zorg afneemt. Juist daarom is in het AZWA met betrokken partijen afgesproken dat zorgaanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria, behalve wanneer dit strikt noodzakelijk is voor zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderingsgevallen. Enkel voor een aantal «laag volume, hoog complexe zorgvragen» kunnen exclusiecriteria gelden, op basis waarvan vanuit een regio kan worden doorverwezen naar een landelijke voorziening. Tegelijkertijd blijft het van belang dat zorgaanbieders, verwijzers en zorgverzekeraars gezamenlijk hun verantwoordelijkheid nemen om te voorkomen dat cliënten tussen wal en schip raken.
Kunt u uiteenzetten hoeveel meldingen er in 2026 binnen zijn gekomen over mensen die geweigerd zijn voor een ggz-behandeling op grond van exclusiecriteria zoals suïcidaliteit, autisme, hoge complexiteit of andere omstandigheden?
Nee, er is namelijk geen (landelijke) partij die dit registreert.
Bent u bekend met de aangenomen motie Synhaeve2 waarin verzocht wordt om binnen drie maanden na het afsluiten van de nieuwe contracten de Kamer te informeren of er inderdaad geen exclusiecriteria meer gebruikt worden? Kunt u toelichten hoe u, naast de uitvoering van deze motie, verder gaat toezien op naleving van de AZWA-afspraak dat ggz-aanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria?
Ja. Ik ben bekend met de motie-Synhaeve.3
De motie sluit aan bij de afspraken die in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn gemaakt over het terugdringen van exclusiecriteria. Afgesproken in het AZWA is dat ggz-aanbieders vanaf 2026 stoppen met het hanteren van exclusiecriteria, behalve wanneer dit strikt noodzakelijk is in zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderingsgevallen. Hiermee wordt beoogd het verwijzen door huisartsen te vereenvoudigen, patiënten sneller passende zorg te bieden en te voorkomen dat patiënten van aanbieder naar aanbieder worden doorverwezen.
Conform de AZWA afspraken gaan zorgverzekeraars vanaf 2027 actief sturen op het terugdringen van de exclusie criteria door deze te verwerken in hun inkoopbeleid. Het uitgangspunt is dat in iedere regio voldoende kwalitatief goed aanbod wordt gecontracteerd. Samenwerking in de regio tussen grote geïntegreerde instellingen en kleinschalige aanbieders is daarbij van belang. Onderdeel van de afspraken is ook dat zorgverzekeraars inzetten op proactieve zorgbemiddeling, zodat mensen die niet direct bij een aanbieder terecht kunnen actief worden geholpen bij het vinden van passende zorg.
Het kabinet vindt het belangrijk dat deze afspraken eerst de kans krijgen hun effect te laten zien. Daarom ligt de nadruk de komende periode op de uitvoering en monitoring van de gemaakte afspraken. De uitvoering van de motie biedt daarbij een moment om te beoordelen in hoeverre de afspraken in de praktijk effect sorteren. Eind van dit jaar kan er een eerste beeld geschetst worden en in het voorjaar van 2027, als alle informatie voor handen is, valt er een totaalbeeld te geven. Op dit moment ziet het kabinet geen aanleiding om vooruitlopend daarop nieuwe maatregelen of extra toezichtinstrumenten aan te kondigen.
Waar kunnen cliënten zich melden wanneer ze worden afgewezen op basis van exclusiecriteria? Welke actie wordt hier vervolgens op ondernomen?
Wanneer een cliënt wordt afgewezen op basis van exclusiecriteria, bestaat er geen centraal meldpunt. In eerste instantie kan de patiënt in gesprek gaan met de zorgaanbieder om de reden van de afwijzing te bespreken. Van de aanbieder mag worden verwacht dat deze meedenkt over een passend alternatief en zorgt voor een goede overdracht.
Daarnaast kan de patiënt contact opnemen met de zorgverzekeraar. De zorgverzekeraar kan vanuit zijn zorgplicht bemiddelen naar een andere passende aanbieder en nagaan waar wel passende zorg beschikbaar is. Ook kan de verwijzer, zoals de huisarts of behandelaar, een rol spelen door opnieuw te verwijzen of contact op te nemen met een andere instelling.
In sommige regio's bestaan daarnaast regionale overlegtafels of escalatieroutes voor complexe casuïstiek (regionale doorzettingsmacht), maar deze zijn niet landelijk georganiseerd. Wanneer een patiënt vindt dat een afwijzing onzorgvuldig is verlopen, kan een klacht worden ingediend bij de klachtenfunctionaris of geschillencommissie van de aanbieder. Tot slot kunnen signalen over structurele problemen met de toegankelijkheid van zorg of de naleving van de zorgplicht worden gemeld bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), die deze signalen kan betrekken bij haar toezicht.
Wie is volgens u verantwoordelijk wanneer een cliënt met een complexe zorgvraag door een ggz-aanbieder wordt afgewezen op grond van exclusiecriteria en vervolgens zonder warme overdracht of passende behandelplek terugvalt op de huisarts?
In ons zorgstelsel ligt deze verantwoordelijkheid bij meerdere partijen.
De ggz-aanbieder is verantwoordelijk voor een goed onderbouwde afwijzing van zorg. De aanbieder moet motiveren waarom passende zorg niet geboden kan worden en meedenken over een passend alternatief en een zorgvuldige (warme) overdracht.
De zorgverzekeraar heeft een zorgplicht. Als een verzekerde niet tijdig passende zorg krijgt, moet de zorgverzekeraar bemiddelen en ervoor zorgen dat de cliënt ergens terechtkan. De zorgverzekeraar kan aanbieders aanspreken en zorg inkopen waar nodig.
De verwijzer (vaak de huisarts) blijft vaak de coördinerende rol vervullen totdat passende specialistische zorg is gevonden.
Welke actie gaat u ondernemen op basis van dit nieuws?
De afspraken die binnen het AZWA zijn gemaakt voor het inkoopjaar 2027 moeten eerst de kans krijgen om effect te sorteren. Het kabinet wil daarom eerst deze effecten bezien.
De Kamerbrief ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof’ |
|
Mona Keijzer |
|
van Essen |
|
Kunt u per provincie aangeven hoeveel agrarische bedrijven binnen de voorgestelde bufferzones van 500 meter en 1 kilometer rondom Natura 2000-gebieden liggen?
Deze cijfers zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM over dit onderwerp.1
Voor de zones tot 500 meter gaat het in totaal (voor alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, exclusief grote wateren), over 3.077 agrarische bedrijven, 66 industriële bedrijven, en ca. 153.000 hectare landbouwgrond. De cijfers per gebied, ook voor zones tot 1.000 meter, zijn te vinden in de kennisnotitie van het RIVM en bijbehorende databestanden.
De uiteindelijke selectie van gebieden en vastgelegde begrenzing is uiteindelijk leidend voor de precieze hectares en bedrijfsaantallen die in de zones zullen vallen.
Kunt u per provincie aangeven hoeveel andere bedrijven binnen deze bufferzones liggen, uitgesplitst naar sector?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel hectare landbouwgrond komt binnen deze bufferzones te liggen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket extra maatregelen moet nemen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten extensiveren? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket moeten verplaatsen? Hoeveel agrarische bedrijven verwacht u dat door dit pakket uiteindelijk zullen stoppen?
Het kabinet kiest voor een aanpak gebaseerd op duidelijke normen en kaders, waarbinnen ondernemers de ruimte krijgen om zelf te kiezen op welke wijze ze hieraan willen voldoen (mogelijkheden uit trappetje van Remkes: innoveren, extensiveren, verplaatsen, omschakelen of stoppen). Dit betekent dat op voorhand niet te zeggen is hoeveel bedrijven welke ontwikkelrichting kiezen. Wel is het de verwachting dat bijna alle veehouderijen aanpassingen moeten doen binnen hun bedrijfsvoering en ook in de akkerbouw zullen aanpassingen nodig zijn. De mate waarin en de manier waarop is afhankelijk van de huidige bedrijfsvoering, de locatie van het bedrijf en de keuze in ontwikkelrichting van de ondernemer. Met de aanpak van het kabinet komt de vergunningverlening juist weer in beweging en gaat Nederland stapsgewijs van het slot.
Hoeveel andere bedrijven verwacht u dat door dit pakket worden beperkt in hun bedrijfsvoering of vergunningverlening?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel bedrijven krijgen te maken met een stapeling van maatregelen, zoals bufferzones, emissieplafonds, grondgebondenheid en aanvullende gebiedseisen?
Het is niet te zeggen om hoeveel bedrijven dit precies gaat, aangezien dit afhankelijk is van de specifieke bedrijfssituatie. Generieke maatregelen, zoals bedrijfsspecifieke emissienormen en grondgebondenheid, gelden in heel Nederland. Binnen de uiteindelijke begrenzing van zones rond Natura 2000-gebieden en in kwetsbare watergebieden worden daarnaast aanvullend gebiedsgerichte maatregelen getroffen. Hier is ook aanvullende gebiedsgerichte ondersteuning beschikbaar om het ook voor deze boeren behapbaar te houden.
Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor woningbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor landbouw? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor industrie? Hoeveel vergunningen verwacht u vóór 1 januari 2027 alsnog te kunnen verlenen voor infrastructuur?
Voor de projecten waar u naar verwijst, is hoofdzakelijk de provincie het bevoegd gezag voor vergunningverlening. Ik heb geen overzicht van de lopende of nieuwe aanvragen bij de provincies, en kan daarom geen exacte aantallen noemen.
Het aantal vergunningen dat daadwerkelijk wordt verleend, hangt bovendien af van factoren die per aanvraag verschillen, waaronder de specifieke situatie van het project en de staat van de natuur in het betreffende gebied.
Dit geldt ook voor het aantal woningbouwprojecten dat vooruitlopend op de invoering van de rekenkundige ondergrens doorgang kan vinden. Het effect van de ondergrens werkt per project verschillend uit, afhankelijk van de afstand tot het betreffende Natura 2000-gebied.
Ik kan dan ook geen betrouwbare prognose geven van het aantal vergunningen, woningen of bedrijven dat hiermee gemoeid is, uitgesplitst naar sector of peildatum.
Hoeveel woningbouwprojecten kunnen volgens u voor invoering van de rekenkundige ondergrens alsnog doorgaan?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel woningen levert dit pakket voor 1 januari 2028 daadwerkelijk op?
Zie antwoord vraag 7.
Hoeveel bedrijven kunnen tot eind 2027 geen vergunning krijgen om hun bedrijf uit te breiden of te verduurzamen?
Zie antwoord vraag 7.
Welke maatregelen neemt u om vergunningverlening weer op gang te brengen zolang de rekenkundige ondergrens nog niet is ingevoerd?
We verwachten dat op korte termijn per Natura 2000-gebied een plan wordt opgesteld waarmee additionaliteit kan worden onderbouwd. Als wordt aangetoond dat de natuur niet verslechtert en behoud wordt geborgd, kan – bij deze gebieden – intern en extern worden gesaldeerd en komt vergunningverlening los. Parallel hieraan wordt met voorrang gezorgd dat verduurzaming versneld doorgang kan vinden.
Waarom kiest u ervoor de rekenkundige ondergrens pas uiterlijk eind 2027 in te voeren?
Het kabinet wil de ondergrens zo snel mogelijk invoeren, maar uiterlijk eind 2027. Voor een verantwoorde invoering zijn echter ook beheersmaatregelen nodig. Alle deposities onder de rekenkundige ondergrens tellen bij elkaar op en kunnen lokaal voor een toename van depositie zorgen. Daarom is onder andere geadviseerd door de wetenschappers Arthur Petersen en Chris Backes om flankerend beleid in te voeren. Als kabinet volgen we deze adviezen. Het uitwerken en borgen van deze beheersmaatregelen pakken we met urgentie op, maar dit kost wel tijd.
Daarnaast wordt de technische en praktische werking van de rekenkundige ondergrens nog nader uitgewerkt.
Welke juridische, technische en wetenschappelijke belemmeringen maken een eerdere invoering onmogelijk?
Zie antwoord vraag 12.
Heeft u onderzocht wat invoering van een rekenkundige ondergrens van 1 mol zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Op 4 juli 2024 heeft het Interprovinciaal Overleg (IPO) de Interbestuurlijke Verkenning Rekenkundige Ondergrens opgeleverd.2 Daarin is ook een impactanalyse voor verschillende sectoren in opgenomen. De verwachting is dat vooral PAS-melders, de woningbouw, en kleine projecten geholpen zullen worden.
Heeft u onderzocht wat een bestuurlijke drempelwaarde, vergelijkbaar met de Duitse systematiek, zou betekenen voor vergunningverlening? Zo ja, waarom is daar niet voor gekozen?
De mogelijkheden voor een drempelwaarde zijn ook betrokken bij de hierboven genoemde verkenning van IPO. Als de beheersmaatregelen voor de rekenkundige ondergrens eind 2027 nog onvoldoende geborgd blijken, zal het kabinet gaan inzetten op de invoering van gebieds-specifieke drempelwaardes
Hoeveel PAS-melders verwacht u voor eind 2027 daadwerkelijk te legaliseren?
Het Programma Maatwerk PAS-melders biedt verschillende oplossingsrichtingen waarmee de PAS-melder weer in een legale situatie terechtkomt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met ondersteuning van een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij de bedrijfsspecifieke situatie past. Het programma streeft ernaar om voor elke PAS-melder uiterlijk in maart 2028 een oplossing in beeld te hebben. De oplossing hoeft in maart 2028 nog niet volledig geïmplementeerd te zijn, de ondersteuning vanuit Rijk en provincies loopt door tot en met 2030 zodat er ruimte is voor de implementatie van de oplossing en het traject van vergunningverlening.
Welke extra maatregelen neemt u om PAS-melders voor invoering van de rekenkundige ondergrens sneller duidelijkheid te geven?
Met de invoering van de rekenkundige ondergrens zal een deel van de PAS-melders een oplossing hebben, omdat zij met hun gehele activiteit binnen deze grens blijven. Zij krijgen geen vergunning, maar er komt wél een einde aan hun onzekerheid. Voor de andere PAS-melder presenteert het programma andere oplossingsrichtingen. Om het maatwerkprogramma extra slagkracht te geven, wordt er € 350 miljoen extra vrijgemaakt. PAS-melders kunnen, indien gewenst, met een zaakbegeleider verkennen welke oplossing het beste bij hen past.
Op basis van welke wetenschappelijke onderzoeken is gekozen voor bufferzones van 500 meter en 1 kilometer?
Het nut en de noodzaak van zoneringsbeleid is terug te lezen in publicaties van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).3 De cijfermatige onderbouwing van de zones is gebaseerd op de cijfers uit de bijpassende kennisnotitie van het RIVM4. Daarnaast zijn verschillende wetenschappelijke onderzoeken benut om inzichtelijk te maken welke afstanden passend zijn om druk vanuit agrarische activiteiten en grondgebruik op het Natura 2000-gebied te beperken. Denk daarbij aan verspreiding van nutriënten via het bodem- en watersysteem, of de verspreiding van schadelijke stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen via drift, water, atmosferische depositie of via ongewervelden. De passende afstand verschilt per drukfactor en hangt samen met de knelpunten die in de natuurdoelanalyses per gebied opkomen. Daarmee is 500 meter naar voren gekomen als minimale afstand om breed aan het verminderen van drukfactoren op Natura 2000-gebieden te voldoen.
Bent u bereid deze onderzoeken met de Kamer te delen?
Deze onderzoeken zijn reeds openbaar, zie hiervoor de links in de voetnoten bij de beantwoording van de vorige vraag.
Bent u bekend met het onderzoek van de Universiteit van Amsterdam waaruit blijkt dat ongeveer 90 procent van de uitgestoten stikstof in hogere luchtlagen terechtkomt en elders neerslaat, terwijl van de circa 10 procent die binnen 500 meter neerslaat, het grootste deel al binnen 100 meter van de bron terechtkomt? Waarom kiest het kabinet desondanks voor bufferzones van 500 meter en één kilometer?1
Dat onderzoek is bij mij bekend. Het onderzoek bevestigt eerdere bevindingen van het RIVM dat dichtbij de bron de meeste stikstof per hectare neerslaat en dat die bijdrage langzaam afneemt naarmate de afstand groter wordt. Ook op meer dan 100 meter kunnen emissiebronnen echter nog tot veel stikstofdepositie leiden, zeker als we kijken naar de optelsom van alle bijdragen per hectare. Uit ander onderzoek van het RIVM6 blijkt dat tot 1.000 meter van het gebied, stikstofmaatregelen ongeveer 2,5x effectiever zijn dan generieke maatregelen.
Waarom kiest u voor generieke bufferzones rond Natura 2000-gebieden, terwijl de problemen per natuurgebied verschillen?
De komende periode gaat het kabinet aan de slag met de verdere uitwerking van de zoneringsaanpak. Daarbij worden enerzijds instructieregels uitgewerkt, waaronder over de breedte van de zones. Deze vormen de ruggengraat van het Rijk om te komen tot een zoneringsaanpak. Anderzijds krijgen gebieden de mogelijkheid om tot 1 januari 2028 met een gebiedseigen oplossing te komen die gelijk is in doelbereik, financiën en juridische borging. Dit kan bijvoorbeeld vormgegeven worden via een omwisselbesluit. Daarbij zoekt het kabinet een balans tussen een gelijk speelveld en ruimte bieden voor gebiedseigen oplossingen. In beide gevallen is er daarbij ruimte voor provinciale doorvertaling van de landelijke beleidsvoornemens en kaders naar specifieke Natura2000-gebieden.
Allereerst maakt het kabinet onderscheid tussen gebieden waar zonering geen nut en noodzaak heeft, waar wordt ingezet op een 500 meter zone en waar wordt ingezet op een 1.000 meter zone. Een deel van de instructieregels zal ook afwegingsruimte bevatten binnen kaders. Daar is sprake van voor:
Heeft u onderzocht wat kleinere, gebiedsgerichte bufferzones of zones van maximaal 250 meter zouden betekenen voor natuurherstel en vergunningverlening? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Uit de reflectie van PBL, RIVM, Deltares en Wageningen University and Research (WUR) op het MCEN pakket7 met zones van 250 meter is naar voren gekomen dat deze afstanden onvoldoende doen om achteruitgang te stoppen. Deze afstanden zijn niet passend bij een integraal pakket aan gebiedsgerichte maatregelen dat nodig is om druk vanuit de landbouw op Natura 2000-gebieden zo veel mogelijk te verzachten. Daarnaast zorgen zones van 250 meter voor meer uitdagingen op het gebied van grondmobiliteit en het mogelijk maken van een volwaardige extensieve bedrijfsvoering voor bedrijven met percelen in de zones. Daarbij is er ook een afweging te maken. In kleinere zones zal er een grotere opgave liggen in de zone zelf. Deze opgave is dusdanig dat er niet tot nauwelijks ruimte is voor landbouw in de zone. Een grotere zone dan 250 meter raakt meer bedrijven. Tegelijkertijd blijft er hierdoor ruimte voor extensieve vormen van landbouw.
Klopt het dat de huidige AERIUS-systematiek en de bestaande natuurdoelanalyses voorlopig blijven gelden en dat de Kritische Depositiewaarde daardoor in de praktijk voorlopig een belangrijke rol blijft spelen bij vergunningverlening?
Dat klopt. Bij toestemmingverlening zal de best beschikbare wetenschappelijke kennis benut blijven worden, dat verlangt de rechter ook van ons.
Wat verandert er morgen concreet voor een ondernemer die een natuurvergunning aanvraagt ten opzichte van de situatie voor deze Kamerbrief?
Met de kabinetsaanpak zetten we de essentiële stappen om vergunningverlening weer stapsgewijs mogelijk te maken. Het vraagt nadere uitwerking voordat er in de praktijk weer meer vergunningen kunnen worden verleend. Daar gaan we mee aan de slag.
Op basis van welke juridische adviezen verwacht u dat de nieuwe systematiek beter standhoudt bij de rechter dan de huidige?
Het kabinet kiest voor een omvangrijk pakket met juridisch geborgde maatregelen waar nodig. Het gaat bijvoorbeeld om de bedrijfsspecifieke emissienormen, wettelijke doelstellingen en de regels op zonering. Met daarbij aandacht voor monitoring en bijsturing. Dit is niet gebaseerd op een nieuwe systematiek, maar bouwt voort op de inzet van het vorige kabinet en het advies dat de Landsadvocaat toentertijd heeft gegeven. Daarbij benadrukt de Landsadvocaat onder meer het belang van een goede borging van maatregelen.
Kunt u uitsluiten dat de maatregelen uit dit pakket ertoe leiden dat boeren hun veestapel moeten verkleinen?
Dat kan ik niet uitsluiten. Dit maatregelpakket zal van sommige veehouderijen ingrijpende besluiten vragen, bijvoorbeeld van intensieve melkveebedrijven om aan de grondgebondenheidsnorm te voldoen. Hierbij hebben deze ondernemers afhankelijk van de situatie verschillende mogelijkheden, zoals het kopen of pachten van extra grond, het aangaan van samenwerking met akkerbouwers in de omgeving, of het verminderen van het aantal dieren. Het kabinet treft flankerende maatregelen om boeren hierbij te ondersteunen.
Indien u dat niet kunt uitsluiten, hoeveel boeren verwacht u dat hierdoor minder dieren zullen moeten houden?
Omdat ondernemers verschillende ontwikkelrichtingen hebben om aan de verschillende normen te voldoen, is het op voorhand niet te zeggen hoeveel boeren hierdoor minder dieren zullen gaan houden. Het kabinet biedt brede ondersteuning gericht op de verschillende ontwikkelrichtingen.
Heeft het kabinet berekend met hoeveel koeien, varkens en kippen de Nederlandse veestapel als gevolg van dit pakket zal afnemen? Zo ja, wilt u deze berekeningen met de Kamer delen?
Het kabinet zet in op het verlagen van de emissies op bedrijfsniveau via doelsturing. Met stalaanpassingen en managementmaatregelen is er in deze sectoren nog veel emissiereductie te realiseren. Omdat het kabinet niet het onmogelijke wil vragen van ondernemers, zijn deze normen gebaseerd op het technisch reductiepotentieel. Dat betekent ook dat hiermee niet de gehele opgave gerealiseerd kan worden. Daarom zet het kabinet ook in op aanvullende generieke reductiemaatregelen, waaronder vrijwillige beëindiging, extensivering en afroming. Het resultaat van deze maatregelen is onder andere afhankelijk van de deelname bereidheid en van de dynamiek op de markt. Een exacte inschatting van het gevolg voor het aantal dieren in de verschillende sectoren is daarom op voorhand niet te maken.
Klopt het dat ondernemers die willen investeren in emissiereducerende technieken daarvoor vaak eerst een natuurvergunning nodig hebben?
Met het voorliggende pakket vertrouw ik erop dat natuurvergunningen voor verduurzamingsprojecten op korte termijn weer verleend kunnen worden. Vooruitlopend op reguliere toestemmingeverlening werkt het kabinet met voorrang aan het versneld mogelijk maken van verduurzaming. Hierbij wordt gekeken naar onder andere de passende maatregel als instrument. Daarnaast bespreekt het Rijk met provincies welke routes zij zien voor toestemming voor verduurzamingactiviteiten. Zo wordt verduurzaming weer een onderdeel van de oplossing.
Het is afhankelijk van de maatregel of nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Zo zullen voor managementmaatregelen over het algemeen geen nieuwe natuurvergunningen nodig zijn. Voor stalmaatregelen is dat vaak wel het geval. Daarvoor kan toestemmingverlening weer in gebieden waar het pakket behoud van de natuur borgt. Waar dat niet het geval is, kan de passende maatregel worden ingezet om toch de verduurzaming doorgang te laten vinden, dan is geen natuurvergunning nodig.
Hoe voorkomt u dat bedrijven die willen investeren en verduurzamen opnieuw vastlopen doordat zij geen natuurvergunning kunnen krijgen?
Zie antwoord vraag 29.
Hoeveel verschillende landelijke en gebiedsgerichte regels krijgen agrarische ondernemers als gevolg van dit pakket? Acht u dit een vereenvoudiging van het stikstofbeleid?
Het is nog niet definitief vast te stellen hoeveel verschillende regels precies uit dit pakket volgen, omdat nog niet alle regels volledig zijn vastgesteld. Het is niet waarschijnlijk dat het pakket direct leidt tot een vereenvoudiging van het stikstofbeleid, maar er zijn wel onderdelen die leiden tot vereenvoudiging, zoals het verhogen van de rekenkundige ondergrens. Tevens biedt het ondernemers meer duidelijkheid over wat er van hen verwacht wordt, onder meer met de bedrijfsspecifieke emissienormen en de grondgebondenheidsnorm. Agrarische ondernemers kunnen binnen deze kaders en met de beschikbare ondersteuning keuzes maken die passen bij hen als ondernemer, bij hun bedrijf en bij de omgeving van het bedrijf. Bij het inrichten van het pakket wordt rekening gehouden met bestaande regelgeving en het zo eenvoudig mogelijk houden van de wet- en regelgeving.
Heeft het kabinet onderzocht wat de stapeling van al deze maatregelen betekent voor een gemiddeld agrarisch bedrijf? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Het kabinet realiseert zich dat het maatregelpakket veel impact kan hebben op agrarische bedrijven, ook in termen van het verdienvermogen. Met breed ondersteuningsbeleid gaat dit kabinet naast de ondernemer staan en wordt er ondersteuning geboden voor de verschillende ontwikkelrichtingen. PBL, WUR en RIVM zullen het maatregelpakket beoordelen, onder meer op emissiereductie en sociaaleconomische aspecten. Onderdeel van de reflectie van de kennisinstellingen op sociaaleconomische aspecten van het beleid is ook een inschatting van het effect van het pakket op het verdienvermogen van de agrarische sector. We hebben de kennisinstellingen verzocht om hun reflecties gereed te hebben vóór de behandeling van de LVVN-begroting in de Tweede Kamer.
Voor de wettelijke borging van verschillende maatregelen is het daarnaast noodzakelijk om de sociaaleconomische gevolgen goed in beeld te hebben.
Kunt u per maatregel aangeven welke bedoeld is om vergunningverlening weer op gang te brengen en welke bedoeld is om de landbouwsector structureel te veranderen?
De maatregelen in de aanpak vormen één samenhangend geheel. De bedrijfsspecifieke emissienormen in de landbouw werken alleen met genoeg ondersteunende maatregelen. De zoneringsaanpak rond Natura 2000-gebieden werkt alleen als extensivering ook mogelijk wordt gemaakt. De stap naar extensivering en verduurzaming is alleen mogelijk als dat economisch loont, en als ook de hele keten meedoet. En ruimte voor vergunningverlening ontstaat alleen als de natuur op orde komt. Daarmee zijn alle onderdelen van de aanpak nodig om de vergunningverlening weer op gang te brengen. Tegelijkertijd kijken we naar de synergie van het pakket met andere opgaven, door bijvoorbeeld ook gewasbescherming, dierwaardigheid en klimaat mee te nemen.
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de Nederlandse voedselproductie, voedselzekerheid en de afhankelijkheid van voedselimport? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
In Nederland is er een ruim, divers en voor de meeste mensen betaalbaar aanbod van voedsel. Dit is het resultaat van voedselproductie hier en de invoer van voedsel uit landen die onderdeel zijn van de Europese Unie, alsook van daarbuiten. Juist de combinatie van eigen productie en de mogelijkheden voor import maakt dat we voedselzeker zijn. Ondanks dat de samenstelling mogelijk verandert, zet dit kabinet zich in voor een toekomstbestendige landbouwsector die een duurzame bijdrage levert aan voedselzekerheid in Nederland en elders, ook op de langere termijn. De Staatssecretaris werkt aan een Voedselzekerheidsagenda en zal de Kamer spoedig informeren over de contouren en het proces.
Kunt u garanderen dat ondernemers die de komende jaren investeren om aan alle nieuwe regels te voldoen, niet later alsnog worden geconfronteerd met extra beperkingen of een generieke korting op productierechten?
Wanneer is voor het kabinet de vrijwillige aanpak niet langer voldoende? Welke criteria hanteert u om over te gaan tot dwingende maatregelen?
Kunt u uitsluiten dat ondernemers uiteindelijk worden gedwongen hun bedrijf of veestapel te verkleinen als de gestelde doelen niet worden gehaald?
Bent u zich ervan bewust dat de mogelijkheid van dwingende maatregelen en voortdurende onzekerheid grote gevolgen kan hebben voor de waarde en financierbaarheid van agrarische bedrijven? Heeft u dit onderzocht?
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen dit pakket heeft voor de bereidheid van banken en andere financiers om agrarische bedrijven te financieren? Zo ja, wilt u deze analyse met de Kamer delen?
Voor boeren, banken en financiers heeft de juridische onzekerheid over vergunningverlening afgelopen jaren geleid tot een terughoudendheid om te investeren in de doorontwikkeling van agrarische bedrijven. Vergunningen zijn een belangrijke randvoorwaarde om financiering te verstrekken aan agrarische bedrijven. Eind vorig jaar gaf bijvoorbeeld de Rabobank aan dat er in de landbouw vooral is geïnvesteerd in grond, en minder in innovaties zoals technieken of nieuwe stallen. Het kabinet heeft het vertrouwen dat door dit pakket de vergunningverlening weer op gang komt, net als de investeringen in deze sector.
Bent u bereid deze vragen, gelet op het debat over de Samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof van 1 juli 2026, voor aanvang van dat debat te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de staatssecretaris dreigt de Kamer te passeren voor versoepeling van de bescherming van de wolf |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat de Kamer middels motie-Kostić (Kamerstuk 33 118, nr. 310) de regering heeft verzocht geen verdere stappen te zetten in de voorbereiding of uitvoering van de voorgestelde wijziging van het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving, tot het nieuwe kabinet is aangetreden en de Kamer inzicht heeft kunnen krijgen in het voorgenomen besluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen?
Ja.
Erkent u dat dit definitieve oordeel moet worden geveld door de Kamer ten tijde van een voorgenomen besluit van het nieuwe kabinet, voordat er verdere stappen door het kabinet kunnen worden genomen?
De aangenomen motie Kostić verzoekt inderdaad geen verdere stappen te zetten tot het nieuwe kabinet (het kabinet Jetten) is aangetreden en uw Kamer inzicht heeft gekregen in het gewijzigde ontwerpbesluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen. Ik heb uw Kamer inzicht gegeven in het gewijzigde ontwerpbesluit, maar uw Kamer heeft nog geen oordeel over het ontwerpbesluit geveld. Ik heb uw Kamer gelet op het belang van spoedige vaststelling van het besluit meermaals opgeroepen om dit debat zo snel als mogelijk met mij te voeren. Het afwachten van dit oordeel is echter geen vereiste in het totstandkomingsproces van het ontwerpbesluit. Een algemene maatregel van bestuur (amvb) onder de Omgevingswet kent op grond van artikel 23.5, eerste lid, van de Omgevingswet een voorhangprocedure. Dit betekent dat het ontwerp van amvb wordt voorgelegd aan het parlement, zodat uw Kamer zich over het ontwerp kan uitspreken, maar vereist niet dat wordt gewacht op een definitief oordeel of instemming. Deze voorhangprocedure is gestart op 10 juni 2025 en is inmiddels doorlopen. Daarbij heeft uw Kamer middels het tweeminutendebat Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals) van 29 januari jl. uw reactie aan de regering kenbaar gemaakt.
Waarom heeft u recent in de media laten weten dat u de wetgeving voor het zomerreces wil invoeren, of de Kamer er nou over kan debatteren of niet?1
Het is belangrijk dat de amvb in werking kan treden voor het zomerreces, om handvatten voor de aanpak van probleemwolven te bieden. Hier vragen provincies en gemeenten om. Daarom heb ik uw Kamer gevraagd deze amvb zo snel mogelijk te behandelen (Kamerstuk II 2025/26, 33 576, nr. 486). Het welpenseizoen staat voor de deur. Als er onverhoopt incidenten zijn deze zomer, wil ik dat gemeenten en provincies zo snel mogelijk kunnen handelen en daarbij gebruik kunnen maken van de mogelijkheden die deze amvb biedt.
Kunt u zich voorstellen dat uw woorden, waarin het lijkt alsof u dreigt met het passeren van de Kamer, als niet passend worden ervaren?
Ik vind het vervelend dat mijn woorden door het lid Kostic zo worden ervaren en zal u mijn dilemma schetsen. Gezien de urgentie en het lopende recreatieseizoen, wil ik snel handelen. Daarom heb ik spoedadvies gevraagd aan de Raad van State. Uw Kamer heeft mij ook gevraagd snel te handelen middels de motie van het lid Ten Hove die de regering verzoekt zo spoedig mogelijk te komen met een juridisch houdbare beheerstrategie voor het aanpakken van probleemwolven en probleemsituaties, daarbij nadrukkelijk aandacht te besteden aan monitoring en preventie en medeoverheden actief te betrekken bij de uitwerking (Kamerstuk II 2025/26, 36 800 XIV, nr. 51). Dit verzoek staat op gespannen voet met het laatste deel van de motie Kostić. De motie Kostić is bijna helemaal uitgevoerd; alleen het laatste deel van het in deze motie geformuleerde verzoek kan ik door de grote tijdsdruk niet uitvoeren, mede omdat uw Kamer ervoor heeft gekozen de amvb vooralsnog niet te behandelen.
Als de wetgeving zo urgent voor u is, waarom heeft u dan het Nationaal Wolvenberaad geannuleerd een dag voor uw mededeling dat u zo snel mogelijk de wetgeving wil invoeren? Ziet u de meerwaarde van overleg met het Nationaal Wolvenberaad voordat definitieve besluiten door de Kamer worden genomen? Zo nee, waarom niet?2
Het Nationaal Wolvenberaad vormt geen onderdeel van de totstandkomingsprocedure van de amvb. Ik wil dit beraad benutten om persoonlijk kennis te maken met vertegenwoordigers van verschillende overheden en maatschappelijke organisaties betrokken bij het wolvendossier in Nederland. Met deze partijen wil ik vanuit verschillende perspectieven input krijgen over de ontwikkelingen rondom wolven en de rol die de verschillende partijen in het dossier hebben en voor zichzelf zien. Ook wil ik het Nationaal Wolvenberaad voeren om de vervolgstappen met alle relevante partijen te bespreken.
Helaas heb ik op heel korte termijn de geplande afspraak moeten annuleren. Er was die ochtend een overleg van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof ingelast waar ik bij aanwezig moest zijn. Ik wil bij het Nationaal Wolvenberaad persoonlijk spreken met de diverse partijen de te maken hebben met het wolvendossier. Daarom heb ik besloten het beraad te verplaatsen naar het najaar.
Kunt u zich voorstellen dat de Kamer ook een extreem drukke agenda heeft waarin allerlei andere belangrijke zaken nog afgerond moeten worden voor het zomerreces en de werklast al hoog ligt (bij zowel Kamerleden als medewerkers), waardoor de Kamer het debat over het ontwerpbesluit liever vlak na het zomerreces zou willen voeren? Kunt u die situatie respecteren en niet in de media communiceren dat u het definitieve besluit doorzet voor het zomerreces zonder dat de Kamer er een definitief oordeel over heeft geveld?
De Kamer is via de brieven van 24 april en 8 juni 2026 geïnformeerd over de laatste wijzigingen in de AMvB. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, vind ik het van het allergrootste belang dat de amvb voor het zomerreces in werking kan treden om zo provincies en gemeenten deze zomer al meer mogelijkheden te bieden om op te treden indien er onverhoopt incidenten zijn met wolven. Daarom heb ik de Kamer opgeroepen dit debat zo spoedig mogelijk in te plannen.
Kunt u bevestigen dat u zich houdt aan de wens van de Kamer en dat u het respecteert als de Kamer na het zomerreces definitief over het betreffende Ontwerpbesluit wil beslissen?
Zoals ik in mijn eerdere antwoorden heb aangegeven vind ik het van het allergrootste belang dat de amvb voor het zomerreces in werking treedt. Ik zal aan eventuele wensen van de Kamer die na het zomerreces worden geformuleerd naar beste kunnen invulling geven.
Als de Kamer het debat na het zomerreces gaat voeren over het ontwerpbesluit, ziet u nog mogelijkheden om alsnog voor dat debat overleg te plegen met het Nationaal Wolvenberaad?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 heb aangegeven, vormt het Nationaal Wolvenberaad geen onderdeel van de totstandkomingsprocedure van de amvb. Het beraad zal in het najaar plaatsvinden, een exacte datum is hiervoor nog niet vastgesteld. Ik begrijp dat er in uw Kamer een meerderheid is voor het inplannen van een debat over de wolf de eerste week na het reces, op basis van de Regeling van werkzaamheden op 30 juni 2026. In dat geval zal het wolvenberaad na het debat plaatsvinden.
Kunt u een exact overzicht geven van alle personen en organisaties die waren uitgenodigd voor dat Nationaal Wolvenberaad?
Deelnemers aan het Nationale Wolvenberaad zijn:
Kunt u deze vragen één voor één uiterlijk dinsdag 30 juni 2026 beantwoorden?
De hersteloperatie van de toeslagenaffaire en de brievenadministratie inzake het massale uitvraagproces |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe het herstel van het Toeslagenschandaal ontspoorde: zeker 20.000 ouders ontvingen ten onrechte compensatie»1 uit NRC Handelsblad van 15 juni 2026?
Ja
Kunt u een uitgebreide inhoudelijke reactie geven op dit artikel, waaronder in ieder geval ten aanzien van het genoemde aantal van 20.000 personen, die ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt en gecompenseerd in het kader van de toeslagenaffaire?
Ik herken mij niet in het beeld dat «zeker 20.000 ouders ten onrechte compensatie hebben ontvangen», zoals in het artikel wordt gesteld. De in het artikel geschetste weergave is naar mijn oordeel onjuist dan wel onvolledig. Zoals ook benoemd in de brief van 3 juli 20262 geeft de verzend- en ontvangst administratie geen sluitend en volledig beeld van het geheel aan feiten en gebeurtenissen in de casus van de ouder. Het laat alleen zien dat de standaard brief is verstuurd. Niet of en hoe mensen op de brief hebben gereageerd. Mede naar aanleiding van verzoeken vanuit uw Kamer is onderzocht of een nauwkeurigere inschatting mogelijk is. Om te bepalen of de aanwezigheid van de verzendadministratie impact zou hebben op de gedupeerdheid van een ouder, zouden alle ouders de Integrale Beoordeling opnieuw moeten doen, inclusief het ouderverhaal. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb aangegeven kan ik dit niet doen, omdat ik dit niet goed uitvoerbaar acht, en dit bovendien zou leiden tot grote onrust onder ouders. Tegelijk is de zorg van uw Kamer helder, en ik deel het ongemak hierover. Ik verken momenteel de mogelijkheid of de administratie bruikbaar is bij het voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen.
Waarom werd, zoals in het artikel wordt vermeld, binnen UHT verondersteld dat het versturen van de uitvraag- en rappelbrieven aan ouders niet te bewijzen was, aangezien zowel de administratie van deze grootscheepse operatie als het boven water krijgen ervan als onderdeel van de hersteloperatie van cruciaal belang waren?
Voor de zomer van 2024 was het beeld dat van oudere perioden van het massale uitvraagproces geen volledige administratie van verzonden vraag- en rappelbrieven beschikbaar was. Daarom werd ervan uitgegaan dat verzending in veel gevallen niet of slechts beperkt kon worden gereconstrueerd. Daarnaast was het ouderverhaal leidend binnen de hersteloperatie. Indien een ouder verklaarde geen brieven te hebben ontvangen, werd daarvan uitgegaan, omdat UHT destijds evenmin over deze brieven beschikte.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen dat mogelijk toch een administratie beschikbaar was. Dat signaal is opgepakt en heeft ertoe geleid dat ik de ADR gevraagd heb onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid en volledigheid van de administratie.
Is er eerder onderzoek gedaan naar de verzendadministratie? Zo ja, wat waren de resultaten hiervan en kunt u deze met de Kamer delen?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn binnen UHT signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Bovendien is één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn steeds beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben signalen, soms in afstemming met de Commissie van Wijzen, steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
In de zomer van 2024 is een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties. Dit maakte aannemelijk dat mogelijk meer informatie beschikbaar was dan eerder werd verondersteld.
Gelet op de mogelijke impact op ouders en de gevoeligheid rondom het gebruik van contra-informatie, is zorgvuldigheid betracht. Er is voor gekozen de informatie eerst onafhankelijk te laten onderzoeken door de ADR. De resultaten daarvan zijn op 6 februari 2026 met uw Kamer gedeeld3. Na het ADR onderzoek is besloten hoe deze administratie gebruikt zou worden.
Wat was in de beginfase van de UHT de werkwijze met betrekking tot het boven water krijgen van de benodigde informatie en correspondentie van Toeslagen voor een beoordeling door UHT? Welke afdelingen waren hierbij betrokken, wat kunt u over dit proces vertellen en hoe heeft zich dit vervolgens in de loop der jaren ontwikkeld?
In de beginfase van de hersteloperatie werd informatie verzameld uit de verschillende beschikbare systemen, archieven en administraties van Toeslagen en de Belastingdienst. Daarbij waren meerdere organisatieonderdelen betrokken, waaronder Toeslagen, UHT en onderdelen die verantwoordelijk waren voor informatiebeheer.
Hoeveel ouders hebben vanaf 2007 per toeslagjaar een uitvraagbrief ontvangen, hoeveel een rappelbrief en hoeveel een stopbrief (tweede rappelbrief)?
De cijfers die beschikbaar zijn gaan over de periode 2007 tot en met 2018. In die periode gaat het om:
Uitvraagbrief (2007–2018): circa 193.000 gemiddeld per jaar
Rappelbrief (2007–20174): circa 61.000 gemiddeld per jaar
De uitvraagbrieven en rappelbrieven worden verstuurd vanuit een massaal proces, de stopbrieven worden verzonden vanuit een kantoorproces. Op dit moment weet ik niet of de cijfers van het kantoorproces zijn bijgehouden.
Deelt u de analyse dat wanneer in het proces van het versturen van uitvraag-, rappel- en stopbrieven een volgende brief niet is verstuurd, dit inhoudt dat de betrokken persoon óf op de vorige brief gereageerd heeft óf uit het proces is gehaald? Zo nee, waarom niet?
Ja, in algemene zin deel ik die analyse. Daarbij merk ik wel op dat uitzonderingssituaties kunnen hebben bestaan. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat de feitelijke gang van zaken in individuele dossiers hiervan afweek.
Deelt u tevens de analyse dat indien een persoon een stopbrief heeft ontvangen, dat dit in ieder geval inhoudt dat er geen reactie is binnengekomen op de uitvraag- en de rappelbrief? Zo nee, waarom niet?
Ja. In algemene zin betekent het verzenden van een stopbrief dat er op dat moment geen reactie was geregistreerd naar aanleiding van de eerdere uitvraag- en rappelbrief.
Wel konden zich uitzonderingssituaties voordoen, bijvoorbeeld wanneer een ouder pas reageerde nadat de stopbrief al was verzonden. Ook kunnen ouders gereageerd hebben zonder gebruik te maken van het meegezonden retourformulier, informatie fysiek aanboden op een kantoor van de Belastingdienst of reageerden nadat het toeslagjaar administratief was afgesloten. Verder zijn voorbeelden bekend van ouders die met hun brieven aan de balies hebben gestaan en deze brieven handmatig hebben laten registreren, wat niet altijd goed is gegaan
De enkele aanwezigheid van een stopbrief betekent daarom niet zonder meer dat een ouder uiteindelijk helemaal niet heeft gereageerd.
Hoeveel procent van de ouders heeft over de jaren heen (vanaf 2007) gereageerd op een uitvraag- of rappelbrief, waardoor vervolgens dus niet de fase van de stopbrief is bereikt?
In de periode 2007 tot en met 2018 was het gemiddelde reactiepercentage op het massale proces (uitvraagbrief en rappelbrief) 87%.
Hoe aannemelijk acht u het dat van een ouder alle schriftelijke reacties op uitvragen, rappels etcetera in het kader van het massale uitvraagproces op verschillende momenten in de tijd zijn kwijtgeraakt? Hoe aannemelijk acht u het dat dit op grote schaal is gebeurd?
Het kwijtraken van stukken voortkomend uit het massale uitvraagproces wordt niet aannemelijk geacht. Voor de verwerking van binnengekomen reacties waren verschillende registraties, controles en archiveringsprocessen ingericht. Dit sluit aan bij de bevindingen van het ADR-onderzoek naar de waarborgen rondom de verzend- en ontvangstadministratie, waarover uw Kamer op 6 februari 20265 is geïnformeerd. Ook zijn er geen aanwijzingen dat reacties van ouders op grote schaal verloren zijn gegaan.
Klopt het dat er geen enkele aanwijzing is dat stukken bij de verwerking door CAP in het kader van het massale uitvraagproces bewust zijn kwijtgemaakt? Zo nee, welke aanwijzingen bestaan daarvan?
Er zijn geen aanwijzingen dat stukken bij de verwerking door CAP bewust zijn kwijtgeraakt of verwijderd. Binnen het massale uitvraagproces waren verschillende controlemaatregelen ingericht voor zowel de verzending van post als de monitoring van de tijdige ontvangst daarvan. Ook werd de kwaliteit van het verzendproces gecontroleerd.
Hoe verhoudt het risico van het kwijtraken van stukken die als zogeheten «ongestructureerde post» binnenkomen (dus niet via de standaardroute) in het kader van het massale uitvraagproces zich tot het risico op het kwijtraken van ongestructureerde post bij andere overheidsorganisaties, zoals de Belastingdienst? Welke (schattingen van) percentages zijn er bekend met betrekking tot het kwijtraken van ongestructureerde post door overheidsdiensten?
De Belastingdienst houdt geen cijfers bij over het risico van kwijtraken van post in verhouding tot andere overheidsorganisaties. Er wordt post verwerkt voor de Belastingdienst, Douane en Toeslagen. Wat door de Belastingdienst aan binnenkomende post wordt ontvangen wordt gedigitaliseerd (gescand), voorzien van metadata en digitaal afgeleverd in systemen van het behandelend organisatieonderdeel.
Kunt u nauwgezet uiteenzetten op welke gronden ouders voor het massale uitvraagproces in aanmerking komen? Welke selectiecriteria worden hierbij gehanteerd?
In de fase van het definitief toekennen van de kinderopvangtoeslag wordt er in het massale proces een vraagbrief naar een ouder gestuurd als Toeslagen van de kinderopvangorganisatie geen jaaropgave ontvangt voor die ouder of als de jaaropgave significant afwijkt van de aanvraag van die ouder. Dat kan gaan om het aantal uren opvang dat is afgenomen of dat de gegevens over het aantal afgenomen uren niet compleet zijn. Dat is zowel in de situatie waarin de ouder meer kinderopvangtoeslag aanvraagt als in de situatie dat een ouder minder kinderopvangtoeslag aanvraagt in vergelijking met de jaaropgave van de kinderopvangorganisatie. Met de vraagbrief ontvangt de ouder tevens een retourformulier dat ingevuld met bijbehorende bijlagen teruggestuurd dient te worden. Op basis van de teruggestuurde gegevens zal de kinderopvangtoeslag door Toeslagen definitief worden vastgesteld.
Hoeveel procent van de binnengekomen post in reactie op uitvragen en rappels werd in de jaren sinds 2007 door de scanner verwerkt?
Dit wordt niet bijgehouden.
Hoe en door welk team werden de stukken die niet door de scanner kwamen beoordeeld en zijn er aanwijzingen dat bij deze fysieke beoordelingen te strikt is opgetreden? Zo ja, welke aanwijzingen?
Stukken die niet door de scanner komen worden door medewerkers van de Belastingdienst gelezen om te beoordelen bij welk dienstonderdeel het thuis hoort. Daarna wordt het betreffende stuk opgestuurd naar het behandelend dienstonderdeel. Mij zijn geen algemene bevindingen bekend waaruit volgt dat hierbij structureel te strikt is gehandeld.
Zijn er inmiddels -sinds het ADR-onderzoek- wijzigingen aangebracht in bovengenoemde werkwijze bij het verwerken van binnenkomende stukken in het kader van het massale uitvraagproces? Zo ja, welke? Zo nee, welke andere conclusie is daaruit te trekken anders dan dat dit proces ook destijds goed verliep?
De in het ADR-rapport beschreven verwerking van de reacties per antwoordbrief is ongewijzigd gebleven en de vraag- en rappelbrieven worden volgens de standaardprocessen voor inkomende reacties afgehandeld. Ook de beschreven werkwijze bij het reageren in een andere vorm dan via het antwoordformulier en de antwoordenvelop is niet gewijzigd. De werkwijze onbestelbaar retour ontvangen post is ongewijzigd gebleven. Voor het onderzochte massale uitvraagproces zijn door de ADR aanwijzingen gevonden dat het proces gestandaardiseerd was, waarborgen bevatte en dat de onderzochte administratieve vastleggingen consistent zijn.
Indien de compensatiegrond wegens vooringenomen handelen wegvalt door het meenemen van de aangetroffen brievenadministratie, welke compensatiegronden blijven dan nog wel van kracht voor de betreffende jaren?
De vraag veronderstelt dat het meenemen van de aangetroffen brievenadministratie ertoe leidt dat de grond voor vooringenomen handelen wegvalt. Dat kan niet zonder meer worden geconcludeerd.
«Onterechte non-respons» is namelijk geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond, maar kan één van de omstandigheden zijn die bijdragen aan de vaststelling van individuele vooringenomenheid. Ook wanneer deze omstandigheid in een individueel geval zou wegvallen, kan nog steeds sprake zijn van vooringenomen handelen op basis van andere feiten en omstandigheden.
Daarnaast kan een ouder gedupeerd zijn op grond van de hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS). Welke grond of gronden van toepassing zijn, hangt af van de integrale beoordeling van het betreffende toeslagjaar en dossier.
Klopt het dat niet per toeslagjaar is vastgelegd wat de verschillende compensatiegronden zijn geweest en hoe de verhoudingen qua aantallen zijn? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd, aangezien inzicht in compensatiegronden van groot belang is om de achtergronden van (de afhandeling van) de toeslagenaffaire inzichtelijk te maken? Zo nee, kan de Kamer alle beschikbare gegevens hierover ontvangen?
Dat is juist. Er is niet per toeslagjaar systematisch vastgelegd welke specifieke onderliggende omstandigheden hebben geleid tot de conclusie dat sprake was van vooringenomenheid of hardheid. Aan het begin van de hersteloperatie was de noodzaak om alle onderliggende oorzaken en omstandigheden afzonderlijk vast te leggen niet voorzien. De nadruk lag destijds op het zo snel mogelijk beoordelen van dossiers en het bieden van herstel aan gedupeerde ouders.
Wel kan inzicht worden gegeven in de hoofdgrond waarop een ouder is beoordeeld. Zo zijn circa 34.000 ouders in ten minste één toeslagjaar als gedupeerde aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen.
Had de ADR in haar onderzoek de ruimte om naar aanleiding van haar bevindingen ten aanzien van de administratieve vastleggingen tevens conclusies te trekken over de implicaties hiervan voor de mate waarin ouders terecht zijn gecompenseerd op grond van vooringenomen handelen? Zo ja, waarom is dit niet gebeurd? Zo nee, zijn dergelijke conclusies wel getrokken in eerdere, niet-definitieve versies van het onderzoek? Indien dit het geval is: hoe luidden deze?
De ADR is gevraagd onderzoek te doen naar de opzet en de werking van de waarborgen gericht op de juistheid en volledigheid van de administratie. Ook is de ADR gevraagd om voor 130 als gedupeerd aangemerkte ouders vanwege vooringenomenheid voor een geselecteerd toeslagjaar (2007 tot en met 2019) na te gaan welke informatie over verzonden brieven en ontvangen reacties in de database aanwezig is.
Uit het ADR-onderzoek volgt niet dat kan worden vastgesteld dat ouders ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt. Het viel niet binnen de reikwijdte van het ADR-onderzoek om conclusies te trekken over de juistheid van de kwalificatie als gedupeerde ouder. Daarnaast is het ook niet mogelijk om op basis van deze onderzoeksresultaten conclusies te trekken of de gedupeerdheid van een ouder al dan niet terecht is. Zoals ik eerder al heb uitgelegd is «onterechte non-respons» namelijk geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond, maar kan één van de omstandigheden zijn die bijdragen aan de vaststelling van individuele vooringenomenheid. Ook wanneer deze omstandigheid in een individueel geval zou wegvallen, kan nog steeds sprake zijn van vooringenomen handelen op basis van andere feiten en omstandigheden.
Deelt u de analyse dat over het algemeen te stellen is dat nieuwe beschikbare informatie in zaken waarin puur is uitgegaan van het ouderverhaal twee zaken kan aantonen, namelijk dat de verstrekte compensatie terecht was of dat er ten onrechte (of te veel) is gecompenseerd? Zo nee, waarom niet?
Nee, die analyse deel ik niet zonder meer. Nieuwe informatie kan bijdragen aan een vollediger beeld van een dossier, maar kan niet op zichzelf aantonen dat compensatie terecht of onterecht is verstrekt. De beoordeling van gedupeerdheid berust op een integrale afweging van alle relevante feiten en omstandigheden, waarbij het verhaal van de ouder leidend is.
Zijn er aanwijzingen dat er -los van de digitale datakluis- nog andere informatie (in welke vorm dan ook) beschikbaar is die nog niet betrokken is bij het beoordelen van dossiers en die mogelijk relevant was geweest bij het vaststellen van de vraag of personen al dan niet gedupeerd zijn? Zo ja, welke aanwijzingen en welke informatie?
Naar aanleiding van regulier archiefbeheer worden momenteel fysieke dozen met FIOD dossiers beoordeeld om te bepalen of ze voor vernietiging in aanmerking komen. Er wordt nog nader onderzocht of deze FIOD dossiers gebruikt mogen worden en relevantie hebben.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja