De risico's van JSF testtoestellen |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Stealth Jet Could Be Unsafe for Flight Training»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het memo van J. Michael Gilmore, het hoofd operationele test en evaluatie van het Amerikaanse ministerie van Defensie, en zijn aanbeveling om de aanvang van de F-35 opleidingen uit te stellen om grote risico’s en ongelukken te voorkomen?2
De Amerikaanse luchtmacht is bezig met een procedure ter bevestiging van de luchtwaardigheid van de F-35A toestellen. Deze bevestiging is nodig voordat kan worden begonnen met de training van ervaren operationele vliegers. De Amerikaanse luchtmacht wil spoedig beginnen met deze training op de vliegbasis Eglin in Florida. Voor deze training zullen F-35A toestellen uit de LRIP 2-productieserie worden gebruikt. De twee Nederlandse F-35A toestellen, die nog in productie zijn, behoren tot de productieseries LRIP 3 en 4.
De berichtgeving in de Amerikaanse media betreft een interne discussie in het Pentagon over de risico’s van training met de LRIP-2 toestellen. Volgens deze berichtgeving vindt de Director Operational Test and Evaluation(DOT&E) van het Pentagon dat meer testvluchten met de F-35A nodig zijn voordat op verantwoorde wijze met de training van de operationele vliegers kan worden begonnen. Hij doet het voorstel deze training met tien maanden uit te stellen om eerst meer te kunnen testen, of anders de training te verplaatsen naar de vliegbasis Edwards in Californië waar het technische testprogramma van de F-35 doorgaat.
Het hoofd van het JSF Program Office (JPO) en de verantwoordelijke ondercommandant van de Amerikaanse luchtmacht delen deze mening niet. In een gezamenlijke brief aan de top van het Pentagon, waarvan het JPO het bestaan inmiddels formeel aan Defensie heeft bevestigd, gaan zij in op de door de DOT&E genoemde bezwaren. In hoofdzaak komt hun standpunt er op neer dat de luchtwaardigheidsprocedure op de juiste wijze wordt doorlopen. De training van de operationele vliegers zal pas beginnen als de afzonderlijke tekortkomingen waar de DOT&E op wijst, zullen zijn aangepakt. De voorstellen van de DOT&E achten zij onnodig en onwenselijk.
Het Nederlandse ministerie van Defensie is niet betrokken bij deze kwestie. Het betreft een discussie tussen Amerikaanse instanties over de training van Amerikaanse vliegers op Amerikaanse toestellen. Zie verder het antwoord op de vragen 3, 4, 5 en 7.
Deelt u de mening van de heer Gilmore dat bij een laag aantal testuren het onverantwoord is om te starten met training?
In de tweede helft van 2012, rondom de oplevering van het eerste Nederlandse toestel, beginnen de eerste Nederlandse vliegers aan hun opleiding ter voorbereiding op de deelneming aan de operationele testfase. Naar verwachting is de geschetste problematiek dan opgelost omdat tegen die tijd immers een groter aantal test- en trainingsvluchten zal zijn uitgevoerd. De Nederlandse toestellen zullen voor gebruik onder Nederlands toezicht worden gecertificeerd.
De criteria van de Amerikaanse luchtmacht en het JPO bij het testprogramma hebben betrekking op prestaties. Deze benadering geeft een betere maatstaf voor luchtwaardigheid dan het absolute aantal testuren. Defensie heeft vertrouwen in deze procedure. Een specifiek aantal testvlieguren als criterium voor de aanvang van de vliegeropleiding is niet te geven.
Welke gevaren lopen Nederlandse vliegers als het aantal testuren niet wordt uitgebreid voordat opleidingen beginnen?
Zie antwoord vraag 3.
Bij welk aantal gecontroleerde testuren acht u het verantwoord dat opleidingen met de testtoestellen starten voor Nederlandse vliegers?
Zie antwoord vraag 3.
Welke gevolgen heeft dit voor de ontwikkeling en productie van de door Nederland bestelde testtoestellen? Is de aflevering van de twee testtoestellen nog steeds voorzien voor augustus 2012, resp. maart 2013?
De levering van de toestellen is inderdaad nog steeds voorzien voor augustus 2012 en maart 2013. Indien het Amerikaanse luchtwaardigheidsproces of het lopende testprogramma leiden tot aanpassingen, zullen die ook bij de Nederlandse toestellen worden uitgevoerd. Er is momenteel geen reden te veronderstellen dat dit zou leiden tot een wijziging van het productieschema.
Als de planning hetzelfde blijft en de testtoestellen in augustus 2011 en maart 2013 worden opgeleverd, hoeveel testuren hebben deze testtoestellen dan gemaakt? Is het op dat moment wel verantwoord om opleidingen ermee te beginnen?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u om een reactie gevraagd van het Amerikaanse ministerie van Defensie? Zo ja, hoe beoordeelt u die?
Via de Nederlandse vertegenwoordiging bij het JPO is Defensie op de hoogte van het verloop van de discussie. Het Pentagon heeft op het moment van dit schrijven nog geen besluit genomen of de opleiding van de Amerikaanse vliegers op de LRIP 2-toestellen kan beginnen. Ik heb vertrouwen in de Amerikaanse luchtwaardigheidsprocedure en wacht de besluitvorming terzake af.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling Defensie?
Ja.
Verzekeraars en onderzoeksbureaus |
|
Ewout Irrgang (SP) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Beschouwt u de in de uitzending van Tros Radar1 getoonde praktijken, waarin verzekeraars en de door hen ingehuurde onderzoeksbureaus er alles aan doen om niet uit te keren bij schade, net als uw voorganger naar aanleiding van een uitzending van Zembla2, als incidenten? Zo ja, waarom en bij hoeveel «incidenten» is er volgens u sprake van een trend?
Iedere klacht over een schadeafhandeling is er in mijn ogen één teveel. Ik vind dat er bij een schademelding, in het belang van de klant, snel, betrouwbaar en efficiënt moet worden gehandeld door de verzekeraar. In de Radar uitzending wordt op basis van enkele individuele zaken de indruk gewekt dat verzekeraars op grote schaal proberen om niet uit te keren bij schades door eigen onderzoeksbureaus in te schakelen. Deze individuele zaken kunnen natuurlijk het topje van de ijsberg zijn maar daar heb ik geen aanwijzigingen voor gevonden.
Ik heb bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid), waar een consument een klacht over een financieel product of een financiële dienst kan indienen, navraag gedaan over het aantal klachten bij schade-uitkeringen. Volgens Kifid betreft het hier slechts enkele klachten per jaar, die tot nu toe ook nog allen ongegrond bleken te zijn. In voorgaande jaren heeft Kifid hier ook nauwelijks klachten over ontvangen. Uit navraag bij de Consumentenbond blijkt dat hier ook geen klachten over zijn binnengekomen gedurende het afgelopen jaar. Ik vind dat iedere klacht serieuze aandacht verdient maar op basis van de gegevens van Kifid en de Consumentenbond heb ik tot nu toe niet de indruk dat er sprake is van een trend. Op internetfora circuleren wel meerdere klachten over de afhandeling van schades, onduidelijk is echter in hoeverre deze klachten specifiek betrekking hebben op de inschakeling van onderzoeksbureaus door verzekeraars bij het afhandelen van schade. De komende weken zal ik dit verder onderzoeken.
Verzekeraars dienen altijd, niet alleen in hun eigen belang maar ook in dat van de overige verzekerden, ingediende schadeclaims te toetsen. In ieder geval dient te worden nagegaan wat de oorzaak van de schade is, of de schade het gevolg is van een gedekt evenement en wat de omvang van de schade is.
Verzekeraars die lid zijn van het Verbond van Verzekeraars (die in Nederland een marktaandeel van meer dan 95% hebben) en onderzoeksbureaus die werken in opdracht van deze verzekeraars hebben zich onderworpen aan de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek en de Gedragscode Expertiseorganisaties.
De Gedragscode Persoonlijk Onderzoek beschrijft de uitgangspunten voor het instellen van een persoonlijk onderzoek en geeft aan welke beginselen hierbij door de verzekeraar in acht zullen worden genomen. Zo dient de verzekeraar steeds een zorgvuldige afweging te maken tussen de diverse belangen en de mate waarin er sprake van kan zijn dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene wordt geraakt.
Het doel van de Gedragscode Expertiseorganisaties is een kader te formuleren waarbinnen expertiseorganisaties invulling geven aan het streven om deze ondernemingen op een kwalitatief aanvaardbaar niveau te laten functioneren. Daarnaast is het doel van de code te streven naar transparantie, goede onderlinge verhoudingen en professionaliteit in de expertisebranche. In deze gedragscode zijn basisregels opgenomen over betrouwbaarheid, professionaliteit, helderheid en integriteit van expertise organisaties.
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te (laten) doen naar de in de hierboven vermeldde uitzendingen getoonde praktijken van verzekeraars en onderzoeksbureaus? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat wanneer een verzekerde schade heeft en met een onderzoeksbureau te maken krijgt, de verzekerde er zonder meer vanuit moet kunnen gaan dat het onderzoeksbureau onafhankelijk is van de verzekeraar die het bureau ingehuurd heeft? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij voorstellen dat een verzekeraar de schadeafhandeling in eigen beheer wil uitvoeren en vind dat dit niet per definitie verkeerd is. Dat kan wel bijdragen aan een efficiënt proces en daarmee betaalbare premies. Ik vind het wel belangrijk dat hierbij duidelijk wordt gecommuniceerd naar de klant welk belang het schadebureau vertegenwoordigt zodat de klant een correcte indruk heeft van de «onafhankelijkheid» van het onderzoeksbureau. Daarnaast dient de klant goede mogelijkheden te hebben om bezwaar aan te tekenen. Verzekeraars lijken zich hier ook van bewust. Ik heb hen aangesproken op het feit om hierbij zoveel mogelijk in het belang van de klant te handelen. Het Verbond van Verzekeraars heeft aangegeven in de komende periode de gedragscodes op dit punt nader te bestuderen en daar waar nodig aan te passen en mij daarvan op de hoogte te houden. Het is ook van belang dat consumenten met een klacht duidelijk worden gewezen op de mogelijkheden de klacht voor te leggen aan het Kifid. Ik zal de verzekeraars daar ook op aanspreken. Daarnaast is het Kifid, met de nieuwe organisatiestructuur, nu nog beter uitgerust om de afhandeling van financiële klachten in goede banen te leiden.
De meeste verzekeraars hebben overigens in hun polisvoorwaarden opgenomen dat een verzekerde het recht heeft een eigen expert (contra-expert) in te schakelen, wiens kosten in redelijkheid door de verzekeraar worden vergoed. Ik vind het belangrijk dat verzekeraars klanten wijzen op de mogelijkheid om een eigen schade-expert in te schakelen en zal hierover de komende weken in gesprek gaan met het Verbond van Verzekeraars.
Deelt u de mening dat door financiële en/of juridische banden tussen onderzoeksbureau en verzekeraar in ieder geval een schijn van partijdigheid ontstaat die niet wenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik al eerder aangaf vind ik het van belang dat de klant altijd gewezen wordt op de belangen die het onderzoeksbureau vertegenwoordigt. Als onderzoeksbureaus en verzekeraars de eerder beschreven gedragscodes naleven dan hoeven deze financiële en/of juridische banden een betrouwbare en deskundige vaststelling van de oorzaak en/of omvang van de schade niet in de weg te staan.
Bent u van mening dat het inschakelen van een onderzoeksbureau dat onderdeel is van het concern van de verzekeraar voor het doen van een persoonlijk onderzoek in strijd is met de letter en de geest van de Gedragscode persoonlijk onderzoek?
Nee, maar de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek moet op dit punt wel verduidelijkt worden. Het Verbond van Verzekeraars heeft zelf al aangegeven dat men voornemens is om deze gedragscode te herzien en mij hiervan op de hoogte te houden. Belangrijk is wel dat het bureau moet beschikken over alle vereiste wettelijke voorgeschreven vergunningen.
Hoe beschouwt u de optie om de verzekerde het onderzoeksbureau dat de verzekeraar in wil huren te laten kiezen om zo de in ieder geval de schijn van partijdigheid te voorkomen en de werking van de verzekeringsmarkt te bevorderen?
Ik constateer dat de meeste verzekeraars deze optie al in hun polisvoorwaarden hebben opgenomen. De meeste verzekeraars vergoeden deze contra-expertise ook. Het is een manier voor verzekeraars om zich positief te onderscheiden. Het biedt de consument de mogelijkheid om een eigen onafhankelijk onderzoeksbureau in te schakelen als zij hier behoefte aan hebben.
Zoals ik in antwoord op vraag 3 al stelde vind ik het belangrijk dat verzekeraars klanten wijzen op de mogelijkheid om een eigen schade-expert in te schakelen en zal hierover de komende weken in gesprek gaan met het Verbond van Verzekeraars.
De wetenschappelijke fraude van de heer Stapel |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA), Jasper van Dijk (SP) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de aanbevelingen van de Commissie Levelt inzake de fraude van de gewezen hoogleraar psychologie, de heer Stapel?1
De aanbevelingen van de Commissie Levelt zijn gericht aan de betrokken instellingen. Het is aan de instellingen om hiermee op een verstandige manier om te gaan. Meer in het algemeen merk ik op dat ik mij zeer goed kan vinden in de aanbevelingen. Zo stelt het rapport dat vertrouwen de basis moet blijven voor samenwerking in de wetenschap en dat dit niet kan worden vervangen door bureaucratische maatregelen. Ik ben in dit verband verheugd over de voortvarendheid waarmee de wetenschappelijke gemeenschap omgaat met de door de Commissie Levelt geconstateerde schending van de wetenschappelijke integriteit. Zo heeft de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen een commissie ingesteld onder leiding van Prof. dr.mr. C.M. Schuyt. Deze commissie zal in kaart brengen hoe binnen verschillende vakgebieden wordt omgegaan met het verzamelen en verspreiden van gegevens en hoe onderzoekers en hun werkgevers ervoor zorgen dat normen voor wetenschappelijke integriteit worden nageleefd. Ook zal de commissie adviseren hoe met name jonge onderzoekers ertoe kunnen worden gebracht om wetenschappelijk integer om te gaan met onderzoeksgegevens. De commissie adviseert hierover in april volgend jaar. De VSNU en de rectores magnifici hebben besloten te bezien of de code wetenschapsbeoefening dient te worden aangescherpt en of bestaande beoordelingsmechanismen voldoende zijn toegerust om integriteitsinbreuken te kunnen voorzien. Ook zal de VSNU zich in dit verband buigen over de onderzoekscultuur bij de instellingen.
Wat vindt u van de aanbeveling om een laagdrempelige vertrouwenspersoon voor fraude aan te stellen en van de aanbeveling om ervoor te zorgen dat onderzoeksgegevens voor ten minste vijf jaar zijn te raadplegen? Vindt u het juist dat deze aanbevelingen op alle universiteiten worden toegepast?
In de interim-rapportage wordt gesteld dat Universiteit Tilburg een vertrouwenspersoon wetenschappelijke integriteit dient aan te stellen volgens de richtlijnen van het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI). Dit laatste is in overeenstemming met het reglement van het LOWI waarin sprake is van een «vertrouwensinstantie». In dit verband merk ik op dat dit reglement is opgesteld door het Dagelijks Bestuur van de KNAW, na overleg met VSNU en NWO. Universiteiten hebben zich daarmee gecommitteerd aan de werkwijze van het Landelijk Orgaan. Ik ben het met vragenstellers eens dat de toegang tot een vertrouwenspersoon laagdrempelig moet zijn. Ik verwijs hierbij naar de Notitie Wetenschappelijke Integriteit2 waarin is gesteld dat de vertrouwensfunctie niet verenigbaar is met een aantal functies zoals die van lid van het college van bestuur, leider van een onderzoeksschool etc. VSNU zal nagaan of bij alle instellingen aan de voorwaarde van laagdrempeligheid wordt voldaan. Wat betreft de bewaartermijn van onderzoeksgegevens verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
In hoeverre heeft de huidige gedragscode van universiteiten gefaald, aangezien daarin staat dat (ruwe) onderzoeksgegevens vernietigd moeten worden?
De Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening heeft niet gefaald. Individuele overtredingen, hoe zwaar ook, duiden niet op een falen van de code. Dit geldt eveneens voor de onlangs aan de orde gekomen fraude van de heer Poldermans. De gedragscode stelt niet dat ruwe onderzoeksgegevens moeten worden vernietigd, integendeel. Artikel III.3 van de code schrijft voor dat ruwe onderzoeksgegevens minimaal vijf jaar worden bewaard. Gedurende deze periode moet de wetenschappelijke gemeenschap hierin inzage kunnen hebben. De universiteiten zullen nagaan of een strikter beleid op de naleving van de bewaartermijnen kan worden gehanteerd.
Wat vindt u ervan dat sommige onderzoekers in alle beslotenheid te werk kunnen gaan? Bent u het eens met de voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) dat de cultuur binnen universiteiten opener moet worden?
Een grote mate van openheid en transparantie horen bij een gezond wetenschappelijk klimaat. Het hoort bij de taak van de President van de KNAW om deze openheid te bepleiten. Ik betreur het zeer dat de heer Stapel op deze wijze in beslotenheid te werk heeft kunnen gaan. Overigens vindt het overgrote deel van het wetenschappelijk onderzoek in teamverband plaats. Ik ben het met de President van de KNAW eens dat de cultuur rond wetenschapsbeoefening en de naleving van gedragsregels rond integriteit opener moet. Dit is door KNAW en VSNU met voortvarendheid opgepakt; zie ook het antwoord op vraag 1.
Wat vindt u van het argument dat onderzoekers onder druk staan om te scoren en dat onderzoeksmiddelen schaars zijn? Deelt u de mening dat dit nooit een excuus kan zijn voor fraude, maar dat dit wel een punt van zorg kan zijn?
Dit kan geen argument zijn. De wil om te presteren en met anderen te concurreren is een heel normaal verschijnsel in de samenleving. Dit geldt niet alleen voor wetenschappers maar ook voor bijvoorbeeld artsen, kunstenaars en topsporters. In de wetenschap zorgt gezonde concurrentie ervoor dat onderzoeksmiddelen bij de beste wetenschappers en de beste onderzoeksgroepen terecht komen. Wel ben ik van mening dat juist onder condities van schaarste en concurrentie er sprake moet zijn van de juiste checks and balances. Hiervoor moeten de wetenschappelijke instellingen en hun werknemers gezamenlijk zorgdragen.
Wat kunt u doen om vergelijkbare gevallen als de fraude van de heer Stapel te voorkomen? Bent u bereid om met universiteiten in gesprek te gaan over het hanteren van de Verklaring van Onafhankelijke Wetenschap van de KNAW? Zo nee, waarom niet?2
Zoals ik al in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, onderschrijf ik de conclusie van de Commissie Levelt dat vertrouwen niet kan worden vervangen door bureaucratische maatregelen. De Verklaring van Onafhankelijke Wetenschap betreft een voorstel van de KNAW in haar advies «Wetenschap op bestelling» en heeft betrekking op de relatie tussen onderzoeker en opdrachtgever bij contractonderzoek. Dit voorstel is door het vorige kabinet niet overgenomen omdat het tekenen van een verklaring van onafhankelijkheid bij ieder in opdracht uitgevoerd onderzoek te veel administratieve lasten met zich meebrengt (TK, 29 338, nr. 68). De universiteiten hebben het advies van de KNAW destijds wel onderschreven, en dat nemen zij in de praktijk ook ter harte.
Kunt u een rol spelen in de «bescherming» van onderzoekers die gelieerd zijn aan de heer Stapel? Deelt u de mening dat zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat zij onterecht beschadigd raken?
Uiteraard deel ik de opvatting dat betrokkenen niet onterecht beschadigd mogen raken. Ik vind dit op de weg liggen van de betrokken instellingen en hun bestuurders. De interim-rapportage bevat hiervoor de nodige aanbevelingen, zoals het uitgeven van verklaringen voor reeds gepromoveerden en het bieden van goede mogelijkheden voor betrokkenen die nog in hun promotietraject zitten om alsnog te promoveren. De betrokken instellingen hebben aangegeven te willen voorkomen dat betrokken onderzoekers en promovendi worden beschadigd. Ik heb er dan ook vertrouwen in dat hiervan geen sprake zal zijn.
Pre-masters |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het voornemen van de Vrije Universiteit te Amsterdam om geen premasterprogramma’s meer aan te bieden?1
Ik ken het artikel in Ad Valvas van 27 oktober 2011 waarin gesuggereerd wordt dat de Vrije Universiteit (VU) te Amsterdam premasters gaat afschaffen. Dit is echter niet juist. De VU biedt hbo-studenten die een master aan de VU willen volgen drie manieren om in te stromen:
Per 1 september 2012 geldt bij de VU dat premasters van maximaal 30 ECTS zijn te volgen tegen een collegegeld ter hoogte van het wettelijk collegegeld. Als er meer modules gevolgd moeten worden dan 30 ECTS is dat op basis van contractonderwijs met de daarvoor door de VU vastgestelde tarieven.
Zijn er meer instellingen met soortgelijke voornemens?
Ik beschik niet over informatie dat universiteiten van plan zijn om te stoppen met het aanbieden van premasters. Ook de VU blijft premasters aanbieden.
Wat betekent dit voor de kosten die een hbo’er moet maken om een master te kunnen volgen?
In het algemeen vind ik dat universiteiten geen financiële belemmeringen voor studenten moeten opwerpen voor de doorstroom van hbo-bachelor naar wo-master, maar ik vind ook dat er grenzen zijn aan de lengte van schakelprogramma’s die tegen de hoogte van het wettelijk collegegeld worden aangeboden.
Ik maak een onderscheid in drie soorten doorstroomtrajecten:
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat premasters veel duurder worden, omdat het studenten ervan zal weerhouden om verder te studeren? Zo nee, waarom niet?
Ik beschouw premasters als een programma dat in principe niet langer duurt dan 30 ECTS en tegen de hoogte van het wettelijk collegegeld gevolgd kan worden. Dit zal ik ook wettelijk regelen.
Bij «trajecten»van meer dan 30 ECTS is er mijns inziens geen sprake meer van «schakelen» tussen bachelor en master en mogen instellingen dan ook een hoger collegegeld vragen.
Bent u bereid met de universiteiten af te spreken dat premasters onder het normale collegegeld moeten blijven vallen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 3.
De situatie van kinderen op Bonaire |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU), Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Veel problemen voor kinderen op Bonaire1»? Heeft u tevens kennis genomen van de notitie van de ChristenUnie2 waarin nadrukkelijk zorgen worden geuit over positie van kinderen, onder meer op Bonaire?
Ja.
Deelt u de zorgen over de kinderrechtensituatie op Bonaire, onder andere betreffende armoede, verwaarlozing, mishandeling, drugs- en criminaliteitsproblemen en tienerzwangerschappen?
Mijn beeld is dat er de afgelopen jaren veel is verbeterd, maar dat er ook nog veel moet gebeuren.
Het Comité van de Verenigde Naties voor de monitoring van het Internationaal Verdrag Rechten van het Kind heeft in 2009 gewezen op de zorgelijke situatie van de kinderrechten in de toenmalige Nederlandse Antillen. Saba, Sint Eustatius en Bonaire hebben al in 2008 met Nederland afgesproken om de jeugd één van de prioritaire thema’s te maken (naast gezondheidszorg, veiligheid en onderwijs). Voor het jeugdbeleid zijn voor 2009 en 2010 extra middelen vrijgemaakt, zodat vooruitlopend op de transitie van 10-10-10 gestart kon worden met het opbouwen en versterken van de jeugdvoorzieningen.
Hiertoe is per eiland, ook op Bonaire, samen met het lokale bestuur en de lokale jeugdinstellingen een plan gemaakt. Dit plan was ook gebaseerd op aanbevelingen van de Inspectie Jeugdzorg, die in 2009 een verkenning heeft gedaan van de jeugdvoorzieningen op de eilanden, en een advies heeft gemaakt voor verbetering ervan. Kern van dit plan was: het opzetten van een Centrum voor Jeugd en Gezin, de verbetering van vrije tijdsvoorzieningen voor jongeren vanaf 12 jaar, het ontwikkelen van jeugdzorg (ambulant, pleegzorg en residentiële zorg), verbeteren van de gezinsvoogdij en het versterken van de Voogdijraad. Dit plan is eind 2011 grotendeels gerealiseerd. Daarmee is er een behoorlijke verbetering aan voorzieningen gerealiseerd. Met deze voorzieningen kan de preventie beter tot uitvoering gebracht worden.
In navolging van de aanbevelingen van het VN-Comité Rechten van het Kind is er een start gemaakt met het opleiden van professionals in een methodiek voor positief opvoeden (Triple P). Begin 2012 start, in samenwerking met het lokale bestuur en de jeugdorganisaties, een campagne Positief Opvoeden om ouders kennis te laten maken met andere manier van opvoeden.
Het structureel verbeteren van de kinderrechtensituatie vraagt evenwel verbeteringen op velerlei terreinen, en zal derhalve de komende decennia aandacht blijven vragen. Het gaat dan zowel om economische ontwikkeling, toekomstperspectief voor de jeugd, verbetering van de kinderopvang, verbetering van de publieke gezondheidszorg, naschoolse opvang, onderwijs en armoedebestrijding.
Heeft het pas geopende Centrum voor Jeugd en Gezin doelen opgesteld om de positie van kinderen op korte termijn te verbeteren? Zo ja, welke doelen zijn er opgesteld en hoe worden deze doelen gemonitord?
Ja.
Het Centrum voor Jeugd en Gezin heeft een 2-jarenplan gemaakt voor de periode 2012–2014, en biedt voor het eerst één geïntegreerde aanpak voor opvoedingsondersteuning en jeugdgezondheidszorg voor de jeugd van 0–19 jaar. De aandacht lag tot nu toe vooral op het jongere kind. Vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin zal de Campagne voor Positief Opvoeden worden georganiseerd. Specifieke onderdelen uit het tweejarenplan zijn de verbetering van de jeugdgezondheidszorg, het bieden van opvoedingsondersteuning aan ouders van tieners, het versterken van seksuele educatie, het begeleiden van tienermoeders, het bereiken van ouders in de buurten via buurtmoeders en het signaleren en melden van kindermishandeling. Deze doelstellingen worden door VWS gemonitord via de subsidieafspraken.
Levert de huidige kinderrechtensituatie op Bonaire één (of meerdere) schending(en) van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind op? Zo ja, welke schendingen betreft dit?
Komend jaar rapporteert het Koninkrijk der Nederlanden aan het VN Kinderrechtencomité over de kinderrechtensituatie in het Koninkrijk. Ook de ontwikkelingen in de kinderrechtensituatie op Bonaire wordt in deze periodieke VN-rapportage besproken. Deze rapportage is momenteel in voorbereiding. Naar verwachting is de rapportage in maart 2012 gereed voor verzending aan het VN-Comité en de Tweede Kamer.
Deelt u de analyse dat basisvoorzieningen op vele terreinen, zoals voor vrije tijd, uithuisgeplaatste kinderen en naschoolse opvang, ontbreken en dat ouders, kinderen en professionals die met kinderen werken, weinig weten over kinderrechten?
Nee ik deel die analyse niet.
Uitgangspunten bij het eerder genoemde plan is het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind. Aanbevelingen die in de vorige rapportage aan het VN Kinderrechtencomité zijn gedaan, zijn opgenomen in dat actieplan. De professionals van de jeugdzorgvoorzieningen op Bonaire, baseren hun werk al jarenlang op het Kinderrechtenverdrag. De jeugdvoorzieningen zijn de afgelopen jaren flink versterkt. Inmiddels is de naschoolse opvang voorziening Jong Bonaire uitgebreid van een bereik van ca 150 jongeren naar een bereik van 275 jongeren, en het gebouw en de voorzieningen erin zijn vernieuwd. De jeugdbescherming is versterkt. Er is jeugdzorg gekomen: ambulante hulpverlening, er is een kinder- en jeugdpsycholoog en een kinder- en jeugdpsychiater. Voor uithuis geplaatste kinderen is de pleegzorg flink uitgebreid, het logeerhuis Kas di Karko is opgericht en er wordt een huis voor tienermeisjes en tienermoeders gesubsidieerd. Samen met de andere jeugdorganisaties worden momenteel plannen gemaakt voor verdere uitbreiding van voorzieningen voor jongeren die (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen.
Bent u bereid op korte termijn en in samenspraak met het bestuurscollege Bonaire een plan van aanpak te ontwikkelen om verbeteringen aan te brengen in de kinderrechtensituatie op Bonaire, op het gebied van onder meer armoede, verwaarlozing, mishandeling, drugs- en criminaliteitsproblemen en tienerzwangerschappen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dit plan tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Er wordt gewerkt op basis van een gezamenlijk plan «Zorg voor een gezonde jeugd op Bonaire: juli 2010–december 2011». Begin 2012 zal VWS met het Openbaar Lichaam over de follow-up van dit plan spreken.
Hoe is de verdeling van verantwoordelijkheden tussen enerzijds de verschillende ministeries en anderzijds het bestuurscollege van Bonaire met betrekking tot de kinderrechten op Bonaire en de andere openbare lichamen?
Diverse ministeries en de lokale overheden hebben hun eigen bestuurlijke verantwoordelijkheden voor aspecten van het jeugdbeleid en daarmee voor de invulling van de kinderrechten op dat terrein.
De lokale overheden van Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn verantwoordelijk voor de preventieve zorg voor de jeugd en het ministerie van VWS is verantwoordelijk voor de specialistische zorg voor de jeugd. Gezien de kleinschaligheid wordt samengewerkt met vertegenwoordigers van de ministeries OCW, Veiligheid en Justitie, Sociale Zaken en BZK/WWI binnen de Rijksdienst Caribisch Nederland.
Het artikel "DCMR: Odfjell lekte regelmatig benzeen |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «DCMR: Odfjell lekte regelmatig benzeen»1, de website www.dcmr.nl2 en de website van de Haven Amsterdam3?
Ja.
Deelt u de mening dat benzeen en andere zogenaamde Vluchtige Organische Stoffen (VOS), stapelgiffen, die bij een minimaal contact al kankerverwekkend zijn, nooit in de open lucht terecht mogen komen? Zo nee, waarom niet?
Benzeen is een zeer ernstige zorgstof. Europa heeft daarom voor benzeen als wettelijke grenswaarde 5 μg/m3 (jaargemiddelde) gesteld. Deze waarde is verwerkt in de Nederlandse milieuregelgeving.
Daarnaast valt benzeen onder het prioritaire stoffenbeleid van dit kabinet. Het streven is om voor dit soort ernstige zorgstoffen de concentratie in het milieu naar verwaarloosbaar risico te brengen. Voor benzeen is dat beneden 1 μg/m3.(jaargemiddelde). Benzeen is daarom een zogenaamde minimalisatieplichtige stof. Dit betekent dat bedrijven naast het voldoen aan de wettelijke grenswaarde een inspanningsverplichting hebben om tot een zo laag mogelijke uitstoot te komen. De regionale overheid, zijnde het bevoegd gezag, moet dit regelen in de omgevingsvergunning van het bedrijf.
Bent u van mening dat er zo snel mogelijk een diepgaand onderzoek dient te komen, dat in kaart brengt of er in de Rotterdamse haven ook door schepen benzeen en/of andere Vluchtige Organische Stoffen worden uitgestoten? Zo ja, om welke hoeveelheden gaat dit? Hoe is daar met de handhaving op geanticipeerd? Zo nee, waarom niet?
Bij het laden en lossen door schepen van gevaarlijke stoffen zoals benzeen, zijn in de milieuvergunning voor de betreffende bedrijven zodanige eisen opgenomen (zoals bijvoorbeeld een dampretourinstallatie) dat emissies zo veel mogelijk voorkomen worden. Bij het IMO (International Maritime Organization) in Londen is ook een melding gedaan over dampverwerking bij Nederlandse terminals.
Tevens wordt de luchtkwaliteit in het Rijnmondgebied en in de Amsterdamse haven continue op meerdere punten gemeten om de vinger aan de pols te houden. Incidenten worden dan ook geregistreerd waarbij de inspectie zo nodig handhavend optreedt tegen bedrijven waar een omvangrijke emissie heeft plaatsgevonden.
Volgens de beschikbare meetgegevens is de wettelijke luchtkwaliteitseis van 5 μg/m3 niet overschreden.
Wel heeft er een piekemissie plaatsgevonden bij het bedrijf Odfjell. Wegens deze incidentele piekemissie en eerdere emissies waarbij benzeen vrijgekomen is, is er een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen Odfjell. Tegelijkertijd wordt dit bedrijf door het bevoegde gezag DCMR en door de inspectie van de rijksoverheid nauwlettend in de gaten gehouden. Ter voorkoming van dergelijke benzeenemissies heeft Odjfell een Plan van Aanpak opgesteld dat in uitvoering is genomen.
Ik acht dit continu monitoren in combinatie met het strafrechtelijk onderzoek en het optreden van de inspectie voldoende toereikend. Ik zie op dit moment geen noodzaak ander diepgaand onderzoek in te stellen.
Deelt u de mening dat alle havens in Nederland een systeem dienen te hebben, zoals het VentoClean-system in de haven van Amsterdam, waarmee benzeen en andere Vluchtige Organische Stoffen eventueel kunnen worden afgevangen? Zo nee, waarom niet?
Bij de omgevingsvergunningverlening voor havenbedrijven die vluchtige organische stoffen overslaan uit (zee)schepen zal het bevoegd gezag eisen aan de overslaginstallaties stellen. De provincie Noord-Holland heeft als beleid om voor alle terminals dampterugwinningstechnieken voor te schrijven als daarmee economisch haalbaar VOS emissies te voorkomen zijn. In de afgelopen jaren is aan alle terminals met een opslag van meer dan 100 000 m3 de verplichting van het gebruiken van een dampterugwinninginstallatie opgelegd.
In het algemeen is het milieubeleid er op gericht om de Best Beschikbare Technieken door het bevoegd gezag te laten opnemen in de omgevingsvergunningen voor milieu. Het is beleid dat dampterugwinningsinstallaties in de havens meer en meer zullen worden geëist; zeker als daarmee omvangrijke VOS emissies op economisch haalbare wijze voorkomen worden.
Het Ventoclean systeem is een kleinschalig(er) systeem vooral bedoeld om binnenschepen die vluchtige organische stoffen hebben vervoerd, te kunnen ontgassen. Als er echter steeds vluchtige organische stoffen vervoerd worden is dat ontgassen niet nodig omdat bij het laden en lossen van benzine het gebruik van dampretourvoorzieningen vereist is. Dat laatste, de zogenoemde «dedicated vaart», komt het meeste voor. De eventuele emissie van vluchtige organische stoffen door de beperkte groep binnenschepen met wisselende vaart is niet zodanig dat een Ventocleansysteem wettelijk voorgeschreven is. Wel wordt dat systeem evenals gelijkwaardige systemen, gestimuleerd doordat het onder de Vamil/Mia regeling valt. Door de Vervroegde afschrijving van de milieu-investering (Vamil) of de Milieuinvesteringsaftrek regeling (Mia) is het eerder economisch haalbaar voor binnenschepen om een ontgassingsysteem aan te schaffen.
De Russische weigering een Nederlandse verkiezingswaarnemer toe te laten |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft het Russische verkiezingscomité geweigerd de Nederlander Alexander Münninghoff toe te laten als waarnemer voor de Doema verkiezingen van december a.s.? Zo ja, welke motivatie heeft het verkiezingscomité hiervoor gegeven?
De heer Münninghoff, die door Nederland was geselecteerd en door ODIHR was voorgedragen als lange-termijn waarnemer, heeft geen accreditatie ontvangen van de Russische Centrale Kiescommissie. Hiervoor is geen motivatie gegeven.
Bent u bereid onmiddellijk opheldering te vragen bij uw Russische ambtgenoot, dan wel bij het verkiezingscomité, waarvan de autoriteiten beweren dat het onafhankelijk is? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse ambassadeur in Moskou heeft bij de Russische viceminister verantwoordelijk voor OVSE-zaken om een toelichting gevraagd.
Deelt u de inschatting dat er politieke motieven schuilen achter de weigering, die mogelijk te maken hebben met de kritische opstelling van Münninghof zowel nu als in het verleden toen hij als correspondent in de Sovjetunie ook in aanvaring kwam met de autoriteiten omdat hij zich kritisch opstelde jegens het toenmalige regime? Zo ja, deelt u dan de mening dat de weigering hem toe te laten een smet is op het open en democratische gehalte van het Russische verkiezingsproces? Zo nee, waarom niet?
De Russische gesprekspartner van de ambassadeur heeft aangegeven dat de heer Münninghoff nog steeds welkom is in Rusland, maar niet als waarnemer voor deze verkiezingen. Verdere toelichting heeft hij niet gegeven. De ODIHR-missie in Rusland zal na afloop van de verkiezingen de bevindingen bekend maken. Deze bevindingen zal ik meenemen in de beoordeling van het verkiezingsproces.
De inval van de NMa bij Veolia in verband met een onderzoek naar verboden prijsafspraken rondom de ontwikkelingskosten van de OV-Chipkaart |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) een inval heeft gedaan bij het kantoor van Veolia in Breda in verband met een onderzoek naar verboden prijsafspraken rondom de ontwikkelingskosten van de OV-chipkaart voor studenten?1
Ja.
Klopt het dat er bij dit onderzoek bij Veolia ook verdenkingen zijn richting de vervoersbedrijven Arriva, Connexxion, Qbuzz en Syntus? Zijn er ook invallen geweest bij kantoren van deze bedrijven en zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet? Kunt u uw antwoord toelichten?
De NMa heeft bevestigd onderzoek te doen naar mededingingsrechtelijke overtredingen in de vervoerssector. Om te voorkomen dat partijen onnodig worden geïncrimineerd en ook op grond van de rechtspraak daarover, brengt de NMa zelfstandig geen namen naar buiten van partijen die onderwerp van onderzoek zijn. Wel kan zij bevestigen wat een onderneming daarover zelf naar buiten brengt. In dit licht kan worden gemeld dat Veolia Transport op 1 november 2011 een persbericht heeft uitgebracht waarin zij meldt bezoek te hebben gehad van de NMa in het kader van een mededingingsrechtelijk onderzoek, hetgeen diezelfde dag door de NMa is bevestigd.
Kunt u bevestigen dat het hierbij gaat om een verdenking van verboden prijsafspraken over de ontwikkelingskosten van de OV-chipkaart, en in het bijzonder die van studenten? Indien dit niet het geval is, kunt u dan duidelijk aangeven welke aanleiding er wel was? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ook over het doel en de inhoud van het onderzoek kan de NMa lopende het onderzoek geen mededelingen doen. Indien een overtreding wordt vastgesteld, maakt de NMa rapport op. Na hoor en wederhoor van de betrokken ondernemingen kan een sanctiebesluit volgen, dat vervolgens openbaar wordt gemaakt.
Hoeveel geld voor de invoering van de OV-chipkaart is formeel in rekening gebracht door de eerder genoemde vervoerders, sinds de allereerste plannen van de OV-chipkaart? Welk gedeelte hiervan ging specifiek over de ontwikkelingskosten van de OV-chipkaart? Welk gedeelte hiervan ging weer specifiek over de ontwikkelingskosten van de OV-chipkaart voor studenten? Kunt uw antwoorden zo veel mogelijk toelichten en specificeren per vervoersbedrijf?
Genoemde vervoerders hebben bij de Rijksoverheid geen ontwikkelingskosten voor de OV-chipkaart (voor studenten) in rekening gebracht.
Hoeveel geld is er uiteindelijk sinds de allereerste plannen van de OV-chipkaart in totaal ter beschikking gesteld voor de invoering van de OV-chipkaart ten behoeve van de eerder genoemde vervoerders? Welk gedeelte hiervan ging specifiek over de ontwikkelingskosten van de OV-Chipkaart? Welk gedeelte hiervan ging weer specifiek over de ontwikkelingskosten van de OV-chipkaart voor studenten? Kunt u uw antwoorden zo veel mogelijk toelichten en specificeren per vervoersbedrijf?
Uw Kamer is bij brief van 22 april 2008 geïnformeerd over de middelen die vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Milieu ter beschikking zijn gesteld teneinde de financiering van de OV-chipkaart mogelijk te maken (Kamerstukken II, 23 645, nr. 200). Dit zijn:
Op basis van de Maatschappelijke Kosten Baten Analyse 2003/2006 is er in totaal € 130 miljoen via de Brede Doeluitkering verkeer en vervoer (BDU) uitgekeerd aan de 19 decentrale overheden na het nemen van het Go-besluit in 2006. Daarbij is ook € 76 miljoen uit de Brede Doeluitkering verkeer en vervoer naar voren gehaald die in de periode 2012–2015 door de decentrale overheden wordt terugbetaald. Dit is in lijn met de afspraken uit de bestuursovereenkomsten, waarin voor de decentrale overheden een verplichting staat tot introductie van de OV-chipkaart in hun concessiegebieden. De migratiebijdrage is beschikbaar gesteld aan decentrale overheden, en niet aan vervoerbedrijven. Bijdragen via de Brede Doeluitkering verkeer en vervoer kunnen niet specifiek geoormerkt worden.
De Stadsregio’s Rotterdam en Amsterdam hebben in 2003 respectievelijk 2004 toestemming gekregen om € 40 miljoen respectievelijk € 28,6 miljoen aan niet uitgegeven subsidiegelden ter beschikking te houden en daarmee de afsluiting van de metrostations in het kader van de chipkaart te bekostigen. Deze subsidiegelden zijn als zodanig meegenomen en verrekend in de Maatschappelijke Kosten Baten Analyse 2003/2006, op basis waarvan de onder het eerste punt genoemde bedragen tot stand zijn gekomen.
Daarnaast is uit het Fonds Eenmalige Bijdrage NS (FENS), voortgekomen uit buitengewone baten bij NS na de verkoop van Telfort in 2000, onder andere de introductie van de OV-chipkaart bij het spoorvervoer gefinancierd. FENS bevatte daartoe bij de oprichting in 2001 onder andere een geoormerkt bedrag van € 226 miljoen voor electronic ticketing en € 500 miljoen voor beheerste toegang tot stations (poortjes).
Ook is eenmalig een subsidie van € 6,7 miljoen verstrekt voor de technologische ontwikkeling ten behoeve van de migratie naar een nieuwe kaarttechnologie (brief aan uw Kamer van 10 februari 2010, Kamerstukken II, 23 645, nr. 347).
Het is niet bekend hoeveel geld specifiek is aangewend voor de ontwikkelingskosten van de OV-chipkaart. Vanuit de Rijksoverheid zijn geen gelden ter beschikking gesteld voor het ontwikkelen van de OV-chipkaart voor studenten.
Wanneer verwacht u dat de NMa met conclusies zal gaan komen over het lopende onderzoek naar eventuele verboden prijsafspraken?
Ik kan daar geen uitspraken over doen. De NMa doet geen mededelingen over de verwachte duur van het onderzoek.
Kunt u een helder overzicht geven van alle mogelijke sancties die de NMa wettelijk zou kunnen opleggen indien er sprake is van een aantoonbare overtreding van de regels door eerder genoemde bedrijven? Kunt u zich hierbij vooral richten op alle mogelijke sancties voor de tot nu toe veronderstelde overtreding(en)?
Op grond van de Mededingingswet kan de NMa verschillende sancties opleggen als zij een mededingingsrechtelijke overtreding heeft vastgesteld, te weten een bestuurlijke boete, last onder dwangsom of bindende aanwijzing. Een boete kan maximaal € 450 000 bedragen of, indien dat meer is, 10% van de omzet van de betrokken onderneming. De NMa houdt bij het bepalen van de boete rekening met de ernst en duur van de overtreding.
De toenemende mate van onderdrukking van persvrijheid en het recht op demonstratie in Uganda |
|
Frans Timmermans (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van Amnesty International Stiffling Dissent: Restrictions on the rights to freedom of expression and peaceful assembly in Uganda?1
Ja.
Wat is uw reactie op het gegeven dat publieke protestacties in Ugunda worden verbannen en dat er in de afgelopen weken tenminste vier activisten zijn opgepakt die worden beschuldigd van verraad?
Dit is een zorgelijke ontwikkeling die afbreuk doet aan Uganda's reputatie op het gebied van respect voor de mensenrechten.
Kunt u aangeven of de veiligheid van deze vier activisten in gevaar is en of de Nederlandse ambassade de mogelijkheid heeft om deze activisten te bezoeken? Indien dit laatste niet het geval is, bent u bereid om dit te bewerkstelligen? Indien nee, waarom niet?
De ambassade in Kampala volgt deze zaak op de voet. Medewerkers van de ambassade onderhouden contact met de advocaten van betrokkenen en zullen de rechtszaken bijwonen. Vooralsnog blijkt uit deze contacten niet dat de veiligheid van de vier activisten in het geding is. Mocht daartoe aanleiding zijn, dan zullen medewerkers van de ambassade hen bezoeken.
Deelt u de mening dat het door de Ugandese autoriteiten opgelegde verbod op publieke demonstraties en het stelselmatig onderdrukken van de persvrijheid door de autoriteiten een zeer zorgwekkende ontwikkeling is?
Nederland heeft in EU-verband en als voorzitter van de Justice, Law and Order donorgroep het repressieve beleid ten aanzien van demonstraties herhaaldelijk aan de orde gesteld. Hoewel Uganda nog steeds een relatief grote mate van persvrijheid kent, is een neerwaartse trend te constateren. Ook dit is onderwerp van gesprek met de overheid.
De Nederlandse ambassade onderhoudt tenslotte in het kader van de EU-strategie voor mensenrechtenverdedigers intensief contact met journalisten die over gevoelige zaken als corruptie en het gebrek aan vrijheid van meningsuiting en demonstratie rapporteren.
Bent u bereid in bilateraal en/of EU-verband de Ugandese autoriteiten aan te spreken om de zogeheten Public Order Management Bill – welke de politie vergaande vrijheden zal geven om publieke demonstraties te dwarsbomen – niet te implementeren? Zo nee, waarom niet?
Beide wetsontwerpen zijn al geruime tijd onderwerp van kritische politieke dialoog tussen de internationale gemeenschap en de Ugandese autoriteiten. Nederland heeft het onderwerp als voorzitter van bovengenoemde donorgroep regelmatig op de agenda gezet, zowel op ministerieel als op ambtelijk niveau. Ook steunt Nederland maatschappelijke organisaties bij het op gang brengen van een publiek debat over deze kwestie. Zolang dit nodig is, zal Nederland deze actieve rol blijven spelen.
Bent u tevens bereid in bilateraal en/of EU-verband de Ugandese autoriteiten aan te spreken om de zogeheten Press and Journalist (Amendement) Bill- welke de Media Council vergaande vrijheden zal geven om persvrijheid te onderdrukken- niet te implementeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de mensenrechtensituatie in Uganda verslechtert door het voornemen van president Museveni om de mogelijkheid af te schaffen dat gearresteerde demonstraten in afwachting van hun proces op borgtocht vrijgelaten worden? Zo ja, bent u bereid uw zorgen hierover aan de Ugandese autoriteiten over te brengen?
Een dergelijk voornemen is nog niet uitgewerkt in een concreet wetsontwerp en de implicaties ervan zijn dan ook nog niet duidelijk. Wel is in Uganda breed maatschappelijk en politiek verzet tegen dit voornemen op gang gekomen.
In recente bilaterale en EU gesprekken met de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie zijn de zorgen over dit voornemen overgebracht.
Bent u bereid deze kwestie actief op de agenda van de EU en de VN te zetten, zodanig dat er snel concrete stappen worden ondernomen? Zo nee, waarom niet?
Beide kwesties staan al op de agenda van de EU en VN. Sinds de recente bespreking van de Universal Periodic Review van Uganda in de VN-Mensenrechtenraad staan deze kwesties ook in VN-verband op de kaart. Het lokale kantoor van de OHCHR houdt zich bijvoorbeeld actief hiermee bezig, zij het vooral achter de schermen.
Studiefinanciering voor studenten uit het buitenland |
|
Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD), Cora van Nieuwenhuizen (VVD), Malik Azmani (VVD) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel buitenlandse studenten tevens als migrerend werknemer worden aangemerkt en studiefinanciering ontvangen en welk percentage zij uitmaken van het totaal aan Europese studenten in Nederland en hoe dit percentage zich heeft ontwikkeld over de afgelopen 5 jaar?1
In onderstaande tabel is te lezen hoeveel studenten tevens als migrerend werknemer worden aangemerkt en volledige studiefinanciering ontvangen. Dit aantal is afgezet tegen het totale aantal studenten uit de Europese Economische Ruimte en Zwitserland dat in Nederland studeert.
Aantallen
2006
2007
2008
2009
2010
2011
migrerend werknemers met SF
1 509
2 028
2 663
3 388
4 186
4 823
Europese studenten (EER + CH)
24 457
27 604
31 351
35 681
38 397
41 845
Percentage
6.2%
7.3%
8.5%
9.5%
10.9%
11,5%
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel geld er jaarlijks aan studiefinanciering wordt uitgekeerd aan studenten uit het buitenland die tevens de status migrerend werknemer hebben?
Onderstaande tabel geeft een indicatie van de studiefinancieringsbedragen die sinds 2006 zijn uitgekeerd aan studenten die ook migrerend werknemer zijn.
Bedragen (indicatief)
2006
2007
2008
2009
2010
2011
Uitgaven (x € 1 miljoen)
6
8
10
14
20
26
Kunt u aangeven op basis van welke Europese verplichting de beleidsregel inzake het controlebeleid migrerende werknemers is gebaseerd en in hoeverre er sprake is van een Nederlandse kop op het Europees beleid?
Studiefinanciering is door het Europese Hof van Justitie aangemerkt als een sociaal voordeel (zie de arresten in de zaak Bernini C-3/90 en Meeusen C-337/97). Om belemmeringen in de mobiliteit van werknemers zoveel mogelijk weg te nemen moeten alle burgers van de Unie die in het gastland economisch actief zijn («migrerende werknemers»), wat betreft de aanspraak op sociale voorzieningen, gelijk worden behandeld als de onderdanen van het gastland. Dit is onder meer opgenomen in artikel 7, tweede lid, van Verordening (EU) Nr. 492/2011 (verordening over het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie) en artikel 24 van Richtlijn 2004/38/EG (richtlijn over het vrije verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden).
Economisch actief houdt in: het in loondienst verrichten van reële en daadwerkelijke arbeid, gedurende een bepaalde tijd, voor een ander en onder diens gezag. Dit volgt uit verschillende uitspraken van het Europese Hof van Justitie. Voor de beoordeling van het «reële en daadwerkelijke» karakter van arbeid moet in beginsel de gehele arbeidsrelatie onder de loep worden genomen. Hierbij kunnen zaken zoals arbeidsloon en het aantal gewerkte uren een rol spelen. Omdat het voor de uitvoering veel werk zou zijn om in alle afzonderlijke gevallen de arbeidsrelatie in haar geheel te beschouwen, hanteert Nederland voor de toekenning van studiefinanciering tot nu toe een norm van minimaal 32 gewerkte uren per maand. Dit wordt gecontroleerd door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Als er minimaal 32 uur per maand gewerkt is, wordt de status van migrerend werknemer over die maand zonder meer aangenomen.
Kunt u aangeven welke andere sociale voorzieningen openstaan voor studenten uit het buitenland die tevens de status migrerend werknemer hebben?
Studenten hebben de hierboven aangehaalde verordening over het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie niet nodig om een beroep te kunnen doen op andere sociale voorzieningen dan studiefinanciering.
Hoe vindt de controle plaats op het aantal gewerkte uren van de buitenlandse studenten met een status migrerend werknemer?
Bij de aanvraag van studiefinanciering moeten migrerende werknemers een passende arbeidsovereenkomst overleggen. DUO controleert de rechtmatigheid van de toegekende studiefinanciering. Bij de controle op het migrerend werknemerschap moeten studenten het door hen gewerkte aantal uren aantonen door middel van salarisstrookjes en een ingevulde werkgeversverklaring. Alle gevallen worden individueel beoordeeld.
Is er ruimte om de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de status migrerend werknemerschap voor studenten aan te scherpen?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, geeft Europa niet één concrete norm voor de invulling van het begrip «reële en daadwerkelijke arbeid». In beginsel moet immers rekening worden gehouden met alle omstandigheden van de betreffende situatie in het desbetreffende land. Desondanks kan een basisurennorm voor de uitvoering van de studiefinanciering, zoals de Nederlandse, handig en toelaatbaar zijn, als daarnaast maar de mogelijkheid blijft bestaan om in individuele gevallen andere omstandigheden mee te wegen.
Voor de toepassing van het vreemdelingenbeleid bevat de Vreemdelingencirculaire een uitleg van het begrip «reële en daadwerkelijke arbeid». Uitgangspunt hierbij is dat het inkomen meer moet bedragen dan de helft van de bijstandsnorm die voor die persoon geldt. Aan de eis van reële en daadwerkelijke arbeid is in elk geval voldaan, als ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt. Tot slot kunnen zowel de duur als de regelmaat van de werkzaamheden een rol spelen bij de beoordeling (bijvoorbeeld bij oproepcontracten).
De bij de studiefinanciering gebruikte Nederlandse 32-urennorm past binnen deze uitleg. Wel is deze basisurennorm destijds, om uitvoeringstechnische redenen, relatief laag gekozen ten opzichte van de hierboven aangehaalde 40% aan gebruikelijke volledige arbeidstijd. Dit heeft geleid tot een groot aantal migrerende werknemers met studiefinanciering. Dit aantal is in de loop der tijd toegenomen.
Uitgaande van het in de Vreemdelingencirculaire opgenomen uitgangspunt (40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd) is er ruimte om de 32-urennorm op te hogen naar een minimumaantal van 56 gewerkte uren per maand. Ik ben voornemens deze aanscherping met ingang van volgend kalenderjaar door te voeren. De nieuwe norm is daarmee in lijn met de Vreemdelingencirculaire.
Egypte |
|
Mariko Peters (GL) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aanhouding op 30 oktober jl. van de prominente Egyptische activist Alaa Abdel-Fattah door het leger en van het feit dat hem een militair proces te wachten staat, vanwege zijn kritiek op het excessief geweld tijdens het Maspero-incident tegen Kopten van 9 oktober jl?
Ja.
Bent u bereid bij uw bezoek aan Egypte de aanhouding van Alaa Adbel-Fatah te bespreken met de Egyptische autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
In mijn gesprek met de Egyptische Minister van Buitenlandse Zaken heb ik mijn zorgen geuit over de aanhouding van bloggers, waaronder Maikel Nabil en Alaa Abdel-Fattah. Ik heb benadrukt dat vrijheid van meningsuiting, inclusief internetvrijheid, essentieel is voor de transitie naar een democratische rechtsstaat in Egypte.
Bent u ervan op de hoogte dat, ondanks de toezegging van de Militaire Raad op 9 oktober dat burgers niet langer berecht worden door militaire rechtbanken, dit nog steeds vaak het geval is?
Ik heb bij de Egyptische autoriteiten mijn zorgen geuit over berechting van burgers door militaire rechtbanken. Nederland is tegen berechting van burgers in militaire rechtbanken.
Bent u bereid bij uw bezoek aan Egypte uw zorgen en uw bezwaren te uiten over de militaire processen tegen burgers? Bent u bereid aan te dringen op beëindiging van militaire processen tegen burgers? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u, gelet op uw huidige bezoek aan Egypte, bereid deze vragen per ommegaande te beantwoorden?
Ik heb deze vragen gezien mijn bezoek aan Egypte zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het artikel 'belangrijke criminele politie-infiltrant runt coffeeshops' |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Belangrijke criminele politie-infiltrant runt coffeeshops»?1
Ja.
Hoe kan het dat een crimineel onder toezicht van de politie zoveel geld heeft kunnen verdienen met drugshandel en dat hij dit vervolgens gewoon mag en kan investeren? Waarom heeft er toentertijd geen actie plaatsgevonden?
In de periode van 1996 tot 2002 hebben omvangrijke onderzoeken plaatsgevonden naar de IRT-affaire en strafbaar handelen van betrokkenen daarin. Van de vermeende strafbare feiten gepleegd in de IRT-tijd is de hier bedoelde persoon vrijgesproken vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Daarmee resteerden derhalve geen strafrechtelijke mogelijkheden om eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel te kunnen ontnemen.
Hoe kan het dat iemand vervolgens met crimineel geld jarenlang zijn gang heeft kunnen gaan en onder andere coffeeshops heeft kunnen starten, terwijl de Wet Bibob dit moet verhinderen?
De verantwoordelijkheid voor de wijze waarop en de gevallen waarin bestuursorganen het Bibob-instrument toepassen ligt bij het betreffende bestuursorgaan, in casu de gemeente Haarlem. In algemene zin kan ik hierover het volgende meedelen. Het verantwoordelijke bestuursorgaan doet vaak eerst op basis van eigen gegevens een vooronderzoek naar de criminele achtergrond van de vergunningaanvrager. Indien het bestuursorgaan daartoe aanleiding ziet, kan hij het Landelijk Bureau Bibob (hierna LBB) verzoeken advies uit te brengen over de mate van gevaar dat de aangevraagde vergunning wordt gebruikt om crimineel verkregen voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. Hiertoe doet het LBB diepgaand onderzoek naar het criminele verleden van de vergunningaanvrager, diens financiers en zakelijke relaties. Het LBB kan zijn oordeel over het gevaar dat de vergunning wordt misbruikt onder andere baseren op het criminele verleden van de vergunningaanvrager en diens zakelijke netwerk. Dit betekent dat het LBB ook kan adviseren dat er een ernstig gevaar voor misbruik van de vergunning is indien de financier of een zakelijke relatie crimineel is, terwijl de vergunningaanvrager zelf »schoon» is. Ten aanzien van de mate van gevaar dient hierbij te worden opgemerkt dat een conclusie van «geen gebleken gevaar» niet betekent dat de aanvrager van de vergunning geen banden heeft met criminelen of criminele activiteiten. Dit is bijvoorbeeld het geval als de aanvrager van de vergunning enkel in een familiaire relatie staat tot een crimineel, zonder dat deze relatie zakelijke elementen in zich draagt.
Heeft er controle plaatsgevonden in het licht van de Wet Bibob? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?2
Met het oog op artikel 28 van de Wet Bibob kan ik niet ingaan op de vraag of er in deze casus een advies is uitgebracht door het Landelijke Bureau Bibob en wat daarvan de uitkomst zou zijn geweest.
Aanwezigheid van haatpredikers bij de opening van een Amsterdamse moskee |
|
Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Omstreden sprekers in moskee Amsterdam»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de visie dat de prediking door zowel een aan de taliban gerelateerde spreker als door een radicale imam uit Frankrijk die reeds in Duitsland tot geweld opriep, een gevaar vormt voor de openbare veiligheid?
In Nederland bestaan vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en vrijheid van vereniging. Dit zijn rechten die grondwettelijk zijn verankerd. Deze vrijheden kunnen worden genoten behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Oproepen tot geweld kunnen een voedingsbodem vormen voor radicalisme en daarmee op termijn een bedreiging voor de nationale veiligheid. Indien uitspraken een strafbare gedraging opleveren, kan het Openbaar Ministerie tot vervolging overgaan. Daarnaast is de lokale overheid bevoegd een gebouw, waaronder een moskee, te sluiten wanneer er sprake is van verstoring van de openbare orde.
Wat heeft de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) gedaan met de waarschuwing van de Duitse geheime dienst en hoe duidt u deze waarschuwing?
De AIVD heeft voorafgaand aan de opening van de Imam Abu Hanifa Moskee in Amsterdam op 29 oktober jl. geen waarschuwing ontvangen.
Op welke wijze tracht u de komst van predikanten uit het buitenland die oproepen tot geweld tegen te gaan?
Voor zover een persoon die naar Nederland wenst te komen voor een lezing of een conferentie, visumplichtig is, geldt dat zijn visumaanvraag wordt getoetst aan de in de Visumcode neergelegde voorwaarden. Nederland kan, net als de andere Schengenlanden, een persoon de toegang tot Nederland weigeren om redenen van openbare orde, binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of internationale betrekkingen.
Bent u bereid om elke moskee in Nederland waar wordt opgeroepen tot geweld onmiddellijk te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Toezicht op het bestuur van GGZ-instellingen |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Directeur ruïneerde ggz-instelling door exorbitante bestuursstijl»?1
Ja.
Is het waar dat de vorige voorzitter van de raad van bestuur van GGZ-instellingen Westelijk Noord-Brant (GGZ WNB) onder toeziend oog van de toenmalige raad van toezicht zichzelf ten onrechte bonussen heeft laten uitkeren, een circus heeft uitgenodigd voor het eeuwfeest van de instelling en op kosten van zijn werkgever navigatieapparatuur voor zijn zeilboot heeft aangeschaft? Kunt u toelichten wat de rol van de raad van toezicht was bij bovenstaande misstanden? Hoe was de controle vormgegeven? Heeft de raad van toezicht volgens u hier correct en doeltreffend gehandeld?
De instelling informeert ons als volgt. De huidige raad van toezicht van GGZ WNB heeft, na forensisch onderzoek, besloten tot beëindiging van het dienstverband met de vorige voorzitter van de raad van bestuur van GGZ WNB vanwege onder andere het ten onrechte uitkeren van bonussen aan zichzelf en aanschaf van navigatieapparatuur. In dit besluit is de raad van toezicht door het Scheidsgerecht Gezondheidszorg in het gelijk gesteld.
Bij gelegenheid van het eeuwfeest in 2009 zijn – in het kader van de jaarlijks weerkerende terreinfeesten- uiteenlopende activiteiten georganiseerd voor cliënten, medewerkers en mensen uit de omgeving, waarbij de nadruk lag op cliënten. De toenmalige raad van toezicht is hierover geïnformeerd door de toenmalige raad van bestuur. De kosten hiervoor zijn opgenomen in de jaarrekening 2009, die is vastgesteld door de raad van bestuur en is goedgekeurd door de huidige raad van toezicht.
Is het waar dat de toenmalige raad van toezicht toestemming heeft gegeven voor leningen van tientallen miljoenen van de ABN Amrobank, waardoor de instelling nu «aan het infuus» van de bank ligt? Heeft de raad van toezicht volgens u hier correct en doeltreffend gehandeld?
Conform de statuten van GGZ WNB behoeven ingrijpende bestuursbeslissingen en/of rechtshandelingen ten aanzien van het aangaan van financiële verplichtingen die niet voorzien zijn in de begroting de goedkeuring van de raad van toezicht. Tot het aangaan van genoemde leningen is na voorafgaande afstemming met en goedkeuring door de toenmalige raad van toezicht overgegaan.
Bovenstaande informatie is aangereikt door GGZ-WNB. Het betreft afwegingen waar de raad van toezicht de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor draagt.
Hoe verhouden de in vraag 2 en 3 genoemde financiële transacties zich volgens u tot de uitspraak van de staatssecretaris dat ze er van uit gaat «dat het bestuur (van een zorginstelling) het uiterste zal doen om te voorkomen dat de problemen leiden tot een faillissement?»2 Bent u van mening dat de vorige voorzitter van de raad van bestuur en de toenmalige raad van toezicht alles in het werk hebben gesteld om financiële problemen te voorkomen?
Het is voor ons onmogelijk te beoordelen of de toenmalige raad van toezicht van GGZ-WNB de gevraagde uiterste inspanning geleverd heeft. Uiteindelijk is dat ter beoordeling van de raad van toezicht zelf.
Wat is de benoemingsprocedure voor de raad van toezicht van een GGZ-instelling? Wie houdt toezicht op het naleven van deze benoemingsprocedure? Aan wie legt de raad van toezicht verantwoording af? Is deze procedure gevolgd bij GGZ WNB?
De benoemingsprocedure voor een lid van een raad van toezicht ligt (meestal) vast in de statuten van de betreffende instelling. Dat is bij GGZ WNB ook het geval. Daarnaast worden de bepalingen uit de Zorgbrede Governancecode in acht genomen. De raad van toezicht is zelf verantwoordelijk voor de correcte toepassing daarvan en legt daarover ook zelf openbaar verantwoording af, bijvoorbeeld in het jaarverslag.
Wat is de benoemingsprocedure voor de raad van bestuur van een GGZ-instelling? Wie houdt toezicht op het naleven van deze benoemingsprocedure? Is deze procedure gevolgd bij GGZ WNB?
Die mening deel ik. Financiële problemen bij een instelling hebben altijd het risico in zich dat de kwaliteit van zorg vermindert. Daarom houdt de IGZ bij instellingen in financiële moeilijkheden (en dus niet alleen bij instellingen waarbij sprake is van – dreigend-faillissement) de vinger nadrukkelijk aan de pols.
Deelt u de mening dat financiële problemen bij een zorginstelling ook tot vermindering van de kwaliteit van zorg en tot problemen voor cliënten en patiënten kunnen leiden, ook voordat of zonder dat er sprake is van een faillissement? Kunt u dit toelichten?
In zijn algemeenheid deel ik die mening natuurlijk, maar in de context van een concreet geval zijn nuanceringen mogelijk. De verantwoordelijkheid voor de keuzes die een instelling maakt ligt bij de Raad van Toezicht.
Deelt u de mening dat het niet wenselijk is dat instellingsbudget wordt besteed aan het inhuren van een circus en dat dit budget beter besteed zou kunnen worden aan extra dagactiviteiten of lifestylecoaching van cliënten van de instelling? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dat de toenmalige raad van toezicht van GGZ WNB voldoende toezicht heeft gehouden op de besteding van het budget?
Verschillen in kwaliteit van zorg tussen aanbieders komen inderdaad voor, zelfs bij overeenkomstige beschikbare budgetten. Dergelijke verschillen moeten transparant en inzichtelijk gemaakt worden zodat cliënten/patiënten kunnen kiezen voor zorg die het beste aansluit bij hun vraag. In geen enkel geval mag de kwaliteit van zorg onder het minimum zakken. Daarop houdt de IGZ toezicht.
De raad van toezicht heeft (in de meeste gevallen) volgens de statuten het goedkeuringsrecht op de begroting, vooraf dus. Over de besteding van de middelen legt de raad van bestuur verantwoording af in het jaarverslag dat ook weer goedkeuring behoeft van de raad van toezicht.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er grote verschillen bestaan in de kwaliteit van zorg bij verschillende aanbieders van zorg in de GGZ en dat bij overeenkomstige beschikbare budgetten cliënten in sommige instellingen meer en betere zorg en begeleiding krijgen dan in andere? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is de rol van een raad van toezicht bij het controleren van de besteding van het budget en het nastreven van de best mogelijke zorg?
Het gaat erom dat elk der betrokkenen vanuit zijn eigen perspectief/belang zo zuiver mogelijke afwegingen maakt. Dat begint bij de zorgaanbieder die eigenstandig keuzes maakt over het zorgaanbod dat hij kan of wil leveren. Als zijn keuzes niet aansluiten bij de vraag van cliënten/patiënten dan is geen sprake van best mogelijke zorg en zal hij daarvoor zelf de consequenties dragen in de vorm van verminderde afname door zorgverzekeraar of zorgkantoor.
Zorgverzekeraars hebben zorgplicht en dragen eveneens de consequenties voor het niet aansluiten bij de zorgvraag omdat verzekerden van verzekeraar kunnen veranderen. Ook banken dienen de consequenties te dragen van verkeerde beslissingen die zij genomen hebben over investeringen die aan hen ter financiering zijn voorgelegd.
De zuiverheid van deze keuzes wordt negatief beïnvloed door de mogelijkheid dat de overheid de consequenties van dergelijke keuzes alsnog voor zijn rekening neemt, steun verleent en de rekening bij de premie- of belastingbetaler terechtkomt.
Het is onze stellige overtuiging dat in een dergelijk systeem van wederzijdse afhankelijkheden er voor zal zorgen dat het belang van patiënten en cliënten het beste gewaarborgd wordt.
Herinnert u zich uw uitspraak «Wanneer partijen zelf verantwoordelijkheid dragen voor de consequenties van de keuzes van een zorgaanbieder, zullen wij mogelijke korte- en langetermijneffecten voor de patiënten en cliënten van deze keuzes zuiver afwegen?»2 Bent u van mening dat het dragen van financiële verantwoordelijkheid voor een instelling door partijen er altijd toe zal leiden dat deze partijen keuzes maken die leiden tot de best mogelijke zorg voor cliënten? Kunt u dit toelichten?
Ja.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het algemeen overleg Jeugdzorginstelling Zorggroep Zonnehuizen dat gepland staat op 23 november 2011?
Het arrest van de Hoge Raad over ‘ontruiming kraakpand pas na kort geding’ |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2011 waaruit blijkt dat strafrechtelijke ontruiming van een kraakpand pas mogelijk is na een kort geding?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de gevolgen van dit arrest zijn voor de twee jaar geleden aangenomen Wet kraken en leegstand?2
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 oktober 2011 (LJN: BQ9880) geoordeeld dat een strafrechtelijke ontruiming van een kraakpand in beginsel van tevoren bij de krakers moet worden aangekondigd. Indien de krakers een kort geding aanspannen, dient de uitspraak van de rechter in beginsel te worden afgewacht, voordat wordt ontruimd. Het ontruimingsbeleid dat het Openbaar Ministerie op basis van de Wet kraken en leegstand voert, voldoet aan deze eisen. Een belangrijk winstpunt is dat de Hoge Raad dit beleid expliciet heeft goedgekeurd. Dat betekent dat het Openbaar Ministerie kan doorgaan met het prioritair handhaven van het kraakverbod. Zo moet de kraker binnen acht dagen een kort geding tegen de voorgenomen ontruiming hebben aangespannen. Alleen de uitspraak van de rechter in kort geding in eerste aanleg hoeft te worden afgewacht (dus niet een eventueel hoger beroep). Ook hoeft met een ontruiming niet te worden gewacht totdat de kraker voor het misdrijf kraken strafrechtelijk is veroordeeld.
Verder bevestigt de Hoge Raad, in lijn met de Wet kraken en leegstand, dat bescherming van het eigendomsrecht het uitgangspunt is. De eigenaar heeft het recht om over zijn pand te beschikken zoals hij wil. Een kraker die een kort geding aanspant, moet aantonen waarom – bijvoorbeeld tijdelijk – een uitzondering op dat uitgangspunt moet worden gemaakt. De praktijk van het afgelopen jaar wijst uit dat de rechter in vrijwel alle gevallen de strafrechtelijke ontruiming ook toestaat.
Ten slotte is van belang dat de Hoge Raad bevestigt dat er onder omstandigheden – zoals in de beleidsregels van het Openbaar Ministerie omschreven – meteen kan worden ontruimd, zonder dat de ontruiming hoeft te worden aangekondigd en zonder dat een kort geding hoeft te worden afgewacht,bijvoorbeeld wanneer de openbare orde in het geding is.
Ik meen om al deze redenen dat het kraakverbod adequaat kan worden gehandhaafd.
Bent u van mening dat de uitgangspunten van de Wet kraken en leegstand met dit arrest in stand blijven? Zo nee, wat zou er moeten worden gewijzigd zodat de uitgangspunten van de wet wel in stand kunnen worden gehouden?
Ja, zie het antwoord op vraag 2.
Bent u ook van mening dat het principiële standpunt is dat kraken eigenrichting is en een inbreuk is op het eigendomsrecht van eigenaren van panden, omdat ze niet meer vrijelijk over hun eigendom kunnen beschikken?
Ja.
Doodstraf in Japan |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de Japanse minister van Justitie Hiraoka waarin hij heeft verklaard dat hij niet uitsluit dat in zijn recent gestarte ambtstermijn de doodstraf zal worden uitgevoerd?1
Ja.
Wat is uw opvatting over het gegeven dat dit in tegenspraak is met eerdere uitspraken van minister Hiraoka waarin hij heeft aangegeven dat hij zich juist ferm uit zou spreken tegen het uitvoeren van de doodstraf in Japan?
Ik heb met zorg kennis genomen van berichten in de media dat minister Hiraoka niet uitsluit dat hij gedurende zijn ambtstermijn machtigingen tot uitvoering van de doodstraf zal ondertekenen.
Deelt u de mening van Amnesty International en het Anti-Death Penalty Asia Network dat de Japanse minister geen doodstraf garanties moet ondertekenen? Indien ja, op welke wijze gaat u de Japanse autoriteiten hierop aanspreken? Indien nee, waarom niet?
Nederland is tegen de doodstraf. Het standpunt van Nederland ten aanzien van de doodstraf is bij de Japanse autoriteiten bekend.
Bent u bereid in bilateraal en in EU-verband de Japanse autoriteiten blijvend aan te spreken op dit dossier, zeker in het licht van de vastberadenheid van vele landen die wereldwijde afschaffing van de doorstraf bepleiten? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Nederland en andere Europese partners benadrukken consequent en continu de EU-positie ten aanzien van de doodstraf.
Onderbezetting van meldkamers |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat, in aanloop naar de invoering van de nationale politie, meldkamers onderbezet zijn?1
Zie de beantwoording van de eerdere set van vragen van 12 oktober 2011 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 814).
Hoe gaat u voorkomen dat dienders die willen solliciteren voor een functie bij de meldkamers moeten afhaken, omdat onzekerheid bestaat over de plaats waar de meldkamers komen?
Begin 2012 vindt besluitvorming plaats over de organisatie van het meldkamerdomein in Nederland. Na de modelkeuze wordt zo spoedig mogelijk gestart met de operationalisering en de implementatie van het gekozen model, waarbij ook locatiekeuze aan de orde komt. Het is in de tussenliggende periode aan medewerkers zelf om te bepalen of de locatiekeuze en de onzekerheid bepalend zijn voor het wel of niet solliciteren op een functie in de meldkamer.
Wanneer hebben agenten definitief zekerheid over het aantal meldkamers en de plaats waar die worden gevestigd?
Zie antwoord vraag 2.
Utrechtse serieverkrachter |
|
Hans Spekman (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van RTV-Utrecht over de Utrechtse serieverkrachter?1
Ja.
Is het waar dat het Openbaar Ministerie weigert aan de slag te gaan met de door de rechtspsychologen Jasper van der Kemp en Peter van Koppen aangedragen nieuwe relevante informatie over de mogelijke dader in deze zaak? Zo ja, waarom? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Het Openbaar Ministerie heeft mij het volgende meegedeeld.
Het onderzoek is vanaf het begin gericht geweest op de hele regio Utrecht.
De heer Van Koppen heeft de Utrechtse politie in augustus 2010 benaderd over de door hem uitgevoerde statistische analyse. De veronderstelling dat het Openbaar Ministerie weigert aan de slag te gaan met de aangedragen informatie, is onjuist. De stelling van de heren Van Koppen en Van der Kemp dat de serieverkrachter ten tijde van het plegen van zijn delicten in de omgeving van Bilthoven-Zuid woonde, is in het licht van de onderzoeksgegevens in het dossier nader bekeken door de politie. Hieruit blijkt dat het gebied dat de onderzoekers aanwijzen onderdeel is geweest van het gebied waarbinnen de politie gezocht heeft naar de dader. Alle informatie waarover de politie beschikt met betrekking tot het aanwijzen van potentieel interessante subjecten voor nader politieonderzoek, waaronder bestanden met plegers van zeden- en andere delicten, is destijds gebruikt om ook het gebied in Bilthoven-Zuid te bekijken. Ook zijn destijds alle daarvoor in aanmerking komende tips (zo’n 3500) nagetrokken. Het bedoelde onderzoek is derhalve uitgevoerd.
Deelt u de mening dat het onopgelost blijven van de zaak van de Utrechtse serieverkrachter zeer onwenselijk is gezien de enorme impact die deze zaak landelijk en in het bijzonder in en rond Utrecht heeft gehad, waarbij de gevoelens van onveiligheid van velen ernstig zijn toegenomen en de slachtoffers nog steeds geen genoegdoening hebben? Zo ja, welke invloed hebt u en gaat u aanwenden om in deze situatie verbetering te brengen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het vanzelfsprekend wenselijk dat de dader wordt opgespoord en berecht, zeker ook vanwege de positie van de slachtoffers en andere bewoners van het gebied waar de feiten hebben plaatsgevonden. Het Openbaar Ministerie stuurt de opsporing aan en voor deze zaak bestaat een cold case team. Voor enigerlei bemoeienis mijnerzijds bestaat geen aanleiding.
Acht u het risico aanwezig dat de Utrechtse serieverkrachter elders in het land of in of rond Utrecht op een andere wijze zijn strafbare handelingen voortzet? Zo ja, hoe groot acht u dit risico? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten?
Aangezien de Utrechtse serieverkrachter nog niet is aangehouden, kan het risico dat hij nieuwe strafbare handelingen pleegt niet worden uitgesloten. Het Openbaar Ministerie heeft mij meegedeeld dat er (voor de toekomst) geen precieze inschatting is te geven van de omvang van dit risico. In Nederland zijn tot nu toe geen DNA-hits meer gemeld die wijzen op deze dader.
Deelt u de mening dat de stelling van voornoemde deskundigen dat, anders dan de politie tot nu toe heeft aangenomen, de dader in de omgeving van Bilthoven-Zuid woonde met slechts een beperkte inzet van de politie kan worden onderzocht aan de hand van de onderzoeksgegevens in het bestaande dossier klopt? Zo ja, welke gevolgen verbindt u hieraan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Valt deze zaak onder de criteria van de zogenaamde cold-case zaken? Zo ja, kan het onderzoek in dit kader worden verricht? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vragen 2 en 5.
Geeft de toekomstige verruimde wetgeving ten aanzien van DNA-onderzoeken nieuwe relevante mogelijkheden voor het onderzoek, bijvoorbeeld als het een familie-onderzoek van de DNA-bank betreft?
Het Openbaar Ministerie heeft mij meegedeeld dat nieuwe wetgeving na inwerkingtreding zal worden bezien op toepassingsmogelijkheden in het onderzoek naar de Utrechtse serieverkrachter.
Op welke wijze wordt nieuwe informatie in gesloten onderzoeken naar ernstige misdrijven in het algemeen behandeld?
Een cold case wordt gemonitord door een cold case team en elke tip of nieuwe informatie wordt onderzocht door daartoe aangewezen rechercheurs.
Gemeenteraadsverkiezingen in Bulgarije |
|
|
|
|
Wat is uw mening over de chaos rond het tellen van stemmen, met name in Sofia, na de gemeenteraadsverkiezingen van 23 oktober in Bulgarije?1
Ik betreur de onregelmatigheden die blijkens de waarnemingen van OVSE en Raad van Europa hebben plaatsgevonden.
Waren verkiezingswaarnemers aanwezig tijdens deze verkiezing? Zo nee, waarom niet en zo ja, wat is hun oordeel over het verloop van de gemeenteraadsverkiezingen in Bulgarije?
In de aanloop naar en tijdens de verkiezingen waren lokale (NGO’s) en internationale verkiezingswaarnemers aanwezig, vanuit onder meer OVSE en Raad van Europa. Het eindrapport van de OVSE is nog niet verschenen.
Volgens de eerste bevindingen van de OVSE en volgens de Raad van Europa is het juridische raamwerk voor democratische verkiezingen in Bulgarije op orde, maar laat de uitwerking te wensen over.
De waarnemers concluderen dat de gemeenteraadsverkiezingen «professioneel» en «kalm» zijn verlopen, hoewel in verschillende fases en op verschillende plekken onregelmatigheden zijn geconstateerd. Volgens de OVSE kunnen vergaande conclusies van waarnemers zoals over pressie op stemgerechtigden en verkoop van stemrecht op dit moment niet hard worden hard gemaakt.
Hebben de gemeenteraadsverkiezingen voldaan aan OVSE criteria en EU standaarden?
De OVSE constateert dat nog niet is voldaan aan alle aanbevelingen van OVSE/ODIHR en de Venetië-commissie van de Raad van Europa.
Wat vindt u van de kandidaatstelling voor het burgemeesterschap van Sliven door de partij GERB van de, wegens fraude met gemeenschapsgeld tot 3 jaar cel veroordeelde, heer Lechkov?
De kandidaatstelling van de heer Lechkov heeft afbreuk heeft gedaan aan het algemene belang van integriteit bij verkiezingen. De heer Lechkov is niet herkozen.
Kan de EU vertrouwen hebben in de aanpak van corruptie in Bulgarije als de grootste politieke partij, waartoe ondermeer premier Borisov behoort, kandidaten voordraagt die aantoonbaar misbruik hebben gemaakt van gemeenschapsgeld en daar ook voor zijn veroordeeld?
De aanpak van corruptie door de Bulgaarse overheid voldoet op dit moment volgens Nederland nog niet aan de standaarden. Dit wordt bevestigd door de CVM rapporten van de Europese Commissie. De EU heeft destijds in reactie op de veroordeling van Lechkov alle EU-fondsen voor de gemeente Sliven bevroren. De Bulgaarse overheid heeft in reactie op de veroordeling de fondsen voor Sliven stil gelegd.
Acht u de wijze waarop deze verkiezingen verlopen in Bulgarije een voorbeeld van de nog voortwoekerende corruptie zoals omschreven door de Europese Commissie in de voortgangsrapportage van het Coöperatie- en Verificatiemechanisme van 20 juli?
Het beeld in de rapporten van de Raad van Europa en de OVSE is gemengd. De recente verkiezingen kunnen daarom niet als «voorbeeld van de nog voortwoekerende corruptie» worden gekenmerkt.
Kinderarbeid en de positie van Dalits in India |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten dat de onderhandelingen over het EU-India vrijhandelsverdrag in een vergevorderd stadium zijn en dat deze mogelijk in februari zullen worden afgerond?1
Ja. De partijen hopen de onderhandelingen in 2012 af te ronden. Zoals al vermeld in het verslag aan de Tweede Kamer van de RBZ handelspolitiek van 26 september jl. (TK 25 074, nr. 174) hebben beide partijen aangegeven een doorbraak in de onderhandelingen te willen bereiken die kan worden geformaliseerd tijdens de volgende EU-India top voorzien voor februari 2012.
Is het u bekend dat de Europese Raad in een document van 23 september 20112 spreekt over bindende bepalingen op een reeks terreinen van handel en investeringen met betrekking tot het EU-India vrijhandelsakkoord, terwijl met betrekking tot gerelateerde kwesties betreffende duurzame ontwikkeling alleen wordt gesproken over «samenwerking»?
Ja.
Op welke wijze bent u bezig de motie Voordewind3 uit te voeren, waarin de regering wordt verzocht «zich in Europees verband sterk te maken voor een robuust duurzaamheidhoofdstuk waar o.a. ingezet wordt op het terugdringen van kinderarbeid, het verbeteren van de positie van Dalits, de beschikbaarheid van medicijnen voor hiv/aids en een geschillenbeslechtingmechanisme, en geen genoegen te nemen met een sterk afgezwakt compromis.»? Welke resultaten hebt u daarbij geboekt en hoe beoordeelt u de kans op succes?
Nederland heeft regelmatig binnen de Europese Unie zijn zorgen geuit over de voortgang van de onderhandelingen en verschillende keren bij de Europese Commissie aangedrongen op het opnemen van goede afspraken over duurzaamheid in het akkoord, laatstelijk tijdens de Raad Buitenlandse Zaken over handelspolitiek van 26 september jl. Commissaris De Gucht gaf aan dat het, ondanks de Indiase bezwaren, naar verwachting mogelijk zal blijken een dergelijk hoofdstuk op te nemen. Voor een volledig verslag verwijs ik u naar de betreffende kamerbrief (TK 25 074, nr. 174).
Kent u het rapport van de International Trade Union Confereration (ITUC) over India waarin duidelijk wordt gemaakt dat de fundamentele arbeidsrechten in India, waaronder in het bijzonder die van Dalits, op grote schaal worden geschonden?4
Ja.
Waar zijn de uitspraken van de minister van begin juli op gebaseerd dat hij «volop vertrouwen heeft in de wijze waarop de Indiase regering bezig is dit soort zaken (kinderarbeid, dwangarbeid, non-discriminatie e.d.) aan te pakken», op basis van «wetten die ze nu hebben aangenomen als de uitvoering daarvan»?5 Hoe verhouden deze uitspraken zich met het recente ITUC- rapport en vele andere berichten over schending van fundamentele arbeidsrechten in India? Geven deze berichten de minister aanleiding zijn mening te herzien? Zo ja, hoe gaat hij dat kenbaar maken aan de Indiase regering?
De Indiase regering heeft de afgelopen jaren wetgeving ingevoerd om kinderarbeid, dwangarbeid en non-discriminatie tegen te gaan.
Hoewel het rapport van de ITUC kritisch is over de positie van Dalits, zijn er ook studies/analyses die stellen dat de positie van Dalits verbetert, bijvoorbeeld in de deelstaat Uttar Pradesh.
Heeft de minister tijdens zijn bezoek aan India van begin juli dit jaar ook de kwestie van de discriminatie van Dalits aan de orde gesteld waarover in de motie Voordewind wordt geconstateerd dat «250 miljoen Dalits het slachtoffer zijn van talloze schending van fundamentele mensenrechten en dat deze groep disproportioneel lijdt onder schendingen van arbeidsrechten in productieketens van Nederlandse bedrijven, waaronder in kleding, zaden en natuursteen.»?6
Ik heb de kwestie van de Dalits aan de orde gesteld.
Hoe bent u bezig uitvoering te geven aan de motie Voordewind over de positie van Dalits? Zijn daarvan al resultaten zichtbaar? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?7
In de mensenrechtenstrategie van de Nederlandse regering staat dat effectiviteit van het beleid voorop zal staan en dat daarbij selectiever worden opgetreden. Naar aanleiding van uw motie heb ik besloten nog eenmaal een extra financiële bijdrage te geven aan het IDSN (International Dalit Solidarity Network), die zich internationaal inzet voor de positie van Dalits.
Is de staatssecretaris voornemens tijdens zijn voorgenomen bezoek aan India in november dit jaar ook de kwestie van discriminatie van Dalits aan de orde stellen? Zo ja, wat zal in dat verband zijn inzet zijn met betrekking tot de toezegging aan de Kamer om de uitbuiting van Dalit-meisjes in de Zuid-Indiase kledingindustrie aan de orde te stellen bij de Indiase regering8 Zo nee, waarom niet?
Tijdens mijn economische bezoek aan India van 7–9 november jl. heb ik het Sumangali systeem, dat vooral ook Dalit-meisjes treft, aan de orde gesteld bij mijn ambtgenoot Staatssecretaris Singh van Corporate Affairs en gemeld dat Nederland bereid is met de Indiase regering samen te werken om dit systeem (verder) uit te bannen. Hij antwoordde dit aanbod graag aan te nemen.