De vermogenstoets in de huurtoeslag voor 2012 |
|
Bruno Braakhuis (GL), Pieter Omtzigt (CDA), Ed Groot (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog dat u tijdens het plenaire debat over het Belastingplan 2012 heeft toegezegd dat u mensen zou informeren over de verlaging van de vermogenstoets in de huurtoeslag voor 2012, zowel middels een persbericht als middels informatie op de site van de Belastingdienst/Toeslagen?
In de Tweede Kamer is gesproken over de afschaffing van de kindertoeslag die de vorm heeft van een verhoging van het heffingsvrije vermogen in box 3 en het mogelijke effect hiervan op de huurtoeslag van mensen met kinderen. Ik heb verder in het plenaire debat aangegeven dat ik naar aanleiding van het Belastingplan 2012 meerdere zaken in de pers zal brengen.
Na de stemming in de Tweede Kamer is een persbericht over alle wijzigingen van het Belastingplan 2012 uitgebracht. Hierin staat dat het vanaf 2012 niet meer mogelijk is een extra bedrag per minderjarig kind op te tellen bij het heffingsvrij vermogen van box 3 en dat deze maatregel mogelijk effect heeft op de huurtoeslag van mensen met minderjarige kinderen. Daarnaast is toen een bericht op de eerste pagina van de website van toeslagen (www.toeslagen.nl) geplaatst dat de vermogenstoets huurtoeslag met minderjarige kinderen wijzigt. Het volledige bericht luidt:
Vanaf 2012 kunt u geen extra bedrag per minderjarig kind bij het heffingvrij vermogen (box 3) meer optellen. Deze maatregel heeft mogelijk effect op uw huurtoeslag.
Heffingvrij vermogen is een vast bedrag van uw bezittingen min schulden waarover geen belasting hoeft te worden betaald. Vanaf 2012 kunt u alleen rekenen met uw eigen heffingvrije vermogen (€ 21 139). Als u heel 2012 een fiscale partner hebt of daarvoor kiest, is het heffingvrije vermogen € 42 278.
Komt u op toetsdatum 1 januari 2012 boven het heffingvrije vermogen uit? Dan hebt u geen recht op huurtoeslag voor 2012. Zet dan zelf uw huurtoeslag stop. Uw huurtoeslag stopzetten met ingang van 1 januari 2012 kan vanaf december 2011.»
Verder zijn de intermediairs (o.a. woningbouwcorporaties, sociale raadslieden en gemeenten) geïnformeerd over de afschaffen van de kindertoeslag van het heffingsvrije vermogen in box 3, zodat zij hun klanten hierover kunnen informeren.
Klopt het dat mensen, als zij ook maar € 1 boven de vermogenstoets uitkomen op 1 januari hun hele huurtoeslag over het jaar 2012 kunnen kwijtraken?
Ja, de wetgever heeft in de Wet op de huurtoeslag gekozen voor een vermogenstoets waarbij men geen recht op huurtoeslag heeft wanneer men boven het bedrag van de vrijstelling van box 3 van de Wet op de Inkomstenbelasting uitkomt.
Acht u het denkbaar dat deze mensen en de buitengewoon efficiënte Belastingdienst/Toeslagen daar pas na een jaar achter komen, zodat zij geconfronteerd kunnen worden met terugvorderingen van vele duizenden euro’s?
De wetgever heeft in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bepaald dat aanvragers van een toeslag wijzigingen die van belang zijn voor het recht op en de hoogte van de toeslag aan de Belastingdienst/Toeslagen moeten doorgeven. De Belastingdienst/Toeslagen kan dan hierop (het voorschot op) de toeslag aanpassen. Het gaat bijvoorbeeld om wijzigingen in de huishoudsamenstelling, het inkomen en in het geval van de huurtoeslag een wijziging in het vermogen. Indien toeslagaanvragers deze wijzigingen direct doorgeven kan hierdoor worden voorkomen dat na afloop van het toeslagjaar bij het definitief toekennen van de toeslag een nabetaling of terugvordering plaatsvindt. In het bericht op de website van Belastingdienst/Toeslagen worden aanvragers van een huurtoeslag opgeroepen zelf hun huurtoeslag stop te zetten op het moment dat ze vaststellen dat hun vermogen boven het heffingsvrije vermogen uitkomt.
Klopt het dat er op 23 december 2012 geen bericht staat op de site van de Belastingdienst/Toeslagen, terwijl veel andere wijzigingen, zoals de verlaging van de huurtoeslag en de kinderopvangtoeslag wel helder en duidelijk vermeld worden op http://www.toeslagen.nl/2012?
Nee, dit klopt niet. Zoals gemeld in het antwoord op vraag 1, is na de stemming van het Belastingplan 2012 een bericht geplaatst op de website van de Belastingdienst/Toeslagen onder de kop «actueel».
Klopt het dat er geen apart persbericht is verschenen over de verlaging van de vermogenstoets voor gezinnen met kinderen en huurtoeslag?
Zoals gemeld in het antwoord op vraag 1 heb ik een persbericht over het Belastingplan 2012 uitgebracht waarin onder andere staat dat het vanaf 2012 niet meer mogelijk is een extra bedrag per minderjarig kind op te tellen bij het heffingsvrij vermogen van box 3 en dat deze maatregel mogelijk effect heeft op de huurtoeslag van mensen met minderjarige kinderen. Er is gekozen voor één persbericht omdat dit doelmatiger is dan over alle wijzigingen en gevolgen van het Belastingplan 2012 afzonderlijke persberichten uit te brengen. Daarnaast is ervoor gekozen om toeslaggerechtigden te informeren via internet omdat dit een doelmatig medium is gebleken.
Deelt u de mening dat de ene zin in het lange nieuwsbericht «Tweede Kamer stemt in met Belastingplan 2012» over de vermogenstoets niet geleid heeft tot aandacht voor dit probleem bij de doelgroep die het hier betreft?
De website van de Belastingdienst/Toeslagen is het belangrijkste medium om bij toeslagaanvragers aandacht te vragen voor actuele zaken die spelen bij toeslagen. Toeslagaanvragers worden door de Belastingdienst erop geattendeerd om naar deze website te gaan en de berichten te lezen. Zoals gesteld in het antwoord op vraag 1 geeft de Belastingdienst/Toeslagen aan de wijziging in het heffingsvrij vermogen op deze website uitvoerig aandacht. Daarnaast is hierover een passage opgenomen in het persbericht van het Belastingplan 2012 en worden intermediairs geïnformeerd. Ik ben van mening dat hiermee in redelijkheid voldoende inspanning is gedaan om de desbetreffende toeslaggerechtigden te informeren.
Bent u bereid om per ommegaande in beide lacunes te voorzien en breed bekendheid te geven aan deze maatregel, zoals toegezegd in de Kamer?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen binnen vijf dagen beantwoorden?
Dit is bijna gelukt.
Bommen op baggerschepen |
|
Magda Berndsen (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat de afgelopen weken twee op scherp staande Engelse duizendponders uit de Tweede Wereldoorlog zijn aangetroffen op baggerschepen afkomstig uit Weesp?
Ja.
Deelt u de mening van de burgemeester van de gemeente Buren die zei «Nederland is aan een ramp ontsnapt»?1 Zo ja, hoe groot was het risico op een ramp? Zo nee, waarom niet?
Handelingen met en transport van ongesprongen explosieven dienen zoveel mogelijk voorkomen te worden. Het Nederlandse beleid is daarom gebaseerd op opsporing en het onschadelijk maken van gevonden bommen op of nabij de vindplaats. Helaas kan daarbij niet voor 100% uitgesloten worden dat er bommen ongemerkt opgebaggerd worden.
Het is niet exact kwantitatief in te schatten hoe groot de risico’s waren, ook niet door deskundige instanties zoals de Explosieven Opruimingsdienst van het ministerie van Defensie (EODD).
De kans dat een bom tijdens transport in baggerschepen spontaan explodeert wordt door deskundigen als klein ingeschat. Wat de gevolgen betreft zou een explosie grote schade toebrengen aan het schip en mogelijk zeer ernstig letsel bij de bemanning veroorzaken. De uitwerking naar de omgeving zou waarschijnlijk beperkt blijven door de afdekking met baggerslib, de drukontlasting in verticale richting en de afstand tot de bebouwing. Schade aan infrastructuur door drukeffecten en bomfragmenten kan echter niet uitgesloten worden en ruitbreuk in de omgeving zal waarschijnlijk plaatsvinden.
Indien er een explosie plaatsvindt tijdens het baggeren zijn de gevolgen, afhankelijk van de plaats van explosie (op de bodem of op maaiveldhoogte) ernstiger – dodelijk tot enkele tientallen meters, (ernstige) schade aan gebouwen en infrastructuur tot circa honderd meter en ruitbreuk tot op honderden meters.
Kunt u bevestigen dat vanuit Weesp nog zo’n 4500 baggertransporten zullen vertrekken? Zo nee, hoeveel transporten zijn dan wel voorzien?
Het baggerwerk in Weesp maakt deel uit van het baggerproject Schoonmaken van de Vecht. In totaal gaat het om 2 500 000 m3 baggerslib. Hiervan wordt 400 000 m3 in circa 800 scheepsladingen afgevoerd naar de Ingensche Waarden. Van deze 800 scheepsladingen zijn er 400 al getransporteerd. Vanuit Weesp worden mogelijk nog circa 10 scheepsladingen getransporteerd naar de Ingensche Waarden en vanuit het overige gebied nog ongeveer 340.
De overige transporten (ruim 4000) gaan naar Rijksstortplaatsen zoals IJsseloog.
Vindt controle plaats op de mogelijke aanwezigheid van bommen in gebaggerd slib voordat het de schepen ingaat? Zo ja, waaruit bestaat deze controle? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Voor het gehele gebied waar gebaggerd wordt is door een gecertificeerd bedrijf een vooronderzoek uitgevoerd, conform de Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat «Opsporen Conventionele Explosieven» van 8 februari 2007. Zowel historische bronnen als gesprekken met ooggetuigen maken deel uit van dat onderzoek. In het vooronderzoek worden gebieden aangewezen die verdacht worden van de aanwezigheid van vliegtuigbommen. In de verdachte gebieden wordt voor het baggeren nader onderzoek gedaan met detectoren (magnetometrisch onderzoek) en worden gecertificeerde duikers ingezet om uit te maken of het bommen of andere metalen voorwerpen betreft. Vervolgens worden de bommen of andere voorwerpen opgeruimd. In gebieden die verdacht zijn op kleinere munitie wordt beveiligd gebaggerd (met gepantserde cabine, containers ter afscherming van de omgeving e.d.).
Het baggerslib dat de vliegtuigbommen bevatte was afkomstig uit niet-verdacht gebied.
Deelt u de mening dat de kans dat Tweede Wereldoorlogbommen worden opgegraven in Nederland nog steeds aanzienlijk is? Zo ja, kunt u toelichtenin hoeverre uhet veiligheidsrisico als beheersbaar beschouwt en hoe de veiligheid van baggeraars, vervoerders en bevolking wordt gewaarborgd? Zo nee, waarom niet?
In Nederland bestaat nog altijd een risico dat bij werkzaamheden blindgangers uit de Tweede wereldoorlog worden aangetroffen. Er is echter geen antwoord te geven op de exacte omvang van dit risico c.q. hoeveel bommen nog in de Nederlandse bodem zitten.
Zodra er met betrekking tot een voorgenomen project een vermoeden is van het aantreffen van munitierestanten uit de Tweede Wereldoorlog dient een, op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 4.10 lid 2, gecertificeerd bedrijf een vooronderzoek uit te voeren en indien nodig een opsporingsonderzoek.
Gemeenten zijn, vanuit hun verantwoordelijkheden voor de openbare orde en veiligheid, tevens verantwoordelijk met betrekking tot ongesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Zij geven invulling aan deze verantwoordelijkheden door projecten en veiligheidsplannen op dit gebied te beoordelen en indien nodig voorwaarden te verbinden aan de uitvoering.
Ik acht het veiligheidsrisico in Nederland beheersbaar gezien de duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling zoals hierboven vermeld, de certificeringsverplichtingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit waardoor kennis en ervaring bij de opsporingsbedrijven wordt geborgd en de bij de Explosieven Opruimingsdienst van het ministerie van Defensie (EODD) aanwezige expertise.
Deelt u de mening dat het onopgemerkte vervoer van mogelijk op scherp staande bommen op baggerschepenen door zeer dichtbevolkte gebieden onverantwoord is? Zo ja, welkeveiligheidsmaatregelen verbindt u aan deze mening? Zo nee, waarom niet?
Vervoer van mogelijk op scherp staande bommen door dichtbevolkte gebieden dient vermeden te worden. Daarom is de aanpak in Nederland gericht op vooronderzoek en opsporingsonderzoek en op het door de EODD onschadelijk maken van bommen op de vindplaats. Daarna kan op veilige wijze transport naar een springplaats plaatsvinden.
In dit geval was de aanpak van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en de gemeente Weesp eveneens gericht op het voorkomen van transport of andere ongewenste handelingen met vliegtuigbommen. De bommen zijn daarbij echter niet ontdekt.
Na de ontdekking van de bommen is het verdacht gebied uitgebreid, van 150 m tot 300 m vanaf de spoorbrug aan de oostzijde van Weesp. Binnen dit uitgebreider verdacht gebied zal pas verder gebaggerd worden – op beveiligde wijze – na opsporingsonderzoek. De gemeente Weesp acht deze door het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht genomen veiligheidsmaatregelen toereikend.
Bent u bereid om controle op de mogelijke aanwezigheid van bommen te laten plaatsvinden voordat het gebaggerde slib de schepen ingaat voor transport dan wel bent u bereid deze controle vooraf aan te scherpen? Zo ja, op welke wijze zal hierin worden voorzien? Zo nee, op grond van welke overwegingen vindt u het treffen van dit soort (nadere) maatregelen niet nodig?
De veiligheid op de plaats van de baggerwerkzaamheden is de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever en uitvoerder van de werkzaamheden (arbeidsveiligheid) en de gemeente (openbare veiligheid).
Zij hebben extra veiligheidsmaatregelen genomen door het gebied waar pas gebaggerd wordt na opsporingsonderzoek te vergroten. Door aanvullend historisch onderzoek zijn nieuwe gegevens naar boven gekomen waardoor met meer zekerheid de begrenzing van het verdachte gebied is vastgesteld. Deze gegevens komen van luchtfoto’s uit begin 1945, analyserapporten van de RAF inzake bombardementen van de geallieerden en er zijn 5 nieuwe «getuigen» gehoord die zich naar aanleiding van de eerdere publiciteit bij het Waterschap hadden gemeld.
Het uitgebreide opsporingsgebied wordt zorgvuldig onderzocht op metalen voorwerpen door het af te varen en in kaart te brengen met een magnetometer. Vervolgens zullen gecertificeerde duikers alle «hits» benaderen om te bepalen of het vliegtuigbommen betreft.
Gezien deze lokaal getroffen maatregelen acht ik het niet nodig het gemeentebestuur te verzoeken aanvullende maatregelen te treffen.
Julius Malema |
|
Johan Driessen (PVV), Louis Bontes (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geschorste Malema krijgt provinciale ANC-functie»?1
Ja.
Wat is de exacte status van de schorsing van Julius Malema? Waarom kan Malema, ondanks zijn schorsing, onder nota bene luid gejuich van zijn ANC-partijgenotenlid worden van het provinciaal uitvoerend comité in de provincie Limpopo?
Malema is voor een periode van vijf jaar geschorst als lid van het ANC en de onder het ANC vallende organisaties zoals de Youth League. Malema moet zijn voorzitterschap van de Youth League neerleggen. Malema heeft echter beroep aangetekend tegen de schorsing. Hangende het beroep is Malema gekozen tot lid van het provinciale bestuur van de provincie Limpopo.
Erkent u dat uw uitspraak:»er zijn stemmen binnen het ANC die pleiten voor een gedwongen herverdeling, maar dat is een minderheid. Een belangrijke voorstander van de gedwongen herverdeling, Malema, is vrij recent nog geschorst», van 21 december jl. in de plenaire zaal van de Tweede Kamer der Staten-Generaal2 sterk aan kracht heeft ingeboet nu Malema toch een vooraanstaande positie heeft verworven binnen het ANC? Zo nee, waarom niet?
De uitlatingen van Malema en de populariteit die hij geniet geven reden tot zorg. De leiding van het ANC heeft met het besluit tot schorsing van Malema duidelijk gemaakt zijn standpunt niet te delen. De behandeling van het beroep tegen de schorsing van Malema zal door de Nederlandse ambassade nauwlettend worden gevolgd.
Deelt u de mening, dat, nu wederom blijkt dat Malema, die oproept tot gedwongen nationalisaties, kind aan huis is bij het echtpaar Mugabe en «kill the boer» zingt, een belangrijke rol binnen de socialistische ANC blijkt te hebben, alle Nederlandse ontwikkelingshulp aan Zuid-Afrika per direct moet worden beëindigd? Zo nee, waarom niet?
Nee. Nederland werkt samen met de Zuid-Afrikaanse regering en niet met individuele politici. De Zuid-Afrikaanse regering zet zich in voor nationale eenheid en verzoening en neemt afstand van krachten die verdeeldheid bepleiten. Overigens zal conform gesteld in de «Focusbrief ontwikkelingssamenwerking» van maart 2011 de ontwikkelingsrelatie met Zuid-Afrika in de komende periode worden afgebouwd.
Beelden van inbrekers gemaakt door RTV Oost |
|
Coşkun Çörüz (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat RTV Oost beelden heeft uitgezonden van drie inbrekers die hebben ingebroken in het pand van RTV Oost?1
Ja.
Deelt u de mening dat beveiligingscamera’s kunnen dienen ter voorkoming en opsporing van inbraak?
Ja.
Bent u van mening dat inbrekers zelf risico nemen gefilmd te worden bij het plegen van een strafbaar feit en zeker in het geval van inbraak bij een beveiligd bedrijfspand (waar in dit geval ook nog eens een tv-zender huist) waar beveiligingscamera’s aanwezig zijn?
Ja.
Deelt u de mening dat het belang van privacy van personen, die weten dat ze gefilmd kunnen worden bij het plegen van een strafbaar feit en zelf iemands privacy schenden, minder zwaar weegt dan het oplossen van dit feit?
Bepaalde inbreuken op de privacy van personen die verdacht worden van een strafbaar feit zijn in het belang van de opsporing geoorloofd. Het is echter niet zo dat inbrekers door hun daad ieder recht op privacy verspelen. Het naleven van de rechten op het gebied van privacy en bescherming van persoonsgegevens staat overigens niet in de weg aan een effectieve opsporing en vervolging.
Bent u van mening dat RTV Oost de beelden had mogen uitzenden? Zo nee, onder welke voorwaarden had het wel gemogen?
Het oordeel over de vraag of RTV Oost de beelden had mogen uitzenden, is primair aan de rechter of de Raad voor de Journalistiek. In het algemeen geldt hierover het volgende. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is slechts gedeeltelijk van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke doeleinden (de zogenaamde journalistieke exceptie). Het verwerken van strafrechtelijke gegevens voor journalistieke doeleinden, waaronder het tonen van beelden die min of meer gegronde verdenkingen onderbouwen, is in beginsel geoorloofd.
Klopt het dat de beelden mogen worden uitgezonden indien zij via de politie waren aangeleverd bij de zender? Zo ja, was de privacyschending van de inbrekers dan geen probleem geweest, terwijl wel dezelfde beelden zouden zijn uitgezonden?
Beelden van bijvoorbeeld een inbraak mogen worden uitgezonden indien ze door de politie worden aangeleverd bij een zender. De politie maakt daarbij een belangenafweging op basis van de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving. Net als bij de inzet van andere opsporingsmiddelen gelden de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Het gebruik door politie en justitie van beelden gemaakt door particulieren of bedrijven wordt primair beheerst door het Wetboek van Strafvordering, de Wet politiegegevens en/of de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Dat is een ander wettelijk kader dan het kader van de Wbp.
Is het burgers toegestaan om beelden, waar mensen in een publieke ruimte herkenbaar in beeld zijn, openbaar te maken, bijvoorbeeld via Youtube zoals vaak gebeurt?
Dit is afhankelijk van de concrete situatie. In zijn algemeenheid geldt dat men er op de openbare weg niet vanuit mag gaan dat men geheel onbespied zijn gang kan gaan. In besloten ruimten die voor het publiek toegankelijk zijn, geldt dat camerabewaking duidelijk kenbaar moet worden gemaakt. Die beelden worden in de regel slechts voor korte termijn bewaard en niet gepubliceerd. Het bewust publiceren van beelden van herkenbare personen op internet is een verdergaande inbreuk op de privacy van betrokkenen, en zal minder snel aanvaardbaar zijn. In beginsel is de toestemming nodig van betrokkenen. Het publiceren van beelden op internet kan overigens ook uit anderen hoofde dan privacybescherming onrechtmatig zijn, bijvoorbeeld omdat het in strijd is met de Auteurswet.
Is het burgers toegestaan om beelden waar mensen in een publieke ruimte herkenbaar in beeld zijn en een strafbaar feit plegen openbaar te maken, bijvoorbeeld via Youtube? Zo nee, wat doen de burgers die geen strafbaar feit plegen verkeerd, waardoor hun privacy minder gerespecteerd wordt dan de burgers die wel een strafbaar feit plegen?
Ik sta in beginsel positief tegenover initiatieven van slachtoffers van criminaliteit om politie en justitie te ondersteunen in hun werk om daders op te sporen. Dergelijke initiatieven dienen uiteraard in overeenstemming met het toepasselijk wettelijk kader uitgevoerd te worden. Burgers en bedrijven die beelden van herkenbare natuurlijke personen die een strafbaar feit plegen willen publiceren doen er verstandig aan om dergelijke beelden altijd eerst aan politie en Openbaar Ministerie ter beschikking te stellen. Politie en Openbaar Ministerie kunnen de juiste afweging maken of het publiceren van beelden in een concreet geval nuttig is, of juist moet worden afgeraden, bijvoorbeeld om het onderzoek te beschermen of omdat de identiteit van de inbreker(s) ook op andere wijze vast te stellen is. Uiteindelijk hangt de rechtmatigheid af van de omstandigheden van het individuele geval. Het CBP is verantwoordelijk voor het toezicht op de Wbp.
Bent u bereid te kijken naar het huidig wettelijk kader omtrent de bescherming van persoonsgegevens, aangezien er nu onduidelijk heerst over wat er wel en niet is toegestaan?
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft in december 2011 een wetsvoorstel ter wijziging van de Wbp ter consultatie gepubliceerd. Dit wetsvoorstel bevat onder andere een nadere regeling voor het gebruik van beelden van bewakingscamera's die door particulieren zijn vervaardigd. In het wetsvoorstel wordt de grondslag gelegd voor enkele nadere regelingen waarin de voorwaarden worden vastgesteld waaronder dergelijke beelden door burgers en bedrijven zelf op internet kunnen worden geplaatst om zodoende de opsporing en vervolging te ondersteunen.
De erfbelasting over een niet verkochte woning |
|
Bas Jan van Bochove (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de signalen uit de praktijk dat veel belastingplichtigen problemen hebben om de erfbelasting te betalen als de nalatenschap uit een woning bestaat en deze woning niet snel genoeg verkocht kan worden, nu de verkooptijd van koopwoningen is opgelopen tot 23 maanden?1
Naar aanleiding van uw vraag of mij uit de praktijk signalen bekend zijn dat veel belastingplichtigen problemen hebben om de erfbelasting te betalen als de nalatenschap uit een woning bestaat en deze woning niet snel genoeg verkocht kan worden, nu de verkooptijd is opgelopen tot 23 maanden, kan ik u op grond van informatie van de Belastingdienst meedelen dat bedoelde problemen hoegenaamd niet bestaan.
Verzoeken om uitstel van betaling voor aanslagen erfbelasting worden sinds januari 2011 centraal behandeld in Utrecht. Beleid is dat voor aanslagen onder € 50 000 waarbij niet betaald kan worden in verband met de tijdelijke onverkoopbaarheid van de woning zonder meer uitstel van betaling wordt verleend gedurende een jaar. Is het aanslagbedrag hoger of de termijn waarvoor uitstel wordt gevraagd langer, wordt zekerheid gevraagd in de vorm van een hypotheek op de betreffende woning. In de regel is hier weinig tot geen discussie over.
Aanslagen opgelegd voor 2011 worden nog behandeld door de Belastingregio's afzonderlijk. Ook uit informatie van deze regio's blijkt niet van problemen.
Deelt u de mening dat het ongewenst is dat erfgenamen een nalatenschap met een positieve waarde zouden moeten verwerpen, omdat zij de erfbelasting over de nalatenschap niet op tijd zouden kunnen betalen?
In december 2008 hebben de leden Jansen en Bashir vragen gesteld over min of meer dezelfde situatie die u thans hebt voorgelegd. In zijn schriftelijke antwoord aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (brief van 13 januari 2009, nr. DGB/2008/6442) heeft de toenmalige staatssecretaris het volgende geantwoord, welk antwoord nog steeds opgeld doet.
«Voor aanslagen in het recht van successie geldt een wettelijke betalingstermijn van twee maanden; in het algemeen worden deze aanslagen overigens eerst geruime tijd na het overlijden van de erflater opgelegd. Na het opleggen van de aanslag kan de Belastingdienst zo nodig uitstel van betaling verlenen voor een periode van twaalf maanden. In de praktijk hebben belastingschuldigen die voor laatstbedoeld uitstel van betaling in aanmerking komen, gerekend vanaf het tijdstip van verkrijging, een periode van twee jaren om de verkregen goederen geheel of gedeeltelijk te gelde te maken (hetzij door middel van verkoop hetzij door middel van belening) teneinde uit de opbrengst het verschuldigde recht te betalen. Deze periode is meestal voldoende; indien sprake is van bijzondere omstandigheden, voorziet het uitstelbeleid van de Belastingdienst in een nog langere termijn (dan de genoemde twaalf maanden).»
Erfgenamen hoeven derhalve hun nalatenschap met een positieve waarde niet te verwerpen, omdat zij de erfbelasting over de nalatenschap niet op tijd zouden kunnen betalen, gelet op het feit dat uit het vorenstaande blijkt dat de Belastingdienst zich coulant opstelt bij het innen van erfbelasting.
Deelt u de mening dat, als de erfgenamen er alles aan gedaan hebben om de geërfde woning zo snel mogelijk te kunnen verkopen, maar dit vanwege de economische tijden op de woningmarkt nog niet gelukt is, de Belastingdienst zich soepel op zou moeten stellen bij het verlenen van uitstel van betaling of van een betalingsregeling?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de regeling voor uitstel van betaling voor het erven van de blote eigendom van een woning2 tijdelijk uit te breiden tot nalatenschappen die voor een groot deel bestaan uit een nog niet verkochte woning, al dan niet met hypotheek bezwaard, als de belastingplichtige over onvoldoende andere middelen beschikt om de erfbelasting te kunnen betalen?
Uit de antwoorden op de vragen 1, 2 en 3 blijkt van een soepele opstelling van de Belastingdienst in het geval de verschuldigde erfbelasting niet kan worden betaald en de nalatenschap uit een woning bestaat die niet snel genoeg verkocht kan worden. Derhalve vind ik een uitbreiding van de regeling voor uitstel van betaling voor het erven van de blote eigendom van de woning ex artikel 25, lid 20, Invorderingswet 1990 niet in de rede liggen.
De fiscale behandeling van transformatie van kantoorpanden |
|
Ed Groot (PvdA), Wouter Koolmees (D66), Jacques Monasch (PvdA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek «Transformatie kantoren gaat niet vanzelf» in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en acht Nederlandse gemeenten en de in dat rapport gesignaleerde fiscale knelpunten bij de transformatie van kantoren naar (huur)woningen?
Ja.
Bent u het eens met de stelling in het onderzoek dat bij transformatie van kantoren in huurwoningen in feite twee keer btw wordt betaald, hetgeen de kosten voor de te realiseren huurwoningen kan doen oplopen met 100 euro per vierkante meter? Is het, gegeven dat afschaffing van de zogenoemde btw-integratieheffing geen begaanbare weg is, dan in ieder geval mogelijk om een getransformeerd kantoorpand fiscaal niet te bejegenen als een «nieuw vervaardigd» onroerend goed maar als een getransformeerd bestaand vastgoed, zodat dubbele btw-heffing zoveel mogelijk kan worden voorkomen? Ziet u mogelijkheden langs deze weg de vastgoed- en bouwsector tegemoet te komen en tevens een bijdrage te leveren aan vermindering van het overaanbod van kantoren enerzijds en de schaarste aan woningen in stedelijke gebieden anderzijds?
Nee, met deze stelling ben ik het in algemene zin niet eens. In het geval een kantoorpand eerder voor belaste prestaties is gebruikt drukt er geen btw meer op het pand. Er heeft dan immers aftrek van btw plaatsgevonden. In het geval een pand voor vrijgestelde prestaties is gebruikt, drukt er nog wel btw op het pand. Vaak wordt hiermee dan in de verhuurprijs echter al rekening gehouden en is de verhuurder aldus gecompenseerd voor de btw die hij niet kon aftrekken.
Bovendien wordt eventuele niet afgetrokken btw alsnog – tijdsevenredig- teruggegeven als zich binnen 10 jaar na eerdere aanschaf een integratieheffing voordoet.
Die integratieheffing doet zich voor als delen van een bestaand pand worden gebruikt voor de vervaardiging van een nieuw pand. De integratieheffing zorgt voor een vergelijkbare btw-druk, ongeacht of het om een getransformeerd pand gaat dan wel om een pand dat geheel nieuw voor de koop- of huurmarkt is gebouwd. Dit vanuit het oogpunt van btw-neutraliteit.
Overigens ben ik wat betreft de toepassing van de integratieheffing op dit moment nog in afwachting van het oordeel van het Europese Hof van Justitie of alle ter beschikking gestelde stoffen, zoals grond, wel in de maatstaf van heffing voor de integratieheffing dienen te worden opgenomen. Een negatieve beslissing zou de markt in die zin tegemoet komen.
Met betrekking tot de vraag of het mogelijk is om een bijdrage te leveren aan de onderhavige problematiek door een getransformeerd kantoorpand fiscaal niet te bejegenen als een «nieuw vervaardigd» onroerend goed maar als een getransformeerd bestaand vastgoed, zodat dubbele btw-heffing zoveel mogelijk kan worden voorkomen, merk ik het volgende op.
De vaststelling of door transformatie een nieuw goed ontstaat hangt af van de feiten van het specifieke geval. Deze feiten zijn wat ze zijn, bij transformatie van kantoorpanden net zo goed als bij andere transformaties, en kunnen niet anders worden geduid. Het kan overigens goed zijn dat een transformatie – zelfs een zeer begrotelijke – toch geen nieuw vervaardigd goed oplevert. Louter de functiewijziging zal doorgaans – gelet op de huidige stand van de jurisprudentie – onvoldoende zijn om van een nieuw vervaardigd goed te kunnen spreken. Er zal dan ook niet in alle gevallen sprake zijn van een nieuw vervaardigd goed en de integratieheffing zal veelal achterwege blijven. Of er sprake is van een vervaardigd goed is in laatste instantie ter beoordeling van de rechter en kan niet in een algemene regel worden vastgelegd, juist omdat het om de waardering van de feiten gaat.
Bent u bereid om de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij doorverkoop van commercieel vastgoed te verlengen van zes maanden naar twaalf maanden, zoals nu ook al geldt bij de doorverkoop van woningen, zodat projectplannen voor transformatie van vastgoed meer kans krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee, daar ben ik niet toe bereid. Binnen de overdrachtsbelasting geldt een regel dat bij een verkrijging binnen zes maanden na de vorige verkrijging alleen overdrachtsbelasting is verschuldigd over de meerwaarde. Dit is de waarde minus het bedrag waarover bij de eerdere verkrijging overdrachtsbelasting verschuldigd was, (of btw die niet in aftrek kon worden gebracht). De tijdelijke verlenging van de termijn van zes maanden naar twaalf maanden geldt alleen voor woningen waarbij de eerste verkrijging heeft plaatsgevonden in 2011. De suggestie ziet op verlenging van de termijn van zes maanden ook voor niet-woningen vanuit de gedachte dat projectontwikkelaars dan eerder zullen overgaan tot aankoop van leegstaande kantoren omdat een kleiner risico bestaat twee keer overdrachtsbelasting te moeten betalen.
Allereerst merk ik op dat als bij de transformatie van een kantoorpand sprake is van een vervaardigd nieuw goed in de zin van de omzetbelasting, er geen overdrachtsbelasting verschuldigd is maar omzetbelasting. Voor die gevallen heeft een verlenging van de termijn van zes maanden dus geen effect. Er zijn ook andere redenen waarom het effect van een dergelijke maatregel als twijfelachtig moet worden beoordeeld. Bij beslissingen over herontwikkeling van kantoorpanden spelen tal van factoren een rol die veel belangrijker zijn dan fiscale overwegingen. Denk hierbij aan de rol van de gemeente (op welke wijze gaat de gemeente om met het verkopen van grond om nieuwbouw mogelijk te maken), de interesse van projectontwikkelaar (is er een markt voor) of de vraag (vaak liggen de panden op incourante locaties). Daarnaast merk ik op dat de zesmaanden regeling een generieke regeling is waarbij niet van belang is wie de verkrijger is en in welk kader de verkrijging plaatsvindt. Een specifieke regeling, waarin een langere termijn geldt voor verkrijging van onroerende zaken die bestemd zijn om herontwikkeld te worden, leidt tot verschillende problemen waardoor zo’n specifieke regeling af te raden is. Vanwege het selectieve element binnen een generieke regeling bestaat het risico van ongeoorloofde staatssteun. Een afwijkende termijn voor een specifieke groep leidt bovendien tot afbakeningsproblemen en een verhoging van de uitvoeringskosten voor de belastingdienst (extra afstemming met notarissen, extra toezicht en aanpassing van systemen). Deze problemen kunnen voor een deel vermeden worden door de termijn van zes maanden te verlengen voor alle niet-woningen. Dit heeft echter grotere budgettaire consequenties. Gezien het twijfelachtige effect van de maatregel op het tegengaan van kantoorleegstand zal het voordeel van een dergelijke maatregel voor een groot deel dan niet toekomen aan de groep en het doel waarvoor de maatregel bedoeld is.
Volgens het kabinet1 vormt de WOZ-waarde geen belemmering om commercieel vastgoed onroerende zaken af te waarderen tot een lagere marktwaarde, omdat dan het afwaarderingsverlies fiscaal aftrekbaar blijft; hoe kunt u dan verklaren waarom in bovengenoemd rapport de veelal hogere WOZ-waarde wel degelijk als een knelpunt wordt ervaren in de markt?
In het rapport «Transformatie kantoren gaat niet vanzelf» gaat het over het jaarlijks afschrijven op vastgoed. In de door u aangehaalde brief van de minister van Financiën van 4 oktober 2011 gaat het over het afwaarderen op lagere marktwaarde. Het rapport zegt dat beleggers beperkt worden in de mate waarin ze afschrijvingen fiscaal ten laste van de winst kunnen brengen. Het klopt dat vastgoedbeleggers verhuurde onroerende zaken voor de belastingheffing kunnen afschrijven tot de WOZ-waarde. Daarnaast kan een incidentele afwaardering naar lagere marktwaarde aan de orde zijn als de marktwaarde lager is dan de WOZ-waarde, bijvoorbeeld in geval van (langdurige) leegstand. Dit afwaarderingsverlies, dat dus niet wordt beperkt door de WOZ-waarde, is fiscaal aftrekbaar. Als de leegstaande kantoorruimte vervolgens weer wordt verhuurd, moet het eerder in aanmerking genomen afwaarderingsverlies worden teruggenomen.
Ziet u nog andere mogelijkheden om de transformatie van commercieel vastgoed naar huur- of koopwoningen langs fiscale weg te stimuleren?
In een brief die de minister van Infrastructuur en Milieu mede namens mij op 28 april 2011 naar de Tweede Kamer heeft gestuurd2, is uitvoerig ingegaan op tal van suggesties die zijn gedaan om met fiscale maatregelen kantorenleegstand aan te pakken. In deze brief is onder meer verwezen naar de uitgangspunten in de fiscale agenda die ik namens het kabinet in het voorjaar van 2011 naar de Tweede Kamer heb gestuurd. Op grond van die uitgangspunten, eenvoud, soliditeit en fraudebestendigheid, is aangegeven dat het kabinet terughoudend is waar het gaat om het introduceren van nieuwe fiscale instrumenten. Daarnaast is ook gewezen op beperkingen uit hoofde van Europese regelgeving en niet te vergeten budgettaire overwegingen, want – dat lijkt soms wel eens te worden vergeten – ook belastinguitgaven belasten het overheidstekort.
Daarnaast is in de brief van 28 april ook gewezen op wat fiscaal wel mogelijk is. Zo kan op verhuurde kantoorpanden zonder meer worden afgeschreven tot de WOZ-waarde, kunnen kosten (zoals hypotheekrente) gewoon in aftrek worden gebracht ongeacht of het pand leeg staat en, zoals ook in antwoord op vraag 4 is verwoord, kan in geval van langdurige leegstand afwaardering plaatsvinden tot onder de WOZ-waarde. Dit nog afgezien van mogelijkheden die gemeenten hebben, bijvoorbeeld in de sfeer van de OZB.
Op grond van de hiervoor kort geschetste overwegingen acht ik het niet mogelijk en ook niet wenselijk om langs fiscale weg de transformatie van commercieel vastgoed naar huur- of koopwoningen (extra) fiscaal te stimuleren.
Selectieve zorginkoop door verzekeraars |
|
Eeke van der Veen (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de tussenuitspraak van de College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB)-rechter in de zaak van de Stichting Afweerstoornissen en de Schildklierstichting Nederland tegen de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)?1
Ik neem aan dat u doelt op de uitspraak die u aanhaalt in voetnoot 2. Daarvan ben ik op de hoogte.
Wat is uw mening over deze uitspraak in relatie tot de uitspraak van College voor Zorgverzekeringen (CVZ)?1 Bent u van mening dat de aanspraak van een specialistisch geneesmiddel beperkt dient te kunnen worden tot een bepaalde zorgverlener als er sprake is van een dubbele aanspraak? Wat is de mening van het CVZ in deze?
In beginsel ben ik van oordeel dat de handelswijze van Menzis om de aanspraak te beperken tot een bepaalde zorgverlener in lijn is met het beleid ten aanzien van selectieve inkoop. De definitieve uitspraak van het CBB is echter bindend. Ik ga er vanuit dat de definitieve uitspraak in overeenstemming zal zijn met de tussenuitspraak van 8 december 2011. Daarom onderzoek ik op dit moment of een andere manier van toepassing dan wel wijziging van de regelgeving tegemoet kan komen aan dit vraagstuk. Ik ben voornemens uw Kamer in maart nader te informeren over deze kwestie.
In hoeverre heeft de NZa de polisvoorwaarden van 2010, 2011 en 2012 goedgekeurd van verzekeraars die de aanspraak van bijvoorbeeld immunoglobulines beperken tot de aanspraak geneeskundige zorg? Wat is uw mening over deze uitspraak in relatie tot de beantwoording van schriftelijke vragen ?2 3
De NZa is bij het toetsen van polissen uitgegaan van de duidingen van het CVZ. Zoals ik in mijn antwoord op de vragen 2 en 10 heb geschreven ga ik er vanuit dat de definitieve uitspraak in overeenstemming zal zijn met de tussenuitspraak van 8 december 2011. Verzekeraars zullen alsdan extramurale aanspraken op de betreffende middelen moeten honoreren. Daarnaast zullen zij hun polissen zo nodig in overeenstemming moeten brengen met de definitieve uitspraak van het CBB. Menzis heeft de polissen inmiddels al aangepast.
Bent u van mening dat verzekeraars selectieve zorginkoop moeten toepassen? Bent u van mening dat selectieve zorginkoop noodzakelijk is voor doelmatigheid in de zorg? Hoe is dit te rijmen met deze uitspraak?
Ik ben van oordeel dat het wenselijk is dat zorgverzekeraars selectieve zorginkoop toepassen. Ook ben ik van oordeel dat dit noodzakelijk is om de doelmatigheid van de zorgverlening te vergroten en verwacht ik dat dit leidt tot een geleidelijke verhoging van de kwaliteit van de Nederlandse gezondheidszorg.
Deze uitspraak van het CBB beperkt de vrijheidsgraden van de verzekeraar tot selectieve zorginkoop. Zoals reeds in het antwoord op de vragen 2 en 10 is aangegeven beraad ik mij op de ontstane situatie en ben ik voornemens uw Kamer in maart nader te informeren over deze kwestie.
Wat is het verschil in gedeclareerde kosten van bijvoorbeeld immunoglobuline IV tussen de extramurale aanspraak (Z-index prijs) en de gemiddelde prijs in de nacalculatie van ziekenhuizen (enquete NZa GNIP)?
De prijzen die ziekenhuizen momenteel bedingen zijn mij niet bekend. Uit 2008 zijn mij wel cijfers bekend. Uit onderzoek van de NZa (Advies bekostiging dure – en weesgeneesmiddelen – onderzoeksresultaten X-factor, NZa oktober 2008) volgde dat er bij immunoglobulinen kortingen van 43% werden bedongen door ziekenhuizen.
Kunt u aangeven hoe groot de kostenstijging zal zijn als de immunoglobuline IV niet meer via de aanspraak geneeskundige zorg wordt gefinancierd, maar extramuraal tegen de taxe-prijs?
Dit is lastig in te schatten. Ik heb geen zicht op de actuele inkoopprijzen voor immunoglobulinen door ziekenhuizen. De huidige gedeclareerde totale uitgaven door ziekenhuizen aan immunoglobulinen bedroegen in 2010 ongeveer 20 miljoen euro. Zoals volgt uit het antwoord op vraag 5 heeft de NZa in 2008 bekend gemaakt dat er bij immunoglobulinen kortingen van 43% werden bedongen door ziekenhuizen.
In hoeverre acht u het mogelijk en realistisch dat een verzekeraar afspraken met ziekenhuizen kan maken over de financiering van specialistische geneesmiddelen (zoals voorgesteld in de CBB-uitspraak) terwijl het ziekenhuis financieel voordeliger uit is wanneer van de dubbele aanspraak gebruik wordt gemaakt?
De zorgverzekeraar kan de aanspraak op specialistische geneesmiddelen die zowel onder farmaceutische zorg als onder geneeskundige zorg vallen, niet meer via de polis beperken tot geneeskundige zorg. In het kader van de zorginkoop is het echter in beginsel nog steeds mogelijk om hierover afspraken te maken met ziekenhuizen. Op voorhand is niet in te schatten in hoeverre zorgverzekeraars alsnog afspraken gaan maken met ziekenhuizen.
Zijn de kosten van bestaande behandelingen met specialistische geneesmiddelen meegenomen in de tariefberekening van de Diagnose Behandelingscombinaties (DBC)-zorgproducten? Wat betekent het voor deze tariefberekening dat door de CBB-uitspraak een zorgverzekeraar geen doelmatigheidskeuze meer mag maken en (dure) specialistische geneesmiddelen, zoals bijvoorbeeld reserve antibiotica zowel onder de aanspraak geneeskundige zorg zijn opgenomen, als een Geneesmiddelen Vergoedingssysteem (GVS)-vergoeding kennen?
De kosten van bestaande behandelingen met specialistische geneesmiddelen zijn alleen in de tariefberekening van een DBC meegenomen indien deze middelen niet zijn opgenomen op de lijst dure geneesmiddelen. Voor middelen op de lijst van dure geneesmiddelen is de beleidsregel dure geneesmiddelen van toepassing, die de vergoeding in het budget voor de instelling bepaalt. Uitgangspunt voor de overige middelen is dat deze in de tariefberekening van de DBC worden meegenomen.
De CBB uitspraak heeft geen invloed op de huidige tariefberekening van DBC’s. Voor zover behandelingen samenhangen met geneeskundige zorg zal het middel bekostigd worden via de beleidsregel dure geneesmiddelen of via de DBC indien het middel niet op de lijst van dure geneesmiddelen staat.
Is het waar dat de uitspraak van de CBB rechter de tariefberekening voor de DBC-zorgproducten voor ziekenhuisverplaatste zorg met specialistische geneesmiddelen die niet als aanvullende zorgprestaties (add)-on kunnen worden gefinancierd, ontkracht? Zo nee, waarom niet?
Nee. In de zorgproducten zijn alle met de behandeling samenhangende kosten meegenomen. Dit betekent dat de zorgverzekeraar en het ziekenhuis een integrale prijsafspraak maken, dus inclusief de kosten voor geneesmiddelen. Alleen bij dure geneesmiddelen (die op de beleidsregel dure geneesmiddelen staan) ontvangen ziekenhuizen afzonderlijke financiering via de zogenoemde add-ons.
Bent u van plan het Besluit zorgverzekering aan te passen, zoals de CBB-rechter in zijn uitspraak, aanbeveelt zodat doelmatige zorginkoop kan plaatsvinden en geen dubbele aanspraken mogelijk zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat De Jutters logeerhuizen moet sluiten |
|
Renske Leijten (SP), Nine Kooiman (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat De Jutters, centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie in de regio Haaglanden, gedwongen is om zijn logeerhuizen te sluiten?1
Ik ben op de hoogte van het sluiten van de logeerhuizen van De Jutters in Waddinxveen en in Den Haag. Het zorgkantoor heeft bij haar zorginkoop de ruimte om afwegingen te maken op basis van aantal indicaties, aanbod, kwaliteit en door aanbieders gehanteerde prijzen. Dit heeft tot een dialoog tussen zorgkantoor en De Jutters geleid over de hoogte van de in 2012 te hanteren prijzen. In onderhavige zaak speelt in het bijzonder dat het aantal indicaties voor kortdurend verblijf afneemt. De Jutters heeft vervolgens op basis van een uitgebreide financiële analyse zelf geconcludeerd dat het niet meer haalbaar is om de logeerhuizen te laten voortbestaan.
Bent u ervan op de hoogte dat De Jutters al eerder de logeerhuizen in Waddinxveen heeft moeten sluiten omdat de AWBZ-financiering onder druk staat? Wat is uw reactie hierop?
Zie antwoord vraag 1.
Waar kunnen de kinderen terecht voor opvang, zodat het gezin even rust heeft, nu er in de regio geen reguliere logeerhuizen voor deze kwetsbare groep meer zijn? Hoe gaat u ervoor zorgen dat er geen gaten vallen in de zorgketen en deze vorm van respijtzorg gecontinueerd wordt?
Ik ben het met u eens dat logeren in een logeerhuis een vorm van respijtzorg is. Er zijn ook andere vormen van respijtzorg waardoor gezinnen even rust hebben zoals vrijwillige thuiszorg, buitenschoolse opvang, (weekend)dagopvang, thuisondersteuning, buddyzorg, kortdurende opnames en vakantiekampen. Bovendien zijn er alternatieven voor het bieden van een weekend logeren in eigen instelling van een zorgaanbieder. Er wordt bijvoorbeeld ook logeerzorg aangeboden door zorgaanbieders in huisjes in bungalowparken of op zorgboerderijen.
Ik vind het van belang dat het zorgkantoor er voor zorgt dat er een passend ondersteuningaanbod is voor families met kinderen met een AWBZ-indicatie, waaronder begeleiding en kortdurend verblijf.
Het betrokken zorgkantoor (CZ) heeft aangegeven dat er andere aanbieders van logeerzorg zijn en dat zij kijken naar andere vormen van respijtzorg, zoals dagopvang of ondersteuning in de thuissituatie.
Vindt u het wenselijk dat gezinnen met kinderen die ernstige problemen hebben op deze manier gedwongen worden om gebruik te maken van een particulier aanbod waar geen toezicht op is door de Inspectie, die eerder al waarschuwde voor onveilige situaties? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er is geen sprake van gedwongen gebruik van particulier aanbod. De afgelopen jaren is meer transparantie in logeerzorg en de kosten daarvan ontstaan. Ik vind het van belang dat het zorgkantoor er voor zorgt dat er een passend ondersteuningsaanbod is voor families met kinderen met een AWBZ-indicatie.
Hoe kan het zijn dat u enerzijds stelt dat er meer geld gaat naar de AWBZ, maar dat er anderzijds gekort wordt op een kwetsbare groep minderjarigen? Hoe gaat u voorkomen dat deze groep kinderen en hun ouders de dupe worden?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe gaat u voorkomen dat De Jutters de helft van zijn budget verliest voor de logeerhuizen omdat de zorgkantoren hebben besloten om de tarieven te verlagen?
Het zorgkantoor heeft bij de zorginkoop afwegingen gemaakt op basis van aantal indicaties, aanbod, kwaliteit en door aanbieders gehanteerde prijzen. Hetzelfde geldt voor de zorgaanbieder De Jutters. De zorgaanbieder heeft op basis van een financiële analyse zelf geconcludeerd dat het niet meer haalbaar is om de logeerhuizen in Waddinxveen en Den Haag te laten voortbestaan. Ik heb geen rol bij de onderhandelingen tussen het zorgkantoor en individuele instellingen.
Het ontbreken van een warme overdracht door het stoppen van de subsidie voor Het Scharlaken Koord in Deventer per 1 januari 2012 |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat de gemeenteraad van Deventer op 21 december 2011 het besluit heeft genomen om Het Scharlaken Koord met ingang van 1 januari 2012 geen subsidie te geven om het uitstapprogramma voor prostituees voort te zetten?1
Ja.
Hebt u tevens kennisgenomen van de positieve effecten van het uitstapprogramma, zoals die uit onafhankelijk onderzoek zijn gebleken?2
Ja.
Heeft de gemeente Deventer naar uw mening voldaan aan het beroep dat u hebt gedaan om het uitstapprogramma voor prostituees in het gemeentelijke reguliere beleid te borgen?
De gemeente Deventer heeft aangegeven te zullen doorgaan met het uitstapprogramma en is momenteel op zoek naar mogelijkheden om dat te borgen. Het feit dat ook de gemeente Deventer nu definitief heeft besloten om door te gaan is voor mij een extra aanwijzing dat de warme overdracht is geslaagd.
Zijn er in Deventer op dit moment alternatieve uitstapprogramma’s beschikbaar?
Het Scharlaken Koord krijgt de mogelijkheid om de reeds lopende trajecten af te maken. De gemeente Deventer heeft aangegeven in de tussentijd alternatieve mogelijkheden voor de borging van het uitstapprogramma te inventariseren.
Op welke wijze wordt als gevolg van dit raadsbesluit de continuïteit van het uitstapprogramma in Deventer in het belang van de prostituees in 2012 gewaarborgd?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de gemeente Deventer om alsnog te komen tot een warme overdracht van het uitstapprogramma aan de gemeente Deventer, zodat de behaalde positieve resultaten en laagdrempelige toegang tot een uitstapprogramma in 2012 kunnen worden gecontinueerd?
Ik ben goed op de hoogte van de situatie in Deventer en zie geen aanleiding voor nader overleg. Zie verder mijn antwoord op de voorgaande vragen.
Het ontbieden van de nuntius van de Heilige Stoel om een reactie te verkrijgen op het rapport-Deetman |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de onthullingen uit het rapport van de commissie-Deetman over seksueel misbruik in brede kring als schokkend zijn ervaren?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze bevindingen een passend (al dan niet beleidsmatig) vervolg dienen te krijgen? Zo nee, waarom niet?
De opdracht tot het onderzoek was afkomstig van de Rooms-Katholieke Bisschoppenconferentie en de Konferentie Nederlandse Religieuzen. De Rooms-Katholieke Kerk heeft aangegeven de aanbevelingen uit het rapport te omarmen en hier opvolging aan te geven. De aanbevelingen uit het onderzoek richten zich bijna uitsluitend op de Rooms-Katholieke Kerk. De Commissie Deetman roept de Rooms-Katholieke Kerk op tot erkenning, hulp, genoegdoening en nazorg om zo bij te dragen aan herstel van het aangedane leed. Ook stelt de commissie dat financiële compensatie onlosmakelijk verbonden is met het herstel dat de slachtoffers moet worden geboden. Ik verwijs voor het overige naar de aan uw Kamer per brief van 16 januari toegezonden reactie van de Minister van Veiligheid en Justitie op de bevindingen van de commissie.
Deelt u de mening dat het voor de vormgeving van dit vervolg nuttig is om de reactie van het hoofd van de Katholieke Kerk – de paus – te vernemen? Zo nee, waarom niet?
De bevindingen en de aanbevelingen zijn door de opdrachtgevers onderschreven. Het is aan de Rooms-Katholieke Kerk om te bepalen hoe en door wie op de onderzoeksbevindingen van de Commissie Deetman wordt gereageerd.
Bent u bereid de nuntius van de Heilige Stoel in Nederland te ontbieden om deze reactie te vernemen? Zo nee, waarom niet? Zo nee, bent u bereid de Nederlandse ambassadeur bij de Heilige Stoel langs de daartoe geëigende diplomatieke kanalen te laten informeren naar de formele reactie van het hoofd van de Katholieke Kerk op deze onthullingen?
Het Kabinet acht de eerste reactie van het hoogste Rooms-Katholieke gezag in Nederland voor dit moment voldoende en wacht vervolgstappen af. Ik zie daarom geen reden de nuntius van de Heilige Stoel in Nederland te ontbieden om een reactie te vernemen. In regulier overleg tussen mijn ministerie met de kerkelijke vertegenwoordiging komen actuele onderwerpen op de agenda. Dit onderwerp past daarin.
Deelt u de mening dat op deze manier de niet altijd onomstreden meerwaarde van de nuntius van de Heilige Stoel in het diplomatieke landschap kan blijken? Zo nee, waarom niet?
De Heilige Stoel en Nederland onderhouden langlopende diplomatieke betrekkingen. Contact tussen de Nederlandse overheid en de nuntius behoort tot het normale diplomatieke verkeer.
Bent u bereid deze reactie dan wel reacties te delen met de Kamer, zodat deze kan worden betrokken bij de verdere besluitvorming? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de Rooms-Katholieke Kerk om aan de conclusies van het rapport van de Commissie Deetman een vervolg te geven en daarover naar buiten te treden. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Het systematisch muilkorven, oppakken en detineren van journalisten in herislamiserend Turkije |
|
Geert Wilders (PVV), Wim Kortenoeven (PVV) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de nieuwsberichten «Turkije pakt achttien journalisten op bij «anti-terreur-actie'»1, «Turkey Arrests Journalists It Ties to Outlawed Group»2 en «A dangerous place to be a journalist»?3
Sinds april 2009 is in Turkije een groot aantal mensenrechtenactivisten, lokale bestuurders en politici gearresteerd, die lid zouden zijn van de KCK, mogelijk de civiele tak van de PKK. Deze personen zijn gedetineerd in afwachting van de definitieve formulering van de aanklacht. Ervaring met soortgelijke zaken leert dat het maanden, zo niet jaren, kan duren voor de aanklacht bekend wordt. Het Turkse rechtssysteem laat het toe dat een aanklacht nog definitief geformuleerd moet worden, terwijl de verdachte reeds in hechtenis is genomen. De arrestaties uit de eerste twee nieuwsberichten passen in dit beeld.
Zoals ik u op 24 maart (op vraag 1960 uit vergaderjaar 2010–2011) en 11 april 2011 (op vraag 2 172 uit vergaderjaar 2010–2011) heb geantwoord, zijn Ahmet Sik en Nedim Sener aangehouden in het kader van een breder justitieel onderzoek naar de zogenaamde «Ergenekon»-zaak; een vermeende samenzwering van onder meer Turkse generaals, journalisten, schrijvers en academici gericht op destabilisering van democratische instituties, waaronder de regering-Erdoğan. Dit betreft de arrestaties uit het derde nieuwsbericht.
Hoe beoordeelt u de kwaliteit van de Turkse democratie in het licht van het feit dat Turkije met meer dan 90 opgesloten journalisten tot de meest journalist-vijandige landen ter wereld behoort?
Het kabinet is bezorgd over de wijze waarop Turkije met (kritische) journalisten omgaat. Op het gebied van persvrijheid voldoet de Turkse democratie niet aan de Kopenhagencriteria.
Bent u bereid om de nieuwe aanslag van het islamistische regime Erdogan op de persvrijheid in Turkije, in de vorm van de arrestaties van afgelopen dinsdag, in scherpe bewoordingen te veroordelen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet spreekt de Turkse regering, zowel bilateraal als via de EU, aan op implementatie van de Kopenhagen-criteria, waarvan vrijheid van meningsuiting en persvrijheid integraal onderdeel uitmaken. In de EU-Raadsconclusies van 5 december 2011 over het uitbreidingspakket is, mede op Nederlands aandringen, opgenomen dat «Turkije meer moet doen om de vrijheid van meningsuiting te respecteren.» De Raad stelde dat «de restricties tegen de media, het grote aantal rechtszaken tegen schrijvers en journalisten en het frequente verbod op websites ernstige bezorgdheid oproepen en daarom aan de orde moeten worden gesteld.»
Wat heeft u in de achterliggende periode gedaan om de vrijlating te bewerkstelligen van de Turkse journalist Nedim Sener, die met gevangenschap de prijs betaalt omdat hij het Turkse regime onder andere waagde te tarten met een boek over de moord op de Turks-Armeense journalist Hrant Dink?
Het kabinet gaat niet in op individuele tenlasteleggingen. Wel volgt Nederland, samen met de Europese Commissie en overige EU-lidstaten, de ontwikkelingen op de voet. Zo was een medewerker van het consulaat-generaal in Istanbul aanwezig bij de rechtszaal waar op 22 november 2011 het proces tegen onder meer Nedim Sener aanving. Het uitgangspunt bij het Nederlandse beleid is dat alle verdachten in Turkije op een eerlijke en onafhankelijke rechtsgang moeten kunnen rekenen. Zie verder mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat het geen pas geeft op feestelijke wijze 400 jaar betrekkingen te vieren met een regime dat journalisten muilkorft, dat regime-onvriendelijke journalisten oppakt en detineert, en dat Allah-onvriendelijke cartoonisten bedreigt met lange gevangenisstraffen?
Turkije is op veel terreinen een belangrijke partner van Nederland. Turkije is een belangrijke handelspartner, een bondgenoot binnen de NAVO, een kandidaat-lidstaat van de Europese Unie en er zijn intensieve maatschappelijke betrekkingen, mede vanwege de Nederlanders van Turkse afkomst. Daarnaast speelt Turkije een belangrijke rol in de transitie van een aantal Arabische landen. Dat neemt niet weg dat Turkije verdere stappen zou moeten zetten in zijn democratische hervormingsproces. Het is van belang dat de viering van 400 jaar diplomatieke betrekkingen de zeer diverse betrekkingen tussen Nederland en Turkije bestendigt en op deze manier de democratische hervormingen in Turkije versterkt.
Wat gaat de (voorbereiding van de) viering van de 400 jaar diplomatieke betrekkingen met het persbreidelende Turkije de Nederlandse belastingbetaler eigenlijk kosten?
In de begroting is een bedrag van 2 070 000 euro gereserveerd voor deze viering.
Wilt u deze vragen gezien de gewenste duidelijkheid ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De evaluatie van uitstapprogramma’s voor prostituees |
|
André Elissen (PVV) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw brief over de overdracht van uitstapprogramma’s aan gemeenten»1 en de evaluatie van de Regeling Uitstapprogramma’s Prostituees (RUPS)?2
Ja.
Vindt u dat deze brief recht doet aan de inhoud van de evaluatie van de RUPS? Zo ja, op welke wijze?
Mijn brief zet uiteen welke acties ik heb ondernomen om een «warme» overdracht van de uitstapprogramma’s aan de betreffende gemeenten te realiseren. Deze acties zijn een logisch gevolg op het aflopen en de evaluatie van de RUPS. In die zin doet mijn brief recht aan de evaluatie, alsmede aan de toezeggingen die ik in de gedachtewisselingen met uw Kamer hierover heb gedaan. In aanvulling op mijn brief kan ik uw Kamer melden dat ook de gemeenten Amsterdam en Deventer inmiddels hebben besloten door te gaan met het uitstapprogramma.
Deelt u de mening dat de RUPS veelomvattender was dan de programma’s die nu door gemeenten worden uitgevoerd? Ziet u een overdracht in afgeslankte vorm als een warme overdracht? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Doel van de RUPS was om op basis van subsidieverlening gemeenten (en instellingen) te stimuleren een uitstapprogramma op te zetten voor de begeleiding van prostituees. Bij mijn beoordeling of in de betrokken gemeenten vanaf 2012 de uitstapprogramma’s worden voortgezet en in het reguliere beleid zijn ingebed stond niet de omvang van de voortgezette programma’s centraal, maar de vraag in hoeverre er sprake is van een effectieve voortzetting van deze programma’s.
Deelt u de mening dat er geen duidelijke afspraken vooraf zijn gemaakt over de invulling van de RUPS-subsidie, de registratie van de deelnemers en de voorwaarden tot deelname? Zo nee, waarom niet? Vindt u dit een goede manier van werken?
Nee. Zoals gemeld in mijn eerdergenoemde brief is uit de evaluatie van de RUPS gebleken dat de aanvragers tevreden waren over de regeling en de communicatie daarover.
Vindt u dat mondelinge afspraken met de samenwerkende hulpverlenende instanties volstaan? Zo ja, kunt u dit toelichten?
In het kader van een subsidierelatie dienen de belangrijkste en formele afspraken schriftelijk te worden vastgesteld, zoals in het kader van de uitstapprogramma’s is gebeurd. Mondelinge afspraken volstaan dus niet.
Op basis van de subsidieregeling van het ministerie van Veiligheid en Justitie dient de subsidie-ontvanger verder een zodanig ingerichte administratie te voeren, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.
Deelt u de mening dat een schatting van instroom, doorstroom en uitstroom geen deugdelijke administratie genoemd kan worden? Zo nee, waarom niet? Waarom stelt u in uw brief dat u het beeld van een ondeugdelijke administratie niet herkent, terwijl het in de evaluatie niet mogelijk bleek exacte aantallen deelnemers en uitstappers weer te geven en het uiteindelijk op wat natte-vinger-werk is uitgedraaid?
Deelname aan het programma is een continu proces van verschillende fases. Hierdoor is het niet mogelijk gebleken om in het evaluatierapport exacte gegevens te presenteren, waardoor gekozen is voor een schatting. Desalniettemin zijn de resultaten ten aanzien van de instroom, doorstroom en uitstroom overzichtelijk gepresenteerd in het evaluatierapport van de RUPS en geven zij een betrouwbaar beeld van de aantallen deelnemers en uitstappers.
Deelt u de mening dat subsidies alleen verstrekt dienen te worden wanneer er duidelijke, schriftelijke afspraken liggen waarop een organisatie kan worden afgerekend, zodat dit in de toekomst tot goede resultaten zal leiden? Zo ja, hoe gaat u deze werkwijze realiseren?
Zie antwoord vraag 5.
Het verdwijnen van spoedeisende hulp in het Dokkumer ziekenhuis voor Noordoost Friesland |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Lutz Jacobi (PvdA), Eeke van der Veen (PvdA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving over ziekenhuis De Sionsberg in Dokkum waar drie afdelingen moeten sluiten en van de berichten dat tegen deze sluiting veel verzet is?1
Ja, ik heb van de berichtgeving kennisgenomen.
Hoe beoordeelt u de verontwaardiging en bezorgdheid van veel inwoners van deze regio over het wegtrekken van belangrijke medische voorzieningen?
De minister van VWS kan zich heel goed voorstellen dat de ontwikkelingen ten aanzien van het ziekenhuis leiden tot zorgen bij de mensen in de regio. Het ziekenhuis gaat immers bepaalde functies niet meer aanbieden. De minister van VWS vindt het belangrijk dat de patiënt keuzevrijheid heeft. De zorgverzekeraar heeft via het inkoopbeleid een belangrijk instrument in handen om deze keuzevrijheid te bevorderen. De minister van VWS is verantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van de zorg. Er zijn voldoende ziekenhuizen in de omgeving die de zorg in de regio kunnen aanbieden zonder dat de kwaliteit en continuïteit van de zorg in het geding is.
Voor de inrichting van de verloskundige zorg in de regio volgt uiterlijk op 1 mei aanstaande een aanvullend plan. Speciaal voor deze opdracht zal een werkgroep in het leven worden geroepen. In deze werkgroep zullen mogelijkheden van regionale samenwerking en nieuwe en innovatieve vormen van geboortezorg worden verkend.
Deelt u de mening dat het wegtrekken van onderdelen van een belangrijke regionale ziekenhuisfunctie een nadrukkelijke verslechtering is van de vitaliteit en leefbaarheid van een krimpregio als Noordoost Friesland? Zo ja, wat betekent dit concreet voor uw inzet? Zo nee, waarom niet?
Er is zeker een relatie tussen voorzieningen als zorg en leefbaarheid en vitaliteit. Het is alleen heel goed mogelijk om een hoog niveau van leefbaarheid te borgen zonder dat voorzieningen zeer nabij zijn. Kwaliteit en bereikbaarheid van voorzieningen zijn namelijk belangrijker dan nabijheid. In een aantal gevallen is het noodzakelijk om afspraken te maken over concentratie van voorzieningen in een beperkter aantal vestigingen om de kwaliteit ervan te kunnen handhaven. In de interbestuurlijke aanpak van krimp wordt in samenwerking tussen maatschappelijke organisaties, gemeenten en in een aantal gevallen provincies daarom afspraken gemaakt over de spreiding van voorzieningen als zorg in regionale en provinciale actieplannen bevolkingsdaling. Een belangrijk punt in de actieplannen is de bereikbaarheid van publieke en private voorzieningen.
Kunt u aangeven hoe deze situatie van verschraling van lokale zorgvoorzieningen past binnen de intenties van de rijksoverheid om krimpregio’s te versterken?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag drie, kunnen regionale afspraken over spreiding en bereikbaarheid van onder andere zorgvoorzieningen de leefbaarheid in krimpregio’s ook op langere termijn borgen.
Welke mogelijkheden zijn er naar uw mening om er toch voor te zorgen dat zorgdiensten zoals de spoedeisende hulp en de afdeling verloskunde voor deze regio behouden kunnen worden?
Voor de acute zorg (inclusief de verloskundige zorg) is inmiddels in de regio voorzien in extra ambulancecapaciteit zowel in auto’s als een extra ambulancestandplaats. Daarnaast zijn afspraken gemaakt met het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) over eventuele inzet van de helikopter voor de achterwachtfunctie. Met deze maatregelen is de bereikbaarheid van de acute zorg in de regio binnen 45 minuten geborgd. Het zorgbeleidsplan van De Sionsberg moet antwoord geven op datgene wat verantwoord in De Sionsberg kan worden uitgevoerd in de komende jaren. Voorts zijn er voldoende ziekenhuizen in de omgeving die de zorg in de regio kunnen aanbieden zonder dat de kwaliteit en continuïteit van de zorg in het geding zijn.
De provincie Friesland onderschrijft het belang van kwalitatief goede en bereikbare zorg, maar is als provincie alleen verantwoordelijk voor het vaststellen van het spreidingsplan van de ambulancezorg. De provincie spreekt de Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV) aan op het realiseren van de norm: ambulances moeten binnen 45 minuten bij de spoedeisende hulp (SEH) van een ziekenhuis kunnen zijn.
Op welke vormen van beschikbaarheidsbijdragen kan ziekenhuis De Sionsberg per 2012 aanspraak maken? Deelt u de mening dat er een beschikbaarheidsbijdrage voor kleine streekziekenhuizen moet komen?
Voor 2011 heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) De Sionsberg een beschikbaarheidstoeslag van circa € 3 672 026,– toegekend. De minister van VWS heeft De Sionsberg bij brief van 23 december 2011, kenmerk CZ/IPZ-3099092, laten weten dat de NZa voor de beschikbaarheidstoeslag 2012 zal aansluiten bij de toeslag voor 2011, onder de voorwaarde dat er een adequaat plan wordt opgesteld dat de acute zorg in de regio voldoende waarborgt. De minister van VWS heeft u deze brief op 23 december 2011 in afschrift doen toekomen.
In de brief van 27 april 2011 over de continuïteit van zorg heeft de minister van VWS uw Kamer gemeld dat zij een verantwoordelijkheid heeft voor de continuïteit van cruciale zorg, waaronder de bereikbaarheid van spoedeisende zorg binnen 45 minuten. Juist in de rurale gebieden vereist de naleving van de randvoorwaarden voor kwaliteit en bereikbaarheid van de spoedeisende zorg binnen 45 minuten extra aandacht. Die ziekenhuizen die nodig zijn voor de bereikbaarheid binnen 45 minuten en die als gevolg van onvoldoende zorgvraag de spoedeisende zorg niet kostendekkend in stand kunnen houden, kunnen in aanmerking komen voor een beschikbaarheidstoeslag. De exacte voorwaarden voor deze toeslag worden in de loop van 2012 nader uitgewerkt.
Deelt u de mening dat er onverkort voldaan moet worden aan de normen die gelden voor aanrijtijden naar regionale voorzieningen voor o.a. spoedeisende hulp en verloskunde? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de beschikbaarheid van deze diensten in het ziekenhuis van Dokkum?
De minister van VWS deelt de mening dat er onverkort voldaan moet worden aan de normen die gelden voor aanrijtijden naar regionale voorzieningen voor onder andere spoedeisende hulp en verloskunde. Om die reden zijn er per direct maatregelen getroffen om de bereikbaarheid van de acute zorg in de regio binnen de normtijd van 45 minuten te borgen. Zie hiervoor het antwoord onder vraag 5.
Op welke wijze bent u bereid of voornemens om een rol te spelen in het zoveel mogelijk overeind en bereikbaar houden van dergelijke zorgvoorzieningen voor Dokkum en omstreken?
Zie het antwoord op vraag 2 en 5.
Het scharen van pre-masters onder de masterfase |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met gevallen waarin universiteiten (bijvoorbeeld de Vrije Universiteit te Amsterdam) pre-masterprogramma’s onder de masterfase onderbrachten, omdat op dat moment nog niet duidelijk was hoe de regels voor de langstudeerdersboete zouden uitpakken?
Ja.
Hoeveel studenten namen of nemen deel aan de betreffende pre-masters?
Dat is mij niet bekend.
Deelt u de mening dat het onredelijk is dat studenten in deze programma’s eerder te maken kunnen krijgen met de langstudeerdersboete dan het geval was geweest als de verder identieke pre-masters als bachelor waren aangemerkt? Zo nee, waarom niet?
In «Het Hoogste Goed, Strategische agenda voor het hoger onderwijs-, onder-zoek- en wetenschapsbeleid» van 23 november 2007 (Tweede Kamer, vergader-jaar 2007–2008, 31 288, nr. 1) is vermeld dat met VSNU is afgesproken dat deficiëntieprogramma’s gericht op de doorstroom van de hbo-bachelor naar wo-masteropleidingen als hoofdregel binnen een bacheloropleiding worden vorm gegeven. Ik besef dat het voor de studenten vervelend is, dat zij vanwege het feit dat de instelling is afgeweken van de in 2007 gemaakte afspraken een verhoogde kans hebben om langstudeerder te worden. Ik verwacht echter dat deze groep een beperkte omvang zal hebben, omdat de meesten – als ze nominaal studeren – inmiddels afgestudeerd zullen zijn, dit jaar hun nominale fase van de masteropleiding afronden of dit studiejaar als uitloopjaar gebruiken om te kunnen afstuderen tegen het lage wettelijk collegegeld, omdat het verhoogd wettelijk collegegeld € 0 bedraagt. Pas vanaf volgend studiejaar moeten zij eventueel het verhoogde tarief betalen. Ik heb de betreffende universiteiten desgevraagd opgeroepen de omvang van de betrokken groep studenten in kaart te brengen en samen met hen te bekijken hoe zij op een verantwoorde wijze kunnen afstuderen.
Bent u bereid om voor de getroffen studenten een eenmalige uitzondering te maken op de langstudeerdersboete? Zo nee, waarom niet?
Neen. Zie verder het antwoord op vraag 3.
De verkiezingsuitslag in de Democratische Republiek Congo (DRC) |
|
Frans Timmermans (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening van de Congolese oppositie en buitenlandse waarnemers dat «er grootschalige fraude» gepleegd is tijdens de laatste presidentsverkiezingen in de DRC? Zo nee, waarom niet?
Nederland deelt de conclusies van de EU-waarnemingsmissie en Hoge Vertegenwoordiger Catherine Ashton dat de Congolese presidentsverkiezingen gepaard zijn gegaan met serieuze tekortkomingen en een gebrek aan transparantie. Als gevolg daarvan is een groot aantal stemmen niet meegeteld in het eindresultaat en is de geloofwaardigheid van het verkiezingsproces aangetast.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van oppositieleider Etienne Tshisekedi, die beweert de verkiezingen te hebben gewonnen en ambtenaren, leger en politie oproept om alleen nog maar bevelen van hem op te volgen?
Geen van de internationale waarnemersmissies concludeert dat oppositieleider Etienne Tshisekedi zonder de geconstateerde tekortkomingen de verkiezingen zou hebben gewonnen. De DRC is niet gebaat bij confrontatie en nieuw geweld. De regering en de oppositie zullen de dialoog aan moeten gaan om de problemen op vreedzame wijze op te lossen.
Deelt u de zorg dat de DRC momenteel in een uiterst explosieve situatie is beland en de kans groot is dat er grootschalig geweld uitbreekt? Zo nee, waarom niet?
De situatie in de DRC is fragiel en de verkiezingen hebben geleid tot nieuwe spanningen binnen de samenleving. De internationale gemeenschap en Nederland spreken zowel de regering als de oppositie aan op hun verantwoordelijkheid om af te zien van geweld en te werken aan een vreedzame oplossing van de huidige problemen.
Deelt u de mening van vele buitenlandse diplomaten die aangeven dat president Kabila de beste kans kan brengen voor stabiliteit in Congo? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Een legitieme regering die werkt voor het welzijn van de Congolese bevolking biedt de beste garantie voor stabiliteit in de DRC. Het is aan het Congolese volk om te bepalen wie een dergelijke regering moet leiden.
Deelt u de mening dat de buitenlandse steun aan Kabila in belangrijke mate gemotiveerd wordt door economische belangen zoals de toegang tot kritieke grondstoffen als coltan en kobalt? Zo ja, op welke wijze gaat de Nederlandse regering hiermee om?
Neen. De internationale gemeenschap als zodanig steunt in de DRC geen presidentskandidaat boven de anderen. Dat neemt niet weg dat landen in de regio in hun betrekkingen met de DRC hun economische belangen laten meewegen. De Nederlandse inzet is hoofdzakelijk gericht op het lenigen van humanitaire noden en het bevorderen van stabiliteit en is niet afhankelijk van wie het presidentschap bekleedt.
Wat doet de Nederlandse ambassade momenteel om Congolese mensenrechtenactivisten te beschermen en om de Congolese autoriteiten blijvend aan te spreken op hun internationaalrechtelijke verplichtingen op het vlak van mensenrechten en democratie?
Nederland blijft in EU-verband en bilateraal de Congolese autoriteiten aanspreken op hun verantwoordelijkheden op het gebied van de mensenrechten en als democratische rechtsstaat. Dit doet Nederland in de bilaterale contacten met de Congolese autoriteiten op verschillende niveaus. Ook dringt Nederland er op aan dat deze onderwerpen op de agenda staan van besprekingen met de DRC in het kader van de EU en de VN.
De Nederlandse ambassade volgt daarnaast de situatie van mensenrechten-verdedigers in het land op de voet en onderhoudt nauwe contacten met NGO’s, de VN en andere gesprekspartners.
Treft de ambassade extra maatregelen om de veiligheid van Nederlanders in de DRC te waarborgen in het geval van toenemend geweld? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft over de afgelopen periode alle reizen naar de DRC ontraden. De ambassade te Kinshasa heeft regelmatig contact onderhouden met de Nederlanders die zich hebben geregistreerd om hen te informeren over de ontwikkelingen en te adviseren. Met EU-partners zijn afspraken gemaakt over samenwerking in geval van een acute crisis.
Op welke wijze spreekt de Nederlandse regering, zowel in bilaterale contacten als via de Europese Unie en de relevante VN-instrumenten, de Congolese autoriteiten blijvend aan op hun internationaalrechtelijke verplichtingen op het vlak van mensenrechten en democratie?
Zie antwoord vraag 6.
Scholen die vooruitlopen op mogelijke wetgeving rondom het zogenaamde “passend onderwijs” |
|
Jasper van Dijk (SP), Manja Smits (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Scholen speciaal onderwijs schrappen nu al banen»?1
Het artikel van de AOb geeft een reactie vanuit de AOb op een aantal onderdelen uit de rapportage personele gevolgen en trekt daar enkele conclusies uit. Ik heb kennis genomen van het artikel.
Hoe is het schrappen van banen te rijmen met uw uitgangspunt dat er geen onomkeerbare besluiten worden genomen totdat de Eerste en Tweede Kamer hebben ingestemd met de wetswijzigingen rondom het zogenaamde «passend onderwijs»?
Een eerste deel van de bezuiniging gaat in per schooljaar 2013–2014 en een tweede deel per schooljaar 2014–2015. Dat betekent dat er dit schooljaar en volgend schooljaar geen bezuiniging plaatsvindt. Wel is het een voorgenomen maatregel dat vanaf schooljaar 2012–2013 de groeiregelingen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs worden afgeschaft.
Sommige onderdelen van de bezuinigingen vergen aanpassing van de wetgeving en andere onderdelen vergen aanpassingen van AMvB’s, ministeriële regelingen of het stopzetten van subsidies. Voor ieder van deze onderdelen geldt dat de gebruikelijke procedures worden doorlopen voordat de voorgenomen bezuinigingen in werking treden.
Ik heb de schoolbesturen met scholen voor (v)so per brief d.d. 23 september 2011 geïnformeerd over de voorgenomen maatregelen en hen gevraagd om hier tijdig op te anticiperen. Schoolbesturen kunnen op basis van deze brief het personeel in het risicodragend deel van de formatie (rddf) plaatsen per schooljaar 2012–2013 opdat zij, nadat de parlementaire besluitvorming is afgerond, per schooljaar 2013–2014 in formatie kunnen krimpen.
Er is op dit moment echter geen financiële noodzaak om als gevolg van de voorgenomen maatregelen nu al banen te schrappen. Hiermee is natuurlijk niet uitgesloten dat schoolbesturen om andere redenen hun formatie moeten aanpassen. Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor hun eigen organisatie; welke keuzes zij daarin maken is aan hen. Op de kwaliteit van het onderwijs aan deze leerlingen ziet de overheid wel toe via de Inspectie.
Deelt u de mening dat scholen hiermee onnodig vooruit lopen op maatregelen die mogelijk niet worden goedgekeurd en die eerder dan gepland een negatieve invloed hebben op de onderwijskwaliteit?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat is uw oordeel over het bericht dat er nu al binnen besturen van scholen voor speciaal onderwijs afspraken zijn om de klassen met 10% te vergroten om al medio 2012 uw bezuinigingsdoelstelling voor 2014 te halen?2 Deelt u de mening dat hierdoor onnodig vooruit wordt gelopen op maatregelen die mogelijk niet worden goedgekeurd en dat de druk op leraren en leerlingen onnodig groot wordt?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe voorkomt u dat de kwaliteit van het onderwijs niet te lijden heeft wanneer er op een cluster 4 school schoolklassen moeten worden gevormd van 15 leerlingen of meer?
De bekostiging van cluster 4 scholen vanuit het ministerie van OCW biedt nu, maar ook na de bezuiniging, de mogelijkheid om klassen te vormen van minder dan 15 leerlingen. De huidige bekostiging van leerkrachten voor cluster 4 scholen is voor het speciaal onderwijs gebaseerd op een leerling/leerkracht ratio van circa 1 op 8,5. Na de bezuiniging is dit 1 op 9,4. Voor het voortgezet speciaal onderwijs is de huidige leerling/leerkracht ratio 1 op 5,8 en na bezuiniging 1 op 6,4.
Hoewel de bezuiniging voor scholen voor (v)so een moeilijke maatregel is, is de regering van mening dat het ook na de bezuinigingen nog steeds mogelijk is om kwalitatief goed onderwijs te geven in het (v)so.
Wat is uw oordeel over het bericht dat bij deze scholen voor speciaal onderwijs desnoods alleen nieuwe mensen worden aangenomen via een payroll-constructie, waardoor leraren het moeten doen met een tweederangs contract?
Ik kan mij voorstellen dat werkgevers voorzichtig zijn met het aangaan van structurele verplichtingen die op termijn kunnen leiden tot extra personele lasten.
De vorm waarin tijdelijke contracten worden aangegaan is een zaak van werkgevers- en werknemersorganisaties. Deze organisaties kunnen hierover afspraken maken in hun cao.
Wat is uw oordeel over het bericht dat het bestuur van deze scholen verlangt dat al met ingang van het komende schooljaar de personele bezetting wordt ingevuld op basis van de inkomsten op 1 augustus 2014? Deelt u de mening dat hiermee onnodig vooruit wordt gelopen op maatregelen die mogelijk niet worden goedgekeurd en die eerder dan gepland een negatieve invloed hebben op de onderwijskwaliteit?
Zie het antwoord op vraag 2.
Ziet u dat scholen al veel eerder dan volgens uw planning noodzakelijk is, in de problemen komen nu zij vooruitlopen op de aangekondigde bezuinigingen? Bent u bereid om naar aanleiding hiervan eerst beter te onderzoeken wat de gevolgen zijn van het aangekondigde beleid, alvorens u het invoert?
Zoals gezegd is er voor schoolbesturen voor (v)so geen financiële noodzaak om nu al banen te schrappen als gevolg van de voorgenomen bezuiniging. Daarnaast is in het onderhandelaarsakkoord over de personele gevolgen van de bezuiniging afgesproken de gevolgen van de bezuiniging te monitoren (Kamerstukken 2011–2012, 31 497, nr. 85). Tevens monitort de ECPO de invoering van het nieuwe stelsel passend onderwijs. Ik zie dan ook geen aanleiding een separaat onderzoek te starten.
Bent u bereid de maatregelen rondom uw bezuinigings- en afbraakoperatie «passend onderwijs» uit te stellen, zodat scholen pas maatregelen hoeven te treffen zodra de Eerste en Tweede Kamer uw plannen hebben goedgekeurd? Zo neen, hoe kunt u dit verenigen met uw visie op de parlementaire democratie?
Nee, ik ben niet bereid de voorgenomen maatregelen uit te stellen en ik neem afstand van de kwalificatie «afbraakoperatie».
Er is voor schoolbesturen voor (v)so op dit moment geen financiële noodzaak om nu al banen te schrappen als gevolg van de voorgenomen bezuiniging. Daarbij worden voor alle onderdelen van de voorgenomen bezuiniging de gebruikelijke procedures doorlopen alvorens deze in werking treden. Er is dan ook geen sprake van een spanning met de besluitvormingsprocessen in de parlementaire democratie.
De 28 in beslag genomen pony’s in Elkenrade |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Hebt u de beelden gezien die «Vandaag de dag» heeft gemaakt van één van de in beslag genomen pony’s die Stichting Paard in Nood onder haar hoede heeft genomen, nadat het dier voor verkoop was vrijgegeven door Dienst Regelingen?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een in beslag genomen pony, na vier weken te zijn verzorgd op een door aangewezen opvangadres, onder de aangekoekte mest bleek te zitten en zelfs een ontsteking had aan de achterhand? Vindt u dit een voorbeeld van goede verzorging van pony’s? Kunt u uw antwoord toelichten?
De dieren waren extreem vermoeid toen ze bij de opvang aankwamen. Op aanraden van de dierenarts is ervoor gekozen de paarden vooral rust te geven.
De huisvesting en voeding van de paarden en pony’s zijn goed geweest. De eerste periode is gezorgd voor noodzakelijke medische hulp, een goed strobed, rust en aangepaste voeding. De niet direct noodzakelijke verzorging zou in een later stadium plaatsvinden. Dit om de paarden zo goed mogelijk te laten herstellen en zo veel mogelijk te ontlasten.
In dit geval heeft een eerdere eigenaar van deze pony zich gemeld. Dienst Regelingen heeft voor de overdracht richting laatstgenoemde aangegeven dat de pony nog aan het herstellen was van de situatie waaruit deze gehaald was. Ook is aangegeven dat dit herstel tijd nodig heeft. Daarnaast is aangegeven dat het dier nog viezigheid in de vacht had. Door het jaargetijde is er niet voor gekozen het dier te scheren. Het was verstandiger geweest om te wachten met de overdracht tot het dier ook de niet direct noodzakelijke zorg gekregen had.
Het is voor mij op basis van dit videomateriaal lastig vast te stellen welke vooruitgang de pony bij de nieuwe eigenaar heeft gemaakt.
Kunt u uitleggen hoe het mogelijk is dat één van de in beslag genomen pony’s dankzij de zorg van Stichting Paard in Nood binnen drie dagen enorm is opgeknapt en dit bij het tijdelijke opvangadres, onder uw verantwoordelijkheid niet gelukt is, terwijl de pony daar vier weken heeft gestaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan het dat verwaarloosde dieren, na inbeslagname, de benodigde zorg niet krijgen op het opvangadres, terwijl u eerder heeft aangegeven dat opvangplaatsen voor in beslag genomen dieren onderworpen zijn aan strenge controles?
De opvangadressen zijn gecontroleerd en goed bevonden. In de overeenkomst is vastgelegd aan welke eisen de opslaghouder moet voldoen. In dit specifieke geval is een aantal punten ten aanzien van de verzorging nog niet gedaan, omwille van de rust die de pony nodig had.
Is het waar dat één van de in beslag genomen pony’s op het opvang-adres is overleden? Zo ja, kunt u uiteenzetten wat de oorzaak is van het overlijden van deze pony? Hoe was de situatie van dit dier op het moment dat het in beslag werd genomen? Is er een dierenarts geconsulteerd? Welke zorg heeft de pony op het tijdelijke opvangadres gekregen?
Ja, er is inderdaad één pony overleden. Gezien de leeftijd en de situatie waaruit hij is gehaald is dit niet verwonderlijk. De pony heeft alle nodige zorg ontvangen. De dierenarts heeft aangegeven dat de pony door een hartstilstand is overleden.
Kunt u uiteenzetten hoe vaak, op welke manier en door welke personen met welke competenties tijdelijke opvangplaatsen worden gecontroleerd voordat er dieren worden ondergebracht en nadat er dieren zijn geplaatst? Hoe wordt omgegaan met opvangplaatsen die niet aan de wettelijke verplichtingen blijken te voldoen?
Nee, ik deel de mening niet dat de controles aangescherpt moeten worden.
Jaarlijks worden alle opvangplaatsen landbouwhuisdieren en paarden door de NVWA gecontroleerd. Ook medewerkers van DR gaan regelmatig bij de opvangplaatsen langs om te beoordelen of de dieren de benodigde verzorging krijgen.
Indien blijkt dat bepaalde opvangplaatsen niet aan de wettelijke verplichtingen voldoen dan zal een termijn worden gegeven om de tekortkomingen te herstellen. Door middel van een controlebezoek kan worden vastgesteld of de opvanglocatie weer aan de wettelijke eisen voldoet. Indien blijkt dat niet aan de wettelijke eisen wordt voldaan, wordt de overeenkomst ontbonden.
Deelt u de mening dat de controles op (tijdelijke) opvangadressen aangescherpt moeten worden, zodat verwaarloosde dieren na inbeslagname niet in exact dezelfde situatie terecht komen als waaruit ze zijn weggehaald? Zo ja, hoe wilt u dit gaan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De disproportionele kosten die non-profit organisaties moeten betalen aan de Buma en SENA |
|
Mariko Peters (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere Kamervragen waarin u geeft u aan dat gebleken is dat er in het genoemde geval sprake is van een administratieve fout?1 Waaruit is dit gebleken? Bent u in overleg getreden met zowel de Carnavals Vereniging Deurdouwers als de Buma en SENA? Bent u slechts afgegaan op de uitspraken van Buma en SENA of heeft u bewijsstukken ingezien?
Naar aanleiding van de brief van de carnavalsvereniging die bij de Kamervragen waren gevoegd, heb ik de betrokken collectieve beheersorganisaties, Buma en Sena alsmede Voice, de brancheorganisatie van collectieve beheersorganisaties in haar hoedanigheid als bemiddelaar bij klachten over collectieve beheersorganisaties, verzocht om een reactie. Uit deze reacties bleek dat voor het muziekgebruik een te hoog bedrag was gefactureerd. Dit bedrag is later naar beneden bijgesteld. Deze informatie heb ik in de eerdere beantwoording gemeld.
De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft geen rol bij de afhandeling van individuele klachten over collectieve beheersorganisaties. Indien een individuele klacht binnenkomt bij het ministerie, wordt de klager gewezen op bestaande klachtenregelingen. Zowel Buma als Sena hanteren in het kader van het CBO-keurmerk sinds 2011 een klachtenregeling die jaarlijks wordt gecontroleerd door een onafhankelijke auditor van het Keurmerkinstituut. Klachten kunnen ook worden ingediend via het klachtenloket van Voice. Wanneer van de klachtenregeling gebruik gemaakt wordt, volgt binnen twee maanden een uitspraak op de klacht. Mocht de klacht niet naar tevredenheid zijn opgelost dan kan de klager de klacht inzake de toepassing van het tarief voorleggen aan een onafhankelijke geschillencommissie. Het College van Toezicht Auteursrechten heeft inzage in het klachtenregister. Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel toezicht2 kan een gebruiker ook de hoogte van het tarief op redelijkheid laten toetsen door een geschillencommissie. In casu dateert de klacht uit september 2011 en is de kwestie via Kamervragen aan mij voorgelegd voordat de reguliere klachtafhandeling was afgerond.
Weet u dat er driejaar lang (2008–2011) communicatie heeft plaatsgevonden over de kosten die de genoemde carnavalsvereniging zou moeten betalen? Deelt u de mening dat wanneer dit een administratieve fout betrof, zoals u suggereert in uw antwoord, er tijd en aanleiding genoeg is geweest om deze fout binnen drie jaar op te helderen? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat de fout eerst na politieke en publicitaire aandacht erkend en rechtgezet werd?2
Ik heb van Voice, mede namens Buma en Sena, het volgende vernomen. In casu gaat het om twee soorten muziekgebruik: muziekgebruik in het verenigingsgebouw (waarbij een vergoeding verschuldigd is aan Buma en Sena) en het live ten gehore brengen van muziek tijdens de carnavalsoptocht (waarbij alleen een vergoeding verschuldigd is aan Buma). De betrokken carnavalsvereniging heeft voor het muziekgebruik in het verenigingsgebouw voorafgaand aan 2011 geen toestemming gevraagd aan en geen factuur ontvangen van Buma. De carnavalsvereniging heeft voor dit gebruik wel Sena-facturen ontvangen en voldaan.
In 2008 en 2009 is er naar aanleiding van een factuur contact geweest tussen Sena en de carnavalsvereniging. De carnavalsvereniging had in 2006 opgegeven te beschikken over een horecaruimte van 60 m2. In 2008 is door de carnavalsvereniging aangegeven dat dit niet correct is: de ruimte waarin muziek ten gehore werd gebracht is geen horeca-instelling maar een clubhuis. In juli 2009 is hierop door Sena de vergoedingscategorie met terugwerkende kracht gewijzigd tot de datum van het doorgeven van de correctie door de carnavalsvereniging. De communicatie hierover is in 2009 afgerond.
In het kader van de één-loket-benadering zijn in 2011 gecombineerde Buma/Sena-facturen verzonden. Hiervoor maken zij gebruik van het Service Centrum Auteurs- en Naburige rechten (SCAN). De afspraak is dat SCAN alleen een gecombineerde factuur verzendt indien de gebruiker vóór 2011 van zowel van Buma als Sena voor het desbetreffende muziekgebruik een factuur ontving. Indien de gebruiker niet bekend is bij beide cbo’s wordt eerst nader onderzoek ingesteld alvorens een factuur wordt verzonden. In casu had dus geen gecombineerde factuur mogen worden verzonden omdat de carnavalsvereniging voor het muziekgebruik in het verenigingsgebouw alleen bij Sena bekend was. Nadat de carnavalsvereniging in september 2011 over de gecombineerde factuur bij SCAN heeft geklaagd, is de factuur gecrediteerd en heeft er een bezoek van de Buma/Sena buitendienst plaatsgevonden. Daarbij is gebleken dat – anders dan door de carnavalsvereniging schriftelijk aan Sena was opgegeven – er niet gedurende twaalf maanden maar slechts gedurende vier maanden muziek openbaar wordt gemaakt in het verenigingsgebouw. Aan de hand van deze informatie is voor het muziekgebruik in het verenigingsgebouw een nieuwe factuur opgesteld. Buma heeft aangegeven uit coulance geen betaling te zullen vorderen voor het muziekgebruik in de jaren voorafgaand aan 2012. Sena heeft aangegeven uit coulance het – vanwege het beperkte aantal maanden muziekgebruik per jaar – gereduceerde tarief met terugwerkende kracht tot en met 2008 te zullen toepassen. Buma en Sena merken voorts op dat de hoogte van de tarieven tot stand zijn gekomen in onderhandelingen met voor de sector representatieve brancheorganisaties, in dit geval de Federatie van Dorpshuizen en organisaties in het welzijnswerk, en door de collectieve beheersorganisaties op de respectievelijke websites worden gepubliceerd. Daarnaast kunnen gebruikers via de website www.mijnlicentie.nl hun gegevens inzien en zonodig wijzigen.
Ik begrijp uit het voorgaande dat in twee instanties een niet correct tarief is gehanteerd op basis van informatie die door de vereniging in kwestie is verstrekt. Ik heb Voice erop gewezen dat het voor gebruikers bij de aanvraag van de licentie voldoende duidelijk moet zijn onder welke omstandigheden zij in aanmerking kunnen komen voor een gereduceerd tarief. Op de papieren aanvraag is gevraagd naar de openingsperiode van het gebouw. Bij de in 2011 in gebruik genomen digitale licentieaanvraag via de website www.mijnlicentie.nl ontbreekt nog de mogelijkheid om aan te geven dat slechts gedurende een deel van het jaar muziek wordt gebruikt. Dit punt is door de Buma en Sena onderkend: zij geven aan dat bij een digitale licentie-aanvraag altijd telefonisch contact wordt opgenomen om op dit punt nadere informatie op te vragen. Bij de nieuwe versie van de website die in maart 2012 in gebruik wordt genomen, zal het mogelijk zijn om beperkt seizoensgebruik digitaal door te geven. Ik zie in het voorgaande onvoldoende aanleiding voor een nader onderzoek naar onjuiste facturering van not-for-profit organisaties en/of andere maatregelen
Weet u dat de betrokken carnavalsvereniging de afgelopen jaren wel geld heeft moeten betalen aan Buma en Sena voor een bedrag dat hoger lag dan de nu genoemde 48 euro? Deelt u de mening dat hierdoor sprake lijkt van willekeur in de hoogte van het jaarlijks te betalen bedrag? Adviseert u deze vereniging het kennelijk teveel betaalde geld terug te vragen? Bent u bereid dit mee te nemen in het door u aan de Kamer tijdens het plenaire debat naar aanleiding van het algemeen overleg over auteursrechten toegezegde overleg met de Buma en SENA?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid Buma en SENA aan te spreken op de onnavolgbaarheid van de vaststelling van aan not-for-profit gefactureerde bedragen? Bent u bereid te onderzoeken of er meerdere non-profit-organisaties zijn die onjuiste facturen ontvangen van de Buma en/of SENA?
Zie antwoord vraag 2.
Het toezicht van persoonsgegevens in het Visa Waiver Programma |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de verklaring van de directeur van Homeland Security and Justice, dat slechts de helft van de landen die aan het Visa Waiver programma deelnemen op dit moment voldoen aan de eisen gesteld in de 9/11 Act1
Voldoet Nederland aan de eisen van het Visa Waiver Programma, waarin landen die visumvrij naar de Verenigde Staten (VS) willen reizen door de 9/11 Act verplicht worden om drie akkoorden met de VS te sluiten om de uitwisseling van informatie met betrekking tot de veiligheid en de rechtshandhaving te versterken?
Kunt u uitleggen op welke wijze er in Nederland uitvoering wordt gegeven aan de afspraken op grond van de drie bilaterale overeenkomsten met de VS, te weten de uitwisseling van gegevens over vermiste en gestolen paspoorten, de uitwisseling van gegevens met het Terrorist Screening Center en de uitwisseling van referentiegegevens met betrekking tot vingerafdrukken en DNA-profielen voor het bestrijden van ernstige misdaden?2
Kunt u uitleggen hoe de gegevens aan de VS ter beschikking worden gesteld? Hebben de Amerikaanse autoriteiten rechtstreeks toegang tot de gegevensbestanden? Is een dergelijke rechtstreekse toegang tot de gegevensbestanden gepland in de toekomst? Is rechtstreekse toegang tot de databestanden een eis van de VS? Kunt u uitleggen wat er met «data to flow on an automated basis» wordt bedoeld?3
Kunt u verzekeren dat iedere overdracht van gegevens getoetst wordt door een rechter?
Kunt u verhelderen of gegevens per geval op basis van een specifieke verdenking worden overgedragen aan de Amerikaanse autoriteiten of gebeurt dat ook op een grootschaligwijze (in bulk)? Wat voor categorieën gegevens worden er precies overgedragen?
Kunt u uitleggen op welke wijze en door wie toezicht wordt gehouden op de gegevensoverdracht en de conformiteit met relevante nationale en Europese regelgeving?
Het weigeren van patiënten door te weinig budget van zorgverzekeraar Achmea |
|
Eeke van der Veen (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat het TweeSteden ziekenhuis in Tilburg en Waalwijk dit jaar geen verzekerden van Achmea meer wil behandelen, omdat Achmea te weinig budget beschikbaar heeft gesteld?1
Ja.
Deelt u de mening dat zorgverzekeraar Achmea een zorgplicht voor haar verzekerden heeft en dus verantwoordelijk is voor tijdige, kwalitatieve en bereikbare verzekerde zorg? Vervult Achmea op deze wijze haar zorgplicht?
Ja, Achmea heeft een zorgplicht. De wijze waarop de zorgplicht moet worden nagekomen is afhankelijk van of de zorg in natura verzekerd is of op basis van restitutie. Ik heb geen aanwijzingen dat Achmea de zorgplicht niet nakomt.
Klopt het dat Achmea voor 2011, kijkende naar het aantal verzekerden bij Achmea in de regio, relatief minder budget met het TweeSteden ziekenhuis is overeengekomen dan de andere verzekeraars?
Ik heb begrepen dat Achmea in mei met het TweeSteden Ziekenhuis een overeenkomst met volumebeperking heeft afgesloten en dat partijen op basis van maandelijkse rapportages van het ziekenhuis zouden bekijken of het afgesproken volume voldeed. Hoe de overeenkomst van het TweeSteden Ziekenhuis met Achmea zich verhoudt tot de overeenkomsten met andere verzekeraars weet ik niet.
Klopt het dat de volumeafspraken tussen Achmea en het TweeSteden ziekenhuis over 2011 op dit moment al zijn bereikt?
Op basis van de mij beschikbare informatie kan ik daar het volgende over zeggen. Eind november heeft Achmea van het TweeSteden Ziekenhuis een signaal gekregen dat het afgesproken volume voor 2011 niet geheel toereikend zou zijn. In het hierop volgende overleg, begin december, heeft Achmea niet de conclusie getrokken dat een aanpassing van de in mei gesloten overeenkomst noodzakelijk was. Relevante overwegingen van Achmea daarbij zijn geweest dat het bereikte volumeplafond geen belemmering zou zijn voor mensen met een spoedeisende hulpvraag of voor mensen die al in behandeling waren. Voorts heeft voor Achmea meegespeeld dat, voor het in 2011 betrekkelijk kleine aantal verwachte electieve zorgvragen, een goede terugvaloptie beschikbaar was in Tilburg of in andere ziekenhuizen in Zuid Nederland.
Deelt u de mening dat de bewering dat «het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de verzekeraars en de ziekenhuizen hebben afgesproken dat de budgetten voor 2012 niet stijgen» in het artikel onjuist is? In het bestuursakkoord is toch een ongecorrigeerde omzetgroei van 2,5% afgesproken? De zorgverzekeraars hebben toch zelfstandig besloten voor 2012 een nulgrens te hanteren?
Op eerdere schriftelijke vragen van de heer Van der Veen over de brief waarin de zorgverzekeraars aan de ziekenhuizen hun voornemen kenbaar maken dat zij bij de inkoopcontracten voor 2012 zullen uitgaan van nul procent stijging, heb ik op 28 september j.l. het volgende geantwoord: «Blijkens de brief van ZN is de inzet van verzekeraars voor 2012 gebaseerd op de afspraak in het hoofdlijnenakkoord, met daarin verdisconteerd de verwachte ontwikkeling van de uitgaven van vorig jaar en dit jaar. Zorgverzekeraars geven hiermee aan dat zij oog hebben voor de noodzaak van de beheersing van de gezondheidszorg uitgaven. De keuze voor een brief is de keuze van ZN. Zij hadden ook kunnen kiezen voor een andere manier van communiceren, zoals een gesprek.» Aan dit antwoord heb ik niets toe te voegen.