Het voornemen om de verloskundige zorg in Zuid-Limburg te concentreren op één locatie |
|
Nine Kooiman |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de ziekenhuizen AZM, Atrium en Orbis de 24-uurs verloskundige zorg willen concentreren op één locatie? Vindt u het aanvaardbaar dat de bereikbaarheid van deze levensreddende voorziening wordt verminderd? Wilt u uw antwoord toelichten?1
De drie Zuid-Limburgse ziekenhuizen geven aan op geen enkele manier in gesprek te zijn over concentratie van de verloskundige zorg op één locatie. Wel wordt gewerkt aan een mogelijke fusie tussen Orbis en Atrium.
Vindt u het aanvaardbaar dat de keuzevrijheid van vrouwen in Zuid-Limburg wordt ingeperkt? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Is de kwaliteit van de geboden zorg thans zo onder de maat dat een zwaar middel als concentratie noodzakelijk wordt geacht om deze kwaliteit te verbeteren? Zo nee, deelt u de mening dat dit dan een oneigenlijk argument is? Zo ja, waarom is door u kennelijk niet adequaat ingegrepen via de Inspectie voor de Gezondheidszorg?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het voornemen van concentratie van verloskundige zorg de ambitie van deze krimpregio om meer jonge gezinnen aan te trekken, frustreert? Zo nee, hoe denkt u dat het onder druk zetten van de beschikbaarheid van verloskundige zorg bijdraagt aan de aantrekkelijkheid van deze regio voor jonge gezinnen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de stelling dat de voor het aanbieden van 24-uurs verloskundige zorg noodzakelijke investering pas loont bij 3 000 bevallingen? Deelt u de mening dat de beschikbaarheid van vitale zorg niet afhankelijk mag zijn van bedrijfseconomische analyses als ware het een fabriek? Zo nee, waarom niet?
De aanleiding om opnieuw naar de verloskundige zorg in Nederland te kijken is dat de babysterfte in Nederland ten opzichte van andere landen bijzonder hoog was. Naar aanleiding daarvan is een Stuurgroep zwangerschap en geboorte ingesteld die aanbevelingen heeft gedaan over hoe deze zorg kwalitatief te verbeteren voor moeder en kind. Er zijn in dat advies geen uitspraken gedaan over het aantal bevallingen dat nodig is om kwalitatief goede zorg te leveren. Een algemeen geldende bedrijfseconomische ondergrens of minimum volumenorm voor het kunnen aanbieden van 24-uurs verloskundige zorg is mij niet bekend. Het is de verantwoordelijkheid van ziekenhuizen, in overleg met de betrokken verzekeraar om de afweging te maken in hoeverre mogelijke concentratie van zorg leidt tot een verbetering van kwaliteit en/of doelmatigheid, binnen de bereikbaarheidsnorm.
Bestaat er een kwalitatieve ondergrens voor het aantal bevallingen dat noodzakelijk is om de kwaliteit te garanderen die wij in Nederland wenselijk achten? Zo ja, welke en waar is deze op gebaseerd?
Er bestaat geen minimum volumenorm voor de klinische verloskunde. Zie verder mijn antwoord op vraag 5.
Zijn er adviesbureaus betrokken bij de plannen voor concentratie? Zo ja, welke?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Bent u bereid om u in te spannen om de plannen voor concentratie van tafel te krijgen en te zorgen dat er een sluitende samenwerking komt tussen verloskundigen en gynaecologen om de risico’s te verkleinen en de kwaliteit te verbeteren zonder dat de beschikbaarheid afneemt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht 'Politieweb aan grens in gevaar' |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD), Han ten Broeke (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politieweb aan grens in gevaar»?1
Ja.
Is het waar dat de invoering van de nationale politie met zich meebrengt dat de «vliegende politiebrigades» ofwel de mobiele politieteams aan de grens met Duitsland moeten worden opgeheven, zoals enkele Twentse burgemeesters in een brandbrief aan de minister van Veiligheid zeggen te vrezen? Kunt u de brandbrief als bijlage bij deze beantwoording toevoegen?
Nee. Gezamenlijke patrouilles en gemeenschappelijk bemande controleteams, gebaseerd op artikel 19 van het Verdrag van Enschede, maken onderdeel uit van de dagelijkse en structurele samenwerking tussen Nederlandse en Duitse politiediensten over en langs de gehele grens met Duitsland.
Ook bij de vorming van de nationale politie zullen dergelijke verdragsverplichtingen leidend zijn waar het gaat om internationale samenwerking.
De burgemeesters uit het regionale college van Twente wijzen overigens op een specifieke situatie rond de grensovergang autoweg A-1, waar op basis van een overeenkomst in het kader van een INTERREG-project door vijf politiediensten/autoriteiten uit beide landen wordt samengewerkt in een Gemeenschappelijk Politieteam (GPT) op een gezamenlijke locatie. Dit Europese programma loopt tot juli 2013 en staat los van de invoering van de nationale politie.
De brief, ondertekend door de burgemeester van Losser, is bijgevoegd.
Klopt het in het bijzonder dat het grensoverschrijdende politieteam (GPT), waarmee in de Twentse regio al sinds 2008 in de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, (met name rondom de A1), uitstekende ervaringen zijn opgedaan en ook resultaten zijn geboekt aan zowel de Duitse als Nederlandse kant van de grens? Zijn deze ervaringen en resultaten (deels) bekend bij het ministerie van Veiligheid en Justitie? Zo ja, bent u bereid deze resultaten met de Kamer te delen?
Ja, de operationele samenwerking inzake handhaving, controle en opsporing van grensoverschrijdende criminaliteit levert resultaten en informatie op omtrent het aantal (geconstateerde) misdrijven en overtredingen. Dit wordt gerapporteerd en meegenomen in de dagelijkse politiepraktijk en gedeeld met de Duitsers. Het ministerie wordt periodiek geïnformeerd over de projectvoortgang en de (tussentijdse) resultaten en de inzet van het GPT.
Bijgaand treft u de gegevens aan zoals die voortkomen uit het optreden van dit eerder genoemde GPT vanaf 2008.
Resultaat: / Jaar:
2008
2009
2010
2011
Misdrijven
613
599
678
759
Overtredingen
342
266
394
283
Treffers in SIS
43
84
46
61
Overig
460
891
830
696
Manuren
11 433
16 685
19 017
14 192
Patrouilles
718
1 078
1 283
905
Bent u bereid om, vooruitlopend op de afronding van de proef en de eind-evaluatie in 2013, niet alleen de resultaten te meten, maar ook te kijken naar bijzondere ervaringen en «best-practices» waarmee de Duitse politie en de Nederlandse politie van elkaar kunnen leren?
Zeker, behalve over de directe resultaten wordt er rekening gehouden met en gecommuniceerd over de ervaringen die in de praktijk met de samenwerking en de toepassing van het Verdrag worden opgedaan. Daartoe vinden regelmatig bijeenkomsten en workshops plaats waaraan Nederlandse en Duitse collega’s deelnemen. Recent nog een over de praktijk van het opzetten van een JIT. Het ministerie van VenJ ondersteunt dit proces van leren van elkaars ervaringen via een «landenprogramma Duitsland» dat door het KLPD ten behoeve van de (grens)korpsen wordt uigevoerd.
Is het waar dat de grensteams (deels) uit gelden van het Europese Interreg Community Initiative worden gefinancierd? Is er al duidelijkheid of die financiering gehandhaafd blijft? Zo nee, overweegt u een overbruggingsfinanciering? Hebt u hierover contact met uw Duitse collega?
Ja, in het kader van het Europese INTERREG IVa programma en fonds tussen Duitsland en Nederland wordt 50% van de kosten daaruit gefinancierd. Het Ministerie van BZK heeft vanaf 2008 één vijfde deel van de resterende 50% gefinancierd.
De financiering vanuit het Europese programma loopt tot juli 2013. De partners hebben echter een «verklaring van continuïteit» getekend, wat inhoudt dat er tenminste een inspanningsverplichting is om na evaluatie – een doorstart te maken. Met als uitgangspunt dat grensoverschrijdende samenwerking tot de reguliere taken van de politie behoort, acht ik het van belang dat bij de samenwerking met Duitse partners onder meer een beroep wordt gedaan op (regionale) Europese fondsen. Een overbruggingsfinanciering is naar mijn oordeel niet aan de orde.
Bent u bereid met de burgemeesters in overleg te treden om te bezien of de mobiele grensteams kunnen worden gehandhaafd? Volgt de invoering van deze grensteams ook niet logisch voort uit het «Verdrag van Enschede» waarbij grensoverschrijdende veiligheidssamenwerking tussen Duitsland en Nederland wordt mogelijk gemaakt?
De in mijn antwoorden op de vorige vragen geschetste positie en functioneren van het GPT alsook het perspectief voor grensoverschrijdende samenwerking dat daarbij aan de orde is, bieden voldoende garantie op continuïteit in de uitvoering van gezamenlijke handhaving en controle. Ik zal dit in mijn beantwoording van de door u genoemde brief meenemen en zonodig met de burgemeesters bespreken en toch te informeren.
Genoemd verdrag is de grondslag voor de dergelijke teams maar die hoeven niet per se op deze wijze ingericht te zijn. De vorm van het huidige GPT kan (zo nodig) op basis van de aangekondigde evaluatie worden gewijzigd.
Is het denkbaar dat de grensteams worden aangevuld of ingevuld door de inzet van mobiele grensteams van de Koninklijke Marechaussee, zoals ook in het regeerakkoord is voorzien?
Met de term «mobiele grensteams van de KMar» wordt waarschijnlijk gedoeld op het mobiel toezicht veiligheid (MTV), dat door de KMar wordt uitgevoerd. In het MTV wordt ook samengewerkt met Duitsland en België, waarbij wordt geacteerd op grond van de Vreemdelingenwet en van het Verdrag van Enschede.
Daarnaast is deelname van de KMar gerealiseerd in het GPT rond Bad Bentheim en in structurele gemeenschappelijke patrouilles rond Arnhem en Venlo. In het tweede GPT, dat eind maart is gaan functioneren noordelijk van Hoogeveen /Emmen, Meppen, is de KMar aan Nederlandse zijde de enige deelnemer.
In het kader van MTV wordt ook verwezen naar de recente uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch van 11 mei 2012. Gevolgen hiervan mede voor het GPT worden nog bezien.
Bent u bekend met met de slogan «Criminelen kennen geen grenzen»?
Ja, zowel in de letterlijke als de figuurlijke betekenis.
Het declareren van psychische zorg door niet-geregistreerde hulpverleners |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat, onder meer via de stichting Europsyche, voor miljoenen euro's aan psychische zorg is gedeclareerd die door niet-geregistreerde zorgverleners is verleend? Deelt u de mening dat veel verzekerden gedupeerd zijn, doordat zij hierdoor niet de zorg hebben gekregen waarvoor zij hebben betaald? Zo nee, waarom niet?1
Naar aanleiding van eerdere berichtgeving over Europsyche heb ik de NZa en IGZ gevraagd nader onderzoek in te stellen naar de mate waarin Europsyche en andere vergelijkbare zorgaanbieders in hun functioneren voldoen aan alle wettelijke kaders en mij daarover te informeren. Deze onderzoeken lopen nog. Over de uitkomsten van deze onderzoeken zal ik met verzekeraars en toezichthouders (IGZ en de NZa) in gesprek gaan.
Zodra de onderzoeken van NZa en IGZ zijn afgerond zal ik de kamer nader kunnen informeren, zoals ik reeds heb medegedeeld naar aanleiding van de vragen van het Kamerlid Bouwmeester (PvdA) over vergoeding van alternatieve therapieën uit het basispakket (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 2658).
Uiteraard geldt dat zorgaanbieders en zorgverzekeraars moeten voldoen aan alle geldende wet- en regelgeving. Het is de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder om goed te declareren. Daarna is het de verantwoordelijkheid van zorgverzekeraars om de gedeclareerde zorg te controleren op onrechtmatigheden. Zorgverzekeraars voeren formele en materiële controles uit om te kijken of er juist is gedeclareerd. In de formele controles wordt gecheckt of de declaraties juist zijn ingediend volgens de wet- en regelgeving. In de materiële controles gaat de zorgverzekeraar na of de gedeclareerde zorg ook daadwerkelijk is geleverd.
Wanneer zorg niet zoals voorgeschreven in de wet en regelgeving wordt gedeclareerd kan de NZa op grond van artikel 35 Wmg tegen de zorgaanbieder optreden met een aanwijzing om deze praktijk stop te zetten, met last onder dwangsom en met een bestuurlijke boete. Wanneer een zorgverzekeraar dergelijke onrechtmatig gedeclareerde zorg vergoedt, kan de NZa in principe op gelijke wijze ook tegen de zorgverzekeraar optreden.
Deelt u de mening dat uit deze casus wederom blijkt dat de Diagnose Behandeling Combinatie (DBC) een ondoorzichtig financieringssysteem is dat fraude in de hand werkt en derhalve afgeschaft dient te worden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening niet. Voor mijn overwegingen om vast te houden aan de dbc-systematiek verwijs ik u naar de voorhangbrief invoering prestatiebekostiging van 21 februari 2012 (TK 25 424 nr. 160) en het Verslag van een Schriftelijk Overleg over dat onderwerp, vastgesteld op 16 april 2012 (TK 25 424 nr. 175).
Vindt u het terecht dat Europsyche naar de rechter stapt om geld van zorgverzekeraars te eisen, terwijl deze stichting kennelijk zelf jarenlang het onterecht declareren van alternatieve en zelfs omstreden therapieën vanuit de basisverzekering heeft gefaciliteerd? Wilt u uw antwoord toelichten?
Indien twee partijen een dispuut hebben over een vordering, staat het een partij uiteraard vrij om de rechter om een uitspraak hierover te vragen. Dat geldt ook voor Europsyche. Het is niet aan mij, maar aan de rechter, om een uitspraak te doen over de rechtmatigheid van de eis van Europsyche. De rechter heeft inmiddels op 16 mei zorgverzekeraar CZ in het gelijk gesteld.
Zie verder mijn antwoord op vraag 1.
Wordt Europsyche strafrechtelijk onderzocht op fraude? Zo nee, waarom niet?
Mij zijn geen strafrechtelijke onderzoeken naar Europsyche bekend. Overigens zou ik, indien dergelijke onderzoeken mij wel bekend waren, u daarover niet kunnen berichten, omdat dit een strafrechtelijk onderzoek kan belemmeren.
Zorgverzekeraars dragen doorgaans onderzoeken naar zorgaanbieders waarbij ze fraude hebben vastgesteld over aan de NZa. De NZa besluit vervolgens in overleg met het OM en de FIOD of een zaak al dan niet bestuurs- of strafrechtelijk wordt opgepakt. Op dit moment zijn zorgverzekeraars nog bezig met het onderzoek.
Deelt u de mening dat zogenaamde verlengde-armconstructies, waarbij een geregistreerde psychiater feitelijk fungeert als stempelmachine voor het declareren van zorg zonder de patiënt te hebben gezien, moet worden teruggedrongen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wordt dit bewerkstelligd?
Ik heb twijfels over de verlengde arm constructie. Voor hierover besluiten worden genomen wil ik de voor- en nadelen graag op een rijtje zetten nadat ik de onderzoeksresultaten van de NZa en IGZ heb ontvangen. Ik heb het CVZ gevraagd mij te adviseren over deze constructie en over GGZ behandelingen die in het pakket thuishoren en welke niet. Het CVZ komt eind dit jaar met haar advies.
Wat is uw reactie op de constatering dat zorgverzekeraars weinig belang hebben bij fraudeonderzoek? Wat is hiervoor uw verklaring, en wat doet u hieraan?
De uitspraak in het artikel herken ik niet. Zorgverzekeraars hebben wel degelijk belang bij fraudeonderzoek. Zorgverzekeraars Nederland heeft onlangs de fraudecijfers over 2011 bekend gemaakt. Er is € 7,7 miljoen aan fraude opgespoord. Via de materiële controles[1] is er € 167 miljoen teruggevorderd en via de formele controles[2] hebben de zorgverzekeraars ongeveer € 800 miljoen bespaard. Het aantal fte dat bij zorgverzekeraars belast is met fraudeonderzoek vertoont een stijgende lijn. Fraudeonderzoek zorgt ervoor dat onterechte betalingen kunnen worden gestopt en zo mogelijk teruggevorderd.
Ik vind het van groot belang dat zorgverzekeraars actief fraude opsporen en heb daarom onlangs laten onderzoeken of en in hoeverre verzekeraars hierbij gebruik maken van beschikbare geavanceerde technieken. Een onderzoeksbureau is dit in mijn opdracht nagegaan. Een van de aanbevelingen uit dit rapport luidt dat geautomatiseerde fraudebestrijding centraal georganiseerd zou moeten worden. Ik heb ZN gevraagd dit op te pakken.
Wat is uw reactie op de bewering van de bestuurder van Europsyche dat het declareren van psychiatrische zorg, die feitelijk niet heeft plaatsgevonden, een gebruikelijke gang van zaken is in de geestelijke gezondheidszorg (ggz)? Deelt u deze mening? Zo ja, deelt u dan de mening dat hiernaar uitgebreid onderzoek dient te worden verricht? Zo nee, waarom niet?
In het betreffend artikel wordt door niemand beweerd dat het declareren van psychiatrische zorg die feitelijk niet heeft plaatsgevonden een gebruikelijke gang van zaken is. Wel stelt de bestuurder van Europsyche dat de werkwijze van zijn instelling in de reguliere ggz «heel gebruikelijk» is. Zoals gezegd heb ik de NZa en IGZ gevraagd nader onderzoek in te stellen naar de mate waarin Europsyche en andere vergelijkbare zorgaanbieders in hun functioneren voldoen aan alle wettelijke kaders. Ik heb twijfels over de verlengde arm constructie. Voor hierover besluiten worden genomen wil ik de voor- en nadelen graag op een rijtje zetten zetten nadat ik de onderzoeksresultaten van de NZa en IGZ heb ontvangen.»
Zie verder mijn antwoord op vraag 1.
Deelt u voorts de mening dat het verplicht vermelden van op de patiënt herleidbare diagnose-informatie niet de juiste manier is om dit probleem aan te pakken, gelet op de gerechtelijke uitspraken tegen deze schending van het beroepsgeheim en de medische privacy, en dat het beter is om behandelaren zelf hun eigen behandelingen te laten declareren zonder tussenkomst van organisaties als Europsyche, waarbij door middel van steekproeven de juistheid kan worden gecontroleerd? Zo nee, waarom niet?
Bij vraag 1 heb ik toegelicht op welke wijze verzekeraars gedeclareerde zorg kunnen controleren op onrechtmatigheden. Verder wil ik u verwijzen naar mijn antwoorden van 7 mei 2012 op uw vragenhet declareren van psychische zorg door niet-geregistreerde hulpverleners (2012Z09480). Daarin ben ik uitvoerig ingegaan op de consequenties van deze uitspraak.
Is het niet verstandiger het DBC-financieringssyteem in de ggz te vervangen door een niet op verrichtingen gebaseerd financieringsstelsel, wat leidt tot onnodige kostenstijgingen in de ggz? Zo neen, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Het stopzetten van de voorbereidende werkzaamheden voor de Wet Werken Naar Vermogen |
|
Sadet Karabulut |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Bent u bereid om in overleg met gemeenten ontslagen medewerkers in de sociale werkvoorziening weer in dienst te nemen en nieuwe ontslagen te voorkomen?
De Wet sociale werkvoorziening (Wsw) is een gedecentraliseerde regeling, waarbij het Rijk stuurt op hoofdlijnen. Mensen met een Wsw-dienstbetrekking zijn in dienst van een gemeente. Het Rijk heeft daar geen rol in. Het is aan gemeenten om een besluit te nemen of en op welke wijze mensen wiens tijdelijke aanstellingen niet verlengd zijn weer worden aangenomen en in hoeverre tijdelijk aanstellingen worden verlengd.
Voortgang van de MIRT-verkenning Haaglanden |
|
Ineke van Gent (GL) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u nog voornemens, ondanks uw demissionaire status, een concept-rijksstructuurvisie ter inzage te leggen voor het project A4 passage en Poorten & Inprikkers in het kader van de MIRT-verkenning Haaglanden ter vaststelling van de bestuurlijke voorkeur voor een maatregelenpakket (kosten € 576 mln), zoals in bestuurlijk overleg op 7 december 2011 met het stadsgewest Haaglanden is overeengekomen?
Ja. Alle onderzoeken zijn definitief afgerond en besluitvorming door het Stadsgewest Haaglanden heeft plaatsgevonden.
Klopt het dat voor veel van de maatregelen in dit pakket de rapportages over de vervoerprognoses en milieueffecten in maart van dit jaar nog niet verstrekt waren aan de betrokken gemeenten, zodat zij geen inzicht hebben in de toename van verkeersbewegingen op rijkswegen, lokale wegen en de resulterende effecten voor geluid, luchtkwaliteit en ruimtelijke inpassing?
Bij het uitwerken van de maatregelen en de effecten zijn de betrokken gemeenten al in een vroeg stadium betrokken. Vanaf begin 2011 toen de kansrijke alternatieven en de effecten inzichtelijk waren, zijn de gemeenten (ambtelijk en bestuurlijk) direct betrokken bij het ontwerpproces en de voorlopige resultaten uit de studies. Ook gemeenteraden zij tussentijds geïnformeerd over voorlopige resultaten via openbare en (op eigen verzoek) besloten raadsbijeenkomsten. Ter onderbouwing van de bestuurlijke afspraken van 7 december 2012 is een Resultatennota beschikbaar gesteld met de belangrijkste resultaten en argumenten. Voor het Plan-MER is begin 2012 een vrijwillig tussentijds advies gevraagd aan de Commissie voor de m.e.r.. Met het openbaar advies van de Commissie is het plan-MER afgerond, waardoor eerdere conceptversies tot nog toe niet actief verspreid zijn.
Met het publiceren van de ontwerp-rijksstructuurvisie en de plan-MER zijn alle onderzoeksresultaten definitief en vastgelegd in de openbare documenten zodat iedereen gedurende 6 weken kennis kan nemen van de inhoud en zijn zienswijze kenbaar kan maken. Na deze procedure wordt de rijksstructuurvisie pas definitief vastgesteld.
Waarom onthoudt u, alhoewel er op basis van de verplichting in de MIRT Spelregels afspraken zijn om tijdens een verkenning te communiceren met relevante omgevingspartijen, de betrokken gemeenten belangrijke kennis, nu zij geen kennis hebben kunnen nemen van deze rapportages?
Vanaf de start van de MIRT verkenning Haaglanden in 2008 zijn bestuurders, bedrijven, belangenbehartigers en bewoners intensief betrokken in de verschillende stappen van de verkenning, in lijn met Sneller & Beter.
Hiermee is invulling gegeven aan richtlijnen uit het MIRT Spelregelkader.
Bent u, om de indruk weg te nemen dat «sneller en beter» gebruikt kan worden om relevante omgevingspartijen nauwelijks tijd te gunnen voor oordeelsvorming, bereid de gemeenteraden, conform het voorbeeld van de MIRT-verkenning Rotterdam Vooruit (zie de Handreiking MIRT-verkenning p. 28), meer tijd te gunnen een standpunt in te nemen over nut, noodzaak en wenselijkheid van het maatregelenpakket?
De gemeenten zijn reeds betrokken via besluitvorming in het Algemeen Bestuur en Dagelijks Bestuur door het Stadsgewest Haaglanden, zoals is afgesproken in de bestuurlijke voorkeur van 7 december 2011.
Bent u bereid, mochten een of meerdere maatregelen op lokaal niveau belangrijke negatieve effecten hebben, deze maatregelen te heroverwegen en/of aanvullend budget ter beschikking te stellen om deze effecten te mitigeren of te compenseren? Zo nee, waarom niet?
In de huidige kostenraming van het maatregelenpakket wordt rekening gehouden met compenserende en mitigerende maatregelen, indien bij de uitwerking van het voorkeursalternatief negatieve effecten worden geconstateerd voor natuur en milieu. In de planuitwerking wordt onderzocht op welke wijze mogelijke negatieve effecten te mitigeren of te compenseren zijn.
Kunt u toezeggen dat de betrokken gemeenten direct deel kunnen nemen aan de besluitvorming over de MIRT-verkenning Haaglanden? Zo nee, waarom niet?
Een van de opdrachtgevers van de MIRT Verkenning Haaglanden is het Stadsgewest Haaglanden. Via dit lokaal verlengd bestuur zijn betrokken gemeenten vertegenwoordigd. Besluitvorming over de bestuurlijk voorkeur van de MIRT-verkenning heeft, conform de regionale spelregels en afspraken, via het Algemeen Bestuur van het Stadsgewest Haaglanden plaatsgevonden. Bij verder besluiten over de verschillende onderdelen van de MIRT Verkenning Haaglanden zal indien dat relevant is specifieke gemeenten worden betrokken.
Het bericht 'Meer asbest Derde Merwedehaven dan gedacht' |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Meer asbest Derde Merwede dan gedacht»?1
Het bericht is mij bekend.
Deelt u de mening dat asbest een gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren; zeker daar waar het mogelijk onbedekt in de buitenlucht en dichtbij woonkernen ligt?
Ja, onbedekt asbest in de buitenlucht kan een gevaar zijn voor de volksgezondheid.
Kent u de rapporten van de Inspectie, die jarenlang waarschuwde voor misstanden op de vuilstort voor bedrijfsafval «Derde Merwede» bij Sliedrecht en Dordrecht?
Er zijn geen rapporten van de ILT c.q. voormalige VROM-Inspectie over de vermeende misstanden.
Welke actie heeft u ondernomen om te monitoren of de Provincie Zuid-Holland haar verantwoordelijkheid neemt?
In haar rol van wettelijk adviseur heeft de toenmalige VROM-Inspectie de provincie Zuid-Holland als bevoegd gezag geadviseerd bij de actualisering van de vergunning Wet milieubeheer aan de stortplaats Derde Merwedehaven. Dit heeft geresulteerd in een aantal nieuwe en extra voorschriften in de vergunning.
Hoe kan het dat dit verhaal al jaren rond zingt, maar dat er van de zijde van de overheden geen duidelijkheid gegeven is over de feiten, noch dat voor de bevolking duidelijk is of de genomen maatregelen voldoende zijn? Is nu bekend hoeveel asbest, asbesthoudend materiaal of andere gevaarlijke stoffen zijn gestort op deze vuilstort? Worden er op dit moment regelmatig asbestmetingen gedaan op en bij deze vuilstort?
De Derde Merwedehaven BV is een inrichting voor het storten van onder andere bouw- en sloopafval onder het bevoegde gezag van de provincie Zuid-Holland. De exploitatie is in 1993 gestart, waarbij vanaf 2003 het storten van onverpakt asbesthoudend materiaal is vergund.
In totaal is er in acht jaar 131 112 ton afval gestort dat een lage hoeveelheid asbest bevat. Daarvan bestaat de helft uit niet-gevaarlijk afval. Let wel: het gaat hier niet om puur asbest. Het zijn grote hoeveelheden puin, grond en bagger met een asbestpercentage van minder dan een half procent. Deze hoeveelheden vallen binnen de grenzen van de milieuvergunning.
Vanaf begin 2011 is uitsluitend storten van verpakt asbesthoudend materiaal toegestaan. Tevens is in februari 2011 besloten de stortplaats op 31 december 2012 vervroegd te sluiten. Vanaf dat moment zal de bovenafdichting worden aangelegd waarna het terrein wordt ingericht voor toekomstig gebruik. De provincie voert tot aan de sluiting van de afvalberging op 31 december 2012 elk kwartaal een asbestmeting uit.
Deelt u de mening dat de situatie op deze stortplaats op dit moment geen gevaar (meer) vormt voor de volksgezondheid en op grond waarvan bent u daarvan overtuigd?
Zie antwoord op vraag 5.
Heeft de vuilstort in het verleden gezondheidsrisico’s opgeleverd voor omwonenden en medewerkers? Zo ja, wie is daarvoor verantwoordelijk te houden?
Zie antwoord op vraag 5.
Klopt het dat het feitenonderzoek naar de vermeende misstanden op deze vuilstort, dat de provincie Zuid-Holland heeft ingesteld, momenteel stil ligt omdat er ook een onderzoek van het Openbaar Ministerie gaande is?
Gedeputeerde Staten hebben op 15 mei 2012 besloten het feitenonderzoek naar het storten van onverpakt asbesthoudend materiaal op de Derde Merwedehaven te hervatten en uit te breiden.
Kunt u duidelijkheid geven over de vraag wanneer de onderzoeken van het Openbaar Ministerie en de Provincie Zuid-Holland zijn afgerond?
Het is mij niet bekend wanneer deze onderzoeken zijn afgerond.
De toename van ouderen met een alcoholprobleem |
|
Nine Kooiman |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner , Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het artikel «Toename verslaafde babyboomers» en het artikel «Ouderen kind aan huis in kliniek»?1
Ik vind het zorgelijk dat het aantal probleemdrinkers onder ouderen toeneemt. Zeker als het gaat om ouderen die alcohol drinken in combinatie met het gebruik van medicijnen, omdat zij extra kans hebben op ongevallen.
Wat is volgens u de verklaring voor de toename van alcoholproblemen onder ouderen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Vooral bij de «jongere» ouderen (tussen 55 en 65 jaar, de babyboomers) is alcoholproblematiek een groeiend probleem. Deskundigen geven als verklaring dat deze generatie is opgegroeid in een tijd dat «sociaal drinken» gewoner werd gevonden, zij voldoende financiële mogelijkheden hebben en een deel van de groep nu ook meer vrije tijd heeft in verband met pensionering.
Hoeveel ouderen in Nederland kampen met alcoholproblemen, en zijn er verschillen bij ouderen met alcoholproblemen die thuis wonen en ouderen met alcoholproblemen die in een zorginstelling verblijven? Kunt u uw antwoord toelichten?
Naar schatting van het Trimbos instituut gaat het om ca. 150 000 tot 200 000 probleemdrinkers2 van 55 jaar en ouder.
In verpleeg- en verzorgingshuizen drinken ouderen gemiddeld meer alcohol dan zelfstandig wonende ouderen.3
Hoeveel hulp- en voorlichtingsprogramma’s zijn er voor ouderen met alcoholproblemen? Hoeveel behandelplekken zijn er voor ouderen met alcoholproblemen? Is dit voldoende? Wanneer u niet over deze gegevens beschikt bent u dan bereid dit uit te zoeken?
Voor volwassenen is reguliere voorlichting beschikbaar via folders, internet en bijvoorbeeld huisartsen. Zoals de websites alcoholinfo.nl, minderdrinken.nl of de folder «Hoeveel drink ik eigenlijk?». Zie ook mijn antwoord op vraag 5.
Ouderen met alcoholproblemen kunnen terecht bij de reguliere behandelprogramma’s van de verslavingszorg. Daarvoor zijn geen aparte behandelplekken nodig, met uitzondering van behandelafdelingen in de verslavingszorg waar ook verpleegzorg wordt geboden. Wel is binnen de behandeling bijzondere aandacht nodig voor bijvoorbeeld medicijngebruik (zie ook het antwoord op vraag4.
Binnen het programma Resultaten Scoren wordt momenteel een quickscan uitgevoerd naar behandelingen en protocollen op het gebied van ouderen in de verslavingszorg.5 De resultaten van de quickscan worden dit najaar verwacht.
Is volgens u de reguliere voorlichting die momenteel via folders, internet en professionals gegeven wordt, voldoende om alcoholproblemen onder ouderen aan te pakken? Zo nee, welke maatregelen gaat u treffen om dit te verbeteren?
Om de alcoholproblematiek onder ouderen terug te dringen is het van belang dat het patroon van veel drinken onder deze ouderen wordt doorbroken. Goede voorlichting en interventies kunnen mensen daartoe stimuleren. Ook professionals in de eerste- en tweedelijnszorg moeten goed met dit thema om kunnen gaan. In 2011 is een platform gecreëerd voor de ontwikkeling en implementatie van vroegsignalering en kortdurende interventies voor ouderen. Dit platform vormt onderdeel van het Partnership Vroegsignalering Alcohol dat door VWS wordt gesubsidieerd. Ik heb het platform gevraagd bij de door hen te organiseren bijeenkomsten ook de verpleeg- en verzorgingssector te betrekken. Daarnaast ben ik met het Landelijk Overleg Cliëntenraden Zeggenschap in Zorg (LOC Zeggenschap)6 in overleg om te bezien hoe we het thema ouderen en alcohol beter op de agenda van verzorgingshuizen kunnen krijgen.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de hoofdbehandelaar Ouderen van Centrum Maliebaan dat de behandeling van ouderen speciale aandacht vereist? Bent u bereid de aanpak van alcoholproblemen onder ouderen een even hoge prioriteit te geven als de aanpak van alcoholproblemen onder jongeren? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
De behandeling van ouderen is anders dan die van jongeren. Denk bijvoorbeeld aan de combinatie alcohol en medicijngebruik of alcoholgebruik onder ouderen dat sneller kan leiden tot vallen. Juist daarom zijn speciaal op ouderen gerichte voorlichting en protocollen e.d. op zijn plaats. Denkt u hierbij aan de door VWS gesubsidieerde website alcoholinfo.nl, aan bijsluiters van medicijnen, aan het hiervoor genoemde platform ouderen en alcohol of bijvoorbeeld voorlichting door VeiligheidNL7. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 5 al aangaf, ben ik met LOC Zeggenschap in overleg om te bezien hoe we het thema ouderen en alcohol beter op de agenda binnen verzorgingshuizen kunnen krijgen. Zoals in de Landelijke Nota Gezondheidsbeleid staat aangegeven is het tegengaan van alcoholgebruik onder jongeren een van de speerpunten van het gezondheidsbeleid van dit kabinet. Dat neemt niet weg dat ook de alcoholproblematiek bij ouderen onze aandacht heeft.
Gaat u aanvullende maatregelen nemen om alcoholproblemen onder ouderen aan te pakken? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 5 en 6.
Van Gansewinkel en private equity |
|
Paulus Jansen |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
Wat is uw eigen oordeel over de financiële situatie bij de Van Gansewinkel Groep?1
Private equity-partijen hebben in 2006 AVR en in 2007 Van Gansewinkel gekocht. Daarbij kwam er een schuld van € 1,8 miljard op de balans van de onderneming te staan die inmiddels is teruggebracht naar € 1,5 miljard.
Van Gansewinkel Groep is naar eigen zeggen in staat de rentelasten te financieren uit de kasstroom. Verder geeft de onderneming aan een positief eigen vermogen, een sterke operationele kasstroom en financieel krachtige aandeelhouders te hebben. Daarnaast geeft zij aan dat met de geldverstrekkers nieuwe afspraken zijn gemaakt die meer ruimte creëren binnen de bankconvenanten. De financiële situatie is daarom stabiel, aldus het bedrijf.
Voor meer financiële informatie over de onderneming verwijs ik u naar het jaarverslag en de jaarrekening van het bedrijf, die beschikbaar zijn op www.vangansewinkelgroep.com.
Deelt u de mening dat u in de beantwoording van eerdere vragen2 bent misleid door gegevens die het bedrijf u heeft aangeleverd, namelijk dat het bedrijf sinds 2009 geen negatief eigen vermogen meer heeft en dat de onderneming ondanks de crisisjaren naar eigen zeggen stabiele operationele resultaten realiseert?
Desgevraagd heeft Van Gansewinkel Groep aangegeven dat het bedrijf alleen in 2007 een negatief eigen vermogen had, maar dat dit sinds 2008 niet meer het geval is. De afgelopen 3 jaar was de omzet tussen de € 1,1 miljard en € 1,2 miljard en het EBITDAE-resultaat tussen de € 249 miljoen en € 259 miljoen. Alle resultaten van de onderneming zijn terug te vinden in het jaarverslag van de onderneming, dat beschikbaar is op de site www.vangansewinkelgroep.com. Ook de volledige, door KPMG goedgekeurde jaarrekening, is beschikbaar op deze site.
Gelet op deze informatie kan ik niet de conclusie trekken dat ik eerder door het bedrijf ben misleid.
Wat is nu na zes jaar uw conclusie over de overname van Van Gansewinkel Groep door private equity fondsen? Heeft dit geleid tot verbetering van de verwerking van afval in Nederland? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het beheer van afvalstoffen moet plaatsvinden conform de daarop van toepassing zijnde wet- en regelgeving en het Landelijk afvalbeheerplan (LAP). Elk bedrijf, of het nou in handen is van private equity fondsen of niet, dient zich aan die regelgeving en het LAP te houden. Ik heb geen signalen dat Van Gansewinkel Groep zich daar niet aan zou houden.
Verder heeft Van Gansewinkel Groep zich de afgelopen jaren bewezen als een bedrijf dat initiatieven neemt en investeert in het afvalbeheer. Voorbeelden liggen onder meer op de terreinen van Cradle to Cradle en het «Afval bestaat niet» concept. Ook is onder de huidige aandeelhouders sinds 2007 geïnvesteerd in tientallen acquisities, een warmtenet en een biomassa-energiecentrale. Verder heeft het bedrijf verschillende andersoortige duurzame initiatieven, zoals scholingsprojecten onder werknemers en investeringen in elektrische voertuigen.
Hoeveel werknemers worden met ontslag bedreigd nu men niet in staat blijkt de torenhoge schuldenlast waarmee de private equity fondsen Van Gansewinkel Groep hebben opgezadeld in te lossen?
Bedrijven passen zich aan (veranderende) marktomstandigheden aan. Dat heeft alles te maken met een normale bedrijfsvoering en staat in principe los van private equity fondsen. Ontslagen zijn bij aanpassingen aan marktomstandigheden nooit uit te sluiten. Dat geldt dus ook voor een bedrijf als Van Gansewinkel Groep. Echter, van een dreigende, grootschalige ontslagronde is thans volgens het bedrijf geen sprake.
Welke garantie is er dat Van Gansewinkel Groep het afval in de toekomst op een zo hoogwaardig mogelijke manier inzamelt en verwerkt, in lijn met de zogenaamde ladder van Lansink? Hoe gaat u voorkomen dat Van Gansewinkel Groep, aangestuurd door private equity fondsen, afval zo goedkoop mogelijk en laagwaardiger gaat inzamelen en verwerken?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is opgenomen, moet het beheer van afvalstoffen plaatsvinden conform met name wat in het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) is opgenomen. Wie eigenaar of aandeelhouder van een bedrijf is, doet daarbij niet ter zake. Diverse inspecties houden toezicht op afvalbeheer.
Overigens is het, gezien het hoge niveau van de grondstof- en energieprijzen, voor bedrijven in deze sector aantrekkelijk om zoveel mogelijk afval een tweede leven te geven als grondstof (recycling) of, als recycling niet meer mogelijk is, zoveel mogelijk energie op te wekken door verbranding met energieterugwinning, zoals ook met installaties van Van Gansewinkel Groep mogelijk is.
Welke middelen heeft u ter beschikking om te voorkomen dat puur op geld gerichte speculanten en private equity fondsen een alles bepalende rol in een onderneming met een algemeen nut als afvalinzameling kunnen verkrijgen?
Zoals ik heb geantwoord bij vraag 3, ga ik er van uit bij dat Van Gansewinkel Groep het beheer van afvalstoffen plaatsvindt conform de daarop van toepassing zijnde wet- en regelgeving en het Landelijk afvalbeheerplan (LAP). Indien een bedrijf en haar aandeelhouders zich niet aan de regels houdt, kan ik gebruik maken van een voorhanden zijnde sanctie-instrumentarium.
Bent u bereid te bemiddelen bij de private equity fondsen, die nu bovenop Van Gansewinkel Groep zitten, om verdere afbraak van het bedrijf en het ontslag van de medewerkers te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Uit de informatie die ik van het bedrijf heb ontvangen, zie ik geen noodzaak om te gaan bemiddelen. Zoals gezegd, is op dit moment van een dreigende, grootschalige ontslagronde volgens het bedrijf geen sprake.
Uiteraard zijn de minister van EL&I en ik altijd bereid om met het bedrijf te praten over de huidige ontwikkelingen.
Mogelijke gesprekken tussen Hamas en enkele EU-lidstaten waaronder Nederland |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat Nederland en/of de EU heeft/hebben gesproken met de terroristische organisatie Hamas?1
De EU heeft Hamas al in 2003 toegevoegd aan de lijst met terroristische organisaties. Na de verkiezingsoverwinning van Hamas in 2006 heeft de internationale gemeenschap contacten met Hamas afhankelijk gemaakt van de aanvaarding door deze organisatie van de Kwartetbeginselen (erkenning van Israël, het afzweren van geweld en de erkenning van de akkoorden die de Palestijnse regering heeft gesloten). Tot op heden heeft Hamas deze beginselen niet expliciet aanvaard. Het kabinet blijft contact met Hamas afhankelijk stellen van aanvaarding van de Kwartetbeginselen. Ik heb geen redenen om aan te nemen dat de EU zich niet zou houden aan deze afspraken.
Zo ja, wat was daarvan het doel en het resultaat?
Zie het antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt zich dit met aangenomen moties waarin werd uitgesproken dat geen contact moet worden onderhouden met Hamas?
De regering geeft onverkort uitvoering aan Kamermoties die contacten met Hamas afhankelijk stellen van aanvaarding door Hamas van de Kwartetbeginselen.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór 15 mei 2012?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het hoge aantal recent aangespoelde dode zeehonden in de Grevelingen en dode en ernstig verminkte bruinvissen bij de stranden van Ouddorp |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het hoge aantal recent aangespoelde dode zeehonden in de Grevelingen en dode en ernstig verminkte bruinvissen bij de stranden van Ouddorp?1
Ja.
Deelt u de mening dat de huidige bescherming van zeehonden en bruinvissen onvoldoende is, gezien de grote aantallen die recentelijk zijn aangespoeld?
Ik deel die mening niet. De Flora- en faunawet en de implementatie van de Habitatrichtlijn bieden voldoende bescherming voor deze zeezoogdiersoorten.
Dat neemt niet weg dat er in de laatste tijd veel zeezoogdieren dood worden aangetroffen op de Nederlandse stranden. Hiervoor kunnen verschillende oorzaken zijn. Zeker is, dat het aantal zeehonden en bruinvissen de laatste jaren sterk is gestegen in de Nederlandse wateren. De toegenomen waarnemingen van dode dieren kunnen voor een deel daaraan worden toegeschreven.
Ik heb vorig jaar het Bruinvisbeschermingsplan in ontvangst genomen. Hierin staan belangrijke aanbevelingen, die ik heb overgenomen.
Deelt u de mening dat de doodsoorzaak van de zeehonden en de bruinvissen te maken kan hebben met de vele visnetten, die in Grevelingen en de Voordelta staan? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Het valt niet uit te sluiten dat er in de Grevelingen en de Voordelta zeehonden of bruinvissen de verdrinkingsdood sterven in visnetten.
Het is onbekend hoeveel bruinvissen worden bijgevangen. Om inzicht te krijgen in de omvang van de bijvangst, ben ik voornemens om bijvangstonderzoek te laten uitvoeren, mede ter uitvoering van de aanbeveling hierover in het Bruinvisbeschermingsplan. Ik wil eerst de resultaten van dit onderzoek afwachten, voordat ik conclusies trek.
Kunt u uiteenzetten waardoor de snijwonden en verminkingen bij de dieren zijn veroorzaakt? Zo ja, waaruit blijkt dat volgens u? Zo nee, bent u bereid om de verminkingen te laten onderzoeken?
Dode, en ook de verminkte, bruinvissen worden onderzocht door de afdeling Pathologie van de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. Dit onderzoek zal in 2013 worden afgerond (zie mijn antwoord op vraag 7).
Zijn er aanwijzingen voor strafbare feiten rond de dood van de aangespoelde zeezoogdieren? Zo ja, welke strafbare feiten? Zo nee, is daar wel onderzoek naar gedaan?
Er zijn dode dieren aangetroffen, maar wat in die specifieke gevallen de doodsoorzaak was, is nog niet bekend. Omdat de oorzaak van de verwondingen niet bekend is, zijn er geen aanwijzingen voor strafbare feiten.
Welke mogelijkheden ziet u om te achterhalen wie deze bruinvissen heeft verminkt en om maatregelen te treffen tegen het stuksnijden van bruinvissen die als bijvangst worden gevangen?
Wat het eerste deel betreft dan de vraag verwijs ik u naar mijn antwoorden op vraag 4 en vraag 7.
Het tweede deel van uw vraag betreft het stuksnijden van bijgevangen bruinvissen. Wanneer een bruinvis op zee wordt bijgevangen, wordt doorgaans het net bij inhalen om het kadaver heen losgesneden en gaat de bruinvis weer in zee. Naar de omvang van de bijvangst wil ik onderzoek doen (zie mijn antwoord op vraag 3).
Is het waar dat in Utrecht onderzoek wordt gedaan naar de doodsoorzaak van de bruinvissen? Zo ja, kunt u ons het onderzoeksresultaat doen toekomen wanneer dit gereed is?
Volgend voorjaar (2013) wordt een 5-jarig pathologisch onderzoek door de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht afgerond, dat een zeer groot deel van de op de Nederlandse kust aangespoelde dode bruinvissen omvat. Ik zal u dit rapport bij verschijnen doen toekomen.
Is het waar dat het kenniscentrum van de Zeehondencrèche in Pieterburen onderzoek doet naar de doodsoorzaak van de aangespoelde zeehonden? Zo ja, kunt u ons de uitslag van het onderzoek van het genoemde kenniscentrum doen toekomen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de Zeehondencrèche in Pieterburen.
Deelt u de mening dat onderzoek naar de doodsoorzaak van beschermde dieren een overheidstaak is? Zo ja, bent u bereid om zelf een specifiek onderzoek in te stellen naar de oorzaak van de aangespoelde zeezoogdieren? Zo ja, wanneer kunnen we deze verwachten? Zo nee, bent u bereid om de kosten van het onderzoek naar de doodsoorzaak van de dieren door het kenniscentrum van de Zeehondencrèche te vergoeden?
Mijn prioriteit ligt nu bij het onderzoek aan de dode bruinvissen omdat deze populatie in een (matig) ongunstige staat van instandhouding verkeert. Hiervoor is ruim een half miljoen euro uitgetrokken. Mogelijk dat uit het lopende onderzoek aanwijzingen komen die ook gebruikt kunnen worden voor de verklaring van de doodsoorzaken bij zeehonden. Ik wacht dat af. Ik waardeer overigens dat de Zeehondencrèche Pieterburen op eigen initiatief onderzoek doet.
Kunt u een voortgangsoverzicht geven van de implementatie van de genoemde maatregelen in het bruinvisbeschermingsplan?
In 2012 is gestart met de implementatie van de prioritaire aanbevelingen uit het Bruinvisbeschermingsplan zoals ik die in mijn brief van 5 december 2011 heb aangegven (Kamerstukken 2011–2012, nr. 29675/138).
Het onderzoek naar (de ontwikkeling van) de populatie en verspreiding, voedingspatroon en pathologie loopt.
In maart 2012 is het Bruinvisbeschermingsplan gepresenteerd in de ASCOBANS Steering Group for the Conservation Plan for the Harbour Porpoise in the North Sea en verspreid onder de leden van deze stuurgroep om meer bekendheid te geven aan het Nederlandse plan.
Eind 2012 kunt zal ik de Tweede Kamer per brief informeren over de voortgang van de implementatie van het Bruinvisbeschermingsplan.
Het bericht "Impacts of wind farms on land surface temperature" |
|
Jhim van Bemmel (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Impacts of wind farms on land surface temperature»?1
Ja.
Bent u bereid, gezien het negatieve effect op het klimaat van windmolens, het beleid hieromtrent aan te passen en dus ook de subsidieregeling duurzame energie (SDE+) stop te zetten? Zo nee, waarom niet?
Nee.
Omdat windmolens geen negatieve invloed van betekenis hebben op het klimaat die aanpassen of stopzetten van het gevoerde beleid voor windenergie zou rechtvaardigen. Ook het in deze vragen centraal staande artikel vormt daartoe geen aanleiding. Dit blijkt uit de kernpunten van de achterliggende studie, waarop ik hieronder wat nader in zal gaan.
De studie, uitgevoerd voor een gebied in Texas in de US met veel windenergie, richt zich op de invloed van windmolens op de temperatuur van de aardoppervlakte. Er is daarbij gebruik gemaakt van informatie via satellieten.
Over het geheel bezien is het onderzochte warmte-effect in de studie lokaal en klein vergeleken met de grote achtergrondveranderingen in de oppervlaktetemperatuur die zich van jaar tot jaar voordoen. Bovendien voegen de windturbines volgens het artikel waarschijnlijk geen netto warmte toe aan de lucht, maar herverdelen ze slechts koude en warme lucht dichtbij het aardoppervlak.
In het algemeen is de atmosfeer ‘s nachts stabiel, met een warmere laag bovenop een koelere laag. Toegenomen turbulentie door de windmolens zorgt er volgens de studie voor dat deze lagen mengen, en de lucht dichtbij het aardoppervlak ’s nachts warmer wordt.
Dit is fundamenteel anders dan de warmte-effecten die optreden door toename van CO2-concentraties in de atmosfeer door verbranden van fossiele brandstoffen. De toename van CO2 in de atmosfeer door gebruik van fossiele brandstoffen heeft een wereldwijde en langdurige invloed, terwijl de effecten in deze studie lokaal zijn en kleinschalig.
Wordt het niet eens tijd, gezien de overvloed aan negatieve berichtgeving rondom windenergie en de hoge kosten die hiermee gemoeid zijn, deze vorm van energie niet meer als duurzaam te beschouwen?
Nee.
Windenergie op land behoort tot de goedkoopste bronnen voor duurzame energieopwekking en is absoluut noodzakelijk om de doelstellingen te halen die in Europees verband zijn afgesproken (in 2020 aandeel duurzaam 14 %, reductie CO2-emissie 20 %). In diverse andere landen (bijvoorbeeld Denemarken, Duitsland, Spanje) verzorgt wind op land intussen een substantieel deel van de stroomvoorziening.
Deelt u de mening dat windenergie op land net zo een debacle gaat worden als wind op zee? Zo nee, waarom niet?
Nee.
Voor windenergie op land bestaan ook in Nederland goede perspectieven. Windenergie op zee is geen debacle. Het kabinet heeft voor wind op zee ervoor gekozen allereerst te zorgen voor kostprijsverlaging alvorens in te zetten op grootschalige toepassing. Daartoe is wind op zee onderdeel van het Topgebied Energie en is eerder dit jaar een Innovatiecontract Wind Offshore ondertekend.
Bezuinigingen op de sociale werkplaats in 2013 |
|
Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht uit de Volkskrant «In 2013 geen bezuiniging sociale werkplaats»?1
Ja.
Kunt u toelichten op welke basis dit besluit is genomen?
Door de Tweede Kamer-fracties van VVD, CDA, D66, GL en CU zijn afspraken gemaakt in het kader van het begrotingsakkoord. Het is aan genoemde partijen om hier verder mededelingen over te doen.
Voor een specificatie van de ingeboekte bezuinigingen voor de verschillende onderdelen van de WWNV verwijs ik naar hoofdstuk 8 van de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel.
Kunt u toelichten om welke bezuiniging en welk bedrag het precies gaat? Gaat het alleen om de bezuiniging in 2013 op de sociale werkplaatsen van ongeveer € 100 miljoen, of gaat het om de totale bezuiniging in 2013 in het kader van de Wet werken naar vermogen waar ook de Wajong en bijstand onder vallen? Kunt u de ingeboekte bezuinigingen voor deze drie onderdelen van de Wet werken naar vermogen voor 2013 specificeren?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten wat er met de structurele bezuiniging van € 1,8 miljard op de sociale zekerheid, die door de Wet werken naar vermogen werd doorgevoerd, gebeurd is in de meerjarenramingen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten welke bezuinigingen in 2013 op de sociale werkplaatsen, de Wajong en de bijstand zijn teruggedraaid door het zogenaamde «Kunduz-akkoord»?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten waar u financiële dekking wilt zoeken om deze bezuiniging voor 2013 terug te draaien? Bent u van mening dat het onwenselijk is dat, door het elders zoeken van dekking op de begroting van sociale zaken, andere doelgroepen de dupe kunnen worden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u inhoudelijk reageren op de uitspraak van de minister-president tijdens het debat over het bezuinigingspakket 2013 op 26 april 2012, waarin hij aangaf dat u een ronde gaat maken langs alle partijen om te kijken naar de bezwaarpunten bij de Wet werken naar vermogen en deze zo nodig weg te nemen? Heeft u hier al met partijen over gesproken? Zo ja, met welke partijen? Heeft u hier al nadere afspraken over gemaakt? Zo ja, welke afspraken zijn dit?
Het Wetsvoorstel werken naar vermogen is aan de orde gekomen tijdens overleg van de minster en staatssecretaris van SZW met de fracties van VVD, CDA, D66, GL en CU. Het is aan deze partijen om hier verder mededelingen over te doen.
Bent u van mening dat er zo snel mogelijk duidelijkheid moet komen voor de mensen in de sociale werkvoorziening en dat dat op dit moment, kort voor verkiezingen en een formatie, alleen kan zijn dat er geen bezuinigingen worden doorgevoerd op de sociale werkplaatsen?
Ik zal, zodra de besluitvorming over de behandeling van de WWNV in de Tweede Kamer heeft plaatsgevonden, gemeenten informeren over de consequenties hiervan.
Bent u bereid de sociale werkvoorzieningsbedrijven te vragen geen onomkeerbare stappen te nemen, zoals het niet verlengen van tijdelijke contracten, tot de formatie is afgerond en er meer helderheid kan worden verschaft over de toekomst van de sociale werkvoorziening? Zo nee, waarom niet?
De Wet sociale werkvoorziening (Wsw) is een gedecentraliseerde regeling, waarbij het Rijk stuurt op hoofdlijnen. Mensen met een Wsw-dienstbetrekking zijn in dienst van een gemeente. Gemeenten ontvangen jaarlijks middelen om Wsw-plekken te realiseren. De wijze waarop dat gebeurt is, binnen de door het Rijk gestelde kaders, de verantwoordelijkheid van gemeenten.
Zoals ik in eerdere brieven2 en bij beantwoording van Kamervragen heb aangegeven is het in de Sw-sector gebruikelijk om te werken met tijdelijke contracten. Over de afgelopen jaren is de uitstroom uit de Wsw voor ongeveer 20% het gevolg van het niet verlengen van tijdelijke contracten. Dit wordt ondermeer gedaan om schommelingen in het aantal te realiseren Wsw-plekken op te vangen. Dit is een gangbare werkwijze. Het is aan de gemeenten om beleidsmatige keuzen te maken in het al dan niet verlengen van tijdelijke aanstellingen.
Wanneer stuurt u een wetswijziging van de Wet werk en bijstand naar de Kamer, waarin de huishoudtoets wordt geschrapt?
Op dit moment bezie ik de maatschappelijke en juridische consequenties van het Begrotingsakkoord, aangaande het vervallen van de huishoudinkomenstoets. Zodra hierover meer duidelijkheid is, zal ik u de gevraagde reactie geven.
Wanneer trekt u de Wet werken naar vermogen officieel in, nu er geen meerderheid meer in de Kamer voor dit wetsvoorstel is?
De Tweede Kamer besluit over de verdere behandeling van het Wetsvoorstel werken naar vermogen. Deze besluitvorming heeft nog niet plaatsgevonden.
Bent u bereid gemeenten te vragen per direct te stoppen met de voorbereidingen van de invoering van de Wet werken naar vermogen en geen geld uit te geven aan dit traject, nu hiervoor geen meerderheid in de Kamer is en er vooralsnog geen verdere besluitvorming kan plaatsvinden? Zo ja, wanneer informeert u gemeenten daarover? Zo nee, waarom niet?
Nadat de besluitvorming in de Tweede Kamer over de WWNV heeft plaatsgevonden, zal ik de gemeenten informeren over de consequenties daarvan.
Uitspraken over het tegengaan van dubbele nationaliteiten en het boerkaverbod |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Zijn de vraag «... of de wetsvoorstellen voor het tegengaan van dubbele nationaliteiten en het zogenaamde boerkaverbod «van tafel» zijn nu het kabinet gevallen is», en het antwoord van u «Dat lijkt me wel», een correcte weergave van het gesprek dat u met de Volkskrant hebt gevoerd?1
Ja, ik heb een inschatting gemaakt van het al dan niet controversieel verklaren van deze voorstellen en ik heb mij daarbij gebaseerd op diverse media-uitingen van Kamerleden van verschillende fracties.
Is het eveneens waar dat u er geen traan om zou laten als de Kamer het boerkaverbod in de prullenbak zou doen?
Ja.
Betekent dat dan ook dat u het boerkaverbod niet langer «van onvoorstelbaar groot belang» vindt, zoals u nog op 27 januari jl. tegenover vele media heeft aangegeven?
Op 27 januari jl. heb ik aangegeven dat het van onvoorstelbaar groot belang is om elkaar op open wijze tegemoet te kunnen treden. Het verbod op gelaatsbedekkende kleding draagt daaraan bij. Als kandidaat voor het lijsttrekkerschap van het CDA heb ik, in het gesprek met de Volkskrant1, aangegeven dat het CDA nu een ander verhaal te vertellen heeft en dat ik als lijsttrekker geen prioriteit zou willen geven aan een boerkaverbod, of het tegengaan van dubbele nationaliteit.
Bent u bereid om beide wetsvoorstellen zelf van tafel te halen, door ze in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals ik eerder heb aangegeven ligt het initiatief bij de Kamer om de wetsvoorstellen al dan niet controversieel te verklaren.
Kunt u deze vragen uiterlijk 14 mei a.s. beantwoorden?
Ja.
Belangen van huisartsen in de tabaksindustrie |
|
Attje Kuiken (PvdA), Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Pensioenfonds huisartsen verzilvert sigaretaandeel» en «Roken is goed voor huisartsen en leraren»?1
Ja.
Was u eerder bekend met het gestelde dat het pensioenfonds voor huisartsen in de tabaksindustrie belegt? Zo ja, heeft u op enige wijze uw eventuele zorg hierover aan de huisartsen laten blijken?
Hoeveel heeft het genoemde pensioenfonds in de tabaksindustrie belegd?
Hebben andere pensioenfondsen vanuit de medische sector in de tabaksindustrie belegd? Zo ja, welke fondsen en hoeveel?
Hebben pensioenfondsen vanuit de medische sector belegd in de drankindustrie? Zo ja, welke fondsen en hoeveel?
Deelt u de mening dat huisartsen een belangrijke rol spelen in het terugdringen van tabaksverslaving? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het feit dat er financiële banden blijken te zijn tussen het pensioenfonds voor huisartsen en de tabaksindustrie? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat genoemde financiële banden de geloofwaardigheid van huisartsen als bestrijders van tabaksgebruik schaden? Zo ja, op welke wijze kunt u hiertegen optreden? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat "ADHD onterecht als neurobiologische hersenziekte wordt gekwalificeerd" |
|
Willie Dille (PVV) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «ADHD meestal geen ziekte»?1
Ja.
Is het u ook bekend dat de farmaceutische industrie grote belangen heeft bij de diagnose ADHD?
Ik neem aan dat u hier doelt op het financiële belang dat gemoeid is met de verkoop van ADHD-medicatie. Als eerste stap bij het behandelen van ADHD is volgens de CBO-richtlijn psycho-educatie, mediatietherapie en leerkrachtbegeleiding op school aangewezen en pas in tweede instantie het voorschrijven van medicatie. In 2011 was met het gebruik van ADHD-medicatie een omzet van € 42,5 miljoen gemoeid waarvan circa 60% in beginsel voor rekening van de patiënt (de ouders) komt en circa 40% (€ 17,8 mln) uit de basisverzekering wordt vergoed. Er zijn derhalve ook financiële belangen mee gemoeid.
Bent u van mening dat de invloed van de farmaceutische industrie op de gezondheidszorg zo klein mogelijk moet blijven om belangenverstrengeling en medicalisering tegen te gaan?
Ik ben met u eens dat oneigenlijke belangenverstrengeling in de gezondheidszorg bestreden moet worden. Ik zet daar ook op in door het aanmoedigen van het gebruik van ethische codes (bv. de Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling en de Gedragscode Medische Hulpmiddelen) en door het bieden van transparantie over de banden die er zijn (bv. door het transparantieregister van de stichting Code Geneesmiddelreclame). Ik vind wel dat er, ook met industriële partners, moet worden samengewerkt in de gezondheidszorg. Het zou zonde zijn om geen gebruik te maken van de bij industriële partners beschikbare kennis. Uiteraard moet dit plaatsvinden om het volksgezondheidsbelang te dienen en niet een financieel belang of persoonlijk gewin.
Bent u van mening dat kinderen niet blindelings aan receptmiddelen, zoals bijvoorbeeld Ritalin, mogen worden blootgesteld?
Ik ben het met u eens dat kinderen (evenals volwassenen overigens) niet blindelings aan behandelingen moeten worden blootgesteld. Gelukkig zit onze gezondheidszorg in het algemeen en onze farmaceutische zorg in het bijzonder zo ook niet in elkaar. Geneesmiddelen worden door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) beoordeeld op werkzaamheid en schadelijkheid voordat ze op de Nederlandse markt worden toegelaten. Bij die beoordeling geeft het CBG aan voor welke indicatie deze geneesmiddelen gebruikt kunnen worden. Voor methylfenidaat (één van de middelen die bij ADHD worden gebruikt) geeft het CBG aan dat deze gebruikt kunnen worden als onderdeel van een uitgebreid behandelprogramma voor ADHD bij kinderen van 6 jaar en ouder in die gevallen waarbij uitsluitend orthopedagogie onvoldoende blijkt te zijn. Voor atomoxetine (een ander ADHD middel) geeft het CBG aan dat dit middel is geïndiceerd bij kinderen van 6 jaar en ouder als onderdeel van een breed behandelprogramma. De behandeling moet worden gestart door een medisch specialist en het besluit om dit geneesmiddel te gebruiken dient te zijn gebaseerd op een zeer grondige beoordeling van de ernst van de symptomen van het kind in relatie tot diens leeftijd en de persistentie van de symptomen.
Deze systematiek waarborgt dat van «blindelings blootstellen» geen sprake kan zijn. Maar, kijkend naar de toename in het gebruik van deze middelen, is inmiddels een discussie op gang gekomen over het voorschrijven van medicatie aan kinderen (demedicalisering van de jeugd) en of dat niet te snel of te vaak gebeurt.
Bent u bereid naar aanleiding van dit onderzoek het uitschrijven van ADHD-medicijnen onder strikte voorwaarden te stellen om onnodig voorschrijven of het voorschrijven van een onevenredige dosis te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb op 16 februari 2012 aan de betrokken beroepsgroepen van huisartsen, kinderartsen en psychiaters, gevraagd om hun visie op een aantal knelpunten bij het voorschrijven en gebruik van ADHD-medicatie. Ik heb u een afschrift van deze brieven toegestuurd2. Ik heb de reacties zojuist ontvangen en ik zal samen met de Staatssecretaris (in het kader van het traject demedicaliseren jeugd) in gesprek gaan met de betrokken beroepsgroepen. Vervolgens zullen wij de Kamer informeren over de uitkomst van deze bespreking en onze visie om mogelijk onnodig voorschrijven tegen te gaan.
Ontwikkelingsbank FMO |
|
Roland van Vliet (PVV), Johan Driessen (PVV) |
|
Knapen (CDA) , Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat 51 procent van de aandelen van FMO in handen is van de Nederlandse staat?1
Ja, zie pagina 26 van het onlangs met de Kamer besproken Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen.
Klopt het dat meer dan 90 procent van het eigen vermogen van FMO bijeengebracht is door de Nederlandse belastingbetaler?2
Ja, zie inderdaad de in de voetnoot genoemde pagina 27 van het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen.
Klopt het dat de directeur van FMO, Nanno Kleiterp, vorig jaar in totaal maar liefst 429 000 euro verdiende? Klopt het dat de twee andere leden van de raad van bestuur, Nico Pijl en Jurgen Rigterink, vorig jaar 355 000 resp. 321 000 euro verdienden?3
De aangehaalde bedragen zijn inclusief pensioenstortingen en de waarde van overige beloningsbestanddelen. Het feitelijk ontvangen vaste en variabele salaris over 2011 bedroeg respectievelijk 316 000 euro, 241 000 euro en 241 000 euro. Zoals vermeld in het Jaarverslag beheer staatsdeelnemingen 2010 is in 2009 met FMO overeenstemming bereikt over een nieuw en gematigder beloningsbeleid dat resulteerde in een salaris voor een nieuwe CEO van maximaal 300 000 euro (vaste en variabele bezoldiging).
Op verzoek van FMO is recentelijk met de aandeelhouders overeenstemming bereikt over afschaffing van de variabele bezoldiging, en een gedeeltelijke conversie daarvan naar vaste beloning, en dientengevolge een verdere matiging van het bezoldigingsbeleid. Dit jongste beloningsbeleid (vastgesteld bij de AVA 2012) resulteert in een totaal vast jaarsalaris voor een nieuwe CEO van maximaal 270 000 euro, zijnde 10% lager dan het beloningsplafond van 300 000 euro op basis van het in 2009 vastgestelde beleid.
De beloningen van de nu zittende bestuurders zijn van vóór het nieuwe beloningsbeleid uit 2009. Tegelijkertijd met de meest recente aanpassing (2012) van het bezoldigingsbeleid hebben de huidige bestuurders er vrijwillig mee ingestemd dat het afschaffen van de variabele beloning ook voor hen een neerwaartse aanpassing van de bezoldiging betekent. Voor de huidige CEO is met ingang van dit jaar een totale vaste bezoldiging overeengekomen van 296 000 euro, zijnde ruim 6% lager dan zijn totale (vaste en variabele) beloning over 2011.
Deelt u de mening dat dergelijke salarissen totaal niet passen bij een instelling actief op het terrein van ontwikkelingshulp?
De bedrijven waarin de staat deelneemt opereren doorgaans in een private, commerciële omgeving met een wisselende mate van concurrentie. Het zijn organisaties met bedrijfsmatige processen en een met het bedrijfsleven overeenkomstige structuur. De achterliggende overweging van het staatsaandeelhouderschap is altijd het publiek belang van de ondernemingen. In het geval van FMO is, zoals ook valt te lezen in het Jaarverslag Staatsdeelnemingen, het publiek belang armoedebestrijding: «FMO is opgericht om duurzame economische groei in ontwikkelingslanden te bevorderen. Door de private sector in deze landen te versterken, wil de staat een bijdrage leveren aan het terugdringen van armoede». Bevordering van het publiek belang door versterking van de private sector in ontwikkelingslanden is overigens iets waar ook het Nederlands internationaal actief bedrijfsleven voordeel bij kan hebben.
Het publiek belang vindt zijn weerslag in de wijze waarop de staat als aandeelhouder acteert ten aanzien van het beloningsbeleid, dat voldoende gematigd moet zijn. Staatsdeelnemingen als behartigers van het publiek belang en als organisaties met bedrijfsmatige processen en een met het bedrijfsleven overeenkomstige structuur bevinden zich aldus op het snijvlak van de (semi)publieke en private sector. Dat geldt ook voor FMO, een ontwikkelingsbank met publieke en private aandeelhouders. Naast de staat zijn de private aandeelhouders verschillende Nederlandse banken (zo’n 35%) en verder meer dan honderd kleinere partijen (zo’n 14%). FMO is geen charitatieve instelling; als bank (onder toezicht van DNB) is ze gehouden een positief resultaat te behalen en wordt ze geacht financieel op eigen benen te staan. Sinds 2006 hebben aandeelhouders dan ook geen nieuw kapitaal meer ingebracht, zijn de door FMO behaalde financiële resultaten consistent positief en heeft het een solide balans. Voor het financieren van investeringen is FMO afhankelijk van de internationale kapitaalmarkt en voor het aantrekken van deze financiering opereert FMO in concurrentie met marktpartijen. Daarnaast opereert FMO uitsluitend ten behoeve van en in samenwerking met (Nederlandse en internationale) private partijen. Hiermee onderscheidt ze zich van andere, meer traditionele ontwikkelingsorganisaties.
Deelt u de mening dat nu de meerderheid van de aandelen van FMO in handen is van de staat en meer dan 90 procent van het eigen vermogen van FMO is opgebracht door de Nederlandse belastingbetaler, ook voor de bestuurders van FMO de Balkenendenorm zou moeten gelden? Zo ja, bent u bereid die op te leggen? Zo nee, bent u dan bereid de aandelen FMO van de hand te doen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De afgelopen jaren is met de Kamer meermalen gesproken over de methodiek die het kabinet hanteert om als aandeelhouder een beloningsbeleid voor een staatsdeelneming vast te stellen dat recht doet aan het snijvlak waarop zij actief zijn. Binnen die methodiek valt FMO in de categorie publiek/markt. De ondernemingen in deze categorie bewegen zich in een publieke context, maar ondervinden – meer dan de ondernemingen in de categorie publiek – de invloed van de markt. Deze deelnemingen concurreren voor een gedeelte van hun activiteiten met de markt, werken nauw samen met private partijen of zijn voor hun topfuncties, meer dan de publieke categorie, afhankelijk van bestuurders met ervaring in een commerciële omgeving. Dat leidt ertoe dat het beloningsbeleid van FMO zowel is vergeleken met de genormeerde beloningen in de (semi)publieke sector als met beloningen van vergelijkbare ondernemingen in de marktsector. Zoals in het Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen over 2009 en het onlangs met uw Kamer besproken verslag over 2010 vermeld, heeft dat ertoe geleid dat in 2009 voor FMO een nieuw, gematigder beloningsbeleid is vastgesteld. Dit jaar is met de aandeelhouders overeenstemming bereikt over een verdere matiging van het beloningsbeleid.
Over het bericht "Achterstand bij verwerking van wijziging rekeningnummers" |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Achterstand bij verwerking van wijziging rekeningnummers» op de site van de Belastingdienst/Toeslagen, voordat het op de site geplaatst werd of erna?1
Dit bericht is met mijn instemming op de site geplaatst.
Hoeveel mensen hebben een wijziging in het rekeningnummer doorgegeven, dat niet verwerkt is in het systeem per 1 mei 2012?
24 091 toeslagaanvragers hebben een rekeningnummer wijziging doorgegeven die op 1 mei nog niet is verwerkt.
Lukt het u alle betrokkenen binnen een week te informeren en hen te benaderen voor het juiste rekeningnummer?
Alle betrokkenen hebben de wijziging al doorgegeven, maar deze is niet verwerkt. Zaterdag 5 mei hebben alle betrokkenen van de Belastingdienst een brief ontvangen over de vertraging. De verwerking van de wijzigingen is nu in volle gang. In het kader van de fraudebestrijding ontvangen betrokkenen deze week een brief met het verzoek de rekeningnummerwijziging schriftelijk te bevestigen. Na ontvangst van deze bevestiging wordt het rekeningnummer onmiddellijk gewijzigd.
Waardoor wordt dit probleem veroorzaakt en wanneer is het voor het eerst opgemerkt door de Belastingdienst/Toeslagen?
Het verwerken van deze bestanden is gedeeltelijk een handmatig proces. Hierbij is een fout gemaakt. Op 18 april jl. is geconstateerd dat enkele bestanden met wijzigingsverzoeken van rekeningnummers niet waren verwerkt.
Hoe kunnen mensen, die liever hebben dat de betaling van toeslagen wordt stopgezet, zich onmiddellijk melden bij de Belastingdienst/Toeslagen?
Toeslagaanvragers die de betaling van toeslagen willen stopzetten kunnen contact opnemen met de BelastingTelefoon.
Indien de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag automatisch heeft doorbetaald op de rekening van een failliete kinderopvanginstelling en de ouder heeft tijdig het nummer van de nieuwe instelling opgegeven, waarop de kinderopvangtoeslag moet worden betaald, is de Belastingdienst dan aansprakelijk voor de schade? Zo nee, wat had de ouder voor een actie moeten ondernemen? (casus ondershands beschikbaar)
Ouders die door de vertraagde verwerking van het wijzigingsverzoek schade hebben geleden, kunnen via de BelastingTelefoon contact opnemen met de Belastingdienst. Er zal dan samen met de toeslagaanvrager naar een passende oplossing worden gezocht. Graag ontvang ik de casus zodat ik die kan laten onderzoeken.
Indien de kinderopvangtoeslag is overgemaakt op de rekening van een onwillige voormalige (huwelijks)partner, zal de Belastingdienst dan zorgdragen voor de terugvordering?
Ja, een aanvrager die tijdig om wijziging van het rekeningnummer heeft gevraagd kan hierom vragen door contact op te nemen met de BelastingTelefoon.
Hoeveel bezwaarschriften van meer dan zes weken oud zijn nog niet afgehandeld voor huurtoeslagen, zorgtoeslagen en kinderopvangtoeslagen?
98% van de bewaarschriften bij toeslagen wordt binnen de termijn behandeld. De Algemene Wet Bestuursrecht artikel 7:10 bepaalt dat het bestuursorgaan beslist binnen zes weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
Op 7 mei 2012 waren er respectievelijk 2 942 bezwaarschriften huurtoeslag, 3 145 bezwaarschriften zorgtoeslag en 3 568 bezwaarschriften kinderopvangtoeslag meer dan zes weken oud en nog niet afgehandeld. Gelet op het bovenstaande betekent dit echter niet niet dat de behandeltermijn voor deze bezwaarschriften op dat moment al is verstreken.
Wilt u de Kamer binnen een week uitvoerig en compleet informeren over de gerezen problemen?
De uitvoerige en complete beantwoording van uw vragen vergde meer dan een week.
Het bericht dat tien presentatoren bij de Publieke Omroep een salaris boven de Balkenende-norm ontvangen |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Matthijs van Nieuwkerk verdient teveel»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht dat tien presentatoren nog steeds salarissen boven de Balkenende-norm ontvangen, soms zelfs van 491 000 euro? Waarom is dit aantal niet teruggebracht, aangezien media 2009 de motie Voordewind en Atsma2 is aangenomen?
Bij de totstandkoming van het Beloningskader Presentatoren Publieke Omroep (BPPO) is, in overleg met de Tweede Kamer, afgesproken dat er vanaf september 2009 op grond van het BPPO voor maximaal acht presentatoren (vijf voor televisie en drie voor radio) een uitzondering zou mogen worden gemaakt om een beloning te ontvangen boven het maximum normbedrag (181 000 euro) zoals gehanteerd in het BPPO (Kamerstukken II 2009/10, 31 804, nr. 80). Tot nu toe heeft de raad van bestuur van de NPO voor vier presentatoren een verzoek daartoe ingewilligd.
De NPO heeft in september 2010 een overzicht verstrekt van de werking van het BPPO. Daarin werd de verwachting uitgesproken dat het aantal uitzonderingen zou dalen van zeventien (2009) naar elf (2011). In het recente persbericht en de evaluatie van de NPO wordt aangegeven dat het aantal uitzonderingen in 2011 is teruggebracht naar tien. Dat er over 2011 meer dan acht presentatoren boven het maximum normbedrag werden beloond, is te verklaren uit het feit dat er nog lopende overeenkomsten zijn van voor 1 september 2009. Deze zullen worden afgebouwd. Voor 2013 wordt de verwachting uitgesproken dat het aantal uitzonderingen is teruggebracht naar acht (incl. de eerder afgesloten overeenkomsten).
Hoe verklaart u dat nog steeds tien presentatoren boven de Balkenende-norm verdienen, terwijl in antwoord op eerdere Kamervragen werd gemeld «dat er voor de jaren 2011 en 2012 nog vijf lopende overeenkomsten zijn die boven het beloningsplafond uitkomen»?3
Zie het antwoord op vraag 2. De passage waarnaar wordt verwezen betreft het aantal presentatoren dat overeenkomsten had afgesloten vóór 1 september 2009. Dit verklaart waarom het aantal uitzonderingen over deze jaren boven de acht uit komt. Voor een nadere uiteenzetting verwijs ik naar de heden aan de Kamer toegestuurde evaluatie van de NPO.
Bent u bereid een appèl te doen op de omroepen om het gedeelte van het salaris dat uitkomt boven het maximum te laten betalen uit de verenigingsgelden, in lijn met de motie Voordewind en Atsma?
Het BPPO bepaalt dit reeds. Volgens opgave van de NPO wordt in alle gevallen bij omroepverenigingen het meerdere uit verenigingsmiddelen betaald. Aan de motie is dus uitvoering gegeven.
Bent u bereid om al het meerdere, betaald boven de beloningsnorm in te trekken van de omroepbijdrage, als omroepen geen gehoor geven aan bovenstaande oproep?
Dat is niet nodig, zie het antwoord op vraag 4.
De inzet van Ierse en Portugese werkers bij de aanleg van de A2-tunnel |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat zijn de redenen dat bij de aanleg van de A2-tunnel Ierse en Portugese werknemers worden ingezet?1
Het ontwerp en de uitvoering voor het totale project A2 Maastricht is Europees aanbesteed. De opdrachtnemer heeft werkzaamheden, zoals beton- en vlechtwerk, (onder)aanbesteed aan een gespecialiseerd bureau in Ierland. Het bureau beschikt over eigen, gekwalificeerde werknemers, voornamelijk Ieren en Portugezen.
Binnen de Europese Unie geldt vrij verkeer van diensten. Europese bedrijven kunnen met eigen personeel in Nederland werkzaamheden verrichten.
Heeft de opdrachtgever aan het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV) gevraagd of er Nederlandse werkers beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja. Door de gemeente Maastricht is contact gelegd met het UWV. Hieruit bleek dat er onvoldoende gekwalificeerd Nederlands personeel in de regio beschikbaar was, omdat het zeer specialistisch werk betreft. Momenteel wordt door UWV bezien of een aantal mensen bij andere werkzaamheden voor de A2 kunnen worden ingezet. Dit traject loopt nog.
Ook werkt de A2 Maastricht samen met de A2-school, waarvan het UWV partner is. Mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt krijgen via de A2-school de mogelijkheid op een leer-werkplek aan de slag te gaan bij het Consortium Avenue2 of een van de onderaannemers die meewerkt aan de totstandkoming van de A2. Streven van de A2-school is om gedurende de ondertunneling en de vastgoedontwikkeling jaarlijks gemiddeld 75 leer-werkplekken te realiseren.In 2011 zijn zo’n 60 plekken gerealiseerd.
Worden de werknemers in dienst genomen van een Nederlands bedrijf? Zo nee, wie is dan de werkgever?
Nee, de betreffende werknemers zijn in dienst bij het bureau in Ierland.
Wordt in overeenstemming met de Nederlandse regels loon betaald en belasting en premies ingehouden? Worden pensioenpremies afgedragen?
Buitenlandse bedrijven kunnen ervoor kiezen belastingen en premies in eigen land af te dragen. Hiervoor dienen ze een zogenaamde A1-verklaring aan te vragen in het land van herkomst. De werkgever heeft aangegeven dat de medewerkers volgens de Nederlandse CAO bouwnijverheid werken, in het bezit zijn van een A1-verklaring en pensioenpremies in het buitenland betalen.
De Inspectie SZW en de Belastingdienst houden vanaf begin 2012 al toezicht op de naleving van de wetgeving bij de uitvoering van de ondertunneling van de A2 en zullen dit blijven doen totdat het project is afgerond.
Wilt u de Arbeidsinspectie een onderzoek laten instellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het zwarte gat na een melding van kindermishandeling |
|
Nine Kooiman |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
Wat is uw reactie op de enquête en het bericht «Het zwarte gat na een melding»?1 en het bericht «Alerter op Kindermishandeling»2 die beide wijzen op het feit dat er nog veel te verbeteren valt in de aanpak van kindermishandeling?
Kinderen zijn kwetsbaar en vereisen onze specifieke aandacht. Met de uitvoering van het actieplan Kinderen Veilig (2012–2016) wil ik met mijn collega-bewindslieden van Veiligheid en Justitie kindermishandeling krachtig bestrijden. Samen met ouders, omstanders, professionals, mede-overheden en uitvoeringsorganisaties. Na de zomer zal de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik worden geïnstalleerd om toe te zien op de uitvoering van de acties in het actieplan en deze aan te jagen. Met deze Taskforce zal de aanpak van kindermishandeling verder worden verstevigd.
Deelt u de mening dat het gebrek aan terugkoppeling contraproductief is voor de meldingsbereidheid van professionals die kindermishandeling signaleren? Wat gaat u doen om dit te verbeteren? Hoe gaat u daarnaast ervoor zorgen dat de terugkoppeling aan melders door het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) verbetert?
Binnen organisaties moeten professionals heldere afspraken maken over hoe om te gaan met signalen van kindermishandeling, het bespreekbaar maken ervan en het organiseren van hulp danwel het doen van een melding. Het wetsvoorstel verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, dat bij uw Kamer in behandeling is, biedt hiervoor kaders, zoals het stappenplan. Het is aan organisaties om deze stappen concreet in te vullen, zodat het aansluit bij de werkwijze van de organisatie. Het maken van afspraken over het doen of overdragen van meldingen, kunnen hier ook in worden opgenomen.
Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) is er voor professionals (en anderen) die een advies of consult inzake (een vermoeden van) kindermishandeling vragen en voor professionals die een melding van (een vermoeden van) kindermishandeling willen doen.
Overigens blijkt uit de TKM-enquête dat slechts 16% van de professionals die de enquête hebben ingevuld daadwerkelijk een melding hebben gedaan bij het AMK.
Terugkoppeling is belangrijk voor de bereidheid van professionals om een melding te doen. In het protocol van handelen dat het AMK gebruikt voor hun werkwijze staat de afspraak dat terugkoppeling altijd plaatsvindt bij een in ontvangst genomen melding. Bij een advies of consult is feedback vaak niet nodig en in die gevallen wordt terugkoppeling ook niet afgesproken. In de praktijk komt de afspraak over terugkoppeling wel eens onder druk te staan. Jeugdzorg Nederland vindt het een zorgelijke situatie dat er niet altijd terugkoppeling plaats vindt. Jeugdzorg Nederland en ik hebben afgesproken dat Jeugdzorg Nederland de terugmelding naar de professional zoals die is opgenomen in het protocol van handelen nog eens expliciet onder de aandacht brengen van de AMK’s.
Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat ruim 43% van de hulpverleners ontevreden is over de snelheid waarmee onderzoek en hulp tot stand komt na een melding van kindermishandeling? Is het waar dat het formeel maar 27 weken mag duren voordat een casus bij het AMK is onderzocht en vrijwillige hulpverlening is opgestart en dat het maar liefst 40 weken mag duren als er na het AMK-onderzoek ook een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming is opgestart? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze doorlooptijden ook worden gehaald?
Ik vind het van het grootste belang dat onderzoek en hulpverlening aan een kind na een melding snel tot stand komt. Ik begrijp dat veel hulpverleners vinden dat de snelheid van onderzoek omhoog moet, dat is een teken van hun betrokkenheid bij het kind. Daarom zijn afspraken gemaakt om de doorlooptijden te verkorten. De termijnen zijn de laatste jaren aanzienlijk verkort. Ik herken echter niet de termijnen die u noemt in uw vraag. Hieronder geef ik aan wat wel de termijnen zijn die worden toegepast waarbij ik een onderscheid maak tussen acute en minder acute situaties waarin een kind zich bevindt.
Als een melding bij het AMK wordt gedaan, geldt een wettelijke termijn van vijf dagen voor de beoordeling of de melding aanleiding geeft tot onderzoek. Vervolgens heeft het AMK een wettelijke termijn van 13 weken om te beoordelen of de melding aanleiding geeft tot stappen. Bij acuut gevaar voor het kind of bij een crisis start het AMK direct de doorgeleiding naar de Raad voor de Kinderbescherming. Bij dergelijke zaken kan binnen enkele dagen een rechterlijke beslissing worden genomen tot een kinderbeschermingsmaatregel. Bij crisis wordt indien nodig direct hulpverlening ingezet.
Als er geen sprake is van acuut gevaar of crisis maar hulp in het vrijwillig kader geen optie (meer) is vanwege onmacht of onwil bij de ouders, dan neemt het BJZ/AMK een spoorbesluit bescherming. Dat wil zeggen dat de melding binnen een week met de Raad voor de Kinderbescherming wordt besproken in het casusoverleg bescherming. De Raad onderzoekt of er gronden zijn voor een kinderbeschermingsmaatregel en heeft de doorlooptijd voor onderzoek teruggebracht van ca 10 maanden naar 2 maanden.
De provincies hebben onderling afspraken gemaakt voor de doorlooptijd tussen aanmelding voor hulpverlening en het indicatiebesluit voor het vrijwillig kader (teruggebracht tot 8 weken). Verder hebben de provincies afspraken over de doorlooptijd naar de start van de hulpverlening ( 9 weken). Mijn ambitie is dat alle kinderen tijdig de noodzakelijke zorg krijgen. Ook de provincies trachten de wachtlijst zo beperkt mogelijk te houden. Bij crisis wordt indien nodig direct hulp ingezet.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat hulpverleners weinig zicht hebben op de hulp die een kind krijgt? Zo ja, wat gaat u eraan doen om dit te verbeteren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u een cijfermatig overzicht geven van de hulpsoorten die zijn opgestart voor de ouders van de ruim twintigduizend kinderen waarbij het AMK in 2010/2011 kindermishandeling vaststelde? Zo nee, waarom niet en bent u anders bereid dit te onderzoeken? In hoeverre komt dit volgens u overeen met de zorg voor mishandelde kinderen en hun ouders zoals de Gezondheidsraad deze in haar rapport van 2011 heeft geadviseerd?
In de beleidsinformatie jeugd wordt niet bijgehouden bij welke hulpsoorten ouders terecht komen nadat er kindermishandeling is geconstateerd. Het is daarom niet mogelijk om een cijfermatig overzicht te geven. Ik wil de administratieve lasten voor professionals niet vergroten. Er zijn daarom geen plannen om hier onderzoek naar te verrichten.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat, ondanks de al door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ingezette publieksvoorlichting, 60% van de professionals geen idee heeft welke gevolgen de verplichte meldcode Kindermishandeling zal hebben voor hun werk? Hoe gaat u ervoor zorgen dat dit verbetert, gezien het feit dat de wet slechts een sluitstuk moet zijn van de praktijk?
Gezien het feit dat de wet verplichte meldcode nog niet van kracht is, verbaast het mij niet dat nog niet alle professionals een beeld hebben van de gevolgen van de voorgenomen wet verplichte meldcode voor hun dagelijkse werkzaamheden. De communicatie heeft zich tot nu toe vooral gericht op het informeren van professionals over de komst van de wet verplichte meldcode en het aanzetten van organisaties om een meldcode te ontwikkelen. Het is aan organisaties zelf om hun professionals op basis van de door hen ontwikkelde meldcode voor te bereiden op de komst van de wet. Om organisaties hierbij te ondersteunen heb ik dit voorjaar een checklist voor de implementatie beschikbaar gesteld via www.meldcode.nl. Verder zal ik vóór de inwerkingtreding van de wet meldcode wederom een communicatiecampagne starten. Deze campagne moet organisaties stimuleren om een eigen meldcode te implementeren. Belangrijk onderdeel van de implementatie is het voorbereiden van de eigen professionals op de komst van de wet.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat in het onderwijs vermoedens van kindermishandeling beter worden vastgelegd, aangezien 49% aangeeft nooit of soms een vermoeden schriftelijk vast te leggen?
Zodra de wet verplichte meldcode van kracht is, worden besturen van onderwijsinstellingen verantwoordelijk voor het hebben en gebruiken van een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Zij zullen er zorg voor moeten dragen dat onderwijsprofessionals bekend zijn met de stappen die genomen kunnen worden bij signalen van geweld buiten de schoolorganisatie. Het vastleggen van die signalen is een eerste stap in de meldcode.
De stappen van de meldcode worden grotendeels geïntegreerd in de onderwijsondersteuningsstructuur in en om de school. Door het Nederlands Jeugdinstituut zijn handreikingen voor leerkrachten en intern begeleiders ontwikkeld die ondersteuning bieden bij het optimaliseren van deze structuur. Ook zijn ter voorbereiding van de implementatie van de meldcode trainingsmodulen ontwikkeld en trainers opgeleid. Via de websites www.meldcode.nl en www.zat.nl wordt informatie voor het onderwijsveld beschikbaar gesteld.
Klopt het dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) al is begonnen met het uitvoeren van toezicht op de implementatie van de wet Meldcode Kindermishandeling? Wanneer start de Onderwijsinspectie met de uitvoering van toezicht op de implementatie van de wet Meldcode Kindermishandeling? Op welke manier wordt het toezicht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Onderwijsinspectie op de invoering van de wet Meldcode Kindermishandeling vormgegeven?
Voor instellingen en beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg valt het werken met meldcodes al onder het leveren van verantwoorde zorg conform de kwaliteitswet en de wet BIG.
De IGZ zal dit onderzoek voor het grootste deel in 2012 uitvoeren en rapporteert daarover naar mij door middel van sectorspecifieke brieven. Op het einde van het project zal de IGZ mij een totaalrapport aanleveren over de implementatie van de meldcode in de gezondheidszorg.
De Inspectie van het Onderwijs is nog niet gestart met het toezicht op de implementatie van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in scholen en instellingen, omdat de wet nog niet van kracht is. De Inspectie van het Onderwijs is bezig haar handhavingstrategie te formuleren en vast te leggen. Uiteraard informeert de Inspectie van het Onderwijs tijdig de betrokken doelgroepen over de wijze waarop zij de naleving van de meldcode zal gaan handhaven.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat professionals voldoende geschoold worden in vaardigheden waarvan zij zelf aangeven er behoefte aan te hebben: praten met kinderen (63%), praten met ouders (65%) en het inschatten van veiligheidsrisico’s voor een kind (64%)? Bent u bereid uw eerdere schatting dat twee uur scholing voldoende moet zijn ten behoeve van de wet Meldcode Kindermishandeling te herzien, gezien het bereik van nascholing tot nu toe? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hulpverlenende organisaties zijn zelf verantwoordelijk voor de scholing van hun professionals. Om organisaties te ondersteunen heb ik een trainingsmodule «Werken met een meldcode» en e-learning modulen laten ontwikkelen. Deze en andere modulen zijn via www.meldcode.nl te vinden in de databank bij- en nascholing meldcode. De toezichthouders van de betreffende sectoren zullen er op toezien dat organisaties hun medewerkers daadwerkelijk scholen.
Verwacht mag worden dat alle organisaties in de sectoren van de meldcode hun professionals trainen in het signaleren van en handelen bij kindermishandeling. De schatting van twee uur scholing gaat dan ook uitsluitend over de extra tijd die nodig is om zich het werken met de meldcode eigen te maken. Zodoende is het realistisch om uit te gaan van een investering van twee uur om zich het werken met de meldcode eigen te maken.
Voor aankomende professionals is het belangrijk dat de opleidingen zelf voldoende aandacht besteden aan het signaleren van en handelen bij huiselijk geweld en kindermishandeling. Zie hiervoor het antwoord op vraag 13.
Deelt u de mening dat met het steunen van twee pilots (de multidisciplinaire centra in Haarlem en Leeuwarden) en onderzoek van ZonMw, het advies van de Gezondheidsraad onvoldoende wordt opgevolgd, gezien de huidige landelijke stand van zaken wat betreft de multidisciplinaire aanpak3? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de wens van veel professionals ten aanzien van verbeterde hulp voor kinderen en het advies van de Gezondheidsraad landelijk geïmplementeerd worden: een multidisciplinaire aanpak en behandeling voor elk mishandeld kind?
Zoals ook uit het door u genoemde artikel blijkt zijn er meerdere initiatieven waar multidisciplinair wordt samengewerkt en waar goede ketenafspraken worden gemaakt. In het actieplan Kinderen Veilig en in mijn beantwoording van eerdere vragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 2139) heb ik aangegeven een aantal regionale initiatieven tot een multidisciplinaire aanpak van kindermishandeling in Nederland eerst te gaan toetsen. Naar aanleiding van het advies van de Gezondheidsraad worden in ieder geval de initiatieven van het Kinder- en Jeugd Traumacentrum in Haarlem en het multidisciplinair centrum kindermishandeling Leeuwarden hierin betrokken. De Gezondheidsraad beveelt deze initiatieven aan om als proeftuin te dienen voor een integrale, multidisciplinaire benadering. Deze evaluatie wordt begeleid door ZonMW. Naar verwachting is rond de zomer bekend welke initiatieven gevolgd en ondersteund gaan worden. Na de evaluatie bekijkt het Kabinet met gemeenten of deze nieuwe aanpak brede inzet verdient in Nederland en op welke wijze dat vorm moet krijgen in het nieuwe stelsel van zorg voor jeugd.
Bent u bereid het advies van de Gezondheidsraad om te laten zetten naar een richtlijn? Zo nee, waarom niet?
De Gezondheidsraad beveelt aan dat, waar zij nog ontbreken, evidence-based richtlijnen worden ontwikkeld, rekening houdend met de consequenties van (een verleden van) kindermishandeling voor diagnostiek en behandeling. Ik leg dit voor aan de commissie Richtlijnadviescommissie Jeugdzorg met het oog op een te ontwikkelen richtlijn.
Waarom wilt u nog onderzoeken of een multidisciplinaire aanpak «brede inzet verdient» , zoals u in antwoord op eerdere vragen aangeeft, als de Gezondheidsraad al stelt dat een multidisciplinaire aanpak sowieso noodzakelijk is?4
Zie het antwoord op vraag 10.
Waarom geeft u in diezelfde antwoorden op eerdere vragen aan dat u de aandacht voor kindermishandeling in beroepsopleidingen opnieuw wil inventariseren en dan waar nodig mondeling wil stimuleren, als dit mondeling stimuleren ook al door voormalig minister Rouvoet is gedaan en tot op heden een weinig effectieve en daadkrachtige maatregel is gebleken? Hoe gaat u ervoor zorgen dat er weinig tijd verloren gaat en er afspraken worden gemaakt met de beroepsopleidingen hoe zij het signaleren en bespreek maar maken van kindermishandeling ook onderdeel maken van de opleiding?
Zoals ik heb aangegeven in de Nota naar aanleiding van het verslag betreffende het wetsvoorstel verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling ( TK 2011–2012, 33 062, nr. 7) richt ik mij in eerste instantie op de opleidingen tot basisarts, huisarts, jeugdarts en kinderarts. Het Nederland Jeugdinstituut heeft geïnventariseerd in hoeverre kindermishandeling en huiselijk geweld in de curricula van de betreffende opleidingen zit. Uit deze inventarisatie komt naar voren dat in de opleidingen de aandacht voor kindermishandeling en huiselijk geweld tussen 2007 en 2011 is toegenomen.
In de expertmeeting die ik samen met de KNMG in april heb georganiseerd bleek de inventarisatie een goede basis om te bespreken op welke wijze de aandacht in de verschillende opleidingen verder versterkt kan worden. De expertmeeting bevestigde het beeld dat er veel onderwerpen zijn waar in de opleidingen in samenhang aandacht aan besteed moet worden. Momenteel werkt een aantal deelnemers aan de expertmeeting dit uit. In het najaar organiseren de KNMG en ik een tweede expertmeeting om deze uitwerking te bespreken. Uiteraard zal ik de Kamer te zijner tijd over de uitkomsten informeren.
Vervolgens zal ook bij andere opleidingen een inventarisatie plaatsvinden, zoals die tot maatschappelijk werker en docent basisonderwijs. Mocht het nodig zijn, zal ik ook deze opleidingen stimuleren om meer aandacht te besteden aan kindermishandeling en huiselijk geweld.