Het bericht dat het Osteoporose Medisch Centrum via de huisarts een DEXA-scan aanbiedt |
|
Henk van Gerven , Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat het Osteoporose Medisch Centrum via de huisarts een DEXA-scan aanbiedt?1
Een oordeel over de werkwijze van het Osteoporose Medisch Centrum (OMC) kan ik op basis van de uitzending van Tros Radar niet geven. Zoals de geïnterviewden in de uitzending al aangaven was onduidelijk wie nu precies een aanbod deed tot screening, de huisarts of het OMC. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zal onderzoeken of hetgeen getoond is in overeenstemming met vigerende wetgeving is.
Uit het onderzoek van Tros Radar blijkt overigens dat mensen zelf altijd een afweging moeten maken over deelname aan screening. Ik heb u in mijn brief «vroegopsporing en gezondheidsrisico’s van 1 maart 2012» aangegeven dat ik streef naar algemene kwaliteitseisen voor screening, zodat mensen een geïnformeerde keuze kunnen maken over deelname.
Is de DEXA-scan, zoals het Osteoporose Medisch Centrum die aanbiedt, volgens u medisch noodzakelijk of betreft het hier een commerciële activiteit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is aan de beroepsgroep en/of haar wetenschappelijke vereniging om een oordeel te geven over de inhoud van therapieën of behandelingen. Er is een NHG-standaard Fractuurpreventie2 waarin wordt aangegeven waar huisartsen op moeten letten als het gaat om osteoporose en wanneer ze hun patiënten door moeten verwijzen naar de tweede lijn. Volgens de NHG-standaard is gericht onderzoek alleen nodig bij patiënten met een verhoogd fractuurrisico. De huisarts stelt de indicatie. De NHG heeft zich intussen gedistantieerd van de werkwijze van het OMC3.
Wat is uw oordeel over het feit dat patiënten de indruk hadden mee te doen aan een bevolkingsonderzoek op initiatief van hun huisarts, terwijl het hier feitelijk ging om een doorverwijzing van de huisarts? Deelt u het oordeel dat patiënten door het Osteoporose Medisch Centrum en de huisarts op het verkeerde been zijn gezet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik kan op basis van de uitzending niet oordelen dat het «feitelijk ging om een doorverwijzing van de huisarts» of om (getrapte) screening. Ik ben het met u eens dat het aanbod verwarrend was. De inspectie zal nagaan of bij de handelwijze wetten zijn overtreden.
Er zijn in elk geval geen vergunningen in het kader van de Wet op Bevolkingsonderzoek (WBO) verleend voor osteoporosescreening buiten het kader van wetenschappelijk onderzoek (de Salt Osteoporose Studie van VUmc). Dat houdt in dat het OMC alleen patiënten mag onderzoeken en behandelen die een verwijzing hebben van hun huisarts.
Wat vindt u ervan dat er huisartsen meewerken met het Osteoporose Medisch Centrum bij het aanbieden van deze DEXA-scan? Deelt u de mening dat huisartsen hun patiënten op het verkeerde been zetten? Bent u voorts van mening dat huisartsen de privacy van hun patiënten schenden door adresgegevens aan het Osteoporose Medisch Centrum ter beschikking te stellen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op basis van de uitzending is niet duidelijk wie welk aanbod tot screening heeft gedaan (zie ook de antwoorden op vragen 2 en4. De relatie tussen de meewerkende huisartsen en het OMC is onderdeel van het onderzoek door de IGZ. De huisarts mag geen gegevens over patiënten verstrekken aan derden anders dan in een behandelrelatie met de patiënt aan een medebehandelaar dan wel met uitdrukkelijke toestemming van de patiënt. Het onderzoek over hoe het aanbod tot screening tot stand is gekomen zal duidelijkheid geven over mogelijke doorgifte van adresgegevens van patiënten.
Wat is uw oordeel over het feit dat patiënten worden geconfronteerd met een rekening van 272 euro voor advies, terwijl hen door het Osteoporose Medisch Centrum wordt voorgehouden dat deze rekening vergoed wordt door de zorgverzekeraar? Deelt u de mening dat deze rekening door het Osteoporose Medisch Centrum moet worden kwijtgescholden in die gevallen dat de zorgverzekeraar niet wil vergoeden? Hoe gaat u dat bewerkstelligen?
Als er sprake is van een aanbod in strijd met de geldende regelgeving dan wel dwaling of misleiding, dan kent ons rechtssysteem voldoende waarborgen, bijvoorbeeld via een civiele procedure. Het is niet aan VWS om hier een specifieke regeling voor te treffen.
Krijgen de huisartsen die patiënten doorverwijzen daarvoor betaald? Zo ja, om welke bedragen of vergoedingen in natura/diensten gaat het dan? Zo ja, hoe beoordeelt u dit dan? Zo ja, is het in strijd met de wet? Zo ja, wat gaat u dan daartegen ondernemen?
Dat zal uit onderzoek moeten blijken.
Is het waar dat er meldingen zijn gedaan bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg? Hoeveel artsen zijn er berispt, en op welke grond? Zijn dat alle artsen die hebben meegewerkt met het Osteoporose Medisch Centrum? Zo nee, waarom is er niet tegen alle artsen opgetreden?
Er zijn bij de inspectie in de afgelopen jaren enkele meldingen geweest over screening op osteoporose door verschillende organisaties (maar niet deze rechtspersoon). Alle gevallen zijn onderzocht, waarbij de inspectie de aanbieders erop heeft gewezen dat een aanbod tot screening met behulp van straling vergunningplichtig is op grond van de Wet op het Bevolkingsonderzoek (WBO). Op basis van deze activiteiten zijn de aanbieders die in overtreding waren, gestopt met hun screeningen.
De handelwijze van het Osteoporose Medisch Centrum (OMC) was de inspectie niet bekend tot de uitzending van Tros Radar. Naar aanleiding van deze uitzendingen zijn meldingen binnengekomen die de inspectie gaat onderzoeken.
Is het waar dat niet is opgetreden tegen het Osteoporose Medisch Centrum? Zo ja, waarom is dat niet gebeurd en gaat u dat alsnog doen? Zo nee, welke sanctie is er opgelegd?
Zie antwoord vraag 7.
Wie is/zijn eigenaar/eigenaren van het Osteoporose Medisch Centrum? Is er enige verbondenheid met farmaceutische bedrijven of producenten van medische apparatuur/hulpmiddelen?
De eigenaar van het OMC kwam in de uitzending aan het woord. Of er sprake is van enige verbondenheid met farmaceutische bedrijven of producenten van medische apparatuur/hulpmiddelen moet uit nader onderzoek door de IGZ blijken. Mocht dat het geval zijn dan zal worden getoetst aan de regels die gelden op het gebied van geneesmiddelenreclame.
Wat bent u van plan te ondernemen om te voorkomen dat het Osteoporose Medisch Centrum wederom via de huisarts een DEXA-scan aanbiedt?
Als uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van handelen in strijd met geldende regelgeving, zal hierop worden gehandhaafd. Zie ook mijn antwoord op vragen 7 en 8.
Bent u bereid de Gezondheidsraad te laten oordelen over de praktijken van het Osteoporose Medisch Centrum, bijvoorbeeld gekoppeld aan de al lopende adviesvraag over de total body scan? Zo neen, waarom niet?
Ik heb de Gezondheidsraad gevraagd mij te adviseren over de kwaliteit van health checks en de voorwaarden waaronder deze vrij kunnen worden aangeboden. Een voorbeeld als deze screeningspraktijk kan in dit advies aan de orde komen. Ik verwacht dat advies eind 2013 te ontvangen. Als het onderzoek naar OMC daartoe aanleiding geeft, zal ik er in het kader van de kwaliteit van health checks op terugkomen.
De oprichting van het meldpunt Klokkenluiders verstandelijk gehandicapten |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
Vindt u het ook treurig dat er een meldpunt nodig is om klokkenluiders over misstanden in de verstandelijk gehandicaptensector een kans te geven hun meldingen te doen? Zo ja, welke conclusie trekt u hieruit? Zo nee, waarom niet?1
Ik betreur het dat de oprichters van het meldpunt de noodzaak voelen om dit meldpunt in te richten. Ik vind dat mensen met klachten over zorg ergens terecht moeten kunnen waar ze zich geholpen voelen en waar ze het vertrouwen hebben dat hun klachten over zorg adequaat en effectief worden behandeld zodat misstanden kunnen worden aangepakt.
Zoals de minister en ik in onze debatten de afgelopen maanden al hebben geconstateerd, moeten er verbeteringen worden doorgevoerd in de omgang met klachten en geschillen. Het huidige klachtrecht in de zorg wordt onvoldoende als onafhankelijk ervaren en de uitkomsten van klachtprocedures zijn onvoldoende effectief en transparant.
De in het voorstel voor de Wet cliëntenrechten zorg opgenomen verbeteringen in klacht- en geschilprocedures zet ik met voorrang door. Zoals ik heb aangekondigd in de strategische agenda van de minister en mij ontvangt u in april een nota van wijziging om dit te regelen. Daarnaast wordt een Zorgloket ingericht, waar mensen advies kunnen vragen en ondersteund worden bij het vinden van hun weg in de zorg. Waar nodig introduceert het Zorgloket de klacht bij de klachtenfunctionaris van de zorgaanbieder. Ook begeleidt het Zorgloket waar nodig burgers langs mediation en een geschilleninstantie.
Het Zorgloket zal jaarlijks een extern te publiceren klachtbeeld samenstellen, zodat voor iedereen is na te gaan welk type klachten er over de zorg worden gemeld en hoe de afhandeling van deze klachten verloopt. Dit draagt bij aan het vergroten van de transparantie in de zorg.
Deelt u de mening dat een meldpunt voor klokkenluiders in de gehandicaptenzorg eigenlijk overbodig moet zijn, omdat mensen die misstanden meemaken in de zorg adequaat geholpen dienen te worden? Zo ja, welke analyse maakt u over wat er misgaat, waardoor mensen hun klachten niet opgelost zien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe oordeelt u over de stelling «iedere klacht is een gratis advies»?
Klachten kunnen belangrijke informatie opleveren over risico’s in de zorg. Daarom is het belangrijk klachten, maar ook incidenten en calamiteiten, te registreren en analyseren op trends en achterliggende patronen. Dan kunnen concrete verbetermaatregelen worden genomen.
Vindt u het ook zorgwekkend dat verwanten die klagen over de zorgsituatie van hun familieleden in situaties komen waarin zij weggezet worden als rancuneus, onbetrouwbaar, overgevoelig en vele andere betitelingen? Denkt u dat dit gebeurt om hun klachten niet serieus te nemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Als verwanten die klagen over de zorgsituatie van hun familie negatief worden bejegend, dan vind ik dat zeer kwalijk. Iedereen moet vrijuit zijn klachten kunnen uiten en zorgaanbieders dienen hier alert en zorgvuldig op te reageren. Als iemand een klacht of melding heeft over de zorg die hij of zijn naaste ontvangen heeft, dan is het de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder om de achterliggende onvrede aan te pakken en de klacht dus serieus te nemen. Op die manier kan de zorgaanbieder een goede zorgrelatie behouden of herstellen en kan de onvrede het beste worden opgelost. Voor mij is het evident dat er een professionalisering van de klachtenafhandeling plaats dient te vinden en op een zodanige wijze dat het belang van de patiënt en cliënt voorop staat. Zie ook mijn antwoord op vraag 2.
Bent u van mening dat mensen met een verstandelijke beperking beschermd moeten worden, in plaats van dat zij slecht verzorgd, en/of mishandeld, en/of financieel uitgebuit worden? Zo ja, wat is uw verklaring dat deze mensen in de Nederlandse samenleving aan hun lot worden overgelaten en er geen passende hulp is voor deze mensen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, juist deze kwetsbare mensen verdienen adequate zorg en een veilige en beschermde leefomgeving. Ik ben het niet met u eens dat deze mensen in Nederland aan hun lot worden overgelaten. Wij hebben in Nederland een hoogwaardig zorgniveau. Mochten er zich zeer complexe zorgsituaties voordoen waarvoor de zorg niet direct voorhanden is dan is het een taak van het zorgkantoor een geschikt zorgaanbod te vinden voor de betroken zorgvrager met een verstandelijke beperking. Vervolgens ziet de Inspectie voor de Gezondheidszorg erop toe dat de geleverde zorg van voldoende kwaliteit is en treedt zij zo nodig handhavend op.
Deelt u de mening dat toezichthouders als de Inspectie voor de Gezondheidszorg tekortschieten, doordat er te weinig personeel is om te handelen in zeer complexe individuele situaties? Bent u bereid spoedig maatregelen te treffen, zodat mensen in zeer complexe zorgsituaties geholpen worden door de Inspectie? Zo nee, waarom niet?
Het is de verantwoordelijkheid van de zorginstellingen zelf om te zorgen voor kwalitatief goede en veilige zorg en daar waar nodig maatregelen te nemen indien dit in het gedrag komt. Het is de taak van de IGZ om actief toe te zien en te handhaven wanneer de zorg kwalitatief «door de bodem zakt». Wanneer de IGZ constateert dat een zorginstelling de zorg voor mensen in zeer complexe zorgsituaties onvoldoende op orde heeft, neemt de IGZ de benodigde maatregelen jegens die zorginstelling.
Wat is uw reactie op de ervaringen van mensen die misstanden hebben meegemaakt bij zorginstellingen die op de website van de Klokkenluiders Verstandelijk Gehandicapten gepubliceerd zijn? Kunt u per casus een reactie geven? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen bemoeienis met individuele casus. In zijn algemeenheid vind ik het zeer kwalijk als er sprake is van misstanden in de zorg. Het is daarom belangrijk dat mensen hun klachten over de zorg bij de IGZ melden zodat de IGZ deze signalen kan betrekken bij haar toezicht en waar nodig handhavend kan optreden.
Wat is uw reactie op het bericht dat Stichting Philadelphia Zorg zich distantieert van het meldpunt Klokkenluiders Verstandelijk Gehandicapten? Sterker nog, wat vindt u ervan dat Philadelphia,, had zij eerder geweten van de lancering van de website, alles in het werk had gesteld de lancering te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik u graag naar mijn antwoord op vragen 1, 2 en 4. Ik laat mij niet uit over de opvatting van individuele zorginstellingen zoals Stichting Philadelphia Zorg.
Hoe oordeelt u over zorginstellingen, zoals Stichting Philadelphia Zorg, die zich distantiëren van een meldpunt, terwijl zij juist verantwoordelijkheid moeten nemen om voor mensen en hun familieleden te zorgen, en hulp te bieden als er sprake is van een ernstige situatie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Vindt u het normaal dat zorginstellingen ernstige problemen verdoezelen, en mensen en hun familieleden dreigen met rechtszaken? Zo ja, met welke redenen? Zo nee, wat gaat u doen om mensen te beschermen tegen dergelijke machtige zorgorganisaties?
Als zorginstellingen ernstige problemen verdoezelen dan is dat onacceptabel. Door effectiever en transparanter klachtrecht, betere informatie-uitwisseling tussen zorgaanbieders en cliënten en slagvaardiger optreden van de IGZ kunnen eventuele misstanden eerder worden gesignaleerd en aangepakt.
Deelt u de mening dat zorginstellingen teveel macht hebben, en mensen en hun familieleden geen schijn van kans maken voor zichzelf op te komen, zodra er sprake is van een conflict of slechte zorg? Hoe gaat u deze macht van zorginstellingen verminderen, en zorgbehoevende mensen en hun familieleden een betere rechtspositie geven in de zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind het belangrijk dat mensen ergens terecht kunnen voor advies en bemiddeling als er conflicten dreigen. Om die reden wordt in het voorstel voor de Wet cliëntenrechten zorg geregeld dat mensen terecht moeten kunnen bij een klachtenfunctionaris of cliëntenvertrouwenspersoon. Om diezelfde reden wordt daarnaast in het Wetsvoorstel zorg en dwang, dat ziet op mensen met een verstandelijke handicap en mensen met een psychogeriatrische aandoening, een wettelijke basis gegeven aan de cliëntenvertrouwenspersoon. Doel hiervan is de positie van deze kwetsbare en zorgafhankelijke groep mensen verder te versterken. In een apart hoofdstuk worden nadere regels gesteld over de aanwezigheid, toegankelijkheid, deskundigheid, onafhankelijkheid, taken en bevoegdheden van de cliëntenvertrouwenspersoon.
Als onvrede leidt tot een conflict moet er een effectieve geschillenprocedure zijn. Mensen moeten terecht kunnen bij een geschilleninstantie die bindende uitspraken doet. Zoals ik heb aangegeven bij het antwoord op vraag 2 ga ik dit snel regelen.
Wilt u een inhoudelijke reactie geven op het project Specifiek Cliëntperspectief van Kansplus? Zo nee, waarom niet?3
Dit project, dat met subsidie van dit ministerie is uitgevoerd, beschrijft een aantal individuele ondersteuningstrajecten rond vastgelopen zorgsituaties. De resultaten onderstrepen nog eens het belang van daadwerkelijke cliëntondersteuning, effectieve klacht- en geschillenprocedures en de inrichting van een Zorgloket.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de noodzaak van de website van de klokkenluiders weggenomen wordt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie de antwoorden op vraag 2, 10 en 11.
Het bericht dat Groningen ontsnapt aan treinramp met gevaarlijke stoffen |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Duco Hoogland (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Groningen ontsnapt aan treinramp met gevaarlijke stoffen»?1
Ja.
Klopt het dat vorig jaar in maart een bijna-ongeluk heeft plaatsgevonden bij station Groningen Europapark? Zo ja, wat is daarvan de oorzaak?
Op 6 maart 2012 heeft een incident plaatsgevonden bij het emplacement Groningen Losplaats. De directe oorzaak van het incident was, dat de informatie in het systeem van de rijweginstelling van de treindienstleiding niet correspondeerde met de feitelijke situatie van het emplacement. Dit kon gebeuren doordat bij de aanpassing van het emplacement gebruik is gemaakt van een niet-correcte ontwerptekening en ook na de aanleg er geen opleveringscontrole heeft plaatsgehad.
Als gevolg hiervan werd een trein met gevaarlijke stoffen naar een spoor geleid dat niet voor de ingestelde rijweg was bedoeld. Door tijdig ingrijpen van de machinist kwam de trein tot stilstand zonder een andere trein of objecten te hebben geraakt. Er is geen gevaar geweest voor het overige spoorverkeer of de omgeving.
Bent u het met ons eens dat dit een zeer ernstige zaak is die mogelijk grote consequenties had kunnen hebben?
Er is een risicovolle situatie ontstaan in het bijzonder omdat het hier een trein betrof die met gevaarlijke stoffen geladen was. Dit wordt ook verwoord in het rapport van de ILT (bijlage bij Kamerstuk II 29 984, nr. 391) «Trein met gevaarlijke stoffen uit beveiligde rijweg in Groningen». Dit onderzoek naar de toedracht, oorzaken en omstandigheden van het voorval op 6 maart 2012, is op 28 januari 2013 op de website van de ILT gepubliceerd en conform uw verzoek naar de Tweede Kamer gezonden (Kamerstuk II 29 984, nr. 391).
Kunt u aangeven wat de oorzaak van het incident was?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 2 en het bij het antwoord op vraag 3 genoemde rapport van de ILT van 22 januari 2013(bijlage bij Kamerstuk II 29 984, nr. 391).
Zijn er inmiddels maatregelen genomen om een dergelijk incident in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?
ProRail heeft als eerstverantwoordelijke direct maatregelen genomen door het inbouwen van extra controles en het aanpassen van de eigen procedures om dit soort incidenten in de toekomst te voorkomen. Zo worden tekeningen vooraf gecontroleerd en na de aanleg van een wissel wordt deze eerst fysiek getest door met een spoorbak of werkbak over het spoor te rijden, voordat deze in gebruik wordt genomen.
Verder is ProRail medio 2012 al gestart met de controle van alle tekeningen en deze worden zo nodig gecorrigeerd. Dit is een maatregel die ProRail heeft genomen naar aanleiding van de audit naar het tekeningenbeheer bij ProRail die de Inspectie Leefomgeving en Transport heeft uitgevoerd. Uit deze audit was naar voren gekomen dat ProRail het tekeningenbestand niet volledig up-to-date heeft, waardoor veiligheidsrisico’s kunnen ontstaan. De Inspectie blijft de komende tijd monitoren in hoeverre ProRail «in control» is bij wijzigingen in de spoorweginfrastructuur en de daarbij behorende uitwerking op tekeningen. Dit onderzoek is naar verwachting in het najaar van 2013 gereed. In mijn brief van 30 januari 2013 (Kamerstuk 29 984, nr. 377), waarbij ik u onder meer het rapport van de ILT «Audit tekeningenbeheer ProRail» heb toegezonden, heb ik u hierover al geïnformeerd.
De aanwezigheid van paardenvlees in rundvleesproducten |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u verklaren hoe het bijmengen van paardenvlees bij rundvlees zich aan de controle op vleesverwerking heeft kunnen onttrekken en niet eerder is opgemerkt, op de schaal zoals nu het geval is, door onder andere de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit?
Hoe beoordeelt u het feit dat van paarden die voor de slacht worden aangeboden in de meeste gevallen niet bekend is of zij in het verleden zijn behandeld met medicijnen en met welke en dat dit een risico vormt voor de volksgezondheid?1
Kunt u uiteenzetten hoe het kan dat iemand die al eerder veroordeeld is tot een aanzienlijke celstraf vanwege fraude met vlees vervolgens weer door kan gaan met deze praktijken, waarmee de indruk ontstaat van onvoldoende toezicht?2
Hoe beoordeelt u het bericht over de aanwezigheid van straathonden en zieke schapen in honden -en kattenvoer in het licht van de nu gaande discussie over vleesfraude?3
Kunt u aangeven of in honden -en kattenvoer bestemd voor de Nederlandse markt ook producten van straathonden of zieke schapen kunnen zijn verwerkt en hoe dit wordt gecontroleerd?
Bent u bereid strenger te gaan handhaven op het illegaal mengen van vlees? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en termijn?
Deelt u de mening dat consumenten eerlijk geïnformeerd dienen te worden over de ingrediënten in producten en zeker moeten kunnen zijn van het soort vlees dat zij kopen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke zekerheid kunt of gaat u de consument bieden zodat de consument zeker kan zijn van de vleessoort die hij koopt?
Bent u bereid de regelgeving over etikettering aan te passen zodat consumenten voortaan precies weten welke ingrediënten van welke oorsprong er verwerkt zijn in hun product? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en termijn?
Hoe beoordeelt u het aandringen van de EU op het uitvoeren van DNA-tests op verwerkt vlees en het testen op de aanwezigheid van medicijnen in paardenvlees?4
Zoals ik heb gemeld in de brief aan uw Kamer, d.d. 14 februari is het ontoelaatbaar dat consumenten doelbewust worden misleid voor eigen gewin. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 is de NVWA al gestart met een grootschalig onderzoek in de gehele keten.
De hierbij geplande aantallen monsters en controles gaan boven de aanbevelingen van de Europese commissie uit. Dit onderzoek zal eind maart worden afgerond.
Bent u bereid gehoor te geven aan dit verzoek? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Het EO-programma “De vijfde dag” van 13 februari 2013 |
|
Michiel van Veen (VVD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de inhoud van het EO-programma «De vijfde dag»?
Ja.
Bent u van mening dat de Inspectie genoeg gebruik heeft gemaakt van de beschikbare middelen om de patiëntveiligheid te garanderen in SEIN?
Ja. De IGZ heeft naar aanleiding van een incident in 2008 zelf onderzoek uitgevoerd en de implementatie van de opgelegde verbetermaatregelen getoetst. Naar aanleiding van het overlijden in 2011 van de cliënt waar het desbetreffende EO-programma op in is gegaan, heeft de IGZ wederom maatregelen opgelegd en volgt zij thans nauwgezet de uitvoering daarvan.
Deelt u de mening dat alle seinen op rood hadden moeten springen toen dezelfde instelling opnieuw de fout in leek te gaan?
Nee. Hoewel zowel in 2008 als in 2011 een patiënt is overleden, is er geen sprake van vergelijkbare oorzaken van overlijden.
Zijn er meer instellingen die op basis van het Inspectie-onderzoek een aanwijzing hebben gekregen om hun procedures op orde te brengen?
Met enige regelmaat geeft de inspectie zorgaanbieders een aanwijzing om af te dwingen dat zij de veiligheid van zorg weer op orde brengen. Het goed uitvoeren van procedures kan daarvan een onderdeel zijn.
Bent u van mening dat (beter) openbaar gemaakt moet worden welke instellingen/zorgverleners onder extra toezicht staan van de Inspectie en de redenen daarvan?
Ik vind het belangrijk dat het openbaar is welke instellingen onder verscherpt toezicht staan. Dit maakt de IGZ, binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders, met een toelichting openbaar via haar website en via berichtgeving aan de media. Zoals de Minister op 14 maart jl. aan uw Kamer heeft gemeld gaan wij in het belang van de patiënt de transparantie over (vermeende) medische missers in de zorg op verschillende vlakken vergroten:
Is het niet op orde hebben van veiligheidsprocedures aanleiding voor extra toezicht en een termijnstelling?
Het niet op orde hebben van veiligheidsprocedures kan aanleiding zijn voor extra toezicht en termijnstelling. Wanneer blijkt dat een zorgaanbieder de veiligheidsprocedures niet op orde heeft legt de IGZ verbetermaatregelen op, en treedt zij, waar nodig, handhavend op.
Het vooruitlopen van diverse gemeenten op mogelijke wijziging van de Winkeltijdenwet |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat diverse gemeenten besluiten of besloten hebben om de Winkeltijdenwet niet langer te handhaven en overtreding van de regels te gedogen?1 Vindt u dit een gewenste ontwikkeling?
Gemeenten dienen de wet na te leven en de regels te handhaven als winkeliers de wet niet naleven. Gemeenten die in dat opzicht vooruit lopen op wetswijzigingen handelen mogelijk in strijd met de huidige wetgeving. Dat vind ik geen gewenste ontwikkeling.
Deelt u de opvatting dat handhaving van de huidige Winkeltijdenwet noodzakelijk is, zolang er geen wetswijziging in werking is getreden?
Ja.
Bent u bereid gemeenten erop te wijzen dat er geen wijziging van de Winkeltijdenwet heeft plaatsgevonden en dat het daarom niet toegestaan is om meer koopzondagen in de gemeente te hebben dan de wet toestaat?
Gemeenten weten dat de Winkeltijdenwet nog niet gewijzigd is en dat zij op dit moment gehouden zijn de huidige Winkeltijdenwet na te leven en te handhaven. Ik zie dan ook geen reden om gemeenten hier nog extra op te wijzen.
Welke mogelijkheden heeft u om gemeenten die in strijd met rechtelijke uitspraken gedogen dat winkels op zondag open zijn, erop aan te spreken dat dit niet is toegestaan? Bent u bereid van die mogelijkheden gebruik te maken?
Ik heb geen middelen tot mijn beschikking om ervoor te zorgen dat gemeenten handhavend optreden. Gemeenten hebben echter wel een plicht tot handhaving. Belanghebbenden kunnen een handhavingsverzoek doen bij een gemeente. In de gemeente Tilburg is dat bijvoorbeeld ook gebeurd. De gemeente Tilburg heeft naar aanleiding van het handhavingsverzoek besloten om de Winkeltijdenwet alsnog te handhaven. Indien een gemeente een handhavingsverzoek afwijst en dus niet alsnog gaat handhaven, kunnen belanghebbenden dat besluit door de bestuursrechter laten toetsen om handhaving door de gemeente af te dwingen.
Heeft u de indruk dat gemeenten die vooruitlopen op een wetswijziging die in de Eerste Kamer ligt, bij hun besluiten en de handhaving van het beleid wel oog hebben voor het belang van de zondag als collectieve rustdag en het belang van werknemers en kleine winkeliers? Op welke manier wegen zij die belangen in hun besluitvorming?
Zolang de wetswijziging (het initiatiefwetsvoorstel van de leden Verhoeven en Van Tongeren) niet in werking is getreden, dienen gemeenten bij het nemen van een besluit inzake het verlenen van vrijstellingen en ontheffingen belangen af te wegen conform het huidige wettelijke kader van de Winkeltijdenwet. Indien de bedoelde wetswijziging in werking is getreden dienen gemeenten bij het nemen van besluiten volgens de Algemene wet bestuursrecht alle betrokken belangen af te wegen. Dat betekent dat zij op basis hiervan ook het belang van de zondag als rustdag en het belang van werknemers en kleine winkeliers in hun afweging moeten betrekken. Daarnaast spelen echter ook de belangen van de lokale economie en werkgelegenheid. Hoe gemeenten de afweging van belangen precies maken, is aan gemeenten zelf.
Welke uitwerking geeft u aan uw toezegging bij de behandeling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie dat druk zal worden gehouden op gemeenten om daadwerkelijk rekening te houden met het belang van de zondagsrust en het belang van de werknemers en kleine winkeliers in de afweging van de wensen om te komen tot extra koopzondagen?2 Welke inspanningen heeft u hier tot op heden voor gedaan? Hoe gaat u de druk op alle gemeenten opvoeren, vooral voor gemeenten die nu al besluiten om te gedogen?
Het ministerie van Economische Zaken is in overleg getreden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten om ervoor te zorgen dat gemeenten alle betrokken belangen afwegen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft aangegeven dat het afwegingskader onderdeel zal gaan uitmaken van een door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten op te stellen leidraad Winkeltijden.
Een incident met een inwoner van detentiecentrum Rotterdam |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het ongeval in detentiecentrum Rotterdam, waarbij op 7 januari 2013 een gedetineerde zijn pink heeft verloren? Kunt u hierop een reactie geven?
Ja.
Klopt het dat volgens een aantal getuigenverklaringen de vreemdeling zijn vingers tussen de celdeur kreeg, omdat deze deur door een bewaker is dichtgedaan? Zo nee, hoe is dit precies gegaan en hoe komt het dat getuigen anders verklaren?
De betreffende ingeslotene gedroeg zich voor het incident agressief en bedreigend richting het personeel. Kort hierna is hij richting de kamer van een andere bewoner gerend, gevolgd door een detentietoezichthouder. Toen de ingeslotene de deur achter zich dicht wilde slaan, heeft de detentietoezichthouder gepoogd dit te voorkomen door de deur open te houden. Door beiden werd hierbij aan de deur getrokken. Toen de detentietoezichthouder de deur moest loslaten, is de hand van de ingeslotene bekneld geraakt. Ook een vinger van de detentiehouder is toen tussen de deur terecht gekomen.
Zijn er vreemdelingen na dit incident in isolatie geplaatst? Zo ja, hoeveel waren dit er en voor hoe lang? Kunt u daar ook de reden van geven?
Voor het verstoren van de orde, rust en veiligheid alsmede het bedreigen van het personeel is aan de betreffende ingeslotene een disciplinaire straf opgelegd. Als gevolg van het incident was onrust op de afdeling ontstaan. Om het incident beheersbaar te houden en de hulpverlening soepel te laten verlopen, is besloten alle bewoners tijdelijk in te sluiten. Een drietal ingeslotenen weigerde dit en riep de mede-ingeslotenen op hieraan ook niet mee te werken. In verband met het niet opvolgen van aanwijzingen van het personeel naar aanleiding van een ernstig incident, het verstoren van de orde, rust en veiligheid, het aanzetten tot een opstand en het gebruik van fysiek geweld jegens een personeelslid of het vernielen van rijkseigendom, is aan deze drie ingeslotenen een disciplinaire straf strafcel opgelegd.
Is er door detentiecentrum Rotterdam melding gemaakt van dit incident bij de Inspectie voor de Sanctietoepassing? Zo nee, waarom niet en zal dit alsnog worden gemeld? Zo ja, wanneer verwacht u de uitkomst en kan deze naar de Kamer worden verzonden?
De Inspectie Veiligheid en Justitie is bericht over het incident in het detentiecentrum Rotterdam. De inspectie heeft gemeld dat zij geen aanleiding ziet om een onderzoek in te stellen. Gelet hierop zal ik hiertoe ook geen verzoek doen.
Het bericht dat verzekeringsmaatschappijen discrimineren op basis van ziekteverleden of genetische aanleg |
|
Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat verzekeraars discrimineren op basis van ziekteverleden of genetische aanleg?1
Ik heb er kennis van genomen.
Vindt u het rechtvaardig als iemand die tien jaar of langer geleden behandeld is wegens kanker en medisch gezien door artsen genezen is verklaard, door een verzekeraar als risicogeval wordt bestempeld en daarom wordt geweigerd of een hogere premie moet betalen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor levens- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen geldt geen wettelijke acceptatieplicht, voor het aangaan noch voor de voorwaarden waaronder de verzekering wordt afgesloten. De essentie van verzekeren is risicoselectie, waarbij verzekerden in risicogroepen worden ingedeeld. Dat geldt dus ook voor levens- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, waarbij allerlei factoren en aandoeningen worden meegenomen. Het loslaten van risicoselectie heeft verstrekkende gevolgen. Zoals ik vorig jaar op vragen van de leden Omtzigt en Smilde op 2 maart 2012 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 1705), alsook van Leijten en u op 4 januari 2012 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2011–2012, nr. 1232) al berichtte lijkt het me wel terecht dat naarmate bijvoorbeeld kanker een steeds meer chronische ziekte wordt, verzekeraars rekening houden met de recente gegevens over incidentie en overleving.
Vindt u het rechtvaardig als iemand die door een gen meer kans loopt om ziek te worden door een verzekeraar als risicogeval wordt bestempeld en daarom wordt geweigerd of een hogere premie moet betalen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw oordeel als verzekeraars op enigerlei wijze mensen zouden aanzetten tot het laten testen op aandoeningen, waarvoor geen behandeling bestaat ten behoeve van de risicoselectie? Deelt u de mening dat dit ethisch onverantwoord is? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Wet op de medische keuringen (WMK), die in 1998 in werking is getreden, voorziet in bescherming van degene die wordt gekeurd. Tegelijk wordt in de wet rekening gehouden met de belangen van degene die de keuring vraagt, zoals de verzekeraar. De wet bepaalt voor onder meer levens- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen dat geen onderzoek mag worden verricht als het belang van de keuringvrager niet opweegt tegen dat van degene die wordt gekeurd. Als uitwerking hiervan is in artikel 3 lid 2 van de wet opgenomen dat verboden is onderzoek naar de kans op een ernstige ziekte die niet genezen kan worden dan wel niet kan worden voorkomen of in evenwicht gehouden. Ook onderzoek naar een aanwezige, niet behandelbare ernstige ziekte die pas na langere tijd manifest zal worden is verboden.
Is van een dergelijke praktijk sprake in Nederland, voor zover u bekend?
Nee.
Komt het voor dat verzekeraars, als het gaat om levensverzekeringen of arbeidsongeschiktheidsverzekeringen boven een bepaald drempelbedrag, cliënten vragen stellen over erfelijke aandoeningen of genetische afwijkingen, die moeten worden beantwoord? Zo ja, op basis van welke wetgeving of protocol gebeurt dit dan? Hoe beoordeelt u deze praktijk?
In artikel 5 van de WMK is opgenomen dat geen vragen mogen worden gesteld over onbehandelbare ernstige erfelijke ziekten, en niet over onderzoek dat bij de keurling of bloedverwanten is gedaan naar de erfelijke aanleg voor ziekten, of de resultaten van dergelijk onderzoek. Dit verbod geldt niet als de verzekerde som boven de zogenaamde «vragengrens» uitkomt, zoals uitgewerkt in het tweede lid van artikel 5. Het is goed mogelijk dat boven die vragengrens dergelijke vragen aan aspirant-verzekerden gesteld worden. Dat is in lijn met de wet.
Hoe verhoudt een dergelijke praktijk zich met het non-discriminatie-artikel 11 van het Verdrag inzake mensenrechten en biogeneeskunde, waarbij elke discriminatie op grond van zijn of haar genetisch erfgoed is verboden?2
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 9 nader uiteen zal zetten heeft Nederland het Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde niet geratificeerd en kan ik vragen over de verhouding van nationaal recht met verdragsbepalingen dus niet van een definitief antwoord voorzien. Verzekeraars mogen op grond van de Wet medische keuringen boven de «vragengrens» vragen stellen aan de keurling over erfelijke aandoeningen of genetische afwijkingen. Voor verzekeraars kan dit aanleiding zijn om op basis van deze antwoorden te bepalen dat er sprake is van een hoger risico en dit door te berekenen in de premie. De verzekeraar zal zich daarbij moeten houden aan de geldende regelgeving voor gelijke behandeling, dat wil zeggen dat dit niet mag leiden tot een verboden onderscheid op basis van handicap of chronische ziekte.
Hoe verhoudt een dergelijke praktijk zich met artikel 12 van het Verdrag inzake mensenrechten en biogeneeskunde waarbij wordt gesteld dat voorspellend genetisch onderzoek alleen mag worden gebruikt voor gezondheidsdoeleinden of wetenschappelijk onderzoek ten behoeve van gezondheidsdoeleinden?3
Het Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde verbiedt genetische tests als deze niet in het kader van gezondheidsdoeleinden worden gedaan. In de Wet medische keuringen mag geen onderzoek worden gedaan dat een onevenredige inbreuk betekent op de persoonlijke levenssfeer van degene die wordt gekeurd. De vraag is of de Nederlandse wet daarmee minder streng is dan het verdrag. Dit zal nog moeten worden bezien (zie ook antwoord op vraag 9).
Klopt het het dat Nederland het Verdrag inzake mensenrechten en biogeneeskunde wel ondertekend heeft maar nog steeds niet geratificeerd? Zo ja, wat is hiervan de reden? Zo ja, bent u bereid dit verdrag te ratificeren? Zo ja, op welke termijn?4
Nederland heeft het Verdrag ondertekend op 4 april 1997. Ratificatie van het Verdrag is enkele malen uitgesteld, vanwege wisselingen van kabinetten en omdat eerst duidelijkheid nodig is omtrent eventuele voorbehouden die bij ratificatie zouden moeten worden gemaakt. Die voorbehouden zijn afhankelijk van in de Nederlandse wet opgenomen afwijkende bepalingen. Verschillende wetsvoorstellen, zoals de Wet op de Orgaandonatie en de Embryowet, waren in de tussenliggende periode nog in behandeling in het Parlement. Ook nu ligt er een wetswijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen in de Kamer die, wanneer die wordt aangenomen, een voorbehoud noodzakelijk maakt. Eventuele ratificatie is daarmee eerst pas aan de orde als dit wetsvoorstel in het parlement is besproken.
Bent u nog steeds van mening dat het hebben van Familiaire Hypercholesterolemie zonder bijkomende risicofactoren geen gevolgen mag hebben voor de verzekerbaarheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, geldt dit ook voor andere aangeboren aandoeningen of het verhoogde risico daarop? Kunt u uw antwoord toelichten?5
Familiaire Hypercholesterolemie (FH) is een erfelijke vetstofwisselingsstoornis. Als een drager van een mutatie voor FH niet wordt behandeld, dan is er een beduidend hogere kans dat hij vroegtijdig overlijdt als gevolg van hart- en vaatziekten. Als de behandeling van FH een gunstig effect heeft en er geen sprake is van bijkomende risicofactoren (zoals gewicht, bloeddruk en roken) wordt de aangevraagde verzekering in principe op standaardvoorwaarden geaccepteerd, conform de afspraken uit 2003 hierover tussen het Verbond van Verzekeraars, Stichting Opsporing Familiaire Hypercholesterolemie (StOEH) en Stichting Bloedlink.
In hoeverre dit ook geldt voor andere aangeboren aandoeningen of het verhoogde risico daarop laat ik aan de afspraken die verzekeraars, patiënten en artsen kunnen maken (artikel 9 Wet op de medische keuringen). Ik ben wel van mening dat wanneer bij andere aangeboren aandoeningen dezelfde omstandigheden als FH gelden (de behandeling heeft een gunstig resultaat en er zijn geen bijkomende risicofactoren), de aangevraagde verzekering op vergelijkbare wijze als bij de geschetste afspraken daarover bij FH moet worden aangeboden en kan worden geaccepteerd.
Deelt u de mening dat nu onduidelijk is hoe verzekeraars tot hun risico-inschatting komen? Vindt u ook dat verzekeraars hier openheid over moeten geven? Deelt u voorts de mening dat er een uniforme wetenschappelijke standaard moet komen waaraan verzekeraars moeten toetsen? Zo ja, hoe gaat u dat bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Verzekeraars baseren hun risico-inschatting op een onafhankelijk advies van de medisch adviseur. Die weegt de informatie van de aspirant-verzekerde met behulp van de stand van de wetenschap, statistische gegevens en zijn eigen medisch-specialistisch oordeel. De gegevens die de medisch adviseur hiervoor gebruikt zijn niet openbaar, tenzij er sprake is van openbare bronnen. Wel dient de medisch adviseur aan de aspirant-verzekerde uit te leggen hoe en waarom hij tot een ander advies dan acceptatie op standvoorwaarden is gekomen, tenzij aspirant-verzekerde daar geen prijs op stelt.
Ik ben niet van mening dat verzekeraars hier meer openheid van zaken over moeten geven. Een deel van de statistische gegevens die verzekeraars gebruiken, is gebaseerd op gegevens van de verzekeraar zelf. Deze gegevens zijn bedrijfsgevoelig. Het is begrijpelijk dat verzekeraars deze gegevens uit concurrentieoverwegingen niet openbaar maken.
Een uniforme wetenschappelijke standaard waaraan verzekeraars moeten toetsen acht ik niet mijn verantwoordelijkheid. Verzekeraars en artsen overleggen met patiëntenorganisaties over de statistische gegevens die worden gebruikt om tot risicobeoordeling te komen. Hoewel het gebruik van statistische gegevens per definitie niet de recente situatie weergeeft, begrijp ik dat verzekeraars er in overleg met patiëntenorganisaties naar streven de meest recente statistische gegevens te gebruiken.
Hoeveel mensen krijgen jaarlijks te maken met een verzekeraar die hen weigert voor een verzekering dan wel een hogere premie krijgen opgelegd? Kunt u een totaaloverzicht geven, uitgesplitst per ziekte? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen mensen die worden geweigerd en mensen die een hogere premie opgelegd krijgen? Wanneer dit overzicht ontbreekt, bent u dan bereid een onderzoek te laten doen door een gerenommeerd onderzoeksinstituut? Zo ja, kan de Kamer dan de onderzoeksopdracht ter beoordeling ontvangen?
Ik beschik niet over dergelijke gegevens. Ik ben ook niet voornemens om een dergelijk onderzoek te laten uitvoeren, omdat ik de toegevoegde waarde van een dergelijk onderzoek niet inzie. In het verzekeringsbedrijf is solidariteit een belangrijk grondbeginsel. Iedereen moet toegang kunnen hebben tot belangrijke verzekeringsproducten. Verzekeraars hebben daarbij de maatschappelijke taak om individuele risico’s te spreiden over een grotere groep mensen. Inherent daaraan is dat verzekeraars de verschillen in risico’s, bijvoorbeeld naar aanleiding van de ziektegeschiedenis van een persoon, verdisconteren in de verzekeringspremie. Indien dit niet het geval zou zijn, zou de solidariteit van de verzekeringen juist onder druk kunnen komen te staan.
Bent u van mening dat de Wet op de medische keuringen mensen voldoende beschermt? Zo ja, waarom?
Ja, ik ben van mening dat de Wet op de medische keuringen mensen voldoende beschermt. Uit de tweede evaluatie van de Wet op de medische keuringen (Kamerstukken II 2006/07, 28 172, nr. 4) blijkt dat de wet op hoofdlijnen voldoet. De in het rapport benoemde knelpunten zijn opgepakt, zoals in het standpunt destijds op het rapport is aangegeven (Kamerstukken II 2006/07, 28 172, nr. 5), en vorig jaar is een wetsvoorstel met aanpassingen gepasseerd (Staatsblad 2012, 146). De wet beschermt de keurling als kwetsbare partij waarbij hij ook rekening houdt met de positie van de keuringvrager, de verzekeraar, als risicodrager.
Is het waar dat de Wet op de medische keuringen niet voldoet aan Europese regelgeving? Zo ja, wat gaat u ondernemen om te zorgen dat de wet in lijn komt met Europese regelgeving?
Of de Wet op de medische keuringen niet voldoet aan het Verdrag voor rechten van de mens en de biogeneeskunde moet nog worden bezien (zie ook antwoord op vraag 8). De wet is voor zover mij bekend in lijn met andere Europese regelgeving.
Bent u bereid de Wet op de medische keuringen aan te scherpen, om zo in de toekomst te voorkomen dat verzekeraars discrimineren op grond van medisch verleden of genetische aanleg? Zo ja, wanneer kan de Kamer een voorstel verwachten? Zo nee, wat bent u dan voornemens te doen om verzekeringsdiscriminatie op basis daarvan in de toekomst uit te bannen?
Allereerst wil ik benadrukken dat wanneer verzekeraars onderscheid maken op grond van medisch verleden of genetische aanleg dit niet per se een verboden onderscheid is op grond van chronische ziekte of handicap (zie ook mijn antwoorden op vragen 2, 3 en 7). Dat gezegd hebbende, beziet het kabinet thans in hoeverre ratificatie van het Biogeneeskundeverdrag wenselijk is.
Het faillissement van Stichting Nederlands Opvangcentrum Papegaaien (N.O.P.) |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Stichting Nederlands Opvangcentrum Papegaaien (N.O.P.) failliet is verklaard? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Ja, op dinsdag 29 januari jl. is door de rechtbank Den Bosch het faillissement uitgesproken.
Kunt u uiteenzetten hoe het nu met het welzijn van de dieren in het N.O.P. is gesteld, of de dieren genoeg voedsel en verzorging krijgen en wie nu verantwoordelijk is voor het welzijn van de dieren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van mening dat het dierenwelzijn en de zorg voor de dieren goed zijn gewaarborgd en waarom wel of niet?
Na de signalen over de financiële problemen is de NOP eerst maandelijks en vanaf november 2012 wekelijks door de NVWA bezocht. De huidige houder, de curator, is op dit moment verantwoordelijk voor de dieren, totdat een nieuwe eigenaar of houder voor de dieren wordt gevonden. Ook met de curator is regelmatig contact en ook nu wordt het welzijn van de dieren regelmatig gecontroleerd. Op de verzorging en het welzijn van de dieren is en wordt derhalve intensief toegezien. Er is op dit moment geen reden te twijfelen aan het welzijn van de dieren.
Kunt u bevestigen dat het welzijn van de dieren na faillissement onder verantwoordelijkheid van een curator is gekomen, zoals eerder aangegeven door een woordvoerder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)?1 Zo nee, hoe zit het dan? Zo ja, hoe wordt het dierenwelzijn gewaarborgd en wie neemt de zorg voor de dieren op zich?
Na de faillissementverklaring is door de rechtbank een curator aangewezen. De curator moet zich, net als elke houder van (beschermde)dieren, houden aan de relevante wetgeving.
Kunt u uiteenzetten of en hoeveel dieren er nog bij het N.O.P. aanwezig zijn, wat er met deze dieren gaat gebeuren en door wie zij opgevangen zullen worden? Zo nee, waarom niet?
Er zijn op dit moment nog zo'n 1800 á 1900 dieren aanwezig bij de NOP. De curator is bezig om een oplossing te vinden voor de dieren. Hij is onder andere op zoek naar een overnamekandidaat of een locatie elders waar de dieren kunnen worden ondergebracht.
Is de NVWA nog betrokken bij het toezicht op (de dieren van) het N.O.P. en het waarborgen van het dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet en hoe kunt u het welzijn van deze dieren dan borgen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat alle dieren, die nog bij het N.O.P. aanwezig waren of zijn, een goed opvangadres krijgen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ik zie toe op de naleving van de relevante wetgeving. Het is nu aan de curator om een oplossing te vinden voor de dieren.
Het weigeren van een journalist van de publieke omroep |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jorritsma weigert PowNews toegang tot het stadhuis»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie dat een bestuurder een journalist van de publieke omroep de toegang tot een evenement op het stadhuis ontzegt dat wel voor andere journalisten toegankelijk was?
De gemeente Almere gaat zelf over zijn uitnodigingen en de manier waarop men om gaat met pers/media. Burgemeester mw. Jorritsma heeft gezegd dat Powned bij openbare bijeenkomsten – raadsvergaderingen, persconferenties – welkom is, maar in dit geval zou het zijn gegaan om een besloten bijeenkomst.
Deelt u de mening dat het aanzien van de politiek geschaad wordt wanneer specifieke journalisten, die wél kritische vragen stellen, niet meer op het stadhuis mogen komen?
In het algemeen geldt dat democratie en politiek gediend zijn met openheid en toegang voor publiek en media/journalisten.
Gaat u, of een ander lid van het kabinet, met burgemeester Jorritsma in gesprek om toekomstige excessen te voorkomen?
Nee. Dit is en blijft een zaak van de gemeente Almere, waarover desnoods in de gemeenteraad van Almere publieke verantwoording kan worden afgelegd.
Het bericht dat er geen sms wordt verzonden via AMBER Alert na 22 uur ’s avonds |
|
Nine Kooiman , Peter Oskam (CDA), Magda Berndsen (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat er geen sms wordt verzonden via AMBER Alert na 22.00 uur?1
Eerder zijn er naar aanleiding van het ‘s nachts verzenden van een AMBER Alert over de SMS klachten van deelnemers binnengekomen. Het risico ontstond dat deelnemers zouden afhaken omdat ze ’s nachts gestoord worden door binnenkomende SMS-berichten.
Naar aanleiding van deze klachten en gezien het feit dat er meerdere kanalen beschikbaar zijn voor het versturen en verspreiden van een AMBER Alert is toen besloten dat er tussen 22 en 7 uur geen AMBER Alert wordt verstuurd per SMS.
De politie heeft echter inmiddels de mogelijkheid onderzocht om een AMBER Alert per sms gedifferentieerd aan te bieden, waardoor deelnemers via de website kunnen aangeven of zij tussen 22 en 7 uur een AMBER Alert via de SMS willen ontvangen. Deze faciliteit is naar verwachting binnen een tot anderhalve maand gereed.
Klopt het bericht dat er tussen 22.00 en 07.00 uur geen AMBER Alert wordt verstuurd per sms? Zo ja, wat is de afweging om dit niet te doen?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeveel gevallen per jaar wordt er een AMBER Alert verstuurd?
Jaarlijks worden ongeveer 5 AMBER Alerts verstuurd.
In hoeveel gevallen wordt er via sociale media, zoals Twitter, Facebook en Hyves, een AMBER Alert verstuurd in de uren tussen 22.00 en 07.00 uur?
In principe wordt er altijd gebruik gemaakt van social media wanneer een AMBER Alert wordt opgezet, dus ook ’s nachts.
Deelt u de mening dat juist de eerste uren na een vermissing cruciaal zijn? Deelt u dan ook de mening dat het wenselijk zou zijn om na 22.00 uur per sms een AMBER Alert te versturen?
Zie het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid te bevorderen dat een AMBER Alert tussen 22.00 en 07.00 uur ook per sms verstuurd kan worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Is het waar dat er een groep deelnemers aan AMBER Alert geen prijs stelt op sms’jes in de nachtelijke uren? Zo ja, bent u in dat geval bereid te onderzoeken dat AMBER Alert gedifferentieerd verstuurd kan worden, te weten direct naar de deelnemers die 24 uur per dag geïnformeerd willen worden en uitgesteld naar de groep die ’s nachts niet gestoord wil worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat Europese landbouwsubsidies naar kerken en sjoelclubs gaan |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Europese landbouwsubsidies naar kerken en sjoelclubs»?1
Ik heb kennis genomen van de inhoud van het artikel. Het gaat om middelen uit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) ten behoeve van plattelandsbeleid.
Dergelijke projecten worden ondersteund vanuit het huidige Plattelands-ontwikkelingsprogramma 2007–2013 (het zogenaamde «POP2»). In 2006 is de invulling van dit programma en de budgetverdeling aan de Kamer voorgelegd (Kamerstuk 29 717, nr. 7) en in 2007 volgde de formele aanbieding (Kamerstuk 29 717, nr. 12). Verder publiceert Nederland sinds 2005 actief de subsidiegegevens. De subsidiebedragen zijn voor een periode van twee jaar openbaar.
We staan nu aan de vooravond van het nieuwe programma. Ik heb daarvoor een andere besteding voor ogen. Mijn ambities liggen vooral op het vlak van innovatie en duurzaamheid.
Deelt u de opvatting dat landbouwsubsidies niet bedoeld zijn voor het bouwen of onderhouden van mortuaria of religieuze gebouwen, sport- en gezelligheidsverenigingen en overige niet aan landbouw gerelateerde organisaties en is deze subsidieverstrekking naar uw mening in overeenstemming met de letter en de geest van de regels?
Het POP2 heeft vier doelstellingen en kent een assenstructuur:
Op grond van de Europese plattelandsverordening zijn lidstaten in het huidige programma gehouden budget aan deze vier assen te besteden, ook Nederland. Destijds is er samen met de provincies en na overleg met uw Kamer tot een verdeling gekomen voor het Nederlandse programma.
De voorbeelden aangehaald in het artikel vallen onder as 3. De subsidiemaatregelen binnen deze as richten zich op niet-landbouwgerelateerde doelstellingen en de meesten hebben een andere doelgroep dan landbouwers:
Dit deel van het POP2 maakt onderdeel uit van het gebiedsgerichte spoor, er wordt per provincie invulling aan gegeven. Voor de inzet van as 4 middelen wordt door lokale groepen bepaald waaraan binnen de drie andere assen van POP2 – en aan wie – geld wordt besteed («bottom-up» besluitvorming). Voor het overgrote deel worden door deze lokale LEADER-groepen projecten gefinancierd die vallen onder de maatregelen van as 3.
Conform de doelstellingen en binnen de kaders van het POP2 worden er dus middelen ingezet voor niet-landbouwgerelateerde doeleinden. De nationale cofinanciering (ten minste 50%) wordt verstrekt door de provincies en andere overheden als gemeenten en waterschappen.
Kunt u een overzicht verschaffen van de in Nederland ontvangen landbouwsubsidies van de laatste 5 jaar, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen enerzijds subsidies die voor de landbouw zijn gebruikt en anderzijds voor andere doelen dan de landbouw, gesplitst naar ontvanger, doel en bedrag?
In het licht van het artikel beantwoord ik deze vraag vanuit het POP2, waarbij de maatregelen onder as 1 en 2 («concurrentiekracht landbouwsector» en «milieu en platteland») tot landbouwgerelateerde subsidies worden gerekend en de maatregelen onder as 3 en 4 tot de niet-landbouwgerelateerde subsidies3. Ik verwijs u voor de beschikbare budgetten naar de beantwoording van vraag 5.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de in Nederland uitgekeerde Europese bedragen per as per Europees boekjaar.
Doelstelling POP2
2007
(€)
2008
(€)
2009
(€)
2010
(€)
2011
(€)
As 1: Concurrentievermogen van de landbouwsector
2.352.347
3.594.355
6.638.304
14.696.392
13.490.999
As 2: Milieu en platteland
15.394.853
18.604.784
19.368.337
17.550.576
22.763.323
Totaal landbouwgerelateerd
17.747.200
22.199.139
26.006.641
32.246.968
36.254.322
As 3: leefkwaliteit en plattelandseconomie
361.333
999.138
6.293.834
21.511.147
24.202.318
As 4: LEADER aanpak
5.518
25.541.852
8.625.192
10.523.204
Totaal niet-landbouwgerelateerd
361.333
1.004.656
31.835.686
30.136.339
34.725.522
Informatie over de ontvangers en bedragen worden conform Europese regelgeving voor twee jaar publiekelijk beschikbaar gesteld. Momenteel zijn de gegevens van de jaren 2010 en 2011 gepubliceerd. Zoals bovenstaande tabel illustreert zijn dit jaren waarin in de volledige breedte van het programma bestedingen hebben plaatsgevonden.
Het in het artikel aangehaalde type projecten wordt binnen as 3 en as 4 ondersteund vanuit voornamelijk de volgende subsidiemaatregelen:
De volgende tabel geeft een differentiatie naar de aantallen projecten en Europese bedragen weer voor deze maatregelen in 2010 en 2011.
POP2 maatregelen
2010
2011
Aantal projecten
Bedrag (EU €)
Aantal projecten
Bedrag (EU €)
321: Basisvoorzieningen voor de economie en plattelandsbevolking
39
2.968.511
44
3.975.513
323: Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed
67
5.445.432
97
7.897.296
413: LEADER Leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie
237
7.585.978
280
9.382.642
totaal
343
15.999.921
421
21.255.451
Ik verwijs u voor de databank met gegevens over de ontvangers van betalingen (per project kan er sprake zijn van meerdere betalingen) naar de internetpagina van Dienst Regelingen, waarbij per maatregel per ontvanger4 het Europese bedrag wordt gepubliceerd:
Klopt het dat elders in de Europese Unie landbouwsubsidies ook gebruikt worden voor andere doelen dat het ondersteunen van landbouwers?2 Bent u bereid andere landen daarop aan te spreken of de wenselijkheid daarvan te agenderen in Europees verband?
Ja, het klopt dat in de andere lidstaten ook middelen in het POP2 worden ingezet voor niet-landbouw gerelateerde doeleinden. Evenals Nederland zijn ook andere lidstaten in het huidige programma verplicht aan alle assen budget te besteden. De programma’s daarvoor zijn primair de verantwoordelijkheid van de lidstaat zelf en worden beoordeeld en goedgekeurd door de Europese Commissie.
Op welke wijze andere lidstaten het toekomstig programma inrichten is aan de lidstaten zelf. Er zijn grote verschillen in de omstandigheden en situaties op het platteland tussen de lidstaten. Het is daarom op basis van subsidiariteit belangrijk dat ieder daarin zijn eigen keuzes maakt. In de onderhandelingen benadruk ik het belang van innovatie en investeringen voor duurzaamheid.
Welk deel van het totale budget voor landbouwsubsidies wordt uitgekeerd aan niet-landbouw gerelateerde activiteiten, op Europees niveau en voor wat betreft de Nederlandse subsidies? Om hoeveel geld gaat het jaarlijks in totaal?
Bent u bereid om u in Europa sterk te maken voor een zuivere besteding van landbouwsubsidies en het geld dat daardoor overblijft te investeren in innovatie en onderzoek? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
In het toekomstig plattelandsbeleid komt de assenstructuur naar verwachting te vervallen. Daarvoor komen thema’s in de plaats die mede moeten bijdragen aan de realisatie van de EU2020 doelen:
Er zal naar verwachting ook geen sprake zijn van een verplichte «minimum inzet» voor elk thema. In de wetgevingsvoorstellen voor het toekomstig plattelandsbeleid is opgenomen dat lidstaten de inspanningen die in de programmeringsperiode 2007–2013 zijn gemaakt op hetzelfde niveau moeten houden en minimaal 25% voor klimaatmitigatie en -adaptatie en landbeheer moeten besteden6. Daarnaast moet ten minste 5% worden voorbehouden voor LEADER.
Ondanks deze verplichtingen krijgen lidstaten meer mogelijkheden voor doelgerichte sturing van maatregelen in het kader van het plattelandsbeleid. In lijn met het Regeerakkoord en het kabinetsstandpunt over het GLB is het mijn voornemen om de toekomstige uitgaven voor het platteland enkel te richten op agrariërs en agrarisch grondgebruik. Met name op het gebied van versterking van het innovatief vermogen en de duurzaamheid van de landbouwsector.
Daarbij merk ik op dat andere overheden, zoals de provincies, ook een inhoudelijke en financiële bijdrage zullen leveren aan het nieuwe programma. Er zal sprake zijn van één gezamenlijk programma.
Kunt u aangeven op welke momenten in de onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader (MFK) u naar aanleiding van de moties van het lid Pechtold c.s. (Kamerstuk 21 501-20 nr. 643 ) en van het lid Klaver c.s. (Kamerstuk 21 501-20 nr. 696 ) aangedrongen hebt op het beperken van de landbouwsubsidies ten gunste van onderzoek en innovatie?
Ik verwijs u naar de brief aan de Kamer met het verslag van de Europese Raad (Kamerstuk 21 501-20, nr. 753).
Door het Internationaal Strafhof vrijgesproken verdachten |
|
Gerard Schouw (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Het Strafhof spreekt je vrij, de politie pakt je op»?1
Ja.
Deelt u de mening van de geïnterviewde hoogleraar dat het absurd is dat Nederland een Congolees heeft opgepakt en hem het land wilde uitzetten, daarmee een uitspraak van de hoogste rechter negerend? Waarom wel of niet?
Betrokkene is door de Trial Chamber van het Internationaal Strafhof vrijgesproken. Dat betekent echter niet dat de vreemdeling het recht heeft in Nederland te verblijven. Het Hof dient zo spoedig mogelijk passende voorzieningen te treffen voor overbrenging van de betrokken persoon naar een derde staat. Uit het zetelverdrag volgt dat de Nederlandse autoriteiten in dat geval gehouden zijn om dit proces te faciliteren. Betrokkene heeft tijdens dit proces verzocht om bescherming. Dat verzoek is op dit moment in behandeling.
Nederland heeft betrokkene zijn vrijheid ontnomen in het kader van genoemde vreemdelingrechtelijke procedure. Deze procedure staat los van zijn vervolging door het Strafhof.
Heeft het Internationaal Strafhof onderzocht of de Congolees veilig kan terugkeren naar Congo? Zo ja, welke gevolgen heeft dat oordeel voor zijn detentie en asielaanvraag?
Het is aan het Strafhof om te beslissen over het instellen van een veiligheidsonderzoek op grond van de voor dat Hof toepasselijke regelgeving. Over de gevolgen van een eventuele toetsing van het Internationaal Strafhof voor de asielaanvraag kan ik geen uitspraken doen. Zoals gebruikelijk wordt over individuele procedures geen informatie verstrekt.
Gebeurt het vaker dat vrijgesproken verdachten bij vrijlating worden opgepakt door de Nederlandse autoriteiten? Welke afwegingen worden hierbij gemaakt? Wordt het Internationaal Strafhof ook hierbij betrokken?
Een dergelijke situatie heeft zich nog niet eerder voorgedaan. Nederland en het Strafhof werken samen aan structurele afspraken over hoe hier in de toekomst mee moet worden omgegaan. Op 15 februari jongstleden heb ik hierover gesproken met de minister van Buitenlandse Zaken en de President van het Internationaal Strafhof.
Kunt u een indicatie geven van het aantal vrijgesproken verdachten die asiel hebben aangevraagd in Nederland de afgelopen jaren? Is er sprake van een toename?
Ook deze situatie heeft zich nog niet eerder voorgedaan.
Zijn er afspraken gemaakt met andere landen over de opvang van vrijgesproken verdachten voor wie het te gevaarlijk is om terug te keren of is dit primair een verantwoordelijkheid voor Nederland?
Nederland is op grond van het zetelverdrag niet verplicht om dergelijke personen toe te laten en in Nederland te laten verblijven. De taak van het gastland strekt in dit geval niet verder dan het faciliteren van hun overbrenging naar een derde land. Het is de verantwoordelijkheid van het Strafhof om hierover afspraken te maken met dergelijke landen.
Het gebruik en de schadelijke effecten van de drugs GHB |
|
Myrthe Hilkens (PvdA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending1 over het gebruik en de schadelijke effecten van de drug GHB?
Ja.
Deelt u de mening dat GHB een zeer verslavende drug is, waarbij alles op alles moet worden gezet om het gebruik ervan te ontmoedigen?
GHB is een middel dat al na enkele weken dagelijks gebruik tot verslaving kan leiden. Het gebruik van GHB brengt verschillende ernstige gezondheidsrisico’s met zich mee, zoals het gevaar om in coma te raken. Ik vind het daarom van groot belang het gebruik van GHB te ontmoedigen.
Wat doet u eraan om te voorkomen dat jongeren met GHB beginnen? Welke verklaring heeft u voor de toename van het aantal verslaafden, nu al jaren op rij?
De voorlichting over drugs van het Trimbos-instituut en de instellingen voor verslavingszorg gaat specifiek in op GHB en de mogelijke gezondheidsrisico’s van dit middel. Zo heeft het Trimbos-instituut de site www.drugsenuitgaan.nl voor jongeren die uitgaan en de site www.drugsinfo.nl voor het algemene publiek. Ook de instellingen voor verslavingszorg waarschuwen voor de gezondheidsrisico’s met folders, factsheets en sites, zoals bijv. www.drugsinfoteam.nl van Brijder. In enkele regio’s waar GHB-gebruik relatief vaker wordt gesignaleerd, zoals Heerenveen en West-Brabant, werken gemeente, verslavingszorg, jongerenwerk en andere instanties aan een gezamenlijke doelgroepgerichte aanpak.
Voor persoonlijke informatie en advies kunnen de jongeren direct vragen stellen aan professionals via de alcohol en drugsinfolijn en via de chatservice en sociale media als facebook en twitter.
De GGD-Amsterdam is in samenwerking met Jellinek/Arkin en Unity in 2012 gestart met een voorlichtingscampagne die gericht is op het uitgaanspubliek en tot doel heeft «out gaan» te voorkomen.
Tot 2006 werd GHB-verslaving incidenteel gesignaleerd. In de periode 2007–2012 is het aantal mensen dat zich met GHB-problematiek tot de verslavingszorg heeft gewend toegenomen van ongeveer 60 in 2007 tot bijna 800 in 2012. Dit is een forse toename maar op het totaal aan hulpvragen bij de verslavingszorg vormen zij nog een betrekkelijk kleine groep. Het is onduidelijk waaraan de groei van het aantal GHB-verslaafden is toe te schrijven. Een mogelijke verklaring voor deze toename is dat GHB relatief eenvoudig zelf te maken, goedkoop en gemakkelijk beschikbaar en verkrijgbaar is. Verder blijkt de craving, het verlangen naar GHB, naar het zich nu laat aanzien zo hevig te zijn, dat veel patiënten die zijn behandeld voor hun GHB-verslaving binnen enkele maanden opnieuw GHB gebruiken en verslaafd raken.
Via welke kanalen licht de overheid jongeren voor over deze drug? Bent u van mening – met de specialist in de uitzending – dat de aandacht voor deze drug geïntensiveerd moet worden?
Voor het antwoord op het eerste deel van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Het aantal actuele GHB-gebruikers wordt geschat op 22.0002. Uit enkele onderzoeken3 is af te leiden dat er een viertal gebruikersgroepen zijn, namelijk deelnemers van party’s en dancefeesten, hangjongeren, thuisgebruikers en swingers, kinky- en gayscene. Verslavingsproblematiek speelt met name onder hangjongeren en thuisgebruikers. Ik ben dan ook van mening dat via een lokale maatwerkaanpak, zoals in Heerenveen en Rucphen, vooral op deze doelgroepen gericht moet worden.
Wat vindt u van de opmerking in de reportage dat het Trimbos Instituut onvoldoende zicht heeft op het aantal thuisgebruikers? Op welke wijze is er nu inzicht in het aantal thuisgebruikers van GHB?
Niemand heeft precies zicht op wat zich achter de voordeur afspeelt. Door het aanleggen van een gegevensverzameling uit diverse bronnen en het analyseren daarvan kan van het aantal thuisgebruikers wel een schatting worden gemaakt.
Bent u ervan op de hoogte dat GHB een verboden middel is? Hoe pakt in de praktijk handhaving van dit verbod uit, in acht genomen dat GHB thuis gemaakt kan worden?
GHB is in 1999 op lijst II van de Opiumwet geplaatst. In verband met de signalen waaruit bleek dat aan GHB ernstige gezondheidsrisico’s verbonden zijn is GHB in mei 2012 van lijst II naar lijst I van de Opiumwet verplaatst en als harddrug gekwalificeerd.
Vanuit het Landelijk Parket zijn afspraken gemaakt over de aanpak van handel in GBL. GBL is de precursor (grondstof) voor GHB. GBL kent legale toepassingen, maar wordt ook gebruikt voor het maken van GHB. GBL is vermeld op de Voluntary Monitoring List behorende bij de Europese Verordeningen 273/2004 en 111/2005 waar de Wet Voorkoming Misbruik Chemicaliën naar verwijst. Op deze lijst staan stoffen waarvan bekend is dat deze worden gebruikt in het productieproces van verdovende middelen (drugs). De chemische industrie is uitdrukkelijk verzocht om (op basis van vrijwilligheid) ongebruikelijke of verdachte transacties van deze stoffen te melden bij het Meldpunt Precursoren, waarna doorgeleiding van de melding naar de politie plaatsvindt. In de aanpak van de handel in GBL werken het Landelijk Parket, de Landelijke Eenheid en de FIOD samen. Daarbij zijn geen specifieke afspraken gemaakt met de opsporingsdiensten over de aanpak van de productie en handel in GHB.
Klopt het dat GHB in bepaalde regio’s meer dan in andere regio’s wordt gebruikt? Welke regio’s zijn dit en welke intensivering van voorlichtingsactiviteiten vindt hier plaats?
Dat klopt: het GHB-gebruik verschilt per regio.
In Amsterdam wordt GHB vooral recreatief gebruikt tijdens party’s en dancefeesten en in de swingers, kinky- en gayscene. Vorig jaar zijn de GGD, Jellinek/Arkin en Unity een voorlichtingscampagne gestart die zich specifiek op deze doelgroepen richt.
In Brabant is het gebruik van GHB betrekkelijk groot. In West-Brabant is een door VWS ondersteunde samenwerking van de meest betrokken parijen tot stand gebracht om een op met name GHB-gebruikende hangjongeren gerichte aanpak te realiseren. Een dergelijke aanpak is ook succesvol gebleken in twee andere regio’s waar relatief vaker GHB wordt gebruikt: Heerenveen en Twente.
Welke gevolgen heeft dit voor de beschikbaarheid van afkickplekken in de regio? Klopt het dat er wachtlijsten bij sommige verslavingsinstellingen zijn? Wat kan hieraan gedaan worden?
Alleen de verslavingszorginstelling in Brabant kan hulpvragende GHB-verslaafden niet onmiddellijk behandelen en hanteert een wachtlijst. Indien GHB-verslaafden niet direct in behandeling kunnen worden genomen krijgen zij advies op welke wijze gedurende de wachttijd gezondheidsrisico’s kunnen worden voorkomen. Het is ook mogelijk dat zij zich door een andere verslavingszorginstelling laten behandelen, in elk geval voor de eerste fase, de ontgifting. Tijdens de ontgiftingsfase zijn de gezondheidsrisico’s zo groot, dat intensieve inzet van gekwalificeerd personeel is vereist. Dit stelt grenzen aan de behandelcapaciteit. Verder blijkt dat een groot aantal behandelde GHB-verslaafden na verloop van tijd terugvalt en opnieuw verslaafd raakt aan GHB. Ik ben voornemens een project te ondersteunen waarmee wordt beoogd dat de behandeling zodanig wordt verbeterd dat terugval wordt gereduceerd.
Klopt het dat er jaarlijks evenveel comazuipers als personen met een GHB-coma het ziekenhuis worden binnengebracht? Op welke wijze zorgen ziekenhuizen ervoor dat mensen die met een GHB-coma worden binnengebracht ook de juiste vervolg-hulpverlening krijgen?
Uit cijfers van het Letsel Informatie Systeem van Veiligheid.nl blijkt dat in de periode 2007–2011 het aantal personen dat na GHB-gebruik op de spoedeisende hulp (SEH) belandde toenam van 500 naar 1000 per jaar, waarvan 10% tussen de 15 en 19 jaar en 55% tussen de 20 en 30 jaar. In dezelfde periode nam het aantal personen dat met een alcoholvergiftiging op de SEH belandde toe van 3900 naar 5300, waarvan 40% tussen de 10 en 20 jaar en 30% tussen de 20 en 30 jaar. Van de GHB-gebruikers op de SEH werd 33% opgenomen in het ziekenhuis, van de alcoholgebruikers 41%.
Afgelopen twee jaar is in het kader van een door mij ondersteund project een detoxbehandelprotocol GHB ontwikkeld, dat inmiddels door alle verslavingszorginstellingen wordt toegepast. Tevens zijn twee daarvan afgeleide protocollen opgesteld ten behoeve van herkenning en eerste behandeling van problematisch GHB-gebruik, bedoeld voor de SEH van ziekenhuizen en voor politie en justitie. De volgende stap is de ontwikkeling van de juiste vervolghulpverlening, waarbij meer intensief zal worden samengewerkt door SEH’s en verslavingszorginstellingen.
Heeft u er zicht op in hoeverre GBL op dit moment als alternatief gebruikt wordt nu GHB op lijst 1 staat? Hoe staat het met het voornemen om GBL op lijst 3 van de Wet Voorkoming Misbruik Chemicaliën te krijgen?
Daar heb ik geen duidelijk beeld van. Vanuit het project ontwikkeling GHB-behandelprotocol is aangegeven dat ongeveer 10% van de behandelde GHB-verslaafden ook GBL gebruikte.
Het voorstel van Nederlandse zijde om GBL op lijst 3 van de Wet Voorkoming Misbruik Chemicaliën te krijgen is gestrand als gevolg van onvoldoende draagvlak binnen de EU in deze.
Ik zal de Coördinatiecommissie Assessment en Monitoring nieuwe drugs opdragen een quick scan uit te voeren met betrekking tot het gebruik van GBL en daarbij verzoeken mij op basis van de uitkomsten te adviseren over een eventuele aanpassing van het huidige beleid.
Angst onder AOW’ers dat zij onbewust uitkeringsfraude plegen |
|
Paul Ulenbelt , Sadet Karabulut |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op de uitzending van EenVandaag over angst onder AOW’ers voor uitkeringsfraude?1
De Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW (hierna: Fraudewet) is op 1 januari 2013 in werking getreden. Hiermee is een aangescherpt sanctieregime in werking getreden dat beoogt mensen ervan te weerhouden om de regels te overtreden en de solidariteit tussen burgers binnen de sociale zekerheid te behouden. De boetebedragen voor het overtreden van de regels (fraude) zijn ingevolge deze wet aangepast, de criteria rond gezamenlijke huishouding niet. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft via een brief AOW-gerechtigden geïnformeerd over het gewijzigde sanctieregime. Met deze brief heeft de SVB invulling gegeven aan de wens van de Tweede Kamer om burgers goed over de Fraudewet te informeren. De brief, hoewel feitelijk juist, heeft reacties opgeroepen door de zakelijke toonzetting en heeft tot zorg geleid over de verscherpte maatregelen. De SVB betreurt dit ten zeerste. Het oogmerk van de brief was slechts om AOW-ers volledig te informeren over het gewijzigde sanctieregime. Zorg over het gewijzigde sanctieregime is niet nodig. De samenwoonregels in de Algemene Ouderdomswet (AOW) zijn door de Fraudewet niet gewijzigd. Indien de AOW-gerechtigde vragen heeft of twijfelt, kan hij zijn individuele situatie voorleggen aan de SVB.
Erkent u dat de onduidelijke richtlijnen voor het al dan niet samenwonen van mensen met een AOW-uitkering ervoor zorgen dat veel AOW’ers bang zijn dat zij uitkeringsfraude plegen? Zo ja, wat bent u van plan te doen om deze angst weg te nemen?
In de AOW zijn objectieve criteria opgenomen aan de hand waarvan wordt beoordeeld of sprake is van een gezamenlijke huishouding. Van een gezamenlijke huishouding is volgens deze wet sprake als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben (huisvestingscriterium) en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins (verzorgingscriterium). Als aan beide criteria is voldaan, kan een gezamenlijke huishouding worden aangenomen. In dat geval worden de ongehuwd samenwonenden qua rechten en plichten gelijkgesteld aan gehuwden en ontvangt ieder van hen een AOW-pensioen van 50% van het wettelijke minimumloon. In de gehele sociale zekerheid geldt dezelfde definitie van gezamenlijke huishouding.
De SVB stelt op basis van objectieve feitelijke omstandigheden in het individuele geval vast of er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Dat is maatwerk. De op dit punt gevormde jurisprudentie biedt daarvoor handvatten. Kern van de jurisprudentie is dat het uiteindelijke oordeel het resultaat is van een afweging van alle factoren, die uitsluitend in het individuele geval kan plaatsvinden. Dit betekent dat de SVB een zekere mate van beleidsvrijheid heeft bij de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998 waarborgt dat wanneer een uitvoeringsinstantie vaststelt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, dit tevens geldt voor de toepassing van de andere socialezekerheidswetten. Daarnaast is in alle socialezekerheidswetten de mogelijkheid gecreëerd tot het instellen van beroep in cassatie tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) met betrekking tot het begrip gezamenlijke huishouding. Op deze wijze is de rechtseenheid met betrekking tot een uniforme hantering en interpretatie van dit begrip binnen de sociale zekerheid gewaarborgd.
Of er sprake is van een gezamenlijke huishouding moet worden getoetst aan de hand van objectieve criteria. De aard van de relatie, affectief of niet, is niet relevant. Hetzelfde geldt voor de reden waarom men is gaan samenwonen. De wettelijke criteria met betrekking tot het begrip gezamenlijke huishouding zijn nader uitgewerkt in de rechtspraak. Er is uitgebreide jurisprudentie met betrekking tot het huisvestingscriterium voorhanden. Daaruit komt naar voren dat het aanhouden van afzonderlijke woonadressen op zichzelf niet aan het gezamenlijk voorzien in huisvesting of het gezamenlijk hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg hoeft te staan.2 In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat een feitelijke situatie van samenwonen bestaat, doordat slechts één van de feitelijk ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze een zodanig gebruik van woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken. In een dergelijk geval worden in de rechtspraak alle feiten en omstandigheden van het individuele geval in onderling verband bezien, gewogen en beoordeeld. Wat in de ene situatie in het licht van het geheel als een doorslaggevend feit wordt beschouwd om een gezamenlijke huishouding aan te nemen, is in een andere situatie slechts van betekenis in combinatie met andere feiten. Hieruit blijkt dat de feiten en omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding divers zijn en niet in één hoofdregel te vatten.
Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een gezamenlijke huishouding, dient de SVB in elk individueel geval inzicht te hebben in de feitelijke situatie van zowel het huisvestingscriterium als het verzorgingscriterium. Het is aan de belanghebbende aan te tonen hoe zijn feitelijke situatie in elkaar steekt. Het is raadzaam dat ouderen hun situatie voorleggen aan de SVB. Het tijdig, volledig en juist verstrekken van informatie over de individuele situatie leidt ertoe dat de SVB een goed beeld kan verkrijgen van de situatie waarin betrokkene verkeert, waardoor het mogelijk onbewust plegen van uitkeringsfraude tot een minimum kan worden gereduceerd.
Erkent u dat het bij het opleggen van een boete of sanctie op zijn minst duidelijk moet zijn aan welke eisen moet worden voldaan om gevrijwaard te blijven van boete of sanctie? Zo nee, waarom niet?
Gelet op het gestelde onder antwoord 2 is bekend aan welke criteria moet zijn voldaan voor het bepalen van een gezamenlijke huishouding en op welke wijze betrokkenen bij twijfel hun daadwerkelijke situatie hierop kunnen laten beoordelen. Er is dan ook geen reden om het sanctieregime aan te passen. De SVB en de rechter die de besluitvorming van de SVB kan toetsen gaan uit van de feitelijke situatie.
Bent u bereid om, zolang er geen duidelijke richtlijnen voor samenwonen gebaseerd op objectieve criteria bestaan, geen boetes en sancties op te leggen vanwege eventuele uitkeringsfraude aan al dan niet samenwonende AOW’ers? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat alleenstaande AOW’ers die regelmatig hulp en/of zorg krijgen van een familielid of kennis, zonder dat zij op hetzelfde adres staan ingeschreven, niet als samenwonend mogen worden beschouwd? Ook niet als die zorg eruit bestaat dat er nachten wordt overgebleven?
In de AOW is een uitzondering opgenomen voor de mantelzorger van een hulpbehoevende. Het AOW-pensioen van twee ongehuwde AOW-gerechtigden wordt niet herzien naar 50% als zij een gezamenlijke huishouding gaan voeren omdat één van hen hulpbehoevend is en beiden over een eigen woning beschikken waarvoor ieder voor de eigen woning de financiële lasten draagt. Hulpbehoevend is de persoon die door ziekte of een of meer stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet is staat is om een eigen huishouding te voeren omdat hij dagelijks is aangewezen op intensieve hulp van anderen. De hulpbehoevendheid moet aanleiding zijn voor het gaan voeren van een gezamenlijke huishouding. Voerde men al een gezamenlijke huishouding voor het ontstaan van de zorgbehoefte, dan geldt de uitzondering niet.
Bent u bereid de richtlijnen voor samenwonen die de Sociale Verzekeringsbank (SVB) stelt aan te passen en deze richtlijnen te baseren op objectieve criteria, zoals de aanwezigheid van twee woningen en aan- of afwezigheid van alle daaraan verbonden kosten? Zo nee, waarom niet?
In de regel zal er op basis van de huidige wetgeving geen sprake zijn van een gezamenlijke huishouding als twee personen ieder een eigen woning hebben. In de meeste gevallen zullen die personen ieder in de eigen woning het hoofdverblijf hebben en daar bij de Gemeentelijke basisregistratie (GBA) staan geregistreerd. Een persoon heeft zijn hoofdverblijf daar waar zijn gezin verblijft, zijn persoonlijke bezittingen staan en waar hij gewoonlijk het merendeel van zijn tijd doorbrengt. Het komt echter voor dat een persoon weliswaar op een adres in de GBA staat ingeschreven, maar op dat adres weinig verblijft, terwijl hij veel tijd in een andere woning doorbrengt. Onder die omstandigheden kan de aanwezigheid van twee woningen noch het GBA-adres doorslaggevend zijn bij de beoordeling van de vraag waar een persoon zijn hoofdverblijf heeft. Als een persoon op meerdere adressen verblijft, zal door de SVB aan de hand van de feiten en omstandigheden van het individuele geval worden beoordeeld waar deze persoon zijn hoofdverblijf heeft. Hier geldt, zoals in antwoord op vraag 2 is aangegeven, dat wat in de ene situatie in het licht van het geheel als een doorslaggevend feit wordt beschouwd om een gezamenlijke huishouding aan te nemen, in een andere situatie slechts van betekenis is in combinatie met andere feiten. Hieruit blijkt dat de feiten en omstandigheden die tot het oordeel kunnen leiden dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding divers zijn en niet in één hoofdregel te vatten.
Deelt u de mening dat controles op al dan niet samenwonen van AOW’ers alleen mogen plaatsvinden wanneer daar gerede grond voor is? Bent u bereid de steekproefsgewijze controles op al dan niet samenwonende AOW’ers te stoppen, omdat het recht op privacy hiermee in gevaar komt? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de belanghebbende om aan te tonen hoe zijn feitelijke situatie in elkaar steekt. Daarvoor geldt in de AOW een inlichtingenverplichting. De SVB kan de verstrekte gegevens verifiëren aan de hand van administratieve controles, bestandskoppelingen of huisbezoeken. Een gerede grond is daarbij niet nodig want het behoort tot het reguliere verificatieproces om de rechtmatigheid van de uitkering te kunnen waarborgen. Bij steekproefsgewijze administratieve controles is de SVB gebonden aan de Wet bescherming persoonsgegevens waardoor de privacy is geborgd. De privacy bij steekproefsgewijze huisbezoeken is geborgd doordat de betrokkene een dergelijk huisbezoek mag weigeren zonder dat dit gevolgen heeft voor zijn uitkering.
Diefstal van medicatie uit een ziekenhuis |
|
Hanke Bruins Slot (CDA), Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ook verbaasd over de eenvoudige manier waarop «Undercover in Nederland» aantoont dat onbevoegden zware en verslavende medicatie als morfine mee kunnen krijgen in het ziekenhuis in Roosendaal?1
Ik neem ik aan dat gedoeld wordt op het ziekenhuis in Bergen op Zoom.
Ik acht de eenvoudige manier waarop onbevoegden blijkbaar zware en verslavende medicatie mee kunnen krijgen in strijd met de regels en een ernstige zaak.
Welke richtlijnen/protocollen bestaan er voor medicatieverstrekking in ziekenhuizen? Beschikte het ziekenhuis over een dergelijk(e) protocol/richtlijn?
Landelijk is de Ziekenhuis Apotheek Standaard (ZAS 2010) van toepassing. Deze geldt als standaard voor de Nederlandse ziekenhuisfarmacie en geeft aan waar de ziekenhuisapotheker aan moet voldoen om zijn professie goed uit te oefenen. Daarmee geeft de ZAS invulling aan het begrip verantwoorde zorg op grond van de Kwaliteitswet Zorginstellingen. Verschillende richtlijnen met een landelijke werking zijn voor de medicatieverstrekking binnen het ziekenhuis van belang. Binnen de wettelijke kaders en richtlijnen leggen ziekenhuizen doorgaans in protocollen het te doorlopen proces en de inrichting van de verantwoordelijkheden zo goed mogelijk concreet vast. Het ziekenhuis in Bergen op Zoom had de beschikking over een dergelijk protocol.
Deelt u de mening dat het voor de patiëntveiligheid van belang is dat medicatie altijd in het patiëntendossier wordt bijgeschreven, zodat deze informatie centraal wordt bewaard, en voor gebruik door de ziekenhuisapotheek kan worden gecontroleerd?
Ja.
Deelt u voorts de mening dat het belangrijk is om na te gaan of door een bevoegde zorgverlener toestemming is gegeven om medicatie toe te dienen?
Ja.
Vindt u het ook gevaarlijk en zorgelijk dat morfine, een zwaar en duur opiaat, als medicijn meegegeven kan worden op naam van een patiënt, terwijl de patiënt niet bestaat en niet wordt gecontroleerd of de patiënt de medicatie mag gebruiken?
Ja.
Deelt u bovendien de mening dat de eerste verantwoordelijkheid om deze situatie te voorkomen bij het ziekenhuis ligt, maar dat controle hierop nodig is? Zo ja, wie houdt hier controle op en wat is het resultaat?
Ja, die mening deel ik. Zo zijn de verantwoordelijkheden ook belegd in de Kwaliteitswet zorginstellingen en in de Wet beroepen individuele gezondheidszorg. De IGZ is de toezichthouder op basis van deze beide wetten. Ik verwijs verder naar mijn antwoorden op de vragen 7, 9 en 11.
Is er reden om aan te nemen dat dit in meer ziekenhuizen kan gebeuren? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waaruit blijkt dat?
In de betrokken uitzending kwam specifiek aan de orde hoe er op de verpleeg-afdeling iets helemaal mis kan gaan ondanks de wetten, regels en protocollen. Uiteindelijk blijft het toepassen daarvan in de praktijk doorslaggevend. Uit de uitzending blijkt dat de procedures in het ziekenhuis voor verbetering vatbaar zijn. Vervolgens zijn de procedures in het ziekenhuis aangescherpt. De IGZ houdt hierop toezicht. Ik zou alle ziekenhuizen willen oproepen om naar aanleiding van dit voorval heel secuur te kijken naar de procedures rondom medicatieuitgifte. Dit is ook primair de verantwoordelijkheid van de betrokken artsen/verpleegkundigen en ziekenhuizen, verpleeg- en verzorgingshuizen. Het verhogen van de medicatieveiligheid is één van de speerpunten van de IGZ.
Hoe houdt de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) toezicht op de medicijnverstrekking in ziekenhuizen?
De IGZ ziet in ons systeem toe op de kwaliteit van de zorg. Medicatieveiligheid is daar een onderdeel van. Het voorschrijven en ter hand stellen van genees-middelen is aan strikte regels gebonden: alleen artsen (onder voorwaarden verpleegkundig specialisten, physician assistents en bepaalde categorieën van gespecialiseerde verpleegkundigen) mogen receptgeneesmiddelen voorschrijven en alleen een apotheker mag ze ter hand stellen.
Ten aanzien van de uitgifte en beheer van Opiumwetmiddelen waaronder morfine, gelden strikte regels op grond van de Opiumwet.
Ziet u aanleiding tot aanscherping van het toezicht door de IGZ naar aanleiding van dit incident?
Zie antwoord vraag 7.
Op welke wijze heeft de zorgverzekeraar inzicht in de declaratie van medicijnen verstrekt door ziekenhuizen en of deze ook daadwerkelijk zijn gebruikt door de patient? Welke rol kan de patiënt hierbij spelen?
De relatief goedkopere geneesmiddelen zijn integraal onderdeel van het DBC-zorgproduct. Hierbij wordt uitgegaan van gemiddelde kosten. Uit de declaratie is daarom door de zorgverzekeraar niet direct op te maken, of, en hoeveel, een individuele patiënt van een bepaald geneesmiddel heeft ontvangen. De relatief dure geneesmiddelen worden apart gedeclareerd via «add-ons» welke zijn gekoppeld aan de DBC-zorgproducten. Voor deze geneesmiddelen is het per patiënt wel inzichtelijk hoeveel geneesmiddelen gebruikt worden. Alle geneesmiddelen die worden gebruikt door de patiënt in het ziekenhuis, dienen goed te worden vastgelegd in het dossier. De patiënt kan uiteraard verzoeken om inzage te krijgen in zijn dossier.
Heeft u signalen dat dit ook in verpleeghuizen en andere zorglocaties mogelijk is? Zo ja, hoe gaat u dit bestrijden? Zo nee, waar blijkt dat uit?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat Achmea en het Slotervaartziekenhuis geen contract hebben afgesloten |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het feit dat Achmea het Slotervaartziekenhuis wil binden aan een maximumbedrag dat het ziekenhuis mag uitgeven aan medicijnen voor reuma- en kankerpatiënten?1
Ik heb daar geen oordeel over anders dan dat het een zorgverzekeraar vrij staat in te zetten op een contractvorm die kostenbeheersing en kwaliteitsverbetering ondersteunt.
Kan dit betekenen dat patiënten deze noodzakelijke medicijnen worden onthouden omdat het budget op is? Zo nee, hoe en door wie worden deze medicijnen dan verstrekt? Zo ja, vindt u dit acceptabel?
Verzekerde patiënten hebben recht op medicijnen als ze daar medisch gezien op zijn aangewezen. De zorgverzekeraar heeft een zorgplicht om daarin te voorzien en het ziekenhuis heeft de plicht de patiënt adequate zorg te verlenen. Die plichten gelden ook als het vooraf afgesproken budget wordt overschreden of de in het contract vooraf afgesproken doelstellingen niet worden gehaald.
Gegeven het hypothetische karakter van de vraag (er is namelijk geen budget afgesproken tussen Achmea en het Slotervaartziekenhuis) en de overvloedige casuïstiek die hierbij denkbaar is, ga ik niet verder in op de mogelijke inschakeling van andere ziekenhuizen voor in behandeling zijnde patiënten.
Vindt u het acceptabel wanneer dit tot gevolg zou hebben dat patiënten de zorg niet meer van het Slotervaartziekenhuis krijgen, maar tijdens de behandeling moeten uitwijken naar een ander ziekenhuis omdat het budget van het Slotervaartziekenhuis op is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat patiënten van het Slotervaartziekenhuis die verzekerd zijn bij Achmea door Achmea wordt gevraagd niet meer naar het voor hun vertrouwde ziekenhuis te gaan? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Gegeven de ontstane situatie is het Achmea’s plicht om hun verzekerden te informeren over wijzigingen in de polisvoorwaarden en de mogelijke financiële consequenties daarvan. In het wetsvoorstel Verticale integratie scherp ik de termijn voor deze informatieverstrekking aan opdat mensen bij het aangaan van de verzekering kunnen zien wie wel en wie niet is gecontracteerd. Uit de informatie die Achmea heeft verstrekt (zie bijlage)3 blijkt dat het advies om naar een ander ziekenhuis te gaan vooral is bedoeld voor mensen die na 1 april een behandeling starten. Verzekerden die voor 1 april in behandeling zijn of komen kunnen hun behandeling in het Slotervaartziekenhuis afmaken. Voor chronische patiënten en spoedeisende gevallen is een aparte uitzondering gemaakt.
Vindt u de onrust die is ontstaan in en om het Slotervaartziekenhuis in verhouding staan tot het bedrag waarover dit conflict gaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het niet tot stand komen van een contract tussen een zorgverzekeraar en een ziekenhuis kan een uitkomst zijn in het decentrale sturingsmodel waarvoor we voor onze gezondheidszorg hebben gekozen. Het past mij niet de vermeende redenen van het niet tot stand komen van een afzonderlijk contract te becommentariëren. Alleen de partijen die onderhandeld hebben kennen hun eigen afwegingen. Overigens is naar mijn informatie de onderhandeling tussen Achmea en het Slotervaart nog niet definitief afgerond.
Aanzienlijke prijsstijgingen in het Openbaar Vervoer, n.a.v. prijsstijgingen op het Hanzelijn-traject. |
|
Helma Lodders (VVD), Betty de Boer (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Provincie maakt zich boos over prijzen Hanzelijn»?1
Ja. Ik heb hierover ook een brief van de provincie ontvangen. Die heb ik tegelijk met deze Kamervragen beantwoord.
Klopt het dat op het traject de Hanzelijn reizigers 15 – 25% meer betalen voor hun treinkaartje dan elders in Nederland, bijvoorbeeld op het traject via Amersfoort? Zo ja, klopt het dat dit te maken heeft met een fictief hoger aantal kilometers? Zo nee, waar heeft het dan mee te maken? Wilt u de prijsverschillen toelichten?
Om te beginnen licht ik graag het systeem van tariefeenheden toe.2
Een tariefeenheid is de eenheid waarmee de prijs van een reis tussen twee stations bepaald wordt. Het is bij NS gebruikelijk dat een tariefeenheid (ongeveer) gelijk is aan een kilometer, maar in diverse situaties is dit niet het geval. Een reden daarvoor is vaak dat er verschillende routes tussen twee stations mogelijk zijn. Zo zijn er drie routes van Amsterdam Centraal naar Rotterdam Centraal (via Haarlem, via Schiphol en via Breukelen) en twee routes van Amsterdam Centraal naar Den Haag Centraal (via Haarlem en via Schiphol). Deze routes zijn niet even lang, maar de reizigers hoeven niet voor elke route een ander tarief te betalen doordat NS de prijs altijd bepaalt op basis van de kortste route (in termen van tariefeenheden). Zo hoeft de reiziger niet vooraf te kiezen welke route hij gaat nemen.
Het altijd hanteren van de kortste route is makkelijk en prettig voor de reizigers. Ik vind dat positief. Maar als sommige reizigers via de korte route reizen en andere via de lange, terwijl ze allen betalen voor de korte route, maakt NS wel de kosten voor de langere reizen zonder dat hier de bijbehorende opbrengsten tegenover staan. Om opbrengstderving te voorkomen probeert NS in dergelijke gevallen het aantal tariefeenheden voor de verschillende routes min of meer gelijk te maken, ook als het aantal kilometers verschilt, door op sommige plaatsen tariefeenheden te verkleinen/toe te voegen.
Bij ingebruikname van een nieuwe spoorverbinding stelt NS nieuwe tariefeenheden vast. Met de opening van de Hanzelijn zijn er verschillende routes ontstaan van Zwolle naar de Randstad: via de Hanzelijn en via de Veluwe. Ook hier heeft NS het aantal tariefeenheden aan elkaar gelijk gemaakt. Zo hoeven de reizigers van bijvoorbeeld Groningen naar Den Haag niet vooraf te kiezen of ze via de Hanzelijn of via de Veluwe reizen, ze kunnen met hetzelfde kaartje gewoon de eerste trein nemen. Het is niet zo dat NS hiertoe tussen Lelystad en Kampen tariefeenheden heeft toegevoegd. Deze verbinding bestond immers nog niet, dus er waren ook nog geen tariefeenheden waaraan extra tariefeenheden konden worden toegevoegd. Wel heeft NS, om de gewenste tariefgelijkheid te bereiken, in overleg met de concessieverlener de provincie Overijssel, de tariefafstanden op de (oude) lijn Zwolle – Kampen en de nieuwe verbinding Zwolle – Kampen Zuid aan elkaar gelijk gemaakt.
Waar ligt de oorzaak van deze prijsstijgingen? Bent u bereid om te onderzoeken hoe de scheve prijsverhoudingen rechtgetrokken kunnen worden? Zo nee, waarom niet? Klopt het dat was afgesproken dat de ritprijs zou worden gebaseerd op het aantal kilometers? Wilt u uw antwoord toelichten?
Voor de achtergronden van de tarieven verwijs ik naar Antwoord 2.
Het klopt niet dat was afgesproken dat de ritprijs zou worden gebaseerd op het aantal kilometers. Een dergelijke afspraak is voor geen enkel traject gemaakt, ook niet voor de Hanzelijn.
Ik zie geen reden om de tarieven te laten aanpassen. Het hoofdrailnet is één geheel. Keuzes en beslissingen gelden dan ook altijd voor het gehele hoofdrailnet. Soms is dat nadelig voor sommige reizigers en voordelig voor andere reizigers. Maar als ik kijk naar het totale hoofdrailnet en naar alle reizigers, denk ik dat het niet in het belang van de reizigers zou zijn als er voor de parallelle verbindingen verschillende tarieven zouden gelden.
Bent u voorts bekend met het feit dat de prijsstijgingen op de Hanzelijn niet een op zichzelf staand geval is, maar dat er ook op Arriva-trajecten in bijvoorbeeld de Hoeksche Waard extreme stijgingen in de prijs tot 75% hebben plaatsgevonden?2 Wilt u uw antwoord toelichten?
De tarieven op de Hanzelijn staan geheel los van de tarieven in de Hoeksche Waard of elders in het regionale openbaar vervoer. De Hanzelijn is onderdeel van het hoofdrailnet, waarvoor ik concessieverlener ben en waar de voorschriften uit de hoofdrailnetconcessie gelden, ook voor de tarieven. De verantwoordelijkheid voor het regionale openbaar vervoer (bus, tram, metro én trein) is echter zoals bekend gedecentraliseerd. De decentrale overheden hebben de bevoegdheid om de tarieven te bepalen.
Deelt u de mening dat door dergelijke berichtgeving het openbaar vervoer in een negatief daglicht komt te staan? Bent u bereid om met de vervoerders te overleggen en te komen tot een charmeoffensief en de aantrekkingskracht van het openbaar vervoer te vergroten? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet.
Negatieve berichtgeving is nooit goed voor het imago van een sector. Dit geldt ook voor het openbaar vervoer.
Ik vind dat het openbaar vervoer altijd aantrekkelijker moet worden voor de reizigers. Daarover heb ik regelmatig contact met reizigersorganisaties, vervoerders en overheden.
Een gezamenlijk charmeoffensief richting hun klanten acht ik eerst en vooral een zaak van de vervoerders, waarbij ik besef dat dit lastig is nu we ook op het openbaar vervoer moeten bezuinigen.
Het bericht ‘Zuid-Europese bedrijven drukken belasting met Nederlandse postbusfirma's’ |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Sinds wanneer is het u bekend dat ruim de helft van de multinationals uit Italië, Griekenland, Spanje en Portugal een brievenbus-bv heeft in Nederland?1
Ik beschik niet over gegevens over de mate waarin vennootschappen gevestigd in de genoemde staten aandelen houden in vennootschappen die in Nederland zijn gevestigd.
Hoe beoordeelt u het feit dat oliemaatschappij Repsol uit Spanje een effectieve belasting van slechts 2,87 procent betaalt?
Ik beschik ook niet over gegevens over de hoogte van verschuldigde belasting van vennootschappen die niet in Nederland zijn gevestigd.
Bent u van mening dat het voorbeeld van Repsol aantoont dat de grondslag voor de vennootschapsbelasting in Europa achteruit holt? Zo ja, wat gaat u doen om deze ontwikkeling tegen te gaan?
Zie het antwoord op de vragen 6 en 7 hieronder.
Hoe beoordeelt u het feit dat door de belastingroute via Nederland, Zuid-Europese overheden belastinginkomsten mislopen?
Ik onderschrijf de in de vraag besloten stelling niet dat Zuid-Europese overheden belastinginkomsten mislopen als gevolg van een belastingroute via Nederland. In mijn brief(Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2011–2012, nr. 1799) van 27 januari 2012 aan uw Kamer, met antwoorden op vragen van het lid Braakhuis (GroenLinks) ben ik hier op ingegaan.
Hoe ziet u dit in het licht van de noodzaak voor de Zuid-Europese landen om hun begroting op orde te krijgen?
Zie mijn antwoord op vraag 4
Bent u van mening dat de pijn van de crisis niet op eerlijke wijze gedeeld wordt als mensen, overal in Europa, geraakt worden door bezuinigingen, koopkrachtverlies en werkloosheid, maar de effectieve belastingdruk voor multinationals de afgelopen jaren alleen maar is afgenomen?
In mijn brief (Kamerstuk II 25 087, nr. 34) van 17 januari 2013 aan uw Kamer heb ik duidelijk gemaakt dat ik op de hoogte ben van het feit dat internationaal opererende ondernemingen meer mogelijkheden hebben hun belastingdruk te beïnvloeden dan nationaal opererende ondernemingen. Ik begrijp goed dat dit de vraag oproept of lasten eerlijk verdeeld zijn tussen burgers en ondernemingen. Daarom vind ik het belangrijk dat dit nader geanaliseerd wordt. In genoemde brief heb ik ook aangegeven dat dit een onderwerp is dat uitsluitend in internationaal verband zinvol geanalyseerd en opgelost kan worden en dat ik daarom de initiatieven van de Europese Commissie en van de OESO op dit gebied toejuich en dat Nederland actief in die projecten zal participeren.
Hoe verhoudt de opstelling van dit kabinet met betrekking tot de aanpak van brievenbusmaatschappijen en belastingontwijking zich met het uitgangspunt van het regeerakkoord dat de pijn van de crisis eerlijk gedeeld zou moeten worden?
Zie antwoord vraag 6.
Matchfixing |
|
Hanke Bruins Slot (CDA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de aanpak van «matchfixing» in België en Duitsland?1 Kent u het bericht «Matchfixing over de grens is ook in Nederland strafbaar»?2
Ik ben bekend met de aanpak van matchfixing in België en Duitsland. Het bericht is mij bekend.
Deelt u de opvatting van de opsporingsdiensten in België en Duitsland dat Nederland te laks is met de opsporing van «matchfixing»? Zo ja, wat gaat u doen om hierin verbetering in aan te brengen? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat?
Die opvatting deel ik niet. Het onderzoek naar matchfixing, dat mijn ambtgenote van Volksgezondheid, Welzijn en Sport samen met mij in gang heeft laten zetten, onderstreept dat wij het fenomeen matchfixing serieus nemen. Indien de resultaten van dit onderzoek daartoe aanleiding geven, zullen de nodige middelen worden ingezet. Zowel het Openbaar Ministerie als de politie hebben expertise opgebouwd over omkoping in de sport en zullen hier mee doorgaan.
Deelt u de mening van de cel voetbalfraude in België en Duitsland dat het belangrijk is om op tijd en met voldoende middelen «matchfixing» te bestrijden? Zo ja, wat gaat u doen om hier gevolg aan te geven? Zo nee, waarom niet?
Op het moment dat er signalen zijn die aanleiding geven voor een strafrechtelijk onderzoek, dan zal adequaat gereageerd worden en zullen voldoende middelen worden ingezet. Daarnaast voeren sportbonden preventieve maatregelen door. Zoals ik in antwoord op eerdere Kamervragen al heb bericht, neemt bijvoorbeeld de KNVB preventieve maatregelen als voorlichting aan clubs, reglementswijzigingen en samenwerkingsverbanden op landelijk, Europees en mondiaal niveau. Concrete voorbeelden van deze maatregelen zijn: het informeren van de clubs, het trainen van scheidsrechters, het realiseren van een anonieme tiplijn en het instellen van een Integriteitseenheid bij de KNVB.
Wat vindt u van de uitspraak van de cel voetbalfraude in België en Duitsland dat het onderzoek van Europol slechts het topje van de ijsberg is?
De uitspraak dat het onderzoek van Europol slechts het topje van de ijsberg is kan ik niet beoordelen, omdat die uitspraak niet wordt onderbouwd met feitenmateriaal.
Is het waar dat Nederlanders in het buitenland van «matchfixing» worden verdacht? Zo ja, kan daarachter verdenking van deelname aan een criminele organisatie schuil gaan? Zo ja, kan dan door de Nederlandse justitiële autoriteiten onderzoek worden verricht op grond van het feit dat dergelijke delicten gepleegd door een Nederlander in het buitenland ook in Nederland strafbaar kunnen zijn (territorialiteitsbeginsel)? Gebeurt dit ook?
Ik verwijs naar de brief die ik op 8 februari jongstleden aan uw Kamer heb verzonden5. Het betreft hier een lopend onderzoek van de Duitse justitie, waarvan ik de feiten niet ken. In Nederland loopt geen strafrechtelijk onderzoek naar matchfixing.
Nederlanders die in het buitenland een strafbaar feit plegen, zijn in Nederland te vervolgen, mits het feit in Nederland ook strafbaar is (personaliteitsbeginsel). Het enkele feit dat Nederlanders als verdachten worden aangemerkt in het buitenland betekent niet dat Nederland moet vervolgen. Uitgangspunt is dat het land waar de strafbare feiten zijn begaan ook vervolgt (territorialiteitsbeginsel). In de onderhavige zaak is dit aan de orde.
Welke prioriteit geeft u aan de opsporing en vervolging van «matchfixing» en van de criminelen die vermoedelijk bij «matchfixing» betrokken zijn?
Er is geen sprake van concrete aanwijzingen met betrekking tot matchfixing in Nederland. Op het moment dat er signalen komen die aanleiding zijn voor een strafrechtelijk onderzoek, zal dit vanzelfsprekend worden ingesteld. Het Openbaar Ministerie en de betrokken opsporingsdiensten als ook de sportbonden zijn alert op dergelijke signalen. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 5.
Deelt u de mening dat stevige justitiële stappen noodzakelijk zijn, omdat er inmiddels concrete aanwijzingen zijn en er mogelijk sprake is van georganiseerde criminaliteit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat het succes van de cel voetbalfraude alleen gegarandeerd is met speciale opsporingsmethoden, zoals afluisteren en observatie?
Voor de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden heeft de wetgever bepaald dat die kunnen worden ingezet in onderzoeken naar misdrijven waardoor de rechtsorde ernstig geschokt is. Daarvan is mij in dit kader nog niet gebleken. Ook voor wat betreft het oprichten van een cel, zoals vragenstellers beogen, moet de noodzaak zo hoog zijn dat ik besluit capaciteit van OM en opsporingsdiensten voor een nieuw fenomeen af te splitsen. Ik zie die noodzaak op dit moment niet. De reguliere kanalen voor politiële en justitiële samenwerking volstaan vooralsnog.
Bent u het met de cel voetbalfraude van België en Duitsland eens dat het Openbaar Ministerie (OM) ook een dergelijke cel moet oprichten om tot goede samenwerking te komen en dat die samenwerking op dit moment niet goed mogelijk is? Zo ja, op welke termijn krijgt het OM een dergelijke cel? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.