Het bericht ‘EU-miljard voor Egypte verdween in zwart gat’ |
|
Han ten Broeke (VVD), Mark Verheijen (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU-miljard voor Egypte verdween in zwart gat»?1
Ja.
Wat is de reactie van het kabinet op het rapport van de Europese Rekenkamer?
De Rekenkamer concludeert op basis van een steekproef met een financiële omvang van 140 miljoen euro dat, in het algemeen, de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) niet in staat zijn geweest deze EU-steun zo aan te wenden dat hierdoor het bestuur in Egypte is verbeterd. Dat deze steun niet doeltreffend is besteed is een zorgwekkende vaststelling waarop Nederland HV Ashton en Commissaris Füle (Nabuurschap) heeft aangesproken.
Zoals ook aangegeven in de brief van 20 juni jl. wordt in het rapport van de Europese Rekenkamer een aantal ernstige tekortkomingen geconstateerd. Nederland onderkent de moeilijke omstandigheden in Egypte. Ook in een moeilijke omgeving dient echter de effectiviteit van steun voorop te staan. Het kabinet is het in de kern eens met de aanbevelingen die de Rekenkamer doet om de effectiviteit van steun te vergroten. Het kabinet ziet deze als ondersteuning van zijn beleid, zoals uiteengezet in de kabinetsappreciatie nabuurschapsbeleid2.
Overigens is een aantal van de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer door de Commissie en EDEO al opgepakt na september 2012.
Deelt u de mening dat deze zaak elk draagvlak voor de EU verder ondermijnt?
Ja.
Bent u van plan om dit in Europa aan de kaak te stellen en zo ja, in welk gremium?
Tijdens de afgelopen Raad Buitenlandse Zaken (24 juni jl.) is het rapport van de Europese Rekenkamer besproken. Zie ook het verslag van deze Raad voor een reactie van de EU en overige lidstaten op het rapport3. Nederland heeft ingebracht dat dit kritische rapport nog eens de noodzaak bevestigt van het stellen van duidelijkere voorwaarden aan de besteding van fondsen voor de Arabische regio, en dat naast more for more ook less for less moet worden toegepast.
De uitvoering van de samenwerking met Egypte zal in Raadskader verder worden besproken. In het relevante beheerscomité voor het nabuurschapsinstrument waarin lidstaten zijn vertegenwoordigd, kondigde de Commissie op 20 juni jl. de verdeling van SPRING-middelen voor de Zuidelijke nabuurschapslanden aan voor 2013. Aan Egypte werden, gezien het uitblijven van hervormingen voor 2013, nog geen SPRING-gelden toegekend.
Is het een optie lopende steunoperaties in Egypte op te schorten zolang de besteding van EU-gelden onduidelijk is?
Op dit moment wordt EU-steun aan Egypte aangehouden. Het gaat om de SPRING-middelen die in 2012 aan Egypte beschikbaar werden gesteld (EUR 90 mln.) en een bedrag van EUR 110 mln. uit het nabuurschapsinstrument voor Egypte. Deze middelen zijn aan Egypte toegezegd (de EUR 110 mln. maakt deel uit van het totaalbedrag van EUR 1 mld. voor de periode 2007–2013) met instemming van lidstaten, maar worden in het licht van de omstandigheden in Egypte niet uitbetaald totdat aan een aantal voorwaarden is voldaan. De belangrijkste daarvan is het aangaan van een lening met het IMF. Hiertoe dient de Egyptische regering een ingrijpend pakket aan hervormingen aan te nemen. Het kabinet zal, ook in de nieuw ontstane situatie in Egypte, waarvan nog moet worden afgewacht hoe deze zich verder ontwikkelt, blijven aandringen op het scherp stellen van voorwaarden, aan de hand van heldere indicatoren, voor de verlening van Europese steun.
Wat betreft het verstrekken van EU-begrotingssteun aan Egypte is het kabinet het geheel eens met de Europese Rekenkamer dat de opportuniteit van deze hulpmodaliteit tegen het licht moet worden gehouden. De EU merkt hierover zelf op dat sinds 2011 geen nieuwe begrotingssteun aan Egypte in gang is gezet en dat het herziene en striktere beleid dat de EU voert ten aanzien van EU-begrotingssteun4 zonder meer ook op Egypte van toepassing is. Nederland zal scherp toezien op de wijze waarop de EU uitvoering geeft aan dit beleid. Nederland is voorstander van het besteden van een groter deel van de EU-steun via maatschappelijke organisaties – dit is ook de inzet van het herziene nabuurschapsbeleid van de Unie.
Deelt u de opvatting van de Europese Rekenkamer dat dergelijke hulp meer conform reddingsoperaties binnen de eurozone dient plaats te vinden?
Bovenstaande «opvatting» wordt door de Europese Rekenkamer niet genoemd in haar rapport, maar betreft een uitspraak van Rekenkamerlid Karel Pinxter in het in vraag 1 genoemde Volkskrant artikel. Reddingsoperaties binnen de eurozone zijn van een andere orde en hebben een ander karakter dan Europese steun die in het kader van ontwikkelingssamenwerking aan derde landen wordt verleend. Overigens is de Europese steun aan derde landen ook aan strikte condities gebonden. Naleving van deze condities heeft de doorlopende aandacht van het kabinet – niet alleen in het geval van Egypte. Verbeterde resultaatmeting is in dit opzicht zonder meer van belang, ook met oog op het in vraag 3 genoemde draagvlak voor Europese steun.
Wat betekent dit in de toekomst voor steunoperaties in gebieden buiten de EU? Op welke manier zal het kabinet toezicht houden op het stellen van meetbare doelen, ook in relatie tot de «more for more» en «less for less» benadering?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven bij welk type hulp er geld is zoekgeraakt? Kunt u aangeven of er ook Nederlands ontwikkelingsgeld verkeerd is besteed in Egypte?
Voor details over de audit van de Europese Rekenkamer en het type steun dat is onderzocht wordt verwezen naar Annex II van het rapport. Bij de bilaterale transitiesteun vanuit het Matra-zuid programma vindt geen overdracht van middelen plaats, maar gaat het om overdracht van kennis in de vorm van enerzijds training van ambtenaren en diplomaten en anderzijds kleinschalige samenwerkingsprojecten tussen Nederlandse en Egyptische overheidsinstellingen. Het risico van onjuiste besteding van middelen is daardoor te verwaarlozen.
Het bericht ‘Heb ik recht op een uitkering als ik naar de gevangenis ga?’ en ‘Utrecht weigerde ten onrechte bijstand tbs’er |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Heb ik recht op een uitkering als ik naar een gevangenis ga?» en «Utrecht weigerde ten onrechte bijstand tbs’er» en klopt hetgeen hierin vermeld wordt?1 2
Ik ben bekend met beide artikelen. De feitelijke gegevens in beide berichten zijn correct.
Is de limitatieve opsomming van uitkeringen die stoppen indien iemand in de gevangenis zit ook van toepassing op veroordeelden in een tbs-kliniek?
Ja, deze is ook van toepassing op veroordeelden in een tbs-kliniek. Er geldt echter een uitzondering voor tbs-gestelden die door de strafrechter van alle rechtsvervolging zijn ontslagen, maar wel ter beschikking zijn gesteld met bevel tot verpleging. Voor deze groep wordt op grond van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep een eventuele arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken. Dit wordt gecompenseerd door het feit dat deze groep tbs-gestelden op grond van artikel 4 lid 4 van het interim-besluit forensische zorg een eigen bijdrage voor het verblijf in de instelling aan het ministerie van Veiligheid en Justitie moet betalen.
Deelt u de mening dat een tbs veroordeelde nooit in aanmerking mag komen voor subsidies, uitkeringen en toeslagen zolang hij in een inrichting zit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om ervoor te zorgen dat tbs’ers niet meer onterecht en ongelimiteerd kunnen profiteren van sociale voorzieningen?
In de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden is geregeld dat indien een persoon rechtens zijn vrijheid is ontnomen, deze geen recht heeft op een uitkering. De ratio daarvan is dat de Staat tijdens deze vrijheidsontneming in (de kosten van) het levensonderhoud voorziet. Door deze personen uit te sluiten van uitkeringen wordt «dubbele betaling» (het verstrekken van een uitkering, terwijl de Staat reeds in de kosten van het levensonderhoud voorziet) uit collectieve middelen voorkomen.
Voor bijstand is in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand geregeld dat als iemand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, hij geen recht heeft op bijstand. Bij verblijf in een penitentiaire inrichting of tbs-kliniek heeft iemand dus geen recht op bijstand.
Ex-gedetineerden moeten wel in aanmerking kunnen komen voor een uitkering, mits zij aan de daarvoor geldende voorwaarden en de daaraan verbonden (arbeidsgerelateerde) verplichtingen voldoen. Het is echter uitsluitend aan het college van burgemeester en wethouders of het UWV om hier een beslissing over te nemen.
Welke programma’s vallen onder de paraplu van het ruime begrip «resocialisatie», inhoudende dat indien een veroordeelde voor een gedeelte van de straf buiten de strafinrichting verblijft wel het recht kan hebben op een uitkering, bijvoorbeeld indien wordt deelgenomen aan een programma dat gericht is op resocialisatie? Bestaat er een limitatieve opsomming van deze programma’s? Zo nee, waarom niet?
De gevallen waarin sprake is van verblijf buiten een justitiële inrichting of tbs-kliniek en betrokkene aanspraak kan maken op een uitkering zijn limitatief opgenomen in het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid. Het gaat om de volgende gevallen:
Deelt u de mening dat veroordeelde criminelen die de samenleving schade hebben toegebracht en derhalve in een inrichting verblijven of verbleven hebben, nooit recht zouden mogen hebben op een uitkering? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat verpleegkundigen vrezen voor hun baan |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat verpleegkundigen zich onzeker voelen over hun baan?1
Ja.
Kunt u verklaren waarom het aantal werkzoekenden onder verpleegkundigen is toegenomen? Zijn er mogelijk nog andere redenen voor deze stijging, naast de eventuele effecten van bezuinigingen?
Het aantal werkzoekenden onder verpleegkundigen is licht gestegen. Het percentage werkzoekenden op het totaal aantal werkzame verpleegkundigen is gestegen met ca 0,3% procentpunt. Fluctuaties van een dergelijke omvang zijn de afgelopen 10 jaar vaker voorgekomen. Mogelijke oorzaken voor een stijging van deze omvang zijn lastig te duiden.
Hoe staat het met het aantal openstaande vacatures voor verpleegkundigen in de zorg? Zijn daar ook ontwikkelingen in gunstige/ongunstige zin in te vermelden?
We hebben geen data voorhanden over het aantal openstaande vacatures voor verpleegkundigen. Het CBS heeft wel data over de vacaturegraad (het aantal vacatures op 1.000 banen) voor alle beroepen in de gezondheids- en welzijnzorg. De vacaturegraad is gedaald van 15 in 2011 naar 13 in 2012.
Spelen er op de arbeidsmarkt voor verpleegkundigen ook matchingsproblemen? Zo ja, wat kun u daaraan doen?
Op dit moment hebben we geen signalen ontvangen over mogelijke matchingsproblemen voor verpleegkundigen op de arbeidsmarkt. We hebben verschillende zorg- en onderwijspartijen gevraagd of zij knelpunten ervaren in de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt in de zorg. Na de zomer gaan we bekijken of deze inventarisatie aanleiding geeft om hier gezamenlijk actie op te ondernemen.
Het Gelderse paard |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de huidige stand van zaken is rond het veiligstellen van de toekomst van het Nederlandse paardenras, het Gelders paard, en de uitvoering van de unaniem aangenomen motie Ormel/Snijder-Hazelhoff (februari 2008)?1
Mede naar aanleiding van de motie Ormel/Snijder-Hazelhoff (TK 28 286, nr. 113) zijn er diverse acties ondernomen voor het behoud van het Gelders paard. Daarbij zijn diverse gesprekken gevoerd met onder andere het Koninklijk Warmbloed Paard Nederland (KWPN) en de Gelderlander Paard Associatie. In financiële zin is er onderzoek gesteund, alsmede de Stichting Zeldzame Huisdierrassen. Bij Wageningen Universiteit is het onderzoek naar de genetische diversiteit binnen het Gelders paard en de genetische afstand tot de KWPN rijpaarden afgerond. Daarnaast is de Gelderlander Paard Associatie door het productschap en mijn ministerie geïnformeerd welke mogelijkheden er zijn binnen de fokkerijregelgeving.
Het is nu aan de betrokken partijen zelf om vervolgstappen te ondernemen.
Is uw standpunt nog steeds dat «het huidige fokbeleid niet voldoende garantie biedt om de raskenmerken van het Gelderse paard op lange termijn te behouden», zoals u aangaf in uw brief van 26 februari 2010? Zo neen, waarom niet?
Binnen het KWPN worden Gelderse paarden geselecteerd op basis van onder andere exterieur, karakter en veelzijdige prestaties, zodat deze kenmerken worden behouden. Wel is er binnen de fokkerij van het Gelders paard de mogelijkheid om «nieuw bloed» in te voeren, waardoor genetisch gezien de diversiteit groter wordt. Het bepalen van de selectiecriteria en fokdoelen is een private aangelegenheid van de stamboeken, in dit geval het KWPN.
Deelt u de mening dat afschaffing van het vereiste van Gelders bloed voor het Gelders paard ongewenst is?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te treffen om tot een duurzaam behoud van het Gelders paard te komen? Welke rol speelt de genoemde motie in dat beleid?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht ‘Dijsselbloem wil af van rol IMF bij reddingsoperaties’ |
|
Mark Harbers (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Dijsselbloem wil af van rol IMF bij reddingsoperaties»?1
Ja.
Klopt het dat u de rol van het IMF nader wilt bezien bij toekomstige reddingsoperaties voor eurolanden?
Ik wil benadrukken dat het kabinet de rol van elk van de drie partijen – IMF, Europese Commissie en ECB – in de Trojka bij leningenprogramma’s steunt. Het kabinet zal zich blijven inzetten dat alle drie de partijen betrokken blijven bij de vormgeving en monitoring van de leningenprogramma’s. Op deze manier wordt gebruik gemaakt van de specifieke kennis die iedere institutie bezit.
Nederland heeft vanaf 2010 altijd ingezet op betrokkenheid van het IMF bij leningenprogramma’s van lidstaten in de eurozone vanwege de financiële bijdrage die het IMF kan leveren en de expertise en ervaring met programma’s.
Ik ben nog steeds van mening dat betrokkenheid van het IMF om bovenstaande redenen een meerwaarde biedt bij de vormgeving en monitoring van de leningenprogramma’s. Het Nederlandse standpunt over IMF-betrokkenheid in de huidige crisis in Europa is derhalve ongewijzigd. Tegelijkertijd stel ik vast dat er een discussie ontstaat over de rol van het IMF. Ik acht deze discussie prematuur. Ik heb dan ook aangegeven dat wanneer de eurozone uit de economische crisis is, de rol van het IMF in toekomstige leningenprogramma’s aan lidstaten van de eurozone bezien kan worden.
Zo ja, waarom wilt u de rol van het IMF nader bezien bij toekomstige reddingsoperaties voor eurolanden? Deelt u de mening dat – aangezien Nederland altijd voorop heeft gelopen om deelname van het IMF als voorwaarde voor reddingsoperaties te stellen – er in dit geval sprake is van een «radicale breuk met het standpunt dat Nederland tot nu toe steeds heeft ingenomen»?
Zie antwoord vraag 2.
Zo nee, kunt u bevestigen dat het IMF wel degelijk betrokken moet blijven bij toekomstige reddingsoperaties voor eurolanden, zoals Nederland sinds 2010 altijd als harde eis heeft gesteld bij de redding van eurolanden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke meerwaarde ziet u bij de huidige rol van het IMF bij reddingsoperaties voor eurolanden? Kunt u hierbij ingaan op de financiële capaciteit van het IMF, de expertise met betrekking tot reddingsoperaties en de onafhankelijke rol die het IMF inneemt?
Zie antwoord vraag 2.
Het gebruik van DigiD door bewindvoerders ten gunste van hun klanten |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekent met de problematiek rond het gebruik van DigiD door bewindvoerders ten gunste van hun klanten? Zo ja, op welke manier heeft u dit probleem ter hand genomen?
Ja. Eén van de organisaties van professionele bewindvoerders heeft bij brief aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en recent ook aan mij, om aandacht gevraagd voor het feit dat overheidsdienstverleners in toenemende mate hun dienstverlening langs digitale weg aanbieden, maar dat zij als bewindvoerder niet de mogelijkheid hebben om langs digitale weg, met DigiD, het beheer voor de rechthebbenden uit te voeren. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de vragen 3, 4 en 5.
Is het waar dat bewindvoerderskantoren standaard op hun aanvraagformulier vragen naar de DigiD-inloggegevens? Zo ja, wat is uw mening daarover?
Bij de twee organisaties van professionele bewindvoerders is nagevraagd of bewindvoerderskantoren standaard formulieren gebruiken waarin cliënten gevraagd wordt hun DigiD-inloggegevens te verstrekken. Dat blijkt bij enkele kantoren het geval te zijn. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op de vragen 3, 4 en 5.
Acht u het wenselijk dat bewindvoerders onbeperkt toegang hebben tot inloggegevens van hun cliënten en zodoende wijzigingen kunnen doorvoeren voor de onderbewindgestelde? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
DigiD is een persoonsgebonden authenticatiemiddel waarmee personen hun identiteit langs elektronische weg kunnen bewijzen. Dienstaanbieders moeten erop kunnen vertrouwen dat de persoon die een dienst wil afnemen ook werkelijk de persoon is die hij zegt te zijn. Omdat DigiD een persoonsgebonden middel is, is het niet wenselijk dat bewindvoerders een appèl doen op rechthebbenden om hun inloggegevens te verstrekken. Bovendien is het scala aan diensten dat met DigiD kan worden benaderd breder dan de handelingen die een bewindvoerder kan of mag uitvoeren. Een onderbewindgestelde kan voor tal van handelingen handelingsbekwaam zijn of blijven.
Sinds eind 2010 bestaat de dienst DigiD Machtigen. Het oogmerk van DigiD Machtigen is om op gecontroleerde wijze het digitaal handelen voor een ander te faciliteren. De huidige functionaliteit van DigiD Machtigen ondersteunt het machtigen van een ander op basis van een eigen wilsuiting. Deze dienst is thans operationeel voor de aangifte van inkomstenbelasting. Andere dienstverleners, zoals UWV, RDW en zorgverzekeraars, zijn hierop nog niet aangesloten. Dit betekent dat in situaties waarin machtiging aan de orde is, de dienstverlening nog langs papieren weg zal moeten verlopen.
Momenteel onderzoekt het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in samenwerking met diverse ministeries en uitvoeringsorganisaties welke andere vormen van machtiging en (wettelijke) vertegenwoordiging wenselijk zijn, mede met het oog op de doelstelling van Digitaal 2017. Het machtigen van bewindvoerders om voor hun klanten digitale diensten af te nemen is onderdeel van het lopende onderzoek.
Bent u van mening dat bewindvoerders op enig moment toegang moeten hebben tot het DigiD-account van onderbewindgestelden, omdat toeslagen bij de belastingdienst moeten worden aangevraagd of contact gelegd moet worden met het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), zorgverzekeraars, gemeente en Rijksdienst wegverkeer (RDW)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier zullen deze handelingen verricht moeten worden?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het tegenstrijdig is dat aan de ene kant bewindvoerders toegang moeten hebben tot het DigiD-account van hun cliënt en aan de andere kant onderbewindgestelden hun persoonlijke inloggegevens niet mogen afstaan aan derden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u overleg met de Branchevereniging van Professionele Bewindvoerders en Inkomensbeheerders (BPBI) over deze problematiek? Zo ja, op welke wijze vindt dit overleg plaats en wat is de uitkomst van dit overleg? Zo nee, bent u bereid om samen met de BPBI tot een oplossing te komen?
De Branchevereniging van Professionele Bewindvoerders en Inkomensbeheerders (BPBI) en de Beroepsvereniging voor Professionele (beschermings)Bewindvoerders (NBPB) worden uitgenodigd voor een overleg. Doel van het overleg is te spreken over de doorontwikkeling van DigiD Machtigen. Daarvoor zijn een solide infrastructuur en technische voorzieningen nodig, maar vooral ook de betrokkenheid van gebruikers.
Deelt u de mening dat thans de mogelijkheid bestaat dat bewindvoerders kunnen frauderen met het DigiD-account van onderbewindgestelden? Heeft u signalen dat dit ook daadwerkelijk gebeurt?
Bewindvoerders hebben tot taak om de belangen van de rechthebbenden te behartigen. Wij beschikken niet over aanwijzingen dat hierbij, in het bijzonder in relatie tot het gebruik van DigiD, wordt gefraudeerd.
Handel in zand uit West-Sahara |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Wagenborg schendt internationaal recht»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat een schip dat onder een Groningse reder valt, onlangs een lading zand uit de Westelijke Sahara heeft ingeladen en vervoerd? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven of en zo ja hoe de opbrengst van deze activiteit ten goede komt aan de oorspronkelijke bevolking van het gebied? Kunt u uw antwoord toelichten?
Rederij Wagenborg heeft aan het ministerie van Buitenlandse Zaken informatie verstrekt waaruit blijkt dat voor de exploitatie en export van het zand een vergunning is afgegeven door de lokale autoriteiten. Het zand is geleverd door bedrijven waarvan de eigenaren behoren tot de oorspronkelijke Sahrawi-bevolking. Het betrof hier een éénmalige transactie.
Economische activiteiten in de Westelijke Sahara zijn niet per definitie in strijd met het internationaal recht. Er mogen economische activiteiten plaatsvinden in gebieden die niet zichzelf besturen (non-self-governing territories), zoals de Westelijke Sahara, waarbij de opbrengsten van deze activiteiten ten goede moeten komen aan de oorspronkelijke bevolking van het gebied. De rechtmatigheid hangt af van de wijze waarop deze verplichting door Marokko, dat feitelijk gezag uitoefent in de Westelijke Sahara, wordt geïmplementeerd.
Kunt u aangeven of en zo ja hoe er door (vertegenwoordigers van) de oorspronkelijke bevolking instemming is verleend aan deze activiteit? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat het ministerie van Buitenlandse Zaken aan de directeur van de Groningse rederij heeft laten weten dat er geen belemmering is voor het vervoer van zand uit de Westelijke Sahara? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Een medewerker van Wagenborg heeft voorafgaand aan het transport informatie ingewonnen bij BIMCO, een internationale NGO die reders vertegenwoordigt. BIMCO meldde dat er geen sprake was van een embargo. Naar aanleiding van kamervragen en media-aandacht heeft een medewerker van Wagenborg vervolgens contact gehad met het ministerie. In dit gesprek is opnieuw gevraagd of er een sprake was van een embargo. Deze vraag is negatief beantwoord. Gedurende dit gesprek is het negatieve ondernemingsadvies voor de Westelijke Sahara, zoals vermeld op de website van AgentschapNL, ter sprake gekomen.
Deelt u de opvatting dat handel in zand uit de Westelijke Sahara ingaat tegen het internationaal recht en tegen het uitgangspunt van het ministerie van Economische Zaken dat Nederland het doen van investeringen en het zakendoen in het gebied van de Westelijke Sahara onder de 27e breedtegraad ontraadt?2 Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals gesteld bij het antwoord op vraag 3 en 4 zijn economische activiteiten in de Westelijke Sahara niet per definitie in strijd met het internationaal recht. Vanwege het conflict over de status van het gebied ontraadt Nederland het doen van investeringen en het zakendoen in het gebied van de Westelijke Sahara onder de 27e breedtegraad. Het ministerie van Economische Zaken vermeldt dit negatieve ondernemingsadvies op de website van AgentschapNL.
Bent u bereid Nederlandse bedrijven die betrokken zijn bij de handel in zand uit de Westelijke Sahara, hierop aan te spreken? Indien ja, hoe gaat u dit doen? Indien neen, waarom niet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Indien er sprake zou zijn van overtreding van Nederlandse of Europese regelgeving, spreekt de overheid Nederlandse bedrijven daarop aan. In dit geval is een overtreding niet geconstateerd. Hoewel Wagenborg het negatieve ondernemingsadvies niet heeft opgevolgd, heeft de reder wel gehandeld in de geest van het internationaal recht daar de opbrengsten van deze activiteiten ten goede kwamen van de oorspronkelijke bevolking van het gebied. De Nederlandse overheid ziet daarom geen reden tot het aanspreken van de reder.
Het afschaffen van het 500 eurobiljet en de oprichting van een Europees Openbaar Ministerie |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het verkennend advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) «CRIMINALITEIT, CORRUPTIE en INSTABILITEIT»?1
Ja.
Hoe staat de regering tegenover het advies van de AIV om het 500-eurobiljet af te schaffen? Deelt u de zorgen over het malafide gebruik van het 500-eurobiljet? Deelt u de mening dat, als het zo is dat het biljet voornamelijk criminaliteit faciliteert, het uit het betalingsverkeer moet worden genomen?
Het advies van de AIV geeft geen nieuwe inzichten die aanleiding geven om de positie zoals verwoord in de beantwoording van eerdere vragen over het 500-eurobiljet te heroverwegen.2 In die eerdere antwoorden is aangegeven dat de zorgen over het door criminele motieven gedreven gebruik van contant geld worden gedeeld. Specifiek betreffende het gebruik van het 500-eurobiljet is toen gemeld dat onderzoeken uitwijzen dat het niet zo is dat het gebruik van dit biljet voornamelijk in het criminele circuit plaatsvindt. Daarbij is tevens aangegeven dat de minister van Financiën, alles overwegende, niet voornemens is om bij De Nederlandsche Bank (DNB) en de Europese Centrale Bank (ECB) te pleiten voor het uit het betalingsverkeer halen van het 500-eurobiljet. Een beslissing over het al dan niet afschaffen van het 500-eurobiljet zou overigens alleen kunnen worden genomen door ECB, omdat de uitgifte van bankbiljetten na de overgang op de euro de exclusieve verantwoordelijkheid van de ECB is.
Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot de toezegging van de minister van Financiën naar aanleiding van eerdere vragen om de Nederlandsche Bank (DNB) en de Europese Centrale Bank (ECB) te verzoeken speciale aandacht te geven aan de rol van specifiek het 500-eurobiljet in toekomstige onderzoeken naar het gebruik van eurobiljetten, in het bijzonder met betrekking tot de (internationale) criminaliteit?2 Wat is er te zeggen over mogelijke uitkomsten van dit onderzoek en eventuele gevolgtrekkingen?
De Minister van Financiën heeft DNB verzocht in toekomstige onderzoeken naar het gebruik van eurobiljetten speciale aandacht te geven aan het 500-eurobiljet. DNB heeft daarop bevestigd dat dit bij een volgend onderzoek wordt meegenomen. Voorts kan dit onderwerp uiteraard bij gelegenheid aan de orde komen in het kader van het normale toezicht van DNB op financiële instellingen in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. DNB heeft verder toegezegd om de Nederlandse belangstelling voor de rol van deze coupure onder de aandacht van de ECB te brengen, wanneer de ECB nieuw onderzoek naar het gebruik van eurobiljetten overweegt. Over eventuele uitkomsten en gevolgtrekkingen is thans niets te zeggen.
Hoe staat de regering tegenover het advies van de AIV dat Nederland moet aandringen op de oprichting van een Europees Openbaar Ministerie? Herkent u het beeld van de AIV dat lidstaten elkaar onvoldoende aanspreken op tekortkomingen in de rechtspraak, politie en corruptiebestrijding? Bent u het er mee eens dat een effectievere Europese aanpak van financiële misdrijven essentieel is? Zo ja, hoe wilt u betere Europese samenwerking bevorderen? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief aan uw Kamer van 8 november 2011 over de strafrechtelijke samenwerking in de EU4 en tijdens het algemeen overleg van 16 november 2011 over onder meer deze brief 5 ben ik ingegaan op de mogelijke oprichting van een Europees OM. Zoals daaruit blijkt is Nederland hier kritisch over en bestaan er ook bij andere lidstaten twijfels over de noodzaak en wenselijkheid hiervan. Naar verwachting komt de Europese Commissie deze zomer met een voorstel voor een verordening inzake de oprichting van een Europees OM, dat zich overigens uitsluitend zal richten op fraude met Europese gelden.
Voor de grensoverschrijdende aanpak van financiële misdrijven en corruptie in het algemeen werken landen samen en spreken elkaar aan op tekortkomingen in verschillende andere kaders en samenwerkingsverbanden, zoals de Raad van Europa, de FATF (zie hierover vraag 6), de OESO en de VN. Deze samenwerkingsverbanden kunnen op diverse punten nog verder worden uitgebouwd en Nederland stelt zich actief op om dit te bewerkstelligen. Dat geldt ook voor het door lidstaten elkaar aanspreken op rechtstatelijke tekortkomingen. Ik verwijs u in dat kader bijvoorbeeld naar het initiatief dat Nederland onlangs met enkele andere lidstaten heeft genomen om binnen de Europese Unie een mechanisme te ontwikkelen dat het mogelijk maakt elkaar onderling aan te spreken op ontwikkelingen in elkaars rechtsstaat.6
Herkent u het beeld van de AIV dat de opsporingsinstanties en het Openbaar Ministerie nog altijd niet goed uit de voeten kunnen met de financiële benadering van financieel-economische criminaliteit, omdat kennis nodig is die buiten het strafrecht ligt? Hoe wilt u dit probleem aanpakken?
Nee, dat beeld herken ik niet. De afgelopen periode is geïnvesteerd in zowel de kwaliteit als de kwantiteit ten aanzien van financieel rechercheren. Zo wordt het aantal fte's voor het specialisme «financieel-economische expertise» binnen de Nationale Politie verhoogd naar 1156 fte. Dit is 585 fte meer dan op dit moment het geval is. Het gaat hierbij voor een deel over HBO(+) opgeleid personeel. Dit zal ertoe leiden dat het voor het Openbaar Ministerie mogelijk wordt om met de politie meer zaken op te pakken waarbij financiële expertise noodzakelijk is. Daarnaast is in het regeerakkoord besloten de FIOD voor de bestrijding van witwassen met 100 fte uit te breiden. Deze 100 fte zal zich specifiek gaan bezighouden met witwasonderzoeken. Verder wordt ook kennis en expertise van de verschillende opsporingsdiensten bijeengebracht in bijvoorbeeld de combiteams, waarin de Nationale Recherche en de FIOD gezamenlijk onderzoek doen.
Bent u bekend met het onderzoek van de Wereldbank: «The Puppet Masters, How the Corrupt Use Legal Structures to Hide Stolen Assets and What to Do About It»?3 Klopt het dat geen enkel land van de 159 onderzochte landen de aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF) – onder andere dat financiële instellingen worden verplicht de identiteit van klanten te verifiëren en deze informatie op te slaan – volledig heeft uitgevoerd? Bent u het er mee eens dat Nederland, als een van de 36 leden van de FATF, internationaal moet pleiten voor volledige implementatie van de FATF-aanbevelingen? Zo ja, welke stappen worden, ook in het kader van de vierde Europese anti-witwasrichtlijn, genomen om de FATF-aanbevelingen volledig in te voeren?
Wij zijn bekend met het onderzoek van de Wereldbank. Het is waar dat in de afgelopen jaren geen enkel land op het moment van evaluatie door de FATF een 10 (oftewel, een «compliant rating») heeft gescoord op alle individuele FATF-aanbevelingen. In alle gevallen waren er verbeteringen en/of aanscherpingen mogelijk of noodzakelijk. Tegelijkertijd hebben de FATF-aanbevelingen er de afgelopen jaren wel voor gezorgd dat in bijna alle landen ter wereld inmiddels voor aangewezen, witwasgevoelige sectoren uniforme regels zijn ingevoerd inzake identificatie en verificatie van de cliënt en de uiteindelijke belanghebbende, evenals een meldplicht voor verdachte transacties en een financiële inlichtingeneenheid waar die meldingen worden geanalyseerd. Nog niet overal ter wereld werken die systemen effectief, en de FATF heeft zich dan ook tot doel gesteld om in de volgende ronde van landenevaluaties naast de inrichting van wet- en regelgeving ook de effectiviteit van de anti-witwassystemen in ogenschouw te nemen.
Volledige en effectieve implementatie van de FATF-aanbevelingen wereldwijd is een belangrijke stap in de aanpak van de grensoverschrijdende financiële criminaliteit. Nederland zet zich er in Europa voor in om de FATF-aanbevelingen volledig om te zetten in de vierde Europese anti-witwasrichtlijn.8
De aanpak van transportcriminaliteit door de Nationale Politie |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht Succesvolle aanpak transportcriminaliteit onder druk?1 Herinnert u zich de eerdere vragen aangaande het succesvolle Landelijk Team Transportcriminaliteit dat door u wordt opgeheven?2
Ja
Wat is er sinds oktober 2012 op het organisatorisch vlak van de Nationale Politie gebeurd met betrekking tot de aanpak van de transportcriminaliteit?
In het kader van de vorming van de Nationale Politie is de organisatiestructuur van de politie herzien. Dit betekent echter niet dat bestaande succesvolle werkwijzen, zoals de inzet van de politie bij de aanpak van ladingdiefstallen, worden beëindigd. De samenwerking tussen het Landelijk Team Transportcriminaliteit (LTT) van het toenmalige KLPD en het projectteam ladingdiefstal van het Bovenregionale Recherche Team Zuid-Nederland is succesvol gebleken. De hier opgedane kennis en expertise zijn daarom geborgd binnen de Nationale Politie. Transportcriminaliteit zal vanuit de Landelijke Eenheid (LE) programmatisch worden aangepakt, in samenwerking met de regionale eenheden en de (keten)partners. Bij de LE wordt een gerichte informatiepositie rond transportcriminaliteit opgebouwd.
Kunt u zich de zorg van het bedrijfsleven voorstellen over het vervangen van de succesvol gebleken aanpak van de transportcriminaliteit door het onderbrengen van transportcriminaliteit bij de Landelijke Eenheid van de Nationale Politie? Zo ja, waarom en wat gaat u doen teneinde die zorg weg te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de vrees van het bedrijfsleven dat indien het onderwerp transportcriminaliteit wordt ondergebracht bij de Landelijke Eenheid dit minder prioriteit zal krijgen dan tot nu toe het geval is? Zo ja, waarom wordt de succesvol gebleken aanpak dan veranderd? Zo nee, hoe zal de Landelijke Eenheid de succesvolle aanpak kunnen voortzetten? Kunt u er voor instaan dat die aanpak niet zal lijden onder de andere prioriteiten van de Landelijke Eenheid?
Nee, die vrees deel ik niet. Zoals hierboven beschreven is de succesvolle aanpak van de het LTT en het BRT geborgd binnen de Nationale Politie. De samenwerking tussen de Landelijke Eenheid en het projectteam ladingdiefstal van het Bovenregionale Recherche Team Zuid-Nederland is succesvol gebleken. De opgedane kennis en expertise worden daarom geborgd binnen de Nationale Politie.
Binnen de Landelijke Eenheid is de aanpak van transportcriminaliteit ondergebracht bij de dienst Infrastructuur (DINFRA). DINFRA is gericht op (on)veiligheid, afwijkend gedrag en criminogene fenomenen binnen de infrastructuur. DINFRA heeft transportcriminaliteit als speerpunt benoemd.
Het bericht dat NOVO onder verscherpt toezicht staat |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over het overlijden van een bewoner in zorginstelling NOVO? Bent u ook van mening dat het overlijden na de fixatie uitgebreid onderzocht dient te worden?1 2
Dit is een uitermate betreurenswaardige gebeurtenis die diepe indruk op mij maakt. Met u ben ik van mening dat dergelijke gebeurtenissen heel goed moeten worden onderzocht.
Wat zegt deze stelling van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) u: «Het personeel bedoelt het goed, maar is te veel bezig met het beperken van de vrijheden van de bewoners en te weinig met hun ontwikkeling.»? Wat betekent dit voor de rest van de locaties van NOVO?
Deze conclusie van de IGZ is gebaseerd op de bevindingen van het inspectiebezoek aan de NOVO-locatie in Onnen op 1 en 2 november 2012 en vervolgens op 12 maart 2013. Uit de bevindingen van de IGZ komt naar voren dat het personeel ten tijde van het bezoek werkte volgens een bepaalde methodiek die sterk beheersmatig van karakter is. De methode was enkele maanden eerder afgeschaft volgens het management. Het personeel was hier door het management nog niet over geïnformeerd. Zij gebruikten de methode daarom nog steeds. Bovendien was er nog geen vervangende methode beschikbaar. De communicatie tussen management en medewerkers en de sturing door het management waren naar het oordeel van de IGZ onvoldoende.
Deze methodiek werd alleen op de twee behandellocaties van NOVO gebruikt. Inmiddels is een van deze twee locaties, te weten de locatie in Onnen, gesloten. NOVO voert naar aanleiding van het inspectierapport op de andere behandellocatie veranderingen door op de werkprocessen. Deze locatie is op 18 juni 2013 onaangekondigd bezocht. De rapportage van dat bezoek is op de site van IGZ gepubliceerd.
Erkent u dat de zorginstelling een zeer groot risico heeft genomen door de inzet van niet deskundig personeel, zowel voor de bewoners als voor hun eigen veiligheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties gaan daaruit volgen?
Het is de verantwoordelijkheid van de zorginstelling om voldoende deskundig personeel in te zetten. Uit de bevindingen van de IGZ blijkt dat het personeel voor een gedeelte van de zorg, namelijk het behandelaspect, niet voldoende deskundig was.
NOVO slaagde er onvoldoende in om verbeteringen te bewerkstelligen. NOVO achtte zich ook niet in staat om in de gestelde tijd de noodzakelijke verbeteringen te realiseren. Als gevolg van het inspectierapport heeft de raad van bestuur besloten om de locatie in Onnen te sluiten. Of er structurele tekortkomingen zijn in de zorgverlening van NOVO bij de andere locaties onderzoekt de IGZ de komende periode.
Bij een eventuele start van een nieuwe behandellocatie dient NOVO eerst de inspectie te informeren, opdat de IGZ een toets kan uitvoeren op de kwaliteit en daarmee de veiligheid van deze locatie.
Zijn de bewoners van NOVO op dit moment veilig? Kunt u garanderen dat mensen goede zorg krijgen die gericht is op het voorkomen van fixatie? Kunt u uw antwoord toelichten?
In overleg met de cliënten en hun vertegenwoordigers zijn inmiddels alle cliënten van het betreffende behandelcentrum in Onnen verhuisd. De IGZ heeft dit met een onaangekondigd bezoek gecontroleerd. Een aantal cliënten is verhuisd naar een andere locatie van NOVO, anderen naar een andere zorginstelling. Deze verhuizingen zijn zorgvuldig voorbereid. Zo hebben het «oude» team en het «nieuwe» team de zorg- en behandelbehoefte van elke cliënt goed afgestemd. Ook geldt voor alle cliënten dat de behandelverantwoordelijke betrokken blijft totdat de cliënt gestabiliseerd is in de nieuwe woonomgeving.
In de behandellocatie in Onnen was men onvoldoende gericht op het voorkomen van fixatie. Het inspectieonderzoek naar de calamiteit en de rapportage daarover heeft een bewustwordingsproces op gang gebracht. In de betreffende situatie had immers helemaal geen fixatie of afzondering mogen worden toegepast omdat er in dit geval sprake was van dwangbehandeling bij een vrijwillig opgenomen cliënt. De IGZ zal in haar vervolgbezoeken aan NOVO volgen of verbeterslagen worden gemaakt, de organisatie een goede visie ontwikkelt en beleid maakt op het voorkomen van vrijheidsbeperking. Daarnaast ziet zij erop toe dat medewerkers vrijheidsbeperking, waaronder fixatie, alleen als uiterst middel inzetten en pas als aan alle randvoorwaarden, waaronder het zoeken naar alternatieven en multidisciplinair overleg, is voldaan.
Heeft NOVO het overlijden van de bewoner gemeld bij de IGZ? Wat is er toen gebeurd? Kunt u een overzicht geven?
De IGZ kan diverse methoden inzetten om een melding te (laten) onderzoeken. Uitgangspunt is dat de zorginstelling zelf primair verantwoordelijk is en daarom zelf een calamiteit moet onderzoeken. Op basis van de kwaliteit van dit onderzoek of de uitkomsten daarvan kan de IGZ beslissen alsnog een onderzoek in te stellen.
NOVO heeft het overlijden, dat plaatsvond op 13 maart 2012, op 15 maart 2012 aan de inspectie gemeld. Op 19 maart 2012 heeft het OM het overlijden bij de inspectie gemeld. Op 11 april 2012 deed de familie van cliënte dit. Conform bovengenoemd uitgangspunt heeft de IGZ NOVO verzocht allereerst intern onderzoek te doen. Dit onderzoek bleek naar het oordeel van de IGZ echter onvoldoende, zodat NOVO op 6 juni 2012 is gevraagd een externe partij in te zetten voor het onderzoek. Eind augustus 2012 ontving de IGZ het eindrapport van deze partij en de reactie hierop van de raad van bestuur van NOVO begin september 2012. Omdat ook het externe onderzoeksrapport onvoldoende antwoord gaf op de vraag wat er gebeurd was voorafgaand en tijdens de calamiteit, heeft de IGZ vervolgens een eigen onderzoek ingesteld. Daartoe is op 1 en 2 november 2012 de locatie bezocht. Naar aanleiding van het bezoek zijn er verbetereisen gesteld en hebben vervolggesprekken met medewerkers plaatsgevonden. Omdat er geconstateerd werd dat er sprake was van structurele tekortkomingen, vond overdracht naar het risicogestuurde toezicht plaats. In dat kader is de locatie op 12 maart 2013 bezocht. Naar aanleiding van de conceptrapportage die de IGZ naar aanleiding van het inspectiebezoek opstelde besloot de raad van bestuur in april 2013 tot sluiting van de locatie. Op 18 juni 2013 heeft de IGZ bij een onaangekondigd bezoek geconstateerd dat de locatie inderdaad gesloten is.
Deelt u de mening dat het sluiten van een locatie, na het kritische rapport van de IGZ, de suggestie wekt dat hier meer aan de hand is dan een incident? Kunt u uw antwoord toelichten?
Uit de onderzoeken naar het overlijden bleken structurele tekortkomingen in de zorg bij de behandellocatie te Onnen. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 3.
Op welke wijze hield de IGZ toezicht bij NOVO? Is er sprake geweest van meer aandacht in het kader van het risicogestuurd toezicht of is dit overlijden aanleiding geweest voor verscherpt toezicht?
Op basis van de melding bij de IGZ heeft de IGZ onderzoek gedaan in het kader van het calamiteitentoezicht. Daaruit bleek dat er bij NOVO structurele tekortkomingen waren. Derhalve is de IGZ overgegaan op de inzet van risicogestuurd toezicht. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. Het rapport op basis van risicogestuurd toezicht is op de site van de IGZ gepubliceerd. Uit het risicogestuurd toezicht bleek dat er structurele tekortkomingen waren. Dit geldt de locatie Onnen. Of dit voor de andere locaties ook geldt, onderzoekt de IGZ op dit moment.
Aangezien de locatie in Onnen inmiddels is gesloten is deze locatie niet onder verscherpt toezicht gesteld.
Vanuit het risicogestuurde toezicht wordt NOVO de komende periode gevolgd. Als blijkt dat er breder in de organisatie sprake is van structurele tekortkomingen zal de IGZ de benodigde maatregelen nemen om verbetering te bewerkstelligen. Zie ook mijn antwoord op de vragen 2 en 3.
Klopt de suggestie dat de IGZ in beweging kwam omdat er een radiouitzending over het overlijden van de bewoner aanstaande was? Zo nee, waarom is er dan pas 14 maanden na het overlijden tot actie overgegaan? Zo ja, erkent u dat dit niet meer mag voorkomen?
Deze suggestie klopt niet. Direct na de melding is IGZ tot actie overgegaan. Zie ook mijn antwoord op vraag 5.
Hoeveel tijd heeft er gezeten tussen het overlijden van de bewoner en het bezoek van de IGZ? Vindt u dit een acceptabele termijn?
Het overlijden vond plaats op 13 maart 2012. Na de melding op 15 maart 2012 is gestart met onderzoek. Zie ook mijn antwoord op vraag 5.
Is er een lijkschouw gedaan na het overlijden van de bewoner? Wat is er met de uitkomsten gedaan?
Als onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek naar het overlijden, dat op 14 maart 2012 is gestart, is sporenonderzoek gedaan en is in opdracht van de officier van justitie door het Nederlands Forensisch Instituut een sectie verricht. Ook zijn alle betrokken personeelsleden in het kader van het strafrechtelijk onderzoek gehoord. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft de uitkomsten van het sporenonderzoek, de sectie en de verhoren betrokken bij de strafrechtelijke beoordeling en afdoening van deze zaak.
De IGZ heeft tijdens haar onderzoek met de betrokken zorgmedewerkers gesproken. De resultaten van die gesprekken zijn verwerkt in het inspectierapport.
Is er sporenonderzoek gedaan? Wat is er met de uitkomsten daarvan gedaan?
Zie antwoord vraag 10.
Zijn betrokken personeelsleden gehoord? Wat is met de uitkomsten daarvan gedaan?
Zie antwoord vraag 10.
Waarom is het onderzoek door de rijksrecherche na een aantal uren gestaakt? Kunt u uw antwoord toelichten?
De medewerkers van NOVO hebben op de bewuste avond assistentie gevraagd van de politie. In verband met mogelijke betrokkenheid van politiefunctionarissen bij het overlijden van de bewoonster is de Rijksrecherche bij deze kwestie betrokken. Zodra duidelijk was dat van betrokkenheid van de politiefunctionarissen bij het overlijden van de bewoonster geen sprake was, is het onderzoek door de Rijksrecherche beëindigd.
Erkent u dat het voor de nabestaanden zeer bitter is dat de strafzaak naar de personeelsleden is geseponeerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik kan mij indenken dat het voor de nabestaanden bitter is dat de betrokken medewerkers niet worden vervolgd wegens het overlijden van iemand die hen dierbaar was. Het OM heeft dit besluit echter zorgvuldig genomen en het is door de rechter getoetst. Het OM heeft vervolging overwogen voor dood door schuld (artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht). Op basis van de uitkomsten van het onderzoek kwam het OM tot de conclusie dat de betrokken personeelsleden een gerechtvaardigd beroep op noodweer konden doen en dat hen geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Om die reden heeft het OM op 26 april 2012 de zaak geseponeerd. De officier van justitie heeft deze afweging toegelicht in een gesprek met de nabestaanden. Over deze sepotbeslissing is een klachtprocedure op basis van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering gevoerd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn beschikking van 18 juni 2013 de klacht van de nabestaanden afgewezen. Ook het hof is van oordeel dat in deze de betrokken personeelsleden geen strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Waarom is deze zaak door het Openbaar Ministerie geseponeerd? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
Is het rapport van de IGZ aanleiding om het strafrechtelijk onderzoek te heropenen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat dit ook gebeuren? Wilt u de Kamer daarover informeren?
De rapportage van de IGZ behelst de resultaten van een inspectiebezoek, waarbij is gekeken naar de aanwezigheid van risico’s op vijf specifieke domeinen. De bevindingen van de IGZ geven geen andere of nieuwe informatie die voor de strafrechtelijke beoordeling van het optreden van de gewezen verdachten relevant is en vormt dan ook geen aanleiding om het strafrechtelijk onderzoek te heropenen.
Hoe vaak komt het voor dat kwetsbare mensen in zorginstellingen niet deskundig gefixeerd worden en daardoor letsel oplopen? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
De IGZ ontvangt jaarlijks ongeveer vijf tot tien meldingen waarbij er sprake is van niet deskundig fixeren. Hierbij zijn incidenten en calamiteiten bij fixeren breed opgevat, zoals bewoners die bijvoorbeeld een fractuur oplopen door het vergeten van het plaatsen van een tafelblad, die vallen omdat bedhekken niet omhoog zijn gezet of die over een bedhek heen zijn geklommen en vallen. Van 2010 tot 1 juli 2013 heeft de IGZ drie calamiteiten, waaronder de calamiteit in NOVO, met het toepassen van fixatie ontvangen.
De door mijn voorganger ingestelde «Denktank complexe zorg» heeft de problematiek rond het omgaan met vrijheidsbeperkingen in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking uitgebreid onderzocht en in beeld gebracht. Vorig jaar juni heeft de denktank rapport uitgebracht. In dit rapport (Wegen naar vrijheid) staat een aantal praktische -integraal samenhangende- aanbevelingen waarmee de problematiek kan worden aangepakt. Het is nu zaak deze aanbevelingen uit te voeren. Het «actieprogramma zorg en dwang» kan hierbij behulpzaam zijn. Tegen deze achtergrond zie ik geen aanleiding aanvullend onderzoek te doen.
Onrust in de sociale werkplaats |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de radiouitzending van Argos over onrust op sociale werkplaats Delta in Zutphen?1
Ik heb hiervan kennisgenomen.
Wat bedoelt u met dat «de sociale werkplaats blijft zoals die is, met dien verstande dat per 1 januari 2015 geen nieuwe instroom meer zal plaatsvinden»? Hoeveel arbeidsplekken moeten in de sociale werkvoorziening vanaf 2015 verdwijnen om aan de bezuinigingsdoelstelling te voldoen?
Daarmee bedoel ik dat er geen nieuwe instroom meer is vanaf 1 januari 2015, maar dat de Wsw van toepassing blijft op mensen die op 31-12-2014 een dienstverband hebben. Het aantal plekken zal daarmee geleidelijk afnemen tot nul (na 2050). Tegelijk bouwt het aantal plekken van de nieuwe voorziening beschut werk geleidelijk op (zie pagina 9 van de hoofdlijnenbrief Participatiewet van 21 december 2012 voor nadere toelichting, TK 2012/13, 29 817, nr. 98).
Deelt u de mening van Jos Verhoeven van de Start Foundation dat werkgevers helemaal niet zitten te wachten op mensen met een arbeidsbeperking voor een redelijk normaal tarief? Zo nee, waarom niet?
Ik weet niet in hoeverre de heer Verhoeven deze mening huldigt. Ik ben het ermee eens dat nog te weinig werkgevers mensen met een beperking in dienst hebben. Maar het is niet zo, dat werkgevers niet willen of niet bereid zijn stappen te zetten.
Het is de ervaring van sw-bedrijven dat mensen met een beperking goed tot hun recht kunnen komen bij gewone werkgevers. Sw-bedrijven investeren fors in het zoeken en geschikt maken van werkplekken en de begeleiding van werkgevers en werknemers. Bijna 30.000 van de ruim 100.000 mensen in de Wsw werkt bij een gewone werkgever. Het aantal mensen dat werkt bij gewone werkgevers is – ondanks de crisis – de afgelopen jaren gestegen.
Verder bewijst het sociaal akkoord dat werkgevers wel degelijk bereid zijn stappen te zetten (zie hoofdlijnenbrief van 27 juni 2013 over de vormgeving van de Participatiewet en het quotum na de totstandkoming van het sociaal akkoord).
Deelt u de mening van een voormalig lid van de ondernemingsraad van Delta dat vooruitgelopen wordt op nieuwe wetten en regels? Zijn de spanningen inderdaad toegenomen met de komst van een nieuwe directeur, die een hoger salaris verdient dan de burgemeester? Welke gevolgen heeft dit gehad voor de medewerkers van sociale werkvoorziening Delta behalve het afschaffen van de Sinterklaasviering?
Ik kan voor dit specifieke geval niet beoordelen welke maatregelen op grond waarvan zijn getroffen. In algemene zin geldt dat SZW de afgelopen jaren heeft uitgedragen dat de sw-sector herstructurering behoeft, inkomsten kunnen omhoog en kosten omlaag, meer mensen kunnen bij reguliere werkgevers via detachering of begeleid werken aan de slag. Het is goed mogelijk dat ook dit bedrijf bezig is met herstructurering en herpositionering. Het is positief als gemeenten en sw bedrijven zich richten op de toekomst en de benodigde herstructurering.
Al in 2009 is bij Delta, met instemming van de 5 betrokken gemeenteraden, de koers ingezet om zo veel mogelijk sw-medewerkers op een reguliere werkplek te plaatsen. De directeur heeft van het bestuur de opdracht gekregen deze transitie door te voeren. Dit is van belang om ook in de toekomst goede begeleiding te kunnen blijven bieden aan mensen met een beperking.
Ik constateer uit de berichtgeving dat de veranderingen, die dit voor sw-personeel betekent, de nodige spanning hebben gegeven. In 2011 heeft dit binnen Delta geleid tot een verstoorde relatie tussen directeur en OR (zie ook antwoord op vraag 5).
De spanningen staan los van de komst van de nieuwe directeur en zijn salaris, zo heeft de gemeente Zutphen mij laten weten. De directeur van Delta is na een gebruikelijke sollicitatieprocedure geselecteerd op basis van zijn kennis en kwaliteiten. Het salaris voor deze functie past volgens de gemeente binnen de geldende normen.
Klopt het bericht dat mails en correspondentie van de ondernemingsraad zijn gecontroleerd door de directie en dat mediation 200.000 euro heeft gekost?
Ik heb hierover navraag gedaan bij de gemeente Zutphen. Mij is aangegeven dat de kosten van mediation € 56.000,– bedroegen. Daarnaast zijn er, ten gevolge van het conflict met de OR, juridische kosten gemaakt doordat de ondernemingsraad zich juridisch liet bijstaan. Na de mediation is weer constructief overleg met de OR mogelijk zonder juridische advisering, zo meldt de gemeente.
Heeft de inspectie SZW onderzoek gedaan naar de arbeidsomstandigheden bij Delta in Zutphen? Zo nee, zou u bereid zijn om hiernaar onderzoek te laten verrichten?
Ja, de inspectie SZW heeft onderzoek gedaan. Dat betrof onderzoek naar toezicht op (veilig) gedrag en machineveiligheid. Overigens geldt dat werknemers een klacht kunnen indienen bij de Inspectie SZW als ze weten of vermoeden dat hun werkgever zich niet aan de wet houdt. De Inspectie zal daarop onafhankelijk een onderzoek doen. Er is geen aanleiding voor additioneel nader onderzoek.
Hoeveel mensen zijn wanneer gedetacheerd vanuit Delta naar de Westrik Groep? Zijn deze werknemers nog altijd gedetacheerd bij de Westrik Groep? Zo ja, komen deze werkers ook in dienst van het bedrijf, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? Hoe zit het met de verloningsconstructie van de werknemers?
Uit informatie van de gemeente Zutphen komt het volgende naar voren: Bij Westerik Groep is in eerste instantie een groep van 7 medewerkers gedetacheerd. Deze groep betrof sw-medewerkers met een relatief grote afstand tot de reguliere arbeidsmarkt, zich uitend in gedragsproblematiek. In de praktijk bleken enkele van deze medewerkers niet goed te passen op de nieuwe werkplek. Dit had verschillende achtergronden variërend van toegenomen gezondheidsklachten tot ongeschiktheid voor de minder beschutte omgeving of onvoldoende werknemersvaardigheden. Het aantal bij Westerik gedetacheerde medewerkers is weer aangevuld tot 7. Vanuit Delta blijft er een consulent betrokken om waar nodig te bepalen of extra begeleiding wenselijk is.
Het sw-bedrijf ontvangt een vergoeding voor de geleverde werkzaamheden, rekening houdend met de beperkingen van deze mensen. Zolang de detachering succesvol verloopt, is er voor de werkgever geen aanleiding de detachering te beëindigen.
Het bericht dat bij 44% van de Europeanen glyfosaat in de urine zit |
|
Lutz Jacobi (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Duitse onderzoek naar glyfosaat in urine?1 Zo ja, wat is hierover uw mening? Zo nee, wilt u zich hiervan in kennis stellen?
Ja. Er is glyfosaat gevonden in 5 van de 8 onderzochte Nederlandse urinemonsters, die deel uitmaakten van dit onderzoek. De bron van deze glyfosaatsporen kan uit het Duitse onderzoeksrapport niet worden afgeleid. Het is wettelijk toegestaan dat residuen van glyfosaat op levensmiddelen voorkomen, mits dit geen effect heeft op de gezondheid van de consument. De aanwezigheid van glyfosaat in de urine van Nederlanders kan dan het gevolg zijn van blootstelling via de voeding. Verder kunnen mensen ook blootgesteld worden aan glyfosaat door onkruidbestrijding buiten de landbouw. De aanwezigheid van glyfosaat in de urine wordt vervolgens bepaald door het gedrag van glyfosaat in het menselijk lichaam (zie ook antwoord op vraag 3). Het RIVM constateert dat het rapport te summier is om de resultaten goed te kunnen duiden.
Klopt het dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) geen testen uitvoert op gewassen om te controleren of er glyfosaat in het gewas zit? Zo ja, waarom is dat zo? Zo nee, wat zijn de resultaten van dat onderzoek?
Nee, de afgelopen jaren heeft de NVWA bijna 100 monsters laten onderzoeken op glyfosaat. De NVWA controleert steekproefsgewijs, conform aanbevelingen van de EU, voornamelijk granen op glyfosaat. Die analyses zijn het meest relevant omdat de stof het meest in de graanteelt wordt toegepast. In de groenten- en fruitteelt wordt de stof minder toegepast. Bij deze analyses is in 11 gevallen een residu van glyfosaat in tarwe gevonden. In al deze positieve monsters was het gevonden niveau minder dan 10% van het wettelijk maximaal toegelaten residugehalte (maximumresidugehalte: MRL).
Hoe schat u het risico in van glyfosaat in de urine? Als u dat niet als gezondheidsrisico ziet, op welke wetenschappelijke onderzoeken beroept u zich dan? Kunt u daarvan de bronnen geven? Als u het wel als gezondheidsrisico's ziet, welke stappen gaat u dan ondernemen om dit probleem aan te pakken?
Er werden glyfosaatgehalten gevonden tot enkele microgrammen per liter urine. Het RIVM geeft aan dat de aanwezigheid van sporen van gewasbeschermingsmiddelen in het lichaam op zich niet veel zegt over de schadelijkheid. Bepalend voor de schadelijkheid zijn de niveaus waarin de stoffen aanwezig zijn, en eventueel ook hoe vaak en hoe lang men is blootgesteld aan die stoffen. Voor langdurige blootstelling aan glyfosaat is op basis van wetenschappelijke studies een gezondheidskundige grenswaarde vastgesteld van 0,3 milligram per kilogram lichaamsgewicht per dag. Deze studies zijn beschreven in de toxicologische evaluatie van de EU uit 20012. Uit deze studies blijkt dat glyfosaat hoofdzakelijk via de urine snel wordt uitgescheiden. Bij een blootstelling die net onder de gezondheidskundige grenswaarde blijft, is daarom een glyfosaatgehalte van enkele milligrammen per liter urine mogelijk en onschadelijk. Het RIVM concludeert daarom dat glyfosaatgehalten van enkele microgrammen per liter (duizend keer lager) zoals die in de Duitse studie zijn gevonden, geen risico vormen voor de gezondheid.
Om er voor te zorgen dat residuen van glyfosaat in levensmiddelen geen gezondheidseffecten hebben, zijn strenge MRL's vastgesteld. De EU stelt deze residulimieten vast na een zorgvuldige beoordeling. Er zijn MRL’s vastgesteld voor residuen van glyfosaat op onder andere granen, groenten en fruit. De NVWA heeft geen overschrijdingen van de MRL gevonden.
Ziet u aanleiding de NVWA opdracht te geven gewassen te testen op glyfosaat? Zo ja, op welke termijn kunt u de Kamer informeren over de resultaten? Zo niet, waarom niet?
De NVWA test gewassen op glyfosaat. Zie voor de resultaten van dit onderzoek het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid bij ons omringende landen te informeren of er daar onderzoek gedaan wordt naar de effecten van glyfosaat op de volksgezondheid? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Omdat het RIVM op dit moment geen aanwijzingen heeft dat de gevonden glyfosaatwaarden in de urine reden tot zorg geven, is er geen aanleiding om bij de omringende landen te informeren naar dergelijk onderzoek. In Europees verband wordt veel aandacht besteed aan de gezondheidseffecten van stoffen in gewasbeschermingsmiddelen. Eens in de zoveel tijd worden alle gegevens opnieuw bekeken. Op dit moment zit glyfosaat in dit proces. Ik zal de uitkomsten van deze herevaluatie nauwlettend volgen en als er nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn die een direct gevaar voor mens, dier of milieu identificeren, zal hier in Europees verband alert op worden gereageerd.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het notaoverleg Gewasbescherming?
Ja.
Het bericht ‘2 miljoen Nederlanders slachtoffer identiteitsfraude’ |
|
Klaas Dijkhoff (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «2 miljoen Nederlanders slachtoffer identiteitsfraude»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat honderdduizenden Nederlanders slachtoffer zijn van deze vorm van criminaliteit?
Ja. Daarom heb ik in het AO van 10 april j.l. de toezegging gedaan uw Kamer voor het eind van het jaar te berichten over een brede, samenhangende kabinetsvisie met betrekking tot de aanpak van identiteitsfraude waarin met name wordt ingezet op samenhang en samenwerking in de keten om het probleem structureel aan te kunnen pakken. Aan het eind van het jaar zal ik tevens een identiteitsmonitor overleggen. Deze identiteitsmonitor is een middel om op een gestructureerde wijze gedurende een langere periode cijfers te verzamelen en te monitoren ten aanzien van identiteitsfraude.
Klopt het dat slachtoffers van identiteitsfraude vaak problemen ondervinden met het doen van aangifte en de afwikkeling hiervan?
In algemene zin valt er nog winst te behalen in het realiseren van een adequaat aangifteproces.
De verbetering van de intake en afhandeling van aangiften is dan ook een van de speerpunten van het beleid van de minister van Veiligheid en Justitie. Hij zal u binnenkort informeren over de voortgang die geboekt is bij het verbeteren van de intake en de dienstverlening en zijn ambities bij de behandeling van de aangiftes bij de politie.
Tijdens het AO is er in Uw Kamer op gewezen dat problemen met de aangifte wellicht ook gelegen zouden kunnen zijn in het ontbreken van de zelfstandige strafbaarstelling. Het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de verbetering van de aanpak van fraude met identiteitsbewijzen en wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband met verbetering van de regeling van de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden, bevat instrumenten om tegen verschillende vormen van identiteitsfraude op te treden. Tijdens de bespreking van het concept wetsvoorstel in de Tweede Kamer heeft de minister van Veiligheid en Justitie opgemerkt dat het misbruik van identificerende persoonsgegevens meer op één lijn wordt gesteld met misbruik van reisdocumenten en identiteitsbewijzen.
Deelt u de mening dat de afwikkeling van aangiftes beter moet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gaat u doen om het voor slachtoffers makkelijker te maken om de gevolgen van identiteitsfraude te herstellen?
Het vervolgonderzoek «Omvang van identiteitsfraude & maatschappelijke schade in Nederland» stelt dat 85% van de slachtoffers tevreden is over de afhandeling van identiteitsfraude en/of foute of onterechte registraties. Zowel het Centraal Meld- en Informatiepunt Identiteitsfraude- en fouten als de Fraudehelpdesk helpen slachtoffers bij alle vormen van identiteitsfraude waarbij het CMI is gespecialiseerd in individuele hulpverlening ingeval van identiteitsfraude terwijl de Fraudehelpdesk het gehele terrein van fraude bestrijkt.
De verdere aanpak omtrent het herstellen van de gevolgen van identiteitsfraude zal onderdeel uitmaken van de kabinetsvisie met betrekking tot identiteitsfraude die, conform de toezegging uit het AO van 10 april jl., voor het eind van het jaar zal worden aangeboden aan uw Kamer.
Het bericht “Zoveel banen, dat is echt stupide.” |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zoveel banen, dat is echt stupide»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de kritiek van de drie hoogleraren dat het aantal geschatte banen dat brievenbusmaatschappijen Nederland zouden opleveren in het SEO-rapport gebaseerd is op een rekenfout?
De drie hoogleraren stellen dat een betere benadering om het aantal banen te schatten zou zijn om de omzet bij dienstverleners te delen door wat een werknemer gemiddeld aan omzet oplevert; deelt u de opvatting van deze hoogleraren? Zo nee, waarom niet?
In de nieuwe verklaring stelt SEO gebruik gemaakt te hebben van afgeleide fte’s; hoe beoordeelt u het geschatte bedrag per fte? De heer Van Wijnbergen stelt in het NRC dat dit bedrag veel te laag is; deelt u zijn mening?
In het NRC stelt Arnoud Boot dat het «stupide» is te denken dat de werknemers die hun baan «danken» aan het bestaan van brievenbusmaatschappijen, zonder het bestaan van deze firma’s niet aan het werk zouden zijn, immers schept aanbod op middellange termijn zijn eigen vraag; deelt u deze analyse? Zo nee, kunt u uitsluiten dat deze werknemers zonder het bestaan van brievenbusfirma’s ook een baan zouden hebben?
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan uw reactie op het SEO-rapport?
Een nadere onderbouwing van de gemaakte keuzes met betrekking tot de bezuinigingen in de TBS-sector |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de cijfers die in uw brief van 11 juni 2013 worden genoemd met betrekking tot resocialisatie, waaruit zou blijken dat FPC Veldzicht en FPC Oldenkotte het meest in aanmerking zouden komen voor sluiting, niet nader inzichtelijk zijn voor de klinieken die het betreft en de onderbouwing hiervan op verzoek niet wordt gegeven? Kan de onderbouwing van deze cijfers alsnog gegeven worden?1
Bij brief van 11 juni 2013 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer heb ik een toelichting gegeven op de achterliggende informatie ten aanzien van onder meer de weging van de criteria voor de sluiting van FPC’s in de forensische zorg en de uitkomsten van die weging. De brief is openbaar en de informatie is bekend bij de betreffende klinieken. Daarnaast zijn aan de te sluiten FPC’s in begin mei al cijfers met betrekking tot de uitkomst van het resocialisatiecriterium voor de eigen instelling overhandigd en is een nadere toelichting hierop gegeven.
Kan eveneens nader toegelicht worden hoe de gebouwelijke frictiekosten zijn opgebouwd? Hoe kan het dat de genoemde bedragen in de tabel in uw brief volgens de klinieken zelf niet juist zijn?
Voor de bepaling van de gebouwelijke frictiekosten bij een particuliere inrichting is de boekwaarde van de gebouwen, verbouwingen en installaties per ultimo 2014 bepaald. De berekening is gebaseerd o.b.v. de stand per ultimo 2011 plus de verwachte afschrijvingen in de jaren waarin de inrichting nog open blijft. Hierop wordt in mindering gebracht het deel dat middels bouwsubsidie door DJI is gefinancierd. Voorts wordt een correctie toegepast indien in de balans een onderhoudsvoorziening voor de gebouwen aanwezig is. De voorziening is gevormd uit de door DJI verstrekte exploitatiesubsidies in het verleden.
Voor de bepaling van de gebouwelijke frictiekosten bij een rijksinrichting is een indicatieve opgave van de Rijksgebouwendienst (RGD) opgevraagd. Bij afstoot van panden door de DJI wordt door de RGD een afkoopsom van de lopende huurcontracten in rekening gebracht.
Zijn de cijfers over de arbeidsmarkt in de regio niet te optimistisch voorgespiegeld, gelet op het feit dat naast elkaar gelegen regio’s hard worden getroffen door de sluitingen van inrichtingen en klinieken? Hoe luiden deze cijfers op het moment dat u deze voorgenomen sluitingen doorzet?
Ik hecht aan een zorgvuldige afweging. Het criterium werkgelegenheid is daarom in samenhang met de andere sectoren bekeken. De FPC’s Veldzicht en Oldenkotte liggen volgens de UWV-prognose 2013 niet in gebieden met een dusdanig ernstig werkgelegenheidsprobleem dat sluiting in deze gebieden om die reden vermeden moet worden. Er is in het Masterplan van 22 maart jl. uitgegaan van de UVW-arbeidsmarktprognose 2013. De meest recente prognose van het UWV (2014) laat een veel somberder beeld zien voor heel Nederland. De werkgelegenheids-problematiek is in bijna alle gebieden van Nederland groot. Deze nieuwe prognose leidt dan ook niet tot een andere uitkomst op dit criterium.
Wat is uw inschatting met betrekking tot de gemiddelde extra behandelduur van patiënten die vanuit FPC Oldenkotte en FPC Veldzicht zouden moeten worden overgeplaatst? Wat betekent deze verhoging van de behandelduur bij deze patiënten voor uw voornemen om volgend jaar en de jaren daarna tot een jaarlijkse behandelduurverkorting over de hele sector te komen van een half jaar? Indien u van mening bent ook maar enige vertraging voor de behandelduur van de over te plaatsen patiënten te willen voorkomen, hetgeen volgens velen een illusie is, wat is dan hiervoor concreet het plan?
Bij de overplaatsing van patiënten uit de te sluiten fpc’s zijn alle inspanningen er op gericht een eventuele vertraging in de behandeling zoveel mogelijk te beperken. Er wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met de fase van behandeling en verlof waarin de patiënt zich bevindt. Zoals afgesproken in het convenant wordt de behandelduur in de tbs teruggebracht naar gemiddeld acht jaar. Eventuele nadelige effecten van de overplaatsing van patiënten uit de te sluiten fpc’s worden meegenomen in de metingen van de gemiddelde behandelduur.
De stand van zaken in het juridisch onderzoek naar bestuurders van woningcorporatie Rentree |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten in welke fase het juridisch onderzoek naar de oud-bestuurders van Rentree zich bevindt?
In 2010 is een forensisch onderzoeksrapport opgesteld door Deloitte gevolgd door een juridisch advies van Allen & Overy over mogelijke strafbare feiten en verhaalbaarheid van schade op voormalig bestuurders/toezichthouders. In 2012 is hierop een second opinion uitgebracht door Ivy Advocaten. Zie verder het antwoord op vragen 2 en 3.
Kunt u toelichten of Rentree civielrechtelijke stappen gaat nemen om de voormalig bestuurder van Rentree persoonlijk aansprakelijk te stellen voor de schade die Rentree heeft geleden?
Rentree geeft aan dat op 26 april 2013 de voormalig bestuurder is gedagvaard. In deze civielrechtelijke procedure stelt Rentree de voormalig bestuurder hoofdelijk aansprakelijk voor de vergoeding van alle huidige en toekomstige schade die de woningstichting Rentree en/of Rentree projectontwikkeling heeft/hebben geleden op grond van onbehoorlijk bestuur ex artikel 2:9 BW en/of op grond van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW, onder meer in verband met de (aankoop van) Project Duistervoordsweg.
Kunt u toelichten hoe het huidige bestuur van Rentree tot nu toe medewerking heeft verleend aan het juridisch onderzoek?
Het huidige bestuur neemt in goed en constructief overleg de stappen waarvan ik verwacht dat die in het volkshuisvestelijk belang dienen te worden genomen.
Heeft Rentree overwogen om met een stuitingsbrief aan de oud-leden van de raad van toezicht te voorkomen dat de aansprakelijkheid van oud toezichthouders kan verjaren (verjaringstermijn van 5 jaar; art. 3:310 BW)? Kunt u dit toelichten?
Op basis van onderzoek, een juridische analyse en een second opinion ziet Rentree geen aanleiding om schade te verhalen op voormalige toezichthouders. Mijn ambtsvoorganger heeft die conclusie overgenomen en u daarover schriftelijk geïnformeerd bij brief van 29 juni 2012. Stuiting van verjaring is niet aan de orde nu er geen gronden voor aansprakelijkheid zijn vastgesteld.
Bent u zich ervan bewust dat de verjaringstermijn voor aansprakelijkheid van de oud-bestuurders binnenkort verloopt en welke mogelijkheden ziet u om dergelijke verjaringstermijn niet te laten verlopen voordat het juridisch onderzoek gereed is?
De procedure loopt. Zie verder het antwoord op de vorige vraag. Stuiting van verjaring is niet aan de orde nu de procedure is gestart.
Deelt u de mening dat fraude bij maatschappelijke instellingen zoals woningcorporaties en scholen veel maatschappelijke verontwaardiging teweeg brengt en dat vermoedens van verwijtbaar bestuurlijk handelen bij dergelijke instellingen hoge prioriteit moeten hebben bij het Openbaar Ministerie, FIOD en Politie?
In zijn algemeenheid acht ik fraude -ook en zeker bij maatschappelijke instellingen- een kwalijke zaak. Fraude dient voorkomen en bestreden te worden.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg Woningcorporaties van 26 juni a.s.?
Ja.
Het bericht dat er opnieuw is gefraudeerd in de thuiszorg |
|
Renske Leijten (SP) |
|
|
|
|
Hoe is het mogelijk dat een thuiszorgorganisatie twee jaar lang meer uren thuiszorg declareerde en te hoge tarieven in rekening bracht, zonder dat het opgemerkt werd door het zorgkantoor en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Momenteel wordt door de FIOD onderzocht wat zich heeft voorgedaan bij de thuiszorgorganisatie waarop u doelt in uw vraag. Gedurende dit onderzoek kan ik inhoudelijk niet ingaan op deze specifieke zaak. Uiteraard zal ik het onderzoek nauwlettend volgen om te bezien of naar aanleiding van de bevindingen nadere maatregelen nodig zijn.
Vindt u het ook schokkend dat de fraude pas aan het licht kwam bij een overname van de organisatie? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Zie antwoord vraag 1.
Het is toch zo dat de NZa op basis van jaarrekeningen toezicht moet houden op mogelijke fraude en de continuïteit van de zorginstelling? Waarom heeft de NZa de te hoge tarieven niet in de gaten gehad?
Hoe heeft het zorgkantoor toezicht gehouden op de gedeclareerde uren van de zorginstelling? Waarom is daar geen lampje gaan branden?
Zoals gezegd kan gedurende het onderzoek niet worden ingegaan op deze specifieke zaak.
In zijn algemeenheid geldt dat de NZa toezicht houdt op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de uitvoering van de AWBZ. In die hoedanigheid houdt zij er toezicht op dat de zorgkantoren hun werk naar behoren uitvoeren en dat zorgaanbieders zich aan hun wettelijke verplichtingen houden. Over het toezicht op de zorgkantoren rapporteert de NZA mij in jaarlijkse uitvoeringsverslagen.
Het toezicht op zorgaanbieders vindt plaats via het zogenaamde signaaltoezicht. Dat betekent dat de NZa signalen die zij krijgt volgens een eigen procedure weegt en beziet wat ermee moet gebeuren. De NZa controleert dus niet zelf alle jaarrekeningen van aanbieders en welke tarieven zij hanteren. Als een signaal over vermeende fraude binnen komt, is er voor NZa mogelijk aanleiding om daar onderzoek naar te doen. Dat is echter allereerst de verantwoordelijkheid van het zorgkantoor.
De NZa houdt ten aanzien van de continuïteit van aanbieders toezicht op de zorgplicht van zorgkantoren. Zorgkantoren zijn verantwoordelijk voor continuïteit van zorg. Indien de continuïteit van zorg in het geding is, kan de NZa het zorgkantoor daarop aanspreken.
Erkent u dat slecht toezicht op de financiële handel en wandel van zorginstellingen funest is, omdat hiermee het signaal wordt afgegeven dat graaien en fraude in de zorg getolereerd wordt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ook hier geldt dat ik niet kan ingaan op deze specifieke zaak omdat hiernaar momenteel onderzoek wordt gedaan.
In zijn algemeenheid geldt dat zorgkantoren bij hun toezicht uitgaan van goedkeurende accountantsverklaringen bij de jaarrekening. De zorginstelling verstrekt informatie aan het zorgkantoor en aan de NZa over de gerealiseerde productie via de nacalculatieformulieren. De accountant van de zorgaanbieder controleert de nacalculatieopgave en geeft de uitkomst van zijn onderzoek weer in een controleverklaring. De ingediende nacalculatie wordt getoetst door het zorgkantoor. Het zorgkantoor stelt bijvoorbeeld vast of het aantal geleverde uren volgens de nacalculatie sluit met het aantal uren dat bij het CAK is aangemeld in het kader van het vaststellen van de verschuldigde eigen bijdrage. Uiteindelijk wordt de nacalculatie ingediend bij de NZa met een ook door het zorgkantoor ondertekend voorblad.
Denkt u dat deze fraude ook aan het licht was gekomen als er geen overname had plaatsgevonden? Zo ja, waaruit maakt u dat op? Zo nee, vindt u dit ook schokkend?
Fraude in de zorg is een bedreiging voor de solidariteit in ons zorgstelsel.
Kunt u aangeven wanneer er vermoedens optraden van fraude en hoe er vervolgens geopereerd is door de NZa, het zorgkantoor en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD)?
Zoals al eerder aangegeven kan ik gedurende het lopende onderzoek niet inhoudelijk ingaan op deze zaak.
Hoe vaak komt het voor dat bij overname van een zorgorganisatie fraude aan het licht komt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u van mening dat er goed wordt samengewerkt om fraude te voorkomen en op te sporen? Hoe verloopt de samenwerking tussen NZa, zorgverzekeraars/zorgkantoren, de FIOD, het OM, de Inspectie en uw ministerie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe vaak fraude aan het licht komt bij overname van een organisatie is mij niet bekend. Hiervan wordt geen registratie bijgehouden.
Beheert de betrokken directeur ook andere zorginstellingen? Is daar ook gefraudeerd? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Het voorkomen en opsporen van zorgfraude vind ik van groot belang. Een goede samenwerking tussen de betrokken partijen is daarbij noodzakelijk. Zoals u weet heeft de Minister dit voorjaar een samenwerkingsconvenant afgesloten met partijen die van belang zijn bij de zorgfraudebestrijding, Dat zijn behalve de NZa en ZN, ook het CIZ, de IGZ, de FIOD, de Inspectie SZW, de Belastingdienst en het OM. Hierbij is ook de taskforce integriteit zorgsector in het leven geroepen. Door krachten te bundelen, kan deze taskforce effectiever en efficiënter optreden tegen zorgfraude. De samenwerking heeft de afgelopen jaren al tot diverse resultaten geleid (zoals de instelling van het fraudeverzamelpunt bij de NZa, afspraken over wie welke fraudesignalen oppakt en over welke informatie met wie gedeeld mag worden) en krijgt door de taskforce integriteit zorgsector een extra impuls. Zo richten de convenantpartijen momenteel een projectorganisatie in voor het gezamenlijk analyseren, opwerken en aanpakken van zorgfraude: het expertisecentrum zorgfraude bestrijding (EZB).
Wat zijn de consequenties van deze fraude voor de directeur die hiervan verdacht wordt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vanwege het lopende onderzoek kan ik hier geen mededelingen over doen.
Wordt het geld waarmee gefraudeerd is weer teruggegeven aan de zorg? Zo nee, waarom niet?
Mogelijke consequenties zijn afhankelijk van de uitkomsten van het lopende onderzoek. Hierover kan in dit stadium nog niets worden gezegd.
Is de zorg voor mensen die gebruik maakten van deze thuiszorgorganisatie gewaarborgd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zijn de mensen die zorg kregen via deze thuiszorgorganisatie benadeeld door de fraude? Hebben zij bijvoorbeeld te veel eigen bijdrage moeten betalen, omdat de urenregistratie niet klopte? Bent u bereid uit te zoeken of betrokken mensen daarvoor gecompenseerd kunnen worden?
Wanneer de rechter een ontnemingvordering toewijst, zal de opbrengst hiervan terugvloeien in de staatskas.
Wat is er gebeurd met het personeel dat bij deze thuiszorgorganisatie werkzaam was? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, de zorg aan de cliënten die op het moment van faillissement gebruik maakten van deze instelling, is door een andere zorgaanbieder gecontinueerd.
Een aanval op Iraanse ballingen in Irak |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Two dead in Iraq rocket attack on Iran exiles»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat een recente aanval met tientallen mortiergranaten op Iraanse ballingen in Camp Liberty in Irak tot twee doden en tientallen gewonden heeft geleid? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Op 15 juni heeft een aanval met een onbekend aantal projectielen op Kamp Hurriya geresulteerd in twee doden en veertien gewonden.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is dat hier een onafhankelijk onderzoek naar wordt gedaan en dat de verantwoordelijken voor dit bloedbad gerechtelijk worden vervolgd? Indien ja, bent u bereid hier op aan te dringen?
Ja. Ook bij eerdere aanvallen op Kamp Ashraf heeft de Nederlandse overheid aangedrongen op een onafhankelijk onderzoek, zoals bijvoorbeeld tijdens het bezoek van de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan Irak in februari jl.
Kunt u aangeven in hoeverre Irak tot op heden gevolg heeft gegeven aan de door de EU gesteunde oproep tot een onafhankelijk onderzoek naar aanleiding van de vorige dodelijke aanval op Camp Liberty in februari dit jaar?2
Naar aanleiding van de aanval in Kamp Hurriya in februari jl. hebben de Iraakse autoriteiten een onderzoek ingesteld waarvan de uitkomst op dit moment nog niet bekend is.
Deelt u de analyse van VN-vertegenwoordiger voor Irak, Martin Kobler, dat «today’s second terror attack on camp Liberty is a reminder to third countries to come forward with serious offers to resettle Camp Liberty residents outside Iraq»? Indien neen, waarom niet?
Het kabinet pleit voor opvang in de regio en, waar mogelijk, vrijwillige terugkeer naar Iran. Nederland neemt alleen bewoners op wanneer zij de Nederlandse nationaliteit hebben. Vier Nederlandse staatsburgers zijn vanuit Kamp Ashraf in 2011 terug naar Nederland gereisd.
Er bestaat geen gezamenlijk EU-beleid op het terrein van hervestiging. De individuele lidstaten bepalen zelf of zij bewoners van Kamp Hurriya willen hervestigen.
Indien ja, hoe bent u bereid hier, eventueel in EU verband, aan mee te werken?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht “Meer dan 3.500 postbusfirma's in Nederland overtreden de wet”. |
|
Bram van Ojik (GL), Jesse Klaver (GL) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meer dan 3.500 postbusfirma’s in Nederland overtreden de wet»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het bericht dat van de ruim achttienduizend postbusfirma's in Nederland zeker 19 procent niet tijdig een jaarplan heeft ingeleverd?
Vooropgesteld moet worden dat op basis van het artikel uit de Volkskrant niet is vast te stellen of alle rechtspersonen die volgens het Volkskrantonderzoek hun jaarrekening niet tijdig zouden hebben gepubliceerd, ook daadwerkelijk die verplichting hebben. Het moeten rechtspersonen zijn die onder het Nederlandse recht vallen en dientengevolge op basis van het Burgerlijk Wetboek deponeringsplichtig zijn (en ook niet onder enige uitzondering of vrijstelling vallen).
Hoe beoordeelt u het bericht dat van de 1.506 buitenlandse coöperaties er 397 geen recente jaarcijfers hebben ingeleverd?
Voor deze vraag geldt hetzelfde als hierboven in het antwoord op vraag 2 is opgemerkt. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk of het gaat om de jaarrekening van ondernemingen die zijn opgenomen in de geconsolideerde jaarrekening van een andere rechtspersoon. Het is dus niet op voorhand zeker dat alle 397 ondernemingen in overtreding zijn.
Was u hiervan al op de hoogte voorafgaand aan de verschijning van het bericht? Zo ja, welke actie heeft u hierop ondernomen?
Bekend is dat een deel van deponeringsplichtige rechtspersonen de jaarstukken niet of niet tijdig openbaar maakt. Het betreft de verplichting om uiterlijk dertien maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening openbaar te maken via het handelsregister bij de Kamer van Koophandel.
Zo nee, waarom was u hiervan niet op de hoogte? Hoe gaat u ervoor zorgen dat u hierover in de toekomst wel tijdig geïnformeerd wordt?
Zie antwoord vraag 4.
Welke actie gaat u ondernemen om te voorkomen dat firma’s ook in de toekomst nalaten hun jaarrekening tijdig in te leveren?
De naleving van de inlevering van jaarrekeningen is thans reeds met verschillende waarborgen omgeven. De Kamer van Koophandel monitort de naleving van de plicht tot deponering van de jaarrekening. Indien de rechtspersoon niet op tijd deponeert, wordt zij door de Kamer van Koophandel gerappelleerd. Aan het einde van het jaar waarin de Kamer van Koophandel heeft gerappelleerd ligt het percentage van deponeringen rond de 90%. Ongeveer 5% van de rechtspersonen (ca. 35.000) heeft een achterstand in het deponeren van drie jaren of meer. Nederland loopt daarmee Europees gezien in de pas.
De Kamer van Koophandel heeft geen handhavende bevoegdheid. De regels voor het opstellen en publiceren van de jaarrekening zijn voorgeschreven uit het oogpunt van transparantie en bescherming van belanghebbenden, zoals aandeelhouders, investeerders, banken en leveranciers. In het algemeen is het aan deze belanghebbenden, en in het bijzonder de aandeelhouders en leden van de desbetreffende rechtspersonen, om te oordelen over het niet c.q. te laat publiceren en de rechtspersoon hierop aan te spreken. Daartoe kan iedere belanghebbende nakoming van de publicatieplicht vorderen (art. 2:394 lid 7 BW).
Daarnaast is het niet tijdig deponeren van de jaarrekening een economisch delict, dat kan worden bestraft met een geldboete van ten hoogste € 19.500 (art. 1 onder 4° WED jo. art. 2:394 lid 3 BW). Wanneer er sprake is van faillissement en het bestuur heeft niet voldaan aan zijn verplichting om de jaarrekening openbaar te maken (art. 2:394 BW), heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Dit rechtsvermoeden van onbehoorlijk bestuur heeft tot gevolg dat de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schulden van de rechtspersoon die niet uit de boedel kunnen worden voldaan (artikelen 2:50a, 138, 149, 248, 259 en 300a BW). Verder kan de jaarrekening een rol spelen bij het voorkomen en bestrijden van misbruik van rechtspersonen. Op basis van de Wet controle op rechtspersonen kan het niet deponeren van de jaarrekening worden betrokken bij het doorlopende toezicht op rechtspersonen.
Voor beursvennootschappen geldt sinds 1 januari 2009 een publiekrechtelijk handhavingsregime waar het de openbaarmaking en deponering van jaarstukken betreft. Op grond van de Wet op het financieel toezicht dienen de jaarstukken van beursvennootschappen binnen vier maanden na afloop van het boekjaar openbaar te worden gemaakt en bij de AFM te worden gedeponeerd. De AFM houdt toezicht op de naleving van deze verplichting.
Als sluitstuk geldt de mogelijkheid van strafrechtelijke handhaving. De buitengewoon opsporingsambtenaren van het Bureau Economische Handhaving van de Belastingdienst zijn aangewezen voor de opsporing van het economische delict van het niet deponeren van de jaarrekening. Het Bureau Economische Handhaving maakt jaarlijks tegen circa 1.500 verzuimende rechtspersonen proces-verbaal op. De vervolgingscapaciteit van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie is daarop afgestemd.
Hoe komt het dat bestuurders van bedrijven die de wet overtreden in de praktijk zelden worden vervolgd? Welke actie gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat bestuurders van bedrijven die de wet overtreden in de toekomst wel worden vervolgd?
De verplichting tot het deponeren van de jaarrekening rust op de rechtspersoon. Daarom treedt het OM in de eerste plaats op tegen rechtspersonen die niet op de voorgeschreven wijze hun jaarrekeningen deponeren. In het geval er sprake is van een structurele of principiële weigering van het indienen van de jaarstukken door een rechtspersoon, dan kan besloten worden ook de bestuurder van de rechtspersoon te vervolgen (art. 51 Wetboek van Strafrecht).
Bent u bereid de sancties op het niet tijdig indienen van de jaarrekening aan te scherpen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u hiervoor? Zo nee, waarom niet?
De instrumenten die beschikbaar zijn voor het tijdig indienen van de jaarrekening (zie antwoord op vraag2 acht ik voldoende om tegen niet indieners op te treden. Ik zie dan ook geen aanleiding de sancties aan te scherpen.
De OECD (Organisation for Economic Co-operation and Development) heeft Nederland aangespoord de monitoring en de aanpak van witwassen en belastingontduiking uit te breiden; op welke wijze geeft u invulling aan deze aanbeveling?
Deze aanbeveling is – voor zover ons bekend – niet door de OESO gedaan. Wel heeft de OESO begin dit jaar een landenrapport over Nederland uitgebracht waarbij is gekeken naar de Nederlandse bestrijding van steekpenningen aan buitenlandse ambtenaren. Het gaat dus om corruptiebestrijding. De kritiek daarbij is met name dat Nederland in de strafrechtelijke sfeer deze specifieke vorm van corruptie niet hard genoeg aanpakt. De OESO-werkgroep over omkoping wil opsporing en vervolging van deze vorm van corruptie in een aantal gevallen in het bijzonder monitoren, met name ook waar zogenoemde brievenbusmaatschappijen bij zijn betrokken. In de aanbiedingsbrief van de Ministers voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en van Veiligheid en Justitie bij dit rapport aan uw Kamer3en in antwoord op vragen van de leden Gesthuizen en Merkies is uitgebreid beschreven in welke context de aanbevelingen in dit rapport moeten worden gezien en op welke wijze het kabinet met de uitkomsten zal omgaan.4 Opgemerkt is dat de Nederlandse wetgeving betreffende strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen en rechtsmacht voor in het buitenland gepleegde feiten in principe geen belemmeringen vormt om Nederlandse rechtspersonen te vervolgen voor strafbare gedragingen in het buitenland, ook als het gaat om zogeheten brievenbusmaatschappijen. Voor nadere details verwijs ik naar de aanbiedingsbrief en antwoorden op de Kamervragen van genoemde leden.
De motie Klaver2 heeft de regering verzocht de verplichting tot transparantie over eigendomsrelaties voor bedrijven uit te breiden en de Kamer uiterlijk in mei 2013 over haar inspanningen te rapporteren; bent u bereid bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen uitvoering te geven aan deze motie?
Het belang van transparantie in het handelsverkeer wordt op dit moment geborgd door de openbare informatie over vennootschappen en onderneming die in het Handelsregister raadpleegbaar zijn. Ook geldt dat op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme aangewezen instellingen, zoals banken of notarissen, een cliëntenonderzoek verrichten met het doel om de cliënt te identificeren en diens identiteit vast te stellen of de uiteindelijk belanghebbende van de cliënt te identificeren. Indien de cliënt een rechtspersoon is, verwerven de instellingen inzicht in de eigendoms- en zeggenschapsstructuur van de cliënt.
In antwoord op een initiatiefvoorstel van de leden Groot en Recourt van uw Kamer is door het kabinet besloten tot de instelling van een centraal aandeelhoudersregister. Het centraal aandeelhoudersregister zal informatie bevatten over de aandeelhouders van BV’s en niet-beursgenoteerde NV’s. Het register zal toegankelijk zijn voor aangewezen (publieke) diensten in het kader van controle, toezicht en opsporingstaken en biedt aldus toegevoegde waarde bij de bestrijding van financieel- economische fraude, bijvoorbeeld fiscale of faillissementsfraude of andere vormen van misbruik van rechtspersonen.
De sterftecijfers van het Ruwaard van Puttenziekenhuis |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van RTL-nieuws over de sterftecijfers van het Ruwaard van Puttenziekenhuis?1
Ja.
Deelt u de opvatting van de heer Lemstra dat de sterftecijfers extreem hoog zijn?
De sterftecijfers van het Ruwaard van Puttenziekenhuis over 2010 zijn inderdaad een stuk hoger dan gemiddeld.
Hoe kan het dat deze hoge sterftecijfers niet eerder door de Raad van Bestuur en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) zijn gesignaleerd?
Conform de afspraken tussen het ministerie van VWS, de Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ), de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) en de Nederlandse Federatie van Universitaire Medische Centra (NFU) hebben de meeste ziekenhuizen hun zogenaamde «Hospital Standardized Mortality Ratio» (HSMR)2 gegevens voor het eerst op 20 december 2011 via de website van de NVZ/NFU openbaar gemaakt. Het ging hier om de sterftecijfers over het jaar 2010. Het Ruwaard van Putten ziekenhuis was één van de ziekenhuizen die deze gegevens toen niet openbaar heeft gemaakt. Binnen het Ruwaard van Putten ziekenhuis was eind 2011 duidelijk dat binnen de HSMR specifiek de SMR’s voor hartfalen en hartinfarct over 2010 een stuk hoger dan gemiddeld waren, waarna de Raad van Bestuur (RvB) van het ziekenhuis begin 2012 bureau Medirede opdracht heeft gegeven hier onderzoek naar te doen. De inspectie heeft hierover op 11 juni 2012 gesproken met de RvB. Het ziekenhuis deed daarbij de toezegging dat de IGZ het onderzoek na afronding zou ontvangen. Uit inspectieonderzoek is gebleken dat het rapport op 30 oktober 2012 aan de RvB was aangeboden. Ten tijde van het aanbieden van het rapport vond een bestuurswisseling plaats. De nieuwe interim-voorzitter van de RvB heeft direct na kennisname van het rapport, op maandag 12 november 2012 de Raad van Toezicht (RvT) geïnformeerd en het rapport diezelfde dag aan de inspectie overhandigd. Ik verwijs ook naar mijn beantwoording op 12 december 2012 van de Commissiebrief van 22 november 2012 over het Ruwaard van Puttenziekenhuis.
Waarom duurt het zo lang voordat zowel ziekenhuizen als de IGZ inzicht in de sterftecijfers van ziekenhuizen hebben?
Adequate en betrouwbare gegevensregistratie is onmisbaar willen ziekenhuizen hun sterftecijfers kunnen monitoren en sterftegevallen kunnen onderzoeken. Zonder dat is het onmogelijk om opmerkelijke afwijkingen in sterfte te constateren en nader te laten onderzoeken, laat staan dat het mogelijk is om tijdig bij te sturen, in te grijpen en van fouten te leren. Deelname aan de Landelijke medische Registratie (LMR) of de Landelijke Basisregistratie Zorg (LBZ) is in combinatie met een goede gegevensregistratie een vereiste om betrouwbare sterftecijfers te kunnen berekenen. Nog niet alle ziekenhuizen nemen hieraan volledig deel en op het punt van de volledigheid en kwaliteit van de gegevensregistratie moeten nog de nodige verbeteringen gerealiseerd worden, aldus het rapport «Het resultaat Telt Veiligheidsindicatoren 2009, 2010 en 2011. De veiligheid telt» dat de IGZ medio november 2012 openbaar heeft gemaakt.
De registratie is ook van belang voor het (risicogestuurd) toezicht door de IGZ. De IGZ stimuleert dat ziekenhuizen een uniforme, volledige en betrouwbare gegevensregistratie hebben voor de berekening van sterftecijfers. De IGZ heeft extra aandacht voor ziekenhuizen die hier nog niet toe in staat zijn. Tijdens het Notaoverleg Patiëntveiligheid van 17 juni 2013 heb ik gezegd dat over 2013 alle ziekenhuizen sterftecijfers moeten publiceren. Ik verwijs ook naar mijn antwoord op vraag 7.
Deelt u de mening dat sterftecijfers zo snel mogelijk inzichtelijk voor ziekenhuizen en de IGZ moeten zijn? Wat is een haalbare termijn hiervoor?
Ja. Het initiatief van een aantal ziekenhuizen om realtime inzicht in de sterftecijfers te hebben laat zien dat die terugkoppeling nu al technisch mogelijk is. Ik verwijs ook naar het antwoord op vraag 7.
Wat vindt u van het initiatief van enkele ziekenhuizen om realtime inzicht in hun sterftecijfers te hebben? Deelt u de mening dat dit een wenselijke ontwikkeling is?
Ik vind het een heel goed initiatief dat zeker navolging verdient. Tijdige en betrouwbare feedback en spiegelinformatie helpt de zorgaanbieder om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de door hem/haar geleverde zorg en kan een belangrijke stimulans zijn tot verbeteren. Betrouwbare data bevorderen de bewustwording van aanbieders over de kwaliteit van de geleverde zorg en de veiligheid van hun patiënten. Transparantie en standaardisatie bevorderen kwaliteit en veiligheid, ondersteunen het beleid van bestuur, toezichthouder en verzekeraar en dragen ook bij aan het oordeel van de patiënt.
Wanneer verwacht u dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de regels voor het publiceren van sterftecijfers op orde heeft?
Dat kan de NZa nu nog niet aangeven. De NZa heeft laten weten bezig te zijn met de voorbereiding van dit traject, wat onder meer het uitzoeken van technische en juridische aspecten omvat. Daarnaast is overleg met diverse partijen nodig. Zodra de NZa mij heeft laten weten op welke wijze en wanneer de verplichting tot het publiceren van sterftecijfers kan worden opgelegd, zal ik u daarover informeren. Zoals toegezegd tijdens het Nota overleg patiëntveiligheid zet ik mij ervoor in dat de ziekenhuizen over 2013 hun sterftecijfers publiceren en vanaf 2014 sterftecijfers op basis van diagnosegroepen.
Hoe wordt in een ziekenhuis geborgd dat resultaten uit interne onderzoeken of incidentmeldingen ook daadwerkelijk worden opgevolgd?
Op grond van de Kwaliteitswet zorginstellingen is het bestuur van een ziekenhuis verplicht de zorg zodanig in te richten dat dit leidt tot verantwoorde zorg. Het bestuur van de instelling is er verantwoordelijk voor dat de resultaten uit intern onderzoek of incidentmeldingen worden gebruikt om de kwaliteit van zorg te verbeteren. De IGZ houdt toezicht op de Kwaliteitswet zorginstellingen.
Met het voorstel voor de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, dat in eerste termijn is behandeld door Uw Kamer op 18 juni 2013, versterk ik overigens de waarborgen voor goede kwaliteit van zorg. Zo wordt de eindverantwoordelijkheid van het bestuur voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg aangescherpt en wordt er een wettelijke basis geboden om veilig intern incidenten te melden.
Wie heeft er zicht op als dit niet voldoende gebeurt en wie grijpt dan in?
Als blijkt dat een ziekenhuis onvoldoende maatregelen neemt om de veiligheid van zorg te verbeteren of onvoldoende inzicht heeft in de uitkomsten van zorg, dan grijpt de IGZ in.