De toename van piraterij aan de Westkust van Afrika. |
|
Sultan Günal-Gezer (PvdA) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «West Africa piracy overtakes Somali ship attacks»?1
Ja.
Bent u al benaderd door Nederlandse koopvaardijschepen en/of rederijen over de problemen met de toenemende piraterij aan de Westkust van Afrika?
Tussen maart 2011 en 31 december 2012 zijn vijf Vessel Protection Detachements (VPD) aanvragen ingediend voor schepen die havens aan de westkust van Afrika zouden aandoen. Deze aanvragen zijn afgewezen omdat de inzet geen betrekking had op het risicogebied nabij Somalië. In 2013 zijn tot dusver geen aanvragen ontvangen voor een VPD voor de westkust van Afrika. Wel heeft een reder geïnformeerd naar de mogelijkheden terzake.
Welke mogelijkheden ziet u voor de Vessel Protection Detachments (VPD’s) om de Nederlandse koopvaardijschepen te beschermen tegen piraterij aan de Westkust van Afrika?
Maritieme criminaliteit voor de westkust van Afrika gebeurt meestal binnen de territoriale wateren (TTW) van de kuststaten in de Golf van Guinee. Het gaat daarbij om gewapende overvallen op zee. De aanvallen zijn vaak gericht op de lading van het schip, vaak olie, en niet op losgeld voor het schip en zijn bemanning. In een aantal gevallen zijn schepen aangevallen buiten de TTW.
Binnen de TTW zijn de kuststaten exclusief bevoegd tot en verantwoordelijk voor een adequate bescherming van koopvaardijschepen. Binnen deze wateren is het op grond van internationale verdragen niet toegestaan VPD’s of gewapende particuliere beveiligers in te zetten. Buiten de TTW is de koopvaardijsector, net zoals in het risicogebied nabij Somalië, eerstverantwoordelijk voor het treffen van beschermingsmaatregelen tegen piraterij. Voor Somalië zijn hier de Best Management Practices (BMP2 voor opgesteld. Het huidige VPD concept is hier een aanvulling op en is gericht op de inzet aan boord van Nederlandse koopvaardijschepen die in dat risicogebied varen. Het kabinet wil, in overleg met de koopvaardijsector, onderzoeken of er aanvullende maatregelen moeten worden genomen buiten de TTW van West-Afrikaanse staten, zoals de inzet van VPD’s.
Bent u in overleg met uw Europese ambtsgenoten, dan wel met andere EU-regeringsvertegenwoordigers, over mogelijke maatregelen tegen de toenemende piraterij aan de Westkust van Afrika?
De problematiek van gewapende overvallen op zee in de Golf van Guinee krijgt in toenemende mate internationale aandacht. In 2011 en 2012 heeft de VN Veiligheidsraad met de resoluties 2018 en 2039 het belang van een geïntegreerde oplossing, de ontwikkeling van een regionale strategie en een versterkte regionale samenwerking beklemtoond. In het najaar van 2011 heeft de VN een onderzoeksteam naar de regio gestuurd om de aard van de problematiek en mogelijke oplossingen in kaart te brengen. De aanbevelingen voor de staten in de regio betroffen onder andere gezamenlijke maritieme patrouilles en informatievergaring, bevordering van juridische capaciteit om piraterij/zeeroof te criminaliseren en het opstellen van een regionale strategie voor de bestrijding van de problematiek.
Omdat de aanvallen vooral worden uitgevoerd in de territoriale wateren en de West-Afrikaanse landen in tegenstelling tot Somalië geen falende staten zijn, is bestrijding van deze aanvallen de verantwoordelijkheid van de kuststaat. Ook de VN Veiligheidsraad onderstreept dit. Een internationale antipiraterijmissie is op dit moment dan ook niet aan de orde. De Afrikaanse partners worden gewezen op hun primaire verantwoordelijkheid voor adequate bescherming van koopvaardijschepen en het nemen van de daarvoor benodigde maritieme veiligheidsmaatregelen. De Afrikaanse partners tonen op dat gebied initiatief. Het ECOWAS Integrated Maritime Strategy and Implementation Plan bevindt zich in de afsluitende fase. Daarnaast vond op 24 en 25 juni jl. een regionale top plaats over maritieme veiligheid in de Golf van Guinee. De VN heeft ondersteuning aan deze top geleverd. De betrokken Afrikaanse regeringsleiders hebben afspraken gemaakt over informatie-uitwisseling, harmonisatie van procedures en het oppakken en vervolgen van verdachten van gewapende overvallen op zee (Code of Conduct concerning the Prevention and Repression of Piracy, Armed Robbery against Ships, and Illegal Maritime Activities in West and Central Africa). Dit laat zien dat de regio verantwoordelijkheid wil nemen.
Op het gebied van informatie-uitwisseling wordt op initiatief van het bedrijfsleven en in samenwerking met de International Maritime Organization (IMO) en regionale partners ECOWAS en de Economic Community of Central African States (ECCAS) en de Gulf of Guinea Commission (GGC) gewerkt aan het opzetten van een regionaal information sharing centre in Accra, Ghana. Koopvaardijschepen kunnen hier straks (verdachte) activiteiten van maritieme criminaliteit doorgeven. Het informatiecentrum geeft deze gegevens dan door aan de autoriteiten van het land in wiens territoriale wateren de (verdachte) activiteiten hebben plaatsgevonden. De oprichting van dit centrum wordt ondersteund door het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Noorwegen. Nederland overweegt eveneens steun te leveren.
Daarnaast werkt de EU aan een maritieme strategie voor de Golf van Guinee. Deze strategie wordt in het najaar van 2013 gepresenteerd. De nadruk ligt hierbij op capaciteitsversterking van de kustwachten en marines van de aangrenzende landen, de economische ontwikkeling van de regio en rechtshandhaving.
Is er in internationaal verband overleg gaande om de toenemende piraterij aan de Westkust van Afrika tegen te gaan? Zo ja, wat is de stand van zaken?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u in internationaal verband een verzoek ontvangen om in overleg te treden over de toenemende piraterij aan de Westkust van Afrika?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van plan de toename van piraterij in internationaal verband te agenderen? Zo ja, in welk verband en op welke termijn?
De toename van het aantal incidenten in de Golf van Guinee is zorgwekkend. De context vraagt een andere aanpak dan in Somalië. Nederland spreekt in EU-verband de betrokken kuststaten aan op hun verantwoordelijkheden, zoals implementatie van de Code of Conduct. Daarnaast is regionale maritieme en juridische capaciteitsopbouw noodzakelijk. De EU-strategie voor de Golf van Guinee biedt een aanknopingspunt om dit in EU-verband te agenderen. Ter voorbereiding op deze strategie neemt Nederland deel aan discussies in EU-verband om de problematiek in kaart te brengen en een effectieve aanpak te identificeren.
Een mogelijk ongeoorloofde subsidiëring en staatssteun bij de verkoop van Syntus aan Keoli |
|
Sander de Rouwe (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het onlangs uitgekomen jaarverslag van de NS? Bent u op de hoogte van de mededeling in dat jaarverslag (bladzijde 78) dat NS € 11 miljoen verlies heeft geleden op een transactie?
Ja.
Wat is de achtergrond van dit verlies? Betekent dit verlies dat er door NS een bedrag is meegegeven aan de kopende partij Keolis?
Syntus was verlieslatend en dreigde op een faillissement af te stevenen. De € 11 mln was een afboeking op een lening die als verloren was te beschouwen en op de waarde van de deelneming. Overdracht van Syntus aan Keolis was aantrekkelijker voor NS dan een (mogelijk) faillissement, beter voor de belangen van de werknemers en beter voor de belangen van de concessieverstrekkende decentrale overheden; het zorgde voor continuïteit bij de uitvoering van de concessieovereenkomsten.
Heeft dit verlies er wellicht mee te maken dat de koper, Keolis, met Syntus een bedrijf met een negatieve exploitatie heeft gekocht en dat Keolis de transactie alleen wilde accepteren wanneer de verkopende partij een bedrag ter dekking hiervan mee geeft?
Zie antwoord vraag 2.
Indien deze verliezen ten koste gaan van de winsten respectievelijk dividenduitkeringen van NS, is de Staat (als enig aandeelhouder van NS) dan uiteindelijk de partij die opdraait voor die verliezen?
Indien er sprake is van verliezen gaat dit ten koste van de rendementen die de NS maakt, hetgeen mogelijk doorwerkt in de dividenden. Laatste is afhankelijk van de vermogensstructuur. Het alternatief, een faillissement, had tot eenzelfde verlies geleid maar was onaantrekkelijker geweest voor stakeholders als aanbestedende overheden en werknemers.
Bent u bereid te onderzoeken of bij deze transactie geen ongeoorloofde staatssteun dan wel verliescompensatie is verleend?
Bij deze transactie was geen sprake van verliescompensatie danwel staatssteun, de Staat is immers geen partij in deze transactie. Het betrof hier een beslissing van de NS. De keuze was failleren van Syntus met de daaraan verbonden kosten en met verlies van werkgelegenheid en onderbreking van de dienstverlening versus afboeken van negatieve waarde en verkopen met als voordeel behoud van werkgelegenheid en continuïteit van dienstverlening. Er is geen sprake van concurrentievervalsing: Syntus is immers verkocht aan een met NS concurrerende vervoerspartij.
In hoeverre is er door, weliswaar indirecte, inzet van Rijksmiddelen om verliezen te compenseren sprake van concurrentievervalsing ten opzichte van de andere private vervoerders?
Zie antwoord vraag 5.
De belachelijke militaire multiculti-oefening in Amsterdam |
|
Joram van Klaveren (PVV), Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Militaire oefening in oude wijken»?1
Ja.
Deelt u de visie dat het diep triest is dat delen van Amsterdam inmiddels blijkbaar te vergelijken zijn met uitzendingsgebieden in barbaarse oorden?
Nee.
Kunt u aangeven met welke «religieuze» en culturele aspecten de militairen rekening moeten leren houden?
Militairen oefenen dagelijks voor alle mogelijke inzet en missies van de krijgsmacht in het kader van de wettelijke taken in binnen- en buitenland. Onderdeel van het oefenprogramma is contact leggen met de lokale bevolking. De oefening in Amsterdam is daar een voorbeeld van. Militairen leggen contact met de bevolking om informatie te verkrijgen en om aanwijzingen te geven in het belang van de veiligheid van de bevolking. De benadering van de bevolking is afhankelijk van de situatie en de omgeving. Voor zover nodig wordt rekening gehouden met culturele gebruiken om het contact zo effectief mogelijk te maken.
Lijkt het u niet veel zinniger om de Nederlandse militairen op de hoogte te brengen van het vrouwhatende, antisemitische en gewelddadige karakter van de islam en ze te leren zich daar tegen te beschermen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u garanderen dat er op uitzendingen op geen enkele manier wordt meegewerkt door Nederlandse militairen aan de bouw van moskeeën of het op andere wijze faciliteren van de islamitische ideologie? Zo neen, waarom niet?
Nederlandse militairen onthouden zich van bemoeienis met opvattingen die in de lokale samenleving spelen en respecteren lokale gebruiken. Tijdens uitzendingen is het mogelijk dat Nederlandse militairen meehelpen aan het herstel van infrastructuur en gebouwen die van belang zijn voor de lokale samenleving. Deze inspanningen kunnen onderdeel zijn van de stabilisatiewerkzaamheden tijdens de missie.
Wilt u zorgen dat dit de laatste keer was dat zo'n belachelijk project doorgang vindt? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het regime in vreemdelingendetentie |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgnomen van de uitzending van «De vijfde dag» van 19 juni 2013?
Ja.
Welke mogelijkheden hebben vreemdelingen een klacht in te dienen tegen de wijze waarop zij behandeld worden in detentie?
Ingeslotenen die gedetineerd zijn op grond van artikel 6 en 59 van de Vreemdelingenwet 2000 kunnen zich op grond van artikel 14 van het Reglement Regime Grenslogies, respectievelijk artikel 60 van de Penitentiaire Beginselenwet (Pbw), beklagen over door en namens de directeur van de inrichting genomen beslissingen. Eerste aanspreekpunt voor een ingeslotene die zich wil beklagen, is de maandcommissaris van de Commissie van Toezicht van de betreffende inrichting. De maandcommissaris adviseert de ingeslotene om al dan niet een formele klacht in te dienen, of voor bemiddeling te kiezen. Indien de ingeslotene besluit tot het indienen van een formele klacht, dan kan dit bij de beklagcommissie. Deze commissie behandelt de klacht tijdens een hoorzitting. Zowel de ingesloten, als de inrichtingsdirecteur, wordt op dat moment in de gelegenheid gesteld om een toelichting te geven op de klacht. De ingeslotene kan zich hierbij bovendien laten bijstaan door een rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon. De beklagcommissie doet vervolgens uitspraak, met als uitkomst een gegrond-, ongegrond- of niet-ontvankelijkheidsverklaring.
Tegen de uitspraak van de beklagcommissie kan de ingeslotene die klaagt op grond van de Pbw beroep instellen bij de Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming. Indien een klacht gegrond wordt verklaard, wordt de betreffende beslissing teruggedraaid of, indien dit niet mogelijk is, een schadevergoeding uitgekeerd.
Kunt u over de afgelopen vijf jaar, per jaar en per instelling, aangeven hoeveel klachten er zijn ingediend door vreemdelingen over het regime binnen de vreemdelingendetentie en de grensdetentie?
De capaciteit voor vreemdelingenbewaring is de afgelopen vijf jaar gehuisvest in verschillende inrichtingen. Een aantal van deze inrichtingen is inmiddels gesloten, voorts is er capaciteit afgebouwd en is oude capaciteit vervangen door nieuwbouw. In de bijlage1 bij deze antwoorden vindt u een tabel waarin per inrichting, per jaar, over de afgelopen vijf jaar, wordt aangegeven hoeveel klachten er in totaal zijn ingediend, hoeveel van deze klachten gegrond zijn verklaard en wat de gemiddelde bezetting was. In de laatste kolom wordt uitgesplitst hoeveel klachten gegrond zijn verklaard per 100 bezette plaatsen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat DC Rotterdam pas in 2012 open is gegaan. DC Noord Holland is niet herbenoemd maar wordt in deze tabel gevormd door de locaties Zaandam en Oude Meer, die thans zijn overgegaan in het nieuwe Justitieel Complex Schiphol (JCS). De ontbrekende getallen ten aanzien van 2011 voor DC Alphen, zijn te verklaren door de tijdelijke sluiting in dat jaar. In het algemeen kan worden gesteld dat het aantal ingediende klachten met een dalende lijn is afgenomen van 1214 in 2008 tot 599 in 2012. Ook het aantal klachten dat gegrond is verklaard is, evenredig aan de dalende instroom van het totale aantal klachten, gedaald van 30 in 2008 tot 13 in 2012. Dit dient uiteraard te worden afgezet tegen de gemiddelde bezetting. Het gemiddelde aantal gegronde klachten per 100 bezette plaatsen is afgenomen van 2 naar 1 klacht.
Uit de jaarverslagen van de verschillende Commissies van Toezicht blijkt dat het grootste deel van de klachten wordt afgehandeld door de maandcommissaris. Klachten waarin de maandcommissaris bemiddelt gaan meestal over de kwaliteit en kwantiteit van maaltijden, de prijzen en het assortiment in de inrichtingswinkel en uitval van onderdelen van het dagprogramma. De klachten die formeel en door middel van het klachtenformulier of de zogenoemde klaagschriftprocedure worden ingediend bij de beklagcommissie, zien met name op het activiteitenprogramma, het contact met de buitenwereld, zak- en kleedgeld, vermissing van persoonlijke goederen en plaatsing in een afzonderings- of strafcel. Daarnaast vormen verbouwingen, overplaatsingen of andere veranderingen in het standaard regime aanleiding om een klacht in te dienen.
Hoeveel van deze klachten zijn uiteindelijk gegrond verklaard? Kunt u deze cijfers toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Welke effecten zal het voorgenomen wetsvoorstel waarmee de vreemdelingenbewaring een eigen bestuursrechtelijk regime krijgt, hebben voor de klachtenprocedure?
In het nieuwe wetsontwerp zal de rechtsbescherming van ingesloten vreemdelingen uiteraard een plaats krijgen. De klachtenprocedure is hét instrument om te waarborgen dat de detentiecentra de rechten van ingeslotenen respecteren en faciliteren. Hoe de klachtenprocedure er precies uit komt te zien, is op dit moment nog niet te zeggen. In het nieuwe bestuursrechtelijke kader zal wat betreft rechtsbescherming als het gaat om de omstandigheden in bewaring in ieder geval rekening worden gehouden met de specifieke situatie van vreemdelingen die zich in vreemdelingenbewaring bevinden. Daarbij komt dat het klachtrecht altijd zal moeten worden toegespitst op de bijzondere situatie van een gesloten setting en daarnaast moet aansluiten bij de speciale relatie die er in detentie is tussen overheid en ingeslotene.
Het in rekening brengen van administratiekosten bij verkeersboetes dat tot ergernis en tot verwarring leidt |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat het in rekening brengen van administratiekosten bij verkeersboetes tot ergernis en tot verwarring leidt?
Het is mij bekend dat het in rekening brengen van administratiekosten bij verkeersboetes soms aanleiding geeft tot discussie. Voor verwarring is geen aanleiding. De beschikking en de acceptgiro vermelden duidelijk het te betalen bedrag inclusief de administratiekosten.
Hebt u kennisgenomen van de uitspraak van de Sector kanton Rechtbank Zeeland-West-Brabant (LJN: CA0211)?
Ja.
Deelt u het oordeel van de kantonrechter dat in deze zaak buiten alle proporties incassomaatregelen zijn toegepast, en dat om 6 euro te innen ten behoeve van de Staat der Nederlanden?
Het past mij als Minister van Veiligheid en Justitie niet om een oordeel te hebben over de uitspraak van een kantonrechter in een individuele zaak.
Deelt u de mening dat het in rekening brengen van administratiekosten alsmede het toepassen van buitenproportionele incassomaatregelen het maatschappelijk draagvlak voor verkeersboetes ondermijnt?
Op 1 juli 20091 is een aantal bepalingen in werking getreden waarbij de wettelijke basis is gevormd om naast de administratieve sanctie administratiekosten te innen. Het Gerechtshof Leeuwarden, de hoogste beroepsinstantie in dit soort zaken, heeft in meerdere arresten geoordeeld dat het in rekening brengen van administratiekosten rechtmatig is en niet strijdig met nationale of internationale regelgeving2. Ik zie dan ook niet in waarom het maatschappelijk draagvlak hierdoor zou worden ondermijnd. Datzelfde geldt voor de toegepaste incassomaatregelen. Bij het geloofwaardig handhaven van de verkeersregels hoort immers dat de gevolgen van het overtreden van deze regels worden geëffectueerd.
Bent u bereid het in rekening brengen van administratiekosten te betrekken bij de door u toegezegde evaluatie van het boetesysteem?
Nee. De administratiekosten maken immers geen onderdeel uit van de boete, maar zijn een gevolg van de door de wetgever gemaakte keuze om de kosten die met de inning van een boete zijn gemoeid door te berekenen aan degene aan wie de sanctie is opgelegd. Het past daarom niet om in een evaluatie van het boetesysteem de administratiekosten te betrekken.
Het bericht dat er 280.000 potentiele stageplaatsen onbenut blijven |
|
Mariëtte Hamer (PvdA), Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «280.000 potentiële stageplaatsen onbenut»?1
Ja.
Hoe verhoudt dit bericht zich tot de opmerking van de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven (SBB) dat er een groot tekort dreigt aan stages voor mbo-scholieren?2 3
Op 7 oktober 2013 heeft SBB een nieuwe Barometer uitgebracht met actuele gegevens over de situatie op de stage- en leerbanenmarkt per regio en per sector. In de Barometer wordt ook ingegaan op de resultaten van het eerder geïntensiveerde stage- en leerbanenoffensief. Het stage- en leerbanenoffensief zoekt actief naar nieuwe leerbedrijven en helpt studenten en mbo-instellingen om een stage te vinden. Dit om het dreigende tekort tegen te gaan. De Barometer van oktober laat zien dat het ingezette stage- en leerbanenoffensief werkt. De SBB concludeert zelf in de Barometer dat ondanks de druk op het aanbod aan leerplaatsen, er geen reden voor mineur is. De goede afstemming en samenwerking tussen alle betrokken partijen en veel inspanning voorkomen dat jongeren buiten de boot vallen4.
Kunt u inzichtelijk maken hoe het komt dat slechts de helft van de kleine bedrijven een stagiaire heeft en voor ZZP’ers4 geldt dat bijna geen van hen ooit een stagiaire heeft gehad?
Er zijn geen wettelijke belemmeringen voor zelfstandigen of kleine bedrijven om leerbedrijf te worden. Wel zijn aan de status van erkend leerbedrijf kwaliteitseisen verbonden. De juridische entiteit van een «onderneming» is geen erkenningscriterium. De kwaliteitseisen voor erkenning worden bepaald door de kenniscentra en kunnen per sector verschillen. Indien een zzp’er voldoet aan de gestelde eisen kan zijn bedrijf als leerbedrijf worden erkend. Het is dan ook niet zo dat er geen zzp’ers zijn die stages aanbieden. Wel geeft de organisatie ZZP Nederland aan dat zzp’ers geen werkgeversrisico’s aan zouden willen gaan. Dit kan het lastig maken om leerwerkbanen aan te bieden voor studenten. Zodra er sprake is van inkomen, een hiërarchische gezagsverhouding en werk, gaat het immers om arbeid en is er dus een arbeidsovereenkomst nodig die de rechtspositie van de werknemer waarborgt. Voor alle ondernemers gelden op dit punt dezelfde eisen. Wel zijn er voorbeelden waarbij meerdere zzp’ers gezamenlijk een leerwerkbaan aanbieden en zo de inspanningen die zijn verbonden aan het begeleiden van een bbl-student verdelen. Ik ben bereid om te onderzoeken of dergelijke samenwerkingsverbanden ervoor kunnen zorgen dat het eenvoudiger wordt voor zzp’ers om een stage of leerwerkbaan aan te bieden. Ik zal hier, mede naar aanleiding van de motie Van Meenen en Mohandis over stageplaatsen bij zzp’ers6, over in gesprek gaan met vertegenwoordigers van zzp’ers en de SBB.
Deelt u onze opvatting dat het belang van een stage zo groot is dat het onwenselijk is als we deze potentiele stageplaatsen onbenut laten? Zo ja, hoe wilt u kleine ondernemers en ZZP’ers stimuleren om een stagiaire in dienst te nemen?
Ik vind het belangrijk om ook in deze economisch zware tijden de instroom van jonge, goed opgeleide vakmensen te bevorderen. Dat kan enerzijds door te werken aan een hoge(re) kwaliteit van opleidingen binnen de school, en anderzijds fors in te zetten op het praktijkdeel van een opleiding binnen een bedrijf. Om leren op de werkplek mogelijk te maken en ook in de toekomst te behouden, moeten werkgevers kosten maken, bijvoorbeeld in de vorm van begeleiding, zodat deelnemers een mbo-diploma kunnen behalen. Op 1 januari 2014 treedt de subsidieregeling praktijkleren in werking. Deze regeling stimuleert werkgevers leerwerkplekken aan te (blijven) bieden en compenseert hen hiervoor. Voorheen konden zzp’ers geen gebruik maken van de fiscale tegemoetkoming. De subsidieregeling praktijkleren maakt het mogelijk dat nu ook zzp’ers, als erkend leerbedrijf, voor de subsidie in aanmerking kunnen komen.
Onderkent u de praktische bezwaren voor onderwijsinstellingen, zoals de Kamer van Koophandel die opmerkt, dat het voor hen «vaak gemakkelijker (is) om contact te onderhouden met een beperkt aantal grote bedrijven dan met veel kleine ondernemingen»? Zo ja, welke rol ziet u voor de kenniscentra om hier verandering in te brengen?
Ik kan me voorstellen dat het voor een onderwijsinstelling minder tijdrovend is om contact te onderhouden met een beperkt aantal grote bedrijven. In de praktijk zal een onderwijsinstelling echter ook met kleine ondernemingen goede contacten moeten onderhouden om voldoende stages te vinden. Kenniscentra kunnen hierbij helpen en dat gebeurt in de praktijk ook. Diverse kenniscentra hebben ervaring met kleine leerbedrijven en zzp’ers die gezamenlijk een opleidingsplek vormen en de begeleiding organiseren.
Zijn de uitkomsten van de stagebarometer van 20 juni al reeds bekend? Zo ja, hebben deze uitkomsten invloed op uw standpunt, zoals u dat hebt verwoord tijdens het algemeen overleg Macrodoelmatigheid5, dat versoepeling van de eisen die er worden gesteld aan stagebedrijven onwenselijk is?
Door de SBB en de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven is het afgelopen jaar hard gewerkt aan het stage- en leerbanenoffensief. De resultaten laten zien dat hiermee een groot deel van de knelpunten kan worden opgelost.
Ik ben dan ook geen voorstander van een versoepeling van de kwaliteitseisen die verbonden zijn aan de status van erkend leerbedrijf. De stage is een belangrijk onderdeel van een mbo-opleiding en het is daarom van groot belang dat de kwaliteit van stages wordt geborgd. Ik vind het belangrijk dat een student goede begeleiding krijgt in zijn eigen vakgebied. Een timmerman kan bijvoorbeeld niet de stagebegeleiding van een secretaresse op zich nemen. En verder vind ik het van groot belang dat een stage daadwerkelijk plaatsvindt op de arbeidsmarkt en er geen sprake is van een simulatie van de praktijk.
Het stikken van varkens door een kapot ventilatiesysteem |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het feit dat er in Milheeze 1.100 varkens zijn doodgegaan nadat het ventilatiesysteem uitviel, en welke consequenties verbindt u hieraan?1
Dit is een zeer te betreuren gebeurtenis voor de varkens en de getroffen ondernemer. Dit soort calamiteiten geeft aan hoe belangrijk het is dat er noodsystemen aanwezig zijn, dat er een alarmsysteem in werking treedt en dat beiden regelmatig worden getest.
Heeft u er kennis van genomen dat het ventilatiesysteem in de stal mogelijk al sinds dinsdagavond 18 juni jl. kapot was, maar dat dit pas in de loop van de volgende dag geconstateerd werd? Zo ja, hoe beoordeelt u dit, mede in het licht van de zorgplicht?
Het onderzoek naar de toedracht van deze calamiteit is nog niet afgerond maar uit voorlopige resultaten blijkt dat zowel het noodsysteem als het alarm niet in werking zijn getreden. Voor het onderzoek is de betreffende apparatuur meegenomen waarbij wordt uitgezocht wat de oorzaak is geweest. Tevens wordt onderzocht wanneer de apparatuur voor het laatst is gecontroleerd.
Dit is niet de eerste keer dat er dieren omkomen doordat het ventilatiesysteem in een stal het begeeft, kunt u dat bevestigen?2 Zo ja, kunt u een overzicht verschaffen van vergelijkbare gebeurtenissen in de afgelopen vijf jaar en steeds daarbij aangeven hoeveel dieren er zijn omgekomen? Zo nee, waarom beschikt u niet over deze gegevens?
Uit beschikbare bronnen blijkt dat in de afgelopen 5 jaar drie soortgelijke situaties hebben voorgedaan in de varkenshouderij. Het ging hier in totaal om respectievelijk 230, 900 en 500 varkens. In de pluimveehouderij zijn op basis van beschikbare bronnen tot nog toe geen vergelijkbare gevallen bekend. Vorig jaar bleek echter op verschillende bedrijven dat bij extreem hoge buitentemperaturen de ventilatie onvoldoende toereikend was. Op 2 bedrijven kwamen hierbij 400 kippen om.
Deelt u de mening dat potdichte stallen, waarbij ventilatie noodzakelijk is voor het kunnen overleven van de dieren in deze stal, zeer kwetsbaar zijn voor technische fouten en dat deze fouten grote consequenties hebben voor het dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
In de Europese richtlijn over het welzijn van productiedieren (98/58/EG) die is geïmplementeerd in het nationale Besluit welzijn productiedieren is vastgelegd dat, indien een dier afhankelijk is van een kunstmatig ventilatiesysteem, deze voorzien moet zijn van een noodsysteem waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van het dier te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt. Indien het hoofdsysteem uitvalt moet een alarmsysteem in werking treden en dit alarmsysteem moet regelmatig worden getest.
Indien deze systemen niet aanwezig zijn of indien wel aanwezig maar niet regelmatig gecheckt dan vormen dichte stallen een risico voor zowel mens als dier. Daarom wordt hier zowel door de NVWA als door controlerende instanties in het kader van ketenkwaliteitssystemen op gecontroleerd en kan indien nodig handhavend worden opgetreden. De ondernemer heeft er baat bij dat er een goed werkend ventilatiesysteem aanwezig is; er is geen reden deze uit te schakelen. Ik ben derhalve niet voornemens een tijdscontrolesysteem voor te gaan schrijven.
Bent u bereid om vergaande maatregelen te nemen zodat dieren te allen tijde kunnen beschikken over een buitenloop en daarmee over frisse lucht zodat dit soort ongevallen niet meer voorkomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
De huidige Europese regelgeving en de implementatie daarvan door middel van nationale regelgeving voldoet. Wel ben ik bereid, mede naar aanleiding van de motie van het lid Ouwehand (33 605-XIII, nr. 18) van 4 juli 2013, om deze zomer extra stalklimaatcontroles uit te voeren op veehouderijbedrijven. Hierover bent u middels een aparte brief geïnformeerd.
Is er proces verbaal opgemaakt tegen de betreffende ondernemer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid een alarmsysteem voor het uitvallen van ventilatiesystemen in stallen verplicht te stellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid een tijdcontrole systeem, vergelijkbaar met een tachograaf in vrachtwagens, verplicht te stellen voor het gebruik van luchtwassers en ventilatiesystemen in stallen zodat die systemen niet in strijd met de regels uitgeschakeld kunnen worden zonder sancties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Zie antwoord vraag 4.
Kennis onder jongeren over de Verklaring Omtrent het Gedrag |
|
Alexander Pechtold (D66), Magda Berndsen (D66), Paul van Meenen (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het profielwerkstuk «De Verklaring Omtrent het Gedrag»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat in dit profielwerkstuk wordt geschetst, namelijk dat veel jongeren zich niet bewust zijn van de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) en jongeren die eerder een delict pleegden onaangenaam verrast worden wanneer zij door een weigering van de VOG een stage of baan mislopen?
Ja, het beeld dat in het werkstuk wordt geschetst herkennen wij. Veel jeugdigen zijn zich niet bewust van de gevolgen die een weigering van de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) kan hebben.
De dienst Justis, van het ministerie van Veiligheid en Justitie (VenJ) behandelt iedere VOG-aanvraag uiterst zorgvuldig. Daarbij wordt het risico op een inbreuk op integriteit voor de samenleving afgewogen tegen het belang van de resocialisatie van de individuele aanvrager. Wij vinden dat dit huidige beoordelingskader voldoende ruimte biedt om recht te doen aan de belangen van jeugdigen. In 2012 is 0,48% van de VOG-aanvragen door jeugdigen tot 23 jaar de VOG geweigerd. Van de 134.481 aanvragen door jeugdigen zijn er uiteindelijk 650 afgewezen.
Er is dus sprake van een beperkte groep jongeren waarvan de VOG-aanvraag werd afgewezen. Omdat wij het belang van een stage of baan groot achten, en daarvoor in de praktijk vaak een VOG nodig is, is tijdens de laatste begrotingsbehandeling van Veiligheid en Justitie besloten de terugkijktermijn bij VOG-aanvragen van adolescenten te verkorten van vier naar twee jaar.2 Voorwaarde is dat de aanvrager ten tijde van de VOG-aanvraag maximaal 22 jaar oud is. Deze gewijzigde terugkijktermijn geldt voor alle delicten met uitzondering van zedendelicten en ernstige geweldsdelicten.
Deelt u de mening dat dit zou kunnen worden voorkomen wanneer jongeren op de hoogte zouden zijn van het bestaan van de VOG en de gevolgen die een weigering hiervan kan hebben voor een toekomstige studie, stage of baan? Zo nee, waarom niet?
Wij onderschrijven het belang van voorlichting op maat aan de jongeren over het bestaan van de VOG en de gevolgen die een weigering hiervan kan hebben voor een toekomstige studie, stage of baan. Daarom worden de volgende concrete stappen ondernomen om voorlichting over de VOG te verbeteren. De staatssecretaris van OCW heeft aan het Centrum School en Veiligheid (CSV) gevraagd om aandacht te gaan besteden aan de VOG voor jeugdigen.3 Daarnaast wordt er een nieuwsbrief opgesteld, waarin informatie wordt gegeven over de VOG en de gevolgen van een VOG-weigering worden uitgewerkt. Deze zal aan de jongerenorganisaties (LAKS, Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs) en de sectororganisaties (PO-Raad, VO-raad en de MBO Raad) voor publicatie worden aangeboden.
Aanvullend hierop gaat de Dienst Justis onderzoeken, onder meer met behulp van sociale media, op welke wijze voorlichtingsmateriaal nog meer kan worden toegesneden op de doelgroep. Ook heeft de Dienst Justis reeds de jongeren die het onderzoek hebben verricht op bezoek gehad om te bespreken op welke wijze jongeren het best voorgelicht kunnen worden. De voorlichtingsactiviteiten van OCW en de Dienst Justis zullen op elkaar worden afgestemd.
Wat is uw reactie op de resultaten van de enquête die de makers van dit werkstuk hebben afgenomen bij 635 leerlingen op diverse scholen, namelijk dat:
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat meer kennis over de VOG een preventieve werking kan hebben en zo criminaliteit kan voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat jongeren beter voorgelicht moeten worden over het bestaan van de VOG? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gaat u doen om er voor te zorgen dat jongeren zich beter bewust worden van de VOG en de gevolgen van een weigering van de VOG?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat er 280.000 potentiele stageplaatsen onbenut blijven |
|
Loes Ypma (PvdA), Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de landelijke onderwijsadministratie van scholen voor voortgezet onderwijs BRIN1 «van geen kanten deugt», zoals het Haarlems Dagblad het kwalificeert?2
Nee, dat beeld herken ik niet.
Deze brede conclusie in het artikel baseert de journalist op een enkele casus waarbij het enige verschil tussen BRIN en werkelijkheid bestaat uit de naam die de school voert in het maatschappelijk verkeer en die in de registratie. De Inspectie van het Onderwijs heeft het bevoegd gezag van deze school hierop aangesproken. Er is door de journalist geen hoor en wederhoor gepleegd met de onderwijsinspectie.
Schoolbesturen dragen de verantwoordelijkheid voor een juiste registratie en dienen onjuistheden of veranderingen van hun gegevens tijdig te melden. Soms veranderen scholen hun naam of adres en geven dat niet of laat door aan DUO. Hierdoor kan het gebeuren dat BRIN niet op elk moment 100% overeenkomt met de werkelijkheid. Daar wordt echter wel naar gestreefd. Bij elke wijziging krijgt het bevoegd gezag een terugmelding van de registratie in BRIN met het verzoek te reageren als de gegevens niet kloppen. De Inspectie besteedt in haar toezicht aandacht aan de correctheid van de geregistreerde gegevens. Onjuiste registratie kan namelijk gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van de bekostiging. Ook doet de instellingsaccountant jaarlijks onderzoek naar de licenties van de school. Als er afwijkingen zijn, dan volgt een uitzonderingsrapportage.
Kunnen scholen nevenvestigingen naar believen veranderen in hoofdvestigingen en zo de strenge procedures van het RPO3 ontwijken?
Nee.
De eerste vestiging van een school wordt de hoofdvestiging genoemd (artikel 65 WVO). Vervolgens kan er aan een school een nevenvestiging of een tijdelijke nevenvestiging worden toegevoegd. Zo bestaat een school (BRIN-nummer) uit meerdere vestigingen. Een nieuwe nevenvestiging kan worden opgericht als men daar overeenstemming over bereikt met alle schoolbesturen die in een RPO samenwerken. Het argument hiervoor is dat oprichting van een nevenvestiging gevolgen kan hebben voor de leerlingstromen in de stad (en dus voor het leerlingpotentieel van de andere scholen). Als men in het RPO overeenstemming bereikt, is er geen toestemming van de minister meer nodig. Daarnaast kan een nevenvestiging ontstaan door fusie van twee zelfstandige scholen; dan wordt automatisch één school de hoofdvestiging en de andere de nevenvestiging.
Voor het opheffen/sluiten van vestigingen is geen overeenstemming in het RPO of toestemming van de minister of gemeente nodig. Schoolbesturen kunnen te allen tijde zelf besluiten of zij een vestiging sluiten omdat bijvoorbeeld de inschrijvingen zodanig teruglopen dat de kwaliteit van onderwijs niet meer gegarandeerd kan worden. Overigens, als er op een BRIN-nummer minder leerlingen worden ingeschreven dan de opheffingsnorm dan wordt de bekostiging van overheidswege beëindigd.
Als een nevenvestiging wordt gesloten dan verandert er niets aan de hoofdvestiging en blijft deze gewoon bestaan. Als een bevoegd gezag besluit de hoofdvestiging te willen sluiten dan zal als gevolg van de administratieve registratie, ook de nevenvestiging worden gesloten. In het specifieke geval van sluiting van het Teylercollege zou dan ook de Paulus Mavo, geregistreerd als nevenvestiging van deze school door een fusie in het verleden, haar deuren moeten sluiten. Het bevoegd gezag heeft aangegeven alleen de vestiging van Teylercollege te willen sluiten en niets te willen veranderen aan de licenties op de nevenvestiging (met andere woorden: er wordt geen onderwijsaanbod verplaatst). Daarom is in het belang van de zittende leerlingen op de Paulus Mavo besloten de nevenvestiging Paulus Mavo in stand te laten en zodoende wordt deze automatisch aangemerkt als hoofdvestiging. Er verandert als zodanig niets aan deze vestiging; het toegestane onderwijsaanbod blijft gelijk en de leerlingstromen veranderen niet. Derhalve zou het bureaucratisch en onlogisch zijn om voor deze verandering overeenstemming te eisen in het RPO.
In mijn beleidsreactie op de evaluatie voorzieningenplanning kondig ik aan deze omissie in de wet, namelijk «wat gebeurt er als de hoofdvestiging gesloten wordt en de nevenvestiging niet», te repareren. Mijn beleidsreactie zult u binnenkort ontvangen.
Hoe zit met de geldigheid van diploma’s die enkel op naam staan van een school (Teyler College) die anders luidt dan de naam die is geregistreerd in BRIN (Linnaeus College Haarlem)?
Diploma’s zijn een hoeksteen van ons maatschappelijk bestel. Zij vormen de ingang tot het vervolgonderwijs of bepaalde beroepen. Het civiel effect van een diploma en het belang van de leerlingen verzetten zich ertegen om de desbetreffende diploma’s «ongeldig» te verklaren. Alleen zeer zwaarwegende redenen kunnen aanleiding vormen om een diploma achteraf ongeldig te verklaren. Dit dient dan overigens te gebeuren door degene die het diploma uitreikt: de directeur van de school.
Een onjuiste naamsvermelding van de school op het diploma rechtvaardigt niet, naar mijn oordeel, het achteraf ongeldig verklaren van diploma’s. Wel heeft de Inspectie het bevoegd gezag en de schoolleiding van de desbetreffende school inmiddels gewezen op de relevantie van het naleven van de Regeling modellen diploma’s v.w.o.-h.a.v.o.-v.m.b.o. De school heeft toegezegd voor volgende jaren de naam van het BRIN te vermelden. Middels de nieuwsbrief voortgezet onderwijs zal ik ook de andere scholen wijzen op het belang van naleving van deze regeling.
Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag dat de echte wereld van de scholen zo kan verschillen van de wereld van scholen zoals deze geregistreerd staan en dat scholen moeten functioneren zonder eigen BRIN-nummer?
Echte wereld versus registratie
Zie het antwoord op vraag 1.
Scholen functioneren zonder eigen BRIN-nummer
Er moeten geen scholen functioneren zonder eigen BRIN-nummer.
Zoals uitgelegd in het antwoord op vraag 2 bestaan sommige scholen uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen. Zo’n school is als bekostigingseenheid voorzien van één BRIN-nummer en elke vestiging heeft een sub-BRIN-nummer. Sommige nevenvestigingen zijn echter in het verleden nevenvestiging geworden als gevolg van een fusie tussen twee zelfstandige scholen met ieder een eigen BRIN-nummer. Na de fusie resteert dan één bekostigingseenheid, dus één BRIN-nummer.
Het is mogelijk om nevenvestigingen (weer) te verzelfstandigen en van een eigen BRIN-nummer te voorzien. Dan is er ofwel sprake van
Het bericht ‘resistente schimmel verspreidt zich’ |
|
Sjoera Dikkers (PvdA), Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de publicatie in het medische vakblad Clinical Infectious Diseases over de resistente aspergillusschimmel?1
Ja.
Is u bekend dat de aspergillusschimmel ontstaat door gebruik van bestrijdingsmiddelen tegen schimmels in de leefomgeving?
De resistentie bij schimmels is gericht tegen de klasse van azolen, de belangrijkste groep antischimmelmiddelen die gebruikt wordt bij de behandeling van schimmelziekten bij de mens. Deze azolen worden ook toegepast als werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen, diergeneesmiddelen, cosmetica en biociden. Biociden zijn verschillende typen producten zoals ontsmettingsmiddelen, conserveringsmiddelen en plaagbestrijdingsmiddelen.
De mate waarin het gebruik van azolen bij bovengenoemde toepassingen bijdraagt aan de resistentieproblematiek bij de mens is nog onbekend, maar mogelijk is hier sprake van een oorzakelijk verband.
Wat is uw opvatting over het feit dat deze nieuwe schimmel moeilijk te bestrijden zou zijn?
De schimmel Aspergillus fumigatus kan verschillende ziekten veroorzaken bij de mens, zoals longontsteking. Dit is al lang algemeen bekend. Als schimmels resistent zijn worden mensen niet vaker of ernstiger ziek, maar compliceert dit de behandeling waardoor het uiteindelijke verloop van de ziekte ernstiger kan zijn. Ook dit is eerder beschreven.
In het betreffende artikel is gekeken naar het vóórkomen van Aspergillus in het leefmilieu en bij patiënten. Hierbij is specifiek gekeken naar resistentie van deze schimmels tegen azolen. De problematiek beperkt zich tot bepaalde risicogroepen. Voor deze risicogroepen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5.
Welke maatregelen bent u desondanks bereid te nemen om verdere verspreiding van deze resistente schimmel te voorkomen?
Op 15 oktober 2010 heeft er een deskundigenberaad plaatsgevonden bij het RIVM over resistente schimmels. De aanleiding vormde de zorgen over een mogelijke toename van resistentie bij schimmels waardoor behandeling wordt gecompliceerd. Eén van de adviezen van het deskundigenberaad was het opzetten van een referentielaboratorium voor invasieve aspergillose zodat het inzicht in de omvang van de problematiek in Nederland verbeterd wordt. Door de deskundigen werd het UMC St Radboud aangewezen als kandidaat voor het opzetten van een referentielaboratorium. Ik heb dit advies overgenomen en in 2011 is het referentielaboratorium gestart. Het referentielaboratorium geeft inzicht in het vóórkomen van ziekten veroorzaakt door schimmels en resistentie bij schimmels bij patiënten.
Het ministerie van I&M heeft daarnaast een onderzoek lopen bij Royal HaskoningDHV met als doel inzicht te krijgen in de vraag of biociden een rol spelen bij de resistentie van schimmels tegen azolen. In dit onderzoek wordt ook aandacht besteed aan andere producten waar azolen in zitten, zoals gewasbeschermingsmiddelen en cosmetica. Dit rapport wordt deze zomer verwacht.
Welke concrete risico’s voor de volksgezondheid zijn er door de verspreiding van aspergillusschimmel in woonhuizen en woonwijken?
Het risico voor de volksgezondheid beperkt zich tot bepaalde risicogroepen die in verhoogde mate vatbaar zijn voor infecties, zoals patiënten met chronische longziekten en patiënten met sterk verminderde weerstand zoals patiënten die voor leukemie worden behandeld of een orgaantransplantatie hebben ondergaan. Het optreden van een ernstig ziektebeeld door Aspergillus is dus zeer zeldzaam. De behandeling van deze ernstig zieke mensen wordt gecompliceerd als deze schimmel ook nog resistent is. Gezonde mensen kunnen de resistente schimmel bij zich dragen maar worden er niet ernstig ziek van.
Het bericht dat patiënten gedwongen worden te verhuizen |
|
Renske Leijten |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
Vindt u het ook treurig dat patiënten, die al jaren op een vertrouwde plek wonen, nu gedwongen worden te verhuizen? Zo nee, waarom niet?1 2
Met de sector is vanuit kwaliteitsoverwegingen afgesproken dat een derde van de bedden3 in de GGZ in 2020 ten opzichte van 2008 kunnen worden afgebouwd en substitutie moet plaatsvinden met ambulante zorg. Geconstateerd is dat bepaalde patiënten die nu langdurig in een kliniek wonen veel beter thuis – met adequate ondersteuning – in hun eigen leefomgeving kunnen wonen. Daartoe worden zogenaamde FACT teams opgezet of uitgebreid. Deze teams ondersteunen de patiënt ambulant en begeleiden de patiënt indien nodig om thuis goed te kunnen functioneren. Gemeenten zijn daar ook bij betrokken. Patiënten worden nooit gedwongen te verhuizen. Er vindt uitvoerig overleg plaats met de patiënt en de familie over de eventuele verhuizing; de patiënten waar het in het geval van Zon en Schild over gaat, stemmen in met de verhuizing. Vier patiënten gaan zelfstandig wonen met ondersteuning van een FACT-team, en drie andere patiënten gaan naar instelling van beschermd wonen.
Hoe lang bent u al bekend met het bericht dat GGZ Centraal woningen van patiënten wil sluiten? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik heb dat bericht in juni van dit jaar vernomen.
Hebben patiënten, familieleden en zorgverleners deze verhuisplannen goedgekeurd? Bent u bereid dit uit te zoeken, en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, de instelling heeft mij laten weten dat patiënten, familieleden en zorgverleners achter deze verhuisplannen staan.
Is u bekend of de ondernemingsraad en de cliëntenraad betrokken zijn geweest bij de verhuisplannen van GGZ Centraal? Hebben zij deze plannen goedgekeurd? Bent u bereid dit uit te zoeken, en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, de ondernemingsraad en de cliëntenraad zijn beide betrokken bij de verhuisplannen. Zij hebben positief geadviseerd.
Welke alternatieve oplossingen zijn onderzocht, zodat patiënten niet gedwongen hoeven te verhuizen? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Een alternatieve oplossing is niet nodig, omdat patiënten niet worden gedwongen te verhuizen. Zoals ook in het Bestuurlijk Akkoord GGZ is overeengekomen met de sector is het in sommige gevallen juist goed voor de patiënt om weer in de eigen leefomgeving te kunnen gaan wonen. Voor deze patiënten worden daarom deze stappen naar de thuissituatie voorbereid en ingezet. De patiënten worden hierbij goed begeleid. In sommige gevallen wordt de patiënt eerst naar een beschermd wonen situatie geleid als de stap naar de thuissituatie nog te groot is. Bij Zon en Schild gebeurt dat in drie van de zeven gevallen.
Waarom moet Zon en Schild 3,5 miljoen euro bezuinigen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De 3,5 miljoen euro waar u over spreekt gaat over twee jaren; in 2012 is een bezuiniging 2 miljoen euro afgesproken met de verzekeraar en in 2013 gaat het om 1,5 miljoen euro. In de gehele GGZ moet bezuinigd worden. Daarover is een afspraak gemaakt met de sector in het Bestuurlijk Akkoord GGZ 2013–2014 (waarin groei is opgenomen van 2,5%). Dit raakt iedere instelling in de GGZ. Verzekeraars en aanbieders zullen in de inkoopafspraken moeten bezien op welke wijze de bezuiniging kan worden doorgevoerd.
Hoe is de zorg voor de patiënten momenteel gewaarborgd? Controleert de Inspectie voor de Gezondheidszorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
De inspectie heeft recent onaangekondigde inspectiebezoeken gebracht aan verschillende locaties van GGZ Centraal. Uit deze inspecties is gebleken dat de zorgverlening op orde is. De berichtgeving is voor de inspectie wel aanleiding om vinger aan de pols te houden. Zij zal dan ook binnen twee maanden opnieuw een inspectiebezoek brengen aan GGZ Centraal.
De recente bevindingen sluiten overigens aan bij de resultaten van eerder door de inspectie verricht thematoezicht in de betreffende regio waarbij gekeken is naar de voorwaarden voor zorgverlening aan zorgmijders. Ik heb u hierover op 2 mei jl. bericht (kenmerk 112566–102629-CZ). Uit dit onderzoek blijkt dat de zogenaamde FACT-teams in deze regio goed functioneren.
Hoeveel ontslagen worden verwacht? Zijn er inmiddels al personeelsleden ontslagen? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
De instelling heeft mij verzekerd dat er geen gedwongen ontslagen plaatsvinden. Men verwacht een inkrimping van het personeel via een natuurlijk verloop; tijdelijke contracten worden niet meer verlengd en een aantal personeelsleden solliciteert zelf buiten de instelling. Sommige medewerkers worden binnen GGZ Centraal herplaatst.
Is de vakbond betrokken? Wordt er een sociaal plan gemaakt samen met vakbond, werkgever en personeel? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Wat wordt verstaan in het artikel van Zon en Schild dat er grote flexibiliteit gevraagd wordt van het personeel? Vindt u dit wenselijk? Wilt u uw antwoord toelichten?
Heeft u ook signalen ontvangen dat het personeel geïntimideerd wordt, en geacht wordt niet met media en anderen te praten zonder overleg met leidinggevenden van Zon en Schild? Kunt u uw antwoord toelichten?
Welke maatregelen gaat u treffen om te zorgen dat deze patiënten een goede woonplek krijgen en/of behouden en dat personeel niet ontslagen wordt? Wilt u uw antwoord toelichten?
Slechts een waarschuwing bij het veroorzaken van ernstige brandwonden door een verpleegkundige |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Waarschuwing voor badincident zorginstelling»?1
Ja.
Klopt het dat hier slechts sprake is van een waarschuwing, dan wel een berisping?
Aan de verpleegkundige is door het regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Eindhoven de maatregel waarschuwing opgelegd.
Deelt u de mening dat de straf voor deze verpleegkundige te laag is, vanwege de zeer ernstige brandwonden die zij veroorzaakt heeft, waardoor het reeds gehandicapte meisje niet meer kan lopen?
Ten eerste wil ik aangeven dat een tuchtmaatregel geen strafmaatregel is maar primair correctie van professioneel gedrag beoogt om herhaling van gemaakte fouten te voorkomen. Echter geheel in lijn met wat wij in Nederland als procedure kennen voor rechtszaken die bij de (tucht)rechter liggen of zijn afgehandeld, ligt het niet in de rede dat ik als Staatssecretaris uitspraken doe over de opgelegde maatregel.
Deelt u de mening dat het tuchtrecht er hoort te zijn om mensen te beschermen tegen onbekwaam en falend personeel, en niet om hen slechts te laten leren van hun fouten?2
Het primaire doel van het tuchtrecht is het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de zorgverlening. Het algemene belang van kwaliteitsbewaking staat voorop. Een tuchtmaatregel is geen strafmaatregel maar beoogt primair correctie van professioneel gedrag om herhaling van gemaakte fouten te voorkomen. Dat is in het bijzonder ook in het belang van de burger. Naast dit doel beoogt het tuchtrecht tevens burgers te beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig medisch handelen.
Bent u bereid de waarschuwing en berisping uit het tuchtrecht te schrappen, zodat blunderend personeel altijd een hogere straf – zoals doorhaling in het register – opgelegd krijgt? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bereid de waarschuwing en berisping uit het tuchtrecht te schrappen.
Zoals hierboven geantwoord, is een tuchtmaatregel geen strafmaatregel maar beoogt het primair correctie van professioneel gedrag om herhaling van gemaakte fouten te voorkomen. Het dwingt zorgverleners om kritisch naar hun eigen handelen te kijken en leidt in vele gevallen tot aanpassing van handelwijze.
De betrokkenheid van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) bij een onderzoek naar de heer De Roy van Zuydewijn |
|
Ronald van Raak |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Hoe zou u als lid van de Tweede Kamer hebben geoordeeld over de kwaliteit van uw antwoord op eerdere vragen?1
Leden van de Tweede Kamer kunnen vragen stellen aan leden van het kabinet die hierop antwoorden.
Is het waar dat prins Bernhard in 2000 de directeur van het Kabinet der Koningin opdracht heeft gegeven om bij de toenmalige Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) inlichtingen op te vragen over de heer De Roy van Zuydewijn?
De brief van 10 maart 2003 bevat het kabinetsstandpunt over dit onderwerp en de gronden waarop het rust (Kamerstukken II 2002/3, 28811, nr.3. Voorts heeft het kabinet leden van de Tweede Kamer informatie en antwoorden gegeven op vragen uit commissies van de Tweede Kamer.
Op 12 maart vond in de Tweede Kamer een debat plaats met leden van het kabinet (de Minister-President, de Minister van Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). De Tweede Kamer nam na dit debat op 18 maart enkele moties aan (Kamerstukken II 2002/3, 28 811, nrs. 4 en4 die het kabinet heeft uitgevoerd.
Waarom heeft toenmalig minister-president Balkenende in 2003 niet aan de Tweede Kamer gemeld dat het initiatief voor het BVD-onderzoek naar de heer De Roy van Zuydewijn is uitgegaan van prins Bernhard?2
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw oordeel over de herbevestiging door toenmalig hoofdredacteur van de Volkskrant Broertjes dat prins Bernhard tegen hem over de heer De Roy van Zuydewijn heeft gezegd: «Deze man is een vijandelijk projectiel dat onschadelijk moet worden gemaakt»?3
Uitlatingen van de voormalig hoofdredacteur komen voor diens rekening.
Het bericht ‘Heb ik recht op een uitkering als ik naar de gevangenis ga?’ en ‘Utrecht weigerde ten onrechte bijstand tbs’er |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Heb ik recht op een uitkering als ik naar een gevangenis ga?» en «Utrecht weigerde ten onrechte bijstand tbs’er» en klopt hetgeen hierin vermeld wordt?1 2
Ik ben bekend met beide artikelen. De feitelijke gegevens in beide berichten zijn correct.
Is de limitatieve opsomming van uitkeringen die stoppen indien iemand in de gevangenis zit ook van toepassing op veroordeelden in een tbs-kliniek?
Ja, deze is ook van toepassing op veroordeelden in een tbs-kliniek. Er geldt echter een uitzondering voor tbs-gestelden die door de strafrechter van alle rechtsvervolging zijn ontslagen, maar wel ter beschikking zijn gesteld met bevel tot verpleging. Voor deze groep wordt op grond van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep een eventuele arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken. Dit wordt gecompenseerd door het feit dat deze groep tbs-gestelden op grond van artikel 4 lid 4 van het interim-besluit forensische zorg een eigen bijdrage voor het verblijf in de instelling aan het ministerie van Veiligheid en Justitie moet betalen.
Deelt u de mening dat een tbs veroordeelde nooit in aanmerking mag komen voor subsidies, uitkeringen en toeslagen zolang hij in een inrichting zit? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om ervoor te zorgen dat tbs’ers niet meer onterecht en ongelimiteerd kunnen profiteren van sociale voorzieningen?
In de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden is geregeld dat indien een persoon rechtens zijn vrijheid is ontnomen, deze geen recht heeft op een uitkering. De ratio daarvan is dat de Staat tijdens deze vrijheidsontneming in (de kosten van) het levensonderhoud voorziet. Door deze personen uit te sluiten van uitkeringen wordt «dubbele betaling» (het verstrekken van een uitkering, terwijl de Staat reeds in de kosten van het levensonderhoud voorziet) uit collectieve middelen voorkomen.
Voor bijstand is in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand geregeld dat als iemand rechtens zijn vrijheid is ontnomen, hij geen recht heeft op bijstand. Bij verblijf in een penitentiaire inrichting of tbs-kliniek heeft iemand dus geen recht op bijstand.
Ex-gedetineerden moeten wel in aanmerking kunnen komen voor een uitkering, mits zij aan de daarvoor geldende voorwaarden en de daaraan verbonden (arbeidsgerelateerde) verplichtingen voldoen. Het is echter uitsluitend aan het college van burgemeester en wethouders of het UWV om hier een beslissing over te nemen.
Welke programma’s vallen onder de paraplu van het ruime begrip «resocialisatie», inhoudende dat indien een veroordeelde voor een gedeelte van de straf buiten de strafinrichting verblijft wel het recht kan hebben op een uitkering, bijvoorbeeld indien wordt deelgenomen aan een programma dat gericht is op resocialisatie? Bestaat er een limitatieve opsomming van deze programma’s? Zo nee, waarom niet?
De gevallen waarin sprake is van verblijf buiten een justitiële inrichting of tbs-kliniek en betrokkene aanspraak kan maken op een uitkering zijn limitatief opgenomen in het Besluit extramurale vrijheidsbeneming en sociale zekerheid. Het gaat om de volgende gevallen:
Deelt u de mening dat veroordeelde criminelen die de samenleving schade hebben toegebracht en derhalve in een inrichting verblijven of verbleven hebben, nooit recht zouden mogen hebben op een uitkering? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De besteding van EU-geld aan Egypte |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «EU cooperation with Egypt in the field of governance» van de Europese Rekenkamer»?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusie dat «een gebrek aan begrotingstransparantie, een ondoeltreffende controlefunctie en wijdverbreide corruptie»2 in Egypte ervoor hebben gezorgd dat niemand weet hoe deze gelden zijn besteed? Klopt het dat het hier gaat om circa 1 miljard Euro?
Zoals ook aangegeven in mijn brief van 20 juni jl. wordt in het rapport van de Europese Rekenkamer een aantal ernstige tekortkomingen geconstateerd. Nederland onderkent de moeilijke omstandigheden in Egypte. Ook in een moeilijke omgeving dient echter de effectiviteit van steun voorop te staan. Het kabinet is het in de kern eens met de aanbevelingen die de Rekenkamer doet om de effectiviteit van steun te vergroten. Het kabinet ziet deze als ondersteuning van zijn beleid, zoals uiteengezet in de kabinetsappreciatie nabuurschapsbeleid3. Overigens is een aantal van de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer door de Commissie en EDEO al opgepakt na september 2012.
De Europese Rekenkamer heeft onderzoek gedaan naar het effect van EU-steun op de verbetering van de kwaliteit van het bestuur in Egypte. Het in de media genoemde bedrag van EUR 1 mld. betreft de totale EU-begrotingsenvelop EU-steun die voor Egypte werd uitgetrokken onder Categorie IV van de EU-begroting (Extern Beleid) in de periode 2007–2013 terwijl de steekproef van de Europese Rekenkamer een financiële omvang van 140 miljoen euro heeft4. De Europese Rekenkamer doet alleen uitspraken over deze steekproef.
De Europese Rekenkamer heeft gekeken naar het effect van bovengenoemde EUR 140 mln. op de verbetering van het bestuur in Egypte – niet naar het effect dat sectorale begrotingssteun bijvoorbeeld heeft gehad in de sectoren transport, onderwijs, gezondheidszorg – het primaire doel van deze steun. De Rekenkamer concludeert op basis van haar onderzoek dat, in het algemeen, de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) niet in staat zijn geweest deze EU-steun zo aan te wenden dat hierdoor het bestuur in Egypte is verbeterd. Dat deze steun niet doeltreffend is besteed is een zorgwekkende vaststelling waarop het kabinet HV Ashton en Commissaris Füle (Nabuurschap) heb aangesproken.
Is het waar dat deze EU-gelden nog altijd rechtstreeks aan de Egyptische autoriteiten werden overgemaakt, terwijl de Europese Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) op de hoogte waren van deze problemen? Kunt u aangeven waarom geen ingrijpende maatregelen zijn genomen terwijl er duidelijk een gebrek aan voortgang en transparantie over de besteding van de gelden te bespeuren viel?
Na de omwenteling van 2011 in Egypte moest de relatie met de nieuwe machthebbers opnieuw worden geënt en samenwerking van de grond worden getild. Dat is een moeizaam proces gebleken. De situatie in Egypte is, getuige de meest recente gebeurtenissen, nog steeds instabiel. Tegelijkertijd is het kabinet helder over het belang van het welslagen van de transitie in Egypte, het grootste land in de Arabische regio met een onmiskenbare regionale uitstraling. Dat de EU deze transitie naar een democratische samenleving wilde steunen, kon en kan rekenen op Nederlandse instemming.
Transitie is een proces van lange adem, dat met ups-and-downs gepaard gaat. In zijn meest recente appreciatie van het Europese nabuurschapsbeleid stelt het kabinet dan ook dat «niet elk obstakel in het hervormingsproces consequenties moet hebben voor de steun die de EU biedt. Less for less als keerzijde van more for more moet overeind blijven, maar het kabinet wil geen «stop and go» beleid dat afhangt van incidenten of onvoldoende voortgang op losse onderdelen van de hervormingen. Conditionaliteit is niet bedoeld om gemaakte voortgang ongedaan te maken of een land te isoleren, maar om een structurele gedragswijziging tot stand te brengen. Conditionaliteit moet dan ook zorgvuldig en afgewogen worden ingezet»5. Dat de situatie in Egypte weerbarstig was en resultaten achterbleven bij de doelstellingen mag bekend zijn geweest, consequenties in de zin van less for less werden daaraan – ten tijde van de rapportageperiode van de Europese Rekenkamer – nog niet verbonden. Het kabinet steunde deze lijn.
Sinds eind 2012 wordt overigens EU-steun aan Egypte, bij gebrek aan voortgang, aangehouden. Het betreft EUR 90 mln. aan toegezegde SPRING-middelen en EUR 110 mln. aan steun vanuit het nabuurschapsinstrument.
Onderschrijft u de conclusie van het rapport dat de negatieve houding van de Egyptische autoriteiten ertoe heeft geleid dat ook de EU-maatregelen ter bevordering van mensenrechten en democratie hebben gefaald? Onderschrijft u tevens de conclusie dat de Commissie en EDEO hebben verzuimd om gebruik te maken van de financiële en politieke drukmiddelen die ze tot hun beschikking hadden? Deelt u de mening dat niet alleen de Egyptische autoriteiten maar ook de Commissie en EDEO hier in ernstige mate laakbaar hebben gehandeld?
De Commissie en EDEO weerspreken sommige conclusies van de Europese Rekenkamer en wijzen er op dat de Rekenkamer onvoldoende oog heeft gehad voor de lokale politieke context waarin steun werd verleend en de inspanningen die de EU zich heeft getroost door de jaren heen om een dialoog met de Egyptische overheid op te zetten en samenwerking in gang te zetten juist op heikele onderwerpen als bestuur, democratisering en mensenrechten, inclusief de positie van vrouwen en minderheden. De omstandigheden in Egypte zijn inderdaad bijzonder weerbarstig en de medewerking van de Egyptische autoriteiten bleef dikwijls achterwege. De EU-inzet op bestuur, democratisering en mensenrechten werd door Nederland zeker gesteund. Wel had de EU sterker kunnen aangeven welke conditionaliteiten aan de verlening van steun zijn verbonden, op basis van heldere indicatoren en in lijn met het more for more beginsel dat ten grondslag ligt aan het in 2011 herziene nabuurschapsbeleid van de Unie. Nederland heeft hierom ook meermalen verzocht, zoals ook met uw Kamer werd besproken.6
In het afgelopen jaar is de EU dit ook steeds meer gaan doen – zie ook de recente Kabinetsappreciatie nabuurschapsbeleid inclusief de voortgangsrapportage over Egypte die hierin is opgenomen.7 Op 20 juni jl. presenteerde de Commissie, op basis van de voortgangsrapportages voor de Zuidelijke naburen, de verdeling van SPRING-middelen voor het jaar 2013. Aan Egypte werden, bij uitblijven van hervormingen, nog geen SPRING-middelen toegekend voor 2013. Dat is in lijn met more for more of, in dit geval, less for less.
Hoe verhoudt de handelwijze van de Commissie en EDEO zich tot het principe «less for less, more for more»?
Zie antwoord vraag 4.
Onderschrijft u de conclusie van het rapport dat de Europese diensten te weinig aandacht hebben besteed aan de rechten van vrouwen en minderheden terwijl hier een dringende behoefte voor bestond gezien de groeiende intolerantie in Egypte?
Nederland heeft er bij HV Ashton en Commissaris Füle (Nabuurschap) bij verschillende gelegenheden op aangedrongen met prioriteit te kijken naar de positie van vrouwen (conform de motie Bonis-Sjoerdsma) en minderheden in Egypte, omdat deze in Egypte steeds zorgelijker werd. In een brief van 3 februari 2012 stelden Ashton en Füle overigens al dat «respect voor mensenrechten» één van de criteria is waaraan voortgang in Zuidelijke nabuurschapslanden wordt afgemeten. Afschaffing doodstraf, godsdienstvrijheid, non-discriminatie op basis van gender of seksuele geaardheid, non-discriminatie van minderheden, kinderrechten, afschaffing van marteling en mensonterende straffen werden met name genoemd. In dezelfde brief zeiden Ashton en Füle ook dat bijzondere aandacht werd geschonken aan vrouwenrechten, juist omdat vrouwen zo’n grote rol hebben gespeeld bij de omwenteling. Deze brief is ter informatie van de Kamer bijgevoegd.8
Deelt u de mening dat de Commissie en EDEO nalatig hebben gehandeld en daarmee zeer onzorgvuldig zijn omgegaan met het belastinggeld van Europese burgers? Zo nee, waarom? Zo ja, welke consequenties hebben deze bevindingen voor Commissie en EDEO? Gaat u bijvoorbeeld bij de EU-antifraudedienst OLAF aandringen op nader (strafrechtelijk) onderzoek?
Het kabinet vindt het ernstig dat (in ieder geval een deel van) de steun die EU heeft verleend aan Egypte, niet evident heeft bijgedragen aan een verbetering van het bestuur in dat land. In zijn algemeenheid geldt dat de EU in staat moet zijn inzicht te geven in de resultaten die zijn bewerkstelligd met behulp van Europese steun. Anders kan niet worden vastgesteld of het verlenen van deze steun zinvol is geweest – en dat is de EU inderdaad aan Europese belastingbetalers verplicht. De verantwoordelijkheid voor handhaving van conditionaliteiten ligt in de eerste plaats bij de Europese Commissie, die Nederland zal aanmoedigen om meer werk te maken van het stellen van duidelijkere voorwaarden en de handhaving daarvan. Het loket OLAF komt pas aan de orde indien er sprake is van «suspected fraude». Het onderzoek van de Europese Rekenkamer was daar niet op gericht en bevat geen uitspraken over fraude.
Welke mogelijkheden ziet u om EU-geld aan Egypte terug te vorderen? Welke gelden worden er op dit moment nog aan Egypte overgemaakt? Bent u bereid om aan te dringen op een bevriezing van alle EU-gelden aan Egypte? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment wordt EU-steun aan Egypte aangehouden. Het gaat om de SPRING-middelen die in 2012 aan Egypte beschikbaar werden gesteld (EUR 90 mln.) en een bedrag van EUR 110 mln. uit het nabuurschapsinstrument voor Egypte. Deze middelen zijn aan Egypte toegezegd met instemming van lidstaten, maar worden in het licht van de omstandigheden in Egypte niet uitbetaald totdat aan een aantal voorwaarden is voldaan. De belangrijkste daarvan is het aangaan van een lening met het IMF. Hiertoe dient de Egyptische regering een ingrijpend pakket aan hervormingen aan te nemen.
Heeft het bovengenoemde rapport consequenties voor de bilaterale betrekkingen met Egypte conform het uitgangspunt «less for less, more for more»? Zo nee, waarom niet?
Het rapport van de Europese Rekenkamer heeft geen consequenties voor de bilaterale betrekkingen met Egypte. Bij de bilaterale transitiesteun vanuit het Matra-zuid programma vindt geen overdracht van middelen plaats, maar gaat het om overdracht van kennis in de vorm van enerzijds training van ambtenaren en diplomaten en anderzijds kleinschalige samenwerkingsprojecten tussen Nederlandse en Egyptische overheidsinstellingen. Het risico van onjuiste besteding van middelen is daardoor te verwaarlozen. Concrete samenwerkingsprojecten zijn nog niet van start gegaan. Mogelijkheden daartoe zijn wel geïdentificeerd, maar de verdere voorbereiding wordt in het licht van de recente ontwikkelingen in Egypte voorlopig uitgesteld.
Het CJIB, Marnix State te Leeuwarden |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het gebouw van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) in de Marnix State in Leeuwarden?1
Ja. Overigens zijn de foto’s die op de website van GeenStijl zijn gepubliceerd en waarnaar wordt verwezen van het interieur van het pand Wester State, in plaats van het pand Marnix State. Het gebouw Wester State betreft een in 2011 nieuw opgeleverd pand.
Deelt u het oordeel dat het kantoor van het CJIB in de Marnix State aan de buitenkant enigszins sober en functioneel oogt en dat het binnen wel anders is?
Een oordeel over de uitstraling van een gebouw in relatie tot het interieur blijft subjectief. Dit laat ik aan ieders beoordeling. Wat voor mij van belang is dat de kosten passen binnen de (rijksbreed) geldende normen. Dit is het geval ten aanzien van het CJIB. Bij de beantwoording van de vragen 4 en 5 licht ik dit nader toe. Overigens merk ik op dat de prijzen die genoemd worden op de website van GeenStijl niet overeenkomen met de daadwerkelijke kosten die het CJIB hiervoor heeft gemaakt. Deze kosten liggen gemiddeld 50% lager dan de genoemde prijzen.
Klopt het dat de inrichting van Marnix State (in gebruik genomen in 2002) onlangs geheel vernieuwd is?
In 2007 is gestart met de nieuwbouw van Wester State met het oog op onder meer ontwikkelingen rondom rijksincassobureau en kilometerbeprijzing. Inmiddels is duidelijk dat deze laatste ontwikkeling zich niet meer voordoet. Wel blijft het CJIB zich doorontwikkelen tot de dienstverlener op het gebied van inning en incasso voor de rijksoverheid. Daarnaast krijgt het CJIB een belangrijke rol in de informatievoorziening in de executieketen. Binnen het CJIB wordt daartoe op dit moment het Administratie- en Informatiecentrum Executie opgericht. Dit betekent dat alle strafrechtelijke beslissingen in Nederland via dit centrum zullen worden gecoördineerd, wat tot een uitbreiding van taken voor het CJIB leidt.
Ten aanzien van de inrichting van Marnix State merk ik op dat deze niet geheel vernieuwd is. Wel heeft een herindeling van het gebouw plaatsgevonden met als doel een efficiëntere werkwijze met minder kantoorruimte per persoon. Bij deze herindeling is overwegend gebruik gemaakt van bestaand kantoormeubilair.
Welke kosten waren hiermee gemoeid?
De kosten voor het meubilair en werkplekken in Wester State bedragen circa € 1,7 mln. Ook hierbij is deels gebruik gemaakt van bestaand meubilair. In 2009 is besloten het gebouw Westerstate specifiek in te richten om efficiënter te werken met minder kantoorruimte per persoon. In het kader van het Uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst en de aanwijzing van Leeuwarden als rijkskantorenstad wordt toegewerkt naar geconcentreerde huisvesting van de kantoorlocaties van het CJIB. Uitgangspunt hierbij is een meer efficiënte benutting van de kantoorruimte bij het CJIB. Op dit moment wordt reeds door meerdere overheidsinstanties, waaronder JustID en de belastingdienst, reeds gebruik gemaakt van de kantoorruimte van het CJIB. De specifieke inrichting van Wester State maakt dat daarmee rijksbreed besparingen kunnen worden gerealiseerd.
Hoe verhouden deze kosten zich tot de noodzakelijke bezuinigingen, ook op het gebied van Veiligheid en Justitie?
Zoals gezegd vind ik het van belang dat de kosten passen binnen de (rijksbreed) geldende normen. Ten aanzien hiervan merk ik op dat de kosten van Wester State getoetst zijn aan de door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde normering voor de berekening van de gemiddelde kostprijs per werkplek. Hieruit blijkt dat de kosten voor Wester State aansluiten bij deze normering en rond het gemiddelde liggen van andere overheidsinstellingen.
Het bericht ‘Prostituees uitgebuit vanuit woning’ |
|
Gert-Jan Segers (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Prostituees uitgebuit vanuit woning»?1
Ja.
Is de toename van misstanden in de thuisprostitutie een indicatie voor de groei van gedwongen prostitutie of is de omvang en ernst van misstanden in Nederland altijd onderschat?
Uit de 8ste rapportage van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel (NRM), maar ook uit recente «slachtoffercijfers» van CoMensha en criminaliteitsbeeldanalyses, blijkt dat in de thuisprostitutie sprake is van ernstige misstanden. Mede doordat de aanpak van mensenhandel prioriteit heeft en politie, Openbaar Ministerie, gemeenten en andere instanties hier actief op inzetten komt aard en omvang van de misstanden steeds meer in beeld. Dat er meer zaken bekend zijn waarin mogelijk sprake is van mensenhandel wordt dus mede veroorzaakt door de aanpak van ketenpartners en actievere melding.
Zijn de bevindingen in het artikel niet tevens een gevolg van het ontbreken van een landelijke aanpak en verschil in gemeentelijk beleid? Zo ja, wanneer dient u het wetsvoorstel in tot wijziging van het bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche (Kamerstukken 32 211)?
Het wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche is op 8 juli jl. in derde termijn behandeld in de Eerste Kamer. De motie van het lid Strik c.s.2 is op 9 juli jl. aanvaard. Ik bereid dientengevolge een novelle voor om de bepalingen inzake de registratieplicht voor prostituees en de vergewisplicht te schrappen uit het genoemde wetsvoorstel. Ik verwacht deze in het najaar te kunnen indienen bij uw Kamer. In het onderdeel van het wetsvoorstel over de landelijke uniforme vergunningverlening worden geen wijzigingen aangebracht, zodat er op essentiële onderdelen geen verschillen tussen gemeentes zullen zijn in de voorwaarden die aan seksbedrijven worden gesteld. De invoering van de uniforme vergunningplicht neem ik voortvarend ter hand.
Bent u bereid om snel met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) afspraken te maken om de oproep van de plaatsvervangend korpschef van de nationale politie, dat overheden meer «streetwise» moeten worden, concreet invulling te geven?
Er worden reeds diverse acties ondernomen die mede gericht zijn op het optimaal benutten van praktijkervaringen om misstanden in de seksbranche voortvarend en adequaat aan te pakken. In de Task Force Aanpak Mensenhandel wordt intensief samengewerkt door de diverse ketenparners om de integrale aanpak van mensenhandel te versterken. Bij die aanpak gaat het nadrukkelijk niet alleen om inzet van politie, Openbaar Ministerie en Koninklijke Marechaussee, maar ook om capaciteit van gemeenten, Regionale Informatie en Expertise Centra, de Inspectie SZW, de Belastingdienst, CoMensha en bijvoorbeeld Kamers van Koophandel en de hotelbranche. Zo is de Kamer van Koophandel (KvK) alert op signalen van mensenhandel en kan zij hiervan melding maken bij het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel. Ook kan de KvK in bepaalde gevallen inschrijving bij de KvK weigeren in geval van signalen van mensenhandel. Voorts heeft de samenwerking met de horecabranche, in verband met het voorkomen en signaleren van seksuele uitbuiting in de hotelbranche, in de afgelopen tijd een forse impuls gekregen. Zo heeft recent nog een symposium hierover plaatsgevonden, waarbij veel partijen vertegenwoordigd waren. Daarbij is ook de voorlichtingsfilm «Please disturb» voor hotelmedewerkers gelanceerd. Verder wordt bij het Openbaar Ministerie, de politie en de rechterlijke macht nadrukkelijk geïnvesteerd in expertise en specialisatie op het gebied van mensenhandelzaken.
Wat vindt u van de bevinding dat meer dan een derde van de aangetroffen vrouwen jonger was dan 21 jaar? Zou in de regelgeving niet ten spoedigste deze leeftijdsgrens moeten worden vastgelegd? Overweegt u nog andere maatregelen om dit aandeel omlaag te krijgen?
Het wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche kent als voorwaarde voor registratie een leeftijd van 21 jaar. Met het vervallen van de registratieplicht zal langs andere weg worden geregeld dat de minimumleeftijd van prostituees wordt vastgelegd op 21 jaar.
Wat gaat u doen om makelaars en verhuurders «streetwise» te krijgen en juist ook in een tijd van toenemende leegstand scherp te laten zijn op illegale activiteiten in verhuurde panden?
De woningcorporaties zijn al vele jaren doende om illegale activiteiten in hun woningen te bestrijden. Zo nemen veel corporaties bijvoorbeeld deel aan wiet- of hennepconvenanten en werken zo samen met politie, energiebedrijven en gemeenten om de illegale wietteelt terug te dringen. Ook hebben nagenoeg alle corporaties verbodsbepalingen ter zake in hun huurcontracten opgenomen. In de grote steden ondernemen corporaties, veelal gezamenlijk met andere partijen, acties voor het opsporen van woonfraude en illegale activiteiten. Ook zijn veel corporaties in bezit van een meldpunt waar misstanden doorgegeven kunnen worden.
De Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM) heeft mij laten weten dat er ook vanuit de vastgoedsector initiatieven worden genomen om illegale activiteiten in verhuurde panden tegen te gaan. Zo heeft de NVM aan haar achterban «de NVM Woontoets» beschikbaar gesteld om malafide huurders zoveel mogelijk buiten de deur te houden. De makelaar kan met deze toets de identiteit en kredietwaardigheid van de potentiële huurder, koper of opdrachtgever onderzoeken en beoordelen. De NVM Woontoets wordt sinds 2012 gebruikt en blijkt effectief. Mocht blijken dat vrijwillige toepassing van de NVM Woontoets nog onvoldoende problemen oplost, dan overweegt de NVM haar leden deze screeningstool verplicht te laten hanteren bij verhuuropdrachten. Los van dit concrete instrument zet de NVM, waar mogelijk in samenwerking met politie, in op verdere bewustwording onder makelaars, via onder meer opleiding en trainingsmogelijkheden.
Hoe snel wordt er actie ondernomen als burgers/betrokkenen een melding bij meld-misdaad-anoniem doen met betrekking tot gedwongen prostitutie? Wordt de termijn van maximaal 24 uur altijd gehaald?
De Meld Misdaad Anoniem-meldingen worden direct doorgezet naar de politie. De politie neemt de melding direct in behandeling. Of, wanneer en op welke wijze actie op de melding wordt ondernomen is vanzelfsprekend sterk afhankelijk van de inhoud van de melding en of deze voldoende aanknopingspunten biedt voor vervolgstappen.
Is er voldoende capaciteit aanwezig bij opsporing en handhaving om de misstanden tegen te gaan en inzicht te krijgen? Wanneer verwacht u het inzicht te hebben?
Er wordt veel capaciteit ingezet om misstanden in de prostitutie tegen te gaan en inzicht te krijgen in de problematiek. De aanpak van mensenhandel heeft namelijk hoge prioriteit. Over een breed front worden mensen en middelen ingezet. Allereerst zijn ambitieuze doelstellingen op mensenhandel richtinggevend voor de betrokken diensten. Een voorbeeld daarvan is de doelstelling van verdubbeling van het aantal aangepakte criminele samenwerkingsverbanden 2009–2015. Ook is de Task Force Aanpak Mensenhandel zeer actief om de strijd tegen mensenhandel zo breed mogelijk te voeren onder andere door grootschalige integrale handhavingsacties in verschillende gemeenten (Amsterdam, Alkmaar, Den Haag) én inzet van gespecialiseerde teams en rechercheurs mensenhandel van de politie, gespecialiseerde officieren van justitie en gespecialiseerde rechters.
Verder komt dit tot uitdrukking in de geboekte resultaten. De resultaten zijn – over de hele linie bezien – zeer positief. Uit de laatste cijfers van de NRM blijkt onder andere dat – uitgaande van de cijfers over 2012 – sinds 2000 het grootste aantal mensenhandelzaken bij het OM is ingeschreven (namelijk 311). Ditzelfde geldt voor het aantal door het OM afgehandelde mensenhandelzaken (338 zaken). Het aandeel dagvaardingen voor mensenhandel binnen het totaal aantal door het OM afgehandelde mensenhandelzaken is in de periode 2008–2012 ongeveer gelijk gebleven (gemiddeld 70% variërend tussen de 65% in 2009 en de 73% in 2010). In lijn met voorgaande ontwikkeling heeft de rechter in eerste aanleg in 2012 de meeste mensenhandelzaken afgedaan (153). Het aandeel veroordelingen voor mensenhandel – dat in de periode 2004–2009 met 25% was gedaald – is zowel in 2010 als in 2012 weer flink toegenomen (naar 71%). Door het OM is mij onder andere gemeld dat in 2012 106 projectmatige onderzoeken naar criminele samenwerkingsverbanden op het terrein van mensenhandel en mensensmokkel door politie en OM in de regio’s zijn uitgevoerd (in 2011 waren dit er nog 76). Kortom, via een breed front aan menskracht en middelen worden mensenhandel en misstanden in de prostitutie intensief aangepakt.
Hoe vaak is inzake misstanden in de thuisprostitutie een melding van klanten ontvangen?
Uit de recente cijfers van Meld Misdaad Anoniem – mede in het verlengde van de Campagne «Schijn bedriegt» in opdracht van mijn ministerie – blijkt dat de meldingen over gedwongen prostitutie zijn gestegen met 76% sinds de start van deze campagne in juni 2012. De campagne richt zich onder andere op bezoekers van prostituees, die de signalen van mensenhandel kunnen herkennen. Bijna alle anonieme tips waren voor politieonderzoeken bruikbaar en 83% wordt in onderzoek genomen. Het is niet mogelijk om het aantal meldingen dat van klanten afkomstig is te benoemen, aangezien de aangevers bij Meld Misdaad Anoniem logischerwijs niet worden geregistreerd.
Bestaan er momenteel plankzaken bij het team mensenhandel? Zo ja, hoeveel?
De Dienst Landelijke Recherche van de Landelijke Eenheid heeft twee teams, die zich bijna fulltime bezighouden met mensenhandelzaken. Deze teams hebben geen plankzaken.
De inzet van chemicaliën tegen betogers in Turkije |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gouverneur Istanbul: chemicaliën ingezet tegen betogers»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het politieoptreden tegen demonstranten in Istanbul buitenproportioneel is en dat de inzet van chemicaliën door de politie onacceptabel is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de zorgen van de Nederlandse regering hierover uit te spreken tegenover de vertegenwoordiger van de Turkse regering?
Ik betreur het buitensporige geweld dat is gebruikt tegen demonstranten, zoals bij de ontruiming van het Taksimplein en het Gezi park in het weekend van 15 en 16 juni. Ik heb deze zorgen gedeeld met mijn Turkse collega, Minister Davutoğlu. Minister Davutoğlu heeft toegezegd een onderzoek in te stellen naar de gebeurtenissen.
Vindt u dat de recente gebeurtenissen in Turkije gevolgen moeten hebben voor de betrekkingen tussen Nederland en Turkije? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?
Het onderhouden van goede betrekkingen schept ruimte om wederzijds zorgen te uiten over zaken waar Nederland en Turkije andere inzichten hebben.
Het bericht dat verpleegkundigen vrezen voor hun baan |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat verpleegkundigen zich onzeker voelen over hun baan?1
Ja.
Kunt u verklaren waarom het aantal werkzoekenden onder verpleegkundigen is toegenomen? Zijn er mogelijk nog andere redenen voor deze stijging, naast de eventuele effecten van bezuinigingen?
Het aantal werkzoekenden onder verpleegkundigen is licht gestegen. Het percentage werkzoekenden op het totaal aantal werkzame verpleegkundigen is gestegen met ca 0,3% procentpunt. Fluctuaties van een dergelijke omvang zijn de afgelopen 10 jaar vaker voorgekomen. Mogelijke oorzaken voor een stijging van deze omvang zijn lastig te duiden.
Hoe staat het met het aantal openstaande vacatures voor verpleegkundigen in de zorg? Zijn daar ook ontwikkelingen in gunstige/ongunstige zin in te vermelden?
We hebben geen data voorhanden over het aantal openstaande vacatures voor verpleegkundigen. Het CBS heeft wel data over de vacaturegraad (het aantal vacatures op 1.000 banen) voor alle beroepen in de gezondheids- en welzijnzorg. De vacaturegraad is gedaald van 15 in 2011 naar 13 in 2012.
Spelen er op de arbeidsmarkt voor verpleegkundigen ook matchingsproblemen? Zo ja, wat kun u daaraan doen?
Op dit moment hebben we geen signalen ontvangen over mogelijke matchingsproblemen voor verpleegkundigen op de arbeidsmarkt. We hebben verschillende zorg- en onderwijspartijen gevraagd of zij knelpunten ervaren in de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt in de zorg. Na de zomer gaan we bekijken of deze inventarisatie aanleiding geeft om hier gezamenlijk actie op te ondernemen.
Aanpassing van stemrechten binnen de ECB-Raadsvergaderingen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het persbericht van DNB «Verdere vergroting eurogebied verandert stemrechten binnen de ECB-Raadsvergaderingen»?1
Ja, het bericht waar u naar verwijst is mij bekend.
Hoe staat u tegenover mogelijke aanpassingen van de stemrechten? Klopt het dat, als naast Letland nog een ander land de euro invoert, een roulatiesysteem in werking treedt waarbij de stemrechtverdelingen per maand zullen verschillen?
Dat klopt. Met verdere uitbreiding van de eurozone moet de raad van bestuur van de ECB in staat blijven tijdig en efficiënt besluiten te nemen. Dit vereist op enig moment een aanpassing van stemsysteem. De statuten van het Europese Stelsel van Centrale Banken (ESCB)2 bepalen dat na toetreding van het negentiende land tot de eurozone een roulatiesysteem in werking treedt, waarbij de stemrechten worden aangepast. De zes directieleden van de ECB behouden allen hun stemrecht. De presidenten van de nationale centrale banken (NCB’s) krijgen in totaal vijftien stemmen, waardoor bij iedere vergadering een aantal presidenten geen stemrecht heeft.
De presidenten zullen in twee groepen worden ingedeeld op basis van het bruto binnenlands product (bbp) tegen marktprijzen (weging 5/6) en de balans van de monetaire financiële instellingen (weging 1/6) van het land. De eerste groep zal bestaan uit Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië en Nederland. In deze groep wordt elke maand geroteerd en telkens zal één land geen stemrecht hebben en de andere vier landen wel. Voor de overige veertien landen geldt dat steeds elf landen stemrecht hebben. Maandelijks vindt een rotatie van één stem plaats. Dit betekent dat een land in deze groep drie maanden achter elkaar geen stemrecht heeft. De roulatie gebeurt op alfabetische volgorde. Welke landen het eerst geen stemrecht hebben, wordt willekeurig bepaald. Alle presidenten zullen tijdens de vergaderingen aanwezig zijn en behouden het recht om te spreken, ook degenen die op dat moment geen stemrecht hebben.
Bent u het er mee eens dat het voor een consistent en verstandig monetair beleid essentieel is om een evenwichtige, transparante en duurzame verdeling van stemrechten te borgen? In hoeverre brengt de invoering van een roulatiesysteem dit in gevaar?
Ik ben het er mee eens dat het voor consistent en verstandig monetair beleid essentieel is om een evenwichtige, transparante en duurzame verdeling van stemrechten te borgen. Daar zal dit roulatiesysteem in voorzien. De tenuitvoerlegging van het roulatiesysteem respecteert de beginselen van gelijke behandeling van de presidenten, het transparantiebeginsel en het eenvoudigheidsbeginsel.
Is het aannemelijk dat de afwezigheid van stemrecht van enkele landen invloed heeft op de koers van het beleid van de ECB? Kan het voorkomen dat meerdere landen met soortgelijke opvattingen tegelijkertijd hun stemrecht verliezen in een vergadering? Kan een overzicht worden gegeven van de potentiële schuivende stemverhoudingen tussen de lidstaten?
De ECB blijft onafhankelijk beleid voeren ten behoeve van de prijsstabiliteit in de eurozone en de presidenten van de nationale centrale banken hebben qualitate qua zitting in de raad van bestuur dat wil zeggen dat ze handelen vanuit het belang van de eurozone als geheel. De presidenten worden in groepen ondergebracht zoals beschreven bij vraag 2. De roulatie van de stemrechten vindt plaats volgens een lijst van de nationale centrale banken in alfabetische volgorde van de namen van de lidstaten in de nationale talen. De roulatie van de stemrechten binnen elke groep gebeurt in deze volgorde en start op een willekeurige plaats in de lijst. Deze willekeurige start is nog niet toegewezen, een overzicht van de roulatie kan zodoende nog niet worden opgesteld.
Wat zou de invoering van het roulatiesysteem betekenen voor Nederland? Klopt het dat Nederland voor de voorzienbare toekomst in de zogeheten eerste groep zit, waardoor minder vaak gewisseld hoeft te worden? Op welke termijn zou dit, gelet op de groeiverschillen tussen Polen en Nederland, kunnen veranderen? Wat is uw oordeel hierover?
Nederland zal na toetreding van het negentiende land, zoals ook is aangegeven in het persbericht van DNB, voor de voorzienbare toekomst tot de eerste groep behoren. Dit betekent dat Nederland één keer in de vijf maanden geen stemrecht heeft. Dit kan wijzigen door toetreding van het VK of doordat een ander (toekomstig) euroland op basis van het bbp tegen marktprijzen (weging 5/6) en de omvang van de monetaire financiële instellingen (weging 1/6) boven Nederland uitkomt. Op dit moment liggen Polen en Zweden het meest dichtbij Nederland qua omvang van het bbp. Beide landen zullen naar verwachting niet op korte termijn de euro invoeren en beide landen zullen op de korte termijn de omvang van het Nederlandse aandeel in het geaggregeerde bbp niet overstijgen. Gezien de onzekerheid waarmee groeivoorspellingen in het algemeen zijn omgeven zal ik geen uitspraken doen over veranderingen op de langere termijn.
Het is bovendien nog goed om op te merken dat als het 22ste land toetreedt tot de eurozone, de presidenten in drie groepen worden ingedeeld. De eerste groep blijft uit vijf presidenten met vier stemrechten bestaan. De tweede groep bestaat uit de helft van het totale aantal presidenten (met afronding naar boven), en krijgt acht stemrechten toegewezen. De derde groep bestaat uit de overige presidenten en krijgt drie stemrechten toegewezen.
Verdere vergroting eurogebied verandert stemrechten binnen de ECB-Raadsvergaderingen
Datum: 18 juni 2013
Thema: Europa
Met de aanstaande toetreding van Letland tot het eurogebied nadert ook het moment dat de stemrechten van de presidenten van de nationale centrale banken binnen de raad van bestuur van de ECB moeten worden aangepast. Dankzij de grootte van de Nederlandse economie en financiële sector weet de president van DNB zich voorlopig verzekerd van een plaats binnen de groep die het minste stemrecht zal hoeven in te leveren.
Naar verwachting voert Letland op 1 januari 2014 als achttiende land de euro in. De president van de Letse centrale bank wordt op dat moment ook lid van de raad van bestuur van de Europese Centrale Bank (ECB). Daarin zitten naast de presidenten van de andere nationale centrale banken van het eurogebied (waaronder DNB-president Klaas Knot), ook de 6 leden van de directie van de ECB. De raad wordt voorgezeten door president Mario Draghi.
De leden van de raad van bestuur hebben op dit moment allemaal één stem. Dat blijft zo als Letland de euro invoert. Als echter in de toekomst nog een land de euro invoert, bepalen de statuten van het Europese Stelsel van Centrale Banken (ESCB) dat een roulatiesysteem in werking treedt, waarbij de stemrechten worden aangepast: de 6 directieleden van de ECB behouden hun stemrecht, maar de presidenten van de nationale centrale banken krijgen slechts 15 stemmen, ongeacht hun aantal. Bij iedere vergadering heeft een aantal presidenten dus geen stemrecht meer. Wie dit zijn, verandert eens per maand. Overigens zullen alle presidenten tijdens de vergadering aanwezig zijn en behouden ze het recht om te spreken, ook degenen die geen stemrecht hebben. Op die manier is het ook voor die groep mogelijk met goede argumenten invloed uit te oefenen.
Zolang er minder dan 22 eurolanden zijn, worden de centralebankpresidenten daarvan verdeeld in twee groepen. In de eerste groep zitten 5 presidenten, die 4 stemmen verdelen. Elke maand is er één die geen stemrecht heeft. De overige presidenten zitten in de tweede groep; zij hebben 11 stemmen te verdelen. Bij wijze van voorbeeld: met 19 eurolanden (Letland plus nog een land) zitten er 14 presidenten in de tweede groep, waarvan er steeds 3 geen stemrecht hebben.
Of een centralebankpresident uit een euroland in de eerste of tweede groep zit, hangt af van het aandeel van het desbetreffende land in het geaggregeerde bruto binnenlands product (bbp) van het eurogebied (dit telt voor 5/6 mee) en van de omvang van de financiële sector van dat land in verhouding tot die van het eurogebied (met een gewicht van 1/6).
Het Nederlandse bbp is in omvang het zesde van de Europese Unie, na Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Italië en Spanje (Grafiek 1). Het VK heeft echter niet de euro ingevoerd, waardoor Nederland op basis van het bbp het vijfde euroland is. Nederland heeft voorts een relatief grote financiële sector, zodat het ook op basis van genoemde weging van bbp en omvang financiële sector op de vijfde plaats komt, op aanzienlijke afstand van de «concurrenten» (Grafiek 2). Daarmee maakt de president van DNB deel uit van de eerste groep.
De president van de DNB zit dus voorlopig stevig in de eerste groep van presidenten die het vaakst stemrecht hebben. Dat kan alleen veranderen als het VK de euro invoert, wat vooralsnog niet aannemelijk lijkt, of als het gewicht van een ander land in de toekomst groter wordt dan het Nederlandse. Daar lijkt op korte termijn evenmin sprake van te zijn. Zo moet bijvoorbeeld Polen wel een heel spectaculaire economische groei doormaken wil het Nederland over 10 à 15 jaar «voorbijstreven» en aanspraak maken op een plaats in de eerste groep. Ook als er 22 of meer eurolanden zijn verandert er voor de president van DNB niets: er worden dan drie groepen gevormd, maar de samenstelling en stemrechten van de eerste groep blijven onveranderd.