Kinderen van allochtone afkomst die nog steeds evenveel overgewicht hebben |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Minder dikke autochtone kinderen», waarin naast de lichte afname van het aantal te zware autochtone kinderen ook wordt gesteld dat allochtone kinderen nog steeds evenveel overgewicht hebben?1
Ja.
Bent u tevreden met de lichte afname van het aantal te zware kinderen van autochtone afkomst? Welke ambities heeft u nog op dit terrein?
Voor mijn beleid baseer ik me op gegevens van het CBS. De cijfers van 2013 heb ik nog niet ontvangen; deze verwacht ik medio dit jaar. Ik kan de meest recente ontwikkelingen vanuit het CBS nog niet afzetten tegen de cijfers waar het artikel zich op baseert (met als bron een onderzoek van GGD Haaglanden, TNO en het LUMC.) Uiteraard hoop ik dat de landelijke representatieve cijfers een positieve ontwikkeling laten zien.
Ik heb tijdens de startconferentie van het NPP Alles is Gezondheid aangegeven dat het de ambitie is om de trend bij overgewicht te verslaan. Op basis van de eerste berekeningen van het RIVM in het kader van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning, betekent dit voor overgewicht een daling in het aantal volwassenen met overgewicht (inclusief obesitas) ten opzichte van de huidige 48%. Voor de jeugd met overgewicht (inclusief obesitas) betekent dit een daling ten opzichte van de huidige 13,2%. Deze cijfers zijn afkomstig van het CBS, bronjaar 2012.
Hoe duidt u dat kinderen van allochtone afkomst nog steeds evenveel kampen met overgewicht en dat de licht dalende trend bij autochtone kinderen door hen niet wordt gevolgd?
Zoals aangegeven bij antwoord 2, kan ik nog niet op basis van de CBS cijfers duiden of er landelijk gezien een dalende trend is bij kinderen. We weten dat preventie en zo ook de aanpak van overgewicht een kwestie van lange adem is. Het vraagt bovendien goede aansluiting bij leefwereld van mensen. Begrip van hun waarden, cultuur en motivatie is daarbij essentieel. Op basis van onderzoek weten we dat niet alle leefstijl- en overgewichtinterventies evengoed aansluiten bij diverse doelgroepen en dat maatwerk via bijvoorbeeld de gemeente of wijk en de professional nodig zijn. Sinds de landelijke nota Gezondheid Dichtbij2 is daarom onder andere sterker ingezet op het bereiken van mensen via de wijk. Voorbeelden hiervan zijn het programma Sport en Bewegen in de buurt (met o.a. buurtsportcoaches, de Sportimpuls), ZonMw Programma Gezonde Slagkracht en de JOGG-aanpak van het Convenant Gezond Gewicht.
Welke bewezen effectieve aanpakken voor het reduceren van overgewicht bij allochtone kinderen zijn er in Nederland? Zijn deze aanpakken ook effectief bij niet-Westerse allochtonen? Bent u van mening dat er voldoende aanpakken zijn om te dikke allochtone kinderen te helpen of vindt u dat er snel nieuwe aanpakken ontwikkeld moeten worden? Zo ja, hoe gaat u dat doen?
Vanuit de beleidsinzet met motto «gezondheid dichtbij» is vanuit landelijk overgewichtbeleid stevig ingezet op Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG) van het Convenant Gezond Gewicht. JOGG is een gefundeerde methode om overgewicht lokaal aan te pakken en heeft in verschillende landen al goede resultaten laten zien. Via de gemeente worden wijken en gezinnen bereikt waarbij de problematiek het grootst is. Dit zijn zowel autochtone als allochtone kinderen en hun ouders. De JOGG-aanpak maakt expliciet gebruik van social marketing principes en zorgt voor aansluiting bij leefwereld, motivatie en taal van de lokale doelgroep. Zo kent het stimuleren van water drinken andere argumenten en acties voor ouders en kinderen met een niet-Westerse achtergrond. Dit wordt bewust toegepast in de JOGG-activiteiten en weet op deze wijze de doelgroep te bereiken en te motiveren. Inmiddels zijn in diverse JOGG-gemeenten resultaten behaald en zien we daar het overgewicht dalen en het eet- en beweeggedrag bij de doelgroep significant verbeteren. Ik heb u hier onlangs over geïnformeerd via mijn brief van d.d. 7 april 2014.3
Naast de JOGG-methode zijn er diverse andere interventies beschikbaar met verschillende niveaus van erkenning. Deze zijn vindbaar in de database van het RIVM Centrum Gezond Leven. Voorbeeld hiervan is de Gezond Gewicht Overvecht. Het is aan gemeenten, scholen en professionals om uit het aanbod een keuze te maken voor een optimale aansluiting bij de beoogde doelgroep en lokale setting.
Naast goede en bruikbare interventies, is informatievoorziening ook van belang. Ook dit dient aan te sluiten bij de leefwereld en behoeften van mensen. Ik heb het Voedingscentrum gevraagd te onderzoeken of en hoe bepaalde basisinformatie vanaf 2015 in verschillende talen aangeboden kan worden. Professionals hebben aangegeven hier ook behoefte aan te hebben ter ondersteuning van hun werk.
De Richtlijnen Goede Voeding worden momenteel geëvalueerd door de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad stelt de richtlijnen op basis van de laatste stand van de wetenschap op. Het Voedingscentrum past vervolgens haar voorlichting aan op de nieuwste Richtlijnen. Bij deze vertaling wordt gekeken hoe de voorlichting, de Schijf van Vijf en ook diverse online tools (apps), afgestemd kunnen worden op verschillende voedingpatronen en voedingsgewoonten. Het doel is om consumenten, zowel allochtoon als autochtoon, zo goed mogelijk te helpen bij het maken van een gezonde keuze. De herziene Richtlijnen en de nieuwe Schijf van Vijf verwacht ik in de tweede helft van 2015.
Welke aanpakken zijn de laatste vijf jaar ingezet om overgewicht bij kinderen terug te dringen en welke van deze aanpakken zijn bewezen effectief bij te dikke allochtone kinderen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de zorgen dat het bericht erop lijkt te wijzen dat sociaaleconomische gezondheidsverschillen niet afnemen, maar juist toenemen? Hoe duidt u deze ontwikkelingen in het licht van het Nationaal Programma Preventie, waarin het aanpakken van sociaaleconomische gezondheidsverschillen een expliciete doelstelling is?
Ik deel de zorgen over de ontwikkeling van de sociaaleconomische verschillen in Nederland. Deze zijn al 10 jaar onveranderd groot: 7,3 jaar bij mannen en 6,4 jaar bij vrouwen (Nationaal kompas Volksgezondheid, RIVM). Dit is de reden waarom wij hieraan expliciet aandacht besteden in het Nationaal Programma Preventie. Als langjarig doel ten aanzien van gezondheidsachterstanden hebben wij de ambitie om de verschillen tussen groepen inwoners in 2030 gelijk of kleiner te laten zijn dan de verschillen van dit moment. Stabilisatie op het huidig niveau klinkt mogelijk niet erg ambitieus, maar is gezien de te verwachten ontwikkelingen van de determinanten en de internationale positie van Nederland een grote stap. Vanuit het Nationaal Programma Preventie werken we met verschillende activiteiten en vanuit diverse domeinen aan het realiseren van de genoemde ambities. Gezondheidsverschillen hangen samen met een complex aan factoren. Dit vergt een meerjarige, duurzame, integrale aanpak waarin ook relevante verschillen in culturele achtergronden een rol kunnen spelen.
Een van de instrumenten die we inzetten om deze doelstellingen te bereiken is het stimuleringsprogramma voor de lokale aanpak van gezondheidsachterstanden (GIDS). Voor de zomer van 2014 wordt een landelijk stimuleringsprogramma gestart ter bevordering van een lokale, integrale aanpak van gezondheidsachterstanden. Hiervoor is € 11 miljoen per jaar voor de komende 4 jaar beschikbaar (zogenoemde GIDS – Gezond in de Stad- gelden). Gemeenten kiezen op basis van de lokale context en aanwezige problematiek voor hun eigen aanpak en prioriteiten, zoals bijvoorbeeld het bestrijden van overgewicht.
Het doel van het stimuleringsprogramma is om de gezondheid van bewoners in de wijken met de grootste sociale achterstanden te verbeteren. Bijna 100 gemeenten worden actief benaderd voor dit stimuleringsprogramma. Deze gemeenten krijgen op maat ondersteuning bij het aanpakken van gezondheidsachterstanden. Door gemeenten op maat te ondersteunen, goede voorbeelden te verspreiden, in te zetten op het ontwikkelen en verspreiden van effectieve interventies en het ontsluiten van de benodigde kennis te stimuleren, zal dit landelijke stimuleringsprogramma een bijdrage leveren aan de lokale aanpak van gezondheidsverschillen.
Bent u van plan met het Nationaal Programma Preventie extra aandacht te geven aan het helpen van allochtone kinderen die met overgewicht kampen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Vanuit het Nationaal Programma Preventie is er zowel aandacht voor kinderen, de aanpak van overgewicht als het bestrijden van de sociaal economische gezondheidsverschillen. Dit gebeurt aan de hand van de afgesproken acties waar de rijksoverheid soms wel en soms niet partij bij is. De activiteiten van JOGG, de GIDS gelden, de inzet op gezonde schoolkantines, de inzet via het programma Sport en Bewegen in de Buurt zijn bijvoorbeeld allemaal onderdelen die vanuit o.a. het Ministerie van VWS verbonden zijn aan het Nationaal Programma Preventie. Dit staat nog los van de activiteiten van partners in het veld.
Een VN-onderzoek naar gifgasaanvallen in Syrië |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «VN willen onderzoek naar Syrische gifgasaanval»?1
Ja.
Klopt het dat verschillende landen aanwijzingen hebben voor nieuwe gifgasaanvallen in Syrië, in dit geval met chloorgas?
Er zijn aanwijzingen dat bij recente aanvallen in Kfar Zeita chloorgas is ingezet.
Hoe groot acht u de kans dat de VN weer een onderzoeksteam naar Syrië stuurt om vast te stellen of wederom chemische wapens zijn ingezet? Steunt de Nederlandse regering het instellen van een dergelijk onderzoek? Zo ja, in hoeverre is het voor de Nederlandse regering belangrijk dat dit onderzoeksteam wel het mandaat krijgt om vast te stellen wie voor de vermeende inzet van chemische wapens verantwoordelijk kan worden gehouden?
De Directeur-Generaal van de OPCW heeft na overleg met de Secretaris-Generaal van de VN besloten tot het sturen van een fact-finding mission van OPCW-inspecteurs om het recente vermeende gebruik van chemische wapens te onderzoeken. De VN zal bijdragen aan de beveiliging van de missie en deze logistiek ondersteunen. Syrië heeft schriftelijk ingestemd met de missie, die op 1 mei is vertrokken.
Op basis van de Chemische Wapens Conventie is het gebruik van een gevaarlijke chemische stof voor andere dan in de conventie toegestane doeleinden verboden, zoals de inzet van chloorgas als wapen. Het aanhouden van voorraden chloorgas op zichzelf is niet verboden. Chloorgas staat niet op de OPCW-lijsten en maakt geen onderdeel uit van het ontmantelingsprogramma van de OPCW. Chloorgas wordt wereldwijd in de civiele industrie toegepast en is ook in Syrië makkelijk verkrijgbaar.
Momenteel bevindt de ontmanteling van de door het Syrische regime gedeclareerde chemische wapens zich in een slotfase. Verwacht wordt dat alle gedeclareerde chemische wapens en grondstoffen op korte termijn zullen zijn overgeladen op een Deens en een Noors transportschip, waarna de daadwerkelijke ontmanteling buiten Syrië zal plaatsvinden. De OPCW/VN Joint Mission voert deze taak onder moeilijke omstandigheden op uitstekende wijze uit.
In Veiligheidsraadresolutie 2118 (2013) van 27 september 2013 wordt de overtuiging uitgedrukt dat de individuen die verantwoordelijk zijn voor chemische aanvallen in Syrië verantwoording dienen af te leggen. Nederland is het daar mee eens. Het vermeende gebruik van chloorgas in het gewapend conflict zou in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht. Nederland zich zal blijven inzetten voor de vervolging van de verantwoordelijken voor de inzet van chemische wapens, alsook voor andere op grote schaal gepleegde oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Nederland pleit in dat kader voor doorverwijzing van de situatie in Syrië naar het Internationaal Strafhof door de VN-Veiligheidsraad.
Op 14 september 2013 is Syrië toegetreden tot de Chemische Wapens Conventie. Inzet van chemische wapens door het regime zou ook een schending van de Conventie inhouden. De conventie voorziet in artikel XII in verschillende maatregelen om een dergelijke situatie te adresseren. In bijzonder ernstige gevallen kan de schending worden voorgelegd aan de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Uw Kamer wordt geïnformeerd indien dergelijke of andere gevolgen van de inzet van chemische wapens optreden.
Verwacht u, zover u dat in dit stadium kunt overzien, dat de inzet van chemische wapens gevolgen gaat of moet hebben? Zo ja, welke? Bent u bereid de Kamer te informeren over de gevolgen?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat lokale groene energie niet goed van de grond komt |
|
Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «kink in de kabel voor lokale groene energie»?1
Ja.
Klopt het beeld dat sinds de invoering van de regeling voor decentrale energie (Verlaagd tarief Energiebelasting) per 1 januari 2014 er nog vrijwel geen projecten tot stand zijn gekomen? Zo nee, hoeveel projecten zijn er dan wel tot stand gekomen? Zo ja, moet de conclusie dan niet worden getrokken dat de regeling in de huidige vorm niet toereikend is?
De Belastingdienst heeft tot op heden nog geen beschikkingen afgegeven voor lokale energieprojecten. Dit betekent echter niet dat de conclusie moet worden getrokken dat de regeling in de huidige vorm niet toereikend is. Het is belangrijk om te beseffen dat het realiseren van een duurzaam energieproject tijd kost. Uit gegevens van de SDE+ blijkt bijvoorbeeld dat een gemiddeld zon-PV project zo’n 1 tot 1,5 jaar nodig heeft om gerealiseerd te worden. Andere technieken hebben nog meer tijd nodig. Aan de hand van het aantal gerealiseerde projecten tot op heden kan daarom niet worden geconcludeerd dat de regeling in de huidige vorm niet toereikend is.
Deelt u de mening dat de onrust en onduidelijkheid rond de reikwijdte van de salderingsregeling en het inperken van ontzorgconstructies en dergelijke ervoor heeft gezorgd dat er minder projecten tot stand komen? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik deel deze mening niet. U verwijst in uw vraag naar de discussie omtrent de motie Vos2. Deze motie verzocht de regering om aan de vrijstelling voor energiebelasting voor zelfopwekking «achter de meter» niet de voorwaarde te verbinden dat de opwek voor «eigen rekening en risico» van de gebruiker moet plaatsvinden. Deze discussie heeft echter alleen betrekking op energieopwekking «achter de meter», terwijl het bij lokale energieprojecten die gebruik zouden kunnen maken van het verlaagde tarief uitsluitend gaat om energieopwekking «voor de meter». Er bestaat dus geen verband tussen de discussie omtrent de motie Vos en het aantal tot stand gekomen lokale energieprojecten via het verlaagde tarief van de energiebelasting.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het Algemeen overleg Decentrale energie op 21 mei 2014?
Ja.
Het bericht “Mogelijk 300 miljoen extra naar Brussel” |
|
Barry Madlener (PVV), Geert Wilders (PVV), Teun van Dijck (PVV) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat het kabinet rekening houdt met nog meer afdrachten aan Brussel bovenop de 8 miljard euro die voor volgend jaar staat begroot?1
Allereerst merk ik op dat de EU-afdrachten voor 2015 in de Miljoenennota 2014 staan geraamd voor 7,2 miljard euro. Naar ik aanneem is in de 8 miljard, zoals vermeld in de vraag, geen rekening gehouden met de perceptiekostenvergoeding voor de douaneheffingen van 0,7 mld euro.
Zoals ik de Kamer eerder heb gemeld, heeft een gewijzigde omvang van het bruto nationaal inkomen (BNI) uit hoofde van de CBS-revisie gevolgen voor een deel van de EU-afdrachten (zie brief d.d. 6 maart 2014 over «Nadere informatie revisie CBS»). Deze gevolgen zijn op dit moment nog niet te kwantificeren aangezien de hoogte van de afdrachten op basis van het BNI samenhangt met de relatieve ontwikkeling ten opzichte van het BNI van andere lidstaten. In het najaar worden de gereviseerde cijfers van alle lidstaten bekend. Bij Voorjaarsnota zal ik de Kamer informeren over alle mee- en tegenvallers die zich bij de EU-afdrachten in het lopende begrotingsjaar voordoen ten opzichte van de Miljoenennota 2014. In de Miljoenennota 2015 zal ik ingaan op de mutaties die zich voordoen in het begrotingsjaar 2015.
Kunt u nog eens uitleggen waarom u 8 miljard euro aan Brussel doneert, in plaats van dat geld in eigen land te besteden aan bijvoorbeeld lastenverlichting voor burgers en bedrijven of het niet afbreken van de ouderenzorg?
Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de stukken die het kabinet ieder jaar op Prinsjesdag naar de Kamer stuurt. Hierin geeft het kabinet een overzicht van en een toelichting op alle rijksuitgaven, inclusief de afdrachten aan de Europese Unie.
Wilt u ervoor zorgen dat Nederland zo snel mogelijk de Europese Unie verlaat, zodat we weer baas worden over ons eigen land, ons eigen geld en onze eigen grenzen, of blijft u liever slaaf van de ongekozen bureaucraten van Brussel?
Nee, noch het één, noch het ander.
Het gebruik van levende dieren bij militaire oefeningen |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Marianne Thieme (PvdD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van recent wetenschappelijke onderzoek1 over het gebruik van levende dieren voor militaire, medische trainingen? Onderschrijft u de conclusies van deze recente wetenschappelijke onderzoeken dat het gebruik van levensechte, menselijke simulators effectiever is dan trainingspraktijken waarbij dieren worden gebruikt? Zo nee, op basis van welke wetenschappelijke argumentatie vindt u het verantwoord om levende dieren voor militaire, medische oefeningen te gebruiken terwijl er al alternatieven voor handen zijn?
Ja, ik ben op de hoogte van bovengenoemde wetenschappelijke onderzoeken. Het ministerie van Defensie onderschrijft de conclusies van deze onderzoeken. Het gebruik van levensechte, menselijke simulators is effectief voor het oefenen van levensreddende handelingen. Voor het aanleren van de levensreddende handelingen door militaire artsen, verpleegkundigen en overig medisch hulppersoneel, worden in Nederland geen levende dieren gebruikt, maar wordt op simulatiepoppen geoefend en op dode kadavers. Alleen traumachirurgen en anesthesisten/intensivisten van Defensie zijn verplicht om de cursus Definitive Surgical Trauma Care (DSTC) en Definitive Anaesthetic Trauma Care (DATC) te volgen, waarbij proefdieren onder narcose worden gebracht. Hiervoor is geen effectief alternatief.
Kunt u beargumenteren waarom u de conclusies uit deze rapporten terzijde schuift door in Nederland gedateerde, dieronvriendelijke trainingspraktijken toe te staan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u bevestigen dat 80 procent van de NAVO-landen het gebruik van dieren voor militaire, medische doeleinden vervangen heeft door alternatieven zoals levensechte, menselijke simulators?2 Zo nee, kunt u aangeven hoeveel NAVO-landen dan wel zijn overgestapt op alternatieven?
Deze informatie is mij niet bekend. Er zijn geen internationale afspraken of verplichtingen inzake dergelijke rapportages en ook in de praktijk wordt deze informatie niet uitgewisseld.
Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse Defensie het gebruik van levende dieren voor militaire, medische doeleinden nog niet vervangen heeft met alternatieven, zoals vele NAVO-landen dat al veel eerder hebben gedaan? Vindt u het getuigen van innovatie en diervriendelijkheid dat Nederland achterloopt in het toepassen van alternatieven voor militaire, medische trainingspraktijken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat de Nederlandse Defensie met het gebruik van dieren zoals hier bedoeld, de Europese regelgeving overtreedt (2010/63/EU art. 4.1) aangezien alternatieven voor het gebruik van dieren in militaire, medische trainingen wel degelijk aanwezig zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee, het ministerie van Defensie stelt wel de in het antwoord op vraag 1 genoemde cursussen verplicht, maar overtreedt daarmee niet de huidige Nederlandse regelgeving (Wet op dierproeven). De cursussen worden gegeven in het Studiecentrum Medische Wetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen. Zoals ik heb vermeld in mijn antwoorden van 1 april jl. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 1786), vindt dit plaats onder toezicht van deze universiteit.
Bent u alsnog bereid om het gebruik van dieren ten behoeve van militaire, medische trainingen in Nederland te verbieden en te voorkomen dat Nederlandse militairen elders deze trainingen volgen? Zo nee, waarom niet?
Nee, de genoemde cursussen zijn een verplicht onderdeel van de opleidingen voor traumachirurgen en anesthesisten. De vaardigheden kunnen niet op een andere manier getraind worden.
Kunt u aangeven welke specifieke, praktische vaardigheden getraind worden tijdens de trainingen traumachirurgie? Kunt u aangeven hoeveel medische specialisten er jaarlijks deelnemen aan deze trainingen? Zo nee, waarom niet?
De vaardigheden die getraind worden, zijn het stelpen van grote, massale bloedingen in de buik, het dichten van darmperforaties, het behandelen van grote verwondingen aan hart en longen en nek- en hoofdverwondingen. Vanuit de kwaliteit van zorg is het essentieel dat de chirurg en anesthesist de vaardigheden bezitten, die tijdens de cursus in Nijmegen worden aangeleerd. Er bestaat hiervoor geen alternatief.
De DSTC-cursus omvat maximaal 24 chirurgen en twaalf OK-assistenten en de DATC omvat 24 anesthesisten/intensivisten. Vanuit het ministerie van Defensie nemen er jaarlijks meestal twee tot vier chirurgen, twee tot vier anesthesisten en vier OK-assistenten deel.
Bent u op de hoogte van de gevoerde mailwisseling in 2011, tussen een woordvoerder van het Ministerie van Defensie en de dierenwelzijnsorganisatie PETA US, over het gebruik van dieren ten behoeve van militaire, medische trainingen door het Ministerie van Defensie?3 Kunt u aangeven waarom de desbetreffende woordvoerder van het Ministerie van Defensie heeft bevestigd dat de Nederlandse Defensie geen dieren gebruikt ten behoeve van militaire, medische trainingen terwijl uit uw beantwoording4 blijkt dat dit wel degelijk het geval is? Zo nee, waarom niet?
Ja, hiervan ben ik op de hoogte. Het gegeven antwoord door de woordvoerder aan PETA US was op basis van de informatie die de woordvoerder op dat moment voorhanden had. Helaas kwam dit antwoord niet overeen met de praktijk.
Het bericht dat experts alarm slaan over gevaarlijke bijwerkingen van antidepressiva |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Experts slaan alarm over effecten antidepressiva»?1
Ik heb kennis genomen van het bericht «Experts slaan alarm over effecten antidepressiva». Daarin wordt gesteld dat antidepressiva alleen bij zware depressies en kortdurend moeten worden voorgeschreven, maar dat in de praktijk echter veel lichtvaardiger wordt voorgeschreven.
Het is aan de behandelende artsen om te beoordelen of aan de patiënt antidepressiva moeten worden voorgeschreven, en zo ja welke. Zie hiervoor uitgebreider mijn antwoord op vraag 3. Het aantal gebruikers van SSRI’s is de afgelopen tien jaar met 7% gestegen tot 601.337.
Klopt het dat SSRI-middelen veel vaker worden voorgeschreven dan nodig is? Zo ja, hoe gaat u dit terugdringen? Kunt u een overzicht geven van deze verstrekkingen in de afgelopen vijf jaar?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe komt het dat deze zware antidepressiva ook worden voorgeschreven bij geringe depressies, liefdesverdriet of normale, bij het leven behorende stress? Hoe gaat u dit terugdringen?
Voorafgaand aan het starten van een behandeling bijvoorbeeld met antidepressiva dient een arts eerst een diagnose te stellen en dus zal hij of zij moeten beoordelen of sprake is van een psychische stoornis en de mate waarin deze aanwezig is. Het is vervolgens ter beoordeling van de behandeld arts of psychiater om bepaalde antidepressiva voor te schrijven of een andere niet-medicamenteuze interventie voor te stellen aan de patiënt. Daarbij is het aan de arts om – in afwijking van de situatie en omstandigheden, zoals beschreven in behandelrichtlijnen – zwaardere (of lichtere) antidepressiva voor te schrijven. De arts kan daarbij de omstandigheden van de patiënt of andere omstandigheden in de onderhavige situatie mee laten wegen in zijn keuze.
Wat is uw reactie op de onderzoeken die een verband aantonen tussen het gebruik van antidepressiva en extreme agressie en moordlust?
In mijn antwoord op de desbetreffende vragen 2, 3, 4, 5 en 9 van het lid Kuzu (vraagnummer 2014Z07811) ben ik hier reeds op ingegaan. Ik heb daarbij aangegeven dat het primair aan het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG) is om onderzoeken te beoordelen en om aanvullende maatregelen te overwegen.
Deelt u de mening dat er een agressiewaarschuwing op de verpakking van SSRI-middelen moet komen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u van het plan om een DNA-test in te voeren voor mensen die SSRI-middelen voorgeschreven krijgen?
Zie antwoord vraag 4.
De advisering door de Technische Commissie Bodembescherming |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het advies van de Technische Commissie Bodembescherming (TCB) inzake een onderzoeksontheffing voor het bovengronds uitrijden van mest?1
Ja.
Is de veronderstelling juist dat, zoals aangegeven in artikel 2a, eerste lid, van de Wet Bodembescherming, de taakstelling van de TCB zich beperkt tot advisering van «aangelegenheden van technische aard op het gebied van de bodembescherming»?
Ja.
Is de veronderstelling juist dat, zoals aangegeven in artikel 7 en artikel 64, derde lid, van de Wet Bodembescherming, de advisering van de TCB ten aanzien van de beoordeling van (onderzoeks)ontheffingen met betrekking tot het uitrijden van mest zich moet beperken tot «het belang van de bescherming van de bodem»?
In artikel 64, derde lid, van de Wet bodembescherming, is bepaald dat de Minister van Economische Zaken bevoegd is, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu, de Technische Commissie Bodem gehoord, ontheffing of vrijstelling te verlenen van regels die handelingen betreffen die tot doel hebben om de bodem te bemesten dan wel door toevoeging van materiaal de structuur van de bodem te verbeteren; dit alles voor zover het belang van de bescherming van de bodem zich niet daartegen verzet. Noch in dit artikel, noch in artikel 7 van de Wet bodembescherming of in artikel 7 van het Besluit gebruik meststoffen, is bepaald dat het advies van de TCB zich moet beperken tot «het belang van de bescherming van de bodem».
Is de veronderstelling juist dat advisering van de TCB inzake onderzoeksontheffingen op grond van artikel 7 van het Besluit gebruik meststoffen zich, gelet op de genoemde bepalingen in de Wet Bodembescherming, moet beperken tot «het belang van de bescherming van de bodem» en dat de gevolgen van projecten voor ammoniakemissie en andere lucht gerelateerde factoren hier geen onderdeel van uit maken?
Zie antwoord vraag 3.
Is de veronderstelling juist dat het niet de bedoeling van de wetgever was dat de TCB in haar advies inzake de genoemde onderzoeksontheffing en in eerdere vergelijkbare adviezen2 in zou gaan op het aspect ammoniakemissie?
Ammoniak die vervluchtigt bij de aanwending van dierlijke mest slaat elders neer en heeft een bemestend en verzurend effect op water en bodem.
In natuurgebieden leidt dat tot een ongewenst verlies aan biodiversiteit.
Ik acht opmerkingen van de TCB over ammoniakemissie dan ook vallen binnen de taakopdracht zoals omschreven in artikel 2a van de Wet bodembescherming.
Is het uw voornemen om bij de besluitvorming inzake de genoemde onderzoeksontheffing het advies van de TCB alleen in overweging te nemen voor zover het betrekking heeft op het aspect bodembescherming?
De reacties die ik van de TCB desgevraagd ontvang, zijn ondersteunend voor een goede afweging tussen de belangen die de voorschriften van het Besluit gebruik meststoffen beogen te beschermen en de belangen die gediend zijn met een vrijstelling of ontheffing van die bepalingen, maar zijn niet bindend. In het uiteindelijke besluit dat de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en ik nemen, wegen de opvattingen van de TCB mee, maar wij maken onze eigen afweging. Wij zien dan ook geen aanleiding de toekomstige vraagstelling aan de TCB te verengen.
Is het uw voornemen om bij toekomstige adviesaanvragen bij de TCB nadrukkelijk aan te geven dat de advisering zich moet beperken tot het aspect bodembescherming (artikel 7, tweede lid, laatste gedachtestreepje, van het Besluit gebruik meststoffen)?
Zie antwoord vraag 6.
Nederlandse zelfmoordjihadisten in martelarenvideo's |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jihadist geëerd in opblaaspromo»?1
Ja.
In hoeverre klopt het dat de twee Nederlandse zelfmoordterroristen die zichzelf opbliezen, worden vereerd in «martelarenvideo's»?
In het bericht waar aan gerefereerd wordt, wordt de verwachting uitgesproken dat er mogelijk video’s van zelfmoordterroristen gepubliceerd zullen worden. Dit is inderdaad niet ondenkbaar, gezien het feit dat in andere landen dergelijke video’s van zelfmoordterroristen al gepubliceerd zijn.
Is de verspreiding van de genoemde martelarenvideo's, waarin de uiteindelijke explosie, de fabricatie van explosieven en langdurige toespraken van de zelfmoordenaars zijn te zien, reeds strafbaar? Zo nee, op welke wijze wordt getracht de verspreiding van de video's te voorkomen?
In zijn algemeenheid geldt dat het voor de maker van een video niet strafbaar is om een video te maken of te vertonen waarop strafbare handelingen te zien zijn. Dat ligt anders als de video’s kunnen worden aangemerkt als het aanzetten tot het plegen van strafbare handelingen of als het werven voor een gewapende strijd. Ook kunnen de getoonde handelingen zelf strafbare feiten zijn, waarvoor een verdachte vervolgd zou kunnen worden. Als dat aan de orde blijkt dan zullen politie en Openbaar Ministerie beoordelen of er aanleiding is om een opsporingsonderzoek in te stellen en of er voldoende grond is om tot vervolging over te gaan. Voor het overige is van belang dat de NCTV Internet Service Providers attendeert op jihadistisch georiënteerde websites die op hun systemen draaien of waar zij diensten aan verlenen. Het verzoek aan deze providers of registrars is dan om zelf de inhoud van de website of samenwerking te toetsten aan de eigen gebruikersvoorwaarden. Hiermee doet de NCTV een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de providers om de verspreiding van ongewenste of schadelijke content op het internet tegen te gaan.
Begrijpt u inmiddels dat het bezuinigen op de veiligheidsdiensten in deze tijd van islamitisch terrorisme meer dan onverstandig is? Zo nee, wat moet er gebeuren voordat er in de veiligheidsdiensten wordt geïnvesteerd in plaats van bezuinigd?
Het onderzoek naar jihadgangers is een geprioriteerd onderzoek binnen de AIVD. Door middel van interne herprioritering is capaciteit vrijgemaakt voor dit onderzoek. Dit betekent dat er voor andere onderzoeken minder capaciteit beschikbaar is. Uw Kamer is hier onder andere per brief van 4 maartjl. over geïnformeerd (Kamerstuk 30 977, nr. 83). Over de invulling van de taakstelling is uw Kamer per brief van 22 november 2013 geïnformeerd (Kamerstuk 33 750 VII, nr. 15) en zal ik uw Kamer voor de zomer nader over informeren.
Deelt u inmiddels de visie dat administratieve detentie een waardevol middel kan zijn in de bestrijding van het islamitisch terrorisme? Zo nee, waarom niet?
Zoals de Minister van Veiligheid en Justitie eerder aan uw Kamer heeft gemeld, acht het Kabinet het creëren van aanvullende administratieve detentiemogelijkheden ten behoeve van terrorismebestrijding, niet noodzakelijk. Wanneer van een persoon een dreiging uitgaat – bijvoorbeeld omdat de persoon van plan is uit te reizen naar of is teruggekeerd van een jihadistisch strijdgebied – dan beschikt het Openbaar Ministerie over voldoende wettelijke instrumenten om, in samenwerking met de politie, strafrechtelijk op te treden. Zo is bij verdenking van een terroristische misdrijf bewaring mogelijk, ook buiten het geval van ernstige bezwaren tegen de verdachte. Daarnaast kunnen diverse bestuurlijke instrumenten worden getroffen, zoals het stopzetten van toeslagen en uitkeringen, het nemen van paspoortmaatregelen en het kunnen bevriezen van financiële tegoeden.
In hoeverre bent u bereid teruggekeerde jihadisten met een dubbele nationaliteit vast te zetten, te denaturaliseren en vervolgens uit te zetten?
Deelname aan de jihadistische strijd of training in het buitenland is strafbaar op grond van artikel 134a Wetboek van Strafrecht (terroristisch misdrijf). Het Openbaar Ministerie bekijkt per geval wat de mogelijkheden tot vervolging zijn. Het besluit om over te gaan tot vervolging ligt daar. Op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) kan het Nederlanderschap worden ingetrokken als sprake is van een onherroepelijke veroordeling wegens een terroristisch misdrijf. Voorwaarde is dat de betrokken persoon naast de Nederlandse nationaliteit, ook een andere nationaliteit bezit. Intrekking van het Nederlanderschap is namelijk niet mogelijk als staatloosheid daarvan het gevolg is (het Europees Verdrag inzake Nationaliteit, waarbij Nederland partij is, staat dit niet toe).
Voorwaarde is ook dat het misdrijf na 1 oktober 2010 is gepleegd. Na het intrekken van het Nederlanderschap wordt betrokkene tot ongewenst vreemdeling verklaard en wordt hij uitgezet.
Het gedogen van de verkoop van wiet via internet |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Coffeeshop via omweg aan huis»?1
Ja.
Mogen coffeeshops via de in het bericht geschetste wijze cannabisproducten via internet verkopen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De verkoop van hennepproducten (al dan niet via tegoedbonnen) via internet is in strijd met het in Nederland geldende gedoogbeleid. In de Aanwijzing Opiumwet wordt uitdrukkelijk gesteld dat verkoop van hennepproducten alleen wordt gedoogd indien deze verkoop geschiedt vanuit een coffeeshop én indien men zich daarbij houdt aan de zogenaamde AHOJGI criteria (zoals het verbod op het maken van reclame, het verbod op de verkoop aan jeugdigen, het verbod op het in voorraad hebben en verkopen van harddrugs en de bepalingen over de omvang van leveranties en handelsvoorraad). De handhaving van de criteria vereist toezicht en dit toezicht kan niet worden uitgevoerd als de overdracht van het product plaatsvindt op andere locaties dan in coffeeshops en op andere wijze dan nu in een coffeeshop gebeurt. Zo is bijvoorbeeld niet uit te sluiten dat diegene die de bon aankoopt, zoals in vraag 2 wordt bedoeld, jonger is dan 18 jaar. Door enkel en alleen aan de koper op de website te vragen «bent u jonger dan 18 jaar» wordt geenszins gegarandeerd dat hiervan ook sprake is. Voorts verbiedt artikel 3b van de Opiumwet elke openbaarmaking, ook via internet, welke erop gericht is de verkoop, aflevering of verstrekking van hennepproducten te bevorderen.
In hoeverre kan bij de verkoop van cannabisproducten via internet gecontroleerd worden op het voorkomen dat er tevens harddrugs worden verkocht en dat er verkoop aan minderjarigen plaatsvindt? In hoeverre kan daarbij gecontroleerd worden of er per transactie maximaal 5 gram wordt verkocht?
Zie antwoord vraag 2.
Schenden coffeeshops die via het genoemde internetkanaal cannabisproducten verkopen het reclameverbod zoals dat is opgenomen in de AHOJG-criteria? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kan het deelnemen van een coffeeshop aan het genoemde internetverkoopkanaal betekenen dat de desbetreffende coffeeshop niet langer gedoogd zal gaan worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wanneer kan worden vastgesteld dat een coffeeshop zich aansluit bij de website Coffeeshopbon.nl en hennepproducten worden verkocht door middel van deze website, dan overtreedt de coffeeshop de gedoogcriteria en kan er sprake zijn van strafbaarheid op grond van artikel 3 van de Opiumwet. Ook kan de burgemeester dan besluiten tot het treffen van bestuurlijke maatregelen, zoals het intrekken van een vergunning of het sluiten van de coffeeshop.
Maakt het ten aanzien van het al dan niet verliezen van een gedoogvergunning door een coffeeshop uit of verkoop via internet indirect door middel van een zogenoemde coffeeshopbon plaatsvindt? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Over welke mogelijkheden beschikken de justitiële autoriteiten om de verkoop van cannabis via internet aan te pakken? Worden deze mogelijkheden al aangewend?
Omdat bij drugshandel via het internet uiteindelijk altijd sprake is van handel in fysieke goederen (op locatie of per post), kan worden opgetreden op grond van de Opiumwet. Politie en OM beschikken verder over mogelijkheden om de verkoop van cannabis via internet aan te pakken, gelijk andere vormen van internetcriminaliteit. In het kader van het opsporingsbelang is het niet wenselijk hierover mededelingen te doen.
Is verkoop via internet en andere verkoopkanalen binnen het huidige gedoogbeleid en de huidige wetgeving voldoende controleerbaar? Zo nee, welke wijzigingen verwacht u dat nodig zijn op het gebied van de huidige wetgeving en/of het gedoogbeleid?
Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen 2, 3 en 4. De eerder genoemde gedoogcriteria en de toepasselijke bepalingen in de Opiumwet bieden voldoende mogelijkheden voor een adequate aanpak.
De intrekking van de ondersteuning van de jaarlijkse reünie van Indië-veteranen |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de jaarlijkse reünie van het 7e bataljon Grenadiers 1949–1951?
Ja.
Klopt het dat de steun van Defensie voor deze jaarlijkse reünie, te weten de militaire begeleiding van de herdenkingsceremonie en het vervoer van station Arnhem naar Schaarsbergen voor veteranen slecht ter been, vervalt?
Nee, de steun aan de jaarlijkse reünie van het 7e Bataljon Grenadiers blijft gehandhaafd. Wel wordt de coördinatie van de reünie voortaan door een ander landmachtonderdeel uitgevoerd. Dit is niet tot uiting gekomen in de brief van 11 maart jl. van commandant 11 Luchtmobiele Brigade (AASLT) «7 december» aan het bestuur van de reünievereniging.
De ondersteuning van de jaarlijkse reünie van het 7e Bataljon Grenadiers zal voortaan worden gecoördineerd door het Garderegiment Grenadiers en Jagers. Een contactpersoon hiervoor zal aan de reünievereniging bekend worden gesteld. Over de precieze invulling van de ondersteuning zal overleg worden gevoerd met de vereniging. Hiermee wordt zeker gesteld dat de ondersteuning uitvoerbaar is en past binnen het jaarprogramma van de ondersteunende eenheid.
Voor het ondersteunen van reünies kent Defensie de regeling reüniefaciliteiten. Daarnaast kunnen militaire ceremoniën en bijeenkomsten door Defensie personeel worden ondersteund, bijvoorbeeld door het leveren van vervoer en militaire begeleiding.
Hoe groot is de besparing van deze voorgenomen bezuiniging?
Er is geen sprake van een (voorgenomen) bezuiniging op reünies voor veteranen.
Wat is de noodzaak van deze voorgenomen bezuiniging?
Zie antwoord vraag 3.
Welke middelen staan u ter beschikking om alsnog steun te verlenen aan deze jaarlijkse reünie van het 7e bataljon Grenadiers 1949–1951?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een overzicht geven van op welke (jaarlijkse) herdenkingen en reünies voor veteranen nog meer wordt bezuinigd en wat daarvan de financiële voordelen zijn?
Zie antwoord vraag 3.
De verwarring omtrent het publiceren van namen door gemeenten |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Onduidelijkheid over publiceren namen door gemeente»?1
Ja
Klopt de stelling van het College bescherming persoonsgegevens, mede in acht nemende de jurisprudentie van de Raad van State, dat zienswijzen weliswaar integraal gepubliceerd mogen worden, maar dat NAW-gegevens geanonimiseerd dienen te worden?2
Het College bescherming persoonsgegevens (Cbp)heeft mij desgevraagd laten weten dat in zijn algemeenheid geldt dat het aan gemeenten is om, afhankelijk van de specifieke situatie, te beoordelen in welke wettelijke context de vraag naar openbaarmaking van persoonsgegevens speelt. Vervolgens moeten de gemeenten de vereisten uit die wetten afwegen tegen de bepalingen en beginselen uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Bij een situatie als die waarop het bericht in Binnenlands Bestuur betrekking heeft, namelijk het inbrengen van zienswijzen in het kader van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot een omgevingsvergunning, spelen de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (afdeling 3.4) en de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) (artikel3.
Met betrekking tot publicatie van NAW (Naam-, Adres- en Woonplaats)-gegevens op internet heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State naar aanleiding van een verzoek tot ongeanonimiseerde publicatie van zienswijzen bevestigd dat het aankomt op een afweging van belangen door gemeenten in het specifieke geval.4 Het oordeel in de daar voorliggende situatie was dat een gemeente in dat geval in redelijkheid meer gewicht kon toekennen aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van indieners van zienswijzen dan aan het belang van publiek bekend maken van hun NAW-gegevens. Voor het elektronisch ter inzage leggen of anderszins digitaal vrijgeven van NAW-gegevens adviseert ook het Cbp in zijn richtlijnen terughoudendheid.5 Ten slotte heeft ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in 2009 aan haar leden geadviseerd in die situatie zienswijzennota’s te anonimiseren.6
Zo ja, heeft u vanuit uw systeemverantwoordelijkheid voor het openbaar bestuur, er zicht op waarom het voor de gemeente Groningen niet duidelijk was dat zienswijzen niet zonder voorafgaande toestemming met NAW-gegevens gepubliceerd mogen worden door gemeenten?
Uit contact met de gemeente Groningen is gebleken dat in de situatie waarover in de media is bericht geen sprake is geweest van publicatie van zienswijzen met NAW-gegevens op internet. Ook bij de terinzagelegging van het besluit en de zienswijzen waren de NAW-gegevens verwijderd. De casus heeft uitsluitend betrekking op het opnemen van NAW-gegevens op een lijst die met het genomen besluit is toegezonden aan de beperkte kring van belanghebbenden binnen de zienswijzenprocedure (aanvrager en indieners van de zienswijzen). Deze handelswijze heeft binnen de gemeente Groningen de nodige aandacht. De gemeentelijke ombudsman is een algemeen onderzoek gestart, en is daarover inmiddels met de gemeente in contact getreden. Ik wacht de uitkomsten van dat onderzoek met belangstelling af, en vertrouw erop dat de gemeente mogelijke aanbevelingen met betrekking tot de feitelijke werkwijze in dit specifieke geval de nodige aandacht zal geven. Mochten daarna nog vragen rijzen dan zal het laatste woord zijn aan de bestuursrechter.
Is dit een incident is of komt het niet goed waarborgen van de persoonlijke levenssfeer van bewoners door gemeenten vaker voor?
Het eerdergenoemde onderzoek van de gemeentelijke ombudsman is er mede op gericht vast te stellen of in dit geval de persoonlijke levenssfeer van de indieners van de zienswijzen goed is gewaarborgd. Dat onderzoek loopt nog. Er zijn mij geen gevallen bekend waarin er onduidelijkheid is bij gemeenten over de afwegingsruimte bij het ter inzage leggen of publiceren van NAW-gegevens op het gebied van het omgevingsrecht c.q. ruimtelijke ordening. Ook de Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft mij meegedeeld dat, met uitzondering van enkele vragen die werden ontvangen bij de invoering van de Wet ruimtelijke ordening die kennisgeving van het bestemmingsplan langs elektronische weg verplicht stelde, er slechts sporadisch vragen binnenkomen op dit terrein.
Hoe wilt u waarborgen dat de privacy van burgers ook bij gemeenten veilig is?
Gemeenten hebben een eigen verantwoordelijkheid om algemene wettelijke kaders, waaronder de Wbp, in acht te nemen. Hulpbronnen zoals de VNG jurisprudentiedatabank helpen gemeenten om juridische ontwikkelingen op dit terrein te volgen, en waar nodig de praktijk daarop aan te passen.
De kosten van de vreemdelingenadvocatuur en subsidies voor aan vreemdelingenzaken gerelateerde organisaties |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel vreemdelingenadvocaten zijn er momenteel in Nederland?
Per begin mei 2014 stonden er 751 vreemdelingenadvocaten bij de Raad voor Rechtsbijstand (verder: de Raad) ingeschreven.
Hoeveel gemeenschapsgeld heeft de vreemdelingenadvocatuur in 2013 ontvangen en hoe is dit bedrag opgebouwd? Hoeveel procedures zijn er met dit gemeenschapsgeld bekostigd en hoeveel vreemdelingen zijn hier in totaal mee geholpen?
De Raad heeft mij informatie verschaft over vier categorieën procedures, te weten vreemdelingenrecht, verblijf niet EU-burgers, verblijf gezinsleden en naturalisatie. Voor deze procedures tezamen is in 2013 naar aanleiding van 23.483 declaraties, ten aanzien van 15.503 unieke personen, na aftrek van (eventuele) proceskosten en de eigen bijdrage 19.619.000 Euro uitbetaald. Onderdelen waarop wordt vergoed zijn, indien van toepassing: basisvergoeding, reistijdvergoeding, reiskostenvergoeding, tolkkosten, vaste kostenvergoeding, BTW vergoeding alsmede overige vergoeding. De post basisvergoeding is daarbij het hoogste, te weten 17.755.021 Euro.
Hoe verhoudt deze bekostiging van de vreemdelingenadvocatuur zich met de bekostiging hiervan in andere Europese landen als Denemarken?
De gegevens waar ik over beschik heb ik als bijlage bij mijn brief van 20 mei 2014 (met kenmerk 480749) over de stelselvernieuwing gesubsidieerde rechtsbijstand aan uw Kamer gezonden. Deze gegevens zijn onderdeel van het rapport «Legal Aid in Europe: Nine Different Ways to Guarantee Access to Justice?». Dit rapport vergelijkt een aantal Europese landen op het terrein van rechtsbijstand in onder meer vreemdelingenzaken. Denemarken is daarbij niet onderzocht. Kortheidshalve verwijs ik naar dit rapport en mijn brief.
Aan hoeveel aan vreemdelingenzaken gerelateerde organisaties is in 2013 subsidie verstrekt, welke organisaties betreft dit en welke bedragen per organisatie betreft dit? Waar zijn deze subsidies precies voor gebruikt en hoe is de besteding hiervan verantwoord of gecontroleerd?
Er is aan verschillende vreemdelingenzaken gerelateerde organisaties subsidie toegekend1. In onderstaande tabel treft u een overzicht aan van de toegekende bedragen per organisatie. De subsidies zijn verstrekt:
1.
IOM Nederland
REAN (Return and Emigration of aliens from the Netherlands)
Herintegratieregeling Terugkeer
€ 6.600.000,00
€ 1.500.000,00
2.
Bridge to Better Foundation
Plan B(etter) een Brug naar Beter
€ 255.911,78
3.
Stichting Dalmar
Terugkeer naar Somalië met perspectief
€ 100.174,00
4.
IOM Nederland
AVR ERS 1.1 (AVR ERS 2.0)
€ 299.951,21
5.
IOM Nederland
AVR ERS 2 (AVR FC 3)
€ 499.963,28
6.
Stichting Maatwerk bij Terugkeer
Duurzame Terugkeer op Maat 2.0
€ 588.000,00
7.
Stichting Wereldwijd
WereldTools op Maat 2
€ 205.876,49
8.
Stichting Nieuwkomers en VluchtelingenWerk
Blik op de toekomst
€ 347.120,00
9.
Stichting Federatie Opvang
Safe Return
€ 445.246,00
10
Stichting Kerk in Actie
Uitloopperiode Transithuis
€ 94.300,00
11
Stichting Maatwerk bij Terugkeer
Futurama
€ 898.927,10
12.
Stichting OMZO
Ze verdampen niet
€ 154.883,00
13.
SHIP Foundation
Pilot Noord-Afrika en Midden-Oosten
€ 209.593,89
14.
VluchtelingenWerk Zuidvleugel
Vrijwillige Duurzame Terugkeer Den Haag
€ 109.924,00
15.
Stichting Barka
Reconnection project for homeless Central and Eastern European migrants
€ 337.260,00
16.
VluchtelingenWerk Nederland
€ 5.200.000,00
17.
Unicef
Tell me
€ 20.000,00
18.
UAF
Studentenbeurzen
€ 47.000,00
19.
The Hague Process
Netwerk vergroting
€ 50.000,00
De betrokken organisaties dienen over de verstrekte subsidie conform het Rijksbreed vastgesteld uniform subsidiekader verantwoording af te leggen door middel van het indienen van voortgangsrapportages en eindrapportages. In de meeste gevallen dient de eindrapportage ook te zijn voorzien van een accountantsverklaring. Daarnaast houden de Auditdienst Rijk en de Algemene Rekenkamer toezicht op de rechtmatige verstrekking van overheidsmiddelen.
Hoe verhouden de subsidiebedragen voor dit soort organisaties zich tot de uitgaven van andere Europese landen als Denemarken?
Ik beschik niet over deze gegevens van andere EU-lidstaten. Ook zijn deze niet beschikbaar via de bestaande gremia of portalen (zoals EuroStat). Overigens zou het wel beschikbaar zijn van de gevraagde gegevens niet betekenen dat enkel op basis daarvan een zinvolle vergelijking tussen staten kan worden gemaakt. Daarvoor loopt de organisatie van het vreemdelingenbeleid in de verschillende EU-lidstaten te zeer uiteen.
Hoe verhoudt het bovenstaande zich tot de noodzaak om procedurestapelen te voorkomen en om terugkeer en uitzetting van uitgeprocedeerden naar de landen van herkomst te bevorderen?
Het stapelen van procedures is onwenselijk. Om die reden heb ik diverse maatregelen getroffen die zijn omschreven in mijn brief van 22 mei 20122. Deze maatregelen zijn op 1 januari 2014 en 1 april 2014 in werking getreden en bestaan onder andere uit: het mee toetsen van humanitair reguliere gronden bij de eerste asiel- en eerste humanitair reguliere aanvraag, de eendagstoets bij de tweede en volgende asielaanvragen en bij de eerste en tweede en volgende humanitair reguliere aanvragen. Daarnaast omvat het pakket «maatregelen stroomlijnen toelatingsprocedures» ook de maatregel van gedifferentieerde vergoeding voor rechtsbijstand voor een tweede en volgende asiel- en humanitair reguliere aanvraag, en de maatregel van het zelf aanleveren van het medisch dossier door de vreemdeling. De subsidies die aan verschillende organisaties zijn verstrekt met het oog op terugkeer, hebben juist tot doel om de zelfstandige terugkeer van uitgeprocedeerden te stimuleren.
Nederlandse zelfmoordterroristen |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aanslagen Nederlanders in Irak en Syrië»?1
Ja.
Klopt het dat er Nederlandse jihadisten zijn die zich hebben ontwikkeld tot zelfmoordterroristen? Zo ja, om hoeveel personen gaat het in totaal, naast de reeds opgeblazen jihadisten?
Ja, zoals ik tijdens de presentatie van het Jaarverslag van de AIVD op 23 april jI. bekend gemaakt heb, hebben in het begin van dit jaar twee Nederlanders een zelfmoordaanslag gepleegd.
Hoeveel (dodelijke) slachtoffers zijn er bij deze aanslagen gevallen?
Ik kan om operationele redenen niet in het openbaar ingaan op zaken die de identiteit van de twee Nederlandse zelfmoordterroristen kunnen prijsgeven.
Hadden de genoemde zelfmoordterroristen een dubbele nationaliteit? Zo ja, welke andere nationaliteit(en) hadden zij?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u inmiddels bereid de zeer onverstandige bezuinigingen op de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst terug te draaien in het kader van het anti-terrorismebeleid? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoek naar jihadgangers is een geprioriteerd onderzoek binnen de AIVD. Door middel van interne herprioritering is capaciteit vrijgemaakt voor dit onderzoek. Dit betekent dat er voor andere onderzoeken minder capaciteit beschikbaar is. Uw Kamer is hier onder andere per brief van 4 maartjl. over geïnformeerd (Kamerstuk 30 977, nr. 83). Over de invulling van de taakstelling is uw Kamer per brief van 22 november 2013 geïnformeerd (Kamerstuk 33 750 VII, nr. 15).
In hoeverre wordt het dreigingsniveau verhoogd naar aanleiding van deze gevaarlijke ontwikkeling?
Het huidige dreigingsniveau is substantieel. Dat is het reeds op één na hoogste dreigingsniveau. Dit betekent dat de kans op een aanslag tegen Nederland reëel is. Verhoging van het dreigingsniveau naar het hoogste niveau kritiek» vindt plaats als er zeer sterke aanwijzingen zijn dat er een aanslag in Nederland zal plaatsvinden, zonder dat er een goed zicht bestaat op de dader(s), tijdstip en doelwit. Het bericht van de zelfmoordaanslagen in respectievelijk Syrië en Irak is zeer zorgelijk, omdat het laat zien hoe ver geradicaliseerde jihadisten bereid zijn te gaan om hun doel te bereiken, maar heeft geen directe invloed op het dreigingsniveau in Nederland.
Het bericht dat landbouwgeld nog steeds naar sportclubs, kerken en golfbanen gaat |
|
Alexander Pechtold (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Landbouwgeld blijft voor sportclubs», waaruit blijkt dat sportclubs en kerken de komende jaren nog steeds kans maken op Europese landbouwsubsidies?1
De kabinetsinzet in de onderhandelingen over het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) is steeds geweest dat de maatregelen onder het plattelandsontwikkelingsprogramma 2014–2020 (POP3) ten dienste moesten staan van agrariërs, agrarische activiteiten en de landbouw.
Het voorstel van de Europese Commissie om in de periode 2014–2020 geen verplichte bestedingspercentages per categorie POP-maatregelen meer te hanteren heeft het kabinet altijd verwelkomd, omdat lidstaten daarmee de mogelijkheid krijgen hun plattelandsbeleid beter te richten op de werkelijke behoeften in (regio’s binnen) de lidstaat. In het totaalakkoord over het nieuwe GLB in Brussel is besloten de LEADER-aanpak3 voort te zetten met een minimale financiële inzet van 5% van het totale POP3-budget. Ook Nederland moet hieraan voldoen in het POP3.
Provincies zijn, net als in de voorgaande periode, verantwoordelijk voor de uitvoering van de LEADER-aanpak. Op verzoek van de provincies is het budget voor LEADER vastgesteld op circa 6,5% van het budget, zodat, conform de wens van uw Kamer, ook projecten voor «Duurzaam Door» daarmee ondersteund kunnen worden en stad-landrelaties gelegd kunnen worden. LEADER geeft een impuls aan lokale ontwikkeling, waar ook de agrarische sector van profiteert.
Zoals in de brief van 23 april jl. (Kamerstuk 28 625, nr. 190) is aangegeven, is met de provincies afgesproken dat de POP3-middelen maximaal ten goede moeten komen aan agrariërs. Daardoor zullen in het POP3 aanzienlijk meer middelen terecht komen bij agrariërs en agrarische activiteiten (90%) dan onder het POP2 (65%). Een klein deel van het budget van POP3 komt via de LEADER-aanpak terecht buiten de agrarische sector. Ook via de maatregelen «Samenwerking», «Niet-productieve investeringen (voor water)» en «Kennisoverdracht en voorlichting aan landbouwers» kan een beperkt deel van de middelen terecht komen bij niet-agrariërs, zoals waterschappen en adviesbureaus. Verbinding en samenwerking met partijen buiten de landbouwsector is echter van groot belang voor (draagvlak voor) de landbouw, en bij kennisoverdracht en voorlichting zelfs een noodzakelijke voorwaarde. Samenwerking met waterschappen en adviesbureaus kan ook noodzakelijk zijn bij de vermindering van de emissie van nutriënten naar water. Het kabinet acht daarom ondersteuning van deze vormen van betrokkenheid van partijen buiten de sector passend en gerechtvaardigd.
Klopt het dat u kerken, sportclubs en golfbanen nergens expliciet uitsluit van landbouwsubsidies, zoals subsidieadviesbureau Subvention in het artikel claimt? Zo ja, bent u bereid deze subsidies te stoppen?
Zie antwoord vraag 1.
Onderschrijft u nog steeds de volgende stelling die u poneerde op 5 maart 2013 in antwoord op eerdere vragen: «In lijn met het Regeerakkoord en het kabinetsstandpunt over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) is het mijn voornemen om de toekomstige uitgaven voor het platteland enkel te richten op agrariërs en agrarisch grondgebruik»?2 Hoe gaat u zorgen voor deze zuivere besteding van landbouwsubsidies in Nederland?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het een prioriteit van dit kabinet om ervoor te zorgen dat landbouwsubsidies zijn gericht op agrariërs en agrarisch grondgebruik, en dus te voorkomen dat landbouwgeld terechtkomt bij bijvoorbeeld een jachthaven in Oudewater, golfbanen in Friesland en Zeeland en een voetbalclub in Raalte, zoals in 2013 het geval was? Zo neen, waarom niet?
Deze vraag heeft betrekking op de periode van POP2, 2007–2013. In POP2 was er meer ruimte voor begunstigden buiten de landbouw. Zie ook het antwoord op vragen 1, 2 en 3.
Klopt het dat Nederland door Europese regels wordt «gedwongen» ook niet-agrarische projecten een kans te geven, zoals het ministerie van Economische Zaken volgens het artikel in een reactie op de bevindingen te kennen gaf? Wat betekent precies «een kans geven»?
Zie het antwoord op de vragen 1, 2 en 3. Aanvullend hierop geldt dat de provincies de LEADER-aanpak in de periode 2014–2020 verder zullen professionaliseren. Nut en noodzaak van de uit te voeren projecten binnen LEADER moeten vooraf beter worden aangetoond dan in de vorige programmaperiode. Alleen die gebieden met de beste ontwikkelingsstrategieën die direct inspelen op de grootste behoeften in een streek zullen de LEADER-status krijgen. Ook in de LEADER-aanpak kunnen agrariërs volop meedoen en zijn er mogelijkheden voor ondersteuning van agrarische activiteiten. Gelet op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk en provincies, bepalen de provincies welke LEADER-projecten voor ondersteuning in aanmerking komen.
Bent u, naast zuivere besteding van geld in Nederland, ook bereid te pleiten voor zuivere besteding van landbouwsubsidies in de Europese Unie, of vindt u nog steeds dat er «grote verschillen [zijn] in de omstandigheden en situaties op het platteland tussen de lidstaten» en dat het daarom «op basis van subsidiariteit belangrijk [is] dat ieder daarin zijn eigen keuzes maakt», zoals u aangaf op 5 maart 2013?
Het kabinet zal zich niet verzetten als lidstaten er, binnen de kaders van de geldende Europese regelgeving, voor kiezen om maatregelen in hun POP3 op te nemen die ertoe leiden dat subsidies terecht komen bij niet-agrariërs. Het kabinet blijft er voorstander van dat lidstaten die eigen keuzevrijheid behouden.
Betekent dit laatste dat landbouwsubsidies voor sportclubs, kerken en golfbanen wat u betreft in de Europese Unie kunnen doorgaan, of zult u zich ook in de Europese Unie verzetten tegen zulke subsidies?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht "Diplomaat slaat er bij ruzie op los en gaat vrij uit” |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Diplomaat slaat er bij ruzie op los en gaat vrij uit»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de brief van de officier van justitie van het arrondissementsparket in Den Haag van 30 januari 2014 aan het Nederlandse slachtoffer?2
Ja.
Acht u het bewezen dat de Afghaanse diplomaat meerdere malen met zijn vuist geslagen heeft en schade veroorzaakt heeft aan de auto?
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft deze zaak onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat er verschillende strafbare feiten zijn gepleegd. Deze kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling en vernieling. Buitenlandse Zaken heeft kennisgenomen van de conclusies van het OM.
Wanneer en op welke wijze heeft u de Afghaanse ambassade op de hoogte gesteld van de mening van de Nederlandse regering? Hoe luidt die mening?
Op 30 januari jl. is de Afghaanse ambassadeur ontboden. In dat gesprek is aangegeven dat:
Heeft de Nederlandse regering ook aan de Afghaanse ambassade gevraagd om de schade aan de auto te vergoeden? Zo nee, bent u alsnog bereid dit te doen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Indien u niet bereid bent om dit verzoek bij de Afghaanse ambassade neer te leggen, op welke wijze kan het Nederlandse slachtoffer dan zijn schade op de dader verhalen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van de Afgaanse ambassade van 31/12/2013, waarin de ambassade stelt dat alleen haar staflid aangevallen is en slachtoffer is van mishandeling (artikel 300 Wetboek van Strafrecht)(het Afghaanse staflid zou niet aangevallen hebben en niet geprovoceerd hebben)? Heeft u ook kennisgenomen van het feit dat de ambassade in afwachting was van een rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken?
Ja.
Wanneer is het rapport van het ministerie van Buitenlandse Zaken over dit incident uitgebracht en kunt u het rapport, dan wel de inhoud op hoofdlijnen, openbaar maken?
Buitenlandse Zaken heeft het onderzoeksrapport van het Openbaar Ministerie op 30 januari jl. gedeeld met de Afghaanse ambassadeur, toen deze ontboden is op Buitenlandse zaken. De teneur van het rapport is weergegeven in het antwoord op de Kamervragen (vraag3 van de leden Helder en De Roon over dezelfde kwestie (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2049).
Klopt het dat dezelfde diplomaat en een assistent van hem op 17 februari in PowNews betrapt werden op het langdurig parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats en daarvoor ook een bon uitgeschreven kregen?
In verband met de privacy van betrokkenen doen wij geen uitspraken over het aantal uitgeschreven en nog openstaande boetes in individuele gevallen. Enkele administratieve sancties die zijn uitgeschreven aan de Afghaanse delegatie, zijn op dit moment nog niet betaald. Buitenlandse Zaken heeft zoals gebruikelijk contact opgenomen met de ambassade over de betaling.
De betreffende diplomaat beschikte tot het moment van zijn vertrek uit Nederland over een taxfree tankpas. Zie verder het antwoord op vraag 12.
Herinnert u zich dat u in dezelfde uitzending van PowNews aankondigde contact op te laten nemen met de Afghaanse ambassade? Wanneer is dat gebeurd en met welke boodschap?
Ja. De Afghaanse Tijdelijk Zaakgelastigde is op 18 februari jl. bij Buitenlandse Zaken ontvangen voor een gesprek over deze kwestie. In dat gesprek is aangegeven dat een dergelijk gedrag volstrekt onaanvaardbaar is.
Heeft de betreffende diplomaat de boete betaald en staan er nog steeds boetes open? Beschikt hij op dit moment over een tankpas om accijns en btw-vrij te kunnen tanken?
Zie antwoord vraag 9.
Van hoeveel diplomaten is na de aankondiging van januari 2014 dat zij geen tankpas meer zouden hebben bij openstaande schulden, hun tankpas ook daadwerkelijk afgenomen?
Tot heden zijn er nog geen tankpassen geblokkeerd. Ik heb in januari 2014 aangekondigd dat een van de elementen uit het plan van aanpak zal zijn het blokkeren van tankpassen. Deze maatregel, aangekondigd in de Kamerbrief over omgang met geprivilegieerden (die de Kamer op 23 april jl. is toegezonden) is onderdeel van een nieuw werkproces, waarmee Buitenlandse Zaken structureler zal inzetten op betaling van verkeersboetes.
Om dit mogelijk te maken moeten onder andere het CJIB en Buitenlandse Zaken hun informatiesystemen over openstaande verkeersboetes op elkaar afstemmen. Het is de bedoeling dat in een nieuw op te zetten database (anders dan nu) de gegevens over openstaande verkeersboetes langdurig beschikbaar en dus opeisbaar blijven. Buitenlandse Zaken en het CJIB zijn deze nieuwe samenwerking aan het opzetten, en de verwachting is dat het nog zeker enige maanden zal duren voor deze geheel operationeel is.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de ambassadesecretaris in het AD-artikel dat »de 23-jarige Nederlander diplomaat S. [heeft] beledigd vanwege zijn geloof. Als zoiets in Afghanistan bekend wordt, kan de situatie escaleren. Ik hoop dat er dan niets gebeurt met de Nederlandse ambassade in Kaboel.», terwijl in de processen-verbaal, in het persbericht van de ambassade zelf, in de brief van de rechtbank, in het verslag van de getuige of waar dan ook geen sprake is van belediging vanwege het geloof, terwijl er nu wel met escalatie gedreigd wordt?
Bovenstaande uitspraak komt, indien deze gedaan is, geheel voor rekening van de desbetreffende persoon. De Afghaanse ambassade heeft aan Buitenlandse Zaken schriftelijk laten weten dat er geen sprake is van enige dreiging met escalatie, en dat de betreffende medewerker dergelijke uitspraken niet heeft gedaan. Ten aanzien van de vermeende belediging vanwege het geloof geldt dat Buitenlandse Zaken zich baseert op het gestelde in het onderzoeksrapport van het Openbaar Ministerie. Daarin staat niets vermeld over een dergelijke belediging.
Bent u bereid om de ambassade uit te nodigen om aan te geven wanneer de diplomaat vanwege zijn geloof beledigd is of anders de uitspraak terug te nemen?
Indien een dergelijke belediging was geuit had de betrokken diplomaat dit kunnen melden aan de politie. De ambassadeur, in de gesprekken met Buitenlandse Zaken, heeft evenmin melding gemaakt van een dergelijke belediging. Daar waar zowel betrokkene als de ambassade ruimschoots gelegenheid hadden om een dergelijke belediging aanhangig te maken, zie ik het nut niet van een uitnodiging aan de ambassade om specifiek hierover te spreken.
Het onderzoeksrapport naar de medische behandeling van een uitgezette minderjarige asielzoekster |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Linda Voortman (GL), Gerard Schouw (D66), Eddy van Hijum (CDA), Joël Voordewind (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Inspectie Veiligheid en Justitie tot op heden weigeren om een ongeschoond verslag van de onderzoekscommissie, die onderzoek heeft gedaan naar de medische zorg verleend aan de 6-jarig asielzoekster Renata A. tijdens haar verblijf in een asielzoekers- en detentiecentrum in Nederland, te doen toekomen aan zowel u en de Tweede Kamer als aan de familie van Renata?
Het is ongewenst dat verslagen van een onderzoekscommissie openbaar worden gemaakt indien daarin privacygevoelige en medische informatie die tot een persoon te herleiden is, is opgenomen. Bij brief van 19 november 2013 (TK 19 637, nr. 1753) heb ik uw Kamer de resultaten toegestuurd van het onderzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ) naar het medisch handelen voorafgaand aan de overdracht van Renata A. aan Polen. In mijn brief van 20 november 2013 (TK 19 637, nr. 1757) heb ik toegelicht dat het aan deze resultaten ten grondslag liggende verslag van de onafhankelijke calamiteitenonderzoekscommissie niet is meegestuurd, omdat daar privacygevoelige gegevens in staan. In die brief is er ook op gewezen dat voor de totstandkoming van dit soort verslagen medewerking van medisch betrokkenen noodzakelijk is. De bescherming van het medisch beroepsgeheim is van essentieel belang voor de medewerking van medisch betrokkenen aan toekomstige onderzoeken.
Op 21 november 2013, tijdens de begrotingsbehandeling van Veiligheid en Justitie heb ik uw Kamer gemeld u het verslag van de calamiteitenonderzoekscommissie toe te sturen onder de voorwaarde dat dit zou worden geschoond van persoonsgegevens en medische gegevens en de benodigde toestemmingsverklaringen zouden worden verkregen. Het betrof hier dus een toezegging om een geschoonde versie van het verslag aan uw Kamer te sturen.
Nadat de IGZ het verslag had geschoond van privacygevoelige en medische informatie die tot een persoon te herleiden is, heeft de IGZ vervolgens de benodigde stappen gezet om het geschoonde verslag van de calamiteitenonderzoekscommissie aan uw Kamer te kunnen sturen. Daartoe is overleg gevoerd met alle betrokkenen. Alle betrokkenen, met uitzondering van de familie A., stemden ermee in om mij dit zogenoemde geschoonde verslag van de onderzoekscommissie aan te bieden met als doel dit geschoonde verslag aan uw Kamer te kunnen toesturen. De IGZ heeft mij gemeld dat de familie A. op 26 mei 2014 haar bezwaar tegen het toezenden van het geschoonde verslag aan uw Kamer heeft ingetrokken. Op 27 mei 2014 heeft de gemachtigde van de familie de IGZ laten weten geen bezwaar te hebben met het toezenden van de geschoonde versie van het verslag aan uw Kamer. Bij mijn brief van heden heb ik deze geschoonde versie van dit verslag aan uw Kamer gestuurd.
Bent u op de hoogte van het feit dat de familie reeds toestemming heeft gegeven om een ongeschoond verslag naar u en de Tweede Kamer te zenden en zelf heeft gevraagd een ongeschoond verslag te mogen ontvangen?
De familie heeft mij geen toestemming gegeven om een ongeschoond verslag aan uw Kamer toe te zenden. Ik heb dit nooit van de familie of de gemachtigde vernomen. Wel heeft het lid Gesthuizen van uw Kamer mij mondeling medegedeeld dat de familie geen bezwaar zou hebben. Een ongeschoond verslag is overigens ook niet in mijn bezit.
Mij is ook bekend dat de familie via een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) heeft verzocht om een versie van het verslag van de calamiteitenonderzoekscommissie waaruit geen delen zijn weggelakt. Dit Wob verzoek is door de Minister van VWS op 23 april jl. afgewezen. Op grond van de Wob is het niet mogelijk medische gegevens openbaar te maken. Het betreft een absolute weigeringsgrond. Het feit dat de familie van Renata om verstrekking van het ongeschoonde verslag heeft gevraagd, maakt dit voor de Wob niet anders. Openbaarmaking op grond van de Wob betreft openbaarmaking voor ieder.
Deelt u de mening dat het voor een goede beoordeling van het opereren van de diensten die belast waren met het verlenen van medische zorg aan Renata A. van belang is dat de Tweede Kamer, alsook de familie, een ongeschoond rapport ontvangt waarin uiteraard wel de persoonsgegevens van de betrokken hulpverleners zijn weggelakt?
Nee. Uw Kamer beschikt over de uitkomsten van het onderzoek, zoals opgesteld door de IGZ en IVenJ. Bij de in het antwoord op vraag 1 genoemde brief van 19 november 2013 heb ik u die toegestuurd. Op basis van die uitkomsten is een beoordeling van het handelen van de diensten te maken. Daarenboven heb ik uw Kamer de geschoonde versie van het verslag op 27 mei 2014 toegestuurd.
Deelt u de mening dat, nu de familie van Renata A. toestemming geeft voor openheid van zaken, er geen goede reden is voor de inspecties om deze niet geven?
Nee. Zie ook de antwoorden op vraag 1 en 2.
Bent u bereid om aan de Inspecties kenbaar te maken dat vanuit de Tweede Kamer wordt aangedrongen op het ontvangen van een ongeschoond verslag alsmede de onderliggende stukken?
De Inspecties zijn bekend met deze kamervragen.
Klopt het dat de advocate van de familie van Renata A. al bij beide inspecties heeft aangedrongen op verstrekking van het ongeschoond verslag? Zo ja, hoe wordt door de inspecties met dit verzoek omgegaan?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Een incident met VN-gezant Serry in Jeruzalem |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het incident in Jeruzalem in de aanwezigheid van VN-gezant Robert Serry, zoals beschreven in het BBC-nieuwsbericht «UN envoy and Israel in Easter ritual access row»?1
Ja.
Kunt u nagaan wat zich op 19 april 2014 heeft afgespeeld?
De weergave van VN-gezant Robert Serry is bekend en wordt onderschreven door andere aanwezigen, maar niet door de Israëlische autoriteiten.
Bent u het met de heer Serry eens dat de vrijheid van godsdienst hier in het geding was en dat sprake was van «onacceptabel gedrag»?
Bij grote religieuze momenten als Pasen in speciale plaatsen als Jeruzalem zijn vraagstukken van vrijheid van godsdienstuitoefening en van veiligheid beide van groot belang. Overleg voorafgaand aan het Paasfeest tussen de Christelijke gemeenschappen en de Israëlische politie heeft tot een verbeterde toegang ten opzichte van vorig jaar geleid. Partijen verschillen nog van mening over de mate waarin de toegang verder verruimd kan worden zodat meer Christenen uit de Palestijnse Gebieden deze voor hen belangrijke religieuze viering kunnen bijwonen.
Hoe beoordeelt u voorts de reactie van de Israëlische autoriteiten dat het oponthoud juist het veiligheidsbelang van de bedevaartgangers diende?
Zie antwoord vraag 3.
De mishandeling van een gehandicapte bejaarde |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Drie straatrovers slaan 71-jarige man uit scootmobiel»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de afschuw met betrekking tot de mishandeling van de gehandicapte bejaarde?
Uit onderzoek van het Openbaar Ministerie blijkt dat er sprake is van een valse aangifte.
Klopt het dat de verdachten van deze beroving een Somalische achtergrond hebben? Zo ja, kunt u aangeven waarom Somaliërs bijna vijf keer vaker verdachte zijn van misdrijven dan autochtonen?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de daders van deze laffe daad reeds gepakt?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat criminele vreemdelingen bij geweldsmisdrijven dienen te worden uitgezet? Zo neen, waarom niet?
Vreemdelingen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf kunnen het rechtmatig verblijf verliezen. In dat geval krijgen ze een inreisverbod of worden ze ongewenst verklaard, en moeten ze Nederland direct aansluitend aan de celstraf verlaten. Als ze dat niet doen dan worden ze uitgezet.
Het bericht dat de privacy van patiënten slecht gewaarborgd is |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat zegt het u dat uit gesprekken met medewerkers van de klantenservice van verschillende zorgverzekeraars, die in de tv-uitzending over patiëntgegevens getoond worden, blijkt dat de privacyverklaring bij medewerkers van zorgverzekeraars niet bekend is? Vindt u het acceptabel dat verzekerden hierdoor verkeerd worden voorgelicht over de mogelijkheid van een privacyverklaring? Kunt u uw antwoord toelichten?1
De privacyverklaring en de daaraan gekoppelde regeling zijn bekend bij alle zorgverzekeraars. Helaas is inderdaad gebleken dat niet alle medewerkers van verzekeraars goed op de hoogte waren van deze regeling. Ik verwacht van zorgverzekeraars dat zij zorgen voor een adequaat kennisniveau van hun medewerkers. Inmiddels hebben zorgverzekeraars de medewerkers waar dit relevant voor is nogmaals gewezen op het bestaan van de privacyregeling.
Hoe reageert u in dit verband op de uitspraak van een psycholoog in genoemde uitzending dat het haar ervaring is dat mensen «structureel voorgelogen worden» door zorgverzekeraars?
Herkent u het beeld dat zorgverleners schetsen dat zorgverzekeraars de privacyverklaring proberen tegen te werken, omdat zij deze als lastig ervaren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Deelt u de mening dat zorgverzekeraars een privacyverklaring te allen tijde moeten respecteren? Hoe gaat u dat bewerkstelligen?
Welk doel dient de informatie die de Stichting Benchmark GGZ (SBG) verzamelt? Vindt u het acceptabel dat gedetailleerde informatie over patiënten terecht komt bij een instelling die rechtstreeks is verbonden aan zorgverzekeraars?
SBG wordt bestuurd door GGZ Nederland, het Landelijk Platform GGz (LPGGz) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN). Het doel van de stichting is om – door het leveren van spiegel- en benchmarkinformatie – de kwaliteit en de transparantie van de geestelijke gezondheidszorg (ggz) te verbeteren. SBG is een Trusted Third Party (TTP). Dit wil zeggen dat SBG een onafhankelijke en onpartijdige organisatie is en niet – zoals u stelt – «rechtstreeks verbonden aan zorgverzekeraars».
SBG ontvangt gepseudonimiseerde2 en anonieme patiëntgegevens, aangevuld met achtergrondinformatie en informatie die wordt verkregen door het routinematig meten van behandeluitkomsten via de ROM-methodiek (ROM staat voor Routine Outcome Monitoring). Deze informatie betreft zowel begin- als eindmetingen van de toestand van een ggz-cliënt, beide uitgevoerd door de behandelende zorgaanbieder aan de hand van ROM-vragenlijsten. Om ervoor te zorgen dat deze gegevens onderling beter vergelijkbaar worden, worden deze verrijkt met achtergrondinformatie van de gepseudonimiseerde cliënten, zodat de gemeten behandeluitkomsten hiervoor kunnen worden gecorrigeerd (de zogeheten casemix-correctie).
Al deze informatie wordt vervolgens door SBG verwerkt tot spiegelinformatie (op het niveau van groepen patiënten) over de effectiviteit van de geboden zorg. Door middel van een beveiligde webbased softwaretoepassing (de Benchmark Rapportage Module, BRaM) ontstaat inzicht in de geaggregeerde resultaten die gemiddeld behaald worden bij grote groepen patiënten. De BRaM toont uitsluitend spiegelinformatie aan daartoe geautoriseerde personen. Zorgaanbieders kunnen met BRaM rapportages maken op het niveau van de instelling als geheel, per locatie, per afdeling en per behandelaar. De resultaten van het eigen organisatieonderdeel kunnen daarbij worden afgezet tegen de SBG-benchmark, het landelijk gemiddelde. Voor zorgverzekeraars is – naast informatie over het landelijk gemiddelde, de SBG-benchmark – alleen informatie op instellingsniveau beschikbaar en dan alleen voor zover het ggz-instellingen betreft waarmee zij een overeenkomst tot inkoop van zorg hebben of van ggz-instellingen die hen daartoe geautoriseerd hebben.
Zorgaanbieders kunnen de door SBG geleverde spiegel- en benchmarkinformatie gebruiken om hun behandelingen en zorgprogramma’s te verbeteren en eventuele praktijkvariatie te reduceren. Een zorgaanbieder kan dit intern uitvoeren en/of in samenwerking met collega-zorginstellingen. Zorgverzekeraars kunnen deze spiegel- en benchmarkinformatie gebruiken in hun dialoog met de door hen gecontracteerde zorgaanbieder(s). Momenteel onderzoekt SBG met het LPGGz de mogelijkheden om op termijn de benchmark gegevens beschikbaar te stellen aan patiënten als keuze-informatie.
Kunt u uitsluiten dat de SBG, door data te combineren, kunnen achterhalen welke diagnose bij een individuele patiënt is gesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft als eis gesteld dat de gepseudonimiseerde gegevens niet indirect identificerend mogen zijn. Het CBP heeft in een brief van 10 januari 2006 en in het consultatiedocument CBP Richtsnoeren actieve openbaarmaking van maart 2008, aangegeven dat gegevens (direct of indirect) identificerend zijn als die gegevens «redelijkerwijs, zonder onevenredige inspanning» kunnen worden gebruikt om de identiteit van een persoon vast te stellen.3 SBG heeft diverse maatregelen genomen om invulling te geven aan deze eis:
Voor een blijvende naleving van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) heeft SBG conform de voorschriften van het CBP4 een Functionaris voor de Gegevensbescherming in dienst. Deze is aangemeld bij het CBP en als zodanig ook terug te vinden in het openbaar register van Functionarissen voor de Gegevensbescherming op de website van het CBP. Deze functionaris houdt onafhankelijk toezicht op de (voortdurende) toepassing en de naleving van de Wbp. Tevens ziet deze functionaris toe op de algemene kwaliteit van het beleid en uitvoering inzake de bescherming van persoonsgegevens in de organisatie, onder andere met interne audits. Periodiek toetst ook een externe auditor de naleving van de werkprocedures van SBG. De bescherming voor een onafhankelijk optreden van de Functionaris voor de Gegevensbescherming en diens wettelijke taak is vastgelegd in de Wbp.
Kunt u uitsluiten dat zorgverzekeraars via de SBG bij privacygevoelige gegevens van individuele patiënten kunnen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Verzekeraars hebben via SBG geen toegang tot privacygevoelige informatie. Ten eerste heeft SBG, zoals toegelicht bij vraag 6, diverse maatregelen genomen ter invulling van de eis van het CBP dat gegevens niet zonder onevenredige inspanning herleidbaar mogen zijn naar een persoon. Ten tweede borgt het SBG Dataprotocol dat zorgverzekeraars uitsluitend toegang krijgen tot gemiddelde uitkomstgegevens van groepen van patiënten op geaggregeerd niveau en niet tot gegevens op het niveau van individuele (gepseudonimiseerde) patiënten.
Is het wat u betreft acceptabel dat zorgverzekeraars hun informatiehonger stillen door privacygevoelige informatie van patienten te verzamelen via de SBG? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Denkt u dat patiënten behoefte hebben aan transparantie in de zorg die hun privacy schendt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u aangeven op welke wijze dit de zorg voor patiënten ten goede komt? Deelt u de mening dat het niet aan de zorgverzekeraars is om te bepalen wat goede zorg is, maar dat dit het beste kan worden bepaald door zorgverleners onderling? Deelt u daarmeede mening dat de SBG overbodig is?
Hoe reageert u op de uitspraak van professor J. van Os dat de database van SBG een «geldverslindend datakerkhof is»? Kunt u in dat verband aangeven hoeveel geld zorgverzekeraars hebben geïnvesteerd in de database van SBG?
Ik deel die mening niet. Zoals toegelicht ben ik van mening dat SBG maatschappelijk relevante doelen dient.
Het jaarlijks budget van Stichting Benchmark GGZ bedraagt 2 miljoen euro. Bij de oprichting van SBG zijn de kosten als volgt verdeeld: het benchmarken wordt gefinancierd door de zorgverzekeraars, de zorgaanbieders financieren het verzamelen van de onderliggende ROM-gegevens en de correcte aanlevering ervan aan SBG.
Deelt u de mening van professor Van Os dat je alleen data mag verzamelen als patiënten dat goed vinden en wanneer daar iets maatschappelijk nuttigs mee gebeurt? Deelt u voorts zijn mening dat dit in het geval van de database van SBG niet het geval is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben met professor dr. Van Os van mening dat gegevens alleen verzameld moeten worden als daar maatschappelijk iets nuttigs mee gebeurt. Op het maatschappelijke nut van de gegevensverzameling in het kader van ROM door SBG ben ik reeds uitvoerig ingegaan.
De gegevensverzameling van SBG geschiedt in verschillende onderscheiden stappen:
Op de verschillende onderscheiden stappen zijn verschillende wettelijke kaders van toepassing:
Ad a
Het bij de intake diagnostisch classificeren van de cliënt en het gedurende de behandeling periodiek gegevens verzamelen over de uitkomst van de behandeling, maken beide deel uit van het reguliere klinische proces. Voor het verzamelen van die (ROM-)gegevens is geen expliciete toestemming nodig van de patiënt. De verwerking van gezondheidsgegevens valt onder artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, juncto artikel 21, tweede lid, van de Wbp. Wel moet de behandelaar op grond van de WGBO de patiënt bij aanvang van de behandeling melden welke gegevens waarom worden vastgelegd en wat de behandelaar met die gegevens doet.
Ad b
De behandelaar versleutelt het BSN met het oog op de aanlevering van gegevens aan SBG. De versleuteling maakt geen deel uit van de behandeling van de patiënt. Omdat het om de verwerking van persoonsgegevens gaat moet er een grondslag zijn in de Wbp. De verwerking van persoonsgegevens is op grond van artikel 8, aanhef en onder a, Wbp toegestaan indien de patiënt daarvoor toestemming heeft verleend.
Ad c en d
De behandelaar levert de niet meer tot de patiënt herleidbare gegevens aan bij ZorgTTP. Omdat er geen sprake meer is van persoonsgegevens in de zin van de Wbp is de wet niet van toepassing op de versleuteling door ZorgTTP.
Ad e en f
Op de verstrekking van de door de zorgaanbieder en ZorgTTP gepseudonimiseerde gegevens aan SBG en de verwerking van die gegevens door SBG is de Wbp niet van toepassing (omdat er geen sprake meer is van persoonsgegevens als bedoeld in de Wbp).
Medisch wetenschappelijk onderzoek met patiënten mag alleen worden uitgevoerd als er een juiste balans is tussen het belang van de onderzoeksvraag en de belasting die de procedures van het onderzoek voor de patiënt met zich meebrengt. Dit wordt getoetst door een van de elf (11) Medisch Ethische Toetsing Commissies die Nederland heeft. Er is ook een overkoepelend orgaan, de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO).
SBG heeft, samen met professor dr. Van Os, de vraag of de gegevensverzameling door SBG onder de Wet Medisch-wetenschappelijk Onderzoek met mensen (WMO) valt en METC-plichtig is, voorgelegd aan de CCMO. De vraag is vorig najaar besproken in een plenaire vergadering van de CCMO. Het standpunt van de commissie is dat het hier geen wetenschappelijk onderzoek betreft en de dataverzameling en -analyse daarom niet onder de Wet Medisch-wetenschappelijk Onderzoek met mensen (WMO) vallen.
Ik ben het dus oneens met de uitspraak van professor dr. Van Os dat de dataverzameling door SBG onethisch en onwettig is.
Hoe reageert u op de uitspraak van professor Van Os dat de dataverzameling door SBG onethisch en onwettig is? Op basis van welk wetsartikel rechtvaardigt de SBG het verzamelen van deze privacygevoelige informatie? Is dat in uw ogen gerechtvaardigd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 12.
Is het voorgaande voor u reden om de SBG te bewegen te stoppen met het verzamelen van data over patiënten? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ondersteun de missie en doelstellingen van SBG, zoals toegelicht in de voorgaande antwoorden, waarbij ik wel wil onderstrepen dat een adequate waarborging van de privacy van patiënten van groot belang is en blijft.
Hoe reageert u op de uitspraak van de plaatsvervangend voorzitter van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) dat het DBC-informatiesysteem (DIS) een van de meest risicovolle databases van het land is, omdat jaarlijks alle gegevens van patiënten in Nederland daarin worden ondergebracht? Hoe reageert u voorts op zijn uitspraak dat dit meer dan genoeg gegevens zijn om – als je kwaad zou willen – te herleiden waar het om gaat? Wat vindt u ervan dat het CBP zich afvraagt of het DIS nog wel privacyproof is?
Het is een feit dat het DIS een zeer omvangrijke database is die gegevens bevat die – indien deze tot identificeerbare individuen herleidbaar zouden zijn, wat niet zo is – privacybelastend zouden zijn. Mijn ambtsvoorgangers, ikzelf en medewerkers van het Ministerie van VWS zijn zich – met het CBP – altijd zeer bewust geweest van dat risico en van het feit dat er daarom altijd adequate (technische en organisatorische) maatregelen nodig zijn om dit risico te beheersen.7
In aanloop naar de instelling van het DIS, heeft mijn ambtsvoorganger in 2005 advies gevraagd aan het CBP over het toepassen van pseudonimisering van medische persoonsgegevens voordat ze het DIS bereiken en voordat ze worden opgeslagen in het DIS. Bij pseudonimisering van persoonsgegevens worden de identificerende kenmerken van personen op een zodanige manier (vooraf) versleuteld en omgezet in een pseudo-identiteit, dat de werkelijke identiteit van de betreffende personen niet meer te achterhalen is. Direct identificerende gegevens worden dubbel versleuteld (oftewel dubbel gepseudonimiseerd) vóórdat ze worden opgeslagen in het DIS: de eerste versleuteling wordt uitgevoerd door de zorgaanbieder die de gegevens aanlevert en de tweede versleuteling door een externe, onafhankelijke organisatie, ZorgTTP (Zorg Trusted Third Party) genaamd. De pseudonimisering is zo ingericht dat deze onomkeerbaar is en daarmee dus niet meer herleidbaar tot individueel identificeerbare personen.
Het CBP heeft in een brief van 10 januari 2006 op het voornoemde adviesverzoek gereageerd. Het CBP bevestigde – zoals ook in de uitzending van Zembla werd aangehaald – dat het DIS «een van de meest risicovolle verwerkingen in Nederland» is en dat «dit maakt dat bij de verdere uitwerking van de pseudonimisering van het DIS de hoogst denkbare maatstaven dienen te worden gehanteerd». Het CBP gaf toen aan dat de destijds aan het CBP voorgelegde aanpak bij het DIS «een correcte toepassing van de pseudonomiseringsoplossing» beschrijft.
Het CBP heeft daarnaast ook als eis gesteld dat de gepseudonimiseerde gegevens niet indirect identificerend mogen zijn. Gegevens zijn volgens het CBP (direct of indirect) identificerend als die gegevens «redelijkerwijs, zonder onevenredige inspanning» kunnen worden gebruikt om de identiteit van een persoon vast te stellen.
Het DIS heeft aan deze eisen van het CBP invulling gegeven door diverse technische en organisatorische maatregelen te nemen, te weten:
Schrikt u ervan dat het CBS in staat is de identiteit van de persoon achter de gespeudoniemiseerde gegevens van het DIS te achterhalen?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is de enige ontvanger van DIS-gegevens die op wettelijke grondslag koppelingen mag leggen tussen DIS-gegevens en andere gegevensbestanden. Alleen op deze manier kan het CBS statistieken maken over de relatie tussen enerzijds het zorggebruik en anderzijds bevolkingskenmerken, zoals inkomenspositie of woonsituatie. Het CBS heeft daarvoor in 2006 expliciet akkoord gekregen van het CBP. Het CBP heeft dat gedaan met de wetenschap dat daarmee aan het CBS als enige afnemer de sleutel wordt verstrekt «waarmee de (aan CBS verstrekte) pseudo-identiteiten alsnog kunnen worden geïdentificeerd.»8 Het CBP deed dit in verband met de wettelijke positie van het CBS. Het aanvullende privacyrisico achtte het CBP gering omdat het CBS reeds het wettelijk recht heeft persoonsgegevens op te vragen en de wet het CBS verbiedt deze verder te verspreiden en openbaar te maken op individueel niveau. De juridische kaders waarbinnen het CBS met privacygevoelige informatie om mag gaan zijn geregeld in de CBS-wet9 en de Wbp.
Gedurende het hele proces waarmee DIS-gegevens aan andere gegevens worden gekoppeld blijven identificerende persoonsgegevens (BSN en geboortedatum) versleuteld. CBS-medewerkers die statistische werkzaamheden uitvoeren hebben daarom géén toegang tot de identificerende persoonsgegevens in relatie tot DIS-bestanden.
Wat vindt u ervan dat het DBC-DOT-systeem, dat afgeleid is van betalen per verrichting, eerst de zorgkosten opjaagt, daarna de financiering van ziekenhuizen zo ingewikkeld maakt dat accountants geen goedkeurende verklaring willen afgeven over de jaarrekeningen en nu de privacy van patiënten in gevaar brengt? Maakt dit dat u het faillissement van de betaling per verrichting en het DBC-DOT-systeem erkent? Zo ja, wat betekent dat? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de context van uw vraag, beperk ik mij in de beantwoording tot uw opmerking dat het DBC-systeem de privacy van patiënten in gevaar zou brengen en dat dit het faillissement van het DBC-systeem zou betekenen. Het CBP en de rechter hebben bepaald dat het huidige DBC-systeem, inclusief de daarbij behorende regelgeving, géén onevenredige inbreuk doet op de privacy van patiënten. In het najaar van 2005 is het CBP akkoord gegaan met het gebruik van de huidige diagnose-informatie op DBC-niveau in het declaratieverkeer in de somatische zorg, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat op de middellange termijn het aantal DBC’s zou worden teruggedrongen door indikking of vergroving (dit is met de DOT-operatie gebeurd). Daarnaast is de privacy van patiënten binnen het DIS en bij het CBS beschermd door de hiervoor genoemde risico-beheersende maatregelen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft in twee uitspraken in relatie tot de ggz geoordeeld dat de vermelding van diagnose-informatie op de declaratie niet onrechtmatig is, mits wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden (LJN: BN3056 en BV8297). Met de huidige regelgeving wordt aan die voorwaarden voldaan. Ik ben het dan ook niet eens met uw conclusie.
Het pleidooi voor een fonds om justitiële dwalingen te voorkomen |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Brandpunt van 20 april 2014 over gerechtelijke dwalingen?1
Ja.
Deelt u de mening dat in de toekomst voorkomen moet worden dat mensen die jarenlang ten onrechte vast hebben gezeten zo lang moeten wachten op gesprekken, excuses en schadevergoeding van justitie? Zo ja, hoe gaat dat voorkomen worden?
Ja. In de praktijk blijken deze procedures doorgaans ook goed te lopen; in de afgelopen jaren zijn verschillende zaken adequaat en snel afgehandeld. De definitieve afdoening van een schadeclaim kan echter enige tijd vergen. Dit is onder andere afhankelijk van de omvang van een claim, de bewijspositie en de bijzondere omstandigheden van het geval.
Wat is uw reactie op de stelling dat er op dit moment waarschijnlijk meerdere mensen onterecht achter de tralies zitten omdat het aantonen van «gerede twijfel» over de juistheid van de veroordeling zeer ingewikkeld is?
Het aantonen van de onjuistheid van een veroordeling is onmiskenbaar een ingewikkeld proces. Juist daarom is op 1 oktober 2012 de Wet herziening ten voordele in werking getreden. De voorzieningen die door deze wet in het leven zijn geroepen, hebben tot doel de veroordeelde te ondersteunen onderzoek te doen, indien blijkt dat er gerede twijfel is over de juistheid van de veroordeling. Mochten zich op dit moment nog mensen onterecht in detentie bevinden, waar ik uiteraard geen kennis van heb maar wat ik ook niet kan uitsluiten, dan bieden deze nieuwe wettelijke mogelijkheden hen nieuwe perspectieven.
Deelt u de mening dat de bekend geworden gerechtelijke dwalingen uit het verleden hebben uitgewezen dat de dwaling pas aan het licht kwam door de (vrijwillige) inzet van deskundigen en anderen die zich om het slachtoffer van de dwaling bekommerden?2
Voor een aantal bekende dwalingen uit het verleden is dit inderdaad het geval.
Deelt u de mening dat het vaak een probleem is dat slachtoffers van dwalingen geen geld hebben om aanvullend onderzoek te laten verrichten om hun onschuld aan te tonen?
Ik deel de mening dat in het verleden de herzieningsregeling onvoldoende voorzag in de mogelijkheid voor veroordeelden om aanvullend (forensisch) onderzoek te laten verrichten om hun mogelijke onschuld aan te tonen. Naar aanleiding van onder meer de Schiedammer Parkmoordzaak zijn er praktische regelingen getroffen om aan dit probleem tegemoet te komen. Met name het instellen van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) heeft hieraan bijgedragen. Deze commissie heeft in enkele grote zaken onderzoek verricht, hetgeen in de zaken Lucia de B. en Ina Post heeft geleid tot de indiening van een herzieningsverzoek bij de Hoge Raad.
Met de inwerkingtreding van de Wet herziening ten voordele per 1 oktober 2012 is een (wettelijke) leemte opgevuld, waardoor de CEAS overbodig is geworden. Deze wet biedt gewezen verdachten van ernstige misdrijven – strafbare feiten waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 12 jaar of meer is gesteld en waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt – de mogelijkheid om ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag de procureur-generaal bij de Hoge Raad te verzoeken nader onderzoek te doen naar bepaalde feiten. Met de resultaten van dat onderzoek kan de herzieningsaanvraag vervolgens worden onderbouwd.
Voor honorering van een verzoek tot nader onderzoek is vereist dat sprake is van aanwijzingen dat mogelijkerwijs sprake is van een novum. In de genoemde wet is het begrip «novum» niet langer beperkt tot een nieuwe feitelijke omstandigheid. Onder «novum» kunnen nu ook nieuwe inzichten van deskundigen vallen. Daarbij moet het wel nog steeds gaan om een nieuw gegeven dat het ernstige vermoeden doet ontstaan dat de rechter tot een ander oordeel zou zijn gekomen als hij daarvan had geweten. Indien een nader onderzoek door de procureur-generaal bij de Hoge Raad wordt ingesteld, komen de kosten daarvan voor rekening van de Staat. Daarnaast verleent de Raad voor rechtsbijstand een toevoeging voor de bijstand van een raadsman bij de voorbereiding van een herzieningsverzoek.
Tegen deze achtergrond ben ik van mening dat de noodzaak ontbreekt om te komen tot een permanent fonds om justitiële dwalingen te voorkomen. Met de reeds genomen maatregelen wordt voldaan aan de op de overheid rustende verantwoordelijkheid om het rechtssysteem zodanig in te richten dat mogelijke fouten (dwalingen) die daaruit voortvloeien kunnen worden gecorrigeerd.
Welke verantwoordelijkheid rust er volgens u op de overheid om dwalingen aan het licht te brengen en mensen die ten onrechte veroordeeld zijn zo snel mogelijk in vrijheid te stellen?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw reactie op het pleidooi van advocaat Knoops en emeritus hoogleraar Tak voor een permanent fonds om justitiële dwalingen te voorkomen, waarbij bijvoorbeeld door een commissie van wijzen bepaald kan worden of in een bepaalde zaak onderzoek vanuit dat fonds betaald moet worden?3
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat dwalingen in stand blijven als een dergelijk fonds er niet komt, waardoor mensen mogelijk jarenlang ten onrechte vast zitten?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om met voorstellen te komen voor een permanent fonds om justitiële dwalingen te voorkomen, of in ieder geval deze niet langer voort te laten duren? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.