Het bericht dat slechts negen procent van de door Defensie goedgekeurde dronevluchten van te voren bekend gemaakt is |
|
Gerard Schouw (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dronevluchten zelden vooraf bekend gemaakt» op NU.nl?1
Ja.
Klopt het dat in 2013 slechts negen procent van de door Defensie goedgekeurde vluchten vooraf bekendgemaakt is?
Nee. Wel zijn er in 2013 aanzienlijk minder inzetten van Unmanned Aerial Vehicles (UAV’s) gepubliceerd in de Staatscourant dan in voorgaande jaren. Dit komt doordat de aanvraagprocedure voor trainingsvluchten boven militaire oefenterreinen in 2012 is veranderd door mijn beschikking van 13 april 2012 (Instelling tijdelijke bijzondere luchtverkeersgebieden voor UAS-vluchten, EHR 50 tot en met EHR 57 Staatscourant, nr. 7878, 24 april 2012).
Tot 13 april 2012 werd voor elke UAV-inzet een aanvraag gedaan voor een Bijzonder luchtverkeersgebied (BVG). Dit gold voor de inzet van UAV’s op verzoek van civiele autoriteiten, maar ook voor oefen- en trainingsvluchten van Defensie boven militair oefenterrein. Het BVG wordt door de Minister van Defensie in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu per beschikking toegewezen en gepubliceerd in de Staatscourant. Voorts wordt de instelling van een BVG aan het overige luchtverkeer bekendgemaakt met een Notice to Airmen (NOTAM). Dit is een instrument dat overal ter wereld wordt gebruikt om bijzonderheden in het luchtruim te melden. Vliegers zijn verplicht voor hun vlucht de NOTAM’s te raadplegen.
Door de beschikking van 13 april 2012 hoeft Defensie niet langer voor iedere trainingsvlucht boven militair oefenterrein een BVG aan te vragen. Voor dergelijke vluchten wijst de beschikking een aantal BVG’en aan, die Defensie kan gebruiken na afkondiging van een NOTAM. Deze oefeningen boven militair oefenterrein worden dus niet meer afzonderlijk in de Staatscourant gemeld. Uitsluitend de aanvragen op verzoek van civiele autoriteiten en de inzet voor oefeningen of demonstaties door Defensie buiten de in de beschikking genoemde BVG’en, worden nog gepubliceerd in de Staatscourant.
Het bovenstaande verklaart het afgenomen aantal bekendmakingen in de Staatscourant. In 2013 waren er in totaal 12 inzetten van UAV’s die vermelding in de Staatscourant vereisten. Het betrof zes aanvragen voor een BVG op verzoek van de Officier van Justitie, drie aanvragen voor opleidingsdoeleinden buiten militaire oefenterreinen en twee aanvragen voor een demonstratie door Defensie. Voorts is in 2013 eenmaal een UAV van Defensie ingezet op verzoek van de burgemeester van Westervoort voor observatie tijdens een bomruiming in zijn gemeente. Hiervoor heeft Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) voorafgaand aan de vlucht een BVG afgekondigd in de Staatscourant. Ook de vijf genoemde inzetten door Defensie zijn vooraf bekendgemaakt in de Staatscourant. De zes vluchten op verzoek van de Officier van Justitie zijn na afloop van de inzet gepubliceerd in de Staatscourant.
Bij de inzet van een UAV op verzoek van het civiel gezag, beslist het civiel gezag tot publicatie in de Staatscourant voor of na de inzet. Met het oog op de vertrouwelijkheid en effectiviteit van strafrechtelijke onderzoeken is het doorgaans niet wenselijk vluchten voor de inzet aan te kondigen.
Is het niet verstandiger om dronevluchten van te voren bekend te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom hebben de aankondigingen desondanks in 91% van de gevallen toch pas achteraf plaatsgevonden?
Zie het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat door middel van dronevluchten over de huizen van 3,2 miljoen Nederlanders gevlogen is?
Nee. Zoals beschreven in antwoord 2, worden de meeste vluchten van Defensie uitgeoefend boven militair oefengebied. UAV’s van Defensie worden alleen boven bewoond gebied ingezet op verzoek van het civiel gezag en in enkele gevallen voor oefenvluchten van Defensie. Deze inzetten betreffen een beperkt deel van het ingestelde BVG.
Zijn er van niet tevoren aangekondigde dronevluchten verkregen registraties bewaard gebleven? Zo ja, om welke data gaat het, in welke hoeveelheden en voor welke termijn gebeurt dit?
Van iedere UAV-vlucht boven militair oefenterrein worden de digitale loggegevens, logboeken, de NOTAM, meteoberichten, de frequentietoewijzing en het beeldmateriaal bewaard. Voor alle gegevens bestaat een bewaarplicht van drie maanden2, tenzij de veiligheid van de vlucht in het geding is geweest. Dan wordt de bewaarplicht verlengd tot een jaar ten behoeve van het veiligheidsonderzoek.
De bewaarplicht van drie maanden geldt ook voor gegevens die worden verzameld tijdens vluchten op verzoek van het civiel gezag, met uitzondering van het verzamelde beeldmateriaal. Na de inzet draagt Defensie het beeldmateriaal over aan de civiele autoriteiten, meestal de politie. De politie bewaart beelden uitsluitend voor zover ze relevant zijn voor een strafrechtelijk onderzoek. Mogelijk zijn deze beelden daarna, in combinatie met informatie die later tijdens het strafrechtelijk onderzoek beschikbaar komt, tot een persoon te herleiden. In dat geval zijn het persoonsgegevens die onder het regime vallen van de Wet politiegegevens of de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Dan zijn de bewaartermijnen in deze wetten van toepassing. Direct na overdracht van de gegevens aan de civiele autoriteiten worden alle bij Defensie aanwezige kopieën vernietigd, tenzij er door het gezag expliciet toestemming is verleend om de beelden voor opleidingsdoeleinden te gebruiken. Het gaat hierbij om gegevens die niet tot personen zijn te herleiden.
Op welke wijze ziet u proportionaliteit in het enerzijds veelvuldig niet-aangekondigd gebruik van drones en anderzijds het geringe opsporingseffect dat zij hebben?2
Het bevoegd gezag toetst bij alle verzoeken om militaire bijstand van defensiemiddelen de proportionaliteit van het gevraagde middel. Op 8 mei 2013 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie u geïnformeerd over de wijze waarop de inzet van UAV’s tot vervolging heeft geleid (Handelingen TK 2012–2013, Aanhangsel nr. 2216). Afhankelijk van de aard van en ontwikkelingen in een strafrechtelijk onderzoek, kan de inzet van een UAV zeer nuttig zijn voor het vergaren van informatie ter ondersteuning van operationele beslissingen, bijvoorbeeld bij het doen van een inval of het verrichten van een aanhouding.
Bent u van mening dat het op deze manier inzetten van drones een verkeerd signaal aan de samenleving afgeeft voor wat betreft het respecteren van elkaars privacy?
Ik deel deze mening niet. Met mijn brieven van 13 mei 2013 (Kamerstuk 30 806, nr. 13), 13 juni 2013 (Handelingen TK 2012–2013, Aanhangsel nr. 2566) en 4 oktober 2013 (Kamerstuk 30 806 nr. 14) heb ik u eerder geïnformeerd over de procedure die wordt gevolgd bij de inzet van defensiemiddelen voor militaire bijstand ter ondersteuning van civiele autoriteiten. Het bevoegd gezag toetst de proportionaliteit en subsidiariteit van de inzet van het gevraagde middel. Overigens leveren de camera’s van de ingezette UAV’s geen beelden op waarop personen herkenbaar in beeld zijn.
Kunt u toezeggen dat over 2014 honderd procent van de dronevluchten die door Defensie goedgekeurd worden tevoren in de Staatscourant gepubliceerd worden? Zo nee, waarom bent u daar niet toe bereidt? Zo ja, hoe gaat u daar zorg voor dragen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht dat stemgedrag van raadsleden praktisch niet te achterhalen is |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Stemgedrag gemeenteraadsleden praktisch onvindbaar»?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat goed functioneren van de lokale democratie vereist dat notulen van raadsvergaderingen, besluitenlijsten van de gemeenteraad en stemgedrag van raadsleden algemeen toegankelijk en goed vindbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Ja, in het kader van de Open Overheid is het uitgangspunt dat de overheid transparant is. Hoe dat in de praktijk wordt vormgegeven door overheidsorganisaties, kan verschillen. De gemeenten vormen een autonome bestuurslaag. Op basis van de Gemeentewet kunnen gemeenteraden binnen de kaders van de Gemeentewet een reglement van orde opstellen, waarin onder meer wordt geregeld hoe de raad haar burgers informeert over hetgeen in de raad besproken en besloten wordt. De Gemeentewet laat zich wel uit over een verslag en een besluitenlijst (artikel 23 Gemeentewet), maar niet over de mate waarin de raad informatie verschaft over het stemgedrag van raadsleden.
Aangezien de gemeenten een autonome bestuurslaag zijn, is het belangrijk dat met name de gemeenten de opvatting delen dat de raad informatie over haar functioneren beter beschikbaar kan stellen. De gemeenten zijn hier zelf aan zet.
Hoe beoordeelt u de conclusies van Open State en de Universiteit Utrecht dat notulen van raadsvergaderingen, besluitenlijsten van de gemeenteraad en stemgedrag van raadsleden op dit moment onvoldoende openbaar worden gemaakt en/of toegankelijk zijn, en een uniforme en gebruiksvriendelijke aanbieding van deze informatie in iedere gemeente de norm zou moeten worden?
Zie antwoord op vraag 2.
Wat gaat u ondernemen om gemeenten aan te sporen tot een volledige en gebruiksvriendelijke informatievoorziening over vergaderingen van de gemeenteraad?
In het kader van het Actieplan Open Overheid2 wordt op diverse terreinen meer openheid nagestreefd, in partnerschap met andere overheidsorganisaties.
Zo wordt gekeken naar de behoefte van burgers bij het actief ontsluiten van informatie en de haalbaarheid (organisatorisch, juridisch en financieel) aan de kant van de overheid. Er wordt dit voorjaar onderzoek gedaan naar de categorieën van overheidsinformatie die actiever beschikbaar gesteld kunnen worden. Een ander actiepunt is dat gemeenten maar ook andere overheden hun website kunnen verbeteren en informatie beter vindbaar kunnen maken. Dat kan door onderzoek te doen naar zoekgedrag van bezoekers van de gemeentelijke website (toptaken benadering, actiepunt in actieplan Open Overheid) en/of via de lijn van de webrichtlijnen. De webrichtlijnen hebben als uitgangspunt dat websites voor alle gebruikers goed doorzoekbaar zijn (zoekmachines, mobiele telefoons, blinden en slechtzienden). De webrichtlijnen stellen eisen aan de manier waarop informatie beschikbaar wordt gesteld en dat er alternatieven worden aangeboden, bijvoorbeeld een schriftelijk verslag, naast een videoverslag.
Op deze verschillende terreinen vindt een dialoog plaats met de VNG over hoe bij gemeenten verder gestalte wordt gegeven aan open overheid en in hoeverre goede voorbeelden tussen gemeenten onderling en van andere overheidsorganisaties stimulerend kunnen werken.
Bent u bereid om een landelijk model op te zetten voor het verstrekken van toegankelijke en gebruiksvriendelijke informatie over de gemeenteraad, waaronder ten minste het verstrekken van notulen van raadsvergaderingen, besluitenlijsten van de raad en het stemgedrag van raadsleden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben dit nu niet van plan. Zoals aangekondigd in het actieplan open overheid zal ik eerst onderzoeken aan welke informatie de grootste behoefte bestaat (zie antwoord vraag3. Mocht het zo zijn dat hier informatie over het functioneren van de gemeenteraad onder valt dan kan ik in overleg met betrokken partijen de mogelijkheden voor verbetering van de ontsluiting meenemen.
Het bericht dat scholen geld overhouden |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderwijsinstellingen houden ruim 300 miljoen euro over»?1
Ja. De in het bericht opgenomen bedragen zijn afkomstig uit het eerder gepubliceerde jaarrekeningoverzicht voor MBO, HBO en universiteiten en het Financieel Beeld funderend onderwijs. Dit laatste overzicht is op 20 december 2013 aan uw Kamer aangeboden (Kamerstuk 31 293, nr. 193). De overzichten voor MBO, HBO en universiteiten worden openbaar gemaakt via de website van DUO. Deze overzichten worden jaarlijks door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap opgesteld.
Klopt het dat, zoals de Algemene Onderwijsbond heeft berekend op basis van gegevens van uw ministerie, verschillende onderwijssectoren geld «overhouden»?
Een incidenteel positief resultaat betekent niet per definitie dat de sectoren geld «overhouden». Voor een prudent financieel beleid is het zaak om op de lange termijn naar evenwicht te streven. Dit sluit aan bij de bevindingen van de commissie Vermogensbeheer Onderwijsinstelling (commissie Don) (Kamerstuk 32 123 VIII, nr.2. Geadviseerd werd dat instellingen een meerjarige financiële planning opstellen en een op de eigen omstandigheden toegesneden risico-analyse. Instellingen kunnen zelf van jaar tot jaar een inschatting maken om in te teren, te lenen of te sparen om zo een financiële buffer op te bouwen voor het opvangen van risico’s of om te investeren.
Kunt u (per onderwijssector) nader toelichten hoe hoog de exacte onderuitputting van de beschikbare middelen is?
Voor de onderwijssectoren als totaal zijn over 2012 de volgende resultaten behaald (in miljoenen euro’s):
PO
VO
MBO
HBO
WO
(S)BAO
Expertisecentra
Samenwerkingsverbanden WSNS
5
30
– 5
94
21,5
61
104
Voor zowel het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs geldt, dat voor het eerst sinds enkele jaren weer sprake is van een positief resultaat. Voor het basisonderwijs is dit voor het eerst sinds 2008, voor het voortgezet onderwijs voor het eerst sinds 2010. In de jaren 2010 en 2011 samen behaalde het basisonderwijs een negatief resultaat van € 233 mln. Het voortgezet onderwijs had in deze jaren een totaal negatief resultaat van € 140 mln. Zo bezien is het positieve resultaat van € 5 mln. in het basisonderwijs, oftewel 0,1% van de totale baten, zeer beperkt. Voor het voortgezet onderwijs is dit percentage 1,2%.
De expertisecentra in het (s)vo hadden in 2012 vanwege toenemende inkomsten een positief resultaat van € 30 mln. In de jaren 2010 en 2011 bedroeg het resultaat € 1 mln.
Het beperkte positieve resultaat in het basisonderwijs is een resultante van een daling in personeelskosten. Besturen hebben op grond van een prognose voor de komende jaren in 2012 besloten minder personeel in dienst te nemen of te houden. Het positieve resultaat in het voortgezet onderwijs komt voort uit een minder sterke stijging van de personeelskosten dan verwacht gezien de leerlingontwikkeling.
De samenwerkingsverbanden Weer Samen naar School tot slot hadden in 2012 een negatief resultaat van € 5 mln., circa 1,2% van de totale baten. Met ingang van augustus 2014 zullen de samenwerkingsverbanden WSNS vervangen worden door de nieuwe samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs.
De MBO-sector kende in 2012 geen noemenswaardig exploitatieresultaat. Ook in de jaren daarvoor (2008–2011) was hiervan geen sprake. Het beeld voor het MBO over de afgelopen 5 jaar is wisselend positief en negatief. Als de resultaten van de afgelopen vijf jaar bij elkaar worden opgeteld, is er sprake van een totaal positief resultaat van € 21,3 mln. Dat betekent een gemiddeld resultaat over de afgelopen vijf jaar van € 4,3 mln. per jaar en een rentabiliteit van ongeveer 0,1% van de totale baten. Dit laat zien dat de MBO-sector de afgelopen jaren goed heeft begroot en middelen niet aan de reserves zijn toegevoegd.
De totale HO-sector had over 2012 een resultaat van € 165 mln. De HBO-sector kende in 2012 een positief resultaat van € 61 mln. De WO-sector had in 2012 een positief resultaat van € 104 mln. De resultaten fluctueren per jaar, maar vertonen een positief beeld. De rentabiliteit van de HBO-sector is in 2012 1,7% van de totale baten. Voor de WO-sector geldt dat de rentabiliteit 1,9% van de totale baten is.
Omdat bij de sector HO ten opzichte van de andere sectoren sprake is van relatief hogere inkomsten uit de derde geldstroom, kan dit resultaat niet geheel als een onderuitputting van de rijksbijdrage worden aangemerkt.
Binnen het HO geldt dat de instellingen financiële middelen reserveren omdat zij zelf verantwoordelijk zijn voor onder meer huisvestinginvesteringen, investeringen in ICT-infrastructuur en cao’s.
HO-instellingen hebben – naast de rijksbijdragen – relatief veel inkomsten uit de zogenoemde tweede en derde geldstroom. In tegenstelling tot wat geldt voor de bijdrage van de overheid, doen zich daarbij risico’s in de continuïteit voor. Als de inkomsten uit de tweede en derde geldstroom teruglopen, moet de instelling deze terugloop kunnen opvangen. Ook hiervoor moeten instellingen reserves aanhouden.
Kunt u nader toelichten hoe het mogelijk is dat er in 2012 in sommige sectoren tientallen miljoenen euro's niet zijn uitgegeven aan het onderwijs, de kwaliteit van leraren en het op peil houden van aanbod van voldoende arbeidsplaatsen voor leraren?
De genoemde bedragen betreffen slechts een fractie van de middelen die in 2012 zijn uitgegeven aan het onderwijs.
De niet in 2012 uitgegeven bedragen blijven beschikbaar voor de instellingen. Zoals aangegeven bij vraag 2 kunnen instellingen een positief resultaat gebruiken om tekorten uit het verleden aan te zuiveren of om te sparen. Deze gelden kunnen in de toekomst worden ingezet voor bijvoorbeeld investeringen in het onderwijs of om minder positieve/negatieve resultaten op te vangen.
Kunt u inzichtelijk maken of er in 2013 ook sprake is geweest van onderuitputting van de budgetten en het oppotten van geld door onderwijsinstellingen? Zo ja, om welke bedragen gaat het dan per sector?
Nee. Onderwijsinstellingen hebben nog tot 1 juli 2014 de tijd om hun jaarrekening over 2013 in te dienen. Om die reden is er op dit moment nog geen totaalbeeld van het financieel resultaat over 2013 van de verschillende onderwijssectoren beschikbaar.
Deelt u de mening dat onderwijsgeld aan onderwijs moet worden uitgegeven? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om scholen aan te moedigen of te dwingen om in een situatie van onderuitputting de middelen die zij «overhouden» alsnog te investeren in de kwaliteit van het onderwijs en niet (onnodig) oppotten?
Geld dat bedoeld is voor onderwijs moet ook aan onderwijs worden uitgegeven. De financiële situatie van de diverse onderwijsinstellingen in de diverse sectoren is echter gevarieerd en er kan niet zonder meer gesproken worden van het «overhouden» van onderwijsgeld. Een bestuur kan een goede reden hebben voor het aanhouden en of creëren van reserves. Het ministerie van OCW bepaalt niet hoeveel reserves een bestuur aan mag houden omdat er bij het aanhouden van een financiële buffer sprake is van maatwerk. In eerste instantie legt een onderwijsinstelling verantwoording af aan de direct belanghebbenden over de keuzes die het maakt bij de inzet van bekostiging, waaronder ouders, leerlingen, leerkrachten, en medezeggenschapsraad.
In 2012 is er door de Inspectie van het Onderwijs uitgebreid onderzoek gedaan naar besturen met hoge financiële buffers in het primair en voortgezet onderwijs. Uit het rapport CVO 400, dat op 23 augustus 2012 aan uw Kamer is aangeboden (Kamerstuk 31 293/31 289, nr.146), bleken 93 van de onderzochte besturen in het PO en 17 van de onderzochte besturen in het VO een te hoge financiële buffer te hebben. De Inspectie van het Onderwijs heeft afspraken met de betreffende besturen gemaakt om de reserves in te zetten voor het onderwijs en/of om zich te verantwoorden over de hoge reserves. De inspectie monitort het nakomen van de afspraken.
Het bericht dat medische problemen dreigen voor illegale vreemdelingen |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat medische problemen dreigen voor illegale vreemdelingen omdat onverzekerde vreemdelingen vijf euro moeten gaan betalen voor elk medicijn dat ze krijgen voorgeschreven?1 Wat is uw reactie hierop?2
Ja. De eigen bijdrage van € 5 (hierna: vijf-euromaatregel) heb ik aangekondigd in de VWS-Verzekerdenmonitor die ik op 19 november 2013 (met kenmerk 156587–111195-Z) aan uw Kamer heb gezonden. Bij de aanbesteding voor de contractering van apothekers voor 2014 en 2015 (met verlengingsmogelijkheid van maximaal drie jaar) is een minimum eigen betaling van € 5 per receptregel als uitgangspunt gehanteerd.
Naar aanleiding van de Kamervragen van 28 november 2013 van de leden Gesthuizen en Leijten over medicijnkosten voor vreemdelingen (2013Z23425) heb ik in mijn antwoord van 17 december 2013 op de vragen 1 tot en met 4 uitvoerig uiteengezet waarom deze maatregel is ingevoerd.
De maatregel is uitgewerkt in de overeenkomst die het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) aangaat met apotheken voor het leveren van farmaceutische zorg aan onverzekerbare vreemdelingen. Van belang is te vermelden dat aan de onverzekerbare vreemdeling bij weekvervolguitgifte van zijn medicijnen geen eigen betaling wordt gevraagd.
Kunt u uiteenzetten wat de consequenties zijn van deze maatregel voor de toegang tot medische zorg voor illegale vreemdelingen?
Het uitgangspunt is dat een onverzekerbare vreemdeling de kosten van zorg zelf draagt. Gecontracteerde ziekenhuizen slagen er vaak in om met behulp van een betalingsregeling of incassomaatregelen een deel van de kosten van de geleverde zorg te innen. Gelet hierop ben ik van mening dat een bedrag van (minimaal) € 5 de toegankelijkheid tot medisch noodzakelijke zorg niet belemmert.
Zoals ik in het antwoord hierboven heb aangegeven is de vijf-euromaatregel niet van toepassing op weekvervolguitgiftes. Mensen die dus week-in-week-uit- bijvoorbeeld antidepressiva of antipsychotica nodig hebben, zoals vermeld in het krantenbericht, worden dus niet keer op keer getroffen door deze maatregel. Het CVZ heeft dit bewust zo gedaan om te voorkomen dat deze groep door de maatregel met onevenredig hoge kosten wordt geconfronteerd.
Niet alle patiënten met chronische medicatie hebben een weekvervolguitgifte. Tot 1 januari 2014 werden de medicijnen aan onverzekerbare vreemdelingen voor maximaal 1 maand meegegeven. Deze uitgiftemogelijkheid is verruimd. De apotheker kan nu voor drie maanden medicatie meegeven. Een patiënt die voor langere tijd medicatie gebruikt betaalt dan dus maar eens in de drie maanden vijf euro per receptregel.
Waarom is er voor gekozen deze financiële barrière aan te brengen en niet voor een strengere toetsing van de financiële draagkracht van de personen die hun zorgkosten declareren?
Zoals in het antwoord hierboven is vermeld is het uitgangspunt van de wet dat een onverzekerbare vreemdeling de kosten volledig zelf draagt. In de praktijk gebeurt dit in een aantal gevallen ook. Gelet op het wettelijk uitgangspunt van de regeling dat de onverzekerbare vreemdeling de kosten van zorg in beginsel zelf behoort te betalen deel ik niet het gevoel dat er sprake is van het opwerpen van een onredelijke financiële barrière.
De maatregel is niet genomen met het primaire doel om een besparing op te leveren. Het is de bedoeling om de uitgangspunten van de regeling meer in acht te nemen en ervoor te zorgen dat de illegaal bijdraagt aan de zorg die hij inroept. Ook wordt zo het misverstand weggenomen dat in Nederland de zorg voor illegalen gratis is.
Het toetsen van financiële draagkracht van mensen die medicijnen nodig hebben is ondoenlijk en vind ik bovendien ongewenst. Dat doen apothekers immers ook niet voor de eigen medicijnbijdrage van verzekerden.
De hogere accijnzen |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich dat u in het wetgevingsoverleg van 4 november 2013 over het Belastingplan bij het onderwerp accijnzen op diesel/LPG zei: «Ik zal vanaf 1 januari wel degelijk mijn ogen de kost geven en mijn oor te luisteren leggen, opdat ik weet wat er gebeurt»? Wat heeft u sinds 1 januari gezien en gehoord?
Ik heb kennisgenomen van de berichten over negatieve effecten van de accijnsverhogingen van motorbrandstoffen voor tankstations in de grensstreek, waaronder de recente brandstofmonitor van Bovag en NOVE over de maand januari 2014. De getoonde effecten zijn de uitkomst van een steekproef onder leden. De cijfers geven geen fraai beeld. Tegelijkertijd roepen de cijfers ook vragen op. Hoe moet bijvoorbeeld een landelijke LPG daling van LPG-verkoop met eenvijfde worden geduid, een nog sterkere daling dan in de grensstreek? Bovendien moeten de cijfers ook worden afgezet tegen autonome trends, die ook zonder accijnsverhoging zouden zijn opgetreden zoals de effecten van de algemene economische ontwikkeling of de al jaren dalende dieselverkoop. Voorts zijn de cijfers van alleen januari onvoldoende om direct conclusies uit te kunnen trekken. Zo zorgen bijvoorbeeld anticipatiegedrag en maandelijkse fluctuaties voor een niet representatief beeld. Ik heb echter begrip voor de situatie van pomphouders in de grensstreek en de accijns op motorbrandstoffen staat dan ook hoog op mijn agenda. Ik zal in overleg treden met de branche-organisaties, mede om na te gaan op welke wijze hun cijfers tot stand zijn gekomen. Ik heb inmiddels eigen onderzoek in gang gezet. Een aantal oliemaatschappijen heeft zich bereid verklaard gegevens te verstrekken over de hoeveelheden afgezette brandstof naar type. Daarbij zal een onderscheid mogelijk zijn naar het binnenland en verschillende breedtes van de grensstrook. Deze gegevens kunnen worden gelegd naast de macrogegevens die we via de accijnsaangiften ontvangen. Bovendien zullen de gegevens worden ingekleurd uit andere bronnen, zodat ontwikkelingen beter kunnen worden verklaard. Om tot een voldoende onderbouwd oordeel te komen zijn toch ten minste de uitkomsten van drie maanden nodig. Hoewel de oliemaatschappijen tijd nodig hebben om bruikbare gegevens te kunnen leveren, kan hierdoor de monitor toch worden versneld. Met de gevonden versnellingen in het proces kan naar verwachting een beeld worden opgeleverd per half mei 2014. Ik besef dat de getroffen ondernemers meer haast hebben, maar zonder een solide feitenbasis blijft oordeelvorming een speculatief karakter houden.
Herinnert u zich dat u meermalen geantwoord heeft dat de raming in de begroting, namelijk € 230 miljoen meeropbrengsten door dieselaccijns, een raming is die geen enkele rekening houdt met grenseffecten?
Ik heb kennisgenomen van deze motie en de reactie daarop van mijn ambtsvoorganger. De opbrengst van de verhoging van de accijns op diesel en LPG per 1 januari 2014 bedraagt € 280 miljoen bij een gelijkblijvende grondslag, dus zonder gedragseffecten. Dit is, conform de begrotingsregels, het bedrag dat gebruikt wordt om de lastenverzwaring te boeken ofwel het lastenrelevante effect. In de raming van de totale jaarlijkse belastingontvangsten en daarmee het EMU-saldo wordt rekening gehouden met alle relevante ontwikkelingen die invloed hebben op de belastingontvangsten, dus ook de reacties op de tariefverhoging. Effecten van lastenverzwaringen zoals accijnsverhogingen komen onder andere tot uitdrukking in de raming van de binnenlandse consumptie, een van de meest relevante macro-economische indicatoren voor de ontwikkeling van de totale belastingontvangsten. Andere relevante ontwikkelingen zijn eventuele trends, in- en uitverdieneffecten van andere beleidsmaatregelen van het kabinet en specifieke gedragseffecten (waaronder grenseffecten) voor zover deze met zekerheid zijn te voorspellen. Mijn ambtsvoorganger heeft tijdens de parlementaire behandeling onderkend dat er risico bestaat op een toename van tanken over de grens, echter dat effect is op voorhand onzeker.
Herinnert u zich dat u de motie Omtzigt (Kamerstuk, 33 752, nr. 18), die vroeg om «een schatting te geven van de precieze opbrengst van de accijnsverhoging waarbij wel rekening is gehouden met de grenseffecten», ontraadde en zo bewust geen enkele realistische schatting maakte van de gevolgen van de accijnsverhogingen?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u kennisgenomen van de forse gerapporteerde omzetdalingen in de hele grensstreek van Nederland?1 2 3
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om aan het UWV (Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen) te vragen voor hoeveel mensen een ontslagaanvraag gedaan is bij de pompstations per maand sinds mei 2013 en dat zo spoedig mogelijk aan de Kamer mee te delen?
Uit contact met het UWV blijkt dat geen informatie over ontslagaanvragen bij pompstations kan worden geleverd. Het UWV kent namelijk een zodanige grofmazige indeling per sector, dat daaruit niet de ontslagaanvragen bij pompstations kunnen worden afgezonderd. Sectorinformatie speelt overigens ook geen enkele rol bij de afhandeling van ontslagzaken.
Bent u bereid om aan het CBS te vragen de cijfers over de maandelijkse brandstofverkoop van januari zo spoedig mogelijk te publiceren na afloop van de maand? Wanneer zijn die cijfers beschikbaar bij het CBS en bij uw ministerie?
Uw verzoek is neergelegd bij het CBS. Het CBS gaf daarop het volgende antwoord: «Het CBS streeft ernaar statistieken zo spoedig mogelijk na afloop van de verslagperiode te publiceren. Daarbij is het CBS onder meer afhankelijk van een tijdige rapportage door de desbetreffende bedrijven. Door processen zo efficiënt mogelijk in te richten en er nauwlettend op toe te zien dat bedrijven op tijd hun opgave doen, wordt geprobeerd de actualiteit van de publicaties verder te verbeteren.
Op de CBS-website is vermeld dat de cijfers over de maandelijkse brandstofverkopen in de tweede maand na de verslagmaand beschikbaar komen. In de praktijk betekent dit een publicatiedatum in de laatste week van die maand.
De informatie komt voor alle gebruikers op hetzelfde moment beschikbaar via de website van het CBS. De cijfers over de maand januari worden niet voor 20 maart verwacht.»
Kunt u aangeven hoe hoog de brandstofprijzen aan de pomp aan de grens zijn in Nederland, Duitsland en België op dit moment?
De pompprijzen van motorbrandstoffen wisselen dagelijks en variëren per tankstation. Om een beeld te schetsen is onderstaand een overzicht opgenomen van pompprijzen op 15 januari 2014 bij diverse tankstations in Limburg en in de aangrenzende regio’s in Duitsland en België.
€ 1,62 tot € 1,68
€ 1,34 tot € 1,42
€ 0,74 tot € 0,95
€ 1,45 tot € 1,50
€ 1,34 tot € 1,39
€ 0,76
€ 1,46 tot € 1,60
€ 1,27 tot € 1,44
€ 0,56 tot € 0,67
Hoeveel opbrengsten denkt u dit jaar te halen uit de accijnzen op benzine, diesel en LPG?
Volgens de meest recente raming van de belastinginkomsten van het kabinet, dat is de stand Miljoenennota 2014, wordt 8,2 miljard aan accijnzen op benzine, diesel en LPG verwacht.
Wanneer verwacht u die opbrengsten voor het eerst bij te stellen?
De eerstvolgende update van de raming van het kabinet van het EMU-saldo 2014 en de onderliggende inkomsten en uitgaven volgt bij Voorjaarsnota 2014. Bij de raming wordt rekening gehouden met de gerealiseerde ontvangsten over 2013, het meest recente macro-economische beeld voor 2014 van het CPB (dat is de CEP2014) en de gerealiseerde ontvangsten tot en met de maand mei.
Bent u bereid om de accijnsverhogingen op brandstoffen van 1 januari jl. terug te draaien?
Zie antwoord vraag 1.
‘hikkende Patriots’ |
|
Raymond Knops (CDA) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het interview dat de commandant van de Patriot-missie in Turkije onlangs gegeven heeft over «hikkende Patriots»?1
Ja.
Herkent u zich in de door de commandant geschetste problematiek ten aanzien van de inzetbaarheid van de Patriot-systemen waardoor de systemen soms staan te «hikken», zoals hitte en stof, aanzienlijke vertraging in de levering van reservedelen en uitblijven van hoognodig groot onderhoud?
De langdurige inzet en hitte en stof in de zomerperiode zijn een zware belasting geweest voor het Patriot-systeem. Desondanks houdt het systeem zich goed. Gedurende het afgelopen jaar is er slechts beperkt sprake geweest van uitval. Hiervoor moest wel een aanzienlijke logistieke inspanning worden gepleegd. In 2014 is groot onderhoud aan de wapensystemen voorzien. Door te rouleren met systemen kan dit worden uitgevoerd zonder dat het ten koste gaat van de operationele inzet. U bent hierover geïnformeerd in de brief over de verlenging van de Patriot-missie (kenmerk 32 623, nr. 117).
Deelt u de door de commandant geuite twijfels of de Patriot-systemen het nog een jaar volhouden?
Met de inspanningen die worden gepleegd, is vertrouwen in de inzetbaarheid van de Patriot-systemen gerechtvaardigd.
Wanneer was deze problematiek en de twijfel over het voortzettingsvermogen van de Patriots u bekend?
Waar zich in het afgelopen jaar systeemklachten hebben voorgedaan, zijn passende maatregelen getroffen. Het huren van generatoren is hiervan een voorbeeld. Bij de planning van de verlenging was al bekend dat onderhoud aan de Patriot-systemen nodig is. In mijn brief van 15 november jl. (kenmerk 32 623, nr. 117) heb ik uw Kamer geïnformeerd over incidentele uitval alsmede over de aanzienlijke logistieke inspanning die moet worden gepleegd om de systemen inzetbaar te houden. In 2014 is groot onderhoud voorzien. Hiervoor zijn middelen gereserveerd op de defensiebegroting. De additionele uitgaven voor de militaire bijdrage komen, zoals gebruikelijk, niet ten laste van het defensiebudget maar van het Budget Internationale Veiligheid.
Waarom heeft u de Kamer hierover tot dusver niet geïnformeerd, terwijl deze aspecten onderdeel uitmaken van het Toetsingskader over de inzet van militairen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen gaat u nemen om aan de geschetste problematiek tegemoet te komen? Op welke wijze worden eventuele meerkosten gefinancierd?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid de Kamer hierover zo spoedig mogelijk per brief te informeren?
Indien er zich omstandigheden voordoen waardoor de structurele inzetbaarheid van Patriot alsnog in het geding zou komen, wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Bent u tevens bereid deze problematiek te betrekken bij de door u op 17 december jl. toegezegde visie op de toekomst van de geleide wapens?
In de evaluatie van de samenvoeging van luchtverdedigingseenheden van landmacht en luchtmacht tot het Defensie Grondgebonden Luchtverdedigingscommando (DGLC) zal ik op de relevante onderwerpen ingaan. Hierbij wordt ook het opheffen van de vierde Patriotbatterij in relatie tot het voortzettingsvermogen betrokken.
Het bericht ‘PGGM haalt beleggingen uit Israëlische banken’ |
|
Barry Madlener (PVV), Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «PGGM haalt beleggingen uit Israëlische banken»?1
Ja.
Hoe beoordeelt dit kabinet het gegeven dat nu ook pensioenuitvoerder PGGM overgaat tot een Israël-boycot?
Het kabinet heeft kennis genomen van het besluit van PGGM om aandelen in een aantal Israëlische banken van de hand te doen. Het betreft een eigenstandig besluit van PGGM op basis van zijn eigen MVO-beleid. PGGM blijft overigens beleggen in Israëlische bedrijven. Van een Israël-boycot door PGGM is dus geen sprake.
Is het kabinet het ermee eens dat het te gek voor woorden is dat de VN zich bemoeit met het al dan niet investeren van Nederlandse bedrijven en/of instellingen in Israël?
Nee.
Kunt u aangeven hoeveel geld PGGM momenteel in de Palestijnse gebieden belegt? Hoeveel geld belegt PGGM in de Arabische regio?
Het kabinet houdt de investeringen van PGGM niet bij. Echter, volgens gegevens van PGGM heeft het bedrijf nu meer dan EUR 60 miljoen aan belegd vermogen in enkele tientallen Israëlische ondernemingen. Hoeveel geld PGGM belegt in de Arabische regio, is het kabinet niet bekend.
Wat gaat het kabinet ondernemen om te voorkomen dat investeerders zich door toenemende negatieve berichtgeving en politieke druk en masse uit Israël terugtrekken?
Het kabinet treedt niet in de beslissingen van individuele bedrijven over hun economische activiteiten, maar verwacht van multinationale ondernemingen dat zij de OESO Richtlijnen als normatief kader hanteren. Het kabinet spant zich in voor nauwere economische samenwerking met Israël en de Palestijnse gebieden en voor verdere verdieping van de bilaterale betrekkingen. Het bilateraal samenwerkingsforum van december jl. heeft hiervoor een goede basis gelegd, waar de komende maanden op zal worden voortgebouwd.
Wat gaat u bijdragen om de toenemende anti-Israël-stemming in Nederland te keren en de bilaterale vriendschap met Israël te versterken?
Zie antwoord vraag 5.
De voortgang van de capaciteitsverhoging op de Valleilijn |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is de laatste stand van zaken in de planning en de financiering van de capaciteitsverhoging op de Valleilijn (bouw Barneveld Zuid, capacitaire inpassing Hoevelaken en Barneveld Zuid, oplossen overbelastverklaringen en doortrekken kwartierdienst tot Ede-Wageningen)? Kunt u een overzicht geven van de wijzigingen in deze planning sinds 2005?
Feitelijk is er geen sprake van een voornemen tot capaciteitsverhoging van de Valleilijn, maar van een afspraak tussen IenM en Gelderland om de robuustheid van de Valleilijn te verhogen. Eén van mijn voorgangers heeft naar aanleiding van de Quick scan decentraal spoor uit 2008 samen met de provincie Gelderland in 2009 besloten tot deze robuustheid verhogende maatregelen om de opening en bediening van de nieuwe stations Hoevelaken en Barneveld Zuid mogelijk te maken zonder inbreuk te doen op de betrouwbaarheid van de dienstregeling op het traject Barneveld Noord-Amersfoort van het hoofdrailnet (HRN). Daar is gezamenlijk via 50/50 cofinanciering een taakstellend budget voor afgesproken van € 11,5 mln. incl. btw. In goed overleg tussen ProRail, Gelderland, IenM, Connexxion en NS is na uitgebreid vooronderzoek besloten tot het treffen van een viertal maatregelen om de robuustheid van de Valleilijn te vergroten, m.n. door snelheidsverhoging. De studie naar deze maatregelen bevindt zich inmiddels in de fase van de planuitwerking.
De actuele stand van zaken van de genoemde projecten op de Valleilijn is als volgt:
Bouw nieuwe halte Barneveld Zuid: de halte is in de realisatiefase. Op 2 december 2013 is de realisatieovereenkomst tussen de gemeente Barneveld en ProRail ondertekend. Volgens de planning kunnen de treinen vanaf eind februari 2015 bij de halte stoppen.
Inpassing station Barneveld-Zuid: De nieuwe halte Barneveld Zuid kan volgens de huidige inzichten van ProRail van meet af aan 4x per uur bediend worden vanuit Amersfoort en richting Amersfoort. Voor de bediening van Barneveld Zuid zijn dus geen capacitaire maatregelen nodig.
Inpassing station Hoevelaken: het station Hoevelaken is op 8 december 2012 geopend. De bediening van het station past in de dienstregeling.
Oplossen overbelastverklaring: ProRail heeft naar aanleiding van de overbelast-verklaring van 4 april 2011 een capaciteitsvergrotingplan Amersfoort-Barneveld opgesteld. In dat plan is geconcludeerd dat de kosten van de maatregelen die genomen moeten worden om de overbelastverklaring op te lossen, de baten overtreffen. Om die reden heeft ProRail geadviseerd deze maatregelen vooralsnog niet te realiseren.
Doortrekken kwartierdienst tot Ede-Wageningen: ProRail heeft op verzoek van de provincie Gelderland en Connexxion verkend welke maatregelen genomen moeten worden om de kwartiersdienst op de Valleilijn door te trekken naar Ede Wageningen. Het laatste conceptrapport is in januari 2014 aan de provincie aangeboden.
Klopt het dat station Barneveld Zuid nog steeds zal worden opgeleverd in februari 2015 maar dat de noodzakelijke capaciteitsmaatregelen om ook voor dit traject niet slechts een halfuursdienst maar een kwartiersdienst te kunnen rijden, dan nog niet genomen zijn maar opnieuw enkele jaren vertraging hebben opgelopen en pas op zijn vroegst in 2018 klaar kunnen zijn? Wat is de reden van deze nieuwe vertraging?
Het klopt dat de halte Barneveld Zuid vanaf eind februari 2015 bediend kan worden. De volledige afbouw van het station vindt na deze datum plaats. De nieuwe halte Barneveld Zuid kan naar de huidige inzichten van ProRail van meet af aan 4x per uur bediend worden vanuit Amersfoort en richting Amersfoort. Voor de bediening van Barneveld Zuid zijn dus geen capacitaire maatregelen nodig.
Wat zijn de consequenties voor de bediening van station Barneveld Zuid als de genoemde maatregelen pas in 2018 klaar zijn? Hoe verhoudt zich dit tot de Samenloopovereenkomst met NS?
Zie het antwoord bij vraag 2. De bediening van station Barneveld Zuid is niet afhankelijk van de realisatie van de vermelde robuustheid verhogende maatregelen.
Deelt u de mening dat de vertraging van de capaciteitsmaatregelen onacceptabel is aangezien er al sinds 2008 wordt gesproken over deze kleine noodzakelijke capaciteitsmaatregelen op deze lijn welke aanvankelijk al in 2011–2012 zouden worden genomen?
Op basis van het rapport «Uitwerking Quick Scan Regionale Lijnen» van mei 2009 heeft ProRail een planstudie gedaan naar een partiële spoorverdubbeling ter hoogte van Barneveld Noord. Dit met als doel verbetering van de robuustheid en niet gericht op capaciteitsverhoging. Tijdens de planuitwerking hebben betrokken partijen echter geconstateerd dat het dubbelspoor bij Barneveld Noord geen effectieve oplossing zou zijn en dat er effectievere mogelijkheden zijn om een robuuste dienstregeling te realiseren. (zie ook het antwoord van de Minister op Kamervragen, Kamerstuk nr. 2012D34952, Aanhangsel van de handelingen, nr. 106, 2012–2013.) Betrokken partijen hebben in november 2011 besloten een stap terug te zetten in het proces en een nieuwe studie te starten naar effectievere maatregelen. Eind 2013 waren vier maatregelen uitgewerkt tot het «besluit voorkeursalternatief». Volgens de actuele planning zijn deze maatregelen eind 2016 gereed.
Ik betreur net als de vragensteller dat de realisatie van de robuustheid verhogende maatregelen langer op zich laat wachten dan in 2009 werd voorzien. Aan de andere kant is het beter om de meest effectieve maatregelen te treffen die misschien iets langer op zich laten wachten dan een veel minder effectieve maatregel die op een kortere termijn te realiseren zou zijn.
Kunt u aangeven of er procedurele mogelijkheden zijn om de capaciteitsmaatregelen voor de gewenste bediening van station Barneveld Zuid te versnellen?
Zoals bij het antwoord op vraag 2 is aangegeven, zijn er geen capacitaire maatregelen nodig voor de bediening van station Barneveld Zuid.
Klopt het dat er verschillende varianten zijn uitgewerkt voor de kwartiersdienst tot Ede-Wageningen en dat het resultaat is dat er globaal 3 varianten zijn:
ProRail heeft op verzoek van de provincie Gelderland verschillende varianten voor een kwartiersdienst uitgewerkt:
Bij de «maximaal versnelde Valleilijn» wordt in Ede-Wageningen een goede overstap geboden op de IC’s naar Arnhem. Voor het realiseren van deze variant zijn aanzienlijke investeringen in de infrastructuur nodig. In het conceptrapport zijn die geraamd op € 63 mln. excl. btw.
Bij de «versnelde Valleilijn» zijn minder investeringen in de infrastructuur nodig, maar is er in Ede-Wageningen geen goede overstap mogelijk op de IC’s naar Arnhem. In het conceptrapport zijn de kosten geraamd op € 25 mln. excl. btw.
Bij de variant «minimaal versnelde Valleilijn» is de reistijd iets langer dan bij de variant «versnelde Valleilijn» en wordt ook geen overstap geboden in Ede-Wageningen. De kosten voor aanpassingen van de infrastructuur zijn iets lager geraamd en wel op € 20 mln. excl. btw. De aanpassingen lijken echter ruimtelijk moeilijk inpasbaar. Ten opzichte van een versnelde Valleilijn zijn de kosten voor inzet van materieel en personeel in deze variant niet hoger.
Bij alle varianten moet rekening gehouden worden met ca. € 2,5 mln. excl. btw voor maatregelen gericht op de overwegveiligheid.
In de uitwerking door ProRail is in geen van de varianten uitgegaan van het doorrijden van de Valleilijn naar Arnhem.
Is het juist dat capaciteitsanalyse door ProRail heeft uitgewezen dat capaciteit geen probleem vormt in het kunnen doortrekken van de Valleilijn naar Arnhem?
Dit is niet juist. Het baanvak Ede Wageningen-Arnhem is een druk bereden baanvak dat gebruikt wordt door IC’s tussen Utrecht en Arnhem en door internationale treinen. Om Valleilijn-treinen te kunnen laten doorrijden naar Arnhem zijn tenminste op het emplacement Ede Wageningen aanpassingen aan de infrastructuur noodzakelijk. Afhankelijk van de exacte toekomstige dienstregeling-structuur (bijv. PHS) kunnen tussen Ede-Wageningen en Arnhem aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
Deelt u de mening dat de laatste variant voor alle betrokken partijen, maar vooral voor de reiziger de beste oplossing is? Deelt u de mening dat het daarom logisch is de onrendabele stoptreinpendel Ede-Arnhem uit de hoofdrailnetconcessie te halen en weer te komen tot een doorgaande regiodienst Amersfoort-Arnhem, zoals vanaf de opening in oktober 1937 het geval is geweest1 en op het traject Zwolle-Enschede omwille van de reiziger óók is gedaan? Zo nee, bent u dan bereid tientallen miljoenen euro’s extra beschikbaar te stellen om een geknipte kwartiersverbinding met goede aansluitingen te accommoderen? Indien uw antwoord op beide vragen «nee» luidt, wat gaat u dan wel doen om de Overbelasting van de Valleilijn op te lossen?
Een doortrekking van de Valleilijn naar Arnhem maakt geen onderdeel uit van de recente ProRail-studie. In 2012 is in de onafhankelijke nadere analyse van het spoorplan van FMN al geconcludeerd dat er teveel onzekerheden over de doortrekking van de Valleilijn zijn in relatie tot de drukke (PHS-)corridor Utrecht-Arnhem (samenloop) en het internationaal vervoer op deze corridor (bijlage bij Kamerstuk 29 984, nr. 311), alsmede onduidelijkheid over de additioneel benodigde investeringen op de stations Ede-Wageningen en Arnhem, om daar positief over te adviseren. De groep reizigers die een direct voordeel heeft bij een doortrekking van de Valleilijn is aanmerkelijk kleiner dan de groep reizigers op de corridor Utrecht-Arnhem die mogelijk nadeel ondervinden bij verstoringen. Bovendien heeft uw Kamer ingestemd met de motie 29 984, nr. 346 van de heer Hoogland, waarin de regering onder andere is verzocht de concessie voor het hoofdrailnet voor tien jaar te gunnen aan de NS en tussentijds geen lijnen te decentraliseren en aan te besteden. Ik zie dan ook geen aanleiding terug te komen op de eerder gekozen reikwijdte van het hoofdrailnet.
Ik zie momenteel noch qua capaciteit, noch qua betrouwbaarheid aanleiding om bij te dragen in de kosten van de maatregelen voor een kwartierdienst op de hele Valleilijn. Wel heb ik, gelet op de relatief geringe omvang van de problematiek op de Valleilijn, met de gedeputeerde van Gelderland afgesproken dat wij ons met gezamenlijke financiering inzetten voor de verkenning en uitwerking van maatregelen gericht op de beïnvloeding van de vraag in de ochtendspits. Ten aanzien van het aspect van de overbelastverklaring verwijs ik u naar het antwoord op vraag 1.
Het bericht dat de gemeente Amsterdam snorscooters nog dit jaar wil weren van het fietspad |
|
Martine Baay-Timmerman (50PLUS) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de gemeente Amsterdam nog dit jaar snorscooters volledig wil gaan weren van fietspaden en het dragen van helm verplicht wil stellen voor alle scooterrijders in de stad?1
Ja.
Is het u bekend dat de vier grote steden samen optrekken in hun strijd tegen snorscooters, die veel overlast, ongevallen en irritatie veroorzaken? Wat vindt u hiervan?
Ja. Ik heb van de G4 op 4 december 2013 een brief ontvangen over snorfietsoverlast. Het is aan de gemeenten zelf om te bepalen of zij hierin samen op willen trekken.
Bent u reeds in gesprek met de vier grote steden over de invoering van een helmplicht en het verwijzen van snorscooters naar de rijbaan? Zo nee, bent u voornemens met hen in gesprek te gaan?
Ik ben al in gesprek met de gemeente Amsterdam omdat zij aangeven, zoals ik ook heb genoemd in het Algemeen Overleg leefomgeving van 15 januari jl. dat daar de overlast het grootst is. Ik heb aan uw kamer in bovengenoemd AO aangegeven deze gesprekken voort te zetten en uw Kamer te informeren over de uitkomst van die gesprekken.
Deelt u de mening dat het al dan niet verplicht van het dragen van een helm voor snorscooterrijders een taak van de landelijke overheid zou moeten zijn (zoals ook het verplicht stellen van het dragen van een autogordel dat is), opdat de regels overal in Nederland hetzelfde zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik heb in mijn brief van 14 januari jl. over dit onderwerp al aangegeven dat ik mijn bezwaren blijf houden bij een helmplicht voor snorfietsers. Tot 25km is een helm niet verplicht en niet nodig. Ook is een experiment niet mogelijk. Het is alleen mogelijk om het Reglement verkeersregels en verkeerstekens generiek aan te passen, zodat alle gemeenten de bevoegdheid krijgen om verdere lokale regelgeving te maken op grond waarvan snorfietsers op de rijbaan moeten rijden, inclusief een helmplicht. De rechter zal bij eventuele bezwaren van burgers moeten toetsen of het verkeersbesluit terecht is. In mijn gesprekken met de gemeente Amsterdam over het oplossen van het fietspadenprobleem zal ik deze optie ook meenemen.
Bent u bereid om een helmplicht, nu de vier grote steden dit heldere signaal hebben afgegeven, ook landelijk in te voeren zodat de verkeersveiligheid overal in Nederland verbeterd wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Nederlandse reputatieschade in het buitenland |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Alexander Pechtold (D66) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Minister van Buitenlandse Zaken vorige maand het volgende heeft gezegd over de reputatie van Nederland in het buitenland: «We hebben de afgelopen jaren een negatiever imago gekregen dan we verdienen. Ik merk het nog steeds. Ik moet er een hoop in investeren om dat te verbeteren. Kleine dingen krijgen een grote symbolische betekenis in het buitenland. Dat geldt met name voor het Polenmeldpunt waar Wilders voor pleitte» en «ik wil niet de pretentie hebben dat het in een jaar hersteld is. Maar ik merk dat buitenlandse collega’s mij steeds makkelijker weten te vinden?»1
Ja.
Hoe verhouden deze uitspraken zich tot de volgende uitspraak van de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken op 5 april 2012 in de Kamer ten aanzien van het PVV-initiatief «Meldpunt Midden- en Oost-Europeanen»: «Ik zie geen reputatieschade of economische schade»?2
De Nederlandse reputatie in het buitenland is goed en gestoeld op een lange traditie van internationale samenwerking. Wel is het zaak voortdurend aan het uitdragen van de Nederlandse standpunten te blijven werken. Dat vergt voortdurende internationale inzet van het hele kabinet. Het is onderdeel van normale internationale betrekkingen dat er onderwerpen zijn waarover Nederland met sommige partners van mening verschilt, of waar partners om nadere uitleg vragen. Onze reputatie is er mede op gebaseerd dat wij een dergelijke dialoog actief opzoeken.
Hoe verhouden de uitspraken van de huidige Minister van Buitenlandse Zaken zich tot uw uitspraak tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen op 22 september 2011 dat de toenmalige samenwerking met de PVV «niet leidt tot reputatieschade»?
In de context van het debat in 2011 zei de Minister-President dat indien landen vragen hadden over de toenmalige gedoogconstructie, Nederland die steeds goed heeft kunnen toelichten. Vragen over of kritiek op bepaalde Nederlandse ontwikkelingen of standpunten, in welke internationale beleidscontext en onder welk kabinet ook, staat niet gelijk aan reputatieschade.
Deelt u de mening dat de uitspraken onder het vorige kabinet en de uitspraken van de huidige Minister van Buitenlandse Zaken elkaar uitsluiten? Wat is het staande kabinetsstandpunt ten aanzien van deze kwestie?
Nee. Waar de indruk bestaat dat het Nederlandse imago slechter is dan dat Nederland verdient, zal Nederland in dialoog ons beleid en onze standpunten nader toelichten. Elk kabinet heeft daarbij eigen beleidsaccenten conform respectievelijke regeerakkoorden.
Deelt u de mening van de Minister van Buitenlandse Zaken dat de Nederlandse reputatie in het buitenland onder het gedoogkabinet van VVD-CDA en PVV reputatieschade heeft opgelopen?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft gezegd dat Nederland de afgelopen jaren een negatiever imago had dan we verdienen. Om die reden is het afgelopen jaar door het kabinet veel energie gestoken in het beantwoorden van vragen over Nederlands beleid.
Deelt u de mening van de Minister van Buitenlandse Zaken dat dit kabinet daarom een hoop investeert om die reputatieschade ongedaan te maken, door «aandacht schenken», te «luisteren» en de Minister van Buitenlandse Zaken «zo veel mogelijk landen te (laten) bezoeken»?
Een internationaal georiënteerd land als Nederland besteedt te allen tijde veel aandacht aan het onderhouden van goede relaties met buitenlandse partners.
Deelt u de mening dat het wenselijk was geweest onder het vorige kabinet een onderzoek te laten uitvoeren naar de reputatie van Nederland in het buitenland, ook al voelde de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken toen niet de «behoefte» om een dergelijk onderzoek te laten uitvoeren?3
Nee.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk van elkaar te beantwoorden?
Ja.
Het subsidieren van een aan Milli Gorus gelieerde islamitische stichting |
|
Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jaarverslag in naam van Allah»?1
Ja.
Klopt het dat stichting MGT gelieerd is aan Milli Gorus, dat banden onderhoudt met de Moslimbroederschap en ook nog eens subsidie ontvangt? Zo ja, om welk bedrag gaat het?
Het klopt dat stichting MGT gelieerd is aan Milli Görüs; MGT is de jongerenafdeling van Milli Görüs. Uit navraag bij stadsdeel Amsterdam-West blijkt dat de stichting in 2013 projectsubsidies voor twee verschillende projecten ontving, gericht op talentontwikkeling bij jongeren enerzijds en participatie en sport voor niet-jongeren anderzijds. Tezamen was dit een bedrag van € 21.725,50. In 2014 is er tot op heden geen subsidie verstrekt.
Hoe duidt u het gegeven dat het jaarverslag van een gesubsidieerde organisatie in naam van Allah is geschreven?
Het is in dit geval aan het stadsdeel Amsterdam-West om een afweging te maken ten aanzien van het verstrekken van subsidies. De stichting MGT is gestoeld op religieuze overtuigingen. Het is in Nederland toegestaan om op basis van religieuze overtuigingen en religieuze inspiratie maatschappelijke doelen te verwezenlijken. Er is bij de stichting MGT noch sprake van een structurele subsidie noch van subsidiering van religieuze activiteiten. De verstrekte subsidies aan stichting MGT zijn niet in strijd met het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat.
Deelt u de visie dat het subsidiëren van een islamitische stichting, die nota bene haar jaarverslag in naam van Allah schrijft en bekeerlingenavonden houdt, direct gestaakt dient te worden en iedere ontvangen cent terugbetaald dient te worden?
Zie antwoord vraag 3.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te zorgen dat islamitische stichtingen, zeker indien gelieerd aan de extreme Milli Gorus-organisatie, nooit en op geen enkele wijze meer subsidie ontvangen?
Zie antwoord vraag 3.
Het artikel 'Husa stapt uit spoorvervoer' |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «husa stapt uit spoorvervoer»?1
Ja.
Klopt het dat het Nederlandse spoorgoederenvervoer – met een jaar verlenging tot 2014 – nog steeds gesubsidieerd wordt? Zo ja, kunt u een nadere toelichting geven op de aard en omvang van deze regeling en het gebruik ervan in de afgelopen jaren?
In 2008 is de overgangsregeling spoorgoederenvervoer overeengekomen. Deze regeling liep tot en met 2011 en is in 2012 en 2013 verlengd. Bij de verlenging voor 2013 is duidelijk gecommuniceerd dat de overgangsregeling na 2013 zou eindigen. De subsidie is via ProRail als vermindering op de gebruiksvergoeding uitgekeerd. Tussen 2008 en 2013 bedroeg de subsidie in totaal € 42,2 mln.2 Deze subsidieregeling was bedoeld om de concurrentiepositie van het spoorgoederenvervoer te verbeteren.
Hoe is het beëindigen van de activiteiten op het terrein van spoorgoederenvervoer door Husa in dit geval te verklaren?
Husa heeft een eigen bedrijfsmatige afweging gemaakt om haar activiteiten op het terrein van spoorvervoer te beëindigen. In hoeverre de beëindiging van de subsidie hierop van invloed is geweest is niet vast te stellen.
Hoe zit het met het level playing field van het Nederlandse spoorgoederenvervoer ten opzichte van de omringende landen en in Europees verband?
Het level playing field wordt gereguleerd door Europese regelgeving. Die geldt zowel voor Nederland als de haar omringende landen.
De Europese Commissie ziet toe op het implementeren van de Europese regelgeving. Met de recast wordt beoogd om één Europese spoorwegruimte in te stellen en daarmee de spoorgoederenvervoerders verder te faciliteren. Als het om de hoogte van de gebruiksvergoeding gaat, bevindt Nederland zich in vergelijking met andere Europese landen in de middenmoot.
Wat zeggen Europese regels over de kostendekkendheid van spoorgoederenvervoer?
Volgens de Europese regels moeten kosten die rechtstreeks voortvloeien uit exploitatie van de treindienst in rekening worden gebracht bij de goederenvervoerder. De Europese Commissie heeft een zogenaamde uitvoeringshandeling in voorbereiding waarin wordt uitgewerkt wat die kosten precies inhouden.
Hoe concurrerend is spoorgoederenvervoer ten opzichte van het wegtransport?
Wegtransport is met name attractief voor tijdkritische lading, bijvoorbeeld bederfelijke waar. Voor andere ladingen en bij vergelijkbare volumes zijn spoor en binnenvaart een concurrerend alternatief. Hierbij speelt uiteraard ook mee dat er niet overal spoorlijnen en vaarwegen liggen.
Met het aanvalsplan Spoorgoederenvervoer, dat wordt opgesteld in het kader van de Lange Termijn Spooragenda, komt de sector in samenwerking met IenM met maatregelen om de concurrentiepositie van het spoorgoederenvervoer verder te verbeteren.
Kunt de Kamer de antwoorden op deze vragen vóór het Algemeen overleg spoor voorzien op 22 januari 2014 doen toekomen?
Ja.
Rondslingerende munitie in de natuur |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Jagers verliezen munitie»?1
Ja.
Hoeveel loodhoudende munitie wordt in Nederland gebruikt? Welk deel daarvan komt in het milieu en in de natuur terecht?
Dergelijke gegevens zijn niet voorhanden en het zou een forse inspanning vergen om deze te verkrijgen.
In welke EU-lidstaten is het gebruik van loodhoudende (jacht)munitie op dit moment verboden en in welke lidstaten is het gebruik toegestaan?
In het kader van het Euro-Afrikaans Watervogelverdrag (AEWA) hebben partijen afgesproken om het gebruik van loodhoudende hagel voor de jacht uit te faseren. Uit de rapportages van het secretariaat bij dit verdrag blijkt dat 14 lidstaten van de EU een verbod op het gebruik van loodhoudende hagel hebben vastgesteld, waaronder Nederland, Frankrijk, Spanje en delen van Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Er zijn geen gegevens beschikbaar over regels met betrekking tot het gebruik van loodhoudende kogelpatronen in de verschillende EU-lidstaten.
Wat is de stand van zaken op Europees niveau ten aanzien van de discussie over de schadelijkheid van loodhoudende munitie voor het milieu en voor de volksgezondheid in gevallen dat in het wild levende dieren met lood afgeschoten en vervolgens geconsumeerd worden?2
De discussie over het gebruik van loodhoudende munitie in de jacht vindt op Europees niveau plaats in de intergroup duurzame jacht van het Europees Parlement. De aandacht van de lidstaten gaat momenteel vooral uit naar de uitvoering van de afspraken, genoemd in het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat het in de natuur achterlaten van munitie zeer onwenselijk is en dat dit daarom een hoge strafmaat verdient? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw opvattingen ten aanzien van de strafmaat? Zo nee, waarom niet?
Ik acht het achterlaten van munitie in het buitengebied zeer onwenselijk. Buiten het gevaar dat dit kan opleveren voor passanten, wordt ook schade aan het milieu toegebracht. Van jagers wordt verwacht dat zij zorgvuldig met hun wapen en munitie omgaan. Dit is wettelijk verankerd in de regelgeving met betrekking tot wapens en munitie.
Het incident, genoemd in het aangehaalde mediabericht, geeft mij onvoldoende aanleiding om het geldende verbod op het gebruik van loodhoudende hagel uit te breiden met een verbod op het gebruik van loodhoudende kogelpatronen voor jacht en schadebestrijding.
Bent u bereid in Nederland een totaalverbod op het gebruik van loodhoudende hagel uit te breiden naar loodhoudende kogels voor jacht en schadebestrijding? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
De artikelen “Stichting verrijkt zich ten koste van bewoners serviceflats” en “Oud CDA-politicus verrijkt zich ten koste van bewoners seniorenflats” |
|
Martine Baay-Timmerman (50PLUS), Norbert Klein (50PLUS) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Stichting verrijkt zich ten koste van bewoners serviceflats»1 en «Oud CDA-politicus verrijkt zich ten koste van bewoners seniorenflats»?2
Ja.
Wat vindt u van het onderzoeksresultaat van onderzoeksbureau Follow the Money dat de Stichting Dienstverlening Serviceflats (SDS) de meeste diensten in serviceflats wegsnijdt, maar voor het overblijvende pakket zeer hoge prijzen in rekening brengt, bijvoorbeeld op de gasrekening?
Wat vindt u van het onderzoeksresultaat dat bestuurders van serviceflats die aangebracht zijn door SDS, vaak aantoonbaar banden hebben met deze stichting en in het voordeel hiervan handelen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wat vindt u van het onderzoeksresultaat dat door SDS aangestelde bestuurders van serviceflats, waarvan gezegd wordt dat ze onafhankelijk zijn, betaald worden als zij erin slagen SDS meer diensten te laten verrichten voor de betreffende serviceflats? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wat vindt u van het onderzoeksresultaat dat bewoners die kritische vragen stellen aan bestuurders van de serviceflats die op advies van SDS zijn aangesteld, zich geïntimideerd voelen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe beoordeelt u het feit dat een bestuurder van een serviceflat (op initiatief van de bestuursvoorzitter van SDS) € 5.000 gestort zou krijgen na het inhuren van SDS? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wat vindt u van het feit dat er door Follow the Money banden zijn geconstateerd tussen SDS en de vastgoedinvesteerder De Boer, tevens gemeenteraadslid voor het CDA? Wat vindt u van het feit dat bewoners in veel gevallen verleid zijn hun woning te verkopen, vaak ver onder de kostprijs? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe beoordeelt u de omgang van SDS met ouderen die zorg of ondersteuning nodig hebben maar op deze manier financieel worden uitgebuit?
Kunt u maatregelen nemen om SDS en dergelijke organisaties te beletten deze praktijken in de toekomst uit te voeren? Zo ja, welke en bent u voornemens deze maatregelen te nemen?
Zoals hierboven aangegeven zijn er organisaties die voor de VvE taken in de sfeer van het beheer en onderhoud uitvoeren. Dit gebeurt op contractbasis, doordat het bestuur van een VvE een beheerovereenkomst voor een bepaalde periode aangaat met een dergelijke beheerder. Dit gebeurt zowel bij reguliere appartementscomplexen, als bij serviceflats. Er is op zich niets tegen het feit dat er (commerciële) organisaties zijn die dergelijke diensten aanbieden. Sterker nog, voor veel VvE’s is dit een uitkomst omdat de bestuursleden zelf niet de tijd of kennis hebben om het VvE-beheer adequaat uit te voeren. Veelal is de VvE ook tevreden over de dienstverlening van zijn VvE-beheerder.
Tegelijkertijd hebben zich, ook in het verleden al, gevallen voorgedaan waarbij de VvE-beheerder steken heeft laten vallen. Daardoor zijn er in de branche initiatieven ontstaan die er op gericht zijn VvE-beheerders te kunnen onderscheiden en waarmee in wezen «het kaf van het koren» gescheiden kan worden. Ik doel dan op de ontwikkeling van het SKW-keurmerk voor VvE-beheerders (wordt verstrekt aan de organisatie) en het in ontwikkeling zijnde persoonsgebonden beheerdercertificaat (wordt verstrekt aan een natuurlijk persoon). Om betreffend keurmerk te behalen, moet men voldoen aan bepaalde deskundigheidseisen, waarbij periodiek wordt getoetst of nog steeds wordt voldaan aan de gestelde eisen. Ik juich deze ontwikkelingen toe en ondersteun die ook waar nodig en mogelijk. Daarnaast bestaat er de beroepscode van Vastgoedmanagement Nederland (VMG), die ook geldt voor de bij VMG aangesloten VvE-beheerders. Ik ben ook gelukkig met de gerichte voorlichtingsactiviteiten van de Vereniging Eigen Huis en VvE-Belang.
Het staat in Nederland een ieder vrij om VvE beheerdiensten aan te bieden. Met eerder genoemde branche-initiatieven wordt naar mijn mening een gedegen inspanning gedaan om frauduleuze handelingen te onderscheiden van welgemeende inzet en diensten. Andere kwaliteitsbevorderende maatregelen dan de bovenstaande zijn volgens mij dan ook niet nodig. Daarbij zij aangetekend dat ik een voorstander ben van transparante dienstverlening aan zowel VvE’s als serviceflats en dat het bij mogelijke individuele gevallen van frauduleus handelen aan de rechter is hier een oordeel over te vellen.
Het bericht dat het Catharina ziekenhuis in Eindhoven één miljoen euro moet betalen aan vier frauderende dermatologen |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Specialisten zitten niet op eiland in ziekenhuis»?1
Het aangehaalde artikel is een reactie van de raad van bestuur van het Catharina Ziekenhuis en de voorzitter van de Vereniging Medische Staf van het Catharina Ziekenhuis op een uitspraak van het Scheidsgerecht voor de Gezondheidszorg over een kwestie bij het Catharina Ziekenhuis.
In de kern betreft het de verhouding tussen raad van bestuur en de medisch specialist. Voor mij is die verhouding duidelijk. In de Kwaliteitswet zorginstellingen is vastgelegd dat het bestuur van een zorginstelling verantwoordelijk is voor het verlenen van verantwoorde zorg. Ik ben het dan ook oneens met de stelling van het Scheidsgerecht dat raad van bestuur en medisch specialisten niet in een hiërarchische verhouding tot elkaar staan. Natuurlijk is de eigen professionele verantwoordelijkheid van de medisch specialist tegenover de patiënt in de spreekkamer een groot goed dat behouden moet blijven. De raad van bestuur heeft echter de eindverantwoordelijkheid voor de kwaliteit en kwantiteit van de te leveren zorg vanuit de instelling. Daarom sluit de raad van bestuur met de vrijgevestigde medisch specialist ook een toelatingsovereenkomst om wederzijds de verantwoordelijkheden vast te leggen en is overigens ook de medisch specialist gebonden aan de huisregels. De verhouding van de vrijgevestigde medisch specialist tegenover het bestuur is mijns inziens in die zin dezelfde als die van de medisch specialist in loondienst en iedere andere professional die gelet op zijn bijzondere expertise een grote eigen verantwoordelijkheid heeft.
Kunt u aangeven wie er in een ziekenhuis eindverantwoordelijk is voor kwaliteit, veiligheid en correct declareren?
De raad van bestuur draagt de eindverantwoordelijkheid voor het totale ziekenhuis en moet daarop kunnen worden aangesproken. In de Kwaliteitswet zorginstellingen ligt dat voor kwaliteit en veiligheid vast in artikel 2. Het ziekenhuisbestuur is daarnaast conform de Wet marktordening gezondheidszorg verantwoordelijk voor en draagt zorg voor het correct afhandelen van declaraties, zij het dat de vrijgevestigde specialist voor het specialistendeel thans nog zelfstandig – via het ziekenhuis – kan declareren. Met de introductie van integrale tarieven komt ook daarvoor de verantwoordelijkheid bij het ziekenhuis te liggen.
Bent u van mening dat er in een ziekenhuis een instantie moet zijn die verantwoordelijk is voor het totale ziekenhuis, en daarop kan worden aangesproken?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het eens met het Scheidsgerecht voor de Gezondheidszorg dat er in een ziekenhuis geen hiërarchische verhouding is tussen bestuur en specialisten? Zo ja, wie is er dan wel eindverantwoordelijk in een ziekenhuis? Zo nee, welke acties gaat u naar aanleiding van deze uitspraak ondernemen?
Zoals hierboven aangegeven, is naar mijn oordeel de raad van bestuur te allen tijde de eindverantwoordelijke voor wat er in een ziekenhuis gebeurt. Deze uitspraak van het Scheidsgerecht staat een eventuele fraudeaanpak in dit geval nog niet in de weg. Ik maak immers uit het arbitraal vonnis op dat het Scheidsgerecht in deze specifieke casus in het kader van bindende arbitrage heeft geoordeeld dat de raad van bestuur prematuur heeft geoordeeld over eventueel frauduleus handelen door de medisch specialisten, althans dat deze bewering onvoldoende was onderbouwd. Daarom is in deze zaak de vordering van de raad van bestuur tegen de medisch specialisten afgewezen. Ingeval van fraude door medisch specialisten (of anderen) kan in deze casus zowel in strafrechtelijke zin (door het Openbaar Ministerie) als in civielrechtelijke zin nog altijd actie worden ondernomen.
Deelt u de mening dat de fraudeaanpak in de zorg vrijwel onmogelijk wordt met dit soort uitspraken, waardoor specialisten vrijwel onaantastbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De berichten dat er opnieuw sprake lijkt te zijn van grootschalige fraude door een wetenschapper |
|
Jasper van Dijk |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
Wat is uw oordeel over de berichten dat er opnieuw sprake lijkt te zijn van grootschalige fraude door een wetenschapper, die meerdere keren plagiaat pleegde?1
Ik vind het voorbarig om te spreken van fraude. Anders dan bij manipulatie of fabricatie van onderzoeksgegevens of zuiver plagiaat, ligt de essentie nu in de (on)toelaatbaarheid van zelfcitaties. De KNAW heeft geconstateerd dat de regels over citateren verduidelijking behoeven en komt naar verwachting in maart van dit jaar met een advies. De Vrije Universiteit (VU) heeft een commissie benoemd die onderzoek zal doen naar de wijze waarop in het werk van de wetenschapper gebruik wordt gemaakt van eerder gepubliceerd werk van hemzelf, van hemzelf samen met co-auteurs en van anderen. De uitkomst van dat onderzoek – dat geruime tijd zal duren – wacht ik af.
Deelt u de mening dat er direct een einde moet komen aan de opeenstapeling van dit soort zaken, dat de wetenschap in een slecht daglicht stelt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat integriteit een groot goed is in de wetenschap en een inbreuk hierop schaadt het vertrouwen in wetenschappers. Onderzoekers zijn gebonden aan de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Terecht laat de VU uitzoeken of de betrokken wetenschapper zich aan de gedragscode heeft gehouden.
Deelt u de mening dat de toenemende publicatiedruk een kwalijke rol speelt in deze zaken? Zo ja, wat gaat u doen om deze druk te verminderen? Zo nee, waarom niet?
Ik kan geen oplossing bieden voor het vraagstuk van de publicatiedruk. Zie hiervoor ook mijn antwoord op vragen van Van Meenen en Mei Li Vos over perverse prikkels in de wetenschap (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 608). Ik heb wel een opvatting over de attitude die ik van wetenschappers verwacht en die is dat alle wetenschappers zich de vraag dienen te stellen wat het doel van een publicatie is. Ik constateer dat deze vraag actueel is in de wetenschappelijke gemeenschap en ik zie dat veel wetenschappelijke tijdschriften steeds kritischer worden op wat zij publiceren. Dat zijn goede ontwikkelingen en ik laat ook niet na dit uit te dragen.
Deelt u de mening dat het vreemd is dat een wetenschapper meerdere artikelen per week kan publiceren zonder dat daar alarmbellen over afgaan bij de betrokken instelling?
Ik ben van mening dat publiceren om het publiceren de wetenschap niet verder brengt. Publicaties dienen tot doel te hebben nieuwe inzichten voort te brengen of inzicht te bieden in de reproduceerbaarheid van reeds gedaan onderzoek. Elke wetenschapper die met dat motief en met inachtneming van de gedragscode wetenschapsbeoefening een groot aantal artikelen gepubliceerd weet te krijgen, verdient erkenning.
Bent u van mening dat het huidige systeem van «zelfreiniging» door de universiteiten voldoende functioneert? Zo ja, waarop baseert u die aanname? Zo nee, wat gaat u doen om dit te verbeteren?
Ja, het systeem werkt naar mijn mening voldoende. De VU heeft een anonieme klacht over plagiaat door een promovendus in een nog niet verdedigd proefschrift voorgelegd aan een wetenschappelijke integriteitscommissie. Daarbij is de promotie opgeschort. De aanbevelingen van de commissie zijn door alle betrokkenen overgenomen. Zoals te doen gebruikelijk, is de geanonimiseerde samenvatting op de website van de VSNU geplaatst, in dit geval direct na het verstrijken van de beroepstermijn. Na de berichten over (zelf)plagiaat door de promotor, heeft de VU een breed onderzoek ingesteld naar al het werk van de betrokkene, van de betrokkene samen met co-auteurs en van anderen. De KNAW heeft geconstateerd dat de regels over citeren verduidelijking behoeven en komt hierover met een advies. Dat toont aan dat het systeem voldoende werkt.
Hoe gaat u er zorg voor dragen dat de gedragscode voor wetenschap en onderzoek daadwerkelijk wordt nageleefd?
Naleving van de gedragscode behoort tot de verantwoordelijkheid van de instellingen en de onderzoekers. Ik merk dat de instellingen meer aandacht zijn gaan besteden aan integere wetenschapsbeoefening. Daarbij ligt de focus niet alleen op de huidige onderzoekers. Juist ook in de opleiding van toekomstige onderzoekers is steeds meer aandacht voor het bewust omgaan met integriteitsnormen. Verder constateer ik dat het aantoonbaar schenden van de integriteitsnormen grote gevolgen heeft gehad voor de betrokken wetenschappers. Verwacht mag worden dat hier een afschrikwekkend effect vanuit gaat, al kan helaas niet worden voorkomen dat er nieuwe gevallen van schending kunnen optreden.
De voortgaande islamisering van het universitaire onderwijs |
|
Harm Beertema (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitnodiging «Multiculturele ontmoeting voor geneeskundestudentes en hun moeder»?1
Ja. Het VU medisch centrum (VUmc) heeft op 11 januari jl. een bijeenkomst georganiseerd voor vrouwelijke geneeskundestudenten en hun moeders. Ook andere vrouwelijke geïnteresseerden waren welkom.
VUmc geeft aan dat de doorstroom van studentes van niet Nederlandse afkomst naar de vervolgopleiding voor medisch specialisten gering is. Dat is jammer, omdat het vaak om goede studentes gaat, met de potentie een goed medisch specialist te worden. Het doel van de ontmoetingsdag was om deze studentes te laten kennismaken met twee vrouwelijke rolmodellen en ze tijdig te informeren over de mogelijkheden voor specialisatie in een vervolgopleiding. Daarnaast stond een aantal workshops op het programma over professionele en culturele vraagstukken. Goede zorg heeft een belangrijk cultureel aspect: in Amsterdam wordt zorg gegeven aan circa 40% patiënten van niet-Nederlandse origine, uit zeer diverse culturen en met 175 nationaliteiten. VUmc wil al zijn studenten besef van diverse culturele achtergronden meegeven, zodat ze later in de beroepspraktijk de patiënt centraal kunnen stellen, op medisch en cultureel vlak. Dit helpt studenten om te gaan met lastige dilemma’s in hun toekomstige beroepspraktijk.
Deelt u de visie dat het meer dan triest is dat we geneeskundeworkshops in een Nederlandse universiteit hebben waar de vraag centraal staat of mensen van het andere geslacht wel behandeld kunnen worden? Zo neen, hoe duidt u deze islamitische vraag met betrekking tot sekse-apartheid dan?
In de geneeskunde in Nederland, en dus ook in VUmc, helpen artsen eenieder, zonder aanzien des persoons. Dat is ook in overeenstemming met de eed c.q. gelofte die artsen afleggen. Net als praktiserende artsen, houden de geneeskundestudenten zich hier aan. Zowel artsen als geneeskundestudenten mogen dus geen onderscheid maken naar de sekse van patiënten. Ik vind het goed dat VUmc deze onderwerpen niet uit de weg gaat, maar ze bespreekbaar maakt.
Bent u het ermee eens dat in Nederland anno 2014 het onderzoeken van een persoon van de andere sekse door geneeskundestudenten binnen de beroepsgroep algemeen aanvaard is en bovendien een essentieel onderdeel van de beroepsvoorbereiding is? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre erkent u de toenemende invloed van de islam op onder andere de Vrije Universiteit, met haar islamitische gebedsruimte, halalvoedsel, islamitische geestelijk verzorger, uitnodigingen in onder meer het Arabisch en workshops over islamitische sekse-apartheid binnen de geneeskunde?
Een groeiende groep studenten in het Nederlands hoger onderwijs is moslim. Ik vind het terecht dat de Vrije Universiteit en VUmc zich hiervan rekenschap geven. VUmc leidt geneeskundestudenten op die verantwoordelijkheid willen dragen in onze pluriforme samenleving. VUmc vindt het een profielkenmerk dat binnen zijn academische gemeenschap ruimte bestaat om met elkaar in gesprek te gaan over de invloed van uiteenlopende levensbeschouwingen op de uitoefening van de geneeskunde.
Deelt u de mening dat er geen cent belastinggeld dient te worden verspild aan dit soort multiculprojecten? Zo neen, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Om studenten voor te bereiden op hun rol en verantwoordelijkheid in onze pluriforme samenleving, organiseert VUmc op menig terrein activiteiten die aanvullend zijn op de reguliere onderwijsactiviteiten. VUmc is vrij de middelen die zij van de overheid krijgt in te zetten voor verdiepingsactiviteiten. Het past bij de autonomie van onderwijsinstellingen om hierin een eigen afweging te maken, de instelling heeft bestedingsvrijheid. Hierbij geldt als voorwaarde dat de uitgaven doelmatig en rechtmatig zijn en dat zij gecontroleerd en goedgekeurd worden door een accountant.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen tegen de voortgaande islamisering van ons (universitaire) onderwijs?
Ik ben niet voornemens maatregelen te treffen. Als minister sta ik voor de kwaliteit en de toegankelijkheid van het Nederlandse (hoger) onderwijs. Als de kwaliteit of de toegankelijkheid van het onderwijs in het geding zijn, heb ik de mogelijkheid om in te grijpen. In dit geval is er geen sprake van dat de kwaliteit of toegankelijkheid van het onderwijs in het geding zijn. Het onderwijs is en blijft toegankelijk voor mannelijke en vrouwelijke studenten en daarom niet in strijd met de wet. Het staat VUmc vrij om op deze wijze invulling te geven aan een bijeenkomst, met respect voor de culturele diversiteit van de studentenpopulatie. De eerbiediging van de vrijheid van godsdienst en het respecteren van ieders geloofsovertuiging zijn fundamentele waarden van onze samenleving.
Het bericht dat Stichting Dienstverlening Serviceflats (SDS) ouderen uit serviceflats jaagt |
|
Renske Leijten , Farshad Bashir |
|
Frans Weekers (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
Hoe reageert u op het artikel dat ouderen door Stichting Dienstverlening Serviceflats (SDS) worden gedupeerd en geïntimideerd?1
Een serviceflat is een gebouw of een complex van gebouwen met zelfstandige appartementen. Het verschil met een reguliere flat is dat bij een serviceflat verschillende diensten en voorzieningen worden aangeboden die betrekking hebben op wooncomfort, veiligheid, service, zorg, welzijn en ontspanning. Serviceflats zijn een initiatief vanuit de markt waarvoor naast de reguliere wettelijke eisen, geen aanvullende, specifieke wet- en regelgeving voor bestaat behalve de mogelijkheid om bij verhuur vanwege de additionele voorzieningen een extra opslag van 35% op de huur te vragen. Door de koop van een appartement in een (service-)flat is men van rechtswege verplicht lid van de Vereniging van Eigenaren(VvE). De VvE heeft de zorg voor het onderhoud van het complex tot doel en stelt in de VvE-vergadering, met meerderheid van stemmen, het bedrag voor de servicekosten vast. Een nieuwe appartementseigenaar is hieraan gebonden. Vanuit de markt bestaan er beheerorganisaties die VvE’s kunnen inhuren om hen te ondersteunen bij de uitvoering van hun taken. Hierbij zijn ook organisaties die zich hebben gespecialiseerd in de dienstverlening aan VvE’s van serviceflats. Bij de huur van woonruimte in een serviceflat geldt het reguliere huursysteem, inclusief de mogelijkheid van genoemde serviceflattoeslag.
Uit het artikel komt naar voren dat een aantal bewoners van serviceflats klachten heeft over de uitvoering van de taken van de door hen ingehuurde diensten van de beheerorganisatie Stichting Dienstverlening Serviceflats (SDS). Ik begrijp dat dit voor bewoners een erg vervelende situatie is, waarbij ik er op voorhand van uit ga dat een beheerder de prestaties levert die contractueel overeengekomen zijn. Indien bewoners en een beheersorganisatie in een dergelijke situatie niet tot een vergelijk komen, kunnen de bewoners naar de rechterlijke macht stappen. Uit de berichtgeving maak ik op dat een aantal bewoners een dergelijke stap gezet hebben. Het is uiteindelijk aan de rechterlijke macht om een oordeel te vellen en niet aan mij om hier inhoudelijk op in te gaan.
Hoe lang bent u al op de hoogte van het misbruik en intimidatie van ouderen door SDS? Kunt u uw antwoord toelichten?
Over de berichtgeving uit Trouw was ik op de hoogte op de dag van verschijning, 7 januari 2014.
Leidt dit misbruik naar uw oordeel tot financiële uitbuiting van ouderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wat is uw opvatting over de methode die SDS gebruikt? Deelt u de mening dat dit een methode is die niet in het belang handelt van bewoners, maar van beleggers? Bent u van plan deze methode een halt toe te roepen? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het wenselijk dat hoogbejaarde ouderen moeten procederen om in hun bestaande woning te kunnen blijven wonen? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Is het waar dat de leegstand in serviceflats wordt doorgerekend in de hoge servicekosten die SDS in rekening brengt? Is het waar dat hierdoor de flats goedkoop kunnen worden opgekocht en dat bewoners de prijs betalen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoeveel en welke diensten heeft SDS wegbezuinigd in de serviceflats? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw reactie op de uitspraak van twee voormalige SDS medewerkers die in het artikel aangeven dat bewoners willens en wetens zijn «bedonderd»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Is het waar dat bestuurders van serviceflats onder één hoedje met SDS spelen? Zo nee, hoe verklaart u dan dat zij betaald worden als zij erin slagen SDS meer diensten te laten verrichten in de serviceflats?
Wat vindt u ervan dat één van de bestuurders van een serviceflat maar liefst 5.000 euro ontving, nadat SDS als dienstverlener aan de slag kon bij een serviceflat? Is deze werkwijze geoorloofd? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hieraan doen?
Hoe oordeelt u over de onafhankelijkheid van bestuurders van serviceflats en SDS, nu blijkt dat de voorzitter van de Raad van Bestuur van SDS zelf werkzaam is als een bestuurder van een serviceflat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wat is uw reactie op de uitspraak van verscheidene bewoners die stellen dat de «onafhankelijke» bestuurders zich vaak intimiderend opstellen tegenover hoogbejaarde ouderen? Wat gaat u hieraan doen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In hoeveel situaties heeft SDS bewoners ervan overtuigd, al dan niet gedwongen, hun woning te verkopen? Bent u bereid de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u ervan dat verschillende bewoners melding maken van een uiterst geraffineerd samenspel, doordat SDS en een vastgoedinvesteerder elkaar bevoordelen ten koste van de bewoners? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wilt u de rapporten, waaruit blijkt dat woningen onder de taxatiekosten worden aangekocht zodat het voordeel voor de investeerder per seniorencomplex in de miljoenen kan lopen, naar de Kamer (laten) sturen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre bewoners van serviceflats, die door SDS zijn overtuigd om tot verkoop van hun woning over te gaan, een lager bedrag voor hun woning hebben gekregen dan de marktwaarde? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel bewoners van serviceflats zijn met een restschuld blijven zitten, nadat zij door SDS zijn bewogen om hun woning te verkopen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid uit te zoeken hoe groot het financiële nadeel is voor oud bewoners die, onder druk van SDS, hun woning hebben verkocht? Zo nee, waarom niet?
Bent u tevens bereid uit te zoeken hoe groot het financiële nadeel is voor de schatkist, nu oud bewoners door SDS zijn bewogen om hun woning te verkopen en deze bewoners nu met een restschuld blijven zitten die fiscaal aftrekbaar is? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de handelwijze door SDS onmiddellijk stopgezet dient te worden en dat deze handelswijze uitgebreid onderzocht dient te worden? Zo ja, bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te doen naar de handelswijze van SDS in deze serviceflats? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het wenselijk dat hoogbejaarde ouderen zich moeten verweren tegen dergelijke machtige instanties die niet handelen in het belang van deze ouderen, maar enkel handelen voor hun winstmarge? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u doen voor de gedupeerde ouderen?
Erkent u uw verantwoordelijkheid ter bescherming van (kwetsbare) ouderen omdat ze meer en meer afhankelijk worden van serviceflats nu ze niet meer in verzorgingshuizen terecht kunnen door uw beleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Al lang is een trend van langer zelfstandig wonen gaande. Uit onderzoek blijkt dat de meeste ouderen zo lang mogelijk zelfstandig thuis willen blijven wonen. Zij kunnen daarbij ook voor een woonvorm kiezen waarbij extra diensten worden verleend, zoals in een serviceflat. Dit zijn private contracten, waar geen toezicht vanuit de overheid bij past. Zoals hierboven aangegeven, zijn er organisaties die voor de VvE taken in de sfeer van het beheer en onderhoud uitvoeren. Dit gebeurt op contractbasis, doordat het bestuur van een VvE een beheerovereenkomst voor een bepaalde periode aangaat met een dergelijke beheerder. Dit gebeurt zowel bij reguliere appartementscomplexen, als bij serviceflats.
Er is op zich niets tegen het feit dat er (commerciële) organisaties zijn die dergelijke diensten aanbieden. Sterker nog, voor veel VvE’s is dit een uitkomst omdat de bestuursleden zelf niet de tijd of kennis hebben om het VvE-beheer adequaat uit te voeren. Veelal is de VvE ook tevreden over de dienstverlening van zijn VvE-beheerder.
Tegelijkertijd hebben zich, ook in het verleden al, gevallen voorgedaan waarbij de VvE-beheerder steken heeft laten vallen. Daardoor zijn er in de branche initiatieven ontstaan die er op gericht zijn VvE-beheerders te kunnen onderscheiden en waarmee in wezen «het kaf van het koren» gescheiden kan worden. Ik doel dan op de ontwikkeling van het SKW-keurmerk voor VvE-beheerders (wordt verstrekt aan de organisatie) en het in ontwikkeling zijnde persoonsgebonden beheerdercertificaat (wordt verstrekt aan een natuurlijk persoon). Om betreffend keurmerk te behalen, moet men voldoen aan bepaalde deskundigheidseisen, waarbij periodiek wordt getoetst of nog steeds wordt voldaan aan de gestelde eisen. Ik juich deze ontwikkelingen toe en ondersteun die ook waar nodig en mogelijk. Daarnaast bestaat er de beroepscode van Vastgoedmanagement Nederland (VMG), die ook geldt voor de bij VMG aangesloten VvE-beheerders. Ik ben ook gelukkig met de gerichte voorlichtingsactiviteiten van de Vereniging Eigen Huis en VvE-Belang.
Het staat in Nederland een ieder vrij om VvE beheerdiensten aan te bieden. Met eerder genoemde branche-initiatieven wordt naar mijn mening een gedegen inspanning gedaan om frauduleuze handelingen te onderscheiden van welgemeende inzet en diensten. Andere kwaliteitsbevorderende maatregelen dan de bovenstaande zijn volgens mij dan ook niet nodig. Daarbij zij aangetekend dat ik een voorstander ben van transparante dienstverlening aan zowel VvE’s als serviceflats en dat het bij mogelijke individuele gevallen van frauduleus handelen aan de rechter is hier een oordeel over te vellen.
Hoe gaat u voorkomen dat SDS een «voorbeeld» wordt voor andere organisaties die denken kwetsbare ouderen te kunnen misbruiken en intimideren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 22.
Het bericht ‘Alcohol taboe voor ouders’ |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Alcohol taboe voor ouders»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht? Wat vindt u ervan dat ouders, omdat zij samen met hun nog niet achttienjarige kind zijn, in sommige winkels geen alcoholhoudende dranken meer kunnen aanschaffen?
In het artikel «alcohol taboe voor ouders» staat dat de in dit artikel genoemde supermarkt inmiddels heeft laten weten dat ze het personeel hebben geïnstrueerd om te voorkomen dat dit in de toekomst nogmaals gebeurt.
Kunt u toelichten hoe een winkelmedewerker kan vaststellen of de alcoholhoudende drank die wordt aangeschaft door iemand van boven de 18, wel of niet «bestemd is voor een persoon van wie niet is vastgesteld dat deze de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt», zoals omschreven in artikel 20 van de Drank- en Horecawet?
Supermarkten en slijters mogen gewoon alcohol verkopen aan ouders die boodschappen doen met hun kinderen. Het is bijzonder dat hier verwarring of onduidelijkheid over is ontstaan, want aan de regels hierover is niets veranderd. Alleen de leeftijdsgrens is per 1 januari 2014 verhoogd van 16 naar 18 jaar. Al sinds 2000 staat in artikel 20 van de Drank- en Horecawet dat caissières of horecamedewerkers de verkoop moeten weigeren als een volwassene alcohol wil kopen die «kennelijk» bestemd is voor een jongere. Met de term «kennelijk» wordt hier bedoeld: voor iedereen overduidelijk.
Dan gaat het bijvoorbeeld om een groepje jongeren waarvan er een boven de 18 is. Of iemand die in de rij bij de kassa staat en aanbiedt drank of tabak te kopen voor een minderjarige, als de verkoop is geweigerd aan deze minderjarige. Dergelijke situaties hebben weinig te maken met ouders die samen met hun kinderen boodschappen doen en die alcohol voor zichzelf kopen.
Gezien bovenstaande uitleg zie ik dan ook geen aanleiding de Drank- en Horecawet op dit punt aan te passen.
Bent u, net als het Centraal Bureau voor Levensmiddelenhandel, van mening dat de wet onduidelijk is over verkoop van alcohol aan volwassenen in het bijzijn van jongeren onder de achttien jaar? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u voornemens om de wet aan te passen met als doel duidelijkheid voor winkeliers te scheppen, of ziet u andere oplossingen?
Zie antwoord vraag 3.
Het Europese initiatief voor het opstellen van nieuwe duurzame energiedoelstellingen voor 2030 |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Staat het kabinet nog altijd achter de ambitie uit het regeerakkoord1, dat Nederland voortrekker dient te zijn in de internationale samenwerking op het gebied van duurzaam energiegebruik?
Ja.
Heeft het kabinet kennisgenomen van de brief2, uitgevaardigd op 23 december jl., waarin acht EU-ministers pleiten voor een duidelijke Europese doelstelling op het gebied van duurzame energie in 2030?
Ja.
Hoe verhoudt deze brief zich tot de Europese Green Growth Group3, waarvan Nederland deel uit maakt?
Nederland heeft in de Green Growth Group conform de kabinetsreactie op het Europese Groenboek gepleit voor een CO2-reductiedoel van ten minste 40% ten opzichte van 1990. Binnen de Green Growth Group is over een dergelijk reductiedoel een redelijke mate van consensus ontstaan. In een brief van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Spanje, Italië, Duitsland en Nederland van 10 januari 2014 is dit ook schriftelijk aan de Commissie overgebracht.
Dat ligt anders bij de formulering van aparte doelen voor energiebesparing en hernieuwbare energie. Het Verenigd Koninkrijk is tegen aparte doelen naast het CO2-reductiedoel, terwijl Duitsland daar juist voorstander van is.
In de kabinetsreactie op het Europese Groenboek heeft Nederland destijds geen expliciete houding ten aanzien van een hernieuwbare doelstelling ingenomen om die reden zal NL niet zijn gevraagd om de brief van 23 december jl. waarnaar in vraag 2 verwezen wordt mede te ondertekenen.
Het kabinet zal uw Kamer op korte termijn een reactie geven op het Europese Witboek, dat op 22 januari jl. is verschenen.
Heeft Nederland deelgenomen aan het opstellen van deze brief? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Betekent de Nederlandse afwezigheid bij het opstellen van deze brief dat het kabinet het Europese initiatief voor harde doelstellingen in 2030 niet steunt?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u bevestigen dat de Europese samenwerking op het gebied van duurzame energie uw volle aandacht heeft, zodat in het vervolg Nederland een centrale speler blijft in de Europese overlegstructuur naar een duurzame toekomst?
Ja. Overleg op Europees niveau zal steeds belangrijker worden om de Europese vraag en het aanbod van met name elektriciteit in een steeds verder integrerende elektriciteitsmarkt in goede banen te leiden waardoor de algehele voorzieningszekerheid kan worden geborgd.