Het ongekende geweld tegen christenen in Egypte, zoals gedocumenteerd door Amnesty International |
|
Michiel Servaes (PvdA), Kees van der Staaij (SGP), Han ten Broeke (VVD), Pieter Omtzigt (CDA), Joël Voordewind (CU) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Heeft u kennisgenomen van het recente gedetailleerde rapport van Amnesty International, waarin wordt beschreven hoe Koptische christenen op zeer grote schaal het doelwit zijn van aanhangers van de afgezette president Morsi? Hoe beoordeelt u dit rapport?1
De bevindingen in het rapport zijn zorgwekkend en sluiten aan bij de berichten die sindsdien over het gebruikte geweld zijn verschenen. Een van de aanbevelingen die in het rapport worden gedaan betreft de noodzaak van een volledig, onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar het sektarisch geweld dat heeft plaatsgehad sinds 3 juli jl. Het kabinet bepleit de noodzaak van een dergelijk onpartijdig onderzoek bij de Egyptische autoriteiten, zowel bilateraal als in EU- en in VN-verband.
Welke trends en achtergronden zijn momenteel zichtbaar in Egypte als het gaat om sektarisch geweld jegens christenen en andere religieuze minderheden?
Waar Egypte in de afgelopen jaren spanning heeft gekend tussen moslims en christenen is deze spanning sinds de machtswisseling in juli jl. toegenomen. Het sektarisch geweld is deels politiek en deels religieus gedreven, maar komt ook voort uit frustratie over armoede, werkloosheid en gebrek aan onderwijs. Niet alleen christenen zijn het slachtoffer van sektarisch geweld, ook andere religieuze minderheden waaronder shi’iieten zijn slachtoffer daarvan.
De Nederlandse ambassadeur in Egypte heeft onlangs een bezoek gebracht aan het gouverneraat Minya, waar sektarische spanningen en geweld vooral in de periode na 14 augustus jl. tot uitbarsting zijn gekomen. Hij sprak met lokale autoriteiten en geestelijk leiders, onder wie de provinciale gouverneur en vertegenwoordigers van zowel christenen als moslims. Lokale autoriteiten en geestelijk leiders verklaarden dat er in de betreffende periode, juist omdat de politie zelf ook slachtoffer was van geweld, er onvoldoende capaciteit was om bescherming te bieden aan de kerken die doelwit werden van aanvallen. Overigens verklaarden christelijke leiders zich tevreden over de bijstand die sindsdien van de autoriteiten werd verkregen en de samenwerking met gematigde moslims. Verder heeft de koptische paus Tawadros onlangs tegenover EU Hoge Vertegenwoordiger Ashton zijn steun voor de huidige interim-regering onderstreept.
Kunt u cijfers verstrekken omtrent het aantal christenen dat in de afgelopen periode getroffen is door het geweld en het aantal kerken dat vernield is?
Er is op dit moment geen eenduidige informatie beschikbaar over het aantal slachtoffers en over het aantal kerken dat is vernield in de afgelopen periode.
Wat is uw indruk van de inspanningen die de Egyptische autoriteiten plegen om deze gewelddadigheden in te dammen? Geven zij hieraan in uw ogen voldoende prioriteit? Welke beweging is hier zichtbaar?
De interim-regering heeft haar intenties om de koptische minderheid te beschermen duidelijk uitgesproken, maar is nog niet in staat gebleken noodzakelijke politiële en justitiële verbeteringen door te voeren.
De Egyptische veiligheidssector voorkomt het geweld tegen christenen nog niet op voldoende en effectieve wijze. Legereenheden zijn niet altijd in de buurt en lokale overheden handelen soms weinig doortastend ten behoeve van de bescherming van de koptische gemeenschap.
Welke contacten hebben u en de EU momenteel met de Egyptische autoriteiten om dit geweld in te perken en om dit hoge prioriteit te geven? Wat zijn hiervan de resultaten?
Het kabinet heeft herhaaldelijk tegenover de Egyptische autoriteiten zijn zorgen geuit over de geweldsescalaties die zich op 14 augustus en daarna hebben voorgedaan. Het kabinet dringt aan op onafhankelijk onderzoek en vervolging van de daders. Daarbij is nog onvoldoende resultaat bereikt door de Egyptische autoriteiten.
EU Hoge Vertegenwoordiger Catherine Ashton heeft het geweld, en de aanvallen op kerken in het bijzonder, veroordeeld in meerdere verklaringen en tijdens haar bezoek aan Cairo op 2-3 oktober gepleit voor onafhankelijk onderzoek. Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 augustus jl. is ook de situatie van de kopten aan de orde gekomen en zijn de zorgen van de EU neergelegd in Raadsconclusies.
Op welke wijze kan de internationale gemeenschap de Egyptische autoriteiten concreet ondersteunen bij het ontwikkelen van een strategie om nieuw geweld jegens christenen en andere minderheden te voorkomen? Bent u bereid om hierbij het initiatief te nemen?
Nederland heeft in EU-verband herhaaldelijk initiatief genomen om sektarisch geweld in Egypte aan te kaarten. In de ogen van het Nederlandse kabinet zou de internationale gemeenschap Egypte niet alleen op dit thema moeten aanspreken, maar ook concrete steun moeten aanbieden ten aanzien van sectoren als handhaving, opsporing en onderzoek. Nederland ontplooit reeds kleinschalige initiatieven op dit punt, bijvoorbeeld door Egyptische rechters te trainen en contacten tussen imams en priesters te organiseren die een matigend effect beogen.
De grotendeels onbestrafte islamitische jihad tegen Kopten in Egypte |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het rapport «How long are we going to live in this injustice»?1
Ja.
Onderkent u de dodelijke rol van de islam, gezien het feit dat aan vrijwel alle terreuraanvallen op de kopten en hun kerken en eigendommen jihadoproepen uit moskeeën vooraf gingen?
Het kabinet verwerpt jihadoproepen en acht het zeer betreurenswaardig dat religieuze locaties zijn gebruikt om op te roepen tot haat jegens minderheden. Overigens is ook op seculiere locaties dergelijke haat gepredikt.
Wat is uw reactie op Amnesty’s constatering dat onder Morsi de islamitische retoriek door leden en volgelingen van de moslimbroederschap toenam en aanvallen op kerken geheel onbestraft bleven? Welke conclusies trekt u hieruit voor de steun die Nederland destijds aan de moslimbroederschap gaf, steun die zich zelfs uitstrekte tot samenwerking op regeringsniveau?
Aanvallen op religieuze minderheden zijn in Egypte doorgaans onbestraft gebleven, zowel onder bewind van president Mubarak, de Supreme Council of the Armed Forces, president Morsi als onder de huidige interim-regering.
Nederland benadrukt het belang van politieke inclusiviteit, maar verleent geen steun aan de Moslimbroederschap en heeft dat ook in het verleden niet gedaan. Bilaterale samenwerking betrof samenwerking met door het Egyptische volk gekozen vertegenwoordigers. Daarnaast is samenwerking met maatschappelijke organisaties gefinancierd.
Hoe beoordeelt u de zorgen van de lokale bevolking en advocaten dat de huidige onderzoeken naar geweld partijdig zijn omdat het leger het alleen op moslimbroeders gemunt heeft, terwijl de salafistische daders vrij rond lopen?2
Zie het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid er bij de Egyptische autoriteiten op aan te dringen dat alle jihadistische daders worden opgepakt, ongeacht tot welke islamitische club zij behoren; en de koptische slachtoffers (zoals Nadi Mehani) van rechtsvervolging worden ontslagen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe apprecieert u het verzoek van kopten om de moslimbroederschap op de EU-terreurlijst te plaatsen? Bent u bereid onderzoek in de stellen naar het terroristische karakter van de moslimbroederschap en salafistische groeperingen die verantwoordelijk zijn voor de terreuraanvallen op kopten?3
In het antwoord op vraag 10 wordt nader ingegaan op onderzoek naar de gewelddadigheden. Voorop staat dat dergelijk onderzoek nodig is vooraleer conclusies kunnen worden getrokken.
Hoe beoordeelt u het feit dat in Delga van christenen jizya (beschermingsgeld) wordt geëist door hun islamitische buren? Bent u ermee bekend dat sinds Mubarak’s vertrek in moskeeën wordt opgeroepen tot het vorderen van jizya? Bent u bereid te onderzoeken welke acties de internationale gemeenschap kan ondernemen tegen de verwerpelijke jizya-praktijk?
Na het afzetten van president Morsi op 3 juli jl. nam de wetteloosheid toe en werden in sommige streken van Egypte, waaronder het stadje Delga, door extremisten religieuze belastingen als jizya gevorderd van niet-moslims. Inmiddels is aan het machtsvacuüm in Delga een einde gekomen na een gezamenlijke politie- en legeractie. De lokale autoriteiten handhaven nu de orde en voorkomen het heffen van religieuze belastingen.
De Egyptische autoriteiten hebben voorts in september jl. aan 55.000 extremistische en haatzaaiende imams een «preekverbod» opgelegd. Alleen predikanten met een vergunning mogen nog voorgaan in moskeeën, waardoor er een zekere mate van controle is op opruiende preken.
De internationale gemeenschap dringt bij de huidige interim-regering aan om de rechtsstaat te versterken, waarmee praktijken zoals religieuze belastingen voorkomen moeten worden.
Deelt u de ongerustheid over de wijdverbreide bewapening onder Egyptische islamieten en bent u bereid te pleiten voor een civiele ontwapeningscampagne?
Onder de hele Egyptische bevolking is wapenbezit een wijdverbreid probleem. Een algemene ontwapeningscampagne zou zinvol zijn. Het terugdringen van wapenbezit bij particulieren heeft de aandacht van de internationale gemeenschap en de Egyptische autoriteiten.
Heeft u de Egyptische autoriteiten om opheldering gevraagd hoe het heeft kunnen gebeuren dat, terwijl er voldoende signalen waren dat zowel politie als kerken doelwit zouden worden van «wraakacties», zelfs de reguliere bescherming van kerken teruggetrokken was op 14 augustus 2013?
De Nederlandse ambassadeur in Egypte heeft onlangs een bezoek gebracht aan het gouverneraat Minya, waar sektarische spanningen en geweld vooral in de periode na 14 augustus jl. tot uitbarsting zijn gekomen. Hij sprak met lokale autoriteiten en geestelijk leiders, onder wie de provinciale gouverneur en vertegenwoordigers van zowel christenen als moslims. Lokale autoriteiten en geestelijk leiders verklaarden dat er in de betreffende periode, juist omdat de politie zelf ook slachtoffer was van geweld, onvoldoende capaciteit was om bescherming te bieden aan de kerken die doelwit werden van aanvallen. Overigens verklaarden christelijke leiders zich tevreden over de bijstand die sindsdien van de autoriteiten werd verkregen en de samenwerking met gematigde moslims.
Kunt u aangeven wat u tot nu uw inspanningen zijn geweest en wat u nog gaat doen om gerechtigheid te bewerkstellingen voor de slachtoffers van de jihadterreur op 14 augustus 2013, waarbij 60 kerken en 207 koptische eigendommen werden aangevallen, minstens vier kopten werden gedood, en een onbekend aantal gewonden viel?
Het kabinet heeft herhaaldelijk tegenover de Egyptische autoriteiten zorgen geuit over de geweldsescalaties die zich op 14 augustus en daarna hebben voorgedaan. Het kabinet dringt aan op onafhankelijk onderzoek naar alle incidenten en vervolging van de daders. Daarbij is nog onvoldoende resultaat bereikt door de Egyptische autoriteiten.
EU Hoge Vertegenwoordiger Catherine Ashton heeft het geweld, en de aanvallen op kerken in het bijzonder, veroordeeld in meerdere verklaringen en tijdens haar bezoek aan Cairo op 2-3 oktober gepleit voor onafhankelijk onderzoek. Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 augustus jl. is ook de situatie van de kopten aan de orde gekomen en zijn de zorgen van de EU neergelegd in de Raadsconclusies.
Hoe beoordeelt u het feit dat er nog steeds geen uitslag openbaar gemaakt is van het schimmige onderzoek naar het Maspero-bloedbad dat precies 2 jaar geleden plaatsvond, en dat er maar 3 soldaten wegens doodslag zijn veroordeeld tot lage straffen?
Het is teleurstellend dat, voor zover bekend, er geen breed onderzoek heeft plaatsgevonden naar het Maspero-incident. Tegelijkertijd stelt het kabinet vast dat er wel strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden naar enkele daders en dat dat tot veroordelingen heeft geleid.
Heeft u er op basis van het Maspero-onderzoek wel vertrouwen in dat Egypte in staat is tot een onafhankelijk onderzoek naar a) de jihadterreur tegen kopten sinds Morsi’s aftreden, en b) het eigen falende optreden van de huidige Egyptische regering? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, ziet u kans en aanleiding te pleiten voor een onafhankelijk onderzoek?
De interim-regering heeft haar intenties om de koptische minderheid te beschermen duidelijk uitgesproken, maar is nog niet in staat gebleken noodzakelijke politiële en justitiële verbeteringen door te voeren.
Zie ook het antwoord op vraag 10.
Het bericht dat een medische test homo’s moet ‘detecteren’ en uit Golfstaten weren |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een medische test homo’s moet «detecteren» en uit Golfstaten zoals Koeweit moet weren?1
Ja.
Vindt u ook dat de ontwikkeling en toepassing van zo’n medische test met een dergelijk doel onwenselijk is?
Ja.
Ziet u mogelijkheden om over deze onwenselijke ontwikkeling opheldering bij betrokken landen te vragen, zo nodig in Europees verband?
Volgens informatie van het Koeweitse ministerie van Buitenlandse Zaken betreft het een voorstel dat Koeweit zou overwegen te doen aan de leden van de Gulf Cooperation Council (GCC) om gezamenlijk de mogelijkheden te onderzoeken om personen die in aanmerking willen komen voor een (werk)visum of verblijfsvergunning een geslachtstest te laten ondergaan als onderdeel van de vereiste medische testen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken volgt de situatie op de voet, staat in contact met EU-partners en zal indien het opportuun mocht zijn gepaste actie ondernemen gezamenlijk met internationale partners.
Zie ook de antwoorden op de Kamervragen van het lid Ten Broeke en de leden Voortman en Van Ojik met respectievelijk referentienummer 2013Z19340 en 2013Z19664.
Wat betekent dit voor de Fédération Internationale de Football Association (FIFA), die voor 2022 het WK voetbal aan één van de Golfstaten heeft toegewezen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u ook van mening dat de FIFA ervoor moet zorgen dat er geen discriminerende belemmeringen zijn om bij het WK in 2022 aanwezig te kunnen zijn?
Zie antwoord vraag 3.
De gevolgen van de Splitsingswet (Wet Onafhankelijk Netbeheer) |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Splitsing van de energiesector: een verdeeld of onverdeeld succes?1 Onderschrijft u de analyse en conclusies? Zo nee, waarom niet? Bent u in het laatste geval bereid om per omgaande een onafhankelijke evaluatie van de effecten van de Splitsingswet te laten uitvoeren?
Ik heb kennisgenomen van het rapport van PricewaterhouseCoopers over splitsing in de energiesector. Ingevolge de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 juni 2010 zijn op dit moment belangrijke delen van de Wet onafhankelijk netbeheer (hierna: Won) onverbindend. De effecten van de Won kunnen dientengevolge niet beoordeeld worden. De Staat is tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag in cassatie gegaan bij de Hoge Raad. Deze rechtszaak loopt op dit moment nog. Op 22 oktober 2013 heeft het Europese Hof van Justitie op verzoek van de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord over de Won. Het is nu aan de Hoge Raad om tot een definitief oordeel te komen. Ik acht het niet zorgvuldig om op dit moment verdere uitspraken te doen over de Won.
Waarom zou Nederland de verplichte afsplitsing van de netwerken van 100% publieke geïntegreerde energiebedrijven moeten doorzetten, nu blijkt dat de beoogde maatschappelijke voordelen uitblijven, er tegelijkertijd sprake is van negatieve effecten voor de twee resterende geïntegreerde bedrijven en Nederland – tegen de verwachting in 2006 – het enige Europese land is dat de splitsing van het eigendom van netbeheerders en productie- en leveringsbedrijven (PLB) wettelijk voorschrijft?
Zie antwoord vraag 1.
Is er door de Autoriteit Consument en Markt (en zijn voorgangers), sinds het van kracht worden van de Splitsingswet, op enig moment geconstateerd dat de netbeheerders die onderdeel zijn van Eneco en Delta middelen van hun netbeheerder hebben weggesluisd naar het PLB en/of misbruik gemaakt hebben van hun monopolie door het zusterbedrijf/PLB voor te trekken boven andere PLB's?
Het groepsverbod, als onderdeel van de Won, is momenteel niet van kracht. De Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) beschikt niet over aanwijzingen of klachten dat de nu wel geldende kaders, zoals het Besluit financieel beheer netbeheerder en de Mededingingswet, zijn geschonden. Daarom is tot op heden geen onderzoek verricht naar bevoordeling van de productie- en leveringsbedrijven van Eneco en Delta door hun respectievelijke netbeheerders Stedin en Delta Netwerkbedrijf (hierna: DNWB). Daarbij teken ik aan dat, zoals ook in de parlementaire behandeling van de Won meermaals is aangegeven, in een geïntegreerde situatie concurrentieverstorende activiteiten zeer moeilijk zijn te achterhalen en een omvangrijke toezichtinspanning vereisen.
Hoe hebben de investeringen van enerzijds Enexis en Alliander, en anderzijds Eneco/Stedin en Delta, zich sinds 2006 ontwikkeld? Worden de netwerken van Eneco/Stedin en Delta «uitgewoond» in vergelijking met die van hun collega's Enexis en Alliander?
Enexis en Alliander zijn sinds medio 2009 zelfstandige netwerkbedrijven. Het netwerkbedrijf Stedin maakt deel uit van het Eneco-concern en Delta Netwerkbedrijf van multi-utility bedrijf Delta. De ACM ziet toe op voldoende investeringen in en kwaliteit van de netwerken. Het beeld van de ACM, gebaseerd op de productiviteitsdata waarin de gerealiseerde investeringen zijn opgenomen, is dat de investeringsniveaus van de netbeheerders Enexis, Alliander, Stedin en DNWB zich tot op heden verhoudingsgewijs in gelijke mate hebben ontwikkeld. De ACM heeft op dit moment geen aanleiding te veronderstellen dat de hoogte van de investeringen bij Stedin en DNWB een negatieve invloed heeft op de kwaliteit van de door hun beheerde energienetwerken. Uit de bij ACM beschikbare gegevens die gebruikt worden voor publicatie van factsheets over de kwaliteit van de netwerken, volgt geen afwijkend beeld van Stedin en DNWB ten opzichte van het landelijk gemiddelde. ACM tekent hierbij wel aan dat het uitblijven van investeringen in en onderhoud van netten niet altijd op korte termijn meetbare effecten heeft. Het effect van eventuele achterblijvende investeringen is derhalve pas op termijn vast te stellen.
Hoe heeft de werkgelegenheid bij enerzijds NUON/Alliander en Essent/Enexis en anderzijds Eneco/Stedin en Delta zich sinds 2006 ontwikkeld? Indien de situatie zich bij de gesplitste bedrijven veel ongunstiger ontwikkeld heeft; is dat geen teken dat de eigendomssplitsing negatief uitpakt voor de vitaliteit van een van de belangrijke basisindustrieën in Nederland?
De beoordeling van de werkgelegenheid tussen Nuon/Alliander en Essent/Enexis enerzijds en Eneco/Stedin en Delta/Delta Netwerkbedrijf anderzijds is niet gelijkwaardig. Alliander en Enexis zijn inmiddels zelfstandige ondernemingen, terwijl Nuon geïntegreerd is in Vattenfall en Essent onderdeel is van RWE. In algemene zin kan bij de productie- en leveringsbedrijven van Nuon, Essent, Eneco en Delta tussen 2009 en 2013 een daling in werkgelegenheid worden waargenomen, terwijl bij de netwerkbedrijven Alliander, Enexis, Stedin en Delta Netwerkbedrijf sprake is van toenemende werkgelegenheid. In de periode 2006–2012 is de werkgelegenheid van alle voornoemde bedrijven in totaliteit toegenomen met meer dan 2.000 arbeidsplaatsen.2
Ik merk op dat aan deze ontwikkelingen geen conclusies kunnen worden verbonden over de vitaliteit van de Nederlandse energiesector, aangezien werkgelegenheid alleen geen goede indicator is voor de vitaliteit van de sector.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de behandeling van het onderdeel energie van de Begroting Economische Zaken 2014 in het wetgevingsoverleg op 11 november 2013?
Ja.
De aanpak van horizontale fraude en het collectief verhalen van schade |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de opmerking van voormalig fraudeofficier Fred Speijers dat slachtoffers van fraude er niet op moeten rekenen dat politie en justitie iets voor hen doen, en dat bedrijven die het slachtoffer van fraude zijn hun krachten moeten bundelen en als collectief achter het geld aan moeten gaan?1
Het is niet zo dat de overheid niets doet voor slachtoffers van zogenaamde horizontale fraude. Zij kunnen op diverse manieren hulp krijgen. Zo begeleidt de Fraudehelpdesk slachtoffers, verwijst hen door naar de juiste instanties en geeft voorlichting over allerlei vormen van fraude en oplichting teneinde burgers en ondernemers weerbaarder te maken en te voorkomen dat er (meer) slachtoffers ontstaan.
Verder is bij de aanpak van horizontale fraude een belangrijk onderdeel van een strafzaak het terughalen of afpakken van het voordeel van een verdachte. Het afgepakte voordeel strekt in de eerste plaats ter compensatie van slachtoffers. Om dit beleid te versterken wordt het met ingang van 1 januari 2014 mogelijk conservatoir beslag te leggen ten behoeve van compensatie van de schade van slachtoffers.
Daarnaast kunnen slachtoffers als benadeelde partij ook voegen in een strafzaak. Ook de voorschotregeling voor slachtoffers, als onderdeel van de wet Versterking Positie Slachtoffers, zal per 16 augustus 2016 worden uitgebreid naar alle misdrijven. Dit betekent dat vanaf dan de voorschotregeling geldt voor alle opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, waarbij voor de niet-geweld en zedendelicten een plafond geldt van max. € 5.000,–.
Tot slot schept de overheid kaders om het voor slachtoffers makkelijker te maken om zich tot de civiele rechter te wenden. Voor wat betreft collectieve procedures verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
Hoe ziet u de rol van politie en justitie als het gaat om horizontale fraude, fraude gericht tegen burgers en bedrijven? Is het waar dat politie en justitie meer aandacht hebben voor verticale fraude, waarbij de overheid benadeeld wordt, zoals bij sociale zekerheidsfraude?2
Er is geen sprake van dat de ene vorm van fraude meer prioriteit heeft dan de andere. Beide vormen van fraude tasten belangrijke pijlers van onze samenleving aan, zoals een betaalbaar zorgstelsel of een gezond ondernemingsklimaat. Iedereen heeft daar last van. Een groot aantal maatregelen dat het kabinet neemt, richt zich dan ook op zowel fraude met publieke middelen als fraude tegen burgers en bedrijven. Een integrale aanpak van fraude richt zich immers voor een belangrijk deel op het wegnemen van het instrumentarium van fraudeurs en het weren van beroepsfraudeurs. Deze categorie criminelen maakt geen onderscheid tussen publieke of private gelden. In december van dit jaar ontvangt uw Kamer een brief over de Rijksbrede aanpak van fraude.
Op grond waarvan worden deze prioriteiten bepaald? Wat vindt u er van dat het gevolg van de (op zichzelf terechte) aandacht voor verticale fraude is dat bedrijven en burgers die het slachtoffer worden van fraude in de kou staan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de mogelijkheden een collectief te vormen in een civiele procedure teneinde schade te verhalen moeten worden verruimd? Zo niet, waarom niet?
Op basis van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek is het reeds mogelijk om als stichting of vereniging ten behoeve van een groep personen met gelijksoortige belangen een verklaring voor recht te vorderen of te vorderen dat het vermeend teveel betaalde als onverschuldigd aan deze groep wordt terugbetaald (HR 2 september 1994, NJ 1995, 369). Dit artikel biedt op dit moment echter nog geen mogelijkheid om door middel van een collectieve actie schadevergoeding in geld te vorderen. Ter uitvoering van de motie Dijksma3 wordt gewerkt aan een wetsvoorstel om art. 3:305a BW aldus te wijzigen dat het eveneens mogelijk wordt om door middel van een collectieve actie schadevergoeding in geld te vorderen.
Wat vindt u van het idee dat de overheid de juridische kosten voor zou kunnen financieren, omdat het mede in het belang van de overheid is dat fraudeurs worden aangesproken, zo mogelijk via civiele en strafrechtelijke procedures?
Het idee dat de overheid onder bepaalde voorwaarden benadeelde slachtoffers faciliteert in de mogelijkheden om fraudeurs aansprakelijk te stellen vind ik sympathiek en is daarom ook al onderdeel van mijn beleid. Ik verwijs in dit verband naar mijn antwoord op vraag 1.
Ik noem als ander voorbeeld de garantstellingsregeling curatoren. Met deze regeling worden curatoren gestimuleerd om na een faillissement van een rechtspersoon nader onderzoek te doen naar onbehoorlijk bestuur en fraude aan te pakken, zodat geld wordt teruggehaald bij de malafide bestuurder / fraudeur met een aansprakelijkheidsprocedure. Dit geld komt weer terug in de boedel. Dit is in het belang van de benadeelde schuldeisers. Om de aanpak van fraude en de ondersteuning van benadeelde slachtoffers van overheidswege te verbeteren houd ik voortdurend de vinger aan de pols door de werking van dit soort maatregelen te evalueren en zo nodig te verbeteren. Zo heb ik recentelijk de garantstellingsregeling curatoren verruimd. Het faciliteren hoeft overigens niet alleen te bestaan uit financiële bijdragen vanuit de overheid, maar kan bijvoorbeeld ook bestaan uit het verruimen van de kaders om informatie te verstrekken aan slachtoffers of verzekeraars ten behoeve van civiele acties. Het met dit doel uitbreiden van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) wijs ik echter af. De Wrb is een uitgebalanceerde voorziening ten behoeve van de toegang tot het recht van minder draagkrachtigen. Naar zijn aard leent de Wrb zich niet voor specifieke doelgroepen of voorfinanciering van juridische kosten.
Nationale koppen ten aanzien van Europese regelgeving op het gebied van landbouw, natuur en visserij |
|
Helma Lodders (VVD), André Bosman (VVD), Bart de Liefde (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
![]() |
Herinnert u zich nog uw toezegging tijdens de behandeling van de begroting Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur voor het jaar 2013 om voor het zomerreces 2013 een overzicht te sturen van Europese wet- en regelgeving die strenger is geïnterpreteerd door de Nederlandse overheid voor landbouwers, tuinders en vissers? Zo ja, kunt u toelichten waarom het niet gelukt is dit overzicht voor het zomerreces naar de Kamer te sturen?
Over de toezegging heb ik uw Kamer per brief geïnformeerd op 26 juni 2013. (Kamerstukken II 2012–2013, 21 501-32, nr. 722). Daarbij heb ik verwezen naar het brede onderzoek naar de nationale implementatie van Europese regelgeving naar aanleiding van de motie Van der Burg (Kamerstukken II, 2007/08, 29 515, nr. 2013), dat de minister van Economische Zaken na de zomer naar uw Kamer zou sturen. Uw Kamer heeft dit onderzoek ontvangen op 12 september 2013 (Kamerstukken II 2012/2013, 29 362, nr. 224, bijlage 249702).
Herinnert u zich nog uw toezegging in het schriftelijk overleg inzake de Landbouw- en Visserijraad, vastgesteld op 15 juli 2013, om voor de begrotingsbehandeling een overzicht naar de Kamer te sturen van alle Europese richtlijnen op het gebied van landbouw, natuur en visserij en de Nederlandse implementatie daarvan, specifiek de «nationale koppen» ten aanzien van deze Europese regels? Zo ja, kunt u bevestigen of het lukt om dit overzicht ruim op tijd voor de begrotingsbehandeling Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur voor het jaar 2014 naar de Kamer te sturen?
In de bijlage1 bij deze brief is per beleidsterrein of wetgevingscomplex beschreven wat het Europeesrechtelijke en nationaal wettelijke kader is en van welke nationale koppen hierbij op hoofdlijnen sprake is. Als nationale koppen zijn beschouwd die regels die zijn gesteld op onderwerpen die in EU-regelgeving zijn vervat en die stringenter zijn dan de betreffende EU-regelgeving. Geïnventariseerd is vigerende regelgeving. Nieuwe of in voorbereiding zijnde maatregelen zijn niet betrokken in deze inventarisatie. Het algemene uitgangspunt bij de nationale uitvoering en implementatie van Europese regels blijft dat deze lastenluw, dat wil zeggen met zo min mogelijk lasten voor het bedrijfsleven, geschiedt, tenzij er zwaarwegende redenen zijn hiervan af te wijken.
Kunt u in het overzicht ingaan op de gevolgen van «nationale koppen» ten aanzien van Europese regels op het gebied van dierenwelzijn, diergezondheid, plantgezondheid, gewasbeschermingsmiddelen, natuur, milieu, implementatie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en Gemeenschappelijk Visserijbeleid et cetera voor de administratieve lasten en nalevingskosten voor overheden, bedrijfsleven en burgers, en kunt in het overzicht ook aangeven wat de gevolgen van de «nationale koppen» zijn voor de economische ontwikkeling van bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Regeldruk effecten worden bij het in kaart brengen uitgesplitst naar eenmalige dan wel structurele administratieve lasten en eenmalige dan wel structurele nalevingskosten. Daarnaast wordt per regeling aangegeven of de regeldruk effecten hun oorsprong hebben in internationale verplichtingen, of het gaat om de nationale implementatie van internationale verplichtingen, of dat het wetgeving betreft van nationale oorsprong. Sinds dit kabinet wordt tevens aangegeven of voor de minst belastende instrumentalisering van beleid is gekozen. Onder dit reeds brede palet van categorieën is niet voorzien in een nog fijnmazigere uitsplitsing, naar het bedrag dat binnen de categorieën aan te merken is als regeldruk ten gevolge van een nationale kop.
Ten algemene geldt dat de economische ontwikkeling gebaat is bij het verminderen regeldruk, dus ook bij het daar waar mogelijk schrappen van nationale koppen. Minder regeldruk leidt in beginsel immers tot een potentieel lagere kostprijs en een versnelling van (vergunning)procedures, waardoor economische capaciteiten beter kunnen worden benut.
Kunt u voorafgaand aan de begrotingsbehandeling Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur voor het jaar 2014 ook een overzicht sturen van alle regels die zijn verminderd, vereenvoudigd of geschrapt voor de landbouwers, tuinders en vissers in het kader van de afspraken uit het regeerakkoord om per 2017 een structurele verlaging van de regeldruk te hebben van 2,5 miljard euro en de minder meetbare, maar zeer merkbare regeldruk te verminderen in tenminste vijftien regeldichte sectoren, zoals agri & food? Zo nee, waarom niet?
Over de voortgang ten aanzien van de ambitie om de regeldruk per 2017 met 2,5 miljard euro te verminderen wordt uw Kamer twee maal per jaar geïnformeerd. Zoals gesteld in de Kamerbrief «Verzamelbrief regeldruk» van de minister van Economische Zaken (Kamerstuk 29 362 nr. 224, d.d. 12 september 2013), is gestart met een maatwerkaanpak regeldruk op enkele regeldichte domeinen, waaronder het agro & food domein. Over de maatwerkaanpak in het agro & food domein is in consulterende zin reeds gesproken met een aantal sectororganisaties. De verwachting is dat vóór het eind van dit jaar de uitvraag bij de sectororganisaties zal starten, waarna deze organisaties de mogelijkheid krijgen om knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen bij hun respectievelijke achterbannen te inventariseren. Deze zullen gezamenlijk met het bedrijfsleven worden geanalyseerd. Daarna zal uw Kamer hierover worden gerapporteerd.
Hieronder is aangegeven op welke wijze de regeldruk voor bedrijven op het gebied van landbouw, natuur en visserij zich naar huidige inzichten zal ontwikkelen. Het is een overzicht waarin zowel toenames als afnames van regeldruk zijn opgenomen. Geregistreerd zijn maatregelen met een regeldruk effect groter dan 100.000 euro. Het weergegeven regeldrukeffect is de som van structurele administratieve lasten en structurele nalevingskosten. Tegenover de toename van de regeldruk in 2014 staat dat sinds de start van dit kabinet tot eind 2013 een reductie zal worden behaald van 5,0 miljoen euro2.
De uitkomst van de discussie met uw Kamer over het mogelijk afschaffen van het dierrechtenstelsel in 2015 bepaalt of hiermee al dan niet een lastendrukvermindering kan worden gerealiseerd.
1
Meststelsel (stelsel van verantwoorde mestafzet)
1,0
2
PAS (Programmatische Aanpak Stikstof)
-1,7
3
Wetsvoorstel natuurbescherming
-0,5
4
Afschaffen bedrijfsregister agrarische bedrijven
-5,2
5
Vleesketen
-2,0
6
I&R paard
4,0
7
Besluit gezelschapsdieren (regels voor houden van dieren)
2,0
8
Diergeneesmiddelen (reglementering toediening door houders)
9,9
9
SGGV-casus Gewasbescherming
-2,6
10
Ontmantelen pbo’s
p.m.
Deelt u de opvatting dat met de toenemende regeldruk voor landbouwers, tuinbouwers en vissers het steeds moeilijker wordt om te ondernemen en hun koppositie als tweede voedselexporteur in de wereld vast te houden en dat hierdoor de goede naam van de Nederlandse land- en tuinbouw en visserijsector in het gedrang komt? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 101 in de »Antwoorden schriftelijke vragen begroting Economische Zaken 2013, Deel Landbouw en Natuur»(Kamerstukken II 2012/13, 33 750-XIII, nr. 9), waarin wordt aangegeven dat een van de speerpunten van het kabinet is het inzetten op een ondernemend Nederland, met een sterke internationale concurrentiepositie en een excellent ondernemersklimaat. Ondernemers moeten de ruimte krijgen om te ondernemen, te groeien en te vernieuwen, zowel om de huidige crisis het hoofd te bieden als om voorbereid te zijn op de economische ontwikkelingen van de toekomst. Een van de instrumenten hiervoor is het aanpakken van de door ondernemers ervaren regeldruk, zoals ik dit via de maatwerkaanpak wil vormgeven. Tegelijkertijd moet niet uit het oog worden verloren dat voor de degelijke exportpositie van Nederland regelgeving nuttig en noodzakelijk is.
Deelt u de opvatting dat de toenemende regeldruk voor de land- en tuinbouw en visserij ook deels wordt veroorzaakt doordat enkele organisaties, zoals Wakker Dier, een negatief en ongecontroleerd beeld neerzetten van de sectoren? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 101 in de »Antwoorden schriftelijke vragen begroting Economische Zaken 2013, Deel Landbouw en Natuur» (Kamerstukken II 2012/13, 33 750-XIII, nr. 9). Daarnaast wil ik opmerken dat nieuwe wet- en regelgeving tot stand komt volgens de daarvoor geldende regels en procedures. Een onderdeel van deze regels en procedures is de behandeling van nieuwe wet- en regelgeving in uw Kamer, waarbij de effecten op regeldruk kunnen worden betrokken bij het debat.
Een politie-inval naar aanleiding van een WhatsApp-bericht |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Privacy in 2013: Politie aan de deur na WhatsApp-bericht»?1
Ja.
Klopt het dat de politie een inval heeft gedaan naar aanleiding van een verkeerd geïnterpreteerd bericht op WhatsApp? Zo ja, wat is uw beoordeling hiervan?
Nee. In een persbericht heeft de politie toegelicht dat betrokkene is aangesproken naar aanleiding van een tip dat hij mogelijk iets van plan zou zijn met een bom.2
Is het gebruikelijk dat berichten op WhatsApp afgetapt en gemonitord worden? Gebeurt dit incidenteel of structureel?
WhatsApp is een communicatievorm via internet. Sinds een aantal jaren is het mogelijk om een internettap in te zetten als opsporingsmiddel in een strafzaak. Via een internettap kan onder andere het dataverkeer via een mobiele telefoon worden opgenomen, zodat zicht kan worden verkregen op alle datacommunicatie van een verdachte. De totaalcijfers maak ik jaarlijks aan uw Kamer bekend. Per brief van 17 juli 20133 bent u hierover voor het laatst geïnformeerd.
Wordt er toestemming gevraagd voordat berichten op WhatsApp afgetapt worden? Zo ja, wie heeft beslissingsbevoegdheid om toestemming te geven?
De wettelijke grondslag voor het opnemen van communicatie en het vorderen van gegevens is gelegen in de artikelen 126m en 126n van het Wetboek van Strafvordering. Het opnemen van communicatie gebeurt uitsluitend op bevel van de officier van justitie met een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. Deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend in geval van een verdenking van een ernstig misdrijf en nadat deze inzet is getoetst aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.
Op basis van welke criteria wordt besloten of WhatsApp-berichten worden afgetapt?
Zie antwoord vraag 4.
Wordt er achteraf verantwoording afgelegd over het aftappen van WhatsApp-berichten? Zo ja, in welke vorm en aan wie?
Van de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden wordt door de opsporingsambtenaar een proces-verbaal opgemaakt dat deel uitmaakt van het procesdossier dat aan alle procespartijen toekomt. Verder geldt de notificatieplicht uit artikel 126bb van het Wetboek van Strafvordering.
De Facebook-actie “Banken weigeren betalingsverkeer te beveiligen” |
|
Eddy van Hijum (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
![]() |
Hebt u kennisgenomen van de Facebook-actie «Banken weigeren betalingsverkeer te beveiligen»?1
Ja.
Weet u hoe vaak burgers onbedoeld geld overmaken naar een foutief banknummer?
Exacte cijfers over het aantal keer dat burgers onbedoeld geld overmaken naar een foutief rekeningnummer zijn mij niet bekend. Volgens de banken is het aantal problemen ten gevolge van verkeerd opgegeven rekeningnummers op jaarbasis beperkt. De Nederlandse 9-cijferige bankrekeningnummers bevatten namelijk een controlegetal. De kans dat per ongeluk overgeboekt wordt naar een verkeerd nummer is daarom niet groot. Omwisseling van twee cijfers of het vervangen van een cijfer door een ander cijfer leidt in veel gevallen tot een incorrect rekeningnummer. Uitzondering hierop vormen de rekeningnummers van de voormalige Postbank. De korte rekeningnummers van de voormalige Postbank bevatten geen controlegetal. Bij overboekingen naar deze nummers vond daarom wel naam-nummercontrole plaats. Dit vervalt met overgang naar de IBAN, omdat, zoals hierna in het antwoord op vraag 3 wordt toegelicht, in de IBAN nummers ook een controlegetal is opgenomen.
Vindt u de suggestie om nummer- en naamcontrole door de bank te laten plaatsvinden waardevol om het elektronisch betalingsverkeer beter te beveiligen?
Banken en betaalinstellingen zijn verplicht om een integere en beheerste bedrijfsvoering te voeren. Op welke wijze zij dit exact inrichten binnen de kaders van de regelgeving, is in eerste instantie aan die banken en betaalinstellingen zelf.
Van de banken heb ik begrepen dat invoering van een naam- en nummercontrole een forse investering zou vergen en uitvoeringsvragen met zich brengt. Daarbij zou het onder meer gaan om technische aspecten en de bescherming van de privacy van de rekeninghouders. Ik kan mij daarom voorstellen dat banken in hun overweging om al dan niet een naam- en nummercontrole in te voeren, meenemen dat Nederland per 1 februari 2014 migreert naar een Single Euro Payments Area (SEPA). Binnen SEPA wordt IBAN de standaard. Een Nederlandse IBAN (International Bank Account Number) is het huidige rekeningnummer, voorafgegaan door de landcode NL, de (verkorte) naam van bank en een controlegetal. Het controlegetal in een IBAN is bedoeld om te voorkomen dat door type- of schrijffouten geld wordt overgemaakt naar een verkeerd rekeningnummer. Door een zogenaamde modulo 97-proef controle kan, door middel van een rekensom, de foutieve invoer van rekeningnummers worden voorkomen.2
Bent u bereid om er bij de banken op aan te dringen dat zij consumenten meer bescherming bieden tegen fouten maken bij het elektronisch betalingsverkeer, opdat dergelijke incidenten zoals genoemd in de Facebook-actie minder vaak kunnen voorkomen?
Ik verwacht van banken dat foutieve opdrachten in goed onderling overleg tussen de klant en zijn bank worden opgelost. In de incidentele gevallen dat de klant en de bank er niet uitkomen kunnen klachten worden voorgelegd aan KiFiD.
De dreiging dat de bibliotheekcollectie van het Koninklijk Instituut voor de Tropen vernietigd wordt |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «We gooien de geschiedenis weg»1 en het bericht «KIT Bibliotheekcollectie in zwaar weer»?2
Ja.
Wat is uw mening over het bericht dat bijna 70% van de post 1950-collectie van het KIT, ruim 1 miljoen titels, verloren dreigt te gaan?
Het KIT streeft als eigenaar naar een oplossing waarbij de collectie zoveel mogelijk, zij het in deelcollecties, behouden kan worden. De uitkomsten volgt het kabinet belangstellend. Mijn verantwoordelijkheid betreft het deel van de bibliotheekcollectie met bijzondere cultuurhistorische waarde, waarvoor ik ook mijn verantwoordelijkheid heb genomen.
Hoe verhoudt de uitspraak van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tijdens het Algemeen overleg op 19 juni 2013: «Het KIT draagt de collectie, inclusief de bibliotheek, over aan het Rijk. Daarmee kan ik zekerstellen – dat is mijn verantwoordelijkheid – dat de collectie voor het publiek behouden blijft.» zich tot de sluiting van de bibliotheek per 1 augustus dit jaar en de dreiging van het grotendeels verloren gaan van de collectie?3 Ziet u het nog steeds als uw verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de collectie, inclusief de bibliotheek, voor het publiek behouden blijft? Zo nee, waarom bent u van gedachten veranderd? Zo ja, bent u voornemens het KIT te helpen bij het zoeken naar een structurele oplossing zodat de collectie niet vernietigd hoeft te worden?
Zoals ik heb aangegeven in het Algemeen Overleg van 19 juni jl., betreft mijn betrokkenheid bij dit dossier primair het beschermen van het cultureel erfgoed. Daarom ben ik zeer verheugd dat de pre-1950 collectie in beheer komt bij de universiteitsbibliotheek Leiden en daardoor toegankelijk blijft. Voor het post-1950 deel van de bibliotheekcollectie verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 3 van het lid Van Dijk (2013Z18794), waarin is vermeld dat vooralsnog onvoldoende belangstelling lijkt te bestaan voor het compleet in stand houden van een bibliotheekfunctie met een landelijke en internationale taak voor het verzamelen, ontsluiten en beschikbaar stellen van literatuur uit en over ontwikkelingslanden en -onderwerpen. Het KIT is nog steeds in overleg met geïnteresseerde partijen over overdracht van delen van de collectie en draagt hier zelf de verantwoordelijkheid voor.
Deelt u de mening dat de collectie van de bibliotheek van het KIT tot ons cultureel erfgoed behoort en daarmee ook beschermd zou moeten worden? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
De bibliotheekcollectie bestaat uit 2 delen, dat van voor en dat van na 1950. Mijn betrokkenheid bij dit dossier richt zich primair tot het beschermen van het culturele erfgoed en het toegankelijk houden van dat erfgoed voor het publiek. Voor de bibliotheek betreft dit het pre-1950 deel, dat wordt beschouwd als het erfgoeddeel. Dit is in lijn met het advies dat de commissie «ontheemde collecties» onder leiding van de Koninklijke Bibliotheek op verzoek van het Koninklijk instituut voor de Tropen (KIT) over de bibliotheekcollectie heeft uitgebracht. Deze commissie is van mening dat de Rijksoverheid voor de pre-1950 collectie een publieke zorgplicht heeft. Dat onderschrijf ik en daar handel ik naar.
Wat vindt u ervan dat diverse instellingen de grote waarde van de collectie van het KIT onderschrijven, maar deze niet kunnen overnemen omdat het hen aan financiële middelen hiertoe ontbreekt?
Als partijen geïnteresseerd zijn, zullen zij prioriteiten moeten stellen om (delen van) de collectie over te kunnen nemen.
Het bericht dat de minister “persoonlijk sorry” heeft gezegd tegen haar Indonesische collega |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat u «persoonlijk sorry» heeft gezegd tegen uw Indonesische collega over de manier waarop de onderhandelingen tussen Nederland en Indonesië over Leopard-tanks verliepen?1
Ik heb desgevraagd tijdens de ontmoeting met de pers gezegd de gang van zaken rondom de voorgenomen levering van tanks aan Indonesië persoonlijk te betreuren, omdat het geen recht doet aan de vriendschappelijke relatie tussen Nederland en Indonesië. Formele excuses zijn niet aan de orde. Een Kamermeerderheid had bezwaren tegen de voorgenomen levering, waarop Indonesië besloot de tanks in Duitsland te verwerven.
Wat is het verschil tussen een persoonlijk sorry, een formele spijtbetuiging en formele excuses?
Zie antwoord vraag 1.
Sprak u dit persoonlijke sorry uit namens het kabinet? Is deze uitspraak voor het bezoek aan Indonesië afgestemd in het kabinet?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er andere ministers of staatssecretarissen die in het verleden een persoonlijk sorry hebben uitgesproken? Zo ja, om wie ging dit? Zo neen, is dit nieuw beleid?
Zie antwoord vraag 1.
Betekent deze uitspraak een verandering in het wapenexportbeleid richting Indonesië?
Nee.
Bent u bereid iedere vraag afzonderlijk en dus niet in één antwoord samengevoegd te beantwoorden?
Nee.
Het gebrek aan stageplekken voor duizenden mbo-leerlingen |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Geen stageplek voor duizenden leerlingen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat bijna 3.000 studenten in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) geen stageplek kunnen vinden en daardoor mogelijk niet kunnen afstuderen?
Als 3.000 studenten niet zouden kunnen afstuderen vanwege het gebrek aan stageplekken, zou ik dat een ernstige zaak vinden. Hiervan is echter geen sprake. In het betreffende bericht wordt gemeld dat het meldpunt stagetekorten bijna 3.000 meldingen heeft ontvangen.
Door de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs bedrijfsleven (SBB) en de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven wordt hard gewerkt aan het stage- en leerbanenoffensief. Onderdeel hiervan is het meldpunt stagetekorten. Hierbij kunnen mbo-instellingen en studenten terecht die er zelf niet in slagen een passende stageplek te vinden.
Bij het meldpunt zijn in de maanden juni tot en met september meldingen gedaan voor 2.848 studenten. De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven zijn met deze meldingen actief aan de slag gegaan en zij ondersteunen de onderwijsinstellingen bij het vinden van geschikte stageplaatsen. Door de extra inzet was eind september voor meer dan de helft van de studenten een stageplaats gevonden. Voor de overige studenten wordt door onderwijsinstellingen en kenniscentra nog gezocht naar een passende stage. Omdat onderwijsinstellingen vaak tijdig melden, sommige meldingen betreffen de stageperiode voor voorjaar 2014, is er vaak nog voldoende tijd om ook voor deze studenten een stageplaats te vinden. Anders dan het artikel suggereert, is het dus niet zo dat bijna 3.000 studenten niet kunnen afstuderen door gebrek aan stageplekken.
Hoe oordeelt u over het feit dat in sommige gevallen met «veel kunst en vliegwerk» een passende plek gevonden wordt? Kunt u garanderen dat ook deze stages kwalitatief goed en passend zijn?
Het aanbod aan stageplaatsen hangt sterk samen met het aanbod aan regulier werk. Slechte conjuncturele omstandigheden zetten ook het aanbod aan stageplaatsen onder druk. De studenten en de onderwijsinstellingen moeten daardoor soms meer moeite doen om een geschikte stageplek te vinden. De situatie verschilt echter per opleiding en per regio. Daar waar het lastig is om voor iedere student een geschikte stageplaats te vinden, wordt gezocht naar creatieve oplossingen. Door de stageperiodes van studenten meer over het schooljaar te spreiden of door meerdere studenten in dezelfde periode van dezelfde stageplaats gebruik te laten maken, kan de capaciteit van leerbedrijven optimaal worden benut. Alle stages moeten wel plaatsvinden bij erkende leerbedrijven die aan de gestelde kwaliteitseisen voldoen. Een (onafhankelijke) beoordeling of een leerbedrijf erkend wordt, vindt plaats door het kenniscentrum.
Hoe oordeelt u over de opvatting van de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) dat de problemen die bij de SBB gemeld worden slechts het topje van de ijsberg zijn en dat er nog veel meer knelpunten op de stagemarkt zijn dan gemeld worden? Zo ja, kunt u aangeven wat de overige knelpunten zijn?
Naast de meldingen bij het meldpunt Stagetekorten worden veel signalen over mogelijke tekorten aan stageplaatsen regionaal opgepakt door de onderwijsinstelling tezamen met het regionale bedrijfsleven en het betrokken kenniscentrum. Deze regionale infrastructuur zorgt ervoor dat in vrijwel alle gevallen een student alsnog een geschikte stageplaats kan vinden. De meerwaarde van een regionale aanpak is, dat op deze wijze studenten en leerbedrijven in de eigen regio met elkaar in contact kunnen worden gebracht.
Is er sprake van een verschil tussen het tekort aan stageplaatsen tussen BBL-opleidingen en BOL-opleidingen? Kunt u inzichtelijk maken hoe groot de verschillen in het tekort aan stageplekken per regio en per sector zijn?
In het systeem van beroepsopleidende leerweg (bol) en beroepsbegeleidende leerweg (bbl) is sprake van communicerende vaten. Dat biedt voordelen: in tijden waarin bedrijven minder leerbanen (kunnen) aanbieden, kunnen studenten alsnog hun opleiding afronden in de theoretische bol-variant. In 2009 koos nog 32% van de mbo-studenten voor de bbl. In 2012 is het aandeel bbl-studenten gedaald naar 29%. Er vindt dus een verschuiving plaats van de bbl- naar de bol-opleidingen. In het bijzonder in conjunctuurgevoelige sectoren zoals de bouw is deze ontwikkeling duidelijk zichtbaar.
Op 7 oktober 2013 heeft SBB een nieuwe Barometer uitgebracht met actuele gegevens over de situatie op de stage- en leerbanenmarkt per regio en per sector. De Barometer heb ik als bijlage bij deze brief gevoegd.2
Deelt u de mening dat elke student die ingeschreven staat bij een mbo-instelling een kwalitatief goede en passende stageplek moet kunnen vinden, aangezien dit de zorgplicht van de mbo-instellingen is? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen?
De beroepspraktijkvorming, ook wel stage genoemd, is verplicht onderdeel van elke beroepsopleiding. Vanuit haar zorgplicht heeft de onderwijsinstelling de taak om studenten te ondersteunen en te begeleiden bij het vinden van een geschikte stageplaats. De leerbedrijven stellen de stageplaatsen beschikbaar en niet de onderwijsinstelling. Het spreekt voor zich dat de onderwijsinstelling bij het aanbieden van beroepsopleidingen wel rekening moet houden met de arbeidsmarktrelevantie (inclusief de kans op stage) van de betreffende beroepsopleiding.
Wel heb ik reeds vorig jaar aan de SBB gevraagd om het eerder genoemde stage- en leerbanenoffensief te intensiveren. Het offensief zoekt actief naar nieuwe leerbedrijven en helpt studenten en mbo-instellingen om een stage te vinden. De resultaten laten zien dat hiermee een groot deel van de knelpunten kan worden aangepakt.
Bent u in staat om deze vragen te beantwoorden voor de behandeling van de begroting van uw ministerie?
Ja.
De peildatum van de automatische kwijtschelding van gemeentelijke belastingen |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Is het waar dat bij automatische kwijtschelding van gemeentelijke belastingen de toetsing exclusief door het Inlichtingenbureau plaats vindt en daarbij voor alle gemeenten hetzelfde landelijke peilmoment wordt gehanteerd, te weten 31 december van het jaar voorafgaand aan het moment van toetsing?1
Bij de zogenoemde geautomatiseerde kwijtschelding van gemeentelijke en waterschapsbelastingen vindt de toetsing inderdaad exclusief door het Inlichtingenbureau plaats. Het Inlichtingenbureau is opgericht in 2001 door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede op initiatief van Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en Divosa (vereniging van managers van sociale diensten). Het is een organisatie voor gemeenten en andere overheden. Zij helpen voornamelijk gemeenten bij het bepalen op welke ondersteuning burgers recht hebben. Denk bijvoorbeeld aan een bijstandsuitkering, bijzondere bijstand of kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Op dit moment wordt voor alle gemeenten die van de diensten van het Inlichtingenbureau gebruik maken op hetzelfde peilmoment getoetst. Dit is niet zozeer beleid, maar hangt samen met technische beperkingen en de beschikbaarheid van informatie die van externe bronnen als de Belastingdienst en het UWV afkomstig zijn.
Is het waar dat het landelijke peilmoment alleen gehanteerd wordt bij automatische kwijtschelding van belastingen en dat bij het individueel aanvragen van kwijtschelding als peildatum de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is aangevraagd dient?2
Zoals onder 1 aangegeven heeft het peilmoment van de geautomatiseerde kwijtschelding te maken met technische beperkingen en beschikbaarheid van informatie van externe bronnen, waardoor het moment wordt beïnvloed. Bij individuele toetsing worden gegevens die potentiële kwijtscheldingsgerechtigde zelf aanleveren getoetst. Die zullen actueler zijn. Een individueel kwijtscheldingsverzoek kan op elke moment tijdens het invorderingsproces worden gedaan, waardoor het peilmoment kan verschillen per individueel geval.
Bent u voornemens om het ongelukkige peilmoment voor toetsing van het vermogen bij automatische kwijtschelding van gemeentelijke belastingen te wijzigen – bijvoorbeeld twee weken te vervroegen – zodat mensen automatisch aanspraak kunnen maken op hun recht op kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en niet worden geconfronteerd met een bezwaarprocedure om hun recht te halen óf alsnog individueel kwijtschelding moeten aanvragen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregel gaat u nemen?
Er bestaat geen verplichting om gebruik te maken van geautomatiseerde kwijtschelding. Het is vooral een vermindering van de administratieve lasten voor de burger en de gemeente, op basis van de aanname dat er niets veranderd in de situatie van de aanvrager van kwijtschelding. Op basis van de informatie die ik heb over de geautomatiseerde kwijtschelding heb ik niet de indruk dat het door het Inlichtingenbureau gebruikte peilmoment op dit moment tot grote problemen leidt. Het Inlichtingenbureau voert zijn geautomatiseerde toets uit op basis van betrouwbare informatie van externe bronnen. Deze informatie is nu eenmaal niet eerder beschikbaar. Als er een belemmering is voor het geautomatiseerd verlenen van kwijtschelding, kan de belastingplichtige een aanvraag indienen die dan handmatig wordt getoetst. De mogelijkheid tot het indienen van een individueel kwijtscheldingsverzoek blijft daarnaast bestaan. Dit verzoek wordt dan individueel beoordeeld. Overigens worden de aanslagen voor de gemeentelijke belastingen op zijn vroegst pas op 31 januari van het belastingjaar verzonden. Ik ben dan ook niet voornemens te verzoeken het toetsmoment van geautomatiseerde kwijtschelding aan te passen.
De wachtgeldregeling van de burgemeester van Groningen |
|
Manon Fokke (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Kritiek op wachtgeld voor Rehwinkel»?1
Ja.
Betreft het wachtgeld van de burgemeester van Groningen wachtgeld dat voortvloeit uit de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa)?
Ja.
Kent de Appa een sollicitatieplicht voor voormalig politieke ambtsdragers waaronder burgemeesters? Zo ja, waaruit bestaat die sollicitatieplicht?
Ja, er is een sollicitatieplicht. De sollicitatieplicht geldt zolang er aanspraak bestaat op de Appa-uitkering.
De kern van de sollicitatieplicht bestaat uit het opstellen van een plan. In het plan wordt vastgelegd op welke wijze de gewezen politieke ambtsdrager wordt begeleid bij het verkrijgen van passende arbeid. Het plan bevat de sollicitatieactiviteiten, de eventueel te volgen cursussen, overige activiteiten en het tijdpad en de wijze waarop en de frequentie waarin de contacten met het re-integratiebedrijf plaatsvinden. Ook maakt onderdeel uit van het plan op welke wijze gebruik wordt gemaakt van planmatige begeleiding en ondersteuning. Het is een op maat gemaakt plan, dat dus per individu verschilt en dat wordt vastgesteld door of namens het bestuursorgaan dat de Appa-uitkering betaalt. In het plan wordt ook aangegeven of planmatige begeleiding noodzakelijk is. Dit in relatie tot de mate van afstand tot de arbeidsmarkt. De sollicitatieplicht gaat in drie maanden na aftreden. Het voldoen aan het vastgestelde plan, betekent dat gevolg wordt gegeven aan de sollicitatieplicht.
Hoe wordt de sollicitatieplicht voor voormalig politieke ambtsdragers gehandhaafd? Wie ziet toe dat de sollicitatieplicht wordt nagekomen? Aan de hand van welke concrete criteria wordt bepaald of aan de sollicitatieplicht wordt voldaan?
Het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Appa-uitkering is ook verantwoordelijk voor de re-integratie. Het bestuursorgaan kan de uitvoering van de sollicitatieplicht opdragen aan een uitvoeringsorganisatie. In dat geval is de uitvoeringsorganisatie, namens het bestuursorgaan, verantwoordelijk voor de handhaving van de sollicitatieplicht. Zoals beantwoord bij vraag 3, wordt aan de sollicitatieplicht voldaan indien de gewezen politieke ambtsdrager de in het plan opgenomen activiteiten verricht. Elke drie maanden wordt het plan geëvalueerd en indien nodig bijgesteld.
Welke gevolgen voor het recht op wachtgeld zijn er indien een voormalig politiek ambtsdrager niet of niet voldoende aan de sollicitatieplicht voldoet? Kan bijvoorbeeld het wachtgeld geheel of gedeeltelijk worden gekort?
Het niet of ten dele niet voldoen aan de sollicitatieplicht betekent dat door of namens het bestuursorgaan, een sanctie kan worden opgelegd. Het sanctie-regime is vormgegeven als een systeem van inhoudingen op de Appa-uitkering. Wanneer een inhouding wordt toegepast, betekent dit dat de uitvoeringsorganisatie een bepaald percentage van de Appa-uitkering niet uitkeert. De inhouding kan oplopen tot 100%.
Zijn u concrete voorbeelden bekend van voormalig politieke ambtsdragers waarbij geconstateerd werd dat er niet of niet geheel aan de sollicitatieplicht werd voldaan? Zo ja, in hoeveel gevallen en wat waren de consequenties van het niet nakomen van die plicht? Zo nee, waarom niet en kan dat iets zeggen over de wijze waarop de sollicitatieplicht uit de Appa wordt gehandhaafd?
De uitvoering van de Appa en de daarin opgenomen sollicitatieplicht is voor wat betreft ministers, staatssecretarissen, leden van de Tweede Kamer, voorzitters van de Eerste Kamer, Rijksvertegenwoordigers BES, Nationale Ombudsman, waarnemend Commissarissen van de Koning, waarnemend burgemeesters en herindelingsburgemeesters de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
De uitvoering ten aanzien van andere politieke ambtsdragers is een verantwoordelijkheid van de verschillende, decentrale bestuursorganen.
Voor wat betreft het aandachtsgebied van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is tot op heden geen sprake geweest van gewezen politieke ambtsdragers die niet voldoen of niet hebben voldaan aan de sollicitatieplicht.
Bij brief van 18 april 2013, (Kamerstuk II 28 479, nr. 65), heb ik u hieromtrent geïnformeerd in het kader van de evaluatie van de Appa-sollicitatieplicht in het jaar 2012.
Kan het aanvaarden van een onbetaalde functie een voormalig politieke ambtsdrager ontslaan van zijn sollicitatieplicht? Zo ja, in welke gevallen kan dat? Zo nee, waarom niet?
Nee. De bedoeling van re-integratie is dat de gewezen politieke ambtsdrager een nieuwe, betaalde functie verkrijgt en daarmee niet langer gebruik hoeft te maken van een toegekende Appa-uitkering. De wet verplicht de gewezen politieke ambtsdrager om in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden en mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid. Hij dient daarbij te voorkomen dat hij door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt.
Is het in het kader van het nakomen van de sollicitatieplicht op grond van de Appa relevant of iemand in het buitenland woont? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De sollicitatieplicht is gekoppeld aan het recht op de Appa-uitkering. Ook in het buitenland moet de gewezen politieke ambtsdrager die een Appa-uitkering geniet, dus voldoen aan de verplichtingen voor het recht op uitkering. Eventuele sancties uit de Appa werken dan ook door als de gewezen politieke ambtsdrager in het buitenland woont. Op welke wijze invulling wordt gegeven aan de sollicitatieplicht, is niet in algemene zin te beantwoorden. Dit hangt af van de individuele omstandigheden.
Deelt u de mening dat ten aanzien van het nakomen van sollicitatieverplichtingen voormalig politieke ambtsdragers gelijk moeten worden behandeld met burgers die vanwege werkloosheid een uitkering nodig hebben? Zo ja, is er in de wet en de praktijk al sprake van die gelijkheid? Zo nee, waarom niet?
Ja. Er is bij het vormgeven van de sollicitatieverplichtingen naar gestreefd zoveel mogelijk in de pas te lopen met hetgeen voor werknemers geldt. Zo is het sanctieregime uit de Appa afgeleid van het vergelijkbare regime voor WW-uitkeringsgerechtigden. De uitkering kan inderdaad geheel of gedeeltelijk worden gekort als betrokkene niet of niet voldoende aan de sollicitatieplicht voldoet.
Het bericht “Geen strafrechtelijk onderzoek naar uitspraken over Volkel” |
|
Geert Wilders (PVV), Lilian Helder (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Geen strafrechtelijk onderzoek naar uitspraken over Volkel»?1
Ja.
Klopt het bericht, waaruit blijkt dat er geen aangifte is gedaan naar aanleiding van de uitlatingen die zijn gedaan door de oud-bewindslieden de heer R.F.M. Lubbers en de heer A.A.M. van Agt omtrent de aanwezigheid van kernwapens op Vliegbasis Volkel? Zo nee, wanneer en door wie is er aangifte van het bovenstaande gedaan? Zo ja, waarom is er vanuit de overheid, wiens belang zou zijn geschonden door de bovenstaande uitlatingen, geen aangifte gedaan?
Tegen de heer R.F.M. Lubbers en de heer A.A.M. van Agt is geen aangifte gedaan. Het klopt dat het Openbaar Ministerie niet kan beoordelen of sprake is van openbaarmaking van een staatsgeheim. In NAVO-verband is overeengekomen dat niet wordt ingegaan op afspraken die verband houden met aantallen en locaties van op bondgenootschappelijk grondgebied aanwezige kernwapens.
Klopt het bericht dat volgens het Openbaar Ministerie het niet mogelijk is om te kunnen beoordelen of sprake is van openbaarmaking van een staatsgeheim, omdat vanuit de overheid geen mededelingen worden gedaan over de mogelijke aanwezigheid van kernwapens op haar grondgebied, dan wel bondgenootschappelijk grondgebied?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de artikelen 98 Wetboek van Strafrecht (schending staatsgeheim) en 272 Wetboek van Strafrecht (schending ambtsgeheim) een lege huls worden, omdat vervolging niet mogelijk blijkt te zijn vanwege het ontbreken van relevante informatie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u dan de mening dat de overheid door het achterhouden, c.q. beschermen, van de benodigde informatie, er zelf voor zorgt dat vervolging van de heren R.F.M. Lubbers en A.A.M. van Agt niet mogelijk is? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het openbaar ministerie vervolgt met enige regelmaat personen voor het schenden van een staatsgeheim of ambtsgeheim. Hieruit blijkt dat er in de praktijk wel degelijk omstandigheden zijn waarin deze artikelen kunnen worden toegepast, en dat deze artikelen hun functie hebben.
Met welke bondgeno(o)t(en) zijn afspraken gemaakt over aantallen en locaties van op bondgenootschappelijk gebied aanwezige kernwapens? Wanneer, op welke wijze en in welke bewoordingen zijn die afspraken vastgelegd? Bent u van oordeel dat die afspraken een staatsgeheim inhouden en/of een staatsgeheim toedekken?
Zie antwoord vraag 2.
Cijfers van de ‘span of control’ bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en de Dienst Vervoer & Ondersteuning in het bijzonder |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is de gemiddelde spanwijdte1 bij de Rijksoverheid, de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) in het bijzonder?
Bij de Rijksoverheid is het aantal medewerkers dat een leidinggevende onder zich heeft gemiddeld 15. Dit aantal bedraagt bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) 12 mensen en bij de onder de DJI vallende Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) 17 mensen.
Bent u bereid de cijfers van de leidinggevenden in verhouding tot het personeel van de overige landelijke diensten, zoals Bureau Integriteit & Veiligheid als ook de overige sectoren en directies binnen DJI aan de Kamer te verstrekken? Zo nee, waarom niet?
Het eerder genoemde aantal van gemiddeld 12 mensen per leidinggevende bij DJI kan als volgt worden toegelicht. Voor de sectoren Gevangeniswezen en Justitiële Jeugd Inrichtingen zijn deze aantallen respectievelijk 12 en 14. Bij de Directie Bijzondere Voorzieningen en de Directie Forensische Zorg zijn deze aantallen respectievelijk 10 en 24. DJI heeft naast DV&O nog vier landelijke diensten en de getallen voor deze diensten zijn als volgt: Dienst Geestelijke Verzorging (14), Opleidingsinstituut (9), Shared Service Centra (17) en Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (11). Bij het Bureau Veiligheid en Integriteit (overigens geen landelijke dienst) is het aantal 7.
Klopt het dat er bij DV&O 54 leidinggevenden werkzaam zijn op een personeelsbestand van 1.100 fte?
Nee, de DV&O heeft in totaal 63 leidinggevenden op een personeelsbestand van 1.055 fte.
Klopt het dat er bij de laatste reorganisatie binnen DV&O leidinggevenden zijn bijgekomen?
Ja.
Deelt u de mening dat de verhouding van één leidinggevende op twintig personeelsleden niet uit is te leggen aan het personeel, zeker niet nu er gezien de bezuinigingsdrift duizenden mensen binnen DJI op de werkvloer hun baan kwijt zullen raken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om weer een gezonde spanwijdte op de werkvloer realiseren?
Nee. Ik ben van mening dat met de hierboven vermelde verhoudingen binnen DJI en de landelijke diensten op een gepaste wijze invulling wordt gegeven aan de leidinggevende taken. DV&O is een uitvoerende dienst die bestaat uit drie divisies: vervoer, beveiliging en specialistische taken. Binnen deze divisies is een grote verscheidenheid aan ondersteunende taken ondergebracht die landelijk en onmiddellijk beschikbaar moeten zijn voor alle DJI locaties zoals ziekenhuis-bewaking van gedetineerden, bijzondere bijstandseenheden voor bijvoorbeeld zoekacties en ordehandhaving op locaties, drugshondengeleiding, vrachtvervoer, regulier en extra beveiligd vervoer voor verschillende doelgroepen. Juist door onderbrenging van deze taken in een landelijke dienst is er sprake van een efficiencywinst. De genoemde taken voert DV&O uit op 18 DV&O-locaties in het land. Dat betekent dus voor veel leidinggevenden reizen, maar ook veel sturen op afstand. Dat is lastiger dan binnen een organisatie waar je elkaar vaker ziet. Het grootste deel van de leidinggevenden binnen DV&O geeft dagelijks leiding aan de executieve medewerkers op de werkvloer.
Deelt u de mening dat voor veel diensten het functioneren van het primaire proces van essentieel belang is en dat bezuinigingen juist daarom zo min mogelijk bij het personeel op de werkvloer plaats moeten vinden? Zo nee, waarom niet?
Een dreigende ernstige verslechtering van de positie van Iraanse lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender (LHBT) asielzoekers |
|
Gerard Schouw (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Is het u bekend dat voormalig minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie Verdonk op 18 oktober 2006 een speciaal beleid heeft ingesteld voor Iraanse LHBT asielzoekers, door hen aan te merken als een specifieke groep in de zin van artikel 29, lid 1, onder c Vreemdelingenwet? Is het u bekend dat dit beleid een reactie was op de ernstige mensenrechtenschendingen waar LHBT’s in Iran het slachtoffer van worden, waaronder het opleggen en uitvoeren van de doodstraf wegens homoseksuele handelingen?
Ja, dat is mij bekend.
Is het u bekend dat de mensenrechtensituatie van LHBT’s in Iran sinds 2006 onverminderd slecht is? Is het u bekend dat organisaties als Human Rights Watch en Amnesty International deze onverminderd slechte mensenrechtensituatie van LHBT’s in Iran hebben beschreven?1 Is het u bekend dat deze organisaties rapporteren dat de laatste jaren tenminste drie mannen geëxecuteerd zijn op grond van sodomie en tenminste drie andere mannen ter dood zijn veroordeeld wegens het deelnemen aan homoseksuele handelingen? Is het u bekend dat Human Rights Watch in het rapport «We are a Buried Generation» over LHBT’s in Iran, schrijft over een «context of systematic human rights violations» en stelt: «the threat of execution is real for Iran’s vulnerable LGBT community»?2
Zie antwoord vraag 1.
Is het u bekend dat in het wetsvoorstel tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening (33 293) de c-grond wordt geschrapt en dat dit voor Iraanse LHBT asielzoekers dreigt te leiden tot een ernstige verslechtering van hun positie?
In het wetsvoorstel tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening wordt inderdaad voorgesteld de c-grond te schrappen, zodat meer wordt aangesloten bij de Europese regelgeving inzake de gronden waarop asiel verleend kan worden.
Een belangrijke aanleiding hiervoor is dat in de afgelopen jaren de ontwikkelingen in de Europese jurisprudentie ervoor hebben gezorgd dat internationale bescherming en de c- en d-grond steeds dichter bij elkaar zijn komen te liggen. Ook zijn binnen de a- en b-gronden de mogelijkheden om groepsgewijze bescherming te bieden vergroot.
Het enkele feit dat, als gevolg van het wetsvoorstel, de nationale beschermingsgronden komen te vervallen, betekent niet per definitie dat de positie van Iraanse LHBT’s in Nederland zal verslechteren. Wel brengt dit mee dat, voorafgaand aan de inwerkingtreding van het wetsvoorstel, op basis van de actuele informatie over de situatie van LHBT’s in Iran, zal worden beoordeeld of er aanleiding bestaat om hen een vergelijkbaar beschermingsniveau te bieden in het kader van de a- of de b-grond. Het nieuwe ambtsbericht inzake Iran wordt binnenkort verwacht, zodat ik naar verwachting de meest recente informatie over de behandeling van LHBT’s uit Iran in mijn beoordeling kan betrekken.
Volgens mijn informatie is het COC ook in het gesprek dat in december 2011 plaatsvond door de toenmalige minister voor Immigratie, Integratie en Asiel geïnformeerd conform de strekking van bovenstaande beantwoording.
Is het u bekend dat voormalig minister voor Immigratie en Asiel Leers in een gesprek op 21 december 2011 aan COC Nederland heeft toegezegd dat, ook na het afschaffen van de c-grond, de bescherming van LHBT’s op hetzelfde niveau zou blijven, indien de situatie van LHBT’s in Iran niet substantieel zou verbeteren?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe gaat u ervoor zorgen, conform de toezegging van voormalig minister voor Immigratie en Asiel Leers aan het COC, dat het niveau van bescherming van deze groep niet vermindert, nu uit gezaghebbende bronnen blijkt dat de mensenrechtensituatie van LHBT’s in Iran onverminderd slecht is?3
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat Iraanse LHBT’s, bij onverminderd slechte omstandigheden in hun land van herkomst, niet het slachtoffer mogen worden van een aanscherping van het beleid in het kader van een stroomlijning van de Nederlandse wetssystematiek?
Ik ben van mening dat voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet een beoordeling moet plaatsvinden van de situatie van Iraanse LHBT’s, zodat aan deze groep de benodigde bescherming wordt geboden. In bovenstaande beantwoording op de vragen 3, 4 en 5 ben ik daar nader op ingegaan.
Bent u bereid het voorstel van het COC over te nemen, om het huidige beschermingsniveau van Iraanse LHBT’s te handhaven door hen dezelfde bescherming te verlenen als LHBT’s uit Irak, namelijk als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag?4
Of er aanleiding is om aan Iraanse LHBT’s dezelfde bescherming te verlenen als aan Iraakse LHBT’s zal ik bezien op basis van het nieuwe ambtsbericht, in combinatie met de mij reeds ter beschikking staande informatie.
Naar Nederland gevluchte Noord-Koreanen die terug moeten keren naar Zuid-Korea |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op de berichten dat Noord-Koreaanse asielzoekers niet terug kunnen naar Zuid-Korea en daar zelfs gevaar lopen?1
Alle door de ministeries van Buitenlandse Zaken en Veiligheid en Justitie geraadpleegde deskundigen, inclusief mensenrechtenorganisaties, zijn niet van mening dat Zuid-Korea Noord-Koreanen weigert toe te laten om problemen met Noord-Korea of China te voorkomen, zoals Bluth volgens Trouw zou beweren. Een Noord-Koreaanse asielzoeker/«overloper» verkrijgt automatisch het staatsburgerschap van Zuid-Korea bij aankomst in Zuid-Korea, op basis van de grondwet en de «Wet voor de bescherming en steun bij hervestiging van Noord-Koreaanse «overlopers»».
Klopt het dat Zuid-Korea niet meewerkt aan de terugkeer van Noord-Koreaanse uitgeprocedeerde asielzoekers? Hoeveel naar Nederland gevluchte, maar uitgeprocedeerde, Noord-Koreanen heeft Zuid-Korea inmiddels toegelaten en is bekend hoe het met hen gaat?
Dezerzijds zijn er nog geen gevallen bekend van Noord-Koreanen die vanuit Nederland zijn teruggekeerd naar Zuid-Korea.
Overigens, de stelling dat Zuid-Korea niet meewerkt aan de terugkeer van Noord-Koreaanse uitgeprocedeerde asielzoekers is onjuist. Ten aanzien van Noord-Koreanen (zowel met als zonder Zuid-Koreaanse nationaliteit), stelt Zuid-Korea zich op het standpunt dat elke Noord-Koreaanse «overloper» tot Zuid-Korea wordt toegelaten, mits deze persoon vrijwillig naar Zuid-Korea komt. Iedere Noord-Koreaan verkrijgt automatisch het Zuid-Koreaanse staatsburgerschap bij de eerste aankomst in Zuid-Korea. Na aankomst zal de betrokken persoon door de nationale veiligheidsdienst (NIS) worden ondervraagd en zal onderzoek worden gedaan naar zijn achtergrond en nationaliteit om vast te stellen of het daadwerkelijk om een Noord-Koreaanse «overloper» gaat. Ook wordt nagegaan of toelating zou moeten worden geweigerd om redenen van openbare orde. Daarna ontvangt de betrokken persoon gedurende twaalf weken training en scholing om zich aan te kunnen passen aan de Zuid-Koreaanse maatschappij. Dit vindt plaats in een opvangcentrum voor inburgeringscursussen. Betrokkene kan zich vervolgens vestigen in Zuid-Korea, met ondersteuning waar nodig.
Wordt bij de beoordeling van een asielaanvraag meegewogen dat terugkeer naar Zuid-Korea als een groot verraad wordt gezien in de ogen van de Noord-Koreaanse veiligheidsdienst? Zo nee, waarom niet?
Alle door de vreemdeling aangevoerde relevante omstandigheden worden meegewogen bij de beoordeling van een asielaanvraag. Dit geldt ook voor eventuele gestelde risico’s die voortkomen uit de (gespannen) verhouding tussen Noord- en Zuid-Korea; hierbij wordt ook beoordeeld of er bescherming nodig zou zijn tegen de Noord-Koreaanse veiligheidsdienst.
Hoe wordt voorkomen dat niet alleen de vreemdeling, maar ook diens achtergebleven familieleden in Noord-Korea gestraft worden voor dit verraad? Klopt het dat uitgezette Noord-Koreaanse vreemdelingen door Zuid-Korea worden gedetineerd?
De door de ministeries van Buitenlandse Zaken en Veiligheid en Justitie geraadpleegde deskundigen zijn niet van mening dat Noord-Koreanen in Zuid-Korea gevaar zouden lopen of met hun aanwezigheid in Zuid-Korea hun achtergebleven familieleden in gevaar zouden brengen. Zoals ik eveneens in mijn beantwoording van 16 juli 2013 op de vragen van het lid Gesthuizen (SP) over het uitzetten van Noord-Koreaanse asielzoekers naar Zuid-Korea (ingezonden 14 juni 2013) al heb aangegeven, worden de Noord-Koreaanse autoriteiten noch door de Nederlandse autoriteiten, noch door de Zuid-Koreaanse autoriteiten op de hoogte gesteld van vestiging in Zuid-Korea van in Nederland afgewezen Noord-Koreaanse vluchtelingen. Indien de betrokken vreemdeling stelt dat zijn vestiging in Zuid-Korea een bijzonder risico oplevert voor in Noord-Korea achtergebleven familie, zal deze omstandigheid mee worden gewogen in de besluitvorming.
Verder is de situatie in Zuid-Korea niet zodanig dat iedere Noord-Koreaanse «overloper» doelwit is van Noord-Koreaanse spionage of vergeldingsacties.
De stelling dat Noord-Koreaanse vreemdelingen door Zuid-Korea worden gedetineerd is onjuist. Wel is het zo dat het in het antwoord op vraag 2 en 8 beschreven onderzoek plaatsvindt in een gesloten omgeving met beperking van bewegingsvrijheid, maar comfortabel en van alle gemakken voorzien.
In hoeverre wordt de oorlog tussen Noord- en Zuid-Korea in de besluitvorming over de asielaanvraag betrokken?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke gronden kan worden geoordeeld dat een vreemdeling veilig is in Zuid-Korea? Wanneer is de situatie veilig genoeg voor een gevluchte Noord-Koreaan om uitgezet te kunnen worden naar Zuid-Korea?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u uitgebreid reageren op de conclusies van de Britse hoogleraar Bluth?2 Deelt u de mening van Bluth dat Zuid-Korea geen Noord-Koreaanse vreemdelingen toelaat om problemen met Noord-Korea te voorkomen?
Zie antwoord vraag 1.
Is bij u bekend wat de voorwaarden zijn van Zuid-Korea om Noord-Koreaanse burgers terug te nemen? Zo ja, welke? Zo nee, wat is uw reactie op de opsomming van hoogleraar Bluth?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid te onderzoeken wat de opstelling van Zuid-Korea is ten opzichte van Noord-Koreanen en welk risico Noord-Koreanen lopen bij uitzetting? Zo nee, waarom niet? Wilt u deze vragen voor het algemeen overleg Terugkeer en Vreemdelingenbewaring van 30 oktober beantwoorden, dat wil zeggen binnen de gebruikelijke termijn van drie weken en dus zonder uitstel?
De beantwoording van bovenstaande is een weergave van onderzoek door de ministeries van Veiligheid en Justitie en Buitenlandse Zaken met inzet van de ambassade te Seoel. Daarbij is gebruik gemaakt van diverse bronnen.
De consequenties van de voorgenomen opzet basis-GGZ /specialistische GGZ voor met name de behandeling van angst- en stemmingsstoornissen |
|
Tunahan Kuzu (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van de reactie van het Nederlands Kenniscentrum Angst en Depressie op de voorgenomen opzet van basis-GGZ en specialistische GGZ?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Deelt u de zorgen van NEDKAD dat multidisciplinaire richtlijnen voor matige tot ernstige GGZ-aandoeningen binnen de voorgenomen opzet van de basis-GGZ niet volledig kunnen worden toegepast?
Nee, die zorgen deel ik niet. Op basis van de expertise van deskundigen uit het veld heeft het bureau HHM de declaratietitels voor de Generalistische Basis GGZ ontwikkeld. Daaruit is naar voren gekomen dat cliënten met ernstige problematiek, waarbij sprake is van een laag tot matig risico, een enkelvoudig beeld of eventueel lage complexiteit (en de duur van de klachten beantwoordt aan de criteria uit de richtlijn voor het betreffende ziektebeeld), binnen de betalingstitel intensief van de Generalistische Basis GGZ behandeld kunnen worden.
Ik heb u eerder aangegeven dat er een monitor wordt opgezet om de ontwikkeling van de Generalistische Basis GGZ te volgen. Daarbij zal tevens naar dit element worden gekeken. Vooralsnog wil ik op basis van bovenstaande geen conclusies trekken dat binnen de Generalistische Basis GGZ geen zorg kan worden geleverd voor deze patiëntencategorie.
Kunt u aangeven hoe u ervoor gaat zorgen dat patiënten met matige tot ernstige GGZ-aandoeningen niet zullen worden onderbehandeld in de voorgenomen opzet van de basis-GGZ? Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze patiënten geen kwalitatief mindere zorg ontvangen, nu de oorspronkelijk beschikbare 12–30 zittingen binnen de voorgenomen opzet van de basis-GGZ zullen worden teruggebracht naar 8–11 zittingen? Hoe gaat u voorkomen dat de kaders van de basis-GGZ leiden tot een toename van kosten en verlenging van ziekteduur voor de groep patiënten met matige tot ernstige GGZ-aandoeningen?
Zoals ik in mijn vorige antwoord heb aangegeven, ga ik uit van de expertise van de geraadpleegde deskundigen en ga ik ervan uit dat de producten die zijn vormgegeven in de Generalistische Basis GGZ zullen volstaan om goede patiëntenzorg te leveren. Indien blijkt dat binnen de declaratietitel intensief de patiënt niet adequaat behandeld kan worden, zal de patiënt doorverwezen moeten worden naar de gespecialiseerde zorg. Ik veronderstel hierbij dat op dat moment de problematiek van de patiënt zwaarder bleek dan werd ingeschat. Uit de monitor zal moeten blijken of dit in veel gevallen zal voorkomen bij patiënten die eerder voor de betaaltitel intensief worden behandeld.
Ten aanzien van uw laatste vragen over het voorkomen van een toename van de kosten, vertrouw ik erop dat verzekeraars en zorgaanbieders goede contractafspraken maken over de te behandelen patiëntenpopulatie en het eventuele verwijsgedrag. Via de monitor zal ik bekijken hoe dit vorm krijgt. Afhankelijk van de resultaten daarvan kan worden bezien of en op welke wijze het beleid moet worden aangepast.
Deelt u de zorgen van NEDKAD dat de toewijzingscriteria voor de zorgzwaartepakketten niet-stoornisspecifiek, niet-patiëntspecifiek en multi-interpretabel zijn, en dat dit beter zou kunnen? Hoe oordeelt u over de voorspellende waarde van de vastgestelde toewijzingscriteria?
Bij de vormgeving van de generalistische basis GGZ is er van uit gegaan dat de keus voor de intensiteit van de behandeling niet alleen stoornisspecifiek is, maar ook afhangt van de variabelen daaromheen, zoals het risico (bijvoorbeeld een gevaar voor ernstige verwaarlozing of suïcide) of de complexiteit (enkelvoudig beeld of multimorbiditeit). Binnen de gestelde declaratietitels is ruimte om de behandeling in te zetten die nodig is voor die specifieke patiënt. Daar zijn geen verdere regels voor gesteld, behalve over het hoofdbehandelaarschap.
Zoals ik ook in mijn vorige antwoorden heb aangegeven, ga ik het beleid monitoren. Daarbij wordt ook gekeken naar de voorspellende waarde van de vastgestelde toewijzingscriteria. Het is in ieder geval wel zo dat als er wordt ingeschat dat een patiënt initieel gedacht kort behandeld hoeft te worden, maar toch blijkt zwaardere zorg nodig te hebben, er kan worden opgeschaald naar een declaratietitel middel of intensief. Ik zal u zoals ook eerder toegezegd op de hoogte houden van de resultaten van de monitor.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat de toewijzingscriteria recht doen aan een noodzakelijke en gerechtvaardigde behandeling van patiënten, waarin ook adequaat rekening wordt gehouden met het beloop van de ziekte?
De gestelde toewijzingscriteria staan niets in de weg om een noodzakelijke en gerechtvaardigde behandeling aan patiënten te geven, waarin ook adequaat rekening wordt gehouden met het beloop van de ziekte. Indien blijkt dat de zwaarte van de zorg niet passend is voor de zorg die de patiënt nodig heeft, zal doorverwezen moeten worden naar de gespecialiseerde zorg. Uit de monitor zal moeten blijken of voorafgaand adequaat kan worden ingeschat welke intensiteit van de behandeling nodig is voor een bepaalde patiënt.
Hoe oordeelt u over de onmogelijkheid om direct vanuit de basis-GGZ door te verwijzen naar specialistische GGZ? Hoe schat u de daaruit voortkomende mogelijke risico’s in van onzorgvuldige overdracht van patiëntgegevens? Hoe wordt informatieverlies en onveilige ondoelmatige zorg voorkomen, indien patiënten doorschuiven naar meer specialistische zorg?
In de Zorgverzekeringswet (artikel 14, tweede lid) is bepaald dat zorgverzekeraars in hun polissen de verwijzer(s) naar de geneeskundige zorg zoals medisch-specialisten die plegen te bieden, moeten opnemen. De huisarts moet in ieder geval tot die verwijzers behoren. Deze bepaling geldt ook voor de gespecialiseerde GGZ. Deze bepaling biedt de zorgverzekeraar de bevoegdheid te bepalen dat, behalve de huisarts, bijvoorbeeld ook de generalistische Basis GGZ naar de gespecialiseerde GGZ mag verwijzen. Verzekeraars hebben evenwel aangegeven dat zij de generalistische Basis GGZ niet als verwijzer naar de gespecialiseerde GGZ in hun polissen zullen opnemen. Ik vertrouw erop dat de risico’s van onzorgvuldige overdracht van patiëntgegevens of informatieverlies, indien patiënten doorschuiven naar meer specialistische zorg, wordt voorkomen doordat de huisarts juist het overzicht heeft van de patiëntgegevens, zowel op somatisch als op psychisch gebied.
Hoe staat u tegenover het verzoek van NEDKAD om hernieuwd overleg te voeren over de verwijscriteria, en zorgzwaartepakketten beter te ontwikkelen en op grond van wetenschappelijk bewijs beter op elkaar af te stemmen? Is dit naar uw mening noodzakelijk om kwalitatief goed zorg te garanderen?
Ik zet de monitor op om generalistische basis GGZ te evalueren. Dat lijkt me vooralsnog voldoende. Ik houd u op de hoogte van de resultaten daarvan.
Angst bij de Rabobank om gegevens te delen met het Nationaal Cyber Security Centrum |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Rabobank overweegt proces tegen Staat om geheimhouding»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het voor een optimale werking van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) van zeer groot belang is dat deelnemende partijen zonder onnodige belemmeringen informatie delen over de beveiliging van hun IT-systemen? Zo ja, bent u van mening dat op dit moment al onbelemmerd data gedeeld kunnen worden?
Ik ben bekend met de signalen van diverse private partijen binnen de vitale sectoren en de daaruit blijkende beelden over de mogelijkheden en onmogelijkheden van het op vertrouwelijke wijze delen van informatie over ICT-incidenten en -kwetsbaarheden met het NCSC. Dit neem ik uiteraard serieus, aangezien het delen van informatie met het NCSC door de overheid en vitale private partijen van groot belang is voor het NCSC om zijn taken, waaronder die van centraal informatieknooppunt, goed te kunnen vervullen.
Op dit moment wordt reeds informatie over incidenten en kwetsbaarheden gedeeld. Deze kennisdeling is van groot belang om de impact van incidenten bij getroffenen en andere vitale partijen zo veel mogelijk te beperken.
Bij deze gewenste en verder te bestendigen informatiedeling acht ik het van belang dat er een zorgvuldige balans bestaat tussen enerzijds het zoveel als binnen de kaders van de wet mogelijk waarborgen van de vertrouwelijkheid van aangeleverde gegevens en anderzijds het belang van het kunnen blijven informeren van de samenleving over ict-kwetsbaarheden en incidenten.
Met het oog hierop zal ik uw Kamer voor het einde van het jaar informeren over de wijze waarop erin zal kunnen worden voorzien dat bovengenoemde vertrouwelijkheid ten aanzien van door vitale private partijen, zoals bijvoorbeeld banken, met het NCSC gedeelde informatie, in het licht van de toepasselijkheid van de Wet openbaarheid van bestuur, voldoende gewaarborgd zal zijn.
Kende u de signalen van de Rabobank, dat zij van openbaarmaking via de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van de gegevens die zij met het NCSC deelt als reëel risico ziet? Zo ja, heeft u ook van andere bedrijven dergelijke signalen ontvangen?
Zie antwoord vraag 2.
Welk effect heeft de dreiging van openbaarmaking via de Wob, naar uw inschatting, op de bereidheid van partijen om informatie te delen?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre kan het NCSC zekerheid bieden aan de deelnemers over de vertrouwelijkheid van gedeelde informatie, op basis artikel 10.1, leden b en c van de Wob?
Met bovengenoemde brief aan uw Kamer zal ik duidelijkheid verschaffen over de toepassing die inzake de met het NCSC gedeelde informatie aan bepaalde uitzonderingsgronden in de Wet openbaarheid van bestuur, waaronder die in artikel 10, eerste lid, onder b en c, zal worden gegeven. Hierdoor zal naar mijn oordeel ook helder worden dat hiermee de vertrouwelijkheid van die gedeelde informatie in afdoende mate zal zijn geborgd, dit teneinde de gewenste balans te vinden om daarbinnen de publiek-private informatiedeling te bestendigen. Voor een proefproces zie ik gelet daarop geen aanleiding.
Denkt u dat een proefproces van de Rabobank de helderheid kan vergroten over de vertrouwelijkheid van de gedeelde gegevens? Ziet u hierin aanleiding om een proefproces te faciliteren?
Zie antwoord vraag 5.
Als de dreiging van openbaarheid in de toekomst het delen van informatie met het NCSC blijft belemmeren, bent u dan bereid om te onderzoeken of specifiek de gelijkwaardige publiek-private samenwerking een andere juridische samenwerkingsvorm behoeft?
Ik heb er vertrouwen in dat gelet op het bovenstaande geen sprake meer zal zijn van genoemde belemmering als het gaat om het delen van informatie en het borgen van de gelijkwaardige] publiek-private samenwerking. Daarmee is het overgaan tot een verkenning van een alternatieve samenwerkingsvorm voorbarig.
Het bericht dat het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de afgelopen vier jaar bijna een ton heeft geschonken aan het Apollo Netwerk |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
![]() |
Hoe reageert u op het bericht dat uw ministerie de afgelopen vier jaar bijna een ton heeft uitgegeven aan de organisatie van het Apollo netwerk?1
Bij de totstandkoming van consistent beleid is het uitwisselen van standpunten, expertise en praktijkkennis en het op uitvoerbaarheid toetsen van beleid van essentieel belang. Dit is noodzakelijk vanwege de complexiteit van de zorg en de samenleving waarin deze wordt geleverd.
Ministeries hebben niet alle kennis in huis maar zoeken bij hun beleidsthema’s de dialoog met partijen die betrokken zijn bij het beleid en die een belangrijke rol hebben bij de uitvoering ervan. Zij beschikken immers over de praktijkkennis met betrekking tot de uitvoering en kunnen vanuit praktijksituaties de realiteit en effectiviteit van beleidsvoornemens inschatten en toetsen.
Ik betrek bij mijn overwegingen bij beleid voortdurend partijen uit de zorg (patiënten, zorgaanbieders, zorgprofessionals, zorgverzekeraars, fabrikanten, deskundigen, onderzoekers etc.). Dit gebeurt aan officiële overlegtafels, op meer informele basis en op basis van individuele expertise van gesprekspartners.
Als ik dat niet zou doen, zou mij terecht het verwijt treffen dat ik mij zou afsluiten van de buitenwereld en van de realiteit en dat ik vanuit een ivoren toren beleid maak.
Welke ambtenaren van uw ministerie nemen of namen deel aan het Apollo netwerk? Kunt u een lijst opstellen waarin is opgenomen in welke periode zij onderdeel waren van het Apollo netwerk?
Aan het Apollo netwerk zelf hebben sinds de start in 2007 vanuit VWS de Directeur Generaal Curatieve Zorg (achtereenvolgens drs. M.J. van Rijn, mw. drs. D.M.J.J. Monissen en drs. L.A.M. van Halder) en de directeur Geneesmiddelen en Medische Technologie (drs. H.R. Hurts) deelgenomen. De directeur Curatieve zorg (mw. drs. V.J.W.C. Esman-Peeters) treedt sinds kort, indien nodig, als plaatsvervanger op van de Directeur Generaal Curatieve Zorg. In enkele werkgroepen van het Apollo netwerk hebben verspreid over de jaren in totaal 5 medewerkers van de directie Geneesmiddelen en Medische Technologie, respectievelijk de directie Curatieve Zorg deelgenomen.
Wat is de reden dat ambtenaren van uw ministerie deelnemen aan het Apollo netwerk? Kunt u daarbij aangeven wat de aard was van die deelname?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het acceptabel dat hoge ambtenaren van uw ministerie deelnemen aan het Apollo netwerk? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het onbestaanbaar is dat de directeur geneesmiddelen van uw ministerie in een netwerk deelneemt waarin ook vertegenwoordigers van farmaceutische bedrijven zitting hebben? Zo nee, waarom niet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik verwacht van mijn ambtenaren dat zij een relevant netwerk onderhouden van contacten met partijen die betrokken zijn bij terreinen waarop mijn ministerie beleid maakt. Daaronder valt ook de farmaceutische industrie. Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen 1,3 en 4 om te onderstrepen dat het zonder dit niet mogelijk is om effectief beleid te maken.
Is het waar dat de huidige staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport één van de oprichters was van het Apollo netwerk? Hoe oordeelt de staatssecretaris over zijn deelname aan deze schimmige overlegclub?
Ja, de huidige staatssecretaris was een van de initiatiefnemers. De staatssecretaris is net als ik van mening dat bij de totstandkoming van consistent beleid het uitwisselen van praktijkkennis, expertise en van standpunten van de diverse betrokken partijen en het op uitvoerbaarheid toetsen van beleid van essentieel belang is. Dit is niet exclusief voor het Apollo netwerk. Ook andere vormen van overleg met betrokken partijen leidden tot input voor beleid. Uiteindelijk staan de minister en staatssecretaris van VWS te allen tijde voor de volledige verantwoordelijkheid voor beleidskeuzes.
Waarom is de uitvoering aan Accenture gegund? Wat is de kostprijs per persoon per uur die Accenture in rekening heeft gebracht?
De oorspronkelijke initiatiefnemers van het Apollo netwerk (GSK en Janssen-Cilag) hebben destijds Accenture in de arm genomen voor het regelen van de organisatie van het netwerk en voor het co-voorzitterschap. Er bestaan transparante begrotingen en verantwoordingen van de organisatiekosten van het Apollo netwerk. Accenture neemt een deel van de kosten voor eigen rekening en werkt voor de wel gedeclareerde dagen tegen een gereduceerd tarief. Ik voel mij echter niet vrij om dit bekend te maken, omdat ik daarmee de belangen raak van andere betrokken partijen die daarvoor geen toestemming hebben gegeven.
Welke opdrachten heeft het ministerie in de afgelopen jaren aan Accenture gegund?
Er zijn geen opdrachten aan Accenture verstrekt op het gebied van de geneesmiddelenvoorziening. VWS-breed zijn tussen 2007 en heden in totaal drie opdrachten aan Accenture gegeven:
Het gaat bij deze opdrachten om relatief bescheiden bedragen die een zeer klein aandeel hebben in het totaal van opdrachten dat VWS in de betreffende jaren heeft verstrekt.
Kunt u een overzicht verstrekken van de bedragen die het ministerie heeft bijgedragen aan het Apollo netwerk? Kunt u dat overzicht uitsplitsen per jaar? Met welk doel werd dit geld overgemaakt?
Het Apollo netwerk is sinds 2007 actief. Met een geleidelijke verbreding van de agenda van het netwerk die in 2009 en 2010 zijn beslag kreeg, is in het netwerk besproken of de tot dan toe geldende financiering (uitsluitend door de fabrikanten GSK en Janssen-Cilag) zou moeten worden voortgezet. VWS heeft zich toen op het standpunt gesteld, juist vanuit het principe dat de overheid onafhankelijk is en om het gezamenlijke karakter van het netwerk beter tot uitdrukking te laten komen, dat het niet wenselijk zou zijn indien de twee farmaceutische bedrijven zouden blijven optreden als enige financiers van het netwerk. Logische consequentie van deze opstelling was dat VWS ook zelf zou gaan bijdragen aan de financiering van het netwerk. In het netwerk is afgesproken dat bijdragen van de leden vrijwillig zijn. VWS is vanaf 2010 financieel gaan bijdragen. Naast VWS dragen op dit moment zeven andere deelnemers financieel bij. Deze bijdragen zijn niet ten behoeve van een of enkele van de partijen van het netwerk maar worden besteed aan de organisatie van het netwerk door Accenture.
Onderstaande tabel geeft de bijdragen van VWS over de jaren weer. Deze bedragen zijn inclusief BTW.
2010
€ 20.000
2011
€ 23.800
2012
€ 23.800
2013
€ 24.200
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat een netwerk, waar miljardenconcerns in vertegenwoordigd zijn, wordt gesponsord door het ministerie van VWS? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 9.
Is er in het Apollo netwerk, formeel of informeel, gesproken over de financiering van geneesmiddelen tegen de ziektes Pompe en Fabry? Zo ja, wat was de inhoud van die gesprekken?
Daarover is niet gesproken.
Is er in het Apollo netwerk, formeel of informeel, gesproken over de toelating en voorwaarden van financiering van nieuwe antistollingsmiddelen (NOAC’s)? Zo ja, wat was de inhoud van die gesprekken?
Daarover is evenmin gesproken.
Is er in het Apollo netwerk, formeel of informeel, gesproken over de aanschaf van vaccins tegen het H1N1-virus? Zo ja, wat was de inhoud van die gesprekken?
Ook hierover is niet gesproken.
Is er binnen het Apollo netwerk, formeel of informeel, gesproken over het preferentiebeleid? Zo ja, wat is de inhoud van die gesprekken?
Uiteraard wel. Het is evident dat als wordt gesproken over geneesmiddelen en geneesmiddelenbeleid daarbij het preferentiebeleid ter sprake komt. Dat is dan ook zeker wel gebeurd in het Apollo netwerk.
Kunt u alles dat in het Apollo netwerk werd en wordt gewisseld openbaar maken? Zo nee, waarom niet?
In het Apollo netwerk is afgesproken om niet naar buiten te treden behoudens met eventuele afgeronde rapporten van het netwerk. Voor het functioneren van het netwerk is het van groot belang dat leden in vrijheid kunnen praten en niet gehouden zijn aan de standpunten van organisaties waarvoor zij werken.
De activiteiten van het Apollo netwerk hebben twee afgeronde publicaties opgeleverd.
Deze publicaties zijn terug te vinden op de website van het netwerk (www.apollonetwerk.nl).
Ter voorbereiding van deze rapporten is een aantal deelrapportages gemaakt en zijn tal van presentaties door zowel deelnemers als niet deelnemers aan het Apollo netwerk gegeven. Het uitbrengen van publicaties is geen doel op zichzelf van het Apollo netwerk.
Vindt u het acceptabel dat er in het kader van het Apollo netwerk door ambtenaren van uw ministerie in gezamenlijkheid met vertegenwoordigers van farmaceutische bedrijven een rapport is opgesteld over de voorwaardelijke toelating van geneesmiddelen? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Dat vind ik zeker acceptabel. De oorsprong van voorwaardelijke vergoeding lag in de wens om innovatie te bevorderen en patiënten snel toegang tot innovatieve middelen te geven. Ik wijs er graag op dat de Tweede Kamer al vóór de oprichting van het Apollo netwerk over dit onderwerp sprak. Ik vraag in dit verband aandacht voor een motie van het lid Agema en mijzelf over voorwaardelijke toelating die met ruime meerderheid door de Tweede Kamer is aanvaard3. De motie richtte zich vooral op het belang van voorwaardelijke toelating en/of vergoeding bij medische hulpmiddelen, maar ook voor geneesmiddelen was dit onderwerp toen al zeer actueel. Voor operationalisering van deze motie is de kennis van de praktijk onontbeerlijk.
In de betrokken werkgroep van het Apollo netwerk is een zogenaamde droogzwemoefening gedaan met betrekking tot voorwaardelijke vergoeding. Daarbij is met gebruikmaking van gegevens over bestaande geneesmiddelen die reeds de normale vergoedingsprocedure hadden doorlopen, gesimuleerd wat er zou gebeuren bij toepassing van een voorwaardelijke procedure. Deze exercitie heeft veel waardevolle informatie opgeleverd over de toepasbaarheid en uitvoerbaarheid van het instrument Voorwaardelijke vergoeding.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat ambtenaren van uw ministerie gezamenlijk adviezen opstellen met een partij waarmee in een later stadium onderhandeld moet worden? Vindt u niet dat hierdoor belangenverstrengeling optreedt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik draai het graag om. Het zou onwenselijk zijn dat ambtenaren van VWS, omdat ze soms onderhandelingen voeren over financiële arrangementen, zoiets als het uitvoeren van een droogzwemoefening als genoemd in het antwoord op vraag 16 niet zouden kunnen doen in een setting waarin ook farmaceutische bedrijven deelnemen. Ik denk dat er dan én niets terecht komt van het geneesmiddelenbeleid én niets van financiële arrangementen. Ik benadruk wel dat alle contacten zorgvuldig moeten zijn, met grote alertheid op het voorkomen van ongewenste beïnvloeding. Die alertheid is er.
Overigens betroffen de reeds afgesloten arrangementen niet de farmaceuten in het netwerk.
Hoe oordeelt u erover dat in het rapport «Sharing risks sharing benifits» zelfs een modelovereenkomst is opgenomen betreffende de voorwaardelijke toelating van geneesmiddelen?
De in het rapport opgenomen modelovereenkomst betreft een vingeroefening en geeft aan met welke elementen in ieder geval rekening moet worden gehouden bij «risk» en «benefit sharing» met betrekking tot voorwaardelijke toelating van geneesmiddelen.
Deelt u de mening dat de deelname van ambtenaren van uw ministerie aan het Apollo netwerk onmiddellijk dient te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Zoals ik al aangaf is bij de totstandkoming van consistent beleid het uitwisselen van praktijkkennis, expertise en standpunten van de diverse betrokken partijen en het op uitvoerbaarheid toetsen van beleid van essentieel belang. Deelname aan het Apollo netwerk draagt daar aan bij, maar dit is allerminst exclusief. Dit is een van de vele vormen van overleg die leiden tot input voor beleid en uitvoering en daar moeten ambtenaren van VWS mee door blijven gaan. Uiteindelijk sta ik als minister van VWS te allen tijde voor de volledige verantwoordelijkheid voor beleidskeuzes.
Bent u, of een andere bewindspersoon, aanwezig geweest bij bijeenkomsten van of georganiseerd door het Apollo netwerk? Zo ja, welke rol heeft u daar gespeeld?
Nee.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor maandag 14 oktober a.s. 18.00 uur?
De beantwoording van deze Kamervragen is helaas niet mogelijk gebleken vóór het gevraagde tijdstip.