De boerenprotesten op de snelwegen |
|
Laura Bromet (GroenLinks-PvdA), Fatihya Abdi (GroenLinks-PvdA) |
|
Pieter Heerma (CDA), Rob Jetten (D66), Vincent Karremans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Was u op de hoogte van het voornemen van boerenorganisaties LTO en Farmers Defence Force (FDF) om op vrijdag 14 augustus jl. te demonstreren op meerdere snelwegen en is er sprake geweest van een formeel kennisgeving richting de lokale driehoeken?
Mij was bekend dat enkele boerenorganisaties vrijdag 14 augustus jl. zouden protesteren bij de extra vergadering van de Staten van de provincie Noord-Brabant. De gemeente ’s-Hertogenbosch is van de demonstratie in kennis gesteld.
Waarom is ervoor gekozen om deze demonstraties niet te verplaatsen, een alternatief locatie aan te bieden en/of te verbieden, gelet op het feit dat er duidelijke gronden zijn in de wet openbare manifestaties om in te kunnen grijpen bij een demonstratie in het belang van het verkeer en/of voor de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden?
De besluitvorming over het verbieden dan wel verplaatsen van demonstraties geschiedt krachtens de Wet openbare manifestaties door de burgemeester, doorgaans na overleg in de lokale driehoek. De gronden voor het verbieden dan wel ontbinden van een demonstratie zijn gelegen in art.2 van de Wom; ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Het kabinet treedt niet in de afwegingen die het lokale gezag moet maken. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.
Wat waren de instructies voor de politie op het moment dat de demonstranten met trekkers gingen protesteren op meerdere snelwegen en er risico’s waren voor andere burgers op de weg?
Voorafgaand aan de demonstratie heeft overleg plaatsgevonden tussen het lokaal gezag (burgemeester en officier van justitie) en de politie in ‘s-Hertogenbosch. Het beleidsuitgangspunt van de lokale driehoek ’s-Hertogenbosch was duidelijk: indien men in het kader van de demonstratie met een tractor de snelweg op rijdt of de weg blokkeert, en dit evident gevaar oplevert, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Afgesproken werd het met de tractor rijden op een snelweg in principe niet te tolereren. Vanzelfsprekend is de beslissing om tot handhaving over te gaan aan de lokale driehoek.
Zijn er instructies en/of afspraken gemaakt tussen de lokale driehoeken en Rijkswaterstaat over het bovensignaleren van de wegen en/of afsluiten van de wegen? Zo niet, kunt u uiteenzetten waarom dit is niet is gebeurd?
Op 12 augustus jl. is er contact geweest tussen de eenheid Landelijke Expertise en Operaties (LX) van de politie en Rijkswaterstaat, zowel op directieniveau als op operationeel niveau. Op verzoek van de politie heeft Rijkswaterstaat de potentiële impact op het wegverkeer in beeld gebracht en toegelicht wat het handelingskader van Rijkswaterstaat is bij verstoringen van de doorstroming of van de veiligheid op het hoofdwegennet.
Voor het beheer van het hoofdwegennet zijn er vaststaande communicatiestructuren en opschalingsprocedures. De politie staat in verbinding met Verkeerscentrum Nederland (VCNL) van Rijkswaterstaat.
Rijkswaterstaat heeft inmiddels aangifte gedaan van de gepleegde overtreding waarop de vragen betrekking hebben, zoals het rijden met een tractor op de autosnelweg (in strijd met artikel 42 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). Rijkswaterstaat doet altijd aangifte als een snelweg moedwillig wordt geblokkeerd.
Op basis van welke jurisprudentie en informatie zijn de lokale driehoeken tot de afweging gekomen dat het is toegestaan om op de snelwegen te demonstreren en zij niet zullen handhaven hierop, gelet op het feit dat dit verboden is volgens de wet? Graag een gedetailleerd overzicht.
De vraag veronderstelt dat de afweging was dat demonstreren op snelwegen is toegestaan en dat op juridische gronden is afgezien van handhaven. Dat is onjuist. Zie daarvoor het antwoord op vraag 3. De snelweg is vanwege verkeersveiligheid en doorstroming geen plek om te demonstreren. Het rijden met een tractor of trekker op de snelweg is in Nederland verboden.
Welke voorbereidingen worden er getroffen om te voorkomen dat deze protesten nog verder escaleren en leiden tot nog meer (dodelijke) verkeersongelukken en/of ernstige wanordelijkheden? Graag een gedetailleerd overzicht.
De oorzaak van het noodlottige ongeval op de A59 is onderwerp van een lopend strafrechtelijk onderzoek. De politie en OM in Brabant-Oost hebben aangegeven de gebeurtenissen te evalueren.
Daarnaast heb ik de afgelopen weken overleg gehad met de (plv.) korpschef, het College van procureurs-generaal van het OM en de regioburgemeesters, ook in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie. Uit die overleggen is een helder statement gekomen, dat 25 augustus jl. op rijksoverheid.nl is gepubliceerd:
«Het blokkeren van een snelweg of het spoor of het veroorzaken van een file is gevaarlijk. Ook moeten hulpdiensten er altijd door kunnen. Het OM heeft op 19 augustus nogmaals bevestigd dat het demonstratierecht in beginsel niet in de weg staat aan strafrechtelijke vervolging. Gevaarzetting op een snelweg of het spoor is strafbaar, strafrechtelijk handhaven is dan ook aangewezen. Er wordt in beginsel strafrechtelijk opgetreden tegen gevaarzettend gedrag, zoals langzame verplaatsingen of het blokkeren van snelwegen of het spoor».
Bij de bezetting van de A12 door klimaatactivisten 29 augustus jl. is door de lokale driehoek van Den Haag ook overeenkomstig die lijn gehandeld.
Welke strafrechtelijke stappen worden er ondernomen richting eigenaren van tractoren die bewust hun kenteken hebben afgeschermd gelet op het feit dat dit verboden is volgens de wet?
De kentekenplicht voor motorvoertuigen volgt uit artikel 36 van de Wegenverkeerswet. Daarnaast verbiedt artikel 41 lid 1 van de Wegenverkeerswet onder meer het verhinderen van de herkenning van kentekens, bijvoorbeeld door die af te plakken. Als kentekens worden afgeschermd, dan zal strafrechtelijke handhaving in beginsel aangewezen zijn. Dit uitgangspunt geldt ook voor landbouwvoertuigen die sinds 1 januari 2022 een kentekenplicht kennen. Dit feit is ook opgenomen in de OM-uitgangspunten ten aanzien de strafrechtelijke handhaving van landbouwvoertuigen op de snelwegen bij demonstraties. De vraag of (en zo ja welke) stappen concreet genomen worden, hangt telkens af van de omstandigheden van het geval. Bij het rijden met landbouwvoertuigen op de snelwegen is gezien de gevaarzetting strafrechtelijk handhaving in beginsel aangewezen. Dat geldt ook voor het afplakken van kentekens. Dat is alleen anders als de demonstratie in de vorm van het rijden op de snelweg met landbouwvoertuigen is aangemeld bij de burgemeester en deze het niet heeft verboden.
Bent u nog in gesprek met organisaties die de stikstofplannen vergelijken met de jodenvervolging?1
De vergelijking die tijdens de demonstratie van 14 augustus jl. is gemaakt door een der voormannen van een boerenorganisatie is totaal ongepast. Een analogie met de holocaust trekken voert vele malen te ver. De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is thans niet in gesprek met de organisatie wier voorman de aangehaalde uitspraak heeft gedaan.
Wat vindt u van het feit dat er stickers van davidsterren met het patroon van een rode boerenzakdoek en de letter B uitgedeeld zijn tijdens de protesten?2
De uiting van een davidster met een B erop is een evidente en ongekende schoffering aan het adres van de nabestaanden en slachtoffers van de Jodenvervolging en Holocaust gedurende de Tweede Wereldoorlog. Zoals de Minister-President op 14 augustus jl. heeft gezegd betreft dit een walgelijke en bijzonder ongepaste actie.
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen betrokken bij verkoop van DigiD aan Amerikanen»?1
Wat is uw reactie op het bericht en de investeringen van pensioenfondsen in het bedrijf Solvinity, dat DigiD faciliteert en dreigde te worden overgekocht door Amerikanen?
Wat is de reactie van de pensioenfondsen ABP en PFZW op dit bericht? Kunt u de fondsen vragen om verantwoording af te leggen over deze investering namens de burgers die premie aan hen afdragen?
Waren de pensioenfondsen ABP en PFZW op de hoogte dat hun geld belegd werd in Solvinity? Zo ja, kunt u verklaren waarom zij deze investeringen alsnog hebben gedaan?
Vindt u het uit te leggen dat burgers via hun pensioenpremie indirect investeren in een bedrijf dat keuzes maakt die, in uw eigen woorden, indruisen tegen het publieke belang?
Welke rol speelt digitale autonomie op dit moment in het strategisch beleggingsbeleid van de pensioenfondsen? Zijn er plannen om het strategisch beleggingsbeleid op dit onderwerp aan te passen?
Welke toezichthouder zorgt ervoor dat pensioenfondsen conform hun kaders beleggen? Voldoet de investering in Solvinity aan dat kader?
Bent u bereid om pensioenfondsen te verzoeken om beleggingen die afbreuk doen aan de digitale autonomie stop te zetten?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat pensioenfondsen hun kapitaal inzetten om de digitale autonomie van Nederland te versterken? Bent u bereid dit te bespreken met de fondsen en de Kamer dit najaar te informeren over de uitkomsten hiervan?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en nog vóór het commissiedebat «digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?
Het gebruikmaken van de brievenadministratie en de aangetroffen fysieke FIOD-dossiers. |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Waarom geeft u in het antwoord van 10 juli 2026 op schriftelijke vragen over de brievenadministratie rond het massale uitvraagproces (Kamerstuk 2026Z14866) aan dat om een uitspraak over de mate van gedupeerdheid van ouders aan de hand van de brievenadministratie te kunnen doen de integrale beoordeling volledig overgedaan zou moeten worden? Wat zou er bijvoorbeeld in het gesprek met betrekking tot het ouderverhaal aan de orde gebracht kunnen worden dat niet eerder is besproken?
Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van drie gronden: 1) vooringenomenheid (zowel groepsgewijs als individueel), 2) hardheid van het stelsel, of 3) een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld (O/GS). De toetsing van gedupeerdheid op basis van deze gronden is volgordelijk. Dit betekent dat als een ouder gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid (de gedupeerdheidsgrond waaronder non respons valt) er niet meer wordt getoetst of een ouder ook gedupeerd is op basis van hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie O/GS. Daarnaast is het zo dat non respons maar één van de redenen is om gedupeerd te zijn op basis van individuele vooringenomenheid. Dit maakt dat het ook nog mogelijk is dat een ouder gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid vanwege een andere reden. Dit is echter ook niet getoetst als er al sprake was van gedupeerdheid vanwege non respons.
Voor een volledige en correcte beoordeling moet voor elk jaar dat een ouder als gedupeerde is aangemerkt op basis van individuele vooringenomenheid getoetst worden of er 1) sprake is van gedupeerdheid op basis van individuele vooringenomenheid op basis van een andere reden dan non-respons of 2) sprake is van een andere gedupeerdheidsgrond. Dit kan niet uit de huidige dossiers worden gedestilleerd, omdat dit niet is onderzocht en hier niet naar gevraagd is in het ouderverhaal. Ook kan er uit een ouderverhaal blijken dat een ouder in de brievenadministratie staat én gedupeerd is op basis van non respons. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn als uit het ouderverhaal blijkt dat het niet daadwerkelijk ontvangen van een brief aannemelijk kan worden gemaakt.
Om meer inzicht te geven in het proces van de integrale beoordeling is een illustratie bijgevoegd. Deze laat zien welke gedupeerdheidsgronden er zijn en wat de verschillende redenen kunnen zijn om tot deze gedupeerdheidsgrond te komen.
Deelt u de conclusie dat er wel degelijk een inschatting van het aantal onterechte compensatiejaren gemaakt kan worden door in kaart te brengen in welke gecompenseerde toeslagjaren geen reacties op rappelbrieven zijn ontvangen van als gedupeerde erkende ouders, die zijn gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze conclusie deel ik niet. Zoals ik in vraag 1 heb uitgelegd geeft het al dan niet ontvangen van een reactie geen sluitend beeld over de gedupeerdheid (en dus ook niet of de compensatie terecht was) van een ouder in dat betreffende jaar, omdat dit maar een stukje van de beoordeling is. Het geeft enkel een beeld welke ouders mogelijk ten onrechte op de grond non respons zijn gecompenseerd. Hier zitten ook ouders tussen die terecht zijn gecompenseerd om een van de genoemde redenen in vraag 1. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een ouder zich (fysiek) aan een balie heeft gemeld.
Zo ja, bent u bereid in kaart te brengen voor hoeveel toeslagjaren er is gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen waarbij er tevens niet gereageerd op een rappelbrief, bij hoeveel ouders dit speelt en bij hoeveel ouders dit alle gecompenseerde toeslagjaren betreft? Zo nee, waarom vindt u het ook met het oog op de evaluatie van de hersteloperatie niet van belang om de omvang van (mogelijke) onterechte compensatie in kaart te brengen, mede gelet op het trekken van lessen voor de toekomst?
Zie het antwoord op de vragen 1 en 2. Om betrouwbaar in kaart te kunnen brengen in welke gevallen sprake kan zijn van een onterechte compensatie zouden integrale beoordeling opnieuw moeten worden uitgevoerd. Dat is niet uitvoerbaar en onwenselijk voor de betreffende ouders.
Deelt u de conclusie dat de kans dat de desbetreffende ouders in dezelfde jaren ook op andere gronden zijn gedupeerd in de praktijk bijzonder klein is, aangezien dergelijke gronde (fraude/CAF-onderzoeken etc) zijn uitgesloten van de selectie voor het massale uitvraagproces? Zo nee, waarom niet, welke compensatiegronden kan dit dan betreffen en hoe vaak zouden deze onder de desbetreffende groep in hetzelfde toeslagjaar voorkomen?
Nee, deze conclusie zoals gesteld deel ik niet. Ik deel de conclusie dat ouders die in een CAF/Fraude onderzoek zaten niet in het massale proces zaten. Echter kan een ouder ook om een andere reden dan non-respons gedupeerd zijn op basis van individuele vooringenomenheid. Ook kan er sprake zijn van gedupeerdheid op basis van hardheid van het stelsel of een onterechte O/GS-kwalificatie. Aangezien in de Integrale Beoordeling sprake is van volgordelijkheid, zijn hier geen getallen van.
Zoals eerder met de Kamer heb gedeeld kan ik concluderen dat als deze administratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate ouders gedupeerd waren. Echter kan ik op individueel niveau geen conclusies trekken.
Waarom heeft u al voorafgaand aan de uitkomsten van het ADR-onderzoek naar de brievenadministratie uw eigen speelruimte om te handelen inzake de betrokken dossiers publiekelijk zwaar ingeperkt? Deelt u de conclusie dat u nooit op deze manier een voorschot op dit onderzoek had moeten nemen, zeker nu de enorme omvang van mogelijke onterechte compensatie duidelijk is geworden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen definitief standpunt over het mogelijk gebruik van de informatie ingenomen voordat uit het onderzoek bleek dat de administratie daadwerkelijk betrouwbaar was.
Wel heb ik besloten de hersteloperatie voort te zetten gedurende het onderzoek, een lange vertraging was niet uitlegbaar, en heb ik aangegeven dat niet zou worden teruggekomen op reeds genomen besluiten. In de eerste plaats was de vraag of daarvoor een juridische basis bestond en ten tweede acht ik dit niet uitlegbaar aan als gedupeerde aangemerkte ouders.
Waarom vindt u het voorkomen van mogelijke onrust, zoals u in antwoord op vraag 2 van dezelfde set Kamervragen aangeeft, belangrijker dan het waarborgen van terechte besteding van (potentieel) miljarden euro’s aan compensatie?
Ik heb in mijn beantwoording aangegeven dat ik op basis van de brievenadministratie pas iets over de gedupeerdheid van ouders kan zeggen als alle Integrale Beoordelingen, inclusief ouderverhaal, opnieuw gedaan worden.
Een nieuwe beoordeling kost veel tijd en brengt nieuwe uitvoeringskosten met zich mee. En creëert veel onrust onder als gedupeerde aangemerkte ouders, waarbij mogelijk voor een deel van de ouders geldt dat zij op dezelfde of een andere grond alsnog als gedupeerd zou worden aangemerkt. Hen opnieuw aan het gevoelige proces van beoordeling blootstellen acht ik niet uitlegbaar. Het is echter wel zo dat de administratie wordt gebruikt in bijvoorbeeld bezwaar-, beroep- en civiele zaken.
Deelt u de conclusie dat in het theoretische geval van een herbeoordeling deze alleen gevolgen zou hebben voor ouders die blijkens de brievenadministratie ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u het voorkomen van onrust onder onterecht gecompenseerde ouders nog altijd belangrijker dan het bewaken van de geloofwaardigheid van de hersteloperatie?
Ik wil wederom vooropstellen dat ik deze beoordeling niet zal uitvoeren. Zoals ik in antwoord op vraag 7 heb aangegeven zal in een dergelijke situatie ook voor ouders die alsnog op een andere grond als gedupeerde worden aangemerkt de beoordeling opnieuw moeten plaatsvinden. Voor hen heeft een dergelijke herbeoordeling dus ook gevolg, en hen opnieuw aan het gevoelige proces van beoordeling blootstellen acht ik niet uitlegbaar.
Onderschrijft u dat het ouderverhaal bij «non-respons» niet boven beschikbare feitelijke informatie gaat en dat het ouderverhaal dus «slechts» leidend is bij het ontbreken van dergelijke informatie? Zo nee, waarom is dit dan nog altijd als zodanig opgenomen in het handboek voor beoordelingen bij UHT? Zo ja, waarom verklaart u het ouderverhaal dan alsnog generiek belangrijker dan de aangetroffen brievenadministratie?
De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is altijd afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. Indien UHT kan vaststellen dat uitvraagbrieven daadwerkelijk zijn verzonden, wordt in beginsel uitgegaan van een correcte verzending. Daarmee staat echter niet zonder meer vast dat geen sprake kan zijn van gedupeerdheid. Ook wanneer een brief is verzonden, kunnen zich omstandigheden voordoen waaruit volgt dat een ouder desondanks gedupeerd is geraakt. Zo kan een ouder bijvoorbeeld stellen wél op een uitvraagbrief te hebben gereageerd. UHT beoordeelt een dergelijke stelling op aannemelijkheid.
Indien aannemelijk is dat een ouder heeft gereageerd en een verlaging of nihilstelling desondanks heeft plaatsgevonden, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen en daarmee van gedupeerdheid. Het ouderverhaal wordt daarom niet generiek belangrijker geacht dan de beschikbare informatie uit de administratie, maar maakt onderdeel uit van de integrale beoordeling waarin alle relevante feiten en omstandigheden in samenhang worden gewogen.
Deelt u de conclusie dat er ver voor de zomer van 2024 bij UHT al interne discussies liepen over de mogelijke beschikbaarheid van een accurate brievenadministratie?
In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn er binnen de organisatie signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat in significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Ook is er één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn individueel onderzocht, maar hebben destijds niet geleid tot de kennis van de aanwezigheid van verzend- en ontvangstadministratie. In de zomer van 2024 is er voor het eerst een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties.
Waarom hebben dergelijke discussies niet tot een onderzoek geleid? Als dit wel is onderzocht, waarom is het bestaan van de administratie hier dan niet uit gebleken, mede gelet op het feit dat de werkwijze in dit proces nauwelijks tot niet is veranderd gedurende de jaren?
Alle signalen die toentertijd zijn binnengekomen hadden geen concrete verwijzing naar de brieven administratie. Deze signalen zijn wel altijd beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Echter hebben deze signalen zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben deze signalen – soms in afstemming met de Commissie van Wijzen – steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.
Waarom geeft u in de beantwoording aan dat na het signaal over het bestaan van de administratie in de zomer van 2024 «gelet op de mogelijke impact op ouders» besloten is tot een onafhankelijk onderzoek door de ADR, aangezien u tegelijkertijd nog lopende het onderzoek heeft aangegeven dat de ouderverhalen sowieso leidend zouden blijven?
Om de administratie te kunnen gebruiken acht ik het belangrijk dat de administratie betrouwbaar en volledig is. Temeer omdat de informatie uit deze adminstratie als contra-informatie aan ouders zouden worden tegengeworpen. Ik wilde niet het risico lopen dat ouders gevolgen ondervonden van het gebruik van de administratie zonder dat vast stond dat deze administratie volledig en betrouwbaar was.
Daarom heb ik de ADR gevraagd dit te onderzoeken. Het ADR-onderzoek staat los van de vraag hoe de informatie in de administratie binnen een individuele beoordeling moet worden gewogen en welke rol het ouderverhaal daarin speelt.
Waarom heeft u gedurende anderhalf jaar waarin het onderzoek liep de kans laten lopen om te handelen op basis van de brievenadministratie, terwijl de uitkomsten van het onderzoek voor u materieel niet van belang waren?
Het onderzoek van de ADR heeft uitgewezen dat de onderzochte administratie van het massale proces betrouwbaar en volledig is. Daar was lopende het onderzoek nog geen duidelijkheid over. Gezien de mogelijke impact van het gebruik van de administratie als bron van contra-informatie richting de ouder en het feit dat in het verleden de informatiehuishouding gebreken kende vond ik het niet verantwoord deze informatiebron te gebruiken voordat de uitkomsten van het ADR onderzoek duidelijk waren. Dit betekent dat er vooruitlopend op de conclusies van het onderzoek ook geen werkinstructies zijn aangepast.
Zijn er specifieke interne werkinstructies gegeven over de afhandeling van dossiers gedurende de looptijd van het ADR-onderzoek? Zo ja, welke? Zo nee, waarom kon de financieel zeer kostbare werkwijze van blind varen op ouderverhalen ongewijzigd doorgang vinden terwijl er dermate sterke aanwijzingen voor het bestaan van ontkrachtende informatie waren dat u zich genoodzaakt zag de ADR hier onderzoek naar te laten verrichten?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe aannemelijk acht u het dat er op dermate grote schaal sprake is geweest van de uitzonderingssituaties zoals geschetst in antwoord op vraag 8, dat niet meer in algemene zin te stellen is dat een het versturen van een stopbrief inhoudt dat er niet (tijdig) is gereageerd op uitvraag- en rappelbrieven?
Dit zal altijd per casus beoordeeld moeten worden en ik kan hier dus geen algemene conclusies over trekken.
Onderschrijft u dat zelfs in de uitzonderingssituaties die u schetst veelal geen sprake is van verwijtbaarheid van de kant van de Belastingdienst/Toeslagen, zoals in het geval van pas reageren ná het ontvangen van de stopbrief? Waarom rechtvaardigen ook dergelijke situaties in uw ogen het oordeel van gedupeerdheid en compensatie?
Nee. Ook in de situaties waar de vraag op doelt, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen. Het enkele feit dat een ouder pas na ontvangst van een stopbrief reageert, betekent niet automatisch dat geen sprake kan zijn van gedupeerdheid. De beoordeling is afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval. Indien wordt vastgesteld dat een ouder een stopbrief heeft ontvangen terwijl deze bij een juiste behandeling van diens situatie niet had mogen worden verzonden en de ouder daardoor schade heeft geleden, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen. In dat geval bestaat recht op compensatie. De uitgangspunten die hieraan ten grondslag liggen, zijn in 2020 vastgesteld en konden rekenen op brede steun van de Tweede Kamer.
Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 aan dat de Belastingdienst geen cijfers bijhoudt over (het risico op) het kwijtraken van post (in vergelijking met andere overheidsorganisaties), terwijl uit een korte zoektocht al blijkt dat door Capgemini eind 2020 nog onderzoek is gedaan naar het kwijtraken van fysieke stukken bij Toeslagen? Welke conclusie trekt u uit de bevindingen uit dat onderzoek ten aanzien van de bruikbaarheid van de brievenadministratie in het kader van non-respons?
Het Capgemini-onderzoek is niet in tegenspraak met het antwoord dat ik eerder heb gegeven. Het onderzoek had betrekking op klachten over zoekgeraakte fysieke stukken bij Toeslagen en was geen structurele meting van het aantal zoekgeraakte poststukken. Evenmin bevatte het een vergelijking met andere overheidsorganisaties.
Het onderzoek van de klachtdossiers laat wel zien dat de verwerking van ontvangen stukken kwetsbaar was en dat de registratie van ontvangen reacties geen sluitend en volledig beeld geeft. De conclusie is daarom dat de brievenadministratie relevante informatie kan bevatten, maar op zichzelf niet voldoende is om non-respons vast te stellen. De brievenadministratie kan aantonen dat een standaardbrief administratief is verzonden, maar niet dat de ouder deze heeft ontvangen. Ook kan uit het ontbreken van een geregistreerde reactie niet zonder meer worden afgeleid dat de ouder niet heeft gereageerd. Daarvoor moeten ook het overige dossier en het verhaal van de ouder worden betrokken.
Hoe rijmt u uw conclusie dat de brievenadministratie geen antwoordt biedt op de vraag of ouders in de praktijk wel of niet gedupeerd zijn met uw antwoord op vraag 16, waaruit blijkt dat de werkwijze en administratie inzake het massale aanvraagproces nog altijd onveranderd zijn aangezien dit proces goed functioneert? Hoe kunt u tegelijkertijd stellen dat het proces altijd goed heeft gefunctioneerd én dat ouderverhalen over het vermeende massale disfunctioneren van dit proces leidend blijven?
Zoals ik in mijn eerdere beantwoording in vraag 8 heb benoemd kan een ouder ook met aanwezigheid van de brievenadministratie nog steeds gedupeerd zijn. Daarnaast wil ik ook benadrukken dat het proces om te beoordelen of een ouder gedupeerd is complex is en kan een ouder om andere redenen dan non-respons gedupeerd zijn op basis van individuele vooringenomenheid, zelfs als non-respons hier door de aanwezigheid van de brievenadministratie niet meer de reden voor is. Conclusies trekken over de gedupeerdheid van ouders kan enkel als de gehele integrale beoordeling, inclusief ouderverhaal, opnieuw wordt gedaan.
De beoordeling door UHT is ook niet gebaseerd op de veronderstelling dat door ouders verstrekte informatie verloren is gegaan. De beoordeling binnen de hersteloperatie richt zich op de vraag of de oorspronkelijke stopzetting rechtmatig was. Hierbij wordt alle informatie uit de systemen van UHT geraadpleegd. Indien niet kan worden vastgesteld dat een wettelijk vereiste uitvraag heeft plaatsgevonden en een toeslag desondanks is stopgezet, wordt die stopzetting als onrechtmatig aangemerkt. Een ouderverhaal is in deze beoordeling nodig om een duiding te geven van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Dit betekent ook dat UHT alle informatie uit de systemen gebruikt in de beoordeling. Als UHT op basis van de systemen niet kan aantonen dat de vereiste uitvraag aan de ouder heeft plaatsgevonden, geldt binnen de hersteloperatie het uitgangspunt dat bij twijfel in het voordeel van de ouder wordt geoordeeld. Dit proces is met de brievenadministratie ook niet anders geworden, UHT heeft enkel meer informatie tot zijn beschikking.
Waarom neemt u afstand van het genoemde aantal in NRC Handelsblad van mogelijk 20.000 ouders die ten onrechte zijn gecompenseerd, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat u op basis van het ADR-onderzoek zelf geen beeld heeft van het aantal achteraf onterecht als gedupeerd aangemerkte personen?
Zoals in de brief van 6 februari jl. aan de Kamer is geschreven, wordt geconcludeerd dat als deze brievenadministratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate ouders gedupeerd waren. Echter kunnen er géén conclusies getrokken worden over de gedupeerdheid van ouders op individueel niveau, dit vergt een volledige herbeoordeling inclusief ouderverhaal. Aangezien ik deze herbeoordeling niet kan en zal doen, wil ik ook niet speculeren over aantallen.
Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 over de rechterlijke uitspraak (Kamerstuk 2026Z15264) aan dat de vraag bij hoeveel van de 34.000 ouders die in één toeslagjaar als gedupeerde zijn aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen sprake was van gedupeerdheid in het kader van het massale uitvraagproces alleen te beantwoorden is door dossiers handmatig te beoordelen? Waarom kunnen de toeslagenjaren niet gewoon naast de brievenadministratie worden gelegd en bent u bereid dit te doen in navolging van vraag 3?
Zoals ik in het antwoord op vragen 1 en 3 heb uitgelegd geeft het leggen van toeslagjaren van deze ouders naast de brievenadministratie een incomplete beoordeling.
Erkent u dat standaard werd uitgegaan van institutioneel vooringenomen handelen indien een ouder aangaf ten onrechte van non-respons beticht te worden? Zo ja, waarom geeft u dan aan dat «onterechte non-respons» geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond is, ook gelet op het beoordelingskader waarmee gewerkt wordt bij UHT?
Nee, UHT gaat niet automatisch uit van een onterechte non-respons. UHT kijkt altijd naar alle beschikbare feiten en omstandigheden. Daarbij wordt onder meer gekeken naar informatie uit de verschillende beschikbare systemen en wordt beoordeeld of aannemelijk is dat sprake is geweest van een onterechte non-respons.
Hoe is de ontdekking van de fysieke dozen met FIOD-dossiers, waarnaar u verwijst in antwoord op vraag 21 (Kamerstuk 2026Z14866) in zijn werk gegaan?
De Belastingdienst voert actief beheer van het fysieke archief voor alle dienstonderdelen. Dit gebeurt volgens een zorgvuldig ingericht proces, waarbij voor ieder aangeboden archiefstuk wordt vastgesteld welke bewaartermijn op grond van de Archiefwet van toepassing is. Als onderdeel van het reguliere archiefbeheer heeft de FIOD begin oktober 2025 een aantal strafrechtelijke onderzoeksdossiers van Dienst Toeslagen behandeld. Hierover heeft de FIOD op 14 oktober 2025 de Chief Record Officer van Dienst Toeslagen geïnformeerd. In het kader van de Hotspot Toeslagenaffaire heeft de FIOD aangegeven welke dossiers voor bewaring in aanmerking komen en niet mogen worden vernietigd.1 Deze dossiers zijn uit het archief gehaald, apart gezet en geregistreerd. De dossiers zijn daarmee veiliggesteld en uitgesloten van vernietiging.
Wanneer was sprake van de eerste signalen inzake deze dossiers, hoe is hierop geacteerd en door welke partijen?
Zie antwoord vraag 21.
Wanneer was het bestaan van deze dossiers bij u bekend?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 21 en 22 heeft de FIOD op 14 oktober 2025 de Chief Record Officer van Dienst Toeslagen geïnformeerd over de bij archiefwerkzaamheden aangetroffen dossiers en de vaststelling dat deze dossiers op grond van de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire bewaard moeten blijven. Op 4 juni 2026 zijn de Staatssecretarissen in de kantlijn van een overleg over de datakluis mondeling geïnformeerd over het FIOD-archief. Hoewel bewindspersonen doorgaans niet over regulier archiefbeheer worden bijgepraat, is dit specifieke onderwerp toen wel kort benoemd, zonder dat er sprake is van een verband met de datakluis. Het betreffende FIOD-archief staat daarmee los van de datakluis, evenals de aanpak hieromtrent.
Betreft het hier dossiers die een (ander) licht (hadden kunnen) werpen op de vraag of als gedupeerde erkende ouders ook daadwerkelijk gedupeerd zijn? Zo ja, hoe beoordeelt u het dat deze dossiers kennelijk niet gebruikt zijn voor dit doel en hoe gaan deze alsnog worden ingezet?
De hersteloperatie heeft de afgelopen jaren in uitzonderlijke gevallen gebruik gemaakt van onderzoeksdossiers van de FIOD. In het geval de FIOD een onderzoek doet, kan dit relevante informatie bevatten bij het onderzoek naar gedupeerdheid van een ouder door UHT. De Wet hersteloperatie toeslagen biedt de UHT als daartoe aanleiding is de mogelijkheid om strafrechtelijke gegevens bij de FIOD en/of het Openbaar Ministerie op te vragen. De dossiers bij de FIOD blijven volgens de richtlijnen Hotspot Toeslagenaffaire voor UHT opvraagbaar.
Welke jaren bestrijken deze dossiers?
De dossiers zijn van 2016 en de jaren hiervoor. Verdere specificering vereist dat de dossiers individueel moeten worden bekeken. De dossiers zijn indien nodig opvraagbaar. Een onderzoek naar de specifieke jaren van de dossiers is hiervoor niet relevant.
Bestaat de mogelijkheid dat zich onder de aangetroffen fysieke stukken ook stukken kunnen bevinden, die aan de PEFD verstrekt hadden moeten worden? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten?
Het gaat om strafrechtelijke gegevens. Deze gegevens zijn vertrouwelijk en worden bij uitzondering en slechts als daartoe specifieke aanleiding is gedeeld. Dit is in het geval van de PEFD niet aan de orde geweest.
Wie is deze dozen met fysieke dossiers momenteel aan het beoordelen? Gebeurt dit door een externe partij? Zo nee, waarom is met betrekking tot deze informatiebron geen externe validatie nodig terwijl dit wel moest gebeuren bij de brievenadministratie door de ADR?
Deze dossiers maken onderdeel uit van het fysieke archief van de FIOD. Het betreft geen nieuw ontdekt archief, maar bestaande archiefstukken die in het kader van regulier archiefbeheer en conform de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire zijn beoordeeld door informatiespecialisten op vernietiging dan wel bewaring. Tegen die achtergrond is geen sprake van een afzonderlijk onderzoek of beoordeling door een externe partij. Deze dossiers mogen alleen gebruikt worden als daar een specifieke aanleiding voor is bij de hersteloperatie.
Garandeert u dat niets van deze fysieke dossiers wordt vernietigd zolang niet onomstotelijk is vastgesteld dat deze niet gebruikt kunnen worden bij het vaststellen van gedupeerdheid en voordat de Kamer hierover is geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals benoemd in het antwoord op vragen 21 en 22 worden stukken die onder de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire vallen uitgesloten van vernietiging. De betreffende dossiers zijn juist in het kader van die richtlijnen geïdentificeerd en veiliggesteld.
Hoe kunt u in antwoord op vraag 5 over de rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie (Kamerstuk 2026Z15264) stellen dat de rechterlijke uitspraak niet inhoudt dat er sprake is van onterecht aangemerkte gedupeerdheid, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat uit de rechterlijke uitspraak blijkt dat er geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid richting de moeder?
De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid. Deze vraag is in de zaak dan ook niet beantwoord en deze vraag zal ook niet door de civiele rechter beantwoord worden.
Zoals eerder benoemd is het beoordelingsproces of een ouder gedupeerd is veel uitgebreider en complexer dan non-respons en zelfs dan individuele vooringenomenheid. Zonder dat een ouder opnieuw beoordeeld wordt, inclusief ouderverhaal, kunnen er geen conclusies getrokken worden over de gedupeerdheid van deze ouder.
Hoe aannemelijk acht u het dat er in deze zaak sprake is van andere gronden van gedupeerdheid, die niet door de verdediging aan de orde zijn gesteld? Deelt u de conclusie dat dit een puur theoretische redenering is?
Aangezien de zaak geen betrekking had op de vraag of een ouder al dan niet gedupeerd is, was dit niet relevant en is dit niet onderzocht. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden. Over individuele gevallen kan ik verder geen uitspraak doen.
Wat is de status van het onderzoek naar de bruikbaarheid van de brievenadministratie bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen?
Ik heb onderzocht of het mogelijk was om op alle onderdelen van de hersteloperatie stapelingsrisico’s te voorkomen. Hieruit bleek dat het niet mogelijk was om de brievenadministratie breder toe te passen dan op dit moment gebeurt. Alle aanvullende regelingen zijn namelijk gebaseerd op de Integrale Beoordeling van de gedupeerde aanvrager. Toegang tot aanvullende regelingen, waaronder brede ondersteuning en aanvullende schadecompensatie, kan enkel worden ontzegd als uit de Integrale Beoordeling blijkt dat een ouder niet gedupeerd is. Om hierover conclusies te trekken moet de hele Integrale Beoordeling opnieuw worden gedaan en zoals ik al meermaals heb gezegd kan en wil ik dit niet doen.
Betreft dit onder andere de brede ondersteuning en aanvullende schade? Zo nee, wat dan wel? Kunt u hier een uitputtend antwoord op geven?
Zie antwoord vraag 31.
Kunt u tevens aangeven hoe informatie uit de brievenadministratie praktisch zal worden ingezet, ook gelet op bijvoorbeeld de rol van gemeenten inzake de brede ondersteuning?
De brievenadministratie zal niet breder ingezet worden dan op dit moment het geval is. Dit gaat dus om de volgende, eerdergenoemde, situaties:
Deelt u het uitgangspunt dat geen cent, vanuit welke regeling in het kader van de afhandeling van de toeslagenaffaire dan ook, meer mag worden uitgekeerd aan personen, die voorkomen in de brievenadministratie zonder voorafgaande inhoudelijke check van deze administratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven?
Ik deel dit uitgangspunt niet. Zoals meermaals benadrukt zegt het voorkomen in de brievenadministratie niet direct iets over de gedupeerdheid van individuele ouders.
Als blijkt dat ouders niet gedupeerd zijn, worden de aanvullende regelingen stopgezet en worden de gegevens van deze ouders met gemeenten gedeeld om de brede ondersteuning stop te zetten.
Bent u bereid een meldpunt in te stellen waar (al dan niet voormalige) werknemers van in ieder geval de Belastingdienst, Toeslagen, CAF en de FIOD zich (indien gewenst anoniem) kunnen melden wanneer zij kennis hebben over informatie, die van belang kan zijn met betrekking tot de afhandeling van de toeslagenaffaire en die (mogelijk) nog niet bekend of gebruikt is? Zo nee, waarom niet en welke mogelijkheden om dergelijke meldingen te doen zijn er dan wel? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven en wilt u de Kamer hierover nauwgezet informeren?
Ik wil onderstrepen dat ik het belangrijk vind dat medewerkers die menen dat relevante informatie niet wordt betrokken bij de afhandeling van de toeslagenaffaire, dit kunnen melden. Het huidige meldlandschap: dat bestaat binnen Dienst Toeslagen biedt hiervoor voldoende ruimte, uit het recente medewerkersonderzoek blijkt ook dat 91% van de medewerkers weet waar ze met een integriteitskwestie naar toe kunnen.
In de eerste plaats kunnen medewerkers dergelijke signalen bespreken met hun leidinggevende of, indien zij zich daar niet vrij toe voelen, gebruikmaken van de bestaande interne of externe meldvoorzieningen. Binnen het Ministerie van Financiën is hier intern ruimte voor bij Integriteitsonderzoeken Financiën (IF). Bij het IF hebben (voormalig) medewerkers van heel Financiën (waaronder de uitvoeringsorganisaties Belastingdienst (inclusief FIOD), Dienst Toeslagen en Douane) de mogelijkheid om desgewenst anoniem melding te maken van mogelijke integriteitsschendingen of vermoedens van misstanden. De IF publiceert hier jaarlijks verantwoordingsrapportages over. Daarnaast is er extern ook een meldpunt voor medewerkers, namelijk de Commissie sociale veiligheid en integriteit. (Voormalig) medewerkers van heel Financiën kunnen hier hun vragen kwijt, ook als het gaat over betreffende kwestie.
Gelet op deze bestaande voorzieningen zie ik geen aanleiding om een afzonderlijk meldpunt in te stellen. Wel vind ik het belangrijk dat (oud-)medewerkers bekend zijn met de bestaande meldmogelijkheden. Daarom zal ik bezien hoe de bekendheid van deze voorzieningen eventueel verder kan worden vergroot.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis?
Ja.
Brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclingsector |
|
Gidi Markuszower (PVV), Hidde Heutink (PVV) |
|
Eerenberg , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclingsector?1
Ja.
Bent u bekend met de recente branden bij afvalverwerkers in Alkmaar (29 juli 2026) en Rotterdam-Charlois (nacht van 7 op 8 augustus 2026, opgeschaald naar Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdingsprocedure 2)? Kunt u bevestigen dat, zoals de sector zelf meldt, ongeveer 38 procent van de branden bij afvalverwerkers wordt veroorzaakt door batterijen en accu's in het afval?
Ja ik ben bekend met de recente branden bij deze afvalverwerkers. Het Rijk houdt zelf niet bij hoeveel afvalbranden er plaatsvinden en kan daardoor niet bevestigen welk aandeel daarvan wordt veroorzaakt door batterijen en accu’s in het afval.
Welke maatregelen overweegt u om de gescheiden inzameling van batterijen en accu's te vergroten, gelet op het beperkte effect van de huidige vrijwillige campagnes?
Voor batterijen en accu’s geldt een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV). De producenten van batterijen en accu’s moeten op het moment dat deze producten afval worden zorgen voor de inzameling en de verwerking. In Nederland voeren Stichting Open en AutoRecycling Nederland deze verplichtingen namens de producenten uit.
De UPV verplichting komt voort uit de Europese batterijenverordening die vorig jaar is herzien. Met de herziening van de Batterijverordening worden de regels voor inzameling aangescherpt: er worden concrete eisen gesteld aan het door de producenten op te zetten inzamelsysteem, zodat er zoveel mogelijk batterijen gescheiden ingezameld worden. Ook wordt er naast een aangescherpte inzameldoelstelling voor afgedankte draagbare batterijen2, een aparte inzameldoelstelling ingevoerd voor batterijen voor lichte vervoersmiddelen3. Om de inzameldoelen te halen zijn er verschillende knoppen waar de producenten aan kunnen draaien: de toegankelijkheid van het inzamelsysteem, bekendheid van het inzamelsysteem en motivatie bij ontdoeners om hun afval op een juiste manier in te leveren, bijvoorbeeld door het geven van een retourpremie of het invoeren van statiegeld. Het is aan de producenten om hier een effectieve mix aan maatregelen te vinden. De producenten zijn in ieder geval verplicht om eindgebruikers te informeren over de juiste wijze van inzameling van afgedankte batterijen. De ILT controleert of producenten deze verplichtingen in de praktijk brengen en handhaaft wanneer dat niet het geval is.
Daarnaast zal de Europese Commissie uiterlijk 31 december 2027 een onderzoek uitvoeren naar de verplichte invoering van een statiegeldsysteem, met name voor draagbare batterijen, om meer batterijen gescheiden in te zamelen.
Bent u bekend met de risico's van lachgascilinders in afvalstromen als bron van brand- en explosiegevaar, en welke maatregelen overweegt u om te voorkomen dat deze in reguliere afvalstromen terechtkomen?
Ja ik ben bekend met de risico’s van lachgascilinders in afvalstromen. Vanuit het Rijk wordt ingezet op preventie (verminderen van de vraag naar lachgas voor recreatief gebruik), handhaving (verminderen van het aanbod van lachgas voor recreatief gebruik) en het ondersteunen van gemeenten om (doelmatig) afvalbeheerbeleid vorm te geven4. In aanvulling op het nationale beleid zet de Europese Commissie in op een lachgasverbod voor recreatief gebruik vanaf Q1 2027. Nederland steunt een Europees verbod, voortbouwend op het landelijk verbod.
Onderkent u broei als zelfstandige, structurele oorzaak van brandgevaar bij afvalverwerkers? Welk beleid voert u om dit te voorkomen of vroegtijdig te detecteren?
Broei in afvalhopen kan een mogelijke oorzaak zijn van brandgevaar bij afvalverwerkers. Het is aan afvalverwerkende bedrijven zelf om de risico’s op broeibranden te mitigeren. Hier zal dus geen beleid op worden gevoerd vanuit het kabinet.
Bent u bereid met de Vereniging Afvalbedrijven, Brandweer Nederland en Stichting Open te komen tot een samenhangende aanpak van deze drie brandoorzaken en de Kamer hierover dit jaar te informeren?
Samenwerking is inderdaad belangrijk om dit vraagstuk aan te pakken. Daarom is er sinds 2018 een Taskforce Batterijbranden opgezet, gericht op het aanpakken van batterijbranden. Daarin trekken Stichting Open, de Vereniging Afvalbedrijven, de Koninklijke Vereniging voor Afval- en Reinigingsmanagement (NVRD), de branchevereniging voor bouw- en slooprecycling BRBS, branchevereniging Transport en Logistiek Nederland en het Nationaal Recycling Forum gezamenlijk op. Het ministerie en de Inspectie Leefomgeving en Transport sluiten waar nodig aan.
Kunt u bevestigen dat het tarief van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties oploopt tot 295 euro per ton CO2 in 2030 en de afvalstoffenbelasting stijgt van 39,71 euro per 1.000 kg in 2025 naar 90,21 euro in 2028? Klopt het dat deze kosten via gemeenten worden doorbelast aan huishoudens, ook aan huishoudens die al zorgvuldig scheiden?
De genoemde belastingtarieven zijn onderdeel van een technische invulling. Momenteel vindt er besluitvorming plaats over een alternatieve invulling hiervan. Afvalverwerkers zijn belastingplichtig voor de afvalstoffenbelasting en CO2-heffing industrie. De lasten van de CO2-heffing en afvalstoffenbelasting slaan in eerste instantie neer bij de afvalverbrandingsinstallaties (AVI), die deze (deels) zullen doorberekenen aan afvalontdoeners (bedrijven of gemeenten). De budgettaire opbrengst zal, indien AVI’s deze volledig doorberekenen in de poorttarieven, naar verwachting voor 40% door bedrijven betaald worden en voor circa 60% via afvalverwerkers terecht komen bij gemeenten. Gemeenten kunnen deze kostenpost via de afvalstoffenheffing (deels) doorberekenen aan hun inwoners of ervoor kiezen om dit (deels) via de algemene middelen te dekken. Afhankelijk van hoe deze lastenverzwaring lokaal wordt gedekt en in hoeverre in de betreffende gemeente gebruik wordt gemaakt van tariefdifferentiatie op restafvalaanbod om zorgvuldige scheiding te belonen, kan dit ertoe leiden dat ook huishoudens die zorgvuldig afval scheiden meer moeten betalen. Dit betreft lokale politieke keuzes.
Is onderzocht welk aandeel van het afval, gelet op praktische scheidingsbeperkingen (bijvoorbeeld in hoogbouw en bij openbare afvalbakken), op korte termijn daadwerkelijk aan verbranding kan worden onttrokken? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken voordat de heffing verder wordt aangescherpt?
Rijkswaterstaat voert een jaarlijks samenstellingsonderzoek uit van het huishoudelijke restafval. Uit dit onderzoek blijkt dat het huishoudelijk restafval nog voor minstens 80% uit recyclebaar materiaal bestaat. De taak om huishoudelijke afvalstoffen gescheiden in te zamelen ligt bij de gemeente. Zij hebben het meeste handelingsperspectief om de gescheiden inzameling van afvalstoffen op korte termijn te verbeteren. Via het Uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof- Huishoudelijk Afval (VANG-HHA) worden gemeenten ondersteund bij het maken van doelmatig afvalbeheerbeleid. Binnen het programma is ook aandacht voor afvalscheiding in de hoogbouw. In aanvulling op het uitvoeringsprogramma VANG-HHA onderzoekt het kabinet momenteel of de uitzonderingsgronden om als gemeente af te zien van de gescheiden inzameling van bioafval, welke vaak bij de hoogbouw wordt ingezet, kan worden geschrapt. Daarnaast onderzoekt het kabinet momenteel of afvalscheiding in Nederland kan worden gestandaardiseerd en wordt het instrument uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) doorontwikkeld. Al deze activiteiten kunnen eraan bijdragen dat minder recyclebaar materiaal verbrand wordt.
Is bij deze heffing meegewogen dat afvalverbrandingsinstallaties ook restwarmte leveren aan stadsverwarming, en dat een snelle afname van te verbranden afval tot een warmtetekort kan leiden zolang alternatieven daarvoor niet op schaal beschikbaar zijn?
Warmtelevering door AVI’s is ook in de impactanalyse van Trinomics onderzocht5. In 2018 leverden AVI’s 1,5% van de totale nationale warmtevraag. Bovendien leveren AVI’s 20% van de warmtevraag voor grote stadsverwarmingsnetwerken, dit is geconcentreerd in bepaalde regio’s die soms meer afhankelijk zijn van AVI-warmte dan deze 20%. Het onderzoek geeft aan dat het onduidelijk is in hoeverre een vermindering van verbranding door AVI’s ertoe zou leiden dat deze gebieden niet meer van voldoende warmte voorzien worden, of dat andere warmtebronnen de warmte van AVI’s zouden kunnen vervangen. Wel wordt door de onderzoekers aangegeven dat de efficiëntie van het gebruik van AVI-warmte zou kunnen worden verhoogd en dat er nog steeds capaciteit qua warmtelevering kan zijn als er minder afval wordt verbrand. Tot slot worden door de onderzoekers ook kansen benoemd voor innovatie en alternatieve oplossingen voor de warmtevoorziening indien er minder AVI-restwarmte zou zijn.
Bent u bereid de versnelde verhoging van de CO2-heffing op te schorten totdat voldoende schaalbare alternatieven, zowel recyclingcapaciteit als vervangende warmte- en energiebronnen, beschikbaar zijn?
De versnelde verhoging van de CO2-heffing is onderdeel van een technische invulling. Momenteel vindt de besluitvorming over een alternatieve invulling van deze technische invulling plaats, de resultaten hierover worden met Prinsjesdag bekendgemaakt. Het kabinet kan niet op deze besluitvorming vooruitlopen.
Bent u bereid te onderzoeken of vergunningverlening en handhaving voor afvalverwerking en recycling, nu grotendeels belegd bij gemeenten, beter op provinciaal niveau kan worden georganiseerd om ongelijke behandeling tussen gemeenten te verminderen?
Voor grote afvalverwerkers geldt op dit moment al dat zij onder het bevoegd gezag van gedeputeerde staten vallen. De omgevingsdiensten voeren vergunningverlenings-, handhavings- en toezichtstaken uit voor gemeenten en provincies. In het Circulair Materialenplan (CMP) geeft het Rijk toetsingskaders mee waar het bevoegd gezag rekening mee moet houden bij het nemen van besluiten (zoals vergunningen) voor afvalverwerking, het houden van toezicht en de handhaving. Deze toetsingskaders dragen bij aan een gelijk speelveld in Nederland.
Klopt het dat verbranding van geverfd/geïmpregneerd hout (C-hout) in Nederlandse bioenergiecentrales niet is toegestaan, terwijl dit hout wordt geëxporteerd naar Duitsland waar dit wel mag? Bent u bereid te bezien of dit onder de juiste emissie-eisen ook in Nederland mogelijk kan worden gemaakt?
C-hout is gevaarlijk afval omdat het schadelijke stoffen bevat, bijvoorbeeld omdat het is geverfd of geïmpregneerd. Ter bescherming van het milieu is de verwerking van C-hout onderhevig aan regels. Zo moeten bio-energiecentrales waarin C-hout wordt verbrand, om de benodigde vergunning te verkrijgen, voldoen aan eisen om te voorkomen dat de schadelijke stoffen in het milieu terechtkomen. Zodra aan alle (vergunnings)eisen wordt voldaan, is het ook in Nederland toegestaan om C-hout te verwerken in een bio-energiecentrale. Het is uiteindelijk aan bio-energiecentrales zelf om ervoor te kiezen om de noodzakelijke investeringen te maken om aan de eisen te voldoen en de noodzakelijke vergunningen te verkrijgen.
Herkent u het signaal dat recyclingbedrijven door opeenstapeling van regelgeving worden geconfronteerd met beperkingen op inname of verwerking, terwijl die inname wettelijk of maatschappelijk noodzakelijk blijft en verwerking duur of onmogelijk wordt? Deelt u de opvatting dat dit voor deze bedrijven op termijn economisch niet houdbaar is?
Uit de vraag is niet duidelijk op welke regelgeving wordt gedoeld. Het signaal wordt in die zin niet herkend. Wel is het kabinet in bredere zin bekend met de kansen en uitdagingen van de afvalverwerkende sector, zoals recyclers. Het kabinet staat hierover in goed contact met de afvalsector, bijvoorbeeld via de verschillende ketentafels. Het Nederlandse circulaire economiebeleid is er onder andere op gericht om de recycling van afvalstoffen te bevorderen. Daarbij hoort ook het wegnemen van onnodige regeldruk. Ook Europees, waar veel afvalstoffenwetgeving wordt vormgegeven, pleit Nederland op harmonisatie van regelgeving en waar mogelijk het verminderen van regeldruk6.
Bent u bereid te onderzoeken hoe primaire grondstoffen fiscaal zwaarder belast kunnen worden en gebruik van secundaire grondstoffen kan worden gestimuleerd, om het speelveld tussen primaire leveranciers en recyclingbedrijven gelijker te maken?
Fiscale maatregelen kunnen een belangrijke rol spelen in het aanjagen van de circulaire economie en het aanpakken van knelpunten. De tot nu toe uitgevoerde onderzoeken en verkenningen laten echter zien dat maatregelen aan het begin van de keten, zoals het belasten van primair grondstofgebruik, beter in Europees verband kunnen worden genomen. Een voorbeeld van een effectieve fiscale prikkel is de combinatie van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) en het carbon border adjustment mechanism (CBAM). Daar zet Nederland dan ook op in. Het kabinet blijft tegelijkertijd ook verkennen wat er daarnaast nationaal kan en is hier ook bereid een aanvullend onderzoek naar te laten doen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat Circulaire economie?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Kamer u heeft verzocht om, waar spanningen zijn tussen de intensieve geitenhouderij, volksgezondheid en de bouw van betaalbare woningen, prioriteit te geven aan woningbouw én volksgezondheid boven de intensieve geitenhouderij?1
Ja.
Klopt het dat, zoals u in de Kamerbrief aangeeft, het maatregelenpakket met een landelijke afstandsnorm meer ontwikkelruimte biedt aan de intensieve geitenhouderij dan de huidige situatie met provinciale moratoria? Zo ja, waarom en hoeveel groei van de geitenhouderij verwacht u?2
Een afstandsnorm is een meer gerichte maatregel dan een moratorium. Een afstandsnorm grijpt in waar het risico is, maar laat ruimte voor ontwikkeling in andere gebieden. Dat betekent dat er in gebieden waar het kan, meer ontwikkelruimte komt in vergelijking met de huidige situatie met moratoria. In gebieden dichtbij woonkernen wordt de ontwikkelruimte voor de geitenhouderij juist beperkt, ook in provincies waar nu geen moratorium geldt.
In de economische impactanalyse die als bijlage bij de Kamerbrief op 10 juli jl. is verstuurd3, is benadrukt dat de effecten voor de gehele geitensector zijn weergegeven, maar dat de impact voor individuele geitenbedrijven sterk verschilt afhankelijk van of zij onder de afstandsnorm vallen. In de impactanalyse is onder meer de verwachte groei van de sector gemodelleerd, op basis van historische gegevens. De onderzoekers gaan er daarbij van uit dat er pas vanaf 2035 ontwikkelruimte komt gezien de huidige beperkingen rondom vergunningverlening die volgen uit het stikstofbeleid. De onderzoekers komen uit op een groei (in absolute aantallen) van 3,3 bedrijven per jaar in heel Nederland en een gemiddelde groei van 51 geiten per bedrijf per jaar. Dit is een grofmazige berekening, gestoeld op diverse ruwe aannames ten behoeve van de snelheid van de analyse.
Kunt u bevestigen dat door het gezondheidsgevaar van geitenhouderijen de afstandsnorm ertoe leidt dat de geplande bouw van ruim 1.600 woningen niet door kan gaan en dat deze locaties naar verwachting ook op langere termijn ongeschikt zullen blijven voor de bouw van woningen, scholen, kinderdagverblijven en andere gevoelige functies?
Uit de ruimtelijke impactanalyse4 is gebleken dat naar schatting in totaal 1.527 woningen gepland zijn binnen de afstandsnorm van 500 meter. Het gaat hierbij naar schatting om 409 woningen met een harde planstatus en 1.118 woningen met een zachte planstatus. Voor woningen met een harde planstatus geldt dat zij niet geraakt worden door de afstandsnorm, omdat hun status onherroepelijk is. Voor de naar schatting 1.118 woningen met een zachte planstatus geldt dat moet worden onderzocht of het mogelijk is dat deze plannen met aanpassingen wel doorgang kunnen vinden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de lokale partijen die betrokken zijn bij deze plannen, zoals de gemeente, corporaties en marktpartijen. Daarbij kunnen partijen gebruik maken van maatregelen die zijn en worden genomen om de woningbouw te versnellen. Zo kan de lokale of regionale versnellingstafel worden benut om tot oplossingen te komen. Er kan daarom op dit moment niet met zekerheid worden gesteld hoeveel woningen definitief niet gebouwd kunnen worden. Of de locaties voor langere termijn ongeschikt zullen blijven, is de vraag. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken.
Kunt u aangeven hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen doordat geitenhouderijen een gevaar vormen voor de volksgezondheid en daarom de afstandsnorm moet worden ingevoerd?
We kunnen niet met zekerheid zeggen hoeveel hectare grond in totaal ongeschikt wordt voor het bouwen van woningen, omdat binnen de afstandsnorm ook veel terreinen liggen die omwille van andere redenen niet beschikbaar zijn voor woningbouw. Het kabinet heeft hier geen nader onderzoek naar laten doen en beschikt daarom niet over die precieze gegevens.
Zoals het kabinet heeft aangegeven is het uitgangspunt dat uiteindelijk, door het inzetten op geborgde emissiereductie door maatregelen op bedrijfsniveau, de risico’s voor de volksgezondheid in de toekomst zoveel mogelijk worden geminimaliseerd. De afstandsnorm kan dan worden beëindigd. Grond wordt dus niet voorgoed ongeschikt voor woningbouw.
Gelet op het voorgaande, deelt u de conclusie dat in dit maatregelenpakket niet de woningbouw prioriteit heeft gekregen, maar het in stand houden van de intensieve geitenhouderij? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt maatregelen om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken. Het beschermen van de volksgezondheid staat in de aanpak dus voorop. Waar er spanningen zijn tussen verschillende belangen heeft het kabinet, conform de wens van de Kamer, de volksgezondheid en woningbouw boven de intensieve geitenhouderij geprioriteerd. Op basis van een integrale afweging, waarbij veel belang is gehecht aan het effect op woningbouwplannen, en waarbij goed gekeken is naar het specifieke gezondheidsrisico op verschillende afstanden, heeft het kabinet gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter. Daarbij heeft het kabinet ook bepaald dat, hoewel op basis van de beschikbare informatie geen kwantitatieve relatie is vast te stellen tussen het aantal geiten en de emissie van het totaal aan bacteriën, endotoxinen en fijnstof, uitbreiding van geitenhouderijen binnen deze afstandsnorm uit voorzorg ook niet wordt toegestaan, in ieder geval zolang er geen effectieve maatregelen zijn die de emissies uit de stallen kunnen reduceren. Op deze manier wil het kabinet het invoeren van emissiebeperkende maatregelen ten behoeve van de gezondheid van omwonenden stimuleren.
Daarnaast gaat het kabinet aan de slag om voor prioritaire locaties te kijken wat er mogelijk is om de gezondheidsrisico’s terug te dringen. Welke maatregelen daarvoor mogelijk zijn, wordt in kaart gebracht; ook hierbij wil het kabinet volksgezondheid en woningbouw prioriteit geven indien zich spanningen voordoen waarbij dergelijke prioriteiten gesteld moeten en kunnen worden. Ook de inzet op emissiereductie door bedrijfsmaatregelen, het derde spoor van de kabinetsaanpak, is essentieel met name voor de volksgezondheid: dit spoor is erop gericht om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen (en indien mogelijk ook de afstandsnorm te kunnen beëindigen waardoor de mogelijkheden voor woningbouw niet meer belemmerd worden).
Het kabinet acht het niet mogelijk om te meten in hoeverre het ene belang ten opzichte van het andere belang profiteert.
Kunt u uitleggen hoe u met de nieuwe plannen de wens van de Kamer precies respecteert, en dus hoe precies de gezondheid van mensen en woningbouw meetbaar profiteert boven de geitenhouderij?3
Zie antwoord vraag 5.
Erkent u dat er beleidsopties waren om maatregelen te nemen die beter zouden uitpakken voor zowel gezondheid als woningbouw, maar niet zo goed voor de geitenhouderij? Zo ja, waarom heeft u niet voor die opties gekozen, gezien de eerdergenoemde aangenomen motie? Zo nee, op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Het kabinet heeft een integrale afweging gemaakt aan de hand van het Gezondheidsraadadvies, aanvullende informatie van de VGO-onderzoekers en de uitgevoerde impactanalyse. De impactanalyse laat zien dat een afstandsnorm van 500 meter impact heeft op de woningbouw en geitenhouderijen. Een afstandsnorm van 1.000 meter zou een nog veel grotere impact hebben, óók op woningbouw, waardoor veel gebieden ruimtelijk op slot worden gezet. Gegeven het feit dat het gezondheidsrisico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is, acht het kabinet dat niet proportioneel.
Aangevuld met de prioritaire maatwerkaanpak en de inzet op emissiereducerende maatregelen om op termijn het gezondheidsprobleem daadwerkelijk op te kunnen lossen, acht het kabinet dit een evenwichtig pakket, waarvoor geen duidelijk alternatief beschikbaar is dat beter zou uitpakken voor gezondheid en woningbouw en ook proportioneel en maatschappelijk haalbaar is.
Heeft u gezien dat de Kamer van mening is dat het niet uit te leggen is dat mensen in Nederland langer moeten wachten op een huis door de productie van geitenvlees, -melk en -kaas voor voornamelijk het buitenland (Kamerstuk 29 683, nr. 320)?
Vindt u dit wel uit te leggen?
Waarom kiest het kabinet er dan toch voor om de woningbouw in te perken in plaats van de intensieve geitenhouderij in te krimpen?
Bent u van mening dat, met het invoeren van een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, risico's voor de volksgezondheid volledig worden weggenomen of tot een minimum worden beperkt? Zo ja, op welke wetenschappelijke informatie baseert u dat?
Nee, het invoeren van een afstandsnorm voorkomt alleen dat gezondheidsrisico’s toenemen door nieuwvestiging van geitenhouderijen in de directe omgeving van woonkernen en gevoelige bestemmingen, of vice versa. Het kabinet wil zich ook inzetten om het risico voor omwonenden in bestaande situaties te verminderen. Enerzijds zetten we in op mogelijke emissiereductie door technische maatregelen op bedrijfsniveau. Hiervoor is eerst meer kennis en onderzoek nodig. Anderzijds zetten we in op een maatwerkaanpak in prioritaire situaties, waar de risicogroep het grootst of de kwetsbaarheid van de omwonenden het hoogst is. Zoals aangegeven,8 wordt nog gewerkt aan de uitwerking daarvan.
Kunt u uiteenzetten op basis van welke gezondheidskundige overwegingen het kabinet heeft gekozen voor een afstandsnorm van 500 meter rondom geitenhouderijen, terwijl volgens de Gezondheidsraad de kans op longontsteking nog steeds gemiddeld negentien procent hoger ligt binnen een afstand van 1.000 meter ten opzichte van daarbuiten?
Het geschatte risico op longontsteking is het sterkst verhoogd op 0–500 meter van een geitenhouderij. Het risico is binnen die afstand 73% hoger (3,2% kans op longontsteking per jaar i.p.v. 1,9%). Het geschatte risico binnen de volledige straal van 1.000 meter is, volgens het VGO-III-onderzoek, weliswaar 19% verhoogd, maar uit de antwoorden van de VGO-onderzoekers op aanvullende vragen9 blijkt dat het risico tussen 500 en 1.000 meter op basis van de meta-analyse niet statistisch significant verhoogd is. Het verhoogde risico binnen 0–1.000 meter is dus vooral te wijten aan het relatief sterke effect op korte woonafstand, binnen de straal van 500 meter.
Heeft het kabinet voorafgaand aan het vaststellen van het maatregelenpakket overleg gevoerd met de Gezondheidsraad over de keuze voor een afstandsnorm van 500 meter? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dat alsnog te doen voor het eerstvolgende debat over zoönosen en dierziekten?
Adviseert de Gezondheidsraad op dit moment een afstandsnorm van 500 meter, of houdt de Gezondheidsraad vast aan het advies om uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
Heeft de Gezondheidsraad naar aanleiding van de nadere VGO-analyses zijn eerdere oordeel gewijzigd? Zo nee, waarom wijkt u af van de het advies van deze belangrijke onafhankelijke adviesraad?
Welke gezondheidsrisico’s voor omwonenden blijven volgens het kabinet bestaan in de zone tussen 500 meter en 1.000 meter van een geitenhouderij?
Zie het antwoord op vraag 12.
Hoe verhoudt de keuze voor 500 meter zich tot het voorzorgsbeginsel, in het licht van het advies van de Gezondheidsraad dat adviseert uit voorzorg een afstandsnorm van 1.000 meter aan te houden?
De Gezondheidsraad kijkt voor zijn adviezen primair naar het belang voor de volksgezondheid. Het kabinet stelt de volksgezondheid voorop, en weegt ook andere belangen mee, zoals impact op de woningbouwopgave. Het advies van de Gezondheidsraad in acht genomen hebbend, en het aanvullende gegeven dat het risico tussen 500–1.000 meter niet statistisch significant verhoogd is (zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 12), is het uiteindelijk aan het kabinet om te komen tot een zorgvuldig afgewogen maatregelenpakket dat in verhouding staat tot de verschillende belangen die meespelen. Dat sluit ook aan bij het advies van de Gezondheidsraad zelf: de raad benadrukt dat de vraag welke invulling van het voorzorgsbeginsel proportioneel is, welk gezondheidsrisico daarbij als acceptabel wordt beschouwd en hoe belangen van betrokkenen worden gewogen een politiek-bestuurlijke afweging is.
Kunt u aangeven waarom u een afstandsnorm van 1.000 meter «niet proportioneel» acht, in relatie tot de aangenomen motie-Kostić (Kamerstuk 29 683, nr. 320) die verzoekt om woningbouw én volksgezondheid te prioriteren boven de belangen van de intensieve geitenhouderij, gezien de motie nadrukkelijk de voorkeur gaf aan kiezen voor de beste keuze voor gezondheid én woningbouw en niet voor geitenhouderijen?
Zie de antwoorden op vragen 5, 6 en 7.
Kunt u bevestigen dat geitenhouders niet alleen maatregelen zullen moeten treffen om volksgezondheidsrisico's te verminderen, maar dat er ook andere opgaven voor deze sector zijn, zoals stikstof, mest, natuur, klimaat en dierenwelzijn?
Deelt u de mening dat ook in dit geval voorkomen moet worden dat wordt gestuurd op één deelprobleem, en dat in plaats daarvan de opgaven integraal moeten worden aangepakt?
Kunt u aangeven waarom het kabinet kiest voor een maatregel die één deelprobleem adresseert, terwijl de intensieve geitenhouderij tegelijkertijd voor bredere maatschappelijke opgaven staat?
Deelt u de mening dat het onwenselijk en oneerlijk is als geitenhouders de komende jaren fors moeten investeren in bepaalde emissiereducerende maatregelen in hun stal, terwijl dergelijke maatregelen mogelijk niet passen binnen een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Het is van meerwaarde om bij te nemen bedrijfsmaatregelen rekening te houden met de doelstelling voor een dierwaardige veehouderij. Het onderzoek van WUR naar emissiebeperkende maatregelen in de geitenhouderij richt zich op het zoeken naar effectieve maatregelen om de emissies van bacteriën, endotoxinen en fijnstof te verlagen. Het uitgangspunt, op basis van het Gezondheidsraadadvies, is dat door het verlagen van deze emissies het risico op longontsteking bij omwonenden wordt verminderd. In de opdracht aan WUR is opgenomen dat voor de te onderzoeken maatregelen óók indicaties van mogelijke effecten op andere opgaven, waaronder de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij, in kaart zullen worden gebracht. Mochten er maatregelen uit het WUR-onderzoek komen die bewezen effectief zijn, dan kan dan ook het effect op dierwaardigheid (en de andere opgaven) worden meegewogen zodat een integrale afweging kan worden gemaakt.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat geitenhouders investeren in technische maatregelen die onverenigbaar zijn met een toekomstbestendige en dierwaardige geitenhouderij?
Zie antwoord vraag 22.
Waarom kiest het kabinet ervoor om nu al voor te sorteren op het in de toekomst schrappen van de afstandsnorm, zonder dat is vastgesteld dat emissiebeperkende maatregelen effectief zijn? Hoe groot schat u de kans in dat dit werkelijkheid wordt en op welke wetenschappelijke bronnen baseert u zich dan?
Zoals bij elke regelgeving zijn wijzigingen niet permanent. In de toekomst zou de afstandsnorm kunnen worden afgeschaald als er meer gerichte maatregelen gevonden worden die emissies vanuit de geitenhouderijen effectief beperken. De inzet van het kabinet is om te komen tot zulke emissiereducerende bedrijfsmaatregelen, en daartoe wordt door Wageningen University & Research (WUR) meerjarig wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd. Het is op voorhand niet te zeggen of er daadwerkelijk effectieve emissiereducerende maatregelen uit dit onderzoek voort zullen komen.
Bent u bereid om «bij de verdere uitwerking» niet alleen gemeenten en provincies te betrekken, maar ook gezondheidsexperts van de Gezondheidsraad en GGD’en? Hoe gaat u dat doen?
Het past niet bij de rol van de Gezondheidsraad als onafhankelijke, wetenschappelijke adviesraad om betrokken te zijn bij de verdere uitwerking van het beleid. GGD’en zijn op verschillende momenten in het proces reeds meegenomen. Het kabinet is voornemens om hen bij de verdere uitwerking van, onder andere, de prioritaire maatwerkaanpak te betrekken.
Kunt u een tijdspad geven van de wettelijke procedures (zoals een plan-milieueffectrapportage) die doorlopen worden voor invoering van de maatregel?
De invoering van de maatregel vergt een aanpassing van het Besluit activiteiten leefomgeving en/of het Besluit kwaliteit leefomgeving. Gemiddeld duurt het traject inclusief plan-milieueffectrapportage 2,5 tot 3 jaar. In de stand van zakenbrief van het kabinet eind dit jaar kan een meer specifieke planning voor de procedure worden opgenomen.
Het kabinet vraagt gemeenten in de Kamerbrief om «de laatste inzichten mee te nemen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen vooruitlopend op deze regelgeving», maar wat betekent dit concreet? Wordt daarin meegegeven dat de Kamer het belangrijk vindt dat de belangen van gezondheid en wonen samen boven de belangen van geitenhouderijen worden gesteld?
Het kabinet verzoekt gemeenten om bij nieuwe plannen rekening te houden met de voorgenomen afstandsnorm. Dat houdt in dat gemeenten in overweging nemen dat er bij nieuw te realiseren woningen of andere gevoelige bestemmingen voldoende afstand is tot bestaande geitenhouderijen. Daarnaast vragen we provincies en gemeenten ook om rekening te houden met de afstandsnorm bij vergunningverlening voor nieuwvestiging of uitbreiding van geitenhouderijen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het commissiedebat «Zoönosen en dierziekten» van 9 september 2026?
De vragen worden voor het commissiedebat Zoönosen en dierziekten van 9 september beantwoord. In de beantwoording is een aantal vragen gebundeld, gezien de overlap en samenhang in de antwoorden.
Het bericht van een man met 7 oktober shirt in de Albert Heijn in Amsterdam |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht en de foto gepubliceerd op 9 augustus 2026 door onder andere het Centrum Informatie- en Documentatie Israel (CIDI),waaruit blijkt dat een man in een rood shirt, met daarop aan de achterzijde duidelijk bedrukt «October 7», ongemoeid door de Albert Heijn aan de Jan Evertsenstraat in Amsterdam-West kon wandelen en winkelen en zo openlijk steun kon betuigen aan de Hamas-terreuraanslag van 7 oktober 2023, waarbij 1.200 onschuldige Israëlische burgers werden gemarteld, verkracht en vermoord?1
Bent u het ermee eens dat deze openlijke steun voor de grootste moord op Joden sinds de Holocaust, dan wel verheerlijking van de betrokken islamitische terreurgroepen walgelijk, schandalig en volstrekt ontoelaatbaar is en dat dergelijk virulent islamitisch antisemitisme niet thuishoort in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitleggen hoe het kan dat de dader zich blijkbaar onaantastbaar waant en denkt deze daad straffeloos te kunnen plegen? Waarom heeft Albert Heijn niet ingegrepen? Wat zegt dit over Albert Heijn in het algemeen en het betreffende Amsterdamse filiaal in het bijzonder? Waarom hebben de autoriteiten niet onmiddellijk tegen deze islamitische provocatie opgetreden? Zijn ze bereid dat alsnog binnen 24 uur te doen nu?
Bent u bereid om alle middelen die de Nederlandse staat tot zijn beschikking heeft tegen de dader aan te wenden en om, als dat nog niet is gebeurd, alles op alles te zetten om de dader onmiddellijk te identificeren, op te sporen, te arresteren en te vervolgen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat er voor de dader, die op zo’n schaamteloze wijze de Nederlandse waarden vertrapt, islamitische terreur viert en zich daarmee onmiskenbaar tegen de Nederlandse samenleving keert, geen plek in Nederland is én dat hij na veroordeling onmiddellijk dient te worden gedenaturaliseerd en het land uit moet worden gezet? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de integratie en de opvoeding van dit sujet evident hopeloos is mislukt en dat dit ook onvermijdelijk consequenties moet hebben voor het gezin en familie waar deze dader uit afkomstig is, bestaande uit het deporteren van zijn familie? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om bij naturalisatie en/of verblijfsrecht steun aan terrorisme of verheerlijking van 7 oktober als absolute uitsluitingsgrond te hanteren en bestaande verblijfsvergunningen op grond daarvan in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid met Albert Heijn in gesprek te gaan en dit bedrijf mede te delen dat er in Nederland geen plaats is voor bedrijven die niet optreden tegen dit soort walgelijke vormen van terreurverheerlijking
Welke maatregelen neemt u verder om te voorkomen dat dergelijke openlijke steunbetuigingen aan Hamas en haar terreur in Nederlandse openbare ruimten zich blijven voordoen? Bent u bereid om gerichte instructies te geven aan politie, Openbaar Ministerie (OM), gemeenten en andere autoriteiten om hierop onmiddellijk en hard op te treden, inclusief arrestatie, denaturalisatie en deportatie van dader én gezin? Zo nee, waarom niet?
Bent u ook Minister-President van de joodse Nederlanders? Zo ja, kunt u, mede gelet op het gestelde in de vragen 3 en 4 en het urgente karakter hiervan, deze vragen als Minister-President binnen 48 uur beantwoorden?
Bent u bekend met het artikel «Russia-linked accounts spread far-right narrative online during Ceuta migration crisis, analysis finds»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat dergelijke desinformatiecampagnes rondom migratie in Europa steeds sneller en gecoördineerder verlopen (in zeven talen, honderdduizenden views in enkele uren), zoals ook onderzoekers van Alliance4Europe en 411 stellen? Herkent u dat dit specifiek is te herleiden tot aan Rusland gelieerde netwerken, waaronder het Telegram-kanaal Rybar en het daaraan gekoppelde Pravda-netwerk?
Het kabinet is bekend met de algemene trend dat FIMI-campagnes in toenemende mate worden ingezet door (statelijke) actoren om strategische doelstellingen te bevorderen. FIMI staat voor Foreign Information Manipulation and Interference, buitenlandse informatiemanipulatie en inmenging. De opkomst van artificiële intelligentie (AI) geeft deze actoren meer geavanceerde mogelijkheden om dergelijke acties te ondernemen. Grootschalige incidenten bij buurlanden en bondgenoten onderstrepen dat deze dreiging reëel is.
In algemene zin geldt dat Rusland al jaren een veelheid aan hybride activiteiten inzet, waaronder FIMI campagnes.
Erkent u dat de initiële reacties uit de lidstaten – waaronder Nederland – juist bijdragen aan de Europese verdeeldheid die het Kremlin beoogt te creëren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, erkent u dat het kabinet daarmee onbedoeld heeft bijgedragen aan het Kremlin-narratief? Welke lessen trekt u daaruit voor toekomstige crisiscommunicatie?»
Nee, de gebeurtenissen in Ceuta waren zeer zorgelijk, uitzonderlijk en ongekend. De grootschalige irreguliere grensovergang van duizenden mensen naar Ceuta is een schending van de territoriale integriteit van Spanje en daarmee van de Europese Unie. Het snelle optreden van Spanje in samenwerking met Marokko, en de plaatsgevonden EU coördinatie in de Integrated Political Crisis Respone (IPCR) en de extra informele JBZ-raad waren noodzakelijk. Nederland heeft in de brief op 1 augustus jl. aan de Europese Commissie, het Iers Voorzitterschap van de Europese Raad en de Voorzitter van de Europese Raad gezamenlijk met 21 lidstaten hier toe opgeroepen. In lijn met de oproep in de brief heeft Spanje de grenzen versterkt en de op grote schaal terugkeer bewerkstelligd, en vond er een extra JBZ-Raad plaats.
Deelt u de mening dat social mediabedrijven een rol hebben om dit soort desinformatie-netwerken te identificeren en hun schadelijke desinformatie te mitigeren voordat zij bij een volgend incident weer worden ingezet? Ziet u, gelet op de constatering van 411, dat «That machinery» bij het volgende grensincident aan de Middellandse Zee opnieuw klaarstaat, aanleiding om hier proactief op te anticiperen in plaats van achteraf te reageren? Zo ja, hoe pakt u dit op en met welke mate van spoed?
Het kabinet acht het belangrijk dat sociale mediaplatformen hun verantwoordelijkheid nemen en maatregelen treffen tegen illegale content, niet-authentiek gedrag en FIMI. Onder de Digitaledienstenverordening (DSA) moeten zeer grote onlineplatforms, waaronder Facebook, Instagram, X en TikTok, en zeer grote onlinezoekmachines, waaronder Google, systeemrisico’s identificeren, analyseren en beoordelen. Zij zijn verplicht om tenminste jaarlijks een risicobeoordeling uit te voeren en, waar nodig, maatregelen te nemen om de geïdentificeerde systeemrisico’s te beperken. Factoren zoals opzettelijke manipulatie kunnen deze systeemrisico’s vergroten. Wanneer dat het geval is zijn de bedrijven verplicht maatregelen te nemen om dit tegen te gaan.
Het Kabinet maakt zich al langer zorgen over buitenlandse actoren die, bijvoorbeeld via FIMI-campagnes, proberen onze samenleving en democratie te ondermijnen. Daarom is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in nauwe samenwerking met JenV, BZ en Defensie, bezig met het opzetten van een organisatie die FIMI structureel kan detecteren. In december 2026 zal de Minister van Binnenlandse Zaken de Kamer verder informeren over de stand van zaken van deze organisatie.
Bent u bekend met de signalen die op sociale media circuleren dat op 15 augustus 2026 weer mogelijk een grensoversteek zal plaatsvinden? Zo ja, hoe zet u zich in voor een gezamenlijke solidaire Europese aanpak?
Ja. Zoals inmiddels bekend is een nieuwe grootschalige poging tot grensoversteken uitgebleven. In de Kamerbrief van 3 augustus jl. (nr. 32317–1020) is uiteengezet hoe het kabinet invulling wil geven aan een Europese aanpak in reactie op gebeurtenissen als deze.
Deelt u de zorg dat, na de minstens 72 doden bij de vorige oversteek, mensen opnieuw het risico lopen te worden ingezet als instrument in een desinformatiecampagne? Welke stappen onderneemt het kabinet, al dan niet in EU-verband richting Marokko, om te voorkomen dat kwetsbare mensen zo worden gebruikt?
Het kabinet betreurt het verlies van deze mensenlevens. Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten tegen irreguliere migratie en daarmee gepaard gaande levensbedreigende routes, middels een sterk Europees asiel en migratie systeem en samenwerkingsverbanden met derde landen zoals Marokko. Met de inzet tegen irreguliere migratie beoogt het kabinet ook de mogelijkheid tot instrumentalisatie van kwetsbare migranten als ook mensensmokkel tegen te gaan. Van belang is hierbij de volledige implementatie van de Schengengrenscode. Bovendien vormt het beschermen van kwetsbare migranten een belangrijk onderdeel van de intensieve samenwerking met derde landen zoals Marokko, zowel in bilateraal als in Europees verband. Hiertoe hebben ook de 22 lidstaten opgeroepen in de brief van 1 augustus jl. Verder steunt Nederland de aanpak van de Europese Commissie om FIMI tegen te gaan.
Kunt u bovenstaande antwoorden één voor één voor 15 augustus 2026 beantwoorden?
De beantwoording is u zo snel mogelijk toegekomen.
De IPC-analyse van de voedingssituatie in de Gazastrook |
|
Mona Keijzer , Gidi Markuszower (PVV) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met deze IPC-analyse van de acute ondervoedingssituatie in de Gazastrook?1 2
Kunt u bevestigen dat volgens deze analyse alle door de IPC geanalyseerde gouvernementen in de Gazastrook voor de periode van 16 april tot en met 30 juni 2026 zijn geclassificeerd op IPC AMN Fase 1 (Acceptabel) en voor de projectieperiode van 1 juli tot en met 31 december 2026 op IPC AMN Fase 2 (Alert), waarbij Rafah wegens onvoldoende gegevens niet is geanalyseerd? Zo nee, waarom niet en welke classificatie hanteert u dan?
Kunt u bevestigen dat de IPC in deze analyse vaststelt dat sinds het staakt-het-vuren van oktober 2025 grootschalige hulpverlening heeft geleid tot verbeteringen in de voedselzekerheid en voedingsomstandigheden in de Gazastrook, en dat de voedingssituatie sinds begin 2026 aanzienlijk is verbeterd, terwijl de behoeften volgens de IPC hoog blijven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat u in de beantwoording van de Kamervragen van 24 september 2025, in antwoord op vraag 20, heeft gesteld dat er sprake was van een hongercrisis in de Gazastrook «vanwege de maandenlange blokkade van humanitaire hulp door Israël» en dat dit «een gevolg van menselijk handelen» was? Kunt u tevens bevestigen dat u in antwoord op vraag 11 heeft gesteld: «De hongercrisis in de Gazastrook is het gevolg van menselijk handelen. Israël heeft hierin een belangrijke verantwoordelijkheid.»? Handhaaft het kabinet deze kwalificaties en de daaraan ten grondslag liggende beoordeling in het licht van de sindsdien gewijzigde omstandigheden en de meest recente IPC-analyses? Zo ja, op welke actuele feiten en bronnen baseert het kabinet deze beoordeling? Zo nee, bent u bereid de eerdere beoordeling expliciet richting de Kamer te actualiseren?3
Kunt u aangeven welke bronnen het kabinet tot dusver heeft gehanteerd voor zijn kwalificaties van de voedselzekerheids- en ondervoedingssituatie in de Gazastrook en in hoeverre het zijn beoordeling bijstelt naar aanleiding van de meest recente IPC-analyses? Bent u tevens bereid deze analyses, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen acute ondervoeding (AMN) en acute voedselonzekerheid (AFI), actief onder de aandacht te brengen bij EU-partners en de Europese Commissie? Zo nee, waarom niet?
Nieuwe VN-/UNICEF-cijfers over de voedingssituatie in Gaza |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de vragen van mevrouw Keijzer en de heer Markuszower d.d. 7 augustus 2026 over de recente IPC-/UNICEF-analyse over acute ondervoeding in Gaza, waarin wordt geconcludeerd dat de gemeten acute ondervoeding onder kinderen jonger dan vijf jaar aanzienlijk lager ligt dan eerdere prognoses en dat de onderzochte gebieden zijn ingedeeld in de laagste categorie van acute ondervoeding?1 2
Op welke rapportages, datasets en analyses heeft het uw ministerie zich sinds oktober 2023 gebaseerd bij de beoordeling voor de verlening van humanitaire hulp in Gaza?
Kan per belangrijke beleidsbeslissing of aanvullende humanitaire bijdrage ten aanzien van Gaza worden aangegeven welke informatiebronnen daarbij zijn gebruikt, welke indicatoren daarbij doorslaggevend waren en of deze informatie betrekking had op gemeten gegevens of prognoses?
Heeft de recente IPC-/UNICEF-analyse aanleiding gegeven om de Nederlandse humanitaire inzet te herzien? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bevestigen dat in meerdere van u afkomstige Kamerbrieven het woord «hongersnood», «femine» of soortgelijke termen zijn gebruikt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid deze uitspraken naar aanleiding van de recente IPC-/UNICEF-analyse te rectificeren? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de vele beelden die al langere tijd via sociale media circuleren waarop voedselmarkten, winkels, restaurants en andere voedselvoorzieningen in Gaza zichtbaar zijn en waarop een aanzienlijke beschikbaarheid van voedsel wordt getoond?3 4
Bent u van mening dat deze beelden het beeld tegenspreken dat er sprake zou zijn geweest van een algemene voedselcrisis of grootschalige voedseltekorten in Gaza? Zo nee, waarom niet en hoe beoordeelt u deze beelden in het licht deze aannames?
Hoeveel aanwijzingen zijn er volgens u nog nodig voordat Nederland erkent dat een deel van de humanitaire hulp niet of nauwelijks bij de burgerbevolking terechtkomt, maar in handen valt van Hamas, zoals niet alleen blijkt uit videobeelden5 6 7, maar ook uit verklaringen van de VN8 9 dat Hamas humanitaire hulpgoederen heeft gestolen? En hoe beoordeelt u deze situatie in het licht van de nieuwe VN-/Unicef-cijfers over de voedingssituatie?
Bent u van mening dat, gelet op de financiële druk waaronder veel Nederlandse huishoudens momenteel staan en het feit dat veel Nederlanders hun dagelijkse boodschappen nu al niet meer kunnen betalen, direct met iedere vorm van ontwikkelingshulp gestopt moet worden te beginnen bij humanitaire hulp aan Gaza dat aantoonbaar bij terroristen terecht komt? Zo nee, waarom niet?
Mogelijk gevaarlijke squishies voor kinderen |
|
Tamara ten Hove (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
van Essen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Populaire squishy ontploft in gezicht jong kind, product blijft te koop in Nederlandse winkels», waarin wordt gemeld dat een 8-jarige jongen tweedegraads brandwonden heeft opgelopen en een huidtransplantatie moet ondergaan nadat een Cool Mix Supergel tijdens het spelen openbarstte?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat speelgoed dat expliciet wordt verkocht voor kinderen vanaf drie jaar mogelijk ernstige brandwonden kan veroorzaken en stoffen kan bevatten die bij blootstelling gezondheidsrisico’s voor kinderen opleveren?
Speelgoed dient te voldoen aan de gestelde veiligheidseisen conform de Europese Speelgoedrichtlijn en veilig te zijn bij redelijkerwijs te verwachten gebruik.
Is de NVWA bekend met het specifieke incident met de Cool Mix Supergel in Frankrijk en wordt dit product meegenomen in het reeds lopende onderzoek naar squishies? Zo nee, bent u bereid dit met spoed alsnog te laten onderzoeken?
Ja, de NVWA is bekend met het specifieke incident. Dit product was niet meegenomen in het huidige onderzoek, waarin via random selectie 30 Squishy toys zijn bemonsterd. De NVWA zal nu alsnog dit product meenemen in het onderzoek naar vluchtige organische stoffen.
De NVWA waarschuwt reeds dat verhitte squishies kunnen openbarsten en ernstige brandwonden kunnen veroorzaken, wordt onderzocht of gevaarlijke verhitting en drukopbouw ook kunnen ontstaan wanneer speelgoed niet bewust wordt verwarmd, maar bijvoorbeeld tijdens een warme zomerdag in de zon, achter glas of in een auto heeft gelegen?
Op dit moment is nog niet duidelijk wat de toedracht is van het incident in Frankrijk. Zodra meer bekend is zal de NVWA indien nodig passende maatregelen nemen. Als uit het Franse onderzoek blijkt dat het gevaar van verhitting bijvoorbeeld ook kan ontstaan als de squishies in een warme auto liggen, zal de NVWA daar ook actief voor waarschuwen.
Acht u het verantwoord dat de betreffende Cool Mix Supergel gedurende dit onderzoek nog steeds in Nederland aan kinderen wordt verkocht? Zo ja, waarom?
Er is op dit moment nog onvoldoende bekend over het incident in Frankrijk en er is geen grond voor een verkoopstop. Leveranciers van speelgoed zijn zelf verantwoordelijk voor de veiligheid ervan.
Wanneer er meer bekend is over het incident in Frankrijk dan wel wanneer het onderzoek van de NVWA is afgerond, zal de NVWA indien nodig passende maatregelen nemen.
Bent u bereid uit voorzorg te bevorderen dat de verkoop van dit specifieke product wordt gestaakt totdat duidelijk is waardoor het ernstige incident heeft kunnen plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals hierboven aangegeven is er op dit moment nog onvoldoende bekend over het incident in Frankrijk en er is geen grond voor een verkoopstop. Leveranciers van speelgoed zijn zelf verantwoordelijk voor de veiligheid ervan.
Wanneer er meer bekend is over het incident in Frankrijk dan wel wanneer het onderzoek van de NVWA is afgerond, zal de NVWA indien nodig passende maatregelen nemen.
De NVWA heeft bij het lopende onderzoek naar squishies reeds vluchtige organische stoffen aangetroffen, welke stoffen zijn aangetroffen, in welke concentraties en welke specifieke gezondheidsrisico’s leveren deze stoffen op voor jonge kinderen, mede gelet op hun lagere lichaamsgewicht en de mogelijkheid van langdurig huidcontact?
Dit onderzoek loopt op dit moment nog. In verband met zorgvuldigheid worden geen tussentijdse resultaten gedeeld. Voor meer informatie over dit onderzoek: zie het nieuwsbericht NVWA onderzoekt squishy speelgoed | NVWA. Wanneer de onderzoeksresultaten hiertoe aanleiding geven zal de NVWA hier verder over communiceren.
Wordt bij het onderzoek specifiek gekeken naar xyleen en afgeleiden van benzeen en naftaleen, nu deze volgens het bericht in vergelijkbaar speelgoed zijn aangetroffen, en worden daarbij zowel de risico’s van inademing, huidcontact als inslikken onderzocht?
Er wordt in het aanvullende onderzoek ook gekeken naar xyleen, andere afgeleiden van benzeen en naftaleen. De NVWA kijkt hierbij naar de hoeveelheden en maakt een risicoschatting voor de producten waarbij inademing en huidcontact ook worden meegenomen.
Deelt u de mening dat bij speelgoed voor jonge kinderen het voorzorgsbeginsel zwaar moet wegen wanneer er serieuze aanwijzingen bestaan voor risico’s op brandwonden en blootstelling aan mogelijk schadelijke chemische stoffen, en dat niet eerst gewacht moet worden op nieuwe slachtoffers?
Ja. Het incident in Frankrijk of het eerste onderzoek van de NVWA geven echter op dit moment geen serieuze aanwijzingen in die richting.
Hoe kan speelgoed met een CE-markering in Nederland worden verkocht wanneer kennelijk nog onduidelijkheid bestaat over de chemische samenstelling en het risico op openbarsten na verhitting? Is de NVWA bereid de technische documentatie en veiligheidsbeoordeling van de Cool Mix Supergel te controleren?
Een CE-markering is geen merk van goedkeuring. Met het aanbrengen van de CE-markering verklaart de fabrikant dat het product voldoet aan de toepasselijke Europese wet- en regelgeving. De NVWA zal het genoemde product meenemen in haar onderzoek waarbij ook de technische documentatie wordt beoordeeld.
Waarom kunnen Bol.com en verschillende Belgische winkelketens volgens het bericht uit voorzorg besluiten squishies uit de verkoop te halen, terwijl vergelijkbare producten in Nederlandse fysieke winkels en webshops verkrijgbaar blijven? Waarom grijpt de overheid niet eveneens uit voorzorg in?
Marktdeelnemers kunnen zelf ervoor kiezen de verkoop te staken. De NVWA heeft zoals eerder aangegeven geen aanleiding dit af te dwingen.
Bent u bereid ouders en verzorgers, in afwachting van de definitieve onderzoeksresultaten, actief te waarschuwen voor zowel de mogelijke chemische risico’s als het risico op brandwonden bij squishies en daarbij expliciet te waarschuwen voor speelgoed dat in de zon, achter glas of in een hete auto heeft gelegen?
Zoals in antwoord op vraag 4 al is aangegeven is er op dit moment nog geen duidelijkheid over de toedracht van het incident in Frankrijk. Zodra meer bekend is zal de NVWA indien noodzakelijk passende maatregelen nemen; nu is er geen grond voor zo’n waarschuwing.
Het bericht dat veel ouders ondanks hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van nu.nl over het feit dat veel ouders ondanks een hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van de totale overheidsuitgaven aan kinderopvangtoeslag vanaf 2015? Hoe verklaart u deze ontwikkeling?
Bron: SZW Jaarverslagen.
Tabel 1 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag (gesaldeerd met de ontvangsten) vanaf 2015. Nadat de uitgaven aan de kinderopvangtoeslag in de periode voor 2015 enkele jaren afnamen door ombuigingen op de kinderopvangtoelsag en een dalend aantal kinderen dat gebruik maakte van kinderopvang, zijn de uitgaven aan kinderopvangtoeslag vanaf 2015 over de gehele periode toegenomen. Tussen 2015 en 2025 gaat het om een toename van € 3.741 miljoen. Gecorrigeerd voor prijsstijgingen bedraagt het verschil circa € 3,1 miljard (in prijzen 2025). Hiervoor zijn verschillende verklaringen. Enerzijds gaan meer kinderen met kinderopvangtoeslag naar de kinderopvang. Zo gingen in 2025 gemiddeld 922.000 kinderen met kinderopvangtoeslag naar de opvang, tegenover gemiddeld 639.000 kinderen in 2015. Ook gingen kinderen gemiddeld meer uren per week naar de opvang in 2025 (65,9 uur) dan in 2015 (58,1 uur). Anderzijds zijn de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag meermaals verhoogd en is ook de maximum uurprijs voor de kinderopvangtoeslag enkele keren aangepast.
Klopt het dat de kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd uit belastingen en premies? Zo ja, om welke belastingen en premies gaat het precies (loon- en inkomstenbelasting, btw of andere belastingen)? Wilt u graag een toelichting geven op uw antwoord?
Het klopt dat de kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd uit belastingen en premies. Voor wat betreft de belastingen gaat het om de algemene middelen van het Rijk. Er zijn geen specifieke belastingen waarvan (een gedeelte van) de opbrengst wordt geoormerkt voor de kinderopvangtoeslag. Bij de premies gaat het om de Werkgeversbijdrage kinderopvang. Dit is een opslag op de Aof-premie (premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds) ter hoogte van 0,5% van de premieplichtige loonsom.
Hoeveel procent van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd door werknemers en hoeveel procent door werkgevers? Wilt u graag een overzicht geven van deze lastenverdeling vanaf 2015 en een toelichting op uw antwoord?
De kinderopvangtoeslag wordt deels gefinancierd uit werkgeverslaten (via een hogere Aof-premie), en deels uit de algemene middelen. Werknemers dragen niet direct financieel bij aan de kinderopvangtoeslag.
De lastenverdeling tussen overheid (algemene middelen) en werkgevers van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag is weergegeven in onderstaande tabel:
Overheid
34%
45%
49%
54%
59%
63%
64%
64%
62%
64%
67%
Werkgevers
66%
55%
51%
46%
41%
37%
36%
36%
38%
36%
33%
Totaal
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
Het aandeel dat werkgevers bijdragen is afgelopen jaren gedaald naar 1/3e van het totaal in 2025. Dit komt gedeeltelijk doordat de overheid in 2025 een groter deel van de kinderopvangkosten vergoedt. De bijdrage uit de Aof-premie staat immers geheel los van het werkelijke gebruik van kinderopvang. Daarnaast is het gebruik van kinderopvang sterker gestegen dan de omvang van de werknemerspopulatie. Daardoor wordt de totale kinderopvangtoeslag hoger, terwijl daar niet direct een hogere werkgeversbijdrage tegenover staat. Hierdoor neemt het aandeel van de kinderopvangtoeslag dat uit collectieve middelen moet worden gefinancierd toe.
Hoe wordt de hoogte van de kinderopvangtoeslag precies bepaald: welke variabelen (inkomen, vermogen, in rekening gebrachte kosten door de opvang, aantal gewerkte uren van de vader/moeder, etc.) zijn bepalend? Wilt u graag een toelichting geven op uw antwoord?
De hoogte van de kinderopvangtoeslag wordt in de kern bepaald door (1) de hoogte van het inkomen, (2) het soort kinderopvang dat wordt afgenomen, (3) het aantal uren kinderopvang dat wordt afgenomen en (4) het aantal kinderen waarvoor kinderopvangtoeslag wordt aangevraagd. Het vermogen of het exacte aantal gewerkte uren van de ouder(s) spelen geen rol. In detail:
Ouders maken vooraf een inschatting van hun inkomen. Nadat de belastinginspecteur het inkomen definitief heeft vastgesteld, vindt de definitieve toekenning van de toeslag plaats. Dit kan ertoe leiden dat ouders een nabetaling of een terugvordering krijgen, als het door henzelf geschatte inkomen afwijkt van het definitief vastgestelde inkomen.
Hoeveel mensen maken gebruik van kinderopvangtoeslag terwijl zij niet of niet volledig (fulltime) werken? Kunt u hiervan een overzicht vanaf 2015 geven en een toelichting hierop?
De meeste ouders die gebruik maken van kinderopvangtoeslag, hebben werk. De arbeidseis zoals omschreven in artikel 1.6 is namelijk een voorwaarde voor het recht op kinderopvangtoeslag. Soms kunnen ouders om bepaalde redenen niet voldoen aan de arbeidseis. Wanneer deze mensen niet in aanmerking zouden komen voor kinderopvangtoeslag, kan dit de arbeidsparticipatie nu of in de toekomst juist belemmeren. Daarom zijn in artikel 1.6 een aantal uitzonderingen op de arbeidseis opgenomen. De twee belangrijkste categorieën zijn 1) ouders die activiteiten uitvoeren die gericht zijn op toekomstig werk, bijvoorbeeld een opleiding of reïntegratietraject van het UWV, en 2) ouders die werken, maar een partner hebben die niet of tijdelijk niet kan voldoen aan de arbeidseis, bijvoorbeeld een partner met een Wlz-indicatie die langdurige zorg nodig heeft. Zij komen ook in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Zie ook de brief van 24 juni 2025 over de arbeidseis voor een uitgebreidere toelichting.5
Het is niet haalbaar gebleken om binnen kort tijdsbestek exact te becijferen hoeveel ouders afgelopen 10 jaar gebruik maakten van kinderopvangtoeslag dankzij een uitzondering op de arbeidseis. De reden is dat ouders die gebruik maken van een bepaalde uitzondering soms ook (gaan) werken, terwijl dit in het systeem dan niet altijd aangepast wordt. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat een student naast diens studie gaat werken, maar in het systeem als student aangemerkt blijft. Het zou meer uitzoekwerk vergen om exact in beeld te brengen hoeveel ouders gebruik maken van kinderopvangtoeslag terwijl zij niet werken. Het is wel mogelijk om een indicatie te geven van het aantal ouders dat gebruik maakt van een uitzondering op de arbeidseis. Tussen 2015 en 2025 ging het om zo’n 10.000 ouders per jaar. Ongeveer 50% van deze ouders kwam in aanmerking voor kinderopvangtoeslag door een studie, 25% door een traject naar werk en 25% door het volgen van een inburgeringstraject. Ter indicatie, in totaal ontvingen tussen 2015 en 2025 jaarlijks tussen de ca. 500.000 en 720.000 huishoudens kinderopvangtoeslag.
Bent u het ermee eens dat de kosten van de kinderopvangtoeslag leiden tot hogere loonkosten en dat het inhuren van werknemers daardoor duurder wordt voor werkgevers? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Nee, ik ben het niet eens met deze redenering. Tot 2005 bestonden er verschillende voorzieningen voor kinderopvang. Sommige werkgevers organiseerden zelf kinderopvang voor hun werknemers. Daarnaast was er aanbod vanuit gemeenten en betaalden sommige ouders zelf alle kosten voor kinderopvang. Hierdoor waren ouders onder andere afhankelijk van waar zij woonden en wie hun werkgever was voor de eigen bijdrage die zij betaalden voor kinderopvang. Met de introductie van de kinderopvangtoeslag in 2005 kwam er voor het eerst één landelijke regeling, waar alle ouders onder dezelfde voorwaarden gebruik van konden maken. De kinderopvangtoeslag wordt deels gefinancierd uit collectieve middelen en deels uit werkgeversbijdragen. Het gaat dat om een opslag op de Aof-premie ter hoogte van 0,5% van de premieplichtige loonsom (zie het antwoord op vraag 4).
De kinderopvangtoeslag stelt ouders in staat om de zorg voor hun kinderen te combineren met werk en bevordert op deze manier de arbeidsparticipatie. De werkgever kan dus beschikken over werknemers dankzij de kinderopvangtoeslag.
Welke inkomensgroepen ontvangen kinderopvangtoeslag? Kunt u een overzicht verstrekken en daarbij onderscheid maken tussen verschillende inkomensgroepen (minimumloonverdieners, één keer modaal, 1,5 keer modaal, twee keer modaal, 2,5 keer modaal, drie keer modaal, vier keer modaal, vijf keer modaal, zes keer modaal of meer), maar daarin ook verschillende huishoudtypen (huurders/woningeigenaren, alleenstaand/gehuwd, fulltime/parttime werkend) opnemen? Kunt u tevens een toelichting geven op uw antwoord?
De beantwoording van deze vraag is gebaseerd op gegevens van Kinderopvangtoeslag die het Ministerie van SZW van Dienst Toeslagen ontvangt. Daarin kan enkel onderscheid worden gemaakt tussen de huishoudtypen alleenstaanden en paren. Onderstaande tabel 1 toont het aantal huishoudens in elke categorie dat in 2025 kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Vanwege de geringe aantallen voor alleenstaanden zijn de hoogste inkomensgroepen samengevoegd tot «3 x modaal en hoger».
Tot 100% Wml
5.700
31.700
37.300
100% Wml tot modaal
10.500
28.100
38.600
Modaal tot 1,5 x modaal
53.200
17.100
70.300
1,5 x modaal tot 2 x modaal
125.800
6.800
132.500
2 x modaal tot 2,5 x modaal
120.900
2.200
123.100
2,5 x modaal tot 3 x modaal
82.300
800
83.100
3 x modaal en hoger
135.200
1.000
136.200
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld april 2026, bewerking Ministerie van SZW.
Aanvullend is hieronder voor de inkomenscategorie «3 keer modaal en hoger» een nadere uitsplitsing gemaakt op totaalniveau (136.200 huishoudens):
3 x modaal tot 4 x modaal
82.300
4 x modaal tot 5 x modaal
29.500
5 x modaal tot 6 x modaal
12.100
6 x modaal en hoger
12.200
De laagste inkomenscategorieën, met een gezamenlijk inkomen tot het minimumloon respectievelijk tussen 100% WML en modaal, bestaan grotendeels uit alleenstaanden. Bij een gezinnen met twee werkende ouders komt het totale inkomen al gauw boven modaal uit. Bij paren met een inkomen tot modaal komt het relatief vaak voor dat één of beide ouders zijn uitgezonderd van de arbeidseis (zie het antwoord op vraag 6). Daaronder vallen onder meer studenten en ouders die een traject naar werk volgen.
Hoeveel (absoluut en procentueel) van de huidige ontvangers van kinderopvangtoeslag blijft boven het sociaal minimum wanneer de kinderopvangtoeslag voor hen zou worden afgeschaft? Kunt u een overzicht vanaf 2015 geven en een toelichting op uw antwoord?
Kinderopvangtoeslag is geen vorm van inkomensondersteuning, maar een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Kinderopvangtoeslag zorgt er dus voor dat ouders te maken hebben met lagere netto-uitgaven aan kinderopvang, zodat ze de zorg voor hun kinderen kunnen combineren met werk. Ouders betalen daarbij altijd een eigen bijdrage voor kinderopvang. Zonder kinderopvangtoeslag is kinderopvang voor veel ouders te duur en is het niet aantrekkelijk om te werken. Het is niet precies bekend hoeveel ouders zouden stoppen met werken als de kinderopvangtoeslag zou worden afgeschaft en hoeveel ouders vervolgens boven het sociaal minimum zouden blijven. Andersom is het ook mogelijk dat ouders met kinderopvangtoeslag zich nu al op het sociaal minimum bevinden, bijvoorbeeld wanneer zij een opleiding volgen en nog geen betaald werk verrichten.
Bent u van mening dat iedereen, die op dit momentrecht heeft op kinderopvangtoeslag en ontvangt, deze toeslag ook absoluut nodig heeft om financieel het hoofd boven water te houden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Kunt u tevens een toelichting geven op uw antwoord?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 9, is de kinderopvangtoeslag niet bedoeld als inkomensondersteuning, maar om ouders tegemoet te komen in de kosten voor kinderopvang. Zo kunnen ouders arbeid combineren met de zorg voor hun kinderen. Zonder kinderopvangtoeslag zouden veel ouders niet in staat zijn te betalen voor kinderopvang en dus minder of niet kunnen werken, wat de bestaanszekerheid van deze ouders onder druk zou zetten. In de huidige vergrijzende samenleving hebben we bovendien iedere arbeidskracht hard nodig. Kinderen van werkende ouders hebben op deze wijze toegang tot kwalitatief goede kinderopvang met positieve effecten op de ontwikkeling tot gevolg.
Hoeveel euro bedragen de totale uitvoeringskosten van de kinderopvangtoeslag (exclusief de kosten voor het herstel van de schade die is veroorzaakt door het toeslagenschandaal)? Kunt u een overzicht geven vanaf 2015?
Dienst Toeslagen heeft géén inzicht in de uitvoeringskosten van de kinderopvangtoeslag, omdat de processen integraal zijn georganiseerd om de vier toeslagsoorten uit te voeren en dus niet per toeslagsoort. Hierdoor kan Dienst Toeslagen niet de gevraagde doorsnede van kinderopvangtoeslag leveren. Op dit moment is er een model in ontwikkeling dat op termijn dit inzicht voor kinderopvangtoeslag (en andere toeslagsoorten) wel kan leveren voor de jaren 2024 en verder.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd.
Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting met 2,02%-punt worden verlaagd6.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd.
Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting met 6,25%-punt worden verlaagd7. Het enkel verlagen van het tarief tweede schijf zorgt ervoor dat dit tarief lager uitvalt dan dat van de eerste schijf. Een gevolg hiervan zou zijn dat er een regressief belastingstelsel zou ontstaan, waarbij lagere inkomens zwaarder worden belast dan hogere inkomens. Huishoudens zouden naarmate ze meer verdienen en van de eerste schijf in de inkomstenbelasting in de tweede schijf belanden namelijk relatief minder belasting gaan betalen.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd. Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting met 16,54%-punt worden verlaagd. Het enkel verlagen van het tarief derde schijf zorgt ervoor dat dit tarief lager uitvalt dan dat van de eerste en tweede schijven. Een gevolg hiervan zou zijn dat er een regressief belastingstelsel zou ontstaan, waarbij lagere inkomens zwaarder worden belast dan hogere inkomens. Huishoudens zouden naarmate ze meer verdienen en van de tweede schijf in de inkomstenbelasting in de derde schijf belanden namelijk relatief minder belasting gaan betalen.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen en een hoog inkomen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
In welke mate leidt een afschaffing van de kinderopvangtoeslag en een gelijktijdige verhoging van de arbeidskorting met hetzelfde bedrag tot veranderingen in de arbeidsparticipatie? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
De kinderopvangtoeslag is een gerichte vorm van ondersteuning in de kosten van kinderopvang zodat ouders werk kunnen combineren met de zorg voor hun kinderen. Het aantal werkende ouders is per definitie kleiner dan het totaal aantal werkenden. Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor werkende ouders zal dus tot een kleinere verhoging van de arbeidskorting voor alle werkenden leiden. De verwachting is daarom dat de negatieve effecten op arbeidsparticipatie van het afschaffen van de kinderopvangtoeslag groter zijn dan de eventuele positieve arbeidsparticipatie-effecten van het verhogen van de arbeidskorting.
Kunt u deze vragen vóór Prinsjesdag beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Jeugdgezondheidszorg voor twintigduizend asielkinderen is vooralsnog vanaf oktober maanden niet beschikbaar»?1
Deelt u de mening dat een dergelijk gat in zorgcontinuïteit voor deze (kwetsbare) groep een zorgelijke, onwenselijke ontwikkeling is? Zo ja, hoe reflecteert u daarop? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op, zoals Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN) in het artikel aangeeft, een dergelijke «versnippering van de collectieve en preventieve jeugdgezondheidszorg» in Nederland? Deelt u de mening dat dit een onwenselijk precedent schept en verschillen in toegang tot zorg oplevert voor kinderen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Welke effecten en risico’s voorziet u, mocht de in het artikel genoemde situatie werkelijkheid worden? Kunt u per risico aangeven welke stappen worden gezet om dit risico te voorkomen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op risico’s rond de bestrijding van (infectie)ziekten onder baby’s, kinderen en jongeren in Nederland?
Gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheids)zorg, hoe reëel acht u het dat de Arts en Zorg Groep de zorg in de asielzoekerscentra tijdig en volledig over kan nemen voor de beoogde (lagere) prijs, nu het COA in het artikel aangeeft dat hij daarover in gesprek is met de Arts en Zorg Groep?
Welke waarborgen en afspraken zijn er vastgelegd over de zorgcontinuïteit ten tijde van de overgangsperiode van de GGD-GHOR naar de Arts en Zorg Groep, en ten tijde van de periode erna? Indien die er niet zijn, hoe bent u voornemens de zorgcontinuïteit te borgen voor deze groep kinderen in asielzoekerscentra?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van geleverde zorg en wie is verantwoordelijk (zowel politiek/ministerieel als in de uitvoering)? Waar kunnen professionals, burgers en asielzoekers(kinderen) terecht met signalen en klachten over de zorg vanuit de Arts en Zorg Groep (of het gebrek aan zorg)? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met, bijvoorbeeld, de geletterdheid en moedertaal van de doelgroep in kwestie in de asielzoekerscentra?
Welke concrete mogelijkheden zijn er om in te grijpen, in geval van (ernstige) tekortkomingen in de kwaliteit of continuïteit van de (jeugdgezondheids)zorg in de asielzoekerscentra tijdens de overgangsperiode en de periode daarna?
Kunt u deze vragen beantwoorden (ruim) voor het debat Jeugdbeleid van 30 september 2026?
Een wetsvoorstel dat de vrijheid van christelijke organisaties in India verder onder druk zet. |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wetsvoorstel bedreiging voor christelijke organisaties in India»1 waarin wordt gesteld dat het Indiase parlement een wetsvoorstel behandelt dat de Foreign Contribution Regulation Act (FCRA) aanscherpt, waardoor de mogelijkheden van de overheid worden uitgebreid om op te treden tegen maatschappelijke en religieuze organisaties die afhankelijk zijn van buitenlandse financiering?
Ja.
Hoe beoordeelt u de zorgen van Indiase christelijke organisaties dat deze wetswijziging ertoe kan leiden dat kerken, scholen, ziekenhuizen en andere maatschappelijke instellingen hun werkzaamheden niet langer kunnen voortzetten en zelfs eigendommen kunnen verliezen wanneer hun FCRA-registratie vervalt of wordt ingetrokken?
Het kabinet heeft begrip voor de zorgen van het maatschappelijk middenveld, inclusief christelijke organisaties, over de impact van de Foreign Contribution Regulation Act (FCRA) en volgt de ontwikkelingen rondom de voorgestelde wijzigingen op de FCRA nauwgezet. Op 12 augustus is de voorgestelde wetswijziging verwezen naar een Joint Parliamentary Committee voor nadere bestudering van de bepalingen en de mogelijke gevolgen daarvan. De voorgestelde aanscherping moet vervolgens nog verder in het Indiase parlement worden behandeld en is daarom mogelijk nog aan verandering onderhevig.
Deelt u de opvatting dat het uitsluiten van evangeliserende activiteiten van de religieuze activiteiten waarvoor buitenlandse middelen mogen worden aangewend, op gespannen voet staat met de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, zoals beschermd in Artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), waaronder ook de vrijheid om een godsdienst of levensovertuiging individueel of gezamenlijk te belijden en uit te dragen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel deze opvatting.
Hoe beoordeelt u deze wetswijziging in het licht van de bredere verslechtering van de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India, waaronder meldingen van toenemende beperkingen van de vrijheid van godsdienst, geweld en intimidatie?
De Indiase Grondwet definieert het land als seculier en beschermt de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Tegelijkertijd zijn er zorgen over toenemende beperkingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, intimidatie en geweld tegen religieuze minderheden. Een eventuele aanscherping van de FCRA zou een zorgelijke ontwikkeling zijn, omdat zij de kwetsbare positie van religieuze minderheden, waaronder christenen, verder zou kunnen verzwakken.
Heeft de Nederlandse regering haar zorgen over dit wetsvoorstel of over de gevolgen ervan voor de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging reeds overgebracht aan de Indiase autoriteiten? Zo ja, op welke wijze en met welke boodschap? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ja. Nederland, in coördinatie met de andere EU lidstaten, brengt consistent de zorgen over de impact van de FCRA op het in India actieve maatschappelijk middenveld op bij de Indiase autoriteiten. Mede op verzoek van Nederland zijn beide onderwerpen geagendeerd en besproken tijdens de EU-India mensenrechtendialoog die op 24 juni 2026 plaatsvond in New Delhi, India.
Is dit wetsvoorstel of de positie van christenen en andere religieuze minderheden in India aan de orde gesteld in de politieke dialoog tussen de Europese Unie en India of in andere EU-overleggen met India? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, bent u bereid zich ervoor in te spannen dat de Europese Unie dit wetsvoorstel en de gevolgen ervan voor de vrijheid van godsdienst expliciet aan de orde stelt bij de Indiase autoriteiten?
De positie van christenen en andere religieuze minderheden is nadrukkelijk onderdeel van de dialoog tussen de Europese Unie en India. Zo is, mede op verzoek van Nederland, dit onderwerp besproken met de Indiase autoriteiten tijdens de meest recente EU-India mensenrechtendialoog die op 24 juni jl. plaatsvond.
Ook de zorgen over de impact van de FCRA – en eventuele amendementen hierop – zijn meermaals schriftelijk en mondeling onder de aandacht gebracht bij de Indiase autoriteiten. Indien de aanscherping van de FCRA door het Indiase parlement zal worden aangenomen, zullen Nederland en de EU, indien daar aanleiding toe is, de negatieve doorwerking ervan op het maatschappelijk middenveld inclusief christelijke organisaties opnemen met de Indiase autoriteiten. Deze inzet sluit aan bij Nederlandse inzet op de vrijheid van religie en levensovertuiging en bij de EU richtlijnen inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging.
Bent u bereid zich zowel bilateraal als in EU-verband actief in te zetten voor de bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in India, overeenkomstig de EU-richtsnoeren inzake de bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging, en daarbij specifiek aandacht te vragen voor de positie van christelijke organisaties die door dit wetsvoorstel worden geraakt? Zo nee, waarom niet?
Nederland zet zich, zowel bilateraal als in EU-verband, actief in voor de bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in India en zal dit blijven doen. De Nederlandse inzet is ingebed in een breed mensenrechtenkader en richt zich op de bescherming van vrijheid van religie en levensovertuiging voor iedereen.
Indien aangenomen, zal het Kabinet de implementatie van de aangescherpte FCRA en de impact op het maatschappelijk middenveld, waaronder christelijke organisaties, nauwgezet blijven volgen en adresseren in de contacten met de Indiase overheid.
Welke mogelijkheden ziet u om, samen met gelijkgezinde landen binnen de Europese Unie en daarbuiten, de Indiase autoriteiten aan te spreken op hun verplichtingen uit hoofde van het IVBPR en andere internationale mensenrechtenverdragen ten aanzien van de bescherming van religieuze minderheden?
Het kabinet, zowel bilateraal als in EU-verband, spreekt de Indiase autoriteiten aan op hun verplichtingen ten aanzien van de bescherming van religieuze minderheden en zal dit blijven doen.
Rellen op de kermis in Purmerend |
|
Marjolein Faber (PVV), Ráchel van Meetelen (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Herbert |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op de Kamervragen naar aanleiding van de rellen op de kermis in Purmerend waarin u zei dat de huidige aanpak voldoende handvatten biedt? Hoe verklaart u dan de nieuwe massale ongeregeldheden op de kermis in Dreumel?1
Ja. Zoals eerder toegelicht bij de vragen over Purmerend is de handhaving van de openbare orde primair een verantwoordelijkheid van de burgemeester. De lokale driehoek en andere partners bereiden zich bij (grote) evenementen voor met risico-inschattingen en passende maatregelen. Ook bij Dreumel zijn lokaal maatregelen getroffen. Helaas kunnen incidenten ondanks een goede voorbereiding niet altijd volledig worden voorkomen.
Bent u nu eindelijk bereid incidenten op kermissen en volksfeesten landelijk te registreren want tot op heden had u geen overzicht van soortgelijke incidenten? Zo nee, waarom niet?
Registratie van incidenten vindt plaats binnen de bestaande systemen van politie en OM en is niet specifiek gericht op het type evenement. Een aparte landelijke registratiesystematiek past niet in de huidige werkwijze. Op dit moment zie ik geen aanleiding om hier van af te wijken.
Wanneer komt er een landelijke aanpak in plaats van alleen lokaal maatwerk na wederom grootschalig geweld waarbij opnieuw ondernemers en bezoekers de dupe zijn geworden?
Op grond van artikel 172 van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. De beoordeling van risico’s en de inzet van maatregelen vindt dan ook plaats op lokaal niveau. Landelijk ondersteunen wij de lokale inzet, zo is in 2023 een wegwijzer gemeentelijk kermisbeleid opgesteld met financiering van het Ministerie van EZK en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hiermee worden gemeenten ondersteund bij het organiseren van een kermis en in de samenwerking met onder meer exploitanten en omwonenden. In deze handleiding staan ook enkele voorbeelden en overwegingen hoe om te gaan met overlast en geweldplegers. Op 2 juli 2025 heb ik de wegwijzer bij het Strategisch Beraad Veiligheid onder de aandacht gebracht. Daaruit bleek geen behoefte aan aanvullende maatregelen.
Deelt u de mening dat bij ordeverstoringen, zoals de eerdere sluiting van de kermis in Purmerend en het afgelasten van festiviteiten door een ondernemer in Dreumel, de financiële gevolgen nu vooral voor de ondernemers zijn en niet voor de relschoppers? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de kosten zoveel mogelijk worden verhaald op de relschoppers die verantwoordelijk zijn voor deze schade?
Ja.
Een beslissing tot eventuele compensatiemaatregelen is aan het lokaal bestuur in overleg met de kermisbranche.
Wanneer komt u met landelijke maatregelen tegen notoire ordeverstoorders, zoals gebiedsverboden, betere informatie-uitwisseling en het verhalen van schade op daders?
Hiervoor verwijs ik in de eerste plaats naar mijn eerdere antwoorden op Kamervragen gesteld door u, die ik op 22 juni jl. met uw Kamer heb gedeeld. Er zijn reeds diverse instrumenten beschikbaar. Zo kan de burgemeester op grond van artikel 172a van de Gemeentewet en lokale verordeningen gebiedsontzeggingen opleggen en bevelen geven ter voorkoming van ordeverstoringen. Ook de officier van justitie kan op basis van relevante feiten, omstandigheden en bewijzen besluiten tot vervolging van personen. Daarbij kan eventueel schadevergoeding worden gevorderd.
Daarnaast is dit voorjaar het wetsvoorstel Wet gegevensvergaring openbare orde voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd. Het wetsvoorstel geeft de politie twee extra bevoegdheden om online gegevens te verzamelen uit publiek toegankelijke bronnen. Het gaat om het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen en online gegevens verzamelen van personen en hun openbare accounts voor zover dat noodzakelijk is om een ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen, te beletten of te beëindigen. Van deze personen moet het vermoeden bestaan dat zij een belangrijke rol spelen bij een (mogelijk) ernstige verstoring van de openbare orde. Met het wetsvoorstel wordt beoogd de politie en het lokaal gezag beter toe te rusten om snel over voldoende informatie te beschikken om een dreigende ernstige verstoring van de openbare orde tijdig te kunnen voorkomen, beletten of beëindigen. Zo kan de politie bij aanwijzingen dat rellen dreigen uit te breken de noodzakelijke gegevens online verzamelen om tijdig in te grijpen en de verstoring te voorkomen of te stoppen. De burgemeester kan de bevoegdheden alleen inzetten na een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. Na deze machtiging geeft de burgemeester een bevel aan de politie, die de bevoegdheden onder zijn gezag uitvoert.
Hoeveel incidenten zijn er nog nodig voordat u erkent dat dit geen op zichzelf staande voorvallen meer zijn, maar een landelijk veiligheidsprobleem rondom kermissen en volksfeesten?
Elk incident is er één te veel. Ieder incident wordt serieus genomen en waar nodig wordt opgetreden. Tegelijkertijd verloopt het overgrote deel van kermissen en volksfeesten ordelijk en veilig. Op dit moment is er geen aanleiding om te spreken van een landelijk veiligheidsprobleem.
Wanneer gaat u werkelijk benoemen dat dit geen «jongeren» zijn, maar allochtone jongeren, in dit geval Syriërs, variërend in leeftijden van 10 tot 20+ jaar die georganiseerd elke keer deze ellende veroorzaken?
De politie en het Openbaar Ministerie registreren geen migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten. Indien bekend kan nationaliteit worden geregistreerd, maar alleen wanneer dit noodzakelijk is voor opsporing of vervolging binnen de kaders van de wet. Deze gegevens worden dan ook niet categorisch verwerkt, omdat de verwerking niet voor alle situaties noodzakelijk zal zijn. Het is aan het lokaal gezag om passende maatregelen te treffen en herhaling te voorkomen.
Kunt U deze vragen met de grootst mogelijke spoed beantwoorden, aangezien het hoogseizoen voor de kermissen is en iedere dag uitstel ertoe kan leiden dat kermisondernemers opnieuw worden geconfronteerd met ordeverstoringen, schade en omzetverlies en goedwillende bezoekers niet langer de dupe zijn?
Ja.
Het bericht dat mensenrechtenorganisaties oordelen dat de dood van de Libanese journalist Amal Khalil een Israëlische oorlogsmisdaad is. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van mensenrechtenorganisaties Human Rights Watch, Amnesty International en het onderzoeksplatform Legal Agenda naar de Israëlische aanval op 22 april op het zuiden van Libanon, waarbij de Libanese journalist Amal Khalil werd gedood?1
De resultaten van het onderzoek van de genoemde mensenrechtenorganisaties baren het kabinet zorgen. Het feit is dat te veel burgers, onder wie journalisten, omkomen in Libanon. Dit moet stoppen. Veiligheid van journalisten in de breedste zin van het woord is en blijft één van de prioriteiten binnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Journalisten zijn, in hun hoedanigheid als burgers, beschermd onder internationaal recht. Zij moeten hun belangrijke werk, ook in conflictgebieden, in veiligheid kunnen uitvoeren. Het kabinet veroordeelt elke doelbewust aanval op journalisten overal ter wereld, ook in Libanon.
Herinnert u zich de op 15 april aangenomen motie-Dobbe c.s. (Kamerstuk 36 180, nr. 203) die de regering verzoekt bij te dragen aan onafhankelijk onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden tegen hulpverleners in Libanon, waar mogelijk in EU- en VN-verband? Hoe staat het met de uitvoering van deze motie?
Mogelijke oorlogsmisdrijven vragen om gedegen en onafhankelijk onderzoek. Dit is ook het geval waar het humanitaire hulpverleners in Libanon betreft. Het is in eerste instantie aan de nationale autoriteiten in Libanon om onderzoek toe doen naar vermeende misdrijven. De Libanese autoriteiten doen dat ook. Nederland ondersteunt hun inspanningen onder meer door bij te dragen aan de versterking van de nationale capaciteit voor bewijsvergaring in Libanon. In dat kader verleent Nederland voor de periode 2026–2029 een financiële bijdrage van EUR 1.200.000,– aan het Libanese Nationale Comité voor Internationaal Humanitair Recht.
Ook steunt Nederland het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de Mensenrechten (OHCHR) op verschillende manieren om onderzoek in de Libanese context te versterken. Ten eerste steunt Nederland het regionale OHCHR kantoor voor de mensenrechten in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, gevestigd in Libanon, met een bedrag van EUR 1.250.000,– (2025–2026). Met deze steun draagt Nederland bij aan de monitoring van en rapportage over de mensenrechtensituatie in Libanon. Het OHCHR landenkantoor richt zich onder andere op mensenrechtenschendingen in het conflict tussen Israël en Hezbollah.
Ten tweede steunt Nederland de OHCHR Human Rights Inquiries Branch met een bedrag van EUR 3.500.000,– voor de periode 2025–2027. Middels deze steun kan de Inquiries Branch ondersteuning en capaciteit beschikbaar stellen ten behoeve van het verifiëren, analyseren en documenteren van informatie met betrekking tot vermeende mensenrechtenschendingen en schendingen van het humanitair oorlogsrecht. Inmiddels heeft de OHCHR Inquiries Branch een beoordelingsteam in Libanon ingezet om bovengenoemde werkzaamheden te verrichten. Het team zal informatie verzamelen over vermeende schendingen begaan door staten en niet-statelijke actoren in de periode vanaf maart 2026. Daarnaast draagt het kabinet dit jaar EUR 450.000 extra bij aan het OHCHR kantoor in Libanon. Het geld is bedoeld om dat kantoor verder te ondersteunen in onderzoek naar mogelijke mensenrechtenschendingen en schendingen van het humanitair oorlogsrecht, maar zal ook worden gebruikt voor steun aan eerder genoemd beoordelingsteam.
Bent u bereid om in EU- en VN-verband te pleiten voor onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar de aanval op en de dood van de Libanese journalist Amal Khalil zoals waar mensenrechtenorganisaties Human Rights Watch, Amnesty International en het onderzoeksplatform Legal Agenda voor pleiten?
Nederland dringt aan op onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar vermeende internationale misdrijven, waar mogelijk ook bij individuele gevallen, zoals de aanval op de Libanese journalist Amal Khalil. Nederland vraagt internationaal al geruime tijd meer aandacht voor de toenemende straffeloosheid bij geweld tegen journalisten wereldwijd. Dit doet Nederland onder andere in de context van de Media Freedom Coalition, bijvoorbeeld door recente ondertekening van een verklaring over de veiligheid van journalisten en de toegang tot informatie in het Midden-Oosten.2 Daarnaast is, mede op initiatief van Nederland, sterkere taal opgenomen in de Mensenrechtenraadresolutie over vrijheid van meningsuiting. OHCHR heeft hiermee een ruimer mandaat gekregen voor onderzoek naar misdrijven tegen journalisten, met als doel bijdragen aan het tegengaan van straffeloosheid. Ook heeft Nederland tijdens de 62e Mensenrechtenraad in juni jl., samen met de Nederlandse niet-gouvernementele organisatie Free Press Unlimited, een side-event georganiseerd over het belang van de veiligheid van journalisten in conflictgebieden, met bijdragen van journalisten uit Oekraïne, Soedan en Gaza.
Indien onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar deze aanval niet in VN- of EU-verband kan plaatsvinden bent u bereid om ook buiten deze verbanden hier het voortouw te nemen zodat onafhankelijk en onpartijdig onderzoek hiernaar gedaan zal worden?
Zoals omschreven onder vraag 2, wordt door zowel Libanon en in VN-verband reeds het voortouw genomen op onafhankelijk en onpartijdig onderzoek zodat vermeende misdrijven – waaronder ook misdrijven gepleegd tegen hulpverleners en journalisten – niet onbestraft blijven.
Camerabrillen, privacy en sociale veiligheid |
|
Jantine Zwinkels (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de snelle opkomst van AI-brillen met ingebouwde camera’s en microfoons en met incidenten waarbij mensen, onder wie vrouwen in toiletruimten, zonder hun medeweten zijn gefilmd?1 2
Ik ben bekend met deze berichtgeving.
Deelt u de zorg dat camerabrillen zich onderscheiden van mobiele telefoons en reguliere camera’s, omdat de opnameapparatuur vrijwel onzichtbaar in een alledaags montuur is verwerkt en omstanders daardoor moeilijk kunnen vaststellen of zij worden opgenomen?
Ja, die zorg deel ik. Wanneer van een smartphone of reguliere camera gebruik wordt gemaakt om opnamen te maken, is dit in de regel zichtbaar door de wijze waarop het apparaat wordt vastgehouden. In het geval van de camerabrillen is dat in mindere mate het geval, omdat de enige indicatie voor opname een lampje op de bril is.
Deelt u de opvatting dat het op grote schaal gebruikelijk worden van dergelijke brillen gevolgen kan hebben voor de sociale veiligheid en de vrijheid waarmee mensen zich in de openbare ruimte en tijdens sociale gelegenheden bewegen?
Ja, de mogelijkheid dat er opnames worden gemaakt op een openbare plek, kan ertoe leiden dat mensen zich minder vrij voelen.
Welke Nederlandse wet- en regelgeving is van toepassing wanneer gebruikers met een camerabril herkenbare personen filmen, geluidsopnamen maken, deze gegevens via de servers van een technologiebedrijf verwerken of de beelden publiceren?
Indien beelden niet voor louter persoonlijk of huishoudelijk gebruik zijn bedoeld, kunnen er al naar gelang de situatie verschillende rechtsregels van toepassing zijn. Allereerst geldt het recht op privacy en gegevensbescherming, zoals artikel 10 van de Grondwet, artikelen 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het recht op de bescherming van het privé en familieleven, de woning en communicatie is vervat. Het gegevensbeschermingsrecht is in de Europese Unie (EU) nader uitgewerkt in onder andere de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verder worden productveiligheidseisen gesteld in nationaal en Europees consumentenrecht.
In een situatie waarin iemand schade ondervindt doordat hij of zij zonder toestemming wordt gefilmd, kan sprake zijn van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Daarbij kan het portretrecht een rol spelen. Artikel 21 van de Auteurswet bepaalt dat dat publicatie van een portret (dat kan ook een video-opname zijn) dat zonder toestemming is gemaakt ongeoorloofd kan zijn indien een «redelijk belang» van de geportretteerde zich tegen die publicatie verzet. Tot slot zijn er bepalingen (art. 139a-b en f en 441b) in het wetboek van Strafrecht die het heimelijk en wederrechtelijk maken van opnamen of afbeeldingen strafbaar stellen, al dan niet in niet-publiek toegankelijke plaatsen.
Wie is juridisch verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens van omstanders: de drager van de bril, de aanbieder van de technologie of beide partijen? Is dit voor gebruikers en omstanders voldoende duidelijk?
Voor gebruikers en omstanders is nu niet altijd duidelijk wie er wanneer verantwoordelijk is voor het beeldmateriaal dat wordt gemaakt, en welke gegevens voor welk doel worden verwerkt. De juridische verantwoordelijkheid hangt af van wie het doel en de essentiële middelen van de verwerking van persoonsgegevens bepaalt. In de praktijk zijn dat vaak zowel de drager als de aanbieder van de camerabril, voor verschillende delen van de verwerking. Zo kan de gebruiker verantwoordelijk zijn voor het vastleggen van beeld- en geluidsmateriaal waar mensen op te zien zijn en kan een andere partij (zoals de aanbieder van de technologie) verantwoordelijk zijn voor het verdere gebruik van het beeldmateriaal op het moment dat de gebruiker de beelden deelt. Dat kan uitmonden in een afzonderlijke verwerkingsverantwoordelijkheid voor beide partijen óf een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Klopt het dat foto’s en video’s die met de Meta-AI-bril worden gemaakt via de systemen of servers van Meta worden verwerkt? Welke beeld-, geluids- en metagegevens ontvangt Meta daarbij en voor welke doeleinden mogen deze worden gebruikt?
Het klopt dat foto’s en video’s via de systemen van Meta kunnen worden verwerkt. Uit openbare informatie van Meta volgt dat foto’s en video’s die worden gemaakt met de Meta-AI-bril in beginsel op de bril zelf worden opgeslagen.3 Pas op het moment dat de gebruiker ervoor kiest om gegevens te delen, kunnen verdere verwerkingen worden gedaan.
Informatie over welke verwerkingen plaatsvinden voor welke doeleinden, staat in het (aanvullende) privacybeleid van Meta Platform Technologies.4 Voor zover Meta persoonsgegevens verwerkt, geldt dat Meta gehouden is aan de AVG. Of Meta hieraan voldoet voor wat betreft de camerabril, is ter beoordeling van de bevoegde toezichthouder.
Kan worden uitgesloten dat beelden, geluidsopnamen of andere gegevens van omstanders zonder hun uitdrukkelijke toestemming worden gebruikt voor het trainen, testen of verbeteren van AI-systemen? Zo nee, welke bescherming hebben deze omstanders?
Nee, dat kan niet worden uitgesloten. Beelden, geluidsopnamen en andere gegevens van omstanders die worden gemaakt met de camerabrillen kunnen persoonsgegevens zijn. Het verwerken daarvan voor het trainen, testen en verbeteren van AI-systemen is alleen toegestaan als daarvoor een rechtsgrond bestaat. De AVG biedt ruimte om ook zonder toestemming van de betrokkene op basis van de verwerkingsgrondslag «gerechtvaardigd belang» persoonsgegevens te verwerken (artikel 6, eerste lid onder f AVG). Als daarvoor wordt gekozen, dan moet het belang van de verwerkingsverantwoordelijke worden afgewogen tegen de belangen en/of fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene. De AVG bevat bepalingen om de risico’s van de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen (in dit geval de omstanders) te beperken. Zo moet de verwerkingsverantwoordelijke voldoen aan bepaalde informatieverplichtingen richting de betrokkenen, waarborgen treffen om de impact op de grondrechten van de betrokkenen te beperken en zich houden aan de algemene beginselen zoals dataminimalisatie Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (European Data Protection Board, EDPB), waarin de Europese gegevensbeschermingstoezichthouders samenwerken, heeft op 17 december 2024 een advies aangenomen over het gebruik van persoonsgegevens bij het ontwikkelen en in gebruik nemen van AI-modellen. Het is aan de toezichthouders om te beoordelen of de AVG wordt nageleefd.
Bent u bekend met berichten dat medewerkers van een door Meta ingeschakelde onderneming toegang zouden hebben gehad tot zeer intieme opnamen? Heeft de Autoriteit Persoonsgegevens hierover contact gehad met Meta of met andere Europese privacytoezichthouders?
Ik ben bekend met deze berichten en als de berichtgeving juist is, baart mij dit zorgen. De AP heeft laten weten in contact te staan met andere Europese privacytoezichthouders en intensief met hen samen te werken aan dossiers met betrekking tot camerabrillen.
Omdat de EU-vestiging van Meta in Ierland zit, is de Ierse toezichthouder de primaire toezichthouder. De Ierse toezichthouder heeft zich voor het eerst in 2021 uitgelaten over het toezicht op de camerabrillen.5
Bent u bekend met de opvatting van de Hamburgse privacytoezichthouder dat slimme brillen mogelijk kunnen worden aangemerkt als in alledaagse voorwerpen verborgen opnameapparatuur en daarom onder Duits recht verboden zouden kunnen zijn? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling en bent u bereid te onderzoeken welke betekenis deze juridische benadering kan hebben voor de Nederlandse en Europese regelgeving rond camerabrillen?3
Ja, ik ben hiermee bekend.7 Het verbod dat in Duitsland geldt, verbiedt kort gezegd het aanbod en bezit van telecommunicatie-apparatuur die de vorm heeft van een alledaags gebruiksobject en die geschikt is om ongemerkt gesprekken op te nemen of beelden op te nemen. Of camerabrillen onder dit verbod vallen, is blijkens de berichtgeving hierover in Duitsland nog geen uitgemaakte zaak. In Nederland kennen wij niet een zodanig verbod. In antwoorden 14–15 ga ik nader in op de afwegingen voor en tegen een verbodsbepaling. Daarnaast komt de European Data Protection Board (EDPB), waarin de gezamenlijke Europese privacytoezichthouders vertegenwoordigd zijn, later dit jaar met een rapport over de slimme brillen.8 De bevindingen en eventuele aanbevelingen van de EDPB in het rapport wacht het kabinet met belangstelling af. Zie ook het antwoord op vraag 14.
Hoeveel meldingen, klachten of signalen hebben de politie, het Openbaar Ministerie en de Autoriteit Persoonsgegevens ontvangen over mensen die met camerabrillen zonder hun medeweten zijn gefilmd of van wie dergelijke beelden zijn gepubliceerd?
De AP heeft tot op heden zes signalen en één klacht binnengekregen over camerabrillen. Het Openbaar Ministerie beschikt niet over cijfers met betrekking tot aangiften.
Acht u het huidige kleine indicatielampje op camerabrillen voldoende duidelijk om omstanders te informeren dat zij worden opgenomen, mede gezien het feit dat dit lampje moeilijk zichtbaar kan zijn?
Op dit moment is het is voor veel mensen niet vanzelfsprekend dat een lampje op een bril betekent dat er gefilmd wordt. Daarbij is het mogelijk om het lampje te missen in drukke of fel verlichte omgevingen. Ook spelen visuele beperkingen, kleurwaarneming (bijv. kleurenblindheid) en kijkhoek mee.
Bent u bekend met de online aangeboden stickers, aanpassingen en instructies waarmee het opname-indicatielampje kan worden afgedekt of omzeild zonder dat de camera wordt uitgeschakeld? Bent u bereid te onderzoeken of de verkoop van dergelijke hulpmiddelen kan worden verboden?
Ja, ik ben ermee bekend dat er online stickers, aanpassingen en instructies circuleren om het opname indicatielampje op camerabrillen af te dekken of te omzeilen. Het is onwenselijk dat er middelen, instructies en zelfs diensten worden aangeboden die het doelbewust onmogelijk maken voor omstanders om te zien dat er wordt opgenomen.
Tegelijkertijd is een verkoopverbod op dergelijke hulpmiddelen juridisch kwetsbaar, eenvoudig te omzeilen, moeilijk handhaafbaar en onevenredig ingrijpend en kostbaar ten opzichte van het beperkte effect. De meeste materialen en accessoires hebben een legaal karakter. Het afbakenen van wat wel en niet mag is zeer lastig. Meta zelf geeft aan dat de camera automatisch wordt uitgeschakeld zodra de bril detecteert dat het led-lampje voor opname is bedekt, fysiek is gemanipuleerd of is vernietigd.9
Bent u bereid in Europees verband te pleiten voor bindende ontwerpeisen voor camerabrillen, waaronder een duidelijk en niet te omzeilen visueel en hoorbaar signaal tijdens het maken van foto-, video- of geluidsopnamen?
Nee, op dit moment niet. Ik acht het wenselijk om de bevindingen van het onderzoek van de EDPB af te wachten.
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om het dragen van deze brillen (deels) te verbieden in publieke ruimtes?
Een (gedeeltelijk) verbod op het dragen camerabrillen in publieke ruimtes is een ingrijpende maatregel. Dat kan alleen als er geen minder zwaarwegende alternatieven mogelijk zijn. Het gebruik van de camerabrillen is niet intrinsiek onwenselijk. Wat vooral belangrijk is, is dat wordt opgekomen tegen ongewenst gebruik van de brillen. Daarvoor zijn al mogelijkheden binnen het huidige wettelijke kader, waaronder het gegevensbeschermingsrecht.
Ik acht het voor nu verstandig om de bevindingen van de EDPB af te wachten, alvorens zelf een onderzoek te starten. De bevindingen van de EDPB kunnen ook relevant zijn voor de of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt.
Bent u bereid te onderzoeken of het juridisch mogelijk is om te verplichten dat de drager van een camerabril deze afzet of de opnamefunctie uitschakelt wanneer iemand in de directe omgeving aangeeft niet gefilmd of opgenomen te willen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke beperkingen gelden voor het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen? Bent u bereid zich in Europees verband uit te spreken tegen realtime gezichtsherkenning van willekeurige omstanders door particuliere gebruikers?
Het gebruik van gezichtsherkenning in combinatie met camerabrillen is aan strikte beperkingen onderhevig. Zonder een specifieke wettelijke grondslag en naleving van de waarborgen uit de AVG en de AI verordening is identificatie van willekeurige omstanders in de openbare ruimte door particuliere gebruikers niet toegestaan. Gelet op het reeds geldende EU en nationale kader acht het kabinet aanvullend oproepen tot actie in Europees verband niet nodig; de inzet blijft gericht op strikte toepassing en effectieve handhaving van de bestaande regels.
Hebben organisatoren van evenementen, horecagelegenheden, scholen, zorginstellingen, zwembaden en andere organisaties voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren? Bent u bereid hiervoor duidelijke landelijke richtlijnen op te stellen?
Ja. Organisatoren en beheerders hebben in de regel voldoende juridische mogelijkheden om camerabrillen te weren of het gebruik daarvan te beperken via huisregels, contractvoorwaarden en toegangsbeleid.
Bij vergunningsplichtige evenementen kan de gemeente aanvullende voorwaarden stellen. Exploitanten van private of semi publieke locaties (horeca, winkels, musea, zwembaden, sportscholen, evenemententerreinen) mogen een verbod of beperking op camerabrillen als huisregel of in algemene voorwaarden opnemen, mits zij kenbaar, niet discriminatoir en proportioneel zijn. Bij niet naleving kan de toegang worden geweigerd of beëindigd; bij weigering te vertrekken kan uiteindelijk strafrechtelijk worden opgetreden wegens lokaalvredebreuk (art. 138 Sr).
Scholen en zorginstellingen hebben een bijzondere zorg en veiligheidsverantwoordelijkheid richting leerlingen, patiënten en bezoekers. Vanuit die plicht is een vergaand verbod in onderwijs en zorgomgevingen (en zeker in kleed-, behandel- en rustruimten) goed te rechtvaardigen. In niet publieke ruimten zoals kleedkamers en toiletten is heimelijk filmen strafbaar.
Gelet op het bestaande wettelijk kader, dat voldoende duidelijke mogelijkheden biedt, acht ik een nieuwe landelijke richtlijn niet noodzakelijk.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen onderzoek te doen naar het gebruik van camerabrillen in Nederland, de gegevensstromen naar technologiebedrijven en mogelijke juridische lacunes, en de Kamer hierover vóór het einde van het jaar te informeren?
De AP heeft aangegeven bezorgd te zijn en de maatschappelijke ophef over de camerabril te begrijpen. Samen met andere Europese privacy-toezichthouders wordt daarom gekeken naar de impact van camerabrillen op privacy van mensen. Naar verwachting komt daar dit najaar meer duidelijkheid over. De AP heeft daarnaast momenteel een aantal klachten over camerabrillen in behandeling. Zoals vermeld in antwoord 9 verwacht de EDPB, waarin ook de AP vertegenwoordigd is, daarnaast dit najaar nog bevindingen te publiceren over camerabrillen. We zullen de zorgen rondom de camerabrillen met de AP in ons reguliere contact met de AP aankaarten. Het is aan de AP, als onafhankelijke toezichthouder, of zij hier nader onderzoek zal doen.
Het bericht dat Nederland online wordt aangeprezen als een groot asielparadijs. |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland online aangeprezen als een groot asielparadijs: «De deur staat open, neem je hele gezin mee»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Nederland inmiddels de populairste bestemming is om asiel aan te vragen bij Palestijnen, Soedanezen en Jemenieten?
Welke landen van herkomst in aantal veel voorkomen in de jaarlijkse instroomcijfers kunnen per jaar verschillen. Dit heeft te maken met een veelvoud aan factoren en het asielbeleid dat Nederland voert heeft daar slechts in beperkte mate invloed op.
Denkt u dat deze lieden u zullen helpen met het bestrijden van het islamitisch geweld tegen de lhbti-gemeenschap?
Geweld en intimidatie tegen lhbtiq+-personen zijn volstrekt onacceptabel, door wie dan ook gepleegd. Het kabinet zet zich daarom breed in voor de maatschappelijke acceptatie van de lhbtiq+-gemeenschap en voor het tegen gaan van alle vormen van geweld tegen de lhbtiq+-gemeenschap. Nederland moet en wil bescherming bieden aan mensen die hun land ontvluchten om wie ze zijn. Het kabinet verwacht ook van iedereen die naar Nederland komt dat hij de waarden van onze democratische samenleving omarmt, waaronder godsdienstvrijheid, gelijkheid van man en vrouw en acceptatie van lhbtiq+’ers.
Hoe beoordeelt u de abjecte uitspraken uit het artikel, zoals: «Waar kan ik me melden?», Geweldig nieuws voor Soedanese vluchtelingen», «Je kunt je hele gezin meenemen!», «Het is hier uitstekend. Kom gewoon.»?
Zoals uw Kamer bekend, is het verspreiden van onjuiste of onvolledige informatie via sociale media geen nieuw fenomeen. In deze context kan dit mensensmokkelaars in de kaart spelen, die profiteren van mensen die op zoek zijn naar een veilig heenkomen.
Wanneer heeft u besloten dat Nederland als het gaat om asiel de gestoorde dorpsgek van Europa moet worden?
Het Europese asielbeleid, zoals recent volledig is herijkt via het Asiel- en Migratiepact, is gebaseerd op individuele toetsing en rechtsstatelijke uitgangspunten die in Europese gezamenlijkheid zijn onderstreept. Bij de verwerking naar het Nederlandse toelatingsbeleid is gekozen voor een zo sober mogelijke implementatie.
De Uitvoerings- en implementatiewet van het Asiel- en migratiepact bevat daarnaast ook maatregelen als de invoering van een tweestatusstelsel, de aanscherping van de voorwaarden voor nareis, het verkorten van de geldigheidsduur van de verblijfstitel en het afschaffen van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.
Derhalve geeft het kabinet met een breed pakket aan maatregelen, welke vanzelfsprekend verenigbaar zijn met de grondrechten en het Europese en internationale recht en rechtsbeginselen, uitvoering aan maatregelen met als doel de instroom van asielzoekers en nareizigers te verminderen en de asielprocedure efficiënter in te richten.
Kortom, het Nederlandse asielbeleid voldoet aan de minimale Europeesrechtelijke normen en is in lijn met het beleid van andere lidstaten.
Bent u er trots op dat uw opengrenzenbeleid en het aanbieden aan asielzoekers van gratis opvang, zorg, leefgeld, maaltijden, geen eigen risico, geen eigen bijdrage en het met voorrang geven van sociale huurwoningen aan statushouders – de aantrekkingskracht van Nederland als walhalla voor asielprofiteurs heeft gemaximaliseerd?
Asielzoekers verblijven tijdens de behandeling van hun asielaanvraag tijdelijk in een opvangvoorziening. De voorzieningen die zij daar ontvangen, kunnen niet één-op-één worden vergeleken met de financiële positie en vaste lasten van personen die buiten de opvang wonen. De opvang biedt onderdak en andere basisvoorzieningen, maar gaat gepaard met beperkte keuzevrijheid ten aanzien van onder meer de woonlocatie en de inrichting van het dagelijks leven. Asielzoekers met inkomsten uit arbeid en of vermogen betalen daarnaast een eigen bijdrage aan de opvang.
Personen die buiten de opvang wonen hebben eigen lasten voor huisvesting, zorg en levensonderhoud, maar kunnen afhankelijk van hun situatie aanspraak maken op inkomensondersteunende regelingen en beschikken over rechten en zekerheden, zoals een eigen woonruimte en huurbescherming, die de opvang naar haar aard niet biedt.
Het kabinet onderkent dat de druk op de woningmarkt voor veel mensen groot is en dat betaalbare woonruimte voor veel woningzoekenden moeilijk beschikbaar is. Deze problematiek kent echter meerdere oorzaken en kan niet worden teruggebracht tot de huisvesting van statushouders of de voorzieningen die aan asielzoekers in de opvang worden geboden. Het kabinet zet daarom onverminderd in op zowel het vergroten als het beter benutten van de huidige woningvoorraad.
Tot slot maakt dit kabinet zich hard voor meer grip op migratie door uitvoering te geven aan het Europese Asiel- en Migratiepact, met meer uniformiteit in de wetgeving en beleid omtrent asiel in de EU lidstaten, het versterken van de Europese buitengrenzen, het invoeren van effectievere asielprocedures met kortere behandeltermijnen en het invoeren van een zogeheten solidariteitsmechanisme.
Realiseert u zich dat onze eigen mensen helemaal niets gratis, krijgen en zich blauw betalen aan huren en boodschappen en geen huis kunnen vinden of betalen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat dit beleid ongepast en kwaadaardig is? Zo ja, wilt u onmiddellijk aftreden? Zo nee, wilt u ook onmiddellijk aftreden?
Nee.
Hoeveel Nederlanders moeten nog jarenlang op een woning wachten, hoeveel miljarden aan belastinggeld moeten nog worden verspild aan de asielgekte, hoeveel wijken moeten nog verloederen, hoeveel Nederlanders moeten zich nog vreemde in eigen wijk, dorp of stad voelen, hoeveel homo’s moeten er nog in elkaar worden geslagen en hoeveel meisjes en vrouwen nog aangerand en vermoord, voordat u eindelijk bereid bent de Nederlandse grenzen te sluiten voor asielzoekers en hun gezinsleden en een totale asielstop in te voeren?
Dit kabinet kiest voor meer grip op migratie met als inzet de instroom te verlagen en vertrek van uitgeprocedeerde asielzoekers te verhogen. Zoals al vaker aangegeven bestaat er geen juridische ruimte voor een asielstop. Het Asiel- en migratiepact moet ons meer grip op de instroom in de Europese Unie geven. Om effectieve terugkeer en vertrek van niet-rechtmatig verblijvende vreemdelingen te bevorderen is het streven van het kabinet om met de nieuwe Terugkeerverordening de terugkeerprocedure simpeler, efficiënter en doeltreffender te maken en de samenwerking met landen buiten de Europese Unie te versterken, onder andere via migratiepartnerschappen.
Het wetsvoorstel Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring en de daarbij horende novelle die thans voorligt bij de Eerste Kamer zorgt eveneens voor een verbetering van het terugkeerbeleid en creëert een bestuursrechtelijk kader voor vreemdelingenbewaring. Met deze wet moet terugkeer beter kunnen worden afgedwongen als vreemdelingen moet vertrekken uit Nederland.
Wilt u deze vragen één voor één en binnen tien dagen beantwoorden?
Ik heb geprobeerd uw vragen zo spoedig mogelijk en waar mogelijk één voor één te beantwoorden.
Het onttrekkingsverbod van het Hoogheemraadschap van Delfland en de gevolgen voor de glastuinbouw. |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA), Joris Lohman (CDA) |
|
van Essen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het Hoogheemraadschap van Delfland vanaf woensdag 5 augustus een volledig verbod instelt op het onttrekken van oppervlaktewater en alle sluizen in het beheergebied sluit?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de constatering van Delfland dat dit de meest verstrekkende maatregel is die het waterschap ooit heeft genomen? Hoe beoordeelt u de omvang en urgentie van deze situatie?
Het hoogheemraadschap van Delfland (hierna: Delfland) noemt het onttrekkingsverbod op zijn website een uitzonderlijke situatie met grote gevolgen voor inwoners en bedrijven, maar geeft aan dat de maatregel onvermijdelijk is om grotere schade aan de leefomgeving te beperken. Die beschouwing deel ik. De droogte is in heel Nederland voelbaar en het neerslagtekort is in alle regio’s, ook die van Delfland, groot. De situatie van Delfland verschilt met andere regio’s vanwege de volgende aspecten: het neerslagtekort in deze regio is nog groter dan het gemiddelde in Nederland en de aanvoer van zoet water in het gebied is beperkt mogelijk. Bovendien is de watervraag vanuit de tuinbouw hoog en er liggen veel droogtegevoelige keringen in het beheergebied.
Delfland heeft de zorgplicht voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid van haar inwoners en het gebied. Vanwege het behoud van de peilen in het gebied zijn de verstrekkende maatregelen ingezet, omdat de situatie urgent is. Vanuit de verdringingsreeks, zoals vastgelegd in de wet, gaat bij watertekorten de veiligheid van keringen vóór op andere functies zoals landbouw. Dat is inmiddels ook bekend bij alle betrokken sectoren, zie ook bijlage 1. Daarbij wordt continue gekeken of maatregelen niet langer dan noodzakelijk van kracht zijn. Dit heeft er ook toe geleid dat Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk heeft opgeheven tot en met 26 augustus voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie).
Klopt het beeld dat de verminderde beschikbaarheid van zoetwater via het Brielse Meer en de Klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA) wordt veroorzaakt door een combinatie van aanhoudende droogte, een historisch lage afvoer van de Rijn en toenemende verzilting? Kunt u toelichten hoe de zoetwateraanvoer naar West-Nederland zich de afgelopen weken heeft ontwikkeld?
Ja, via de grote rivieren (met zeer lage en nog steeds afnemende afvoeren) en de klimaatbestendige Wateraanvoer (KWA+) wordt zoetwater aangevoerd naar West-Nederland. Water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek wordt met behulp van gemalen, watergangen en stuwen naar Midden- en West-Nederland gepompt, om daar watertekorten en verzilting zo veel mogelijk tegen te gaan. Door de hoge temperaturen is de verdamping erg groot, waardoor niet aan de volledige watervraag kan worden voldaan.
Hoe kan het dat tot voor kort de verwachting was dat het Brielse Meer voldoende zoetwater kon leveren, terwijl de aanvoer inmiddels is stopgezet? Op welk moment werd duidelijk dat dit noodzakelijk was? Was deze ontwikkeling, gelet op de al langer bekende lage Rijnafvoer en toenemende verzilting, eerder te voorzien?
Tot voor kort was de verwachting dat het Brielse Meer voldoende zoetwater kon leveren. Door de aanhoudend lage Rijnafvoer en toenemende verzilting kwam de zoetwatervoorziening echter onder druk te staan. De aanvoer uit het Brielse Meer is niet stopgezet. Het Brielse Meer loopt wel risico op verzilting. Verzilting vormt een probleem voor onder andere de landbouw omdat gewassen niet tegen zilt water kunnen. Ook voor andere functies die water uit het Brielse Meer gebruiken is verzilting een probleem, zoals voor de natuur en industrie.
Zijn de sector en de betrokken ondernemers naar uw oordeel tijdig betrokken en geïnformeerd over de maatregelen en stappen die worden genomen tijdens periodes van droogte, zoals we die momenteel kennen, zodat zij hierop adequaat kunnen anticiperen? Worden ook andere sectoren en ondernemers elders in het land, die te maken krijgen met uitzonderlijke maatregelen, zoals op het Twentekanaal2, tijdig geïnformeerd en meegenomen, zodat ook zij zich hierop kunnen voorbereiden?
Na het genomen besluit zijn alle stakeholders, waaronder de glastuinbouw, direct geïnformeerd. Het besluit is na 5 dagen in werking getreden, waarmee betrokkenen zich konden voorbereiden op het besluit.
Ook elders in het land worden sectoren en ondernemers geïnformeerd over de droogtesituatie, zodat ook zij zich hierop kunnen voorbereiden. Om betrokken partijen tijdig te informeren, wordt via verschillende kanalen informatie gedeeld over de ontwikkeling van droogte en de beschikbaarheid van zoetwater. Zo wordt onder meer via de Droogtemonitor Rijkswaterstaat (RWS) en binnen de Regionale Droogte Overleggen (RDO’s) informatie uitgewisseld over de actuele situatie en de te verwachten ontwikkelingen. Ook waterschappen informeren betrokken partijen hierover vanuit hun eigen verantwoordelijkheid.
Op welke wijze worden ondernemers die direct worden geraakt door dergelijke verstrekkende maatregelen na de inwerkingtreding daarvan betrokken bij de vervolgstappen, zodat zij tijdig duidelijkheid krijgen over het toekomstperspectief en hun bedrijfsvoering daarop kunnen afstemmen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Heeft u, dan wel Rijkswaterstaat, de afgelopen weken actief contact gehad met Delfland en de andere betrokken waterschappen over de aanvoer van zoetwater? Had het Rijk – bijvoorbeeld via de Landelijke Commissie Waterverdeling (LCW) – met een andere sturing op het hoofdwatersysteem deze acute situatie geheel of gedeeltelijk kunnen voorkomen, en welke rol pakt het Rijk nu? . Welke onomkeerbare schade ontstaat volgens u wanneer een onttrekkingsverbod slechts gedeeltelijk wordt ingesteld? Kunt u daarbij aangeven welke schade, naast schade aan dijken en de waterveiligheid, wordt voorkomen? Hoe verhoudt deze schade zich tot de gevolgen die een volledig onttrekkingsverbod heeft voor de glastuinbouw?
Ja, binnen het regionale droogteoverleg West Midden is er in de afgelopen weken continu afstemming geweest tussen de waterbeheerders (Rijkswaterstaat, Hoogheemraadschappen van Rijnland, Delfland, Schieland en de Krimpenerwaard, De Stichtse Rijnlanden en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht). Ook zijn de Staatssecretaris van LVVN en ik op 13 augustus jl. op werkbezoek geweest in het Westland en hebben daar samen met Glastuinbouw Nederland ondernemers in de glastuinbouw gesproken.
Vanaf begin juli vindt aanvullend landelijke afstemming en coördinatie plaats binnen de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling (LCW) en sinds half juli in het Managementteam Watertekorten (MTW). Binnen de LCW en MTW wordt de watervraag in de verschillende regio’s zo goed mogelijk bediend en wordt het water verdeeld conform de verdringingsreeks, maar de hoeveelheid beschikbaar water is te klein om aan alle waterbehoeften te voldoen. Vandaar ook de opschaling naar fase 2: feitelijk watertekort.
Welk beeld heeft u van de gevolgen van het onttrekkingsverbod voor de glastuinbouw? Hoeveel glastuinbouwbedrijven worden volgens u direct door het verbod geraakt? Bent u ermee bekend dat ondernemers aangeven dat hun waterbassins deze week droog dreigen te komen te staan, ondanks de gerealiseerde extra opvangcapaciteit? Zo ja, hoe beoordeelt u deze situatie?
Het algehele onttrekkingsverbod in het beheergebied van Delfland is genomen met het oog op de waterveiligheid. In het algemeen geldt dat de categorieën 1 en 2 van de verdringingsreeks maatschappelijke functies betreft, waarbij het voorkomen van maatschappelijke ontwrichting centraal staat. De categorieën 3 en 4 betreffen economische functies en overige behoeftes.
Worden er op dit moment noodoplossingen onderzocht om de sector door deze periode te helpen? Is bijvoorbeeld gezuiverd effluent uit rioolwaterzuiveringen inzetbaar, of andere alternatieve bronnen? Welke rol kan het Rijk daarbij spelen?
Binnen het beheergebied van Delfland bevinden zich circa 1.500 glastuinbouwbedrijven. Naar schatting teelt 10% hiervan in de volle grond en is afhankelijk van water uit sloten en regenbassins. Deze bedrijven worden direct geraakt door het onttrekkingsverbod van Delfland. Bij een langdurig verbod kan schade ontstaan aan gewassen en daarmee aan de productie en bedrijfscontinuïteit. De overige 90% van de bedrijven zijn niet volledig afhankelijk van het gebruik van oppervlaktewater. Deze bedrijven kunnen recirculeren en/of alternatieve waterbronnen inzetten.
Het is mij bekend dat ondernemers aangeven dat hun waterbassins droog dreigen te komen te staan. Dit onderstreept de ernst van de situatie. Tegelijkertijd sta ik achter de keuze van Delfland om binnen de geldende wettelijke kaders en de daarbij behorende verdringingsreeks te handelen en een onttrekkingsverbod in te stellen.
Wanneer de situatie verbetert en oppervlaktewater weer beschikbaar komt: op welke wijze wordt bepaald welke sectoren en organisaties als eerste weer water mogen gebruiken? Deelt u de opvatting dat daarbij gekeken moet worden naar de partijen die de grootste en meest onomkeerbare schade lijden, zoals teelten, jonge natuur- en groenaanplant en sportvelden?
Ja, met betrokkenheid van mijn departement wordt momenteel onder leiding van Delfland met urgentie onderzocht of- en onder welke voorwaarden aanvullende mogelijkheden om water te kunnen leveren aan de sector beschikbaar zijn. Er liggen meerdere opties op tafel, zoals bijvoorbeeld ontzilting van brak- of zoutwater, hergebruik van effluent en wateraanvoer vanuit het Hollands Diep via tankwagens. Tevens heeft Delfland het onttrekkingsverbod voor oppervlaktewater tijdelijk opgeheven (t/m 26 augustus) voor gebruikers in categorie 3 (kapitaalintensieve gewassen en proceswater industrie).
Welke structurele maatregelen neemt u, samen met de waterschappen en de betrokken sectoren, om de zoetwatervoorziening in Nederland toekomstbestendig te maken en herhaling van situaties zoals de huidige zo veel mogelijk te voorkomen? Welke aanvullende of specifieke maatregelen acht u daarbij noodzakelijk voor West-Nederland, gelet op de kwetsbaarheid van deze regio voor zoetwatertekorten?
Zolang er nog sprake is van watertekorten, blijft opschalingsniveau 2 van kracht. Water wordt dan verdeeld volgens de verdringingsreeks. Als de situatie zodanig verbetert dat er meer water beschikbaar is dan nodig in categorie 1 en 2, wordt gekeken hoe maatschappelijk gezien binnen categorie 3 en vervolgens categorie 4 het water zo goed mogelijk verdeeld kan worden. In de praktijk wordt gestuurd op het zoveel mogelijk voorkomen van schade. Welke sectoren binnen de categorieën van de verdringingsreeks dan in welke volgorde worden bediend, verschilt per regio en is afhankelijk van het weer en de waterhuishoudkundige situatie.
Hoe kan er, in samenwerking met waterschappen en regionale overheden, voor gezorgd worden dat ondernemers in het Westland, maar ook elders in Nederland die door droogte of de daaruit voortvloeiende maatregelen kunnen worden geraakt, tijdig worden geïnformeerd en betrokken, zodat zij zich adequaat kunnen voorbereiden en in hun bedrijfsvoering kunnen anticiperen op de gevolgen van dergelijke maatregelen?
In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste. Tot nu toe is in de praktijk vooral ingezet op optimaliseren van het huidige watersysteem. In de droge jaren 2018, 2022 en ook dit jaar, hebben we daar de vruchten van geplukt. Voorbeelden van optimalisatie zijn de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland (KWA), de aanleg van de Roode Vaart in Zevenbergen, waterbesparende maatregelen bij de stuwen en sluizen in de Maas, het optimaliseren van de waterverdeling over de Rijntakken, het aanpassen van gemalen voor het regionale watersysteem en Slimwatermanagement. Met de huidige klimaatverandering is dit echter niet langer voldoende, gelet op de omvang van de zoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Dit vergt meer ingrijpende systeemmaatregelen, maar ook aanpassingen in onze ruimtelijke ordening en aanpassingen van gebruikers en sectoren.
Systeemmaatregelen worden onder andere voorbereid in het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0. Zo is uit onderzoek gebleken dat voor de Waal de aanleg van een meergeulensysteem gecombineerd met het aanvullen van sediment (suppleren) de enige maatregel is die de bodem structureel kan stabiliseren én die tegelijkertijd bijdraagt aan bevaarbaarheid, natuurherstel en een betere verdeling van zoetwater over de Rijntakken. In juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van dit programma3. Deze maatregelen zijn ook van belang voor de regio West-Nederland.
Verder wordt gewerkt aan het Deltaplan Zoetwater fase 3 (2028–2033), waarin individuele maatregelen worden beoordeeld op hun hydrologische effectiviteit, kosten, baten en maatschappelijke effecten. Daarbij wordt ook gekeken naar maatregelen in het regionale watersysteem, waaronder dat van West-Nederland. De inzet is daarmee niet alleen gericht op het vergroten van de beschikbaarheid van zoetwater tijdens perioden van lage rivierafvoer, maar vooral op het benutten van perioden waarin water beschikbaar is om een zoetwaterbuffer op te bouwen. Naast fysieke maatregelen wordt onderzoek voorbereid, waaronder een Kennisimpuls Externe Verzilting. Dit is voor de regio West-Nederland van groot belang. Of de maatregelen (regionaal en in het hoofdwatersysteem) daadwerkelijk in uitvoering kunnen worden gebracht, is afhankelijk van de beschikbare financiering uit het Deltafonds4. Hiervoor geldt een prioriteringsopgave, waardoor er landelijk wordt gekeken welke maatregelen het meest urgent zijn.
Bent u bereid deze vragen, gelet op de urgentie en het acute karakter voor de betrokken ondernemers, met spoed en bij voorkeur binnen enkele weken te beantwoorden?
Er is nauw contact tussen de ondernemers en de waterbeheerders. De huidige droogtesituatie kent een lange aanloop en betrokkenen zijn in de reguliere overlegsituaties daar al zoveel mogelijk op voorbereid. Dit betreft niet alleen informatievoorziening over de actuele situatie maar ook meer structureel bij het opstellen van procedures en protocollen. Dit geldt zowel bij hoogwatersituaties als bij neerslagtekorten. Dit was ook één van de punten die uit de evaluatie van de droogte in 2018 en 2022 volgde.
Ook in het kader van het Deltaprogramma wordt al sinds langere tijd gesproken over «waterbeschikbaarheid». Ondernemers weten inmiddels ook dat 100% waterbeschikbaarheid niet bestaat. Als ondernemers de risico’s voor hun bedrijfsvoering te groot vinden, dan kunnen ze daar zelf aanvullende maatregelen voor nemen. Bijvoorbeeld met een groter bassin, grijswateraanvoer of waterbesparende maatregelen. Veel ondernemers hebben dat ook al gedaan. De ervaringen van deze droogte zullen waar mogelijk worden vertaald naar aanvullende maatregelen en afspraken en kunnen mogelijkerwijs leiden tot aanpassingen in de bedrijfsvoering. Daarbij zijn echter ook beperkende factoren aan de orde, zoals gebrek aan ruimte voor wateropslag en de gesteldheid van de bodem.
De opname van aangiftes van slachtoffers die zich hebben verdedigd na een geweldsincident |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lizzy (21) uit het niets zwaar mishandeld door getinte spierbundel: «Hij stormde op me af en begon me in mijn gezicht te slaan»»?1
Ja.
Hoe vaak is sinds 1 januari 2026 geweigerd dan wel afgeraden een aangifte van een geweldsslachtoffer op te nemen omdat de politie meende dat sprake was van een conflict tussen beide partijen, wederzijds geweld of noodweer/zelfverdediging? Wordt dit geregistreerd? Zo nee, waarom niet?
Wanneer er vermoedens zijn van een strafbaar feit, wordt er altijd aangeraden en aangemoedigd om hiervan aangifte te doen bij de politie.
De politie is verantwoordelijk voor toegankelijke en zorgvuldige dienstverlening aan iedere burger. Aangiften worden, ongeacht de ernst van het misdrijf, opgenomen wanneer zij aan de wettelijke vereisten voldoen. Dit wordt niet geregistreerd, omdat de politie geen gegevens vastlegt over aangiftes die niet zijn opgenomen.
Kunt u aangeven op grond van welke wettelijke bepalingen, beleidsregels of werkinstructies de politie kan besluiten een aangifte van een geweldsincident niet op te nemen? Op basis van welke criteria beoordeelt de politie of een aangifte wel of niet wordt opgenomen?
Eenieder die kennis draagt van een strafbaar feit mag hiervan aangifte doen. Aangiften worden, ongeacht de ernst van het misdrijf, opgenomen wanneer zij aan de wettelijke vereisten voldoen. Bij de verdere opvolging en prioritering van zaken weegt de politie onder meer de ernst van het misdrijf, de situatie van het slachtoffer en het belang van eventueel opsporingsonderzoek mee.
Het maken van keuzes in de opsporing behoort standaard tot het werk van het Openbaar Ministerie en de politie en vindt plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie.
Deelt u de opvatting dat slachtoffers die zich hebben verdedigd, niet ontmoedigd mogen worden om aangifte te doen? Zo nee, waarom niet?
Slachtoffers hebben altijd recht om aangifte te doen. De politie moedigt het juist aan om aangifte te doen wanneer er sprake is, of vermoedens zijn van een strafbaar feit. Er zijn verschillende manieren voor slachtoffers om aangifte te doen.
Zo ontwikkelt de politie haar dienstverlening steeds meer in een omnichannel-vorm, ook voor het doen van aangifte. Dat houdt in dat burgers, afhankelijk van de aard van hun melding, via de juiste route worden geholpen, zodat het contact aansluit bij hun situatie en behoefte. Voor het doen van aangifte zijn politie.nl en 0900-8844 in principe de primaire ingangen. Via deze kanalen kan voor een aantal strafbare feiten direct aangifte worden gedaan. In andere gevallen adviseert en verwijst de politie bijvoorbeeld om telefonisch aangifte te doen of een afspraak te maken voor een aangifte op het bureau.
Op welke wijze wordt de politie geïnstrueerd om onderscheid te maken tussen een aanvaller en iemand die uit noodweer of zelfverdediging heeft gehandeld?
De opleiding BOA Intake en Service van de Politieacademie leidt de deelnemers op als eerste aanspreekpunt voor burgers aan de telefoon of aan de balie. Wat betreft de opname van aangiftes wordt van de politiemedewerkers verwacht dat zij de richtlijnen volgen, maar hier ook beargumenteerd van kunnen afwijken als de situatie daarom vraagt.
De politiemedewerkers worden getraind om bij het opnemen van aangiftes gesprekstechnieken toe te passen en de hulpvraag en de situatie te verduidelijken, zodat de feitelijke gegevens zo goed mogelijk op papier komen. Het is aan het OM om op basis van alle verklaringen in het proces-verbaal te beoordelen of er sprake is van noodweer of zelfverdediging.
Acht u het wenselijk dat de politie slachtoffers actief informeert over de mogelijkheid om aangifte te doen, ook wanneer zij zich tijdens het incident hebben verdedigd? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat slachtoffers nooit de indruk mogen krijgen dat zij geen aangifte kunnen doen omdat zij zich tegen een aanval hebben verdedigd? Welke maatregelen neemt u om dit te waarborgen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid de werkinstructies voor de politie aan te scherpen, zodat slachtoffers van geweld niet worden ontmoedigd aangifte te doen en aangiften in beginsel altijd worden opgenomen?
De politie heeft voldoende handvatten om aangiftes goed en professioneel op te pakken. Er zijn mij geen signalen bekend die vragen om aanscherping van de werkinstructies van de politie.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk, in ieder geval vóór 9 september 2026 beantwoorden?
Ja.
De onveilige situatie bij zorgcentrum Pelgromhof in Zevenaar |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Dochter krijgt telefoontje van zorgcentrum en ontdekt dat er maar één medewerker is voor 26 ouderen»1 en «Eigen personeel van zorgcentrum hoopt dat werkgever omvalt: «Dat is voor iedereen beter»»?2
Ja, ik heb de artikelen gelezen. Ze schetsen een ernstig beeld van de situatie bij deze zorgaanbieder. Ik ben geschrokken van de berichtgeving, want ik vind het belangrijk dat ouderen veilige en liefdevolle zorg en ondersteuning krijgen die voldoet aan het kwaliteitskader dat hiervoor geldt. De IGJ doet onafhankelijk onderzoek naar de meldingen die bij hen zijn gemaakt.
Klopt het dat bij zorgcentrum Pelgromhof één jonge medewerker alleen verantwoordelijk was voor 26 kwetsbare ouderen en dat er geen avond- en nachtdienst aanwezig was?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Deelt u de mening dat het volstrekt onverantwoord is dat één medewerker alleen wordt gelaten met 26 kwetsbare bewoners? Zo nee, waarom niet?
Vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek van de IGJ kan ik geen uitspraken doen over de kwaliteit en veiligheid van zorg op de locaties Maria Postel en Pelgromhof van Pecura Zorg. Meer in het algemeen moeten zorgaanbieders voldoen aan de normen en regels met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Klopt het dat er twaalf diensten openstonden, dat medewerkers zelf vervanging moesten regelen en dat aan familieleden werd gevraagd bij te springen? Hoe worden onder deze omstandigheden de continuïteit en veiligheid van de zorg gegarandeerd?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de meldingen over een bewoner die ’s nachts in het eigen braaksel lag, een bewoner die tijdens het lopen haar katheter verloor en een bewoner die ten val kwam? Zijn deze incidenten gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kan de inspectie niet ingaan.
Klopt het dat zorgverleners in opleiding zelfstandig nachtdiensten draaien en dat diensten worden uitgevoerd door zzp’ers die niet altijd voldoende gekwalificeerd zijn? Vindt u dit verantwoord?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Bent u bekend met de signalen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk meermaals is overtreden en dat zieke medewerkers onder druk worden gezet om snel weer aan het werk te gaan? Welke stappen worden hiertegen genomen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding van een vakbond ontvangen dat de Arbeidstijdenwet mogelijk is overtreden. Tevens is gemeld dat er sprake is van hoge werkdruk en onderbezetting en het ontbreken van een basiscontract. Gezien het faillissement van Percura Zorg zullen deze meldingen niet meer onderzocht worden.
Klopt het dat Percura Zorg sinds 13 mei jl. niet meer beschikt over een arbodienst en daardoor ook geen bedrijfsarts heeft, nadat de arbodienst de dienstverlening wegens wanbetaling heeft beëindigd? Welke gevolgen heeft dit voor de begeleiding en bescherming van medewerkers en welke maatregelen worden genomen om deze situatie zo snel mogelijk te herstellen?
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft recent een melding hierover ontvangen. Gelet het faillissement van Percura zorg zal deze melding niet meer worden onderzocht.
Hoeveel meldingen hebben de IGJ en de Nederlandse Arbeidsinspectie ontvangen over Percura Zorg en welke maatregelen zijn tot nu toe genomen?
Over Percura Zorg B.V. zijn bij de IGJ in 2026 10 meldingen en signalen binnengekomen. Op de inhoud hiervan kunnen we niet ingaan. De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft in de jaren 2024 en 2026 in totaal 9 meldingen over Percura Zorg ontvangen. In 2024 heeft onderzoek plaatsgevonden, waarin 3 meldingen zijn onderzocht, met als resultaat één overtreding waarvoor een waarschuwing is gegeven. Zoals ook is aangegeven bij vragen 7 en 8, zijn recent twee meldingen door een vakbond gedaan, die vanwege het faillissement van Percura zorg niet worden onderzocht. De overige meldingen lagen niet op het werkterrein van de Nederlandse Arbeidsinspectie of kwamen niet in aanmerking voor onderzoek.
Op welke wijze wordt voorkomen dat de financiële problemen van Percura Zorg, waaronder wanbetaling aan uitzendkrachten en andere dienstverleners, ten koste gaan van de veiligheid en continuïteit van de zorg voor de bewoners?
Percura Zorg B.V. is per 11 augustus 2026 failliet verklaard. De zorg die geleverd werd op de locatie Maria Postel is inmiddels overgenomen door een nieuwe partij. Voor de locatie Pelgromhof wordt nog gezocht naar een overnemende partij. De curator is verantwoordelijk voor de afwikkeling van het faillissement van Percura zorg B.V. De zorg voor de ruim 20 bewoners loopt ondertussen door, aldus de curator. Het toezicht van de IGJ richt zich de komende periode op de kwaliteit van de zorg die nog geleverd wordt en een zorgvuldige overgang van cliënten naar een nieuwe zorgaanbieder. IGJ is daarover in gesprek met de bestuurder en de curator. Het zorgkantoor is vanuit diens zorgplicht hard aan het werk om de continuïteit van zorg te waarborgen. De NZa houdt hier toezicht op.
Waarom is bij de locatie Pelgromhof nog niet ingegrepen, terwijl medewerkers al langere tijd waarschuwen voor ondermaatse zorg en de locatie Maria Postel inmiddels failliet is verklaard?
De IGJ heeft in de afgelopen periode zowel de locatie Maria Postel als Pelgromhof van Percura Zorg bezocht. De resultaten hiervan zijn nog niet openbaar. Vooruitlopend hierop kan de inspectie geen uitspraken doen over haar bevindingen.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de uitkomsten van de onderzoeken van beide inspecties en over de maatregelen die worden genomen?
De recente meldingen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie worden vanwege het faillissement van Percura zorg niet onderzocht.
De IGJ zal zodra het onderzoek afgerond is haar rapport publiceren op haar website.