Kamervraag 2026Z16846

Brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclingsector

Ingediend 12 augustus 2026
Beantwoord 8 september 2026 (na 27 dagen)
Indieners Gidi Markuszower (PVV), Hidde Heutink (PVV)
Beantwoord door Eerenberg , Stientje van Veldhoven (D66)
Onderwerpen afval natuur en milieu
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z16846.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2973.html
  • Vraag 1
    Bent u bekend met de berichten over brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclingsector?1

    Ja.

  • Vraag 2
    Bent u bekend met de recente branden bij afvalverwerkers in Alkmaar (29 juli 2026) en Rotterdam-Charlois (nacht van 7 op 8 augustus 2026, opgeschaald naar Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdingsprocedure 2)? Kunt u bevestigen dat, zoals de sector zelf meldt, ongeveer 38 procent van de branden bij afvalverwerkers wordt veroorzaakt door batterijen en accu's in het afval?

    Ja ik ben bekend met de recente branden bij deze afvalverwerkers. Het Rijk houdt zelf niet bij hoeveel afvalbranden er plaatsvinden en kan daardoor niet bevestigen welk aandeel daarvan wordt veroorzaakt door batterijen en accu’s in het afval.

  • Vraag 3
    Welke maatregelen overweegt u om de gescheiden inzameling van batterijen en accu's te vergroten, gelet op het beperkte effect van de huidige vrijwillige campagnes?

    Voor batterijen en accu’s geldt een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV). De producenten van batterijen en accu’s moeten op het moment dat deze producten afval worden zorgen voor de inzameling en de verwerking. In Nederland voeren Stichting Open en AutoRecycling Nederland deze verplichtingen namens de producenten uit.
    De UPV verplichting komt voort uit de Europese batterijenverordening die vorig jaar is herzien. Met de herziening van de Batterijverordening worden de regels voor inzameling aangescherpt: er worden concrete eisen gesteld aan het door de producenten op te zetten inzamelsysteem, zodat er zoveel mogelijk batterijen gescheiden ingezameld worden. Ook wordt er naast een aangescherpte inzameldoelstelling voor afgedankte draagbare batterijen2, een aparte inzameldoelstelling ingevoerd voor batterijen voor lichte vervoersmiddelen3. Om de inzameldoelen te halen zijn er verschillende knoppen waar de producenten aan kunnen draaien: de toegankelijkheid van het inzamelsysteem, bekendheid van het inzamelsysteem en motivatie bij ontdoeners om hun afval op een juiste manier in te leveren, bijvoorbeeld door het geven van een retourpremie of het invoeren van statiegeld. Het is aan de producenten om hier een effectieve mix aan maatregelen te vinden. De producenten zijn in ieder geval verplicht om eindgebruikers te informeren over de juiste wijze van inzameling van afgedankte batterijen. De ILT controleert of producenten deze verplichtingen in de praktijk brengen en handhaaft wanneer dat niet het geval is.
    Daarnaast zal de Europese Commissie uiterlijk 31 december 2027 een onderzoek uitvoeren naar de verplichte invoering van een statiegeldsysteem, met name voor draagbare batterijen, om meer batterijen gescheiden in te zamelen.

  • Vraag 4
    Bent u bekend met de risico's van lachgascilinders in afvalstromen als bron van brand- en explosiegevaar, en welke maatregelen overweegt u om te voorkomen dat deze in reguliere afvalstromen terechtkomen?

    Ja ik ben bekend met de risico’s van lachgascilinders in afvalstromen. Vanuit het Rijk wordt ingezet op preventie (verminderen van de vraag naar lachgas voor recreatief gebruik), handhaving (verminderen van het aanbod van lachgas voor recreatief gebruik) en het ondersteunen van gemeenten om (doelmatig) afvalbeheerbeleid vorm te geven4. In aanvulling op het nationale beleid zet de Europese Commissie in op een lachgasverbod voor recreatief gebruik vanaf Q1 2027. Nederland steunt een Europees verbod, voortbouwend op het landelijk verbod.

  • Vraag 5
    Onderkent u broei als zelfstandige, structurele oorzaak van brandgevaar bij afvalverwerkers? Welk beleid voert u om dit te voorkomen of vroegtijdig te detecteren?

    Broei in afvalhopen kan een mogelijke oorzaak zijn van brandgevaar bij afvalverwerkers. Het is aan afvalverwerkende bedrijven zelf om de risico’s op broeibranden te mitigeren. Hier zal dus geen beleid op worden gevoerd vanuit het kabinet.

  • Vraag 6
    Bent u bereid met de Vereniging Afvalbedrijven, Brandweer Nederland en Stichting Open te komen tot een samenhangende aanpak van deze drie brandoorzaken en de Kamer hierover dit jaar te informeren?

    Samenwerking is inderdaad belangrijk om dit vraagstuk aan te pakken. Daarom is er sinds 2018 een Taskforce Batterijbranden opgezet, gericht op het aanpakken van batterijbranden. Daarin trekken Stichting Open, de Vereniging Afvalbedrijven, de Koninklijke Vereniging voor Afval- en Reinigingsmanagement (NVRD), de branchevereniging voor bouw- en slooprecycling BRBS, branchevereniging Transport en Logistiek Nederland en het Nationaal Recycling Forum gezamenlijk op. Het ministerie en de Inspectie Leefomgeving en Transport sluiten waar nodig aan.

  • Vraag 7
    Kunt u bevestigen dat het tarief van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties oploopt tot 295 euro per ton CO2 in 2030 en de afvalstoffenbelasting stijgt van 39,71 euro per 1.000 kg in 2025 naar 90,21 euro in 2028? Klopt het dat deze kosten via gemeenten worden doorbelast aan huishoudens, ook aan huishoudens die al zorgvuldig scheiden?

    De genoemde belastingtarieven zijn onderdeel van een technische invulling. Momenteel vindt er besluitvorming plaats over een alternatieve invulling hiervan. Afvalverwerkers zijn belastingplichtig voor de afvalstoffenbelasting en CO2-heffing industrie. De lasten van de CO2-heffing en afvalstoffenbelasting slaan in eerste instantie neer bij de afvalverbrandingsinstallaties (AVI), die deze (deels) zullen doorberekenen aan afvalontdoeners (bedrijven of gemeenten). De budgettaire opbrengst zal, indien AVI’s deze volledig doorberekenen in de poorttarieven, naar verwachting voor 40% door bedrijven betaald worden en voor circa 60% via afvalverwerkers terecht komen bij gemeenten. Gemeenten kunnen deze kostenpost via de afvalstoffenheffing (deels) doorberekenen aan hun inwoners of ervoor kiezen om dit (deels) via de algemene middelen te dekken. Afhankelijk van hoe deze lastenverzwaring lokaal wordt gedekt en in hoeverre in de betreffende gemeente gebruik wordt gemaakt van tariefdifferentiatie op restafvalaanbod om zorgvuldige scheiding te belonen, kan dit ertoe leiden dat ook huishoudens die zorgvuldig afval scheiden meer moeten betalen. Dit betreft lokale politieke keuzes.

  • Vraag 8
    Is onderzocht welk aandeel van het afval, gelet op praktische scheidingsbeperkingen (bijvoorbeeld in hoogbouw en bij openbare afvalbakken), op korte termijn daadwerkelijk aan verbranding kan worden onttrokken? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken voordat de heffing verder wordt aangescherpt?

    Rijkswaterstaat voert een jaarlijks samenstellingsonderzoek uit van het huishoudelijke restafval. Uit dit onderzoek blijkt dat het huishoudelijk restafval nog voor minstens 80% uit recyclebaar materiaal bestaat. De taak om huishoudelijke afvalstoffen gescheiden in te zamelen ligt bij de gemeente. Zij hebben het meeste handelingsperspectief om de gescheiden inzameling van afvalstoffen op korte termijn te verbeteren. Via het Uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof- Huishoudelijk Afval (VANG-HHA) worden gemeenten ondersteund bij het maken van doelmatig afvalbeheerbeleid. Binnen het programma is ook aandacht voor afvalscheiding in de hoogbouw. In aanvulling op het uitvoeringsprogramma VANG-HHA onderzoekt het kabinet momenteel of de uitzonderingsgronden om als gemeente af te zien van de gescheiden inzameling van bioafval, welke vaak bij de hoogbouw wordt ingezet, kan worden geschrapt. Daarnaast onderzoekt het kabinet momenteel of afvalscheiding in Nederland kan worden gestandaardiseerd en wordt het instrument uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) doorontwikkeld. Al deze activiteiten kunnen eraan bijdragen dat minder recyclebaar materiaal verbrand wordt.

  • Vraag 9
    Is bij deze heffing meegewogen dat afvalverbrandingsinstallaties ook restwarmte leveren aan stadsverwarming, en dat een snelle afname van te verbranden afval tot een warmtetekort kan leiden zolang alternatieven daarvoor niet op schaal beschikbaar zijn?

    Warmtelevering door AVI’s is ook in de impactanalyse van Trinomics onderzocht5. In 2018 leverden AVI’s 1,5% van de totale nationale warmtevraag. Bovendien leveren AVI’s 20% van de warmtevraag voor grote stadsverwarmingsnetwerken, dit is geconcentreerd in bepaalde regio’s die soms meer afhankelijk zijn van AVI-warmte dan deze 20%. Het onderzoek geeft aan dat het onduidelijk is in hoeverre een vermindering van verbranding door AVI’s ertoe zou leiden dat deze gebieden niet meer van voldoende warmte voorzien worden, of dat andere warmtebronnen de warmte van AVI’s zouden kunnen vervangen. Wel wordt door de onderzoekers aangegeven dat de efficiëntie van het gebruik van AVI-warmte zou kunnen worden verhoogd en dat er nog steeds capaciteit qua warmtelevering kan zijn als er minder afval wordt verbrand. Tot slot worden door de onderzoekers ook kansen benoemd voor innovatie en alternatieve oplossingen voor de warmtevoorziening indien er minder AVI-restwarmte zou zijn.

  • Vraag 10
    Bent u bereid de versnelde verhoging van de CO2-heffing op te schorten totdat voldoende schaalbare alternatieven, zowel recyclingcapaciteit als vervangende warmte- en energiebronnen, beschikbaar zijn?

    De versnelde verhoging van de CO2-heffing is onderdeel van een technische invulling. Momenteel vindt de besluitvorming over een alternatieve invulling van deze technische invulling plaats, de resultaten hierover worden met Prinsjesdag bekendgemaakt. Het kabinet kan niet op deze besluitvorming vooruitlopen.

  • Vraag 11
    Bent u bereid te onderzoeken of vergunningverlening en handhaving voor afvalverwerking en recycling, nu grotendeels belegd bij gemeenten, beter op provinciaal niveau kan worden georganiseerd om ongelijke behandeling tussen gemeenten te verminderen?

    Voor grote afvalverwerkers geldt op dit moment al dat zij onder het bevoegd gezag van gedeputeerde staten vallen. De omgevingsdiensten voeren vergunningverlenings-, handhavings- en toezichtstaken uit voor gemeenten en provincies. In het Circulair Materialenplan (CMP) geeft het Rijk toetsingskaders mee waar het bevoegd gezag rekening mee moet houden bij het nemen van besluiten (zoals vergunningen) voor afvalverwerking, het houden van toezicht en de handhaving. Deze toetsingskaders dragen bij aan een gelijk speelveld in Nederland.

  • Vraag 12
    Klopt het dat verbranding van geverfd/geïmpregneerd hout (C-hout) in Nederlandse bioenergiecentrales niet is toegestaan, terwijl dit hout wordt geëxporteerd naar Duitsland waar dit wel mag? Bent u bereid te bezien of dit onder de juiste emissie-eisen ook in Nederland mogelijk kan worden gemaakt?

    C-hout is gevaarlijk afval omdat het schadelijke stoffen bevat, bijvoorbeeld omdat het is geverfd of geïmpregneerd. Ter bescherming van het milieu is de verwerking van C-hout onderhevig aan regels. Zo moeten bio-energiecentrales waarin C-hout wordt verbrand, om de benodigde vergunning te verkrijgen, voldoen aan eisen om te voorkomen dat de schadelijke stoffen in het milieu terechtkomen. Zodra aan alle (vergunnings)eisen wordt voldaan, is het ook in Nederland toegestaan om C-hout te verwerken in een bio-energiecentrale. Het is uiteindelijk aan bio-energiecentrales zelf om ervoor te kiezen om de noodzakelijke investeringen te maken om aan de eisen te voldoen en de noodzakelijke vergunningen te verkrijgen.

  • Vraag 13
    Herkent u het signaal dat recyclingbedrijven door opeenstapeling van regelgeving worden geconfronteerd met beperkingen op inname of verwerking, terwijl die inname wettelijk of maatschappelijk noodzakelijk blijft en verwerking duur of onmogelijk wordt? Deelt u de opvatting dat dit voor deze bedrijven op termijn economisch niet houdbaar is?

    Uit de vraag is niet duidelijk op welke regelgeving wordt gedoeld. Het signaal wordt in die zin niet herkend. Wel is het kabinet in bredere zin bekend met de kansen en uitdagingen van de afvalverwerkende sector, zoals recyclers. Het kabinet staat hierover in goed contact met de afvalsector, bijvoorbeeld via de verschillende ketentafels. Het Nederlandse circulaire economiebeleid is er onder andere op gericht om de recycling van afvalstoffen te bevorderen. Daarbij hoort ook het wegnemen van onnodige regeldruk. Ook Europees, waar veel afvalstoffenwetgeving wordt vormgegeven, pleit Nederland op harmonisatie van regelgeving en waar mogelijk het verminderen van regeldruk6.

  • Vraag 14
    Bent u bereid te onderzoeken hoe primaire grondstoffen fiscaal zwaarder belast kunnen worden en gebruik van secundaire grondstoffen kan worden gestimuleerd, om het speelveld tussen primaire leveranciers en recyclingbedrijven gelijker te maken?

    Fiscale maatregelen kunnen een belangrijke rol spelen in het aanjagen van de circulaire economie en het aanpakken van knelpunten. De tot nu toe uitgevoerde onderzoeken en verkenningen laten echter zien dat maatregelen aan het begin van de keten, zoals het belasten van primair grondstofgebruik, beter in Europees verband kunnen worden genomen. Een voorbeeld van een effectieve fiscale prikkel is de combinatie van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) en het carbon border adjustment mechanism (CBAM). Daar zet Nederland dan ook op in. Het kabinet blijft tegelijkertijd ook verkennen wat er daarnaast nationaal kan en is hier ook bereid een aanvullend onderzoek naar te laten doen.

  • Vraag 15
    Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat Circulaire economie?

    Ja.

  • Mededeling - 4 september 2026

    De vragen van de leden Heutink en Markuszower (beiden Groep Markuszower) over brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclesector (2026Z16846) kunnen niet binnen de gebruikelijke termijn worden beantwoord. De vragen raken meerdere ministeries, waardoor interdepartementale afstemming nodig is. Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk de antwoorden op de vragen doen toekomen.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2026Z16846
Volledige titel: Brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclingsector
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20252026-2973
Volledige titel: Antwoord op vragen van de leden Heutink en Markuszower over brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclingsector