Kamervraag 2026Z16892

Het gebruikmaken van de brievenadministratie en de aangetroffen fysieke FIOD-dossiers.

Ingediend 13 augustus 2026
Beantwoord 8 september 2026 (na 26 dagen)
Indiener Simon Ceulemans (JA21)
Beantwoord door Sandra Palmen (NSC)
Onderwerpen financiën organisatie en beleid sociale zekerheid
Bron vraag https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z16892.html
Bron antwoord https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2977.html
  • Vraag 1
    Waarom geeft u in het antwoord van 10 juli 2026 op schriftelijke vragen over de brievenadministratie rond het massale uitvraagproces (Kamerstuk 2026Z14866) aan dat om een uitspraak over de mate van gedupeerdheid van ouders aan de hand van de brievenadministratie te kunnen doen de integrale beoordeling volledig overgedaan zou moeten worden? Wat zou er bijvoorbeeld in het gesprek met betrekking tot het ouderverhaal aan de orde gebracht kunnen worden dat niet eerder is besproken?

    Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van drie gronden: 1) vooringenomenheid (zowel groepsgewijs als individueel), 2) hardheid van het stelsel, of 3) een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld (O/GS). De toetsing van gedupeerdheid op basis van deze gronden is volgordelijk. Dit betekent dat als een ouder gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid (de gedupeerdheidsgrond waaronder non respons valt) er niet meer wordt getoetst of een ouder ook gedupeerd is op basis van hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie O/GS. Daarnaast is het zo dat non respons maar één van de redenen is om gedupeerd te zijn op basis van individuele vooringenomenheid. Dit maakt dat het ook nog mogelijk is dat een ouder gedupeerd is op basis van individuele vooringenomenheid vanwege een andere reden. Dit is echter ook niet getoetst als er al sprake was van gedupeerdheid vanwege non respons.
    Voor een volledige en correcte beoordeling moet voor elk jaar dat een ouder als gedupeerde is aangemerkt op basis van individuele vooringenomenheid getoetst worden of er 1) sprake is van gedupeerdheid op basis van individuele vooringenomenheid op basis van een andere reden dan non-respons of 2) sprake is van een andere gedupeerdheidsgrond. Dit kan niet uit de huidige dossiers worden gedestilleerd, omdat dit niet is onderzocht en hier niet naar gevraagd is in het ouderverhaal. Ook kan er uit een ouderverhaal blijken dat een ouder in de brievenadministratie staat én gedupeerd is op basis van non respons. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn als uit het ouderverhaal blijkt dat het niet daadwerkelijk ontvangen van een brief aannemelijk kan worden gemaakt.
    Om meer inzicht te geven in het proces van de integrale beoordeling is een illustratie bijgevoegd. Deze laat zien welke gedupeerdheidsgronden er zijn en wat de verschillende redenen kunnen zijn om tot deze gedupeerdheidsgrond te komen.

  • Vraag 2
    Deelt u de conclusie dat er wel degelijk een inschatting van het aantal onterechte compensatiejaren gemaakt kan worden door in kaart te brengen in welke gecompenseerde toeslagjaren geen reacties op rappelbrieven zijn ontvangen van als gedupeerde erkende ouders, die zijn gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen? Zo nee, waarom niet?

    Nee, deze conclusie deel ik niet. Zoals ik in vraag 1 heb uitgelegd geeft het al dan niet ontvangen van een reactie geen sluitend beeld over de gedupeerdheid (en dus ook niet of de compensatie terecht was) van een ouder in dat betreffende jaar, omdat dit maar een stukje van de beoordeling is. Het geeft enkel een beeld welke ouders mogelijk ten onrechte op de grond non respons zijn gecompenseerd. Hier zitten ook ouders tussen die terecht zijn gecompenseerd om een van de genoemde redenen in vraag 1. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een ouder zich (fysiek) aan een balie heeft gemeld.

  • Vraag 3
    Zo ja, bent u bereid in kaart te brengen voor hoeveel toeslagjaren er is gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen waarbij er tevens niet gereageerd op een rappelbrief, bij hoeveel ouders dit speelt en bij hoeveel ouders dit alle gecompenseerde toeslagjaren betreft? Zo nee, waarom vindt u het ook met het oog op de evaluatie van de hersteloperatie niet van belang om de omvang van (mogelijke) onterechte compensatie in kaart te brengen, mede gelet op het trekken van lessen voor de toekomst?

    Zie het antwoord op de vragen 1 en 2. Om betrouwbaar in kaart te kunnen brengen in welke gevallen sprake kan zijn van een onterechte compensatie zouden integrale beoordeling opnieuw moeten worden uitgevoerd. Dat is niet uitvoerbaar en onwenselijk voor de betreffende ouders.

  • Vraag 4
    Deelt u de conclusie dat de kans dat de desbetreffende ouders in dezelfde jaren ook op andere gronden zijn gedupeerd in de praktijk bijzonder klein is, aangezien dergelijke gronde (fraude/CAF-onderzoeken etc) zijn uitgesloten van de selectie voor het massale uitvraagproces? Zo nee, waarom niet, welke compensatiegronden kan dit dan betreffen en hoe vaak zouden deze onder de desbetreffende groep in hetzelfde toeslagjaar voorkomen?

    Nee, deze conclusie zoals gesteld deel ik niet. Ik deel de conclusie dat ouders die in een CAF/Fraude onderzoek zaten niet in het massale proces zaten. Echter kan een ouder ook om een andere reden dan non-respons gedupeerd zijn op basis van individuele vooringenomenheid. Ook kan er sprake zijn van gedupeerdheid op basis van hardheid van het stelsel of een onterechte O/GS-kwalificatie. Aangezien in de Integrale Beoordeling sprake is van volgordelijkheid, zijn hier geen getallen van.
    Zoals eerder met de Kamer heb gedeeld kan ik concluderen dat als deze administratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate ouders gedupeerd waren. Echter kan ik op individueel niveau geen conclusies trekken.

  • Vraag 5
    Waarom heeft u al voorafgaand aan de uitkomsten van het ADR-onderzoek naar de brievenadministratie uw eigen speelruimte om te handelen inzake de betrokken dossiers publiekelijk zwaar ingeperkt? Deelt u de conclusie dat u nooit op deze manier een voorschot op dit onderzoek had moeten nemen, zeker nu de enorme omvang van mogelijke onterechte compensatie duidelijk is geworden? Zo nee, waarom niet?

    Ik heb geen definitief standpunt over het mogelijk gebruik van de informatie ingenomen voordat uit het onderzoek bleek dat de administratie daadwerkelijk betrouwbaar was.
    Wel heb ik besloten de hersteloperatie voort te zetten gedurende het onderzoek, een lange vertraging was niet uitlegbaar, en heb ik aangegeven dat niet zou worden teruggekomen op reeds genomen besluiten. In de eerste plaats was de vraag of daarvoor een juridische basis bestond en ten tweede acht ik dit niet uitlegbaar aan als gedupeerde aangemerkte ouders.

  • Vraag 6
    Waarom vindt u het voorkomen van mogelijke onrust, zoals u in antwoord op vraag 2 van dezelfde set Kamervragen aangeeft, belangrijker dan het waarborgen van terechte besteding van (potentieel) miljarden euro’s aan compensatie?

    Ik heb in mijn beantwoording aangegeven dat ik op basis van de brievenadministratie pas iets over de gedupeerdheid van ouders kan zeggen als alle Integrale Beoordelingen, inclusief ouderverhaal, opnieuw gedaan worden.
    Een nieuwe beoordeling kost veel tijd en brengt nieuwe uitvoeringskosten met zich mee. En creëert veel onrust onder als gedupeerde aangemerkte ouders, waarbij mogelijk voor een deel van de ouders geldt dat zij op dezelfde of een andere grond alsnog als gedupeerd zou worden aangemerkt. Hen opnieuw aan het gevoelige proces van beoordeling blootstellen acht ik niet uitlegbaar. Het is echter wel zo dat de administratie wordt gebruikt in bijvoorbeeld bezwaar-, beroep- en civiele zaken.

  • Vraag 7
    Deelt u de conclusie dat in het theoretische geval van een herbeoordeling deze alleen gevolgen zou hebben voor ouders die blijkens de brievenadministratie ten onrechte als gedupeerde zijn aangemerkt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u het voorkomen van onrust onder onterecht gecompenseerde ouders nog altijd belangrijker dan het bewaken van de geloofwaardigheid van de hersteloperatie?

    Ik wil wederom vooropstellen dat ik deze beoordeling niet zal uitvoeren. Zoals ik in antwoord op vraag 7 heb aangegeven zal in een dergelijke situatie ook voor ouders die alsnog op een andere grond als gedupeerde worden aangemerkt de beoordeling opnieuw moeten plaatsvinden. Voor hen heeft een dergelijke herbeoordeling dus ook gevolg, en hen opnieuw aan het gevoelige proces van beoordeling blootstellen acht ik niet uitlegbaar.

  • Vraag 8
    Onderschrijft u dat het ouderverhaal bij «non-respons» niet boven beschikbare feitelijke informatie gaat en dat het ouderverhaal dus «slechts» leidend is bij het ontbreken van dergelijke informatie? Zo nee, waarom is dit dan nog altijd als zodanig opgenomen in het handboek voor beoordelingen bij UHT? Zo ja, waarom verklaart u het ouderverhaal dan alsnog generiek belangrijker dan de aangetroffen brievenadministratie?

    De beoordeling of een ouder gedupeerd is, is altijd afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. Indien UHT kan vaststellen dat uitvraagbrieven daadwerkelijk zijn verzonden, wordt in beginsel uitgegaan van een correcte verzending. Daarmee staat echter niet zonder meer vast dat geen sprake kan zijn van gedupeerdheid. Ook wanneer een brief is verzonden, kunnen zich omstandigheden voordoen waaruit volgt dat een ouder desondanks gedupeerd is geraakt. Zo kan een ouder bijvoorbeeld stellen wél op een uitvraagbrief te hebben gereageerd. UHT beoordeelt een dergelijke stelling op aannemelijkheid.
    Indien aannemelijk is dat een ouder heeft gereageerd en een verlaging of nihilstelling desondanks heeft plaatsgevonden, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen en daarmee van gedupeerdheid. Het ouderverhaal wordt daarom niet generiek belangrijker geacht dan de beschikbare informatie uit de administratie, maar maakt onderdeel uit van de integrale beoordeling waarin alle relevante feiten en omstandigheden in samenhang worden gewogen.

  • Vraag 9
    Deelt u de conclusie dat er ver voor de zomer van 2024 bij UHT al interne discussies liepen over de mogelijke beschikbaarheid van een accurate brievenadministratie?

    In de jaren voorafgaand aan 2024 zijn er binnen de organisatie signalen afgegeven over de ruimhartigheid van het beleid, en de onaannemelijkheid van het feit dat in significante aantallen brieven niet zijn verzonden of ontvangen. Ook is er één signaal afgegeven over het bestaan van informatie over in een bepaalde periode verzonden brieven. Deze signalen zijn individueel onderzocht, maar hebben destijds niet geleid tot de kennis van de aanwezigheid van verzend- en ontvangstadministratie. In de zomer van 2024 is er voor het eerst een concreet signaal ontvangen over het bestaan van een administratie met vastleggingen van verzonden vraag- en rappelbrieven en ontvangen reacties.

  • Vraag 10
    Waarom hebben dergelijke discussies niet tot een onderzoek geleid? Als dit wel is onderzocht, waarom is het bestaan van de administratie hier dan niet uit gebleken, mede gelet op het feit dat de werkwijze in dit proces nauwelijks tot niet is veranderd gedurende de jaren?

    Alle signalen die toentertijd zijn binnengekomen hadden geen concrete verwijzing naar de brieven administratie. Deze signalen zijn wel altijd beoordeeld binnen de bestaande beleidsuitgangspunten, namelijk dat bij het ontbreken van een brief gedupeerdheid werd vastgesteld. Echter hebben deze signalen zonder concrete aanwijzingen over het bestaan van een betrouwbare verzend- en ontvangstadministratie hebben deze signalen – soms in afstemming met de Commissie van Wijzen – steeds geleid tot herbevestiging van het beleid of hoogstens tot beperkte aanpassingen daarvan.

  • Vraag 11
    Waarom geeft u in de beantwoording aan dat na het signaal over het bestaan van de administratie in de zomer van 2024 «gelet op de mogelijke impact op ouders» besloten is tot een onafhankelijk onderzoek door de ADR, aangezien u tegelijkertijd nog lopende het onderzoek heeft aangegeven dat de ouderverhalen sowieso leidend zouden blijven?

    Om de administratie te kunnen gebruiken acht ik het belangrijk dat de administratie betrouwbaar en volledig is. Temeer omdat de informatie uit deze adminstratie als contra-informatie aan ouders zouden worden tegengeworpen. Ik wilde niet het risico lopen dat ouders gevolgen ondervonden van het gebruik van de administratie zonder dat vast stond dat deze administratie volledig en betrouwbaar was.
    Daarom heb ik de ADR gevraagd dit te onderzoeken. Het ADR-onderzoek staat los van de vraag hoe de informatie in de administratie binnen een individuele beoordeling moet worden gewogen en welke rol het ouderverhaal daarin speelt.

  • Vraag 12
    Waarom heeft u gedurende anderhalf jaar waarin het onderzoek liep de kans laten lopen om te handelen op basis van de brievenadministratie, terwijl de uitkomsten van het onderzoek voor u materieel niet van belang waren?

    Het onderzoek van de ADR heeft uitgewezen dat de onderzochte administratie van het massale proces betrouwbaar en volledig is. Daar was lopende het onderzoek nog geen duidelijkheid over. Gezien de mogelijke impact van het gebruik van de administratie als bron van contra-informatie richting de ouder en het feit dat in het verleden de informatiehuishouding gebreken kende vond ik het niet verantwoord deze informatiebron te gebruiken voordat de uitkomsten van het ADR onderzoek duidelijk waren. Dit betekent dat er vooruitlopend op de conclusies van het onderzoek ook geen werkinstructies zijn aangepast.

  • Vraag 13
    Zijn er specifieke interne werkinstructies gegeven over de afhandeling van dossiers gedurende de looptijd van het ADR-onderzoek? Zo ja, welke? Zo nee, waarom kon de financieel zeer kostbare werkwijze van blind varen op ouderverhalen ongewijzigd doorgang vinden terwijl er dermate sterke aanwijzingen voor het bestaan van ontkrachtende informatie waren dat u zich genoodzaakt zag de ADR hier onderzoek naar te laten verrichten?

    Zie antwoord vraag 12.

  • Vraag 14
    Hoe aannemelijk acht u het dat er op dermate grote schaal sprake is geweest van de uitzonderingssituaties zoals geschetst in antwoord op vraag 8, dat niet meer in algemene zin te stellen is dat een het versturen van een stopbrief inhoudt dat er niet (tijdig) is gereageerd op uitvraag- en rappelbrieven?

    Dit zal altijd per casus beoordeeld moeten worden en ik kan hier dus geen algemene conclusies over trekken.

  • Vraag 15
    Onderschrijft u dat zelfs in de uitzonderingssituaties die u schetst veelal geen sprake is van verwijtbaarheid van de kant van de Belastingdienst/Toeslagen, zoals in het geval van pas reageren ná het ontvangen van de stopbrief? Waarom rechtvaardigen ook dergelijke situaties in uw ogen het oordeel van gedupeerdheid en compensatie?

    Nee. Ook in de situaties waar de vraag op doelt, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen. Het enkele feit dat een ouder pas na ontvangst van een stopbrief reageert, betekent niet automatisch dat geen sprake kan zijn van gedupeerdheid. De beoordeling is afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval. Indien wordt vastgesteld dat een ouder een stopbrief heeft ontvangen terwijl deze bij een juiste behandeling van diens situatie niet had mogen worden verzonden en de ouder daardoor schade heeft geleden, kan sprake zijn van verwijtbaar handelen door Dienst Toeslagen. In dat geval bestaat recht op compensatie. De uitgangspunten die hieraan ten grondslag liggen, zijn in 2020 vastgesteld en konden rekenen op brede steun van de Tweede Kamer.

  • Vraag 16
    Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 aan dat de Belastingdienst geen cijfers bijhoudt over (het risico op) het kwijtraken van post (in vergelijking met andere overheidsorganisaties), terwijl uit een korte zoektocht al blijkt dat door Capgemini eind 2020 nog onderzoek is gedaan naar het kwijtraken van fysieke stukken bij Toeslagen? Welke conclusie trekt u uit de bevindingen uit dat onderzoek ten aanzien van de bruikbaarheid van de brievenadministratie in het kader van non-respons?

    Het Capgemini-onderzoek is niet in tegenspraak met het antwoord dat ik eerder heb gegeven. Het onderzoek had betrekking op klachten over zoekgeraakte fysieke stukken bij Toeslagen en was geen structurele meting van het aantal zoekgeraakte poststukken. Evenmin bevatte het een vergelijking met andere overheidsorganisaties.
    Het onderzoek van de klachtdossiers laat wel zien dat de verwerking van ontvangen stukken kwetsbaar was en dat de registratie van ontvangen reacties geen sluitend en volledig beeld geeft. De conclusie is daarom dat de brievenadministratie relevante informatie kan bevatten, maar op zichzelf niet voldoende is om non-respons vast te stellen. De brievenadministratie kan aantonen dat een standaardbrief administratief is verzonden, maar niet dat de ouder deze heeft ontvangen. Ook kan uit het ontbreken van een geregistreerde reactie niet zonder meer worden afgeleid dat de ouder niet heeft gereageerd. Daarvoor moeten ook het overige dossier en het verhaal van de ouder worden betrokken.

  • Vraag 17
    Hoe rijmt u uw conclusie dat de brievenadministratie geen antwoordt biedt op de vraag of ouders in de praktijk wel of niet gedupeerd zijn met uw antwoord op vraag 16, waaruit blijkt dat de werkwijze en administratie inzake het massale aanvraagproces nog altijd onveranderd zijn aangezien dit proces goed functioneert? Hoe kunt u tegelijkertijd stellen dat het proces altijd goed heeft gefunctioneerd én dat ouderverhalen over het vermeende massale disfunctioneren van dit proces leidend blijven?

    Zoals ik in mijn eerdere beantwoording in vraag 8 heb benoemd kan een ouder ook met aanwezigheid van de brievenadministratie nog steeds gedupeerd zijn. Daarnaast wil ik ook benadrukken dat het proces om te beoordelen of een ouder gedupeerd is complex is en kan een ouder om andere redenen dan non-respons gedupeerd zijn op basis van individuele vooringenomenheid, zelfs als non-respons hier door de aanwezigheid van de brievenadministratie niet meer de reden voor is. Conclusies trekken over de gedupeerdheid van ouders kan enkel als de gehele integrale beoordeling, inclusief ouderverhaal, opnieuw wordt gedaan.
    De beoordeling door UHT is ook niet gebaseerd op de veronderstelling dat door ouders verstrekte informatie verloren is gegaan. De beoordeling binnen de hersteloperatie richt zich op de vraag of de oorspronkelijke stopzetting rechtmatig was. Hierbij wordt alle informatie uit de systemen van UHT geraadpleegd. Indien niet kan worden vastgesteld dat een wettelijk vereiste uitvraag heeft plaatsgevonden en een toeslag desondanks is stopgezet, wordt die stopzetting als onrechtmatig aangemerkt. Een ouderverhaal is in deze beoordeling nodig om een duiding te geven van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Dit betekent ook dat UHT alle informatie uit de systemen gebruikt in de beoordeling. Als UHT op basis van de systemen niet kan aantonen dat de vereiste uitvraag aan de ouder heeft plaatsgevonden, geldt binnen de hersteloperatie het uitgangspunt dat bij twijfel in het voordeel van de ouder wordt geoordeeld. Dit proces is met de brievenadministratie ook niet anders geworden, UHT heeft enkel meer informatie tot zijn beschikking.

  • Vraag 18
    Waarom neemt u afstand van het genoemde aantal in NRC Handelsblad van mogelijk 20.000 ouders die ten onrechte zijn gecompenseerd, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat u op basis van het ADR-onderzoek zelf geen beeld heeft van het aantal achteraf onterecht als gedupeerd aangemerkte personen?

    Zoals in de brief van 6 februari jl. aan de Kamer is geschreven, wordt geconcludeerd dat als deze brievenadministratie eerder in de hersteloperatie gebruikt was dit mogelijk invloed had kunnen hebben op het gesprek met ouders over de vraag of en in welke mate ouders gedupeerd waren. Echter kunnen er géén conclusies getrokken worden over de gedupeerdheid van ouders op individueel niveau, dit vergt een volledige herbeoordeling inclusief ouderverhaal. Aangezien ik deze herbeoordeling niet kan en zal doen, wil ik ook niet speculeren over aantallen.

  • Vraag 19
    Waarom geeft u in antwoord op vraag 12 over de rechterlijke uitspraak (Kamerstuk 2026Z15264) aan dat de vraag bij hoeveel van de 34.000 ouders die in één toeslagjaar als gedupeerde zijn aangemerkt op grond van institutioneel vooringenomen handelen sprake was van gedupeerdheid in het kader van het massale uitvraagproces alleen te beantwoorden is door dossiers handmatig te beoordelen? Waarom kunnen de toeslagenjaren niet gewoon naast de brievenadministratie worden gelegd en bent u bereid dit te doen in navolging van vraag 3?

    Zoals ik in het antwoord op vragen 1 en 3 heb uitgelegd geeft het leggen van toeslagjaren van deze ouders naast de brievenadministratie een incomplete beoordeling.

  • Vraag 20
    Erkent u dat standaard werd uitgegaan van institutioneel vooringenomen handelen indien een ouder aangaf ten onrechte van non-respons beticht te worden? Zo ja, waarom geeft u dan aan dat «onterechte non-respons» geen zelfstandige gedupeerdheidsgrond is, ook gelet op het beoordelingskader waarmee gewerkt wordt bij UHT?

    Nee, UHT gaat niet automatisch uit van een onterechte non-respons. UHT kijkt altijd naar alle beschikbare feiten en omstandigheden. Daarbij wordt onder meer gekeken naar informatie uit de verschillende beschikbare systemen en wordt beoordeeld of aannemelijk is dat sprake is geweest van een onterechte non-respons.

  • Vraag 21
    Hoe is de ontdekking van de fysieke dozen met FIOD-dossiers, waarnaar u verwijst in antwoord op vraag 21 (Kamerstuk 2026Z14866) in zijn werk gegaan?

    De Belastingdienst voert actief beheer van het fysieke archief voor alle dienstonderdelen. Dit gebeurt volgens een zorgvuldig ingericht proces, waarbij voor ieder aangeboden archiefstuk wordt vastgesteld welke bewaartermijn op grond van de Archiefwet van toepassing is. Als onderdeel van het reguliere archiefbeheer heeft de FIOD begin oktober 2025 een aantal strafrechtelijke onderzoeksdossiers van Dienst Toeslagen behandeld. Hierover heeft de FIOD op 14 oktober 2025 de Chief Record Officer van Dienst Toeslagen geïnformeerd. In het kader van de Hotspot Toeslagenaffaire heeft de FIOD aangegeven welke dossiers voor bewaring in aanmerking komen en niet mogen worden vernietigd.1 Deze dossiers zijn uit het archief gehaald, apart gezet en geregistreerd. De dossiers zijn daarmee veiliggesteld en uitgesloten van vernietiging.

  • Vraag 22
    Wanneer was sprake van de eerste signalen inzake deze dossiers, hoe is hierop geacteerd en door welke partijen?

    Zie antwoord vraag 21.

  • Vraag 23
    Wanneer was het bestaan van deze dossiers bij u bekend?

    Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 21 en 22 heeft de FIOD op 14 oktober 2025 de Chief Record Officer van Dienst Toeslagen geïnformeerd over de bij archiefwerkzaamheden aangetroffen dossiers en de vaststelling dat deze dossiers op grond van de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire bewaard moeten blijven. Op 4 juni 2026 zijn de Staatssecretarissen in de kantlijn van een overleg over de datakluis mondeling geïnformeerd over het FIOD-archief. Hoewel bewindspersonen doorgaans niet over regulier archiefbeheer worden bijgepraat, is dit specifieke onderwerp toen wel kort benoemd, zonder dat er sprake is van een verband met de datakluis. Het betreffende FIOD-archief staat daarmee los van de datakluis, evenals de aanpak hieromtrent.

  • Vraag 24
    Betreft het hier dossiers die een (ander) licht (hadden kunnen) werpen op de vraag of als gedupeerde erkende ouders ook daadwerkelijk gedupeerd zijn? Zo ja, hoe beoordeelt u het dat deze dossiers kennelijk niet gebruikt zijn voor dit doel en hoe gaan deze alsnog worden ingezet?

    De hersteloperatie heeft de afgelopen jaren in uitzonderlijke gevallen gebruik gemaakt van onderzoeksdossiers van de FIOD. In het geval de FIOD een onderzoek doet, kan dit relevante informatie bevatten bij het onderzoek naar gedupeerdheid van een ouder door UHT. De Wet hersteloperatie toeslagen biedt de UHT als daartoe aanleiding is de mogelijkheid om strafrechtelijke gegevens bij de FIOD en/of het Openbaar Ministerie op te vragen. De dossiers bij de FIOD blijven volgens de richtlijnen Hotspot Toeslagenaffaire voor UHT opvraagbaar.

  • Vraag 25
    Welke jaren bestrijken deze dossiers?

    De dossiers zijn van 2016 en de jaren hiervoor. Verdere specificering vereist dat de dossiers individueel moeten worden bekeken. De dossiers zijn indien nodig opvraagbaar. Een onderzoek naar de specifieke jaren van de dossiers is hiervoor niet relevant.

  • Vraag 26
    Bestaat de mogelijkheid dat zich onder de aangetroffen fysieke stukken ook stukken kunnen bevinden, die aan de PEFD verstrekt hadden moeten worden? Zo nee, hoe kunt u dit uitsluiten?

    Het gaat om strafrechtelijke gegevens. Deze gegevens zijn vertrouwelijk en worden bij uitzondering en slechts als daartoe specifieke aanleiding is gedeeld. Dit is in het geval van de PEFD niet aan de orde geweest.

  • Vraag 27
    Wie is deze dozen met fysieke dossiers momenteel aan het beoordelen? Gebeurt dit door een externe partij? Zo nee, waarom is met betrekking tot deze informatiebron geen externe validatie nodig terwijl dit wel moest gebeuren bij de brievenadministratie door de ADR?

    Deze dossiers maken onderdeel uit van het fysieke archief van de FIOD. Het betreft geen nieuw ontdekt archief, maar bestaande archiefstukken die in het kader van regulier archiefbeheer en conform de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire zijn beoordeeld door informatiespecialisten op vernietiging dan wel bewaring. Tegen die achtergrond is geen sprake van een afzonderlijk onderzoek of beoordeling door een externe partij. Deze dossiers mogen alleen gebruikt worden als daar een specifieke aanleiding voor is bij de hersteloperatie.

  • Vraag 28
    Garandeert u dat niets van deze fysieke dossiers wordt vernietigd zolang niet onomstotelijk is vastgesteld dat deze niet gebruikt kunnen worden bij het vaststellen van gedupeerdheid en voordat de Kamer hierover is geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?

    Zoals benoemd in het antwoord op vragen 21 en 22 worden stukken die onder de richtlijnen voor de Hotspot Toeslagenaffaire vallen uitgesloten van vernietiging. De betreffende dossiers zijn juist in het kader van die richtlijnen geïdentificeerd en veiliggesteld.

  • Vraag 29
    Hoe kunt u in antwoord op vraag 5 over de rechterlijke uitspraak op basis van de brievenadministratie (Kamerstuk 2026Z15264) stellen dat de rechterlijke uitspraak niet inhoudt dat er sprake is van onterecht aangemerkte gedupeerdheid, terwijl u tegelijkertijd aangeeft dat uit de rechterlijke uitspraak blijkt dat er geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid richting de moeder?

    De rechtbank heeft de verzend- en ontvangstbevestiging slechts als bewijs toegelaten om aan te tonen dat er geen sprake is van onrechtmatige besluiten, onterechte terugvorderingen of institutionele vooringenomenheid richting de moeder. De civiele rechter komt niet aan de beoordeling van de mate van gedupeerdheid. Deze vraag is in de zaak dan ook niet beantwoord en deze vraag zal ook niet door de civiele rechter beantwoord worden.
    Zoals eerder benoemd is het beoordelingsproces of een ouder gedupeerd is veel uitgebreider en complexer dan non-respons en zelfs dan individuele vooringenomenheid. Zonder dat een ouder opnieuw beoordeeld wordt, inclusief ouderverhaal, kunnen er geen conclusies getrokken worden over de gedupeerdheid van deze ouder.

  • Vraag 30
    Hoe aannemelijk acht u het dat er in deze zaak sprake is van andere gronden van gedupeerdheid, die niet door de verdediging aan de orde zijn gesteld? Deelt u de conclusie dat dit een puur theoretische redenering is?

    Aangezien de zaak geen betrekking had op de vraag of een ouder al dan niet gedupeerd is, was dit niet relevant en is dit niet onderzocht. Een ouder kan gedupeerd zijn op basis van verschillende gronden. Over individuele gevallen kan ik verder geen uitspraak doen.

  • Vraag 31
    Wat is de status van het onderzoek naar de bruikbaarheid van de brievenadministratie bij het verder voorkomen van stapelingsrisico’s in het kader van vervolgregelingen?

    Ik heb onderzocht of het mogelijk was om op alle onderdelen van de hersteloperatie stapelingsrisico’s te voorkomen. Hieruit bleek dat het niet mogelijk was om de brievenadministratie breder toe te passen dan op dit moment gebeurt. Alle aanvullende regelingen zijn namelijk gebaseerd op de Integrale Beoordeling van de gedupeerde aanvrager. Toegang tot aanvullende regelingen, waaronder brede ondersteuning en aanvullende schadecompensatie, kan enkel worden ontzegd als uit de Integrale Beoordeling blijkt dat een ouder niet gedupeerd is. Om hierover conclusies te trekken moet de hele Integrale Beoordeling opnieuw worden gedaan en zoals ik al meermaals heb gezegd kan en wil ik dit niet doen.

  • Vraag 32
    Betreft dit onder andere de brede ondersteuning en aanvullende schade? Zo nee, wat dan wel? Kunt u hier een uitputtend antwoord op geven?

    Zie antwoord vraag 31.

  • Vraag 33
    Kunt u tevens aangeven hoe informatie uit de brievenadministratie praktisch zal worden ingezet, ook gelet op bijvoorbeeld de rol van gemeenten inzake de brede ondersteuning?

    De brievenadministratie zal niet breder ingezet worden dan op dit moment het geval is. Dit gaat dus om de volgende, eerdergenoemde, situaties:

  • Vraag 34
    Deelt u het uitgangspunt dat geen cent, vanuit welke regeling in het kader van de afhandeling van de toeslagenaffaire dan ook, meer mag worden uitgekeerd aan personen, die voorkomen in de brievenadministratie zonder voorafgaande inhoudelijke check van deze administratie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven?

    Ik deel dit uitgangspunt niet. Zoals meermaals benadrukt zegt het voorkomen in de brievenadministratie niet direct iets over de gedupeerdheid van individuele ouders.
    Als blijkt dat ouders niet gedupeerd zijn, worden de aanvullende regelingen stopgezet en worden de gegevens van deze ouders met gemeenten gedeeld om de brede ondersteuning stop te zetten.

  • Vraag 35
    Bent u bereid een meldpunt in te stellen waar (al dan niet voormalige) werknemers van in ieder geval de Belastingdienst, Toeslagen, CAF en de FIOD zich (indien gewenst anoniem) kunnen melden wanneer zij kennis hebben over informatie, die van belang kan zijn met betrekking tot de afhandeling van de toeslagenaffaire en die (mogelijk) nog niet bekend of gebruikt is? Zo nee, waarom niet en welke mogelijkheden om dergelijke meldingen te doen zijn er dan wel? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven en wilt u de Kamer hierover nauwgezet informeren?

    Ik wil onderstrepen dat ik het belangrijk vind dat medewerkers die menen dat relevante informatie niet wordt betrokken bij de afhandeling van de toeslagenaffaire, dit kunnen melden. Het huidige meldlandschap: dat bestaat binnen Dienst Toeslagen biedt hiervoor voldoende ruimte, uit het recente medewerkersonderzoek blijkt ook dat 91% van de medewerkers weet waar ze met een integriteitskwestie naar toe kunnen.
    In de eerste plaats kunnen medewerkers dergelijke signalen bespreken met hun leidinggevende of, indien zij zich daar niet vrij toe voelen, gebruikmaken van de bestaande interne of externe meldvoorzieningen. Binnen het Ministerie van Financiën is hier intern ruimte voor bij Integriteitsonderzoeken Financiën (IF). Bij het IF hebben (voormalig) medewerkers van heel Financiën (waaronder de uitvoeringsorganisaties Belastingdienst (inclusief FIOD), Dienst Toeslagen en Douane) de mogelijkheid om desgewenst anoniem melding te maken van mogelijke integriteitsschendingen of vermoedens van misstanden. De IF publiceert hier jaarlijks verantwoordingsrapportages over. Daarnaast is er extern ook een meldpunt voor medewerkers, namelijk de Commissie sociale veiligheid en integriteit. (Voormalig) medewerkers van heel Financiën kunnen hier hun vragen kwijt, ook als het gaat over betreffende kwestie.
    Gelet op deze bestaande voorzieningen zie ik geen aanleiding om een afzonderlijk meldpunt in te stellen. Wel vind ik het belangrijk dat (oud-)medewerkers bekend zijn met de bestaande meldmogelijkheden. Daarom zal ik bezien hoe de bekendheid van deze voorzieningen eventueel verder kan worden vergroot.

  • Vraag 36
    Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over de datakluis?

    Ja.


Kamervraag document nummer: kv-tk-2026Z16892
Volledige titel: Het gebruikmaken van de brievenadministratie en de aangetroffen fysieke FIOD-dossiers.
Kamerantwoord document nummer: ah-tk-20252026-2977
Volledige titel: Antwoord op vragen van het lid Ceulemans over het gebruikmaken van de brievenadministratie en de aangetroffen fysieke FIOD-dossiers