De strijd tegen Ebola |
|
Roelof van Laar (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht op nu.nl «450 miljoen euro nodig voor aanpak Ebola» d.d. 3 september 2014?1
Ja
Heeft u eveneens kennisgenomen van het bericht van 22 augustus 2014 van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) getiteld «Why the Ebola outbreak has been underestimated» en het artikel in de New York Times op 3 september 2014 getiteld «Cuts at W.H.O. Hurt Response to Ebola Crisis»?2
Ja
Heeft u tevens kennisgenomen van het besluit van de Europese Unie om 140 miljoen euro extra uit te trekken voor de bestrijding van de Ebola-epidemie en de verbetering van de gezondheidszorg, voedselveiligheid, drinkwatervoorziening en sanitiaire voorzieningen in de getroffen landen?3
Ja
Deelt u de mening dat de wijze van aanpak van de Ebola-epidemie, waardoor het aantal doden is opgelopen tot 1.900 personen, waarvan 400 slachtoffers in de afgelopen week, onvoldoende is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6 en 7.
Welke oorzaken liggen er volgens u ten grondslag aan het onderschatten van de Ebola-uitbraak, ondanks dat de ziekte al tientallen jaren bekend is?
Bij eerdere uitbraken in Uganda en de DR Congo lukte het de epidemie beperkt te houden. Dat is bij de huidige epidemie in West-Afrika niet het geval. Hoewel de uitbraak begon in een afgelegen gebied verspreidde de ziekte zich al snel naar stedelijke gebieden. Daarbij speelde het ontbreken van een goed functionerende gezondheidszorg een belangrijke rol. De capaciteit van gezondheidssystemen in Liberia, Sierra Leone en Guinee is zeer beperkt en bij lange na niet toereikend om de huidige epidemie te bestrijden. Daarnaast speelden culturele aspecten, zoals begrafenistradities en angst en taboes een rol. Er zijn voorbeelden van besmette personen die vluchtten uit klinieken en van behandelcentra en ziekenhuizen die moesten sluiten omdat het personeel niet aan het werk durft. Deze factoren dragen eraan bij dat de epidemie bijzonder moeilijk te stuiten is.
Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap, inclusief de WHO, steken heeft laten vallen in de aanpak van de Ebola-epidemie? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening niet dat de internationale gemeenschap, inclusief de WHO, steken heeft laten vallen in de aanpak van de Ebola-epidemie.
De huidige rol van de WHO bij epidemieën beperkt zich tot het tijdig signaleren van uitbraken en, indien er sprake is van een ernstige epidemie, het uitroepen van een medische noodsituatie (zoals de WHO heeft gedaan op 8 augustus 2014). Daarnaast is de WHO verantwoordelijk voor het verzamelen, in kaart brengen en verspreiden van epidemiologische data, de mobilisatie van experts en, in samenwerking met lokale overheden, de coördinatie van de medische inzet.
Eind augustus heeft de WHO de Ebola Respons Roadmap gepresenteerd. Gezien de complexiteit van de crisis, de fragiele lokale overheden, de gebrekkige capaciteit van de gezondheidszorg en de infrastructuur ter plaatse is een gecoördineerde VN-aanpak noodzakelijk. Inmiddels is Dr. Nabarro aangesteld als «UN System Coordinator for Ebola» en heeft de VN op 16 september een geïntegreerd noodhulpverzoek uitgebracht.
De logistieke uitdagingen om grip te krijgen op de Ebola epidemie zijn erg groot en vormen een uitdaging voor lokale autoriteiten en de internationale hulpverleners. Voor iedere nieuwe patiënt moeten de personen met wie direct contact is geweest (gemiddeld4, minimaal 3 weken in quarantaine worden gehouden. Alleen al in Liberia komen er per dag ongeveer 80 patiënten bij, waarvoor dus 800 quarantaineplekken nodig zijn. Deze zijn niet voorhanden. Een hulpverlener verbruikt ongeveer 5 beschermende pakken per dag, waarmee de behoefte aan materiaal enorm groot is.
Op 15 september nam ik deel aan een EU high level bijeenkomst over ebola. Resultaat van deze bijeenkomst was een duidelijke politieke commitment van de Europese Commissie en de lidstaten om alles op alles te zetten om deze crisis het hoofd te bieden. Ook elders blijkt dat Ebola hoog op de internationale agenda staat. Zo vond op 18 september een speciale zitting van de VN Veiligheidsraad plaats en wordt er op 25 september een bijeenkomst georganiseerd in New York waaraan o.a. president Obama van de VS deel zal nemen.
Kunt u zich vinden in de analyse in het artikel in de New York Times dat niet alleen de bezuinigingen, maar ook slechte keuzes binnen de WHO de bestrijding van de Ebola-epidemie hebben gehinderd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Welke mogelijkheden ziet u op dit moment voor de Nederlandse regering om, net zoals de EU, een grotere bijdrage te leveren aan de bestrijding van de Ebola-epidemie? Bent u bereid om een grotere bijdrage te leveren aan het werk van Artsen zonder Grenzen, het Rode Kruis en UNICEF? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u deze invullen?
Ja, ik maak binnen het noodhulpfonds 15 miljoen euro vrij voor de bestrijding van de Ebola-epidemie. Hiervan zal 10 miljoen naar de VN gaan, 3 miljoen naar het Rode Kruis en 1 miljoen naar Artsen zonder Grenzen. Geld is op dit moment echter niet de enige zorg. Tijdens de EU bijeenkomst op 15 september werd daarom ook gesproken over andere mogelijkheden om de Ebolacrisis het hoofd te bieden, zoals het beschikbaar stellen van transportcapaciteit, medische hulpverleners en hulpgoederen. In overleg met mijn collega’s van Defensie en VWS hoop ik op korte termijn ook in praktische zin een nuttige bijdrage te kunnen leveren. Hiervoor reserveer ik vooralsnog 1 miljoen euro.
Welke mogelijkheden ziet u in internationaal verband die kunnen bijdragen aan betere en effectievere inzet, door onder meer de WHO en andere actoren, zodat een volgende epidemie in een ontwikkelingsland sneller en beter tegengegaan kan worden?
In EU verband kunnen lidstaten met capaciteit op logistiek en medisch gebied bijdragen aan een in te stellen «emergency pool» die op afroep beschikbaar is i.g.v. calamiteiten als Ebola. Momenteel wordt deze optie onderzocht. Coördinatie van de hulpinspanningen is van essentieel belang, en zal door Nederland maximaal worden bevorderd. Voorts is aandacht nodig voor versterking van lokale capaciteit in risicogebieden en/of getroffen landen (logistiek, personeel, kennis en kunde), waarmee ook op langere termijn resultaten kunnen worden behaald en vastgehouden. VN en Wereld Bank Groep spelen hierbij een cruciale rol.
Deelt u de zorg over de gevolgen van de Ebola-epidemie voor de economie van de getroffen landen en de impact op de levens van alle inwoners van die landen, ook als zij geen slachtoffer van de epidemie zijn of kennen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke mogelijkheden en/of maatregelen ziet u in internationaal verband, om de stijgende voedselprijzen, de logistieke uitdagingen en andere noden te verzachten? Welke van deze mogelijkheden en/of maatregelen bent u voornemens uit te gaan voeren?
Ja, naast de grote zorgen die ik heb over de Ebola-uitbraak zelf, deel ik ook de zorgen over de negatieve effecten van de epidemie op de economie, handel, voedselzekerheid en -prijzen en transport in de getroffen landen. De effecten van de uitbraak op de economie en (regionale) handel en stabiliteit zijn nog niet inzichtelijk, maar het IMF heeft al aangegeven dat de gevolgen voor de groei in West-Afrika aanzienlijk zullen zijn.
Vanwege het grote aandeel van landbouw in de economieën van de West Afrikaanse landen, wordt de voedselzekerheid nog meer bedreigd dan het geval zou zijn bij «normale» krimp van een economie, stilvallende handel en/of stijgende voedselprijzen. In sommige gebieden zal de oogst van dit jaar wegens te weinig regenval slecht zijn. Het WFP heeft een operatie opgezet die voorlopig 1,3 miljoen mensen in Guinee, Liberia en Sierra Leone van voedsel moet voorzien, maar door de Ebola crisis extra compliceerd wordt. WFP geeft ook assistentie aan de humanitaire gemeenschap op het gebied van de logistiek, en werkt nauw samen met de WHO bij deze crisis.
Er zijn landen die als reactie op de Ebola-uitbraak algemene reisrestricties opleggen en/of grenzen sluiten, ook als dit volgens het advies van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) niet nodig is. Dit is onwenselijk omdat het negatieve effecten heeft op de (regionale) handel en de distributie van humanitaire hulp. De WHO adviseert landen om te investeren in goede voorlichting aan de bevolking en aan reizigers. Dit is niet alleen effectiever, maar schaadt daarnaast het handelsverkeer – en daarmee de lokale economieën – minder dan algemene reisrestricties. EU-lidstaten hebben gezamenlijk opgeroepen om transportmogelijkheden niet in te perken.
Reclameactiviteiten van illegale aanbieders van kansspelen |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Fred Teeven (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Actie tegen aanbieders sportweddenschappen succesvol» en herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over verboden gokreclames?1 2
Ja.
Lopen alleen de in het bericht genoemde aanbieders of promotiesites waar de Kansspelautoriteit (KSA) op dit moment nog onderzoek naar doet het risico dat het hen moeilijker wordt gemaakt om toe te treden tot de Nederlandse gokmarkt? Zo ja, betekent dit dat andere aanbieders of promotiewebsites die gedurende het WK-voetbal illegaal actief waren niet hoeven te vrezen dat zij van een vergunning worden uitgesloten?
De kansspelautoriteit is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van de Wet op de kansspelen (Wok) en voor vergunningverlening. Op grond van het wetsvoorstel kansspelen op afstand komen, zodra een vergunningstelsel is ingericht, alleen geschikte en betrouwbare aanbieders in aanmerking voor een vergunning. Zij moeten voldoen aan strikte voorwaarden, zowel voorafgaand aan vergunningverlening als na vergunningverlening. Zo bevat het wetsvoorstel een strikte betrouwbaarheidstoets. De betrouwbaarheid van de aanbieder en van degenen die zijn beleid (mede) bepalen moet buiten twijfel staan om een verantwoorde, betrouwbare en controleerbare organisatie van kansspelen op afstand mogelijk te maken. Zoals ik ook in de nota naar aanleiding van verslag heb aangegeven, moet aanbieders, die na aanname van de motie Bouwmeester hebben gepersisteerd in hun onmiskenbaar op de Nederlandse markt gerichte aanbod, een vergunning op die grond kunnen worden geweigerd. Dit betekent dat aanbieders aan wie de kansspelautoriteit na het aannemen van de motie-Bouwmeester c.s. in september 2011 een bestuurlijke boete heeft opgelegd, bij opening van de markt in ieder geval niet in aanmerking komen voor een vergunning.
Daarnaast betekent het feit dat aanbieders hun aanbod niet (meer) onmiskenbaar op de Nederlandse markt richten, nog niet dat deze aanbieders zonder meer in aanmerking komen voor een vergunning. De betrouwbaarheidstoets omvat namelijk naast overtreding van de Wok ook een toets op andere antecedenten. Verder moeten aanbieders aantonen dat zij voldoen aan alle andere strikte voorwaarden uit het wetsvoorstel.
In hoeverre is het illegaal aanbod van sportweddenschappen rondom het WK-voetbal gestopt simpelweg omdat het toernooi ten einde liep? Op welk moment gedurende dit toernooi staakten deze aanbieders hun activiteiten? Hoe lang na een waarschuwing van de KSA zijn deze activiteiten gestaakt?
De kansspelautoriteit heeft mij laten weten dat zij het reclameaanbod gedurende het WK-voetbal uitvoerig heeft gemonitord. Gebleken is dat nog tijdens het WK-voetbal sprake was van een duidelijke afname van deze activiteiten. Deze afname is volgens de kansspelautoriteit ingezet ruim voordat het WK-voetbal is geëindigd.
Beschikt de KSA op dit moment over instrumenten om illegale aanbieders van kansspelen bij sportwedstrijden onmiddellijk en effectief aan te pakken? Zo ja, welke zijn dat en waarom konden tientallen illegale aanbieders van kansspelen gedurende het WK-actief blijven? Zo nee, voorziet het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de kansspelen, de Wet op de kansspelbelasting en enkele andere wetten in verband met het organiseren van kansspelen op afstand wel in dergelijke instrumenten?
De kansspelautoriteit heeft bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten tot haar beschikking, zoals het opleggen van een bestuurlijke boete, een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang. Vanwege het grote aanbod van online kansspelen was de kansspelautoriteit genoodzaakt prioriteiten te stellen in haar handhavingsactiviteiten. Daartoe zijn prioriteringscriteria opgesteld waarbij het uitgangspunt is de handhavingsactiviteiten in eerste instantie te richten op aanbieders die zich onmiskenbaar richten op de Nederlandse markt. De aandacht van de kansspelautoriteit richt zich dan ook primair op aanbieders die aan één of meer van de prioriteringscriteria voldoen, te weten: reclame maken via radio, televisie of in geprinte media gericht op de Nederlandse markt, kansspelwebsites die eindigen op de extensie.nl en/of kansspelwebsites die in het Nederlands zijn te raadplegen. Deze criteria zijn ontleend aan vaste rechtspraak. Inmiddels heeft de kansspelautoriteit al meerdere boetes opgelegd en lopen diverse onderzoeken.
Benadrukt moet worden dat de markt voor kansspelen op afstand per definitie grensoverschrijdend is en daarmee zijn toezicht en handhaving complex. Deze complexiteit vraagt om een combinatie van instrumenten die hiermee rekening houden. Door het grenzeloze karakter van internet, de aanhoudende behoefte van de Nederlandse consument aan kansspelen op afstand, de snelle technologische ontwikkelingen en het aanbod via honderden websites, is effectieve handhaving van het verbod op illegaal aanbod niet mogelijk zonder een verantwoord, betrouwbaar en controleerbaar alternatief. Doel van het wetsvoorstel kansspelen op afstand is dan ook enerzijds de consument zoveel mogelijk naar het verantwoorde, betrouwbare en controleerbare aanbod van de vergunninghouder te geleiden en anderzijds het de illegale aanbieders zo moeilijk mogelijk te maken. Hierdoor zal het aantal illegale aanbieders afnemen, waardoor de handhavingscapaciteit van de kansspelautoriteit gerichter kan worden ingezet.
Aangezien veel niet-vergund aanbod zich buiten Nederland bevindt zijn de huidige handhavingsinstrumenten van de kansspelautoriteit niet geheel toereikend voor het tegengaan van illegaal aanbod van kansspelen op afstand. Niet-vergunde aanbieders die buiten Nederland zijn gevestigd, zullen bestuurlijke sancties naar verwachting vaak naast zich neerleggen. Daarom bevat het wetsvoorstel kansspelen op afstand enkele aanvullende handhavingsinstrumenten, zoals de bindende aanwijzing aan tussenpersonen om hun dienstverlening aan illegale aanbieders te staken.
Acht u het aannemelijk dat bij volgende grote sportevenementen illegale aanbieders van kansspelen de afweging maken dat sancties van de KSA niet onmiddellijk effectief zijn en dat zij aangelokt door hoge winsten er toch voor kiezen illegaal kansspelen te gaan aanbieden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals ik reeds in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, zullen aanbieders die persisteren in het onmiskenbaar aanbieden van kansspelen gericht op Nederland te zijner tijd worden uitgesloten van een vergunning. Met het oog hier op acht ik het niet aannemelijk dat veel aanbieders persisteren in het aanbieden van kansspelen gericht op Nederland.
Veel aanbieders die na regulering van kansspelen op afstand in aanmerking willen komen voor een Nederlandse vergunning hebben hun aanbod aangepast en richten zich niet meer onmiskenbaar op de Nederlandse markt. Zoals de Commissie kansspelen via internet al in 2010 constateerde, zijn veel aanbieders grote, goed georganiseerde en internationaal opererende bedrijven die in hun landen van vestiging gerespecteerde bedrijven met beursnoteringen zijn, die in één of meerdere EU/EER lidstaten beschikken over een vergunning en in die landen ook onder toezicht staan. Deze aanbieders bieden hun kansspelen liever legaal dan illegaal aan. Ook in Nederland hebben zij belang bij een reputatie als een betrouwbare aanbieder met een kansspelvergunning waardoor zij zich graag willen conformeren aan de Nederlandse regels. Spelers in Nederland kunnen na regulering van kansspelen op afstand immers kiezen voor een aantrekkelijk, betrouwbaar en legaal aanbod waarop de kansspelautoriteit toezicht houdt, en zullen naar verwachting voor dit legale aanbod kiezen. Aanbieders die desondanks willens en wetens kiezen om te persisteren in het onmiskenbaar op Nederland gerichte aanbod van online kansspelen en daardoor geen vergunning krijgen, lopen zo het risico straks van de Nederlandse markt te worden geconcurreerd door het legale aanbod.
Deelt u de mening dat de motie-Bouwmeester c.s.(Kamerstuk 32 264, nr. 19), waarin staat dat illegale aanbieders van kansspelen niet in aanmerking kunnen komen voor een vergunning om kansspelen via internet aan te bieden», niet betekent dat aanbieders die gedurende enige tijd illegaal kansspelen aanbieden en daarna onder dwang van de KSA daarmee stoppen alsnog voor een online vergunning in aanmerking kunnen komen? Zo ja, betekent dit dan dat alle illegale aanbieders, ongeacht of zij na verloop van tijd stoppen met hun aanbod, uitgesloten zijn van toekomstige vergunningen? Zo nee, betekent dat dan dat illegale aanbieders die op enig moment weer stoppen geen risico lopen uitgesloten te worden van een vergunning? Zo nee, is dit dan niet gewoon het belonen van slecht gedrag?
Ik deel de mening dat het moment waarop het willens en wetens overtreden van de Nederlandse regels kan leiden tot uitsluiting van een vergunning in ieder geval voor de inwerkingtreding van de Wet kansspelen op afstand moet liggen. In mijn antwoord op vraag 2 en in de nota naar aanleiding van verslag heb ik toegelicht dat de kansspelautoriteit aanbieders aan een strikte betrouwbaarheidstoets zal onderwerpen. Het aanbieden van kansspelen gericht op Nederland zonder vergunning zal daarin zwaar meewegen. Daarbij is het vanuit het perspectief van de gewenste kanalisatie van belang om in aanloop naar het vergunningenstelsel onderscheid te kunnen maken tussen opportunistische en onverantwoord opererende «cowboys» die willens en wetens de nationale regelgeving overtreden, en gerenommeerde beursgenoteerde ondernemingen met een vergunning in één of meer andere Europese lidstaten, die hun diensten het liefst met een Nederlandse vergunning zouden willen aanbieden en die zich willen conformeren aan de Nederlandse kansspelregelgeving.
De Nederlandse kansspelmarkt zich bevindt zich in een transitiefase in aanloop naar een gereguleerd stelsel. Het is op dit moment voor welwillende en verantwoord opererende aanbieders niet mogelijk om voor een vergunning in aanmerking te komen. Daarom is het naar mijn mening passend dat de kansspelautoriteit het enkele feit van illegaal aanbod van kansspelen op afstand voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet kansspelen op afstand bij de betrouwbaarheidsbeoordeling van de betrokken aanbieder anders kan beoordelen dan dergelijk aanbod onder een bestaand vergunningenstelsel. Dit betekent dat niet iedere vorm van online-kansspelaanbod in de periode voorafgaande aan de introductie van een vergunningenstelsel op zichzelf al noodzakelijkerwijs moet leiden tot de conclusie dat de betrokken aanbieder daarvan onbetrouwbaar is. Het is daarom van belang om te kijken of een aanbieder in de aanloop naar het vergunningstelsel onmiskenbaar op Nederlandse markt gerichte kansspelen heeft aangeboden. Het is aan de kansspelautoriteit als zelfstandig bestuursorgaan om dit te beoordelen. Bij die beoordeling zal de Kansspelautoriteit de bestaande prioriteringscriteria hanteren. Aanbieders die na aanname van de motie Bouwmeester c.s. in september 2011 hebben gepersisteerd in het onmiskenbaar aanbieden van online kansspelen gericht op Nederland moet een vergunning op die grond kunnen worden geweigerd. Na aanname van de motie zijn de prioriteringscriteria immers duidelijk gecommuniceerd. Aanbieders aan wie de kansspelautoriteit na het aannemen van de motie een bestuurlijke boete heeft opgelegd, komen bij opening van de markt in ieder geval niet in aanmerking voor een vergunning. Dit is niet anders, indien deze aanbieders hun op Nederland gerichte aanbod inmiddels hebben gestaakt.
Deelt u de mening dat aanbieders van illegale kansspelen die naar uw woorden op dit moment «met vuur spelen» op enig moment hun billen moeten branden en op de blaren moeten gaan zitten in de zin van dat zij uitgesloten worden van een vergunning voor het aanbieden van kansspelen? Zo ja, deelt u ook de mening dat dit moment in ieder geval voor de inwerkingtreding van de Wet kansspelen op afstand moet liggen en is dat moment al bereikt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u in uw voor dit najaar aangekondigde brief, waarin u gaat aangeven hoe u uw voornemen om «aanbieders die persisteren in het aanbieden van kansspelen gericht op Nederland uit te sluiten van een vergunning voor kansspelen in Nederland» gaat uitvoeren, tevens ingaan op mogelijkheden om nog voordat de Wet kansspelen op afstand in werking treedt, bij andere regelgeving reeds te voorzien in de mogelijkheid om die aanbieders van een toekomstige vergunning uit te sluiten?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht 'Wetenschapsselectie van de NWO is ontmoedigende farce' |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wetenschapsselectie van de NWO is ontmoedigende farce»?1
Ja.
Onderschrijft u de analyse dat veel onderzoeksvoorstellen worden afgewezen, terwijl deze kwalitatief niet onderdoen voor voorstellen die wel tot toekenning van middelen leiden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat deze systematiek onbevredigend en inefficiënt is en tot verspilling van kostbare tijd en middelen leidt?
Deze analyse onderschrijf ik niet. De eerste geldstroom – financiering direct van de universiteiten – voorziet in een solide basis. De tweede geldstroom – vanuit NWO – brengt meer dynamiek in het systeem. Bij de tweede geldstroom moet vaak gekozen worden tussen de beste en de allerbeste voorstellen, wat niet eenvoudig is. Maar dat er moet worden gekozen is inherent aan het systeem waarbij middelen in competitie verdeeld worden door NWO. Dit doet NWO door in haar beoordelingssysteem gebruik te maken van peer review. Internationaal is dit systeem de norm. In de evaluatie van NWO, die in 2013 is verschenen, concludeert de evaluatiecommissie dat NWO haar primaire taak, het selecteren van excellente onderzoekers en onderzoeksvoorstellen, uitstekend en onomstreden uitvoert. Uit het onlangs uitgevoerd Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO)2 blijkt dat dit beoordelingssysteem de Nederlandse wetenschap sterker heeft gemaakt.
Kunt u toelichten waarom wordt vastgehouden aan een systematiek die suggereert dat de selectie op inhoudelijke gronden geschiedt, terwijl in de verantwoording vaak blijkt dat nauwelijks inzicht te geven valt in kwalitatieve verschillen? Wat is uw oordeel over de suggestie om uit de grote hoeveelheid van kwalitatief gelijkwaardige voorstellen bij loting te selecteren?
NWO werkt met beoordelingscommissies die verantwoording afleggen over de toe- of afwijzing van ingediende voorstellen. Hierbij wordt inzicht gegeven in kwalitatieve verschillen. Elke beoordelingscommissie hanteert bij de beoordeling criteria die betrekking hebben op aspecten zoals de kwaliteit van de onderzoeker (kwaliteit publicaties, optredens bij conferenties, enz.), de kwaliteit van het onderzoeksvoorstel (het innovatieve karakter, wetenschappelijke impact, enz.) en kennisbenutting (de mate waarin de wetenschappelijke kennis en vaardigheden toegepast worden buiten de wetenschap en/of in andere wetenschappelijke disciplines).
Voorstellen via een loting selecteren zou geen recht doen aan het werk van de onderzoeker en van de beoordelingscommissie. De onderzoeksvoorstellen zijn namelijk nooit geheel gelijkwaardig in kwaliteit. Ik vind het belangrijk dat er een kwalitatieve beoordeling plaatsvindt en dat wordt beargumenteerd waarom een voorstel wordt gehonoreerd of afgewezen. Wel wordt in het kader van het ontwikkelen van de Toekomstvisie Wetenschap bezien of interdisciplinaire voorstellen en voorstellen uit nieuwe disciplines nadrukkelijker aandacht zouden moeten krijgen in de toekenningssystematiek. Daarvoor is, zoals ook in de NWO-evaluatie is geconstateerd, ook de governance structuur van NWO een aandachtspunt. In de kabinetsreactie daarop heb ik geconstateerd dat de organisatiestructuur flexibel genoeg moet zijn om in te spelen op maatschappelijke en wetenschappelijke veranderingen. In de Toekomstvisie Wetenschap, die u later dit jaar ontvangt, zullen de Minister van OCW en ik hier verder op ingaan.
Onderkent u dat het voordelen biedt om de inhoudelijke toekenning van middelen door de NWO te beperken tot onderzoeksvoorstellen die zich kwalitatief aanmerkelijk onderscheiden en een groot deel van het budget direct door instellingen in te laten zetten?2
Op dit moment wordt het grootste deel van het budget voor onderzoek, ongeveer 1,9 miljard, rechtstreeks via de universiteiten ingezet versus ongeveer 500 miljoen via NWO in competitie. Met dat budget liggen de huidige honoreringspercentages van NWO rond de 20%. Dit betekent dat niet alle goede tot excellente voorstellen kunnen worden gehonoreerd. Uit het eerder genoemde IBO blijkt echter dat er geen aanwijzingen zijn dat overheveling van middelen tussen de eerste en tweede geldstroom tot grote doelmatigheidswinsten leidt.
Het kwijtraken van pensioen bij bijstand in Enschede |
|
John Kerstens (PvdA), Roos Vermeij (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het voornemen van de gemeente Enschede om bij een bijstandsaanvraag verplichte verzilvering van het pensioen vóór de pensioendatum in te voeren?1
Ja. Nadat het voornemen bij mij bekend werd, gaf ik aan dat ik verre van enthousiast ben over het plan. Pensioen is voor later, als inkomen voor de oude dag. Wat mij betreft dus niet bedoeld als inkomen wanneer je (tijdelijk) zonder werk zit.
Tevens ben ik er van op de hoogte dat het college van burgemeester en wethouders (B&W) van Enschede inmiddels heeft besloten om het plan in te trekken.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat pensioen vóór de pensioengerechtigde leeftijd moet worden «opgegeten» alvorens er recht kan ontstaan op bijstand?
Het plan van Enschede, dat inmiddels is ingetrokken, vind ik onwenselijk. De 2e pijler pensioenen zijn thans een sterk gereguleerd instrument voor de oudedagsvoorziening. Bijstandsgerechtigden zouden – in het kader van de bijstand – niet door gemeenten verplicht moeten worden om hun 2e pijler pensioen vervroegd in te laten gaan. Daarbij komt dat momenteel wetgeving wordt voorbereid om het 3e pijler pensioen van zzp-ers en werknemers onder voorwaarden te beschermen in geval van een beroep op de bijstand.
In hoeverre heeft de gemeente Enschede gelijk als zij stelt dat, indien een pensioenfonds de mogelijkheid biedt om pensioen voor de pensioenleeftijd uit te keren, dit binnen het wettelijk kader van de Wet werk en bijstand (WWB) valt, dat voorschrijft dat (aanvullende) bijstand alleen wordt verstrekt voor zover andere inkomstenwerving niet tot de mogelijkheden hoort?
Vooralsnog is op grond van jurisprudentie niet gebleken dat het oorspronkelijke plan van Enschede in strijd zou zijn met de WWB. Evenwel acht ik de geschetste situatie, zoals eerder aangegeven, onwenselijk. Ik ondersteun de strekking van het amendement op de Verzamelwet SZW 20152 dat de SP heeft ingediend. Echter, de Verzamelwet leent zich, gezien zijn overwegend technische en beperkt inhoudelijk karakter, minder voor dit onderwerp. Daarom zal ik met een voorstel komen om in de Wet werk en bijstand (ofwel: de Participatiewet zoals die met ingang van 1 januari 2015 zal gaan luiden) te regelen dat bijstandsgerechtigden door het college niet gedwongen kunnen worden om hun 2e pijler pensioen vervroegd in te laten gaan. Daarbij wordt onderzocht hoe het een en ander het best kan worden geïmplementeerd. Hierbij wordt ook gekeken naar aanverwante wet- en regelgeving (zoals de IOAW en de IOAZ). Alleen wanneer personen vrijwillig hun 2e pijler pensioen eerder laten ingaan, zal het 2e pijler pensioen door het college van B&W in aanmerking genomen worden bij de vaststelling voor het recht op en de hoogte van bijstand.
In de eerstvolgende Verzamelbrief zal ik gemeenten oproepen om, vooruitlopend op de wetswijziging, bijstandsgerechtigden niet te verplichten om hun 2e pijler pensioen vervroegd in te laten gaan.
Het groeiende aantal jihadgezinnen |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Amersfoorts gezin vermoedelijk vertrokken voor Jihad»?1
Ja.
Kunt u aangeven of het klopt dat er behalve gezinnen uit Amersfoort en Huizen, ook moslimgezinnen uit Utrecht, Hilversum, Almere en Zeist betrokken zijn bij de jihadgang?
Ik kan in het openbaar niet ingaan op individuele gevallen.
Kunt u een totaaloverzicht presenteren waarin terug te vinden is hoeveel gezinnen en uit welke gemeenten vertrokken zijn naar Syrië of Irak?
Landelijk gezien zijn in totaal ruim 140 personen uitgereisd naar Syrië of Irak. Ik kan in het openbaar geen inzage geven in de verdeling over gemeenten. Sommige gemeenten kiezen ervoor zelf bekend te maken hoeveel personen of gezinnen zijn uitgereisd. Deze cijfers zijn gebaseerd op de eigen gegevens van gemeenten.
Op welke wijze en hoe lang worden de besturen van steden in ons land geïnformeerd over extremistische moslimgezinnen binnen hun gemeentegrenzen?
De betrokken diensten zijn alert op signalen van radicalisering en extremisme, zo enigszins mogelijk informeert de AIVD de burgemeester en eventueel andere instanties, zoals het Openbaar Ministerie of de Raad voor de Kinderbescherming, over personen of gezinnen die plannen hebben om uit te reizen naar of die teruggekeerd zijn uit het jihadistisch strijdgebied.
Kunt u garanderen dat de paspoorten van alle uitgereisde jihadgangers komen te vervallen, zij hun Nederlandse nationaliteit verliezen (in geval van een dubbele nationaliteit) en tevens bewerkstelligen dat zij een inreisverbod krijgen?
Het uitgangspunt is dat paspoorten gesignaleerd worden ter vervallenverklaring op basis van artikel 23 van de Paspoortwet bij gegrond vermoeden dat iemand in het buitenland handelingen zal verrichten die een bedreiging vormen voor Nederland. De paspoortmaatregel wordt in alle gevallen zeer zorgvuldig toegepast. Alleen als er een concreet en gegrond vermoeden is van uitreis naar jihadistische strijdgebieden wordt de maatregel genomen.
Onder artikel 14, tweede lid van de rijkswet op het Nederlanderschap is het mogelijk om het Nederlanderschap te ontnemen bij een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling voor de in dit artikel opgesomde terroristische misdrijven. Dit betreft onder andere een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling wegens deelname aan een terroristische organisatie. Bij uw Kamer is een voorstel van rijkswet ingediend waarin wordt voorgesteld ontneming van het Nederlanderschap eveneens mogelijk te maken bij deelname aan jihadistische trainingskampen (Kamerstukken 34016-(R2036).
In het Actieprogramma «Integrale aanpak jihadisme» staat tot slot het voornemen aangekondigd om de rijkswet op het Nederlanderschap zodanig aan te passen dat het voor de Minister van Veiligheid en Justitie mogelijk wordt in geval van aansluiting bij een terroristische strijdgroepering en betrokkene een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, het Nederlanderschap in te trekken zonder dat er sprake is van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling. Dit geldt alleen voor uitreizigers met meer nationaliteiten dan enkel de Nederlandse. Het merendeel van de huidige uitreizigers is in het bezit van een dubbele nationaliteit (Nederlandse én niet-EU nationaliteit). Uitgangspunt is dat uitreizigers die het Nederlanderschap verliezen worden gesignaleerd als ongewenst vreemdeling (voor het Schengengebied) en worden ongewenst verklaard (art. 67 Vw). Hij kan Nederland dan niet meer inreizen.
Hoe duidt u de mediacampagne van de Amerikanen tegen de Islamitische Staat en zijn er ook plannen om in Nederland een dergelijke (sociale) media-campagne te lanceren?2
Eind 2013 is de sociale media campagne «Think Again Turn Away» gelanceerd om de online werving van jihadgangers tegen te gaan. Vanuit Twitter, Facebook, YouTube en Tumblr accounts die de campagne naam dragen, verspreid het CSCC «Center for Strategic Counterterrorism Communications» (CSCC) van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken berichten en video’s die de verschillende jihadistische terroristische groeperingen bekritiseren.
Ook in Nederland wordt ingezet op het mobiliseren van maatschappelijke tegengeluiden en versterken van weerbaarheid tegen radicalisering, zowel online als offline. Hierbij kan worden gedacht aan ondersteuning van lokale en landelijke initiatieven om alternatieve boodschappen te verspreiden, aansluiten bij bestaande (internationale) islamitische tegengeluiden en gerichte communicatie over feitelijke onjuistheden in jihadistische propaganda. Ten slotte wordt het maatschappelijk middenveld ondersteund met feitelijke informatie ten behoeve van gesprekken met jongeren die vatbaar zijn voor radicalisering.
Mogelijke opslag van kernafval in zoutkoepels in Friesland en Groningen |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Voer debat kernafval ook in het Noorden»?1
Ja.
Welke onderzoeken lopen op dit moment met betrekking tot eindberging van kernafval in Nederland en welke onderzoeken zijn hierover gepland, in welk stadium bevinden deze onderzoeken zich, waaronder het onderzoeksprogramma OPERA en wanneer verwacht u dat locatie specifiek onderzoek aan de orde is?
Vanaf 2011 loopt het onderzoeksprogramma eindberging radioactief afval (OPERA). OPERA zal medio 2016 afgerond zijn. De meeste onderzoeksresultaten worden dan verwacht. Op de site van COVRA (www.covra.nl) is inhoudelijke informatie over OPERA inclusief de eerste resultaten te vinden. Zoals ik eerder al aangaf is locatiespecifiek onderzoek of een locatiekeuze in het onderzoek en het beleid de komende tientallen jaren niet aan de orde.
Welke risico’s gaan gepaard met de opslag van kernafval in zoutkoepels, bijvoorbeeld met betrekking tot het grondwater, volksgezondheid en milieu? Sluit u eindberging in zoutkoepels uit, aangezien u geologische berging in een speciaal ontworpen faciliteit als meest veilige optie noemt?2
Veiligheid van een geologische eindberging op gebied van grondwater, volksgezondheid en milieu is een absolute randvoorwaarde. Specifieke randvoorwaarden zijn hiervoor in Nederland nog niet gesteld omdat geologische berging de komende tientallen jaren niet aan de orde is. Internationaal zijn er richtsnoeren waaraan een veilige eindberging dient te voldoen. Het uitgangspunt is dat toekomstige generaties niet minder beschermd worden tegen de effecten van straling dan de huidige generaties.
Naar de huidige stand van wetenschap en techniek wordt geologische eindberging in een speciaal ontworpen faciliteit als de meest veilige en verantwoorde optie voor het beheer van radioactief afval op de lange termijn gezien. Internationaal is hierover brede overeenstemming. In Nederland gaat het dan om berging in zout of klei. Nader onderzoek is nodig om te komen tot een zo veilig mogelijke eindberging van radioactief afval. Daarvoor is ook nog voldoende tijd. Radioactief afval wordt ten minste 100 jaar bij de COVRA opgeslagen.
Deelt u de mening dat eindberging van kernafval onder bewoond gebied zeer ongewenst is en sluit u eindberging van kernafval in Friesland en Groningen uit?
Locatiekeuze is de komende tientallen jaren niet aan de orde dus ook niet het uitsluiten van locaties. Ik verwijs hierbij naar mijn antwoord op vraag 4.
Wat is het doel van de aangekondigde publieksdebatten in Den Haag en Amsterdam over eindberging van kernafval? Mocht er sprake zijn van eventuele eindberging in Noord-Nederland, deelt u de mening dat de betreffende regio’s de kans moeten krijgen om in een vroeg stadium inspraak te kunnen geven op dit thema?
Er is geen sprake van publieksdebatten in Den Haag en Amsterdam. Wel hebben onderzoekers binnen OPERA twee bijeenkomsten georganiseerd. In een publiekelijk toegankelijke bijeenkomst in Den Haag zijn onderzoeksresultaten gedeeld. In een workshop in Amsterdam ging het over de vraag hoe stakeholders te betrekken bij eindberging van radioactief afval. Dit betreft een deelproject van OPERA. In beide gevallen ging het over onderzoek en niet over publieksdebat.
Wordt de regio Noord-Nederland op dit moment betrokken bij het nationaal programma voor het beheer van radioactief afval?
Op nationale schaal worden organisaties, zoals VNG en IPO, betrokken. Noord-Nederland wordt net zo behandeld als andere regio’s. Aangezien er geen sprake is van locatiespecifiek onderzoek is er geen reden om bepaalde regio’s in het bijzonder te betrekken of een voorkeursbehandeling te geven.
Over het op vrije voeten stellen van jihadgangers |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jihadgangers Huizen weer vrij»?1
Ja.
In hoeverre klopt het dat het voorarrest van drie van de vier jihadgangers niet is verlengd?
De rechter-commissaris besloot 4 september dat één van de vier verdachten vast moest blijven en dat de overige drie in vrijheid moesten worden gesteld. Het is de taak van de rechter-commissaris te toetsen of verdachten vrij mogen komen; dat is hier gebeurd. Tegen een dergelijke beslissing staat hoger beroep open. De rechtbank heeft op 17 september 2014 het hoger beroep van het OM gegrond verklaard en beslist dat, mede gelet op de na de beschikking van de rechter-commissaris aan het dossier toegevoegde stukken, er wel ernstige bezwaren bestaan tegen beide verdachten. Zij zijn in bewaring gesteld. Vervolgens heeft de rechtbank beslist, en daar kan het OM zich in vinden, dat de bewaring werd geschorst. Dit betekent dat er nog steeds ernstige bezwaren bestaan tegen de verdachten, maar dat er omstandigheden zijn op grond waarvan de bewaring feitelijk geschorst wordt. Het doel is voorkomen dat de gezinnen uitreizen, door de voorwaarden die gesteld zijn aan de schorsing en het feit dat hun paspoorten zijn ingenomen, wordt dit doel bereikt.
Begrijpt u dat dit soort rechterlijke beslissingen veel onrust veroorzaken in onze toch al gespannen samenleving?
Zie antwoord vraag 2.
Ziet u inmiddels de meerwaarde in van administratieve detentie in de strijd tegen terreur, waarmee dit soort situaties voorkomen kunnen worden?
Wanneer van een persoon een dreiging uitgaat – bijvoorbeeld omdat de persoon van plan is uit te reizen naar of is teruggekeerd van een jihadistisch strijdgebied – dan beschikt het Openbaar Ministerie over voldoende wettelijke instrumenten om, samen met de politie, strafrechtelijk op te treden. Tevens bestaan er bestuurlijke instrumenten voor de aanpak, zoals het stopzetten van toeslagen en uitkeringen, het nemen van paspoortmaatregelen en het kunnen bevriezen van financiële tegoeden. Wel bezie ik de mogelijkheid om tijdelijke maatregelen op te leggen als een periodieke meldplicht, contact verboden, medewerking aan her huisvestiging et cetera. Ik acht het creëren van administratieve detentiemogelijkheden op dit moment niet noodzakelijk.
Het bericht 'Gaswinning', dan krijg je dit' |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Gaswinning. Dan krijg je dit»?1 Zo ja, kunt u aangeven waarom de bewoners na vier maanden nog steeds wachten op hun schadeloosstelling en een vervangende woonruimte?
De instorting van de bewuste schuur was voor de gemeente Bedum aanleiding om een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de oorzaak of de oorzaken. Dat onderzoek is begin juli afgerond. De conclusie luidde dat de instorting een gevolg was van stormschade en verwaarlozing. De bijdrage van de gasbevingen kon daarbij vooralsnog niet worden uitgesloten.
De conclusies van het onderzoek zijn daarop mondeling aan de familie kenbaar gemaakt. De verzekeraar van de familie stelde zich ondertussen op het standpunt dat uitkering van een schadebedrag niet op zijn plaats is; schade door aardbevingen wordt niet gedekt. De gemeente is met de familie van oordeel dat een financiële tegemoetkoming van de kant van de verzekeraar op zijn plaats is. Er was immers ook sprake van stormschade en daarvoor was de familie verzekerd. Om de ontstane impasse te doorbreken, heeft de gemeente Bedum een expertisebureau in de arm genomen. Het expertisebureau heeft de opdracht te bepalen waar welke verantwoordelijkheden liggen. Het bureau verwacht begin oktober met nadere aanbevelingen te komen. Op basis daarvan moet duidelijkheid ontstaan over de verantwoordelijkheden van de NAM, de verzekeraar en de bewoners zelf.
Na de instorting hebben de bewoners intrek genomen in een tijdelijke woonruimte. De gemeente Bedum heeft met het oog op een definitieve oplossing contact gelegd met de plaatselijke woningstichting. Dat heeft tot nu toe geleid tot het aanbod van drie woningen, waarvan twee in Bedum en één in het nabijgelegen Sauwerd. De bewoners zijn niet op dit aanbod ingegaan. In de week van 8 september is opnieuw een woning aan de bewoners aangeboden. Hierover is telefonisch contact geweest. In dat gesprek werd duidelijk dat de huur van de tijdelijke woning van de familie, die aanvankelijk per 1 oktober 2014 zou aflopen, was verlengd. Ook meldde de familie een wijziging van hun standpunt: ze willen op termijn terug keren naar het oude adres. Daar dient dan een tijdelijke woonruimte moeten komen. Hiermee is voor de gemeente de directe noodzaak om een andere woonruimte aan te bieden komen te vervallen.
Waarom zijn de bezittingen van de bewoners niet veilig gesteld, zodat ze niet gestolen konden worden?
Na het advies van de brandweer van Bedum om de woning te verlaten, hebben de bewoners een aantal eigendommen meegenomen naar het nieuwe, tijdelijke adres. Enkele dagen na hun vertrek is er ingebroken in de ontruimde woning. Daarbij bleek dat de voordeur niet voorzien was van een slot en de woning gemakkelijk te betreden was. De gemeente Bedum heeft de voordeur daarop voorzien van een slot. De gestolen spullen zijn inmiddels vergoed door de verzekeraar.
Wat vindt u ervan dat de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en gemeente middels dreigementen dit gezin kennelijk monddood wilden maken en welke stappen gaat u nemen tegen de NAM en betrokken gemeente om dergelijke intimiderende praktijken uit te bannen?
Zowel de gemeente als NAM hebben nadrukkelijke afstand genomen van de in de pers geuite beschuldigingen, dat gemeente en/of NAM druk op hen hebben uitgeoefend om de zaak verder uit de media te houden. Hiervan kan en mag geen sprake zijn. Bij navraag geven zowel NAM als de gemeente Bedum aan dat zij principieel op het standpunt staan dat het een ieder vrij staat contact met de pers te zoeken.
Kunt u er persoonlijk op toezien dat deze mensen voor het eind van de maand een passende vervangende woonruimte krijgen en dat hun gestolen bezittingen volledig worden vergoed?
De meest recente ontwikkelingen maken duidelijk dat het acute huisvestingsprobleem van de familie lijkt te zijn opgelost. Zoals gemeld bij het antwoord op vraag 2, heeft de verzekering inmiddels uitgekeerd.
Kunt u uitleggen waarom er wel 620.000 euro is voor een dialoogtafel waar mensen alleen praten over de problemen, maar dat er kennelijk geen geld is om het probleem van deze gedupeerden op te lossen?2
Het genoemde budget is de noodzakelijke financiële ondersteuning om een goed functionerende «tafel» te krijgen, inclusief een goed functionerend secretariaat dat gehuisvest is in de regio. Een goed functionerende dialoogtafel is voor de regio essentieel. Dit budget staat geheel los van individuele dossiers.
In dit geval gaat het dan ook niet om de beschikbaarheid van budget maar om de verantwoordelijkheidsverdeling vraag waarbij stormschade, aardbeving schade en verwaarlozing waarschijnlijk allemaal een rol spelen. Er is ondertussen een vertrouwenspersoon ingeschakeld die de bewoners bijstaat aangezien ze hebben aangegeven dat zij zich niet voldoende vertegenwoordigd voelen in het proces. Door de gemeente worden nu constructieve gesprekken gevoerd met de bewoners. De verwachting is dat na het bekend worden van de resultaten van het expertise rapport er snel geschakeld kan worden naar een definitieve oplossing.
Omdat voorzien wordt dat er meer gevallen zijn of zullen volgen waarbij aardbevingsschade niet, of niet als eerste instantie, als hoofdoorzaak wordt aangemerkt zal ik met gemeenten in overleg treden om in deze gevallen een zorgvuldige procedure af te spreken waarbij zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat er langdurige discussies plaatvinden tussen verantwoordelijke instanties en bewoners.
Het bericht 'Overheveling zorgtaken naar gemeenten beter een jaar uitstellen' |
|
Mona Keijzer (CDA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van genoemd bericht en de daarin opgenomen uitspraken van senator Van Boxtel dat de invoering van de Wmo 2015 beter uitgesteld kan worden naar 2016?1
Ik heb het betreffende interview op BNR beluisterd. De heer van Boxtel roept in dit interview niet op de invoering van de Wmo 2015 uit te stellen zoals de titel van het item suggereert, maar vraagt het kabinet de invoering van de Wlz uit te stellen tot 1 januari 2016.
Ik deel zijn observatie dat niet alle gemeenten even ver gevorderd zijn bij de voorbereiding op de nieuwe taken en hij roept mij op om goed te inventariseren waar gemeenten staan bij de implementatie en hen de hulp te bieden waar dat nodig is. Op korte termijn zal ik de Tweede Kamer per brief informeren over de voortgang van de transitie Wmo 2015 sinds de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer en de wijze waarop ik gemeenten ondersteun.
Ik deel de mening van de heer Van Boxtel dat het een forse inspanning vergt van gemeenten, verzekeraars, aanbieders, cliëntenorganisaties en zorgprofessionals om van de hervorming langdurige zorg een succes te maken. De heer Van Boxtel stelt in het interview overigens niet dat de overheveling van zorgtaken naar gemeenten en zorgverzekeraars leidt tot overwerkte hulpverleners en instellingen. Zijn waarschuwing betreft de geplande invoering van de Wlz per 1-1-2015.
Deelt u de mening van senator Van Boxtel dat overheveling van zorgtaken naar gemeenten en zorgverzekeraars leidt tot zo goed als overwerkte hulpverleners en zorginstellingen, als gevolg van de vele nieuwe taken die zijn overgegaan? Zo ja, wat kunt u doen om dat te verlichten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hebben zich tussen het moment van stemming op 8 juli 2014 in de Eerste Kamer, toen senator Van Boxtel voorstemde en het wetsvoorstel met de kleinst mogelijke meerderheid van 37 tegen 36 stemmen werd aangenomen, en nu belangrijke vertragingen dan wel veranderingen voorgedaan die op 4 september 2014 kunnen leiden tot de conclusie dat gemeenten, zorginstellingen en zorgverleners zo goed als overwerkt zijn? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 1.
Welke zorgen van senator Van Boxtel deelt u, en welke zorgen deelt u niet, en op welke gronden?
Evenals de heer Van Boxtel constateer ik dat gemeenten verschillen in de mate waarin zij klaar zijn voor hun nieuwe taken. Dit baseer ik op de informatie uit het transitievolgsysteem van het Transitiebureau en de contacten die ik onderhoud met gemeenten, aanbieders en cliëntenorganisaties.
De heer Van Boxtel uit daarnaast zorgen over de benodigde aanpassingen van ICT systemen en het tijdig op orde krijgen van gegevens. Ik wil er op wijzen dat onder regie van het Zorginstituut in samenwerking met de zorgkantoren, zorgaanbieders en andere ketenpartners in beeld is gebracht welke aanpassingen de hervorming van langdurige zorg met zich meebrengt voor de AWBZ-brede zorgregistratie (AZR).
Op 1 juli heeft Zorginstituut Nederland de definitieve specificaties van de standaarden iWmo 1.0 en iWlz 1.0 gepubliceerd op www.istandaarden.nl. Eind juni is helderheid verschaft over de zorg die in 2015 valt onder de Wlz zodat er voldoende tijd beschikbaar zou zijn voor benodigde aanpassingen. Door uitstel van de Wlz verandert deze opgave niet.
In mei zijn met alle betrokken partijen (NZa, Zorginstituut Nederland, ZN, CAK, CIZ, Actiz, VGN, GGZ-Nederland en BTN) de potentiële knelpunten geïnventariseerd en is nagegaan onder welke condities een verantwoorde invoering van de Wlz per 2015 mogelijk is. Met die opbrengst zijn we hard aan de slag gegaan. Hierover is de Tweede Kamer per brief van 27 juni 2014 (TK 33 891, nr. 27) geïnformeerd.
Wat is het effect voor verzekeraars, gemeenten, zorginstellingen en cliënten van het door senator Van Boxtel bepleite uitstellen van de ingangsdatum van de Wet langdurige zorg (Wlz) naar 1 januari 2016?
In de brief over de invoering van de Wlz van 27 juni jl. is toegelicht dat bij een eventueel uitstel van de invoering van de Wlz de langdurige zorg in 2015 onder het regime van een «versmalde» AWBZ zal worden voortgezet. Versmald betekent dat de AWBZ-regelgeving wordt aangepast aan de aanspraken die in de AWBZ resteren na de geplande overhevelingen naar de Zvw en decentralisaties naar gemeenten. Hiermee worden «dubbele» aanspraken voorkomen.
In de brief aan de Kamer van 27 juni jl. is tevens toegelicht onder welke condities de langdurige zorg in 2015 zal worden uitgevoerd. Het uitgangspunt daarbij is dat partijen de wet op verantwoorde wijze moeten kunnen uitvoeren en dat cliënten verzekerd blijven van zorg. Daarom is gekozen voor een geleidelijke overgang, waarbij op aantal belangrijke punten (o.a. bekostiging, informatievoorziening) in 2015 nog wordt aangesloten bij de uitvoering van de AWBZ. Daarnaast zijn de voorwaarden voor uitvoering onder de Wlz en «versmalde» AWBZ gelijk getrokken. Op basis hiervan zijn partijen gestart met hun voorbereidingen voor 2015. Een eventueel uitstel van de Wlz naar 2016 heeft geen invloed op de aanspraken van cliënten die in 2015 een beroep doen op langdurige zorg. Wel geldt dat bij uitstel van de Wlz de basisrechten van cliënten, zoals toelatingslatingscriteria, leveringsvormen (o.a. pgb), zorgplanbespreking en cliëntondersteuning, niet wettelijk zijn verankerd.
Ongeacht welke wet er per 1 januari 2015 van kracht is, is er duidelijkheid naar zorgkantoren geboden over welke zorg ingekocht moest worden. De zorginkoop vindt de facto plaats op basis van een «versmalde» AWBZ. Geregeld is dat bij de invoering van de Wlz de rechten en plichten van zorgkantoren worden overgenomen door de Wlz-uitvoerders. Zowel onder de AWBZ als onder de Wlz blijft de huidige regio-indeling in 2015 gehandhaafd. Uitstel van de Wlz heeft geen gevolgen voor de hoogte van de beheerskosten. De bedoeling van de Wlz is Wlz-uitvoerders directer aan te spreken op hun verantwoordelijkheden. Dit wordt uitgesteld als de Wlz niet in 2015 wordt ingevoerd. In de Wlz wordt de zorgplicht (waaronder de cliëntondersteuning en zorgbemiddeling) explicieter neergelegd bij de Wlz-uitvoerder. Tenslotte geldt ook voor zorginstellingen dat duidelijk is wat ze moeten doen ongeacht de wettelijke kaders.
Heeft er enig overleg plaatsgevonden tussen het kabinet en de bevriende oppositiepartijen over een mogelijk uitstel van de Wlz? Zo ja, wanneer en wat was daarvan de uitkomst?
Hierover heeft geen overleg plaatsgevonden.
Kunt u deze vragen voor aanstaande dinsdag beantwoorden, omdat komende week de Wlz in de Kamer behandeld wordt?
Tot mijn spijt heb ik de vragen niet binnen dit korte tijdsbestek kunnen beantwoorden.
Heeft u kennisgenomen van het dringende verzoek van de gemeenten Almelo, Twenterand en de GGD Twente tot een onderzoek op het voormalige NAVO-depot in Vriezenveen naar een mogelijk verband tussen gezondheidsklachten van oud-medewerkers en het werken met de giftige verf CARC?1
Ja.
Waarom is er wel besloten tot een onderzoek naar meldingen van oud-medewerkers op een soortgelijk depot in Limburg, zoals gemeld in uw Kamerbrief van 27 juni jl., maar niet in Vriezenveen?2
Het onderzoek concentreerde zich in eerste instantie op Limburg, omdat oud-medewerkers daar medische klachten hadden gemeld. Zoals ik u in mijn brief van 18 september jl. heb medegedeeld, heb ik inmiddels besloten het onderzoek te versnellen en uit te breiden naar alle defensielocaties waar met CARC en chroom VI is en wordt gewerkt, waaronder Vriezenveen. Dit is mede gebeurd naar aanleiding van het in vraag 1 genoemde verzoek van de gemeenten Almelo en Twenterand. De onderzoeken in Limburg en Vriezenveen vinden gelijktijdig plaats.
Bent u bereid om de beide onderzoeken in Limburg en Vriezenveen gelijktijdig uit te voeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke mogelijkheden biedt u oud-medewerkers van NAVO-depots concreet om hun gezondheidsklachten onafhankelijk te laten onderzoeken?
Alle (oud-)medewerkers die gewerkt hebben met CARC of chroom VI, kunnen zich laten registreren bij het meldpunt. Zoals ik u in mijn brief van 18 september jl. heb gemeld, zal Defensie, zodra de uitkomsten van het RIVM-onderzoek bekend zijn, bezien wat deze betekenen voor de individuele (oud-)medewerkers.
Het bericht ‘Ontslag fraudeaanklager wegens mogelijke fraude’ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Ontslag fraudeaanklager wegens mogelijke fraude»?1
Ja.
Klopt het dat de kwestie voorkomen had kunnen worden door een betere screening van de betreffende persoon bij de aanstelling zoals bronnen binnen het opsporingsapparaat beweren? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op de vragen 3 tot en met 6 van het lid Oskam.
Is het een normale gang van zaken dat een persoon door middel van zijn politieke (VVD) netwerk een aanstelling krijgt? Zo ja, wat gaat u eraan doen dat een screening niet ondergeschikt is aan vriendjespolitiek?
Nee. De betreffende advocaat-generaal is dan ook benoemd na het doorlopen van de normale selectieprocedure. Zie voorts mijn antwoord op de vragen 3 tot en met 6 van het lid Oskam.
Deelt u de mening dat deze kwestie het vertrouwen van de samenleving in justitie schaadt aangezien het Openbaar Ministerie niet meer slagkracht en deskundigheid wordt gegeven bij het aanpakken van witteboordencriminelen, maar in plaats daarvan een aanklager krijgt die zelf verdacht wordt van witteboordencriminaliteit? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat een rechterlijk ambtenaar bij het Openbaar Ministerie van onbesproken gedrag moet zijn. Als blijkt dat dit niet het geval is, kan dit het vertrouwen van de samenleving in justitie schaden.
De aanpak van fraude, waaronder witteboordencriminaliteit valt, heeft een zeer hoge prioriteit. Dit blijkt ook uit mijn brief van 20 december 2013.2 Voor het einde van het jaar informeer ik uw Kamer door middel van een brief over de huidige stand van zaken met betrekking tot de aanpak van fraude.
Een coördinerend minister voor de maritieme sector |
|
Betty de Boer (VVD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Maritieme-sector-wil-coördinerend-minister» en «Komst recordship is een administratieve ramp»?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat een level-playing-field voor de scheepvaartsector ontzettend belangrijk is voor de Nederlandse economie en concurrentiepositie? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de mening dat een level-playing field voor de scheepvaartsector ontzettend belangrijk is voor de Nederlandse economie en concurrentiepositie. Mijn beleid is daarom ook gericht op het zo veel mogelijk borgen daarvan, onder meer door het tegengaan van concurrentieverstorende staatssteun, een zo concurrerend mogelijk fiscaal klimaat en door in te zetten op internationale afspraken zonder aanvullende nationale eisen. Met deze beleidsinzet versterk ik niet alleen het level-playing-field maar ook het vestigingsklimaat, die beiden van groot belang zijn voor de Nederlandse economie en concurrentiepositie.
Deelt u de mening dat het goed is dat er één coördinerend Minister komt als aanspreekpunt voor de maritieme sector om eventuele problemen aan te pakken en op te lossen? Zo ja, hoe gaat u dit oppakken en communiceren naar de sector? Zo nee, waarom niet?
Ik ben voorstander van een betere coördinatie en afstemming van het maritieme beleid en een transparante en toegankelijke overheid, zodat zaken voor de sector snel opgelost kunnen worden. Ik wil daar op praktische wijze invulling aan geven, met als uitgangspunt dat andere departementen hun eigen beleidsverantwoordelijkheid behouden. Zodra hierover interdepartementaal afspraken zijn gemaakt, zal ik deze in mijn in ontwikkeling zijnde maritieme strategie opnemen.
Klopt het dat de eigenaar van het schip «Oasis of the Seas» problemen ondervindt in Nederland met het krijgen van werkvergunningen? Zo ja, wat gaat u er aan doen om de problemen die de eigenaar van dit schip ondervindt in Nederland op te lossen?
Via de media is de indruk ontstaan dat er sprake is van administratieve problemen rondom het verkrijgen van werkvergunningen voor het plegen van onderhoud aan het schip «Oasis of the Seas». Er is echter sprake van een genuanceerder beeld. De tewerkstellingsvergunningen zijn in een laat stadium aangevraagd door de reder c.q. de scheepsagent. Door een goede samenwerking tussen de vergunningverlenende instantie, het UWV en de reder, is het te verwachten dat de aanvragen om tewerkstellingsvergunningen tijdig zullen worden afgehandeld.
Het bericht dat een fraude-aanklager verdacht wordt van fraude |
|
Peter Oskam (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat na 2,5 jaar onderzoek door de FIOD naar een advocaat-generaal bij het gerechtshof Amsterdam die belast was met fraudeonderzoeken, de betreffende advocaat-generaal nu voor de strafrechter wordt gebracht en verdacht wordt van fraude en valsheid in geschrifte?1
Het Openbaar Ministerie bevestigt dat er strafrechtelijk onderzoek wordt gedaan naar een advocaat-generaal. De functionaris wordt verdacht van het plegen van fiscale fraude in de privésfeer. Dit onderzoek wordt gedaan door het Functioneel Parket. De zaak is thans in handen van de rechter-commissaris. De vervolgingsbeslissing zal pas worden genomen nadat het onderzoek is afgerond. In het belang van het onderzoek worden op dit moment geen nadere mededelingen gedaan.
Deelt u de mening dat bij uitstek het werken in de rechtspraak vraagt om integriteit en onbesproken gedrag van de medewerkers? Kunt u uitleggen waarom dat zo belangrijk is?
Het Openbaar Ministerie heeft een bijzondere plaats in de samenleving als rechtshandhaver van datgene wat de Nederlandse burgers – door middel van wetgeving – met elkaar hebben afgesproken. Integriteit is daarom van groot belang binnen het Openbaar Ministerie. Om die reden is in 2010 een landelijk programmamanager Integriteit aangesteld en is het Bureau Integriteit OM (BIOM) in het leven geroepen. Het BIOM is een landelijk expertisecentrum op het gebied van integriteit.
Deelt u de mening dat deze zaak voorkomen had kunnen worden als de verdachte beter was gescreend?
Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer van 25 oktober 2012 heb aangegeven, geldt voor de benoeming als rechterlijk ambtenaar bij het Openbaar Ministerie een uitgebreide en zorgvuldige selectieprocedure.2 De procedure houdt onder meer in dat de selectiecommissie, na toestemming van de betrokkene, de beschikking krijgt over de justitiële gegevens van de kandidaat. Een assessment vormt tevens een vast onderdeel van de selectieprocedure. Ook worden per kandidaat ten minste drie referenten benaderd.
Bij de aanstelling van de betrokken advocaat-generaal is deze reguliere selectieprocedure doorlopen. Aan de selectiecommissie zijn justitiële gegevens verstrekt en er is een assessment afgelegd. Daarnaast zijn er zeven relevante referenten benaderd, die positieve inlichtingen hebben verstrekt. Het College van procureurs-generaal heeft mij gemeld dat in de selectieprocedure geen contra-indicaties voor benoeming naar voren zijn gekomen.
Kunt u aangeven hoe de sollicitatieprocedure normaliter verloopt voor de positie van advocaat-generaal bij een gerechtshof?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft de verdachte in deze zaak deze reguliere sollicitatieprocedure doorlopen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u bevestigen dat de aanstelling bij het ressortsparket Amsterdam geregeld werd via de contacten van de verdachte binnen de VVD? Zo ja, kunt u hier een waardeoordeel aan verbinden en tevens aangeven hoe dit «regelen» precies in zijn werk is gegaan?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn u (meer) zaken bekend waarin de sollicitatieprocedure binnen de rechtspraak niet vlekkeloos is verlopen en/of waarbij VVD-leden op een minder transparante manier een vergelijkbare functie hebben verkregen?
Mij zijn geen gevallen bekend waarbij binnen het Openbaar Ministerie bij de benoeming van een rechterlijk ambtenaar niet de gebruikelijke selectieprocedure is gevolgd.
De juridische verplichtingen die voorvloeien uit het mogelijk plegen van genocide en andere misdrijven door de zogenoemde Islamitische staat |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u de interne juridische adviezen over het kabinetsstandpunt dat vermoedelijk sprake is van genocide en andere ernstige internationale misdrijven door de Islamitische Staat in Irak en Syrië, alsmede de mogelijke internationaalrechtelijke verplichtingen die daaruit voortvloeien, aan de Kamer doen toekomen?1
De interne juridische adviezen hierover dienen vertrouwelijk te blijven voor een onbelemmerde interne beleidsvorming.
Wanneer heeft u om een extern volkenrechtelijk advies gevraagd, wat was de vraag en wanneer is/wordt dat uitgebracht?
De extern volkenrechtelijk adviseur is op 29 augustus jl. gevraagd om advies te geven over onderstaande vragen:
Het advies is op 3 september jl. ontvangen.
Kunt u het volkenrechtelijke advies per ommegaande aan de Kamer doen toekomen?
Het advies is op 5 september jl. aan de Kamer aangeboden (kenmerk BPZ-2014/167).
Welke verplichtingen volgen er voor Nederland concreet uit de Srebrenica-zaak (Bosnië-Herzegovina tegen Servië-Montenegro) en dan met name de door u in uw antwoorden op de schriftelijke vragen2 aangehaalde paragraaf 430 van de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof?3
De desbetreffende uitspraak van het Internationaal Gerechtshof is niet bindend voor Nederland, maar bevat gezaghebbende uitspraken over de volkenrechtelijke verplichtingen van verdragspartijen in relatie tot het voorkomen van het misdrijf genocide. Het Hof benadrukt in deze uitspraak dat niet alle verdragspartijen daadwerkelijk een verplichting hebben om te handelen bij dreigende genocide. Volgens het Hof rust deze verplichting alleen op staten die het vermogen hebben om het handelen van deze groep effectief te beïnvloeden. Het kabinet acht dit niet van toepassing op Nederland, hetgeen ook wordt geconcludeerd door de extern volkenrechtelijk adviseur in bovengenoemd advies.
Het kabinet is evenwel van mening dat het vermoeden van zeer ernstige misdrijven noodzaakt tot inzet op preventie, het voorkomen van escalatie en het bieden van hulp. De inspanningen van het kabinet zijn daarop gericht.
Kunt u deze vragen voor het plenaire debat over ISIS/Irak van 10 september a.s. beantwoorden?
Ja.
Belemmeringen voor het gebruik van alternatieven voor metam-natrium |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de aangenomen motie-Dik-Faber over alternatieven voor metam-natrium?1
Ja.
Wat is de stand van zaken van het overleg met de sector over het wegnemen van belemmeringen voor het gebruik van alternatieven voor natte grondontsmettingsmiddelen met metam-natrium als werkzame stof?
U bent per brief op 27 mei jl. (Kamerstuk 27 858, nr. 266) en op 25 augustus jl. (Kamerstuk 27 858, nr. 274) geïnformeerd. Daarnaast heb ik in die periode twee maal bestuurlijk overleg gevoerd met de sector over dit onderwerp.
Om alternatieven voor grondontsmetting te bevorderen zet ik in op mogelijkheden voor zogenaamde vanggewassen in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, alsmede het ondersteunen van projecten van de sector die de ontwikkeling van alternatieven bevorderen. Vanggewassen die van belang zijn voor de bestrijding en beheersing van aaltjes zijn opgenomen in de vergroeningseisen van het GLB, waardoor het telen van deze gewassen financieel aantrekkelijker wordt. Via het Schriftelijk Overleg informele Landbouw- en Visserijraad van 23 september 2014 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 805) heb ik uw Kamer hierover geïnformeerd. Daarnaast zijn door de sector in het kader van Publiek Private Samenwerking onderzoeksvoorstellen ontwikkeld. Op dit moment worden waar mogelijk percelen ten behoeve van de bloembollenteelt geïnundeerd als alternatief voor grondontsmetting. Met biologische grondontsmetting (zoals bijvoorbeeld bodem-resetten) worden in onderzoek goede resultaten behaald. Dit is op korte termijn echter nog niet praktijkrijp voor alle teelten en daarom wordt hier aanvullend onderzoek naar gedaan, waarmee onder meer het vaststellen van een minimale effectieve dosering wordt beoogd. Dat kan ertoe leiden dat de kosten verder dalen.
Om nog dit jaar proeven in te zetten met de bodem-resetter zal ik in 2014 de kosten hiervan (€ 150.000) financieren. Verdere financiering ten behoeve van 2015 en 2016 kan via de topsector Tuinbouw & Uitgangsmateriaal gezamenlijk publiek-privaat worden gerealiseerd, indien de projectvoorstellen daartoe worden goedgekeurd.
Kunt u aangeven hoeveel hectare grond in 2013 en in het voorjaar van 2014 is ontsmet met metam-natrium in het kader van «essential use»?
Bloembollen / Bolbloemen
3.523
1.098
Aardappelen
1.001
111
Groentegewassen
407
214
Bloemisterijgewassen
333
1
Aardbeien
255
137
Boomkwekerijgewassen
204
111
Vaste planten
108
35
Uien (inclusief plantuien en sjalotten)
69
2
Bieten
50
1
Herinplant boomgaard
39
16
Uitvoering van onderzoek
4
0
Totaal
5.993
1.726
De teelt van afrikaantjes biedt een alternatief voor de bestrijding van wortellesieaaltjes (Pratylenchus penetrans). Wortellesieaaltjes kunnen in veel gewassen schadelijk zijn.
Voor het telen van afrikaantjes moet echter wel in het groeiseizoen minimaal 3 maanden worden vrijgemaakt voor deze teelt. Inmiddels wordt in de aardbeiteelt de teelt van afrikaantjes regulier gebruikt.
Raketblad biedt een matig alternatief voor de bestrijding van aardappelcysteaaltjes (Globodera pallida en G. rostochiensis). Deze teelt wordt maar beperkt ingezet vanwege teeltproblemen (trage groei in het voorjaar en onkruiddruk) en omdat het minder effectief is dan de inzet van een korte, 40-daagse aardappelteelt als vanggewas. Aardappel als vanggewas heeft op de percelen met een besmetting met aardappelcysteaaltjes een vergelijkbare effectiviteit als metam-natrium.
Het onderzoek naar Zwaardherik heeft nog geen aanknopingspunten opgeleverd naar een toekomstig alternatief voor de inzet van metam-natrium.
Kunt u het totale aantal hectares uitsplitsen naar type gewas?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven voor welk type aaltjes, welke gewassen en voor hoeveel hectare de teelt van de aaltjesbestrijdende gewassen afrikaantjes, raketblad en zwaardherik een alternatief biedt voor het gebruik van middelen met metam-natrium?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u bevestigen dat indien deze aaltjesbestrijdende gewassen geteeld worden in het kader van de ecologische aandachtsgebieden (EFA’s), deze gewassen licht bemest mogen worden en dat beperkte onkruidbestrijding met herbiciden mogelijk is, omdat de effecten hiervan op de leefomgeving veel geringer zijn dan het toepassen van metam-natrium?
Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 2.
Is het u bekend dat er ook goede resultaten zijn behaald met japanse haver als bestrijder van wortellesieaaltjes? Welke mogelijkheden ziet u om de teelt van japanse haver als aaltjesbestrijder te stimuleren?
Japanse haver is als groenbemester interessant omdat het niet als veel andere groenbemesters wortellesieaaltjes vermenigvuldigt. Het effect van het gewas is vergelijkbaar met zwarte braak, dat betekent dat het effect hetzelfde is, als geen waardplant van nematoden te telen. Ook dit gewas staat op de vanggewassenlijst (vergroening) van het GLB.
Bent u bereid in overleg met de sector te kijken naar verdere aanpassingen van wet- en regelgeving, om te zorgen dat natuurlijke aaltjesbestrijders meer ingezet kunnen worden als alternatief voor metam-natrium, bijvoorbeeld door het scheuren van grasland op zandgronden langer toe te staan, waardoor veehouders meerdere sneden gras van het land kunnen halen en bollentelers daarna aaltjesbestrijdende gewassen kunnen inzaaien?
Ik onderken dat de aanscherping van de toelatingsvoorwaarden waaronder metam-natrium als grondontsmettingsmiddel gebruikt kan worden betekenisvol is.
In de bollenteelt is het van voordeel als scheuren van grasland op zandgrond tot later in het seizoen zou kunnen, om aaltjesbestrijdende gewassen, zoals Afrikaantjes, te kunnen telen. Ik ben bereid na te gaan of er in het kader van het mestbeleid mogelijkheden zijn de termijn voor het scheuren van grasland te verlengen; deze loopt nu van 1 februari tot en met 10 mei. Uitgangspunt in het kader van het mestbeleid is, dat er door later scheuren van het grasland geen extra nutriëntenverliezen in de bodem plaatsvinden. Ik zal advies inwinnen en u uiterlijk 1 december a.s. uitsluitsel geven.
Wat gaat u nog meer concreet doen om het mogelijk te maken dat alternatieven voor metam-natrium daadwerkelijk vanaf 2015–2016 in de praktijk toegepast kunnen worden?
Ik verwijs u voor het antwoord op vraag 9 en 10 naar het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om budget vrij te maken om duurzame alternatievenontwikkeling voor het gebruik van metam-natrium te bevorderen?
Zie antwoord vraag 9.
Het maatschappelijk verzet tegen dierproeven op labradors |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de grote maatschappelijke onrust die ontstaan is nadat bekend werd dat Universiteit Maastricht plannen had om proeven te doen op 39 labradors?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de proeven na een petitie met meer dan 120.000 handtekeningen zijn opgeschort en de honden bij een stichting zijn ondergebracht om uiteindelijk geadopteerd te worden?
Ja, de proeven zijn na de petitie tijdelijk opgeschort. De Universiteit Maastricht heeft aangegeven dat een externe onafhankelijke commissie deze proeven nader zal onderzoeken voordat het besluit wordt genomen of de dierproeven worden hervat.
Kunt u bevestigen dat Universiteit Maastricht nog geen besluit heeft genomen over dierproeven op labradors in de toekomst?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat er tussen 2004 en 2012 in laboratoria bij de Universiteit Maastricht 323 honden gedood zijn?2 Zo nee, hoe zit het dan?
Uit de jaarverslagen «Zodoende» van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) blijkt dat er bij de Universiteit Maastricht tussen 2004 en 2012 in totaal 323 honden zijn gebruikt voor onderzoek naar hart- en vaatziekten bij de mens. De Universiteit Maastricht geeft aan dat dit onderzoek op honden wordt uitgevoerd om hartaandoeningen bij de mens, zoals levensbedreigende hartritmestoornissen, beter te kunnen behandelen. Daarbij wordt voor de hond gekozen omdat het hart van de hond het meest lijkt op het hart van de mens qua elektrische geleidingsysteem. Resultaten die behaald worden met dit onderzoek zijn daarom goed te vertalen naar de mens. Eerder onderzoek van de Universiteit Maastricht heeft bijvoorbeeld geleid tot een duidelijke verbetering van de werking van pacemakers bij kinderen.
Is het waar dat er in 2011 in heel Nederland totaal 1.288 proeven op honden zijn uitgevoerd en het aantal proeven op honden in 2012 al is opgelopen tot 1.645?3 Hoe rijmt u deze stijging van 27.7% in de termen vermindering, verfijning en vervanging van dierproeven? Wat gaat u doen om dit aantal onmiddellijk te verlagen?
De genoemde aantallen zijn correct. Al deze dierproeven met honden zijn volgens de wet beoordeeld door een dierexperimentencommissie (DEC). De DEC dient daarbij de afweging te maken of het doel van de dierproef ook kan worden bereikt anders dan door middel van een dierproef, met minder dieren of met minder ongerief voor de proefdieren (vervanging, vermindering, verfijning, 3V’s). Zodra de voorgestelde wijziging van de Wet op de dierproeven in werking treedt zal voor dierproeven een projectvergunning nodig zijn. Aanvragen om projectvergunningen zullen worden beoordeeld door een nieuw zelfstandig bestuursorgaan, de Centrale Commissie Dierproeven (CCD), dat bij diezelfde wetswijziging wordt ingesteld. De CCD moet ook toetsen of aan de eisen van vervanging, vermindering en verfijning wordt voldaan, en of het doel van het onderzoek het gebruik van dieren rechtvaardigt. De DEC’s zullen in de nieuwe situatie de CCD adviseren over aanvragen om projectvergunningen.
Met de inwerkingtreding van de wijziging van de Wet op de dierproeven wordt tevens een Nationaal Comité ingesteld, dat onder meer tot taak krijgt te adviseren over het gebruik van dieren in dierproeven.
Zoals ik in mijn Plan van aanpak dierproeven en alternatieven (Kamerstuk 32 336, nr. 27) heb aangekondigd, zal ik het Nationale comité vragen om beste praktijken op te stellen ten behoeve van de projectvergunningen als het onderzoek met honden en katten betreft. Deze beste praktijken kunnen de CCD helpen tot een meer specialistische beoordeling te komen van de projectaanvragen van onderzoeken met honden en katten. Mijn ambitie is zo min mogelijk dierproeven en waar ze onvermijdelijk zijn naar een optimale vervanging, vermindering en verfijning. Daarbij gaat het niet alleen om dierproeven met honden en katten maar over dierproeven op alle soorten dieren.
Hoe beoordeelt u de openbaarmaking van de plannen voor deze specifieke dierproeven op labradors, die naar buiten zijn gekomen na een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur?
De Wet openbaarheid van bestuur zorgt ervoor dat iedere burger inzage kan krijgen in het overheidshandelen. Deze wet is ook van toepassing op de Nederlandse universiteiten. Zodra het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de dierproeven in werking treedt, zal van elk dierproevenproject waarvoor de CCD een projectvergunning verleent, een niet-technische samenvatting van het project worden gepubliceerd op de website van de CCD. Hierdoor zal het voor het publiek transparanter worden op welke dieren in Nederland dierproeven worden uitgevoerd en welk onderzoeksdoel het uitvoeren van deze dierproeven rechtvaardigt.
Deelt u de mening dat het publieke debat over de toelaatbaarheid van dierproeven gediend is bij concrete en openbare informatie over welke dierexperimenten er in ons land precies worden uitgevoerd, zoals nu dankzij een Wob-verzoek duidelijk werd in Maastricht? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de samenleving concreter en preciezer wordt geïnformeerd over de dierproeven die plaatsvinden in ons land dan nu het geval is met de algemene jaarverslagen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit? Zo nee, waarom denkt u dat het publieke debat gebaat is bij gebrekkige transparantie over dierproeven?
Juist omdat dierproeven in het publieke debat staan vind ik transparantie zeer belangrijk. Daarbij gaat het niet alleen over de informatie welke dierproeven in Nederland worden uitgevoerd maar ook over informatie betreffende de wetenschappelijke doelstellingen. De gewijzigde Wet op de dierproeven introduceert een aantal instrumenten die de transparantie aanzienlijk gaan verhogen. Zo komt er een centrale vergunningsplicht en moet voor elke nieuwe dierproef een niet-technische samenvatting gepubliceerd worden op de website van de CCD.
Tevens wil ik benadrukken dat het jaarverslag «Zo doende» van de NVWA een van de meest uitgebreide jaarverslagen is die er binnen de Europese Unie wordt uitgebracht en meer informatie bevat dan de verplichte Europese registratiegegevens.
Daarnaast blijf ik aandringen bij de sector om eveneens zelf actief en open over dierproeven te communiceren.
Hoe beoordeelt u het grote maatschappelijke verzet tegen de voorgenomen dierproeven op labradors, eerder ook al tot uiting gebracht in een breed gesteund burgerinitiatief voor een verbod op dierproeven op katten en honden in 2011 en de aanhoudend brede steun voor handtekeningenacties tegen dierproeven in het algemeen?
Ik begrijp dat dierproeven met honden en katten emoties losmaken bij mensen, omdat dit dieren zijn die wij vooral als onze huisdieren kennen. Desondanks is het soms nog nodig om dierproeven te verrichten op honden en katten voor bijvoorbeeld onderzoek naar de gezondheid van de mens of naar geneesmiddelen voor de betreffende diersoort.
Hoe beoordeelt u het feit dat een dierexperimentencommissie, in dit geval die van de Universiteit Maastricht, toestemming geeft voor dierproeven waartegen in de samenleving groot verzet bleek te bestaan?
Dierproeven met honden en katten zijn zowel onder de oude als onder de gewijzigde Wet op de dierproeven mogelijk. Elk projectvoorstel voor een dierproef moet vooraf worden beoordeeld door een erkende DEC. Deze commissie bestaat uit deskundigen op het gebied van dierproeven, alternatieven, bescherming van proefdieren en van ethische toetsing. Deze deskundigen dienen een afweging te maken tussen het belang van het doel van de dierproef en het ongerief dat aan het proefdier wordt berokkend. Ik heb geen aanwijzing dat er bij de projectbeoordeling van de Universiteit Maastricht niet voldaan is aan deze wettelijke eisen.
Hoe waardeert u de ethische toetsing die voorafgaand aan de goedkeuring van deze dierproeven heeft plaatsgevonden ten opzichte van de morele opvattingen in de samenleving, gelet op het massale verzet en onderschrijft u de constatering dat er kennelijk een gat zat tussen wat de dierexperimentencommissie moreel toelaatbaar achtte en hoe de samenleving de ethische toelaatbaarheid van deze dierproeven beoordeelde? Deelt u onze indruk dat dit vaker het geval is? Zo nee, waarom niet?
De DEC beoordeelt op een deskundige manier of het belang van het doel van de proef opweegt tegen het ongerief dat het dier ten gevolge van die proef ondervindt. De DEC dient daarbij een gefundeerde ethische afweging te maken waarbij zij niet alleen wetenschappelijke maar ook maatschappelijke aspecten betrekt. Indien de DEC op grond van deze ethische afweging oordeelt dat de belangen van de uitvoering van de proef niet opwegen tegen de belangen van de proefdieren, zal zij een negatief advies uitbrengen.
Voor het maatschappelijke debat vind ik het belangrijk dat voor het brede publiek transparanter wordt welke dierproeven in Nederland plaatsvinden en welk wetenschappelijke of maatschappelijke doel het uitvoeren van deze dierproeven rechtvaardigt. Onder de gewijzigde Wet op de dierproeven zal deze informatie beschikbaar komen in vorm van een niet-technische samenvatting van elke nieuwe dierproef.
Deelt u de mening dat de (veranderende) morele opvattingen over dierproeven in de samenleving zijn weerslag moeten krijgen in de ethische toetsing van de toelaatbaarheid van dierproeven? Zo ja, hoe gaat u er zorg voor dragen dat dit ook daadwerkelijk gaat gebeuren? Zo nee, waarom niet?
De huidige procedure van toelating van dierproeven zal met de komst van de gewijzigde Wet op de dierproeven veranderen. Voor alle dierproeven is dan een projectvergunning van de CCD vereist. Dit betekent dat een centrale onafhankelijke en onpartijdige commissie in een ethische toets beoordeeld of het maatschappelijke en wetenschappelijke belang van het doel van de dierproef opweegt tegen het ongerief dat het proefdier ondervindt ten gevolge van de proef. Bij deze ethische toetsing zal de CCD ook de beleving van de diverse aspecten in de maatschappij meenemen.
Bent u bereid de huidige procedures voor de ethische toetsing van de toelaatbaarheid van dierproeven te herzien zodat de morele opvattingen van de samenleving over de toelaatbaarheid van dierproeven hierin beter worden geborgd dan nu het geval is? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Dolfijnenslachtingen door Japan en de Faeröer en het plan van Japan om de walvisjacht weer te hervatten |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Frans Timmermans (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat de gruwelijke dolfijnenslachtingen weer van start zijn gegaan in Japan en op de Faeröer eilanden (bij Denemarken)?1 2
Ja.
Is het waar dat er activisten op de Faeröer eilanden gearresteerd zijn door de Koninklijke Deense Marine en dat de slachtingen van de dolfijnen konden plaatsvinden onder de volledige bescherming van de Koninklijke Deense Marine en de Deense politie, waarmee EU-lidstaat Denemarken de dolfijnenslachtingen in feite heeft gesteund?
Ja. De politie is in dit geval ingezet om de actievoerders gescheiden te houden van de jagers.
Kunt u bevestigen dat dolfijnenslachtingen in strijd zijn met de Europese dierenwelzijnsregels en met de internationale overeenkomst «on the Conservation of Small Cetaceans of the Baltic and North Seas» (ASCOBANS), waarin de Faroer eilanden geen partij zijn maar Denemarken wel? Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van Denemarken bij de dolfijnenslachtingen in het licht van deze verdragen?
Het kabinet verwijst u hiervoor naar haar brief aan de Kamer d.d. 4 maart 2013 betreffende de toezegging over inzet bij ASCOBANS over de slachting van grienden bij de Faeröer eilanden.
Bent u bereid om Denemarken aan te spreken op het steunen van de dolfijnenslachtingen en de Europese Commissie op te roepen eveneens in actie te komen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet zal Denemarken opnieuw aanspreken en aangeven dat het doden van dolfijnen, zoals dit gebeurt op de Faeröer eilanden, niet acceptabel is. Dit zal ook via de band van de EU worden opgebracht met Denemarken.
Is het waar dat Japan na een eerdere veroordeling door het Internationaal Gerechtshof plannen heeft de walvisjacht bij Antartica toch te hervatten?3 Mag de Kamer erop rekenen dat u deze plannen ten zeerste afkeurt en zich hiertegen zult verzetten? Zo ja, kunt u toelichten welke instrumenten u hiertoe gaat benutten? Zo nee, waarom niet?
Op 31 maart 2014 concludeerde het Internationaal Gerechtshof, in een zaak aangespannen door Australië en Nieuw Zeeland, dat het Japanse onderzoeksprogramma JARPA II niet voldoet aan de eisen die door de Internationale Walvis Commissie (IWC) zijn gesteld aan wetenschappelijke walvisjacht, en sommeerde Japan om de JARPA II vergunningen in te trekken. In reactie op de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof werd door Japan de walvisvaart in de Zuidelijke IJszee voor seizoen 2014–2015 afgelast. In vervolg op de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof is tijdens IWC65 een resolutie aangenomen die regelt dat alle programma’s voor wetenschappelijk onderzoek en de daarmee gepaard gaande walvisvangst, zo ook daarmee de nieuwe programma’s van Japan, getoetst moeten worden aan de richtlijnen van de IWC. Dat deze resolutie is aangenomen is een belangrijke stap in het beperken van walvisjacht ten behoeve van het wetenschappelijke onderzoeksprogramma.
Japan heeft aangekondigd te willen starten met een nieuw programma in 2015. Dit programma zal conform huidige internationale afspraken eerst getoetst worden door het wetenschappelijk comité van de IWC die bij deze toetsing tevens rekening houdt met wat gesteld is in de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof. Hoewel van belang is te onderkennen dat de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof geen verbod stelt op de walvisjacht voor wetenschappelijke doeleinden, blijft het kabinet van mening dat alle walvisjacht verboden zou moeten zijn en acht het zich door deze uitspraak in die mening gesterkt. De uitspraak is hiermee een instrument dat het kabinet benut in haar verzet tegen walvisjacht voor wetenschappelijke doeleinden.
Herinnert u zich de mondelinge vragen van 21 januari jongstleden waarin u heeft toegezegd in de EU te bouwen aan consensus over het stellen van voorwaarden aan een eventueel vrijhandelsakkoord met Japan op het gebied van het respecteren van de mensenrechten, het moratorium op de walvisjacht en een beëindiging van de dolfijnenslachtingen?
Ja. Het kabinet heeft hierin aangegeven dat er in de Europese Unie geen consensus over het onderwerp is. Het kabinet stelde dat er meer EU-lidstaten zijn die weliswaar de afschuw over de praktijk delen, maar geen koppeling willen aanbrengen tussen het vrijhandelsakkoord enerzijds en de walvisjacht anderzijds. Nederland ziet het vrijhandelsverdrag als een vehikel om met Japan de walvisvaart bilateraal en in internationale fora te bespreken. In dat verband heeft Nederland zich bij het vaststellen van een EU-onderhandelingsmandaat ingezet voor de opname van een stevig duurzaamheidshoofdstuk, dat aanknopingspunten biedt de walvisvaart met Japan te bespreken. Uw Kamer wordt regelmatig geïnformeerd over de voortgang van de onderhandelingen tussen de EU en Japan.
Kunt u verklaren waarom u de Kamer niet op de hoogte hebt gehouden van uw inzet en uw vorderingen op dit gebied, ondanks uw toezegging om daar in uw verslagen «speciaal aandacht aan dit onderwerp» te geven? Kunt u alsnog uiteenzetten wat u concreet heeft ondernomen om de zaken in de Europese Unie meer in de richting te bewegen van bovengenoemde voorwaarden aan het vrijhandelsakkoord met Japan, wat de resultaten daarvan tot nu toe zijn geweest en welke stappen u nog meer gaat zetten?
Zie het antwoord op vraag 6.
Kunt u uiteenzetten welke andere EU-lidstaten u inmiddels aan uw zijde heeft gekregen om (bovengenoemde) voorwaarden te verbinden aan het vrijhandelsakkoord? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de onderhandelingen over de kaderovereenkomst waarin de politieke samenwerking tussen Japan en de EU wordt geregeld?4 Hoe vaak en op welke wijze zijn in deze onderhandelingen de mensenrechten, de walvisjacht en de dolfijnenslachtingen aan de orde gesteld en wat is daar tot nu toe het resultaat van geweest?
Er hebben verschillende onderhandelingsrondes plaatsgevonden over de kaderovereenkomst waarin de politieke samenwerking tussen Japan en de EU wordt geregeld. November 2014 vond de zesde onderhandelingsronde plaats in Tokio. In deze onderhandelingen wordt telkens een breed spectrum aan onderwerpen besproken. In het politieke kaderakkoord is een bepaling voorzien met de strekking om gedeelde waarden als mensenrechten en fundamentele vrijheden in internationale fora en in de betrekkingen met derde landen uit te dragen en te bevorderen.
Binnen de EU zal het kabinet zich inzetten voor een consensus om binnen de kaderovereenkomst een bepaling op te nemen over het op termijn beëindigen van de walvisjacht en dolfijnenslachtingen zoals die op dit moment plaatsvinden. Ook pleit Nederland voor het opnemen van bepalingen ten aanzien van het beschermen van – kwetsbare – flora en fauna, het terugdringen van onwettige visserij en het lange termijnbehoud evenals duurzaam beheer van mariene ecosystemen en rijkdommen. Hoewel zich voor deze bepalingen een EU-brede consensus lijkt af te tekenen, zal het uiteindelijke resultaat afhankelijk zijn van het verloop van de onderhandelingen met Japan.
Het bericht dat kledingfabrieken in Bangladesh nog onveilig zijn |
|
Jan Vos (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fabrieken Bangladesh nog onveilig?1
Klopt het dat de inspecteurs van fabrieken in Bangladesh hebben geconcludeerd dat in meer dan duizend textielfabrieken, de veiligheid van werknemers nog steeds niet kan worden gegarandeerd?
Zijn er Nederlandse kledingbedrijven die hun kleding lieten maken in één van de 26 fabrieken in Bangladesh die na inspectie direct gesloten moesten worden omdat de arbeidsomstandigheden er zeer slecht waren? Zo ja, bent u in overleg gegaan met deze bedrijven en wat zijn de uitkomsten van dit overleg?
Hebben Nederlandse bedrijven die hun kleding laten maken in Bangladesh, naar aanleiding van de bevindingen van de inspecteurs aangegeven maatregelen te nemen? Zo ja, welke en op welke termijn zullen zij dit doen?
Wat is de stand van zaken aangaande de uitvoering van het Bangladesh-akkoord? Welke (nieuwe) prioriteiten heeft u gesteld bij de uitvoering naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek door de inspecteurs?
Het bericht dat elf vliegtuigen zijn verdwenen van het vliegveld van Tripoli |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat er elf vliegtuigen zijn verdwenen van het internationale vliegveld in Tripoli?1
Na enkele dagen van hevige gevechten medio augustus jl. hebben islamistische milities in Libië, verenigd onder de naam Libya Dawn, Tripoli International Airport ingenomen, inclusief de op de luchthaven aanwezige vliegtuigen. Veel vliegtuigen zijn door de gevechten beschadigd of vernietigd.
Het kabinet ziet geen reden om aan te nemen dat het gerucht over vermiste vliegtuigen juist zou zijn. De Libische luchtvaartautoriteiten ontkennen dat er elf vliegtuigen vermist zijn. Het Amerikaanse State Department kwalificeert berichten over vermissing van elf vliegtuigen als ongegrond.
Kunt u bevestigen dat de elf verdwenen vliegtuigen in het bezit zijn van de zogenaamde «Masked Men Brigade»? Zo nee, kunt u aangeven in wiens bezit deze elf vermiste vliegtuigen dan wel zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Hebt u reeds contact gezocht met de Amerikaanse en Libische autoriteiten om te verifiëren welke elf vliegtuigen precies zijn verdwenen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u inzichtelijk maken op welke wijze deze elf vliegtuigen zijn ontvreemd?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u inzichtelijk maken welke acties worden ondernomen om te verifiëren waar deze elf vliegtuigen zijn gebleven?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u de zorgen die er bestaan bij overheidsfunctionarissen in de Verenigde Staten dat deze elf verdwenen vliegtuigen kunnen worden ingezet voor terreurdaden?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de zorgen over de ontstane wetteloosheid in Libië?
Ja.
Op welke wijze zet het kabinet zich in om een eind te maken aan het geweld in Libië en in plaats daarvan een politieke oplossing te zoeken?
Nederland steunt de inzet van de VN, in het bijzonder de nieuwe VN Speciale Vertegenwoordiger voor Libië – Bernardino León – en VN-missie UNSMIL, om te komen tot een politieke oplossing voor het conflict. De EU wil de VN-inspanningen sterker ondersteunen en zal op korte termijn de opties hiertoe onderzoeken en bespreken. Het is van belang dat ook de buurlanden van Libië betrokken worden bij het zoeken naar een politieke oplossing.
Er zal eerst zo spoedig mogelijk een staakt-het-vuren tussen de strijdende partijen moeten worden overeengekomen. Dat zal moeten worden gevolgd door een inclusieve dialoog om overeenstemming te bereiken over het verdere politieke proces, inclusief afspraken over de locatie en recentelijk genomen besluiten van het parlement en over de samenstelling van een toekomstige regering.
Medische zorg voor gedetineerden |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 september 2014 in de zaak Rudyak v. Ukraine1 en herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over medische zorg voor gedetineerden?2
Ja.
Deelt u de mening dat uit de bovengenoemde uitspraak, met name overweging 58, blijkt dat arrestanten bij aankomst op een politiebureau recht hebben op medisch onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Uit de EHRM-uitspraak Rudyak volgt dat een medisch onderzoek een fundamentele waarborg vormt tegen mishandeling van gedetineerde personen. Deze waarborg dient twee doelen. Enerzijds biedt het bescherming aan de gedetineerde en anderzijds stelt het de overheid in staat een plausibele verklaring te kunnen geven voor mogelijke verwondingen. Het EHRM geeft in de uitspraak geen nadere invulling aan deze waarborg noch stelt het EHRM de wijze waarop medisch onderzoek zou moeten plaatsvinden vast. Uit de uitspraak volgt dus niet dat iedere arrestant direct bij aankomst op het politiebureau dient te worden onderzocht door een arts.
Deelt u de mening dat in het niet in overeenstemming met bovengenoemde uitspraak is dat een arrestant bij binnenkomst slechts door een niet medisch geschoolde arrestantenwacht wordt bevraagd en dat er pas een arts wordt ingeschakeld als de antwoorden van de arrestant daar aanleiding toe geven (zie uw antwoord op de eerder gestelde vragen 2 en2? Zo ja, wat gaat dat voor de praktijk dan wel regelgeving omtrent medisch onderzoek van arrestanten betekenen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet.
Onder het EVRM heeft iedere gedetineerde vanaf het allereerste begin van vrijheidsontneming recht op toegang tot een arts.4 Dit is echter niet hetzelfde als de verplichting om in alle gevallen door een arts te laten beoordelen of de arrestant medische zorg nodig heeft; het initiatief wordt in beginsel bij de gedetineerde gelegd.
Wel heeft de overheid onder de artikelen 2 en 3 EVRM ook een positieve verplichting om zorg te dragen voor de gezondheid van gedetineerden in situaties waarin autoriteiten «op de hoogte zijn of hadden kunnen zijn» van een serieus gezondheidsprobleem dan wel een acuut gevaar voor zijn leven is.5
Er bestaat dus een recht op toegang tot medische zorg, maar dit recht strekt niet tot de plicht voor de overheid om gedetineerden – over wiens gezondheidssituatie in beginsel geen reden tot twijfel bestaat – bij aanvang van de voorlopige hechtenis altijd te laten onderzoeken door een arts.
Bent u in het licht van bovengenoemde uitspraak van het EHRM nog steeds van mening dat met de wijze waarop de politie arrestanten bij binnenkomst op medische complicaties toetst, uitvoering wordt gegeven «aan de waarborgen zoals deze zijn vastgelegd in artikelen 2 en 3 EVRM»? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en wat zijn de gevolgen daarvan?
Ja, omdat alle personen die bij de politie worden ingesloten nu reeds bevraagd worden over hun gezondheid. Op basis hiervan wordt al dan niet een arts gewaarschuwd, die vervolgens verantwoordelijk is voor de medische begeleiding en behandeling.
Zoals ik in eerdere Kamervragen over dit onderwerp gemeld heb, heeft de Nationale Politie in samenwerking met de GGD een protocol opgesteld waarin het tijdig inschakelen van medisch geschoold personeel is geregeld. Dit houdt onder meer in dat beoordelingen van ziekteverschijnselen bij personen in cellencomplexen of ophoudruimtes van de politie niet uitgevoerd dienen te worden door politieagenten of arrestantenverzorgers.
Het protocol is erop gericht om de risico's tot het uiterste minimum te beperken. Dit heeft ook de serieuze aandacht van de afdelingen Arrestantentaken van politie. Bovendien wordt dit onderwerp ook nauwgezet gevolgd door de CPT en de Inspectie van Veiligheid en Justitie en de Inspectie voor de Gezondheidszog.
Ten overvloede merk ik op dat het CPT in haar laatste rapporten met betrekking tot de situatie van gedetineerden in Nederland in 2011 en 2007 de toegang tot de medische zorg van personen die ingesloten zijn bij de politie adequaat heeft bevonden.6