Het bericht dat het beheer en de uitvoering van pensioenvermogens steeds vaker in het buitenland plaatsvinden |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «De pensioenpotten staan nu in Londen»?1
Ja.
Wat vindt u van de ontwikkeling dat het beheer en de uitvoering van pensioenen naar het buitenland verplaatst?
Een goed vestigingsklimaat is en blijft een van de doelstellingen van het kabinet. Pensioenfondsen kunnen er in het belang van de deelnemers voor kiezen om het vermogensbeheer (deels) uit te besteden aan een buitenlandse vermogensbeheerder met een ander productaanbod of kostenprofiel. Op de internationale markt van fiduciaire vermogensbeheerders voor pensioenfondsen zijn Nederlandse instellingen echter goed vertegenwoordigd. Vier van de vijf grootste fiduciaire vermogensbeheerders voor pensioenfondsen zijn Nederlands2. Het kabinetsbeleid is er op gericht het vestigingsklimaat in Nederland continu te verbeteren door middel van inspanningen op o.a. het gebied van onderwijs, duurzame overheidsfinanciën en macro-economische stabiliteit. De bredere inspanningen van het kabinet ten aanzien van het vestigingsklimaat dragen tevens bij aan een goed vestigingsklimaat voor pensioenactiviteiten. Zoals bij de beantwoording van de vragen 2 t/m 4 beschreven, vormt het beloningsbeleid ten aanzien van door pensioenfondsen uitbestede taken geen belemmering om pensioenactiviteiten in Nederland te laten uitvoeren.
Wat vindt van de constatering dat in Nederland veel goed gekwalificeerde professionals niet meer te vinden zijn omdat de salarissen in Nederland meer aan banden zijn gelegd dan in andere landen?
Het kabinet heeft regels in het beloningsbeleid doorgevoerd om perverse prikkels via hoge beloningen en bonussen, die mede de oorzaak waren van de financiële crisis, tegen te gaan. Op 30 juli 2013 (Staatsblad 2013, 33182 nr. 329) zijn door het kabinet nadere regels ingevoerd met betrekking tot het beloningsbeleid van pensioenfondsen. Deze regels hebben ook betrekking op uitbestede werkzaamheden van pensioenfondsen. Specifiek geldt dat een fonds zicht dient te hebben op het beloningsbeleid van derden waaraan werkzaamheden worden uitbesteed. Het is daarbij de bedoeling dat het fonds er op let dat het beloningsbeleid van de uitvoeringsorganisatie niet aanmoedigt tot het nemen van onaanvaardbare risico’s. Ook is het pensioenfonds verplicht het beloningsbeleid te betrekken bij de keuze van de organisatie waaraan werkzaamheden worden uitbesteed en moet het beloningsbeleid openbaar zijn. Deze regels gelden ongeacht of de uitbestede werkzaamheden van een pensioenfonds in Nederland of in het buitenland worden uitgevoerd. Er is dus op basis van het beloningsbeleid in de pensioenwetgeving geen prikkel om uitbestede werkzaamheden in het buitenland te laten uitvoeren.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat dergelijke regels over salarissen de werkgelegenheid in Nederland negatief beïnvloeden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, want bent u bereid hier aan te doen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u van de ontwikkeling dat bedrijven (bijv. Johnson & Johnson, AON Hewitt) steeds vaker hun pensioenbeheer overhevelen (of overwegen over te hevelen) naar België en daar het pensioen laten uitvoeren of daar een pan-Europees pensioenfonds starten?
Bij de beantwoording van deze vragen gaat het om werkgevers die een Nederlandse pensioenregeling laten uitvoeren door een pensioenfonds uit een andere lidstaat. Hiermee verschilt de situatie bij deze vragen van de beantwoording van de vragen 2 t/m 4, waarbij is ingegaan op pensioenregelingen die in Nederland door een pensioenfonds worden uitgevoerd maar waarbij taken zoals het vermogensbeheer worden uitbesteed naar een andere lidstaat.
De afgelopen jaren zijn er enkele Nederlandse werkgevers geweest die hebben besloten om hun pensioenregeling te laten uitvoeren door een pensioenfonds uit een andere lidstaat. Het gaat dan met name om bedrijven met medewerkers in verschillende landen waardoor het uitvoeringstechnisch aantrekkelijk kan zijn om de medewerkers in een gezamenlijk pensioenfonds onder te brengen in één land. Een tweede reden die bedrijven aangeven voor een grensoverschrijdende uitvoering van een Nederlandse pensioenregeling is dat zij een sponsorgarantie hebben afgegeven ten aanzien van de nakoming van de pensioenregeling. Daarbij leidt die garantie in sommige gevallen in het beoogde land van onderbrenging tot (initieel) lagere kosten, zoals een lagere premie, doordat de omvang van de technische voorziening in dat land is gekoppeld aan het bestaan van de sponsorgarantie. In dat verband verwijs ik naar de beantwoording van Kamervragen van het lid Vermeij (Kamerstukken 2013/14, 2014Z08249 nr. 2319) over de zo genaamde «Belgiëroute».
Voor het kabinet staat bij de uitvoering van een pensioenregeling het belang van de deelnemer centraal. Bij de hiervoor genoemde beantwoording van Kamervragen van het lid Vermeij ben ik ingegaan op de waarborgen die hiervoor zijn. Ten eerste heeft de werkgever instemming van de ondernemingsraad nodig voor een besluit om de pensioenovereenkomsten onder te brengen bij een pensioeninstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie. Het nieuwe verantwoordingsorgaan heeft ten aanzien van zo’n besluit een adviesrecht op grond van artikel 115a, derde lid, onderdeel f, van de Pensioenwet. Het nieuwe belanghebbendenorgaan heeft op grond van artikel 115c, negende lid, onderdeel a, van de Pensioenwet, een goedkeuringsrecht ten aanzien van een besluit om de pensioenovereenkomsten onder te brengen bij een pensioeninstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie. Ten tweede spelen de Nederlandse toezichthouders een belangrijke rol als een Nederlandse pensioenregeling in het buitenland wordt uitgevoerd. Zo wordt een mogelijke collectieve waardeoverdracht van pensioenrechten en -aanspraken van een Nederlands pensioenfonds naar een pensioenuitvoerder in een andere lidstaat in beginsel op dezelfde wijze door DNB behandeld als een collectieve waardeoverdracht tussen twee in Nederland gevestigde pensioenfondsen. DNB let er dus op dat aan de wettelijke eisen van onder meer artikel 84 van de Pensioenwet (dat onderdeel is van het toepasselijke Nederlandse sociaal en arbeidsrecht) wordt voldaan en dat de belangen van de bij de collectieve waardeoverdracht betrokken (gewezen) deelnemers en gepensioneerden op evenwichtige wijze door het bestuur van het Nederlandse pensioenfonds worden afgewogen. In het geval er sprake is van collectieve waardeoverdracht op grond van artikel 83 van de Pensioenwet, houdt de AFM er toezicht op dat deelnemers zijn geïnformeerd over het voornemen tot collectieve waardeoverdracht. Verder schrijft de Europese pensioenfondsenrichtlijn onder meer voor dat de activa worden belegd in het belang van de deelnemers en pensioengerechtigden en dat ook bij de waardering van verplichtingen de belangen van deelnemers en pensioengerechtigden worden beschermd.
Wat zijn volgens u de redenen dat pensioenen steeds vaker verhuizen naar België?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat we niet zomaar de pensioenkennis (en daarmee werkgelegenheid) uit Nederland moeten laten vertrekken, maar de Nederlandse kennis en kunde moeten behouden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat Nederland juist aantrekkelijker gemaakt moet worden voor buitenlandse «pensioenactiviteiten»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet u om de pensioensector in Nederland ook voor internationale spelers (en regelingen) aantrekkelijk te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de Nederlandse premiepensioeninstellingen (PPI's) zich tot op heden uitsluitend richten op de Nederlandse markt, alhoewel de PPI als grensoverschrijdend vehikel was bedoeld? Wat gaat u hier aan doen? Bent u bijvoorbeeld bereid om het nog te introduceren Algemeen Pensioenfonds ook mogelijk te maken voor grensoverschrijdende activiteiten?
Sinds de inwerkingtreding van de Europese richtlijn betreffende werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (Richtlijn 2003/41/EG) is het in Europa in principe mogelijk voor pensioenfondsen om met een vergunning uit het thuisland grensoverschrijdende pensioendiensten aan te bieden, dat wil zeggen buitenlandse pensioenregelingen uit te voeren. Dit geldt ook voor algemene pensioenfondsen.
Eerder heeft het kabinet geconcludeerd dat er behoefte aan grensoverschrijdende dienstverlening bestaat, maar dat de precieze omvang en de gevoelde urgentie zich lastig laten bepalen3. De prudentiële regels van het ftk hangen nauw samen met de aard van de Nederlandse pensioenregelingen en zijn niet altijd geschikt voor de uitvoering van buitenlandse pensioenregelingen. Het kabinet heeft vervolgens aangegeven dat ze het niet opportuun acht om dit vraagstuk in het kader van het wetsvoorstel algemeen pensioenfonds op te pakken, mede omdat er een urgente behoefte bestaat bij verschillende partijen uit de pensioensector aan het algemeen pensioenfonds.
Het verbreden van de Nederlandse prudentiële regels voor buitenlandse contracten vereist de ontwikkeling van complexe regelgeving. De huidige Europese pensioenrichtlijn geeft daarvoor maar beperkte aanknopingspunten. Het kabinet heeft er destijds voor gekozen de ontwikkelingen in het Europese denken inzake de nieuwe Europese pensioenrichtlijn en over kapitaalseisen die geschikt zijn voor de uitvoering van een grote diversiteit aan pensioenregelingen uit verschillende landen af te wachten en daar invloed op uit te oefenen.
Vervolgens heeft het kabinet gevolg gegeven aan het verzoek van enkele marktpartijen om de reeds mogelijke reikwijdte van de premiepensioeninstelling (PPI) in de grensoverschrijdende dienstverlening te verduidelijken. In een brief van 6 januari 2014 aan uw Kamer4 is onder meer ingegaan op de voorwaarden waaronder buitenlandse DB-regelingen, waarvoor een werkgever of een verzekeraar zich garant heeft gesteld, grensoverschrijdend kunnen worden uitgevoerd door een premiepensioeninstelling.
In 2014 is een evaluatie uitgevoerd van de PPI’s. De evaluatie vond kort plaats na het daadwerkelijk betreden van de markt door PPI’s. Wat de invulling van de grensoverschrijdende ambities van PPI’s betreft is dit evaluatiemoment wellicht nog wat te vroeg gekozen. De PPI’s met internationale ambities hebben zich vooralsnog toegelegd op een zorgvuldige implementatie van hun proposities in hun thuismarkt en beogen hun dienstverlening pas vanaf dit jaar geleidelijk over de grenzen uit te breiden5. Zoals in de brief van 18 november aan uw Kamer gemeld6, zal er over drie jaar weer een evaluatie van de PPI plaatsvinden.
Het bericht “Pensioenfonds moet uit olie en gas” |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Pensioenfonds moet uit olie en gas»?1
Ja, wij zijn bekend met dit artikel.
Herinnert u zich dat, op verzoek van de leden van de fractie van GroenLinks, aan De Nederlandsche Bank (DNB) gevraagd is de blootstelling van de Nederlandse financiële sector aan investeringen in fossiele brandstoffen in kaart te brengen en dat DNB in reactie hierop onder andere berekende dat de blootstelling voor de gehele pensioensector 25 miljard is? Hoe valt deze berekening van DNB te rijmen met het feit dat APG/ABP in het artikel in de Volkskrant stelt dat zij alleen al 30 miljard blootstelling hebben aan fossiele brandstoffen?
Op ons verzoek heeft DNB gekeken naar eventuele inconsistenties tussen de cijfers die in de brief van 27 augustus 2014 en de cijfers zoals die in het artikel in de Volkskrant zijn genoemd. DNB heeft hierbij ook navraag bij APG/ABP gedaan.
De berekeningen van DNB en APG/ABP zijn niet vergelijkbaar omdat ze gebaseerd zijn op andere definities en veronderstellingen. De berekeningen van DNB zijn gebaseerd op de aan DNB en de Europese Centrale Bank (ECB) gerapporteerde gegevens. De APG/ABP cijfers zijn gebaseerd op een eigen, interne studie.2
DNB heeft op basis van de Europese sectorenclassificatie NACE gekeken naar de blootstelling van Nederlandse banken, verzekeraars en pensioenfondsen op bedrijven met kernactiviteiten in de olie-, gas- en kolenindustrie (de CO2-intensieve sectoren). De verschillen ontstaan doordat in het onderzoek van APG/ABP, waar het artikel in de Volkskrant aan refereert, een aanzienlijk ruimere definitie van energiebeleggingen is gehanteerd.
APG/ABP heeft in haar analyse, naast naar de winning van olie, gas en kolen, ook gekeken naar toeleveranciers, elektriciteitsproducten en infrastructuur zoals hoogspanningsleidingen, en olie- en gaspijplijnen. De bedrijven die deze diensten verzorgen, richten zich echter niet noodzakelijkerwijs exclusief op bedrijven met olie-, gas- en kolenwinning als kernactiviteit. Daarnaast beslaat de analyse van APG/ABP ook investeringen in duurzame energie.
Gezien deze verklaring voor de gevonden verschillen hebben wij geen reden om te twijfelen aan de eerdere conclusie en de berekening die is uitgevoerd door DNB.
Kunt u verklaren waarom APG/ABP in het artikel in de Volkskrant stelt dat 10% van hun beleggingen in fossiele brandstoffen zijn, terwijl DNB becijferde dat dit slechts 3% zou zijn voor de hele pensioensector?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat bovengenoemde verschillen vragen oproepen over de berekening die gedaan is door DNB?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid DNB te vragen of de cijfers van APG/ABP de conclusie van DNB veranderen dat «er op dit moment geen sprake is van een buitensporig risico voor de Nederlandse financiële sector vanwege hun investeringen in fossiel»?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid DNB een toelichting te vragen op welke wijze DNB zijn kennis op het terrein van de risico’s van een zogenaamde «carbon bubble» vormt- en up to date houdt? Heeft DNB bijvoorbeeld overleg met andere centrale banken over de carbon bubble?
DNB geeft aan dat zij haar informatiebasis over financiële stabiliteitsrisico’s continu vormt en vernieuwt door middel van eigen onderzoek en uitwisseling van kennis, zowel op nationaal als internationaal niveau en in diverse beleidsfora.
Zoals DNB heeft vermeld in haar jaarverslag over 2014, heeft DNB zich georiënteerd op de mogelijkheden de zogenoemde ESG (Environmental, Social en Governance) risico’s op te nemen in de toezichtaanpak. Middels eigen onderzoek en dialoogsessies met vertegenwoordigers van de sector en Non-gouvernementele Organisaties (NGO’s) zet DNB deze lijn in 2015 voort. Een concreet voorbeeld van hoe DNB in het toezicht ingaat op ESG risico’s is de op basis van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen geldende verplichting voor pensioenfondsen transparant te zijn over hun beleid voor ecologische en maatschappelijke beleggingen. DNB heeft zich in 2014 herhaaldelijk publiekelijk uitgesproken over de maatschappelijke rol die zij voor pensioenfondsen ziet om met hun deelnemers in gesprek te gaan over de plaats van duurzaamheid in het beleggingsbeleid. In 2015 zal DNB onderzoeken of pensioenfondsen daadwerkelijk de wettelijk verplichte transparantie in de praktijk brengen.
Bent u ervan op de hoogte dat de centrale bank van het Verenigd Koninkrijk recent gewaarschuwd heeft dat beleidsmaatregelen tegen klimaatveranderingen grote negatieve impact kunnen hebben op de waarde van investeringen in fossiel2 en met name verzekeraars hierdoor een groot financieel risico lopen? Hoe komt het dat DNB dit risico voor Nederlandse verzekeraars heel anders inschat?
DNB heeft aangegeven de bijdrage van de Bank of England (BoE) aan het onderzoek naar de effecten van klimaatverandering op de economische groei en financiële stabiliteit te verwelkomen. Uit de One Bank Research Agenda kan worden opgemaakt dat de BoE grofweg twee klimaatgerelateerde risico’s signaleert.4 In de eerste plaats onderzoekt de BoE de gevolgen van een sterke waardedaling van investeringen in CO2-intensieve bedrijven, wat relevant is voor alle financiële instellingen met een blootstelling aan deze bedrijfstakken. Naast dit generieke risico onderzoekt de BoE de risico’s die voortvloeien uit een toename in het aantal schadeclaims als gevolg van aan klimaat en weer gerelateerde catastrofes. Onder solvabiliteit II zullen verzekeraars rapporteren over dergelijke catastroferisico’s. De verhoogde aandacht van de BoE en de Britse Prudential Regulatory Authority (PRA) voor de verzekeringssector hangt onder meer samen met de omvangrijke en internationale markt in Londen voor het (her)verzekeren van catastroferisico’s, wat een additioneel concentratierisico met zich meebrengt voor het Verenigd Koninkrijk.5
De tienjarige levensduurverlening van Doel 1 en Doel 2 in België |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Doel 1 en 2 blijven 10 jaar langer open»?1
Ja.
Hebt u contact gehad met de Belgische regering over de levensduurverlenging van deze kernreactoren? Zo ja, wat heeft u daar besproken?
Ja, er is in het verleden meerdere malen contact geweest tussen de Belgische en Nederlandse overheden over de langere levensduur van de reactoren Doel 1 en 2. Hierbij is onder andere kennis uitgewisseld met betrekking tot de post-Fukushima stresstest maatregelen en het uitvoeren van een zogeheten Long Term Operation (LTO) programma voor kernreactoren. Ook heb ik recent met mijn Belgische collega gesproken, waarbij wij goede afspraken hebben gemaakt over het versterken van de samenwerking tussen het Belgische Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) en de Nederlandse Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
Wat is uw standpunt tegenover deze geplande verlenging?
De keuze om wel of niet de levensduur van de kerncentrales Doel 1 en Doel 2 te verlengen is aan de vergunninghouder van de kerncentrales (Electrabel), de Belgische regering en het FANC. Ik vertrouw erop dat het FANC als Belgische veiligheidsautoriteit een lange termijn exploitatie alleen toestaat wanneer dit veilig kan.
Wordt er een volledige grensoverschrijdende Milieueffectrapportage (MER)-procedure doorlopen zoals afgesproken in het internationale Espoo-verdrag dat voorschrijft dat dit moet gebeuren als een kerncentrale langer wilt open blijven dan oorspronkelijk gepland? Zo ja, in welk stadium bevindt deze procedure? Zo nee, waarom niet?
Het FANC heeft haar visie op de lange termijn exploitatie van de Belgische kernreactoren beschreven op haar website (www.fanc.fgov.be). De Belgische vergunningen ten behoeve van het in bedrijf hebben van nucleaire inrichtingen hebben geen beperking in de tijd, maar vereisen wel dat de exploitant om de 10 jaar een periodieke veiligheidsherziening uitvoert. Zoals beschreven op de website wordt de lange termijn uitbating door de Belgische veiligheidsautoriteit behandeld in het kader van een 4e tienjaarlijkse veiligheidsherziening. Volgens de Belgische nucleaire regelgeving is er echter geen vergunningsaanvraag door de exploitant vereist voor een periodieke veiligheidsherziening, en dus ook niet in het specifieke geval van deze lange termijn uitbating. De procedure voor een periodieke veiligheidsherziening voorziet daarom volgens het FANC niet in opstellen van een milieueffectrapportage en/of grensoverschrijdende publieke participatie.
Kunt u de Kamer een tijdlijn geven van deze MER-procedure?
Er wordt geen MER-procedure doorlopen, zie het antwoord op vraag 4.
Wat zijn de rollen van u en de Kamer in deze MER-procedure en wat zijn de inspraakmogelijkheden van burgers en lokale overheden?
Zie antwoord vraag 5.
Het opgesteld vermogen zonne-energie in Nederland |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Scepsis over hoeveelheid zonnepanelen»?1
Ja.
Klopt het dat onbekend is hoeveel vermogen aan zonne-energie (zon-pv) exact geïnstalleerd is in Nederland? Kunt u toelichten waarom dit zo is, onder andere door aan te geven wat hierover is opgenomen in de Elektriciteitswet en onderliggende regelgeving?
Ja, het klopt dat niet exact bekend is hoeveel vermogen aan zonne-energie-installaties in Nederland is opgesteld. De hoeveelheid opgesteld vermogen aan zonne-energie-installaties wordt op een aantal manieren bijgehouden. Ten eerste monitort het CBS jaarlijks de voortgang van de realisatie van hernieuwbare energie in Nederland in relatie tot de duurzaamheidsdoelen van het kabinet. Het CBS zet hiervoor een enquête uit bij importerende leveranciers van zonnepanelen. De onnauwkeurigheid in de cijfers voor zonne-energie schat het CBS op 20 procent. Ten tweede wordt in het zogenaamde Productie Installatie Register (PIR) door de netbeheerders bijgehouden hoeveel zonne-energie is geïnstalleerd. Een consument die zonnepanelen heeft, is verplicht een productie-installatie aan te melden bij zijn netbeheerder. Deze gegevens worden opgenomen in het PIR.
Deze verplichting in de Netcode Elektriciteit is ingesteld zodat de netbeheerder kan beoordelen of er voldoende netcapaciteit beschikbaar is en of er beveiligingsinstellingen aangepast dienen te worden. Zo is het bij werkzaamheden aan het elektriciteitsnet relevant om te weten op welke punten er wordt ingevoed door zonne-energie-installaties of anderszins. De Netcode Elektriciteit wordt door de ACM vastgesteld op grond van artikel 31 van de Elektriciteitswet 1998. De brancheorganisatie van netbeheerders, Netbeheer Nederland, heeft aangegeven dat het merendeel van de installaties wordt gemeld. Het is waarschijnlijk dat niet iedereen zich registreert in het PIR en er daarom geen exacte getallen zijn te geven. Daarnaast bestaat de landelijke aanmeldingsmogelijkheid pas sinds 2011. Productie installaties die voor deze periode in gebruik zijn genomen, zullen niet zijn gemeld hiervoor.
Kunt u toelichten hoe het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) aan haar cijfers ten aanzien van het opgestelde vermogen van zonne-energie komt en welke mate van nauwkeurigheid deze cijfers hebben?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is een correcte berekening van de productie van zonnestroom volgens u van belang voor een goede bepaling van het aandeel zonne-energie in de energiemix en daarmee voor het monitoren en bepalen van de doelen voor duurzame energie en zonne-energie in het bijzonder?
Ja. Dit wordt gemonitord op grond van de informatie die door het CBS wordt verzameld.
Kunt u toelichten of netbeheerders er belang bij hebben om een correct overzicht van installaties te hebben die op hun netten zijn aangesloten?
De netbeheerders geven aan dat het merendeel van de installaties aangemeld wordt. Per 1 januari 2015 zijn er 223.096 geregistreerde zon pv productie-installaties, met een totaal vermogen van ruim 882 MW geïnstalleerd. In juli 2014 waren dat nog 185.443 installaties, met een totaalvermogen van 762 MW. Brancheorganisatie Netbeheer Nederland geeft aan dat de omstandigheid dat niet alle productie-installaties worden aangemeld momenteel niet tot capaciteits- of veiligheidsproblemen leidt.
Kunt u aangeven welke invloed zonnestroominstallaties hebben op de piekbelasting in het net en de spanningskwaliteit?
Zonnestroominstallaties kunnen leiden tot een relatief hoge piekbelasting in het elektriciteitsnet in het geval van weinig afname in combinatie met hoge teruglevering, bijvoorbeeld op een zonnige dag in de zomer in een woonwijk wanneer de meeste mensen op vakantie of op het strand zijn. Met de huidige aantallen geïnstalleerde zonnestroominstallaties levert dit echter op het merendeel van de locaties geen problemen op voor het elektriciteitsnet. In de meeste gevallen is het elektriciteitsnet door de netbeheerder zo ruim gedimensioneerd, dat de spanning slechts toeneemt binnen de hiervoor toegestane grenzen zoals vastgelegd in de Netcode Elektriciteit. Op basis van individuele cases hebben netbeheerders geconstateerd dat er effecten kunnen zijn op de lokale spanningskwaliteit. In die gevallen kan de netbeheerder dat met relatief eenvoudige netaanpassingen oplossen.
Kunt u toelichten waarom er weerstand is van kleinverbruikers om hun zonnestroominstallatie aan te melden bij netbeheerders voor het Productie Installatie Register?
Netbeheerders hebben geen onderzoek laten verrichten naar het percentage installaties dat niet wordt gemeld en naar de redenen waarom sommige installaties niet worden gemeld. Zij geven aan dat mogelijk sprake is van onwetendheid.
Het bericht dat het toelatingsbeleid in Amsterdam scholen weer zwart maakt |
|
Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht dat het toelatingsbeleid in Amsterdam scholen weer zwart maakt?1
Ja.
Deelt u de mening dat het toelatingsbeleid voor basisscholen niet mag leiden tot meer segregatie in het onderwijs?
De afspraken die het merendeel van de Amsterdamse schoolbesturen hebben gemaakt over de toelating van leerlingen tot de basisschool hebben tot doel om meer transparantie te bieden in het toelatingsproces. Het uitgangspunt daarbij is dat zoveel mogelijk kinderen in de wijk/buurt waar ze wonen naar school kunnen. Dit zou er toe kunnen leiden dat er meer gemengde scholen ontstaan, omdat door dit beleid de zogenaamde «witte vlucht» wordt beperkt. Wanneer door het beleid de segregatie toch zal toenemen, is het aan de gemeente en de schoolbesturen dit te bespreken en eventueel het beleid bij te stellen.
Kunt u uiteenzetten wat de effecten van dit toelatingsbeleid zijn? Bent u bereid in te grijpen indien de effecten een nadelige uitwering hebben op de leerlingen? Zo ja, welke instrumenten bent u bereid in te zetten om deze effecten te stoppen? Zo nee, kunt u toelichten waarom u representatieve en gebalanceerde basisscholen niet belangrijk vindt?
Het nieuwe toelatingsbeleid gaat met ingang van het schooljaar 2015–2016 in. Uit de eerste plaatsingsronde over een periode van een half jaar, waarbij 3.528 kleuters zijn aangemeld, blijkt volgens gegevens van de gemeente Amsterdam dat 89 procent is geplaatst op de eerste voorkeursschool en 96 procent van de leerlingen is geplaatst op een van de eerste drie opgegeven voorkeursscholen. Uit de eerste gegevens kan nog niet worden beoordeeld of door de nieuwe toelatingsprocedure de samenstelling van de school zal veranderen. Mocht door dit beleid de samenstelling van de populatie veranderen dan is het aan de schoolbesturen en de gemeente Amsterdam te beoordelen of een verandering van het beleid noodzakelijk is.
Bent u van mening dat initiatieven van scholen en ouders, zoals op de school van de kinderen van Arnold Jonk2, om scholen gemengder te maken juist ondersteund moeten worden door gemeenten? Bent u bereid in gesprek te treden met gemeenten die juist een tegenwerkend beleid hanteren?
De schoolbesturen hebben met de gemeente Amsterdam afgesproken dat de plaatsingsprocedure na een volledig schooljaar zal worden geëvalueerd. Daarbij worden ook de initiatieven van scholen en ouders om scholen meer gemengd te maken meegenomen. De gemeente Amsterdam en de schoolbesturen zijn daarvoor verantwoordelijk.
De diefstal van tenten, F-16 onderdelen en heftrucks |
|
Raymond Knops (CDA) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat tien van uw containers op vliegbasis Volkel geland zijn, vol met stenen?1
Ja. Op 16 februari 2015 is een melding vanaf vliegbasis Volkel ontvangen. Na inspectie bleek dat er elf containers bij dit voorval zijn betrokken.
Klopt het dat er in de containers tenten, F-16-onderdelen en heftrucks hadden moeten zitten?
Deze containers waren beladen met tenten, onderdelen van tenten, heftrucks en een beperkte hoeveelheid compressors. Er zijn geen onderdelen van F-16 vliegtuigen in deze containers vervoerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat u bent bestolen? Is dit voor u een steen des aanstoots?
Ja, voor Defensie is de diefstal een steen des aanstoots. De containers zijn, nadat deze waren beladen en afgesloten, aan een civiele vervoerder overgedragen. Deze vervoerder heeft begin 2014 ook een hoeveelheid containers afkomstig van de missie in Kunduz zonder problemen voor Defensie naar Nederland vervoerd.
Klopt het dat het voor u een «raadsel» is hoe dit heeft kunnen gebeuren? Is het onderzoek inmiddels afgesloten? Zo ja, waarom?
Ja. De verzegeling van de containers was bij aankomst op het defensieonderdeel nog intact. Tevens is er geen braakschade geconstateerd. De KMAR heeft de toedracht van dit voorval onderzocht en daarbij niet kunnen achterhalen op welke wijze de ontvreemding is gebeurd. Inmiddels heeft de KMAR het onderzoek gesloten.
In hoeverre heeft u de Afghaanse autoriteiten en de NAVO betrokken bij het onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Een Redeployment is een nationale verantwoordelijkheid. Defensie heeft gebruik gemaakt van de diensten van een civiele vervoerder. Zowel de Afghaanse autoriteiten als de Navo zijn hierbij geen partij.
Welke maatregelen zijn genomen om dit soort diefstal te voorkomen en in hoeverre zijn deze nageleefd? In hoeverre is er een functionerend «track en trace» systeem voor uw spullen en materieel in missiegebieden?
De containers zijn op de gebruikelijke wijze afgesloten en verzegeld. Daarnaast geschiedt het transport in het missiegebied door een civiele vervoerder waar Defensie een contract mee heeft. Voor de tracking & tracing van de goederen in het missiegebied wordt gebruik gemaakt van de rapportages van de vervoerder. De vervoerder rapporteert dagelijks de locatie van de containers / voertuigen met eventuele bijzonderheden.
Welke lessen bent u bereid uit dit bizarre voorval te trekken?
Bij Redeployment wordt vooraf altijd een plan gemaakt waarin keuzes worden gemaakt in vervoersmodaliteiten. Voor niet gevoelig materieel is in dit geval de keuze gemaakt om uit te besteden en de goederen via de weg te verplaatsen. In Afghanistan is het niet verantwoord om het transport over de weg zelf te doen. Het uitbesteden van dergelijke verplaatsingen aan civiele vervoerders brengt wel risico’s met zich mee. Het alternatief is gebruik maken van veel duurder luchttransport. Kosten en risico’s afwegend, wordt luchttransport gebruikt voor het zogenoemd «gevoelig» materieel zoals wapens, communicatieapparatuur en vliegtuigonderdelen. Dat er nu materieel is verdwenen uit de containers wordt gezien als een incident. Dit geeft vooralsnog geen aanleiding om af te wijken van de gehanteerde procedures.
Hoe groot is de schade?
Het gaat om materieel dat langdurig in Afghanistan is gebruikt. De restwaarde van dergelijke goederen is hoger dan de transportkosten en kan pas meer exact worden beoordeeld na een inspectie in Nederland. Dit laatste is helaas niet meer mogelijk.
Wat zijn de gevolgen van de diefstal van F-16-onderdelen voor de inzetbaarheid van de F-16’s, aangezien deze nu al – mede als gevolg van bezuinigingen – zwaar onder druk staat?
Er zijn geen F-16 onderdelen bij dit voorval betrokken. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Wat gaat u met de stenen doen?
De stenen zijn na controle op mogelijke aanwezigheid van insecten lokaal afgevoerd.
Het bericht ‘Geen compensatie voor korting op AOW-toeslag’ |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Geen compensatie voor korting op AOW-toeslag»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat AOW'ers die te laat bezwaar maakten of niet wisten dat die mogelijkheid bestond niet gecompenseerd worden, terwijl de hoogste bestuursrechter heeft gezegd dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) fout zat?
In tegenstelling tot hetgeen de vragensteller aangeeft, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op 19 december jl. in een negental tussenuitspraken geoordeeld dat de SVB correct heeft gehandeld door een afkoopsom klein pensioen te korten op de AOW-partnertoeslag en de Anw-uitkering, omdat de wetgever in het Algemeen Inkomensbesluit sociale zekerheidswetten pensioen aanmerkt als in aanmerking te nemen inkomen. De CRvB heeft in de voornoemde uitspraken alleen geoordeeld dat de manier waarop de SVB de afkoopsom klein pensioen heeft gekort in de betreffende gevallen tot een onredelijk resultaat heeft geleid. De uitspraken van de CRvB laten nog altijd ruimte om de afkoopsom van een klein pensioen op andere wijzen te korten op onder meer de AOW-partnertoeslag en Anw-uitkering.
In mijn brief van 13 februari jl. heb ik aangegeven dat korting niet in lijn ligt met de bedoeling van het amendement Vermeij c.s. Belanghebbenden mogen geen financiële nadelen ondervinden als zij een afkoopsom van een klein pensioen ontvangen. In lijn met die bedoeling ben ik thans bezig het Algemeen Inkomensbesluit sociale zekerheidswetten aan te passen en te regelen dat een afkoopsom van een klein pensioen volledig wordt vrijgelaten bij onder meer de AOW-partnertoeslag en Anw-uitkering. Omdat de uitspraak van de CRvB de uitvoering noopte tot het aanleggen van een redelijkheidstoets in ieder voorkomend geval dat de afkoopsom van een klein pensioen voor korting in aanmerking komt, gaat de beoogde wijziging in op 1 december 2014, zijnde de eerste dag van de maand waarin de uitspraak van de CRvB plaatsvond. Het betreft een nieuwe regeling en daarmee is er geen sprake van rechtsongelijkheid ten opzichte van burgers waarvan het besluit onder een ander geldend recht is vastgesteld en waarbij er inmiddels sprake is van een rechtens onaantastbaar besluit. Het is ongebruikelijk en ongewenst om af te wijken van dit beginsel van formele rechtskracht. Het wél in behandeling nemen van rechtens onaantastbare besluiten zou ook precedentwerking kunnen hebben voor andere situaties, ook buiten de afkoop van kleine pensioenen.
Wat gaat u ondernemen om deze ongelijke behandeling te beëindigen, zodat alle ouderen die onterecht gekort zijn op hun AOW-partnertoeslag alsnog worden gecompenseerd? Indien u niets gaat ondernemen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht “Sluis op losse schroeven” |
|
Martijn van Helvert (CDA), Sander de Rouwe (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Sluis op losse schroeven»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Kunt u de signalen bevestigen dat vertraging dreigt voor verschillende sluisprojecten zoals de zeesluis in Terneuzen, de derde kolk bij de Beatrixsluis, de keersluis Limmel, de Zeetoegang in IJmuiden, de versterking van de sluizen in de Afsluitdijk en de tweede klok in de Sluis Eefde?
Nee. Het project Keersluis Limmel is reeds gegund. De projecten derde kolk Beatrixsluis en Zeetoegang IJmond zijn reeds gestart met de aanbesteding. Het project »Nieuwe Sluis Terneuzen» heeft net een uitgebreide marktconsultatie gehouden waarin de markt haar interesse heeft laten blijken. Voor dit project en de projecten Afsluitdijk en sluis Eefde is de start van de aanbesteding in 2015 voorzien.
Kunt u aangeven waarom Rijkswaterstaat, ondanks dat de genoemde projecten al jaren voorzien waren, met de planning worstelt?
De huidige planning van genoemde projecten is stabiel. Het is wel zo dat Rijkswaterstaat dit jaar en komende jaren relatief veel grote projecten op de markt brengt. Ook andere sectoren trekken aan. Daardoor komen er in utiliteitsbouw en de spoorsector meer projecten op de markt, waardoor het volume aan opdrachten toeneemt. Daarom is de haalbaarheid van het werkenpakket de komende drie jaar, onder andere bij Bouwend Nederland, getoetst. Bouwend Nederland heeft aangegeven dat het haalbaar is.
Kunt u de gevolgen voor de ontwikkeling van de economie schetsen indien deze projecten vertraagd worden?
Omdat ik niet voornemens ben om deze projecten te vertragen, zijn hier geen economische consequenties van te verwachten.
Heeft u met derde-belanghebbenden, zoals de gemeenten Amsterdam en Rotterdam, de binnenvaartsector en België, overleg gevoerd om de gevolgen van vertraging in beeld te hebben?
Voor zover relevant zijn er vanzelfsprekend binnen de projecten overleggen met derden over de scope, hinder en planning. Echter, er is op dit moment geen sprake van voorgenomen vertraging.
Kunt u een overzicht van alle sluisprojecten verstrekken met daarbij de geplande start van de werkzaamheden en de thans beoogde planning? Kunt u daarbij ook aangeven welke sluisprojecten een risico op vertraging kennen, hoe groot dat risico is en welke maatregelen voorzien zijn om dat risico te elimineren?
Het project Keersluis Limmel is reeds gegund. Voor de projecten Derde Kolk Beatrixsluis en Zeetoegang IJmond is er geen risico op vertraging van de aanbesteding omdat deze reeds zijn gestart. Voor de projecten Sluis Terneuzen, sluis Eefde en de Afsluitdijk moet de aanbesteding nog starten en is op dit moment geen vertraging voorzien. De start van de realisatie van het project sluis Eefde is later dan de bij u bekende planning. Dit is het gevolg van het later vaststellen van het bestemmingsplan.
Keersluis Limmel
2015
Zeetoegang IJmond
2016
Derde Kolk Beatrixsluis
2016
Afsluitdijk
2017
Sluis Eefde
2017
Nieuwe Sluis Terneuzen
2017
Kunt u aangeven hoe regionale bouwbedrijven beter en meer betrokken kunnen worden bij deze projecten?
Zoals uit bovenstaande antwoorden blijkt is het risico van onvoldoende belangstelling van marktpartijen voor deze projecten beheersbaar. Er is daarom geen aanleiding om de projecten ingrijpend anders te organiseren om deze toegankelijker te maken voor regionale bouwbedrijven.
Het bericht ‘Limburgse gemeenten in de fout met bewaren agenda’s |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Limburgse gemeenten in de fout met bewaren agenda’s»?1
Ja.
Is het waar, dat in ruim twee derde van de Limburgse gemeenten digitale agenda’s van wethouders worden gewist als die wethouders vertrekken of stoppen?
Ik heb geen aanleiding om de juistheid van de bevindingen in de berichtgeving – of het onderzoek waarop deze zijn gebaseerd – in twijfel te trekken. Termijnen van bewaren en vernietiging worden overigens vastgesteld aan de hand van de wettelijk voorgeschreven selectielijst.
Is het waar, dat slechts twee gemeenten (Voerendaal en Simpelveld) zich houden aan de termijn van zeven jaar, die de Archiefwet voorschrijft?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe staat het in de rest van de Nederlandse gemeenten met het bewaren van digitale agenda’s van wethouders die zijn vertrokken?
Het ministerie houdt geen systematische administratie bij van de naleving van taken door medeoverheden en derhalve ook niet van de wijze waarop gemeenten de voorschriften van de Archiefwet naleven. Ik kan ook dus ook niet beoordelen of dit onderzoek bij Limburgse gemeenten representatief is voor heel Nederland. Maar er is geen reden om te veronderstellen dat de situatie zich bij gemeenten elders in Nederland niet voordoet.
Hoe verhoudt de gesignaleerde problematiek zich tot uw visie Digitale overheid 2017?
De Nederlandse overheid digitaliseert en moderniseert. Dat ziet op de dienstverlening aan burgers en bedrijven en op de interne werkprocessen. Daarbij wordt uiteraard gebruik gemaakt van internet, E-mail en voorzieningen zoals digitale agenda’s – ook door bestuurders. De Nederlandse overheid gaat over op het Nieuwe werken en naar papierloze kantoren. Het gebruik van digitale processen en documenten stelt nieuwe eisen aan archivering. En dat ziet niet alleen op het bewaren van agenda’s. Een digitale overheid impliceert ook digitale archivering.
Welke maatregelen hebt u genomen om naast de kennis van wet- en regelgeving het bewustzijn van nut en noodzaak van digitale duurzaamheid te bevorderen?
Er is veel aandacht en belangstelling voor arbeidsinnovatie en digitaal werken. Onderkend moet worden dat digitaal archiverendaarbij niet altijd de hoogste prioriteit heeft. De Nederlandse Vereniging van Gemeenten (VNG) brengt dit samen met betrokken organisaties onder de aandacht.
De informatie op papier moet steeds meer wijken voor een al maar groter wordende stroom digitale informatie. Kon die tot enige tijd geleden nog worden geprint en «ouderwets» worden opgeborgen in een archiefdoos, dat is alleen al door de omvang van de informatiestroom niet meer mogelijk.2 In 2012 tekenden de Minister van OCW – mede namens de Minister van BZK- en bestuurders van IPO, VNG en UvW het Archiefconvenant om de digitale uitdaging gezamenlijk aan te gaan. Vanuit het uitwerkingsprogramma Archief 2020 wordt gewerkt aan duurzame digitale toegankelijkheid. De Minister van OCW ondersteunt daarbij het samenwerkingsproject Archiefinnovatie Decentrale Overheden (AIDO) met als doel het stimuleren en ondersteunen van overheden bij duurzame digitale archivering. Door AIDO is oud-burgemeester Wiebosch-Steeman benoemd tot Ambassadeur archiefinnovatie.
Bent u bereid in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om het vraagstuk van digitale duurzaamheid aan te pakken?
Ik heb de antwoorden op deze schriftelijke vragen aan de VNG gezonden. Zoals bij antwoord 6 vermeld, heeft deze kwestie de aandacht van de VNG en betrokken organisaties.
Het bericht dat de NAVO België adviseert om fregatten van de hand te doen |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «NAVO adviseert België om fregatten van de hand te doen»?1
Ik heb kennis genomen van het artikel.
Kunt u aangeven en zo nodig bij uw Belgische collega verifiëren of dit bericht klopt?
Tussen Nederland en België bestaan intensieve politieke contacten op defensiegebied. Zo heeft bijvoorbeeld op 30 maart jl. een delegatie van de vaste commissie voor Defensie van de Tweede Kamer een gesprek gehad met de heer Vandeput. Op 28 januari jl. hebben de heer Vandeput en ik samen een bezoek gebracht aan de Belgisch-Nederlandse marinesamenwerking (Benesam) in Den Helder. Vervolgens hebben wij elkaar op 4 maart jl. uitgebreid gesproken in Den Haag ter gelegenheid van de ondertekening van het verdrag tussen België, Luxemburg en Nederland over de gezamenlijke luchtruimbewaking (Kamerstuk 33 763, nr. 68).
Bij deze ontmoetingen bleek dat wij het eens zijn over het grote belang van onze samenwerking, waarmee wij voortrekkers zijn in Europa, en dat wij deze samenwerking niet alleen willen voortzetten maar ook daar waar mogelijk willen intensiveren. Kort na de publicatie van het in vraag 1 genoemde artikel heeft de heer Vandeput in het Belgische parlement overigens benadrukt dat geen besluiten zijn genomen. Hij werkt momenteel een strategisch plan uit voor de toekomst van de Belgische defensie. De uitwerking van dit strategisch plan volg ik met belangstelling.
Zijn er ook zulke gesprekken geweest tussen Nederland en de NAVO? Zo ja, kunt u aangeven wat het advies van de NAVO is geweest voor de Nederlandse krijgsmacht?
De Navo onderhoudt intensieve contacten met alle bondgenoten, dus ook met Nederland. Deze contacten zijn vertrouwelijk.
Hebt u al contact gehad met uw Belgische collega over de eventuele consequenties voor de Defensiesamenwerking tussen België en Nederland bij het opvolgen van dit advies?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten wat precies de consequenties zijn van dit advies, indien dit wordt opgevolgd, voor Defensiesamenwerking tussen Nederland en België?
Zoals uiteengezet onderhouden België en Nederland intensieve contacten over de plannen in beide landen over de toekomst van de krijgsmacht. Ik heb van mijn Belgische collega niet begrepen dat een dergelijke maatregel aan de orde zou zijn. Ik vind het daarom niet zinvol hier nader op in te gaan.
Kunt u toelichten wat de consequenties zijn voor de Belgische-Nederlandse samenwerking op marinegebied (Benesam), indien België afstand moet doen van zijn fregatten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u toelichten wat het gevolg is van dit advies van de NAVO aan België voor de mogelijke samenwerking tussen België en Nederland bij de vervanging van fregatten?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het advies van de NAVO aan België dat er meer samenwerking mogelijk is tussen België en Nederland als het gaat om de NH-90 helikopter? Welke mogelijkheden liggen hier nog, in aanvulling op de al bestaande samenwerking betreffende de NH-90, zoals training, onderhoud, instandhouding en gezamenlijke verwerving van reserveonderdelen? Bent u bereid hierover een constructief gesprek aan te gaan met uw Belgische collega?
België, Luxemburg en Nederland hebben na de ministeriële verklaring van april 2012 een reeks van werkgroepen opgericht die de mogelijkheden van samenwerking over de hele breedte van de krijgsmacht uitwerken. De Kamer wordt over de vorderingen geïnformeerd met de jaarrapportage over internationale militaire samenwerking waarvan de meest recente is verzonden op 7 november 2014 (Kamerstuk 33 279, nr. 12).
Een van deze werkgroepen richt zich op de samenwerking op luchtmachtgebied waaronder helikopters. Zoals opgemerkt in vraag 8 is op het gebied van de NH-90 al het nodige bereikt, zoals de gezamenlijke aanschaf van reservedelen en samenwerking bij training en onderhoud. België, Duitsland en Nederland onderzoeken voorts de mogelijkheden voor gezamenlijke NH-90 opleidingen.
De special forces van beide landen werken reeds samen ten aanzien van doctrine en opleidingen. Bij het Korps Commandotroepen zijn daartoe twee Belgische liaisonofficieren geplaatst. Een belangrijk samenwerkingsgebied, ook met de Belgische Paracommando’s, is de gemeenschappelijke paraschool in het Belgische Schaffen. De opleidingen voor para-instructeurs en voor het parabrevet automatische opening zijn inmiddels geïntegreerd en de integratie van de vrije valopleiding wordt nog uitgewerkt.
Hoe beoordeelt u het advies van de NAVO aan België dat er meer samenwerking mogelijk is tussen België en Nederland als het gaat om paracommando’s en «special forces»? Bent u bereid te onderzoeken welke concrete mogelijkheden hier nog liggen? Bent u bereid hierover een constructief gesprek aan te gaan met uw Belgische collega?
Zie antwoord vraag 8.
Het bericht 'Uitzendbureau werkt onderzoek Arbeidsinspectie tegen' |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Uitzendbureau werkt onderzoek Arbeidsinspectie tegen»?1
Ja.
Herinnert u zich eerdere vragen over de misstanden bij de bouw van zowel het Forum als de Sontbrug in Groningen, meer in het bijzonder vraag 3 en uw antwoord daarop?2
Ja. Deze vragen hebben betrekking op een probleem dat al eerder onder de aandacht is geweest. Begin december vorig jaar heb ik hierover schriftelijke vragen beantwoord. Daarin heb ik gewezen op de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever en de maatregelen in het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies om onderbetaling tegen te gaan. Uit het bericht maak ik op dat de problemen helaas nog niet zijn opgelost.
Bent u van mening dat de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever (zeker als dat de overheid zelf is) zich niet alleen uitstrekt tot het besteden van aandacht aan het correct naleven van de toepasselijke cao in de gehele keten bij het aanbesteden zelf, maar dat die aandacht ook nodig is tijdens de feitelijke werkzaamheden? Zo ja, doet de opdrachtgever in kwestie wat dat betreft naar uw mening voldoende? Hoe zou het besteden van aandacht aan correcte naleving van de regels tijdens de werkzaamheden naar uw mening in onderhavige casus vorm kunnen krijgen? Zo nee, waarom niet?
Een opdrachtgever hoort zorg te dragen voor een verantwoordelijke opdrachtverlening waardoor een bonafide keten ontstaat, waarin de geldende wettelijke regels en contractuele afspraken over de arbeidsvoorwaarden worden nagekomen. Van een opdrachtgever, opdrachtnemer en aannemer wordt verwacht dat zij tijdens het proces van aanbesteding alsmede gedurende de periode van uitvoering die hier op volgt die maatregelen treffen die redelijkerwijs mogen worden verwacht om te bevorderen dat de werkgever het aan zijn werknemer verschuldigde loon voldoet. Deze verantwoordelijkheid beperkt zich niet tot het correct naleven van de toepasselijke cao bij het aanbesteden zelf. Dit volgt onder andere uit de aanbestedingswet en uit de principes van de OESO voor integer handelen bij publieke aanbestedingen. Of de opdrachtgever, in dit geval de gemeente Groningen, deze verantwoordelijkheid ook neemt is niet aan mij om te beoordelen.
Een opdrachtgever kan een aantal maatregelen treffen om misstanden zoals onderbetaling te voorkomen. In het geval van misstanden van onderbetaling die gedurende de feitelijke werkzaamheden aan het daglicht komen, kan een (hoofd)opdrachtgever ook een belangrijke rol spelen. Zo kan hij na het signaal van een werknemer over onderbetaling actie ondernemen richting de betreffende lagere schakel in de keten met het oog op betaling van het verschuldigde loon. De opdrachtgever kan hiertoe controle laten uitvoeren, zich laten informeren over de situatie en verlangen dat de uitvoeringsvoorwaarden en eventueel opgestelde contractuele bepalingen worden nagekomen. De opdrachtgever kan bij een misstand van onderbetaling ook een bemiddelende rol (laten) vervullen.
Bent u van mening dat inwerkingtreding van het onlangs door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel «Wet Aanpak Schijnconstructies» misstanden als hier aan de orde kan voorkomen? Zo ja, kunt u aangeven of en (zo ja) op welke (andere) wijze de opdrachtgever zijn verantwoordelijkheid in onderhavige casus zou moeten vormgeven onder voornoemde wet?
Het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies draagt bij aan het voorkomen en oplossen van situaties waar sprake is van onderbetaling. Deze bevat namelijk de invoering van de ketenaansprakelijkheid voor loon. Ketenaansprakelijkheid geeft opdrachtgevers en cao-partijen meer handvatten om onderbetaling in ketens beter aan te kunnen pakken. Hier gaat een sterke preventieve werking van uit. Opdrachtgevers worden door het risico van aansprakelijkstelling immers gestimuleerd om onderbetaling te voorkomen.
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel aanpak schijnconstructies geeft een niet-limitatieve opsomming van maatregelen die opdrachtgevers zowel bij de opdrachtverlening als bij reeds geconstateerde misstanden kunnen nemen om een succesvol beroep te kunnen doen op niet-verwijtbaarheid. Het gaat om maatregelen als het zorg dragen voor een verantwoordelijke opdrachtverlening waardoor een bonafide keten ontstaat, het opnemen van contractuele bepalingen die ertoe strekken dat opdrachtnemers of aannemers handelen conform de toepasselijke wet- en regelgeving en daarnaast de geldende arbeidsvoorwaarden naleven, het opnemen van een procedure over de handelwijze bij eventuele misstanden in de contract- of uitvoeringsvoorwaarden, het zakendoen beperken tot geregistreerde opdrachtnemers en indien de misstanden zich al voorgedaan hebben het leveren van inspanningen om de onderbetaling alsnog op te lossen.
In bovenbedoeld artikel wordt opgemerkt dat een bij de werkzaamheden in kwestie betrokken uitzendbureau zijn medewerking zou hebben onthouden aan een onderzoek van de Inspectie SZW; is dat inderdaad het geval en zo ja, welke gevolgen heeft dat voor het uitzendbureau in kwestie respectievelijk voor de voor dat uitzendbureau werkzame werknemers?
Met de extra capaciteit voor de aanpak van schijnconstructies voert de Inspectie SZW sinds 2014 op grotere schaal cao-nalevingsonderzoeken uit, op verzoek van cao-partijen. Over een specifieke casus doe ik geen uitspraken. De Inspectie SZW ziet in het algemeen dat enerzijds de keuze de inspectiecapaciteit te verleggen naar notoire overtreders en misstanden en anderzijds de verhoogde boetes die de Inspectie SZW oplegt, een tegenreactie oproepen door middel van juridische procedures. Dit heb ik in mijn brief van 1 oktober 2014 aangegeven.
Bent u van mening dat een opstelling als in vraag 5 omschreven ertoe zou moeten leiden dat het contract met het desbetreffende uitzendbureau wordt ontbonden? Zo nee, waarom niet?
Voorop staat dat de werknemers bij wie de onderbetaling is geconstateerd alsnog betaald krijgen en hun werk behouden. Ontbinding van het contract met het desbetreffende uitzendbureau is in dat opzicht niet doeltreffend en alleen geschikt als ultimum remedium. Ontbinding zal er namelijk niet toe leiden dat de werknemers op korte termijn alsnog hun achterstallige loon zullen ontvangen.
Als gevolg van het niet verlenen van medewerking aan een onderzoek van de Inspectie SZW zou het uitzendbureau in kwestie zijn zogenaamde «SNA- certificaat» zijn kwijtgeraakt; welke gevolgen zou dat naar uw mening in onderhavige casus moeten hebben?
Uit navraag bij de Stichting Normering Arbeid (SNA) is gebleken dat het betreffende uitzendbureau inderdaad zijn SNA-certificaat kwijt is geraakt. De precieze reden hiervan is mij niet bekend. De gevolgen van een dergelijke intrekking kunnen vooral betrekking hebben op toekomstige aanbestedingen. De rijksoverheid doet bijvoorbeeld in principe geen zaken met uitzendbureaus zonder keurmerk. Het is voor alle (publieke) opdrachtgevers aan te bevelen om alleen zaken te doen met NEN-gecertificeerde uitzendbureaus.
Mede naar aanleiding van de motie Kerstens c.s. omtrent de evaluatie van het certificeringssysteem in de uitzendbranche heeft u in uw brief aan de Kamer van 12 mei 2014 over de «aanpak van malafide uitzendbureaus en zelfregulering» een pakket maatregelen aangekondigd dat zou moeten leiden tot verbetering van onderhavige zelfregulering3 4; wanneer kan de Kamer (gelet op de in bedoelde brief genoemde termijn van een jaar) de evaluatie van bedoelde maatregelen alsmede daaraan door u verbonden conclusies tegemoetzien?
De Kamer kan deze evaluatie voor de zomer tegemoet zien.
Bent u bereid om van de voorziene restauratie- en verbouwwerkzaamheden op en rondom het Binnenhof een «voorbeeldproject» te maken als het gaat om «excellent opdrachtgeverschap» in relatie tot de Wet Aanpak Schijnconstructies?
Zoals in de antwoorden hiervoor beschreven is het belangrijk dat de (rijks)overheid alle aanbestedingen op verantwoorde wijze uitvoert. De besluitvorming over restauratie- en verbouwwerkzaamheden op en rondom het Binnenhof is nog niet afgerond. Keuze voor het Binnenhof als «voorbeeldproject» is daarom nu niet aan de orde. Indien tot restauratie- en verbouwwerkzaamheden op en rondom het Binnenhof wordt besloten, zal de aanbesteding worden uitgevoerd conform de vigerende wet- en regelgeving.
Het bericht ‘Onafhankelijke’ voorzitter beleidsonderzoek zzp krijgt topfunctie bij het ministerie van Financiën’ |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht ««Onafhankelijke» voorzitter beleidsonderzoek zzp krijgt topfunctie bij het Ministerie van Financiën»?1
Ja.
Wanneer heeft de nieuwe directeur-generaal Fiscale Zaken het voorzitterschap van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Zelfstandigen zonder personeel (IBO Zzp) neergelegd?
Ik heb de huidige voorzitter verzocht om conform planning het interdepartementale beleidsonderzoek af te ronden. Hij heeft daarmee ingestemd.
Deelt u het oordeel dat met de benoeming van de voorzitter van het IBO Zzp tot directeur-generaal Fiscale Zaken, terwijl in het IBO Zzp onder meer wordt geanalyseerd of het fiscaal instrumentarium nog aansluit op de moderne arbeidsmarkt en beleidsvarianten worden geformuleerd om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te garanderen, onrust is ontstaan onder zzp’ers over de onafhankelijkheid van de voorzitter? Deelt u de mening dat dit het draagvlak voor beleidsvarianten uit het eindrapport onder druk zet?
Een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) ontwikkelt alternatieven voor bestaand beleid en heeft daarmee een verkennend, technisch karakter. Een IBO-werkgroep wordt verzocht om beleidsvarianten te ontwikkelen zonder een beoordeling van de wenselijkheid te geven. Oordeelsvorming is aan de ministerraad, die het IBO-rapport samen met een kabinetsstandpunt naar de Tweede Kamer zal sturen.
Een IBO-voorzitter wordt geselecteerd op basis van expertise en de capaciteit om onafhankelijk van politieke belangen het proces te begeleiden. Hij of zij kan ambtenaar (op het niveau directeur-generaal) zijn of een gezaghebbende functie buiten de overheid vervullen. De voorzitter van het IBO Zzp voldoet hier aan in zijn huidige en nieuwe functie. Het kabinet en de IBO-werkgroep zijn ervan overtuigd dat de voorzitter op professionele wijze invulling zal blijven geven aan de door het kabinet verstrekte opdracht.
Op welke manier kunt u deze onrust wegnemen?
Zie antwoord vraag 3.
Wie is de nieuwe onafhankelijke voorzitter van het IBO Zzp?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer is het IBO Zzp afgerond?
Het rapport zal – zoals eerder gemeld2 – voor de zomer aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
Wanneer stuurt u het IBO Zzp naar de Tweede Kamer?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Sluis op losse schroeven’ |
|
Albert de Vries (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Sluis op losse schroeven»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Herkent u zich in de berichtgeving? Is het waar dat het opknappen van cruciale (zee)sluizen vertraging dreigt op te lopen?
Hier herken ik mij niet in. Het is wel zo dat Rijkswaterstaat het komende jaar relatief veel grote projecten op de markt brengt. Ook andere sectoren trekken aan waardoor er ook in utiliteitsbouw en de spoorsector meer projecten op de markt komen en het volume aan opdrachten toeneemt. Voor de drie sluizenprojecten die nu in aanbesteding zijn, is voldoende interesse. Rijkswaterstaat is in gesprek met de markt om te bezien hoe de interesse van marktpartijen voor de projecten die komende periode aanbesteed worden, kan worden behouden.
Is het waar dat verschillende bouwers opdrachten te complex en risico’s te groot vinden en dat veel grote aanbestedingen elkaar in korte tijd opvolgen? Welke rol speelt het gebruik van dbfm-contracten (ontwerp, bouw, financiering, onderhoud in één contract) daarin?
Rijkswaterstaat zal de komende jaren relatief veel grote projecten op de markt brengen. Daarnaast vragen DBFM-contacten meer tijd, specialistische kennis en tenderkosten van de markt dan meer traditionele contracten. Rijkswaterstaat beziet de mogelijkheden om wijzigingen aan te brengen in het aanbestedingsproces om tenderkosten en -capaciteit te beperken en daarmee de interesse van marktpartijen te behouden. Daarnaast is de haalbaarheid van het werkenpakket de komende drie jaar, onder andere bij Bouwend Nederland, getoetst. Bouwend Nederland heeft aangegeven dat het haalbaar is.
Hoe oordeelt u over de versnelling van de aanleg van de tweede zeesluis bij IJmuiden, die de Kamer mogelijk heeft gemaakt op voorwaarde dat de regio zou voorfinancieren, nu overprogrammering tot problemen lijkt te leiden?
De aanbesteding van de Zeesluis IJmuiden is reeds gestart en er is dus geen reden tot vertraging. Er zijn nu nog drie combinanten in de procedure voor het werk. De definitieve plannen worden in juni 2015 ingeleverd.
Worden de projecten «tweede sluis Eefde», «zeetoegang Terneuzen» en «renovatie Afsluitdijk» inderdaad in 2015 in de markt gezet? Overweegt u vanwege de afname van het aantal potentiële opdrachtnemers om de aanbestedingen over een langere periode uit te smeren?
Ja, voor deze projecten is de start van de aanbesteding in 2015 voorzien, waarbij aangemerkt dient te worden dat het project Nieuwe Sluis Terneuzen geen DBFM project is, maar met een Design & Construct-contract op de markt wordt gezet.
Ik zie vooralsnog nog geen reden om de aanbestedingen te temporiseren.
Kunt u de uitspraak van de programmadirecteur bij Rijkswaterstaat (RWS), dat hij eerst wil kijken of hij kan sleutelen aan de voorwaarden, volgorde en planning van projecten, voor hij knopen doorhakt, nader toelichten?
Rijkswaterstaat is in gesprek met de markt om te verkennen welke exacte elementen nu de keuze van bouwbedrijven beïnvloeden om voor een bepaald werk te kiezen. Uit de verschillende gesprekken met diverse partijen blijkt dat het gaat om zaken die te maken hebben met tenderkosten en tendercapaciteit. Ik bezie de mogelijkheden om wijzigingen aan te brengen in het aanbestedingsproces om tenderkosten en -capaciteit te beperken en daarmee de interesse van marktpartijen te behouden.
Is er binnen RWS een prioritering van de verschillende projecten? Zo ja, hoe prioriteert u de verschillende projecten ten opzichte van elkaar?
Omdat geen aanleiding is planningen aan te passen is er ook geen reden te prioriteren. Rijkswaterstaat heeft in afstemming met Bouwend Nederland gekeken naar de start van de aanbestedingen, waarbij de eindmijlpaal «openstelling» niet zou vertragen. Dit om tot een meer regelmatige spreiding van de start van de aanbestedingen te komen.
Deelt u de mening dat de koudwatervrees bij bouwbedrijven om met Rijkswaterstaat in zee te gaan past in een trend die al langer gaande is? Zo ja, op welke wijze doorbreekt u deze trend?
Nee. Alle aanbestedingen (ook DBFM) zijn tot op heden succesvol verlopen.
Het signaal van een afnemend aantal inschrijvers voor DBFM-projecten is reden om nadere afstemming te hebben met brancheorganisaties en marktpartijen. Het feit dat er veel grote projecten op de markt komen in combinatie met een DBFM-contract maakt dat bedrijven selectiever zijn.
Rentegevoeligheid als molensteen om nek pensioenen |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de FNV dat de lage rente een steeds grotere molensteen om de nek van de Nederlandse pensioenen wordt?1 Zo nee, waarom niet?
De pensioenen hebben inderdaad last van de aanhoudende lage rente. Bij een lage rente is meer geld nodig om alle toegezegde pensioenen te bekostigen. Afhankelijk van de mate van renteafdekking dalen op dit moment de beleidsdekkingsgraden van pensioenfondsen. Het moment waarop de pensioenen weer volledig aan de inflatie kunnen worden aangepast, kan hierdoor verder naar achteren schuiven. Een lage rente kan eveneens gevolgen hebben voor de hoogte van de pensioenpremies. Het fondsspecifieke effect hangt af van de gekozen systematiek voor het vaststellen van de kostendekkende premie.
Wat zijn volgens u de gevolgen van het opkoopprogramma van de Europese Centrale Bank voor de dekkingsgraden van de pensioenfondsen? Heeft u en/of De Nederlandsche Bank (DNB) daar onderzoek naar gedaan?
Het Extended Asset Purchase Programme van de Europese Centrale Bank (ECB-programma) is in maart 2015 van start gegaan en duurt in beginsel tot en met september 2016. Vanaf het moment dat het ECB-programma bekend is gemaakt, zijn de marktrentes gedaald. Dit heeft gevolgen voor de dekkingsgraden van pensioenfondsen. De dekkingsgraden worden echter niet alleen door de rente beïnvloed, maar ook door beleggingsrendementen en actuariële factoren. Daar komt bij dat veel pensioenfondsen hun renterisico in meer of mindere mate hebben afgedekt. Het afzonderlijke effect van het ECB-programma op fondsspecifieke dekkingsgraden kan daarom niet worden gekwantificeerd.
Wat zijn de gevolgen voor de koopkracht van pensioenen op korte en langere termijn?
Mede door het stabiliserende effect van het nieuwe financieel toetsingskader (ftk) zijn op de korte termijn nauwelijks gevolgen te verwachten voor de koopkracht van pensioengerechtigden. De koopkracht wordt vooral bepaald door de mate waarin pensioenen aan de prijsontwikkeling worden aangepast, respectievelijk worden gekort. De beleidsdekkingsgraad van de meeste pensioenfondsen zal in de loop van 2015 naar verwachting dalen. In dat geval moeten meer fondsen een herstelplan opstellen. In het nieuwe ftk hebben zij een termijn van 10 jaar om te herstellen naar het vereist eigen vermogen2. Uit berekeningen van DNB blijkt dat bijna alle fondsen die begin 2015 een tekort hadden, zich boven hun fondsspecifieke kortingsgrens bevonden. Een uitgebreider beschrijving van de effecten van de rente binnen het nieuwe ftk is opgenomen in het DNBulletin «Nieuw Financieel Toetsingskader vangt lage rente geleidelijk op»3.
Voor de mate van indexatie heeft het ECB-programma op de korte termijn nauwelijks gevolgen. Het merendeel van de pensioenfondsen had vóór de start van dit programma al te weinig vermogen om de pensioenen te indexeren. Als de marktrente nog geruime tijd op het huidige niveau blijft, kan het moment waarop de pensioenen weer volledig kunnen worden geïndexeerd, in de tijd opschuiven. In dat geval ontstaan op langere termijn gevolgen voor de koopkracht van de pensioenen.
Hoe kunnen pensioenfondsen zich beschermen tegen deze gevolgen?
Het merendeel van de pensioenfondsen beschermt zich al geruime tijd tegen de gevolgen van een rentedaling. Nagenoeg alle pensioenfondsen hebben een deel van hun bezittingen belegd in vastrentende waarden, zoals staatsleningen en bedrijfsleningen. Om het renterisico verder te beperken, houden veel fondsen in aanvulling op hun vastrentende waarden zogenoemde rentederivaten aan, zoals swaps en swaptions. Naar aanleiding van de motie Vermeij c.s. worden de voor- en nadelen van renteafdekking en de risico’s van rentederivaten momenteel onderzocht4.
Wilt u tegemoet komen aan het verzoek van de FNV om op korte termijn met werkgevers- en werknemersorganisaties te overleggen over bescherming van pensioenrechten tegen de kunstmatig lage rente? Zo nee, waarom niet?
Als sociale partners een nieuwe invalshoek willen inbrengen, ben ik gaarne bereid met hen hierover van gedachten te wisselen. Wel wil ik ervoor waken om discussies over te doen die we in het kader van het nieuwe ftk meermalen hebben gevoerd.
Het bericht ‘Vee heeft invloed op gezondheid’ |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vee heeft invloed op gezondheid»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitspraken van Kitty Maassen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat veehouderij invloed heeft op de gezondheid?
De uitspraken zijn gebaseerd op de eerste tussentijdse resultaten van het onderzoek «Veehouderij en gezondheid van omwonenden» die de onderzoekers 12 maart 2015 openbaar hebben gemaakt. Deze resultaten zijn in lijn met bevindingen uit het eerdere onderzoek naar gezondheidseffecten van de veehouderij in Oost-Brabant en Noord-Limburg uit 2010. De recente bevindingen versterken de waarschijnlijkheid van de gezondheidseffecten in het betreffende onderzoeksgebied2.
De versterkte waarschijnlijkheid is in het desbetreffende artikel in het Eindhovens Dagblad abusievelijk geïnterpreteerd als een keiharde relatie tussen veehouderij en gezondheid. De tussentijdse resultaten maken deel uit van een breder opgezet onderzoeksprogramma naar de relatie tussen veehouderijen en de gezondheid van de mensen die daar omheen wonen. In het licht van het lopend onderzoek is het niet verantwoord verdergaande conclusies te trekken. Het onderzoek wordt in 2016 afgerond.
Bent u bereid om maatregelen te treffen vanwege de tussentijdse resultaten die laten zien dat mensen met longziekten als astma en COPD die nabij een veehouderij wonen, ernstigere gezondheidsklachten hebben dan andere longpatiënten?
Het onderzoek wijst enerzijds uit dat rond veehouderijen minder mensen met astma en COPD wonen. Anderzijds hebben COPD-patiënten die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker problemen van de luchtwegen dan mensen met COPD die ergens anders wonen. De oorzaken daarvan zijn echter nog niet duidelijk. Dat betekent dat de tussentijdse resultaten geen basis zijn om op dit moment maatregelen te nemen.
In het uitgevoerde onderzoek is niet gekeken naar de omvang van de veehouderijbedrijven. Dit betekent dat het betreffende onderzoek geen indicatie geeft dat juist deze stallen hiervan de oorzaak zijn. Het treffen van maatregelen, zoals een moratorium op nieuwbouw van stallen, is dan ook niet aan de orde. Nieuwe stallen moeten voldoen aan de geldende milieu en ruimtelijke ordeningseisen. Het besluit om nieuwbouw van stallen wel of niet toe te staan moet door de decentrale overheid worden genomen op basis van een lokale of regionale beoordeling van effecten van veehouderijen. Het onderzoeksproject «Veehouderij en gezondheid omwonenden», waarvan het betreffende onderzoek deel uit maakt, is pas volgend jaar gereed. Op dat moment moet worden bezien of de resultaten aanleiding geven tot het nemen van maatregelen.
Bent u bereid om vanwege de tussentijdse resultaten een moratorium te stellen op de bouw van nieuwe megastallen totdat het volledige onderzoek is afgerond naar de relatie van intensieve veehouderij en gezondheid?
Zie antwoord vraag 3.
Illegalen die maandelijks ruim 200 euro leefgeld krijgen van de gemeente Eindhoven |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vluchtelingen zonder papieren krijgen leefgeld in Eindhoven»?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat illegalen, die een wettelijke vertrekplicht hebben en dus niet in Nederland mogen zijn, ruim 200 euro leefgeld per maand krijgen?
Per Kamerbrief van 20 januari 2015 bent u geïnformeerd over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 december 2014 en de verplichting voor gemeenten om voorzieningen te verstrekken aan vreemdelingen zonder verblijfsrecht. Deze verplichting is in tijd begrensd tot twee maanden nadat het Comité van Ministers een standpunt heeft bepaald inzake de ESH-zaken Conference of European Churches (CEC) en Feantsa.
In die brief heeft de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie ook gemeld dat hij, in voorkomende gevallen, bereid is aan betrokken gemeenten een financiële tegemoetkoming te bieden met het oog op de verplichtingen die voortvloeien uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.
Deze financiële tegemoetkoming is in tijd beperkt. De financiële tegemoetkoming ziet op door de betrokken gemeenten aan onrechtmatig verblijvende vreemdelingen geboden sobere voorzieningen in de periode van 17 december 2014 tot maximaal twee maanden nadat het Comité van Ministers een standpunt heeft ingenomen. Enige terughoudendheid vanuit het Rijk is op zijn plaats bij de beoordeling van de precieze lokale inrichting van genoemde sobere voorziening. Echter, het bieden van financiële ondersteuning, ter vrije besteding door de vreemdeling, gaat verder dan het bieden van enkel een sobere voorziening. Deze vorm van ondersteuning zal dan ook niet kunnen rekenen op een financiële tegemoetkoming vanuit het Rijk. Ik zal dit in mijn gesprekken met de VNG en gemeenten ook zo overbrengen.
Beseft u dat de bereidheid van illegalen om Nederland te verlaten alleen maar zal verkleinen als zij in Nederland van alle gemakken worden voorzien?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er nog meer gemeenten die het vertrekbeleid saborteren door illegalen van leefgeld te voorzien? Zo ja, welke gemeenten zijn dit?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u ervoor zorgen dat de gemeente Eindhoven, en indien nodig andere gemeenten, per direct stoppen met de sabotage van het vreemdelingenbeleid? Bent u bereid deze gemeente(s) desnoods te korten op het gemeentefonds?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Sluis op losse schroeven’ |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Sluis op losse schroeven»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Hoe heeft de situatie kunnen ontstaan dat er – volgens de berichtgeving – voor bouwbedrijven te complexe opdrachten voor het broodnodig opknappen van sluizen door Rijkswaterstaat op tafel zijn gelegd, waarvan deze bouwbedrijven de risico’s niet durven te nemen? Hoe verklaart u anders de geringe interesse van bouwbedrijven in dit soort opdrachten, zoals het opknappen van de keersluis in Limmel, de zeetoegang in IJmuiden en de Beatrixsluizen?
Voor het project Keersluis Limmel hebben zich negen consortia gemeld, waaronder een aantal internationale bedrijven. Voor het project Zeetoegang IJmond waren dat er vijf en voor het project Derde Kolk Beatrixsluis hebben zich drie gegadigden gemeld. Ik kan dit geen geringe interesse noemen, ook al moet ik constateren dat zich voor het project Derde Kolk Beatrixsluis één à twee minder gegadigden hebben gemeld, dan verwacht. Er is voldoende belangstelling maar bedrijven maken meer dan voorheen keuzes waar men wel en waar men niet op inschrijft.
Kunt u aangeven waarom er bij zulke, voor de economische ontwikkeling van Nederland cruciale projecten, niet aan de voorkant in overleg is getreden met brancheorganisatie Bouwend Nederland, teneinde een goede inschatting te maken van welke risico’s voor bouwbedrijven aanvaardbaar zijn en welke niet?
Er vindt periodiek overleg plaats met Bouwend Nederland. Speciaal voor het Sluizenprogramma is er een Sluizenplatform waar naast Bouwend Nederland en de waterbouwers, ook de belangenvereniging van ingenieursbureaus en installateurs zitting in hebben. Ook zijn er gesprekken tussen Rijkswaterstaat en bouwbedrijven om over trends en beleid van gedachten te wisselen.
Bent u voornemens om tot uitstel van projecten over te gaan, wanneer blijkt dat met het sleutelen aan voorwaarden, volgorde en planning van projecten, de risico’s die bouwbedrijven nu zien niet afdoende kunnen worden weggenomen?
Vooralsnog ben ik hier niet voornemens toe. Op dit moment biedt het bespreken van de aanbestedingsplanning en het zoeken met de markt naar mogelijkheden om de tenderkosten- en capaciteit voor gegadigden te beperken, voldoende mogelijkheden om de interesse van de markt voor de sluizenprojecten te behouden.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zouden zijn van eventueel uitstel voor de Nederlandse economische ambities, als het gaat om bijvoorbeeld de Amsterdamse haven en binnenvaartsector?
Omdat ik niet voornemens ben om deze projecten te vertragen, zijn hier geen economische consequenties van te verwachten.
Welke actie gaat u ondernemen om een dergelijke situatie (zie onder 1) bij de tweede sluis bij Eefde, de zeetoegang bij Terneuzen en de grote renovatie van de Afsluitdijk, te voorkomen?
Om de interesse van de markt voor de komende aanbestedingen te behouden, verkent Rijkswaterstaat met de markt welke exacte elementen nu de keuze van bouwbedrijven beïnvloeden om voor een bepaald werk te kiezen. Uit de verschillende gesprekken met diverse partijen blijkt dat het gaat om zaken die te maken hebben tenderkosten en tendercapaciteit. Rijkswaterstaat beziet de mogelijkheden om wijzigingen aan te brengen in het aanbestedingsproces om tenderkosten en -capaciteit te beperken en daarmee de interesse van marktpartijen te bevorderen.
Kunt u een inschatting geven van de hoogte van de kosten die er mee gemoeid zijn wanneer er vertraging optreedt in (delen van) het programma bedoeld om cruciale zeesluizen op te knappen? Kunt u deze inschatting geven voor elke specifieke opdracht die nu in de gevarenzone schijnt te verkeren, te weten het opknappen van de keersluis in Limmel, de zeetoegang in IJmuiden en de Beatrixsluizen? Zo nee, waarom niet?
Deze drie projecten zitten niet in de gevarenzone. Het project keersluis Limmel is reeds gegund en bij het project Zeetoegang IJmond en het project Derde Kolk Beatrixsluis loopt de aanbesteding reeds.
Het bericht dat mensen te maken krijgen met stijgende zorgkosten door de bezuinigingen op de langdurige zorg |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «630 euro eigen bijdrage? Dat kan ik nooit betalen!»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat iemand die afhankelijk is van een WAO-uitkering 630 euro per maand kwijt is aan eigen bijdrage omdat hij zijn vrouw inhuurt als verzorger?
Een rekensom met het online rekenprogramma van het CAK om de hoogte van de eigen bijdrage pgb Wlz uit te rekenen, laat zien dat bij een eigen bijdrage van € 630 per maand een verzamelinkomen hoort van € 73.500.2 De suggestie in het artikel dat het gezin moet leven van een bescheiden WAO-uitkering lijkt daarmee onjuist. In het verzamelinkomen van het huishouden zit uiteraard ook het inkomen verwerkt dat de partner ontvangt voor de zorgverlening van de cliënt via het pgb. De partner lijkt volgens dit artikel immers de rol van een formele hulpverlener te vervullen en ontvangt daarvoor dus ook het loon dat uit het pgb wordt betaald. De eigen bijdrage wordt met ingang van 1 januari 2015 rechtstreeks bij de budgethouder geïnd en niet meer vooraf ingehouden op het pgb. Voor veel budgethouders is het nieuw dat zij voor de eigen bijdrage periodiek een factuur van het CAK ontvangen. Het pgb dient te worden ingezet voor zorg en ondersteuning en het budget mag niet worden gebruikt voor de betaling van de eigen bijdrage. In de AWBZ was er jarenlang sprake van een verschil in het opleggen van de eigen bijdrage. Mensen met zorg in natura betaalden de eigen bijdrage al via een factuur aan het CAK, terwijl voor mensen met een pgb de eigen bijdrage werd afgetrokken van het («bruto») pgb. Met de nu doorgevoerde wijziging is deze ongelijke situatie gerepareerd.
Wat is uw reactie op Ilya Stoffer van Ieder(in) die stelt dat vele honderdduizenden mensen te maken krijgen met een groot inkomensverlies omdat de verhoging van de eigen bijdrage voor de langdurige zorg bovenop de bezuinigingen van de gemeente komen?
Voorop staat dat ook nu is gewaarborgd in de Wmo 2015 en de Wlz dat mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, die zorg en ondersteuning ook krijgen. Het met de Wtcg vervallen van de 33%-korting voor de eigen bijdrage voor extramurale zorg leidt met ingang van 2015 tot hogere facturen. Dit was bekend, mensen zijn hier over geïnformeerd. In verband met de reeds optredende inkomenseffecten als gevolg van het vervallen van de 33%-korting, heb ik eerder ook besloten om de eigen bijdragesystematiek voor de Wmo 2015 ongewijzigd te laten en af te zien van het oorspronkelijke voornemen van het kabinet om een verruiming van de waarden van de parameters ten behoeve van de berekening van de maximale eigen bijdrage door te voeren. Voorts geldt dat gemeenten als onderdeel van het vervallen van de Wtcg en CER extra middelen hebben gekregen (vanaf 2017 structureel € 268 miljoen). Het is aan gemeenten om te bezien of mensen ondersteuning nodig hebben en hoe deze passend kan worden verstrekt. Als onderdeel hiervan zullen gemeenten in het onderzoek naar een ondersteuningvraag ook stil staan bij de kenmerken van de persoon en diens situatie, waaronder zijn financiële situatie en de gevolgen van verstrekking van mogelijke voorzieningen voor die situatie. Gemeenten hebben ten behoeve van dit financiële maatwerk de verantwoordelijkheid en ook een breed instrumentarium tot hun beschikking; gedacht kan worden aan een lagere kostprijs, het verstrekken van een financiële tegemoetkoming op grond van de Wmo 2015, het aanbieden van een collectieve zorgverzekering of toepassing van het gemeentelijk minimabeleid.
Kent u het onderzoek, dat GroenLinks door TNS-Nipo heeft laten uitvoeren, waaruit blijkt dat de zorgkosten voor chronisch zieken soms wel honderden euro’s per maand stijgen?2
Ik heb kennis kunnen nemen van de samenvattende bevindingen van de eerste, tweede en derde zorgpeiling uitgevoerd door TNS-Nipo.
Wat is uw verklaring voor de uitkomst van genoemd onderzoek dat bijna de helft van de mensen die voorheen onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) vielen nu duurder uit is en aangeeft gemiddeld 244 euro per maand extra kwijt te zijn aan zorgkosten?
Op grond van de mij ter beschikking staande informatie is het niet goed mogelijk om de gevraagde verklaring te geven. Ik beschik over de samengevatte bevindingen van de peilingen, maar niet over het onderliggend materiaal en achtergrondinformatie van de respondenten. Zo weet ik niet wat in het onderzoek van TNS-Nipo onder de definitie van «toegenomen zorgkosten» wordt verstaan.
Het kan gaan om een stijging van feitelijke hogere zorgkosten, maar ook om de ervaren zorgkosten. Bij feitelijke hogere zorgkosten hoeft zich dit vervolgens niet te beperken tot een stijging van de eigen bijdrage. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om een aanpassing van eerdere zorg en ondersteuning, in de zin dat iemand nu zelf de zorg en ondersteuning organiseert en inkoopt.
Het ligt niet voor de hand dat met de gemiddelde stijging van de eigen bijdrage met € 244 per maand wordt gedoeld op de eigen bijdrage voor extramurale zorg en ondersteuning die voorheen onder de AWBZ viel en nu onder de Wmo 2015 valt. Dit aangezien de eigen bijdrage onderdeel is van het overgangsrecht. Indien het om de eigen bijdrageregeling in de Wlz (uitgezonderd het pgb) gaat, dan geldt dat deze ongewijzigd is ten opzichte van de eigen bijdrageregeling zoals deze op grond van de AWBZ van toepassing was. Wel zijn de parameters – zoals dit jaarlijks plaats vindt – geïndexeerd. De inkomenseffecten van deze actualisatie zijn beperkt en verklaren de forse stijging uit het TNS-Nipo onderzoek daarmee niet. Bij de pgb’s zijn drie veranderingen opgetreden:
Samengevat verklaren bovenstaande veranderingen een gemiddelde stijging van de kosten voor de burger met € 244 per maand onvoldoende. Ook het TNS-Nipo onderzoek zelf geeft geen verklaring of aanknopingspunten daartoe.
Ook bij het CAK en VWS zijn vragen van cliënten ontvangen met betrekking tot de hoogte van de eigen bijdragen. Bij nadere analyse bleek in veel gevallen dat de stijging veel minder groot was dan gedacht, het afwijkende bedrag liet zich doorgaans verklaren met de hiervoor optredende wijzigingen en/of de stijging was toe te schrijven aan een gestegen inkomen of vermogen.
Wat is uw verklaring voor de uitkomst van genoemd onderzoek dat voor 36% van de mensen die onder de oude Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) vielen de kosten zijn toegenomen en dat zij gemiddeld 53 euro per maand duurder uit zijn?
Ook voor deze vraag geldt dat deze zich op grond van de mij ter beschikking staande gegevens niet goed laat beantwoorden. Zie hiervoor ook mijn uitleg onder 5. Gegeven de inkomensverdeling van de clientèle van de Wmo is een stijging van de gemiddelde maandelijkse eigen bijdrage met € 53 niet realistisch. Dit betekent namelijk dat de gemiddelde eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen op dit moment € 160 per 4 weken zou bedragen terwijl deze feitelijk (in 2014 exclusief de 33%-korting) in de Wmo ongeveer € 40 per 4 weken is.
Wat vindt u ervan dat nog steeds meer dan de helft van de mensen aangeeft zich nog niet goed geïnformeerd te voelen? Ziet u dit als een aanloopprobleem of als een structureel probleem?
Dat cliënten goed en tijdig geïnformeerd worden, was en is nog steeds één van de focuspunten van de transitie. De inspanningen zijn er op gericht om mensen zo goed mogelijk te informeren over de gevolgen van de veranderingen voor hun eigen situatie. Mogelijke onzekerheid hierover moet waar mogelijk op de kortst mogelijke termijn worden weggenomen. In mijn brief in reactie op de 2e en 3e meting van het TNS-Nipo onderzoek ben ik hier nader op ingegaan.4
Was u ervan op de hoogte dat deze kostenexplosie er aan zat te komen?
Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat er sprake is van een kostenexplosie als gevolg van de veranderingen in de langdurige zorg. Zie ook mijn antwoorden op de vragen 3 en 5.
Wat vindt u ervan dat de stijging van de kosten voor mensen met lage inkomens niet significant lager is dan voor mensen uit andere inkomensgroepen?
Mijn beeld is anders. De in het antwoord op vraag 5 genoemde punten met betrekking op de hoogte van de eigen bijdrage, hebben een groter effect op hogere inkomens. Immers, de eigen bijdrage stijgt naarmate het inkomen en vermogen hoger zijn. In mijn antwoord op vraag 3 heb ik toegelicht dat gemeenten de verantwoordelijkheid hebben om waar nodig en mogelijk, als onderdeel van de individuele benadering, tot financieel maatwerk te komen.
Bent u voornemens bij de voorjaarsnota maatregelen te treffen om de lage inkomens te compenseren?
Naar aanleiding van deze antwoorden zie ik daarvoor geen aanleiding. Bij de koopkrachtberekeningen van het kabinet wordt inzicht gegeven in de koopkrachtontwikkeling van huishoudens van jaar op jaar. Hierbij wordt waar mogelijk rekening gehouden met de (stapeling van) maatregelen van het kabinet. De Kamer ontvangt deze informatie, zoals gebruikelijk, op Prinsjesdag.
Daarnaast, ik heb dat hiervoor toegelicht, hebben gemeenten de verantwoordelijkheid en het instrumentarium, om huishoudens waar nodig ook financieel te ondersteunen op basis van maatwerk. Voorts geldt dat naast het maatwerk vanuit de gemeenten, ook de mogelijkheid blijft bestaan om -onder
nader bepaalde voorwaarden – zorgkosten fiscaal af te trekken op grond van de landelijke fiscale regeling voor de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten.
Hoe beoordeelt u in het licht van bovenstaande constateringen uw uitspraken van 23 april jl. «Het betekent in simpele bewoordingen dat we inzetten op een betere ondersteuning in de thuissituatie waarbij meer rekening gehouden kan worden met persoonlijke omstandigheden»?3
Containers met stenen |
|
Harry van Bommel (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht « Defensie bestolen in Afghanistan: tien containers gevuld met stenen landen op Vliegbasis Volkel»?1
Het bericht is niet geheel juist. Het gaat in totaal om elf containers.
Hoe kan het gebeuren dat tien van uw containers op Vliegbasis Volkel zijn geland met stenen, terwijl er eigenlijk defensiematerialen in hadden moeten zitten die terugkwamen van de missie in Afghanistan?
Een Redeployment is een nationale verantwoordelijkheid. Defensie heeft voor de verplaatsing over weg en zee gebruik gemaakt van de diensten van een civiele vervoerder waarmee Defensie eerder zaken heeft gedaan. De containers zijn volgens de geldende procedures beladen, afgesloten en verzegeld. De KMAR heeft niet kunnen achterhalen op welke wijze de goederen zijn ontvreemd uit de containers.
Wat voor defensiematerialen zijn precies ontvreemd?
Deze containers waren beladen met tenten, onderdelen van tenten, heftrucks en een beperkte hoeveelheid compressors.
Is het waar dat het onderzoek reeds is gesloten? Waarom geeft u zo snel op?
Ja. De verzegeling van de containers was bij aankomst op het defensieonderdeel nog intact. Tevens is er geen braakschade geconstateerd. De KMAR heeft de toedracht van dit voorval onderzocht en daarbij niet kunnen achterhalen op welke wijze de ontvreemding is gebeurd. Inmiddels heeft de KMAR het onderzoek gesloten. Het materieel moet daarom als verloren worden beschouwd.
Is dit een slechte 1 aprilgrap of zijn de verzegelde containers inderdaad leeggehaald en vervolgens gevuld met stenen?
De verzegelde containers zijn inderdaad leeggehaald en vervolgens gevuld met stenen.
De progressieve spierziekte ALS |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u van mening, dat er bij gemeenten voldoende kennis aanwezig is over de progressieve spierziekte Amyotrofische laterale sclerose (ALS)? Zo ja, waarop baseert u dit? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om dit te verbeteren?
Gemeenten hebben op grond van de Wmo 2015 de verantwoordelijkheid mensen, die hier op aangewezen zijn, passende ondersteuning te bieden gericht op (het zoveel mogelijk bevorderen van iemands) zelfredzaamheid en participatie. De Wmo 2015 bevat waarborgen voor passende ondersteuning, zoals het onderzoek en de beschikbaarheid van cliëntondersteuning. Deze verantwoordelijkheid betreft ook ALS-patiënten met een ondersteuningsbehoefte. Bij patiënten met een progressieve ziekte als ALS is het van belang dat per situatie en per fase van de ziekte bekeken wordt welke zorg en ondersteuning, vanuit welk domein, het meest passend is. Gezien het progressieve karakter van de ziekte is een vooruitziende blik naar de volgende fase(s) van de ziekte belangrijk.
De specifieke kennis over ALS is nodig en beschikbaar bij professionals zoals de wijkverpleegkundige. Het is belangrijk dat, zeker ook daar waar het ALS-patiënten betreft, goed wordt samengewerkt tussen wijkverpleegkundigen en aanbieders van maatschappelijke ondersteuning. Samen beoordelen deze partijen in gesprek met de betreffende persoon, op basis van maatwerk, welke zorg en ondersteuning nodig zijn. Dit betreft ook het waar nodig verstrekken van hulpmiddelen. Gemeenten moeten wel over voldoende informatie over de ziekte ALS beschikken om daar in de inkoop en het toegangsproces rekening mee te houden. Ik zie een belangrijke rol voor patiëntenorganisaties om -in overleg met gemeenten- deze kennis te ontsluiten en ondermeer via de kanalen van de VNG te verspreiden naar alle gemeenten. Ik zal toezien dat betrokken partijen hierover met elkaar in gesprek gaan.
Op welke wijze worden ALS-patiënten door gemeenten ondersteund? Draagt deze ondersteuning voldoende bij aan het verbeteren van de kwaliteit van leven van ALS-patiënten? Zo nee, bent u voornemens om met gemeenten in gesprek te gaan om dit te verbeteren?
Zie antwoord vraag 1.
Nemen gemeenten voldoende hun verantwoordelijkheid als het gaat om het aanleveren van hulpmiddelen aan ALS-patiënten? Zo ja, waaruit blijkt dit? Zo nee, hoe kan dit worden verbeterd?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ermee bekend dat de gangbare procedures bij gemeenten voor het aanvragen van hulp en ondersteuning binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor mensen met de zeldzame spierziekte ALS vaak ontoereikend zijn, omdat de termijn waarbinnen een aanvraag behandeld wordt, vaak langer duurt dan de wijze waarop de progressieve spierziekte zich ontwikkelt? Zo ja, wat vindt u hiervan? Zo nee, wilt u dit onderzoeken?
Indien sprake is van een snelle verslechtering van de situatie van een burger, zal het college na de melding een onderzoek moeten doen. Is er sprake van een spoedeisende situatie, dan is het college van Burgemeesters en Wethouders op grond van de Wmo 2015 gehouden na de melding gehouden onverwijld te beslissen tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening.
Deelt u de mening dat gemeenten beter kunnen samenwerken met de ALS-behandelteams in de revalidatie? Zo ja, op welke wijze kan dit worden verbeterd? Zo nee, waarom niet?
Partijen zullen in overleg gaan over de wijze waarop ze gemeenten kunnen informeren over het organiseren van passende ondersteuning voor ALS patiënten. Gemeenten kunnen hierbij ook gewezen worden op het belang van samenwerking met behandelteams.
Waarom is er geen VNG-handreiking die betrekking heeft op ALS? Wilt u deze handreiking in overleg met onder meer Stichting ALS Nederland en het ALS Centrum Nederland ontwikkelen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u zich voorstellen dat ALS emotioneel, maar ook praktisch een belasting kan betekenen voor stellen en gezinnen? Welke ondersteuning bieden gemeenten voor partners en gezinsleden (mantelzorgers) van ALS-patiënten? Zijn de partners en eventuele andere gezinsleden van ALS-patiënten voldoende in beeld bij gemeenten?
Ik kan mij zeer goed voorstellen dat ALS een zeer grote uitwerking heeft op de patiënt en zijn omgeving. Door een passende combinatie van zorg en ondersteuning te leveren, zal de ALS-patient en diens omgeving zoveel als nodig en mogelijk moeten worden ondersteund. Daarbij moeten ook de gezinsleden of mantelzorgers op tijd ondersteuning krijgen, zodat de zij hun zorgtaken kunnen volhouden. De gemeente moet bij het onderzoek naar een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van een inwoner de mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften van diens mantelzorger meenemen. Belangrijk daarbij is dat de gemeente oog heeft voor de draagkracht en draaglast van de mantelzorger, vooral bij een ziekte als ALS waarbij veel wordt gevraagd van de omgeving, zodat overbelasting zoveel mogelijk wordt voorkomen. Dat kan bijvoorbeeld door de zorg tijdelijk over te laten nemen door professionele krachten of vrijwilligers (respijtzorg). Daarnaast maakt vanaf 1 januari jl. persoonlijke verzorging en verpleging onderdeel uit van het basispakket zorgverzekering waarop men als verzekerde een beroep op kan doen. Ook bestaat er via Spierziekten Nederland de mogelijkheid om met lotgenoten in gesprek te gaan door middel van lotgenotencontact.
Zijn de huidige wettelijke verlofregelingen voldoende voor mantelzorgers die hun werk combineren met het zorgen voor hun geliefde, wanneer zij zorgen voor iemand met de progressieve spierziekte ALS, aangezien het aantal uren mantelzorg steeds verder toeneemt?
In december 2014 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden. Daarin wordt geregeld dat het kort- en langdurend zorgverlof per 1 juli aanstaande ook kan worden opgenomen voor de zorg voor huisgenoten, tweedegraads familieleden en anderen in de sociale omgeving (nu alleen voor ouder, kind en partner). Langdurend zorgverlof kan per 1 juli ook worden opgenomen voor de zorg voor een hulpbehoevende (nu alleen in geval van terminale ziekte). Dit zal bevorderen dat mantelzorgers van naasten met ALS hun betaalde baan kunnen blijven combineren met de mantelzorg.
Kunt u uitleggen waarom behandeling door een medisch pedicure voor diabetes- en reumapatiënten wel vergoed wordt, maar voor ALS-patiënten niet? Bent u bereid de vergoeding hiervoor in het basispakket op te nemen?
Diabetes mellitus is een chronische aandoening met een verhoogde kans op complicaties, waaronder diabetische voetulcera. Deze complicaties kunnen soms amputatie tot gevolg hebben. Bij het ontstaan van ulcera speelt vaak een combinatie van risicofactoren een rol, zoals systemische factoren, neuropathie, perifeer vaatlijden, standsafwijkingen van de voet, limited joint mobility en inadequaat schoeisel. Bepaalde zorggerelateerde preventieve voetzorg voor mensen met diabetes valt daarom onder de te verzekeren zorg van de Zorgverzekeringswet. Deze zorgonderdelen betreffen geneeskundige zorg zoals huisartsen en medisch-specialisten die plegen te bieden bij diabetespatiënten en zorg die voldoet aan het criterium stand van de wetenschap en praktijk. Het Zorginstituut Nederland geeft ook aan dat verwijdering van eelt om cosmetische of verzorgende redenen en het adequaat knippen van teennagels te beschouwen zijn als persoonlijke verzorging. Deze handelingen betreffen geen geneeskundige zorg en behoren – ook bij diabetespatiënten – niet tot de te verzekeren zorg van de Zorgverzekeringswet. Voetzorg voor reumapatiënten maakt geen deel uit van het verzekerde pakket, al zijn er wel verzekeraars die dit in hun aanvullende polis hebben opgenomen.
Wilt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg over de voortgang van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet Langdurige zorg (Wlz) voorzien op 30 april aanstaande?
Ja.