Verdringing van vast personeel door vrijwilligers |
|
Grace Tanamal (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Personeel zwembad Dukenburg raakt baan kwijt»?1
Ja.
Herinnert u zich de eerdere vragen over het tegengaan van verdringing van betaalde arbeid?2
Ja.
Welke regels zijn er van kracht om verdringing van betaald door onbetaald werk te voorkomen? In hoeverre wordt aan deze regels voldaan bij het inwisselen van betaalde krachten door vrijwilligers, waarvan hier sprake lijkt?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik graag naar mijn brief aan uw Kamer van 19 juni jongstleden, waarin de kaders zijn geschetst om verdringing van betaald door onbetaald werk te voorkomen. Zo is in de Participatiewet bij een aantal instrumenten (participatieplaatsen, tegenprestatie) opgenomen dat deze activiteiten moeten worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en dat die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Ook heeft de Programmaraad in de Werkwijzer tegenprestatie een aantal spelregels opgenomen om het risico van verdringing tegen te gaan. In de Verzamelbrief 2015-2, van november 2015 heb ik gemeenten opgeroepen expliciet in hun re-integratieverordening op te nemen op welke wijze zij hun beleid vormgeven met betrekking tot het tegengaan van verdringing.
Het is in het algemeen belangrijk dat gemeenten aandacht hebben voor verdringing bij de inzet van instrumenten voor bijstandgerechtigden. In het geval van het zwembad Dukenburg, zoals beschreven in de Gelderlander van o.a. 25 januari 2016, heeft het gemeentebestuur besloten om het naar eigen zeggen verliesgevende zwembad Dukenburg op een andere wijze te laten exploiteren. Het is niet aan mij om me te mengen in de lokale discussie over de wijze van exploitatie van het zwembad. Ik ga er vanuit dat de gemeente zorgvuldig tot haar besluit is gekomen. Evenmin is het aan mij om te oordelen of de mogelijke inzet van vrijwilligers in het zwembad Dukenburg leidt tot verdringing van betaalde arbeid. Het risico op verdringing kan nl. alleen per geval en op lokaal niveau worden beoordeeld. De gemeenteraad heeft hierin een belangrijke taak.
Op welke wijze heeft u uitvoering gegeven aan de motie Kerstens/Voortman over het tegengaan van verdringing van betaalde arbeid en de rol van gemeenten daarbij?3 Tot welke resultaten heeft dit geleid?
De uitwerking van de motie van de leden Kerstens en Voortman over het voorkomen van verdringing van reguliere arbeid in het kader van re-integratie, sociaal aanbesteden en tegenprestatie, vindt uitvoering met verschillende acties (zie ook mijn brief van 19 juni jongstleden). Zo heb ik de oproep gedaan aan gemeenten in de Verzamelbrief 2015-2, om transparant te zijn in de wijze waarop de gemeenten aandacht schenken aan het tegengaan van verdringing van betaalde arbeid. Verder heb ik samen met de VNG aan dit thema aandacht besteed tijdens de wethoudersbijeenkomst van17 februari. Daarnaast wordt bezien of er mogelijkheden zijn voor extra ondersteuning aan gemeenten door Divosa en de kennis op dit terrein bij de uitvoerders te versterken.
Bent u bereid verder op te treden tegen het vervangen van betaalde werknemers door vrijwilligers? Zo ja, op welke wijze? Zo niet, waarom niet? Bent u bereid om dwingender regels op te leggen om verdringing van betaalde arbeid te voorkomen? Ziet u hierbij bijvoorbeeld een rol weggelegd voor «werkkamers» op arbeidsmarktregioniveau waardoor vakbonden en werkgevers betrokken worden?
Ik blijf bereid om gemeenten er op te wijzen dat zij aandacht besteden aan verdringing wanneer zij re-integratie instrumenten inzetten. Zoals eerder gesteld in antwoord op vraag 3 zijn al maatregelen genomen. De Participatiewet kent wettelijke kaders om verdringing te voorkomen en de Programmaraad heeft spelregels opgesteld. Het risico op verdringing kan alleen op basis van de feitelijke situatie worden beoordeeld. De gemeenteraad heeft in deze een controlerende taak. Daardoor vind ik het nu niet nodig om dwingender regels op te leggen. Wel blijf ik gemeenten erop aanspreken om expliciet aandacht te schenken aan het aspect van mogelijke verdringing door de inzet van instrumenten om bijstandgerechtigden te ondersteunen richting werk.
Ik kan mij voorstellen dat op lokaal of regionaal niveau sociale partners betrokken worden om te borgen dat oneigenlijke verdringing wordt tegengegaan, bijvoorbeeld door lokale of regionale afspraken met de sociale partners. Maar ook andere vormen van betrokkenheid van sociale partners en andere partijen zijn mogelijk, zoals ik eerder ook aan de Kamer heb laten weten in mijn brief van 19 juni 2015 inzake de rapportage van de Inspectie SZW «Gemeentelijke aandacht voor verdringing door bijstandgerechtigden». Het is aan de locale/regionale organisaties om hierin keuzes te maken.
Het bericht ‘Gerard van Olphen nieuwe baas APG’ |
|
Machiel de Graaf (PVV) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gerard van Olphen nieuwe baas APG»?1
Ja.
Deelt u de mening dat, al helemaal in tijden waarin gepensioneerden keihard worden gepakt, het volstrekt ongepast is dat er 566.000 euro jaarsalaris wordt betaald aan een directeur bij de pensioenbelegger van het ABP?
Allereerst distangeer ik mij van de suggestie dat gepensioneerden «keihard worden gepakt». Los daarvan heb ik eerder aangegeven dat het goed zou zijn als APG zou kijken naar een neerwaartse bijstelling van het salaris van de nieuwe bestuursvoorzitter. APG heeft inmiddels bekend gemaakt dat het salarisniveau ten opzichte van de voorganger is gedaald met circa 10%. De nieuwe bestuursvoorzitter ontvangt geen variabele beloning of bonus.2
Tegelijkertijd ben ik mij er van bewust dat het kabinet niet gaat over de hoogte van de beloningen van bestuurders van marktpartijen. De hoogte van het salaris van de bestuursvoorzitter van APG is een zaak van APG en haar aandeelhouders.
Wat is er afgesproken over een eventuele ontslagvergoeding, gezien de riante vertrekbonussen uit het verleden bij APG?2
Of er iets is afgesproken over een eventuele ontslagvergoeding is mij niet bekend.
Bent u bereid in gesprek te gaan met betrokkenen en daarmee uw invloed aan te wenden om deze belachelijke salarisafspraak ongedaan te maken? Zo neen, waarom niet?
Het kabinet heeft geen zeggenschap over de salarisafspraken van APG. De bestuursvoorzitter van APG valt niet onder de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector.
Schoonmakers in de hotelbranche die zwaar onderbetaald worden door middel van stukloon |
|
Pieter Heerma (CDA), Roos Vermeij (PvdA), Steven van Weyenberg (D66) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Rambam waarin medewerkers uit de hotelbranche zwaar onderbetaald krijgen door middel van stukloon? (VARA 27 januari 2016)
Ja.
Herkent u zich in het beeld dat geschetst wordt door Rambam? Zo ja, deelt u de mening dat dat het onacceptabel is dat werknemers niet betaald worden volgens cao-afspraken? Zo nee, waarom niet?
Uiteraard vind ik het belangrijk dat schoonmaakmedewerkers in hotels een fatsoenlijk en eerlijk loon krijgen. In het verleden is wel gebleken dat de schoonmaaksector kwetsbaar is voor misstanden. De schoonmaak in hotels heeft daarom ook de speciale aandacht van de Inspectie SZW.
De Inspectie SZW houdt onder meer toezicht op de naleving van het wettelijk verplichte minimumloon. Daarnaast hebben sociale partners een belangrijke rol in het voorkomen van onderbetaling van schoonmakers; het toezicht op de naleving van de cao is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de sociale partners. Wanneer sociale partners vermoeden dat de cao niet wordt nageleefd, kunnen zij op grond van artikel 10 van de wet AVV bij de Inspectie SZW een verzoek indienen om hier onderzoek naar te doen.
Zijn er in 2015 door de inspectie SZW controles uitgevoerd naar misstanden in de hotelbranche? Zo ja, om hoeveel controles gaat het en hoeveel misstanden zijn er geconstateerd? Zo nee, waarom niet?
In 2015 heeft de Inspectie SZW controles uitgevoerd naar schoonmaak in de hotelbranche. De voorlopige cijfers zijn als volgt. Er zijn 94 zaken gestart die betrekking hadden op hotels en hotel restaurants. Hiervan zijn er 18 nog in onderzoek. Van de 76 afgesloten zaken is in 16 gevallen een overtreding geconstateerd.
Onderhoudt de rijksoverheid zakelijke relaties met hotelketens waar misstanden door de inspectie SZW zijn geconstateerd? Zo ja, bent u bereid om deze relaties in het kader van bijvoorbeeld slecht werkgeverschap te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
In de praktijk kan het voorkomen dat de rijksoverheid gebruik maakt van hotels waar eerder door Inspectie SZW misstanden zijn geconstateerd. Wanneer de Inspectie overtredingen constateert bij hotels wordt een boete of maatregel opgelegd, maar heeft dit niet tot gevolg dat eventuele zakelijke relaties van de rijksoverheid met het betreffende bedrijf worden beëindigd. De achtergrond hiervan is dat met het beboeten van hotels door de Inspectie reeds strafmaatregelen worden genomen.
De rijksoverheid heeft geen rechtstreekse zakelijke relaties met specifieke hotelketens, maar met een intermediair. Wanneer de rijksoverheid gebruik maakt van hotels, worden de reserveringen meestal gedaan via de intermediair. Op de overeenkomst van de rijksoverheid met de intermediair zijn de generieke sociale voorwaarden van toepassing. De intermediair geeft hiermee aan de algemene mensenrechten en fundamentele arbeidsnormen van de International Labour Organisation (ILO) te respecteren.
Voor toekomstige contracten voor inkoop en reservering van hotels zal ik bezien of het mogelijk is om extra verplichtingen op te nemen ten aanzien van de naleving van sociale- en arbeidswetten.
Bent u, naar aanleiding van de uitzending van Rambam, bereid om extra controles naar misstanden in de hotelbranche te laten uitvoeren? Zo ja, wanneer denkt u deze controles uit te kunnen laten voeren door de inspectie SZW? Zo nee, waarom niet?
De schoonmaak in hotels heeft al sinds een aantal jaar extra aandacht van de Inspectie SZW. De Inspectie SZW werkt risicogericht. In haar meerjarenplan heeft zij verschillende risico’s geïdentificeerd die zich kunnen manifesteren binnen de schoonmaaksector, zoals hoge werkdruk, fysiek zwaar werk en illegale tewerkstelling. Daarom heeft zij een inspectieprogramma Schoonmaak ingericht. In 2014 en 2015 heeft de Inspectie SZW haar focus binnen dit programma onder meer gelegd op de schoonmaak van hotels. Er is een interventieteam Schoonmaak opgericht, waarin onder meer samen wordt gewerkt met de Belastingdienst, UWV en gemeenten. Vorig jaar kreeg een grote hotelketen al ruim drie ton boete vanwege misstanden rond het betalen van haar schoonmakers. Ook in 2016 heeft specifiek de schoonmaak van hotels de aanhoudende aandacht van de Inspectie.
Het onderbrengen van private initiatieven bij bestaande BRIN-nummers |
|
Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u er van op de hoogte dat het ROC Amsterdam met een privaat initiatief (Urban Act College) gesprekken voert om dit initiatief onder het BRIN-nummer van het ROC te laten vallen, zodat het initiatief op die manier via het BRIN-nummer van ROC Amsterdam in aanmerking komt voor bekostiging, met afroming van 40% van de bekostiging per student door ROC Amsterdam in verband met overhead? Steunt u deze gang van zaken?1
Ik weet dat ROC van Amsterdam gesprekken voert met Urban Act over het geven van onderwijs aan jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt. ROC van Amsterdam en Urban Act zijn in gesprek om te verkennen of en onder welke voorwaarden het tot een samenwerking kan komen binnen de bestaande wet- en regelgeving. Ook medewerkers van mijn ministerie worden daarbij geconsulteerd. Er is nog geen sprake van een definitieve afspraak over de wijze van samenwerken. Navraag bij ROC van Amsterdam door mijn medewerkers leert overigens dat het ROC zich niet herkent in een vorm van samenwerking waarbij 40% van de bekostiging wordt afgeroomd in verband met overhead.
Welke voorwaarden zijn er verbonden aan het onderbrengen van nieuwe private initiatieven bij een onderwijsinstelling die over een BRIN-nummer beschikt? Welke voorwaarden zijn er specifiek in het mbo? Wordt hier onderscheid gemaakt tussen bekostigde instellingen en niet-bekostigde instellingen? Past de werkwijze van ROC Amsterdam binnen die voorwaarden?
Belangrijkste voorwaarde voor het onderbrengen van private activiteiten bij een onderwijsinstelling is dat de bekostiging rechtmatig en doelmatig wordt besteed. Investering in private activiteiten is dan ook alleen toegestaan indien dat aan het bekostigde onderwijs ten goede komt. Ik verwijs hiervoor naar de notitie Helderheid in de bekostiging bve 20042 en de Handreiking publiek/private samenwerking3.
Daarnaast kunnen aan instellingen contractactiviteiten worden verricht, bestaande uit werkzaamheden voor eigen rekening ten behoeve van derden. De rijksbijdrage mag daar dus niet aan worden besteed. Bovendien moet het gaan om werkzaamheden die verband houden met de werkzaamheden waarvoor de bekostiging wordt ontvangen en voor zover de uitvoering van die werkzaamheden daardoor niet wordt geschaad.
Deze voorwaarden gelden niet voor niet-bekostigde instellingen.
Omdat er nog geen sprake is van een samenwerkingsconstructie tussen ROC van Amsterdam en Urban Act kan ik niet beoordelen in hoeverre aan de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan.
Deelt u de mening dat het op zijn minst vreemd is dat bekostigde instellingen via de «verhuur» van hun BRIN-nummer een verdienmodel creëren door een percentage van de bekostiging af te romen voor «overhead»?
Het via de «verhuur» van hun BRIN-nummer een verdienmodel creëren door een percentage van de bekostiging af te romen voor «overhead» lijkt mij inderdaad niet te passen binnen de wettelijke kaders.
Deelt u de mening dat, als het voor innovatieve private initiatieven gemakkelijker zou zijn om zelf een BRIN-nummer aan te vragen, en op basis daarvan in de toekomst ook in aanmerking te komen voor vraagfinanciering (bekostiging van de deelnemers in plaats van de onderwijsinstelling), deze route via een bekostigd ROC niet nodig zou zijn?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, biedt de huidige wet volop ruimte voor nieuwe private initiatieven, mits gewaarborgd is dat de onderwijsinstelling de eindverantwoordelijkheid voor het onderwijs kan waarmaken. In de praktijk zien wij volop ruimte voor dit soort samenwerkingsverbanden, zoals de centra voor innovatief vakmanschap.
In het mbo zijn geen experimenten met vraagfinanciering voorzien, zoals uit vraag 4 mogelijkerwijs afgeleid zou kunnen worden.
Tot slot merk ik in reactie op uw vraag op dat BRIN-nummers registratienummers zijn, die DUO hanteert in het verkeer met instellingen en scholen. Instellingen krijgen een dergelijk nummer als zij voor bekostiging in aanmerking worden gebracht of, ingeval van niet-bekostigde instellingen, bijvoorbeeld als zij diploma-erkenning krijgen. Iedere private onderwijsinstelling kan een diploma-erkenning verkrijgen, mits de instelling aantoont te voldoen aan de gestelde eisen en kwaliteitswaarborging zoals vastgelegd in de WEB. Hiertoe dient de organisatie een aanvraag in bij DUO.
Bent u er daarnaast van op de hoogte dat de pilot voor vraagfinanciering bij de bedrijfsschool van De Vries Makkum waarschijnlijk niet van de grond gaat komen, omdat men ook hier tegen het feit aanloopt dat het verkrijgen van een BRIN-nummer bijzonder ingewikkeld is, terwijl het bedrijf wel erkend is als leerwerkbedrijf en zelfs is uitgeroepen tot leerwerkbedrijf van het jaar? Wat is hierover uw mening?
Op de toezegging voor de verkenning van een pilot voor de bedrijfsschool van De Vries Makkum zoals gedaan in het AO van 11 november over een responsief mbo zal ik uw Kamer nog informeren. Dat doe ik in ieder geval in de gevraagde brief met de nadere uitvoering van de motie over een verkenning naar op welke wijze ook in het mbo geëxperimenteerd kan worden met vraagfinanciering (Kamerstuk 2015–2016, 30 012, nr. 56).
Deelt u de mening dat het verkrijgen van een BRIN-nummer voor nieuwe initiatieven in het mbo bijzonder ingewikkeld is? Kunt u dit toelichten?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, is een BRIN-nummer slechts een registratienummer. Dit nummer wordt ten behoeve van de registratiesystemen toegekend aan een niet-bekostigde instelling na het verkrijgen van de diploma-erkenning voor een of meerdere beroepsopleidingen. In de gevraagde brief met de nadere uitwerking van de motie over vereenvoudiging van de aanvraag van een BRIN-nummer zal ik vooral kijken of de procedure voor het aanvragen van diploma-erkenning beroepsonderwijs voor niet-bekostigde instellingen vereenvoudigd kan worden (Kamerstuk 2015–2016, 30 012, nr. 67).
Deelt u de mening dat nieuwe innovatieve aanbieders in het mbo bij kunnen dragen aan meer maatwerk in het mbo en bent u dus bereid te onderzoeken op welke wijze de huidige procedure van het verkrijgen van een BRIN-nummer dergelijke initiatieven bemoeilijkt en hoe de onnodige drempels weggenomen kunnen worden?
Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 6.
Welke lessen trekt u voor het mbo uit de brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die voorstellen doet om het starten van scholen in het funderend onderwijs te vergemakkelijk om innovatie te bevorderen?2
Bij de totstandkoming van de WEB is gekozen voor een gesloten stelsel van bekostigde instellingen en kunnen nieuwe instellingen alleen bij wet voor bekostiging in aanmerking worden gebracht. Binnen de kaders van de WEB hebben bekostigde instellingen overigens wel volop ruimte voor vernieuwing. Dit laat de praktijk ook zien. Het stelsel in het funderend onderwijs is niet vergelijkbaar met het stelsel van het mbo: de genoemde brief met voorstellen leidt daarmee ook niet tot voorstellen die gekopieerd kunnen worden voor het mbo.
Het bericht dat gemeenten mensen met problematische schulden niet helpen |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van De Monitor over mensen in schulden die niet geholpen worden door gemeenten?1
De Wgs (Wet gemeentelijke schuldhulpverlening) staat het categoriaal uitsluiten van groepen mensen niet toe. Via onder meer de Verzamelbrief gemeenten vraag ik hier regelmatig aandacht voor en heb ik verhelderd wat de wet voorschrijft als het gaat om toegang tot de Wgs.
De verantwoordelijkheid voor het beleid op het terrein van armoede en schuldhulpverlening is primair belegd bij gemeenten. Aangezien schuldenproblematiek tot hoge kosten kan leiden op andere terreinen binnen het sociale domein, zoals maatschappelijke opvang of jeugdzorg, hebben zij belang bij een breed toegankelijke schuldhulpverlening. Ik ondersteun gemeenten daarbij door via de website www.effectieveschuldhulp.nl en via de Verzamelbrief gemeenten handvatten aan te reiken. Het onderzoek Huishoudens in de rode cijfers 20153, dat in opdracht van mij is uitgevoerd en onder meer aanbevelingen voor laagdrempelige gemeentelijke schuldhulpverlening bevat, is hier een voorbeeld van.
Daarnaast gaat de evaluatie van de Wgs die momenteel gaande is, in op de toegankelijkheid van de schuldhulpverlening. Op basis van de uitkomsten zal ik samen met betrokken partijen bezien of en, zo ja, welke maatregelen nodig zijn om knelpunten op het gebied van toegang op te lossen.
Welke maatregelen gaat u nemen tegen gemeenten die strengere eisen stellen aan mensen die schuldhulp aanvragen dan in de wet is opgenomen? Wat heeft u gedaan sinds uw antwoord op eerdere vragen, waarin u stelt dat het niet past dat mensen niet (langer) geholpen worden, simpelweg omdat zij niet aan de voorwaarden van het aanwezige ondersteuningsproduct kunnen voldoen?2
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoeveel mensen per jaar om hulp bij schulden bij de gemeenten vragen? Hoeveel mensen vragen hierbij vergeefs om hulp en worden niet geholpen? Hoeveel mensen moeten lang wachten op hulp? Als u dit niet kunt, bent u dan bereid dit in kaart te brengen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat wachtlijsten een negatief effect hebben op de situatie voor mensen met schulden en dat daarmee hun schuldproblemen worden vergroot? Zo ja, binnen welke termijn vindt u dat hulp inhoudelijk en effectief moet zijn gestart en welke maatregelen gaat u nemen om snelle en adequate schuldhulp voor iedereen mogelijk te maken?
Lange wacht- en doorlooptijden hebben een negatief effect op de motivatie van zowel mensen met schulden als schuldeisers. Daarom kent de Wgs ook een maximumwachttijd van 4 weken van hulpvraag tot eerste gesprek en een verplichting om de hulpvrager inzicht te bieden in de doorlooptijden. De termijn tot het daadwerkelijk starten van hulp is afhankelijk van de individuele situatie en het type hulp waar iemand voor in aanmerking komt. Omdat het maatwerk betreft is een algemene uitspraak hierover niet goed mogelijk.
Wat is uw reactie op het bericht dat slecht functionerende bewindvoerders de oorzaak zijn van een toename van de schulden? Welke maatregelen gaat u nemen om mensen te beschermen tegen slecht functionerende bewindvoerders?
Het slecht functioneren van sommige bewindvoerders was een belangrijke aanleiding voor de door de toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie ingediende Wet wijziging curatele, bewind en mentorschap (Stb. 2013, 414). Daarom bevat de wet de verplichting voor beschermingsbewindvoerders die drie of meer personen onder hun hoede hebben, om aan kwaliteitseisen te voldoen. De kwaliteitseisen uit deze wet en het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren (Stb. 2014, 46) zijn in werking getreden op 1 april 2014. Voor bestaande bewindvoerders geldt een overgangstermijn van twee jaar om aan de eisen te voldoen (tot 1 april 2016). Professionele kandidaat-bewindvoerders komen alleen voor benoeming in aanmerking wanneer zij voldoen aan de kwaliteitseisen. Eenmaal benoemd dienen bewindvoerders jaarlijks aan te tonen dat zij aan de eisen voldoen, onder meer door een verslag van een accountant te overleggen.
De controle op het voldoen aan de kwaliteitseisen is inmiddels door de rechtspraak gecentraliseerd. Met ingang van 1 januari 2016 vindt de jaarlijkse kwaliteitscontrole plaats door het Landelijk Kwaliteitsbureau Curatoren, Bewindvoerders en Mentoren, dat is ondergebracht bij de Rechtbank Oost-Brabant. De centralisatie zorgt ervoor dat de toetsing eenduidiger en efficiënter kan plaatsvinden. Kantonrechters blijven verantwoordelijk voor de benoeming van bewindvoerders in individuele zaken en blijven toezicht houden in die zaken. Alle rechtbanken en kantonrechters worden door het Landelijk Kwaliteitsbureau op de hoogte gesteld wanneer een kandidaat-bewindvoerder niet voldoet aan de kwaliteitseisen. Als uit de jaarlijkse controle blijkt dat een bewindvoerder niet langer aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet, dan worden alle rechtbanken en kantonrechters daarvan eveneens op de hoogte gesteld. Afhankelijk van de tekortkoming in de gestelde eisen kan aan de bewindvoerder een hersteltermijn worden gesteld. Het niet (langer) voldoen aan de kwaliteiteisen is een grond voor ontslag (vgl. artikel 1:448, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek).
Tijdens een rondetafelgesprek over bewindvoering en schuldhulpverlening op 3 december 2015 in de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie is geopperd om een openbare lijst van «goedgekeurde» bewindvoerders bij te houden. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft hierop bij brief van 19 februari 20164 aan de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie geantwoord dat het aan de praktijk is om dergelijke ideeën nader te onderzoeken. De Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap wordt drie jaar na inwerkingtreding geëvalueerd. Daarbij zal nadrukkelijk aandacht worden geschonken aan de handhaving van de kwaliteitseisen. De werklast bij de kantonrechters zal ook bij deze evaluatie aan bod komen.
Wat is uw reactie op het bericht dat de werklast bij het kantongerecht te hoog is om tijdig in te grijpen wanneer er sprake is van slecht functionerende bewindvoerders? Welke maatregelen gaat u nemen om deze situatie op te lossen?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de gemiddelde € 57.000 schuld van de armste 10 procent ten opzichte van de gemiddeld € 950.000 vermogen van de rijkste 10 procent een grote en ontoelaatbare ongelijkheid weerspiegeld?3 Zo ja, op welke wijze gaat u deze ongelijkheid verkleinen? Zo nee, hoe kwalificeert u deze situatie?
Wanneer gekeken wordt naar de verdeling van vermogen wordt het onderste deel van de vermogensverdeling bevolkt door huishoudens met een hoog inkomen (voornamelijk tweeverdieners) en een hoge hypotheekschuld. Over het algemeen hebben zij nog het nodige spaargeld op de bank. De daling van de huizenprijs heeft voor deze mensen een relatief grote impact gehad, waardoor de ongelijkheid de afgelopen jaren is toegenomen. In 2014 is de ongelijkheid voor het eerst weer gestabiliseerd. Nu de huizenprijzen weer stijgen, kan deze groep wellicht een betere plek in de vermogensverdeling innemen.
Een andere groep die tot de onderkant van de vermogensverdeling behoort, is een groep die vanwege het lage inkomen nauwelijks vermogen opbouwt, en dus een verhoogd risico loopt op problematische schulden. Deze groep kan indien nodig gebruik maken van het vangnet van onze verzorgingsstaat (een beperkte financiële buffer is uiteraard wel wenselijk).
Aan de bovenkant van de vermogensverdeling gaat het veelal om oudere huizenbezitters die hun eigenwoningschuld geheel of grotendeels hebben afgelost. Voor 99% van de huishoudens met vermogen zit dit vermogen voornamelijk in onroerend goed.
Essentieel bij het beoordelen van vermogensongelijkheid is niet of iedereen evenveel heeft, maar of dit een hindernis vormt voor sociale mobiliteit en sociale ontwikkeling.
Het kabinet zet zich er voor in om de kansen voor iedereen in Nederland zo gelijk mogelijk te verdelen. Nederland doet het internationaal gezien op dit punt heel goed met zijn uitgebreide verzorgingsstaat met toegankelijke zorg, onderwijs en betaalbare woningen.
Deelt u de mening dat de enorme maatschappelijke kosten die per jaar gemoeid zijn met problematische schulden een veel grotere investering voor het voorkomen van armoede en schulden noodzakelijk maakt? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
Bestrijding van armoede en schulden blijft onverminderd een prioriteit. Het kabinet trekt hier jaarlijks 100 miljoen euro extra voor uit. Daarmee worden niet alleen gemeenten, maar via een subsidieregeling ook projecten van maatschappelijke organisaties zoals Stichting Vluchtelingenwerk, de Stichting Urgente Noden en de Vereniging Schuldhulpmaatje ondersteund.
Het kabinet geeft daarnaast onverkort uitvoering aan de agenda maatregelen schuldenbeleid. De afgelopen periode zijn daarin belangrijke stappen gezet, waarvan de resultaten inmiddels zichtbaar worden. Zo zijn met ingang van 1 januari 2016 alle gerechtsdeurwaarders op grond van een KBvG-verordening verplicht aangesloten op het beslagregister. In het beslagregister worden derdenbeslagen (beslagen op loon, uitkering en toeslagen) geregistreerd. Hiermee wordt beter inzicht verkregen in de afloscapaciteit van de schuldenaar zodat beter afgewogen kan worden of het nemen van incassomaatregelen (met de bijbehorende kosten) zal leiden tot voldoening van de vordering. Het is de bedoeling om ook overheidsschuldeisers – die hun vorderingen niet via een gerechtsdeurwaarder innen – te laten aansluiten op het beslagregister. Inzicht in incassomaatregelen van de overige schuldeisers is van groot belang bij het correct vaststellen van de beslagvrije voet. Om een structurele verbetering te bereiken is daarnaast vereenvoudiging van de regels rond de beslagvrije voet noodzakelijk. Eind 2015 heeft uw Kamer hierover een hoofdlijnennotitie ontvangen6. De benodigde wetgeving zal naar verwachting in 2016 aan uw Kamer kunnen worden aangeboden. Ook ten aanzien van het breed wettelijk moratorium is wetgeving in voorbereiding, waarvan de internetconsultatie met voorrang wordt voorbereid. Tot slot is de hierboven reeds genoemde evaluatie van de Wgs in juni 2015 van start gegaan. Het resultaat van de evaluatie, voorzien van een kabinetsreactie, zal uw Kamer voor 1 juli 2016 ontvangen.
Wat gaat u concreet doen om armoede en schulden uit te bannen?
Zie antwoord vraag 8.
Het sluiten van overwegen door ProRail |
|
Eppo Bruins (CU), Martijn van Helvert (CDA), Duco Hoogland (PvdA), Eric Smaling (SP) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over de overweg Laantje van Alverna?1
Ja.
Deelt u de mening dat ProRail en de in de Stuurgroep vertegenwoordigde organisaties tot een vergelijk moeten komen over de weging van het recreatieve belang van (particuliere) overwegen, waarbij integraal en gebiedsgericht wordt gekeken? Zo ja, bent u bereid daar bij ProRail op aan te dringen?
Mijn aanpak van Niet Actief Beveiligde Overwegen (NABO’s) in het Programma NABO is er juist op gericht om gebiedsgericht en integraal naar overwegveiligheid te kijken. Bij het voornemen tot het wijzigen van een NABO wordt volgens de procedure advies gevraagd aan de Stuurgroep Infrastructurele Barrièrewerking2. De weging van de verschillende belangen (inclusief het recreatieve belang) wordt door de spoorweg- en wegbeheerder gedaan in het licht van de lokale situatie. Daar waar onduidelijkheid over de definities bestaat, ga ik met ProRail en de overige leden van de Stuurgroep om tafel om te komen tot een vergelijk. Zie ook mijn antwoord op vraag 7.
Wat is de huidige status van de door de Stuurgroep in opdracht van ProRail opgestelde QuickScan over 100 niet actief beveiligde overwegen? Deelt u de mening dat deze QuickScan niet eenzijdig door ProRail aan de kant mag worden geschoven?
Van ProRail heb ik vernomen dat de genoemde Quickscan een consulterend karakter had en dat er geen concreet voornemen van ProRail was om de genoemde overwegen op te heffen. Ik hecht eraan dat ProRail de adviezen van de Stuurgroep serieus meeweegt in de besluitvorming en dus niet eenzijdig aan de kant schuift. Bij alle voornemens van ProRail om in samenwerking met de wegbeheerder een overweg op te heffen, wordt volgens de procedure advies ingewonnen bij de Stuurgroep Infrastructurele Barrièrewerking, waarbij gebruik wordt gemaakt van de inzichten die uit de Quickscan naar voren komen. Net als ProRail vind ik het belangrijk dat dit zorgvuldig gebeurt.
Deelt u de mening dat het openbaar dan wel particulier zijn van een overweg vaak geen goed criterium is om te bepalen of een overweg moet worden gesloten of niet? Bent u bereid er bij ProRail op aan te dringen dat het vanuit een bredere blik beziet of het gewenst is dat een overweg open blijft of gesloten moet worden, waarbij het recreatieve belang nadrukkelijk meeweegt?
Ja. Of een overweg openbaar of particulier is, is niet relevant voor de overweging of en op welke wijze een overweg aangepakt moet worden, maar uitsluitend voor de daarbij te volgen procedure. Als ProRail vanuit veiligheidsoptiek het voornemen heeft een overweg te saneren, dan volgt er een brede belangenafweging, waarin ook de financiële consequenties en de recreatieve belangen met betrokkenheid van de Stuurgroep Infrastructurele Barrièrewerking worden meegenomen.
In hoeverre wordt bij het nieuwe proces – in het kader van de nieuwe Omgevingswet – om te komen tot afspraken tussen ProRail en andere belanghebbenden rekening gehouden met het recreatieve belang van wandel- en fietsroutes?
Daar wordt rekening mee gehouden. In het kader van de nieuwe Omgevingswet wordt op dit moment gewerkt aan afspraken tussen ProRail, betrokken overheden en andere belanghebbenden (waaronder de recreatieve belangenverenigingen) over belang, behoud en onderhoud van goede recreatieve routestructuren, waaronder wandel- en fietsroutes. Het streven is dit jaar tot landsdekkende afspraken te komen.
Wat bedoelt u met de zin: «In het algemeen geldt voor de weggebruiker dat hij – indien hij geen rechthebbende is – een particuliere overweg niet mag passeren» (antwoord 4, 7 en 8 op de genoemde eerdere vragen)? Betekent dit dat (recreatieve) wandelaars en fietsers geen recht (meer) hebben om particuliere overwegen te passeren?
Particuliere overwegen mogen in principe alleen betreden worden door de rechthebbende(n). Dat een overweg particulier is, kan bijvoorbeeld kenbaar worden gemaakt met een bordje met de tekst «eigen weg». Uitzonderingen zijn gevallen waar de particuliere weg openbaar is geworden conform de Wegenwet en gevallen waar met de rechthebbende(n) afspraken zijn gemaakt over het betreden van de overweg.
Op welke wijze geeft ProRail invulling aan de afspraak dat de voorgenomen sluitingen van niet actief beveiligde overwegen worden voorgelegd aan de Landelijke Stuurgroep Infrastructurele Barrièrevorming? (2) Hoe beoordeelt u in dit kader de recente sluitingen van de volgende twee overwegen: de overweg op Landgoed Middachten (de Steeg, Rheden, Gelderland) (waar een overweg in een landgoed was opengesteld in het kader van de Natuurschoonwet) en de niet actief bewaakte overweg in Diepenveen (Salland, Overijssel)?
ProRail handelt conform de met de Stuurgroep Infrastructurele Barrièrewerking afgesproken procedure. Wanneer ProRail vanuit veiligheidsbelang een voornemen heeft tot het saneren van een overweg (zowel openbaar als particulier), zal zij dit voorleggen aan de Stuurgroep.
De in de vraag genoemde overwegen zijn niet gesaneerd. In het kader van het project Uniformering Particuliere Overwegen (UPO) zijn bij deze overwegen bordjes en hekwerken geplaatst, zodat duidelijkheid blijft bestaan over de status van deze overwegen. Over UPO is de Stuurgroep in 2013 geïnformeerd. Er wordt dus conform afspraken gehandeld door ProRail.
Niettemin constateer ik dat er tussen ProRail en de overige leden van de Stuurgroep Infrastructurele Barrièrewerking over sommige definities uit de procedure onduidelijkheid bestaat. Daarnaast constateer ik dat het volgens de wet handhaven van particuliere overwegen in sommige situaties tot verwarring leidt bij recreatieve belangenorganisaties. Om die reden ga ik in overleg met de betrokken partijen om waar nodig te komen tot duidelijkheid. Ik verwacht hier dit voorjaar meer duidelijkheid over te hebben en zal hierover uw Kamer informeren.
Welke lessen – anders dan snel overgaan tot het sluiten van particuliere overgangen en het plaatsen van borden met als doel de verjaring te stuiten – trekt ProRail uit de casus Laantje van Alverna? Acht u dit afdoende lessen?
De casus Laantje van Alverna houdt in dat de particuliere overweg bij het Laantje van Alverna door verjaring openbaar is geworden, omdat aannemelijk is gemaakt dat de weg feitelijk heeft opengestaan voor verkeer voor een aaneengesloten periode van 30 jaar en dat de openbaarheid niet is gestuit door middel van bordjes Eigen Weg, Private Weg en dergelijke. Deze uitspraak heeft dan ook specifiek betrekking op de casus van het Laantje van Alverna. De les die door ProRail uit de casus Laantje van Alverna getrokken is, is dat ProRail bevestigd is in haar bewustzijn dat behoud van het particuliere karakter van overwegen handhaving vereist en dat de status van een overweg voor iedereen duidelijk moet zijn. Daarom is al voor de uitspraak van de Raad van State het project UPO gestart. Daarmee worden situaties, zoals die bij het Laantje van Alverna is ontstaan, in de toekomst voorkomen.
Kunnen particuliere overwegen die de afgelopen periode zijn gesloten, in de toekomst weer opengesteld worden, bijvoorbeeld als uit het innovatieve onderdeel van programma Niet Actief Beveiligde Overwegen kosteneffectieve oplossingen voortkomen?
Dat is niet mijn ambitie. Mijn aanpak ten aanzien van NABO’s is er vanwege het verhoogde veiligheidsrisico op gericht het aantal NABO’s op het reizigersnet in de toekomst verder terug te brengen. Daarbij past het niet om in het geval een overweg is gesaneerd deze weer open te stellen.
Deelt u de mening dat de normen van de kennisorganisatie CROW voor maximale maaswijdten in principe ook van toepassing dienen te zijn op spoorwegen en dat, in lijn met de motie over het meewegen van belangen van fietsers en wandelaars bij tracébesluiten (Kamerstuk 33 888, nr. 9), bij afwijking van deze normen dit duidelijk gemotiveerd dient te worden?
De CROW publicatie betreft een handreiking en geen bindende norm. Het hanteren van deze handreiking moet steeds afgewogen worden tegen de belangen van overwegveiligheid en de lokale situatie. Wanneer sprake is van het eventueel opheffen van een overweg, al dan niet in combinatie met een alternatieve ontsluiting, worden ook de richtlijnen van het CROW3 betrokken ten aanzien van de barrièrewerking van infrastructuur en de maaswijdte van het netwerk voor langzaam verkeer. Bij het afwijken van deze richtlijnen wordt dit beargumenteerd.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg Spoorveiligheid/ERTMS voorzien op 3 februari 2016?
Zie mijn brief aan uw Kamer d.d. 3 februari 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 1353).
Het bericht ‘Een nieuwe baan en tóch het UWV op je dak: 'Het lijkt verdorie wel Kafka'’ |
|
Pieter Heerma (CDA), Steven van Weyenberg (D66) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Een nieuwe baan en tóch het UWV op je dak: «Het lijkt verdorie wel Kafka»?1
Het leidend principe in de WW is dat tegenover het recht op een uitkering (sollicitatie)verplichtingen staan. Alleen in specifieke omstandigheden is sprake van een ontheffing of vrijstelling van deze verplichtingen. Inkomstenverrekening in de WW stimuleert werkhervatting in een lager betaalde baan. In dat geval heeft de WW meer het karakter van een loonaanvulling. Met de Wet werk en zekerheid (Wwz) is geregeld dat wanneer een werkloze werknemer (voor dezelfde urenomvang) een lager betaalde baan accepteert, betrokkene voor een periode van 3 maanden vrijstelling van de sollicitatieplicht heeft. Het is niet zo dat, zoals in het bericht wordt geschetst, een werknemer zijn hele arbeidsverleden zou kunnen verliezen als hij zijn uitkering stop zet. Mogelijk is er sprake van een misverstand in de berichtgeving. Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u uiteenzetten op grond van welke regels een sollicitatieplicht geldt voor mensen die al een baan hebben gevonden, maar daarnaast nog een kleine WW-uitkering hebben?
Op grond van de artikelen 24 en 26 WW heeft een WW-gerechtigde verplichtingen zoals bijvoorbeeld de sollicitatie- en re-integratieplicht.
Is de sollicitatieplicht in dit geval een uitvloeisel van de Wet Werk en Zekerheid (Wwz), of zou deze ook voor inwerkingtreding van de Wwz van toepassing zijn geweest?
Ook voor de inwerkingtreding van de Wwz was sprake van een sollicitatieplicht voor de WW-gerechtigde die een uitkering ontving naast een baan. Met de Wwz is een vrijstelling van de sollicitatieplicht geïntroduceerd voor de eerste drie maanden in de situatie dat betrokkene voor dezelfde urenomvang als voorheen gaat werken.
Heeft de herziening van het dagloonbesluit in 2015 invloed gehad op de toepassing van de sollicitatieplicht?
Nee. De manier waarop het dagloon wordt vastgesteld is niet van invloed op de toepassing van de sollicitatieplicht.
Herkent u het feit dat het Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV) adviseert om de WW-uitkering niet stop te zetten, omdat dan bij het niet verlengen van een tijdelijk contract het hele arbeidsverleden niet meer zou gelden? Kunt u uiteenzetten hoe de regelgeving hieromtrent werkt?
Nee. Ik vermoed dat er sprake is van een misverstand in de berichtgeving. Een werknemer bouwt arbeidsverleden op door te werken in loondienst. Een WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden. Afhankelijk van het opgebouwde arbeidsverleden kan de WW-uitkering langer zijn. Per gewerkt kalenderjaar wordt op basis van het aantal verloonde uren of dagen gekeken of dat jaar meetelt voor de bepaling van het arbeidsverleden. Wanneer een WW-gerechtigde een nieuwe baan vindt en na 6 maanden werken opnieuw werkloos wordt, ontstaat in de regel een nieuw recht op WW-uitkering. Wanneer betrokkene voldoet aan de jareneis (4-uit-5-eis) is de duur van deze uitkering ten minste gelijk aan de duur van dat eerdere recht op WW, omdat het reeds opgebouwde arbeidsverleden opnieuw meetelt voor de bepaling van de duur van de uitkering.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat mensen ervoor moeten kiezen om ongewild hun uitkering te behouden, alleen om de reden dat zij anders in de toekomst mogelijk uitkeringsrechten verliezen? Welke mogelijkheden ziet u om dit te voorkomen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Hoe groot is de effectiviteit van de sollicitatieplicht voor mensen die reeds een nieuwe baan hebben gevonden, maar daarnaast nog een kleine WW-uitkering hebben?
De effectiviteit van de sollicitatieplicht voor mensen die reeds een baan hebben is niet onderzocht. Echter, veel uitstroom uit de WW vindt plaats doordat WW-gerechtigden gaan werken via een uitzendbureau. Er is een grote variatie in vormen van uitzendarbeid: kort- en langdurige arbeid, in kleine en grotere urenomvang. Ook voor werknemers die op zoek zijn naar werk voor een korte periode, zogenaamde opvularbeid, of een kleine baan, in urenomvang, zijn er mogelijkheden. Ik ben van mening dat tegenover een recht op uitkering ook verplichtingen staan. Als mensen een uitkering ontvangen, mag van hen gevraagd worden dat ze inspanningen verrichten om uit die uitkering te geraken.
Hoe groot is de effectiviteit is van de sollicitatieplicht voor mensen die reeds een arbeidscontract hebben dat over uiterlijk 3 maanden ingaat, maar dan toch die 3 maanden een sollicitatieplicht hebben?
Zie antwoord vraag 7.
Indien u het antwoord op de vragen 7 en 8 niet bekend is, bent u dan bereid dit te onderzoeken?
Zie antwoord vraag 7.
Wat is uw oordeel over de kosten en baten van de sollicitatieplicht voor mensen met een kleine WW-uitkering? Weegt het resultaat op tegen de bureaucratie bij het UWV en de inspanningen en ergernis van de uitkeringsgerechtigde?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat de ‘persvrijheid is beknot bij azc-informatieavonden’ |
|
Joost Taverne (VVD), Malik Azmani (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «protest hoofdredacteuren tegen weren pers bij azc-bijeenkomsten»?1
Ja.
Kent u de inhoud van de brief die het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren heeft gestuurd aan de burgemeester van Bernheze?
Ja.
Heeft u kennis van informatiebijeenkomsten over asielzoekerscentra (azc's) waarbij journalisten de toegang is geweigerd?
Ja.
Hoe beoordeelt u het weren van journalisten bij openbare gemeentelijke informatiebijeenkomsten in het licht van artikel 7 van de Grondwet, waarin preventieve censuur wordt verboden? Vindt u het weren van (bepaalde) journalisten bij openbare gemeentelijke informatiebijeenkomsten een vorm van preventieve censuur? Zo nee, waarom niet?
In onze democratische rechtsstaat moeten journalisten vrij hun werk kunnen doen. De vrijheid van meningsuiting en informatiegaring en -verspreiding is een groot goed en wordt beschermd door artikel 7 van de Grondwet en diverse verdragen. Alleen specifieke redenen, zoals veiligheid of beperkte locatieruimte, kunnen aanleiding zijn de pers te weren of niet iedereen binnen te laten. Het is aan gemeenten om te beoordelen of dergelijke maatregelen dienen te worden genomen.
Kunt u in gesprek gaan met de VNG om te voorkomen dat journalisten bij informatiebijeenkomsten over azc’s worden geweerd?
De ontwikkelingen rond de opvang van asielzoekers worden met regelmaat besproken aan de landelijke regietafel verhoogde asielinstroom, waar onder andere de VNG deelnemer van is. Dit onderwerp zal ook daar ter tafel komen.
Alcoholcontroles in het verkeer |
|
Marith Volp (PvdA), Duco Hoogland (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van EenVandaag waarin aandacht wordt besteed aan alcoholcontroles in het verkeer?1
Ja.
Hoeveel alcoholcontroles in het verkeer vinden jaarlijks plaats? Kunt u hierbij onderscheid maken naar tijdstip en dagen van de controles? Is de in de uitzending genoemde hoeveelheid van tien procent van de controles die ’s nachts plaatsvinden juist?
De politie voert alcoholcontroles uit met (georganiseerde) verkeersfuiken en individuele controles2. Het aantal alcoholcontroles verschilt per jaar. In 2015 waren er in totaal 3.752 controles (tabel 1).
In onderstaande tabellen 1 en 2 zijn de alcoholcontroles per dagdeel in absolute aantallen en als percentages van het totale aantal controles per jaar weergegeven. Uit deze overzichten blijkt dat het merendeel van de alcoholcontroles in de avond en nacht plaatsvindt en dat het percentage waaraan gerefereerd wordt in de uitzending niet juist is. Overigens eindigen veel avondcontroles in de nacht, waardoor het niet mogelijk is om exact aan te geven hoeveel controles in de nacht hebben plaatsgevonden.
In tabel 3 is het aantal controles per dag weergegeven. Hieruit blijkt dat de meeste controles plaatsvinden op vrijdag en zaterdag.
Ochtend
Middag
Avond
Nacht
Fuik
Individueel
Fuik
Individueel
Fuik
Individueel
Fuik
Individueel
Totaal
401
91
698
88
2.921
272
1.027
289
5.787
430
108
804
94
3.061
211
1.087
255
6.050
398
101
753
86
3.021
192
1.259
215
6.025
346
87
586
28
2.627
126
1.082
165
5.047
227
60
439
72
1.928
119
771
136
3.752
Ochtend
Middag
Avond
Nacht
8,50%
13,58%
55,18%
22,74%
8,89%
14,84%
54,08%
22,18%
8,28%
13,93%
53,33%
24,46%
8,58%
12,17%
54,55%
24,71%
7,65%
13,62%
54,56%
24,17%
maandag
dinsdag
woensdag
donderdag
vrijdag
zaterdag
zondag
Totaal
468
514
524
761
1.346
1.232
942
5.787
459
480
540
748
1.336
1.396
1.091
6.050
480
462
514
688
1.366
1.335
1.180
6.025
367
349
453
560
1.033
1.283
1.002
5.047
272
260
289
419
867
957
688
3.752
Bij hoeveel van deze controles werd een overtreding geconstateerd? Kunt u hierbij onderscheid maken naar tijdstip en dagen van de controles?
Voor de dagen en dagdelen waarop de controles zijn uitgevoerd, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2 met bijbehorende tabellen. In de politieregistratie wordt niet apart bijgehouden hoeveel overtredingen per controle worden geconstateerd.
Klopt het dat de pakkans na middernacht aanzienlijk kleiner is, zoals de Vereniging verkeersslachtoffers beweert? Zo ja, welke acties onderneemt u om de pakkans ’s nachts te vergroten?
De politie werkt informatiegestuurd en zet op basis daarvan op locaties en tijden gericht verkeerscontroles in. Op deze wijze wordt gepoogd het alcoholgebruik in het verkeer terug te dringen. Zoals aangegeven blijkt uit de informatie van de politie dat controles om deze reden met name in de avond en nacht worden uitgevoerd. Uit onderstaande tabel 4 en tabel 5 blijkt tevens dat geconstateerde misdrijven op die tijdstippen aanzienlijk hoger zijn.
Ochtend
Middag
Avond
Nacht
2011
3.017
2.954
13.384
26.602
2012
3.456
3.045
11.657
22.437
2013
3.568
2.960
10.049
19.069
2014
3.515
2.748
8.805
16.421
2015
3.344
2.498
7.242
13.773
Ochtend
Middag
Avond
Nacht
2011
6,6%
6,4%
29,1%
57,9%
2012
8,5%
7,5%
28,7%
55,3%
2013
10,0%
8,3%
28,2%
53,5%
2014
11,2%
8,7%
28,0%
52,1%
2015
12,5%
9,3%
27,0%
51,3%
Hoeveel van de controles vinden plaats via een traditionele verkeersfuik en hoeveel van de controles vinden plaats naar aanleiding van (individuele) meldingen of gedrag? Is er bij de meer individuele controles sprake van een hoger percentage overtreders?
Voor de aantallen controles met een verkeersfuik of individuele controle verwijs ik u naar het antwoord op vraag 1. Bij de registratie van het misdrijf «rijden onder invloed» wordt geen onderscheid gemaakt tussen verdachten die zijn aangehouden naar aanleiding van een individuele controle of een verkeersfuik. Derhalve kan ik geen antwoord geven op de vraag of bij de individuele controles sprake is van een hoger percentage overtreders dan bij de controle via de verkeersfuik.
De benoeming van de voorzitter van Raad van Toezicht van de NPO |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Poolse toestanden bij de NPO»?1 Wat vindt u van de kritiek van professor N. van Eijk, hoogleraar media- en telecommunicatierecht aan de Universiteit van Amsterdam?
Ja, ik ben bekend met het bericht. Ik ben het met de heer Van Eijk eens dat de benoemingen bij de publieke omroep transparant moeten zijn en geen onderwerp van politieke willekeur. Nederland voldoet aan Europese maatstaven, zoals neergelegd in aanbevelingen van de Raad van Europa.2 Ik herken mij derhalve niet in de kop van het opiniestuk van de heer Van Eijck.
Niettemin zijn in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het toekomstbestendig maken van de publieke mediadienst in zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer vragen gesteld over de rol van de overheid bij benoemingen.3 De Tweede Kamer heeft met de motie Mohandis/Segers verzocht om te komen met voorstellen om de bestuurders van de NPO niet meer te laten benoemen door de Minister, maar direct en alleen door de Raad van Toezicht.4 Daarnaast zijn diverse fracties in de Eerste Kamer van mening dat de sterkere sturing door de raad van bestuur van de NPO gepaard moet gaan met een grotere afstand van de overheid tot benoemingen bij de publieke omroep. Daar ben ik het mee eens. Ik heb daarom onder meer toegezegd de instemming van de Minister bij benoemingen van de raad van bestuur van de NPO en de RPO te zullen schrappen en een serieuze verkenning te doen naar de procedures voor benoemingen in de gehele publieke mediasector.5 Ik ga op korte termijn verkennen hoe de rol van de Minister daarin kan worden beperkt. Hierbij worden de benoemingsprocedures tegen het licht gehouden van de raden van toezicht van de NPO, de RPO en van de andere publieke mediaorganisaties (de NOS, NTR, Ster, het Commissariaat voor de Media en het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek). Bij het wijzigen van de rol van de Minister bij de benoemingsprocedures van de raad van toezicht van de NPO moet rekening worden gehouden met de stelselverantwoordelijkheid van de Minister voor de NPO als zelfstandig bestuursorgaan. Het uitgangspunt bij deze wijziging is een open en transparante procedure, zonder directe benoeming van de leden van de raad van toezicht door de Minister.
Verder merk ik op dat bij alle kandidaten voor de raad van toezicht NPO is gekeken naar huidige en vroegere politieke activiteiten en nevenactiviteiten. Beoordeeld is of en in welke mate die belemmerend zouden kunnen zijn voor het onafhankelijk functioneren als toezichthouder bij de publieke omroep. De leden zullen geen politieke activiteiten (meer) verrichten die niet te verenigen zijn met het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NPO.
Is bij de benoeming van de nieuwe voorzitter van de Raad van Toezicht van de NPO rekening gehouden met zijn nevenfunctie als voorzitter van de Raad van Bestuur van de UWV?2
Ja, bij de selectie door het wervingsbureau en de benoemingsadviescommissie is nadrukkelijk gekeken naar de functie van de heer Bruins als voorzitter van de raad van bestuur van het UWV. Er is door de benoemingsadviescommissie ook met de heer Bruins over gesproken. Daarbij is gekeken naar mogelijke wettelijke incompatibiliteiten. Ook is beoordeeld of zijn positie als voorzitter van het UWV gevolgen kan hebben voor het functioneren van de heer Bruins als voorzitter van de raad van toezicht NPO en omgekeerd. Geconstateerd is, ook aan de kant van het UWV, dat dit niet zo is.
Op welke wijze is deze nevenfunctie in lijn met artikel 2.6 lid f van de Mediawet, waarin staat dat lidmaatschap van de Raad van Toezicht onverenigbaar is met een dienstbetrekking bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een Minister?
Zoals ik eerder ook al in het debat met de Eerste Kamer heb aangegeven, valt een functie bij een zelfstandig bestuursorgaan niet onder de onverenigbaarheid die in de vraag geciteerd wordt. Artikel 2.6, eerste lid, onderdeel f, van de Mediawet 2008 kent een gebruikelijke en vergelijkbare formulering als in andere wetten. Belangrijkste voorbeeld daarbij is de Wet incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement (artikel 1, tweede lid, onderdeel d). Uit die wet volgt dat alleen sprake is van een onder de verantwoordelijkheid van een Minister werkzame instelling, dienst of bedrijf, indien:
Zelfstandige bestuursorganen vallen hier niet onder, hetgeen uitdrukkelijk in de wetsgeschiedenis is opgemerkt:
«Niet tot instellingen, diensten en bedrijven in eerder vermelde zin worden die instanties gerekend, die hun taken niet in hiërarchische ondergeschiktheid aan een Minister vervullen: de organen van functioneel bestuur. Bij deze organen kan worden onderscheiden tussen de in de Grondwet geregelde vormen van functioneel bestuur (waterschappen, openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen) en de zgn. «zelfstandige bestuursorganen». Deze oefenen hun taak uit zonder dat er sprake is van een hiërarchische ondergeschiktheid aan een Minister.»7 Dit wordt bevestigd door het feit dat bijvoorbeeld bij het Commissariaat voor de Media in artikel 7.4 van de Mediawet 2008, waar een identieke regeling is opgenomen, de NPO apart is uitgezonderd. Dat ware niet nodig geweest als de NPO, immers ook een zelfstandig bestuursorgaan, al onder de algemene omschrijving «vallende onder de verantwoordelijkheid van een Minister» zou vallen. Hetzelfde geldt bij de regeling voor het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek in artikel 8.5 van de Mediawet 2008.
Verder is het zo dat bij bestuursleden van zelfstandige bestuursorganen geen sprake is van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Mediawet 2008. Zo valt het personeel van zelfstandige bestuursorganen onder dezelfde bezoldiging- en rechtspositieregels als ambtenaren bij ministeries (artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen), terwijl voor leden van een zelfstandig bestuursorgaan een zelfstandige bezoldiging en rechtspositie wordt vastgesteld (artikel 14 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen).
Tot slot merk ik op dat tot 1 januari 2016 een voormalig lid van de raad van toezicht van de NPO tevens bijzonder lid van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid was. De Onderzoeksraad is een zelfstandig bestuursorgaan dat valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie. Dit bevestigt dat het lidmaatschap van een zelfstandig bestuursorgaan te verenigen is met het lidmaatschap van de raad van toezicht van de NPO.
Bent u van mening dat de benoeming van de nieuwe voorzitter van de raad van toezicht van de NPO in overeenstemming is met de herziene Mediawet zoals deze nu in de Eerste Kamer ligt, en met de profielschets? Zo ja, waarom? Zo nee, wat zijn hiervan de consequenties?
Ja. De benoeming van de nieuwe voorzitter en de andere leden van de raad van toezicht heeft plaatsgevonden onder de huidige Mediawet, maar daarbij is toepassing gegeven aan de procedure die in het wetsvoorstel dat nu in de Eerste Kamer ligt wettelijk wordt vastgelegd. Er is een profielschets opgesteld waarin de deskundigheden en competenties van de raad van toezicht als geheel en van individuele leden zijn beschreven. Die profielschets is gepubliceerd. De benoemingsadviescommissie heeft kandidaten voorgedragen die niet alleen voldoen aan de profielschets van de individuele leden, maar die ook gezamenlijk voldoen aan de profielschets voor de raad van toezicht als geheel. Ik heb de voordracht van de benoemingsadviescommissie in zijn geheel overgenomen.
De hoge salarissen van de top bij de politie |
|
John Kerstens (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over het inkomen van een deel van de top bij de politie naar aanleiding van een Wob-verzoek en de constatering dat 20 hoge politiefunctionarissen meer verdienen dan een Minister?1
Ja.
Herinnert u zich dat dezelfde discussie speelde in 2013 en dat de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie een beroep deed op deze groep politiefunctionarissen om een deel van hun salaris in te leveren?2 Zo ja, hoeveel politiefunctionarissen verdienen nu nog steeds meer dan een Minister?
Ja, dat herinner ik mij, mijn voorganger heeft dat beroep ook gedaan. Een aantal politiefunctionarissen heeft gehoor gegeven aan dit beroep. Zij hebben bij hun benoeming op hun functie in de Nationale Politie een deel van hun salaris ingeleverd. Hierover is uw Kamer al eerder geïnformeerd (o.a. TK 2012–2013, 30 111, nr. 63).
Op 27 januari 2016, kenmerk 727652, heb ik u geïnformeerd over de inkomensgegevens 2013 en 2014 die de politie in het kader van een Wob-verzoek aan het Algemeen Dagblad heeft verstrekt. In de berichtgeving van het Algemeen Dagblad wordt de suggestie gewekt dat het ministersalaris de norm is voor de salarissen in de publieke sector. Dat is niet het geval. De norm die geldt is de norm uit de Wet Normering Topinkomens, en de verstrekte inkomensgegevens zijn dan ook berekend conform die wettelijke norm.
De in 2013 en 2014 geldende norm volgens de WNT bedroeg respectievelijk € 228.599 c.q. € 230.474. Geen van de topfunctionarissen bij de politie – in de zin van de WNT – overschreed in 2013 en 2014 de WNT-norm. Voor overige functionarissen geldt dat de WNT weliswaar dwingt tot openbaarmaking van bepaalde gegevens, maar dat zij niet gebonden zijn onder de WNT-norm te verdienen. Voor 2013 en 2014 betrof dat binnen de politie één functionaris.
Hoeveel van deze 20 topfunctionarissen zijn het afgelopen jaar in dienst getreden bij de politie?
De 20 functionarissen waar u aan refereert zijn allen vóór 2015 in dienst getreden bij de politie.
Welke mogelijkheden heeft u om het inkomen van deze 20 hoge politiefunctionarissen te verlagen tot de huidige wettelijke norm?
Het inkomen van alle topfunctionarissen bij de politie – in de zin van de WNT – bleef in 2013 en 2014 onder de WNT-norm. Ook thans is er binnen deze groep geen sprake van overschrijdingen van de WNT-norm die in strijd zouden zijn met de wet.
Er is bij de politie één niet-topfunctionaris die boven de WNT-norm verdient. Zoals hiervoor opgemerkt geldt voor niet-topfunctionarissen niet de wettelijke norm, dat hun inkomen onder de WNT-grens dient te blijven. Juridische mogelijkheden ontbreken derhalve om verlaging af te dwingen. Juist daarom is door mijn voorganger eerder een moreel beroep gedaan op de betrokken functionarissen.
Als er geen mogelijkheden zijn om het inkomen te verlagen, bent u dan bereid om – net als u voorganger – met deze hoge politiefunctionarissen te praten en een beroep op hen te doen een deel van hun salaris in te leveren? Zo nee waarom niet? Zo ja, wanneer gaat u dat doen en wilt u de uitkomst van die gesprekken met de Kamer delen tijdens het Algemeen overleg over politie?
Ik ben bereid het gesprek hierover met de betrokken functionaris aan te gaan.
Hoe beoordeelt u het feit dat de top een verhoging van het inkomen heeft gekregen in 2014, terwijl de «gewone» politieagent toen al enige tijd op de 0-lijn stond? Kunt u het antwoord toelichten?
Ook de top van de politie heeft op de 0-lijn gestaan. Dat laat onverlet dat het individuele jaarinkomen in vergelijking tot andere jaren lager danwel hoger kan uitvallen. Hier kunnen verschillende redenen voor zijn.
Een stijging in inkomen kan veroorzaakt worden door de toekenning van de gebruikelijke jaarlijkse periodiek. Bezoldiging vindt plaats aan de hand van salarisschalen, met daarbinnen periodieken. Tot men aan het einde van zijn/haar salarisschaal zit, kan men bij voldoende functioneren jaarlijks een periodiek stijgen. Dit geldt voor iedere medewerker binnen de politie. Daarnaast kan binnen de arbeidsvoorwaardelijke kaders een toelage zijn verhoogd.
In een aantal gevallen is dit de verklaring voor de stijging van het inkomen binnen de top.
Daarnaast houdt de stijging van het inkomen in 2014 binnen de top in een aantal gevallen ook verband met de datum van benoeming binnen de Nationale Politie. In het kader van de vorming van de Nationale Politie is de politietop namelijk voor een groot deel op 1 januari 2013 benoemd in hun nieuwe functie binnen het nationale korps. Het oude werkverband eindigde daarmee op 31 december 2012. Over dit oude werkverband heeft op dat moment de gebruikelijke afrekening plaatsgevonden (uitbetaling vakantiegeld en eindejaarsuitkering). Doordat binnen de politie de opbouw van het vakantiegeld, dat 8 procent van het brutoloon bedraagt, wordt uitgekeerd in mei hebben een aantal functionarissen over het jaar 2013 relatief een klein deel vakantiegeld uitgekeerd gekregen (januari – mei). In 2014 ontvingen zij wel over het hele jaar vakantiegeld. Hierdoor lijkt het dat zij er in salaris op vooruit zijn gegaan, terwijl dit niet het geval hoeft te zijn.
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden vóór het Algemeen overleg over politie voorzien op 10 februari 2016?
Ja.
Suwinet |
|
Anoushka Schut-Welkzijn (VVD), Chantal Nijkerken-de Haan (VVD) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Gemeenten beschermen privacy burgers slecht»?1
Ja
Wat vindt u van de resultaten van het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens dat de beveiliging van gevoelige persoonsgegevens van burgers bij gemeenten nog altijd niet op orde is?
Het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens laat zien dat een aantal gemeenten SUWIinet beter beveiligen en dat er nog gemeenten zijn die de beveiliging niet of onvoldoende op orde hebben. Dat is zorgelijk. Ik ben van mening dat over de privacy van burgers goed moet worden gewaakt en vind het van groot belang dat overheden zorgvuldig omgaan met de informatie van burgers die zij tot hun beschikking hebben.
Gaat u naar aanleiding van de resultaten van het genoemde onderzoek actie ondernemen richting die gemeenten die hun beveiliging niet op orde hebben? Zo ja, welke actie? Zo nee, waarom niet?
De Autoriteit Persoonsgegevens kan naar aanleiding van het onderzoek handhavende activiteiten ondernemen en een last onder dwangsom opleggen. Dit is een eigenstandige bevoegdheid van de Autoriteit Persoonsgegevens.
Ik zal geen actie ondernemen naar aanleiding van het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens. Ik heb naar aanleiding van het onderzoek dat de Inspectie SZW in september 2015 is gestart naar de beveiliging van SUWInet de 198 gemeenten die niet voldoen aan alle 7 essentiële normen een aankondiging tot een aanwijzing gestuurd.
Met de Inspectie SZW, de VNG, het UWV en de Autoriteit Persoonsgegevens voer ik regelmatig overleg over de beveiliging van SUWInet bij gemeenten.
Kunt u aangeven wat de huidige stand van zaken is betreffende het escalatieprotocol afsluiten Suwinet?
De Inspectie SZW is in september 2015 met het onderzoek naar de beveiliging van SUWInet bij alle gemeenten gestart. Inmiddels hebben de 198 gemeenten die op het moment van onderzoek door de Inspectie SZW niet aan alle 7 essentiële normen voldeden, een aankondiging tot een aanwijzing van mij ontvangen. In de aankondiging wordt aangegeven binnen welke termijn de beveiliging van SUWInet op orde moet worden gebracht. Deze termijn varieert tussen de 6 en 12 weken.
De gemeente die nalaat om binnen de door mij gestelde termijn de beveiliging van SUWInet op orde te brengen, krijgt een aanwijzing. Deze aanwijzing kan eruit bestaan dat ik gemeenten verplicht om een externe deskundige aan te stellen die de beveiliging van SUWInet op orde moet brengen. De kosten van deze externe deskundige zijn voor rekening van de gemeente. Als uiterste consequentie kan een gemeente worden afgesloten van SUWInet.
Op dit moment voldoen 192 gemeenten aan alle 7 essentiële normen. Het aantal gemeenten dat voldoet aan alle 7 essentiële normen is gestegen van 17% in 2014 tot 49% in september 2015 (de peildatum van het onderzoek van de Inspectie SZW).
Er wordt nu al jaren met de Kamer gesproken over maatregelen om deze beveiliging te verbeteren, maar dat heeft tot nu toe niets opgeleverd; wanneer gaat u in plaats van de «carrot», de «stick» hanteren en gemeenten beboeten voor het niet adequaat beveiligen van de privacy van hun burgers?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat door redders wordt toegekeken bij het verdrinken van vluchtelingen uit angst voor vervolging |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Redders moeten toekijken hoe 31 vluchtelingen verdrinken in de Egeïsche Zee»?1
Ja.
Is het vervolgen van personen die op vrijwillige basis vluchtelingen in nood redden in Turkse wateren onderdeel van beleid of afspraken die binnen de Europese Unie (EU) dan wel door de EU met Turkije zijn gemaakt? Zo nee, hoe beoordeelt u het feit dat dit toch in Griekenland gebeurt?
Er zijn geen afspraken gemaakt binnen de EU of met Turkije over het vervolgen van personen die op vrijwillige basis vluchtelingen in nood redden in Turkse wateren. Griekenland is in het verleden opgetreden tegen vrijwilligers die zonder toestemming van de Griekse kustwacht vluchtelingen in Turkse wateren assisteerden bij hun tocht naar de Griekse kust. In januari jl. zijn vrijwilligers, verbonden aan een Deense NGO, om die reden op Lesbos gearresteerd op verdenking van mensensmokkel. Zij zijn inmiddels wegens mensensmokkel veroordeeld tot het betalen van een boete en zijn vrijgelaten. Hulp van vrijwilligers bij de bestrijding van mensensmokkel wordt erg gewaardeerd, maar samenwerking met de autoriteiten is daarbij wel van belang.
Bent u bereid met klem en urgentie bij uw Europese collega’s aan te dringen op het onmiddellijk staken van vervolgingen van mensen die zich op vrijwillige basis inspannen om vluchtelingen in nood op zee te redden? Zo nee, waarom niet?
De huidige Europese wetgeving die strafbaarstelling van mensensmokkel reguleert bevat een uitzonderingsclausule voor personen die humanitaire bijstand verlenen aan vluchtelingen. Mensen die uit humanitaire overwegingen proberen vluchtelingen te redden van de verdrinkingsdood worden niet vervolgd als zij als zodanig bekend zijn bij en meewerken met de autoriteiten ter plaatse.
Is de regering bereid om haar positie als voorzitter van de Europese Raad aan te wenden om alle diplomatieke en juridische obstakels te verhelpen die zowel Frontex als vrijwilligers ondervinden bij het redden van vluchtelingen op zee? Zo nee, waarom niet?
Het is zaak dat zowel Frontex als andere organisaties hun reddingswerk goed kunnen uitoefenen. Het werk van vrijwilligers kan binnen het huidig wettelijk kader worden uitgevoerd. De internationale verplichtingen ten aanzien van reddingsoperaties op zee zijn ook tijdens Frontex operaties van toepassing. Bij noodsituaties kunnen schepen en vliegtuigen die ingezet worden in Frontex operaties, op verzoek van verantwoordelijke autoriteiten, deelnemen aan reddingsoperaties. Zo wordt momenteel in het kader van belangrijke Frontex operaties in Griekenland en Italië jaarlijks vele duizenden mensen op zee gered.
Is bij de regering bekend welke inspanningen door Turkije worden verricht om vluchtelingen die in nood verkeren binnen zijn territoriale wateren te redden? Zo nee, is de regering bereid hierover inlichtingen te vragen aan de Turkse regering? Zo ja, acht u de Turkse inspanningen voldoende?
Op de Turkse wateren vinden verschillende reddingsoperaties plaats. De Turkse kustwacht meldt dat zij in 2015 59.377 migranten heeft gered. Onderdeel van het EU Turkije actieplan is het tegengaan van illegale migratie uit Turkije naar Europa. In dat kader werkt de EU ook aan het verder versterken van de capaciteit van de Turkse kustwacht.
Het bericht dat Eritrese intimidatie in Nederland zich uit breidt |
|
Attje Kuiken (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA), Michiel Servaes (PvdA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over de toenemende intimidatie van aanhangers van het dictatoriale regime in Eritrea in Nederland?1
Ja ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is als het regime via aanhangers in de diaspora druk uit oefent op Eritreeërs in Nederland om geld af te staan en geen kritiek uit te oefenen op hun geboorteland? Zo ja, welke maatregelen ben u bereid te treffen om deze praktijken tegen te gaan?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de antwoorden op de vragen van de leden Karabulut en Jasper van Dijk (beiden SP) aan de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Buitenlandse Zaken dd. 20 juni 20142. Er zijn geen aanwijzingen dat de situatie sedert dien is gewijzigd.
Was u al eerder op de hoogte van het feit dat niet alleen Eritreeërs in Nederland, maar ook Nederlanders – zoals wetenschappers – worden bedreigd en geïntimideerd?
Nee.
Wordt er bijgehouden wie deze mensen zijn die zich schuldig maken aan intimidatie en zo ja, welke juridische stappen zijn er al genomen om hen te vervolgen?
Er is geen overzicht van het aantal incidenten in relatie tot het Eritrese regime.
Afpersing en soortgelijke feiten zijn ernstige misdrijven die de aandacht hebben van de politie en het Openbaar Ministerie. Indien er een concreet vermoeden bestaat dat dergelijke ernstige strafbare feiten worden gepleegd, zal hiernaar door politie en het Openbaar Ministerie strafrechtelijk onderzoek worden gedaan. Politie en het Openbaar Ministerie zullen zich altijd inspannen om signalen van ernstige misdrijven te onderzoeken en indien aan de orde mogelijke slachtoffers van ernstige misdrijven actief wijzen op de mogelijkheid tot het doen van aangiften.
Kunt u vertellen of er op diplomatiek niveau nog enigszins contact is met het Eritrese regime en of er met andere Europese landen samen wordt gewerkt om intimidatie jegens naar Europa gevluchte Eritreeërs te voorkomen?
Op 16 februari 2016 heeft op het Ministerie van Buitenlandse Zaken een onderhoud plaatsgevonden met de Eritrese Ambassadeur en de Tijdelijk Zaakgelastigde. Dit gesprek vond plaats naar aanleiding van recente publicaties in de media. Op diplomatiek niveau wordt niet met andere Europese landen samengewerkt met betrekking tot de door u genoemde kwestie. Wel wordt van tijd tot tijd informatie uitgewisseld.
Bent u van mening dat er ook binnen asielzoekerscentra aandacht moet worden besteed aan mogelijke intimidatie en bedreigingen tegen Eritreeërs en zo ja, op welke manier zou hier vorm aan moeten worden gegeven? Worden aangiftes in behandeling genomen?
Veiligheid binnen het asielzoekerscentrum geniet de hoogste prioriteit.
Het COA laat niet zomaar iedereen toe op de locaties; er geldt een bezoekersregeling en een bezoekersadministratie. Dit betekent dat elke bezoeker zich moet identificeren en de naam vermelden van de te bezoeken persoon. Alle vrijwilligers, die op een locatie van het COA activiteiten willen verrichten, worden vooraf gescreend.
Verder is er op alle COA-opvanglocaties permanent ingehuurde beveiliging aanwezig van Trigion. Naast deze beveiligingsmedewerkers zijn de COA-medewerkers zelf erg oplettend en waakzaam, hoe het met de bewoners op de locatie gaat en hoe sfeer is op de locatie. Het COA spreekt frequent met leden van de Eritrese gemeenschap (en alleenstaande minderjarige vreemdelingen in het bijzonder) op locaties om meer inzicht te krijgen in wat er speelt binnen deze (gesloten) gemeenschap.
Waar het COA meent dat er sprake is van een (strafrechtelijke) misstand, stimuleert het COA door gesprekken en ondersteuning de bewoners om aangifte te doen. Als bewoners weigeren aangifte te doen, doet het COA zelf bij de politie melding van misstanden. Voor zaken die de openbare orde raken wordt altijd de politie ingeschakeld.
Heeft u recentelijk uw ongenoegen over de intimidatiepraktijken geuit aan het Consulaat van Eritrea? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, bent u bereid de Tijdelijk Zaakgelastigde te ontbieden om duidelijk te maken dat afpersing en intimidatie bij belastinginning onacceptabel en in strijd met de wet zijn?
Eritrea heeft in Den Haag geen consulaat maar een ambassade. Zoals hierboven gemeld heeft op 16 februari 2016 op het Ministerie van Buitenlandse Zaken een onderhoud plaatsgevonden met de Eritrese Ambassadeur en de Tijdelijk Zaakgelastigde (TZ). De recente berichten in de media over de «lange arm» van het Eritrese regime in Nederland vormden de aanleiding voor dat gesprek. In het gesprek gaf de ambassadeur aan dat de Ambassade hecht aan een sterke band met de diaspora, maar dat de Ambassade hierbij geen oneigenlijke middelen inzet. De Eritrese diaspora heeft de petitie zelf georganiseerd, aldus de ambassadeur.
Het doel van het gesprek was om de ambassade impliciet te waarschuwen voor eventueel onoorbaar gedrag en duidelijk te maken dat het kabinet het wel en wee van de Eritrese diaspora in Nederland en de rol van de Eritrese ambassade daarbij nauwlettend volgt.
Is er door het openbaar ministerie of anderszins recentelijk onderzoek gedaan naar de bestemming van de in Nederland door het Consulaat van Eritrea geïnde gelden? Zo ja, zijn er daarbij aanwijzingen dat deze gelden ook ten goede komen aan terreurorganisatie Al-Shabaab?
Afpersing en soortgelijke feiten zijn ernstige misdrijven die de aandacht hebben van de politie en het Openbaar Ministerie. Indien er een concreet vermoeden bestaat dat dergelijke ernstige strafbare feiten worden gepleegd, zal hiernaar door politie en het Openbaar Ministerie strafrechtelijk onderzoek worden gedaan. Politie en het Openbaar Ministerie zullen zich altijd inspannen om signalen van ernstige misdrijven te onderzoeken en indien aan de orde mogelijke slachtoffers van ernstige misdrijven actief te wijzen op de mogelijkheid tot het doen van aangiften.
Er is onderzoek verricht door de Somalia-Eritrea Monitoring Group (SEMG) van de VN Veiligheidsraad. Die concludeerde eind 2014 dat er geen aanwijzingen zijn voor steun van Eritrea aan Al-Shabaab. Letterlijk schreef de SEMG: «The Monitoring Group investigated Eritrea’s relations in the Horn of Africa and it found no evidence of Eritrean support to Al-Shabaab during the course of its present mandate. The Monitoring Group does not, however, rule out the possibility that Eritrea may be providing some assistance to elements within Al-Shabaab without detection, but it is the overall assessment of the Group that Eritrea is a marginal actor in Somalia, and increased public scrutiny by the international community has made any direct support to Al-Shabaab much riskier.» (zie document S/2014/727 dd. 13 oktober 2014 van de VN Veiligheidsraad).
Dreigende hongersnood in Zuidelijk Afrika als gevolg van El Niño en het tekort aan klimaatfinanciering |
|
Joël Voordewind (CU), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de waarschuwing van het Wereldvoedselprogramma dat honger dreigt voor 14 miljoen mensen in Zuidelijk Afrika, als gevolg van de droogte die veroorzaakt wordt door El Niño?1 Wat is uw reactie op deze waarschuwing?
Het kabinet volgt de situatie rond El Niño nauwlettend en is zich bewust van de effecten van El Niño in Zuidelijk Afrika, Midden-Amerika, de Hoorn van Afrika, de Sahel, Azië en de eilanden in de Stille Oceaan. Zo heb ik tijdens mijn recente bezoek aan Malawi en Ethiopië hier met de overheid, VN-organisaties en NGO’s over gesproken. In november 2015 heeft het kabinet EUR 13,6 miljoen beschikbaar gesteld om de voedselzekerheid in Ethiopië te verbeteren. In februari 2016 heeft het kabinet besloten een extra bijdrage te geven van EUR 4 miljoen aan het Wereldvoedselprogramma (WFP) en EUR 4 miljoen aan de Wereld Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) om de effecten van El Niño in zwaar getroffen landen in de Hoorn van Afrika en Zuidelijk Afrika te temperen. De steun aan deze organisaties is bedoeld om zowel bij te dragen aan de verbetering van de acute noodsituatie met betrekking tot voedsel en water als aan het versterken van de weerbaarheid van de getroffen bevolking.
Daarnaast kunnen VN-organisaties, zoals WFP, de vrijwillige ongeoormerkte bijdragen die zij van Nederland ontvangen, gebruiken om te reageren op de effecten van El Niño. Dit zelfde geldt voor de bijdrage die Nederland geeft aan het Central Emergency Response Fund (CERF). Het CERF heeft tot nu toe in totaal USD 63,6 beschikbaar gesteld voor wereldwijde El Niño activiteiten. Zo heeft de FAO recentelijk een bijdrage van EUR 5.3 miljoen ontvangen uit het CERF voor het mitigeren van de effecten van El Niño in landen als Malawi, Ethiopië en Zimbabwe.
De EU heeft in december 2.015 EUR 125 miljoen bijgedragen in reactie op de gevolgen van El Niño wereldwijd. In februari 2016 heeft de EU additioneel EUR 170 miljoen toegekend voor het opvangen van de negatieve effecten van El Niño in Ethiopië.
Kent u de rapporten van Oxfam Novib «El Niño: the case for urgent action»2 en «Entering uncharted waters: El Niño and the threat to food security»?3 Wat is uw reactie op deze rapporten, die constateren dat financiering ontbreekt om mensen preventief voor te bereiden op droogtes die worden veroorzaakt door El Niño?
Ja. Het kabinet deelt de constatering dat, naast noodhulp, het verhogen van weerbaarheid van de mensen die het kwetsbaarst zijn voor de gevolgen van rampen zoals El Niño, cruciaal is. Overheden spelen een belangrijke rol in het voorkomen of mitigeren van de risico’s op rampen en het vergroten van de zelfredzaamheid. Nederland draagt hier aan bij, zowel in de vorm van noodhulp als in de vorm van het structureel versterken van weerbaarheid. Zo financiert Nederland het verbeteren van drinkwatervoorzieningen (via UNICEF), het ontwikkelen van landbouwsystemen die opgewassen zijn tegen klimaatveranderingen (via het klimaatadaptatieprogramma van het International Fund for Agricultural Development-IFAD), het uitvoeren van klimaatonderzoek van de Consultative -Group for International Agricultural Research (CGIAR) en het programma van het World Agroforestry Centre (ICRAF) voor landbouw en waterbeheer in droge gebieden (DryDev).
Bent u het eens met de vaststelling in het rapport dat vroegtijdige actie vele malen goedkoper is dan acute noodhulp? Zo ja, welke actie onderneemt u om mensen weerbaar te maken tegen schokken, zoals veroorzaakt door El Niño?
Ja. Nog belangrijker dan kostenefficiëntie is echter dat met vroegtijdige actie veel leed kan worden voorkomen. Het kabinet zet in op het vergroten van de weerbaarheid van mensen die kwetsbaar zijn voor schokken, zoals de klimatologische gevolgen van El Niño. Naast de bovengenoemde steun aan programma’s die drinkwatersystemen, droogteresistente gewassen en aan droogte aangepaste landbouwsystemen verbeteren, steunt Nederland het programma van Partners for Resilience, een alliantie van vijf Nederlandse NGOs. Deze samenwerking richt zich op het versterken van de weerbaarheid van mensen door middel van herbebossing, irrigatie, bodem- en waterconservering, droogte resistente zaden en early warningsystemen. In Ethiopië ondersteunt Nederland het Productivity Safety Net Programme (PNSP) van de Ethiopische overheid om zo vroegtijdig in te spelen op de mogelijke gevolgen van de droogte. In Mozambique steunt Nederland een programma waarin boeren worden getraind in de ontwikkeling en toepassing van productiesystemen, die zijn aangepast aan veranderende klimaatcondities in de Zambezi vallei. Daarnaast draagt Nederland bij aan programma’s, die overheden en boeren voorzien van tijdige en accurate informatie over essentiële productieomstandigheden, zoals de verwachte regenval, verdamping en groei.
Bij al deze voorbeelden is essentieel, zoals ook het rapport benadrukt, dat de overheden in de betreffende landen de primaire verantwoordelijkheid nemen en leiderschap tonen.
Welke actie onderneemt u en hebt u ondernomen om, daar waar vroegtijdige actie niet meer mogelijk is, humanitaire rampen te voorkomen, specifiek in gebieden waar hongersnood dreigt door El Niño? Hoe schakelt u particuliere organisaties, bijvoorbeeld via de Dutch Relief Alliance, hierbij in?
In november 2015 heeft Nederland noodhulpmiddelen gegeven via het Common Humanitarian Fund (EUR 5 miljoen) en de Dutch Relief Alliance (EUR 8,6 miljoen) voor het lenigen van de noden van kwetsbare groepen in Ethiopië als gevolg van El Niño. In februari 2016 heeft het kabinet een extra bijdrage gegeven aan WFP (EUR 4 miljoen) en FAO (EUR 4 miljoen) om de korte en langere termijn voedselzekerheid in zwaar door El Niño getroffen landen in de Hoorn van Afrika en Zuidelijk Afrika te verbeteren. WFP en FAO werken in de getroffen landen nauw samen met overheden en met NGO-partners.
Bent u bereid om in internationaal verband te pleiten voor extra geld en inspanningen voor early response in gebieden die zijn getroffen door El Niño?
Het kabinet gebruikt elke geschikte gelegenheid om bij andere donoren te pleiten voor extra inspanningen ten behoeve van de diverse humanitaire crises en te bespreken hoe middelen het meest effectief kunnen worden aangewend. In maart is onder voorzitterschap van Nederland in de humanitaire werkgroep van de EU (COHAFA) de problematiek van El Niño besproken, inclusief de financieringsbehoefte en de bijdragen van Europese lidstaten aan de El Niño respons.
Erkent u dat extra geld nodig is voor klimaatadaptatie door middel van klimaatfinanciering, bijvoorbeeld in Zuidelijk Afrika? Op welke manier wilt u klimaatfinanciering bevorderen en tevens groei van het totaal aan klimaatfinanciering stimuleren, zoals afgesproken tijdens de Klimaattop in Parijs?
Het kabinet erkent de noodzaak om meer te investeren in klimaatadaptatie. Nederland heeft tijdens de klimaatconferentie in Parijs toegezegd om een evenredig deel bij te dragen aan de door de ontwikkelde landen toegezegde USD 100 miljard per jaar vanaf 2020. Deze middelen worden gemobiliseerd om de economieën van ontwikkelingslanden te verduurzamen en de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Nederland bestemt ruim de helft van zijn klimaatfinanciering voor aanpassingen in onder andere de water- en landbouwsector. Tevens is Nederland mede-organisator van de «Adaptation Futures 2016»-conferentie. Deze zal in mei gehouden worden in Rotterdam en beoogt een bijdrage te leveren aan oplossingen voor klimaatadaptatie en de noodzaak voor financiering.
In de komende jaren blijft het kabinet zich inzetten om meer klimaatfinanciering te mobiliseren. Zo zijn de Nederlandse overheid, het Nederlandse bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld partij bij diverse coalities gericht op klimaat die in Parijs werden gelanceerd. Voorbeelden zijn de Delta Coalitie (een samenwerkingsverband van Delta-landen, dat door Nederland in Sendai in 2015 is gelanceerd), het Anticipate, Absorb, Reshape (A2R) initiatief (een door de VN geleid multi-stakeholder initiatief om weerbaarheid tegen klimaatveranderingen in de meest kwetsbare landen te bevorderen) en het African Renewable Energy Initiative (een initiatief van de G-7 plus Nederland en Zweden om de investeringen in hernieuwbare energie in Afrika drastisch te verhogen). Dit African Renewable Initiative sluit goed aan bij de Nederlandse inzet om in 2030 vijftig miljoen mensen te voorzien van hernieuwbare energie. Uitvoerders van het initiatief zijn de African Development Bank en de Afrikaanse Unie.
Het nieuwe klimaatakkoord tezamen met deze coalities moeten zorgen voor meer aandacht en investeringen in klimaat. De belangrijkste uitgangspunten daarbij zijn het mobiliseren van meer financiering voor klimaat en een focus op de allerarmsten. Ten slotte is inzet op genderbeleid bij de aanpak van klimaatverandering van belang, met name omdat vrouwen als «agents of change» de transitie naar een groene en duurzame economie kunnen versterken.
Het weren van journalisten bij informatieavonden in asielzoekerscentra (azc's) |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Journalisten geweerd bij informatieavonden azc»?1
Ja.
Hoe duidt u de brandbrief van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, waarin onder meer wordt gesteld: «In een open en democratische samenleving is het aan de journalistiek zelf om te bepalen waar verslag van wordt gedaan, hoe dat wordt gedaan en welke middelen worden ingezet»?
Zoals ook geantwoord op de vragen van de leden Taverne en Azmani (beiden VVD) (Kamervragen 2016Z01713 d.d. 28-01-2016) hebben gemeenten omtrent informatiebijeenkomsten over asielzoekerscentra afwegingen gemaakt die het aantal aanwezige journalisten beperken, het aantal camera’s beperken of alleen schrijvende of lokale media toelaten. Redenen hiervoor zijn veiligheidsaspecten, de beperkte ruimte waar de bijeenkomst wordt gehouden of het willen voorkomen dat inwoners zich niet durfden uit te spreken door de aanwezigheid van een veelvoud aan camera’s.
Daarbij begrijp ik van deze gemeenten ook dat er allerlei maatregelen zijn genomen om de media wel hun werk te laten doen. Hierbij kunt u denken aan een livestream in een nabije ruimte, persconferenties achteraf of het achteraf breed beschikbaar stellen van beelden.
Deelt u de visie dat door de beperkingen die gemeenten aan journalisten opleggen, inzake verslaglegging informatieavonden azc's, de persvrijheid in het geding is? Kunt u uw antwoord toelichten?
In onze democratische rechtsstaat moeten journalisten vrij hun werk kunnen doen. De vrijheid van meningsuiting en informatiegaring en -verspreiding is een groot goed en wordt beschermd door artikel 7 van de Grondwet en diverse verdragen. Alleen specifieke redenen, zoals veiligheid of beperkte locatieruimte, kunnen aanleiding zijn de pers te weren of niet iedereen binnen te laten. Dergelijke maatregelen dienen echter proportioneel te worden genomen. Ik heb vooralsnog geen reden om aan te nemen dat de genomen maatregelen disproportioneel waren.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te bewerkstelligen dat er te allen tijde volwaardig journalistiek verslag kan worden gedaan van dit soort informatieavonden?
Gemeenten hebben een eigen verantwoordelijkheid om bij de organisatie van informatieavonden een proportionele afweging te maken tussen veiligheid en openheid. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 2 begrijp ik van gemeenten dat zij dit ook als zodanig proberen te doen. Gemeenten zullen de gemaakte keuzes ook moeten verantwoorden aan de gemeenteraad.
Het bericht dat COA-personeel een asielzoeker heeft ontmoedigd om aangifte te doen van discriminatie en bedreiging |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «COA laat asielzoekers aan hun lot over»?1
Ja.
Kunt u reageren op het feit dat in deze casus naar voren wordt gebracht dat medewerkers van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) een asielzoeker met verschillende negatieve consequenties van het doen van aangifte van discriminatie en/of bedreiging hebben geconfronteerd? Past dit in de lijn die door de regering is gekozen, dat aangifte van dergelijke strafbare feiten zoveel als mogelijk moet worden gestimuleerd?
Uit navraag bij het COA is mij gebleken dat hier geen sprake is geweest van het ontmoedigen van het doen van aangifte.
In zijn algemeenheid benadruk ik het belang van het doen van aangifte in geval van (mogelijk) strafbare feiten. In dergelijke gevallen zal het COA het slachtoffer stimuleren om aangifte te doen en het slachtoffer daarbij desgewenst begeleiding bieden. Voor COA medewerkers weegt het welzijn en belang van bewoners immers zwaar. Het stimuleren van aangiftebereidheid hoort daarbij.
Desondanks zal niet iedere bewoner aangifte willen of durven doen. Het COA kan dan een melding doen bij de politie of aangifte doen als getuige.
In het kader van de aanscherping van de aanpak van overlastgevende en criminele asielzoekers, waar ik uw Kamer in maart nader over zal informeren, zal ook aandacht worden besteed aan het aspect van aangiftebereidheid.
Welke vormen van toezicht vinden plaats op het gedrag van COA-personeel jegens asielzoekers en in welke mate komt dit gedrag overeen met de richtlijnen die door het COA zijn opgesteld, en de beleidsdoelen die door u aan het COA worden meegegeven? Acht u de aanwezige vorm(en) van toezicht adequaat? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid het toezicht te intensiveren?
COA-managers zien er op toe dat hun medewerkers werken binnen de staande beleidskaders en richtlijnen. Het COA heefteen gedragscode die voor alle medewerkers en vrijwilligers van toepassing is. Hierin is onder meer voorgeschreven dat iedere medewerker respectvol en mensgericht dient te handelen, dat het bieden van veiligheid aan bewoners een belangrijk uitgangspunt is van het handelen, dat de medewerkers van het COA integer, professioneel en discreet dienen te zijn en te handelen, en dat zij iedere bewoner op een gelijkwaardige wijze moeten benaderen.
Het COA kent ook een klachtenregeling. Iedere bewoner kan een klacht indienen wanneer hij of zij ontevreden is over de wijze waarop een medewerker van het COA zich jegens hem of haar heeft gedragen (of bepaald gedrag heeft nagelaten). Er zijn geen formele vereisten aan het indienen van een klacht verbonden en het kan zowel schriftelijk als mondeling. Het COA is gehouden aan diverse voorschriften die zien op de afhandeling van een klacht.
Tot slot wijs ik op de rol van onafhankelijke partijen zoals de Inspectie VenJ, die bijvoorbeeld – in het kader van de gevolgen van de hoge asielinstroom – periodiek meekijkt op de tijdelijke opvangvoorzieningen en hoe het COA hier invulling aan geeft.
Bent u bereid in het licht van deze casus uw positie ten aanzien van het instellen van vertrouwenspersonen op elke opvanglocatie te herzien, met het oog op ondersteuning bij psychische problemen en het bevorderen van het doen van aangiftes? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik meerdere malen richting de Tweede Kamer heb aangegeven zie ik geen meerwaarde in een afzonderlijke vertrouwenspersoon voor kwetsbare groepen. Bewoners kunnen bij iedere medewerker terecht als zij zich bedreigd voelen of geconfronteerd worden met concrete situaties van discriminatie, pesterijen of bedreigingen. Ook moeten alle medewerkers adequaat optreden in geval van incidenten en bewoners stimuleren tot het doen van aangifte. Zo nodig ondersteunt het COA zijn medewerkers bij het uitoefenen van de rol van vertrouwenspersoon door middel van voorlichting en training.
Kunt u aangeven of het bestuurlijke instrumentarium dat het COA ter beschikking heeft om sancties op te leggen aan asielzoekers die wangedrag tegen andere asielzoekers vertonen, momenteel voldoende is?
Het COA kan overlastgevende asielzoekers sanctioneren op basis van het Reglement Onthouding Verstrekkingen (ROV). Het ROV bevat het sanctiebeleid van het COA en geeft het kader op basis waarvan het COA verstrekkingen aan zijn bewoners kan onthouden en maatregelen kan toepassen in geval van overlast. De meest zware ROV-sanctie is het stopzetten van de opvang voor kortere of langere duur, dan wel definitief.
Zoals ik heb toegezegd zal ik uw Kamer in maart informeren over de aangescherpte aanpak van overlastgevende en criminele asielzoekers. Hierbij zal ook worden ingegaan op de aanscherping van het ROV.
Hoe vaak is afgelopen jaar door het COA een boete, een overplaatsing of een andere sanctie opgelegd aan een asielzoeker op basis van wangedrag?
In 2015 heeft het COA in totaal 7.470 maatregelen opgelegd op basis van het ROV. Een maatregel kan inhouden dat leefgeld is onthouden of dat de opvang (voor bepaalde tijd) is ontzegd.
Van de 7.470 zijn er 2.955 maatregelen opgelegd naar aanleiding van het niet voldoen aan de meldplicht.
Daarnaast heeft het COA 4.515 keer een maatregel opgelegd naar aanleiding van incidenten zoals genoemd in het overzicht incidenten 2015 in- en rondom COA opvanglocaties, dat ik in januari jl. openbaar heb gemaakt.2 Deze incidenten behoren tot de categorieën «overlast in COA-opvang locaties zelf» en «door COA geregistreerde agressie en geweld tegen personen». De incidenten waar het hier om gaat zijn zeer divers van ernst, aard en omvang. Dit varieert bijvoorbeeld van het niet schoonmaken van de eigen kamer, het afplakken van de brandmelder, het veroorzaken van geluidsoverlast tot fysieke agressie zoals slaan of schoppen.
Het overplaatsen van een bewoner is overigens niet in alle gevallen een sanctie. Bewoners kunnen om verschillende redenen worden overgeplaatst, bijvoorbeeld omdat een bewoner hiertoe heeft verzocht of omdat het in het kader van veiligheid en leefbaarheid noodzakelijk wordt geacht.
Het bericht ‘Europese stresstest bevestigt kwetsbaarheden pensioenfondsen’ |
|
Roos Vermeij (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Europese stresstest bevestigt kwetsbaarheden pensioenfondsen» op de website van De Nederlandsche Bank (DNB)?1
Ja.
In hoeverre onderschrijft u het beeld dat Nederlandse pensioenfondsen kwetsbaar zijn voor schokken op de financiële markten omdat pensioenfondsen in de huidige lage-rente-omgeving nauwelijks beschikken over buffers en een hoger risicoprofiel hanteren? Deelt u de mening dat de resultaten van de stresstest van de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) in de huidige lage-rente-omgeving zeer zorgelijk zijn voor pensioenfondsen, deelnemers en gepensioneerden?
EIOPA laat zien dat pensioenfondsen kwetsbaar zijn voor nieuwe financiële schokken. De afgelopen jaren zijn door de financieel-economische crisis de dekkingsgraden van pensioenfondsen sterk gedaald, waardoor zij niet of nauwelijks meer over buffers beschikken om nieuwe financiële klappen op te vangen. Ook heeft Nederland ten opzichte van andere Europese landen relatief veel pensioenvermogen opgebouwd. Fondsen beleggen dit vermogen deels in zakelijke waarden om een hoger rendement te realiseren met als keerzijde dat zij beleggingsrisico lopen. Bovendien is met een belegging in aandelen het risico van een dalende rente niet afgedekt.
Pensioenfondsen hebben meestal een uitkeringsovereenkomst aan hun deelnemers toegezegd. Het ftk heeft tot doel dat fondsen deze uitkeringsbelofte zo goed mogelijk nakomen. Om ervoor te zorgen dat ook op de lange termijn voldoende geld beschikbaar blijft voor het nakomen van deze belofte, wordt de actuele waarde van de pensioenverplichtingen berekend op basis van de risicovrije marktrente. De risicovrije rente geeft immers het rendement weer dat een belegger zou mogen verwachten van een zo veilig mogelijke belegging in een bepaalde periode. Aan de hand van de risicovrije markrente kan zo op een objectieve wijze worden vastgesteld hoeveel geld er nu voor een toekomstig pensioen van een bepaalde toegezegde hoogte gereserveerd moet zijn. Niet alleen voor de huidige pensioenen, maar ook voor pensioenen die bijvoorbeeld pas over veertig jaar moeten worden uitgekeerd. Bij de huidige lage rentestand zal er voor alle deelnemers in een pensioenfonds meer geld gereserveerd moeten worden dan bij een hoge rentestand. Dat is geen gevolg van het ftk, maar van de lage rentestand op de financiële markten. Iedereen die in de toekomst een vooraf gedefinieerd doelvermogen of een uitkering van een bepaalde hoogte wil realiseren, ontkomt niet aan de financiële realiteit dat er bij een lage rente meer geld gereserveerd zal moeten worden. Bij de aanpassing van het financieel toetsingskader (ftk) in 2015 is de waardering van pensioenverplichtingen dan ook niet gewijzigd.
Wel zijn in het ftk verschillende maatregelen genomen om bij de sturing van pensioenfondsen meer stabiliteit in te bouwen. Door de invoering van de beleidsdekkingsgraad is de beleidsmatige sturing niet afhankelijk van dagkoersen, maar van een 12-maands voortschrijdend gemiddelde waarde van de bezittingen en verplichtingen. De gewijzigde herstelsystematiek stelt pensioenfondsen in staat om de gevolgen van «schokken» op de financiële markten en bij de levensverwachting beter gespreid in de tijd te kunnen verwerken. De toepassing van een ufr in de rentetermijnstructuur zorgt voor meer stabiliteit bij het waarderen van verplichtingen met zeer lange looptijden (> 20 jaar). Het aangepaste ftk kan financiële risico’s niet wegnemen, maar voorkomt wel dat pensioenfondsen op basis van dagkoersen ingrijpende maatregelen moeten nemen.
Naar aanleiding van de motie Vermeij heeft DNB de renteafdekking door pensioenfondsen onderzocht. Het onderzoek laat zien dat het afdekken van het renterisico ook na de aanpassing van het ftk een functie heeft. De aanpassing van het ftk heeft wel de spanning verminderd tussen enerzijds de wens om nominale kortingen te voorkomen en anderzijds het streven naar koopkrachtbehoud. Dit kan voor pensioenfondsen aanleiding zijn om een andere afweging te maken over de mate waarin zij hun renterisico afdekken. Daarom hebben fondsen met een reservetekort de eenmalige mogelijkheid gekregen om hun renteafdekking (deels) af te bouwen, zonder dat zij tegelijkertijd hun beleggingen in zakelijke waarden hoeven te verminderen.
Klopt het dat het oude Financieel Toetsingskader (FTK) rentegevoelig was? Klopt het tevens dat het huidige FTK nog steeds rentegevoelig is? Kunt u uw mening ook plaatsen in de context van de motie Vermeij c.s.2 die ingaat op de vraag of en in welke mate renteafdekkingen in het huidige FTK tot problemen zouden kunnen leiden?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om inzicht te geven hoe het op dit moment staat met de buffers van onze pensioenfondsen? Bent u ook bereid om in kaart te brengen hoe het komt dat pensioenfondsen een relatief hoog risicoprofiel hebben en welke gevolgen zo een hoog risicoprofiel zou kunnen hebben? Zo nee, waarom niet?
Ja. In mei zal ik u een update sturen van de financiële positie van de pensioenfondsen, inclusief een appreciatie van het kabinet. Daarin zal ook worden ingegaan op het risicoprofiel van pensioenfondsen.
Uit de stresstest van EIOPA blijkt dat de Nederlandse pensioensector een relatief grote portefeuille zakelijke waarden kent en het renterisico beperkt afgedekt wordt; in hoeverre zouden pensioenfondsen er profijt van kunnen hebben om al dan niet eenmalig de mogelijkheid te krijgen om hun strategisch beleggingsbeleid aan te kunnen passen?
In het kader van de aanpassing van het ftk per 1 januari 2015 hebben fondsen die niet over voldoende buffer beschikken, maar wel voldoen aan het minimaal vereist eigen vermogen, reeds de mogelijkheid gekregen om hun strategisch beleggingsbeleid eenmalig risicovoller te maken. De uitkomsten van de stresstest van EIOPA geven aan dat fondsen hun beleggingsbeleid wellicht juist minder risicovol zouden moeten maken door de portefeuille zakelijke waarden te verkleinen en/of de renteafdekking te vergroten. Fondsen kunnen hun beleggingsbeleid altijd minder risicovol maken.
Welke opties ziet u in het huidige FTK om pensioenfondsen de ruimte te geven om om te kunnen gaan met de huidige lage-rente-omgeving? Kunt u hierbij reflecteren op het aanpassen van het risicoprofiel, het verlengen van de herstelplannen, de aanpassing van de UFR en de striktere (reken)regels van het FTK?
Zoals bij het antwoord op vraag 4 aangegeven zal ik in mei een rapportage sturen over de financiële positie van pensioenfondsen, inclusief een appreciatie van het kabinet waarin ook zal worden ingegaan op de mogelijkheden om binnen het huidige wettelijke kader om te gaan met de huidige ongunstige omstandigheden voor pensioenfondsen.
Hoe kijkt u naar de constatering van de stresstest van EIOPA dat in veel landen de risico's vooral bij de werkgevers blijken te liggen terwijl in Nederland vooral de deelnemers last hebben van de gevolgen van de lage dekkingsgraden? In hoeverre acht u dit als wenselijk?
De inhoud van de pensioenovereenkomst is in Nederland een afspraak tussen sociale partners. Het is aan hen om afspraken te maken over de hoogte van de pensioenopbouw en de financiële opzet die daarbij hoort. Daarbij kunnen zij eventueel afspraken maken over bijstortingen van de werkgever. Het financieel toetsingskader stelt vervolgens financiële randvoorwaarden, waardoor die afspraken zo goed mogelijk nagekomen kunnen worden. Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief «hoofdlijnen van een toekomstig pensioenstelsel» zijn werkgevers in Nederland de afgelopen jaren steeds minder vaak bereid om het risico te dragen van oplopende pensioenlasten. Daar speelt de vergrijzing een rol bij. In het verleden konden tegenvallers, zoals lage beleggingsrendementen, nog relatief gemakkelijk worden opgevangen met een verhoging van de pensioenpremies. Tegenwoordig is dat lastiger, mede omdat er door vergrijzing minder premiebetalers zijn en in Nederland een relatief hoog pensioenvermogen is opgebouwd. Daarnaast hebben de aanvullende pensioenen in Nederland een relatief hoog ambitieniveau. In andere landen vallen de resultaten die EIOPA heeft berekend vaak mee, omdat het door pensioenfondsen opgebouwde vermogen daar relatief beperkt is.
Kunt u nader toelichten hoe DNB van plan is om extra op te letten dat pensioenfondsen realistisch zijn over hun financiële positie en hun deelnemers hierover eerlijk en helder informeren?
DNB en AFM voeren in het kader van hun toezichtstaken onderzoek uit. Een belangrijk onderwerp van het toezicht in 2016 is de financiële opzet van pensioenfondsen en de communicatie daarover richting de deelnemers. Het gaat daarbij om de vraag of pensioenfondsen hun deelnemers goed informeren over de kansen op koopkrachtbehoud en of zij voorkomen dat deelnemers verkeerde verwachtingen hebben over de hoogte van hun toekomstige pensioeninkomen. Hiertoe wordt de financiële opzet van pensioenfondsen geanalyseerd en wordt gekeken naar de manier waarop die wordt vertaald in informatie richting de deelnemers. Evenwichtige communicatie vereist dat als er een materiële kans bestaat dat in de komende jaren gekort moet worden of dat deelnemers geen tot weinig indexatie kunnen verwachten, deelnemers hierover goed worden geïnformeerd. Ook de Wet Pensioencommunicatie, die per 1 juli 2015 van kracht is geworden, draagt eraan bij dat deelnemers in een pensioenregeling beter in staat worden gesteld om een goede financiële planning voor hun oude dag te maken.
Het intrekken van het instemmingsrecht op de faculteitsbegroting door de faculteitsraad |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Paul van Meenen (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over het intrekken door het College van Bestuur (hierna CvB) van de Universiteit Leiden van het toegekend instemmingsrecht door de faculteitsraad Sociale Wetenschappen op hoofdlijnen van de faculteitsbegroting?1
Ja, ik ken de inhoud van het artikel in Mare van 28 januari 2016.
Hoe beoordeelt u deze handeling van het CvB van de Universiteit Leiden, waarmee zij afgestemde afspraken tussen studenten en faculteitsbestuur terugdraait, ook in het licht van de doelstelling om studenten juist meer invloed op hun eigen onderwijs te bieden?
Navraag heeft mij geleerd dat de voorstelling van zaken in het artikel van Mare van 28 januari 2016 niet helemaal juist lijkt te zijn.
Het college van bestuur van de universiteit Leiden heeft in het voorjaar van 2015 met de universiteitsraad afspraken gemaakt over de invulling van het instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting. Deze afspraken zijn ook nagekomen. In deze afspraken was geen rol voorzien voor de decentrale medezeggenschap; dit is noch aan de kant van het college van bestuur, noch aan de kant van de universiteitsraad aan de orde geweest. In het najaar bleek dat er bij twee faculteiten discussie was ontstaan, omdat de faculteitsraden veronderstelden dat zij beschikten over het instemmingsrecht op hun facultaire begroting. Dit heeft er toe geleid dat – op verzoek van de faculteitsbesturen – het college van bestuur in een brief heeft uitgelegd dat dit niet aan de orde was, omdat dit simpelweg niet was afgesproken met de universiteitsraad. In tegenstelling tot waar het artikel in de MARE van uit lijkt te gaan, is er geen brief uitgegaan waarmee het instemmingsrecht aan de decentrale medezeggenschap is toegekend en ook geen brief waarmee dergelijke afspraken zijn teruggedraaid.
Deelt u de mening dat de wijze waarop het CvB de mogelijkheid tot invloed op hoofdlijnen van de faculteitsbegroting uitlegt, een te nauwe lezing of interpretatie is van de mogelijkheid die een universiteit en een faculteitsbestuur heeft om studenten invloed te geven?
Nee, die mening deel ik niet. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 2, waaruit volgt dat er wat mij betreft geen sprake is geweest van een onjuiste uitleg door het college van bestuur.
Het instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting, zoals vastgelegd in de Wet studievoorschot hoger onderwijs (Wet van 21 januari 2015, Stb. 50), gaat uit van instemmingsrecht op instellingsniveau en geldt in principe dus voor de centrale medezeggenschapsraad. Alleen waar de besluitvorming over de hoofdlijnen van de begroting (verdeling van middelen over de in de wet genoemde beleidsterreinen) niet op instellingsniveau gebeurt maar op facultair niveau, geldt het instemmingsrecht op facultair niveau en niet op instellingsniveau. Voor een toelichting op de wijze waarop het instemmingsrecht op faculteitsniveau kan worden vormgegeven, verwijs ik u naar de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstuk 34 251, nr. 6).
Bent u bereid om hierover in gesprek te gaan met het CvB van de Universiteit Leiden om het duidelijk te maken dat deze inzet niet strookt met de wens van een Kamermeerderheid om instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting ook op faculteitsniveau mogelijk te kunnen maken?
Ook hierbij verwijs ik naar het antwoord op vraag 2. Er is geen sprake van dat de inzet van het college van bestuur niet strookt met de wens van een Kamermeerderheid. Ik merk hierbij op dat van een Kamermeerderheid voor instemmingsrecht op hoofdlijnen van de begroting op faculteitsniveau geen sprake is aangezien het amendement op Kamerstuknummer 34 251, nr. 26 door uw Kamer is verworpen. Een gesprek tussen het college van bestuur van de universiteit Leiden en mijzelf over dit punt is dan ook niet aan de orde.
Bent u bereid om dit zo mogelijk en indien noodzakelijk ook duidelijk te maken richting andere hoger onderwijsinstellingen om te voorkomen dat zij op dezelfde beperkende wijze invulling geven aan instemmingsrecht van studenten op hoofdlijnen van de begroting?
Zoals volgt uit mijn antwoorden op de vragen 2 en 4 is er geen sprake van geweest dat het college van bestuur op beperkende wijze invulling heeft gegeven aan het instemmingsrecht van studenten op hoofdlijnen van de begroting. Het college van bestuur heeft in het onderhavige geval gehandeld overeenkomstig mijn brief van 31 maart 2015. In deze brief heb ik aan de colleges van bestuur van de instellingen voor hoger onderwijs uiteengezet op welke wijze aan het instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting invulling kan worden gegeven.
Gelet hierop zie ik dan ook geen aanleiding richting andere hoger onderwijsinstellingen op het punt van invulling van het instemmingsrecht een en ander duidelijk te maken. Instellingen hebben de invulling van het instemmingsrecht op de hoofdlijnen van de begroting opgepakt en de medezeggenschap heeft dit instemmingsrecht kunnen uitoefenen. Dit proces is op alle instellingen ook bijna afgerond. Ik merk hierbij op dat de wet ook voorziet in de mogelijkheid om dit proces – indien nodig – na de jaarwisseling af te handelen.
De reeks van incidenten bij de kerncentrale Tihange |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Omstreden kernreactor Tihange opnieuw uitgevallen»»?1
Ja.
Hoe schat u de veiligheidssituatie bij de kerncentrale bij Tihange in, nu de kerncentrale alweer is stilgelegd als gevolg van een lekkage, kort nadat de centrale in december al stil was gelegd vanwege duizenden scheurtjes in kernreactor 2?
De Belgische toezichthouder heeft na uitgebreid onderzoek toestemming gegeven voor het opstarten van de kernreactor Tihange 2 in december vorig jaar. Op 24 januari 2016 is de reactor Tihange 2 preventief in warme stilstand gebracht als reactie op een lekkage in de machinezaal. Het lek vond plaats in het niet-nucleaire deel van de reactor en had geen gevolgen voor de nucleaire veiligheid. Nucleaire veiligheid wordt geborgd doordat dergelijke storingen niet leiden tot ongevallen of gevaar voor de omgeving, maar tot een gecontroleerde automatische afschakeling of door het inschakelen van een back-up systeem. De ANVS heeft op aanvraag duiding gehad over deze storing van het Belgische Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC). Het FANC gaf aan dat deze storing geen gevolgen had voor de veiligheid van de kernreactor of de omgeving.
Kunt u een overzicht geven van de incidenten die zich de afgelopen drie jaar bij de kerncentrales Doel en Tihange hebben voorgedaan?
Nucleaire incidenten en ongevallen worden ingeschaald volgens de internationale INES schaal (http://www.autoriteitnvs.nl/onderwerpen/ines). Deze inschaling loopt van INES-1 (storing) tot INES-7 (zwaar ongeval). België hanteert net als Nederland een systeem waarbij ook ongewone gebeurtenissen zonder veiligheidsrelevantie worden gerapporteerd, in België worden deze de «N-nul» meldingen genoemd. Het Belgische Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) houdt incidenten bij voor de Belgische reactoren. Het FANC publiceert deze incidenten op de website (www.fanc.fgov.be) en in haar jaarrapporten. In de Belgische kerncentrales Doel en Tihange hebben zich de afgelopen jaren alleen incidenten voorgedaan die zijn ingeschaald op INES-1 niveau. In 2015 waren dit er 8, in 2014 waren het er 4 en in 2013 waren dit er 10. Het FANC publiceert geen statistieken van de N-nul meldingen. Dergelijke gebeurtenissen hebben geen relevantie voor de nucleaire veiligheid, de lekkage van 24 januari in Tihange 2 was een dergelijke gebeurtenis maar ook kleine persoonlijke ongelukken waarbij een ambulance nodig is op het terrein van de kerncentrale vallen hieronder.
Bent u bereid u aan te sluiten bij de juridische stappen die Maastricht en Aken gaan zetten?2 Zo nee, waarom niet?
Nee, ik sluit niet aan bij de genoemde juridische stappen. De nucleaire veiligheid in België is een nationale verantwoordelijkheid van de Belgen. In mijn gesprek met onder andere de burgemeester van Maastricht op 18 januari jl. heb ik aangegeven dat ik juridische stappen van gemeenten beschouw als een zaak van de gemeenten zelf.
Welke ondersteuning kunt u Maastricht bieden in de juridische stappen tegen de Belgische kerncentrales?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Belgische senator dat de Nederlandse zorgen «bangmakerij en stemmingmakerij» zijn?3
Ik heb begrip voor de gevoelens van onrust bij de bevolking in met name de grensregio’s. De complexiteit van nucleaire installaties en de aandacht van de media maken het niet altijd duidelijk of een bedrijfsmatige storing iets is waar (potentieel) gevaar in schuilt of niet. Daarom heb ik gevraagd of de ANVS en de Veiligheidsregio’s en de Belgische autoriteiten in contact willen treden om te kijken hoe het versterken van de informatiepositie kan bijdragen aan het verminderen van de zorgen en onrust.
Hoe veilig zijn de kerncentrales van Tihange en Doel volgens u?
Het onafhankelijke Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) houdt toezicht op de veiligheid van de betreffende reactoren. Het FANC is van oordeel dat de centrales voldoen aan de veiligheidseisen zijn. Ik heb geen aanwijzing dat het oordeel van het FANC niet klopt.