De schokkende uitspraken van een Gemeenteraadslid |
|
Selçuk Öztürk (GrKÖ) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Haagse PVV’er: Islam mag weggevaagd worden»?1
Ja.
Heeft u al uw afschuw uitgesproken over deze uitspraken? Zo nee, waarom niet?
Vrijheid van godsdienst is een groot goed en wordt door de Nederlandse Grondwet gewaarborgd, als ook door mensenrechtenverdragen. Dat geldt evenzeer voor de vrijheid van meningsuiting. Binnen de grenzen van het recht heeft eenieder zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen, ook volksvertegenwoordigers. Daarbij worden soms meningen geuit die als onwelgevallig of als kwetsend kunnen worden ervaren. Onderhavige uitlatingen geven er naar mijn mening geen rekenschap van dat we mensen als individu behandelen, met een eigen identiteit, waarvan de godsdienst die zij aanhangen een onderdeel vormt.
Wat voor signaal gaat er naar uw mening uit naar groepen in onze samenleving door deze uitspraken?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat dergelijke uitspraken een vorm zijn van haat zaaien? Zo nee, waarom niet?
De vraag of de uitlatingen als «haat zaaien» of enig ander strafbaar feit moeten worden aangemerkt is niet aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; dat staat uitsluitend ter beoordeling van de strafrechter.
Bent u het eens dat volksvertegenwoordigers een voorbeeldfunctie hebben en dat dergelijke uitspraken het verkeerde signaal zijn jegens burgers? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om burgemeester Van Aartsen op te roepen om het betreffende raadslid bij hem op het matje te roepen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Dat is aan de burgemeester zelf.
Vindt u dat, na deze uitspraken, het betreffende raadslid haar functie zou moeten neerleggen? Zo nee, waarom niet?
Het lidmaatschap van de gemeenteraad eindigt alleen in een aantal in hoofdstuk X van de Kieswet limitatief genoemde gevallen. Beëindiging van het lidmaatschap anders dan door overlijden of (al dan niet tijdelijke) ontslagneming door het lid zelf, is uitsluitend mogelijk wanneer onherroepelijk is komen vast te staan dat een lid een van de vereisten voor het lidmaatschap niet bezit of dat hij een met het lidmaatschap onverenigbare betrekking vervult, of ingeval de raad het lidmaatschap vervallen verklaart wegens handelen in strijd met artikel 15 van de Gemeentewet (verboden handelingen). Van enige bevoegdheid mijnerzijds het betreffende raadslid uit haar functie te ontheffen, is geen sprake. Voor het overige zij verwezen naar het antwoord gegeven op de vragen 2, 3, en 5.
Bent u bereid om het betreffende raadslid onmiddellijk uit haar functie te ontheffen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u een inhoudelijk en/of cijfermatig overzicht geven van de mogelijke oververtegenwoordiging van PVV-volksvertegenwoordigers bij uitingen van haatzaaierij en/of uitingen met een discriminatoir karakter? Zo nee, waarom niet?
Nee. Er zijn hieromtrent geen onderzoeksgegevens beschikbaar. Verder zij verwezen naar het antwoord dat op vraag 4 is gegeven.
Is het mogelijk om in de toekomst voor PVV-volksvertegenwoordigers voorlichtingsbijeenkomsten te organiseren over de thema’s verdraagzaamheid en het bestrijden van islamofobie? Zo nee, waarom niet?
Het staat eenieder vrij bijeenkomsten te organiseren. Een initiatief daartoe zal echter niet door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden genomen.
Bent u bereid om uitingen van PVV-volksvertegenwoordigers op social media aan een grondige analyse te onderwerpen, zodat het internet gevrijwaard wordt van PVV-haatzaaierij? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord dat op vraag 4 is gegeven.
Het bericht ‘Machtige lobby houdt scheepvaart milieuvervuilend’ |
|
Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Machtige lobby houdt scheepvaart milieuvervuilend»? 1
Ja.
Herkent u zich in de stellingname dat verduurzamen niet hoog op het prioriteitenlijstje van veel rederijen staat en dat deze sector niet wil veranderen en een uitermate sterk lobby-apparaat heeft? Zo nee, wat is uw algemene beeld over deze sector als het gaat om verduurzaming?
De zeevaart is mondiaal een van de meest gereguleerde sectoren, zowel voor milieu-eisen als voor veiligheids- en bemanningseisen. De Internationale Maritieme Organisatie (IMO) is het VN-gremium voor scheepvaartregelgeving. Er zijn 171 landen lid. Ieder land heeft één stem en er worden gezamenlijk besluiten genomen. Al deze landen hebben verschillende kuststaat, havenstaat of vlaggenstaat belangen, en het komen tot een gezamenlijk besluit kan soms lastig zijn of tijd kosten. Toch heeft IMO de laatste jaren laten zien dat er vergaande milieuafspraken kunnen worden gemaakt, waarvoor IMO terecht wordt geprezen. Voorbeelden hiervan zijn het Hong Kong verdrag over het slopen van schepen, de strengere eisen in het MARPOL verdrag voor schone brandstof en schone motoren, en recent de Polar Code, waarin milieu- en veiligheidseisen zijn gesteld voor zeevaart in polaire gebieden.
Welke maatregelen worden door de Nederlands overheid en de Nederlandse havens genomen om de overgang van vervuilende bunkerolie naar het veel milieuvriendelijkere LNG (liquefied natural gas) te bevorderen? Welke aanvullende maatregelen bent u voornemens nog te treffen?
Nederland streeft, via IMO, naar regelgeving om de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken. In IMO-verband heeft mijn ministerie bijgedragen aan strengere uitstootnormen in daartoe aangewezen emissie-beheersgebieden, het betreft hier bijvoorbeeld normen voor de uitstoot van stikstof en zwavel. Ik ondersteun het gebruik van LNG als een van de manieren om aan deze strengere regelgeving te kunnen voldoen. Mijn ministerie heeft voorts in IMO bijgedragen aan het regelgevend kader om varen op LNG mogelijk te maken en draagt in Europees verband bij aan een dekkende infrastructuur van LNG bunkerstations langs het TEN-T kernnetwerk, een netwerk dat zorgt voor een betere spoor-, binnenvaart- en zee-infrastructuur. In mijn brief van 16 oktober 2015 ben ik hier op ingegaan (TK 31 409, nr. 92).
In het European Sustainability Shipping Forum draagt Nederland bij aan het wegnemen van belemmeringen van LNG voor bestaande en nieuwe schepen. Nationaal ondersteunt IenM het nationaal LNG-platform, voortkomend uit de «green deal LNG: Rijn en Wadden». Ook havens kunnen bijdragen aan de bevordering van het gebruik van LNG. Het havenbedrijf Rotterdam doet dit bijvoorbeeld door specifieke LNG-tankers met een zogenaamde «green award» 6% korting te geven op de havengelden. Schepen die door gebruik van LNG hoog scoren op de Environmental Ship Index (ESI) krijgen in de Rotterdamse haven een korting van 10%.
Zijn er landen die meer verplichtende maatregelen treffen om de overgang naar LNG te bespoedigen? Bent u bekend met de effecten van die maatregelen?
Nederland werkt in internationaal verband samen aan doelvoorschriften om de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken. Een voorbeeld is de normering van zwaveluitstoot in de Noordzee, wat de overgang van LNG kan bespoedigen. Ook kunnen relatief schone mariene dieselolie en zogenaamde «scrubbers» gebruikt worden. In IMO-verband wordt momenteel onderzocht wat de effecten zijn van een aanstaande mondiale zwavelnorm in 2020 of 2025. Een mondiale zwavelnorm kan leiden tot een toename van gebruik van LNG als brandstof. Mijn ministerie neemt deel aan de stuurgroep, die toeziet op het onderzoek. Eind dit jaar worden de resultaten bekend en in IMO-verband besproken.
Is het waar dat de huidige Europese milieuregels omtrent de uitstoot van schadelijke stoffen (de Emission Control Area’s) momenteel niet goed worden gehandhaafd? Waarom worden er nauwelijks boetes opgelegd? Op welke wijze kan de (Nederlandse) handhaving worden geïntensiveerd? Bent u hiertoe ook bereid?
Ik heb geen signalen dat de Europese milieuregels omtrent de uitstoot van schadelijke stoffen door schepen slecht worden gehandhaafd.
De norm van 0.1% zwavel in scheepsbrandstof die gebruikt wordt binnen de Emission Control Area geldt vanaf 1 januari 2015. De ILT heeft vanaf 1 januari 2015 tot nu toe 305 zeeschepen gecontroleerd op naleving van deze norm. Vanwege overtreding van de brandstofregels heeft de ILT 11 schepen aangehouden. Met het Openbaar Ministerie maakt de ILT momenteel afspraken over een adequate inrichting van de strafrechtelijke handhaving.
De Nederlandse handhaving wordt verder geïntensiveerd door de ontwikkeling van een risicogestuurde aanpak met nieuwe controlemethodes, de uitwisseling van controlegegevens en een adequate handhaving met boetes. De ILT werkt daarbij samen met inspecties van andere landen.
Bent u bereid draagvlak te zoeken voor een Europees boetesysteem in het kader van de Europese milieuregels, waarmee een eerlijk speelveld wordt gecreëerd en waardoor Europese havens op eenzelfde wijze boetes uitdelen? Zo ja, kunt u de Kamer vóór 1 januari 2017 over de uitkomsten van uw inspanningen informeren? Zo nee, waarom niet?
Om het toezicht op de nieuwe zwavelnorm te uniformeren heeft de Europese Commissie voorschriften gesteld voor het aantal controles en de wijze van monsterneming. Op basis van afspraken in de EU moet sinds 1 januari 2016 10% van de individuele schepen die een Nederlandse haven aandoen gecontroleerd worden op het zwavelgehalte in de scheepsbrandstof. Dit geldt ook voor andere landen in het gebied waarvoor de nieuwe zwavelnorm van kracht is. Nederland neemt samen met andere landen het voortouw om het toezicht en handhaving binnen EU lidstaten verder te uniformeren.
Het is de vraag of er voldoende draagvlak is binnen de EU om tot een dwingend Europees boetesysteem te komen, in de wetenschap dat handhaving en sanctionering over het algemeen een aangelegenheid is van de lidstaten.
De diverse Europese rechtssystemen kennen immers grote verschillen in de mogelijkheden en beperkingen bij het opleggen van sancties ten aanzien van dit soort overtredingen. Vanwege deze belemmering zal ik mij eerst sterk maken voor internationale afstemming van de handhaving.
Is er – na het niet opnemen van milieuregels over lucht- en scheepvaart in het Parijse klimaatakkoord – enig uitzicht op mondiale regels om de scheepvaart te verduurzamen? Zo ja, wanneer verwacht u dat hiertoe stappen gezet kunnen worden?
In 2011 heeft de IMO energie efficiëntie standaarden afgesproken, waardoor nieuwe schepen steeds energie efficiënter ontworpen zullen worden (tot 30% in 2025). Daarnaast worden in de IMO onderhandelingen gevoerd over een gefaseerde aanpak over maatregelen voor bestaande schepen:
De inzet is om nog dit jaar overeenstemming te bereiken over de eerste stap: een mondiaal datacollectiesysteem. Dit datacollectiesysteem maakt de weg vrij om ook in de scheepvaart (net als in de luchtvaart) concrete mondiale maatregelen te bespreken, waarmee het level playing field wordt gewaarborgd.
Het evacueren van reizigers uit gestrande treinen |
|
Eppo Bruins (CU) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Reizigers 3,5 uur vast in trein»1, «Treinreizigers gestrand: drieënhalf uur zonder licht en frisse lucht»2 en «Ongeduldige reizigers breken uit defecte trein Zaltbommel»?3 Herinnert u zich de brief van uw voorganger over gestrande treinen op de HSL4 en de brief van uw voorganger over diesellocs en het bergen van gestrande treinen?5
Ja, ik ken de berichten en de brieven waar de vraagsteller naar verwijst. Dat deze incidenten zich hebben voorgedaan vind ik samen met NS en ProRail onacceptabel. Reizigers moeten er van op aan kunnen dat ze zo snel mogelijk uit een dergelijke benarde positie verlost worden zodat ze hun reis kunnen voortzetten. Ik heb NS en ProRail gevraagd om gezamenlijk een evaluatie te maken op basis van de strandingen op het hoofdrailnet en de HSL over de afgelopen jaren, gericht op verbeteringen. Ook het toezicht van Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) zal daar mede op gericht zijn. Ik zal u over de uitkomst van deze evaluatie nader informeren.
Heeft u een overzicht van het aantal gestrande treinen op zowel hoofdrailnet, HSL als regionaal spoor sinds 2011 en het oponthoud per gestrande trein?
ProRail meldt dat er tussen december 2013 en februari 2016 1.828 treinen twintig minuten of langer zijn gestrand. Er reden ongeveer 3,4 miljoen treinen, dus dit komt neer op 0,05% gestrande treinen. Op basis van deze cijfers is geen onderscheid te maken tussen het hoofdrailnet en HSL.
Kunt u verklaren waarom het woensdag 4 november drieënhalf uur duurde voordat gestrande reizigers tussen Den Bosch en Nijmegen werden geëvacueerd?
In dit geval bleef de trein aanvankelijk langs het perron staan, waardoor evacuatie niet nodig was: de reizigers konden desgewenst uitstappen. Nadat de trein weer verder kon rijden, strandde deze helaas alsnog. NS en ProRail hebben de afhandeling van gestrande treinen conform de procedures uitgevoerd, maar door praktische problemen duurde het langer dan verwacht.
De normale afhandeling is erop gericht om de hinder voor reizigers bij een stranding tot een minimum te beperken. De procedure is dat NS en ProRail maximaal een kwartier na een stranding, als zeker is dat de trein niet meer zelfstandig verder kan rijden, gezamenlijk de calamiteitenafhandeling beginnen. Ze hebben de ambitie om in 98% van de gevallen de reizigers binnen een uur hun weg te laten vervolgen. In de overige gevallen streven ze ernaar het oponthoud van de reizigers tot maximaal twee uur te beperken. In alle gevallen is het doel de reizigers binnen één uur zorg te bieden. Voor de evacuatie van de gestrande reizigers geldt een driesporenbeleid. NS en ProRail bereiden tegelijkertijd drie vormen van evacuatie voor:
Kunt u verklaren waarom dinsdag 24 november de gestrande trein niet werd weggesleept naar het dichtstbijzijnde station, maar er bussen werden ingezet terwijl deze de trein niet konden bereiken?
In dit geval zijn de procedures van NS en ProRail voor de afhandeling van gestrande treinen onvoldoende opgevolgd, waardoor niet meteen de evacuatie-methode werd gekozen die de beste bleek: het wegslepen van de trein. De bus die werd ingezet kon de trein in dit geval wel bereiken en is gebruikt om veertig reizigers naar Schiphol te vervoeren.
Kunt u verklaren waarom donderdag 28 januari pas na drie uur is besloten de reizigers in een gestrande trein op de HSL te evacueren?
Na een eerste stop meldde de machinist dat de trein weer kon rijden. Daarop zijn de acties in het kader van de calamiteitenafhandeling gestaakt. Even later is de trein opnieuw stil komen te staan en is de calamiteiten afhandeling opnieuw gestart. Een belemmerende factor bij de HSL is dat het spoor door ligging en afscherming voor hulpdiensten vaak minder eenvoudig te bereiken is en er strenge veiligheidsvoorschriften gelden zowel voor het inzetten van evacuatietreinen als het fysiek ontruimen van gestrande treinen. Ook in dit geval zijn de procedures van NS en ProRail voor de afhandeling van gestrande treinen onvoldoende opgevolgd.
Dit specifieke incident wordt door de ILT onderzocht. Dat onderzoek zal naar verwachting in maart zijn afgerond. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten.
Deelt u de mening dat genoemde langdurige evacuaties niet voldoen aan de in 2011 na een Veiligheidswaarschuwing van de inspectie uitgesproken ambitie om in 98% van de gevallen de reiziger binnen één uur zijn weg te laten vervolgen en in de overige gevallen er naar te streven het oponthoud van de reiziger tot maximaal twee uur te beperken?
Ja, die mening deel ik. De procedures van NS en ProRail voor de afhandeling van gestrande treinen (zie antwoord 3) zijn in twee van de drie in de vragen genoemde gevallen onvoldoende opgevolgd. Er was in de praktijk sprake van verkeerde keuzes en menselijke fouten. NS en ProRail laten mij weten dat ze het belangrijk vinden om de gang van zaken zo snel als redelijkerwijs mogelijk te verbeteren. Rolvastheid is daarbij van groot belang.
Ik heb NS en ProRail op dit alles nadrukkelijk aangesproken en hen verzocht om gezamenlijk een evaluatie te maken (zie antwoord 1). Deze evaluatie moet een beeld geven van wat er goed gaat en wat er beter moet.
Welke quick-wins zijn met betrekking tot gestrande treinen op de HSL genomen zoals aangekondigd in de brief van september 2014?
NS en ProRail hebben maatregelen met snelle verbeterkansen voor de Intercity direct, waarvan in de brief sprake is6, opgestart en ingevoerd:
Verder hebben NS en ProRail een projectleider aangesteld om de verbetermaatregelen voor strandingen en evacuaties aan te pakken. Deze maatregelen maken deel uit van een breder verbeterplan voor de Intercity direct gericht op het verbeteren van de prestaties.
Kunt u de evaluaties over gestrande treinen op de HSL die sinds begin 2014 zijn gemaakt naar de Kamer sturen? Welke maatregelen zijn er naar aanleiding van deze evaluaties genomen?
NS en ProRail leggen bij elk incident (zoals een stranding) intern vast wat er is gebeurd. Ik ontvang niet over elke gestrande trein een rapport en kan dat dus niet naar uw Kamer sturen. Wel heb ik NS en ProRail gevraagd om gezamenlijk een evaluatie te maken op basis van de strandingen in de afgelopen jaren (zie antwoord 1).
Voor de genomen maatregelen verwijs ik naar antwoord 7.
Is bij genoemde gestrande treinen de afspraak met de inspectie nagekomen dat voor de gestrande reizigers serviceteams worden ingezet, dat binnen één uur zorg op maat wordt geboden waaronder voedsel en drank en dat direct parallelle oplossingstrajecten worden opgestart, waarbij de oplossing die het snelst tot resultaat leidt, wordt uitgevoerd?
In twee van de drie genoemde gevallen was in strijd met de afgesproken procedure geen Veiligheid & Service team aanwezig.
Zijn er voor de HSL elektrische bergingslocomotieven beschikbaar om gestrande treinen te verslepen naar het dichtstbijzijnde station? Zijn er in geval van een stroomstoring voor de HSL diesel bergingslocomotieven beschikbaar?
Zie antwoord 7.
Herinnert u zich de bevindingen van de commissie Kuiken6 over de werkwijze van de inspectie in het algemeen en de melding van uw voorganger in de eerder genoemde brief uit 2011 dat de inspectie het verbeterproces rond gestrande treinen nauwlettend zou volgen?
Ja. Naar aanleiding daarvan heeft de ILT geparticipeerd in een projectgroep van NS en ProRail waarin partijen gezamenlijk werken aan het verbeteren van de berging van gestrande treinen. In deze projectgroep zijn afspraken gemaakt over diverse te nemen maatregelen en acties die erop gericht waren dat spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerder ervoor zorgen dat de risico’s verbonden aan het tijdig bergen van treinen worden beheerst. Daartoe behoort ook de veiligheid van de reizigers in alle weersomstandigheden.
Heeft de inspectie als vervolg op de genoemde Veiligheidswaarschuwing het versterkt toezicht op de geconstateerde knelpunten rond gestrande treinen inmiddels afgerond? Is hierbij door de inspectie getoetst of het afgesproken verbeterproces ook in de praktijk is uitgevoerd en of dit werkt?
In maart 2011 concludeerde de ILT dat er operationeel een aantoonbare verbetering had plaatsgevonden waarbij het bergen van gestrande treinen daadwerkelijk de juiste prioriteit had gekregen. Op 2 december 20138 heeft de ILT het verscherpte toezicht opgeheven, omdat er naar het oordeel van de ILT op dat moment sprake was van een verbeterproces dat voldoende bestendig was. De spoorsector had gezamenlijk een groot aantal voorgenomen maatregelen uit 2011 geëffectueerd en in 99% van de strandingen op het conventionele spoor werden de reizigers binnen twee uur geëvacueerd.
De gevallen die in deze brief aan de orde komen, zijn voor de ILT aanleiding om naast het onderzoek genoemd in antwoord 5 op korte termijn opnieuw met de betrokken spoorpartijen in gesprek te gaan.
Het bericht dat er meer onderzoek nodig is naar een alternatieve variant van 380kV –verbinding van het toekomstige windpark Borssele |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht over de «onderzeese kabel» en de radiouitzending over de alternatieve Westerschelde – variant?1
Ja.
Bent u bekend met de verzoeken vanuit bewoners, lokale politiek, alsmede de provincie Zeeland die al meer dan een jaar unaniem pleiten voor onderzoek naar de Westerschelde-optie? Op welke wijze bent u omgegaan met dit verzoek?2
Ja, ik ben bekend met dit verzoek. Begin 2015 is de vraag aan de orde geweest of aansluiting van het windpark op het nieuwe 380 kV-station Rilland mogelijk zou zijn. De gedachte van de vraagstellers was dat deze aansluiting dan in plaats van de nieuwe 380 kV-verbinding zou kunnen komen. Toen is al de volgende informatie verstrekt:
Over nut en noodzaak van de verbinding kan ik het volgende aangeven. TenneT is op grond van de Elektriciteitswet 1998 aangewezen als beheerder van het landelijke hoogspanningsnet. TenneT heeft op het gebied van de elektriciteitsvoorziening twee wettelijke taken: een transporttaak (Elektriciteitswet, artikel 16, lid 1) en een systeemtaak (idem, artikel 16, lid 2). De transporttaak houdt in dat TenneT de elektriciteit transporteert en daarvoor een net van voldoende kwaliteit en capaciteit in werking heeft. De systeemtaak houdt in dat TenneT zorgt voor evenwicht tussen de vraag naar en het aanbod van stroom. Op TenneT rust daarmee onder meer de wettelijke taak om het landelijke hoogspanningsnetwerk in werking te hebben, te onderhouden en de veiligheid en betrouwbaarheid te waarborgen. Daarnaast is TenneT op grond van diezelfde wet verantwoordelijk voor het herstellen, vernieuwen of uitbreiden van het netwerk. Hoewel de wetgever TenneT een grote mate van vrijheid heeft gegeven in de manier waarop het bedrijf zijn wettelijke taken mag invullen, is TenneT wel verplicht om iedere partij die daarom verzoekt op het hoogspanningsnet aan te sluiten (artikel 23). Verder moet TenneT ervoor zorgen dat het transport van elektriciteit ook bij storing is gegarandeerd. Deze eis geldt onverkort als het net in onderhoud is. De wettelijke bepalingen zijn nader uitgewerkt in regelgeving (Codes) die de Autoriteit Consument & Markt (ACM) vaststelt voor de energiemarkt. Ten aanzien van de genoemde taken van TenneT is de Netcode vooral relevant. De Netcode bevat voorschriften voor netbeheerders en netgebruikers, op drie gebieden: het functioneren van de netten, het aansluiten van klanten op de netten en het transporteren van elektriciteit over de netten.
In het gebied Borssele/Vlissingen zit de huidige 380 kV-verbinding «vol». Immers, met de huidige capaciteit van de verbinding is er eigenlijk slechts ruimte voor 1600 MW in plaats van de 2090 MW die nodig is. Het hoogspanningsnetwerk vanuit Borssele wordt volledig benut voor het transport van elektriciteit. Dit betekent:
Belangrijk in dit kader is dat de huidige 380 kV-verbinding in Zeeland een zogenaamde uitloper is van het landelijke hoogspanningsnet. In geval van een grote storing is er geen alternatief aanwezig. Dat betekent dat er sprake is van langdurige stroomuitval. In meerdere delen van het landelijke hoogspanningsnet is TenneT bezig zogenaamde ringstructuren te creëren bijvoorbeeld in het westen van Nederland (Randstad 380 kV Zuidring en Noordring). Met de nieuwe 380 kV-verbinding vanuit Borssele via Rilland naar Tilburg wordt ook zo’n ringstructuur in Zeeland gecreëerd waarmee de leveringszekerheid voor de toekomst aanmerkelijk wordt verbeterd.
Relevant is bovendien dat Borssele, samen met bijvoorbeeld Eemshaven en de Maasvlakte in het 3e Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III) is aangewezen als één van de grootschalige energieproductielocaties in Nederland. Het doel van het SEV III is het waarborgen van voldoende ruimte voor grootschalige productie en transport van elektriciteit. Voor het transport wordt de verdere ontwikkeling van het landelijke hoogspanningsnet voorgestaan, zodanig dat het blijft voldoen aan de daaraan op basis van de Elektriciteitswet 1998 gestelde eisen. Door de aanwezigheid van voldoende ruimte en koelwater op deze locaties, en vanwege gemakkelijke toevoer van brandstoffen uit de hele wereld, zijn deze locaties aantrekkelijk voor producenten. De verbinding is daarom niet alleen bedoeld voor het oplossen van het onderhoudsprobleem en de afvoer van windenergie van het nieuwe windpark voor de kust van Walcheren. Ook voor mogelijke andere, toekomstige productie is deze nieuwe verbinding nodig.
Concluderend: de aanleg van de nieuwe verbinding is nodig om de levering van stroom aan Zeeuwse huishoudens en bedrijven op robuuste manier te kunnen garanderen en om ruimte te bieden aan nieuwe opwekking van elektriciteit, zowel op zee als op land.
Is het waar dat de uitgevoerde quick-scan naar de Westerschelde-optie slechts de mogelijkheid van enkele kilometers ondergrondse bekabeling op knelpunten onderzocht heeft en dat daarbij onderzeese aanleg van 220kv niet is onderzocht?
Allereerst is van belang dat een tracé door de Westerschelde alleen ziet op de aansluiting van het windpark voor de kust van Borssele. De nieuwe 380 kV-verbinding heeft echter een eigen nut en noodzaak waaraan met een kabel door de Westerschelde geen invulling zou worden gegeven. Ik ben hier in mijn antwoord op vraag 2 uitgebreid op ingegaan.
In april 2015 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de actuele ontwikkelingen met betrekking tot het ondergronds aanleggen van nieuwe 380 kV hoogspanningsverbindingen (Kamerstukken II 2014/15, 31 574, nr. 37). Ik deed dit op basis van een brief van TenneT waarin werd aangegeven dat de eerste resultaten van het onderzoek naar de 10 kilometer die ondergronds is aangelegd in de Randstad indiceren dat het technisch mogelijk is om meer dan het huidige maximum van 20 kilometer ondergronds aan te leggen. Ik heb toen aangegeven dat ik een second opinion zou laten uitvoeren op basis van die eerste onderzoeksresultaten. Daarnaast heb ik aangeven dat ik TenneT zou vragen om een quick-scan uit te voeren voor de verschillende lopende projecten waaronder Zuid-West 380 kV West.
TenneT heeft onder meer aangegeven dat per geval bekeken zou moeten worden wat mogelijk is. Op dat moment was al duidelijk dat eventuele ondergrondse aanleg alleen bedoeld zou zijn om eventuele knelpunten bij de verbinding ondergronds op te lossen. Een volledige ondergrondse aanleg al dan niet door de Westerschelde van de nieuwe 380 kV verbinding was daarmee per definitie niet aan de orde en is daarom ook niet in de quick-scan meegenomen. Het is dus juist dat de quick-scan niet de Westerschelde-optie omvat.
In mijn brief van 2 december 2015 (Kamerstukken II 2015/16, 31 574, nr. 201) heb ik aangegeven dat ik op basis van de uitgevoerde onderzoeken en second opinion vastgesteld heb dat in Nederland 20 kilometer extra ondergrondse aanleg van hoogspanningsverbindingen mogelijk is zonder de netzekerheid onverantwoord in gevaar te brengen. Meer specifiek voor Zuid-West 380 kV West heb ik aangegeven dat ondergrondse aanleg op dit tracé niet mogelijk is omdat de leveringszekerheid onvoldoende is gegarandeerd. Deze conclusie van TenneT is bevestigd door de second opinion van Tractebel.
Is het waar dat in Duitsland (waar Tennet ook werkzaam is) een gelijkstroom verbinding is aangelegd, die circa één miljard euro kost en een veel langere verbinding heeft – vergelijkbaar met de afstand windpark tot Tilburg – onderzee en ondergronds?
Ja, dat klopt. In Duitsland worden de windparken die in het noorden ver uit de kust zijn of worden gebouwd door middel van gelijkstroomkabels verbonden met een converterstation op land. De afstanden van het landdeel variëren. Voor DolWin 2 – Dörpen West is het landdeel 90 kilometer (totale lengte circa 145 km). De kosten voor deze verbinding bedroegen circa 1 miljard euro. Dit was inclusief het converterstation op zee en een converterstation op land.
De capaciteit van deze gelijkstroomkabel is 900 MW (de capaciteit van het windpark circa 700 MW) en de kabel is N-0 uitgevoerd. Dit betekent dat bij een enkelvoudige storing dit ook daadwerkelijk direct leidt tot een stroomstoring. Bij een kabeldefect betreft dit een stroomstoring voor langere tijd. Belangrijke verschillen met de nieuwe 380 kV-verbinding van Borssele naar Rilland (Zuid-West 380 kV West) zijn:
Verbindingen die onderdeel zijn van het Nederlandse landelijke 380 kV-hoogspanningsnet worden dubbel (redundant) uitgevoerd. Dat houdt in dat TenneT een enkelvoudige storing (N-1) moet kunnen opvangen in het net. Dit betekent dat tijdens onderhoud, als het ene circuit buiten bedrijf is, het andere circuit moet kunnen uitvallen zonder dat dit tot storingen in het net leidt. TenneT is verplicht het netwerk op deze manier aan te leggen op grond van artikel 31 lid 12 van de Elektriciteitswet 1998.
Bij een vergelijking tussen een bovengrondse wisselstroomverbinding zoals Zuid-West 380 kV West en een ondergrondse gelijkstroomverbinding moet dus worden uitgegaan van een verbinding die voldoet aan de wettelijke eisen die aan de bovengrondse verbinding zijn gesteld. Bij de nieuwe Zuid-West 380 kV-verbinding gaat het om een verbinding van 2 x 2650 MW. Om dit uit te voeren in gelijkstroom met een vergelijkbaar vermogen zijn meerdere converterstations nodig en 4 à 5 sets gelijkstroomkabel. Qua kosten gaat het dan om een orde van grootte van 4–5 miljard euro en er moet ruimte gevonden worden om de converterstations neer te zetten.
Een enkele (N-0) gelijkstroomkabel kan niet in de plaats komen van de 380 kV-verbinding Borssele-Rilland omdat deze niet vergelijkbaar is qua capaciteit en leveringszekerheid. Daarnaast vraagt zo’n uitvoering, gezien de eigenschappen van een gelijkstroomkabel, meerdere grote mitigerende maatregelen zoals extra converterstations.
Waarom wordt door Tennet gesteld dat de verbinding van Borssele naar Tilburg bovengronds uitgevoerd in Wintrack -masten alleen al geraamd is op 1,2 miljard euro? Op welke onderzoeken zijn deze uitspraken gebaseerd? Kunnen deze onderzoeken openbaar worden gemaakt?
In 2011 is het voorgenomen tracé bekendgemaakt. Voor dit tracé is toen een kostenraming opgesteld gebaseerd op kengetallen en ervaringscijfers van andere recent gerealiseerde projecten en aanbestedingen van 380 kV-verbindingen. Voor de verbinding van Borssele naar Tilburg worden de kosten op dit moment inderdaad geraamd op 1,2 miljard euro.
In het antwoord op vraag 4 van de vragen van het lid Smaling van 8 februari 2016 (kenmerk 2016Z02589) heb ik het volgende aangegeven. De Minister van Financiën is aandeelhouder van TenneT. Het Ministerie van Economische Zaken heeft een verantwoordelijkheid als beleidsministerie. Vanuit die rol, beoordeelt ze – samen met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu – de investeringsvoorstellen van TenneT (zie ook het antwoord op vraag 3). Het Ministerie van Financiën, vanuit haar rol als aandeelhouder, dient voor investeringen boven 200 miljoen euro haar goedkeuring te verlenen. Op basis van de Elektriciteitswet 1998 (art. 21) moet TenneT om het jaar bij ACM een document indienen, het zogenoemde kwaliteits- en capaciteitsdocument (KCD), waarin ook investeringen zijn opgenomen die hij zal doen voor de uitbreiding en vervanging van zijn net.
Vindt u het verdedigbaar dat door via de uitgangspunten van de derde Structuurschema Elektriciteitsschema (SEV III) vast te houden aan aanlanding in Borssele, een maatschappelijk gedragen en wellicht betere oplossing (door middel van het opwaarderen van de huidige hoogspanningsleiding en de stroom via een kabel door de Westerschelde af te voeren) niet aan de orde is en niet eens als alternatief is onderzocht? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de uw vraag wordt uitgegaan van de mogelijkheid om aan de behoefte aan extra capaciteit te voldoen door het opwaarderen van de bestaande verbinding. Technisch is opwaarderen van een hoogspanningsverbinding mogelijk. Het opwaarderen betekent dat er meer stroom door de draden moet. De draden bij de 380 kV-verbinding van Borssele naar Geertruidenberg zijn hiervoor niet geschikt. De huidige draden zullen moeten worden vervangen door nieuwe, zwaardere draden. Onafhankelijk van mogelijke uitvoeringsvarianten voor het vervangen van de draden, moet de verbinding daarvoor altijd een aantal maanden buiten gebruik worden gesteld. Dit omdat vervangen van draden waar nog 380 kV aan spanning op staat onmogelijk is, ook met inachtneming van de juiste veiligheidsmaatregelen voor de mensen die deze werkzaamheden verrichten (Arbowet). Omdat de verbinding Geertruidenberg-Borssele geen onderdeel is van een ringstructuur, is het 380 kV-station Borssele alleen via deze verbinding aangesloten op het 380 kV-net. De productiecapaciteit in Zeeland zal daarmee voor die periode moeten worden stilgelegd met alle economische consequenties van dien.
Daarbij komt dat er nu al een tekort aan transportcapaciteit is in dit gebied en dat dit tekort blijft toenemen. Het buitengebruikstellen van de verbinding zou ertoe leiden dat het 380 kV-station Borssele niet meer gevoed wordt uit het 380 kV-net. Zeeland wordt daardoor als het ware een soort «elektrisch schiereiland» doordat alleen een koppeling via het 150 kV-net mogelijk is. Hierdoor is er een grote kans op netinstabiliteit. Dit zou betekenen dat de balans tussen vraag en aanbod in Zeeland niet eenvoudig te beheersen is en daardoor de kans op uitval in Zeeland aanmerkelijk is. Daarmee is de opwaardering van de bestaande 380 kV-verbinding geen realistische optie als alternatief voor een nieuwe 380 kV-verbinding.
In het antwoord op vraag 2 ben ik ingegaan op nut en noodzaak van de nieuwe 380 kV-verbinding. Ook heb ik daarin de relevantie van het gebied Borssele-Vlissingen vanuit het SEV III uiteengezet. Ik ben van mening dat de maatschappelijke belangen het best worden gediend met de nieuwe 380 kV-verbinding, waarmee een oplossing wordt geboden voor verschillende nationale belangen maar waaraan invulling is gegeven met oog voor de regionale en lokale belangen. Voor dit laatste verwijs ik naar het antwoord op vraag 4 van het lid Van Veldhoven (D66) van 11 februari 2016 (kenmerk 2016Z03010), welke parallel aan deze beantwoording naar uw Kamer wordt gestuurd.
Is een investering in converterstations samen met een opwaardering van het huidige net goedkoper dan de nieuwe plannen? Is dit onderzocht? Zo ja, kunnen deze onderzoeken openbaar gemaakt worden? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Nee. Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, zal een verbinding uitgevoerd met gelijkstroom ter vervanging van een bovengrondse 380 kV-verbinding met wisselstroom aan andere eisen moeten voldoen. De kosten van zo’n gelijkstroomverbinding worden daarmee vele malen hoger. Voor de Zeeuwse situatie is hiervoor naar de kosten niet specifiek onderzoek gedaan. De gegevens zijn op basis van ervaringsgegevens van TenneT tot stand gekomen.
In het antwoord op vraag 6 is verder aangegeven waarom opwaardering van de bestaande verbinding geen realistische optie is en waarom de nieuwe 380 kV-verbinding de meest toekomstvaste oplossing is voor de Zeeuwse situatie.
Is het waar dat vooruitlopend op een plan dat nog ter inzage gelegd moet worden, grondeigenaren langs het toekomstige tracé (ondermeer bij Krabbendijke en ‘s Heerenhoek) een gedoogplicht opgelegd krijgen om de aanleg van nieuwe hoogspanningsmasten nu al mogelijk te maken? Zo ja, maakt dit gedrag de nog plaats te vinden inspraak naar uw mening een wassen neus?
Nee, het opleggen van gedoogplicht is momenteel niet aan de orde. Het uitgangspunt voor TenneT voor het afsluiten van de zakelijk recht overeenkomst (ZRO) is om zo veel mogelijk tot minnelijke overeenstemming te komen. Het opleggen van gedoogplicht wordt pas overwogen als er na vele gesprekken geen zicht is op overeenstemming.
De aanleg van de hoogspanningsmasten, ook voor de nieuwe Zuid-West 380 kV-verbinding, is pas mogelijk als dit ook planologisch geregeld is. Hiervoor kan een ieder eerst zienswijzen indienen op het ontwerpinpassingsplan. Indien deze zienswijzen daartoe aanleiding geven wordt het plan aangepast. Er worden zoals gebruikelijk ook informatieavonden houden waar mensen terecht kunnen met vragen en voor informatie. Ook zijn er andere informatiekanalen waar men terecht kan, zoals de website van het project en een telefonisch service centre bij TenneT. Daarna is er nog beroep mogelijk op het definitieve inpassingsplan bij de Raad van State.
In de onderzoeksfase is in voorkomende gevallen sprake geweest van gedoogplicht voor het kunnen verrichten van onderzoek. Dit is een tijdelijke toestemming voor het doen van onderzoek op een specifieke locatie. De gegevens van deze onderzoeken waren nodig om de juiste informatie beschikbaar te hebben voor het aanvragen van de ontwerpvergunningen.
Is er onderzoek gedaan naar de invloeden van bewoning tussen de twee hoogspanningstracés van 380kV in, waarbij de afstand tussen de ene kabel 100 meter is en ten opzichte van de tweede kabel 250 meter? Is in kaart gebracht hoeveel bewoners te maken krijgen met een dergelijke situatie? Bent u bereid een onafhankelijk bureau onderzoek te laten doen naar het op korte afstand wonen tussen twee hoogspanningstracés? Zo nee, waarom niet?
Bij het plannen van het tracé wordt rekening gehouden met het beleidsadvies inzake hoogspanningslijnen en het magneetveld van 3 oktober 2005. Hierin wordt geadviseerd «zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone)». Bij het berekenen van deze magneetveldzone wordt gebruik gemaakt van de hiervoor opgestelde Handreiking van het RIVM. Met de rekenmethodiek in deze Handreiking wordt de magneetveldzone op een zo eenduidig en transparant mogelijke manier berekend.
De Handreiking is inmiddels een aantal keren geactualiseerd. Het RIVM heeft op 10 juni 2013 het rapport «Berekening magneetveldzone bij bovengrondse hoogspanningslijnen in elkaars nabijheid» gepubliceerd. De actualisering van de Handreiking naar aanleiding van dit rapport ziet op het nauwkeuriger in beeld brengen van magneetvelden in situaties waar hoogspanningsverbindingen zich in elkaars nabijheid bevinden.
Uiteraard is ook de magneetveldzone voor de nieuwe Zuid-West 380 kV West-verbinding berekend. Hierbij is gewerkt met die versie van de Handreiking van het RIVM waarin reeds rekening is gehouden met lijnen die zich in elkaars nabijheid bevinden. De berekeningen zijn gedaan door een bureau van de lijst met Adviesbureaus waarvan bekend is dat ze ervaring hebben met zoneberekeningen volgens de RIVM-handreiking. Al deze bureaus dienen zich te houden aan de rekenmethodiek van het RIVM. Daarmee zijn deze berekeningen onafhankelijk. Dit geldt dus ook voor de berekeningen die zijn gedaan voor het project Zuid-West 380 kV West. Deze berekeningen worden zoals gebruikelijk bij het ontwerpinpassingsplan ter inzage gelegd zodat de gegevens voor een ieder beschikbaar zijn.
Is het naar uw mening uit te leggen, dat de vergoeding voor een «ongevraagde» hoogspanningsmast op een kavel eenmalig € 3.500 bedraagt tegenover de vergoeding voor één windmolen van € 25.000 per jaar? Kunt u uw antwoord toelichten?
TenneT betaalt een reële waardevermindering aan de landeigenaar en daar gelden normbedragen voor die met LTO zijn overeengekomen. Daarnaast betaalt TenneT jaarlijks een inkomensschade voor gederfde inkomsten en extra werkzaamheden die het gevolg zijn van plaatsing van een of meerdere hoogspanningsmasten, ook op basis van afspraken met LTO.
De hoogte van grondvergoedingen bij windturbines worden bij individuele projecten voornamelijk beïnvloed door de onderlinge concurrentie van windontwikkelaars, het windklimaat van het gebied, de schaarste aan grond en eventuele positieve overheidsplannen voor de locatie. Het Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf (RVOB) baseert de grondvergoeding bij windturbines op te verwachten geproduceerd vermogen. Dit wordt in de SDE+ vergoed. Dit is dus een geheel andere grondslag dan bij hoogspanningsmasten.
Daarbij komt dat de gedoogplicht voor windturbines nog niet effectief kon worden ingezet; voor hoogspanningsmasten kon dat wel. Hier komt met het recent door uw Kamer aangenomen wetsvoorstel «tijdig realiseren doelstellingen Energie-akkoord» (Kamerstuk 34 401) verandering in.
Naar verwachting kan dit samen met de teruglopende vergoeding voor grondkosten in de SDE+ die ik sinds een aantal jaren heb ingezet een dempend effect hebben op de grondvergoeding voor windmolens.
Bent u bereid onafhankelijk te (laten) onderzoeken wat de kosten van een kabel van 80 kilometer tot aan Rilland kost uitgevoerd met wisselstroom en uitgevoerd met gelijkstroom en daarnaast ook de haalbaarheid, mogelijkheden en onmogelijkheden te onderzoeken, daarvan een onafhankelijk rapport op te stellen en dit aan de Kamer voor te leggen? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord op vraag 3 heb ik aangegeven waarom een kabel uitgevoerd in wisselstroom met een lengte van 80 kilometer niet mogelijk is. Daarnaast heb ik in mijn antwoord op vraag 4 aangegeven dat de kosten van een gelijkstroomverbinding met dezelfde eisen als waar de nieuwe Zuid-West 380 kV West-verbinding aan moet voldoen vele malen hoger zijn dan een bovengrondse 380 kV-verbinding. Hoewel er geen specifiek onderzoek is gedaan naar de exacte hoogte van de kosten van beide opties, is het feit dat de uitvoering in wisselstroom geen realistisch alternatief is en een uitvoering in gelijkstroom geen oplossing is voor de Zeeuwse situatie en bovendien nog eens vele malen duurder, voor mij reden hier geen nader onderzoek naar te laten doen.
Het voortdurende gesjoemel met de Cito-toets |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het voortdurende gesjoemel met de tussentijdse Cito-toetsen, zoals eerder al bleek door Cito-toetsen die te koop waren op Marktplaats en naar nu blijkt zelfs door een locatiedirecteur van een school?1 2
Het is mij bekend dat leerlingvolgsysteem-toetsen (hierna: lvs-toetsen) die door scholen worden gebruikt op Marktplaats te koop worden aangeboden. Ik ben daar niet blij mee en heb u daarover eerder geïnformeerd.3 Het bericht van begin februari dat een locatiedirecteur gedurende vijf jaar de resultaten van lvs-toetsen heeft opgehoogd door leerlingen foutieve vragen opnieuw te laten maken, verontrust mij. Ik keur dit uiteraard af. Er is adequaat opgetreden: het schoolbestuur heeft de locatiedirecteur op non-actief gesteld en heeft een onderzoek ingesteld naar het gedrag van de locatieleider. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) is geïnformeerd en wacht de resultaten van het onderzoek af.
Wat is volgens u de waarde van een tussentijdse toets, wanneer er zo makkelijk mee gefraudeerd kan worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Lvs-toetsen zijn bedoeld om leerkrachten inzicht te geven in het niveau van de leerling, zodat zij hun onderwijs daarop kunnen aanpassen (formatief toetsen). Gericht oefenen met lvs-toetsen of het laten overdoen van foutief gemaakte vragen, past hier niet bij. Hiermee worden de toetsresultaten wellicht beter, maar de vraag is of de vaardigheid van de leerling daadwerkelijk vooruit is gegaan. De lvs-toetsen verliezen hierdoor hun waarde als formatieve toets. Dat is niet in het belang van leerlingen.
Zijn er meer gevallen bekend met betrekking tot gesjoemel of fraude met Cito-toetsen bij de Inspectie van het Onderwijs? Kunt u deze situaties met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Er zijn geen andere gevallen bekend waarbij gesjoemel of fraude met Cito-toetsen is gebleken.
Waar komt volgens u de behoefte vandaan om een zo’n hoog mogelijke score te halen op een tussentijdse toets, waarbij fraude en valspelen door voorkennis kennelijk geoorloofd wordt gevonden door sommigen? Heeft dit in uw ogen te maken met het mede door u gevoerde beleid gericht op opbrengsten en rendement én de afrekencultuur door de inspectie?
De behoefte en ambitie om goede resultaten te behalen is van alle tijden. Het oneigenlijke gebruik van lvs-toetsen werd mogelijk mede veroorzaakt door het feit dat de inspectie de afgelopen jaren bij een deel van de scholen een oordeel uitsprak over de tussenresultaten, op basis van de lvs-toetsresultaten. Om dit ongewenste effect weg te nemen, verbindt de inspectie geen oordeel meer aan de lvs-resultaten van scholen. De inspectie kijkt wel hoe scholen de tussenresultaten gebruiken om zicht te krijgen op de ontwikkeling van de leerlingen.4
Bent u ervan op de hoogte dat de verkoop van leerlingvolgsysteem(lvs)-toetsen – maar bijvoorbeeld ook de verkoop van de Entreetoets – nog steeds doorgaat op Marktplaats? Hoe kan het dat er nog steeds – naar het lijkt – originele toetsen te koop staan en dat er feitelijk nog geen verbetering is ten opzichte van de situatie van afgelopen jaar?3
Zie het antwoord op vraag 6.
Wat is de stand van zaken rond het beter beschermen van de lvs-toetsen? Welke stappen heeft Cito BV al ondernomen om dit te verbeteren?4
Ik heb niet de indruk dat op grote schaal sprake is van het verkopen van deze tussentijdse toetsen. Cito BV (hierna: Cito) signaleert ongeveer 35 advertenties per jaar. Dat neemt echter niet weg dat het Cito uw zorgen deelt en daarom maatregelen neemt om correct gebruik van lvs-toetsen te bevorderen en de verkoop van (lvs-)toetsen te voorkomen.
Eind 2015 heeft Cito een brief gestuurd aan alle scholen die de Cito lvs-toetsen gebruiken. De brief benadrukte het belang van het zorgvuldig omgaan met lvs-toetsen en benadrukt dat scholen toetsen die niet meer worden gebruikt, kosteloos kunnen retourneren. Verder faciliteert Cito scholen in de communicatie naar ouders over het doel van het lvs.
Indien een adverteerder van (lvs-)toetsen wordt gesignaleerd, gaat het Cito na of het om origineel materiaal of om kopieën gaat. Wanneer het gaat om kopieën, dan wordt direct (juridische) actie ondernomen. Het aanbieden en verkopen van illegale kopieën is namelijk een directe schending van het auteursrecht. Daarover zijn ook afspraken gemaakt met partijen als Marktplaats. Wanneer wordt vastgesteld dat het om origineel materiaal gaat, heeft Cito minder mogelijkheden om daartegen juridisch op te treden. Originelen van oorspronkelijk aangekochte toetsen mogen worden doorverkocht aan derden. Dit is juridisch vergelijkbaar met het verkopen van een tweedehands boek. Dat is ook de reden dat originele versies nog steeds aangeboden worden via Marktplaats. Indien de aanbieder van originele producten kan worden getraceerd, neemt Cito daarmee contact op. De aanbieder wordt dan gewezen op het belang om de officiële toetsen uit het lvs-pakket niet buiten de school om te verspreiden. Wanneer uitgelegd wordt waarom dit onwenselijk is, zijn aanbieders in de meeste gevallen bereid de advertenties te verwijderen.
Deelt u de mening dat de tussentijdse toetsen op deze manier aan effect inboeten en te fraudegevoelig zijn om nog langer als een betrouwbare bron van informatie te zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, lvs-toetsen verliezen hierdoor hun waarde als formatieve toets. Dat is niet in het belang van leerlingen, zie ook het antwoord op vraag 2.
Wat zijn volgens u de verantwoordelijkheden van de overheid om gesjoemel met de (tussentijdse) toetsen te voorkomen? Hoe geeft u daar vorm aan?
Scholen zijn met ingang van schooljaar 2014/ 2015 wettelijk verplicht om gebruik te maken van een leerlingvolgsysteem, om de vorderingen van leerlingen systematisch te volgen, en om een eindtoets af te nemen. De inspectie controleert of scholen dit naar behoren doen. Wanneer er sprake is van fraude, treedt de inspectie daartegen op. Ik zie het als verantwoordelijkheid van de overheid om goed te volgen hoe uitvoering van de vernieuwde wetgeving loopt. Daartoe wordt een meerjarig evaluatieonderzoek uitgevoerd, waarover ik u in mijn brief d.d. 1 maart jl. uitgebreider heb geïnformeerd.7
De brief Budget energie-innovatie (Kamerstuk 30196, nr. 387) |
|
Kees Verhoeven (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de reden dat u prioriteit geeft aan de Topsector Energie bij de herschikking van de beschikbare middelen voor energie-innovatie?
Ik vind het van belang dat er in 2016 voor zowel de Topsector Energie als voor de regeling Demonstratie Energie-Innovaties (DEI-regeling) geen verlaging hoeft plaats te vinden ten opzichte van het budget van vorig jaar. Indien ik bij de beschikbaarstelling van de budgetten prioriteit zou geven aan de DEI-regeling in plaats van aan de Topsector Energie, zou ik het budget voor de Topsector Energie moeten verlagen. Na herschikking van de beschikbare middelen voor energie-innovatie blijft het budget voor de Topsector Energie nu nagenoeg hetzelfde als vorig jaar en is er sprake van een verhoging van het budget voor de DEI-regeling van € 34 miljoen in 2015 naar € 35,7 miljoen in 2016. Daarnaast vind ik het van belang om recht te doen aan het intensieve afstemmingsproces dat heeft plaatsgevonden voor de verdeling van het budget voor de Topsector Energie.
De verdeling van dit budget vindt plaats over vijf Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) en twee doorsnijdende thema’s op het gebied van systeemintegratie en maatschappelijk verantwoord innoveren.
Binnen de TKI’s is vervolgens sprake van verdeling van de middelen over in totaal 25 programmalijnen. Een meer uitgebreide beschrijving van de programmalijnen in 2016 is online beschikbaar in het programma van de Topsector Energie1.
Naar welke projecten binnen de Topsector Energie gaan de additionele middelen? Welke bedrijven zijn daarbij betrokken?
Er is geen sprake van additioneel budget voor de Topsector Energie. Het budget voor de Topsector Energie blijft nagenoeg op hetzelfde niveau als in 2015.
De verdeling van dit budget vindt plaats over vijf TKI’s en de twee hierboven genoemde dwarsdoorsnijdende thema’s. De vijf TKI’s betreffen Biobased Economy, Urban Energy, Gas, Energie & Industrie en Wind op Zee en hebben elk een achterban van bij hun onderwerp betrokken bedrijven en kennisinstellingen. Een meer uitgebreide beschrijving van lopende projecten sinds 2012 en de betrokken partijen hierbij is online beschikbaar2.
Welke projecten binnen de regeling Demonstratie Energie-innovaties (DEI) kunnen door deze herschikking geen doorgang vinden?
De DEI-regeling is een zogenoemde tenderregeling die in 2016 in twee tranches wordt opengesteld. Partijen kunnen tot de in de regeling aangegeven periode projectvoorstellen indienen. Na afloop van deze periode wordt aan de hand van de rangschikkingscriteria besloten welke projecten gehonoreerd worden. Indien er projecten zijn die geen doorgang kunnen vinden vanwege een lager dan beoogd budget in 2016, zal dit dus pas voor elk van de twee tranches na afloop bekend zijn. Tot op heden is het beschikbare budget overigens niet beperkend geweest bij het honoreren van aanvragen.
Kunt deze vragen beantwoorden vóór het Algemeen overleg Bedrijfslevenbeleid en Innovatie voorzien op 11 februari 2016?
Ja.
De gevolgen van de afschaffing van leerlinggebonden financiering en de positie van logopedisten in de eerste lijn |
|
Agnes Wolbert (PvdA), Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat logopedische behandelingen in de eerste lijn, op basis van de tariefbeschikking van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)1, enkel worden vergoed als het een activiteit betreft die in aanwezigheid van patiënt wordt verricht? Zo ja, wat is uw oordeel hierover?
Nee, een zorgaanbieder kan een logopedische behandeling ook in rekening brengen wanneer deze plaatsvindt zonder directe aanwezigheid van de patiënt. In de tariefbeschikking logopedie van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is een prestatiebeschrijving individuele zitting reguliere telelogopedie opgenomen. Hiermee kan een zorgaanbieder logopedische zorg declareren zonder dat er direct face-to-face contact plaatsvindt. De individuele zitting reguliere telelogopedie dient ter vervanging van een individuele zitting reguliere logopedie. Echter, deze prestatie kan alleen worden gedeclareerd wanneer er sprake is van een bestaande behandelrelatie met de patiënt waarbij ook face-to-face contacten hebben plaatsgevonden.
Deelt u de mening dat, in het belang van de patiënt en de logopedische behandeling, het voor de logopedist soms noodzakelijk is om activiteiten te verrichten, zoals bijvoorbeeld het voeren van (multidisciplinair) overleg of het simpelweg onderhouden van contact met andere betrokken zorgprofessionals, medewerkers van het kinderdagverblijf of basisschool of mensen in de directe omgeving van de patiënt? Zo nee, waarom niet?
Ik kan niet beoordelen waarom sommige professionals die aan een multidisciplinair overleg deelnemen wel een vergoeding krijgen en andere niet.
Een logopedist kan de zorg declareren bij de zorgverzekeraar als de behandeling een geneeskundig doel heeft. Contact met andere professionals behoort tot de activiteiten van een logopediebehandeling en kan daarom bekostigd worden uit de huidige prestaties en tarieven. De totstandkoming van afspraken over de kwaliteit en prijs van de zorg is een proces dat plaatsvindt tussen een zorgverzekeraar en zorgaanbieder. De zorgverzekeraar heeft in dit proces de plicht om kwalitatief goede zorg in te kopen voor patiënten.
Een logopedist kan ook om advies worden gevraagd ter ondersteuning van het onderwijsproces gericht op het voorkomen of verminderen van onderwijsbelemmeringen, of als onderdeel van een traject vanuit samenwerkingsverband passend onderwijs en/of gemeenten. Er kan dan bijvoorbeeld overleg plaatsvinden met leerkrachten of andere bij het onderwijs betrokken personen of een logopedist kan betrokken worden bij de invulling van jeugdgezondheidszorg. Afhankelijk van de invulling bekostigt dan de onderwijsinstelling of de gemeente de logopedie.
Acht u het wenselijk dat logopedisten activiteiten die als wenselijk of noodzakelijk worden beschouwd voor een goede logopedische behandeling en die niet vergoed worden wél uitvoeren? Hoe beoordeelt u in dit kader de situatie dat sommige professionals die deelnemen aan bijvoorbeeld een multidisciplinair overleg wél een vergoeding krijgen voor hun werk, maar de eerstelijns logopedist niet?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het mogelijk dat hierdoor inkomensongelijkheid ontstaat tussen eerstelijns logopedisten en logopedisten die werkzaam zijn bij een zorg- of onderwijsinstelling? Zo ja, wat kunt u doen om deze ongelijkheid weg te nemen?
Er zijn meerdere aspecten die invloed hebben op het inkomen van een logopedist of een andere zorgverlener. Ook is er bij zorgverzekeraars, onderwijsinstellingen en gemeenten ruimte om met zorgaanbieders tot passende prijsafspraken te komen. Het is daarom niet mogelijk om een dergelijke conclusie te trekken.
Deelt u de opvatting dat een goede logopedische behandeling, en alle daarbij behorende activiteiten, nooit afhankelijk mag zijn van de vraag of bijvoorbeeld ouders de kosten kunnen betalen van die activiteiten die op dit moment volgens de tariefbeschikking van de NZa niet worden vergoed?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat voor alle activiteiten, ook de activiteiten waarbij de patiënt niet aanwezig is, die worden verricht in het belang van een goede logopedische behandeling de logopedist recht heeft op een vergoeding? Zo nee, waarom niet?
Een zorgaanbieder kan een logopedische behandeling ook in rekening brengen wanneer deze plaatsvindt zonder directe aanwezigheid van de patiënt. Een logopedist kan zorg declareren overeenkomstig de prestaties en tarieven van de NZa en de afspraken die daarover zijn gemaakt met de zorgverzekeraar. Zoals ik in het antwoord op vraag 2,3 en 5 aangeef, kan het contact met andere professionals ook bekostigd worden uit deze prestaties en tarieven.
Advies op verzoek van een school of gemeente wordt door henzelf bekostigd.
Welke rol spelen de zorgverzekeraars in (het ontstaan van) deze situatie? Kunnen zorgverzekeraars een rol spelen in het oplossen ervan? Zo ja, bent u bereid om hierover niet-vrijblijvende afspraken met hen te maken?
De zorgverzekeraar heeft de plicht om kwalitatief goede logopedische zorg in te kopen voor patiënten gericht op een geneeskundig behandeldoel en er zodoende voor te zorgen dat deze zorg betaalbaar en toegankelijk is. De vergoeding logopedie in de basisverzekering is niet gewijzigd. Ik heb geen signalen ontvangen dat zorgverzekeraars ten aanzien van logopedie geen uitvoering geven aan hun zorgplicht.
Het afschaffen van leerlinggebonden financiering heeft geen consequenties voor de mogelijkheid van logopedisten of andere zorgaanbieders om zorg te verlenen die ten laste komt van de Zorgverzekeringswet.
Met de invoering van passend onderwijs hebben gemeenten en scholen meer ruimte om onderwijs en zorg op maat te organiseren die aansluit bij de behoefte in de regio. Zij maken verplicht afspraken over de aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp. Als onderdeel van deze afspraken kunnen onderwijsinstelling en gemeente bijvoorbeeld gezamenlijk preventieve onderwijszorgtrajecten ontwikkelen.
Het bericht dat NS schikt met omstreden bestuurder |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «NS schikt stiekem met omstreden bestuurder»?1
Ja.
Bent u bereid de Kamer te informeren over inhoud van deze schikking? Zo ja, wat is de inhoud van de schikking? Zo nee, waarom niet?
De staat is bij de afwikkeling van deze contracten niet betrokken geweest, omdat dit op grond van het in Nederland geldende vennootschapsrecht valt binnen het domein van de raad van bestuur van NS. Aandeelhouders hebben immers alleen een rol bij benoeming, ontslag en beloning van bestuurders. Formele instemming van de aandeelhouder bij ontslag van reguliere werknemers of bestuurders van een dochteronderneming is om die reden dan ook niet aan de orde. Ik kan u dan ook niet informeren over het exacte verloop en de inhoud van de overeengekomen schikkingen, omdat ik niet over die informatie beschik.
Waarom heeft NS deze schikking getroffen?
Los van de uitkomst van nog lopende onderzoeken, was het duidelijk dat de arbeidscontracten van de betrokken medewerkers niet voorgezet konden worden. Om die reden heeft de raad van bestuur van NS, binnen de kaders van het arbeidsrecht, gezocht naar de meest geschikte oplossing. NS heeft zich hierbij juridisch laten adviseren en is tot schikkingen gekomen die in lijn liggen met de verwachte uitkomst in eventuele gerechtelijke procedures. Dit heeft tevens bijgedragen aan het wederkeren van de rust binnen NS en de focus op de toekomst.
De United Nations Convention on Transparency in Treaty-based Investor-State Arbitration |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de United Nations Convention on Transparency in Treaty-based Investor-State Arbitration?
Ja.
Wat is de reden dat Nederland het verdrag nog niet heeft ondertekend, terwijl de Verenigde Staten en Canada dat al wel hebben gedaan?
De UNCITRAL-transparantieregels voor investeerder-staat arbitrage (transparantieregels) bevatten procedurele regels die voorzien in transparantie en openbare toegankelijkheid van investeerder-staat geschillenbeslechtingsprocedures. De transparantieregels gelden voor investeringsgeschillen onder verdragen die zijn gesloten op of na 1 april 2014 en waarin deze regels zijn opgenomen. Dit is het geval voor de EU-verdragen die zijn uitonderhandeld met Canada, Singapore en Vietnam en voor alle lopende en toekomstige onderhandelingen tussen de EU en derde landen. Nederland wil de UNCITRAL-regels ook van toepassing verklaren in toekomstige investeringsverdragen die het bilateraal afsluit of wijzigt.
Op 10 december 2014 is de UNCITRAL Conventie voor transparantie in investeerder-staat geschillenbeslechting (ook bekend als de «Mauritius Conventie») aangenomen. Deze conventie ziet op toepassing van de UNCITRAL-transparantieregels op geschillenbeslechtingsprocedures onder bestaande investeringsverdragen. Het eerste moment van ondertekening van de Conventie was voorzien op 17 maart 2015 in Mauritius. De Europese Unie en Nederland zijn voorstander van meer transparantie in investeringsgeschillen. Daarom was de Europese Commissie voornemens op 17 maart 2015 namens de EU te ondertekenen en om tevens lidstaten te autoriseren hetzelfde te doen. In de EU-besluitvorming hierover is tot op heden echter geen consensus bereikt waardoor de EU nog niet heeft kunnen ondertekenen.
De Nederlandse inzet richtte zich in eerste instantie op het bereiken van consensus binnen de EU. Dit is de reden dat Nederland nog niet heeft ondertekend. Nu deze consensus nog steeds niet is bereikt, heeft een aantal EU-lidstaten besloten de transparantieconventie te ondertekenen.
Bent u bereid het verdrag zo snel mogelijk te ondertekenen?
Zoals de Minister van Buitenlandse Zaken heeft aangegeven in de plenaire sessie van het Europees parlement op 3 februari jongtsleden, is één van de prioriteiten van het Nederlands EU-voorzitterschap om de Europese besluitvorming verder te brengen. Parallel daaraan zal het kabinet op zeer korte termijn een besluit nemen over de ondertekening van het verdrag en ook de goedkeuringsstukken zijn in de laatste fase van voorbereiding.
Wat is de reden dat er geen gezamenlijk beleid vanuit EU-lidstaten is om dit verdrag te ondertekenen, nu sommige landen, zoals België, Frankrijk en Finland, het verdrag namelijk al wel ondertekend hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Het laten herkansen van toetsen uit het leerlingvolgsysteem in het basisonderwijs |
|
Loes Ypma (PvdA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gesjoemel Cito-test door leraar basisschool»?1
Ja.
Kent u (de resultaten van) het onderzoek naar het aantal leerlingen in het basisonderwijs dat de kans krijgt om een toets uit het leerlingvolgsysteem nogmaals te maken en wat in die gevallen de motivatie is van leraren en/of scholen om dit te doen? Zo nee, bent u bereid om hiernaar onderzoek te laten doen?
Mij zijn geen resultaten van dergelijk onderzoek bekend. Noch bij Cito, noch bij de Inspectie van het Onderwijs (hierna: «Inspectie») zijn signalen binnengekomen van andere scholen die leerlingen de kans geven om leerlingvolgsysteemtoetsen (hierna: lvs-toetsen) opnieuw te maken. Mogelijk is de motivatie van de locatiedirecteur in dit geval dat de inspectie ook de tussenresultaten beoordeelde. Inmiddels is het toezicht op de tussenresultaten van scholen aangepast. De inspectie verbindt geen oordeel meer aan de lvs-toetsresultaten (zie ook het antwoord op vraag2, waardoor hiervan geen prikkel meer uitgaat. Omdat er geen andere signalen zijn en er geen prikkel meer zit in het systeem, zie ik geen reden om nader onderzoek te laten doen.
Deelt u de mening dat sommige leraren, scholen en/of ouders blijkbaar zo’n grote waarde hechten aan de resultaten op toetsen uit het leerlingvolgsysteem dat de situatie waarin leerlingen de toets hebben gemaakt, en die mogelijk van invloed is op het resultaat ervan, niet in ogenschouw (kunnen) worden genomen bij het interpreteren, waarderen en gebruiken van deze resultaten?
Ik deel deze mening. In het bericht gaat het om één locatieleider die de resultaten belangrijker vindt dan het voldoen aan de eisen die gelden ten aanzien van de afname van de toets.
Deelt u de mening dat in dergelijke gevallen gesproken kan worden van een perverse prikkel die uitgaat van het gebruik van toetsresultaten die noch recht doen aan het ontwikkelingsniveau en het ontwikkelingsperspectief van leerlingen, noch aan het professioneel handelen en beoordelingsvermogen van de leraar?
De motieven van de locatieleider ken ik niet. Mogelijk wilde de locatieleider de kinderen meer kansen bieden, maar het is ook mogelijk dat de locatieleider de tussenresultaten positief wilde beïnvloeden. Zoals aangegeven in vraag 1 verbindt de inspectie nu geen oordeel meer aan de tussenresultaten. Voorheen deed de inspectie dit bij een deel van de scholen wel. De inspectie kijkt wel hoe scholen de tussenresultaten gebruiken om zicht te krijgen op de ontwikkeling van de leerlingen.3
Acht u het mogelijk dat er bij leraren en/of scholen die hun leerlingen toetsen uit het leerlingvolgsysteem laten herkansen juist géén sprake is van een situatie waarin wordt «gesjoemeld» en het ontwikkelingsniveau van leerlingen «te hoog» wordt ingeschat, maar van een situatie waarin kinderen de kans krijgen om een reëel beeld te geven van hun kunnen als dat tijdens een eerdere toetsafname, om aannemelijke redenen, niet is gelukt?
Het is mogelijk dat die bedoeling erachter zit. Lvs-toetsen zijn echter primair bedoeld om na te gaan wat leerlingen beheersen en wat nog niet, zodat de leerkracht op basis van de uitkomsten vervolgstappen kan bepalen. Het ligt daarom niet voor de hand om leerlingen een lvs-toets te laten herkansen.
Wat is er naar uw idee voor leraren en/of scholen mogelijk, wenselijk en nodig om te doen in situaties waarin kinderen om aannemelijke redenen een lager resultaat op een toets uit het leerlingvolgsysteem hebben behaald dan mag worden verwacht?
In die gevallen dient de leerkracht te onderzoeken hoe het komt dat het kind niet laat zien wat werd verwacht. Op basis van deze nadere analyse kunnen dan eventuele bijstellingen in het onderwijs worden doorgevoerd. Op deze manier vervult een lvs-toets de formatieve functie zoals bedoeld. Bij een dergelijk gebruik ligt het niet in de rede om een leerling opnieuw een toets te laten maken.
Wat bent u van plan om te gaan doen om de perverse prikkels in de toetscultuur van het basisonderwijs te bestrijden?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
Het suikergehalte in drinkpakjes voor kinderen |
|
Pia Dijkstra (D66), Fatma Koşer Kaya (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het Foodwatch-onderzoek «Drinkpakjes voor kinderen. Onderzoek naar suikergehalte»?1
Ja, dat onderzoek ken ik.
Wat vindt u ervan dat een op de vier drinkpakjes voor kinderen meer suiker bevat dan Coca Cola, 6,5 om 4 suikerklontjes per 200 ml?
Net als u maak ik mij zorgen over overgewicht en obesitas bij kinderen en daarom is het niet voor niets dat ik, samen met de Staatssecretaris, op vele manieren werk aan preventie van overgewicht. Gelukkig zijn er ook drinkpakjes met minder suiker waarvoor de consument kan kiezen, evenals het water uit de kraan, dat van een hoge kwaliteit is. Daarnaast werk ik in het Akkoord verbetering productsamenstelling met de industrie, retail, horeca en catering aan verlaging van het suikergehalte in ons productaanbod. Ik heb u met mijn brief van 17 december 2015 (Kamerstuk 32 793, nr. 205) geïnformeerd over de voortgang van het Akkoord Verbetering Productsamenstelling.
Hoe verhoudt dit zich volgens u tot de vaak expliciet op kinderen gerichte marketing van deze drinkpakjes? Zijn kinderen niet een kwetsbare groep die hiertegen beschermd moet worden?
Ten aanzien van de visie op voedingsreclame gericht op kinderen, verwijs ik u naar de brief van de Staatssecretaris van 6 juli 2015 (Kamerstuk 32 793, nr. 194). Daarin heeft hij u geïnformeerd over de aangescherpte regels van de Reclamecode voor Voedingsmiddelen. Hierbij is ingegaan op de resultaten uit het onderzoek naar het beleid hierop in omringende landen en de monitoring van de naleving van de afspraken uit de Reclamecode voor Voedingsmiddelen. Kidsmarketing wordt nadrukkelijk meegenomen in de monitoring.
Hoe verhouden volgens u de constateringen van Foodwatch over het hoge suikergehalte in drinkpakjes voor schoolkinderen zich tot het Akkoord Verbetering Productsamenstelling?
Binnen het Akkoord Verbetering Productsamenstelling zijn het afgelopen jaar afspraken gemaakt voor reductie van het suikergehalte in zuiveldranken en de consumptie van frisdranken. Het reduceren van suiker in bestaande producten verloopt stapsgewijs, dus moeten en zullen er zeker nog vervolgstappen komen in de aanloop naar 2020.
Is de doelstelling van 10% reductie van suikers, liefst zonder dat daarvoor andere zoetstoffen in de plaats komen, in 2020 ook voor deze productgroep haalbaar? Zou er niet een ambitieuzere doelstelling neergezet moeten worden?
Een stapsgewijze aanpak is nodig om duurzaam resultaat te behalen, zowel vanwege smaakgewenning bij de consument als vanwege haalbaarheid voor het bedrijfsleven. Binnen het Akkoord zijn de eerste afspraken gemaakt. Omdat ons winkelschap een internationaal karakter kent, zal er ook een Europese aanpak voor verbetering productsamenstelling moeten komen. In vervolg op de zoutreductie wordt in de EU nu gesproken over een reductie van 10% suiker in 2020. Dit vergt een gezamenlijke aanpak van de EU-lidstaten. Tijdens het EU-voorzitterschap is mijn inzet dan ook om naar meer samenhang en samenwerking te komen binnen Europa, met lidstaten, bedrijfsleven en andere organisaties.
Welke maatregelen wilt u nemen om gezondheidsvoorlichting te versterken, zodat ouders – en waar mogelijk ook kinderen – zich bewust zijn van de risico’s die het regelmatig drinken van sterk suikerhoudende drankjes met zich meebrengt? Zou een stoplichtensysteem, zoals onder andere door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) gesuggereerd, hieraan een bijdrage kunnen leveren?
Er lopen voorlichtingsactiviteiten via het Nationaal Programma Preventie «Alles is gezondheid ...», Jongeren Op Gezond Gewicht en het bredere programma Gezonde School.
Via een publiekscampagne over de nieuwe Schijf-van-Vijf zal de consument vanaf eind maart worden gewezen op een gezonde keuze. In de nieuwe Schijf-van-Vijf zijn de nieuwe richtlijnen van de Gezondheidraad verwerkt.
Ook kennen wij het voedselkeuzelogo, het Vinkje, dat helpt om de bewuste keuze te maken.
Vernielingen door Israël in Palestijns gebied |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de vernieling door het Israëlische leger van meer dan twintig gebouwen in Palestijns gebied?1
Ja.
Klopt het dat hierdoor meer dan 100 mensen dakloos zijn geworden?
Ja.
Kunt u bevestigen dat bij de vernielingen ook schade is toegebracht aan hulpprojecten die door de EU en lidstaten zijn gefinancierd, en dat zonnepanelen in beslag zijn genomen die door internationale hulporganisaties waren gedoneerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Volgens opgave van de VN zijn 23 huizen, zes latrines en vijf zonnepanelen vernield. Tien huizen waren door de EU gefinancierd uit humanitaire middelen.
Is het waar dat de getroffen dorpen al lang bewoond werden voordat de Israëlische bezetting in 1967 begon, en dat Israël het betreffende gebied in de jaren ’70 als militair oefenterrein heeft aangewezen, in de wetenschap dat daar Palestijnse burgers wonen?
Ja. Israël betwist overigens dat de Palestijnse boeren het gebied permanent bewoonden op het moment dat de boeren bezwaar maakten tegen het verbod om in het betreffende gebied te wonen.
Deelt u de opvatting van mensenrechtenorganisaties dat de vernielingen een schending vormen van verplichtingen die Israël onder het internationaal recht heeft? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het gebied maakt onderdeel uit van Area C in de door Israël bezette gebieden. Israël heeft als bezettende mogendheid op basis van het bezettingsrecht specifieke verplichtingen tegenover de Palestijnse bevolking en moet bij het bestuur van het gebied de belangen van de lokale bevolking in acht nemen. Als bezettende mogendheid is het Israël op basis van het bezettingsrecht verboden roerende of onroerende goederen te vernielen, behoudens in de gevallen waarin militaire operaties een zodanige vernieling volstrekt noodzakelijk maken. Het is aan Israël om aan te tonen dat sprake is van een dergelijke uitzondering. Op basis van de beschikbare informatie lijken deze vernielingen niet onder deze uitzondering te vallen.
Is het waar dat de Israëlische autoriteiten van plan zijn om tien andere Palestijnse dorpen, waarin circa duizend mensen wonen, eveneens te vernielen?2
Ja. In 12 dorpen, waaronder de nu getroffen dorpen, zijn slooporders tegen nog meer huizen uitgevaardigd. Mensenrechtenorganisaties, deels met Nederlandse steun, hebben een spoedprocedure tegen verdere sloop aangespannen.
Heeft u bij de Israëlische autoriteiten geprotesteerd tegen de vernielingen in Palestijns gebied en bent u bereid op Europees niveau aan te dringen op hardere Europese maatregelen, erop gericht de Israëlische autoriteiten te bewegen tot een «fundamental change of policy by Israel with regard to the occupied Palestinian territory, particularly in Area C», zoals genoemd in recente EU-Ministerraadconclusies?3 Zo nee, waarom niet?
De EU heeft zorgen uitgesproken over het besluit. Tevens dringt de EU aan op de ontwikkeling van Area C ten behoeve van de Palestijnse bevolking. Het Kwartet, dus ook de EU, dringt bij Israël aan op transformatieve stappen, die de Palestijnen vertrouwen geven in een fundamentele verbetering.
Het aanvallen van een scheidsrechter door spelers van de voetbalclub Nieuw Sloten |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Scheidsrechter aangevallen door spelers Nieuw Sloten»1 en «Duel Nieuw-Sloten gestaakt na wangedrag speler»2? Herinnert u zich het feit dat voetballers van deze voetbalclub zijn veroordeeld vanwege betrokkenheid bij het overlijden van een scheidsrechter?3
Ja.
Is er naar aanleiding van het recente incident aangifte gedaan tegen spelers of andere betrokkenen van de genoemde voetbalclub? Zo ja, wat is de stand van zaken van deze aangifte? Zo nee, op welke gronden kan het Openbaar Ministerie (OM) overwegen over te gaan tot ambtshalve vervolging en wordt dit ook overwogen?
Er is geen aangifte gedaan tegen spelers of andere betrokkenen van de genoemde voetbalclub. De politie heeft op eigen initiatief wel gesproken met de scheidsrechter. De scheidsrechter kiest ervoor om geen aangifte te doen. Het Openbaar Ministerie heeft besloten niet ambtshalve tot vervolging over te gaan, vanwege de ernst van hetgeen dat is voorgevallen, het feit dat de scheidsrechter geen aangifte wenst te doen en het besluit van het bestuur van de voetbalvereniging om het betrokken team uit de competitie te halen.
In hoeverre kan het feit dat er eerder spelers van Nieuw Sloten betrokken waren bij een geweldsincident tegen een scheidsrechter meespelen bij een besluit van het OM om in geval van het recente incident vervolging tegen spelers of de club in te stellen?
Ook deze omstandigheid is onderdeel geweest van de afweging over de vervolging, waarbij uiteindelijk besloten is om niet tot vervolging over te gaan.
Doet de KNVB onderzoek naar spelers van Nieuw Sloten en/of de club? Zo ja, wat is de stand van zaken van dat onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De KNVB doet net als bij andere tuchtzaken onderzoek naar de toedracht van het voorval. Daders worden hierbij gestraft. Het onderzoek is nog niet afgerond. Lopende dit onderzoek zijn op voorhand alle spelers van dit elftal voorlopig uitgesloten van deelname aan wedstrijden.
Daarnaast is de KNVB met de vereniging in gesprek over verdere begeleiding en ondersteuning. Dit om de kans op misdragingen in de toekomst verder te verlagen.
De minder plek voor rolstoelgebruikers in bussen in Arnhem |
|
John Kerstens (PvdA), Otwin van Dijk (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat er in nieuw aangeschafte trolleybussen in Arnhem minder plek voor rolstoelgebruikers is?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat alle haltes in Arnhem wel rolstoeltoegankelijk zijn gemaakt, en vervolgens in de nieuwste bussen die deze haltes gebruiken er nauwelijks ruimte is voor een elektrische rolstoel?
Het is een goede zaak dat in Arnhem inmiddels veel haltes toegankelijk zijn gemaakt. De provincie Gelderland heeft daar als concessieverlener van het busvervoer hard aan getrokken. De bussen die recent zijn aangeschaft zijn toegankelijk voor twee mensen met een rolstoel, maar de bewegingsruimte voor mensen met een grote elektrische rolstoel is helaas iets kleiner geworden.
Het vervoerbedrijf Connexxion heeft op 2 maart 2016 de proef op de som genomen en mij geïnformeerd over de uitkomsten. Twee elektrische rolstoelgebruikers hebben – daartoe uitgenodigd door Connexxion – de nieuwe Hess rolstoelopstelling (met tussenschotten) uitgeprobeerd. De ene gebruiker paste er met zijn rolstoel goed in (het kostte hem wel wat meer tijd om te manoeuvreren dan voorheen). De andere reiziger paste er met haar rolstoel schuin in. Dit kwam vooral door de omvang van de rolstoel; de rolstoel ondersteunt een positie met de benen gestrekt naar voren. Connexxion zal nu eerst intern bekijken welke mogelijkheden er zijn om de schotten aan te passen. De opstelling moet namelijk ook aan de veiligheidseisen blijven voldoen. Connexxion prefereert het hebben van twee rolstoelplekken boven het hebben van één grote rolstoelplek.
De vervoerder heeft de twee rolstoelgebruikers uitgenodigd om in een klankbordgroep voor rolstoelgebruikers van Connexxion plaats te nemen.
Connexxion wil op landelijk niveau met enige regelmaat de ervaringen uit meerdere regio's verzamelen en deze – ook met organisaties van gehandicapten – bespreken. Dit initiatief wordt door het Arnhems Platform Chronisch Zieken en Gehandicapten (ApcG) ondersteund.
Bent u ervan op de hoogte dat volgens het Arnhems Platform Chronisch Zieken en Gehandicapten Europese richtlijnen de oorzaak zijn van de beperkte (beweeg)ruimte voor rolstoelers? Kunt u aangeven welke richtlijnen dit zijn, en hoe deze richtlijnen in verhouding staan met de Europese toegankelijkheidsakte en het VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap?
Ik ben op de hoogte van zienswijze van het Arnhems Platform Chronisch Zieken en Gehandicapten over Europese richtlijnen. De EU houdt zich voor wat betreft de inrichting van bussen aan reglement 107 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN-ECE). Daarin zijn de uniforme bepalingen voor bussen vastgelegd. Dit reglement is direct van toepassing op bussen die in Nederland in gebruik worden genomen. Het reglement is gericht op het verbeteren van de veiligheid in bussen en op het harmoniseren van de technische eisen aan bussen in de 56 lidstaten van de VN-ECE. De provincie Gelderland moet zich als concessieverlener van het openbaar busvervoer aan deze voorschriften houden en heeft dat ook gedaan.
De Europese toegankelijkheidsakte is een voorstel van de Europese Commissie waarover uw Kamer recent is geïnformeerd en is dus nog geen geldend recht. Bij het van kracht worden van een Europese richtlijn zou dit – afhankelijk van de uitkomst van de besprekingen en besluitvorming – consequenties kunnen hebben voor de functionele eisen die aan het ontwerp en produceren van bussen worden gesteld.
Voor wat betreft het VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap ligt dat anders, in die zin dat de Europese Unie het verdrag reeds heeft geratificeerd. Het verdrag is sinds januari 2011 in werking voor de EU. Nederland heeft het verdrag nog niet geratificeerd. De goedkeuringswet en uitvoeringswet betreffende het verdrag zijn in behandeling bij de Eerste Kamer.
Het bevorderen van de toegankelijkheid is in het verdrag een belangrijk punt (artikelen 3 en 9 van het verdrag). Bij de totstandkoming van de voor ratificatie benodigde wetgeving is vastgesteld dat de Nederlandse vervoersregelgeving niet in strijd is met het verdrag. Wel dient op grond van het verdrag uiteraard verder gewerkt te worden aan de verbetering van de toegankelijkheid van het (bus)vervoer.
Wat vindt u van deze ontwikkeling in Arnhem, en wat betekent deze ontwikkeling voor een inclusieve samenleving die deze regering nastreeft ook in het kader van de ratificatie van het VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap?
De laatste tien jaar is er met name in het busvervoer een grote verbetering in de haltetoegankelijkheid tot stand gebracht. Daarnaast hebben de vervoerbedrijven hun personeel en het materieel voorbereid op reizen van rolstoelgebruikers met OV-bussen. In grote delen van Nederland wordt door mensen met een rolstoel al gebruik van de bus gemaakt, al is deze groep naar de indruk van concessieverleners nog steeds relatief beperkt. De inclusieve samenleving komt zo steeds een stukje dichterbij. In de voorschriften voor de inrichting van nieuwe trolleybussen is rekening gehouden met bepaalde maten rolstoelen en met de veiligheid van de rolstoelpassagiers. Kennelijk gaan de meest recente voorschriften voor bussen ten koste van de manoeuvreerruimte voor grote elektrische rolstoelen.
Het betreffende vervoerbedrijf en de concessiehouder (provincie Gelderland) tonen zich betrokken en blijken oog te hebben voor het beschreven probleem.
Bent u bereid in overleg met uw collega van infrastructuur en milieu de richtlijnen uit Europa te bekijken rondom veiligheid in het openbaar vervoer, en de mogelijke onwenselijke effecten hiervan op de toegankelijkheid van het openbaar vervoer voor mensen met een beperking? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren voor de zomer? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de inspanningen van het vervoerbedrijf en de concessiehouder teneinde tot een oplossing te komen, heb ik op dit moment geen aanleiding om met mijn collega van infrastructuur en milieu de richtlijnen uit Europa te bekijken ten aanzien van de veiligheid in het openbaar vervoer en mogelijke onwenselijke effecten hiervan op de toegankelijkheid van het openbaar vervoer voor mensen met een beperking. Mogelijk ziet het vervoerbedrijf naar aanleiding van de test in de praktijk mogelijkheden om met inachtneming van de veiligheidseisen de inrichting van de bus aan te passen, zodat deze categorie van elektrische rolstoelen van de Arnhemse trolleybussen gebruik kan blijven maken.
De uitspraak van een gemeenteraadslid dat de Islam “weggevaagd” mag worden |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Haagse PVV'er: Islam mag weggevaagd worden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het goed is dat het stadsbestuur van Den Haag afstand heeft genomen van de uitspraak van het raadslid dat de islam weggevaagd mag worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het College van burgemeester en Wethouders van de gemeente Den Haag heeft mij laten weten dat het niet op zijn weg vindt liggen om uitingen van volksvertegenwoordigers op de sociale media te volgen en van commentaar te voorzien. Zoals al meerdere malen door het College aangegeven, neemt het College afstand van polariserende uitingen, ongeacht van wie deze afkomstig zijn, die erop gericht zijn bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten.
Ik ben van mening dat het goed is dat het College afstand neemt van dergelijke polariserende uitingen.
Deelt u de mening dat een passende reactie tegen uitingen die verdeeldheid zaaien, mensen tegen elkaar opzetten of beledigen binnen het strafrecht als ultimum remedium kan worden gevonden? Zo ja, waarom en welke delicten zijn in dit kader mogelijk van toepassing? Zo nee, waarom niet?
Indien er sprake is van een verdenking van een strafbaar feit, zoals bijvoorbeeld opruiing (artikel 131 Sr), groepsbelediging (artikel 137c Sr) of aanzetten tot haat, discriminatie of geweld (artikel 137d Sr), is het strafrecht het aangewezen middel om adequaat te reageren.
Is er aangifte gedaan tegen het genoemde raadslid in verband met haar uitspraak dat de islam weggevaagd mag worden of vanwege het verspreiden van het genoemde filmpje? Zo ja, wat is de stand van het onderzoek? Zo nee, stelt het Openbaar Ministerie ambtshalve vervolging in?
Op 8 februari jl. is aangifte gedaan, deze aangifte wordt momenteel door het Openbaar Ministerie (OM) bestudeerd.
Deelt u de mening dat iedereen die een godsdienst wil aanhangen dat moet kunnen doen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die mening. Godsdienstvrijheid is in Nederland in de Grondwet verankerd. Dit betekent dat je in Nederland elke godsdienst mag aanhangen en dat je in Nederland niet op ongelijke wijze mag worden behandeld vanwege je geloof of je afkomst.
Deelt u de mening dat het «wegvagen» van een godsdienst in strijd is met de vrijheid van godsdienst? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Artikel 6 van de Grondwet waarborgt het recht van een ieder zijn godsdienst of levensovertuiging vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De vrijheid van godsdienst heeft daarmee betrekking op de vrijheid van het belijden van de godsdienst. Uitspraken over godsdienst kunnen vallen onder de vrijheid van meningsuiting. Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven kan wel sprake zijn van een strafbaar feit of van discriminatie zoals omschreven in artikel 1 van de Grondwet.
Kan er sprake zijn van een strafbaar feit, zoals groepsbelediging of haatzaaien, indien de dader zich niet direct richt tot een groep mensen (bijvoorbeeld moslims of homo’s) maar wel tot datgene wat die specifiek groep kenmerkt, zoals hun geloof of seksuele gerichtheid (de islam of homoseksualiteit)? Zo nee, waarom niet?
Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BF0655) dient een uitlating voor strafbaarheid wegens groepsbelediging onmiskenbaar betrekking te hebben op een groep mensen wegens hun godsdienst. Per geval zal beoordeeld moeten worden of daar sprake van is. Daarbij dient niet alleen te worden gekeken naar de uitlating sec, maar ook naar de samenhang met de rest van de uiting en de context waarin de uitlating is gedaan. Voor aanzetten tot haat geldt evenzeer dat alle voor de strafbaarheid relevante omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM9132 en ECLI:NL:HR:2010:BM9135) dienen uitlatingen niet uitsluitend op zichzelf te worden bezien, doch tevens in de gegeven omstandigheden van het geval en in het licht van de mogelijke associaties die deze wekken.
Maakt het in dit kader in juridische zin verschil of iemand zegt dat «moslims vies zijn» dan wel «de islam is vies»? Zo ja, waaruit bestaat dit verschil? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Wat is de stand van zaken van de jurisprudentie over groepsbelediging of haatzaaien met betrekking tot de vraag of een uitlating beledigend of haatzaaiend is indien die niet direct tot een groep mensen is gericht maar tot een geloof?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat, indien uit de jurisprudentie blijkt dat uitlatingen over een geloof in dit kader niet strafbaar zijn, de wet in die zin zou moeten worden aangepast dat dat wel strafbaar kan worden, gezien de verbondenheid tussen een geloof en de gelovigen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij het antwoord op de vragen 7, 8 en 9 aangegeven volgt uit de jurisprudentie dat er sprake kan zijn van strafbaarheid, maar dat dit afhangt van de omstandigheden van het geval. Ik zie dan ook geen reden om de wet aan te passen.
De ‘wereldwijde noodsituatie’ door het zikavirus |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Op welke manier werken de onderzoekers van het Erasmus MC samen met het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en/of de WHO (Wereld Gezondheidsorganisatie) in het kader van de noodsituatie rond het zikavirus?1
De onderzoekers van het RIVM en Erasmus MC zijn gezamenlijk bezig met de validatie van serologische testen ten behoeve van zikadiagnostiek. Daarbij hebben zij onderlinge afspraken gemaakt om materialen te delen, om zo de validatie te versnellen. Verder volgt het RIVM de adviezen van de WHO op de voet en vertaalt deze naar de Nederlandse situatie.
Het RIVM en Erasmus MC voeren diagnostiek van zikavirusinfectie uit in Nederland en bieden de Cariben hierbij ondersteuning aan, deze activiteiten worden onderling afgestemd. Informatievoorziening aan het veld gebeurt via de berichtenservice labinf@ct, deze berichten worden ook onderling afgestemd. Erasmus MC zorgt daarbij actief voor het delen van informatie uit het internationale netwerk die relevant kan zijn voor de bestrijding in Nederland.
Erasmus MC is genomineerd als Zika-referentielaboratorium voor de Europese Unie en is aangezocht als WHO collaborating centre voor exotische virussen waaronder arbovirussen (virussen die door onder andere muggen op mensen kunnen worden overgedragen). WHO collaborating centres steunen de WHO bij haar opdracht en worden benaderd voor specifieke activiteiten, onder andere bij uitbraken. De mogelijkheden voor ondersteuning door WHO collaborating centres van landen bij zikavirusdiagnostiek zijn geïnventariseerd en worden gebruikt om eventuele behoefte voor bijstand op te lossen, indien nodig. Tevens heeft de WHO aan Erasmus MC gevraagd om bijstand bij het beoordelen van geschiktheid van nieuwe methoden voor het aantonen van actuele of doorgemaakte infectie met zikavirus voor verschillende doeleinden. Het RIVM heeft hierin geen rol.
Op welke manier werken het RIVM en het Erasmus MC samen met de «globale responseenheid» die door de WHO is opgericht?2
Zie antwoord vraag 1.
Worden reizigers naar gebieden waar het zikavirus voorkomt, waaronder het Caribisch deel van het Koninkrijk, extra getest op het virus? Worden er extra preventieve maatregelen op vliegvelden overwogen?
Reizigers naar gebieden waar het zikavirus voorkomt worden niet extra getest op het virus als daar geen aanleiding toe is. Reizigers die naar risicogebieden zijn geweest en die zich presenteren met klachten, worden geadviseerd contact op te nemen met een arts. Er worden verder geen preventieve maatregelen op vliegvelden ingezet. Reizigers naar risicogebieden worden vooraf goed geïnformeerd over de risico’s van het zikavirus en het belang van het gebruik van muggenwerende middelen wordt hierbij uitgelegd. Verder heeft het responseteam zikavirus geen extra maatregelen geadviseerd ten aanzien van vliegtuigen. De kans dat muggen die het zikavirus kunnen overbrengen per vliegtuig ons land binnenkomen is zeer gering. Zo is in muggenvallen op Schiphol nog nooit een exotische mug aangetroffen.
Klopt het dat het zikavirus tot voor kort alleen in centraal Afrika voorkwam, en pas tijdens het wereldkampioenschap voetbal van 2014 naar Brazilië is gekomen? Zo ja, welke consequenties zou die conclusie volgens u moeten hebben voor de Olympische Spelen 2016 in Rio de Janeiro?
Ja, het klopt dat het vermoeden bestaat dat het zikavirus tijdens het wereldkampioenschap door reizigers in Brazilië is geïntroduceerd. Overigens is het virus via gebieden in Afrika, Azië en Micronesië naar Zuid-Amerika gekomen. Ik snap dat dit voor mensen kan overkomen als een risico waar iets tegen gedaan moet worden. Echter, er is altijd sprake van handel en toerisme en hiervan is bekend dat deze factoren een grote bijdrage leveren aan het verspreiden van infectieziekten. Dit is een gevolg van de (economische) ontwikkeling van de wereld en dit is niet iets wat voorkomen kan worden. Hierdoor is het belangrijk dat landen een goed landelijk surveillancesysteem hebben en dat hier ook op internationaal niveau over gecommuniceerd wordt. Veel landen, waaronder Nederland, beschikken over een goed werkend surveillancesysteem en het is goed dat landen zich dit belang blijven realiseren. De Olympische Spelen vormen in dat opzicht geen additioneel risico voor landen voor de introductie van virussen.
Hoe kan het dat het zikavirus al in 1947 in Uganda is ontdekt, en er pas nu er een uitbraak in Brazilië is, meer bekend wordt over de schadelijkheid van dit virus? Deelt u de mening van Braziliaanse experts dat hier een parallel ligt met de uitbraak van Aids in de jaren ’80?3 Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor veel nieuwe virussen geldt dat deze voor het eerst ontdekt worden in rurale gebieden, veelal per toeval. Vaak «verdwijnt» zo’n virus dan weer, of wordt deze niet meer waargenomen, totdat deze opeens weer opduikt. Het zikavirus is – naast de uitbraak in Frans-Polynesië – niet eerder in grote mate waargenomen. Ook is er niet eerder het vermoeden geweest dat er een verband bestaat tussen het zikavirus en microcefalie en het Guillain-Barré syndroom. De omvang van de uitbraak zoals deze momenteel plaatsvindt, in combinatie met het mogelijke verband tussen het virus en microcefalie, heeft er voor gezorgd dat het belang van snel en gecoördineerd uitvoeren van onderzoek naar mogelijke complicaties van het virus is onderstreept. Vanwege dit mogelijke verband tussen het zikavirus en microcefalie en het Guillain-Barré syndroom heeft het WHO een PHEIC (Public Health Emergency of International Concern) afgekondigd.
De mening dat er een parallel getrokken kan worden tussen de huidige zikauitbraak en de opkomst van AIDS in de jaren ’80 deel ik niet. Bij de opkomst van AIDS was er sprake van epidemie in zowel delen van Afrika als Amerika, waarbij veel onduidelijkheid speelde over de oorsprong van de ziekte en waarbij het onderzoek naar de ziekte, en de behandeling ervan, een moeizame start hebben ondervonden. Hier is bij het zikavirus geen sprake van. Sinds de uitbraak van het zikavirus in grote proporties is toegenomen en het vermoeden is ontstaan dat er een verband bestaat tussen het virus en microcefalie zijn alle zeilen bijgezet om meer kennis te vergaren over het zikavirus.
Klopt het dat het protocol voor het geven van bloed in Nederland inhoudt dat bloeddonoren vier weken geen bloed mogen geven als zij buiten Europa zijn geweest?4 Hoe wordt hierop gecontroleerd? Wordt dit protocol aangepast nu het virus ook in Europa is aangetroffen, en een zikauitbraak in Europa allerminst uitgesloten is?5
Ja, dit klopt. Bloeddonatie is in Nederland niet mogelijk gedurende de eerste vier weken na verblijf buiten Europa. Dit beleid zorgt ervoor dat infecties die buiten Europa voorkomen niet in de transfusieketen terecht komen. Dat geldt niet alleen voor het zikavirus, maar bijvoorbeeld ook voor West-Nijlvirus, denguevirus en chikungunyavirus. Bij donoren wordt voorafgaande aan iedere bloeddonatie via een gestandaardiseerde vragenlijst gericht nagevraagd of zij de voorafgaande vier weken buiten Europa zijn geweest. Aanpassing van het beleid is nu niet aan de orde omdat zich vooralsnog geen uitbraken van het zikavirus in Europa hebben voorgedaan. In het geval die situatie zich wel voordoet, zal worden beoordeeld of aanvullende maatregelen aangewezen zijn, bijvoorbeeld door donoren die in een zikagebied in Europa zijn geweest gedurende vier weken uit te stellen voor bloeddonatie. Deze vier weken zijn ruimschoots langer dan de duur van een zika-infectie.
Wat vindt u van het advies dat Public Health England heeft gegeven, dat Britse mannen die in een land zijn geweest waar het zikavirus heerst, bij thuiskomst een maand lang bij seksueel contact condooms moeten gebruiken?6 Moet dit advies naar uw mening ook overgenomen worden door het RIVM, nu aangetoond is dat het zikavirus door seksueel contact kan worden overgedragen?7
Het RIVM volgt alle ontwikkelingen rondom het zikavirus nauwlettend. Zo ook de berichtgeving dat er via onderzoek is aangetoond dat het zikavirus seksueel overgedragen kan worden. De seksuele overdracht is nog niet duidelijk beschreven. Op dit moment adviseert het RIVM mannen die in het Zika-gebied zijn geweest en een vrouw hebben die zwanger is of zwanger wil worden, gedurende een maand een condoom te gebruiken.
Klopt het dat er nog geen (preventieve) landelijke maatregelen verplicht zijn voor bedrijven die (gebruikte) banden importeren?8 Zo ja, bent u bereid versneld met verplichte preventieve landelijke maatregelen te komen, en niet te wachten op een wetswijziging?
Ik ben van mening dat de Warenwet niet van toepassing is aangezien gebruikte banden afvalproducten zijn waarvan het, in tegenstelling tot de Lucky Bamboo-planten, niet de bedoeling is dat ze bij consument terecht komen. Dat betekent echter niet dat er niet gehandeld kan worden. Op dit moment wordt al gehandhaafd, namelijk op grond van de Wet publieke gezondheid (Wpg) via de gemeenten. Zodra er sprake is van een vondst op een bedrijf kan de burgemeester maatregelen opleggen. De NVWA ondersteunt het lokale bevoegde gezag daarin. De NVWA komt tweewekelijks op de locatie en helpt de gemeente bij het opbouwen van een dossier. Daarnaast is vorig jaar extra ingevoerd dat er maandelijks inspecties plaatsvinden op de bedrijven die de afgelopen 2 jaar besmet zijn geweest. Hierbij wordt een checklist afgewerkt. Deze is gebaseerd op de afspraken uit het convenant met de bandenbedrijven. Geconcludeerd kan worden dat de bedrijven in hoge mate na leven. De extra inspecties dragen bij aan het naleefgedrag van de bedrijven. Er is geen reden gemeenten in dit stadium te adviseren maatregelen ex artikel 47 Wpg op te leggen.
Ook vind ik het wenselijk om naar de toekomst te kijken. Het valt niet uit te sluiten dat op termijn andersoortige producten worden geïmporteerd waardoor insleep plaatsvindt van nu nog onbekende invasieve exotische vectoren die een gevaar voor de volksgezondheid met zich kunnen meebrengen. Dat is de aanleiding om de wet te willen wijzigen, waarmee deze verantwoordelijkheid van gemeenten overgaat naar de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Zo wordt ook voorkomen dat een woud van verschillende regelingen (per vector en per productsoort) ontstaat. Het wetsvoorstel ligt op dit moment bij de Raad van State. Ik verwacht het eind maart, begin april 2016 aan uw Kamer aan te bieden. De snelheid waarmee het vervolgens wordt aangenomen, hangt mede af van de agendering en bespreking in uw Kamer en daarna de Eerste Kamer.
Is het toezicht en de handhaving door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op de bandensector geïntensiveerd sinds de uitbraak van het zikavirus? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Wie is verantwoordelijk voor het testen van gevonden invasieve muggensoorten op het zikavirus? Wat wordt gedaan met de resultaten van dergelijke testen? Zijn er al resultaten bekend van deze testen?
Invasieve exotische muggensoorten worden niet getest op de aanwezigheid van virussen, dus ook niet op aanwezigheid van het zikavirus. De bestrijding van invasieve exotische muggen wordt uitgevoerd om te voorkomen dat de muggen zich in Nederland vestigen. De kans op introductie van virussen via deze muggen wordt zeer klein geacht en daar is ook weinig wetenschappelijk bewijs over, zoals ook de ECDC heeft gecommuniceerd in een technisch document van 8 februari 2016. Over dit beleid heb ik u geïnformeerd via mijn brief van 25 juni 2013 (Kamerstuk 32 793, nr. 96). Wanneer er humane of dierlijke gevallen met onbegrepen ziekteverschijnselen voorkomen die mogelijk passen bij virussen die door bijvoorbeeld muggen overgebracht kunnen worden, dan is het pas zinvol om gevangen exotische muggen te onderzoeken op de aanwezigheid van ziekteverwekkers.
Mensenhandel in Djibouti |
|
Salima Belhaj (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Seks, spionnen en soldaten» over Djibouti op OneWorld.nl?1
Ja.
Herkent u het beeld zoals geschetst aan de hand van de memoires van de Amerikaanse contractor? Zo nee, waarop baseert u dat andere beeld?
Dit beeld is in grote lijnen herkenbaar.
Kunt u, nu militairen als voornaamste klanten van de meisjes genoemd worden en er de afgelopen jaren in het kader van antipiraterij-missies ook Nederlandse soldaten in Djibouti geweest zijn, uitsluiten dat Nederlandse militairen bijdragen aan de genoemde misstanden in het artikel, in het specifiek de handel in en prostitutie van jonge meisjes? Zo nee, welke maatregelen treft u om dit wel te kunnen uitsluiten?
In het kader van de anti-piraterijmissies zijn geen Nederlandse militairen in Djibouti gestationeerd. Wel leggen Nederlandse marineschepen er van tijd tot tijd kort aan voor onder andere bevoorrading. Sinds de zelfmoordaanslag in mei 2014 in Djibouti is het de bemanning van Nederlandse marineschepen niet toegestaan om van boord te gaan in Djibouti.
Hoe beoordeelt u de suggestie in het artikel dat de Verenigde Staten Djibouti omwille van politieke en economische belangen te mild beoordeelt aangaande het werk maken van de aanpak van mensenhandel, omdat plaatsing in de laatste categorie gevolgen voor de samenwerking tussen beide landen zou hebben?2
Die suggestie is voor rekening van de schrijfsters van het artikel.
Volgt of gebruikt Nederland op enigerlei wijze deze Amerikaanse categorisering? Zo ja, hoe? Zo nee, welk systeem gebruikt Nederland en hoe is Djibouti daarin geclassificeerd?
Nederland levert op verzoek van de VS jaarlijks input voor het Trafficking in Persons Report. Het rapport is een unieke en waardevolle bron van informatie over de bestrijding van mensenhandel wereldwijd, en wordt als zodanig ook gebruikt door de relevante instanties in Nederland die belast zijn met de bestrijding van mensenhandel. Ons land heeft geen eigen classificatiesysteem. Waar nodig wordt op ad hoc basis onderzoek gedaan naar de mate waarin mensenhandel in een bepaald land een rol speelt. Gelet op de beperkte relevantie voor Nederland krijgt Djibouti geen specifieke aandacht.
Kijkt Nederland omwille van economische of diplomatieke belangen met een vergoelijkend oog naar mensenrechtenschendingen in Djibouti? Zo ja, welk concreet belang rechtvaardigt dit?
Neen. Nederland kijkt niet met een vergoelijkend oog naar mensenrechtenschendingen in Djibouti.
Welke inzet pleegt Nederland in haar relaties met Djibouti, zowel bilateraal als multilateraal, om via hulp en handel mensenhandel in Djibouti tegen te gaan en de rechtsstaat te versterken?
Nederland onderhoudt bilaterale relaties met Djibouti, maar deze relaties zijn weinig intensief. Er is geen Nederlandse ambassade in Djibouti en geen Djiboutiaanse ambassade in Den Haag. De wederzijdse handelsvolumina zijn beperkt. Wel liggen er kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven bij de uitbreiding van de haven van Djibouti en de aanleg van gerelateerde infrastructuur. In 2014 vond om die reden een handelsmissie naar het land plaats. Er is geen ontwikkelingssamenwerkingsprogramma. Nederlandse hulp aan Djibouti is indirect en vindt plaats via ongeoormerkte bijdrages aan onder meer VN-organisaties. De EU-delegatie in Ethiopië financiert een project met UNODC om mensenhandel in Ethiopië en Djibouti aan te pakken.
De aanpak van radicalisering op scholen |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Welke mogelijkheden grijpt u aan om iets te ondernemen tegen het gebrek aan leiding dat veel docenten op scholen ervaren als het gaat om radicalisering?1
Maatschappelijke problemen worden zichtbaar in het onderwijs. Docenten kunnen geconfronteerd worden met extreme opvattingen van leerlingen of kunnen vermoedens hebben dat een leerling radicaliseert. Deze docenten moeten niet het gevoel hebben alleen te staan; ze moeten weten wat ze kunnen doen en waar ze terecht kunnen. Dit is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van schoolleiders en bestuurders. Die moeten duidelijk maken waar de school voor staat, zodat docenten een gedeeld ijkpunt hebben in hun handelen. Het Ministerie van OCW ondersteunt hen hierbij. De Stichting School en Veiligheid biedt deskundige ondersteuning op maat voor onderwijsinstellingen met een specifieke hulpvraag over radicalisering, biedt gratis trainingen aan voor onderwijspersoneel over het herkennen van jongeren die dreigen te radicaliseren en beheert een telefonische helpdesk («hotline») waar onderwijsinstellingen en docenten met vragen terecht kunnen. Ook worden er afspraken gemaakt met de achttien gemeenten waar de problematiek van radicalisering het meest nijpend is. Over deze «complementaire aanpak» heb ik u op 3 juni 2015, mede namens de ministers van SZW en VenJ, geïnformeerd.2 Daarnaast biedt de Stichting School en Veiligheid trainingen aan docenten om hen praktische handvatten te geven voor het voeren van gesprekken over gevoelige maatschappelijke onderwerpen. Ook organiseert de stichting in april een landelijke conferentie over dit thema gericht op leraren en schoolleiders in het primair en voortgezet onderwijs en op opleiders van lerarenopleidingen en pabo’s.
Op welke wijze(n) heeft het kabinet inmiddels uitvoering gegeven aan de motie van het lid Jadnanansing inzake een effectievere begeleiding en aanpak bij de problematiek rond ontwortelde jongeren?2
Lerarenopleidingen hebben de belangrijke taak om hun studenten voor te bereiden op wat zij in hun toekomstige lespraktijk zullen tegenkomen. De lerarenopleidingen zijn daarom verantwoordelijk voor een curriculum dat aansluit bij maatschappelijke ontwikkelingen en dat hun studenten voorbereidt op het verzorgen van burgerschapsonderwijs en het bespreekbaar maken van burgerschapsthema’s. Er gebeurt veel binnen de lerarenopleidingen om studenten hierop voor te bereiden. Om te beginnen komen de kennis en vaardigheden die hiervoor nodig zijn terug in de landelijke kennisbases voor de pabo’s en de tweedegraads lerarenopleidingen. Daarnaast heb ik tijdens mijn rondgang langs de lerarenopleidingen en binnen de voorloperaanpak gezien dat er veel aandacht bestaat voor Bildung in de lerarenopleidingen. Toekomstige leraren zijn beter voorbereid op het voeren van moeilijke gesprekken en het geven van goed burgerschapsonderwijs wanneer zij zelf een morele, kritische en open houding hebben. De aandacht voor burgerschapsonderwijs in het nieuwe curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs vraagt ook van lerarenopleidingen om toekomstige docenten hierop voor te bereiden. Tot slot stimuleer ik samen met mijn ambtgenoot van SZW de inzet op het vergroten van vaardigheden van toekomstige leraren door het project «Dialoog als burgerschapsinstrument» te financieren. Hierin wordt samen met lerarenopleidingen een methodiek ontwikkeld waarmee toekomstige leraren worden ondersteund bij het vormgeven van burgerschapsonderwijs.
Hoe wilt u ervoor zorgdragen dat iedereen die van de lerarenopleiding komt, in staat is om leerlingen met extreme ideeën en uitspraken, een afwijkend wereldbeeld tegemoet te treden én daarnaast in staat is bij alle leerlingen kritisch denken en empathie te bevorderen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wilt u ervoor zorgdragen om docenten die «in de maatschappelijke frontlinie staan, alle steun te bieden die ze nodig hebben», zodat zij op korte termijn niet alleen onze morele steun krijgen, maar ook daadwerkelijk methoden aangereikt krijgen waarmee zij hun essentiële rol kunnen waarmaken?3
Zie het antwoord op vraag 1.
Wat heeft u ondernomen en gaat u nog ondernemen met uw toezegging om in het middelbaar beroepsonderwijs de aandacht voor burgerschapsonderwijs te vergroten met betrekking tot kritische denkvaardigheden en het kunnen voeren van een dialoog over complexe thema’s zoals, radicalisering, racisme, discriminatie, democratische waarden, vrijheid van meningsuiting en religie?4
Het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen (EKB) WEB wordt gewijzigd vanwege het aanscherpen van de generieke kwalificatie-eisen voor loopbaan en burgerschap op kritische denkvaardigheden. Studenten dienen te worden toegerust op de moderne maatschappij waarbij kritisch kunnen denken van belang is. Hiertoe is het van belang docenten in de positie te brengen deze vaardigheden aan studenten in het mbo over te brengen. Er wordt een handreiking ontwikkeld om de docenten te ondersteunen.
De wijziging van het EKB in het onderdeel loopbaan en burgerschap maakt de bevordering van kritisch denken expliciet onderdeel van iedere kwalificatie in het mbo. Daarmee wordt het een verplicht onderdeel en zal dit aspect meer aandacht in het onderwijs krijgen. De internetconsultatie waarbij iedereen kon reageren op de wijziging van de regeling is op 8 februari 2016 gesloten. Naar verwachting zal de wijziging ingaan op 1 augustus 2016.
Omdat het van groot belang is dat kennis over burgerschapsonderwijs wordt gedeeld ondersteun ik daarnaast het Netwerk Burgerschap. Dit netwerk, een initiatief van vrijwilligers, is nu bij de MBO Raad gepositioneerd en wordt verder geprofessionaliseerd. Het netwerk verzorgt een website en organiseert ook bijeenkomsten voor kennisdeling. Verder zal ook de Stichting School en Veiligheid een training ontwikkelen waarmee docenten beter toegerust worden om het gesprek over complexe maatschappelijke thema’s te voeren met hun studenten.
De omstreden handelsverdragen met Canada (CETA) en de VS (TTIP) |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «TTIP laat zien: we zijn de regie kwijt»?1
Het bericht stelt de bevoegdheidsverdeling tussen de EU-instituties en de lidstaten over handels- en investeringsverdragen aan de orde. Het kabinet deelt de strekking van het artikel niet. De bevoegdheidsverdeling is in het Verdrag van Lissabon vastgelegd. Hoewel in het verslag door diverse partijen vragen over de bevoegdheidsverdeling zijn gesteld (Kamerstukken 31384-(R1850) nr. C; 31384-(R1850) nr.2, blijkt uit de handelingen dat dit noch voor de Tweede Kamer (Handelingen 2007–2008, nr. 91, pag. 6451–6520; nr. 92, pag. 6541–6566), noch voor de Eerste Kamer (Handelingen 2007–2008, nr. 37, pag. 1531–1593; nr. 38, pag. 1595–1619) een discussiepunt is geweest in het debat over het Verdrag van Lissabon. Voor handelsverdragen had de Europese Commissie deze bevoegdheid overigens al sinds 1 januari 1970 op grond van het toenmalige EEG-Verdrag.
Lidstaten zijn nauw betrokken bij de onderhandelingen over het EU-VS handelsakkoord, het Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP), en andere akkoorden. Voor de onderhandelingen van start gaan, geeft de Raad een onderhandelingsmandaat aan de EU, waarbinnen de Europese Commissie moet handelen. Tijdens de onderhandelingen spreken de lidstaten met regelmaat op politiek en ambtelijk niveau over het verloop van de onderhandelingen. Na afronding wordt een voorstel voor voorlopige toepassing en sluiting voorgelegd aan de Raad. De Tweede Kamer is betrokken bij iedere discussie in de Raad over deze verdragen. Zo heeft de Tweede Kamer in de afgelopen drie jaar meer dan 20 debatten met het kabinet gehad waarbij TTIP een belangrijk onderdeel op de agenda was.
Hoe oordeelt u over het feit dat de Deutscher Richterbund – met 16.000 Duitse rechters en openbare aanklagers – «het verdrag absoluut niet ziet zitten»? Wat betekent dit voor de onderhandelingen?
De opvatting van de Duitse rechters over een concurrerend rechtssysteem is door Duitsland vooralsnog niet overgenomen en ingebracht in de Raad ten behoeve van de onderhandelingen. In een reactie op het artikel laat de Europese Commissie wel weten dat de Deutscher Richterbund het Investment Court System verkeerd heeft begrepen.3 De Europese Commissie verduidelijkt dat het Investment Court System het EU-recht of het nationale recht van lidstaten niet doorkruist en dat het Investment Court System het huidige rechtssysteem in de EU of in de EU-lidstaten niet verandert.
Klopt het dat de chloorkip nu nog is verboden, maar later alsnog Europa kan binnenkomen, omdat TTIP een «levend verdrag» is? Zo nee, kunt u de chloorkip op de lange termijn uitsluiten?
De EU behoudt de beleidsvrijheid om eigen wetgeving op te stellen op het gebied van veiligheid en bescherming van de gezondheid van mens, dier, plant en milieu. Decontaminatie van pluimveevlees is in de EU alleen toegestaan als dat gebeurt met middelen die de EU heeft toegelaten. Daar gaat een strikte risicobeoordeling door de European Food Safety Authority (EFSA) aan vooraf. Tot dusverre zijn onder de huidige EU-regelgeving hiertoe geen middelen goedgekeurd. De strikte beoordelingsprocedures voor decontaminerende middelen in de EU blijven van kracht, ook na het afsluiten van TTIP.
Klopt het dat «voorlopige inwerkingtreding» van TTIP en CETA mogelijk is vóórdat nationale parlementen zich erover uitspreken? Vindt u dit getuigen van een democratische werkwijze?
De bevoegdheidsverdeling en de goedkeuringsprocedure volgen uit het Verdrag van Lissabon, waarover het Nederlandse parlement in 2008 besloot. Voorlopige toepassing is gebruikelijk bij handelsverdragen. Het dient ter overbrugging van het ratificatieproces dat soms meerdere jaren in beslag neemt. Alleen de onderdelen van het verdrag waarvan tussen de Commissie, de Raad en lidstaten wordt vastgesteld dat die onder de bevoegdheid van de EU vallen, komen in aanmerking voor voorlopige toepassing. Voor een volledige beschrijving van de goedkeuringsprocedure verwijst het kabinet naar de Kamerbrief van 15 januari 2016 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1572).
Klopt het dat voorlopige inwerkingtreding van het CETA-verdrag met Canada kan plaatsvinden vóórdat de uitspraak van het Europese Hof van Justitie wordt gepubliceerd over de vraag of dergelijke verdragen uitsluitend een Europese bevoegdheid zijn of niet? Vindt u dit een wenselijke situatie?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 15 januari 2016 over de totstandkomingsprocedure voor handelsverdragen (Kamerstuk 21 501–02, nr. 1572) doet de Europese Commissie een voorstel aan de Raad waarmee de ondertekeningsprocedure van een handelsverdrag door de Europese Unie in gang wordt gezet. Dit voorstel kan vergezeld gaan van een voorstel tot voorlopige toepassing van de delen van het akkoord die tot de bevoegdheid van de Unie behoren. De Europese Commissie heeft dit bijvoorbeeld gedaan in het geval van het handelsverdrag tussen de EU en Zuid-Korea. De eventuele gevolgen van een uitspraak van het Hof van Justitie over de bevoegdheidsverdeling in het EU-Singapore verdrag kunnen pas na de uitspraak worden bezien.
Deelt u de mening dat het Investment Court System (ICS) als vervanging van investeringsbeschermingsmechanisme ISDS, nog altijd een aparte wijze van geschillenbeslechting biedt aan bedrijven buiten de normale rechtsgang om?
De vrijheid van overheden om publieke belangen op democratische wijze te beschermen, is onbetwist. Maar overheden moeten wel op een behoorlijke en betrouwbare manier besturen. Het primaire doel is om investeerders aan te moedigen de nationale rechtsgang te bewandelen. Een eerlijke en onafhankelijke nationale rechtsgang is helaas niet overal gegarandeerd. Het mechanisme van investeringsbescherming in een investeringsverdrag biedt basiswaarborgen die te allen tijde moeten gelden voor de behandeling van investeerders. Dat betekent niet dat buitenlandse investeerders in Nederland extra rechten krijgen of een hogere bescherming genieten. De rechten die in het Investment Court System worden opgenomen leggen de basisregels van behoorlijk bestuur vast. Die basiswaarborgen zijn ook ingebed in ons nationale rechtssysteem. Het Investment Court System biedt hiervoor een transparant en onafhankelijk alternatief.
Deelt u de twijfels van de Deutscher Richterbund over de vraag of de EU wel bevoegd is om een arbitragehof op te tuigen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie hierover ook de beantwoording op vraag 2. In de uitspraken C-146/13 en C-147/13 over de oprichting van het Eengemaakt Octrooigerecht bevestigt het Europees Hof van Justitie dat het sluiten van een verdrag door de Unie waarbij voorzien wordt in de oprichting van een internationaal gerecht met als taak het uitleggen van dat verdrag in beginsel niet in strijd is met het EU-recht.
Bent u naar aanleiding van de stellingname van de Deutscher Richterbund bereid om het Europees Hof van Justitie om advies te vragen of er een juridische basis bestaat voor een arbitragehof?
Gelet op het antwoord op vraag 7 ziet het kabinet geen aanleiding voor een adviesaanvraag aan het Europees Hof van Justitie.
Erkent u dat lidstaten zoals Nederland door verdragen als TTIP en CETA «de regie kwijtraken»? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 1.
Wat is uw oordeel over het bericht «Keystone ISDS lawsuit hightlights legal risks of EU trade deals», over energiereus TransCanada, die de Amerikaanse staat aanklaagt voor een bedrag van 15 miljard dollar wegens de annulering van het Keystone XL project omwille van het milieu?2
Het fundament van een rechtsstaat is dat iedereen zich mag verweren tegen overheidsbesluiten.
TransCanada heeft een beroep gedaan op de verdragsbepalingen die voorzien in nationale behandeling (art. 1102 NAFTA), meest begunstigde behandeling (art. 1103 NAFTA), onteigening (art. 1110 NAFTA) en redelijke en billijke behandeling (art. 1105 NAFTA). Of de claim slaagt, ligt nu ter beslissing voor aan een arbitragetribunaal. Nederland laat zich niet uit over lopende zaken.
Is sprake van een gerechtvaardigd beroep op de ISDS-bepaling uit het Noord-Amerikaanse Vrijhandelsverdrag (NAFTA)? Kunt u verwijzen naar de passages waar TransCanada zich op beroept?
Zie antwoord vraag 10.
Is hierbij volgens u sprake van «treaty shopping»?
Zie antwoord vraag 10.
Klopt het dat gelijksoortige ISDS-bepalingen zijn opgenomen in TTIP en CETA?
Zoals aangegeven in reactie op uw Kamervragen met het kenmerk 2015Z17324, worden in investeringsverdragen afspraken gemaakt over minimumbescherming. Een voorbeeld hiervan is dat onteigening is toegestaan, mits dit gebeurt in het publieke belang, met rechtswaarborgen omkleed, zonder discriminatie wordt toegepast en tegen betaling van een redelijke schadevergoeding plaatsvindt. Het doel is investeerders te beschermen tegen ongerechtvaardigd en willekeurig overheidshandelen, net zoals dat mogelijk is in het Nederlands recht. Deze standaarden zijn ook opgenomen in CETA en het EU-voorstel voor TTIP. Daarbij wordt expliciet verduidelijkt dat overheden de beleidsvrijheid behouden om regels te maken in het publiek belang.
Erkent u dat een dergelijke claim de beleidsvrijheid van overheden aantast, omdat het een precedent schept voor nieuwe gevallen en daarmee het effect van «regulatory chill» teweeg brengt?
Nee, jurisprudentieonderzoek van zaken onder NAFTA en CAFTA laat zien dat de meeste investeringsgeschillen niet gaan over het recht van staten om te reguleren, maar over de behandeling van een individuele investeerder, bijvoorbeeld door de wijze waarop een licentie of vergunning geweigerd wordt of specifieke toezeggingen niet worden nagekomen (zie Kamerstukken 21501–02 nr. 1397). Het gaat daarbij dus niet om wat het onderwerp van overheidsingrijpen is, maar om hoe het overheidsingrijpen wordt uitgevoerd. Daarbij is een overheid gehouden aan beginselen van behoorlijk bestuur, zoals die ook onder Nederlands recht bestaan.
Klopt het dat de vier gronden op basis waarvan TransCanada de VS aanklaagt, ook te vinden zijn in CETA? Welke passages betreft het?
Ja, het gaat hierbij om de artikelen die voorzien in nationale behandeling (art. X.6 CETA), meest begunstigde behandeling (art. X.7 CETA), onteigening (art. X.11 CETA) en redelijke en billijke behandeling (art. X.9 CETA).
Deelt u de mening dat het Investment Court System (ICS) niet wezenlijk verschilt van ISDS in CETA ten aanzien van de gronden die door investeerders kunnen worden ingeroepen?
Met de opname van Investment Court System in CETA wordt de beleidsruimte van staten ter behartiging van publieke belangen specifiek geborgd. Hiermee wordt verduidelijkt dat staten vrij zijn om hun wet- en regelgeving aan te passen in het publieke belang. Zowel in CETA als in het voorstel voor TTIP wordt het recht van staten om te reguleren ook ingebed in andere bepalingen van het akkoord, bijvoorbeeld in het artikel over onteigening en redelijke en billijke behandeling.
Erkent u dat CETA en NAFTA gelijksoortige (hoge) «compensatiestandaarden» bevatten? Valt dit in het proces van «legal scrubbing» nog aan te passen?
De mogelijkheden in CETA om compensatie toe te kennen zijn op grond van
artikel 8.12 beperkt tot de marktwaarde van de investering op het moment van de onteigening en de reguliere rente vanaf het moment van onteigening. Hetzelfde geldt ten aanzien van schadevergoeding voor onrechtmatig overheidshandelen onder Nederlands recht.
Klopt het dat u streeft naar ICS in CETA, maar dat dit niet haalbaar is omdat u het verdrag niet wilt openbreken?
Zoals onder andere door uw Kamer verzocht, heb ik mij gedurende het proces van juridische revisie hard gemaakt om CETA in lijn te brengen met het voorstel voor investeringsbescherming in TTIP. Bij afronding van de juridische revisie van CETA en de openbaarmaking van het resultaat op 29 februari jl. is duidelijk geworden dat Canada deze nieuwe aanpak deelt. Alle elementen van het voorgestelde Investment Court System zijn door Canada geaccepteerd, waardoor de definitieve CETA-tekst inmiddels volledig in lijn is met de vernieuwde EU-benadering voor investeringsbescherming. Deze aanpassingen zijn niet ten koste gegaan van het reeds bereikte onderhandelingsresultaat van het gehele akkoord. Alleen het investeringshoofdstuk is aangepast.
Deelt u de mening dat ICS grote risico's bevat, zoals u kunt lezen in het artikel: «TTIP is in een nieuw juridisch jasje nog net zo link»?3
Investeringsbescherming in handelsverdragen biedt geen betere bescherming aan buitenlandse investeerders. Het is in het Nederlands belang te zorgen dat adequate investeringsbescherming in het buitenland aanwezig is om investeringen te stimuleren en te beschermen. Nederland heeft sinds de jaren zestig 91 bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomsten (IBO’s) afgesloten en is lid van het Energiehandvestverdrag. Tot op heden is geen enkele claim onder zo’n verdrag tegen Nederland gericht. In TTIP stelt de EU nu een gebalanceerde, moderne aanpak voor waarin de rechten van staten beter behartigd worden dan onder onze bestaande verdragen. Dat is juist reden te meer om te zorgen dat het Investment Court System zo snel mogelijk wordt ingevoerd.
Wat is uw oordeel over het artikel: «TTIP, de economische NAVO», waarin staat: «Het uiteindelijke doel van TTIP is het veiligstellen van de huidige economische orde en de belangen van het Europese en Amerikaanse bedrijfsleven»?4
Zoals het kabinet in de Kamerbrief van 22 april 2014 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1372) al aangaf, is het bredere belang van TTIP de economische en strategische meerwaarde. Met inspraak van vele betrokken partijen, streven we naar een resultaat dat goed is voor onze economie en onze waarden behoudt. De recente afronding van de onderhandelingen over het Trans-Pacific Partnership, een handelsakkoord tussen de VS en 11 andere landen, betekent dat Europese bedrijven zonder TTIP geconfronteerd zullen worden met een verslechtering van hun concurrentiepositie in de Verenigde Staten.
TTIP is in tegenstelling tot wat het artikel suggereert geen strategie om derde landen uit te sluiten. Op dit moment onderhandelt de EU met verschillende andere landen en regio’s over handels- en investeringsakkoorden, waaronder met de Mercosur-landen, Japan en China. Met verschillende Afrikaanse regio’s zijn onderhandelingen afgerond over Economische Partnerschapsakkoorden. Nederland zet zich er ook voor in dat TTIP ten goede komt aan ontwikkelingslanden, zoals in de Kamerbrief van 13 november 2015 toegelicht (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1547). Daarnaast is TTIP een mogelijkheid om een gezamenlijke internationale standaard te zetten, onder meer op gebied van investeringsbescherming en duurzaamheid.
De aanhoudende bedreigingen door een militie uit Oekraïne in verband met het referendum |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Video. Weer Oekraïens dreigfilmpje aan Nederlandse volk»?1
Ja.
In hoeverre is de betreffende dreigvideo authentiek en hoe duidt u de video?
Zowel de Oekraïense regering als het Azov-bataljon nemen met kracht afstand
van de bedreigingen. De filmpjes zijn bekend bij de Nederlandse opsporingsinstanties.
Is er onderzoek gedaan naar de eerdere dreigvideo aan het adres van Nederland? In hoeverre betreft het hier een serieuze bedreiging?
Zie antwoord vraag 2.
Worden er, indien de dreiging reëel is, veiligheidsmaatregelen getroffen, ook ten aanzien van de initiatiefnemers van het referendum?
Burgers en organisaties mogen van de overheid verwachten dat die hen te hulp schiet op het moment dat de aantasting van hun veiligheid zodanige vormen dreigt aan te nemen, dat zij daar op eigen kracht geen weerstand tegen kunnen bieden. Indien dreiging en risico zodanig zijn dat beveiligingsmaatregelen genomen dienen te worden dan worden die, onder lokaal bevoegd gezag, genomen.