Het bericht ‘Lastpak naar aso-azc’ |
|
Mona Keijzer (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u in de voorbereiding op uw brief over de aangescherpte aanpak van overlastgevende asielzoekers -conform uw toezegging- ook de mogelijkheid onderzocht de Penitentiaire Inrichting(PI) Tilburg in te richten als detentieplaats voor 1F-ers en asielzoekers die in opvanglocaties of daarbuiten strafbare feiten hebben gepleegd dan wel voor overlast hebben gezorgd?1 Zo ja:, wat zijn uw bevindingen daaromtrent en waarom heeft u hier vooralsnog niet voor gekozen?
Tijdens het AO Vreemdelingen- en asielbeleid van 3 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2181) heb ik toegezegd na te gaan in hoeverre het mogelijk is om vreemdelingen aan wie artikel 1F van het VN Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen in vreemdelingenbewaring te stellen als er zicht is op strafrechtelijke berechting. Ik heb tevens toegezegd te verkennen of een gesprek met het Internationaal Strafhof hieraan kan bijdragen en aangegeven dat deze verkenning enige tijd kan kosten. Momenteel is deze verkenning gaande waarover ik uw Kamer op een later moment zalinformeren. Ik zie hierbij geen directe relatie met de aangescherpte aanpak van asielzoekers die in de COA-opvanglocaties onaanvaardbaar gedrag vertonen, zoals beschreven in mijn brief van 31 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2179). Deze aanpak richt zich, ook vanuit juridisch oogpunt, op een andere groep dan vreemdelingen aan wie artikel 1F van het VN Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen,
Voorts zijn mij geen toezeggingen bekend over het onderzoeken van de geschiktheid van één specifieke locatie, zoals de vraag veronderstelt.
Kunt u bevestigen dat de mogelijkheden thans worden onderzocht het detentiecentrum Zeist in te richten als «Amok-Asielzoekerscentrum (AZC)» waar overlastgevende asielzoekers apart en in een strenger regime worden opgevangen? Onderzoekt u hierbij tevens de mogelijkheden het geldende regime binnen dit AZC vorm te geven volgens het bestuursrechtelijke kader van de vreemdelingendetentie?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 31 maart jl. (Kamerstuk 19 637, nr. 2179) werkt het COA aan de mogelijkheid om een aparte opvangvoorziening voor overlastgevende asielzoekers te creëren. Een belangrijk aspect hiervan is het in kaart brengen van mogelijk geschikte locaties, waartoe onder meer overleg met DJI wordt gevoerd. Alvorens een mogelijk geschikte locatie ook daadwerkelijk hiervoor ingezet kan worden is vervolgens de instemming van het betreffendelokale bestuur een vereiste.
Een ander belangrijk aspect van de uitwerking is de invulling van het regime in de aparte opvangvoorziening. Zoals in de brief van 31 maart jl. (Kamerstuk 19 637, 2179) aangegeven is het uitgangspunt dat het regime strenger wordt dan in de reguliere opvangvoorzieningen. Dit wordt momenteel nader uitgewerkt binnen de juridische kaders die hierbij gelden. Vooruitlopend hierop kan ik wel aangeven dat het regime van vreemdelingenbewaring niet zal gelden, omdat dit ziet op vrijheidsontneming waar in de opvangvoorziening voor overlastgevende asielzoekers geen sprake van zal zijn.
Wat is de planning omtrent de mogelijkheid om het Detentie Centrum Zeist op genoemde wijze in te richten, ook gelet op de naderende sluitingsdatum van de PI Tilburg?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn volgens u de voor en- nadelen van het inrichten van een AZC voor overlastgevend asielzoekers boven het idee van plaatsing in een (voormalige) PI? Deelt u de mening dat een nadeel in elk geval is dat overlastgevers in het AZC de mogelijkheid wordt geboden zich buiten het AZC te begeven (dit ondanks de voorgenomen dagelijkse meldplicht) – gelet ook op uw eerdere voornemen harder op te treden ten aanzien van asielzoekers die zich schuldig maken aan misdrijven?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op welke wijze de strafrechtelijke opsporing en vervolging van asielzoekers die zich hebben schuldig gemaakt aan strafbare feiten wordt vergemakkelijkt bijvoorbeeld door de instelling van een separate opvanglocatie?
Als een asielzoeker een strafbaar feit begaat volgt in beginsel een opsporingsonderzoek. Ik zie daarbij geen verband met de komst van een aparte opvangvoorziening voor overlastgevende asielzoekers.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het eerstvolgende Algemeen overleg over vreemdelingen- en asielbeleid, (vermoedelijk) op 28 april aanstaande?
Ja.
Het bericht dat het slecht gesteld is met de online vindbaarheid van beleidsstukken van de gemeente Maastricht |
|
Astrid Oosenbrug (PvdA), Manon Fokke (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het slecht gesteld is met de online vindbaarheid van gemeentelijke beleidsnota’s en andere (financiële) beleidsstukken van de gemeente Maastricht?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Zijn bij u berichten bekend dat dit probleem in meer gemeenten speelt? Zo ja, hoeveel voorbeelden zijn u bekend en wat was de aard van de problemen die in deze gemeenten spelen?
Op het specifieke punt van online vindbaarheid van beleidsstukken vindt geen monitoring plaats. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij zich op internet presenteren.
In het kader van het programma Digitaal 2017 wordt overigens wel gemonitord hoe de overheidsorganisaties bepaalde producten en diensten via hun websites aanbieden. Daaronder vallen niet gemeentelijke beleidsnota’s en andere gemeentelijke (financiële) beleidstukken.
Zijn er problemen met de vindbaarheid van beleidsstukken op specifieke beleidsterreinen of is dit een algemeen probleem? Indien het probleem alleen speelt op specifieke beleidsterreinen, wat is hiervoor de reden en waarom gaat dit op andere beleidsterreinen wel goed?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat burgers zich moeten kunnen informeren over het beleid van hun overheid en dat deze informatie makkelijk toegankelijk zou moeten zijn?
Ja. Overheidsinformatie is altijd openbaar, tenzij de Wet openbaarheid van bestuur of andere wetgeving bepaalt dat de gevraagde informatie niet geschikt is om openbaar te maken. In het kader van het actieplan Open overheid werkt de overheid stapsgewijs aan meer actieve openbaarheid van informatie.
Wat doen gemeenten eraan om de vindbaarheid van beleidsinformatie te vergroten? Zijn dit initiatieven van individuele gemeenten of werken gemeenten hierin samen? Is dit voldoende? Zo ja, waarom? Zo nee, welke maatregelen treft u om gemeenten ertoe te bewegen om de vindbaarheid van gemeentelijke beleidsinformatie te vergroten?
Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij zich, al dan niet op internet, presenteren. Ik beschik niet over een overzicht van de activiteiten van gemeenten op dit punt.
Gemeentelijke organisaties worden door het Kenniscentrum Dienstverlening ondersteund om het gebruikersperspectief een meer centrale plaats te geven in het dienstverleningsproces. Dit Kenniscentrum Dienstverlening is een samenwerkingsverband tussen het Ministerie van BZK, VNG en KING.
De overheid werkt met het actieplan Open overheid stapsgewijs aan meer actieve openbaarheid van informatie. In dit verband zijn met name de actiepunten «Open over geld; open spending detaildata» en «Open over besluitvorming bij gemeenten: open raadsinformatie» relevant.
Met financiële steun van het Ministerie van BZK bevordert de Open State Foundation (OSF) dat op termijn alle provincies, waterschappen en gemeenten hun financiële detaildata duurzaam en volgens een gemeenschappelijke standaard openstellen. De pilot «open spending detaildata» wordt daarmee verbreed naar andere decentrale overheden. Het Ministerie van BZK ondersteunt deze activiteiten in samenwerking met onder andere de VNG en biedt daarvoor een platform via het Landelijk Expertisepunt Open Overheid.
De Open State Foundation (OSF) heeft in opdracht van het Ministerie van BZK en de VNG een pilot met 5 gemeenten uitgevoerd voor het ontsluiten van raadsinformatie in een gestandaardiseerd en machine-leesbaar formaat (als open data). De VNG heeft namens de gemeenten aangegeven deze pilot te willen verdiepen en te willen verbreden naar alle gemeenten in het kader van haar Digitale Agenda 2020. Door raadsinformatie als open data te ontsluiten kunnen raadsleden, inwoners en (lokale) journalisten de besluitvorming van de raad gerichter volgen en waar nodig invloed uitoefenen.
Deelt u de mening dat alle gemeenten hun gemeentelijk archief moeten digitaliseren om de vindbaarheid van beleidsinformatie te vergroten? Zo ja, op welke termijn zullen alle gemeentelijke archieven gedigitaliseerd zijn? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor het vraagstuk van digitalisering. De Archiefwet schrijft niet voor dat informatie moet worden gedigitaliseerd.
Hoe verhouden de problemen in de gemeente Maastricht zich tot het programma Archief 2020?
Archief 2020 is een innovatieprogramma waarin de archiefsector en alle lagen van openbaar bestuur in Nederland samenwerken om te komen tot duurzame toegankelijkheid van (digitale) overheidsinformatie en een toekomstvaste archieffunctie. De kennisproducten die in dit programma worden ontwikkeld, worden beschikbaar gesteld aan alle overheden. Een voorbeeld hiervan is het Toepassingsprofiel Metagegevens Decentrale Overheden. Het programma wordt in samenwerking met de decentrale overheden uitgevoerd door het Nationaal Archief in opdracht van de Minister van OCW.
Bent u van mening dat het voorstel van wet Open Overheid bovengenoemde problemen oplost? Deelt u de mening dat het informatieregister, dat overheidsorganen moeten bijhouden van de documenten en datasets waarover zij beschikken, behulpzaam kan zijn bij de oplossing van bovengenoemde problemen?
Een open overheid en openbaarheid van (overheid)informatie zijn belangrijk pijlers voor een democratische samenleving. Burgers zijn gebaat bij toegankelijke en vindbare informatie. Toegankelijkheid en vindbaarheid kunnen echter op vele manieren worden verbeterd. Een cultuuromslag richting meer openheid en openbaarheid kan daaraan belangrijk bijdragen. Over een informatieregister moet goed worden nagedacht, zowel qua inhoud en vormgeving als wat betreft uitvoering- en kostenaspecten. Ik ben geen voorstander van het informatieregister, zoals dat is opgenomen in het initiatiefvoorstel wet open overheid.
Het bericht ‘Sjoemeltransporten bij Mercedes blootgelegd’ |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Sjoemeltransporten bij Mercedes blootgelegd»?1
Ik hecht erg aan fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden voor alle werknemers, juist ook op Europees niveau. Dit is met name voor internationale sectoren als het transport van belang.
Bent u bereid om met Mercedes in contact te treden om hen aan te spreken op de genoemde misstanden en afspraken te maken teneinde hieraan een einde te maken? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Op alle opdrachtgevers in de transportsector, èn daarbuiten, rust – los van de formele wettelijke verplichtingen – de morele plicht om er op toe te zien dat de ondernemingen, van wier diensten zij gebruikmaken, zich als goede werkgevers gedragen. Echter, doen zich bij die bedrijven misstanden voor, dan is het in eerste instantie aan werknemers zelf om die werkgevers daarop aan te spreken. Dit kan door middel van loonvordering op de werkgever of door de gang naar de rechter te nemen. Daarnaast kunnen sociale partners op grond van artikel 10 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Wet Avv) bij de Inspectie SZW een verzoek indienen om aanvullend onderzoek te doen naar naleving van de cao-voorwaarden.
Bent u bereid een onderzoek te doen naar de naleving van de Nederlandse wet door Hödlmayr? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie SZW houdt onder meer toezicht op de naleving van de Wml. De Inspectie neemt alle signalen van mogelijke niet-naleving van arbeidswetgeving serieus. Zoals bij het antwoord op vraag 2 aangegeven kunnen de sociale partners bij een gegrond vermoeden dat de cao niet wordt nageleefd bij de Inspectie een verzoek doen op grond van artikel 10 van de Wet Avv. Conform de normale werkwijze doe ik geen uitspraken over lopende onderzoeken van de Inspectie SZW. Sinds 1 januari 2016 worden de inspectieresultaten met betrekking tot de wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag (WML), de Wet Arbeid Vreemdelingen (Wav) en de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) op het domein Eerlijk Werk openbaar gemaakt op een speciale website van de Inspectie SZW (www.inspectieresultaten.nl).
Is het mogelijk voor Hödlmayr om dergelijke arbeidsvoorwaarden te hanteren zonder daarbij de cabotagewetgeving binnen de EU te overtreden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Dit hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval. Cabotage is binnenlands vervoer in een EU-lidstaat, uitgevoerd door een vervoerder die gevestigd is in een andere EU-lidstaat. Aan cabotage worden voorwaarden gesteld. Eén daarvan is dat het van tijdelijke duur moet zijn. Volgens de Wet Wegvervoer Goederen en de Europese Verordening 1072/2009/RG mogen maximaal drie cabotageritten binnen een periode van 7 dagen worden uitgevoerd. Daarbij dient dit wel plaats te vinden in aansluiting op een internationaal transport. Indien er inderdaad sprake is van cabotage dan is de Detacheringsrichtlijn van toepassing (overweging 17 van genoemde Verordening). Op grond van de detacheringsrichtlijn geldt het wettelijk minimumloon derhalve ook voor deze groep. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is belast met de toezicht op de naleving van de cabotageregels.
Is het toegestaan om chauffeurs een vergoeding per gereden kilometer te geven?
Indien een chauffeur onder de Nederlandse WML valt dient die chauffeur tenminste het wettelijk minimumloon te ontvangen. Daarbij is het mogelijk dat een chauffeur op basis van stukloon wordt betaald. Bij betaling op basis van stukloon moet de werkgever een norm hanteren waardoor een werknemer redelijkerwijze het wettelijk minimumloon kan verdienen. De huidige stukloonregeling in de WML is onwenselijk, omdat het voor de Inspectie SZW niet goed mogelijk is de norm die een werkgever voor stukloonbetaling hanteert op redelijkheid te beoordelen. In de praktijk is het niet mogelijk voor de Inspectie of, en zo ja hoeveel, er op individueel niveau wordt onderbetaald. In mijn brief van 21 april jl. heb ik daarom ook aangegeven dat ik de WML ga aanpassen waardoor ten aanzien van het wettelijk minimumloon alleen betaling naar tijdseenheid mogelijk is. Er mag dan nog wel op basis van stukloon worden betaald, maar de werknemer dient voor de uren die hij werkt wel ten minste het wettelijk minimumloon te ontvangen.
Is het in Nederland toegestaan om € 100 op het loon in te houden voor een fonds waaruit chauffeurs eventuele schade moeten betalen? Zo ja, op basis waarvan? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen?
Op basis van artikel 7:631 BW is het toegestaan dat een werknemer een schriftelijke volmacht geeft om een bedrag in te houden op het loon zodat de werkgever bepaalde betalingen kan doen namens de werknemer. In de Wet aanpak schijnconstructies (WAS) is geregeld dat een dergelijke schriftelijke volmacht niet kan worden gegeven als er wordt ingehouden op het bedrag van het minimumloon. Indien het een fonds is dat voldoet aan de vereisten zoals deze zijn vastgelegd in het Besluit fondsen en spaarregelingen, geldt de grens van het minimumloon niet. Dit fonds dient dan bijvoorbeeld wel aan vereisten te voldoen ten aanzien van de samenstelling van het bestuur van het fonds, de statuten, en de rechten van de deelnemers. Inwerkingtreding van het verbod op verrekeningen en inhoudingen uit de WAS is voorzien voor 1 januari 2017.
Bent u bereid om uw steun uit te spreken voor het initiatief Fair Transport Europe? Zo nee, waarom niet?
In Europees verband maak ik mij al geruime tijd sterk voor gelijk loon voor gelijk werk. Het voorstel van de Europese Commissie voor de aanpassing van de detacheringsrichtlijn draagt daar sterk aan bij. Ook de in 2014 aangenomen Europese handhavingsrichtlijn draagt daar aan bij. Recentelijk heb ik een wetsvoorstel bij uw Kamer ingediend waarin uitvoering wordt gegeven aan de implementatie van de handhavingsrichtlijn. Specifiek voor de transportsector heeft de Europese Commissie in haar werkplan 2016 aangegeven nog dit jaar met voorstellen te zullen komen. Op dit moment is nog niet bekend wat die voorstellen gaan inhouden maar ik ga er van uit dat die een bijdrage kunnen leveren aan het bevorderen van betere arbeidsvoorwaarden in het Europese wegtransport.
Het bericht ‘Hoe zorgondernemer Loek Winter een imperium opbouwde en 21,6 miljoen staatssteun lospeuterde’ |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Hoe zorgondernemer Loek Winter een imperium opbouwde, maar daar wel 21,6 miljoen staatssteun voor nodig had»?1
Ik heb het artikel gelezen.
Vindt u het feit dat de heren Winter en De Boer miljoenen euro's in het ziekenhuis hebben gestoken, waarvoor zij geld hebben moeten lenen bij de bank, en dat wat aan salaris wordt ontvangen gebruikt wordt om die lening af te lossen, relevant in het kader van het moeten voldoen aan de Wet normering topinkomens (WNT)? Deelt u de mening dat een dergelijke gang van zaken geen reden mag zijn om meer te verdienen dan de WNT-norm? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is de taak van de toezichthouder om te toetsen of in een individueel geval de WNT is nageleefd. De toezichthouder (het CIBG) is op dit moment bezig met een nader feitenonderzoek.
Herkent u het beeld «De zorg is ernstig ziek en ziekenhuizen hebben een schop onder de kont nodig»?
In algemene zin ben ik er voorstander van dat niet alleen zittende partijen het zorgaanbod bepalen, maar dat er ook andere, nieuwe zorgaanbieders zijn die een kans krijgen en die ook nieuwe ideeën kunnen ontwikkelen en uitvoeren. Het is mijn overtuiging dat vernieuwing nodig is om ervoor te zorgen dat er zinnige en zuinige zorg wordt geleverd.
Als het gaat om de rol van private organisaties merk ik allereerst op dat vrijwel alle ziekenhuizen en zorginstellingen in Nederland private organisaties zijn die beschikken over privaat kapitaal. De afgelopen jaren is in de zorg een omslag gemaakt van budgettering van ziekenhuizen naar het betalen van de geleverde zorg door een ziekenhuis. Ik vind het een goede zaak als zorgaanbieders zich onderscheiden, bijvoorbeeld door zich te specialiseren in die functies waarin zij uitblinken ten opzichte van anderen.
Hoe verklaart u dat de schop onder de kont van de ziekenhuiszorg enkel door private partijen kan worden gegeven als daar publieke middelen bij gaan? Is dat ondernemerschap volgens u? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens met de ondernemer, die ziekenhuizen een schop onder kont geeft, wanneer hij pleit voor zo min mogelijk aanbod, en aanstuurt op een monopoliepositie voor bepaalde functies? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de MC Groep 21,6 miljoen euro aan staatssteun ontving voor het overnemen van de IJsselmeerziekenhuizen? Zo ja, hoe verhoudt dit zich volgens u tot de uitspraken van de heer Winter zelf dat «de zorgondernemer iemand is die voor eigen rekening en risico in de business stapt en de maatschappij dient» en «een ziekenhuis mag nooit gratis in handen vallen van een investeerder»? Zijn de IJsselmeerziekenhuizen gratis in handen gevallen van de MC Groep? Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor het totale financiële arrangement verwijs ik u naar de brief van 3 februari 2009 (Kamerstuk 27 295, nr. 126). De bijdrage door de verschillende overheden moet worden bezien vanuit de context van het dreigende faillissement van het ziekenhuis waarvan destijds politiek is besloten en derhalve uitgebreid met de Tweede Kamer is gewisseld dat het van belang was dit ziekenhuis overeind te houden.
Vindt u het terecht dat een ziekenhuis waarin publiek geld is geïnvesteerd tot winstuitkering mag overgaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Momenteel geldt het verbod voor aanbieders van medisch specialistische zorg om winst uit te keren. Alle ziekenhuizen in Nederland zijn private organisaties en zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering. Dit brengt eveneens met zich mee dat een ziekenhuis binnen de geldende wet- en regelgeving zelfstandig over de aanwending van zijn kapitaal mag besluiten. Indien er in het verleden vanuit de overheid middelen zijn verleend aan een instelling, zoals het geval is in deze casus, spreekt het voor zich dat een instelling zich dient te houden aan de afspraken en voorwaarden die hierbij van toepassing zijn.
Waren de leningen aan de MC Groep van de gemeente Lelystad – waarvan bij het aangaan al duidelijk was dat ze zouden worden kwijtgescholden – staatssteun? Was, als deze financiële injectie aan het ziekenhuis zelf was gegeven, het ziekenhuis überhaupt wel failliet gegaan?
Voor de eerste vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 6.
In 2009 was de uiteindelijke oplossing een totaalpakket aan (financiële) maatregelen waarbij, naast de leningen vanuit de gemeente Lelystad, ook leningen zijn verstrekt door VWS en de provincie Flevoland en is er door de MC groep geld gestoken in het ziekenhuis. Het is om die reden zeer onwaarschijnlijk dat enkel het verstrekken van de leningen vanuit de gemeente aan het ziekenhuis de toen zeer precaire financiële situatie had opgelost. De maatregelen zijn destijds uitgebreid met de Tweede Kamer gedeeld en in de Tweede Kamer besproken.
Welke voorwaarden voor de lening zijn er precies geformuleerd, en was uw ministerie en/of de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) daarbij betrokken, of van de voorwaarden op de hoogte? Waren er voorwaarden die betrekking hadden op personeel(sbeleid)/arbeidsvoorwaarden, dan wel het onderbrengen van onderdelen van het ziekenhuis in aparte bv’s?2
Over het destijds overeengekomen reddingspakket is uw Kamer destijds met verschillende brieven en in diverse debatten geïnformeerd. Voor de inhoud van het financiële reddingsplan en de daaraan gekoppelde afspraken en voorwaarden verwijs ik u naar de brief van 3 februari 2009 (Kamerstuk 27 295, nr. 126).
Was de MC Groep bij het aangaan van de lening op de hoogte van het feit dat de kans zeer klein was dat deze de lening uiteindelijk terug zou moeten betalen? Zo ja, vindt u het dan, net als de heer Winter, ook zo «dapper» van de heer Winter om als ondernemer geld in het ziekenhuis te steken?
Een investeerder weegt bij zijn besluit alle risico’s af tegen de te verwachte voordelen.
Hoe duidt u de opmerking van de heer De Winter «kwalitatief voldoen we aan alle normen, we gaan komend jaar de lijstjes iets beter invullen zodat we ook in de publieke media iets hoger eindigen»? Wat vindt u hiervan? Wat zegt dit vervolgens over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van dergelijke lijstjes als je deze lijstjes (blijkbaar) zo in kan vullen dat er uitkomt wat je zelf wilt dat er uitkomt?
Het is belangrijk dat ziekenhuizen kwalitatief aan alle normen voldoen. Ik heb geen bemoeienis met beoordelingslijsten van private of andere partijen.
Is het waar dat de MC Groep de prijzen en aantallen behandelingen van de IJsselmeerziekenhuizen niet openbaar mag maken? Zo ja, waarom is dit verbod in het contract opgenomen? Waarom wordt door middel van de contractvoorwaarden openheid en transparantie in de zorg belemmerd? In wiens belang was het opnemen van deze voorwaarde in het gesloten contract?
Uit het artikel maak ik op dat er op dit punt een bepaalde voorwaarde is vastgelegd in het contract met de zorgverzekeraar(s). Aangezien ik geen rol heb bij afspraken tussen individuele zorgaanbieders en zorgverzekeraars kan ik de gestelde vragen hierover niet beantwoorden.
Vindt u een behouden ziekenhuis in de Flevopolder, dat de eerste bouwsteen vormde voor een groeiende private ziekenhuisketen, een «waardetransfer richting het publieke domein»? Kunt u uw antwoord toelichten?
In het artikel wordt verwezen naar de inaugurele rede van de heer Winter, waarin hij gesproken zou hebben over een «waardetransfer». In de voorliggende casus werd het behouden van de IJsselmeerziekenhuizen destijds beoordeeld als zijnde noodzakelijk voor de regio. Dit was een politieke afweging en daarom is destijds uitgebreid met het parlement van gedachten gewisseld.
Het artikel ‘Financiële zorgen Fort Pannerden vanwege monumentstatus’ |
|
Hayke Veldman (VVD), Michiel van Veen (VVD) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Financiële zorgen Fort Pannerden vanwege monumentstatus»?1
Ja.
Klopt het dat de monumentenstatus van Fort Pannerden wordt herzien? Kunt u de reden hiervoor toelichten? Welke partijen zijn betrokken bij de totstandkoming van dit besluit?
Het klopt dat de monumentenstatus van Fort Pannerden opnieuw wordt bezien. Een voorstel tot uitbreiding van de bescherming van Fort Pannerden is voor advies voorgelegd aan de provincie Gelderland, de gemeente Lingewaard en de Raad voor Cultuur. Van alle drie deze instanties is een positief advies ontvangen. De eigenaar en andere belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om een reactie te geven op het voornemen.
Met het voorstel wordt uitvoering gegeven aan de Beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2009 (Stcrt. 2009, nr. 1). Daarin is aangekondigd dat via een aanwijzingsprogramma de bescherming van de verschillende onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zal worden verbeterd. De uitvoering van dit aanwijzingsprogramma nadert zijn afronding.
In hoeverre bent u van mening dat de genoemde wijziging noodzakelijk is? Kunt u uw antwoord toelichten?
De huidige bescherming, die dateert uit 1971, doet onvoldoende recht aan de verschillende waarden die het Fort Pannerden vertegenwoordigt. Met het voorgenomen besluit worden de aanwezige complexonderdelen en hun monumentale waarden expliciet benoemd en geplaatst binnen het strategische belang van het fort voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Daarnaast is van belang dat het Kabinet het voornemen heeft uitgesproken om de Nieuwe Hollandse Waterlinie bij UNESCO voor te dragen als werelderfgoed (brief van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 4 april 2011, Kamerstuk 32 725, nr. 1). De verbeterde beschrijving en bescherming van de verschillende onderdelen van de waterlinie draagt eraan bij om een succesvolle nominatie te kunnen doen in het kader van het Werelderfgoedverdrag
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van de gemeente Lingewaard dat de herziene monumentenstatus een gezonde exploitatie van Fort Pannerden mogelijk in de weg staat?
In het advies van 22 maart 2016 geven burgemeester en wethouders van Lingewaard aan dat de gemeente blij is met de voorgelegde uitgebreide omschrijving van het Rijksmonument Fort Pannerden, een omschrijving die ook recht doet aan de positie en het belang van Fort Pannerden binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie». Wel geeft de gemeente aan dat mogelijk onbedoelde beperkingen optreden voor een duurzame exploitatie. In het bijzonder wordt daarbij gewezen op het voornemen om een zomerterras te realiseren.
Ik deel de zorgen van de gemeente niet. Binnen het nationaal project Nieuwe Hollandse Waterlinie wordt door de verschillende overheden en eigenaren nauw samengewerkt om de duurzame herbestemming van dit erfgoed mogelijk te maken. Elders langs de waterlinie zijn vele voorbeelden te vinden die illustreren dat instandhouding van monumenten en duurzame exploitatie (juist ook met horeca-voorzieningen) prima samengaan. Denk daarbij aan de exploitatie van andere rijksbeschermde forten zoals Fort bij Vechten en het Waterliniemuseum Fort bij Vechten, Fort Altena langs de A27 en het Fort Kijkuit, dit jaar winnaar van de Europa Nostra prijs.
Een positieve stimulans gaat ook uit van het gegeven dat de status van rijksmonument toegang geeft tot rijksmiddelen voor instandhouding van het cultureel erfgoed.
Wordt bij het toekennen of wijzigen van een monumentenstatus rekening gehouden met het lokale draagvlak en een (blijvend) gezonde exploitatie?
Conform de Monumentenwet 1988 worden bij het aanwijzingsbesluit alle ingewonnen adviezen en ingediende zienswijzen van belanghebbenden meegewogen. Deze afweging vormt een integraal onderdeel van de motivering van het besluit.
Ziet u mogelijkheden om de monumentenstatus terug te brengen naar de stenen begrenzing van het fort zelf? Zo ja, zou u hiertoe bereid zijn? Zo nee, waarom niet?
Bij mijn besluit over de bescherming van het fort zullen alle adviezen worden meegewogen. Gelet op de positieve strekking van deze adviezen, en mijn beleid ten aanzien van de bescherming van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, ligt het niet voor de hand om helemaal terug te komen op voorgenomen uitbreiding van de bescherming van het fort.
Wel heeft de gemeente Lingewaard in haar advies een minder grote uitbreiding van de bescherming bepleit. Naar aanleiding van dit advies wil ik een aanpassing van het huidige voorstel overwegen om de voorgestelde historische begrenzing van het fort in lijn te brengen met de actuele situatie. Ik heb de Rijkdienst voor het Cultureel Erfgoed gevraagd om daarover het gesprek met de gemeente aan te gaan. Vervolgens neem ik in juni 2016 een besluit.
De mogelijkheden de transparantie te vergroten bij rechterlijke zaakstoedeling |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Meer transparantie bij rechterlijke zaakstoedeling dringend gewenst»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat nu onduidelijk is op basis waarvan de administratie van een gerecht een bepaalde rechtszaak toewijst aan een individuele rechter en dat afwijkingen of wijzigingen op het laatste moment niet kenbaar gemotiveerd en geregistreerd worden? Deelt u de mening dat deze onduidelijke wijze van zaakstoedeling in Nederland kwetsbaar is?
De systematiek van toedeling van zaken is een taak die valt onder de verantwoordelijkheid van het bestuur van elk gerecht. De wijze waarop deze bestuurlijke bevoegdheid binnen de gerechten is geoperationaliseerd verschilt per gerecht en binnen de gerechten per rechtsgebied en daarbinnen soms ook per zaakstroom (snel of langzaam). Deze diversiteit in de inrichting hangt samen met de omvang van het gerecht, respectievelijk het rechtsgebied en de mate van specialisatie binnen de diverse zaakstromen.
De Rechtspraak heeft mij meegedeeld de opvatting te delen dat de huidige gedifferentieerde wijze van zaakstoedeling in Nederland kwetsbaar is en ook ik meen dat deze voor verbetering vatbaar is. In zowel het evaluatierapport van de Groep Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa, GRECO (TK 2012–2013, 33 400 VII en VI, nr. 78), als in het onderzoeksrapport «Systeemwaarborgen voor de kernwaarden van de rechtspraak», dat in opdracht van de Raad voor de rechtspraak door onderzoekers van de Universiteit Leiden is opgesteld, is geconstateerd dat de huidige wijze van zaakstoedeling in Nederland duidelijker kan. Tevens wordt geconstateerd dat het wenselijk is om nadere regels op te stellen voor de toedeling van zaken zodat duidelijk wordt op welke wijze een zaak aan een bepaalde rechter wordt toegedeeld en onder welke omstandigheden en op welke wijze zo nodig een vervanger voor hem kan worden aangewezen.
Wat is uw reactie op het pleidooi voor een meer transparant systeem van rechterlijke zaakstoedeling op basis van vooraf kenbare, objectieve criteria, waarmee iedere schijn van partijdigheid, vooringenomenheid of beïnvloeding kan worden weggenomen, en achteraf onder verwijzing naar deze criteria kan worden uitgelegd hoe de samenstelling van de betreffende kamer heeft plaatsgevonden?2
De Rechtspraak is zich er al langer van bewust dat het gebrek aan eenduidige landelijke criteria het systeem van zaakstoedeling kwetsbaar maakt en heeft daarom al in 2012 een Werkgroep zaakstoedeling in het leven geroepen teneinde op landelijk niveau meer uniformiteit te realiseren in de toedeling van zaken. De werkgroep heeft een Code zaakstoedeling opgeleverd, die een achttal algemene uitgangspunten voor de toedeling van zaken binnen de gerechten bevat met als doel de toedeling van zaken inzichtelijker en transparanter te maken. Deze Code zaakstoedeling is door de vergadering van presidenten aanvaard.
Omdat de systematiek (en dus regulering) van zaakstoedeling nauw samenhangt met de thans ingezette digitalisering van alle werkprocessen binnen de Rechtspraak, heeft de Rechtspraak in 2015 besloten om beide onderwerpen ineen te schuiven. In het programma KEI (civiel en bestuur) maakt de beoogde landelijke uniformering en regulering van zaakstoedeling daarom onderdeel uit van het deelprogramma «Roosteren en plannen». In het strafrecht maakt het onderwerp zaakstoedeling deel uit van het programma Taskforce OM-ZM in het kader van het werkproces roosteren en plannen. Naast het opstellen van een eenduidige werkprocesbeschrijving wordt binnen het programma Taskforce OM-ZM onderzoek gedaan naar een digitaal rooster- en planningstool waarbij objectieve criteria voor zaakstoedeling een plek krijgen. De eerdergenoemde Code zaakstoedeling geldt in beide programma’s als bestuurlijke randvoorwaarde voor de verdere inrichting van de werkprocessen.
De verwachting is dat het deelprogramma «Roosteren en plannen» van KEI (civiel bestuur) in de eerste helft van 2017 wordt afgerond. Het deelproject «Roosteren en plannen» van het programma Taskforce OM-ZM is naar verwachting voor het werkproces roosteren en plannen einde 2016 gereed; een geautomatiseerd rooster- en planningstool zal vermoedelijk medio 2017 gedeeltelijk in werking zijn in enkele arrondissementen.
Welke mogelijkheden ziet u hiervoor?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid in samenspraak met de Raad voor de rechtspraak te zorgen voor meer transparantie bij het toedelen van zaken aan individuele rechters? Zo ja, kunt u de Kamer hierover berichten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met het bericht «Christenen Pakistan in angst»?1
Ja.
Hoe duidt u de achtergronden van deze terreuraanslag op Eerste Paasdag? Komt het vaker voor dat christenen expliciet doelwit zijn van dergelijke aanslagen?
De aanslag op Eerste Paasdag is opgeëist door de soennitische extremistische organisatie Jamaat-ul-Ahrar, een groepering die sinds twee jaar een afsplitsing vormt van de Pakistaanse Taliban. De organisatie claimt dat de aanval gericht was tegen christenen. Bij de aanslag vielen 72 doden, voornamelijk vrouwen en kinderen en in meerderheid moslim.
Naast het religieuze motief, zou de aanslag ook een vergelding kunnen zijn voor militaire operaties die Pakistan al langere tijd uitvoert in het grensgebied met Afghanistan en voor de politie operaties die de laatste maanden in Punjab plaatsvinden. Deze operaties zijn gericht tegen aan de Taliban gerelateerde groeperingen.
Aanslagen komen met regelmaat voor in Pakistan. In 2015 kwamen meer dan 4000 mensen bij aanslagen om het leven. Ook christenen zijn het doelwit, zoals in mei vorig jaar, toen dezelfde organisatie een aanslag pleegde op twee kerken in Lahore.
In hoeverre bent u, gezien het feit dat Pakistan momenteel zesde staat op de ranglijst christenvervolging van Open Doors, kerken zwaar beveiligd moeten worden en christenen worden gezien als tweederangs burgers, van mening dat door de Pakistaanse overheid voldoende bescherming geboden wordt aan religieuze minderheden? Deelt u de mening dat naast de bescherming van de rechten van religieuze minderheden ook serieus werk moet worden gemaakt van de sociale en economische ontwikkeling van de meest kwetsbare groepen in de Pakistaanse samenleving?
Het kabinet deelt uw mening betreffende het belang van de bescherming van religieuze minderheden. Nederland wijst daarom in bilateraal en multilateraal verband voortdurend op de verantwoordelijkheid van de Pakistaanse autoriteiten om minderheden te beschermen. Zo is dit opgebracht tijdens een ontmoeting met mijn Pakistaanse collega in november jl., tijdens de ASEM ministeriële bijeenkomst. De Nederlandse ambassadeur in Islamabad stelt het onderwerp ook regelmatig aan de orde, zoals onlangs in een gesprek met Khalil Tahir Sandhude, Minister van Mensenrechten en Minderhedenzaken van Punjab.
Pakistan kent grote uitdagingen op het gebied van rechtsorde, waaronder toegang tot rechtspraak en toepassing van het recht, en op het gebied van sociaaleconomische ontwikkelingen inclusief snelle bevolkingsgroei en werkeloosheid. Deze uitdagingen komen onder meer tot uiting door een zorgelijke veiligheidssituatie, sektarisch geweld, ontheemding en migratie. Nederland is daarom voornemens om vanaf dit najaar via het Addressing Root Causes fonds ngo-programma’s in Pakistan te steunen om de toegang tot rechtspraak te verbeteren en de werkgelegenheid voor jongeren uit kwetsbare groepen te vergroten.
Ook via de Strategische Partnerschappen voor Samenspraak en Tegenspraak, de Partnerschappen voor Seksuele Reproductieve Gezondheid en Rechten en het Accountability Fund zal Nederland zich inzetten voor kwetsbare groepen in Pakistan.
Wat doet u, of wat gaat u doen, om ook in Europees verband de Pakistaanse overheid erop aan te spreken dat zij aan de Taliban gelieerde groeperingen effectief bestrijdt? Op welke wijze kan de internationale gemeenschap de Pakistaanse overheid daarbij concreet assistentie verlenen?
De veiligheid en stabiliteit in de regio komen zowel in bilateraal als multilateraal verband regelmatig aan de orde in gesprekken met de Pakistaanse autoriteiten. Sinds de aanslag op een militaire school in Peshawar op 16 december 2014 lijkt de Pakistaanse regering de noodzaak van effectievere bestrijding van terrorisme in te zien. Pakistan heeft een nationaal actieplan tegen terrorisme opgesteld, verschillende maatregelen genomen en een aantal militaire operaties uitgevoerd. In EU verband zal binnenkort met Pakistan worden gesproken over verdere mogelijkheden tot samenwerking, onder andere op het gebied van contraterrorisme. Daarnaast is Pakistan lid van het Global Counterterrorism Forum (GCTF), waar Nederland covoorzitter van is. Het voorkomen van radicalisering en gewelddadig extremisme staan binnen dit forum hoog op de agenda.
Te weinig capaciteit van beunschepen |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport van Panteia, dat in opdracht van de Stichting Beunschepen onderzoek heeft uitgevoerd naar de toekomst en vernieuwing van de binnenvaartvloot?1
Het rapport «Toekomst en vernieuwing vloot zand- en grindvervoer» van Panteia d.d. maart 2016 biedt naar mijn oordeel een helder en compleet inzicht in de ontwikkelingen en de verwachtingen voor de toekomst in dit segment van de binnenvaart. De op pag. 23 en 24 beschreven knelpunten in het vervoer van bouwmaterialen per binnenvaart onderschrijf ik volledig en passen geheel bij de conclusies uit het rapport «Versterking van de marktstructuur in de binnenvaart; Een inventarisatie van mogelijkheden voor commerciële samenwerkingsverbanden», samengesteld door onderzoekbureau STC-Nestra B.V. in samenwerking met Maverick Advocaten N.V. in opdracht van mijn ministerie en per brief d.d. 23 maart 2015 aan uw Kamer toegezonden (Kamerstuk 31 409, nr. 79).
Deelt u de conclusie dat er naast grotere nieuwbouwschepen vooral behoefte is aan kleinere schepen (650 tot 1.500 ton)? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Ik beschik niet over gegevens over de ontwikkelingen in dit segment van de binnenvaart die andere conclusies zouden rechtvaardigen.
Kunt u aangeven welk effect het inkrimpen van de vloot van beunschepen met ongeveer honderd schepen heeft op de toename van vrachtverkeer over de weg?
Dat het aantal beunschepen sinds 2005 met circa 100 is teruggelopen, betekent niet noodzakelijk dat het vervoer over de weg van zand en grind sindsdien is toegenomen. In dit verband wijs ik vooral op de afname van de vraag naar dit vervoer tengevolge van de economische crisis in 2008 en volgende jaren.
Deelt u de mening dat een gedifferentieerde binnenvaartvloot van groot belang is om tot een modalshift van wegtransport naar binnenvaart te komen, zoals ook verwoord in het Europees witboek voor transport? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik onderschrijf de mening dat een gedifferentieerde binnenvaartvloot optimale kansen biedt voor goederenvervoer over water. Het benutten van alle typen beschikbare vaarwegen voor transport van goederen kan bijdragen aan de vermindering van de congestie op het wegennet.
Neemt u maatregelen om een gedifferentieerde binnenvaartvloot, die van belang is voor het bevaren van kleinere vaarwegen, in stand te houden? Zo ja, waarom hebben deze niet kunnen voorkomen dat er vele schepen via de sloop zijn verdwenen?
Het verdwijnen van schepen via de sloop vindt zijn oorzaak primair in de leeftijdsopbouw van schepen en bemanning. Voor beunschepen komt uit de studie van Panteia naar voren dat de hoge gemiddelde leeftijd van ondernemers op beunschepen in relatie tot ontbreken van bedrijfsopvolging, en de hoge gemiddelde leeftijd van beunschepen belangrijke redenen zijn voor het verdwijnen van beunschepen uit de markt.
Wat betreft het bevorderen van de inzet van kleine schepen in het goederentransport heeft de overheid een voorwaardenscheppende rol. Vanuit mijn nationale verantwoordelijkheid voor de vaarweginfrastructuur geef ik bij keuzes prioriteit aan de belangrijkste hoofdvaarwegen met grote volumes. Provincies en gemeenten onderhouden en beheren de infrastructuur op kleinere vaarwegen. Een goede bevaarbaarheid van kleine vaarwegen is hiermee geborgd. Via het programma Quick wins binnenhavens heb ik gemeenten ondersteund om kleinere vaarwegen te verbeteren en te benutten. Het is uiteindelijk aan logistieke partijen en regio’s zelf om te zoeken naar kansen om deze vaarwegen optimaal te benutten.
Verder acht ik het mijn taak om zo veel als mogelijk belemmeringen in regelgeving voor de introductie van nieuwe kleine schepen weg te nemen. Bij de ontwikkeling van nieuwe regelgeving op het gebied van verduurzaming van de binnenvaartvloot alsook de bemanningssamenstelling van binnenvaartschepen zal ik de specifieke kenmerken van kleine schepen meenemen.
In hoeverre dragen volgens u de eisen van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR-eisen) van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en de milieueisen van Rotterdam bij aan de versnelde sloop van binnenvaartschepen? Kunt u uw antwoord toelichten en daarbij in ogenschouw nemen dat de Duitse overheid al in 2001 heeft geconcludeerd3 dat een groot deel van de schepen nooit aan de ROSR-eisen kan voldoen?
In 2011 heb ik de gevolgen van het aflopen van de overgangstermijnen bij de bepalingen van het ROSR voor de bestaande vloot laten onderzoeken.4 Uit dit onderzoek kwam naar voren dat op grond van de geschatte demografie van de ondernemers in de sector, de leeftijd van de scheepsmotoren in relatie tot de boekwaarde van de schepen en de eisen aan luchtkwaliteit, redelijkerwijs kan worden verwacht dat verreweg het grootste deel van de ondernemers met een schip in de klassen I (250 tot 400 ton) en II (400 tot 650 ton), de onderneming zullen hebben beëindigd tegen het jaar 2025. Dit is geen gevolg van de CCR-eisen, maar van natuurlijk verloop.
Op basis van het onderzoek valt te verwachten dat vanaf 2015 een deel van de schippers met schepen van de klassen I en II als gevolg van de overgangsbepalingen versneld de onderneming zal beëindigen. Daarbij moet worden aangetekend dat in 2011 nog geen sprake was van een moratorium op de meest knellende eisen, zoals bijvoorbeeld de geluidseisen en de eisen aan autokranen. Mijn verwachting is dat voor deze knelpunten passende oplossingen kunnen worden gevonden.
U refereert in uw vraag aan het onderzoek van het Duitse Versuchanstalt für Binnenschiffbau uit 2001. Dit onderzoek is door de CCR gebruikt om in 2003 de overgangstermijnen bij de verschillende ROSR-bepalingen vast te stellen. De overgangstermijnen die daaruit voortvloeiden hadden de instemming van alle CCR en EU-lidstaten, maar ook van de internationale brancheorganisaties in de binnenvaart.
Wat is de reden dat u ondanks meerdere uitspraken van de Tweede Kamer nauwelijks progressie boekt om de vergaande ROSR-eisen, die zeker voor kleinere schepen het einde van hun bestaan betekenen, van tafel te krijgen?
Ik deel uw beeld dat er weinig progressie wordt geboekt niet. In mijn brief van 8 december 2015 (Kamerstuk 31 409, nr. 94) heb ik u geïnformeerd over de afspraken die op mijn initiatief in de CCR gemaakt zijn omtrent het verzachten van de gevolgen van bepaalde technische eisen. Voor het aanpassen van die eisen is onderzoek nodig. Daarom is een termijn van drie jaar afgesproken, waarbinnen verdere besluitvorming zal plaatsvinden. Het is dan ook wat voorbarig om te concluderen dat er nauwelijks progressie geboekt zou worden.
Kunt u zich het rapport «Schepen van de toekomst» uit 2002 herinneren, waarin de CCR aangeeft «Bij het saneren van de bestaande situatie ware te vermijden dat bepaalde vlootsegmenten naar verhouding zwaarder getroffen worden dan andere» en «Daarom dienen criteria als evenwichtigheid en proportionaliteit (met betrekking tot de verhouding tussen een grotere veiligheid en vereiste inspanning) mede uitgangspunt te zijn van te treffen maatregelen en hun uitwerkingen»?
Ja.
Bent u van mening dat de huidige ROSR-eisen van de CCR voldoende evenwichtig en proportioneel zijn, zoals in 2002 door de CCR zelf is aangegeven in haar rapport? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 6 al aangaf, heeft de CCR in 2003 de beslissing om de bestaande eisen van een overgangstermijn te voorzien, genomen na een uitgebreid onderzoek door het Duitse Versuchanstalt für Binnenschiffbau. Hierbij zijn zowel kosten als veiligheidsaspecten in aanmerking genomen.
Bent u bereid om kleinere binnenvaartschepen uit te zonderen van de ROSR-eisen, los van de CCR, zoals door de Kamer reeds is verzocht? Kunt u uw antwoord toelichten?
De technische eisen aan schepen zijn onderdeel van de regelgeving van zowel de EU als de CCR. De manier waarop deze regels doorwerken in Nederland heb ik uiteengezet in mijn brief van 8 december 2015. Zij zijn op grond van internationaal recht bindend voor de lidstaten van de EU en de CCR. Ik heb dus niet de mogelijkheid om uitzonderingen te maken.
Het vrijlaten van gevangenen uit Guantánamo Bay |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Obama gaat weer gevangenen Guantánamo vrijlaten»?1
Nederland heeft zich altijd op het standpunt gesteld dat Guantánamo Bay in strijd is met internationaal recht en zo snel mogelijk gesloten dient te worden. Stappen en maatregelen die sluiting dichterbij brengen, zoals door President Obama aangekondigd, worden verwelkomd.
Is Nederland een van de landen waar de gevangenen naar worden overgebracht?
Nee.
Behoren de «tiental» gevangenen die nu worden vrijgelaten tot de groep die is goedgekeurd voor overdracht («approved for transfer»)?
Het Amerikaanse Ministerie van Defensie heeft het Amerikaanse Congres ingelicht over de overdracht van een volgende groep gedetineerden naar derde landen. Dit is onderdeel van de gebruikelijke procedure rond vrijlating van gedetineerden uit Guantánamo. De overdracht betreft «approved for transfer»-gedetineerden die door zes instanties in de VS zijn goedgekeurd voor overdracht. De Amerikaanse Minister van Defensie moet zijn handtekening zetten onder iedere overdracht ter bevestiging dat deze geen onaanvaardbaar risico met zich meebrengt voor de nationale veiligheid.
Is het opnemen van gevangenen uit Guantánamo door Nederland nog onderwerp van gesprek in de diplomatieke contacten tussen Nederland en de Verenigde Staten? Wordt tijdens deze gesprekken ook consequent kenbaar gemaakt dat Nederland voorstander is van sluiting van Guantánamo Bay?
Ja. In diplomatieke contacten met de Amerikaanse autoriteiten wordt consequent kenbaar gemaakt dat Nederland voorstander is van sluiting van Guantánamo Bay.
Is er in 2016 nog een officieel verzoek gekomen van de Verenigde Staten aan Nederland om gevangenen uit Guantánamo Bay op te nemen?
Het staande Amerikaanse verzoek is in 2016 herhaald in diplomatieke contacten op ambtelijk niveau.
Vindt u het niet vreemd dat een substantieel deel van de lidstaten van de Europese Unie, te weten Groot-Brittannië, Frankrijk, Slowakije, Spanje, België, Duistland, Ierland, Portugal, Italië, Bulgarije, Zweden, Estland en Denemarken, gevangenen uit Guantánamo Bay hebben opgenomen, maar Nederland niet?
Dit betreft een afweging die iedere lidstaat zelf maakt.
Hebt u kennisgenomen van het eerdere plan van de president van de Verenigde Staten voor sluiting van Guantánamo Bay dat naar het Amerikaanse Congres is gestuurd?2 Kunt u nagaan wat de status is van dit plan?
Ja. De Administratie is op zoek naar mogelijkheden om in samenwerking met het Congres de militaire gevangenis in Guantánamo Bay te sluiten langs de lijnen die in het plan zijn uitgestippeld. Tijdens een hoorzitting door de Commissie Buitenlandse Zaken van het Huis van Afgevaardigden op 23 maart jl. werd duidelijk dat er binnen het Huis verschillend wordt gedacht over het plan.
Hoe beoordeelt u het plan van de president van de Verenigde Staten voor sluiting van Guantánamo Bay en de stap nu om een tiental gevangenen vrij te laten? Zijn dit wat u betreft betekenisvolle stappen richting sluiting van de detentiefaciliteit inclusief berechting van de overgebleven gedetineerden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u dan bereid om ook gevangenen uit Guantánamo Bay op te nemen?
Het plan van de Amerikaanse regering om sluiting van de detentiefaciliteit dichterbij te brengen, wordt verwelkomd. Over de uitvoering van het plan bestaat nog veel onzekerheid. Het is daarmee te vroeg om de eerdere conclusie van het kabinet dat het Amerikaanse verzoek tot opname van gedetineerden uit Guantánamo pas in overweging zal worden genomen nadat de VS verdere betekenisvolle stappen heeft gezet richting sluiting van de detentiefaciliteit, inclusief berechting van de overgebleven gedetineerden, te heroverwegen.
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van de Keuringsdienst van Waarde over de euro, waarin werd onderzocht hoe de euro gemaakt wordt?1
Ja.
Klopt het dat het produceren van clustermunitie verboden is onder de «Convention on Cluster Munition» (CCM)?
De CCM verplicht elke deelnemende staat ertoe om onder geen enkele omstandigheid: a) clustermunitie te gebruiken; b) rechtstreeks of onrechtstreeks clustermunitie te ontwikkelen, te produceren, anderszins te verwerven, op te slaan, aan te houden of aan derden over te dragen; c) enige activiteit die op grond van het verdrag verboden is voor een staat die partij is, te steunen, aan te moedigen of derden ertoe aan te zetten.
Klopt het dat ieder land dat het CCM geratificeerd heeft, zich op geen enkele wijze mag bezighouden met het steunen dan wel aanmoedigen van activiteiten die verboden zijn onder het CCM?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat Nederland het CCM op 23 februari 2011 geratificeerd heeft?
Ja.
Wanneer was u voor het eerst op de hoogte van het feit dat Poongsan clustermunitie produceert?
Het Ministerie van Financiën ontdekte eind 2014 voor het eerst dat Poonsang naast de productie van rondellen (ongeslagen muntstukken) ook betrokken is bij de productie van clustermunitie.
Kunt u aangeven voor de periode tussen 23 februari 2011 en 24 maart 2016 of de Koninklijke Nederlandse Munt (KNM) zaken heeft gedaan met Poongsan en om wat voor orders het in die jaren dan ging (graag ook in absolute aantallen)?
In genoemde periode heeft KNM in 2013 voor de productie van Nederlandse 2-euromunten, twee keer een bestelling geplaatst bij Poonsang. Dit was op 27 maart 2013 en 12 september 2013. Het ging hier in totaal om 40 miljoen rondellen. Op dat moment was bij het ministerie nog niet bekend dat een onderdeel van het bedrijf Poongsan ook clustermunitie produceerde.
Daarnaast heeft KNM in 2015 rondellen bij Poongsan ingekocht voor de opdrachten die zij van andere landen heeft verkregen. In onderstaande overzicht is weergegeven hoeveel rondellen door KNM zijn ingekocht bij Poongsang in de periode tussen 2013 en 2015 en hoe zich dat verhoudt tot de totale productievolume van KNM over deze jaren. In 2014 heeft KNM geen rondellen bij Poonsang besteld.
Jaar
Inkoop bij Poongsan (aantal)
Totale jaarproductie
% t.o.v. jaarvolume
2013
43.000.000
422.000.000
10,19%
2015
10.000.000
1.200.000.000
0,83%
Klopt het dat de KNM in het jaar 2015 in ieder geval een order van 10 miljoen zogeheten «coin blanks» (onbedrukte euromuntstukken) heeft afgenomen van Poongsan?
Zie antwoord vraag 6.
Op 24 februari 2015 heeft u nog aangegeven in de kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Merkies over duurzaam bankieren dat u het belang van maatschappelijk verantwoord bankieren onderstreept; hoe kunt u dan verklaren dat Nederland zaken heeft gedaan met een bedrijf als het Zuid-Koreaanse Poongsan, dat naast «coin blanks» ook clustermunitie maakt?2
In de kabinetsreactie op de initiatiefnota-Merkies is beschreven dat de staat als aandeelhouder eraan hecht dat alle staatsdeelnemingen transparant zijn over de keuzes die zij maken in hun bedrijfsvoering en de maatschappelijke gevolgen van deze keuzes. In de nota Deelnemingenbeleid rijksoverheid 2013 is opgenomen dat deelnemingen dienen te rapporteren over hun MVO-beleid conform de GRI-rapportagestandaard en dat zij worden opgenomen in de zogenoemde transparantiebenchmark. Wij zien er als aandeelhouder op toe dat de deelnemingen zich hieraan conformeren en rapporteren daarover in ons Jaarverslag Beheer Staatsdeelnemingen. De bestuurders van de onderneming zijn verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering en het is dan ook aan hen om de initiële afweging te maken ten aanzien van de maatschappelijke gevolgen van bedrijfsmatige keuzes.
KNM beperkt zich voor haar inkoop van rondellen tot de leveranciers die zijn goedgekeurd door de Mint Directors Working Group («MDWG»). De MDWG is in het leven geroepen door de Europese Commissie en bestaat (voornamelijk) uit de directeuren van de Europese munthuizen. Zij houden een lijst bij van door hen goedgekeurde rondellenleveranciers. Poonsang is een van de bedrijven die in deze lijst zijn opgenomen. Dit zijn leveranciers die voldoen aan de technische specificaties en andere waarborgen ter voorkoming van valsemunterij. KNM zal de positie van Poongsan op deze lijst ter discussie stellen.
KNM is in januari 2015 door het ministerie op de hoogte gebracht dat Poongsan ook clustermunitie produceert en derhalve geen wenselijk partij is om zaken mee te doen. Daarbij is afgesproken dat KNM voor de productie van de Nederlandse euromunten niet meer zal bestellen bij Poonsang. KNM heeft Poonsang toen, blijkt nu, niet van haar algemene leverancierslijst afgehaald. KNM heeft Poonsang na haar interview met de Keuringsdienst van Waarde wel van haar algemene leverancierslijst gehaald.
Op welke manier heeft de KNM vastgesteld of Poongsan wel of geen clustermunitie produceerde alvorens het met dit bedrijf zaken ging doen?
Zie antwoord vraag 8.
Bestaat er een beleid ten aanzien van staatsdeelnemingen over hoe ze zich ervan verzekeren dat ze geen zaken doen met ondernemingen die clustermunitie produceren?
Zie antwoord vraag 8.
In de eerder genoemde uitzending van de Keuringsdienst van Waarde deed de heer René van Dijk van de KNM de belofte dat de KNM vanaf heden geen zaken meer zou doen met Poongsan; hoe gaat u er op toezien dat deze belofte wordt nagekomen?
Om rondellen te kunnen bestellen die nodig zijn voor de productie van Nederlandse euromunten heeft KNM vooraf instemming van het ministerie nodig. Het bedrijf is zelf verantwoordelijk voor haar mvo-beleid en haar inkoopbeleid. De raad van commissarissen ziet hierop toe. De staat zal als aandeelhouder navragen of KNM inderdaad niet meer bij Poonsang bestelt.
ING Bank, Van Lanschot bank en ABP-pensioenfonds zijn enkele voorbeelden van ondernemingen die geen zaken doen met Poongsan, omdat zij op de hoogte zijn van het feit dat Poongsan clustermunitie produceert; hoe kan het dat een instelling die voor 100% in handen van de staat is niet op de hoogte is van dit feit?
Zie antwoord vraag 8.
Weet u of andere staatsdeelnemingen ook zaken doen met Poongsan? Zo ja, wat gaat u daar dan aan doen? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken en de resultaten van dit onderzoek te delen met de Tweede Kamer?
De staat als aandeelhouder zal deze specifieke casus gebruiken als algemene waarschuwing richting de andere staatsdeelnemingen dat het van belang is om klant- en leveranciersrelaties ook op MVO-aspecten te beoordelen.
Onder artikel 9 van het CCM valt te lezen dat sancties opgelegd kunnen worden aan een lidstaat die het CCM heeft geratificeerd; kan de Nederlandse overheid een sanctie opgelegd krijgen nu blijkt dat zij zaken heeft gedaan met een partij die zich bezighoudt met de productie van clustermunitie? Zo ja, heeft u enig idee van de zwaarte van die sanctie?
Aangezien de CCM niet voorziet in een verbod op (handels)contacten, is van een overtreding van de verplichting, vastgelegd in artikel 1 van de CCM, geen sprake.
Is u bekend of andere landen ook gebruik maken dan wel gebruik hebben gemaakt bij de productie van hun euromunten van de «coin blanks» van Poongsan? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Ik heb begrepen dat Poongsan ook rondellen aan andere muntproducenten heeft geleverd omdat het bedrijf op de lijst van MDWG staat als een van de acceptabele leveranciers. In welke mate dit is gebeurd, en in hoeverre dit nog steeds gebeurt, is mij niet bekend. Het is aan de betreffende overheden om te bepalen hoe hiermee om te gaan.
Het bericht dat het UMC Utrecht de omstreden KNO-arts weer laat opereren |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over het bericht dat de omstreden KNO-arts die werkzaam is in het UMC Utrecht, en op non-actief is gezet vanwege zijn betrokkenheid bij twee dodelijke incidenten, nu weer mag opereren?1
Welke redenen liggen ten grondslag aan de beslissing van het UMC Utrecht om deze KNO-arts weer op de poli te laten werken, en nu zelfs weer mag opereren, terwijl de Inspectie voor de Gezondheidszorg momenteel onderzoek doet naar de incidenten die hebben plaatsgevonden op de KNO-afdeling in het UMC Utrecht? Waarom worden de resultaten van het onderzoek door de Inspectie niet eerst afgewacht? Bent u bereid dit uit te zoeken, en de Kamer hierover te informeren? Zo neen, waarom niet?
Was u ervan op de hoogte dat het UMC Utrecht deze KNO-arts weer laat werken en opereren, terwijl deze arts eerder op non-actief is gezet? Zo ja, wanneer was u hiervan op de hoogte? Zo neen, waarom is u dit niet gemeld?
Over de re-integratie was ik niet vooraf geïnformeerd, noch de IGZ. Het is echter niet aan de Minister van VWS, maar aan de toezichthouder om het besluit en de voorwaarden voor de re-integratie in kwestie te beoordelen. Zie ook het antwoord op de vragen 1 en 2.
Is de Inspectie op de hoogte gesteld van de besluitvorming van het UMC Utrecht dat deze KNO-arts weer mag opereren, terwijl de Inspectie momenteel onderzoek doet naar de eerdere handelwijze van deze KNO-arts? Bent u bereid dit uit te zoeken, en de Kamer hierover te informeren? Zo neen, waarom niet?
Hoe oordeelt de Inspectie over het bericht dat deze KNO-arts weer mag werken, en nu zelfs opereert? Heeft de Inspectie hier toestemming voor gegeven? Bent u bereid dit uit te zoeken, en de Kamer hierover te informeren? Zo neen, waarom niet?
Keurt u het goed dat het UMC Utrecht deze KNO-arts weer laat opereren, terwijl er een onderzoek loopt van de Inspectie naar deze KNO-arts? Zo ja, waarom? Zo neen, waarom niet?
Acht u het feit dat deze KNO-arts alweer aan het opereren is, voordat het onderzoek van de Inspectie is afgerond, een juiste wijze van het hanteren van het voorzorgsprincipe? Zo ja, waarom? Zo neen, welke stappen gaat u in deze ondernemen?
Deelt u de mening dat vanwege het voorzorgsbeginsel het wenselijk is dat gedurende het onderzoek van de Inspectie voorkomen moet worden dat deze KNO-arts aan het werk gaat, en weer begint met opereren? Zo ja, bent u bereid samen met de Inspectie er strikt op toe te zien dat deze KNO-arts geen operaties of andere medische handelingen uitvoert? Zo neen, waarom niet?
Deelt u de mening dat deze kwestie schadelijk is voor het vertrouwen van patiënten in de zorgverlening van de KNO-afdeling in het UMC Utrecht? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoe wordt de veiligheid van patiënten in het UMC Utrecht gegarandeerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het Algemeen overleg over de Inspectie voor de Gezondheidszorg dat is voorzien op 7 april 2016? Zo neen, waarom niet?
Ja.
Het inhuren van detentietoezichthouders via een extern beveiligingsbedrijf |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom is ertoe besloten detentietoezichthouders in te huren via een extern beveiligingsbedrijf?1
Bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) is op dit moment binnen de functiegroep beveiligers (waar ook de functie Detentie Toezicht Houder onder valt) sprake van schaarste. Indien er schaarste ontstaat beziet DJI eerst hoe dit met interne mobiliteit opgelost kan worden. Als geen interne oplossing kan worden gevonden wordt er via een mantelpartij tijdelijk extern beveiligingspersoneel ingehuurd. Op deze wijze kan de veiligheid binnen de inrichtingen gegarandeerd worden. De huidige raamovereenkomst met dit externe beveiligingsbedrijf is van kracht sinds 1 april 2013.
Sinds wanneer worden er via dit externe beveiligingsbedrijf detentietoezichthouders aangenomen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het onwenselijk en niet uit te leggen is dat eerst wordt besloten detentiemedewerkers te ontslaan, in het kader van het Masterplan en de nieuwe reorganisatieronde, om vervolgens over te gaan tot het inhuren van externen? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de uitvoering van het Masterplan is tot nu toe geen sprake van reorganisatieontslagen. Binnen de rijksoverheid geldt het Van Werk Naar Werk-beleid (VWNW), waarmee medewerkers naar ander werk begeleid worden. Reorganisatieontslag is op grond van dit beleid niet mogelijk. Eigen DJI-medewerkers hebben voor structurele vacatures voorrang boven externe inhuur, vanzelfsprekend onder toepassing van de regels van het VWNW-beleid. Er wordt alleen extern ingehuurd indien de vacatures niet tijdig kunnen worden vervuld door gekwalificeerd DJI-personeel. De situatie dat externe medewerkers structureel in de plaats komen voor eigen beveiligers- of penitentiair inrichtingswerkers is dan ook niet aan de orde.
Betekent dit dat de Dienst Justitiële Inrichtingen dergelijke expertise niet zelf in huis heeft? Kunt u uw antwoord toelichten? Waarom worden externe medewerkers aangenomen terwijl interne medewerkers worden ontslagen?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre komen deze externe medewerkers in de plaats van het eigen beveiligings- en Penitentiair Inrichtingswerkerspersoneel? Wat zijn daar de redenen van?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom is of wordt er niet voor gekozen eigen personeel in dienst houden en eventueel om te scholen tot detentietoezichthouder?
Waar dit mogelijk is en past binnen het VWNW beleid worden DJI medewerkers ingezet, en zo nodig omgeschoold, binnen betreffende functies. Dit neemt niet weg dat de situatie zich kan voordoen dat er niet tijdig DJI-medewerkers inzetbaar zijn. In dat geval moet een tijdelijk beroep op externe inhuur gedaan kunnen worden. Het betreft immers de veiligheid binnen de inrichtingen, waar bij personele tekorten snel ingegrepen moet worden. Het kostenaspect speelt hierin geen doorslaggevende rol.
Kunt u aangeven waarom u het inhuren van externen goedkoper vindt dan het aannemen, in dienst houden of omscholen van intern personeel?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht 'Naar een duurzame energiehuishouding met LNG' |
|
André Bosman (VVD), Betty de Boer (VVD), Barbara Visser (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Naar een duurzame energiehuishouding met LNG»?1
Ja.
In het artikel wordt geschreven over de uitrol van een dekkend netwerk van liquefied/liquid natural gas (LNG) vulpunten binnen de gehele Europese Unie; hoe wordt dit netwerk ingericht? Wie is er voor dit netwerk verantwoordelijk? Door wie worden de investeringskosten gedragen van dit netwerk?
In 2014 is de EU Richtlijn Infrastructuur voor Alternatieve Brandstoffen voor Transport (2014/94EC) een verplichting voor alle lidstaten geworden. Deze richtlijn schrijft onder meer voor dat er een Europees breed dekkend netwerk moet worden gerealiseerd voor alternatieve brandstoffen, waaronder LNG. In de zomer van 2016 zal het Ministerie van Infrastructuur en Milieu een beleidskader naar de Tweede Kamer sturen waarin wordt aangegeven hoe de richtlijn in Nederland wordt geïmplementeerd. In principe is de markt aan zet om de netwerken van alternatieve tank- en laadstations te realiseren. De overheid moet zorgdragen voor de juiste randvoorwaarden, zoals regelgeving voor veiligheid en procedures voor vergunningen, zodat het voor de private sector rendabel wordt om te investeren. De private sector omvat partijen die betrokken zijn bij de productie, distributie, transport en afzet van alternatieve brandstoffen. Voor de benodigde investeringen kan gebruik worden gemaakt van onder andere Europese cofinancieringsmiddelen.
De Nederlandse infrastructuur behelst op dit moment 19 tankstations voor wegvervoer en meerdere locaties voor het bunkeren van schepen (ook vanuit vrachtwagens of bunkerschepen).
Welke rol kan Nederland spelen in de Europese energiemarkt?
Nederland is een sterk voorstander van het tot ontwikkeling brengen van de interne markt voor energie, waarbij de grensoverschrijdende handel in en het transport van energie niet op (onnodige) belemmeringen stuiten. Een goed functionerende interne energiemarkt is essentieel voor het borgen van de leveringszekerheid. Nederland ondersteunt de Commissie dan ook in haar streven om de implementatie van het derde energiepakket en de daaruit volgende netcodes nauwgezet te volgen en lidstaten zonodig aan te spreken indien daarbij onvoldoende voortgang wordt geboekt.
Hoe worden de kansen voor Nederland in de Europese LNG markt optimaal benut? Welke rol vervult u hierin en in welke acties vertaalt dit zich?
LNG draagt bij aan het borgen van de leveringszekerheid. De inzet van LNG maakt diversificatie van bronnen en aanvoerroutes mogelijk bij de invoer van gas en zorgt daarmee tevens voor meer concurrentie op de gasmarkt. LNG kan voorts een rol spelen in het verduurzamen van het zware wegvervoer en de scheepvaart.
Door de mede in het kader van de gasrotondestrategie gebouwde LNG terminal in Rotterdam is het sinds 2011 mogelijk om LNG naar Nederland aan te voeren en hier over te slaan. Dit LNG kan worden ingezet voor zowel de Nederlandse markt als voor markten in omliggende landen. Nederland zet in op voltooiing van de interne markt in de EU zodat betere marktwerking kan leiden tot het aantrekken van meer LNG en deze LNG binnen de EU grensoverschrijdend kan worden verhandeld en getransporteerd.
Voor de introductie van LNG als brandstof in de transportsector is in 2013 door het Ministerie van Economische Zaken, het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en de sector (via Havenbedrijf Rotterdam, Deltalinqs en Energy Valley) de Green Deal LNG Rijn en Wadden ondertekend. In het kader van deze Green Deal is er door de overheid in samenwerking met het aan de Green Deal verbonden LNG Platform een aantal belemmeringen aangepakt. Verder is met een LNG veiligheidsprogramma aanvullende kennis verzameld omtrent de risico’s van met name vervoer, verlading en opslag van LNG. Voor het opzetten van een veiligheidskader voor de uitrol van LNG in de transportsector is in 2015 een zgn. Safety Deal afgesloten door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Ook is er vanuit Nederland binnen de Centrale Commissie voor de Rijnvaart bijgedragen aan een integraal regelgevend kader dat schoon en veilig gebruik van LNG mogelijk maakt in de grensoverschrijdende binnenvaart.
In de Internationale Maritieme Organisatie heeft Nederland bijgedragen aan de «International Code of Safety for Ships using Gases or other Low flashpoint Fuels» (IGF Code), waarin de internationale regelgeving voor zeeschepen die LNG als brandstof gebruiken is vastgelegd. Deze code treedt op 1 januari 2017 in werking.
In de onder leiding van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu opgestelde visie op duurzame brandstoffen heeft (bio) LNG een rol in de verduurzaming van het zware wegvervoer en scheepvaart. Binnen het Topconsortium voor Kennis en Innovatie voor Gas (TKI-Gas) is er een aparte programmalijn om innovaties op het gebied van LNG te stimuleren, onder andere gericht op het reduceren van methaanslip in de scheepvaart. De Nederlandse kennis en expertise op het gebied van LNG komt ook aan de orde in diverse bilaterale activiteiten gericht op handelspromotie binnen en buiten Europa. Het kabinet zet zich dus krachtig in voor de bredere toepassing van LNG en het benutten van economische kansen voor Nederland daarbij.
De zwakke beveiliging van de Nederlandse kerncentrales tegen terrorisme |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Beveilig kerncentrales beter tegen terrorisme»?1
Ja.
Deelt u de visie dat het onacceptabel en zeer zorgelijk is dat er op dit moment, zeker met het oog op de terreurdreiging, in Nederland slechts onbewapende beveiligers bij kerncentrales staan?
Nee.
Het beveiligingsniveau van Nederlandse kerncentrales en daarmee het weerstandsniveau tegen o.a. terroristische dreiging is hoog en is in lijn met nationale en internationale wet- en regelgeving. Dreiging en risico voor kerncentrales worden continu gemonitord en indien nodig worden aanvullende maatregelen getroffen. Op dit moment is er geen concrete informatie beschikbaar die een verhoogde dreiging op deze sector genereert.
Hoe duidt u de oproep van de Amerikanen om ook in Nederland kerncentrales te beveiligen met teams op het terrein van de centrale, die uitgerust zijn met automatische geweren?
Internationaal zijn er afspraken/richtlijnen over het benodigde algemene niveau van de beveiliging van kerninstallaties waartoe ook kerncentrales behoren. Experts worden daar nadrukkelijk betrokken bij beoordelingen. Ten grondslag aan de richtlijnen ligt een breed palet aan mogelijke typen dreigingen en risico’s. Landen kunnen beveiligingsmaatregelen altijd nog nader afstemmen op de lokale situatie, ook omdat niet alle installaties hetzelfde zijn, en landen soms een specifieke uitstraling willen bereiken.
Ik heb geen concrete dreigingsinformatie uit de Verenigde Staten ontvangen die wijst op aanslagen tegen kerncentrales in Nederland.
Kunt u aangeven waarom in Nederland kerncentrales slechts beveiligd worden op het niveau van landen als Slowakije en Argentinië?
Voor kerninstallaties, waartoe ook kerncentrales behoren, gelden al uitgebreide beveiligingseisen die zijn vastgelegd in nationale en internationale wet- en regelgeving. Nationale en internationale experts worden daarbij betrokken. De beveiligingsmaatregelen rond de Nederlandse kerninstallaties zijn in lijn met deze wet- en regelgeving. Deze maatregelen worden geregeld in de praktijk getest en geëvalueerd. Over specifieke beveiligingsmaatregelen worden verder geen inhoudelijke mededelingen gedaan.
Bent u bereid het verstandige advies van de Amerikaanse nucleaire veiligheidsexperts zo spoedig mogelijk op te volgen? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse aanpak voor beveiliging van nucleaire installaties is in lijn met nationale en internationale wet- en regelgeving. Deze aanpak is niet gericht op inzet van bewapende beveiliging zonder concrete dreigingsinformatie. Alle geldende beveiligingsmaatregelen en (beoefende) procedures maken het ook onnodig om dit uitgangspunt te wijzigen. Op dit moment is er geen concrete informatie beschikbaar die een verhoogde dreiging op deze sector genereert.
De Belastingdienst die in publiekscontacten in Friesland niet in het Fries communiceert |
|
Manon Fokke (PvdA), Lutz Jacobi (PvdA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Fiskus is taalferoardering brek», het bericht «Fiscus spreekt geen Fries» en het persbericht «Dingtiid: skûtsje van de Friese taal heeft een schipper nodig»?1 2 3
Ja.
Is het waar dat Friese belastingplichtigen bij de Belastingtelefoon niet in het Fries te woord worden gestaan? Zo ja, waarom wordt er geen Fries gesproken? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Met het Belastingkantoor in Leeuwarden kan in de Friese taal worden gecommuniceerd. Dit kan zowel aan de balie als schriftelijk. Friezen kunnen schriftelijk bezwaar maken in het Fries als ze het bezwaar naar het Belastingkantoor te Leeuwarden sturen. Het klopt dat belastingplichtigen bij de Belastingtelefoon niet in het Fries te woord worden gestaan. De Belastingtelefoon is inhoudelijk georganiseerd. Dit betekent dat gesprekken naar onderwerp over de verschillende vestigingen van de Belastingtelefoon over het land worden verspreid.
Kunnen Friezen die dat willen, schriftelijk met de Belastingdienst communiceren, bijvoorbeeld als zij bezwaar tegen een aanslag willen maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn rijksdiensten zoals de Belastingdienst verplicht om op basis van de Wet gebruik Friese taal een taalverordening te hebben en er voor te zorgen dat zij in het Fries kunnen communiceren? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet?
De Belastingtelefoon is een landelijk opererende dienst en is niet aan te merken als een rijksdienst die in Friesland is gevestigd. Rijksdiensten waarvan het werkterrein zich uitstrekt over heel Nederland, zoals de Belastingdienst, zijn op grond van de Wet gebruik Friese taal niet verplicht om de mogelijkheid te bieden om in het Fries te communiceren.
Zijn de genoemde berichten voor u aanleiding om er voor te zorgen dat de Belastingdienst op korte termijn wel in het Fries gaat communiceren? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Is daarvoor een taalverordening nodig of kan het op een andere manier eerder worden geregeld? Zo nee, waarom niet?
Het belastingkantoor Leeuwarden is in staat om met Friezen zowel mondeling als schriftelijk in het Fries te communiceren. Landelijke onderdelen van de Belastingdienst omvormen naar deze meertaligheid is een onevenredige belasting voor de Belastingdienst. De genoemde berichten zijn voor mij geen aanleiding om de Belastingdienst te vragen om ook via de Belastingtelefoon in het Fries te communiceren.
Deelt u de menig van Dingtiid dat het ontbreekt aan sturing en monitoring op de uitvoering van de Wet gebruik Friese taal? Zo ja, hoe gaat u dit verbeteren en wat denkt u van het instellen van een «taalschipper»? Zo nee, waarom niet?4
De introductie van een «taalschipper», die onder meer tot taak heeft de bij het taalbeleid betrokken overheden te ondersteunen, is een van de vier adviezen die het Orgaan voor de Friese taal DINGtiid geeft in het rapport «verandering en verbetering». Ik zal over het rapport in gesprek gaan met DINGtiid en daarna een eventueel vervolg geven aan het advies.
Zeer verontrustende berichten over uitbuiting van personeel van Emirates en Flydubai en de gevolgen voor de vliegveiligheid |
|
Eric Smaling (SP) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat piloten van Flydubai en Emirates oververmoeid en geïntimideerd zijn?1
Ik heb kennis genomen van de signalen over de werkdruk en cultuur zoals die zijn gepresenteerd in de uitzending van Russia Today. In de media was aan de orde dat er anonieme klachten van piloten zijn over oververmoeidheid en processen bij ziekmeldingen. Met betrekking tot de onderwerpen die aan de orde zijn gesteld wil ik benadrukken dat het aan de lokale autoriteiten is om na te gaan of hier een grond van waarheid in zit.
Omwille van de vliegveiligheid hecht ik er waarde aan dat de landen en maatschappijen aan de internationaal vastgestelde eisen voldoen. De ILT controleert in Nederland steekproefsgewijs buitenlandse toestellen. Hierbij wordt ook naar het voldoen aan de regels over de werk- en rusttijden gekeken.
In de betreffende uitzending wordt een directe link gelegd met het ongeval van het toestel van Flydubai op 19 maart 2016. Er zal conform het ICAO-verdrag een onafhankelijk onderzoek naar het ongeval worden uitgevoerd. Momenteel is dit nog niet afgerond en ik wil daarom niet vooruitlopen op de mogelijke oorzaken van het ongeval.
Het is de verantwoordelijkheid van bevoegde autoriteiten in de Verenigde Arabische Emiraten zelf aandacht te besteden aan mogelijke veiligheid- en gezondheidsproblemen bij het vliegend personeel.
Wat is uw reactie op de uitzending van Russia Today die gemaakt is naar aanleiding van een dodelijk vliegtuigongeval van Flydubai en waarin 60 piloten anoniem de noodklok luiden?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat er sprake is van een angstcultuur bij Emirates, zoals eerder bij Ryanair? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen aanvullende informatie en op basis van de uitzending van Russia Today kan ik geen oordeel vormen over de aanwezigheid van een mogelijke angstcultuur bij Emirates. Daarbij wil ik benadrukken dat het de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit is om zich een beeld te vormen van de cultuur en de impact daarvan op de veiligheid.
Vindt u het een wenselijke situatie dat piloten van Emirates alleen klachten kunnen indienen bij de luchtvaartautoriteiten, die van dezelfde eigenaar zijn als de airline?
De eigenaar van Emirates is ook President van de Dubai Civil Aviation Authority. Het melden van voorvallen en incidenten dient te worden gedaan bij de General Civil Aviation Authority van de Verenigde Arabische Emiraten, de bundeling van 7 staten. Met deze organisatiestructuur is er sprake van gescheiden verantwoordelijkheden.
Zijn er bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) berichten bekend waaruit blijkt dat er oververmoeide piloten en cabinepersoneel werkzaam zijn op Emiratesvluchten? Zo ja, welke maatregelen heeft de ILT genomen? Zo nee, bent u bereid om dit tot op de bodem uit te zoeken?
Internationaal is vastgelegd dat het land waar de luchtvaartmaatschappij is gecertificeerd verantwoordelijk is voor de controle op de wijze waarop met werk- en rusttijden wordt omgegaan. In de uitzending wordt aangegeven dat de luchtvaartmaatschappijen zich houden aan de geldende regels. Die regels zijn vergelijkbaar met de Europese regels met betrekking tot werk- en rusttijden: ze kennen maximale eisen voor aaneengesloten uren en verplichtingen die moeten zorgen voor roosters die niet tot oververmoeidheid leiden.
De ILT kan geen diepgaand onderzoek starten naar een maatschappij waar geen formele toezichtrelatie bestaat. De ILT controleert tijdens de zogenaamde Safety Assessment Foreign Aircraft (SAFA) steekproefsgewijs buitenlandse toestellen. Hierbij wordt ook naar de werk- en rusttijden gekeken. In dit kader is niet gebleken dat er verifieerbare voorvallen zijn van oververmoeide piloten en cabinepersoneel die werkzaam zijn op de Emirates vluchten. De inspectiegegevens van de EU lidstaten worden in een Europese database opgeslagen welk beheerd wordt door EASA. Vanuit EASA zijn geen signalen gegeven dat bij Emirates structurele onregelmatigheden voorkomen.
Klopt het dat bij Emirates zeven piloten hetzelfde werk verzetten als tien tot elf piloten bij reguliere Europese airlines? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op basis van de huidige Europese werk- en rusttijden regeling is de totale vliegtijd van een Europese piloot maximaal 1.000 uren gedurende 12 opeenvolgende kalendermaanden. In de werk- en rusttijden regelgeving van de Verenigde Arabische Emiraten is een limiet gesteld van 900 uren per 12 kalendermaanden met inachtneming van de wettelijk vastgesteld rust tussen de verschillende diensten.
In CAO’s van Europese luchtvaartmaatschappijen is veelal sprake van een geringer aantal vlieguren per jaar dan met het oog op de veiligheid wettelijk toegestane maximum.
Het bericht "Brandbrief met brede steun voor 't Klaverblad |
|
Michel Rog (CDA) |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Brandbrief met brede steun voor ’t Klaverblad»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat OBS ’t Klaverblad, die sinds 2013 een basisarrangement is toegekend door de onderwijsinspectie, na jaren van dalende leerlingenaantallen (niet veroorzaakt door krimp), weer groeit dankzij de inzet van docenten, directie, bestuur, ouders en dorpsbewoners?
Ja.
Kunt u bevestigen dat alleen in 2015 al, de groei van de school opzienbarend was, van 7 leerlingen in januari 2015 naar 18 leerlingen in december 2015?
De nevenvestiging is inderdaad gegroeid in deze periode. De nevenvestiging had 7 leerlingen op 1 oktober 2014 en 17 leerlingen op 1 oktober 2015.
Kunt u tevens bevestigen dat, gezien de groei van het aantal inschrijvingen voor de onderbouw de afgelopen tijd, het zeer aannemelijk is dat de school binnen een redelijke termijn weer meer dan 23 leerlingen zal tellen?
Het is niet mogelijk om op basis van de groei in het afgelopen jaar een uitspraak te doen over de mogelijke verdere groei van deze nevenvestiging. Die is afhankelijk van de individuele keuzes van de ouders binnen het voedingsgebied.
Kunt u aangeven of OBS ’t Klaverblad onder de voorwaarden voor het inzetten van de discretionaire bevoegdheid valt, te weten; voldoende onderwijskwaliteit en zicht op toenemende leerlingenaantallen binnen een redelijke termijn? Zo nee, waarom niet?
Nee, OBS ’t Klaverblad is een nevenvestiging en geen zelfstandige school. De Wet Primair Onderwijs kent alleen een discretionaire bevoegdheid voor het instandhouden van zelfstandige scholen. Het is daarom niet mogelijk om ’t Klaverblad met inzet van een discretionaire bevoegdheid instand te houden.
Klopt het dat artikel 157a WPO waarin deze discretionaire bevoegdheid is geregeld alleen van toepassing is op zelfstandige scholen en niet op nevenvestigingen?2
Ja.
Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de geest van het wetsvoorstel waarbij deze discretionaire bevoegdheid wordt opgenomen in de wet, naar aanleiding van de initiatiefnota «Oog voor toekomstige vergankelijkheid – over kleine scholen» van het lid J.J. van Dijk, gelet op het feit dat in deze initiatiefnota geen onderscheid is gemaakt tussen zelfstandige scholen en nevenvestigingen?3
De discretionaire bevoegdheid geldt alleen voor zelfstandige scholen vanwege de ruimere mogelijkheden die in de wetgeving al bestaan voor het instandhouden van nevenvestigingen. Als een zelfstandige school (die al op grond van de gemiddelde schoolgrootte in stand wordt gehouden) onder de 23 leerlingen zakt, dan wordt de bekostiging van de school gelijk in het daaropvolgende schooljaar gestopt. Dat kan erg streng zijn, vooral als er uitzicht is op groei. De discretionaire bevoegdheid geeft deze scholen daarom in uitzonderlijke gevallen drie jaar de tijd om weer 23 leerlingen te halen, mits de kwaliteit op orde is en er potentie is voor groei, bijvoorbeeld door de bouw van een nieuwbouwwijk.
De wetgeving om een nevenvestiging in stand te houden is ruimer. Als een nevenvestiging die al gebruik maakt van een uitzonderingsbepaling, onder de 23 leerlingen zakt, dan heeft de nevenvestiging drie jaar de tijd om weer aan de 23 leerlingen te voldoen.4 Een discretionaire bevoegdheid om nevenvestigingen meer tijd te geven is daarom niet nodig. Dit vormde daarom ook geen onderdeel van de wetswijziging waarmee de discretionaire bevoegdheid voor zelfstandige scholen is geregeld. In de memorie van toelichting bij die wetswijziging staat bovendien expliciet dat het niet wenselijk is om een school na drie jaar nogmaals de tijd te geven om boven de norm uit te stijgen: «Als een school die al drie jaar onder de opheffingsnorm van 23 kan voortbestaan, nogmaals een kans krijgt om boven die norm uit te stijgen zouden, om oneigenlijk onderscheid en ongelijke behandeling te voorkomen, ook scholen met een opheffingsnorm van 24 of hoger in aanmerking moeten komen voor die extra termijn. Het hele geobjectiveerde systeem van stichting en instandhouding wordt daarmee onder druk gezet.» 5 Dit gaat over zelfstandige scholen, maar het principe geldt evengoed voor het nog langer instandhouden van een nevenvestiging.
Bent u bereid uw discretionaire bevoegdheid in te zetten om deze school open te houden? Zo nee, waarom niet? Wilt u in uw antwoord meenemen dat de school de laatste school in het dorp is?
Een discretionaire bevoegdheid bestaat niet voor nevenvestigingen.
De bekostiging zal daarom met ingang van het schooljaar 2016–2017 worden beëindigd. De leerlingen op de nevenvestiging zullen moeten uitwijken naar een andere school. De ouders kunnen bij de gemeente Drimmelen navragen of zij binnen de gemeentelijke regeling voor leerlingenvervoer in aanmerkingen komen voor leerlingenvervoer of een vergoeding voor leerlingenvervoer.
Het bericht dat zorginstelling Huis in de Duinen te Zandvoort uit het dal zou zijn |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Huis in de Duinen in Zandvoort uit het dal»?1 Kent u tevens het recente rapport van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) over Huis in de Duinen?2 Bent u tevens bekend met de herhaaldelijke vragen over misstanden bij Huis in de Duinen in de jaren 2008, 2009 en 2010?3
Ja.
Wat vindt u van het feit dat na de ernstige misstanden in 2008 nu in 2016 nog steeds meer dan de helft van het aantal zorgcriteria bij Huis in de Duinen niet in orde is? Wat vindt u van de kwalificatie «uit het dal» die we in de krant lezen, als feitelijk zoveel zorgcriteria nog altijd niet op orde zijn?
Naar aanleiding van signalen, meldingen en een onaangekondigd bezoek op 16 juli 2015, is de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ), bij Amie Ouderenzorg, locatie Huis in de Duinen een intensief toezicht traject gestart. Daarbij zijn door de IGZ ook direct verbetermaatregelen geëist. Zo moest Amie Ouderenzorg, locatie Huis in de Duinen binnen vier weken voldoen aan zes normen gericht op veilige woonomgeving en medicatieveiligheid. Verder eiste de IGZ dat de zorgaanbieder binnen een half jaar zichtbare resultaten dient te boeken op het gebied van kwaliteit en veiligheid. In een bestuursgesprek d.d. 12 oktober 2015 met de raad van toezicht en de nieuwe voorzitter van de raad van bestuur van Amie Ouderenzorg is door de IGZ indringend op de fouten uit het verleden en de te nemen verbeteringen ingegaan.
Op 21 januari 2016 heeft de IGZ in het kader van het monitoren van de voortgang van de opgelegde verbetermaatregelen en op basis van door de IGZ van de zorgaanbieder ontvangen resultaatverslagen, een onaangekondigd bezoek uitgevoerd bij Amie Ouderenzorg, locatie Huis in de Duinen. Het oordeel van de IGZ zoals in het rapport dat in maart 2016 openbaar is gemaakt, is dat de zorgaanbieder ondanks het nog niet voldoen aan alle normen wel verbeterkracht laat zien en aanzienlijke verbeterslagen heeft gemaakt. De kwaliteit van zorg bij Amie Ouderenzorg, locatie Huis in de Duinen is op dit moment dusdanig dat de IGZ geen verscherpt toezicht of bestuursrechtelijke maatregelen overweegt.
Wat zegt het feit dat de helft van de zorgcriteria nog altijd niet op orde is over hoe de IGZ haar taak uitvoert? Heeft de IGZ voldoende gedaan om de kwaliteit van zorg bij Huis in de Duinen op orde te krijgen? Wat is uw oordeel over de rol van de IGZ bij dit jarenlang slepende dossier?
Zie antwoord vraag 2.
Als één van de huidige nog bestaande problemen het melden en analyseren van fouten is, zou het dan kunnen dat medewerkers nog altijd problemen niet durven aan te kaarten, omdat ze bang zijn dat er, net als in 2008, keiharde represailles van het management volgen? Hoe gaat u het veilig melden van fouten voor de medewerker borgen, zodat dit onaanvaardbare risico voor de bewoners weggenomen wordt?
De IGZ heeft op dit moment geen aanwijzingen dat medewerkers niet durven te melden. De IGZ besteedt aandacht aan «Veilig melden» bij zorgaanbieders. De per 1 september 2015 aangetreden nieuwe bestuurder heeft ook op dit vlak verbeteringen doorgevoerd. De IGZ constateert dat het personeel positief is gestemd over verbeteringen en dat de zorgaanbieder het personeel nauw betrekt bij ingezette veranderingen binnen de organisatie.
Hoe kan het dat er in juli 2009 al vragen uit de Kamer waren over het niet altijd zorgvuldig toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen zoals separeren, dwangmedicatie en vastbinden en dat de IGZ er in de tussenliggende jaren kennelijk bij stond en niets deed en er dus niets verbeterde voor de bewoners?
De IGZ heeft in de jaren 2009–2015 bij Amie Ouderenzorg, locatie Huis in de Duinen toezichttrajecten uitgevoerd waarna deze zorgaanbieder verbeteringen liet zien. Bij een deel van de instellingen in de ouderenzorg constateert de IGZ echter dat – na een intensieve periode van toezicht – instellingen wederom tekortkomingen laten zien. De borging van verbetermaatregelen vindt onvoldoende plaats. Zo ook tijdens het onaangekondigd bezoek bij Amie Ouderenzorg, locatie Huis in de Duinen op 16 juli 2015. Zie voorts mijn antwoord op vraag 2 en 3 op dit punt.
Als «de grote stap voorwaarts», waarover gesproken wordt, een zware wissel op de medewerkers trekt, hoe kan het dan dat, onder verwijzing naar de eerdere vragen uit november 2009, er nu nog steeds te weinig medewerkers zijn? Wat betekent dit voor de kwaliteit van zorg voor de bewoners? Komen taferelen als twee medewerkers op 35 bewoners nog steeds voor?
Om goede zorg te kunnen leveren dienen de werkomstandigheden optimaal te zijn. Voldoende gekwalificeerde medewerkers is daarbij een randvoorwaarde. Binnen Amie Ouderenzorg is dit een punt van aandacht waar zij op dit moment hard aan werkt om dit te verbeteren. Zie ook het oordeel van de IGZ op dit punt in mijn antwoord op vraag 2 en 3.
Deelt u de mening dat de opmerking van de directeur, dat «de werkomstandigheden niet optimaal zijn» onacceptabel is, en dat goede zorg valt of staat met voldoende en gekwalificeerde medewerkers? Welke plannen heeft de directeur om te bewerkstellingen dat de werkomstandigheden wel optimaal zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Bestaat de klokkenluidersregeling nog, die na het debacle in 2008 werd ingesteld, en kan daar nog steeds anoniem gebruik van worden gemaakt? Hoeveel medewerkers maakten er in de periode 2008–2016 gebruik van? Wat werd er met de input gedaan?
De klokkenluidersregeling is nog steeds van kracht. Hierin is de procedure voor intern of extern melden van misstanden geregeld met alle rechtsbescherming voor de melder die daar bij hoort. Geen van de medewerkers maakte in de periode van 2008–2016 gebruik van deze regeling.
Wat is de oorzaak van het nog altijd vele malen hogere ziekteverzuim in Huis in de Duinen in vergelijking met het landelijke gemiddelde? Bent u bereid te bewerkstellingen dat de IGZ hier onderzoek naar doet? Zo nee, waarom niet?
Het ziekteverzuim bij Huis in de Duinen en de oorzaken daarvan maakt onderdeel uit van het huidige toezichttraject van de IGZ (zie ook mijn antwoord op vraag 2 en 3.
Is het sterftecijfer onder de bewoners van de verpleegafdeling van Huis in de Duinen, dat in 2008 tweeënhalf keer hoger was dan het landelijke gemiddelde, genormaliseerd? Zo ja, wat is de bewezen reden hiervoor?
Navraag leert dat de bestuurder niet over een sterftecijfer beschikt.
Wat mogen familieleden van bewoners van Huis in de Duinen van u verwachten als het gaat om het borgen van de kwaliteit van zorg voor hun geliefden de komende jaren?
De familieleden van bewoners van Huis in de Duinen mogen van mij verwachten dat er op wordt toegezien dat de kwaliteit van zorg binnen iedere zorgaanbieder op peil is. De IGZ houdt toezicht en mocht de IGZ opnieuw constateren dat de kwaliteit van zorg nog niet geborgd is, dan zal de IGZ nadere maatregelen nemen.
Welke acties mogen bewoners van Huis in de Duinen van u verwachten, mocht de zorgverlening onverhoopt opnieuw – weer – niet voldoen aan de wettelijke kwaliteitsnormen?
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de mening dat het onterecht is dat de toenmalig Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Bussemaker destijds meer bezig was om haar betrokken partijgenoten in Zandvoort de hand boven het hoofd te houden, dan goede zorg voor de bewoners van Huis in de Duinen te verlangen? Is dit mede de oorzaak dat de zorg voor de bewoners van Huis inde Duinen acht jaar later nog altijd niet op orde is? Zo nee, waarom niet?
Ik vind de suggestie in uw vraag dat politieke motieven van de toenmalig Staatssecretaris van VWS mede de oorzaak zou zijn dat de zorg bij Huis in de Duinen niet op orde zou zijn ongepast en laat deze voor uw rekening. Het is primair de verantwoordelijkheid van de bestuurder om de kwaliteit van zorg te bewerkstellingen en te behouden. De inspectie ziet daarop toe.
Tolheffing in België |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «België weigert tolheffing vrachtvervoer uit te stellen»?1
Ja.
Is het u bekend dat Nederlandse vrachtvervoerders bij België tevergeefs hebben aangedrongen op uitstel van de tolheffing? Heeft u daarover met Transport en Logistiek Nederland (TLN) overleg gevoerd? Zo ja, wat was daarvan het resultaat?
Ja, in de afgelopen jaren is met regelmaat overleg met TLN geweest over de Belgische kilometerheffing, hetgeen de laatste maanden voor invoering is geïntensiveerd. Als gevolg van de aanhoudende problemen en in overleg met het ministerie, heeft TLN een brief gestuurd naar de Belgische intergewestelijke organisatie ViaPass. Naar aanleiding van deze brief en het uitblijven van antwoord daarop, is door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu contact opgenomen met ViaPass over de verwachte problemen rondom de invoering van de Belgische van de Belgische kilometerheffing voor vrachtvervoer. Hierop is door ViaPass antwoord gegeven en is de dag erna een schriftelijk antwoord aan TLN gestuurd met een reactie op de gestelde vragen.
Is het u bekend dat het Belgische tolsysteem kampt met technische problemen en dat er te weinig tolkastjes beschikbaar zijn? Zo ja, sinds wanneer is dat het geval? Heeft u dit aangekaart bij uw Belgische ambtsgenoot? Zo ja, wat was daarvan de uitkomst?
Ja, de problemen zijn mij bekend. Zoals hierboven ook uiteengezet is contact geweest met ViaPass over deze punten. Het is in eerste instantie aan de daarvoor opgerichte organisatie ViaPass om orde op zaken te hebben, in samenwerking met de uitvoerende partij, Satellic.
Echter is op 1 april bij de invoering van de kilometerheffing gebleken dat dit toch onvoldoende gerealiseerd werd, getuige de klachten van de Nederlandse wegtransportsector, maar ook van de Belgische, Franse, Duitse en de internationale vervoersorganisatie. Naar aanleiding hiervan heb ik contact opgenomen met mijn Vlaamse collega, Weyts, Minister voor Mobiliteit en Openbare Werken. Ik heb verzocht de problemen met spoed op te lossen en om coulance gevraagd ten aanzien van de handhaving zolang de invoeringsproblemen niet zijn opgelost.
De Minister heeft dit punt erkend en heeft mij vandaag laten weten dat de Belgische overheid heeft nog niet geverbaliseerd. De betrokken instanties wijzen er tot op heden alleen op dat een OBU (OnboardUnit) aanwezig moet zijn. In de loop van de week worden de controles verscherpt en gaat de overheid ook kijken of de OBU werkt. Als de chauffeur kan aantonen dat de OBU buiten zijn schuld niet werkt of niet aanwezig is, dan zullen ze coulance tonen. Daarnaast is de uitvoerende instantie Satellic aangesproken op het nakomen van haar verplichtingen, zowel wat betreft het functioneren van het call center, alsook de beschikbaarheid van voldoende OBU bij servicecenters langs de weg.
Deelt u de conclusie dat het voor Nederlandse chauffeurs vrijwel onmogelijk is om op tijd aan de verplichtingen te voldoen? Zo ja, welke rol heeft u gespeeld bij het oplossen/voorkomen van dat probleem of welke rol bent u voornemens te gaan spelen?
Het was op 1 oktober 2015 reeds mogelijk om te pre-registreren voor een Belgisch OBU voor het vrachtvervoer. Dit om zodoende te wennen aan het gebruik hiervan. In mijn beleving is er daarmee voldoende tijd geboden aan de transportsector om de nodige kastjes te bestellen. Evengoed begrijp ik dat er gevallen zijn waar OBU’s tijdig besteld zijn, maar in de praktijk niet altijd (goed) werken of niet tijdig zijn geleverd. Nakoming wordt dan natuurlijk moeilijk.
Wanneer heeft u gesprekken over uitstel van invoering met uw Belgische ambtsgenoot gevoerd en wat was de uitkomst van die gesprekken?
Het voornemen tot de Belgische tolplannen is al sinds 2011 bekend. Sindsdien heb ik meermalen gesproken met mijn Vlaamse collega, waarbij ik heb aangegeven dat Nederland geen voorstander is van de invoering van nieuwe vormen van wegbeprijzing in België. Sinds begin 2015 is meermalen contact geweest tussen mijn ministerie en de Belgische Intergewestelijke organisatie ViaPass, hetgeen uiteraard de laatste tijd is geïntensiveerd naar aanleiding van de problemen met de OBU’s. In de gesprekken zijn vragen en zorgen die aan Nederlandse zijde leven uiteengezet, onder andere over de OBU’s.Daarnaast heb ik de laatste dagen meerdere malen contact gehad met de Vlaamse Minister Weyts. Voor de uitkomst van mijn laatste gesprek op 4 april verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Veel transportbedrijven wachten nog op aflevering van de On Board Unit (OBU) die eerder zijn besteld en betaald; wat adviseert u de vele transportbedrijven, die nog wachten op de levering van de On Board Unit (OBU) die zij eerder hebben besteld en betaald?
Wanneer transportbedrijven voor vervoerssystemen in het buitenland contracten afsluiten, bijv. voor de ontvangst van benodigde OBU’s, welke niet, niet tijdig of niet werkend geleverd worden, is sprake van een privaatrechtelijk contract. Indien er geen tevredenheid bestaat over de geleverde prestatie van de tegenpartij, staan daar de gebruikelijke rechtsmiddelen voor open. Zoals eerder al aangegeven heb ik met de Vlaamse Minister hierover contact gehad. Voor de uitkomst hiervan verwijs ik u naar vraag 3.
Deelt u de visie dat België coulance moet tonen in de handhaving in de eerste periode na invoering van deze kilometerheffing en bent u bereid dat aan uw ambtsgenoot te melden?
Ja, zoals ook gemeld bij vraag 3 heeft de Vlaamse Minister vandaag laten weten dat de Belgische overheid nog niet heeft geverbaliseerd. De betrokken instanties wijzen er tot op heden alleen op dat een OBU (OnboardUnit) aanwezig moet zijn. In de loop van de week worden de controles verscherpt en gaat de overheid ook kijken of de OBU werkt. Als de chauffeur kan aantonen dat de OBU buiten zijn schuld niet werkt of niet aanwezig is, dan zullen ze coulance tonen. Daarnaast is de uitvoerende instantie Satellic aangesproken op het nakomen van haar verplichtingen, zowel wat betreft het functioneren van het call center, alsook de beschikbaarheid van voldoende OBU bij servicecenters langs de weg.
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden?
Ja.
De executie van een Palestijn door een Israëlische soldaat |
|
Michiel Servaes (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’tselem vrijgegeven video waarin de executie is te zien van een gewonde Palestijnse man, die zelf naar verluidt verantwoordelijk was voor een aanval op een Israëlische militair? Zo ja, wat is uw reactie op de schokkende beelden?1
Het kabinet heeft met ontzetting kennisgenomen van de door B’tselem vrijgegeven video, die zeer schokkende beelden bevat. Het kabinet is voorts bekend met eerdere berichten van Amnesty International, die het als zorgelijk beschouwt en uitermate serieus neemt, zoals tevens aangegeven in het verslag van het schriftelijk overleg over de Raad Buitenlandse Zaken van 18 januari jl.
Bent u bekend met eerdere berichten van onder meer Amnesty die wijzen op buitenrechtelijke executies van Palestijnen in dergelijke situaties door het Israëlische leger op de Westelijke Jordaanoever?2
Zie antwoord vraag 1.
Zo ja, op welke wijze heeft u bilateraal en in EU-verband om opheldering gevraagd en tegelijkertijd uw afschuw kenbaar gemaakt over deze en andere buitenrechtelijke executies, die zelfs in het geval van de verwerpelijke steekincidenten in strijd zijn met de rechtsregels?
Het kabinet en de EU benadrukken consequent bij de Israëlische autoriteiten dat de reactie op geweld noodzakelijk en proportioneel moet zijn. De EU neemt hier eensgezind een gezamenlijke positie over in die recent werd herhaald in de Raadsconclusies van 18 januari jl. Tijdens de reguliere dialoog die plaatsvindt in het kader van het EU-Israël Associatieakkoord is de recente gebeurtenis door de EU opgebracht bij de Israëlische autoriteiten. De eerdere berichtgeving van Amnesty International en nu van B’tselem onderschrijft de noodzaak van geloofwaardig onderzoek door Israël naar eigen optreden om na te gaan of deze beginselen in alle gevallen in acht zijn genomen. Het kabinet verwelkomt het feit dat het Israëlische Ministerie van Defensie een onderzoek is gestart naar het incident in Hebron op 24 maart jl. Het blijft bij Israël aandringen op de noodzaak van dergelijke onderzoeken, op transparantie van de uitkomsten, op vervolging van eventuele daders en op maatregelen om dergelijke incidenten in de toekomst te voorkomen. Eenzelfde boodschap wordt door de EU uitgedragen naar de Israëlische autoriteiten. Nederland zal het verloop van Israëlische onderzoeken naar eigen optreden nauwgezet blijven volgen.
Bent u bereid deze afgrijselijke gebeurtenis en buitenrechtelijke executies in het algemeen opnieuw aan te kaarten tijdens de Raad Buitenlandse Zaken en te ijveren voor een grondig en onafhankelijk onderzoek?
Zie antwoord vraag 3.