Het antiracisme advies van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI)?1
Ja.
Wat heeft u met de eerdere aanbevelingen van de ECRI uit 2013 gedaan? Kunt u dit specificeren aan de hand van de drie kritiekpunten die de ECRI in haar nieuwste rapport noemt? Deelt u de mening dat er nog te weinig met de aanbevelingen uit het rapport van de ECRI uit 2013 is gedaan? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beschouwt het ECRI rapport als een waardevol instrument om de bescherming van burgers tegen discriminatie te verbeteren.
Op 15 oktober 2013 verscheen de vierde ECRI-rapportage over Nederland, die de stand van zaken per 22 maart 2013 beschrijft. In de kabinetsreactie van 18 november 2013 op het vierde ECRI rapport over Nederland is de Kamer geïnformeerd over de wijze waarop Nederland al dan niet voldoet aan de aanbevelingen uit dit rapport2. Het tussentijdse ECRI-rapport dat op 7 juni 2016 is verschenen beschrijft de stand van zaken per 4 november 2015. Het tussentijdse rapport gaat derhalve niet in op het nieuwe nationale actieprogramma tegen discriminatie dat begin dit jaar aan uw Kamer is aangeboden3. In januari 2017 ontvangt de Kamer een rapportage over de voortgang van dit actieprogramma. Op de drie kritiekpunten van ECRI (ontwikkelen nationaal beleid tegen racisme en rassendiscriminatie, racisme als strafverzwaringsgrond en uitbuiting uitzendkrachten), wordt nader ingegaan in de beantwoording op vragen 4, 5 en 7.
Wat vindt u van de aanbeveling uit het rapport van de ECRI dat racisme in het strafrecht moet worden opgenomen als verzwarend motief? Waarom is racisme niet als strafverzwaringsgrond in het Wetboek van Strafrecht opgenomen?
De Nederlandse rechter beschikt over de bevoegdheid om – enkel begrensd door de wettelijke maximumstraf waarmee een strafbaar feit wordt bedreigd – bij de straftoemeting rekening te houden met het feitelijke delictsscenario en de persoon van de verdachte, inclusief diens motieven. De officier van justitie kan met zijn strafeis sturing geven aan de afwegingen die de rechter in het kader van de straftoemeting maakt. De hoogte van de strafeis van de officier van justitie wordt bepaald aan de hand van de Aanwijzing discriminatie (Stcrt. 2007, 233; aangepast in Stcrt. 2011, 19256) en de Strafvorderingsrichtlijn discriminatie (Stcrt. 2015, 4225). In de Aanwijzing discriminatie is bepaald dat voor delicten gepleegd met een discriminatoir motief de eis met 50% of 100% moet worden verzwaard en dat dit in het requisitoir uiteengezet wordt. De beschreven systematiek van straftoemeting geeft naar het oordeel van het kabinet uitvoering aan hetgeen met de aanbeveling van het Comité wordt beoogd. Het kabinet ziet dan ook geen toegevoegde waarde in het in strafwetgeving opnemen van een racistisch of discriminatoir motief als strafverzwarende omstandigheid bij het plegen van strafbare feiten.
Zijn de niet-bindende regels zoals het strafrecht nu kent in beginsel voldoende om strafverzwaring op te leggen in zaken waarin een delict is gepleegd op basis van een racistisch motief? In hoeveel zaken op basis van een racistisch motief maken rechters gebruik van deze mogelijkheid om een zwaardere straf op te leggen? Als er geen gebruik van wordt gemaakt van deze niet-bindende regels om strafverzwaring op te leggen, wat is hier dan de reden van? Gezien het aantal zaken waarin gebruik wordt gemaakt van niet-bindende regels om strafverzwaring op te leggen, zijn deze regels dan nog steeds voldoende? Ziet u redenen om racisme alsnog in het Wetboek van Strafrecht als strafverzwaringsgrond op te nemen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat een nationale strategie tegen discriminatie en racisme noodzakelijk is? Is er geëvalueerd of een algemeen anti discriminatieprogramma zoals dat nu wordt ontwikkeld effectiever is in de preventie en aanpak van discriminatie en racisme dan een strategie die specifiek gericht is op racisme en discriminatie op basis van ras? Zo ja, wat was de uitkomst van deze evaluatie? Zo nee, bent u bereid tot een dergelijke evaluatie?
Het kabinet is van mening dat de aanpak van racisme bijzondere en herkenbare aandacht verdient. Dit impliceert echter niet dat er een apart actieprogramma voor dient te worden opgesteld. Het kabinet hecht juist aan een breed antidiscriminatieprogramma dat alle gronden, waaronder ras, bestrijkt omdat er veel overeenkomsten zijn in de onderliggende mechanismes die ten grondslag liggen aan het ontstaan van vooroordelen en discriminatie. De aanpak van discriminatie op grond van afkomst, religie en huidskleur, heeft nadrukkelijk specifieke attentie gekregen in het Nationaal actieprogramma tegen discriminatie.
Zijn er naar uw mening voldoende middelen om de huidige aanpak van discriminatie en racisme te monitoren en te evalueren, ook buiten de middelen die bestaan om de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie te monitoren? Zo ja, hoe monitort u de effecten van de aanpak van discriminatie en racisme op andere gebieden? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat de resultaten van dit beleid inzichtelijk worden?
De kritiek van de ECRI dat er geen goede strategie is om discriminatie en racisme aan te pakken, delen wij niet. Uw Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de uitvoering van het nationale actieprogramma tegen discriminatie. Daarnaast vindt monitoring op verschillende terreinen plaats, bijvoorbeeld in toezicht van onderwijsinspectie op een veilig schoolklimaat, de evaluatie van de aanpak van horecadiscriminatie in 2017 en het aangekondigde onderzoek naar functioneren van de ADV’s. Ook vindt periodiek onderzoek plaats naar ervaren discriminatie, om een volledig beeld te krijgen t.a.v. het voorkomen van discriminatie naast het overzicht op basis van meldingen en aangiftes. Voorts wordt door regelmatig contact met diverse sleutelfiguren en organisaties bekeken of nog de juiste inzet op de goede thema’s plaatsvindt.
Wat vindt u van de aanbeveling van het rapport om de vergunning van uitzendbureaus die schuldig zijn bevonden aan uitbuiting van buitenlandse uitzendkrachten in te trekken? Welke maatregelen heeft u genomen om de uitbuiting van buitenlandse uitzendkrachten aan te pakken? Zijn deze maatregelen voldoende? Zo ja, waarom? Zo nee, welke maatregelen zijn nog meer denkbaar om de uitbuiting van buitenlandse uitzendkrachten aan te pakken? Bent u voornemens nogmaals naar de aanbeveling van de ECRI te kijken om vergunningen van uitzendbureaus die schuldig zijn aan uitbuiting in te trekken?
Op 12 mei 2014 is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van de aanpak van malafide uitzendbureaus (AMU). Hierin is opgenomen dat een vergunning niet voldoende effectief bleek om fraude en malafide praktijken aan te pakken. Daarnaast legde het beperkingen op aan de werking van de arbeidsmarkt en bracht het veel administratieve lasten met zich mee. Daarom is er gekozen voor een systeem van zelfregulering door de uitzendbranche met een keurmerk van de Stichting Normering Arbeid in combinatie met publiek-private samenwerking.
Deelt u de kritiek van de ECRI dat u geen goede, nationale strategie heeft om discriminatie en racisme aan te pakken? Bent u bereid de Kamer zo spoedig mogelijk te informeren over hoe u discriminatie en racisme verder gaat aanpakken? Zo ja, op welke termijn bent u bereid de Kamer over de verdere invulling van dit beleid te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Het rapport 'Beauty and a Beast, Child labour in India for sparkling cars and cosmetics’ van SOMO en Terre des Hommes over kinderarbeid in mica-mijnen in India |
|
Roelof van Laar (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Beauty and a Beast» van Terre des Hommes en SOMO over kinderarbeid in mica-mijnen en de rol van Nederlandse bedrijven?1 Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ja. SOMO heeft onderzoek gedaan naar kinderarbeid in de mica-mijnen in de regio Jharkhand en Bihar in India. De kinderen werken daar lange uren onder gevaarlijke omstandigheden. Dergelijke arbeid brengt grote gevaren mee voor de gezondheid en veiligheid van kinderen. Het kabinet is van mening dat kinderarbeid in dit soort sectoren tot de ergste vormen van kinderarbeid behoort en dat Nederlandse bedrijven hun due diligence moeten uitvoeren om te zorgen dat ze hieraan niet bijdragen.
Heeft u een verklaring voor de ogenschijnlijke stijging van het aantal kinderarbeiders in de mica-industrie van 18.000 in 2005 naar 20.000 in 2016, ondanks de inspanningen van de Indiase regering om kinderarbeid tegen te gaan en het feit dat een derde van de dorpen in de regio «kindvriendelijk» zijn verklaard? Heeft u overleg gehad met uw Indiase ambtsgenoot om te bezien welke verbeteringen hier mogelijk zijn? Zo ja, wat was hiervan de uitkomst? Zo nee, waarom niet? Gaat u dat binnenkort doen?
Het kabinet heeft geen eenduidige verklaring voor de in het SOMO rapport geconstateerde grote toename van het aantal kindarbeiders in de micaindustrie. Het rapport van SOMO maakt melding van een schatting van het aantal kinderarbeiders in de mica-industrie van 20.000 in 2016, maar geeft tegelijkertijd aan dat niemand precies weet hoeveel kinderen er arbeid verrichten in de micamijnen. Tevens vermeldt het rapport dat de vraag naar mica met 75% is toegenomen ten opzichte van 2005. Dit zou de toename van het aantal kinderarbeiders kunnen verklaren.
De Indiase overheid voert een beleid om de armoedesituatie te verbeteren; zo zijn er sinds 2005 diverse scholen in het gebied opgezet, waar gratis maaltijden verstrekt worden. Daarnaast voorziet Indiase wetgeving in een verbod op kinderarbeid voor kinderen jonger dan veertien jaar in ondergrondse mijnen, zoals de micamijnen.2De Nederlandse overheid zoekt waar mogelijk de dialoog met India over mensenrechten, inclusief de rechten van kinderen, hetzij bilateraal, hetzij in EU-verband. De schrijnende situatie van kinderen in deze sector zal hierin worden meegenomen.
Bent u van mening dat de betrokken bedrijven voldoende inspanning leveren om hun productieketen te controleren?
Van Nederlandse bedrijven wordt verwacht dat zij ondernemen volgens de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Dat betekent dat zij risico’s in hun productieketen in kaart moeten brengen en deze moeten mitigeren. Als kinderarbeid in de ketens van de genoemde bedrijven als een risico naar voren komt, dan wordt van hen verwacht dat zij maatregelen nemen.
Naar aanleiding van het onderzoek is met Philips, Draka, A.S. Watson en HEMA door ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken contact geweest over hun reactie op de bevindingen van het rapport. De bedrijven zijn interne onderzoeken gestart naar de herkomst van de mica in hun productieproces. Voorts hebben zij contact opgenomen met hun leveranciers en zullen ze risico’s omtrent micawinning meenemen in hun monitoringsystemen. De genoemde bedrijven nemen de kwestie van kinderarbeid gerelateerd aan micawinning derhalve serieus. Positief is eveneens dat bedrijven zich realiseren hoe belangrijk het structureel doorlichten van de bedrijfsprocessen op onder meer kinder- en mensenrechtenschendingen (due diligence) – en transparantie daarover – is.
Het kabinet wil bovendien dat bedrijfssectoren tot concrete afspraken komen over de wijze waarop risico’s zoals kinderarbeid structureel worden weggenomen. Deze afspraken met het bedrijfsleven en stakeholders worden bij voorkeur vastgelegd in IMVO-convenanten. In sectoren waar genoemde bedrijven actief zijn – de technologische industrie, de chemische sector en de detailhandel – vinden verkenningen plaats om tot dergelijke IMVO-convenanten te komen. Als in deze sectoren onderhandelingen van start gaan, dan is het kabinet bereid om kinderarbeid bij de winning van mica als onderwerp op de agenda van de onderhandelingen te zetten. Bij eventuele totstandkoming van convenanten in de genoemde sectoren zouden de betrokken partijen een beroep kunnen doen op het Kinderarbeidfonds om bijdragen van bedrijven tegen kinderarbeid te verdubbelen.
Op welke wijze gaat u de betrokken bedrijven aanspreken op hun verantwoordelijkheid om hun invloed binnen de wereldwijde mica-sector aan te wenden en het goede voorbeeld te geven aangaande kinderarbeid in mica-mijnen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid te onderzoeken of het invoeren van een effectief monitoringssysteem die de uitvoering van due diligence door bedrijven controleert en sancties verbindt aan onvoldoende naleving, een mogelijkheid is die tot verbetering zou kunnen leiden?
Indien er IMVO-convenanten tot stand komen in de sectoren waar genoemde bedrijven onder vallen, dan zullen ook afspraken worden gemaakt over monitoring van de uitvoering van due diligence. Het is aan partijen die betrokken zijn bij de convenanten om daar onderling afspraken over te maken, zoals het SER-advies over IMVO-convenanten stelt. Het kabinet verwijst hiervoor tevens naar de Kamerbrief (Kamerstuk 2016–26485) over zorgplicht Nederlandse bedrijven.
Op welke wijze biedt de Nederlandse regering (financiële) ondersteuning aan lokale organisaties die zich inzetten voor het bestrijden van kinderarbeid in mica-mijnen?
Nederland ondersteunt verschillende projecten in India die gericht zijn tegen kinderarbeid in brede zin. India is één van de landen waar de Coalitie Stop Kinderarbeid actief is met het Child Labour Free Zones-programma, waarbij in afgebakende regio’s de gehele gemeenschap wordt gemobiliseerd om kinderarbeid uit te bannen en kinderen naar school te sturen. Verder steunt de Nederlandse ambassade in India een project van Global March against Child Labour, de organisatie van Nobelprijswinnaar Kailash Satyarthi. Er zijn nu 105 dorpen in de deelstaat Jharkand aangemerkt als kindvriendelijke dorpen, waar geen sprake is van kinderarbeid.
Welke andere mogelijkheden ziet u om kinderarbeid in de mica-mijnen tegen te gaan?
Ook buiten de convenanten om bestaat de mogelijkheid voor ngo’s en bedrijven om multi-stakeholderinitiatieven op te zetten tegen kinderarbeid in de mica-mijnen. Bijdragen van het bedrijfsleven aan een dergelijk initiatief kunnen door het Kinderarbeidfonds verdubbeld worden.
Onduidelijkheid over hoofdverblijf bij huurwoningen |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u de situatie uit de column waarin wordt beschreven hoe een familie die al jarenlang een woning huurt uit huis wordt gezet vanwege verblijf in het buitenland? 1
De situatie in de column betreft een huuropzegging door woningcorporatie Pré Wonen. Deze zaak is nog onder de rechter. Men is nog in afwachting van de uitspraak in hoger beroep.
Hoeveel ontruimingsverzoeken vanwege een verblijf in het buitenland zijn er de afgelopen drie jaar gedaan, en hoeveel daarvan hebben daadwerkelijk tot een ontruiming geleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik beschik niet over informatie over het aantal ontruimingsverzoeken door woningcorporaties vanwege verblijf in het buitenland: uit gegevens van Aedes, vereniging van woningcorporaties, blijkt dat in 2015 275 huishoudens zijn uitgezet wegens woonfraude. Dit betreft 5 procent van in totaal 5.550 huisuitzettingen. Het niet gebruiken als hoofdverblijf is één van de zaken die onder de noemer woonfraude wordt geregistreerd. Nadere cijfers zijn niet bekend.
Hoe is het mogelijk dat de familie, zoals beschreven in de column, haar huurhuis moet verlaten als nergens duidelijk staat aangegeven wanneer of na hoeveel weken een verblijf in het buitenland wordt gezien als hoofdverblijf?
Of betreffende familie de woning dient te verlaten is nog niet bekend, de zaak is immers nog onder de rechter. Een verhuurder kan de huur ondermeer opzeggen wanneer hij vindt dat de huurder zich niet als een goed huurder gedraagt2. De rechter zal dan moeten beoordelen of de huurder de woning als hoofdverblijf gebruikt en of, wanneer dit niet het geval is, een vordering tot beëindiging van de huur op die grond wordt toegewezen.
Wat is de definitie van «hoofdverblijf», aan welke voorwaarden moet een huurder voldoen om te laten zien dat de huurwoning het hoofdverblijf is, en waarom is er nog steeds onduidelijkheid hierover?
De inhoud van het begrip «hoofdverblijf» is niet wettelijk vastgelegd. In de wet is ook geen verplichting tot het houden van hoofdverblijf opgenomen.
In de jurisprudentie is aan dit begrip wel nadere invulling gegeven. Bij de beoordeling van de vraag of iemand in een bepaalde woning zijn hoofdverblijf houdt spelen blijkens de jurisprudentie diverse, met name feitelijke, omstandigheden een rol, waaronder de feitelijke aanwezigheid van de huurder, het ingeschreven zijn in de gemeentelijke basisregistratie, de plaats waar de huurder de nacht doorbrengt, de aanwezigheid van meubilair en aansluiting op voorzieningen en andere factoren. Het is aan de rechter om hierin een oordeel te geven.
Het verdient daarnaast aanbeveling dat de verhuurder, wanneer hij in het huurcontract de verplichting tot het houden van hoofdverblijf in het gehuurde opneemt, verduidelijkt wat hij hieronder verstaat.
In hoeveel huurovereenkomsten is opgenomen dat het gehuurde pand het hoofdverblijf dient te zijn, en bij hoeveel huurcontracten is dit niet het geval?
Hierover zijn geen cijfers beschikbaar. Volgens de informatie van Aedes is in haar huidige modelhuurovereenkomst een bepaling opgenomen die ziet op het gebruik als hoofdverblijf.
Op basis van welke wet- en regelgeving kan een huurovereenkomst worden beëindigd wanneer de huurder in het buitenland verblijft en aan welke voorwaarden moet de bewijslast van de verhuurder dan voldoen?
De verhuurder kan de huur opzeggen op grond van artikel 7:274 lid 1 onder a BW (huurder gedraagt zich niet als een goed huurder). Ook kan hij ontbinding van de huurovereenkomst vorderen wegens wanprestatie, wanneer de huurder een contractueel verbod overtreedt. De verhuurder die de huurovereenkomst wil beëindigen zal aannemelijk moeten maken dat de huurder geen hoofdverblijf in het gehuurde houdt. Zoals hierboven aangegeven kunnen bij de beoordeling hiervan diverse factoren een rol spelen.
Waarom en onder welke voorwaarden kan een verblijf in het buitenland als woonfraude worden gezien, aangezien ook huurders recht hebben op vakantie?
Het begrip woonfraude is geen juridische term maar een kwalificatie die door verhuurders aan het niet (zelf) bewonen van een huurwoning wordt gegeven. Wanneer en onder welke voorwaarden zij menen dat hiervan sprake is kan ik niet beoordelen.
Is er een verschil in woonfraude te constateren tussen gebieden waar de woningnood groter of kleiner is? Bent u van mening dat huurders die in een regio wonen met kortere wachttijden, langer of vaker op vakantie mogen dan huurders die in een regio wonen met lange wacht- en zoektijden voor een sociale huurwoning?
Ik kan mij voorstellen dat met name sociale verhuurders eerder overgaan tot opzegging of ontbinding van de huurovereenkomst wegens het niet (zelf) bewonen van een sociale huurwoning in regio’s met meer schaarste.
Op welke wijze en op welke termijn gaat u woningcorporaties en huurders duidelijk maken wat onder een hoofdverblijf wordt verstaan, zodat er geen onnodige uitzettingen hoeven plaats te vinden met alle gevolgen van dien?
Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of sprake is van hoofdverblijf of niet. Het is uiteraard wel raadzaam dat woningcorporaties aan hun huurders, liefst al bij het afsluiten van de huurovereenkomst, duidelijk aangeven wat zij onder goed huurderschap en onder hoofdverblijf verstaan, zodat huurders vooraf weten wanneer zij een opzeggings- of ontbindingsprocedure riskeren.
Bent u van mening dat het verstandiger zou zijn wanneer woningcorporaties hun tijd en middelen gebruiken om betaalbare huurwoningen te bouwen, in plaats van kostbare procedures op te starten om mensen die op vakantie gaan hun huis uit te zetten? Hoe gaat u woningcorporaties hierop wijzen?
Woningcorporatie hebben als taak het beschikbaar stellen van betaalbare huurwoningen aan huishoudens met lage inkomens en huishoudens die door andere omstandigheden moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passende huisvesting. Ook dienen zij bij te dragen aan de leefbaarheid van hun woongelegenheden en hierbij speelt een rol dat de woning gebruikt wordt als hoofdverblijf. Op welke wijze zij invulling aan deze taken geven is aan henzelf.
Het bericht dat banken maar beperkt inzetten op rechten van werknemers in hun relaties met grote bedrijven |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «banken doen te weinig aan arbeidsrechten»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitkomsten van de bankwijzer dat banken zich in de praktijk minder inzetten voor rechten van werknemers dan dat zij hebben toegezegd?
Het onderzoek van de Eerlijke Bankwijzer richt zich op de vraag in hoeverre de tien grootste bankgroepen in Nederland in hun relaties met klanten of bij de keuze van hun investeringen aandacht besteden aan de risico’s op schending van mensenrechten en arbeidsrechten in de toeleveringsketens van bedrijven in de elektronicasector en kledingsector. Dit onderzoek laat zien dat de meeste bankengroepen een ruim voldoende tot uitstekend scoren wat betreft hun beleggingsbeleid voor de kleding- en elektronicasector. En dat vier van de negen bankengroepen een ruim voldoende tot uitstekend scoren op de uitvoering van dat beleid.
De Eerlijke Bankwijzer constateert voorts dat bankgroepen in hun rol als kredietverstrekker en belegger ertoe kunnen bijdragen de rechtspositie van werknemers te verbeteren door bedrijven op hun verantwoordelijkheid te wijzen dat kostenefficiency niet ten koste mag gaan van naleving van fundamentele arbeidsrechten en mensenrechten. Dit betekent dat «vakbondsvrijheid en betaling van een leefbaar loon integraal onderdeel dienen te zijn van het verantwoord kredietbeleid en verantwoord beleggingsbeleid, en niet pas de aandacht krijgen bij controverses». Ik steun de oproep aan de bankgroepen hier verdere actie op te ondernemen en heb er vertrouwen in dat zij hun duurzaamheidsbeleid en -uitvoering continueren.
Ik verwelkom in dit verband dan ook het initiatief van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) om samen met de Eerlijke Bankwijzer tot een methodologie te komen die informatieverstrekking en onderlinge vergelijkbaarheid tussen banken ten goede komt.
Wat is uw reactie op de constatering dat de drie grote banken, ABN AMRO, ING en Rabobank, niet genoeg doen om grote bedrijven waarmee zij zaken doen aan te sporen beter met arbeidsrechten om te gaan? Wat is uw reactie op de constatering dat Delta Lloyd en Aegon nog minder presteren?
Het onderzoeksrapport constateert «in algemene zin dat bankgroepen de screening van bedrijven baseren op een adequate analyse van risicosectoren, risicolanden en de daarmee samenhangende risicofactoren op het gebied van mensenrechten en arbeidsrechten». Daarbij wordt aangetekend dat bankgroepen «in hun communicatie meer dan nu het geval is hun invloed kunnen gebruiken om deze rechten (…) onder de aandacht te brengen». In de beoordeling van het verantwoord beleggingsbeleid van bankgroepen onderscheidt de Eerlijke Bankwijzer voorlopers, middenmoters en achterblijvers. Tot de voorlopers horen ASN Bank, Triodos en SNS Bank (Actiam). Het zou mooi zijn als het de andere bankgroepen zou lukken – voor zover mogelijk – een voorbeeld te nemen aan de beleidsontwikkeling èn -uitvoering van de koplopers. De scores van de middenmoters en achterblijvers kunnen blijkens het rapport al verbeteren als de beleidsuitvoering kan worden aangetoond met praktijkvoorbeelden. Die waren niet altijd voorhanden en dat heeft negatieve invloed gehad op de eindscore.
Hoe verklaart u het grote verschil tussen SNS en ABN AMRO?
In de beoordeling van het verantwoord beleggingsbeleid van de vermogensbeheerders van bankgroepen valt SNS Bank (Actiam) in de categorie van voorloper en ABN Amro in die van middenmoter. Hierover wordt in het rapport opgemerkt: «ABN Amro heeft een goed risicomanagementsysteem voor de beoordeling van duurzaamheidsbeleid van bedrijven en hun toeleveringsbeleid. De beoordeling omvat een scala aan internationale arbeidsnormen, waaronder de voor dit praktijkonderzoek belangrijke arbeidsrechten vakbondsvrijheid en leefbaar loon. ABN Amro liet echter weinig concrete voorbeelden zien van engagementprocessen ten aanzien van kledingbedrijven en elektronicabedrijven. Dit resulteert in een 6.» Dit is een afweging van de bank geweest.
Is er in de sector wel werk gemaakt om te voldoen aan de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen zoals toe opgeroepen in de motie Schouten/Nijboer?2 Of blijven de prestaties van een aantal grote partijen ook daar achter?
De bancaire sector neemt zijn verantwoordelijkheid om aan OESO-richtlijnen en de UN-Guiding Prinicples (UNGPs) te voldoen door deel te nemen aan het IMVO-convenant. De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) is, evenals maatschappelijke organisaties, ngo’s en de overheid, partij bij dit convenant. De in de motie genoemde OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen betreffen een speerpunt van het convenant.
Deelt u de inschatting dat de kledingindustrie nu meer aandacht krijgt naar aanleiding van de afschuwelijke incidenten in die sector? Op welke manier kunnen banken worden aangespoord om ook juist preventief aandacht aan sectoren te schenken, ook als in het recente verleden zich daar geen incidenten hebben voorgedaan?
Ik onderschrijf aanbeveling 3 van de Eerlijke Bankwijzer waarmee de banken worden opgeroepen om «hun krediet- en investeringsportefeuilles actief te beheren en niet pas in actie te komen wanneer zich een misstand bij een bedrijf of in diens toeleveringsketen heeft voorgedaan». Dat doet de bancaire sector door deelname aan het imvo-convenant.
Met zogenoemde «costumer due diligence» (ken-uw-cliënt) methoden worden banken geëquipeerd om mogelijke mensenrechtenschendingen in hun financieringsketens te signaleren en daarop te acteren.
Bent u bereid om de banken aan te sporen zich in te zetten om hun toezeggingen na te komen?
Mijn ministerie is op verschillende plekken en manieren met de banken in dialoog over maatschappelijk verantwoord ondernemen, zoals binnen de context van het convenantentraject.
De risico’s op privacyproblemen en identiteitsfraude door de verspreiding van het Burger Servicenummer (BSN) bij paspoortkopieën en door de koppeling aan het BTW-nummer |
|
Mei Li Vos (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kevin Goes liet zijn paspoort kopiëren en had ineens twee huurhuizen»?1 Herinnert u zich uw antwoorden op vragen over het bericht «BTW-nummer moet wel op website, ook voor de zzp’er»?2
Ja.
Ziet u de grote risico’s voor identiteitsfraude door vermelding van het Burger Servicenummer (BSN) in het paspoort? Zo ja, hoe kan, anders dan het advies om het BSN door te halen bij afgifte van een kopie van het paspoort, identiteitsfraude worden voorkomen?
Het vermelden van het Burger Servicenummer (BSN) op reisdocumenten draagt geen grotere risico’s mee dan het vermelden van de andere persoonsgegevens op reisdocumenten. Risico’s voor identiteitsfraude liggen hoofdzakelijk in het combineren van het BSN met andere persoonsgegevens uit andere bronnen. Meldingen van identiteitsfraude op dit terrein gaan over situaties waarin het BSN samen is gebruikt met andere gegevens en documenten, zoals een werkgeversverklaring of bankafschrift. Het onleesbaar maken van het BSN op een kopie van een reisdocument zorgt ervoor dat de beschikbare gegevens onvolledig zijn en zo minder gevoelig voor fraude. Daarnaast kan de burger ook andere gegevens onleesbaar maken wanneer deze niet noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor de gegevens van een reisdocument worden gebruikt. Identiteitsfraude kan voorkomen worden door zorgvuldig te handelen waar een combinatie van gegevens afkomstig van het reisdocument en andere bronnen wordt gebruikt. Het als borg afgeven van een reisdocument moet in elk geval worden voorkomen.
Met oog daarop zal op korte termijn een gesprek plaatsvinden met de ANWB en brancheorganisaties in de horeca- en recreatiesector. Doel van dit gesprek is te bereiken dat organisaties die daar geen verplichting of bevoegdheid voor hebben burgers niet langer vragen om hun identiteitsgegevens achter te laten.
Binnenkort start bovendien weer een voorlichtingscampagne over identiteitsfraude als gevolg van het kopiëren van paspoorten en identiteitsbewijzen, om het bewustzijn bij burgers over het zorgvuldig omgaan met hun identiteitsgegevens – en bewijzen verder te versterken.
Deelt u de mening dat, gezien het toenemende aantal zelfstandigen, het risico op identiteitsfraude en privacyschending toeneemt, omdat voor zelfstandigen gekozen is voor koppeling van het BSN aan het BTW-nummer en zij verplicht zijn het BTW-nummer openbaar te maken? Zo ja, welke consequenties trekt u daaruit?
Bij de Belastingdienst zijn geen gevallen bekend waarbij identiteitsfraude het directe gevolg is van de koppeling tussen BTW-nummer en BSN en verplichte vermelding van dit nummer op documenten. Het lijkt in dat licht ook niet reëel om een relatie te leggen tussen toename van het aantal zelfstandigen en het risico op identiteitsfraude op basis van het BTW-nummer.
Waarom hanteert de Belastingdienst een BTW-nummer dat gekoppeld is aan het BSN, terwijl dat in strijd is met art. 24 Wet bescherming persoonsgegevens en dus geen wettelijke basis heeft?3
Artikel 10 Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (Wabb) bepaalt dat overheidsorganen bij het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van hun taak gebruik kunnen maken van het burgerservicenummer. Een van de taken van de Belastingdienst is het heffen van omzetbelasting. Om ondernemers te identificeren ten behoeve van het uitvoeren van deze taak kan dus het BSN worden gebruikt. De Belastingdienst doet dat voor de ondernemers die als natuurlijke persoon hun onderneming drijven.
De Wabb staat er niet aan in de weg dat aan het BSN elementen worden toegevoegd, bijvoorbeeld voor de bruikbaarheid van het nummer in systemen, of voor het voldoen aan Europeesrechtelijke verplichtingen, in geval van het BTW-identificatienummer het voldoen aan de specificatie van dat nummer in de BTW-richtlijn 2006 (zie artikel 214 en 215 van Richtlijn 2006/112/EG (PbEU 2006, L347)).
Het BTW-identificatienummer voldoet in dit licht ook aan de eisen in artikel 24 Wet bescherming persoonsgegevens, in de zin dat het een nummer is dat bij de Wet op de omzetbelasting is voorgeschreven en door de Belastingdienst voor bij die wet voorgeschreven doeleinden wordt gebruikt.
Deelt u de mening dat het praktische belang van de Belastingdienst niet opweegt tegen de omvangrijke privacyproblemen die voortvloeien uit de koppeling van het BSN aan het BTW-nummer? Zo ja, welke maatregelen treft u? Zo nee, bent u bereid zelfstandigen die te maken krijgen met identiteitsfraude of privacyproblemen te compenseren?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven zijn bij de Belastingdienst geen gevallen bekend van identiteitsfraude die direct gerelateerd zijn aan het feit dat het BTW-nummer gebaseerd is op het BSN. Van een omvangrijk privacyprobleem lijkt dan ook geen sprake. Ik ben in dat licht van mening dat de praktische onmogelijkheid van het vervangen van het BTW-nummer van zelfstandigen opweegt tegen hun belangen uit oogpunt van gegevensbescherming.
Indien zich onverhoopt gevallen mochten voordoen waarin mensen aantoonbaar schade leiden als direct gevolg van de koppeling tussen BSN en BTW-nummer én de verplichting om het BTW-nummer te vermelden op documenten, ben ik bereid te onderzoeken of zij voor eventueel geleden nadeel kunnen worden gecompenseerd.
Het bericht Jumbo haalt sigaretten uit het zicht |
|
Marith Volp (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jumbo haalt sigaretten uit het zicht, maar heeft dat zin»?1
Ja.
Wat is uw mening over het feit dat de rookwaar bij Jumbo achter deuren van matglas komt te liggen, waarop met grote letters «tabak» te lezen valt?
Ik omarm initiatieven van verkooppunten die tabaksproducten niet langer in het zicht plaatsen. Tegelijkertijd blijven de regels voor reclame van toepassing. Voorop staat namelijk dat er geen ongeoorloofde reclame plaatsvindt. Als dat wordt geborgd, kan het positieve resultaat van een display ban worden gehaald.
De NVWA houdt er toezicht op dat de presentatie van tabakswaren niet tot ongeoorloofde reclame leidt. Ik wacht het onderzoek van de NVWA naar de klacht af.
Wat is uw mening over de reden («De verpakkingen op sigarettenpakjes veranderen. Daar komen afschrikwekkende plaatjes op. Dus we zaten er mee in onze maag dat de klant geconfronteerd wordt met een muur van afschrikwekkende plaatjes, want we hebben veel tabaksproducten. Vandaar deze deuren») van Jumbo volgens Ed van de Weerd, commercieel directeur van Jumbo, om over te gaan tot matglazen deuren?
Ik moedig supermarkten en andere verkooppunten aan om een display ban in te voeren, omdat we daarmee jongeren kunnen beschermen. Ik vind het positief dat Jumbo haar verantwoordelijkheid neemt en in zeer korte tijd in alle Jumbo winkels tabak uit het zicht haalt. Ik verwacht dat dit initiatief andere verstrekkers ook stimuleert tot stappen, zolang dit maar gebeurt binnen de regels uit de Tabaks- en rookwarenwet. De reden waarom Jumbo tot het afschermen van tabakswaren is gekomen, is aan Jumbo.
Kent u het onderzoek «Impact on smoking of England's 2012 partial tobacco point of sale display ban: a repeated cross-sectional national study»2, waaruit blijkt dat afdekken zinvol is? Is het afdekken van rookwaar met matglas even effectief als het volledig uit het zicht halen van rookwaar, zoals naar voren komt uit dit onderzoek? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, deelt u de mening dat deze vorm van afdekken van de rookwaar met matglas er in de meest ongunstige situatie er toe kan leiden dat het beoogde effect van de nieuwe verpakkingsmaatregels wordt ondermijnd, en gelijktijdig de voordelen van een afgedekte display, zoals vermeld in het onderzoek, niet worden behaald?
De supermarkten hebben tot 1 juli de tijd gekregen om met een convenant te komen. Ik ben me ervan bewust dat er meerdere factoren een rol spelen om een convenant te sluiten, zoals de juridische houdbaarheid en het creëren van een gelijk speelveld met andere verkooppunten. Dit neemt niet weg dat ik ervan uitga dat supermarkten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen en zich zullen inzetten voor een convenant waarin ze afspreken dat ze tabakswaren niet langer in het zicht zullen plaatsten. Dit betekent dat kleuren noch contouren van tabakswaren zichtbaar zijn. Pas dan wordt een displayban bereikt.
Het maakt dan ook niet uit met welk instrument het verkooppunt de tabakswaren afschermt, zolang maar aan die voorwaarden wordt voldaan. Ik heb bij de Jumbo gezien dat dit ook kan lukken met matglas, waardoor het positieve resultaat uit het onderzoek «Impact on smoking of England's 2012 partial tobacco point of sale display ban: a repeated cross-sectional national study» mogelijk blijft.
Wat is uw mening over het feit dat «tabak» in grote letters bij Jumbo op deuren van matglas staat? Vindt u het wenselijk indien «tabak» op de deuren staat om de consument aan te spreken, dan wel de consument eraan te herinneren dat er ook rookwaar gekocht kan worden? Wat is uw mening over de bij de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit ingediende klacht dat de deuren van matglas voor de rookwaar met daarop in grote letters «tabak» bij Jumbo een overtreding van het reclameverbod uit de Rookwarenwet is?
Zie antwoord vraag 2.
Ondermijnt de tekst en de grootte daarvan op het matglas de positieve resultaten die te behalen zijn met een afgedekte display, zoals vermeld in het onderzoek «Impact on smoking of England's 2012 partial tobacco point of sale display ban: a repeated cross-sectional national study»? Zo ja, bent u van mening dat het afdekken van een display zonder vermelding van de achterliggende rookwaar de juiste vorm van afdekken is? Zo nee, waar blijkt dit uit?
Zie antwoord vraag 2.
Verwacht u dat voor 1 juli a.s. het convenant over een displayban voor rookwaar wordt gesloten conform de motie Volp/Dik-Faber3 en de motie Volp4? Zo ja, met welke minimum voorwaarden bent u tevreden? Zo nee, waarom niet? Wanneer wordt het convenant wel gesloten?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht dat de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (VN) is gechanteerd door Saudi-Arabië |
|
Michiel Servaes (PvdA), Roelof van Laar (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Saudi-Arabië chanteerde VN-chef om zwarte lijst»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de bevindingen in het Children and Armed Conflict report2, maar ook in eerdere rapporten zoals die van het UN Panel of Experts on Yemen van 22 januari3 en in onderzoeken van organisaties als Amnesty4, dat de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië verantwoordelijk is voor een groot gedeelte van de kinderslachtoffers in Jemen, onder meer door het bombarderen van scholen en ziekenhuizen?
Het kabinet vindt de bevindingen in de aangehaalde rapporten zeer verontrustend. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van de gevolgen die de oorlogvoering in Jemen, door zowel de door Saoedi-Arabië geleide coalitie als de Houthi/Saleh alliantie, heeft voor kinderen en beschermde burgerobjecten, zoals scholen en ziekenhuizen.
Deelt u de mening dat het in het licht van bovengenoemde bevindingen onvoorstelbaar is dat de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië wordt geschrapt uit de lijst van kinderrechtenschenders? Zo nee, waarom niet?
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (SGVN) publiceert jaarlijks een rapport over de wereldwijde situatie rondom kinderen in gewapend conflict. De Speciaal Vertegenwoordiger van de SGVN voor Kinderen en Gewapend Conflict, Leila Zerrougui, stelt dit rapport op, op basis van haar onafhankelijke mandaat. Bij het rapport wordt een «zwarte lijst» als annex opgenomen, waarin landen en organisaties genoemd worden die volgens de VN ernstige schendingen begaan tegen kinderen in gewapend conflict.
Dit jaar is de coalitie onder leiding van Saoedi-Arabië opgenomen in de zwarte lijst behorend bij het definitieve, door de SGVN vastgestelde rapport, vanwege de daarin geschetste gevolgen die de luchtbombardementen in Jemen voor kinderen hebben. Na publicatie van het rapport is de coalitie alsnog van deze zwarte lijst verwijderd, hangende een nader feitenonderzoek.
De SGVN noemde het uitvoeren van onafhankelijk onderzoek een vanzelfsprekend en noodzakelijk onderdeel van het werk van de VN en noemde het «onaanvaardbaar» dat lidstaten hierop buitensporige politieke druk uitoefenen.
Het kabinet onderschrijft deze uitspraken van de SGVN en keurt elke politieke druk van landen om niet opgenomen te worden in de zwarte lijst af. Dit soort situaties ondermijnt de geloofwaardigheid van de Speciaal Vertegenwoordiger van de SGVN en de neutraliteit van de VN. Het kabinet benadrukt het belang van onafhankelijke informatievergaring en rapportage over schendingen begaan tegen kinderen in conflictsituaties. Het onafhankelijke mandaat van de Speciaal Vertegenwoordiger van de SGVN, op basis waarvan het rapport wordt opgesteld, is noodzakelijk om tot deze informatievergaring en rapportage te komen.
Het kabinet overlegt binnen de EU en met partners binnen de Group of Friends on Children and Armed Conflict op welke wijze gezamenlijk op deze situatie te reageren en publiekelijk steun uit te spreken voor het onafhankelijke mandaat van de Speciaal Vertegenwoordiger van de SGVN.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië is geschrapt uit de lijst van kinderrechtenschenders na politieke druk vanuit Saudi-Arabië en haar bondgenoten? Kunt u bevestigen dat dit het geval is? Zo nee, kunt u aangeven wat dan de reden is van de schrapping?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het buitengewoon slecht is voor de geloofwaardigheid van de VN dat de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië is geschrapt van de lijst, en zeker wanneer dit inderdaad het resultaat is van politieke chantage? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om, dan wel namens Nederland dan wel in uw rol als EU-voorzitter, bij de VN te benadrukken dat schrapping van de coalitie onder leiding van Saudi-Arabië uit de lijst met kinderrechtenschenders onacceptabel is, en te pleiten voor handhaving van de oorspronkelijke lijst? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
De gevolgen van extreme weersomstandigheden |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Tourstart Utrecht kostte vier ton meer dan gedacht»1, «Tientallen gewonden door bliksem bij Rock am Ring»2, «Kelders onder water, straten blank door noodweer»3, «Regen en onweer veroorzaken overlast in zuidoost-Nederland»4, «De oplossing voor wateroverlast? De regenpijp afzagen»5 en «Er is een oplossing voor wateroverlast in de stad»6 en herinnert u zich het interview met de Minister van Infrastructuur en Milieu in het NOS-journaal?7
Ja.
Kunt u aangeven op welke wijze u de KNMI-klimaatscenario’s 2014 die wijzen op een toename van extreme weerspatronen heeft betrokken in beleidsontwikkeling en welke maatregelen u daarop heeft ingezet?
Voor het komen tot de deltabeslissingen waterveiligheid, zoetwater en ruimtelijke adaptatie binnen het Deltaprogramma (september 2014) is gebruikt gemaakt van de destijds geldende KNMI-scenario’s. Na het uitkomen van de KNMI-scenario’s 2014 zijn deze deltabeslissingen vorig jaar gecheckt op eventuele wijzigingen; deze bleken binnen de bandbreedte te vallen van de verwachte toekomstige ontwikkelingen. De deltabeslissingen en bijbehorende voorkeursstrategieën zijn dus nog steeds een goede basis voor de nadere uitwerking en uitvoering van de benodigde maatregelen. Ook dienen de KNMI-klimaatscenario’s 2014 als basis voor de Nationale Adaptatie Strategie welke in het najaar naar de kamer zal worden gezonden.
Bent u ermee bekend dat nog niet de helft van de gemeenten klimaatrisicoanalyses heeft gedaan en dat bij gemeenten vooral wateroverlast in beeld is, maar andere risico’s als hitte, droogte en insectenplagen veel minder?8
Ik ben bekend met het door het Klimaatverbond uitgevoerde onderzoek. Een door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu zelf uitgevoerde monitor laat een vergelijkbaar beeld zien.
Toch zijn naast wateroverlast ook andere risico’s in beeld bij lokale overheden. Het RIVM heeft de taak om de verschillende (branche)organisaties in de zorg, waaronder de lokale GGD, te adviseren over onder meer de risico’s op het gebied van hitte en insectenplagen.
Deelt u de mening dat overheden en uitvoerende diensten, zoals de veiligheidsregio’s en de GGD’en, zich met de huidige klimaataanpassingsmaatregelen tot nu toe onvoldoende hebben voorbereid op de gevolgen van klimaatverandering?
Door het ondertekenen van het bestuursakkoord Deltaprogramma in 2014 hebben gemeentes, provincies, waterschappen en het Rijk zich gecommitteerd aan de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën zoals beschreven in het Deltaprogramma 2015. De ambitie hierbij is dat in 2020 klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten een integraal onderdeel van hun beleid en handelen is, zodat Nederland in 2050 ook daadwerkelijk klimaatbestendig is ingericht. Ik zie nog wel een grote opgave om dit doel in 2020 te behalen.
Daarnaast is er de algemene Intentieverklaring Ruimtelijke adaptatie. Deze is door een aantal marktpartijen, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en individuele overheden ondertekend, waaronder ook GGD-GHOR Nederland. Door het ondertekenen van de intentieverklaring vormen zij samen een «coalition of the willing» rondom klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van het stedelijk gebied. Zij gaan voor de periode van 2015 tot 2020 een inspanningsverplichting aan en spreken de bereidheid uit om met anderen te komen tot uitvoeringsafspraken rondom dit thema.
Op dit moment wordt een evaluatie voorbereid die eind 2016 gereed moet zijn. In deze evaluatie wordt gekeken naar de voortgang van de in de Deltabeslissing afgesproken maatregelen.
Ter voorbereiding op de gevolgen van klimaatverandering voert het Ministerie van Veiligheid en Justitie in samenwerking met het veiligheidsberaad (de 25 voorzitters van de veiligheidsregio’s) en de waterpartners (verenigd via de Stuurgroep Management Watercrises en Overstromingen) het project «Water en Evacuatie» uit. Water en Evacuatie» is één van de projecten van de Strategische Agenda Versterking Veiligheidsregio’s van het Veiligheidsberaad. In de Strategische Agenda zijn prioriteiten opgenomen voor de veiligheidsregio’s met als doel het tegengaan van maatschappelijke ontwrichting door de crisis- en risicobeheersing te versterken.
Wat is volgens u de verklaring dat zoveel gemeenten nog onvoldoende zijn voorbereid? Zijn de beperkte landelijke middelen voor capaciteitsontwikkelingen bij gemeenten voor klimaatadaptatie hiervoor een verklaring? Bent u ermee bekend dat gemeenten in het onderzoek van het Klimaatverbond ook aangeven dat gebrek aan capaciteit een belangrijke reden is waarom geen actie is ondernomen?
Ik zie dat er veel initiatieven in gemeentes, provincies en waterschappen ontstaan. In de door het ministerie uitgevoerde monitor wordt door gemeenten aangegeven dat ze een gebrek aan capaciteit voor klimaatadaptatie als barrière ervaren. De capaciteitsinzet van lokale overheden is echter de verantwoordelijkheid van de lokale overheid.
Bent u bereid om bovenop de inspanningen in het Deltaprogramma extra middelen beschikbaar te stellen welke decentrale overheden en andere betrokken overheidsdiensten in staat zal stellen om in samenwerking met relevante organisaties zich beter voor te bereiden op extremen in ons weerpatroon?
Binnen het huidige, tot 2017 lopende, stimuleringsprogramma is er veel aandacht voor projecten op het gebied van klimaatbestendige stad, waterrobuust inrichten, vitale en kwetsbare objecten en slimme combinaties voor meerlaagsveiligheid. In de op dit moment in voorbereiding zijnde evaluatie zal worden meegenomen hoe de samenwerking tussen de betrokken overheidsdiensten en relevante organisaties wordt ervaren.
Bent u voorts bereid het stimuleringsprogramma ruimtelijke adaptatie te verbreden tot een stimuleringsprogramma adaptatie waarin naast ruimtelijke ordeningsoplossingen voor wateroverlast ook gezondheid en veiligheid worden meegenomen?
Het stimuleringsprogramma ruimtelijke adaptatie maakt onderdeel uit van het Deltaprogramma en loopt tot 2017. Na afloop van deze periode zal moeten worden bezien of en hoe er vervolg wordt gegeven aan het stimuleringsprogramma.
Bent u bereid in overleg te gaan met veiligheidsregio’s en organisatoren van grote evenementen over de vraag hoe beter geanticipeerd kan worden op extreme weersomstandigheden bij evenementen?
Ik zie de laatste tijd veel voorbeelden van een goede samenwerking tussen evenementenorganisatoren en lokale overheden om overlast door weersomstandigheden tijdens het festival zoveel mogelijk te beperken. Bij evenementen ligt de verantwoordelijkheid voor de veiligheid bij het lokale bestuur. Bij de beoordeling van een evenementenvergunning is de veiligheid een belangrijke factor.
Digitale platforms voor verhuur van woningen aan toeristen, zoals Airbnb en Wimdu |
|
Farshad Bashir (SP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitspraak van de Amsterdamse burgemeester Van der Laan, dat ook een sociale huurwoning in aanmerking moet komen voor Airbnb?1
Woningcorporaties hebben de wettelijke taak om mensen met een laag inkomen te voorzien van passende huisvesting. Om te kunnen voorzien in deze taak hebben zij instrumenten tot hun beschikking, onder meer om daar waar dat nodig is een lagere huurprijs te vragen dan marktconform. De huurders van deze woningen profiteren van een lage huurprijs van sociale woningen. Daarom ligt het niet in de rede om deze woningen voor toeristische verhuurdoeleinden te gebruiken. Ik vind het dan ook niet passend indien een woningcorporatie in zijn beleid de mogelijkheid biedt om sociale huurwoningen voor toeristische verhuurdoeleinden in te zetten. Overigens heeft de burgemeester slechts aangegeven dat hij verwacht dat deze discussie de komende jaren gevoerd zou kunnen worden. Het verandert niets aan het beleid van zowel gemeente als de Amsterdamse woningcorporaties om toeristische verhuur van sociale huurwoningen niet toe te staan.
Als een huurder voor langere tijd naar het buitenland wil, wat zijn dan de wettelijke mogelijkheden tot onderhuur of tijdelijke verhuur aan een andere huurder? Wat zijn de verschillen hierbij tussen een sociale huurwoning en een vrije sector huurwoning?
Op grond van het huurrecht voor woonruimte mag een huurder zijn woning niet onderverhuren zonder toestemming van de verhuurder. Of de huurder een gereguleerde of geliberaliseerde huurovereenkomst heeft, doet niet ter zake. Onderverhuur van een kamer in een zelfstandige woning waar de huurder zijn hoofdverblijf heeft (hospitaverhuur) mag wettelijk gezien wel, maar de (hoofd)verhuurder kan dat contractueel verbieden. In vrijwel alle gevallen is in huurovereenkomsten van woningcorporaties onderverhuur van zowel een gedeelte als van de hele woning verboden, behoudens met goedkeuring van de corporatie. Indien een huurder alsnog zonder toestemming van de verhuurder zijn woning onderverhuurt, kan dit een reden zijn om de huurovereenkomst te beëindigen. Aan dat verbod is vaak ook een boetebeding verbonden.
Klopt het dat de Amsterdamse woningcorporatie De Key een pilot met Airbnb gaat uitvoeren? Hoe gaat deze pilot eruit zien en aan welke regels moeten woningcorporaties, huurders en digitale platforms zoals Airbnb voldoen?2
De Key heeft onderzocht of er draagvlak is bij de huurdersorganisatie voor een pilot waarbij studenten met een gereguleerde huurovereenkomst in 1 specifiek complex hun huurwoning maximaal 30 dagen mogen verhuren aan toeristen via digitale platforms. De door de gemeente gestelde voorwaarden voor toeristische verhuur zijn daarbij leidend. De deelnemende studenten zouden binnen de ruimte van het experiment melding moeten maken bij De Key wanneer en hoelang zij hun woning onderverhuren. Er zijn volgens De Key geen afspraken gemaakt met Airbnb. De Key heeft aangegeven dat het experiment niet doorgaat omdat er momenteel onvoldoende draagvlak is voor toeristische verhuur in sociale huurwoningen.
Wat bedoelde u concreet toen u zei dat Airbnb en andere short-stay verhuurmogelijkheden «fatsoenlijk moeten gebeuren» en welke concrete voorwaarden of regels heeft u daaraan gekoppeld om overlast te beperken en de (ver)huurder te beschermen tegen misbruik?3
In gemeenten waar sprake van schaarste is op de markt voor goedkope huurwoningen, is vaak een huisvestingsverordening van kracht waarin een verbod is opgenomen tot het onttrekken van woonruimte aan de woonruimtevoorraad. Indien een woning gedurende langere tijd wordt verhuurd via Airbnb of andere platforms, kan dit worden aangemerkt als een vorm van onttrekking. De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening nadere regels stellen wanneer er daadwerkelijk sprake is van onttrekking. Ik wijs u vervolgens ook op mijn antwoord op vragen 8 en 9.
Bent u nog steeds van mening dat publieke belangen – zoals veiligheid, leefbaarheid en eerlijke concurrentie – niet in het geding zijn gezien de stijging van bijna 475% in overnachtingen via Airbnb in Amsterdam?4 5
De cijfers in het rapport van Colliers International en Hotelschool The Hague zijn verzameld met behulp van een computertechniek waarbij informatie van webpagina’s wordt verzameld. De in het rapport genoemde toename van bijna 475% aan hotelovernachtingen in januari 2016 is niet feitelijk. Voorts zit er altijd ruis in de data omdat er ook B&B’s en short-stays worden meegeteld die het hele jaar mogen verhuren. Uiteraard kunnen risico’s ten aanzien van veiligheid en leefbaarheid ontstaan wanneer er sprake is van illegale verhuur aan toeristen.
Bent u inmiddels bereid een meldplicht in te voeren voor huurders die hun huis tijdelijk willen verhuren, via digitale platforms bij hun gemeente, zodat gemeente en verhuurder snel kunnen ingrijpen bij overlast en de huurder beter is beschermd?6
Het kabinet is van mening dat alle belangen voldoende zijn geborgd in bestaande wet- en regelgeving. Het is aan de gemeenten om op basis hiervan te handhaven.
Een meldplicht zou een beperking kunnen vormen voor de gastvrijheidseconomie.
Ik ga op korte termijn in nader overleg met de gemeente Amsterdam, omdat die haar voorstel voor een meldplicht doet vanuit de stelling dat het huidig juridisch instrumentarium aanpassing behoeft om afdoende te kunnen handhaven. Voorts is het standpunt van het kabinet dat de nadruk moet liggen op lokale samenwerking waarbij ook digitale platformen hun verantwoordelijkheid moeten nemen in de bestrijding van illegale toeristische verhuur.
Op welke andere manieren ondersteunt u gemeenten als het gaat digitale platforms voor de tijdelijke verhuur van woningen aan toeristen? Kunt u er bijvoorbeeld voor zorgen dat digitale platforms hun informatie delen met gemeenten, zodat er geen illegale hotels ontstaan? Kunt u uw antwoord toelichten?
De gemeente Amsterdam is met Airbnb een Memorandum of Understanding (MOU) overeengekomen met diverse regels gericht op handhaving. In dit MOU hebben Airbnb en de gemeente Amsterdam afspraken gemaakt over voorlichting, samenwerking ten behoeve van preventie en betaling van toeristenbelasting. De Minister van Economische Zaken en ik achten dit een verstandige werkwijze. Het Rijk faciliteert op dit moment gesprekken tussen een aantal grote gemeenten en Airbnb teneinde te komen tot een overeenkomst. In verband met de privacy is er op dit moment geen mogelijkheid om Airbnb te verplichten de gegevens van aanbieders of gebruikers van hun diensten aan de overheid te verstrekken. Zo een verplichting is enkel te rechtvaardigen voor zover die bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Tevens moet de inbreuk op de privacy proportioneel zijn ten opzichte van het ermee te dienen algemeen belang en mogen er geen andere minder ingrijpende middelen zijn om dit te realiseren. Op dit moment wordt wel onderzocht of het Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke belastingheffing kan worden gewijzigd in verband met de toeristenbelasting, waarbij digitale platforms verplicht kunnen worden gesteld om verhuurgegevens te verstrekken aan gemeenten ten behoeve van de toeristenbelasting. Deze informatie mag dan uitsluitend voor dat doel worden gebruikt.
Bieden bestaande wetten, met name de Huisvestingswet en de Wet ruimtelijke ordening, voldoende aanknopingspunten om illegale hotels aan te pakken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals reeds eerder aangegeven, bieden de Huisvestingswet 2014, de Woningwet en Wet Ruimtelijke Ordening voldoende mogelijkheden om de uitwassen van toeristische verhuur en illegale hotels tegen te gaan. Bij het verlenen van een onttrekkingvergunning op basis van de Huisvestingswet 2014, is naast schaarste de druk op de woonomgeving en de leefbaarheid een afwegingsgrond. Indien woonruimte gedurende langere periode wordt ingezet voor toeristische verhuur, kan een gemeente met schaarste dus op basis van de Huisvestingswet 2014 dit aanmerken als een onttrekking waarvoor een vergunning verplicht is. Tevens kan het college van burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan zo een vergunning, die bij niet-naleving tot het intrekken ervan kunnen leiden. Eveneens is bestuursdwang of een bestuurlijke boete mogelijk. Indien de toeristische verhuur de vorm aanneemt van permanente logiesverstrekking gelden er andere regels op basis van onder meer het Bouwbesluit. De Woningwet biedt in gevallen waarbij een gevaar voor de gezondheid of veiligheid is, bij herhaaldelijke overtreding zelfs de mogelijkheid om het pand in beheer te geven aan een derde. Naast de Huisvestingswet 2014 en de Woningwet kan het gebruik van de woning voor permanente logiesverstrekking ook in strijd zijn met de bestemming als bedoelt in de Wet op de ruimtelijke ordening. Ook dit kan gehandhaafd worden met bestuursdwang. Het is aan de gemeente om deze instrumenten zo effectief mogelijk in te zetten afhankelijk van de plaatselijke situatie.
Is het juridisch mogelijk om een maximum aantal dagen van verblijf te hanteren in het geval van tijdelijke verhuur via een digitaal platform? Zo nee, wilt u dit mogelijk maken?
Op grond van de Huisvestingswet 2014 kan de gemeente een huisvestingsverordening uitvaardigen. In zo'n huisvestingsverordening kan het onttrekken van een woning aan de woningvoorraad vergunningsplichtig worden gemaakt. Het is aan de gemeente zelf om te bepalen wanneer er sprake is van woningonttrekking en dus welk maximum aantal dagen de woonruimte mag worden gebruikt voor toeristische verhuur.
Is er inzicht hoe Verenigingen van Eigenaren (VVE's) omgaan met vakantieverhuur via digitale platforms in hun (gemengde) complex? En lopen VvE’s tegen andere knelpunten aan?
Een landelijk inzicht in de wijze waarop VvE’s omgaan met vakantieverhuur via digitale platforms is er niet. In de modelreglementen van VvE’s zijn geen specifieke bepalingen opgenomen over vakantieverhuur. Het is echter mogelijk dat het reglement van een VvE het toestaat dat eigenaren hun appartement voor vakantieverhuur mogen verhuren. In de specifieke splitsingsakten van VvE’s kunnen echter ook verbodsbepalingen zijn opgenomen, bijvoorbeeld ten aanzien van de exploitatie van privégedeelten als pension- of kamerverhuurbedrijf.
Indien een woonruimte stelselmatig gebruikt wordt voor toeristische verhuur kan dit consequenties hebben voor de leefbaarheid en de veiligheid. Deze mogelijke gevolgen gelden zowel voor huurwoningen als koopwoningen en evenzeer voor VvE’s. Meer in algemene zin heb ik u over knelpunten bij VvE’s geïnformeerd in mijn brief van 3 maart 2016 over het functioneren in gemengde complexen (TK, 2015–2016, 27 926, nr. 253).
De hoge kosten die een gerechtsdeurwaarder in rekening kan brengen |
|
Keklik Yücel (PvdA), Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Togacolumn «Hoe kan een deurwaarder € 570 vragen om € 76 te innen»?1
Ja.
Hoe kunnen de executiekosten van de deurwaarder 750% van de hoofdsom bedragen?
In het traject van incasso tot uiteindelijk executeren van een gerechtelijk vonnis verricht een gerechtsdeurwaarder verschillende werkzaamheden. Dit betreffen zowel incassohandelingen als ambtshandelingen. De kosten die een gerechtsdeurwaarder voor ambtshandelingen in rekening mag brengen, zijn vastgelegd in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. In dit besluit geldt als uitgangspunt dat de kosten niet afhankelijk zijn van de hoogte van de vordering, maar op basis van kostprijs worden toegerekend aan de specifieke ambtshandeling. Voor handelingen in het kader van de buitengerechtelijke incasso kunnen incassokosten in rekening worden gebracht. Ook daarvoor geldt een maximumtarief. Dit volgt uit de Wet incassokosten. Wanneer een deurwaarder in het traject veel verschillende werkzaamheden dient te verrichten, kunnen de kosten die hij daarvoor maakt op basis van de genoemde regelingen aanzienlijk zijn.
Deelt u de mening dat de executiekosten niet zo hoog mogen oplopen? Zo ja, wat gaat u eraan doen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De in het antwoord op vraag 2 genoemde kosten zijn gebaseerd op de in het antwoord op vraag 2 genoemde regelingen. Uit de jurisprudentie van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders (zie bijv. ECLI:NL:RBAMS:2012:YB0906 d.d. 11 december 2012) volgt ook «dat als maatstaf voor de proportionaliteit van kosten niet kan dienen de mate waarin de gemaakte kosten in verhouding staan tot de hoofdsom».
Is uw beleid gericht op het in de hand houden van de schulden van hen die grote schulden hebben (gemaakt), gezien uw voornemen een adempauze in te lassen voor schuldeisers die in de schuldsanering zitten?
Ja. Binnen de schuldhulpverlening heeft het hanteerbaar maken van schulden steeds meer de aandacht. Het kabinet wil dat ondersteunen met het Besluit breed moratorium2. Het Besluit breed moratorium is een instrument dat kan worden ingezet bij een financieel instabiele situatie. Tijdens het moratorium worden alle incasso-activiteiten opgeschort. Deze incassopauze biedt schuldenaar, schuldhulpverlening, maar ook de verschillende schuldeisers de mogelijkheid om de situatie te inventariseren en tot reële betalingsvoorstellen te komen, zodat de schuldenaar na afloop vanuit een financieel stabiele situatie verder kan met de afbetaling van zijn schulden.
Is het waar dat u vindt dat voorkomen moet worden dat het maatwerk van de ene instantie teniet wordt gedaan door een dwangincasso van een andere partij?2
Ja. Ik verwijs hierbij naar de Rijksincassovisie (24 515, nr.336), waarin dit standpunt is verwoord.
Is het mogelijk, zoals in het artikel wordt gesuggereerd, dat tijdens zo’n adempauze commerciële partijen via de rechter de schuldenaar wel onder druk kan zetten om te betalen, terwijl schuldeisers van de overheid een pas op de plaats maken?
Een breed moratorium ziet op alle schuldeisers, zowel privaat als publiek. De incassopauze zoals beschreven in het antwoord op vraag 4 geldt dus eveneens voor commerciële partijen.
Zo ja, hoe verhoudt uw beleid zich tot de mogelijkheid van commerciële partijen via de rechter de betaling af te dwingen, met hoge kosten voor de schuldenaar tot gevolg? Zo nee, waar klopt die aanname van de columnschrijver niet?
Zie antwoord vraag 6.
Welke mogelijkheden bestaan er om naast de schuldeisers van de overheid ook de commerciële schuldeisers tijdens de adempauze een pas op de plaats te laten maken? Als die mogelijkheden er op dit moment niet zijn, wilt u onderzoeken of er mogelijkheden gecreëerd kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De toename van fraudemeldingen op hogescholen en universiteiten en de wijze waarop instellingen hier mee omgaan |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over de toename van het aantal fraudemeldingen op hogescholen en universiteiten?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze toename vanuit de veronderstelling dat dit voort kan komen uit de toegenomen scherpte en controle maar mogelijk ook door een toename van het aantal fraudehandelingen?
De Inspectie van het Onderwijs laat mij weten dat het aantal meldingen van fraude is toegenomen en dat het niet bekend is wat de oorzaak daarvan is. Ik vind het niet wenselijk om te speculeren over de mogelijke oorzaak (of oorzaken) van de toename van het aantal fraudemeldingen.
Deelt u de in de berichtgeving weergegeven conclusie dat onderwijsinstellingen nog te weinig doen om fraude te voorkomen, onder andere doordat oude tentamens hergebruikt worden, meldingen achterwege blijven of door dat regelingen en procedures ontbreken of niet helder zijn?
De inspectie concludeert naar aanleiding van haar onderzoek «Verdere versterking: onderzoek naar het functioneren van examencommissies in het hoger onderwijs» dat de examencommissies zich de afgelopen jaren duidelijk hebben versterkt. Zij staan steeds meer garant voor de waarde van het diploma omdat zij – beter dan voorheen het geval was – de kwaliteit van de tentaminering en examinering borgen. Zij richten zich steeds meer op borgende taken, wijzen examinatoren aan en stellen richtlijnen op voor tentaminering.2
Als het om fraude gaat komt uit genoemd onderzoek het positieve beeld naar voren dat bijna alle examencommissies (94%) regelingen en/of richtlijnen kennen die zij hanteren bij het vermoeden van fraude en dat alle examencommissies sancties opleggen als er fraude wordt geconstateerd. In dat licht ben ik van mening dat instellingen maatregelen nemen om fraude te voorkomen.
Waar ik nog wel mogelijkheden tot verbetering zie, is de borging van fraudemaatregelen. Een ruime meerderheid (60%) van de examencommissies houdt geen toezicht op de naleving en regelingen met betrekking tot fraude. De inspectie geeft aan dat ze veel initiatieven heeft gezien om de preventie en aanpak van fraude te versterken. Van belang is dat kennis en ervaring over het borgen en naleving van fraudemaatregelen met elkaar gedeeld wordt, zodat examencommissies daarvan kunnen leren. De komende jaren wordt daarop ingezet. Ik zie dat daar al stappen in worden genomen. Zo hebben de twee deskundigen die in het artikel worden genoemd, een bijdrage geleverd aan de conferentie die de inspectie vorig jaar heeft georganiseerd naar aanleiding van genoemd onderzoek. Bovendien verzorgt de inspectie regelmatig presentaties over de taak van examencommissies. Ook de koepels investeren in kennisdeling; zo zijn er conferenties georganiseerd in het kader de uitkomsten van dit onderzoek door de VSNU en de Vereniging Hogescholen.
In mijn reactie op genoemd onderzoek heb ik uw Kamer toegezegd dat de inspectie over enkele jaren opnieuw onderzoek zal doen naar examencommissies. Daarbij zal gekeken worden of de instellingen voldoende verbetering hebben bereikt over de volle breedte.
Acht u de werkwijze van de rijksuniversiteit, waarbij docenten niet verplicht worden om constateringen of vermoedens van fraude te melden maar hier zelf een inschatting mogen maken, strijdig met wetgeving op dit vlak? Zo ja, op welke wijze gaat u de universiteit hierop aanspreken en de werkwijze daar aanscherpen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat een constatering of een redelijk vermoeden van fraude altijd gemeld moeten worden. De Rijksuniversiteit Groningen deelt deze opvatting eveneens. Ik vind de handelwijze van de Rijksuniversiteit Groningen niet strijdig met de vigerende wetgeving op dit vlak. Constateringen en redelijke vermoedens worden immers gemeld. De Rijksuniversiteit laat weten dat de docent de afweging maakt of er sprake is van een redelijk vermoeden. De docent lijkt mij bij uitstek degene die deze afweging kan maken, omdat hij of zij de (vermeende) fraude constateert of vermoedt. Daarbij is scholing en kennisdeling van groot belang zodat een docent de juiste inschatting kan maken. Ik ga ervan uit dat in het geval van fraude of een redelijk vermoeden daarvan de docent dit meldt.
Bent u bereid om bestaande afspraken en verplichtingen over het voorkomen en bestrijden van fraude en plagiaat weer onder de aandacht te brengen of om eventueel hernieuwde afspraken te maken met de onderwijsinstellingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 3 en 4.
Het onder verscherpt toezicht stellen van Veilig Thuis Drenthe |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onder verscherpt toezicht stellen van Veilig Thuis Drenthe?1
De Inspecties voor de Jeugdzorg en de Gezondheidszorg (IJZ en IGZ) hebben geconstateerd dat de situatie bij Veilig Thuis in Drenthe nog onvoldoende is verbeterd. Ik vind dat zorgelijk omdat een goed werkend Veilig Thuis cruciaal is voor de aanpak van mishandeling en geweld tegen kinderen, volwassenen en ouderen. Het is goed dat de Inspecties nu nog scherper gaan volgen dat de verbeteringen bij Veilig Thuis Drenthe tot stand komen. De wethouders van Assen en Emmen hebben publiekelijk hun verantwoordelijkheid genomen om Veilig Thuis Drenthe snel op orde te brengen.
Zijn de zorgen die u tijdens het debat over de nieuwe aanpak van huiselijk geweld aangaf te hebben over de wachtlijsten bij Veilig Thuis naar aanleiding van dit verscherpt toezicht toegenomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat deze wachtlijsten gaan verdwijnen?2
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor Veilig Thuis. De Inspecties houden toezicht op de Veilig Thuis organisaties. Mede als gevolg van de inspectieronde is bij het overgrote deel van de gemeenten een groter gevoel van urgentie ontstaan voor een goed functionerend Veilig Thuis. Veel gemeenten hebben hun verantwoordelijkheid genomen door extra financiële middelen beschikbaar te stellen om de wachtlijsten weg te werken. Professionals bij Veilig Thuis zetten alles op alles om te allen tijde zicht te houden op de veiligheid van de mensen die wachten.
Ook ontwikkelen gemeenten in regio’s een gezamenlijke bestuurlijke visie over de plaats van Veilig Thuis in de regionale aanpak van geweld in huiselijke kring en de plek van Veilig Thuis in de keten. Deze visie is een noodzakelijke voorwaarde voor een goed functionerend Veilig Thuis.
Om dit proces verder te ondersteunen en alle Veilig Thuis organisaties (=VT-organisaties) op orde te brengen hebben mijn collega van Veiligheid en Justitie en ik samen met de VNG begin januari 2016 de heer Sprokkereef gevraagd om het programma Veilig Thuis – de basis op orde, uit te voeren. In dit programma is prioriteit gegeven aan de aanpak van de wachtlijsten. Bovendien is met voorrang ingezet op de zeven regio’s die als niet voldoende werden beoordeeld door de Inspecties. Veilig Thuis Drenthe is één van die regio’s.
Het programma Veilig Thuis – de basis op orde stelt dat Veilig Thuis Drenthe nog niet voldoende functioneert omdat een gezamenlijke bestuurlijke visie op Veilig Thuis ontbreekt en omdat de interne organisatie van Veilig Thuis, als onderdeel van de GGD, gebreken vertoont. Het programma Veilig Thuis- de basis op orde stimuleert de bestuurders van de Drentse gemeenten in hun visievorming. Voor de verbetering van de interne organisatie heeft Veilig Thuis Drenthe een extern deskundige ingeschakeld die de organisatie zal doorlichten en verbeterpunten zal formuleren.
De Inspecties zullen tijdens het verscherpt toezicht nauwkeurig monitoren of de aangekondigde verbetermaatregelen worden uitgevoerd en geborgd. De Inspecties zullen in deze periode tevens aangekondigde en onaangekondigde bezoeken brengen. Verder verwachten de Inspecties voortgangsrapportages over de ingezette verbetermaatregelen.
Kunt u uiteenzetten welke maatregelen u tot op heden heeft genomen om de wachtlijsten bij Veilig Thuis in het algemeen, en bij Veilig Thuis Drenthe in het bijzonder terug te dringen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u van deze maatregelen aangeven of, en zo ja welk effect zij hebben gehad op de wachtlijsten? Zo nee, bent u bereid dit effect te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord onder de vragen 2 en 3 heb aangegeven, heeft de inzet van de Inspecties en van het programma Veilig Thuis – basis op orde geleid tot actie bij de verantwoordelijke gemeenten. Dat is een eerste stap. Tegelijkertijd stel ik vast dat we er zeker nog niet zijn. Daarom is begin dit jaar het eerder genoemde programma Veilig Thuis – de basis op orde gestart. Onder leiding van de VNG is het programma hard aan het werk om de VT-organisaties en gemeenten te helpen om de noodzakelijke verbeteringen in kaart te brengen en te realiseren. In mijn antwoord op vraag 8 ga ik in op de werkwijze van het programma Veilig Thuis – de basis op orde.
Door de rapportages van de Inspecties en die van het programma Veilig Thuis – de basis op orde, krijgen gemeenten en Rijk inzicht in de effecten van de verbeteringen die doorgevoerd worden. In de volgende voortgangsrapportage geweld in afhankelijkheidsrelaties die u voor het Algemeen Overleg hierover ontvangt, bericht ik hierover.
Kunt u, met concrete feiten onderbouwd, garanderen dat van de 63 casussen die niet gemeld stonden er geen enkel kind of gezin in gevaar is geweest, zoals de vicevoorzitter van de GGD Drenthe stelt? Zo nee, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de veiligheid alsnog gegarandeerd kan worden?3
De veiligheid van het kind staat voor mij centraal. De genoemde bewering van de vicevoorzitter van de GGD Drenthe kan ik niet onderbouwen of weerleggen. Ik heb echter geen reden om zijn bewering in twijfel te trekken. Zie verder het antwoord op vraag 2 en 3.
Kunt u uitgebreid toelichten hoe het met de veiligheid van kinderen en gezinnen in de andere Veilig Thuis regio’s gesteld is na de schokkende inspectierapporten die halverwege 2015 zijn verschenen?
Wij zijn allemaal bezorgd over de veiligheid van kinderen, volwassenen en ouderen waarbij vermoedelijk sprake is van mishandeling. Gebrekkig zicht op de veiligheid van kinderen die wachten, is daarom onaanvaardbaar.
De afgelopen periode is gebleken dat de oorzaken van de wachtlijsten divers zijn. Ze hebben te maken met het ontbreken van een gemeentelijke visie op Veilig Thuis en met een goede afstemming met organisaties op lokaal niveau en de politie.
Het programma Veilig Thuis – de basis op orde (zie ook de antwoorden op de vragen 2 en 3) beoordeelt of in de regio goed zicht is op de omvang van de wachtlijst, of voldoende actie wordt ondernomen om op korte termijn de wachtlijsten weg te werken, of wordt gewerkt aan een duurzaam voorkomen van wachtlijsten en of het zicht op de veiligheid van de wachtenden is gegarandeerd. Hier houdt het programma zicht op. Zo nodig adviseert de heer Sprokkereef de VT-organisaties over de wijze waarop de wachtlijst weggewerkt kan worden.
De heer Sprokkereef is nog volop bezig met de bezoeken en het adviseren van de regio’s. De rapportage met het complete beeld is nog niet beschikbaar.
In de eerder genoemde voortgangsrapportage GIA ontvangt u de rapportage van het programma. Daarin wordt ook nader ingegaan op de aard en omvang van de wachtlijsten.
Wanneer kan de Kamer de rapporten van de hertoets bij de overige Veilig Thuis organisaties verwachten? Zijn er op dit moment signalen dat er nog meer organisaties onder verscherpt toezicht gesteld zullen gaan worden?
De Inspecties voeren een hertoets uit bij zeven VT-organisaties.
Onlangs hebben de Inspecties de rapporten van de hertoetsen 1e fase uitgebracht voor de regio’s Kennemerland, Groningen en Drenthe. De rapporten over de hertoetsten bij de VT-organisaties in de Gooi- en de Vechtstreek en Zuidoost Brabant en Hollands-Midden worden uiterlijk eind juli 2016 verwacht. De VT-organisatie Gelderland-Zuid is onder verscherpt toezicht geplaatst. De reeds beschikbare rapporten zijn gepubliceerd op www.inspectiejeugdzorg.nl.
Kunt u voor alle regio’s inzichtelijk maken wat hun wachtlijsten op dit moment zijn, en hoe zij zich ontwikkeld hebben sinds het instellen van Veilig Thuis? Zo nee, bent u bereid dit te inventariseren, en dit aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de veiligheid van de kinderen en gezinnen die op dit moment gemeld zijn bij Veilig Thuis, los van informatie over de wachtlijsten, garanderen? Zo ja, kunt u toelichten hoe u dit kunt garanderen? Zo nee, wat gaat u eraan doen om dit alsnog te garanderen?
Het nemen van maatregelen voor kinderen en gezinnen bij wie de veiligheid in het geding kan zijn, is de verantwoordelijkheid van de gemeente.
In de beantwoording van deze vragen heb ik uiteengezet welke maatregelen ik heb genomen om de veiligheid van kinderen en gezinnen zo goed mogelijk te doen laten borgen.
Ziet u in de oproep van Veilig Thuis Drenthe voor 1,2 miljoen euro extra budget een appèl om het budget voor Veilig Thuis in het geheel op te hogen? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Nee. Er is geen algemene standaard voor het benodigde geld van een Veilig Thuis organisatie. De omvang van het benodigde budget is afhankelijk van de grootte van het verzorgingsgebied en van de visie van de verantwoordelijke gemeenten op de taken van Veilig Thuis in relatie tot de gehele veiligheids- en zorgketen.
Kunt u deze vragen voor het Algemeen overleg Jeugdhulp voorzien op 30 juni 2016 beantwoorden?
Ja.
Het wel produceren van rapporten maar niet repareren van de schade |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Henk Nijboer (PvdA), Jan Vos (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en het Centrum Veilig Wonen (CVW), die wel rapporten produceren, maar de schade niet repareren?1
Ja.
Is het waar dat er voor 25.000 euro aan rapporten is geproduceerd, terwijl de informatie over het desbetreffende huis al voorhanden was?
Het past mij als Minister niet om uitgebreid in te gaan op de details van een individueel schadegeval. Wel kan ik u mededelen dat in deze zaak inmiddels overeenstemming is bereikt waardoor de herstelwerkzaamheden van start kunnen gaan. Verder merk ik in algemene zin op dat het CVW, naar aanleiding van signalen uit de regio, werkt aan verbetering van de werkwijze, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan verbetering van de communicatie.
Is het waar dat dit bedrag hoger is dan de daadwerkelijke schade?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de NAM, het CVW en Arcadis zelden of nooit terugbellen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kunt u of de Nationaal Coördinator Groningen ervoor zorgen dat voor dit soort reparaties sneller groen licht wordt gegeven?
De gemiddelde tijd die schadeafhandeling in beslag neemt is sinds de oprichting van het CVW al sterk teruggedrongen. De snelheid waarmee een specifieke schademelding kan worden afgehandeld is echter mede afhankelijk van de complexiteit van de herstelwerkzaamheden.
Eventueel achtergebleven medicijnresten in drinkwater |
|
Johan Houwers (Houwers) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Welke norm wordt er gehanteerd voor medicijnresten in ons drinkwater?
In de drinkwaterwetgeving is geen specifieke norm voor geneesmiddelen. Wel is er een signaleringswaarde van 1 microgram/L voor stoffen die van nature niet in drinkwater en drinkwaterbronnen thuishoren. Medicijnresten zijn daarvan een voorbeeld.
In hoeverre kunnen medicijnresten momenteel uit het drinkwater gefilterd worden?
Met de huidige, vaak geavanceerde, zuiveringsprocessen die gebruikt worden bij de productie van oppervlaktewater tot drinkwater worden de meeste medicijnresten verwijderd tot een niet meetbaar niveau. Het zuiveringsproces voor drinkwater op basis van grondwater is meestal niet ontworpen voor het verwijderen van medicijnresten. Het aantal stoffen (medicijnresten) dat terug wordt gevonden in grondwaterbronnen is beperkt.
Is bekend hoeveel medicijnresten momenteel uit het drinkwater gefilterd worden en/of gezuiverd kunnen worden?
Ja, dit is grotendeels bekend. Voor het eind van het jaar levert het RIVM een duidingsrapport op, waarin de ernst van de medicijnrestenproblematiek geduid zal worden en waarin ook zal worden ingegaan op de verwijdering van medicijnresten. Ik zal de Kamer informeren over de bevindingen in het duidingsrapport.
Is de zuiveringscapaciteit voldoende om de huidige aanwezige hoeveelheid medicijnresten uit het drinkwater te filteren en/of te zuiveren?
Op dit moment is de zuiveringscapaciteit voor de bekende medicijnresten nog voldoende. Als de concentraties verder toenemen zal extra capaciteit ingezet moeten worden. Voor grondwater zullen toenemende concentraties uitbreiding van de zuivering noodzakelijk maken.
Zijn er na zuivering binnen het waterschap Rijn en IJssel nog medicijnresten achtergebleven in het drinkwater? Zo ja, hoeveel?
Het waterschap Rijn en IJssel is geen drinkwaterbedrijf, zij produceren dus geen drinkwater maar zuiveren afvalwater in de rioolwaterzuivering en lozen het effluent op het oppervlaktewater. Het oppervlaktewater kan mogelijk de kwaliteit van de drinkwaterbronnen beïnvloeden.
Wat is de huidige en toekomstige inzet van het ministerie om medicijnresten uit het drinkwater te filteren?
Het ministerie werkt aan een ketenaanpak geneesmiddelen om te voorkomen dat resten van geneesmiddelen terecht komen in de drinkwaterbronnen of schadelijke effecten hebben in het milieu. Met deze aanpak wordt op dit moment onderzocht welke maatregelen hiervoor het meest effectief zullen zijn. Hierbij is de aandacht gericht op maatregelen in de diverse fases van de geneesmiddelenketen, d.w.z. van de fase van ontwikkeling van geneesmiddelen tot en met de fase van aanvullende zuivering gericht op het verwijderen van resten van geneesmiddelen.
De uitgave over E-health |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wijze past de uitgave «E-health zoveel meer dan alleen techniek» in het voorlichtingsbeleid van het kabinet?1
E-health en innovatie zijn prioriteiten binnen het domein zorg en gezondheid van het kabinet. Vanuit die context is gekozen om ook in te zetten op extra aandacht in de communicatie over deze thema’s. Het kabinet heeft daartoe onder andere de mogelijkheid om advertenties te plaatsen. Deze kunnen in verschillende vormen worden geproduceerd. Van een enkele krantenpagina tot een bijlage die bij bestaande mediatitels kan worden gestoken. In alle gevallen moet het gekozen product herkenbaar zijn als communicatie vanuit de rijksoverheid. Onder andere door het gebruik van de rijkshuisstijl met het logo van het verantwoordelijke ministerie als duidelijke afzender. Daar is in de uitgave aan voldaan.
Wat kostte de ontwikkeling van de uitgave «E-health zoveel meer dan alleen techniek»» en wat kostte het meesturen van de uitgave met Medisch Contact?
De ontwikkeling van de uitgave en het meesturen ervan met diverse bladen (Medisch Contact, Nursing, Psychiater, WMO Magazine, ICT&health, Zorgvisie, Zorg+Welzijn, Zorg en Ziekenhuiskrant, Tijdschrift voor Verzorgenden) kostte in totaal 97.500 euro inclusief BTW. Door het katern mee te sturen met diverse vakbladen zijn ruim 200.000 zorgverleners bereikt.
Kunt u een overzicht geven van de kosten van vergelijkbare bijlagen die via kranten, tijdschriften of andere publicaties verschenen zijn sinds 1 januari 2016, en hoeveel dit het Ministerie van VWS heeft gekost?
Vanuit het ministerie zijn er sinds 1 januari 2016 geen soortgelijke uitgaven of publicaties als uitgave gedaan. Wel is het ministerie voornemens nog dit jaar een tweede uitgave te realiseren in het kader van e-health en innovatie.
Staat u achter de uitspraak dat «privacy niet langer een issue» is wanneer iemand ernstig ziek is, zoals op pagina 6 wordt gesteld? Bestaan er volgens u verschillende fasen van privacy en privacybescherming? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wettelijk gezien bestaan er geen verschillende fasen van privacy. Wettelijk wordt er wel onderscheid gemaakt in persoonsgegevens en bijzondere persoonsgegevens. Wanneer er bijzondere persoonsgegevens verwerkt worden, gelden er extra waarborgen. Dit neemt niet weg dat, zoals op pagina 6 van de uitgave wordt gesteld, patiënten minder belang kunnen hechten aan hun privacy wanneer zij ziek zijn.
Daar kan verschillend over worden gedacht. De uitspraken die door externen zijn gedaan komen voor rekening van de externen. Het is niet aan de orde geweest om de interviews te censureren. Wel om verschillende experts te vragen naar hun visie.
Erkent u dat het opnemen van een uitspraak dat «privacy meer hordes opwerpt dan wenselijk» is, in een publicatie van uw ministerie, suggereert dat u ook vindt dat dit zo is? Zo neen, kunt u uitleggen waarom dit desondanks in deze publicatie staat?
De uitgave vermeldt duidelijk dat het gaat om citaat van een van de deelnemende zorgaanbieders en suggereert daarmee niet dat ik dat ook zou vinden. Als rijksoverheid gaan wij natuurlijk niet de uitspraken van derden in een interview redigeren. Doel van de uitgave is het onderwerp e-health en innovatie bij zorgverleners te agenderen en het gesprek hierover op de werkvloer op gang te brengen. Het naar voren brengen van een breed scala aan opvattingen draagt daar aan bij.
Kunt u uiteenzetten wat uw opvatting over privacy is op het vlak van E-health?
Wanneer persoonsgegevens worden verwerkt, is het van belang dat de geldende wet- en regelgeving wordt nageleefd. Het juridische kader voor de bescherming van persoonsgegevens is momenteel neergelegd in de Europese Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en de Nederlandse uitwerking hiervan in de Wet bescherming persoonsgegevens (de Wbp). Deze wetgeving zal binnenkort vervangen worden door Verordening (EU) 2016/679 (de Algemene verordening Gegevensbescherming). Ook wanneer er op het gebied van eHealth persoonsgegevens worden verwerkt en privacy in het geding kan zijn, vind ik het van belang dat deze geldende regels worden nageleefd. Daarbovenop wil ik de rechten van patiënten versterken met het wetsvoorstel elektronische gegevensuitwisseling in de zorg, die momenteel in de Eerste Kamer ligt. Daarin staan verscherpte eisen ten aanzien van privacy en beveiliging van gegevens.
Kunt u aangeven om welke personen of groeperingen het gaat die in deze overheidspublicatie aangeduid worden met de term «privacy maffia»?
Zie ook mijn antwoord op vraag 5. Het betreft een persoonlijke noot van één van de vijf zorgaanbieders die aan het gesprek deelnamen. Ik heb ervoor gekozen om de inbreng van de experts niet te censureren, maar het als bijdrage aan het debat te beschouwen.
Bent u het ermee eens dat deze aanduiding elke fatsoensnorm overschrijdt, en geen plaats dient te hebben in een officiële uitgave van de rijksoverheid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Op welke wijze hebben Philips en het technologiebedrijf Focus Cura – die in de colofon genoemd worden – bijgedragen aan de uitgave? Is dat financieel geweest? Zo ja, om hoeveel geld gaat het hier? Is dat praktisch geweest? Zo ja, wat en hoe dan precies?
De bijdragen van Philips en Focus Cura hebben uitsluitend betrekking op het beschikbaar stellen van fotomateriaal. Zoals gebruikelijk is, zijn de bronnen van dit materiaal opgenomen in het colofon. De uitgave is zonder financiële bijdragen van derden tot stand gekomen. Er is geen sprake van enige vorm van sponsoring.
Was de uitgave zonder Philips en Focus Cura mogelijk geweest? Zo ja, waarom heeft u voor deze sponsoring gekozen, en niet voor andere technologiebedrijven? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Vindt u het passend dat uw ministerie, waar heel veel geld in om gaat, zich laat sponsoren door belanghebbende partijen bij de ontwikkeling van E-health?
Zie antwoord vraag 9.
Het bericht ‘Schotschrift tegen asbesthysterie’ |
|
Perjan Moors (VVD), Remco Dijkstra (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Schotschrift tegen asbesthysterie»?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusie van één van de opstellers van het pamflet dat de overheid regelmatig te paniekerig reageert op de vondst van asbest? Zo nee, waarom niet?
Nee, die conclusie onderschrijf ik niet. De rijksoverheid staat voor een nuchtere en pragmatische benadering van asbest in de woon-, werk- en leefomgeving. Het asbestbeleid richt zich op het beheersen van de risico’s van asbest door stapsgewijs grote bronnen van vervuiling uit de leefomgeving te verwijderen. In eerste instantie is dat gebeurd door asbesthoudende remvoeringen uit te faseren. In 1993 volgde het verbod op het gebruik van nieuw asbest. Vervolgens zijn de bestaande asbestwegen uitgefaseerd. Vanaf 2024 worden asbestdaken verboden.
Waar asbest hechtgebonden aanwezig is (bijvoorbeeld in gebouwen) kan het blijven zitten. Als asbest een gevaar vormt voor de gezondheid moet het op verantwoorde wijze worden verwijderd.
Is de verhouding tussen kosten en baten van grootschalige asbestsanering scheef, zoals de schrijvers van het pamflet stellen?
In de brief aan uw Kamer van 7 september 2012 bent u geïnformeerd over de keuze voor 20242. Ten behoeve van het asbestdakenverbod is een MKBA3 opgesteld. In 2015 is deze MKBA geactualiseerd4. De totale maatschappelijke kosten bedragen € 882 mln.
Uit de MKBA bleek onder meer dat het zonder verbod tot 2044 zou duren voordat de asbestdaken vervangen zouden zijn. Door verwering van het asbesthoudend materiaal waarvan daken zijn gemaakt, vindt verspreiding plaats van asbestvezels naar het milieu. Dit brengt gezondheidsrisico’s met zich mee. Door te verplichten de asbestdaken uiterlijk 2024 te saneren, wordt die periode van blootstelling aanmerkelijk verkort.
Bent u het met de opstellers eens dat goed geïnformeerde burgers zelf soms beter zicht hebben op de risico’s dan bestuurders? Waarom wel/niet? Hoe gaat u erop inzetten om burgers beter te informeren over het verbod?
Het is van belang dat zowel burgers als bestuurders zich bewust zijn van de risico’s van asbest. Informatie over asbestregelgeving en asbestverwijdering is onder meer terug te vinden bij het kenniscentrum Infomil.
In mijn brief van 2 juni 20165 gaf ik aan een programmabureau op te zullen richten om de sanering van asbestdaken te begeleiden. Dit programmabureau zal ook zorg dragen voor nadere communicatie over het verbod. Voor het einde van het jaar stuur ik uw Kamer de activiteitenagenda van het programmabureau toe.
Wat vindt u van de uitspraak van medeauteur van het pamflet, hoogleraar Helsloot, dat het asbestbesluit «complete waanzin, weggegooid geld voor schijnveiligheid» is?
Bij het beschermen van de bevolking tegen het aantoonbare gevaar van blootstelling aan asbestvezels passen wat mij betreft deze kwalificaties niet. Op 3 juni 2010 heeft de Gezondheidsraad geadviseerd over de risico’s van milieu en beroepsmatige blootstelling aan asbest6. Op basis van dit advies zijn de normen voor asbest aangescherpt.
Het verbod op asbestdaken is, zoals aangegeven in antwoord 3, mede gebaseerd op een MKBA. Het saneren van asbestdaken voorkomt na 2024 asbestcalamiteiten zoals vorig jaar in de gemeente Westland en eind 2014 in Roermond. Naar aanleiding van de grote gevolgen die de asbestbrand in de gemeente Westland heeft gehad, heeft de gemeente besloten om asbestdaken in de gemeente zo snel mogelijk te saneren.
Door het verbod op asbestdaken zouden er circa 200 tot 300 minder asbestslachtoffers vallen, is dat aantal nog steeds juist? Wat is de schatting op dit moment? Kunt u uw antwoord onderbouwen?
In het Volkskrantartikel wordt geciteerd uit de MKBA van 2012 (blz. 11): «Het verbod in 2024 leidt dan tot een potentiële baat van maximaal circa 50 miljoen euro (netto contante waarde, 2012), op basis van circa 250 vermeden slachtoffers op de lange termijn. Aangezien er veel onzekerheid is over de omvang van deze baat, nemen wij deze dus niet op in de totale te monetariseren baten.»
Dit aantal is een aanname ten behoeve van de MKBA. Het precieze aantal asbestslachtoffers is lastig om in te schatten omdat blootstelling aan asbest verschillende ziekten kan veroorzaken. Er kunnen ook ziekten ontstaan die niet direct aan blootstelling aan asbest gerelateerd worden.
Ik vind het belangrijk dat deze bron van asbestvezels in de leefomgeving, die met het verstrijken van de jaren alleen maar toe zal nemen, hoe dan ook verdwijnt, mede om nieuwe slachtoffers in de toekomst te voorkomen.
Kunt u inzicht geven in de totale kosten die gepaard gaan met het inventariseren, saneren, vervangen en uiteindelijk veilig verwerken van de 130 vierkante kilometer asbesthoudende daken en gevelpanelen?
In 2012 was er nog ongeveer 130 mln m2 aanwezig. Naar schatting is dat nu tussen 100 en 110 mln m2. Uit de geactualiseerde MKBA van 2015 blijkt dat het asbestdakenverbod € 882 mln kost. Deze kosten zijn er omdat het proces van sanering wordt versneld naar 2024, in plaats van 2044 bij het proces van autonome vervanging (zonder verbod) van de dan (in 2044) tenminste 50 jaar oude asbestdaken. Met de Aanpak Asbestdaken wordt in samenwerking tussen bij de uitvoering betrokken partijen bezien hoe hier nog verdere efficiencywinst te behalen valt.
In hoeverre heeft u, tegen de achtergrond dat de overheid via een subsidieregeling per sanering een bescheiden bijdrage levert aan de kosten per vierkante meter asbestdak, de overtuiging dat mensen zelf het grootste deel kunnen opbrengen? Wat als dat niet het geval is? Wat als bij eventuele brand een verzekeraar niet wil uitkeren of het object onverzekerbaar wordt?
Asbestdaken zijn in 2024 tenminste 30 jaar oud, de meeste een stuk ouder, en dan moeten ze gesaneerd zijn. Het beschikbare budget bedraagt tenminste € 75 mln. Dat bedrag is niet bedoeld om alle kosten te dekken, maar om de sanering vlot op gang te brengen. De meeste asbestdaken zijn inmiddels verweerd en aan vervanging toe zoals dat ook geldt voor andere onderdelen van een woning die slijten.
Het is mogelijk dat verzekeraars asbestdaken niet meer verzekeren vanaf 2024. Dat is aan de individuele maatschappijen om te besluiten. Het is niet onlogisch dat bij een wettelijk verbod op het hebben van asbestdaken er ook geen verzekeringsdekking voor die daken meer is. Vanuit mededingingsoogpunt mogen verzekeraars hierover geen onderlinge afspraken maken.
Ik ben met de verzekeraars in overleg over de gevolgen van het asbestdakenverbod. Verzekeraars willen vanuit hun maatschappelijke rol een bijdrage leveren door middel van het beschikbaar stellen van kennis en informatie, en willen meedenken over hoe eigenaren gestimuleerd kunnen worden hun taak zo snel mogelijk op te pakken.
Ziet u mogelijkheden om net als bij particulieren, het ook voor bedrijven eenvoudiger te maken om kleine hoeveelheden asbest zelf te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
De mogelijkheid voor particulieren om zelf een beperkte hoeveelheid asbest weg te halen, is ingegeven door het uitgangspunt dat een particulier dit niet vaak of regelmatig zal doen. Omdat er dan maar incidenteel blootstelling is, wordt het risico op een asbestziekte laag ingeschat. Overigens is hierbij ook van belang dat deze mogelijkheid uitsluitend geldt bij hechtgebonden asbest dat in een goede staat verkeert. Voor bedrijven geldt de eerdere aanname van het slechts incidenteel weghalen van asbest, of een incidentele blootstelling aan asbest, niet. Een werkgever is op basis van de Arbeidsomstandighedenwet verantwoordelijk voor het bieden van veilige en gezonde arbeidsomstandigheden voor zijn werknemers. Bovendien is er sprake van een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer, waarbij aan een werkgever het (financiële) voordeel, en aan de werknemer het mogelijke (gezondheids-)nadeel van het zelf verwijderen van asbest ten deel valt. Om deze redenen wordt de uitzondering voor particulieren niet uitgebreid naar bedrijven.
In hoeverre is het volgens u haalbaar om op het huidige tempo, met het huidige budget, alle asbesthoudende daken gesaneerd te hebben in 2024? Met welke maatregelen denkt u dit te kunnen realiseren? In hoeverre zijn dwangsommen een goed middel, gelet op de beperkte financiële draagkracht van sommige eigenaren? Kunt u dit toelichten aan de hand van een actuele stand van zaken?
Met de subsidieregeling verwijderen asbestdaken wil ik de sanering versneld op gang brengen. De subsidieregeling is niet bedoeld om kostendekkend te zijn. Inmiddels zijn er ruim 2.000 subsidieaanvragen binnen, voor ruim € 5 mln. Daarnaast zal het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, tezamen met het samenwerkingsverband zoals geschetst in de brief van 2 juni 20165, de sanering van asbestdaken verder ondersteunen met een programmabureau van waaruit bijvoorbeeld schaalgrootte wordt georganiseerd. Ook zullen mogelijke financieringsopties worden onderzocht. Vanaf 2024 gaan decentrale overheden het dan geldende verbod handhaven.
Dwangsommen zijn een mogelijk handhavingsinstrument en komen pas vanaf 2024 in beeld. De decentrale overheden zullen hier eigen keuzes in maken. Vooralsnog concentreren bijvoorbeeld de provincies Limburg en Overijssel zich op het saneren van daken zodat 2024 gehaald wordt.
Wat kunt u doen om illegale praktijken en dumping van asbest te voorkomen? Hoe wordt voorkomen dat eigenaren vanwege het ingestelde verbod, wellicht uit kostenoverweging of uit wanhoop hun object laten afbranden als de deadline nadert?
De Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Infrastructuur en Milieu werken gezamenlijk aan een wettelijke verplichting van het Landelijk Asbest Volgsysteem (LAVS) voor gecertificeerde asbestbedrijven. Hierdoor kan de sanering van asbest worden gevolgd van sloop tot stort. Illegale praktijken zijn echter nooit te voorkomen dan wel uit te sluiten. Zoals ik heb aangegeven in antwoord 10 wil ik de sanering van asbestdaken begeleiden met een uitgebreid pakket aan flankerende maatregelen om dakeigenaren te ontzorgen.
Bent u van mening dat het rigide toepassen van voorgeschreven veiligheidsmaatregelen, ook al voegen deze in een specifieke situatie niets toe aan de veiligheid voor werknemers of omgeving, kan leiden tot een vermindering van draagvlak, het stilzetten van het nadenken, geldverspilling en zelfs illegale saneringen en dumpingen in de hand kan werken?
Maatregelen die niets toevoegen aan de veiligheid zijn onnodig. Maar de maatregelen die nu zijn voorgeschreven bij een asbestverwijdering zijn gericht op veiligheid en daarom zeer belangrijk. Bij een asbestsanering is ook van belang dat de gekozen werkmethoden veilig zijn. Indien een nieuwe methode wordt ontwikkeld, zullen betrokken partijen daarom moeten aantonen dat dit het geval is.
Ziet u mogelijkheden om deskundige asbestverwijderaars (DAV) en deskundige toezichthouders asbest (DTA) meer ruimte te geven om beargumenteerd te kunnen afzien van voorgeschreven veiligheidsmaatregelen, als deze in een specifieke situatie overduidelijk niets toevoegen aan de veiligheid voor werknemers of omgeving (comply-or-explain)?
Van belang is dat gevolgde werkmethoden veilig zijn. Beoordeling of dat zo is, wordt niet aan individuele medewerkers gelaten. Wel onderzoekt TNO op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op dit moment welke «quick wins» er bestaan ten aanzien van verbetering van asbestregelgeving en uitvoeringspraktijk, en geeft het huidige stelsel nu al speelruimte voor een gecertificeerd bedrijf om middels maatwerk en innovatieve technieken af te wijken.
Het bericht ‘Kwart zorgbestuurders boven Balkenendenorm’ |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het feit een kwart van de bestuurders in de ouderenzorg boven de Balkenendenorm verdient?1
Het kabinet wil ook voor bestuurders in de ouderenzorg een maatschappelijk acceptabel en verantwoord niveau van inkomens. Normen voor bezoldiging zijn daarom vastgelegd in de Wet normering topinkomens (WNT). De hogere salarissen van deze bestuurders zijn te verklaren doordat zij onder overgangsrecht vallen. Dit overgangsrecht vloeit voort uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Het overgangsrecht houdt in dat bestaande bezoldigingsafspraken, boven het bij wet vastgestelde bezoldigingsmaximum, gedurende een termijn van vier jaar na inwerkingtreding van de wet worden gerespecteerd. Daarna moet de bezoldiging worden teruggebracht tot het voor die topfunctionaris geldende bezoldigingsmaximum.
Zodra er echter sprake is van een overtreding van de WNT treedt de toezichthouder in de zorg, het CIBG, handhavend op.
Kunt u uitleggen dat u enerzijds hard bezuinigt in de ouderenzorg (huishoudelijke zorg, wijkverpleging én instellingszorg), waardoor veel zorgverleners hun inkomen en/of baan verliezen, en dat anderzijds de bestuurders in de ouderenzorg met fluwelen handschoentjes wordt gevraagd of ze hun salaris willen minderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de ontslagvergoeding van 426.113 euro, wat ruim 5,5 keer zoveel is als het maximum in de Wet normering topinkomens, dat is betaald aan de voormalig directeur van zorginstelling Driezorg in Zwolle?2
Normen voor bezoldiging en ontslagvergoedingen zijn vastgelegd in de WNT. Voor afspraken van voor de inwerkingtreding van de wet, die meer bedragen dan de toepasselijke norm, geldt overgangsrecht. Deze afspraken zullen voor de duur van het overgangsrecht moeten worden gerespecteerd. Ik ga er van uit dat instellingen en toezichthouders bij de toepassing van de wet overigens niet enkel naar de maxima in de wet kijken, maar binnen die grenzen een maatschappelijke afweging maken die recht doet aan de specifieke omstandigheden.
Vindt u het een goed signaal dat een bestuurder van een instelling die door de Inspectie voor de Gezondheidszorg voor langere tijd onder verscherpt toezicht is geplaatst, omdat de zorg op de elf locaties ernstig te kort schoot, een dergelijke ontslagvergoeding krijgt?3
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u dat het aantal mensen dat zich aan de Balkenendenorm houdt snel genoeg bereikt wordt als een derde in 2014 en een kwart in 2015 er nog boven zat?4
Dit is het gevolg van het overgangsrecht dat voortvloeit uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Ik ga er van uit dat instellingen en toezichthouders bij de toepassing van de wet overigens niet enkel naar de maxima in de wet kijken, maar binnen die grenzen een maatschappelijke afweging maken die recht doet aan de specifieke omstandigheden.
Wat is het beeld van de beloningen in andere zorgsectoren? Is het daar «beter» of «slechter» verdienen voor bestuurders?
In de sectoren zorg en jeugdhulp geldt sectorale regelgeving met verlaagde maxima, afhankelijk van de klasse waarin de instelling valt. Voor grotere, complexere rechtspersonen of instellingen is een hoger bezoldigingsmaximum van toepassing dan voor kleinere, eenvoudige rechtspersonen of instellingen. De maxima variëren tussen € 98.000 tot het algemene bezoldigingsmaximum van € 179.0005. Na afloop van het overgangsrecht zal de bezoldiging aan deze maxima moeten voldoen.
Bent u bereid met noodwetgeving te komen om te zorgen dat de bestuurders volgend jaar allemaal hun salaris hebben «gematigd» tot aan de Balkendenorm?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 5.
Het bericht dat een groot ziekenhuis over een paar jaar achterhaald is |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Op basis van welk (wetenschappelijk) onderzoek en/of analyse beweert u dat een groot ziekenhuis over een paar jaar achterhaald is?1
In het desbetreffende interview heb ik beschreven welke ontwikkeling ik de komende jaren in de ziekenhuiszorg verwacht. Als we de komende jaren de zorg echt rond de patiënt willen organiseren, is een verandering van de ziekenhuiszorg nodig. Met zorg die georganiseerd is in netwerken die zich niet uitsluitend richten op het uitvoeren van verrichtingen, maar op het gezond houden en maken van patiënten. Met nieuwe ICT-toepassingen, zodat de patiënt een deel van zijn behandeling thuis kan ondergaan. Wanneer zorg dichtbij georganiseerd wordt waar dat kan, gaat een patiënt alleen naar een ziekenhuis als dat echt nodig is. Dit zal ontegenzeggelijk leiden tot een verandering van de ziekenhuisinfrastructuur en uiteindelijk tot de afbouw van het aantal bedden. Deze ontwikkeling is goed voor de patiënt, die echt centraal komt te staan, en voor de premiebetaler, die geen geld hoeft uit te geven aan onnodige ziekenhuiscapaciteit.
Als u niet begrijpt dat grote ziekenhuizen nog gefinancierd worden, vindt u dan dat wat in ziekenhuizen gebeurt onnodige en overbodige zorg is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind niet in algemene zin dat de zorg die in ziekenhuizen plaatsvindt onnodig of overbodig is. De ziekenhuizen in Nederland bieden kwalitatief hoogstaande zorg en dat moeten we koesteren. Dat neemt niet weg dat de in mijn antwoord op vraag 1 genoemde ontwikkelingen een verandering van de ziekenhuisinfrastructuur vergen, waar ziekenhuizen op zullen moeten inspelen. Financiering van ziekenhuizen zou dus in de toekomst niet alleen moeten gaan over financiering van «stenen» maar steeds meer over investeren in ICT-toepassingen, logistiek en in teams en professionals die niet per definitie binnen de ziekenhuismuren maar op locatie werken.
Erkent u dat het vreemd overkomt dat u in de krant zegt dat grote ziekenhuizen overbodig worden, terwijl u op geen enkele wijze de fusiegolf – en daarmee de schaalvergroting – in de ziekenhuiszorg een halt heeft toegeroepen in uw ambtstermijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is aan ziekenhuizen zelf om in overleg met zorgverzekeraars goed in te spelen op de ontwikkelingen die ik in mijn antwoord op vragen 1 en 2 heb toegelicht. Daarbij is het een optie om de samenwerking te zoeken met andere ziekenhuizen. De meest vergaande vorm van samenwerking is een fusie. Dit kan tot voordelen leiden maar kan ook leiden tot een toename van de grootte van een ziekenhuis en tot afname van de keuzemogelijkheden van patiënten. Gelet op het toekomstperspectief van de ziekenhuiszorg waarin de zorg dichter bij de patiënt wordt georganiseerd, acht ik het zeer van belang dat ziekenhuizen fusieplannen vooraf goed doordenken en relevante stakeholders goed betrekken. Hierop wordt door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) getoetst in het kader van de zorgspecifieke fusietoets, die in 2014 is geïntroduceerd. Daarnaast worden fusies getoetst op de gevolgen voor de concurrentie door de Autoriteit Consument en Markt (ACM), zodat er voor patiënten en zorgverzekeraars voldoende alternatieven zijn om ziekenhuizen te blijven stimuleren tot verandering. Zoals ik heb aangekondigd in mijn brief «Kwaliteit Loont», neem ik maatregelen om het markt- en mededingingstoezicht te versterken.
Hoe kunt u op hetzelfde moment dat u (grote) ziekenhuizen overbodig noemt, verrast zijn dat ambulances niet terecht kunnen op spoedeisende hulpposten omdat ze in verband met drukte dicht zijn?2
Zoals ik in mijn antwoorden op de vragen 1 en 2 heb aangegeven, vind ik niet dat (grote) ziekenhuizen overbodig worden, maar voorzie ik een verandering van de ziekenhuisinfrastructuur als gevolg van een aantal ontwikkelingen in de zorg. Niet alle zorg die nu in ziekenhuizen wordt geleverd zal naar mijn verwachting ook in de toekomst in ziekenhuizen geleverd worden, maar een deel (waaronder ook acute zorg) wel. Het eerder door het TraumaNet AMC afgegeven signaal dat spoedeisende hulpposten SEH’s in de regio Amsterdam de patiëntenstroom niet zouden aankunnen neem ik zeer serieus. Ik heb uw Kamer daar op 6 juni per brief nader over geïnformeerd.
Veiligheid in de elektrabranche |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Prutsers elektrabranche»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de alarmerende veiligheidssituatie in de elektrabranche zoals beschreven in de berichtgeving?
In de berichtgeving over «prutsers in de elektrabranche» wordt een zorgwekkend beeld geschetst. Burgers en bedrijven moeten er vanuit kunnen gaan dat elektromonteurs hun werk vakkundig uitvoeren. Volgens de deskundigen, die in het bericht worden geciteerd, is dat nu niet of onvoldoende het geval. De huidige vrijwillige keurmerken bieden volgens deze deskundigen onvoldoende garantie.
In het bericht wordt een relatie gelegd met de bevindingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid in het haar rapport over koolmonoxide en de aanbeveling daarin om tot een wettelijke erkenningsregeling voor installateurs van verbrandingstoestellen te komen.
Uit een landelijk onderzoek naar de veiligheid van gas- en elektravoorzieningen in woningen dat voorjaar 2008 aan Tweede Kamer is gezonden (Kamerstukken II 2007/2008, 30 535 nr. 14), bleek dat het grootste risico bij woninginstallaties koolmonoxidevergiftiging is. De problematiek van ondeugdelijk werk aan elektrische installaties is overigens niet gelijk aan de problematiek van koolmonoxidevergiftiging.
Uit de registratie van huishoudelijke elektriciteitsongevallen, die Kiwa in opdracht van Netbeheer Nederland (www.netbeheernederland.nl) uitvoert, blijkt dat er zelden slachtoffers door elektrocutie vallen in Nederlandse woningen. In de beschikbare jaarrapportages over 2012, 2013 en 2014 komt één melding voor van een dodelijk slachtoffer door elektrocutie. Dit betreft het incident in Boxtel, dat genoemd wordt in het bericht.
Uit de onderzoeken die het Instituut Fysieke Veiligheid (www.ifv.nl) jaarlijks uitvoert naar woningbranden met dodelijke afloop, blijkt verder dat 1 op de 5 fatale woningbranden veroorzaakt wordt door kortsluiting of een defect elektrische apparaat. Dergelijke branden ontstaan meestal in huishoudelijke elektrische apparatuur zoals een wasdroger, TV of magnetron en niet zozeer in de elektrische installatie die door een installateur is of wordt aangelegd.
De kwaliteit in de bouwsector is onderwerp van het Wetsvoorstel Kwaliteitsborging in de Bouw, dat op 15 april jl. ter behandeling aan uw Kamer is aangeboden (Kamerstukken II 2015/2016, 34 453). Met het wetsvoorstel wordt beoogd dat nieuwbouw en verbouw waarvoor een vergunning vereist is, aantoonbaar voldoet aan de bouwvoorschriften. Het voorstel strekt er ook toe de kwaliteit van aangebrachte elektra beter te borgen.
Deelt u de mening dat terwijl installaties steeds ingewikkelder worden, het kennisniveau van installateurs dramatisch afneemt?
Het is evident dat de hoeveelheid installaties per bouwvolume toeneemt en de installaties ook ingewikkelder worden. Dat vereist meer en andere kennis. Uit onderzoek in de installatiebranche2 blijkt dat «de installateur» niet bestaat en daarmee eenduidige eisen aan de vakkennis ook niet bestaan. Tegelijkertijd verwachten veel bedrijven verwachten in de toekomst werknemers met een hoger opleidingsniveau nodig te hebben. Het Opleidings- en ontwikkelingsfonds voor het Technisch InstallatieBedrijf (OTIB) en de werkgeversorganisatie UNETO-VNI werken daaraan.
Kunt u nader inzicht geven in de arbeidsomstandigheden in de elektrabranche? Hoe is de scholing van de installateurs geregeld? In hoeverre kunnen hier verbeteringen in worden aangebracht?
De omvang en aard van signalen en meldingen (klachten, ongevallen) over arbeidsomstandigheden in de elektrabranche zijn relatief beperkt. De risicoanalyse van de Inspectie SZW heeft in de afgelopen jaren geen aanleiding gegeven voor een projectmatige of intensieve aanpak van werk aan elektrische installaties. Daarnaast wijst een analyse van de sinds 1998 bij de Inspectie SZW gemelde arbeidsongevallen niet op een omvangrijke veiligheidsproblematiek of een verontrustende trend.
Het samenwerkingsverband van de sociale partners in de branche, II Mens en Werk3, brengt de arbeidsomstandigheden onder de aandacht van installatiebedrijven. In dit verband wordt onder andere een Arbocatalogus voor de branche ontwikkeld. Voor installateurs zijn op veiligheid gerichte scholingsinstructies beschikbaar in de vorm van het ARBO handboekje «Blauwe Boekje» (UNETO-VNI, 2013).
De opleiding van installateurs in de branche wordt via de initiële scholing, op niveau 2, 3 of 4 mbo, geregeld. De kwalificaties komen via het Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) tot stand in overleg met het bedrijfsleven, onder andere via de branche en het opleidingsfonds OTIB. Het bedrijfsleven stemt met het Opleidings- en ontwikkelingsfonds de verdere scholingsbehoefte af. Deze wordt door private aanbieders ingevuld en waar nodig door het fonds ontwikkeld4. Voor de georganiseerde branche lijkt de scholing daarmee op orde.
Wanneer komt de reactie op het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid in dezen naar de Kamer? Wat is uw reactie op de stelling van brancheorganisatie Uneto-VNI dat de overheid weer toezicht moet houden? Bent u bereid gevolg te geven aan deze oproep? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Op 17 juni jl. is de kabinetsreactie op het rapport van de Onderzoeksraad aan de Tweede Kamer gestuurd (Kamerstuk 32 757, nr. 136). In deze brief is ook een reactie gegeven op de aanbeveling van de Onderzoeksraad om te komen tot een wettelijke uniforme erkenningsregeling voor installateurs van verbrandingstoestellen. Kortheidshalve verwijs ik naar deze brief.
Huurverlaging bij inkomensdaling |
|
Farshad Bashir (SP), Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat bij een inkomensdaling van een huurder de woningcorporatie de huurprijs niet moet terugschroeven?1
In de wet is sinds 2013 geregeld dat een huurder een huurverlaging kan voorstellen indien het huishoudinkomen na een of meer inkomensafhankelijke hogere huurverhogingen daalt. De regeling is tweeledig:
Deze regeling is conform de afspraken in het Woonakkoord van 12 februari 2013 en is vastgelegd in artikel 7:252b van het Burgerlijk Wetboek en artikel 14 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. Deze regeling is tegelijkertijd met de overige bepalingen inzake de inkomensafhankelijke hogere huurverhoging op 16 maart 2013 in werking getreden.
De informatie op rijksoverheid.nl waarna u verwijst2, is een weergave van de geldende regelgeving en het door dit kabinet gevoerde beleid.
Het artikel waarnaar u verwijst1 gaat uit van de foutieve veronderstelling dat ik heb gezegd dat een woningcorporatie de huurprijs na een inkomensdaling van de huurder niet moet terugschroeven. In het AO Diverse woononderwerpen van 25 mei 2016 en het daarop volgende VAO van 31 mei 2016 heb ik echter aangegeven dat in de wet al een mogelijkheid voor huurverlaging na inkomensdaling na een of meer inkomensafhankelijke huurverhogingen geregeld is en dat die regeling conform de afspraken uit het Woonakkoord is en dat ik niet bereid ben een verdergaande regeling in te voeren.
Bent u van mening dat wanneer huurverhogingen kunnen plaatsvinden op basis van het inkomen, dan ook huurverlagingen moeten plaatsvinden wanneer het inkomen daalt? Zo nee, waarom voert u dat het beleid niet uit zoals staat aangegeven op de site van de rijksoverheid?2
Zie antwoord vraag 1.
Van hoeveel huurders die afgelopen jaren inkomensafhankelijke huurverhogingen hebben gekregen, is het inkomen gedaald zodat zij in een lagere inkomenscategorie vallen en een huurverlaging zouden moeten krijgen? Hoeveel van hen hebben daadwerkelijk huurverlaging gekregen?
In het AO Diverse woononderwerpen van 25 mei 2016 heb ik toegezegd dat ik dit najaar bij de woningcorporaties ga navragen hoe vaak zij de huurprijs op voorstel van de huurder wegens inkomensdaling hebben verlaagd.
Waarom handhaaft u verhoogde huurprijzen voor huurders die in inkomen zijn gedaald, en straft u daarmee rechtmatig huurders van sociale huurwoningen door hen elke maand opnieuw de huurverhoging te laten betalen, terwijl zij bij een verhuizing deze verhoging niet zouden hoeven te betalen?
Zoals ik in antwoord 1 en 2 heb aangegeven, biedt de wet aan huurders van wie het inkomen na een of meer inkomensafhankelijke huurverhogingen (substantieel) daalt de mogelijkheid om een huurverlaging aan de verhuurder voor te stellen.
Het huurbeleid kent alleen een inkomensafhankelijke huurverhoging, niet een inkomenafhankelijke huurprijs. De (maximale) huurprijs van een woning is afhankelijk van de kwaliteit van de woning. Die woningkwaliteit wordt met het woningwaarderingsstelsel uitgedrukt in punten en aan een puntenaantal wordt een maximale huurprijsgrens toegekend (hoe meer punten, hoe hoger de maximale huurprijsgrens van de woning). Indien de huurprijs door de voorgestelde huurverhoging boven de maximale huurprijsgrens van de woning uitstijgt, kan de huurder met succes bezwaar maken tegen het huurverhogingsvoorstel.
Het is geen vaststaand gegeven dat een huurder bij een verhuizing de verhoogde huurprijs niet zou hoeven te betalen. Dat is afhankelijk van de hoogte van de huurprijs die de huurder voor de (oude) woning betaalt, van het type verhuurder van de nieuwe woning (een woningcorporatie is of niet), van de inkomenscategorie van de huurder en de woningkwaliteit van de nieuwe woning.
Sinds 1 juli 2015 moeten woningcorporaties jaarlijks minimaal 80% van hun vrijgekomen sociale huurwoningen toewijzen aan huishoudens met een inkomen tot € 35.739 (prijspeil 2016). Verder mag 10% naar huishoudens met een inkomen tussen € 35.739 en € 39.874 (prijspeil 2016) en 10% naar de hogere inkomens. En voor de laagste inkomens geldt dat woningcorporaties jaarlijks bij hun woningtoewijzing aan 95% van de huishoudens met een inkomen onder de huurtoeslaggrens (€ 22.100 voor eenpersoonshuis-houdens en € 30.000 voor meerpersoonshuishoudens; prijspeil 2016) een woning moeten toewijzen met een huurprijs die niet hoger is dan de aftoppingsgrens (€ 586,68 voor een- en tweepersoonshuishoudens en € 628,76 voor meerpersoonshuishoudens; prijspeil 2016).
Voor sociale huurwoningen van beleggers of particuliere verhuurders gelden geen (maximale) inkomensgrenzen.
Hoe verhoudt uw oproep de huren niet te verlagen zich tot de uitspraak van de Kamer waarin u het verzoek heeft gekregen huurverlaging bij woningcorporaties te stimuleren? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Zoals ik in antwoord 1 en 2 heb aangegeven, heb ik geen oproep gedaan om de huren niet te verlagen. Ik heb slechts aangegeven dat ik niet bereid ben om de bestaande huurverlagingsmogelijkheid (zie het antwoord op vragen 1 en 2) te verruimen.
In mijn brief van 19 februari 2016 (Kamerstuk 32 847, nr. 218) heb ik in reactie op de motie Karabulut/Monasch3 over het stimuleren van toegelaten instellingen tot huurverlaging zodat mensen huurtoeslag kunnen aanvragen, aangegeven dat de wet al een dergelijke huurverlagingsmogelijkheid biedt voor huishoudens waarvan het inkomen na een of meer inkomensafhankelijke huurverhogingen is gedaald en dat het verhuurders in overige gevallen vrij staat om de huurprijs te verlagen. Het probleem bij dit laatste is dat de verhuurder niet het recht heeft de huurprijs ook weer in één keer naar het oude niveau te verhogen indien het huishoudinkomen weer is gestegen.
Met de huursombenadering zoals die per 1 januari 2017 geldt, is het basishuurverhogingspercen-tage gesteld op inflatie+2,5%. Dat biedt verhuurders al de mogelijkheid om een relatief lage huurprijs met de jaarlijkse huurverhogingen enigszins versneld te verhogen. De extra huurverhoging voor huishoudens met een inkomen boven de toewijzingsgrens voor corporatiehuurwoningen biedt verhuurders de mogelijkheid om indien het huishouden een inkomensstijging tot boven die grens heeft doorgemaakt, de huurprijs in grotere sprongen te verhogen (inflatie+4%). Met deze instrumenten kunnen verhuurders een afgewogen keuze maken of zij bereid zijn de huurprijs bij een inkomensdaling van huurders vrijwillig te verlagen, en zo ja, in welke mate.