Het bericht ‘Gouda is een onveilige gemeente’ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de AD misdaadmeter 2017 waaruit blijkt dat de kans op inbraak in Gouda, Bodegraven-Reeuwijk en Waddinxveen het hoogste is van Nederland?1
Ja.
Is het correct dat sterkte van het basisteam Bodegraven-Reeuwijk en Gouda 138 fte zou moeten omvatten en dat op deze sterkte een tekort van 20 fte bestaat? Kunt u aangeven in welke mate dit tekort bijdraagt aan het niet kunnen voorkomen dan wel opsporen van woninginbraken? Op welke termijn is de politie sterkte van minimaal 138 fte gerealiseerd?
De verdeling van de politiesterkte per basisteam is vastgelegd in het Inrichtingsplan Politie, dat ook aan uw Kamer is verzonden2. Hoe de politiecapaciteit wordt ingezet, wordt bepaald in het gesprek dat tussen politie, officier van justitie en burgemeester(s) plaatsvindt in de gezagsdriehoek. Verantwoording over die inzet wordt op lokaal niveau afgelegd, door de burgemeester in de gemeenteraad. Over deze specifieke casus doe ik dan ook geen uitspraken. De politie is een flexibele organisatie. Indien nodig kan zij door (horizontale) samenwerking of (verticale) opschaling extra capaciteit leveren.
Deelt u de mening dat daders van woninginbraken veelal afkomstig zijn uit de nabije omgeving waar inbraken gepleegd worden? Kunt u aangeven hoe dat ligt ten aanzien van daders van woninginbraken in de gemeente Gouda in de jaren 2015 en 2016?
Uit een interne landelijke analyse van de politie uit 2014 naar de aard en omvang van woninginbraken blijkt dat de meerderheid van de woninginbraken worden gepleegd door daders uit de nabije omgeving van het plaats delict. Uit recente lokale cijfers blijkt dat 79% van de bekende verdachten van een woninginbraak in Gouda, tevens woonachtig is in Gouda (periode 2014–2016).
Is er een verband tussen het vrijkomen van verdachten en veroordeelden en een stijging in het aantal inbraken en pogingen tot inbraak?
Uit onderzoek van het WODC is gebleken dat het algemeen recidive (2 jarige prevalentie) tussen 2002 en 2012 voor volwassen daders is gedaald, van 29,2% in 2002 naar 25.0% in 20123. Op dit moment is er geen recent onderzoek beschikbaar om specifieke uitspraken te kunnen doen naar de ontwikkeling van recidive bij plegers van woninginbraken. Ik kan uw Kamer wel informeren over het feit dat het WODC op mijn verzoek in 2016 een onderzoeksprogramma is gestart om tot en met 2021 recidivemetingen uit te voeren naar plegers van High Impact Crimes (i.c. woninginbrekers en overvallers). Naast informatie over de totale populatie recidivisten wordt ook onderzocht welke regionale verschillen er bestaan. Dit programma vindt plaats ten behoeve van een nog gerichtere aanpak in de toekomst.
Welke maatregelen worden er in en rond Gouda in de justitiële keten (inclusief het veiligheidshuis) genomen om de kans op woninginbraak te minimaliseren? Is er daarbij sprake van een individu-gerichte aanpak?
De lokale driehoek in Gouda heeft mij aangegeven dat de aanpak van woninginbraken prioriteit heeft. Op basis van een gezamenlijk plan met zo’n 15 maatregelen werken politie, openbaar ministerie, gemeenten en andere partners samen om het tij te keren. Er worden dadergerichte maatregelen genomen om de pakkans te vergroten. Het uitgangspunt bij de vervolging is dat alle van woninginbraak verdachte personen worden voorgeleid bij de rechtercommissaris en zo mogelijk worden aangebracht bij de meervoudige kamer. Het is van groot belang dat de gevolgen van een inbraak duidelijk kenbaar worden gemaakt aan de verdachte en de samenleving. Verder wordt waar mogelijk het wederrechtelijk verkregen voordeel van de verdachte afgenomen. Daarnaast zijn er maatregelen om te voorkomen dat daders recidiveren en worden er concrete preventiemaatregelen genomen.
Binnen het Veiligheidshuis Hollands Midden vindt ook de Top60 aanpak plaats; dit is een specifieke aanpak van de gemeente Gouda gericht op hoog-risicodaders. Ook personen die verdacht worden van een (poging tot) woninginbraak kunnen binnen de aanpak vallen. Voor iedere Top60»er is er een individuele aanpak, die ook is gericht op zijn of haar gezin. Hierbij wordt ingezet op instroombeperking: het voorkomen dat minderjarige broertjes, zusjes en/of kinderen van de Top60»er strafbare feiten gaan plegen.
Welke inzet pleegt u om de woninginbraken in deze hoog risico gebieden te verminderen?
De aanpak van woninginbraken is voor mij ook komend jaar prioriteit. In samenwerking met gemeenten, de strafrechtketen, bedrijven, maatschappelijke organisaties (waaronder ouderenbonden) en het CCV worden op lokaal niveau gerichte concrete maatregelen genomen om woninginbraken in hotspot-gebieden te voorkomen. Hierbij is voor 2017 een aantal speerpunten benoemd: stimuleren samenwerking gemeenten en woningbouwcorporaties, versterking aanpak opsporing en vervolging, stimuleren van burgerinitiatieven, stimuleren van de toepassing van het Politie Keurmerk Veilig Wonen (PKVW) en continueren landelijke campagne «Harm Alarm».
Het bericht 'Patstelling postcoderoos tussen energieleveranciers en Coöperaties' |
|
André Bosman (VVD) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Patstelling postcoderoos tussen energieleveranciers en Coöperaties»?1
Ja.
In hoeverre bent u bekend met het niet mee willen werken aan de postcoderoosregeling door energiebedrijven?
Mij heeft het nieuws bereikt dat er energiebedrijven zijn die geen medewerking verlenen aan de postcoderoosregeling. Ik ben bekend met het overzicht op de website van «HIER opgewekt», waar staat welke twaalf leveranciers in ieder geval hebben aangegeven mee te werken aan de regeling.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat klanten van sommige energieleveranciers niet deel kunnen nemen aan een regeling om duurzame energie te stimuleren?
Ik ben van mening dat het in het kader van de energietransitie wenselijk zou zijn als alle leveranciers zouden meewerken. Energieleveranciers kunnen hiermee ook laten zien dat zij bijdragen aan de energietransitie.
In hoeverre bent u bereid deze problematiek voor de ICT systemen mee te nemen in de evaluatie van de postcoderoosregeling?
Bij de evaluatie van de regeling die voor dit jaar staat gepland, zal worden gekeken hoe doelmatig en doeltreffend de regeling is. Vanuit die invalshoek zullen ook de administratieve lasten voor coöperaties, VVE’s en energiebedrijven worden bezien.
In hoeverre bent u bereid de acceptatie van de postcoderoosregeling door energieleveranciers te verplichten?
Ik overweeg op dit moment niet om de energieleveranciers te verplichten. Een aantal energieleveranciers gaf ten tijde van het opstellen van de regeling verlaagd tarief energiebelasting aan dat zij hoge kosten zouden moeten maken om hun administratieve systemen op de regeling in te richten. Bij de inwerkingtreding van de regeling is besloten om energieleveranciers niet wettelijk te verplichten om mee te werken. Leden van een energiecoöperatie kunnen ook van leverancier wisselen om gebruik te maken van de regeling. De verwachting was dat bij voldoende belangstelling voor de regeling dit energieleveranciers zou kunnen overtuigen om alsnog mee te werken. Het initiatief ligt daarmee in eerste instantie bij de energieleveranciers. De uitvoerbaarheid en administratieve lasten van de regeling zullen aan bod komen bij de evaluatie van de regeling.
Hoge reiskosten binnen de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «WHO steekt meer budget in reiskosten dan aidsbestrijding»?1
Ja.
Kunt u de berichten bevestigen dat de WHO vorig jaar 200 miljoen euro heeft uitgegeven aan reiskosten?
Ja, de WHO bevestigt dit in een persbericht van 21 mei jl. in reactie op berichtgeving van Associated Press over de reiskosten van de WHO. Het genoemde bedrag is ook terug te vinden in de financiële rapportages van de WHO.
Wat is uw reactie op dit bericht, gezien de verhouding tussen de gemaakte reiskosten en het totale budget van de WHO (200 miljoen op 2 miljard euro, oftewel 10%) en tussen de reiskosten en gemaakte kosten aan aidsbestrijding (71 miljoen euro), malariabestrijding (61 miljoen euro) en tuberculosebestrijding (59 miljoen euro)?
Het Kabinet deelt de zorg over de hoge reiskosten en vindt dat de WHO zich moet inspannen om deze kosten te beperken. Nederland en gelijkgezinde donoren volgen de uitgaven van de WHO nauwgezet. Tijdens het Programma- en Budget Comité en de Wereldgezondheidsassemblee van mei jl. zijn naar aanleiding van berichtgeving in de pers kritische vragen gesteld over de hoogte van de reiskosten. De WHO heeft aangegeven altijd te zoeken naar manieren om de reiskosten te verminderen. Nederland zal de WHO hierop blijven aanspreken en de WHO aansporen om grotere kostenefficiëntie te bewerkstellingen.
Het bedrag van USD 200 miljoen is opgebouwd uit verschillende elementen. Aan reiskosten van het WHO-personeel is volgens de WHO minder dan de helft van dit bedrag besteed. Ongeveer 60% is uitgegeven aan reizen van externe experts en aan vertegenwoordigers van lidstaten om deel te nemen aan expertbijeenkomsten en aan zittingen van de WHO-bestuursorganen. De kosten betreffen vliegreizen, dagvergoedingen en andere, aan reizen gerelateerde kosten.
Voor wat betreft de verhouding tussen reiskosten en uitgaven voor de bestrijding van aids, malaria en tuberculose is het goed te bedenken dat de bestrijding van deze drie ziekten juist grotendeels door andere organisaties wordt ondersteund, in het bijzonder door het Global Fund to fight Aids, Tuberculosis and Malaria (GFATM). Daarom besteedt de WHO relatief weinig geld aan de bestrijding van deze ziekten.
Deelt u de mening dat deze verhouding totaal scheef is – ook gezien de veel lagere kosten die vergelijkbare organisaties zoals Artsen Zonder Grenzen en UNICEF maken voor reizen – en dat een dermate hoog bedrag aan reiskosten verre van doelmatig is? Kunt u uw antwoord toelichten?
De WHO en UNICEF geven per stafmedewerker ongeveer hetzelfde uit aan reizen. De reiskosten van deze organisaties zijn niet te vergelijken met een niet-gouvernementele hulporganisatie zoals Artsen Zonder Grenzen. WHO werkt vaak met experts die in verschillende landen werken en daardoor meer reizen. Artsen zonder Grenzen werkt vaak met experts vast op een bepaalde locatie en heeft daardoor minder reiskosten. Door deze verschillen in werkwijze zijn deze organisaties niet te vergelijken met de WHO. Nederland volgt de uitgaven van de WHO kritisch en zal de WHO blijven aansporen om de reiskosten te verminderen, soberheid te betrachten en kosten te besparen.
Kloppen de berichten in het artikel over hotelovernachtingen van WHO-personeel in 5-sterrenhotels, het overnachten in hotels a 900 euro per nacht door de algemeen-directeur van de WHO, en het vliegen naar klinieken met helikopters in plaats van met jeeps door Bruce Aylward (kosten 400.000 euro per jaar), die het crisisteam van de WHO tijdens de uitbraak van de ebolacrisis leidde? Bent u van mening dat dit soort zaken ontoelaatbaar zijn binnen een organisatie als de WHO? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er mag, op basis van het reisbeleid van de WHO, alleen in businessclass worden gereisd als de vlucht langer dan 9 uur duurt. De dagvergoedingen worden conform VN-normen uitbetaald. De WHO heeft een duidelijk reisbeleid, dat onlangs is aangescherpt. Er mag niet eerste klas worden gereisd. Dit is ook van toepassing op de Directeur-Generaal (DG). De vorige DG hield zich hier strikt aan en van de nieuwe DG, die onlangs is aangetreden, wordt dit ook verwacht.
Dr. Bruce Aylward leidde of nam deel aan meer dan 50 missies om de verspreiding van Ebola in kaart te brengen, activiteiten van Ebola bestrijding te plannen en de effectiviteit van de interventies van WHO en de partners te beoordelen. Zijn aanwezigheid in West-Afrika was nodig om de coördinatie van de activiteiten ter plaatse en op het hoofdkantoor goed te coördineren. Dr. Aylward reisde naar de meest afgelegen plaatsen in West-Afrika. Onbegaanbare wegen noodzaakten hem soms per helikopter te reizen in plaats van met de auto. VN-staf gebruikt helikopters om snel personeel, benodigde uitrusting en materialen naar afgelegen gebieden te brengen, wanneer transport over de weg onmogelijk is of tot grote vertraging leidt.
Heeft de WHO zelf al gereageerd op deze berichtgeving? Zo ja, op welke wijze?
Ja, de WHO heeft op 21 mei jl. een persbericht uitgegeven in reactie op berichtgeving in de media over de reiskosten van de WHO.
Bent u voornemens deze werkwijze aan de orde te stellen in uw contacten met de WHO en met andere VN-lidstaten? Zo ja, wanneer, op welke wijze en met welke inzet? Zo nee, waarom niet?
Nederland volgt de uitgaven van de WHO nauwgezet. Nederland dringt tijdens de Uitvoerende Raden en het Programma- en Budgetcomité samen met andere VN-lidstaten aan op kostenefficiëntie en op soberheid. Dat heeft ertoe geleid dat de reiskosten in 2016 met 14% zijn gedaald ten opzichte van het voorgaande jaar. De redenen zijn minder reizen gerelateerd aan de Ebola-crisis, en strikter beleid en navenante uitvoering. Recentelijk heb ik de nieuwe DG Dr. Tedros gesproken en hem gevraagd kostenbesparing hoog op de agenda te houden.
Tijdens het Programma- en Budgetcomité en de Wereldgezondheidsassemblee in mei jl. zijn de reiskosten aan de orde geweest. De WHO heeft de vragen van lidstaten hierover in overeenstemming met het persbericht beantwoord.
Vindt u dat de WHO haar geloofwaardigheid en kredietwaardigheid heeft verspeeld, vooral ook in het licht van aanhoudende tegenvallende prestaties van de WHO in de afgelopen jaren (scorecards), onder andere op het onderdeel financiële prioriteitenstelling? Zo ja, vindt u dan ook dat dit consequenties moet krijgen? Zo nee, waarom niet?
De WHO is de belangrijkste VN-organisatie op het terrein van de internationale volksgezondheid, een spil in het internationale gezondheidsbeleid en relevant voor alle landen. De Ebola-uitbraak in West-Afrika heeft de wereld wakker geschud en het belang van een goed functionerende Wereldgezondheidsorganisatie benadrukt. Niet alleen als organisatie die normatieve taken heeft en technische assistentie geeft, maar ook in (medische) crisissituaties. De WHO is relevant voor prioritaire thema’s van het Nederlandse volksgezondheidsbeleid, zoals antimicrobiële resistentie, dementie en toegang tot (betaalbare) geneesmiddelen. De WHO speelt verder een belangrijke rol in het behalen van de prioriteiten van het beleid voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, zoals seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) en gender, en in de implementatie en monitoring van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen op het terrein van gezondheid. Het belang van het werk van de WHO en de voorlopige resultaten van de ingezette hervormingen geven geen aanleiding tot wijziging van het huidige beleid ten aanzien van de WHO.
Bent u, gezien deze grove verspilling van schaarse gemeenschapsmiddelen, bereid de Nederlandse bijdrage aan de WHO sterk te korten dan wel volledig stop te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 8.
Het voornemen last onder dwangsom gaswinning onder de Waddenzee |
|
Sandra Beckerman |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
Wat is de reden dat het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) op 21 december 2015 namens u het handhavingsonderzoek van de Waddenvereniging heeft afgewezen?1
Wat was destijds de onderbouwing om te stellen dat «de NAM weliswaar in overtreding is, maar dat er vooralsnog in voldoende mate opgetreden wordt om uitvoering te geven aan de «nadere studie»-voorwaarde om daarmee de overtreding te beëindigen»?2
Kunt u toelichten waarop uw mening over «de voldoende mate van optreden van de NAM» is gestoeld? Staat u hier nog steeds achter en kunt u een toelichting geven?
Kan de Kamer de informatiewisseling die ten grondslag heeft gelegen aan de afwijzing van het handhavingsonderzoek van de Waddenvereniging ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik voeg hiertoe de brief van SodM aan NAM van 11 november 2015 en het verslag van de workshop Long Term Subsidence fase II van 7 en 8 december 2015 (voor zover relevant) toe als bijlagen bij deze brief3.
Was bij u bekend dat aan de rapporten die op 30 juni 2015 door het SodM zijn ontvangen, geen integrale toetsing van de aannemelijke verklaringen voor de tijdsafhankelijke effecten aan de historische productie en bodemdalingsdate was toegevoegd? Was bij u bekend dat de inspecteur-generaal der mijnen (IGM) op 1 november 2015 heeft aangegeven dat de studie «niet ten genoegen was uitgevoerd»? Is het naar uw mening verstandig geweest om ondanks het ontbreken van dergelijke relevante stukken het handhandhavingsverzoek op 21 december 2015 af te wijzen? Bent u van mening dat het algemeen belang gediend is geweest bij het afzien van handhavend optreden? Kunt u toelichten wat naar uw mening de «winst» van dergelijk handelen was?
Conform het hiervoor genoemde door mij verleende mandaat heeft SodM op 11 november 2015 de brief aan NAM verstuurd. In deze brief werd aangegeven dat de studie nader aangevuld moest worden. Ook stelde de IGM in deze brief voorwaarden aan de timing en inhoud van het nog aan te leveren onderzoek.
De afwijzing van het handhavingsverzoek is in een besluit vastgelegd, waar bezwaar en beroep tegen openstond. Het bezwaar van de Waddenvereniging is bij besluit van 7 juli 2016 afgewezen. Hiertegen is geen beroep aangetekend. Ik zie dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de correctheid van dit besluit en sta achter de gevolgde wijze van handelen. Bestuurlijke handhaving is pas mogelijk als de overtreder een redelijke mogelijkheid heeft gehad de overtreding vrijwillig te beëindigen. NAM heeft met het oog daarop een termijn gehad tot 1 februari 2017 om de studie af te ronden.
Hoe kwalificeert u het feit dat de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) op 31 januari 2017 – een dag voor de gestelde deadline – de resultaten van de Long Term Subsidence Study part two (LTS-II) stuurt, die blijkbaar op 17 maart 2017 wederom aanvulling behoefde? Hoe kwalificeert u het feit dat ondanks de gegeven tijd, de aangeleverde stukken nog steeds als kwalitatief onvoldoende worden beschouwd om de effecten van de gaswinning onder de Waddenzee bij Ameland te beoordelen?3
Bent u bereid om de NAM maandelijks te (laten) bevragen over de voortgang van het oplossen van de technische onvolkomenheden? Bent u daarnaast bereid om actief na te gaan welk programma of welke tool geschikter is om de bodemdalingskom te berekenen dan het programma Aesubs en deze zoektocht met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid nadrukkelijk te communiceren dat de studie op 31 oktober 2017 volledig en compleet zal moeten worden aangeleverd, waarbij het later nazenden van (deel-)rapporten niet wordt geaccepteerd? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat de NAM tot februari 2017 werkelijk alle ruimte heeft gekregen een deugend rapport te leveren en dat het SodM herhaaldelijk en op tijd heeft aangegeven waar onderzoeksvragen lagen die beantwoord dienden te worden?
Ziet u mogelijkheden om de boringen op de Wadden tot 1 november 2017 geheel stil te leggen? Zo niet, bent u dan bereid vanwege het uitblijven van bruikbare onderzoeken het «hand aan de kraan»-principe gestand te doen en de NAM op te dragen hun winning in de Waddenzee in ieder geval tot 1 november 2017 significant terug te brengen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals ik in mijn brief van 20 juni 2017 (Kamerstuk 29 684, nr. 145) aan uw Kamer heb aangegeven, toetst de Auditcommissie gaswinning Waddenzee elk jaar op basis van de meet- en monitoringsrapportages van NAM of de bestaande gaswinning vanaf de locaties Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen in het betreffende meet- en monitoringsjaar is gebleven binnen de toegestane grenzen van het instemmingsbesluit en van de vergunning op grond van de wet Natuurbescherming en adviseert mij hierover.
Ter uitvoering van de motie Van Veldhoven en Jan Vos inzake de gaswinning onder de Waddenzee (Kamerstuk 31 239, nr. 240) heb ik uw Kamer bij brief van 1 februari 2017 (Kamerstuk 29 684, nr. 144) nader geïnformeerd over de adviezen van de Auditcommissie over de jaren 2014 en 2015. In deze brief heb ik aangegeven dat, indien de meet- en monitoringsresultaten en het advies van de Auditcommissie aangeven dat een (dreigende) overschrijding van het meegroeivermogen aan de orde is, ik de gaswinning in het betreffende gebied geheel of gedeeltelijk zal stilleggen («Hand aan de Kraan»). Het gevolg daarvan is dat de bodemdalingssnelheid door de gaswinning dan zal afnemen, waardoor aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Waddenzee wordt voorkomen. Een (dreigende) overschrijding van het meegroeivermogen is echter vanaf 2007 tot nu nog niet aan de orde geweest.
Gezien de door SodM geconstateerde tekortkomingen in de LTS-II studie zijn de uitkomsten van deze studie vooralsnog niet te gebruiken voor de beoordeling van de effecten van de gaswinning op de bodemdaling onder de Waddenzee. Ik heb de Auditcommissie gaswinning Waddenzee geïnformeerd over deze ontwikkeling, zodat zij deze informatie kan betrekken bij haar advisering.
Bent u bereid een second opinion en/of een echt onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de gevolgen van de winningen op de Wadden?
SodM is de onafhankelijke toezichthouder op dit gebied. In de evaluatie van de studie zal SodM, indien nodig, dit verder laten verifiëren door andere partijen met relevante expertise.
Kunt u aangeven op welke wijze uitvoering gegeven wordt aan een van de hoofdaanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) om een totaal onafhankelijk onderzoeksprogramma op te stellen en op welke wijze de diverse moties en amendementen ingediend op dit punt en aangenomen door de Kamer zijn of worden afgedaan?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de kabinetsreactie op de evaluatie van de Onderzoeksraad voor Veiligheid inzake de aardbevingsrisico’s Groningen. Ik verwacht deze kabinetsreactie omstreeks 1 juli 2017 aan uw Kamer te kunnen toesturen.
De beoordeling van homoseksualiteit door de IND |
|
Jasper van Dijk , Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat een homoseksuele asielzoeker uit Alkmaar wordt uitgezet omdat zijn homoseksualiteit door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) onvoldoende bewezen wordt geacht?1
Ja.
Kunt u aangeven waarom het niet als bewijs van homoseksualiteit kan worden erkend als twee asielzoekers zich overtuigend in Nederland presenteren als partners? Zo nee, waarom niet?
Allereerst wil ik verduidelijken dat homoseksualiteit in het kader van de asielprocedure niet «bewezen» hoeft te worden. Wanneer een vreemdeling stelt dat hij homoseksueel is, is het aan hem om de gestelde seksuele gerichtheid nader te onderbouwen. Bij de beoordeling van het asielverzoek wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat het voor een vreemdeling niet mogelijk is om met sluitend bewijs aan te tonen dat hij homoseksueel is. De loutere stelling van de vreemdeling dat hij homoseksueel is, is anderzijds ook niet voldoende. De beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid bevindt zich tussen deze twee uitersten. De IND geeft – in algemene zin – een vreemdeling het voordeel van de twijfel, indien aan een aantal voorwaarden is voldaan, die zijn omschreven in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn.
Indien er na het asielgehoor aanvullende informatie nodig blijkt om tot een zorgvuldige beoordeling van de zaak te kunnen komen, kan de vreemdeling worden uitgenodigd voor een aanvullend gehoor waarin hij nader kan verklaren over zijn gerichtheid. De IND kan daarbij vragen stellen die de vreemdeling kunnen helpen zijn relaas nader te onderbouwen.
Wat is de reden dat in de werkinstructie van de IND over de beoordeling van de geloofwaardigheid van homoseksuele gerichtheid, een sterke nadruk wordt gelegd op de beschrijving van het proces van bewustwording van homoseksuele gevoelens en wat de asielzoeker aan de hand daarvan in het land van herkomst is overkomen? Is het doel van de werkinstructie dat hiermee asielzoekers, die in het land van herkomst niet zijn uitgekomen voor hun homoseksualiteit en daarom zijn vervolgd, geen aanspraak kunnen maken op asiel in Nederland?
In de werkinstructie wordt inderdaad belang gehecht aan de beschrijving van het proces van bewustwording van homoseksuele gevoelens en wat het voor iemand betekent om «anders» te zijn in een maatschappij waar homoseksuele gerichtheid niet wordt geaccepteerd. Het doel hiervan is om met behulp van open vragen het asielverzoek zo objectief en effectief mogelijk te beoordelen. Dit betekent niet dat iemand die in het land van herkomst niet is uitgekomen voor zijn homoseksualiteit geen aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning.
Deelt u de opvatting dat vragen vanuit de IND aan asielzoekers over waar hun homoseksuele gevoelens vandaan zijn gekomen en hoe deze gevoelens zich hebben ontwikkeld de indruk geven dat seksuele oriëntatie stuurbaar is en niet onderdeel zijn van iemands persoon? Bent u derhalve van mening dat deze vragen geen plaats dienen te hebben in een verhoor? Bent u bereid de werkinstructies van het IND hierop aan te passen?
De opvatting dat de vragen van de IND de indruk geven dat de seksuele oriëntatie stuurbaar is deel ik niet. Zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven wordt belang gehecht aan het proces van bewustwording maar dat is niet hetzelfde als hetgeen deze vraag impliceert. Ik herken mij daarom niet in het beeld dat aan asielzoekers wordt gevraagd waar hun (homo)seksuele gevoelens vandaan komen. De beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid is niet eenvoudig, vandaar dat de IND deze beoordeling verricht conform een uitgebreide werkinstructie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze beoordelingssystematiek deugdelijk bevonden. Ik zie geen aanleiding om de werkinstructie en de daarop gebaseerde werkwijze aan te passen. Elke individuele zaak wordt zorgvuldig beoordeeld. Alle relevante elementen worden gewogen en op geloofwaardigheid en zwaarwegendheid beoordeeld.
Deelt u de opvatting dat de huidige werkinstructie van de IND in onvoldoende mate rekening houdt met de taboesfeer waarin homoseksualiteit zich in veelvoorkomende landen van herkomst bevindt en de gevolgen dat dit mogelijk heeft voor het bewustwordingsproces van LHBTI’ers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de werkinstructie op dit punt te wijzigen?
De werkinstructie van de IND houdt wel degelijk rekening met het feit dat homoseksualiteit in veel landen van herkomst taboe is. De werkinstructie biedt voldoende ruimte om in een gehoor met een vreemdeling te spreken over de mate waarin hij moeite heeft gehad met het accepteren dat hij homoseksueel is, met name als ook zijn directe omgeving dit onacceptabel vindt dan wel er sprake is van een maatschappij waarin homoseksualiteit niet wordt geaccepteerd.
Voortzetting en verharding van de ontgroeningsrituelen bij studentenverenigingen |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van een serie artikelen over ontgroeningsrituelen bij studentenverenigingen, zoals de ontgroeningsrituelen bij de Groningse studentenvereniging Vindicat?1 2 3
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen en opvattingen die uit deze artikelen naar voren komen over de verharding van de ontgroeningscultuur, ondanks de roep een einde te maken aan excessen met geweld, vernedering en seksisme en zelfs de beëindiging van ontgroeningen?
Die signalen vind ik zeer ernstig. Zoals ik eerder heb aangegeven, is het van belang dat beginnende studenten in contact komen met andere studenten. Verenigingen vormen in beginsel een belangrijk onderdeel van het studentenleven en geven de mogelijkheid zulke contacten te leggen, ook buiten de directe studieomgeving. De grens van het toelaatbare ligt wat mij betreft daar waar geweld wordt gebruikt, er onvrijwillige of abjecte handelingen plaats (moeten) vinden, er sprake is van stelselmatige vernedering, er sprake is van seksuele intimidatie en/of er op manieren strijdig met het Nederlandse strafrecht wordt gehandeld.
Deelt u de opvatting dat het erg zorgwekkend is dat een noodzakelijke cultuur van transparantie en rapportage over en van grensoverschrijdende «incidenten» door de betrokken onderwijsinstellingen nog steeds problematisch is en dat hiermee ook een voortzetting en verharding dreigt van de bovengenoemde ontgroeningen en de zwijgcultuur hierover?
Ik vind het zorgwekkend als inderdaad blijkt dat onderwijsinstellingen geen volledig beeld hebben van voorkomende excessen bij studentenverenigingen en daar onvoldoende tegen optreden. Ik heb hen daar in het verleden ook al meermaals op aangesproken. Zolang er nog instellingen zijn die geen waterdichte afspraken hebben gemaakt met studentenverenigingen, zal ik hen daar op blijven aanspreken. Het is van een groot belang dat hogeronderwijsinstellingen hun verantwoordelijkheid nemen en zowel structurele afspraken maken met studentenverenigingen, als bij ieder voorkomend incident een indringend gesprek voeren met de betreffende vereniging.
Herinnert u zich nog uw antwoord op eerdere vragen4 om universiteiten en hogescholen te dwingen tot een duidelijkere houding en hardere sancties tegen studentenverenigingen, ook via de bekostiging daarvan door de universiteit, in geval van ontgroeningen met geestelijke en fysieke mishandeling, intimidatie en seksisme richting medestudenten? Bent u in het licht van deze berichtgeving en naar aanleiding van uw antwoord «dat u in gesprek was met universiteiten en hogescholen en stevig optreden verwacht bij ontoelaatbare incidenten» bereid om sancties richting onderwijsinstellingen niet te schuwen, indien zij dergelijke ontgroeningspraktijken onvoldoende en niet transparant aanpakken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik ook onder vraag 3 heb aangegeven, vind ik het primair aan instellingen om hier daadkrachtig tegenop te treden. Het instrument «normeren» en wijzen op de rol en verantwoordelijkheden van instellingen, acht ik op dit moment vanuit mijn positie krachtiger dan financiële en juridische begrenzingen vanuit het Rijk.
Op welke wijze denkt u bij te kunnen dragen aan voorkoming van een eventuele verharding van de ontgroeningscultuur en het tegengaan van ontoelaatbare excessen bij ontgroeningen door studentenverenigingen?
Uiteraard ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het welzijn van (aspirant-) leden van studentenverenigingen, bij die verenigingen zelf. Ik vertrouw er op dat zij, mede gelet op de maatschappelijke onrust, hun rol nemen, zich houden aan de aangepaste afspraken met onderwijsinstellingen en er alles aan doen om morele en fysieke grenzen niet te overschrijden. Studenten zijn immers waardendragers van de toekomst.
Ik monitor de ontwikkelingen en normeer in voorkomende gevallen. Ook wil ik dat universiteiten en hogescholen meer vertrouwenspersonen aanstellen, waar studenten (maar ook ouders of andere betrokkenen) anoniem misstanden bij verenigingen kunnen melden.
Ook laat ik geen gelegenheid onbenut om de instellingen te wijzen op hun rol bij het voorkomen van ontoelaatbaar gedrag bij verenigingen. Ik doe dat door de onderwijsinstellingen te wijzen op het belang van het hebben van een adequate inventarisatie van incidenten en er op aan te dringen dat zij zowel over alle incidenten als de onderliggende cultuur steeds in gesprek moeten gaan met de betreffende verenigingen.
Het bericht dat Nederland op het spoor is van contacten tussen hulporganisaties en smokkelbendes |
|
Martijn van Helvert (CDA), Mona Keijzer (CDA), Raymond Knops (CDA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat een Nederlandse inlichtingendienst samen met een Duitse inlichtingendienst via militaire schepen en spookschepen al enkele maanden op het spoor zouden zijn van contacten tussen mensensmokkelaars en schepen van hulporganisaties in de Middellandse zee tussen Libië en Italië?1
Over operaties van de Nederlandse inlichtingendiensten en het uitwisselen van informatie met partners worden in het openbaar geen uitspraken gedaan.
Klopt het dat deze dienst en de regeringen in Den Haag en Berlijn daarover ingelicht hebben?
Zie antwoord vraag 1.
Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de antwoorden van zowel de Minister van Buitenlandse Zaken2 als de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie3 dat het kabinet «niet beschikt over aanwijzingen dat er sprake zou zijn van rechtstreeks contact tussen sommige hulporganisaties en criminele smokkelbendes»?
De kwestie heeft de aandacht van het kabinet. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld is de Italiaanse justitie bezig met een oriënterend feitenonderzoek naar mogelijke contacten tussen sommige hulporganisaties en criminele mensensmokkelorganisaties. Het kabinet wacht de uitkomsten van dit onderzoek af.
Herinnert u zich de uitspraak van de Minister van Buitenlandse Zaken tijdens het Algemeen overleg over de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) op 10 mei jl., die stelde «van niets te weten» en er «met extra aandacht» naar zou gaan kijken?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid dit te doen en de Kamer daarover te informeren?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verloopt de informatievoorziening vanuit de inlichtingendiensten richting het kabinet, alsmede de interdepartementale afstemming, als het gaat om informatie betreffende contacten tussen sommige hulporganisaties in de Middellandse Zee en smokkelbendes? Ziet u ruimte voor verbetering?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de Italiaanse openbare aanklager Zuccaro: «Er zijn hulpschepen die buiten het internationale water treden, de satellietzenders afbreken om niet te worden getraceerd. Ze krijgen telefoontjes uit Libië waarin wordt gezegd dat er rubberen boten op zee worden gestuurd die ze moeten komen ophalen.»?4
Schepen van ngo’s komen soms zeer dichtbij de Libische kust om reddingsoperaties uit te voeren. Mensensmokkelaars hebben hun modus operandi hieraan aangepast door bijvoorbeeld bootjes met zeer weinig brandstof de zee op te sturen. Berichten over telefoontjes uit Libië naar ngo’s en het afbreken van satellietzenders worden onderzocht door de Italiaanse justitie in het eerder genoemde feitenonderzoek. Zoals hierboven vermeld wacht het kabinet de uitkomsten van dit onderzoek af.
Klopt het dat ook Frontex materiaal van afgetapte gesprekken bij de Italiaanse openbare aanklager heeft aangeleverd?
Het is het kabinet bekend dat Italiaanse onderzoekers contact hebben met verschillende partijen, waaronder Frontex. Welke informatie wordt uitgewisseld is het kabinet niet bekend. Het gaat hier immers om een Italiaans onderzoek. Opgemerkt zij dat Frontex geen opsporingsinstantie is. Wel levert Frontex, als onderdeel van het nieuwe mandaat van de Europese Grens- en Kustwacht, bijdragen aan het voorkomen en opsporen van zware grensoverschrijdende criminaliteit, zoals mensensmokkel. Indien Frontex bij het uitoefenen van de taken aan de buitengrenzen relevante informatie vergaart, kan zij deze doorgeven aan bevoegde Europese en nationale opsporingsdiensten.
Als er inderdaad sprake is van betrouwbare, geloofwaardige inlichtingen over contacten tussen mensensmokkelaars en schepen van hulporganisaties in de Middellandse Zee, bent u dan bereid maatregelen te bepleiten?
Het is in beginsel aan de opsporingsinstanties van het land waar de acties worden gepleegd om onderzoek te doen naar mogelijke strafbare feiten. Indien uit onderzoek zou blijken dat sprake is van dergelijke contacten tussen schepen van ngo’s en mensensmokkelaars of dat deze organisaties op een andere wijze aantoonbaar deel uitmaken van mensensmokkelactiviteiten, is het kabinet van mening dat dit strafbaar is. Het is in dat geval aan het openbaar ministerie om te besluiten of tot vervolging wordt overgegaan.
Mochten onderzoeken of inlichtingen hiertoe aanleiding geven, dan zal in afstemming met relevante actoren worden gekeken hoe hiermee om te gaan en welke acties ondernomen kunnen worden.
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden binnen het mandaat van de maritieme EU-operatie Sophia, dat onder meer gericht is op het systematisch identificeren, in beslag nemen en afvoeren van schepen of vaartuigen die gebruikt worden voor mensensmokkel en/of -handel, dan wel hiervan verdacht worden? Bent u bereid een en ander te adresseren in EU-verband?
De EU-operatie Sophia verzamelt informatie over netwerken van mensensmokkel-en mensenhandel in het centrale deel van de Middellandse Zee en kan die doorgeven aan EU-lidstaten, Europese agentschappen, internationale partners en de Libische kustwacht. Hieronder kan ook de informatie over contacten tussen de hulporganisaties en mensensmokkelaars vallen. Indien er gegronde redenen zouden zijn om schepen van hulporganisaties ervan te verdenken dat zij worden gebruikt voor mensensmokkel of -handel, dan kunnen deze onder het mandaat op volle zee worden doorzocht. In voorkomend geval zou het desbetreffende schip in beslag kunnen worden genomen. De contacten tussen hulporganisaties en mensensmokkelaars tegengaan, valt echter buiten het mandaat van EU-operatie Sophia.
Heeft u, in het licht van het bovenstaande, bovendien kennisgenomen van de berichtgeving over een bijna-aanvaring tussen een schip van de Duitse actiegroep Sea Watch en een schip van de Libische kustwacht?5 Vond dit incident plaats in Libische territoriale wateren?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de berichtgeving over dit incident maar beschikt niet over informatie over de precieze locatie. Het bevestigt dat het noodzakelijk is te blijven investeren in het verbeteren van de maritieme coördinatie en duidelijke afspraken te maken over hoe nationale kustwachten, Europese maritieme missies, ngo-schepen en koopvaardij (al dan niet gezamenlijk) moeten optreden bij reddingsoperaties. In de EU-training van de Libische kustwacht zal structureel aandacht worden besteed aan mensenrechten, het zeerecht en veiligheid op zee.
Hoe beoordeelt u deze «wild west» taferelen tussen een actiegroep en de – door de EU getrainde – Libische kustwacht?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht dat in Indonesië twee homoseksuele mannen vandaag 85 stokslagen hebben gekregen en 141 mannen in een ‘homosauna’ zijn gearresteerd |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het gegeven dat vandaag twee homoseksuele mannen in Atjeh, Indonesië, 85 stokslagen hebben gekregen vanwege het gezamenlijk huren van een kamer?1
Ja.
Kunt u aangeven welke stappen de Nederlandse regering heeft ondernomen nadat de eerste signalen van deze gruweldaad ons bereikten in het nieuws? Zo ja, kunt u dit toelichten? Indien u geen actie heeft ondernomen, kunt u aangeven waarop die keuze gebaseerd was?2
In Atjeh, Indonesië, zijn twee mannen veroordeeld en bestraft wegens homoseksuele handelingen. De mannen kregen op 23 mei ieder 83 stokslagen toegediend. Dit gebeurde in het openbaar in aanwezigheid van 500–1.000 toeschouwers in Banda Atjeh. In Atjeh wordt, als enige provincie in Indonesië, de sharia wetgeving toegepast. Er lijkt sprake van toenemende druk op de LHBTI-gemeenschap, ook in overige delen van Indonesië.
De ontwikkelingen rond de positie van de LHBTI-gemeenschap in Indonesië worden dan ook op de voet gevolgd door mij persoonlijk en de Nederlandse ambassade in Jakarta. Gelijke rechten voor LHBTI’s vormen onderdeel van de structurele dialoog tussen Nederland en Indonesië op het gebied van mensenrechten. De mensenrechtenambassadeur heeft dan ook direct tijdens zijn bezoek aan Indonesië van 1 t/m 12 mei 2017 de Nederlandse zorgen over de situatie van de LHBTI-gemeenschap, waaronder ontwikkelingen rondom de zaak tegen twee mannen in Atjeh, besproken met zowel de LHBTI gemeenschap als de Indonesische autoriteiten.
De Nederlandse regering heeft de kwestie niet alleen via de mensenrechtenambassadeur opgebracht, ook voerde de EU-vertegenwoordiger in Jakarta een demarche uit namens de EU op 2 juni j.l. Hierbij werden de zorgen over de LHBTI situatie in Indonesië aangekaart, waaronder ook de veroordeling en bestraffing van de twee mannen in Atjeh.
De situatie van de LHBTI-gemeenschap in Indonesië, en met name in Atjeh, zal later dit jaar ook besproken worden in het kader van de EU-Indonesië mensenrechtendialoog.
Kunt u aangeven op welke wijze u uw afkering rondom deze gang van zaken kenbaar zult maken aan de regering van Indonesië? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven welke diplomatieke wegen u wilt bewandelen om te voorkomen dat dit verschrikkelijke schouwspel zich nogmaals zal voordoen in Atjeh? Bent u bereid om de Indonesische regering er normaals aan te herinneren dat homoseksualiteit niet strafbaar is in Indonesië, maar alleen in de provincie Atjeh omdat daar ook islamitisch recht geldt?
Nederland zet zich in internationale fora en in bilaterale relaties stelselmatig in voor de bescherming en bevordering van gelijke rechten van LHBTI-personen. Belangrijk onderdeel daarvan, naast de bevordering van sociale acceptatie en het tegengaan van discriminatie, is de afschaffing van de strafbaarstelling van homoseksualiteit. In Indonesië, met uitzondering van Atjeh, is homoseksualiteit niet strafbaar. In Atjeh wordt, als enige provincie in Indonesië, de sharia wetgeving toegepast.
De strafbaarstelling van homoseksualiteit in Atjeh is mogelijk door invoering van lokale wetten op basis van de sharia die in sommige gevallen ingaan tegen internationale mensenrechtenbepalingen. Tijdens zijn bezoek aan Indonesië is de mensenrechtenambassadeur specifiek ingegaan op deze discriminerende lokale wetten in gesprekken met de Indonesische autoriteiten.
Belangrijk is verder dat lokale organisaties in staat zijn om de situatie van LHBTI te verbeteren en een dialoog met respect voor mensenrechten voor een ieder te bevorderen. Nederland werkt dan ook actief samen met NGO’s die zich inzetten om de situatie van de LHBTI-gemeenschap te verbeteren. Inzet is om volwaardige participatie van LHBTI’s in de maatschappij te bewerkstelligen.
Bent u op de hoogte van de andere recente gebeurtenis in Indonesië, waar in Jakarta 141 mannen werden gearresteerd in een «homosauna»?3
Ja.
In hoeverre kunt u meer informatie verstrekken over de redenen die achter deze arrestatie ten grondslag liggen? Kunt u uitsluiten dat hier mogelijkerwijs sprake is van een heksenjacht op homoseksuelen in Indonesië, die zich verder verspreidt dan alleen de provincie Atjeh? Indien u deze informatie (nog) niet tot uw beschikking heeft, kunt u aangeven hoe u voornemens bent dit te achterhalen? Zo nee, waarom niet?
De situatie van LHBTI’s in Indonesië betreft een gevoelige kwestie, die binnen het land zelf tot verhitte debatten leidt. Een reeks van anti-LHBTI uitspraken door politici begin 2016 lijkt de negatieve belangstelling rondom LHBTI’s te doen toenemen. Anti-LHBTI acties lijken voorts gepaard te gaan met publieke steun.
De Nederlandse regering volgt met veel zorg de recente ontwikkelingen rondom de positie van de LHBTI-gemeenschap, zowel in Atjeh als in andere delen van Indonesië. Hieronder valt ook een recente aankondiging van de politiechef in West-Java, waarin hij stelt een lokale politie-eenheid op te willen richten om LHBT’s op te sporen om LHBT-activiteiten te monitoren.4
Nederland zal bilateraal en in EU-verband in reguliere contacten met de Indonesische overheid zijn zorg uitspreken over de situatie van LHBTI’s in Indonesië en blijven benadrukken dat mensenrechten voor een ieder gelden, inclusief LHBTI’s, en dat burgers beschermd dienen te worden tegen intimidatie en geweld.
Het declareren van yogalessen als psychiatrische behandeling |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Hoe deze ggz-instelling uw yogalessen vergoed krijgt»?1
Door Vitalis worden yoga, massage, meditatie en personal training aangeboden in ambulante vorm onder de zorgactiviteit dagbesteding. Deze activiteiten kwalificeren volgens het Zorginstituut, zoals aangegeven in het artikel van de Volkskrant, als welzijnsactiviteiten. Om die reden vormen deze activiteiten dan ook geen onderdeel van het basispakket. Daarnaast geeft ook de beleidsregel van de NZa duidelijk aan dat welzijnsgerelateerde activiteiten niet mogen worden gedeclareerd onder de zorgactiviteit dagbesteding.
Anders dan het artikel lijkt te suggereren betekent dit dan ook dat yoga en massages niet gedeclareerd en vergoed zullen worden door de zorgverzekeraar.
Het doel van dagbesteding is: «het bevorderen, behouden, of compenseren van de zelfredzaamheid van de patiënt». Door de dagbesteding en het laten deelnemen aan activiteiten wordt structuur aangebracht in de dag van de patiënt. Voor zover sprake is van het bieden van een zinvolle dagbesteding aan patiënten die zijn opgenomen, maakt de dagbesteding onderdeel uit van «verblijf» zoals bedoeld in artikel 2.12 Besluit zorgverzekering (Bzv).
Bij de door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) beschreven dagbestedingsactiviteiten kan het echter ook gaan om begeleidingsactiviteiten met een geneeskundig doel zonder opname. In dat geval is sprake van «geneeskundige zorg» (artikel 2.4 Bzv), waarvan «verblijf» dus geen onderdeel is. Dit wordt ook wel de ambulante behandeling genoemd.
In de Nadere Regel Gespecialiseerde GGZ van de NZa is aangegeven onder welke voorwaarden dagbesteding wordt vergoed. Dit zijn de volgende:
Daarnaast dient de dagbesteding onder één van de volgende categorieën te vallen: sociaal, activering, educatie, arbeidsmatig en overig. Bij ambulantebehandelingen moet het gaan om begeleidingsactiviteiten met een geneeskundig doel. Dit is volgens het Zorginstituut dagbesteding educatief of arbeidsmatig.
De NZa heeft daarbij ook aangegeven dat een welzijnsactiviteit, waarbij als voorbeeld zang, bingo, uitstapjes worden genoemd, niet onder de dagbesteding vallen en niet worden vergoed.
Zijn yoga, massage, meditatie en personal training bewezen effectieve behandelingen? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Het Zorginstituut heeft in 2013 een standpunt ingenomen over Mindfulness bij psychische stoornissen. Mindfulness maakt gebruik van meditatietechnieken. Er is geen bewijs van effectiviteit gevonden voor «Mindfulness» zonder cognitieve therapie-elementen. Mindfulness aangeboden als cursus of training voldoet daarmee niet aan het wettelijk criterium «stand van de wetenschap en praktijk».
Yoga, massage, andere vormen van meditatie en personal training zijn niet door het Zorginstituut beoordeeld, omdat het om welzijnsactiviteiten gaat die niet onder het basispakket vallen. De effectiviteit van de behandelingen zijn dan ook niet door het Zorginstituut onderzocht.
Hoeveel yogalessen en massages zijn intussen via de genoemde «dagbesteding constructie» vergoed door zorgverzekeraars?
Bij Zorgverzekeraars Nederland (hierna: ZN) en de NZa is nagegaan of vastgesteld kan worden hoeveel yogalessen en massages zijn vergoed door zorgverzekeraars. De zorgverzekeraar kan alleen nagaan of dagbesteding wordt gedeclareerd, maar het is niet mogelijk om de declaraties naar soort dagbesteding verder te specificeren. Yogalessen en massages zijn dus niet apart herkenbaar in de vergoedingssystematiek. Hierdoor is niet met zekerheid te zeggen of yogalessen en massages via de «dagbesteding constructie» bij zorgverzekeraars zijn gedeclareerd en mogelijk vergoed. Signalen dat dit daadwerkelijk het geval is, zijn niet bekend. ZN en GGZ Nederland geven in hun gezamenlijke reactie (Zorgvisie, 29 mei 20172) op het artikel in de Volkskrant aan dat er door Vitalis tot op heden geen zorg gedeclareerd is.
Deelt u de mening dat het schandalig is dat Vitalis GGZ op deze wijze zorggeld bewust misbruikt en zich verrijkt over de ruggen van alle premiebetalers? Zo nee, waarom niet?
Dagbesteding wordt alleen vergoed indien voldaan wordt aan de voorwaarden, zoals deze zijn genoemd in de Nadere Regel Gespecialiseerde GGZ van de NZa. In deze Regel is ook specifiek genoemd dat welzijnsactiviteiten niet onder dagbesteding vallen. Tegelijkertijd heeft het Zorginstituut in zijn rapport «Vaktherapie en dagbesteding in de geneeskundige GGZ» aanbevelingen gedaan om de terminologie/bekostigingsregels in lijn te brengen met de Zvw, zodat de regels omtrent het declareren van dagbesteding worden verbeterd. Deze aanbevelingen betrekt de NZa in de doorontwikkeling van de productstructuur ggz. Hierover heb ik de Tweede Kamer op 26 november 20153 geïnformeerd. De Nza is hiermee aan de slag.
Zoals bij vraag 3 reeds is aangegeven hebben (nog) geen declaraties plaatsgevonden door Vitalis. Het is de taak van de zorgverzekeraar om zorg die niet wordt vergoed uit de basisverzekering, hieruit ook niet te betalen. Om verzekeraars beter toe te rusten om deze controle goed uit te oefenen en daarmee verspilling van premiegelden tegen te gaan, is het wetsvoorstel VTO Wmg opgesteld dat momenteel ter behandeling ligt in de Eerste Kamer.
Bent u bereid per direct de regels aan te passen zodat «samen tv-kijken» en andere welzijnsactiviteiten niet meer gedeclareerd kunnen worden?
Zie antwoord vraag 4.
Welke sancties kunt u Vitalis opleggen en hoe worden dit soort graaiers en zakkenvullers in de zorg voortaan voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Mensenrechten in de Republiek Suriname |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oppositie Suriname veroordeelt geweld en intimidatie tegen volk»1 met betrekking tot het optreden van de Surinaamse regering in de richting van actievoerders?
Ja.
Deelt u de afkeuring van de gezamenlijke oppositiepartijen in Suriname over inzet van een zwaar bewapende mobiele eenheid tegen de vreedzame acties van burgers, gevolgd door bruut optreden, mishandelingen en arrestaties, waaronder van een vakbondsleider?
Volgens de lokale autoriteiten was geen vergunning aangevraagd voor het houden van een demonstratie op 18 april jl. Eenheden van de politie en mobiele eenheid werden ingezet om de demonstratie te voorkomen. Hierbij heeft de politie hardhandig opgetreden tegen enkele personen. Op 19 april hebben de leiders van de actievoerders, de korpschef van de Surinaamse politie en de districtscommissaris gezamenlijk verklaard dat zaken wederzijds niet correct verlopen zijn en dat deze voorkomen hadden kunnen worden. Er zijn afspraken gemaakt om een dergelijke situatie in de toekomst te voorkomen. Het kabinet erkent dat demonstraties dienen plaats te vinden binnen wettelijke bepalingen, zoals het beschikken over een vergunning, maar dat hardhandig en disproportioneel optreden niet te rechtvaardigen is. Het hardhandige optreden van de politie jegens de actievoerders heeft tot grote kritiek geleid in de Surinaamse samenleving.
Bent u tevens bekend met het bericht «Woede om weigering vergunning voor protest in Nickerie»2 met betrekking tot het optreden van de Surinaamse regering in de richting van actievoerders?
Ja.
Welke signalen heeft u ontvangen over schending van elementaire democratische grondrechten en vrijheden?
Democratische grondrechten worden in het algemeen door de Surinaamse staat nageleefd. Het recht om te demonstreren is verankerd in de Surinaamse wet- en regelgeving (waarbij voldaan moet worden aan de voorwaarde dat een vergunning is verleend door de districtscommissaris, conform artikel 49 van de politiestrafwet). De oppositie heeft in De Nationale Assemblee, n.a.v. het optreden op 18 april jl. de Surinaamse regering opgeroepen het democratische recht op vrijheid van meningsuiting en demonstratie te respecteren.
Hoe beoordeelt u het optreden van de Surinaamse autoriteiten in relatie tot actievoerders; en dan specifiek de actievoerders die zich hebben verenigd in de protestgroep «Wij zijn moe» en vertegenwoordigers van vakbonden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe oordeelt u in het algemeen over de naleving van democratische grondrechten in Suriname door de Surinaamse staat?
Zoals gesteld in antwoord vraag 4, worden democratische grondrechten in het algemeen door de Surinaamse staat nageleefd.
Bent u bekend met het «Human Rights Report 2016»3 van BearingPoint over Suriname?
Ja.
Hoe beoordeelt u de wijze waarop de Surinaamse Staat de onafhankelijke rechtspraak beïnvloedt inzake de juridische afhandeling van de zogeheten Decembermoorden van 1982?
Na aanname van de gewijzigde amnestiewet in 2012 heeft het kabinet steeds gezegd dat deze wet indruist tegen nationaal en internationaal recht, omdat hiermee wordt ingegrepen in een lopend strafproces. Hetzelfde gold voor de toepassing van artikel 148 van de Grondwet in juni 2016 met het doel het proces te stoppen. Het kabinet heeft steeds gezegd dat het 8-decemberstrafproces essentieel is voor waarheidsvinding en doorgang moet vinden. Het kabinet constateert dat het Hof van Justitie op 11 mei jl. in hoger beroep heeft bepaald dat het proces voort dient te gaan. Het kabinet wacht de voortzetting van het proces af, waarna het aan de rechters is om tot hun uitspraak te komen.
Hoe beoordeelt u de andere in het «Human Rights Report 2016» van BearingPoint genoemde vormen van mensenrechtenschendingen door de Suriname en de corruptie bij de overheid die «wijdverspreid» zou zijn?
Het mensenrechtenrapport van BearingPoint benoemt een aantal aandachtspunten die ook met Suriname zijn besproken tijdens de Universal Periodic Review in de Mensenrechtenraad van 2016 en waarover diverse landen aanbevelingen hebben gedaan. Nederland deed aanbevelingen over het vervolgen van de daders van de decembermoorden en het Moiwana-bloedbad en het verbieden van discriminatie van mensen op grond van hun seksuele oriëntatie en genderidentiteit. Volgens Transparency International bezet Suriname op de corruptie-index de 64e plaats van de 176 landen (2016). In 2014 is een concept anti-corruptiewet voorgelegd aan het Surinaamse parlement. Deze is sinds begin dit jaar in behandeling.
Deelt u de mening dat Nederland ook vanuit de zakelijke en betrokken relatie Suriname zou moeten aanspreken op mensenrechtenschendingen?
Nederland blijft aandacht vragen voor de mensenrechtensituatie in Suriname, zowel bilateraal als multilateraal.
Bent u bereid mensenrechtenschendingen door Suriname bilateraal en in multilateraal verband te adresseren? Waarom wel/niet?
Zie antwoord vraag 10.
Het bezoek van de Mozambikaanse president aan Nederland |
|
Isabelle Diks (GL), Bram van Ojik (GL) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Fraude mag handel niet in de weg staan»?1
Ja.
Vindt u het opportuun om president Nyusi nu te ontvangen voordat het onderzoek naar de grote bank- en obligatieleningenfraude is afgerond?
President Nyusi is in september vorig jaar onder druk van de internationale gemeenschap, waaronder ook Nederland, akkoord gegaan met een internationale en onafhankelijke audit naar de verborgen leningen. Op 12 mei jl. heeft de onafhankelijke auditfirma Kroll haar bevindingen aangeboden aan het Mozambikaanse Openbaar Ministerie. Parallel aan de audit bereidt het Openbaar Ministerie het strafrechtelijk onderzoek voor. De president heeft de bevindingen van Kroll publiekelijk verwelkomd en aangekondigd te zullen meewerken aan verdere stappen die zullen voortkomen uit het strafrechtelijk onderzoek.
Het officiële bezoek van President Nyusi aan Nederland van 17 mei tot 19 mei jl. bood gelegenheid voor een constructief kritische dialoog met de Mozambikaanse regering op het hoogste politieke niveau waarbij de reeds positieve genomen stappen verwelkomd zijn en is aangedrongen op concrete opvolging van het strafrechtelijk onderzoek.
Is de fraudezaak onderwerp van gesprek geweest tijdens het bezoek van de president? Zo ja, wat heeft het gesprek hierover opgeleverd? Zo nee, waarom niet?
Minister Koenders heeft in zijn gesprek met President Nyusi aandacht besteed aan de financiële situatie in Mozambique en de verborgen leningen. Daarin is de noodzaak tot concrete opvolging met eventuele strafrechtelijke vervolging centraal gesteld. De verborgen leningen kwamen ook aan de orde in het gesprek met de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en in de ontmoeting met academici en maatschappelijke organisaties die actief zijn in Mozambique. President Nyusi benadrukte in deze gesprekken dat met steun van hemzelf en de Mozambikaanse regering het Mozambikaanse Openbaar Ministerie opvolging zal geven aan de internationale audit. Het kabinet en de internationale gemeenschap zullen hierop blijven toezien.
Klopt het dat het Ministerie van Defensie van Mozambique een belangrijke rol speelde in de fraude?
De verborgen leningen zijn afgesloten door drie bedrijven die eigendom zijn van de geheime dienst van Mozambique. De geheime dienst valt in Mozambique niet onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Defensie, maar direct onder de verantwoordelijkheid van de president. Er zijn geen aanwijzingen van directe persoonlijke betrokkenheid van de huidige President Nyusi bij het destijds aangaan van de leningen. Pas na het afronden van het volledige onderzoek van het Mozambikaanse Openbaar Ministerie zal duidelijk worden of, en zo ja, in hoeverre, het Ministerie van Defensie een rol heeft gespeeld.
Acht u het waarschijnlijk dat de huidige president als toenmalig Minister van Defensie op de hoogte was van de fraude?
Zie antwoord vraag 4.
Welke concrete acties neemt de Mozambikaanse regering om dergelijke fraude in de toekomst te voorkomen?
Sinds het aan het licht komen van de verborgen leningen heeft de Mozambikaanse overheid concrete maatregelen genomen om de transparantie in de publieke financiën te vergroten en om de gevolgen van de ontstane financiële crisis tegen te gaan. Zo zijn de overheidsuitgaven voor 2016 met tien procent teruggebracht, waarbij de sociale sectoren zoveel mogelijk zijn ontzien. Daarnaast zijn fiscale maatregelen getroffen en is de nieuw aangestelde gouverneur van de Mozambikaanse Centrale Bank een voormalig IMF-econoom met een goede reputatie op het gebied van monetair beleid. De auditfirma Kroll zal in het auditrapport aanbevelingen doen over de wijze waarop verdere controle- en beschermingsmaatregelen ingebouwd kunnen worden om dergelijke transacties in de toekomst te voorkomen.
Wat is de staat van het strafrechtelijk onderzoek?
Het Openbaar Ministerie is al begonnen aan een strafrechtelijk onderzoek. Op 13 mei jl. heeft President Nyusi op nationale televisie verklaard dat hij de audit omarmt en het Openbaar Ministerie alle ruimte geeft om het onderzoek voort te zetten. Ook zal de regering alle noodzakelijke stappen zetten om het vertrouwen van partners en investeerders te herstellen. Zowel de Mozambikaanse regering, het parlement als de internationale partners zijn in afwachting van het openbaar maken van de samenvatting van het auditrapport. Na verschijning van het auditrapport heeft het Mozambikaanse Openbaar Ministerie nog 90 dagen de tijd om het strafrechtelijk onderzoek af te ronden.
Bent u zich ervan bewust dat de ontvangst de indruk wekt dat Nederland de fraudezaak geen belemmering vindt voor het aanhalen van handelsrelaties?
Het kabinet deelt deze inschatting niet. Zoals hierboven uiteengezet is in gesprekken met President Nyusi nadrukkelijk aandacht besteed aan de verborgen leningen. De Mozambikaanse overheid is aangemoedigd de uitkomsten van de audit aan te grijpen om verdere vertrouwenwekkende maatregelen te treffen richting financieel herstel. Ook heeft Nederland het signaal afgegeven dat er concrete acties nodig zijn voordat Nederland overweegt de ontwikkelingshulp via de centrale overheid te hervatten. Daarnaast zijn het vergroten van de markttoegang en het verbeteren van het ondernemingsklimaat, en daarmee het aanhalen van de handelsrelaties, belangrijke elementen van de inzet om armoede te bestrijden en stabiliteit in Mozambique te vergroten.
Het artikel “Het kostte veel meer tijd dan ik dacht” |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Het kostte veel meer tijd dan ik dacht»?1
Ja.
Wat zijn de ervaringen met de pilot voor een nieuw permanente educatiemodel?
De ervaringen van de deelnemers aan de pilot zijn overwegend positief, zoals ook uit het artikel blijkt. Het bestuur van de NBA heeft echter nog geen eindevaluatie over de totale pilot gedaan omdat deze nog loopt en daarom ook nog geen definitieve beslissing genomen over de wenselijkheid om het nieuwe model in te voeren.
Wat vindt u ervan dat een cursus Spaans of een cursus articuleren kan gelden als onderdeel van de permanente educatie van accountants?
Voor het beantwoorden van de vraag welke PE-activiteiten toelaatbaar zijn, zou doorslaggevend moeten zijn of een accountant na een succesvolle deelname daaraan in staat is zijn werk beter uit te voeren en meer kwaliteit af te leveren. Voorwaarde is dan dat een dergelijke PE-activiteit aansluit bij de werkzaamheden van die accountant. Het is een verantwoordelijkheid van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) om er zorg voor te dragen dat aan deze voorwaarde wordt voldaan.
Wordt doordat accountants zelf hun leerdoelen kunnen stellen, en daarbij geen verplicht aantal uren meer hoeven te besteden aan permanente educatie, het stelsel van permanente educatie niet veel te vrijblijvend? Bestaat door het laten vallen van een minimale ureninspanning aan educatie niet een belangrijke waarborg om te zorgen dat accountants blijven investeren in zichzelf? Hoe staat dit in verhouding tot de doelstellingen van het rapport «In het publiek belang?»
Ik vind dat het nieuwe stelsel niet vrijblijvend mag zijn. Als een goede naleving van het nieuwe PE-stelsel niet kan worden gewaarborgd of afgedwongen, moet het ook niet worden ingevoerd. Als accountants zelf leerdoelen kunnen stellen en niet meer gebonden zijn aan een verplicht aantal uren, moet derhalve worden geborgd dat alle accountants toch serieus invulling geven aan hun PE-verplichting. De NBA moet hierop toezien. De NBA is voornemens dit te gaan doen door met grotere werkgevers, die veelal accountants met een gelijksoortige PE-behoefte in dienst hebben, afspraken te maken en studieplannen van accountants die als zelfstandige werken of bij kleinere ondernemingen in dienst zijn steekproefsgewijs te controleren. Bij een eventuele invoering van een nieuwe stelsel zal een verordening worden opgesteld op basis waarvan (tuchtrechtelijke) handhaving kan plaatsvinden als een studieplan of de uitvoering daarvan tekortschiet.
In het nieuwe model blijft daarnaast de in het kader van de PE door de NBA verplicht gestelde cursus of training bestaan. Het gaat dan om een opleidingsverplichting met betrekking tot de laatste ontwikkelingen op het vakgebied en om maatschappelijk belangrijke thema’s voor accountants, zoals fraudebestrijding en de kwaliteit van wettelijke controles. Hoeveel verplichte cursussen en trainingen moeten worden gevolgd, zal mede afhankelijk zijn van de mate waarin nieuwe relevante vaktechnische en maatschappelijke ontwikkelingen zich voordoen. Er zal daarbij ook differentiatie kunnen plaatsvinden naar gelang de aard van de functies die een accountant vervult. De kennistoets die accountants in dat kader thans al moeten afleggen, blijft in het nieuwe systeem bestaan. Deze toets beslaat de geldende beroepsregels op het gebied van onafhankelijkheid en andere fundamentele principes en de controlestandaarden. Openbare accountants, die o.a. de wettelijke controles verrichten, zullen de kennistoets in het nieuwe systeem naar verwachting om het jaar moeten afleggen. Er wordt gecontroleerd of leden aan deze verplichtingen voldoen.
Deelt u de mening dat permanente educatie een belangrijk middel is om de kwaliteit van de accountssector op peil te houden en te verbeteren? Hoe kan geborgd worden dat de kwaliteit op peil blijft als accountants hun punten niet meer hoeven te halen bij NBA-goedgekeurde opleidingen? Deelt u de mening dat een betrouwbaar stelsel van permanente educatie ook van belang is om het vertrouwen van de buitenwereld in de sector te laten behouden?
Voor elke professionele beroepsgroep is bijscholing of PE van groot belang. Een goed PE-stelsel is ook belangrijk voor de kwaliteit van en het vertrouwen in de accountancysector. De AFM kan in het toezicht dan ook betrekken of een accountantsorganisatie waarborgt dat zijn werknemers beschikken over de juiste kennis en ervaring voor de toegewezen taken. De NBA zal zich daarvan rekenschap moeten geven bij de invoering van een nieuw PE-model.
Punt 6.2 van «In het publiek belang» stelt dat: «De beroepsorganisatie draagt zorg voor het systematisch vertalen van de bevindingen van AFM, Accountantskamer, College voor Collegiale Toetsing, onderzoeksinstituut en andere bronnen in publieke duiding, aanpassing van de beroepsstandaarden en educatie. Daarmee geeft ze concreet invulling aan haar wettelijke taak, namelijk kwaliteitsbevordering en behartiging van het collectieve beroepsbelang»; hoe geeft de NBA hier invulling aan met betrekking tot permanente educatie?
Zie antwoord vraag 4.
Het contracteren van de Kindertelefoon |
|
René Peters (CDA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de ledenbrief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) met betrekking tot de financiering landelijke voorzieningen sociaal domein 2018 e.v.?1
Ja.
Klopt het dat medio mei nog slechts 29 gemeenten contracten met de Kindertelefoon, Luisterend Oor en Vertrouwenswerk Jeugd hebben afgesloten? Hoe beoordeelt u dit, ook in het licht van de afspraak dat alle 388 gemeenten nog vóór 1 juni contracten met deze drie instellingen zouden afsluiten?
Op 1 juni 2017 heeft de VNG mij laten weten dat er nog geen financiële garantstelling is voor de drie organisaties per 2018. Dit omdat bij meer dan 100 gemeenten de besluitvorming niet voor 1 juni rond is. Ook blijkt uit een peiling van de VNG dat 78% van de gemeenten van mening is dat deze voorzieningen beter collectief gefinancierd kunnen worden. Het VNG-bestuur geeft per brief wel een garantstelling af voor 2018.
Ondanks de goede inspanningen van ruim 250 gemeenten die de getekende contracten wel op tijd geretourneerd hebben om zo zekerheid op continuïteit te bieden, acht ik de onzekerheid van de beschikbaarheid van de voorzieningen te groot evenals de lastendruk van de bestaande oplossing.
Met breed draagvlak bij gemeenten en de drie organisaties, concludeer ik daarom dat het beter is als deze voorzieningen onder landelijke verantwoordelijkheid komen te vallen. Ik zal dit zo snel als mogelijk wettelijk regelen.
Ik waardeer de garantstelling die het VNG-bestuur biedt voor 2018, maar geef er de voorkeur aan om zo snel als mogelijk een constructie in gang te zetten die langdurig houdbaar is. Daarom zal ik in 2018 zorg dragen voor continuïteit van de Kindertelefoon, AKJ en Sensoor. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor deze taken bij het Rijk komt te liggen en in de komende septembercirculaire van het gemeentefonds een uitname per 2018 zal worden verwerkt. Een en ander is uiteraard in nauw overleg met de VNG. Ik heb de drie organisaties hiervan ook op de hoogte gebracht.
Kunt u toelichten waarom het kabinet wel heeft besloten om de verschillende regelingen (en de uitvoering daarvan) voor de tolkentelefoon samen te voegen tot één landelijke regeling en het kabinet voor de Kindertelefoon, Luisterend Oor en Vertrouwenswerk Jeugd niet voor dezelfde oplossing kiest?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u toelichten waarom voor het landelijk telefoonnummer voor Advies- en Meldpunten Huiselijk geweld en Kindermishandeling (Veilig Thuis) gekozen is om met de centrumgemeente Den Haag te overleggen of die gemeente bereid is (via een decentralisatie-uitkering) de kassiersfunctie van de VNG over te nemen, en waarom voor een dergelijke oplossing niet gekozen wordt bij de financiering van de Kindertelefoon, Luisterend Oor en Vertrouwenswerk Jeugd?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toelichten waarom een aantal andere activiteiten in het sociaal domein zoals Stichting Opvoeden.nl, Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating, Expertisecentrum Kinderopvang en Kenniscentrum Handhaving en Naleving vanaf 2017 gefinancierd kunnen worden door middel van subsidies van de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), en dat voor een dergelijke oplossing niet wordt gekozen bij de financiering van de Kindertelefoon, Luisterend Oor en Vertrouwenswerk Jeugd?
Zie antwoord vraag 3.
Welke andere wijze van financiering overweegt u zodat onder andere de Kindertelefoon niet met elke gemeente afzonderlijk een contract hoeven te sluiten?2 Waar hangt die keuze van af?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toelichten, waarom u pas net voor de deadline van 1 juni in overleg gaat met betrokken partijen, terwijl al begin april de noodklok is geluid over de moeizame contractering van onder andere de Kindertelefoon?3
Gelet op de verantwoordelijkheden van de gemeenten moest vanzelfsprekend het resultaat van de gemeentelijke inspanningen worden afgewacht. Ik heb voortdurend contact gehouden met betrokken partijen.
Kunt u deze vragen, samen met de eerder gestelde vragen over dit onderwerp4, beantwoorden vóór het Algemeen overleg over jeugd voorzien op 8 juni a.s?
Ja.
Het bericht ´Politie te ver doorgeslagen' |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Politie is te ver doorgeslagen»?1
Ja.
Is het waar dat het politiebureau van het basisteam Twente-West niet in Rijssen, maar in Nijverdal gevestigd wordt? Is het waar dat in eerste instantie de keuze op Rijssen gevallen was? Kunt u aangeven welke overwegingen hebben geleid tot de finale keuze voor vestiging in Nijverdal?
Met het transformeren en afstoten van huisvestingslocaties van bureaus werkt de politie toe naar de – in samenspraak met het lokaal gezag en de Tweede Kamer – afgesproken eindsituatie in 2025. In dit specifieke geval is de politie-eenheid Twente-West in nauw overleg met het lokaal gezag verantwoordelijk voor de gemaakte keuzes inzake de huisvesting.
Als onderbouwing van de keuze van de vestiging van het (hoofd)politiebureau zijn business cases uitgevoerd. In alle business cases voor de politie-eenheden wordt onder meer gescoord op kwalitatieve en operationele aspecten waaronder reactietijden. Voor verdere toelichting op deze aspecten verwijs ik naar het Kamerstuk van 13 april 2017 (Aanhang Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 1603).
In de gezagsdriehoek worden afspraken gemaakt over de inzet van de politie op lokaal niveau. Dit is ook in dit geval gebeurd.
Kunt u uiteen zetten welke criteria vanuit het dagelijkse werk van de politie (aanrijtijden, verdeling van incidenten over het grondgebied, inwoneraantallen, specifieke problematiek) bepalend zijn voor de keuze van de vestiging van het (hoofd)politiebureau binnen een basiseenheid? Kunt u uitleggen hoe deze criteria zijn toegepast in de concrete situatie van het basisteam Twente-West en wilt u daarbij aandacht besteden aan incidenten die zich voordoen rond de snelweg A1 in de gemeente Rijssen-Holten?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dorpen dan wel steden waar een basisteam van de nationale politie gevestigd is, substantieel meer politie-aandacht krijgen dan dorpen en steden binnen het verzorgingsgebied van hetzelfde basisteam waar geen opkomst-locatie is? Kunt u aangeven welke maatregelen de politie neemt om deze ongewenste situatie – met name op het vlak van aanrijtijden – tegen te gaan? Kunt u dit specifiek aangeven voor de huidige en toekomstige situatie in het basisteam Twente-west?
Voor alle politie-eenheden in Nederland geldt dat ongewenste situaties moeten worden tegengegaan. Gezien de gehanteerde criteria bij de bepaling van de locatie van een basisteam die rekening houden met het gehele verzorgingsgebied van een basisteam en de nauwe betrokkenheid van de eenheden en het lokale gezag daarbij, deel ik uw mening niet dat steden waar een basisteam van de nationale politie gevestigd is, substantieel meer politie-aandacht krijgen dan dorpen en steden binnen het verzorgingsgebied van hetzelfde basisteam waar geen opkomst-locatie is. Organisatie van moderne zichtbaarheid en nabijheid van de politie in de wijk onder meer door inzet van mobiele middelen dragen hier aan bij.
Welke mogelijkheden ziet u om – indachtig de woorden van korpschef Akerboom2 in februari 2017 dat de politie mogelijk te ver is doorgeslagen in centralisatie en efficiëntie – binnen het basisteam Twente-west op meer dan één locatie een actieve politiepost open te houden?
De Minister van Veiligheid en Justitie is politiek verantwoordelijk voor de organisatie en het beheer van de politie. In het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP) is afgesproken dat de politie en lokaal gezag doorlopend de werking van dienstverlening, bereikbaarheid en beschikbaarheid van politie in relatie tot het huisvestingsplan en de bijbehorende fasering hierin richting 2025 bezien. In goed overleg wordt de werking van dienstverlening, bereikbaarheid en beschikbaarheid van politie bezien en stellen zij de uitvoering van het huisvestingsplan zo nodig bij.
Het bericht Problemen rond olieraffinaderij loodsen Aruba richting krimp |
|
André Bosman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Problemen rond olieraffinaderij loodsen Aruba richting krimp»?1
Ja.
In hoeverre hebben de problemen met de olieraffinaderij de economische groei van Aruba beïnvloed? Welke risico’s geven deze problemen voor Aruba? Welke risico’s geven deze problemen voor Nederland?
De Centrale Bank van Aruba schat in haar laatste vooruitzicht van mei 2017 de reële economische groei voor het land op 3,4% voor 2017. Indien de heropening geen doorgang vindt in 2017, verwacht de bank een groei van 1,4% in 2017. Een bijstelling van de economische groei naar beneden gedurende dit jaar impliceert mogelijk lagere (belasting)inkomsten voor het Land dan geraamd. Compenserende maatregelen zullen dan noodzakelijk zijn.
Het CAft volgt deze ontwikkelingen nauwlettend en zal deze vervolgens beoordelen en hierover conform de Landsverordening Aruba tijdelijk financieel toezicht advies uitbrengen. Eventuele risico’s die gepaard gaan met een mogelijke vertraging, komen ten laste van het land Aruba.
In hoeverre is het acceptabel dat een enkel bedrijf de economische groei flink negatief kan beïnvloeden?
De grote invloed van een enkele pijler op de economische groei is inherent aan een kleine eilandeconomie. De kleinschaligheid van de Arubaanse economie en de beperkte mogelijkheden tot diversificatie, maakt die dan ook economisch kwetsbaar.
In hoeverre heeft de eerste inschatting van economische groei in plaats van de nu bijgestelde verwachting naar economische krimp het land Aruba geholpen bij het halen van doelstellingen? Welke voordelen zitten hier aan voor het land Aruba? Welke nadelen zitten hier aan voor het land Aruba?
In de vooruitzicht van mei 2017 van de Centrale Bank van Aruba is de geschatte reële economische groei voor 2016 bijgesteld met – 0.6% van + 0,4% naar – 0,2%. De geschatte prognoses ten opzichte van de nominale ontwikkeling van het bbp is veranderd van – 1,3% naar – 0,9%.
De maximale tekortnorm voor Aruba is gekoppeld aan het nominale bruto binnenlands product (bbp). De bovengenoemde wijziging van de nominale groei is dermate beperkt dat de invloed hiervan in positieve of negatieve zin op de overheidsfinanciën zeer beperkt is. Een eventueel effect van de aanpassing van de nominale of reële groeischattingen op de belastingopbrengsten zijn reeds in de voorlopige resultaatcijfers van Aruba verwerkt.
In hoeverre was de vertraging bij de raffinaderij te voorzien? Is er nog meer vertraging voorzien in het project? Zo ja, welke invloed heeft dat op de economische situatie van het land?
Deze vraag heeft betrekking op een onderwerp dat tot de verantwoordelijkheid behoort van het land Aruba. Mij is niet meer bekend dan hetgeen hierover in de media en de adviezen van het CAft is verschenen.
Een vertraging van de activiteiten van de raffinaderij zou kunnen leiden tot een verlaging van de economische groei, wat lagere inkomsten voor het Land impliceert. Het CAft volgt de uitvoering van de begroting nauwlettend en daarmee ook de financiële gevolgen van de vertraagde activiteiten.
Welke invloed heeft de vertraging bij de raffinaderij op de werkgelegenheid van Aruba?
Zie antwoord op vraag 5.
Welke invloed heeft de vertraging bij de raffinaderij op het huurcontract?
Zie antwoord op vraag 5.
Hoe is de verwachting van het verwerken van 209.000 vaten olie per dag opgebouwd?
Mij is niet meer bekend, dan wat beschreven staat in de brief van Minister De Meza aan de Staten van Aruba, die ik eerder naar u heb toegestuurd (Kamerstuk 34 300, nr. 71). Hierin wordt enkel aangegeven dat de hervatting van de raffinageactiviteiten een productiecapaciteit zal hebben van minimaal 209.000 vaten per dag.
In hoeverre is de economische situatie in Venezuela van invloed op de raffinaderij en het land Aruba?
De financiering voor de renovatie en exploitatie van de Arubaanse raffinaderij is in handen van CITGO, de Amerikaanse dochter van Venezolaans staatsoliebedrijf PdVSA. Hoewel de activa van CITGO volgens credit rating agency Moody’s (beperkt) blootgesteld staan aan de financiële situatie van PdVSA, is de liquiditeit van CITGO op dit moment ruim voldoende, en zijn er op korte termijn geen redenen om te twijfelen aan de financieringscapaciteit van CITGO voor de herstart van de raffinaderij op Aruba. In dit stadium is het nog onduidelijk welke implicaties de financiële situatie in Venezuela heeft op de solvabiliteit van PdVSA op langere termijn, en wat de gevolgen hiervan kunnen zijn voor CITGO.
De verslechterende economische situatie in Venezuela heeft ook gevolgen voor het toerisme in Aruba. Het aantal Venezolaanse toeristen daalde van januari tot mei 2017 met zo’n 70%. In diezelfde periode steeg het aantal niet-Venezolaanse bezoekers echter met 8,1%, en bleven de totale toeristenuitgaven gelijk, waardoor de toeristische sector van Aruba hier nauwelijks onder geleden heeft.
Op het gebied van handel is de invloed op de Arubaanse economie beperkt, mede omdat de import uit Venezuela relatief klein is voor Aruba.
Hoe wordt de deal voor de raffinaderij door PdVSA (een staatsoliemaatschappij in Venezuela) gefinancierd? Welke gevolgen heeft de financiële situatie van Venezuela en PdVSA op deze deal?
Zie antwoord op vraag 9.
In hoeverre is de financiële situatie van PdVSA van invloed op de raffinaderij en het land Aruba?
Zie antwoord op vraag 9.
In hoeverre is het mogelijk dat Rosneft de raffinaderij in handen krijgt? Wat zijn daar de gevolgen van voor Aruba? Wat zijn daar de gevolgen van voor Nederland?
De overeenkomst die Aruba heeft gesloten met CITGO is een lease-overeenkomst. De Arubaanse overheid blijft in alle gevallen eigenaar van de raffinaderij. Van een mogelijke overname door Russisch staatsoliebedrijf Rosneft of enige andere partij is daarom geen sprake.
Wel vergroot de verhypothekering van CITGO door PdVSA de onzekerheden rondom de toekomst van de raffinaderij. PdVSA heeft volgens internationale media in december 2016 een lening afgesloten bij Rosneft van USD 1,5 miljard. PdVSA heeft hiervoor 49,9% van de aandelen in CITGO als onderpand geboden. Dit betekent dat bij in gebreke blijven van PdVSA Rosneft aanspraak zou kunnen maken op deze aandelen. Of Rosneft dit in de praktijk ook zou (kunnen) doen is onduidelijk. Zo heeft het Committee on Foreign Investment in the United States(CFIUS) toegezegd een onderzoek te doen naar de deal.
Het valt niet te zeggen wat de invloed van een dergelijke hypothetische situatie zou zijn op de olie- en gastoevoer voor de raffinaderij. Zo heeft CITGO naast PdVSA ook andere leveranciers van ruwe olie voor hun bedrijfsvoering in Amerika.
In hoeverre heeft de mogelijke overname van de raffinaderij door Rosneft invloed op de olietoevoer voor de raffinaderij?
Zie antwoord op vraag 12.
In hoeverre heeft de mogelijke overname van de raffinaderij door Rosneft invloed op de gasaanvoer voor de raffinaderij?
Zie antwoord op vraag 12.
Hoe ziet u uw eerdere antwoorden over de CITGO raffinaderij in verhouding tot de kennis die u nu heeft?
De regering is zich ervan bewust dat de situatie in Venezuela snel verandert, en dat dit mogelijk ook gevolgen heeft voor de raffinaderij in Aruba. Daarom houdt de regering nauwgezet de ontwikkelingen en hun gevolgen voor Aruba en Nederland bij, en is de regering hierover in contact met Aruba.
Wat zijn de gevolgen voor Aruba als er door de overname van de raffinaderij vertraging optreedt?
Zie antwoord op vragen 2 en 5.
Kloppen de gegevens van de gemaakte quick scan nog met de situatie van vandaag? Zo ja, waarop is dit gebaseerd? Zo nee, op welke punten komt de quick scan niet meer overeen met de situatie van vandaag?
De quickscan is geproduceerd als een onafhankelijk advies aan de regering van Aruba voor de mogelijke ondertekening van een MoU inzake de exploitatie van de olieraffinaderij op Aruba door CITGO. De quickscan was derhalve bedoeld voor de besluitvorming op dat moment, rond september 2015. Voor de huidige situatie wat betreft PdVSA, CITGO en Aruba, zie antwoord op vraag 9.
Kent u het bericht «Chinezen in gesprek met Curaçao over overname raffinaderij»?2
Ja.
In hoeverre heeft de schuld van PdVSA die betaald wordt met olie invloed op de raffinaderij van Aruba?
De raffinaderijen in Aruba en Curaçao blijven een logisch eerste verwerkingspunt voor de Venezolaanse ruwe olie. Hoewel naar schatting zo’n 20% van de Venezolaanse olie op het moment als schuldendienst naar China gaat, vergroot de afkalvende binnenlandse raffinagecapaciteit van Venezuela het belang voor PdVSA van de raffinaderijen op Aruba en Curaçao, die een strategische ligging hebben en als een van de weinigen in het Caribisch gebied zware olie kunnen verwerken.
In hoeverre heeft de schuld van PdVSA die betaald wordt met olie invloed op het land Aruba?
Zie antwoord op vraag 19.
In hoeverre heeft de schuld van PdVSA die betaald wordt met olie invloed op de raffinaderij van Curaçao?
Zie antwoord op vraag 19.
In hoeverre heeft de schuld van PdVSA die betaald wordt met olie invloed op het land Curaçao?
Zie antwoord op vraag 19.
In hoeverre is er contact geweest met de nieuwe premier van Curaçao over de hulp van Nederland ten aanzien van de deal met Guangdong Zhenrong?
In zijn felicitatiebrief van 2 juni 2017 aan Minister-President Rhuggenaath heeft Minister Koenders het aanbod herhaald om samen op te trekken op het gebied van de onderhandelingen met het Chinese oliebedrijf Guangdong Zhenrong Energy over het leasen van de Isla-raffinaderij – uiteraard met aandacht voor ieders verantwoordelijkheden.
Welke invloed krijgen China en Rusland in ons Koninkrijk door de raffinaderijen in Aruba en Curaçao?
Uiteraard is een mogelijke investering als die van Guangdong Zhenrong Energy van grote invloed op een economie – zeker een kleine eilandeconomie als die van Curaçao. Op de langere termijn zouden de rentabiliteit van de investering en contractuele afspraken ook van positieve of negatieve invloed kunnen zijn op de financiële situatie van Curaçao. Er is door Curaçao echter nog geen definitieve beslissing genomen over het leasecontract.
Ook voor Aruba geldt dat de grote invloed van een enkele pijler op de economische groei inherent is aan een kleine eilandeconomie. Het wegvallen van zo’n pijler kan juist voor een kwetsbare kleine eilandeconomie, met beperkte mogelijkheden tot diversificatie, grote gevolgen op socio-economisch vlak hebben.
Voor Rusland en de raffinaderij in Aruba, zie het antwoord op vraag 12.
Welke invloed heeft de Chinese en Russische invloed op Aruba en Curaçao op de financiële situatie van de landen Aruba en Curaçao?
Zie het antwoord op vraag 24.
Het nieuwbouw proefdiercentrum van het Erasmus MC |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de bouw van een groot nieuw proefdiercentrum (6.000 vierkante meter) door het Erasmus MC in Rotterdam, dat nu al ruim 30.000 dierproeven per jaar uitvoert?
Ja.
Is het waar dat u een renteloos krediet van 4,2 miljoen euro aan het Erasmus MC heeft toegewezen voor het nieuwe proefdiercentrum?1 2
Met de nieuwe regeling Toekomstfondskrediet (TOF) voor onderzoeksfaciliteiten wordt de bouw van hoogwaardige faciliteiten voor onderzoek gestimuleerd die van groot belang zijn voor het ontwikkelen van innovatieve producten en diensten in Nederland. Uw Kamer is op 9 juni 2016 geïnformeerd over alle projecten die zijn gehonoreerd in het kader van de regeling Toekomstfondskrediet inclusief de investeringsbedragen en leningen (Kamerstuk 31 288, nr. 543).
Deelt u de mening dat de bouw van dit nieuwe proefdiercentrum niet rijmt met de ambitie van het kabinet om Nederland in 2025 wereldwijd koploper te laten zijn met innovatief onderzoek zonder proefdieren?3 Zo nee, waarom niet?
Mijn ambitie is dat Nederland in 2025 internationaal voortrekker is op het gebied van proefdiervrije innovaties. De nieuwe onderzoeksfaciliteit van het Erasmus MC zal innovatief onderzoek met oog op medische vooruitgang stimuleren. Daarbij zullen ook veel methoden zonder proefdieren worden ontwikkeld en toegepast. Verder zal de nieuwe faciliteit meer mogelijkheden bieden voor ontwikkeling en implementatie van methoden die bijdragen aan vermindering en verfijning en vervanging van dierproeven. De bouw van deze onderzoeksfaciliteit betreft het samenvoegen van de bestaande faciliteiten op één plek. Deze nieuwe faciliteit zal volgens de laatste inzichten worden gebouwd wat betreft milieu en veiligheidsaspecten en dierenwelzijn. Het gaat daarbij niet om een uitbreiding van het aantal dierproeven maar om verbetering van de omstandigheden voor het onderzoek.
Deelt u de mening dat, gezien de hierboven genoemde ambitie van het kabinet, het niet langer gepast is om overheidsmiddelen in te zetten om proefdiergebruik stimuleren? Deelt u de mening dat overheidsmiddelen in plaats daarvan volledig dienen te worden besteed aan de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven? Zo nee, waarom niet?
Overheidsmiddelen worden ingezet om hoogwaardig innovatief onderzoek te stimuleren, bij voorkeur zonder dierproeven. Echter, om medische innovatie te realiseren kunnen dierproeven helaas nog niet volledig worden vervangen. Voor deze nog steeds nodige dierproeven zijn goede en moderne voorzieningen onmisbaar ook om een hoge standaard van dierenwelzijn te kunnen waarborgen.
Bent u bereid om in de toekomst subsidie-aanvragen om proefdiercentra uit te breiden en/of nieuwe proefdiercentra te bouwen, te weigeren? Zo nee, waarom niet?
Alle subsidieaanvragen voor verbetering van de onderzoeksinfrastructuur in Nederland worden zorgvuldig getoetst op economische en maatschappelijke waarde en op de wetenschappelijke kwaliteit. Daarbij worden ook waarden zoals duurzaamheid en de 3Vs in beschouwing genomen. Goede voorstellen zullen ook in de toekomst worden gehonoreerd indien blijkt dat deze kunnen bijdragen aan de 3Vs.
Het bericht “Aanpak van derivatendossier loopt nog meer vertraging op” |
|
Aukje de Vries (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Aanpak van derivatendossier loopt nog meer vertraging op»?1 Wat vindt u van het feit dat ondernemers nu nog langer moeten wachten op de afhandeling?
Ja, ik ken het bericht «Aanpak van derivatendossier loopt nog meer vertraging op». Zoals in het schriftelijk overleg rentederivaten d.d. 10 mei jl. is aangegeven, verwachten Rabobank en ABN AMRO het jaar 2017 nodig te hebben voor het beoordelen van alle rentederivatendossiers, maar houden zij er rekening mee dat een aantal klanten pas in 2018 een aanbod tot herstel zal ontvangen. Ik verwacht van de banken dat zij alles in het werk zullen stellen om de gedupeerde klanten zo spoedig mogelijk te compenseren.
Waarom kunnen de problemen niet, zoals vorig jaar door u is aangegeven, medio 2017 afgehandeld c.q. opgelost zijn?
Het herstelkader is complex en de uitwerking daarvan heeft de nodige tijd in beslag genomen. Op 19 december 2016 is de pilot-fase afgerond en is het definitieve herstelkader gepubliceerd. Daarna hebben de banken en externe beoordelaars de laatste hand gelegd aan de plannen van aanpak. Na publicatie bleek dat banken, externe beoordelaars en belangenorganisaties op meerdere punten specifieke vragen hadden over het herstelkader. Deze vragen hebben zij voorgelegd aan de derivatencommissie. Die vragen zijn door de derivatencommissie in de periode sinds 19 december 2016 beantwoord en gepubliceerd als toelichting in de vorm van sets met vragen en antwoorden (Q&A’s) op de website van de derivatencommissie. Hoewel niet is uitgesloten dat er nog meer Q&A’s volgen, is hiermee, naar het zich nu laat aanzien, voldoende nadere duiding gegeven aan het herstelkader. De banken en externe beoordelaars hebben naar aanleiding van de Q&A’s hun organisatie en systemen verder ingericht en zijn begonnen met de uitvoering van het herstelkader.
Wat zijn de oorzaken van de vertraging(en)? Welke knelpunten zijn er? Waarover zijn nog onduidelijkheden bij de banken, externe dossierbeoordelaars en/of de Autoriiteit Financiële Markten? Hoe kunnen de knelpunten en onduidelijkheden snel opgelost worden?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de vertraging (deels) wordt veroorzaakt door ruis op de lijn tussen de AFM en de banken, zoals wordt gesteld in het artikel? Zo ja, waar gaat het dan precies over en hoe kan dit opgelost worden?
Er is geen ruis tussen de AFM en de banken zoals gesteld in het artikel. De AFM heeft half maart 2017 aan alle banken laten weten geen belemmeringen meer te zien voor de uitvoering van het herstelkader.
Deelt u de mening dat de ondernemers met een zorgvuldig proces, ook zo snel mogelijk duidelijkheid moeten krijgen, zoals afgesproken is? Klopt het dat de minder complexe gevallen moeten wachten op de complexe dossiers? Zo ja, waarom is dit het geval en hoe kan dit worden opgelost?
Banken maken onderscheid tussen complexe en minder complexe gevallen om zo snel mogelijk zoveel mogelijk klanten een compensatievoorstel te kunnen doen. In alle gevallen geldt dat banken, conform het herstelkader, «kwetsbare groepen» (waaronder klanten in bijzonder beheer) met voorrang behandelen. Dit betreft vaak complexere gevallen. Banken kunnen eenvoudige dossiers waarin bijvoorbeeld alleen een coulancevergoeding en/of vergoeding van renteopslagen aan de orde is, gelijktijdig behandelen met de behandeling van kwetsbare groepen, mits dit niet ten koste gaat van de behandeling van de groep kwetsbare klanten. Het is dus niet zo dat de behandeling van de eenvoudige dossiers moet wachten tot de «kwetsbare klanten» een compensatievoorstel hebben ontvangen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de vertraging wordt beperkt en/of de einddatum (teveel) opschuift? Bent u bereid om bij de banken, externe dossierbeoordelaars en AFM aan te dringen op snelheid?
Het proces dient zo snel als mogelijk te worden afgerond. De snelheid moet echter niet ten koste gaan van de zorgvuldigheid waardoor klanten mogelijk onjuiste compensatie krijgen aangeboden. Banken streven ernaar de beoordelingen zo snel als mogelijk en op een zorgvuldige manier uit te voeren. De algehele doorlooptijd verschilt per bank en is afhankelijk van de aantallen en de complexiteit van de dossiers die de banken in hun portefeuille hebben.
In de eerste voortgangsrapportage die ik in juni dit jaar van de AFM verwacht, zal meer inzicht worden gegeven in de planning en de voortgang. Deze rapportage zal ook met de Kamer worden gedeeld.
De berichten 'Pensioenfondsen oneerlijk' en 'DNB: Rendement pensioenfondsen te laag om te herstellen' |
|
Léon de Jong (PVV), Teun van Dijck (PVV) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Pensioenfondsen oneerlijk»1 en «DNB: Rendement pensioenfondsen te laag om te herstellen»?2
Ja
Hoe is het mogelijk dat, terwijl de Nederlandse pensioenfondsen te maken hebben met een een buffer van 1400 miljard euro, De Nederlandse Bank met een waarschuwing komt voor mogelijke pensioenkortingen voor miljoenen Nederlanders?
Het Nederlandse stelsel van aanvullende pensioenen is gebaseerd op kapitaaldekking. Dat wil zeggen dat er geld wordt gespaard voor de toekomstige pensioenuitkeringen. De Nederlandse pensioenfondsen beschikken momenteel over ruim € 1.300 miljard aan gespaard vermogen. Tegenover dat gespaarde vermogen staan echter toezeggingen aan de deelnemers van ongeveer dezelfde orde van grootte. De gemiddelde actuele dekkingsgraad bedroeg eind april circa 105%. Dit is ruim onder het vereist eigen vermogen (vev) waar fondsen aan moeten voldoen (gemiddeld 130%). Fondsen beschikken daarmee over onvoldoende buffers om de toezegging ook werkelijk met een hoge mate van zekerheid waar te kunnen maken.
Ten opzichte van een jaar geleden zijn de dekkingsgraden aanzienlijk verbeterd. Bij de huidige dekkingsgraden is de kans beperkt dat er volgend jaar fondsen zullen moeten korten. Tegelijkertijd blijft de financiële situatie van de fondsen kritiek. Indien een pensioenfonds vijf jaar achtereen een dekkingsgraad heeft onder het minimum vereist eigen vermogen (mvev, circa 105%), dan dient het maatregelen te nemen waardoor de dekkingsgraad in één keer wordt teruggebracht op het niveau van het minimum vereist vermogen. Voor zover het daarbij gaat om een korting, mag deze worden uitgesmeerd over maximaal tien jaar. Als de financiële positie van de fondsen de komende jaren niet verbeterd is de kans reëel dat een deel van de fondsen in 2020 een korting moet doorvoeren. Op dat risico wijst DNB.
Deelt u de mening dat door het hanteren van onnodig lage rekenrentes een onrealistisch en onterecht minder positief beeld ontstaat van de dekkingsgraden van pensioenfondsen? Zo ja, bent u dan bereid om de rekenrente naar de oude realistische systematiek van voor 2007 terug brengen? Zo neen, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. De rente in ontwikkelde economieën is sinds de jaren »80 trendmatig gedaald. Dit hangt ondermeer samen met de afname van de inflatie en van de economische groei en met veranderingen in de leeftijdsopbouw van de bevolking. De rente is op dit moment op een historisch laag niveau. Die lage rente is een reëel en internationaal fenomeen, waar pensioenuitvoerders wereldwijd mee worden geconfronteerd. Een lage rente maakt het opbouwen van een pensioen duurder.
Het verhogen van de rekenrente heeft als gevolg dat een deel van het pensioenvermogen dat nu is gereserveerd voor de financiering van het toekomstige pensioen van jongeren, op de korte termijn gebruikt kan worden voor de indexatie van het pensioen. Dat komt met name ten goede aan oudere deelnemers. Als de werkelijke rente echter niet op korte termijn stijgt tot boven de gekozen rekenrente, resulteert er een tekort voor toekomstige gepensioneerden.
Het verhogen van de rekenrente zorgt er voor dat er meer geld wordt uitgekeerd, terwijl de werkelijke financiële positie van de pensioenfondsen niet verbetert. Het is daarom onverstandig om de rekenrente te verhogen.
Deelt u de mening dat dit soort berichtgeving van De Nederlandse Bank voor onnodige onrust zorgt? Deelt u de mening dat de toezichthouder zich in dit soort gevallen zou moeten beperken tot de communicatie richting de pensioenfondsen en dat het vervolgens de taak van de pensioenfondsen is om te communiceren met hun deelnemers?
Het is de taak van de toezichthouder om pensioenfondsen te wijzen op hun verantwoordelijkheden en te wijzen op de risico’s voor de pensioensector als geheel.
Deelt u de mening dat het korten op pensioenen absoluut niet aan de orde zou moeten zijn? Zo ja, bent u bereid u hiertegen te verzetten en alles in het werk te stellen pensioenkortingen te voorkomen? Zo neen, waarom niet?
Het verlagen van pensioenaanspraken is een pijnlijke aangelegenheid voor de deelnemers. Mede daarom stelt de Pensioenwet dat kortingen een ultimum remedium zijn. Het nieuwe financieel toetsingskader dat per 1 januari 2015 in werking is getreden, biedt fondsen de ruimte om financiële schokken binnen tien jaar op te vangen. Indien het naar verwachting niet mogelijk is om een tekort in tien jaar weg te werken, dient een korting te worden doorgevoerd. Doordat deze kortingen over een periode van maximaal tien jaar kunnen worden uitgesmeerd en voorwaardelijk zijn, blijft de hoogte van eventuele kortingen beperkt. Ik ben van mening dat het financieel toetsingskader hiermee een goed evenwicht biedt tussen een stabiele pensioenuitkering en de financiële houdbaarheid van de pensioenregeling.
Boeren in Limburg die drones gaan gebruiken in de strijd tegen criminelen die in hun maisvelden stiekem hennepplantages onderbrengen |
|
Lilian Helder (PVV), Dion Graus (PVV) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Boer vecht tegen wiet»?1
Ja.
Klopt het dat boeren in Limburg drones gaan gebruiken in de strijd tegen criminelen die in hun maisvelden stiekem hennepplantages onderbrengen, omdat er sinds 2016 geen geld meer is voor de «hennepvluchten» die de politie per helikopter uitvoerde?
De politie heeft tot 2016, in samenwerking met de Limburgse Land- en Tuinbouwbond (LLTB) en het Openbaar Ministerie, controles met helikopters uitgevoerd om hennepteelt op landbouwgronden te detecteren. Omdat het aantal wietplantages dat op deze wijze werd opgespoord zeer gering was, is besloten te stoppen met deze controlevluchten. Indien er concrete aanwijzingen zijn voor wietteelt, kan de politie nog steeds besluiten om bijvoorbeeld helikopters in te zetten om luchtbeelden te maken.
Hoe valt dit uit te leggen in het kader van de aanpak van de georganiseerde (drugs)criminaliteit in deze regio?
Het is belangrijk dat de opsporingscapaciteit zo effectief mogelijk wordt ingezet. Waar sprake is van georganiseerde criminaliteit, treedt de politie handhavend op. Burgers en bedrijfsleven hebben daarnaast ook een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om de bescherming van hun eigendommen tegen crimineel misbruik.
Hoe verwacht u dat de boeren weerbaarder worden tegen dit soort criminelen, boeren worden soms namelijk onder druk gezet om wiet te planten of toe te staan dat criminelen dit doen, als de politie ze niet meer ondersteunt
De politie staat voor de veiligheid van burgers en bestrijdt actief georganiseerde criminaliteit. In de strijd tegen (georganiseerde) drugscriminaliteit trekt de politie samen op met publieke en private partners. Bij gevallen van bedreiging of andere criminele activiteiten wordt burgers geadviseerd om altijd aangifte te doen, zodat de politie hierop kan reageren.
Voor het overige verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2, 6 en 8.
Deelt u de mening dat dit een klap is in het gezicht van de boeren omdat de teelt zorgt voor inkomstenderving, overlast en boeren gevaar lopen als ze onder druk gezet worden door criminelen of als ze wiettelers betrappen en we hen juist moeten beschermen tegen dit soort georganiseerde misdaad? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat de hennepvluchten niet meer worden uitgevoerd omdat er weinig hennep meer gevonden werd, prioriteit is gegeven aan controles op de grond, er geen capaciteit is voor deze vluchten en er ook geen gelden voor zijn vrijgemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Vreest u niet dat de criminelen hier slim gebruik van maken en (opnieuw) gaan telen? Zo nee, waarom niet?
De ontwikkelingen worden door de politie in de gaten gehouden. Als er concrete aanwijzingen zijn voor hennepteelt, kan de politie besluiten om helikopters in te zetten om luchtbeelden te maken.
Bent u bereid te regelen dat er per direct weer van dit soort vluchten worden uitgevoerd en de boeren niet opdraaien voor de taak van de politie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat Albert Heijn op de vingers is getikt vanwege leeftijdsdiscriminatie |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat supermarktketen Albert Heijn door het College voor de Rechten van de Mens (CRM) schuldig is bevonden aan leeftijdsdiscriminatie?1
Het kabinet vindt discriminatie een ernstige zaak en onacceptabel. Discriminatie en uitsluiting, ook in de werving en selectiefase, is in Nederland verboden. Indien iemand zich gediscrimineerd voelt, is het belangrijk dat hij of zij hiervan een melding maakt bij de gemeentelijke antidiscriminatievoorziening (ADV), het College voor de Rechten van de Mens (College) dan wel aangifte doet bij de politie. Door aangifte te doen dan wel een melding te maken wordt er een duidelijke grens getrokken en kan er door het College een oordeel in de betreffende zaak worden gegeven dan wel door de rechter een uitspraak worden gedaan. Zij zijn hiertoe bevoegd en het beste uitgerust. Het is dan ook een goede zaak dat deze zaak is voorgelegd aan het College.
Welke maatregelen neemt Albert Heijn om leeftijdsdiscriminatie in het vervolg te voorkomen? Gelden deze maatregelen alleen voor de vestiging in Nijmegen of voor alle vestigingen?
Albert Heijn (AH) heeft in reactie op het oordeel van het College aangegeven niet de intentie te hebben gehad om te discrimineren en dat AH de website in lijn met het oordeel van het College zal aanpassen. Ik vind het een goede zaak dat AH met dit oordeel aan de slag gaat.
Wat voor gevolgen heeft deze veroordeling voor andere supermarkt- en winkelketens die eveneens vacatures hebben die exclusief gericht zijn op scholieren of studenten? Bent u bereid deze bedrijven te wijzen op het verbod op leeftijdsdiscriminatie, mede op basis van de uitspraak van het CRM?2
Uit het recent in opdracht van mij door de Vrije Universiteit uitgevoerde onderzoek naar leeftijdsdiscriminatie in vacatureteksten3 blijkt dat leeftijdsdiscriminatie in vacatureteksten nog steeds voorkomt. Naar aanleiding van deze resultaten bekijk ik momenteel op welke wijze ik werkgevers het beste kan voorlichten over verboden direct en indirect onderscheid in vacatureteksten. In de volgende voortgangsrapportage over het Nationaal Actieprogramma tegen Discriminatie (NAD) van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, voorzien voor de eerste helft van 2018, zal ik u informeren over de uitkomst hiervan.
Bent u bereid om naar aanleiding van deze uitspraak het toezicht op leeftijdsdiscriminatie door de Inspectie SZW te intensiveren? Zo nee, waarom niet?
Het team Arbeidsdiscriminatie bij de Inspectie SZW houdt reeds rekening met geïdentificeerde risicosectoren en signalen van mogelijke discriminatie uit bedrijven, College, ADV’s en politie in haar selectie van te inspecteren bedrijven. Zo kan het team bij signalen dat een bepaalde werkgever c.q. inlener discrimineert, zoals bijvoorbeeld in onderhavig oordeel van het College aan de orde, nagaan of het bedrijf een afdoende anti-discriminatiebeleid heeft. Daarbij wordt gekeken of de werkgever inventariseert welke verschijningsvormen van discriminatie er kunnen zijn, of er maatregelen zijn genomen om discriminatie te voorkomen en of de werkgever regelmatig toetst of maatregelen werken en waar nodig bijstuurt. Alle discriminatiegronden, waaronder ook leeftijdsdiscriminatie, worden hierbij betrokken. De bevoegdheden van het team richten zich hierbij tot het beleid met betrekking tot de werkvloer. De Inspectie SZW heeft geen bevoegdheden ten aanzien van de werving- en selectiefase, beloningsaspecten en individuele gevallen.
Heeft de Inspectie SZW voldoende bevoegdheden om bedrijven die zich schuldig maken aan leeftijdsdiscriminatie een sanctie op te leggen? Zo nee, bent u bereid die bevoegdheden uit te breiden met bijvoorbeeld het opleggen van boetes? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, het team Arbeidsdiscriminatie bij de Inspectie SZW heeft voldoende bevoegdheden. In 2016 zijn 227 inspecties uitgevoerd. Vanaf april 2016 wordt daarbij handhavend opgetreden. In 80 tot 90% van de bedrijfsbezoeken is daarbij handhavend opgetreden met een «eis tot naleving». Deze bedrijven voldeden niet (afdoende) aan de wettelijke plicht om anti-discriminatiebeleid te moeten voeren en waren niet altijd (afdoende) bekend met de inhoud van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Deze bedrijven hebben met een eis tot naleving de mogelijkheid gekregen om het leven te beteren. De eerste herinspecties van het team worden, conform inspectiebrede procedures, ingepland na één jaar, te weten vanaf dit voorjaar. In de volgende voortgangsrapportage over het NAD wordt u geïnformeerd over de uitkomsten van de herinspecties.
Heeft de Inspectie SZW voldoende capaciteit om toezicht te houden op leeftijdsdiscriminatie en ook op discriminatie op de arbeidsmarkt in het algemeen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Naar aanleiding van een tijdens de begrotingsbehandeling van SZW in december 2016 aangenomen amendement4 van de leden Van Weyenberg (D66) en Karabulut (SP) is voor 2017 en 2018 voor het team Arbeidsdiscriminatie bij de Inspectie SZW extra financiering ter beschikking gesteld ten behoeve van extra inzet op voorlichting en inspecties. In de volgende voortgangsrapportage over het Nationaal Actieprogramma tegen Discriminatie (NAD) dat u begin 2018 wordt aangeboden, zal ik nader ingaan op de activiteiten die het team mede n.a.v. deze extra financiering in 2017 heeft ondernomen.
Erkent u dat – zolang jongeren aanzienlijk minder verdienen dan volwassenen – er altijd een perverse prikkel zal zijn voor werkgevers om zich exclusief te richten op jongeren?
Met het minimumjeugdloon is beoogd om de ontwikkeling van jongeren op de arbeidsmarkt op de langere termijn gunstig te beïnvloeden. Bij de vormgeving en hoogte van het wettelijk minimumjeugdloon dient altijd een balans gevonden te worden tussen het versterken van de inkomenspositie van werkzame jongeren enerzijds en de gevolgen voor de werkgelegenheid en de scholingsdeelname anderzijds. De aanpak van jeugdwerkloosheid is een van de speerpunten van dit kabinet. De werkgever die bij de verloning van jongeren bij het in de wet gemaakte leeftijdsonderscheid aanknoopt, maakt zich mitsdien niet schuldig aan verboden onderscheid op grond van leeftijd bij de arbeid. Werkgevers mogen echter, zoals de uitspraak van het College bevestigt, niet exclusief jongeren werven met een beroep op het wettelijk minimumjeugdloon. Het stimuleren van de ontwikkeling van jongeren op de arbeidsmarkt door middel van het minimumjeugdloon is dus geen vrijbrief om verboden onderscheid op grond van leeftijd te maken bij de werving van personeel. Het is goed dat werkgevers zich hiervan bewust zijn.
Bent u bereid om het afschaffen van het minimum jeugdloon versneld en volledig door te voeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals bekend heeft de regering besloten tot de verlaging van de leeftijd waarop men recht heeft op het volwassen minimumloon naar 22 jaar en de verhoging van de minimumjeugdlonen voor 18 tot 21-jarigen. Inmiddels is het wetsvoorstel daartoe door beide Kamers aangenomen en deze wijzigingen treden per 1 juli 2017 in werking. Een tweede verlaging van de leeftijd waarop men recht heeft op het volwassen minimumloon naar 21 jaar (en bijbehorende verhoging van de jeugdlonen voor 18 tot 20-jarigen) is bij wet voorzien twee jaar nadat de eerste stap in werking is getreden (te weten 1 juli 2019). Een verdere verlaging naar bijvoorbeeld 18 jaar zou volgens het CPB grote negatieve effecten hebben op de werkgelegenheid van jongeren, waardoor hiervan bewust is afgezien.5 Hierdoor heeft het kabinet gekozen voor een verlaging van de leeftijd naar 21 jaar in twee stappen zodat de effecten van de eerste stap kunnen worden gemonitord om te bezien of deze wijzigingen hebben geleid tot aanzienlijke negatieve effecten op de werkgelegenheid. In dat geval kan het kabinet bezien of aanvullende (sectorale) maatregelen noodzakelijk zijn.