De uitzending van Brandpunt over lijkschouwers |
|
Foort van Oosten (VVD), Ard van der Steur (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van Brandpunt over lijkschouwers?1
Ja.
Wat is uw algemene reactie op deze uitzending waarin deskundigen stellen dat honderden misdrijven – waaronder zelfs moorden – over het hoofd worden gezien? In hoeverre herkent u het in de uitzending geschetste beeld?
Ik verwijs naar de antwoorden die ik mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heb gegeven op de schriftelijke vragen van de leden Wolbert en Recourt (beiden PvdA)2 naar aanleiding van het bericht dat lijkschouwers misdrijven missen door een gebrekkige opleiding. Daarin is vermeld dat in artikel 5 van de Wet op de lijkbezorging de verplichting is vastgelegd dat uitsluitend artsen die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, worden benoemd als gemeentelijk lijkschouwer. Met het oog hierop beheert de beroepsvereniging, het Forensisch Medisch Genootschap (FMG), een register voor forensisch artsen. De als zodanig werkzame forensisch artsen worden daarin geregistreerd als forensisch arts FMG. Dit betreft de artsen die tenminste de 1-jarige basisopleiding forensische geneeskunde hebben gevolgd en daardoor door de beroepsvereniging competent worden geacht om zelfstandig te werken als forensisch arts. Met dit register is de kwaliteit van de forensisch arts geborgd volgens de normen van de beroepsvereniging. Het kabinet beschikt niet over cijfers van het aantal keren dat in een later stadium is gebleken dat aanvankelijk onterecht is uitgegaan van een natuurlijke doodsoorzaak. Bovendien valt niet bij te houden hoe vaak een nooit gedetecteerde onjuiste vaststelling van een doodsoorzaak zich heeft voorgedaan.
In hoeverre bestaan er standaard richtlijnen waarlangs lijkschouwingen hebben plaats te vinden, en worden deze nageleefd?
Er bestaat een richtlijn lijkschouw, welke is opgesteld door de Vakgroep Forensische geneeskunde van GGD NL, het Forensisch Medisch Genootschap (FMG) en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De richtlijn stelt dat tijdens een lijkschouw zowel bloed als urine moet worden afgenomen en dat een oriënterend toxicologisch onderzoek (sneltest) van urine op veel voorkomende drugs/medicatie dient te worden uitgevoerd. Een lijkschouw is een vorm van maatwerk en soms kan het feitelijke handelen niet in overeenstemming zijn met de richtlijn. Een vereiste is wel dat degene die afwijkt van de richtlijn, de gevolgde werkwijze en de motivatie voor het afwijken registreert. Er is ook ruimte voor lokaal en regionaal maatwerk. In deze gevallen zullen de afwijkende afspraken, als aanvulling op de standaard richtlijnen, in de organisatie moeten worden vastgelegd. Het registeren van afwijkingen is een vereiste in het kader van de HKZ-certificatie (Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector).
Er is geen informatie beschikbaar over de vraag of, en zo ja, hoe vaak wordt afgeweken van de richtlijn.
Hoe verklaart u dat in bedoelde uitzending wordt aangegeven dat in slechts vier van de 26 GGD-regio's standaard bloed en urine wordt afgenomen? In hoeverre vindt standaard toxicologisch onderzoek plaats?
Zie antwoord vraag 3.
Wat vindt u van de opmerking van een geïnterviewde arts dat niet altijd voldoende ervaring bij lijkschouwers aanwezig is om subtiele signalen rondom moord etc. te ontdekken? Indien u dit beeld herkent, welke acties gaat u in dezen ondernemen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid deze vragen van een antwoord te voorzien voorafgaand aan het Algemeen overleg over de uitvoering van de Wet op de Lijkbezorging voorzien op dinsdag 30 september aanstaande?
Beantwoording voorafgaand aan het betreffende algemeen overleg is helaas niet mogelijk gebleken.
Mensenhandel |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA), Nine Kooiman (SP), Ard van der Steur (VVD), Peter Oskam (CDA), Foort van Oosten (VVD), Magda Berndsen (D66), Louis Bontes (GrBvK), Marith Volp (PvdA), Roelof van Laar (PvdA), Gert-Jan Segers (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Welke resultaten zijn er geboekt door de samenwerking op politieniveau tussen Nederland, Roemenië en Bulgarije?
Zowel met Roemenië als met Bulgarije is sprake van een actieve operationele samenwerking. Op 1 januari 2013 heeft Nederland, met het oog op de gezamenlijke aanpak van georganiseerde misdaad, waaronder mensenhandel, een Memorandum of Understanding getekend met Roemenië en op 3 februari 2014 met Bulgarije. De samenwerking met Bulgarije en Roemenië is de afgelopen jaren geïntensiveerd. Een aantal werkbezoeken (van multidisciplinaire delegaties) heeft over en weer plaatsgevonden. Zowel met Bulgarije als met Roemenië wordt op bilaterale basis operationeel samengewerkt, in een aantal gevallen door middel van een gezamenlijk opsporingsonderzoek. Bij Bulgarije is daarbij sprake geweest van vier Joint Investigation Teams (JITs), die inmiddels zijn afgerond. Op dit moment wordt samen met Roemenië gekeken of er onderzoeken zijn die in aanmerking komen voor een JIT.
Onlangs zijn tevens werkprogramma’s opgesteld op het gebied van samenwerking bij de opsporing die zowel aan Nederlandse zijde als aan Bulgaarse en Roemeense zijde door de autoriteiten zijn goedgekeurd. Beide werkprogramma’s voorzien in een component mensenhandel. In dat kader worden expertmeetings georganiseerd waarbij dieper wordt ingegaan op kennis over mensenhandel die aan beide zijden aanwezig is, het uitwisselen van informatie (ook te delen met Europol) en het bepalen van een gezamenlijke strategie om de aanpak verder te versterken. Deze activiteiten starten na de zomer. Met de Bulgaarse grenspolitie zijn daarnaast afspraken gemaakt over het identificeren van mensenhandel tijdens grenscontroles.
Roemenië, Bulgarije en Nederland participeren in het EU EMPACT-project Mensenhandel. Dit betreft een voornamelijk operationeel project waaraan 25 lidstaten en de organisaties Europol, Eurojust, Frontex, Cepol en Interpol deelnemen. Via dit project worden de aanpak van mensenhandelzaken en het opzetten van JITs gecoördineerd, waarbij het Verenigd Koninkrijk de driver en Nederland co-driver is. Roemenië, Bulgarije en Nederland zijn alle drie actieve deelnemers. Ze behoren bij de top 5 van landen die de meeste operationele informatie aanleveren bij Europol. Nederland ziet erop toe dat de bilaterale samenwerking met Roemenië en Bulgarije aansluit op en waar nodig onderdeel vormt van de multilaterale samenwerking in EMPACT-verband. De overige deelnemende landen zijn positief over de samenwerking met Bulgarije en Roemenië binnen EMPACT. Ik deel die mening.
Vorig jaar is er een EU-project afgerond door een aantal lidstaten onder leiding van Frankrijk waarbij materiaal is ontwikkeld voor de eerstelijnssignalering van slachtoffers van mensenhandel. In dit project hebben Bulgarije, Roemenië en Nederland geparticipeerd. Op 12 juni heeft in Amsterdam een train-de-trainerbijeenkomst plaatsgevonden voor medewerkers van de organisaties van de Task Force Mensenhandel om in hun eigen organisaties met dit materiaal aan de slag te kunnen gaan.
In hoeveel opsporingsonderzoeken werd in de afgelopen jaren samengewerkt? Bij hoeveel van deze onderzoeken lag het initiatief bij Roemenië?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is de samenwerking tussen Nederland enerzijds en Roemenië en Bulgarije anderzijds met betrekking tot het opvangen door deze landen van slachtoffers van mensenhandel en mensensmokkel?
Nederland heeft de afgelopen jaren door middel van een reeks projecten in aanzienlijke mate bijgedragen aan preventie en bestrijding van mensenhandel in deze landen alsook aan de opbouw van structuren voor de opvang van slachtoffers. In de periode 2007–2010 is via MATRA1 een project gefinancierd van La Strada International in samenwerking met Bulgaarse ngo’s, waaronder Animus Association, dat een nationaal verwijzingsmechanisme («National Referral Mechanisme») voor Bulgarije heeft ontworpen. Dit vormt de basis voor de identificatie, doorverwijzing en opvang van slachtoffers in dat land. In de jaren 2008–2010 is eveneens via MATRA een project uitgevoerd dat zowel training van de Bulgaarse politie in de bestrijding van mensenhandel behelsde als door Fier Fryslan verzorgde trainingen in het opzetten en runnen van opvangfaciliteiten, die laatste in verband met Bulgaarse plannen om ook staatsshelters op te richten. Bulgarije beschikt inmiddels over twee staatsshelters en heeft er nog twee in aanbouw. Tevens zijn via genoemd MATRA-project voorlichtingsactiviteiten op Bulgaarse middelbare scholen ondernomen. Als materiaal daarvoor is onder andere een DVD gemaakt waarin een Bulgaars slachtoffer (voormalig prostituee) haar verhaal vertelt. Ook de proeftuin Slaven van het Systeem die zich specifiek richtte op de situatie met betrekking tot Bulgaarse prostituees in de provincies Groningen en Friesland heeft bijgedragen aan beter inzicht in de problematiek en nauwere samenwerking tussen Nederland en Bulgarije.
In relatie tot Roemenië heeft Nederland in de jaren 2007–2010 eveneens een tweetal substantiële projecten gefinancierd (grotendeels ook via MATRA). Het eerste project was erop gericht het (Roemeense) Nationaal Agentschap voor de bestrijding van mensenhandel (ANITP) te helpen met de opstelling van een Nationaal Actieplan. Het tweede project, dat met behulp van Nederlandse ngo’s is uitgevoerd, richtte zich op de ontwikkeling van ketensamenwerking en opvangstructuren, zowel op nationaal als lokaal niveau, en behelsde onder andere trainingen in de omgang met slachtoffers en in het opzetten van shelters.
Op dit moment is Nederland betrokken bij verschillende terugkeer- en reïntegratieprogramma’s voor Roemeense en Bulgaarse slachtoffers van mensenhandel. In mijn antwoord op vraag 14 zal ik hier nader op ingaan.
Bent u bereid de functie van politieliaison in Roemenië en Bulgarije voorlopig te laten bestaan?
Zoals ik uw Kamer bij eerdere gelegenheid al berichtte, worden er op dit moment geen vaste liaisons teruggetrokken uit Europa. De functie van politieliaison officer in Boekarest is in de zomer van 2013 met 2 jaar verlengd. Het huidige plaatsingsplan voor de politieliaison officers van de nationale politie loopt af in 2015. Op dit moment wordt door mijn ministerie samen met de politie en het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie gewerkt aan een nieuw plan. Eind 2014 zal ik uw Kamer – conform toezegging – informeren over het nieuwe plaatsingsplan. Definitieve besluitvorming over de politieliaison officer in Boekarest na medio 2015 zal daar onderdeel van uitmaken.
Wat is er bekend over het aandeel van de Roma bij de slachtoffers van mensenhandel en mensensmokkel in Nederland?
De politie registreert slachtoffers niet op grond van etniciteit. Het aandeel van Roma bij de slachtoffers van mensenhandel en mensensmokkel in Nederland is dan ook niet bekend.
Op welke manieren kan de Nederlandse regering bijdragen aan het verwezenlijken van preventiebeleid en opvang van slachtoffers in Roemenië en Bulgarije zonder de verantwoordelijkheid daarvoor over te nemen?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 3 werkt Nederland op verschillende manieren samen met Roemenië en Bulgarije als het gaat om opvang van slachtoffers. Daarnaast wordt binnenkort bij de Nederlandse ambassades in Sofia en Boekarest een medewerker aangesteld die zich zal bezighouden met voorlichting en samenwerking op het gebied van arbeidsmigratie en sociale zekerheid. Voorlichting is in dit kader tevens relevant om problemen in Nederland, zoals onderbetaling of in het ergste geval arbeidsuitbuiting, te voorkomen.
Op welke manier zal de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche bijdragen aan het tegengaan van mensenhandel en mensensmokkel, gelet op het vervallen van de registratieplicht voor prostituees en de vergewisplicht voor klanten?
De in uw Kamer voorliggende wijzigingen van de Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche2 doen geen afbreuk aan de introductie van een uniform vergunningsstelsel voor alle typen seksbedrijven in elke gemeente in Nederland en de leeftijdsgrens van 21 jaar. Het uniform vergunningstelsel onderwerpt alle typen seksbedrijven aan strenge voorwaarden om misstanden in de prostitutiesector, waaronder mensenhandel, eerder aan het licht te laten komen en te bestrijden. Onderdeel hiervan zijn de eisen die worden gesteld aan het (strafrechtelijk) verleden en het gedrag van de exploitant. Daarnaast zullen ook de voorwaarden om de positie van de prostituee te verbeteren in het wetsvoorstel en in de concept-AMvB bijdragen aan de aanpak van mensenhandel. Exploitanten worden onder meer verplicht om prostituees te informeren over hun rechten en mogelijkheden voor hulpverlening. De leeftijdgrens van 21 maakt prostituees weerbaarder.
In hoeverre is bij opsporing, vervolging en bij hulp aan slachtoffers voorzien in de taalkundige en culturele expertise die nodig is voor Roemenen en Bulgaren, en dan met name de Roma?
In die expertise wordt, waar nodig, voorzien. Zo worden er regelmatig tolken ingezet in opsporingsonderzoeken en vindt ook wetenschappelijk onderzoek plaats, zoals het onderzoek «Breaking the Silence» naar de bereidheid om misstanden te melden onder Hongaarse prostituees en slachtoffers van mensenhandel dat in 2013 in opdracht van de Nationale Politie werd uitgevoerd. Indien er gedurende een mensenhandel-onderzoek blijkt dat er sprake is van een slachtoffer met een Roma-achtergrond, dan bestaat de mogelijkheid om via de landelijk deskundigheidsmakelaar (LDM) van de Politieacademie expertise in huis te halen. In voorkomende gevallen kan de Inspectie SZW samenwerken met de cultural mediators van de ngo Fairwork, die de taal en cultuur van de slachtoffers kennen.
Door de publicatie «Aanpak multi-problematiek bij gezinnen met een Roma achtergrond» van de Politieacademie wordt inzicht gegeven in problematiek die professionals signaleren bij gezinnen met een Roma achtergrond. Deze publicatie is opgesteld in het kader van het landelijk programma «Aanpak uitbuiting Roma-kinderen». Doel van het programma is de uitbuiting van (Roma)kinderen aan te pakken en voor de toekomst te voorkomen.
Wat zijn de feiten rond de samenwerking met deze landen via Eurojust en Europol en hoe beoordeelt u die samenwerking met deze landen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat kan Nederland doen om invulling te geven aan de circa 1 miljard euro aan beschikbare fondsen voor de Roemeense Roma-gemeenschap, nu in de praktijk is gebleken dat het niet mogelijk lijkt om deze weg te zetten?
Ik veronderstel dat u doelt op de onbenutte structuurfondsen, met name het Europees Sociaal Fonds. In de vorige EU-begrotingsperiode (2007–2013) lukte het Roemenië niet goed om deze fondsen uit te geven. Het absorptiepercentage voor de structuurfondsen als geheel ligt op dit moment rond de 40%. Vanwege de crisis heeft Roemenië twee jaar extra de tijd gekregen om de structuurfondsen uit te geven. Daardoor is er ruimte om meer geld te besteden aan sociale integratie, onder andere voor de Roma.
De Europese Commissie is primair verantwoordelijk voor het toezicht op de besteding van de fondsen. De Europese Commissie spreekt de betreffende regeringen aan indien er een probleem of onduidelijkheid is betreffende transparantie en besteding. De Europese Commissie doet dit ook, bijvoorbeeld via een landenspecifieke aanbeveling aan Roemenië, in de set aanbevelingen die de Commissie op 2 juni jl. heeft gepubliceerd. Mogelijk kan de Commissie bijdragen in de sfeer van technische assistentie. Het kabinet zal dit in de reguliere contacten met de Commissie bespreken.
Is het mogelijk dat NGO's rechtstreeks en zonder tussenkomst van de Roemeense overheid een beroep kunnen doen op die fondsen?
Nee, dit is niet mogelijk. De uitvoering van de structuurfondsen geschiedt op nationaal niveau en aanvragen moeten dus bij de betreffende overheid, in dit geval de Roemeense, worden ingediend.
In hoeverre is het mogelijk dat Nederlandse NGO’s ondersteuning verlenen aan de NGO’s in Roemenië en Bulgarije?
Het staat Nederlandse ngo’s vrij om samen te werken met en ondersteuning te verlenen aan ngo’s in Roemenië en Bulgarije. Zo is het La Strada netwerk opgezet om slachtoffers van mensenhandel in een aantal EU-lidstaten te begeleiden en te assisteren. De leden van dit netwerk zijn ngo’s. Comensha heeft als lid van dit netwerk goede contacten met ngo’s in Roemenië en Bulgarije.
Ook andere organisaties werken samen op het gebied van mensenhandel. De Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) Nederland werkt bijvoorbeeld samen met IOM Bulgarije en IOM Roemenië voor de begeleiding bij de terugkeer en herintegratie van slachtoffers van mensenhandel naar die landen. IOM kan hierbij wanneer nodig samenwerken met ngo’s die gespecialiseerde zorg verlenen.
In mijn antwoord op vraag 14 zal ik nader in gaan op de begeleiding door IOM.
Welke ruimte binnen Schengen bestaat er om bij grenzen te controleren op mensenhandel?
In het kader van het mobiel toezicht veiligheid (MTV) voert de Koninklijke Marechaussee steekproefsgewijs controles uit in de grensregio’s. Die controles zijn mede bedoeld om migratiecriminaliteit, zoals mensenhandel en mensensmokkel, te bestrijden.
Welke terugkeer- en reïntegratieprogramma's zijn er of zouden er moeten zijn? Zijn de terugkeer- en reïntegratieprogramma's ook gericht op specifieke groepen, te onderscheiden op achtergrond (bijvoorbeeld Roma) of aard van werkzaamheden (bijvoorbeeld prostitutie)? Wat is de grondslag van deze programma's? Welke programma's ontvangen subsidie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en in welke mate?
Terugkeer- en reïntegratieprogramma’s zijn een belangrijke toevoeging aan het gehele aanbod van zorg- en hulpverlening aan slachtoffers van mensenhandel. Op dit moment bestaan er verschillende terugkeerprojecten voor slachtoffers van mensenhandel. Deze zijn te onderscheiden in programma’s voor slachtoffers vanuit specifieke bronlanden en programma’s voor specifieke doelgroepen.
Ten eerste is in juni 2014 op initiatief van Hongarije een project getiteld RAVOT gestart. Dit project is gericht op de terugkeer van Hongaarse slachtoffers van mensenhandel naar hun land van herkomst. Nederland en België participeren in het project, omdat zich in deze landen naar verhouding grote aantallen Hongaarse slachtoffers bevinden. Het project beoogt een verwijzingsmechanisme te ontwikkelen, waarin slachtoffers worden begeleid bij de terugkeer naar Hongarije, zo nodig adequate opvang krijgen en hulp ontvangen bij reïntegratie in de Hongaarse samenleving. Ten behoeve van het verwijzingsmechanisme wordt een online platform en opleidingsmateriaal ontwikkeld. Daarnaast wordt gewerkt aan een verbetering van de samenwerking tussen de betrokken partijen in de drie landen. Op de startbijeenkomst van dit project waren ook de andere lidstaten uitgenodigd. De resultaten van dit project zullen ook met de andere lidstaten gedeeld worden en de ervaring die wordt opgedaan kan later hopelijk bij de samenwerking met andere landen worden ingezet.
Het project is niet expliciet gericht op specifieke groepen, al is wel bekend dat een aanzienlijk deel van de Hongaarse slachtoffers in Nederland werkzaam is in de prostitutie en vermoedelijk een Roma achtergrond heeft. Het project ontvangt subsidie van de Europese Commissie vanuit het programma «Prevention of and Fight against Crime». Het Ministerie van Veiligheid en Justitie levert een bescheiden bijdrage van € 10.000,–.
Ten tweede loopt tussen juni 2013 en september 2014 het project Safe Return. Het Safe Return project heeft als doel om een methodiek te ontwikkelen en toe te passen, die terugkeer naar en re-integratie in het land van herkomst bespreekbaar maakt vanaf het allereerste begin van de opvang voor slachtoffers van mensenhandel en slachtoffers van huiselijk geweld die met verblijfsproblematiek te maken hebben. Cliënten die daadwerkelijk willen vertrekken worden voorbereid op dit vertrek. Cliënten die zijn vertrokken, worden indien mogelijk begeleid bij hun re-integratie in het land van herkomst door een organisatie aldaar. Daarnaast wordt binnen het Safe Return project onderzoek (desk research) gedaan naar factoren die terugkeer bevorderen of hinderen, best practicesen de belangrijkste landen van herkomst van cliënten. Ook worden mogelijke samenwerkingspartners in beeld gebracht in binnen- en buitenland. Het Safe Return project is oorspronkelijk ingediend bij en goedgekeurd door het Europees Terugkeer Fonds (ETF). Het is daarna integraal overgenomen door het Ministerie van Veiligheid en Justitie, om ook ondersteuning van Oost-Europese (EU) slachtoffers mogelijk te maken. Het Ministerie van VWS en de gemeenten Amsterdam, Alkmaar, Arnhem en Groningen dragen als co-financiers bij. Het project is in juni 2013 van start gegaan en wordt eind september 2014 afgerond met een slotconferentie, waarin de methodiek en overige resultaten van het project worden gepresenteerd. In 2013 is vanuit het Ministerie van Veiligheid en Justitie € 445.246,00 aan dit project toegekend. Het project wordt geleid door de Federatie Opvang. Binnen Nederland werken meerdere opvangorganisaties en ngo’s mee aan het project (o.a. CoMensha en de instellingen voor categorale opvang slachtoffers mensenhandel (COSMs)). De Bulgaarse partner is de ngo Animus/La Strada Bulgarije.
Ten derde is het HOME project in juni 2013 van start gegaan. Dit zal eindigen in juli 2014. Doel van dit project is de verbetering van de ondersteuning aan slachtoffers van mensenhandel bij een vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst. In dit project werken Maatwerk bij Terugkeer, Fier Fryslân, FairWork, Stichting Maatschappelijke Opvang ’s-Hertogenbosch, Caritas België, PAG-ASA (België), Idia Renaissance (Nigeria), Projeto Resgate (Brazilië) en Christian Brother’s Development Office (Sierra Leone) samen aan de terugkeer van slachtoffers van mensenhandel uit Nederland en België. Op 25 juni 2014 presenteren de projectpartners de resultaten van het project, waaronder richtlijnen om slachtoffers adequaat te kunnen voorbereiden op hun terugkeer en te begeleiden na hun terugkeer. Het project wordt gefinancierd vanuit het Europese Terugkeerfonds 2012. Ten behoeve van dit project hebben de organisaties een bedrag van € 188.653,35 toegekend gekregen.
De gemeente Amsterdam steunt een EU-subsidieaanvraag van het Roemeense OM voor een project over terugkeer van slachtoffers. De mogelijkheid van een traject voor prostituees en slachtoffers van mensenhandel die willen terugkeren naar Roemenië worden door de gemeente Amsterdam onderzocht.
Tot slot worden slachtoffers van mensenhandel uit de EU ook ondersteund binnen het programma REAN (Return and Emigration of Aliens from the Netherlands) bij hun terugkeer naar het land van herkomst door de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), indien zij geen verblijfsrecht meer hebben. In totaal is in 2013 aan het REAN een subsidie van € 6.600.000,00 toegekend. Alhoewel EU-onderdanen uitgesloten zijn van de REAN-regeling heeft de Nederlandse overheid een uitzondering voor slachtoffers van mensenhandel gemaakt. Dit is conform de motie die uw Kamer eind 2011 heeft aangenomen over de veilige terugkeer van slachtoffers van mensenhandel uit met name Bulgarije, Hongarije en Roemenië.3
De meerderheid van de slachtoffers die met assistentie van IOM terugkeerden is afkomstig uit die lidstaten. IOM begeleidt per jaar rond de 30 slachtoffers van mensenhandel met vertrek uit Nederland. In 2013 zijn 25 slachtoffers van mensenhandel bij terugkeer begeleid, waarvan 5 naar Bulgarije en 5 naar Roemenië. Het REAN programma voorziet in informatie en advies, vliegtickets, reiskosten in Nederland om bijvoorbeeld naar een ambassade te gaan, ondersteuningsbijdrage, bemiddeling bij het verkrijgen en vergoeding van de kosten van reisdocumenten, assistentie bij vertrek op Schiphol, transit en aankomst assistentie wanneer gewenst door het slachtoffer. IOM kan een slachtoffer bijvoorbeeld begeleiden naar de uiteindelijke plaats van bestemming. Daarnaast voorziet het REAN programma in een klein budget (500 euro) voor herintegratie «in-kind» dat het slachtoffer met assistentie van onze collega’s in Roemenië en Bulgarije kan besteden aan opvang, training of het opzetten van een bedrijfje. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar achtergrond of soort uitbuiting, wel wordt maatwerk geleverd omdat iedere zaak anders is en ieder slachtoffer specifieke behoeftes kan hebben. Bijna alle personen afkomstig uit Roemenië en Bulgarije die via IOM vertrekken, zijn slachtoffer van seksuele uitbuiting.
De Europese Commissie dient volgens de EU-mensenhandelstrategie in 2015 een model te ontwikkelen voor een grensoverschrijdend verwijzingsmechanisme voor slachtoffers. Binnen het eerder genoemde EMPACT project is er ook aandacht voor de opvang van slachtoffers. Hoewel dit niet binnen het taakveld van de opsporing valt, wordt er dit jaar gewerkt aan een lijst van contactpersonen van opvangorganisaties voor de opsporingsdiensten, om de eerste opvang van slachtoffers te kunnen regelen wanneer die tijdens de opsporing worden aangetroffen.
Zijn er Nederlandse fondsen waarmee hulpverlening, preventie en reïntegratie van slachtoffers van mensenhandel gestimuleerd kunnen worden?
Zowel het Ministerie van Veiligheid en Justitie als dat van Buitenlandse Zaken hebben algemene fondsen waaruit ook dit soort activiteiten kunnen worden gestimuleerd. Het in mijn vorige antwoord genoemde REAN programma wordt bijvoorbeeld gefinancierd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie.
Het eerder genoemde MATRA-fonds is niet meer van toepassing op Bulgarije en Roemenië. Naast nationale middelen kan ook een beroep worden gedaan op EU-subsidies. Zo kunnen sommige projecten met betrekking tot terugkeer en reïntegratie gefinancierd worden uit het Europees Terugkeerfonds.
Hoe groot is de stroom van meisjes uit Bulgarije en Roemenië naar landen als Nederland?
Er zijn geen cijfers beschikbaar over het aantal personen dat vanuit landen als Bulgarije en Roemenië naar andere Europese landen, waaronder Nederland, reist.
De Roemeense autoriteiten beschikken net als wij enkel over cijfers met betrekking tot slachtoffers van mensenhandel die door hen als zodanig zijn geïdentificeerd, deze geven hierdoor geen volledig beeld.
Hoe groot is de stroom van minderjarige meisjes uit Bulgarije en Roemenië naar verschillende landen in Europa?
Zie antwoord vraag 16.
In hoeverre zijn het wel of niet hebben van grenscontroles een belemmering voor mensenhandelaren?
Mensenhandel wordt door Nederland aangepakt via het barrièremodel. Eén van de barrières is het grenstoezicht. Door de KMar wordt bij de luchthavens actief gecontroleerd op signalen van mensenhandel. In de praktijk hebben deze signalen al geleid tot opsporingsonderzoek. Zoals aangegeven in antwoord 13 wordt in het kader van MTV steekproefsgewijs controles uitgevoerd in de binnengrenszone en in internationale treinen en bussen. Naast dit grenstoezicht en MTV-controles zijn er ook andere barrières binnen Nederland, waarmee mensenhandel effectief kan worden tegengegaan, bijvoorbeeld de barrières die door de bestuurlijke aanpak kunnen worden opgeworpen.
Ftp-servers die onvoldoende beveiligd zijn waardoor privégegevens van burgers te zien zijn |
|
Klaas Dijkhoff (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Reporter Radio waarin naar voren komt dat ftp-servers onvoldoende beveiligd zijn, waardoor privacygevoelige gegevens van duizenden burgers en bedrijven door iedereen in te zien zouden zijn?1
Ja.
Klopt het dat privégegevens van burgers en bedrijven misbruikt kunnen worden door slecht beveiligde ftp- servers? Zijn er bij u gevallen bekend van burgers en/of bedrijven die de dupe zijn geworden van misbruik van gegevens die zijn opgevraagd bij slecht beveiligde ftp-servers? Zo ja, om hoeveel gevallen van misbruik gaat het? Om hoeveel gevallen van onbeveiligde servers gaat het?
Ja, het is mogelijk dat gegevens die op een slecht of onbeveiligde ftp-server worden geplaatst door kwaadwillenden worden misbruikt. Hierbij dient te worden bedacht dat informatiebeveiliging primair een eigen verantwoordelijkheid van burgers, bedrijven en overheden is. Daar waar gewerkt wordt met persoonsgegevens geldt in generieke zin het kader van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). In aanvulling hierop kan afhankelijk van de sector sprake zijn van aanvullende sectorale wet- en regelgeving. Overigens geldt voor gegevensopslag en -verwerking met behulp van deze servers in de privésfeer dat de Wbp niet van toepassing is (uitzondering voor activiteiten met uitsluitend persoonlijke of huishoudelijke doeleinden, art. 2, tweede lid, onder a, Wbp).
Alle bedrijven en overheden die persoonsgegevens verwerken moeten aan de eisen van de Wbp voldoen. Zo ook aan artikel 13 dat gaat over het adequaat beveiligen van persoonsgegevens. Dit betekent het nemen van passende technische en organisatorische maatregelen, rekening houdend met de stand van de techniek en afgezet tegen de risico’s die met de specifieke gegevensverwerking(en) zijn gemoeid.
Het CBP heeft richtsnoeren uitgebracht over beveiliging van persoonsgegevens. Deze richtsnoeren leggen uit hoe het CBP bij het onderzoeken en beoordelen van beveiliging van persoonsgegevens in individuele gevallen de beveiligingsnormen uit de Wbp toepast. De richtsnoeren vormen de verbindende schakel tussen enerzijds het juridisch domein, met daarbinnen de eisen uit de Wbp, en anderzijds het domein van de informatiebeveiliging, waarin de noodzakelijke kennis en kunde aanwezig is om daadwerkelijk aan die eisen te voldoen. Het CBP is met toezicht en handhaving van de Wbp belast.
Aanscherpingen van het juridisch kader inzake bescherming van persoonsgegevens zijn in voorbereiding, zowel op Europees niveau (algemene verordening gegevensbescherming) als op nationaal niveau (wijziging van de Wet bescherming persoonsgegevens in verband met de invoering van een meldplicht bij de doorbreking van maatregelen voor de beveiliging van persoonsgegevens en de uitbreiding van de bestuurlijke boetebevoegdheid van het College bescherming persoonsgegevens).
Bij het Nationaal Cyber Security Centrum zijn door partijen binnen de doelgroep van Rijksoverheid en vitale sectoren geen meldingen gedaan van partijen die getroffen zijn door misbruik van gegevens naar aanleiding van het gebruik van slecht beveiligde of onbeveiligde FTP-servers.
De omvang van het aantal onbeveiligde servers valt niet exact aan te geven. Middels op het internet beschikbare zoeksystemen kunnen, zoals in de uitzending benadrukt wordt, inderdaad lijsten met FTP-servers geïndexeerd worden. Het is echter onmogelijk om van deze servers, zonder deze te betreden, aan te geven of deze persoonsgegevens bevatten of dat het voor de aard van de informatie die op deze servers staat noodzakelijk is om hier beveiliging op toe te passen.
Welke (juridische) waarborgen zijn er om de privacygegevens van burgers op ftp-servers te beschermen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen nemen het ministerie en het Nationaal Cyber Security Centrum om burgers en bedrijven (beter) te beschermen tegen misbruik van slecht beveiligde ftp-servers? Welke verantwoordelijkheden hebben burgers om zelf hardware en software veilig in te richten?
Vanuit het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het daaronder ressorterende Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) wordt uitvoerig aandacht besteed aan het verhogen van de digitale weerbaarheid. Hiertoe is in oktober 2013 de tweede Nationale Cyber Security Strategie (NCSS-2) gepubliceerd.
De NCSS-2 bevat een uitgebreid actieprogramma. Zo wordt onder meer ingezet op het verhogen van de bewustwording van burgers en bedrijven middels de jaarlijkse campagne Alert Online. De campagne Alert Online zal dit jaar van 27 oktober tot 6 november gehouden worden.
Dit jaar ligt de focus op kennis over cybersecurity, juist om partijen zelf in staat te stellen om de juiste acties te ondernemen.
Ten aanzien van onbeveiligde apparatuur, w.o. FTP-servers, dient opgemerkt te worden dat het NCSC hier met regelmaat in haar publicaties voor heeft gewaarschuwd. Een voorbeeld hiervan is de reeds in december 2012 gepubliceerde factsheet «beveilig apparaten gekoppeld aan internet».
Bedrijven en instellingen zijn zoals gezegd, zelf primair verantwoordelijk voor informatiebeveiliging en zoals in de NCSS-2 reeds aangegeven mag daarbij een zekere mate van basis-cyberhygiëne verwacht worden, bijvoorbeeld bij het omgaan met persoonlijke gegevens op het internet.
Tot slot kan ik aangeven dat ik de analyse van hoogleraar Bart Jacobs, tevens lid van de Cyber Security Raad, deel en dat deze aansluit op de in de NCSS-2 geschetste rol voor het bedrijfsleven als leverancier. De Cyber Security Raad heeft in haar advies bij het opstellen van de NCSS-2 vastgesteld dat er een nadrukkelijke interactie moet zijn tussen de aanbieders van producten en diensten en de gebruikers ervan, zeker als het gaat om de veiligheidsaspecten zoals het gebruik van sterke wachtwoorden of het hanteren van specifieke veiligheidsinstellingen op apparatuur. In de NCSS-2 is daarbij dan ook aangegeven dat leveranciers een specifieke verantwoordelijkheid (zorgplicht) richting hun klanten hebben en dat security en privacy by design meer dan nu standaard ontwerpbeginselen dienen te zijn.
Hoe beoordeelt u het standpunt van hoogleraar Cyber Security Bart Jacobs dat aanbieders van software voor ftp-servers gebruikers moeten waarschuwen voor de (potentiële) gevaren?
Zie antwoord vraag 4.
Een trust framework en eID |
|
Perjan Moors (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de Qiy foundation, Mydex, Respect Trust Framework, Personal.com en andere, soortgelijke initiatieven?
Ja.
Wat is uw visie op dergelijke initiatieven die zich inzetten voor de ontwikkeling van een afsprakenstelsel («trust framework voor gewaarborgde digitale identiteit», «life management platforms», «personal data stores»), waar burgers controle hebben (o.a. inzicht hebben in, beschikken over en recht hebben op correcties) over persoonlijke gegevens? Deelt u de mening dat aan de hand hiervan relevante persoonsgegevens langs digitale weg ter hand gesteld zouden kunnen worden, zodanig dat de ontvanger mag vertrouwen op de juistheid van die gegevens? Wat is uw visie hierop? Wat is de betrokkenheid vanuit de Rijksoverheid? Zijn alle relevante ministeries aangehaakt?
De Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Economische Zaken (EZ) volgen vanuit hun regierol op de e-overheid actief het ontstaan van genoemde vernieuwende vormen van dienstverlening. De overheid wil de informatiepositie van burgers versterken. In MijnOverheid is een voorziening gerealiseerd waarbij burgers, d.m.v. het invullen van een profiel, inzage krijgen in welke overheidsorganisaties gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP) verstrekt krijgen. Onder coördinatie van BZK en EZ wordt voorts onderzocht of en hoe dit soort initiatieven kunnen bijdragen aan de kabinetsdoelstellingen zoals geformuleerd in visiebrief Digitale Overheid 2017 van 23 mei 2013.1 Dergelijke initiatieven kunnen mogelijk bijdragen aan de realisatie van de ambitie om burgers nog maar één keer gegevens aan de overheid te laten leveren en het realiseren van een inzage- en correctierecht. Hergebruik van reeds bekende en gevalideerde gegevens kan bovendien bijdragen aan een efficiëntere en kleinere overheid.
Een afsprakenstelsel waarin zowel publieke als private partijen participeren, kan een instrument zijn dat helpt bij het versterken van genoemde informatiepositie en het digitaal veilig en betrouwbaar delen van gegevens. In dat kader zijn BZK en EZ als publieke partijen betrokken bij de ontwikkeling van het Qiy framework. Het daadwerkelijk toepassen en deelnemen als overheid aan een dergelijk afsprakenstelsel is overigens een aparte beslissing die nog niet is genomen. Een belangrijke voorwaarde is dat dergelijke concepten moeten passen binnen wet- en regelgeving, bijvoorbeeld op het gebied van privacy.
In hoeverre past de ontwikkeling van deze diensten bij uw ambities ten aanzien van de zogeheten e-overheid, en meer in het bijzonder ten aanzien van het eID-stelsel, Digitaal 2017, e-Justice/e-CODEX, eHerkenning, e-Sense en Identiteit-op-orde? Op welke wijze worden al die initiatieven op elkaar afgestemd?
Het veilig elektronisch zakendoen, het makkelijk uitwisselen van informatie tussen diverse partijen, veilige identificatie en authenticatie, inzage in eigen gegevens, correctie en een betere afscherming van die gegevens om fouten en fraude tegen te gaan, vormen belangrijke pijlers onder verbetering van de digitale dienstverlening in 2017. Samen met eHerkenning (identificatie en authenticatie voor bedrijven) en DigiD (idem voor burgers), die in de toekomst geïntegreerd zullen worden tot één eID Stelsel, vormen zij de onderdelen van de zogenoemde generieke digitale basisinfrastructuur (GDI).2
Het is de bedoeling dat het eID Stelsel een publiek privaat stelsel wordt, waarbinnen burgers en bedrijven zowel publieke als private authenticatie-middelen gebruiken, waarmee ze veilig online zaken kunnen gaan doen met de overheid en ook het bedrijfsleven. Het eID Stelsel is straks een belangrijke randvoorwaarde voor initiatieven zoals Qiy, Mydex, Respect Trust Framework, Personal.com, etc. Dergelijke vertrouwensdiensten zijn complementair aan het eID Stelsel.
Ook op Europees niveau wordt er actie ondernomen. De nieuwe EU-verordening elektronische identiteiten en vertrouwensdiensten (COM(2012) 238 final)3 heeft de ambitie om grensoverschrijdend gebruik van elektronische identiteiten mogelijk te maken. Nederland zorgt ervoor dat elektronische identiteiten passen binnen de Europese initiatieven om te komen tot veilig digitaal berichtenverkeer tussen de lidstaten.
Gedurende de afstemmingsperiode is Nederland een actieve deelnemer in verschillende Europese projecten, zoals e-SENS (www.esens.eu). e-SENS is een overkoepelend proefproject dat Nederland de kans biedt om Europese standaarden te beproeven voor elektronische identiteiten en vertrouwensdiensten. e-SENS consolideert de resultaten van eerdere grote Europese projecten, zoals e-CODEX (www.e-codex.eu) op het gebied van e-Justice. Deelname geeft Nederland belangrijke informatie om standaarden op organisatorisch, technisch en juridisch vlak in de Nederlandse realiteit in te bedden.
Zo zijn er in de Europese proefprojecten oplossingen gemaakt om de koppeling tussen identiteitsmiddelen en overheidsdiensten technisch mogelijk te maken. Het is de bedoeling dat deze oplossingen onderdeel gaan worden van het toekomstige eID Stelsel Nederland.
Welke functie zouden dergelijke diensten kunnen hebben in het voorkomen van (identiteits-)fraude? Hoe wordt gewaakt dat de privacy niet in het geding komt?
Genoemde initiatieven dienen te voldoen aan het privacykader dat de Wet bescherming persoonsgegevens stelt aan de verwerking van persoonsgegevens. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) is daarop toezichthouder. Indien de genoemde initiatieven aansluiten op het nog te ontwikkelen eID Stelsel, waarbij gebruik wordt gemaakt van middelen en voorzieningen met het juiste betrouwbaarheidsniveau voor de relevante dienst zal dat kunnen bijdragen aan een betere bescherming tegen Identiteitsfraude.
Welke rol (dataprovider, relying party, identity service provider en/of issuer) heeft u voor ogen voor de overheid bij deze initiatieven?
In een eventueel afsprakenstelsel of «trust framework» kan de overheid verschillende rollen vervullen. Enerzijds kan de overheid gegevens beschikbaar stellen (data provider), maar ook gebruik maken van beschikbaar gestelde gegevens (relying party). De overheid werkt op dit moment aan de ambitie om straks binnen het eID Stelsel op te treden als «identity service provider». Aan de precieze vormgeving van het eID wordt conform overleg met uw Kamer nog gewerkt. Tenslotte zal de overheid een toezichthoudende rol kunnen hebben.
Welke rol ziet u voor de overheid in het toezicht op een dergelijk stelsel en/of certificering/accreditatie/auditing van aanbieders in zo’n stelsel?
Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) is belast met het toezicht op een correcte verwerking van persoonsgegevens van burgers/consumenten binnen de kaders die de Wet bescherming persoonsgegevens daaraan stelt. Van wezenlijk belang voor de overheid bij afsprakenstelsels is dat het gaat om open, voor ieder toegankelijke stelsels en waarbij sprake is van onafhankelijk, effectief toezicht. Dat hoeft niet perse vanuit de overheid te zijn. Het kabinet heeft in haar e-privacybrief van 24 mei 20134 een aantal randvoorwaarden gesteld voor de bescherming van persoonsgegevens in de relatie klant-bedrijf. Daarmee kan het vertrouwen in het gebruik van online-diensten worden vergroot. Een van die voorwaarden is dat de gebruiker controle moet kunnen hebben over zijn persoonsgegevens en de aanwending daarvan.
Op dit moment wordt nader onderzocht hoe het toezicht op de betrouwbaarheid en integriteit van het eID Stelsel het beste vormgegeven kan worden. Een elektronisch identiteitstelsel kan enkel werken als men op dit stelsel kan en durft te vertrouwen. Het stelsel wordt als zodanig ingericht. Dat betekent dat normen, procedures bevoegdheden en dergelijke, die voor een veilig en vertrouwd functioneren noodzakelijk zijn, worden vastgelegd. Dat is het afsprakenstelsel. Partijen die toe willen treden tot dit afsprakenstelsel, zullen vooraf moeten aantonen dat zij zich aan de eisen kunnen en zullen houden. Om op het afsprakenstelsel te durven vertrouwen, zal er adequaat toezicht noodzakelijk zijn om te borgen dat eenieder zich aan die afspraken houdt. Daar zijn verschillende mogelijkheden voor, van volledig staatstoezicht tot nagenoeg volledig privaatrechtelijk toezicht en alles wat daar tussen ligt. Een aantal zaken zal zeker onder toezicht van de overheid vallen, omdat dit zo door Europese regelgeving is voorgeschreven. Denk daarbij aan het toezicht op de gekwalificeerde handtekening en de zaken die op grond van de nieuwe EU-verordening elektronische identiteiten en vertrouwensdiensten (COM(2012) 238 final)5 door de overheid moet worden uitgeoefend. Omdat er juist in de marktsector zeer veel kennis en ervaring is op dit gebied, is het ook logisch die kennis en ervaring te benutten waar dat mogelijk is.
Is er nieuwe of gewijzigde wetgeving nodig voor de invoering en het gebruik van een dergelijk stelsel en zo ja, bent u van plan tijdig de benodigde wetgeving te bevorderen?
Op dit moment is nog niet duidelijk of nieuwe of gewijzigde wetgeving noodzakelijk is. Dit is afhankelijk van de invulling van een dergelijk afsprakenstelsel / «trust framework». Uiteraard zal ik indien nodig tijdig de benodigde wetgeving bevorderen.
Bent u van plan de adoptie van een trust framework in de markt te stimuleren en zo ja, hoe?
De overheid volgt met interesse de initiatieven in de particuliere sector op dit gebied en bekijkt welke waarde deze stelsels kunnen hebben mede voor overheidsdiensten. Zo zijn het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties betrokken bij de initiatieven van Qiy. Qiy ontwikkelt met een aantal andere bedrijven een concept waarin de controle van de persoonsgegevens door de gebruiker centraal staat. Dit is een interessant initiatief dat kan bijdragen aan de vergroting van het vertrouwen in het gebruik van online-diensten en daarmee de economische groei. In hoeverre adoptie in de markt gestimuleerd zal/kan worden is op dit moment nog niet duidelijk.
De gevolgen van het hebben van schulden voor zzp’ers |
|
Foort van Oosten (VVD), Sjoerd Potters (VVD) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Aantal huishoudens met schulden verdubbeld», waarin in de laatste alinea wordt vastgesteld dat financiële problemen een diversiteit aan mensen, waaronder zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers), treffen?1
Ja.
Voordat de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) kan worden toegepast, dienen zzp’ers eerst een minnelijk traject te doorlopen; bent u bekend met de omstandigheid dat het minnelijke traject in veel gemeenten niet op zzp’ers wordt toegepast en dat het advies wordt gegeven de handelsactiviteiten te staken? Hoe kijkt u hiertegen aan?
Voor het slagen van een minnelijk traject is enige stabiliteit qua inkomen vereist en behoort het maken van nieuwe schulden in principe niet tot de mogelijkheden. Dit zijn twee voorwaarden waar menig zzp-er met financiële problemen moeilijk aan kan voldoen. Financiële hulpverlening aan een zelfstandige vraagt om specifieke bedrijfsmatige kennis. Die kennis is aanwezig bij de uitvoerder van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van het Bbz. Voor de zzp-er met financiële problemen fungeert het Bbz als voorportaal. Hier wordt bepaald of de bedrijfsactiviteiten van de zzp-er voldoende levensvatbaar zijn en/of wellicht via herfinanciering en tijdelijke inkomensondersteuning vanuit het Bbz een gezonde basis kan worden gecreëerd voor de toekomst.
De situatie kan ontstaan dat op zich wel sprake is van een levensvatbaar bedrijf, maar dat voor de door een samenloop van omstandigheden ontstane schulden, geen oplossing binnen het Bbz kan worden gevonden. Dan kan via schuldhulpverlening alsnog worden bezien of een schuldregeling tot de mogelijkheden behoort, waardoor de aanwezige schuldenlast niet op de verder gezonde bedrijfsvoering drukt. Het gaat dan – gezien de geconstateerde levensvatbaarheid – veelal om zzp-ers met een bepaalde mate van stabiliteit binnen hun inkomen, waardoor er ook meer kans is dat tot een vergelijk met de aanwezige schuldeisers kan worden gekomen. Vanwege de gewenste specifieke expertise is nauwe samenwerking met de uitvoerder van het Bbz vereist.
De hierboven beschreven wisselwerking tussen Bbz en schuldhulpverlening is op dit moment nog niet binnen alle gemeenten gebruikelijk. Deze maand verschijnt de Werkwijzer zelfstandig ondernemers met schulden van Divosa, tot stand gekomen met subsidie van SZW. In deze werkwijzer wordt een aantal good practices beschreven om gemeenten handvatten te bieden over hoe zij de samenwerking tussen beide expertises beter vorm kunnen geven.
Klopt het voorts dat het een zzp’er in de regel niet wordt toegestaan om binnen het regime van de Wsnp te vallen terwijl deze de handelsactiviteiten voortzet, aangezien ondernemen financiële onzekerheid met zich brengt en daarmee de kans op nieuwe schulden wordt vergroot? Hoe taxeert u deze omstandigheid?
Het zal in deze situatie bijna altijd gaan om een onderneming die in serieuze betalingsmoeilijkheden is geraakt, anders doet men geen beroep op de Wsnp. Het beëindigen van de onderneming en te gelde maken van de activa is dan – binnen de schuldsaneringsregeling – inderdaad de hoofdregel. Voortzetting binnen de Wsnp is echter niet onmogelijk. Een eigen onderneming van de schuldenaar kan tijdens de schuldsanering tijdelijk worden voortgezet, indien de rechter-commissaris daarvoor bij schriftelijke beschikking toestemming verleent (artikel 311 Faillissementswet).
Vorderingen die in die situatie voortvloeien uit een voortzetting van de handelsactiviteiten zijn nieuwe boedelschulden- aldus lid 3 van artikel 311 Faillissementswet. Boedelschulden zijn schulden die door de boedel (vanzelf, of door toedoen van de curator-bewindvoerder) worden gemaakt. Deze boedelschulden hebben de allerhoogste voorrang en gaan dus boven alle oude bestaande schulden ook wanneer die preferent zijn. Deze nieuwe boedelschulden mogen als eerste uit de boedel voldaan worden en dat gaat in een toch al zeer krappe situatie (faillissement en schuldsanering) rechtstreeks ten koste van wat de bestaande schuldeisers kunnen krijgen. Rechters zijn vanuit die optiek dan ook terughoudend met het verlenen van toestemming tot tijdelijke voortzetting.
De rechterlijke Wsnp-richtlijnen (de zgn. Recofa-richtlijnen) leggen de voortzettingbeslissing daarnaast aan kritische banden: de eventuele toestemming ziet op een tijdelijke voortzetting, bijvoorbeeld om lopende zaken te kunnen afhandelen of om een akkoord te kunnen aanbieden aan de schuldeisers. Na afloop van de tijdelijke voorzetting dient de schuldenaar de handelsactiviteiten te beëindigen en dient hij betaald werk in loondienst te zoeken met inachtneming van een strikte arbeids- en sollicitatieplicht. Tijdens de looptijd van de schuldsanering kan de schuldenaar daarnaast geen (nieuwe) eigen onderneming starten zonder toestemming van de rechter-commissaris.
In de negende Monitor-rapportage Wsnp is aan de hand van een enquête onder insolventierechters ook onderzocht (hoofdstuk 7.1, blz. 53–54) of het vaak voorkomt dat een zzp-er tijdens de Wsnp zijn onderneming mag voortzetten. Tweederde van de rechters gaf aan dat dit inderdaad wel eens voorkomt.
Deelt u de mening dat ook voor zzp’ers effectieve en daadwerkelijke schuldhulpverlening toegankelijk moet zijn dan wel blijven? Op welke wijze kan deze mogelijkheid beter worden vormgegeven?
Voor ondersteuning van zzp-ers met een levensvatbare onderneming is het Bbz – zoals boven beschreven – de eerst aangewezen regeling. Wanneer de mogelijkheden van het Bbz uitputtend zijn ingezet en het Bbz onvoldoende soelaas biedt voor de aanwezige schuldenproblematiek, kan schuldhulpverlening een meerwaarde hebben. De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening sluit schuldhulpverlening aan zzp-ers dan ook niet zonder meer uit. Een en ander vraagt wel om specifieke dienstverlening die in nauwe samenwerking met het Bbz kan worden opgezet. Het blijft steeds de gemeente zelf die bepaalt hoe de lokale schuldhulpverlening wordt ingericht en in welke mate de hulpverlening specifiek op bepaalde doelgroepen – zoals de zzp-er – wordt gericht.
Het bericht “ING geeft adverteerder inzicht in klantgedrag” |
|
Foort van Oosten (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «ING geeft adverteerder inzicht in klantgedrag» in het Financieele Dagblad van 10 maart 2014?1
Ja.
Eerder heeft de minister van Financiën negatief gereageerd op de plannen van betalingsverwerker Equens om de transactiegegevens van winkeliers te verkopen; wat vindt u van het voorstel van ING om derden inzicht te verschaffen in het betalingsgedrag van hun klanten? In hoeverre is dit acceptabel gegeven de huidige privacyregelgeving? Wat is de mening van de privacywaakhond College Bescherming Persoonsgegevens over deze casus?
De Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche bank zijn kritisch over de plannen van ING. Consumenten zijn sterk afhankelijk van banken. Ik sta voor een bancaire sector die dienstbaar is aan de Nederlandse economie en waar de klant centraal staat. Het is echter zeer de vraag in hoeverre de plannen van ING in het belang van de klant is en in hoeverre de bank de rechtmatige verwerking (waaronder de veiligheid) van de klantgegevens kan waarborgen. Of dit het geval is, zullen de banken die volledig op de hoogte zijn van de omvang en aard van de activiteiten zelf moeten aantonen. Een onzorgvuldige aanpak en slechte communicatie kan het vertrouwen van de consument in de bancaire sector ernstig schaden.
Zoals ook is aangegeven in het antwoord op de Kamervragen die zijn gesteld door de leden Schouw en Verhoeven (beiden D66) geldt voor het verwerken van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan de uitvoering van de overeenkomst als sectorale uitwerking van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) de Gedragscode verwerking persoonsgegevens financiële instellingen. Deze Gedragscode is opgesteld door de Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond van Verzekeraars. Het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) heeft voor deze Gedragscode in april 2010 een goedkeurende verklaring afgegeven. Deze verklaring heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.
De Gedragscode bevat geen bepalingen over het gebruik van de persoonsgegevens voor andere doeleinden in de vorm van verstrekkingen aan derde partijen. Dit betekent niet dat het gebruik van de persoonsgegevens voor andere doeleinden daarmee categorisch is uitgesloten. De Wbp opent in elk geval de mogelijkheid om een rechtvaardiging daarvoor te zoeken in toestemming van de klant (artikel 8a). Die toestemming zal wel aan specifieke eisen moeten voldoen. In artikel 1 aanhef en onder i Wbp is namelijk bepaald dat onder toestemming van een betrokkene wordt verstaan: «elke vrije, specifieke en op informatie berustende wilsuiting waarmee de betrokkene aanvaardt dat hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt». Hierbij is onder andere van belang dat niet van een rechtsgeldige toestemming kan worden gesproken als de betrokkene onder druk van omstandigheden waarin hij verkeert of de relatie waarin hij staat tot de verantwoordelijke tot toestemming is overgegaan. Als tweede voorwaarde geldt dat de wilsuiting van de betrokkene betrekking moet hebben op een bepaalde gegevensverwerking of een beperkte categorie van gegevensverwerkingen. Duidelijk moet zijn welke verwerking, van welke gegevens, voor welk doel zal plaatsvinden, en als het daarbij gaat om een verstrekking aan derden, ook aan welke derden. Dit betekent dat een zeer brede en onbepaalde machtiging niet als toestemming kan worden aangemerkt. Als derde voorwaarde geldt «informed consent»: de betrokkene kan slechts verantwoord toestemming geven wanneer hij zo goed mogelijk is ingelicht.2
In artikel 9 lid 1 van de Wbp is bepaald dat persoonsgegevens niet verder worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen. Volgens het tweede lid van genoemd artikel wordt bij de beoordeling of een verwerking onverenigbaar is met het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen onder andere rekening gehouden met de verwantschap tussen oorspronkelijk en beoogd doel, aard van de gegevens, consequenties voor de betrokkene en de wijze waarop de gegevens zijn verkregen.
In de onderhavige context moet bij die beoordeling verder worden betrokken het vertrouwen van de cliënt in de bank dat wordt geboden door de financiële regelgeving, de overeenkomst, de algemene bankvoorwaarden, de Wbp en de Gedragscode.
Het is niet aan mij noch aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om een uitspraak te doen over de verenigbaarheid met de Gedragscode of de Wbp. Het College bescherming persoonsgegevens is belast met het toezicht op de naleving en de handhaving van de Wbp. Het Cbp kan, als het daartoe aanleiding ziet, een onderzoek instellen. Het Cbp doet in beginsel geen uitspraken over lopende en mogelijke onderzoeken.
Wat zijn de regels en/of afspraken als het gaat om het gaan van «opt in» naar «opt out», onder meer ook bij wijzigingen van de onderliggende afspraken? Wat zijn de afspraken over informatievoorziening richting de consument in dit kader?
Alle marktpartijen zijn gehouden aan de regels zoals deze zijn vastgelegd in de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet op het Financieel Toezicht. Een belangrijk uitgangspunt van deze wetgeving is dat transparant wordt gehandeld. De klant moet te allen tijde worden geïnformeerd over hetgeen waarvoor hij tekent, ook wanneer er zich wijzigingen in de onderliggende dienstverlening voordoen. Daarnaast moet de klant te allen tijde zijn toestemming kunnen intrekken (artikelen 8a en 23a Wbp).
Voldoen de plannen van ING aan de «Gedragscode verwerking persoonsgegevens financiële instellingen», die ook is onderschreven door ING, waarin staat dat persoonsgegevens verder niet worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De exacte omvang en uitvoering van de plannen van ING zijn niet bekend. ING heeft aangegeven nog geen uitvoering te gaan geven aan de proef en eerst met stakeholders zoals klanten, toezichthouders, privacy-organisaties en consumentenorganisaties in gesprek te gaan. ING stelt uitsluitend gebruik te maken van persoonlijke klantgegevens binnen de grenzen van wet- en regelgeving, in het bijzonder de Wet bescherming persoonsgegevens, en de daarop gebaseerde Gedragscode verwerking persoonsgegevens financiële instellingen en de ING business principles. Zie voorts het antwoord op vraag 2.
Hoe past de actie van ING in het beleid van het kabinet, zoals uiteengezet in de notitie «Vrijheid en veiligheid in de digitale samenleving. Een agenda voor de toekomst» van de Minister van Veiligheid en Justitie van 13 december 2013 (Kamerstuk 26 643 nr. 298) en in de kabinetsvisie op e-privacy «Op weg naar gerechtvaardigd vertrouwen» van 24 mei 2013 (Kamerstuk 32 761, nr. 49)?
Het plan van ING staat los van het beleid van het kabinet. In de kabinetsnota van 24 mei 2013 is vermeld dat bedrijven volop bezig zijn met Big Data. Nieuwe technieken creëren immers commerciële en maatschappelijke kansen. Tegelijkertijd is vermeld dat de gevolgen voor de privacy van gebruikers van aangeboden diensten en producten niet altijd op voorhand duidelijk zijn, terwijl deze wel ingrijpend kunnen zijn. Kernboodschap van de brief is dan ook dat het zorgvuldig omgaan met persoonsgegevens essentieel is om het maatschappelijke vertrouwen in digitale dienstverlening te behouden. De kabinetsnota van 13 december 2013 richt zich specifiek op de overheid en daarbinnen de overheidsdiensten op het terrein van de veiligheid. Een van de aandachtspunten daarin is hoe er bij big data toepassingen voor kan worden gezorgd dat het proces van profilering ten behoeve van de veiligheid voldoende transparant is.
Bent u bereid om alsnog met de Nederlandse Vereniging van Banken, de banken, het College Bescherming Persoonsgegevens, en eventueel andere betrokken partijen nadere afspraken te maken over het waarborgen van de privacy van de klanten van de banken (in brede zin), aangezien het belangrijk is dat met dit soort gegevens uitermate voorzichtig wordt omgegaan? Zo nee, waarom niet?
De AFM houdt naast het College bescherming persoonsgegevens goed de vinger aan de pols. De AFM heeft alle banken opgeroepen om met de maatschappij in gesprek te gaan over het gebruik van gegevens van klanten.3 ING heeft in ieder geval aangegeven in gesprek te gaan met klanten, toezichthouders, privacyorganisaties en consumentenorganisaties. Ook de Nederlandse Vereniging van Banken vindt een maatschappelijke discussie over de inzet van Big Data zinvol en gaat hierover graag het gesprek aan met alle betrokkenen, waarbij de privacy van de klant voorop staat. Uit deze gesprekken, die binnen het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer kunnen worden gevoerd, zal moeten blijken of nadere afspraken nodig zijn om de privacy van de klanten van banken te beschermen.
Wat is de stand van zaken van de eerdere plannen van Equens om pingegevens van winkels te verkopen, nu destijds Equens heeft gezegd voorlopig af te zien van de verkoop van pingegevens, maar dus nog niet definitief?
De plannen van Equens namen indertijd ook veel maatschappelijke onrust met zich mee. Equens heeft om deze reden aangegeven alleen verdere stappen te nemen in het geval dat alsnog een breed maatschappelijk draagvlak tot stand komt. Equens heeft aangegeven een dergelijk breed maatschappelijk draagvlak vooralsnog niet te constateren en daarom momenteel ook geen enkel plan of voornemen te hebben om verdere stappen te zetten op dit terrein.
De flexibilisering van huurcontracten |
|
Erik Ziengs (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Pleidooi voor wonen in lege winkelpanden» en meer in het bijzonder de afsluitende passage waarin wordt gerefereerd aan de veronderstelde inflexibiliteit van huurcontracten bij winkelruimte?1
Ja
Wat is uw reactie op de stelling dat met name de vaste termijn(en) van huurcontracten als inflexibel worden beschouwd?
Vooropgesteld moet worden dat de huidige afdeling 7.4.6. Burgerlijk Wetboek, huur bedrijfsruimte (artikelen 7:290–310), een evenwicht beoogt te brengen tussen de positie van de eigenaar van het pand, de verhuurder, enerzijds en de positie van de exploitant van een onderneming, de huurder, anderzijds. Dit evenwicht is nodig gezien de afhankelijkheid van de ondernemer van het gebruik van een pand om zijn onderneming in uit te oefenen. De plaatsgebondenheid van de individuele winkelier/huurder speelt hierbij een belangrijke rol. De termijn- en huurbescherming alsmede de huurprijsbescherming strekken ertoe dit evenwicht te bewaren. Dit uitgangspunt geldt nog steeds onverkort.
In beginsel geldt een huurcontract voor 5 jaar met de mogelijkheid de huur op te zeggen tegen het einde van die termijn op grond van in de wet neergelegde opzeggronden. Gebeurt dat niet dan wordt het huurcontract verlengd met 5 jaar met wederom de mogelijkheid de huur tegen het aflopen van de tweede 5 jaartermijn op te zeggen, o.a. op de grond van een redelijke afweging van de belangen van de verhuurder bij beëindiging van de overeenkomst tegen die van de huurder bij verlenging van de overeenkomst.
Behalve een huurcontract voor 5 jaar, bestaat ook de mogelijkheid een huurcontract voor 2 jaar of korter te sluiten op grond van artikel 7:301 Burgerlijk Wetboek. In dat geval heeft de huurder geen termijn- en huurbescherming, maar wel huurprijsbescherming.
Partijen kunnen vóór het verstrijken van de termijn van twee jaren ook een van het wettelijke systeem afwijkende overeenkomst sluiten. Dan is het wel nodig dat daarvoor vóór het verstrijken van die twee jaar de in art. 7:291 lid 2 BW bedoelde goedkeuring aan de rechter is gevraagd. De goedkeuring zelf behoeft niet binnen de twee jaar te zijn verkregen. Keurt de rechter de afwijkende overeenkomst niet goed, dan kan hij op verzoek van de verhuurder tevens bepalen dat de overeenkomst wordt beëindigd en het tijdstip van de ontruiming vaststellen.
Voorts kan in het kader van eerder genoemd artikel 7:291 BW van de wettelijke regeling in afdeling 7.4.6 BW worden afgeweken met goedkeuring van de rechter. Zo kan bijv. ook in het contract geregeld worden dat de huurprijs is gekoppeld aan de omzet van de onderneming van de huurder.
Er wordt al met al de nodige flexibiliteit gegeven.
In hoeverre meent u dat het huurrecht kort durende huurcontracten voor winkelruimte – bijvoorbeeld twee jaar zoals in het artikel wordt aangehaald – toestaat, dan wel zou moeten toestaan?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 2.
Zijn er in uw optiek nog andere elementen uit het huurrecht voor winkelruimte die onvoldoende flexibel zouden zijn om in te kunnen spelen op de behoefte van (ver)huurders? Zo ja, welke zijn dat? Zo nee, waarom niet? Wordt hierover overleg gevoerd met de relevante stakeholders? Zo ja, waar heeft dat overleg toe geleid?
Uit de beantwoording van vraag 2 blijkt dat het huurrecht voor bedrijfsruimte de nodige flexibiliteit heeft. Waar de tegengestelde belangen van de verhuurders en van de huurders met elkaar in evenwicht dienen te zijn, is begrijpelijk dat men over en weer kritiek op de regeling blijft hebben. Er wordt regelmatig overleg gevoerd met de stakeholders onder andere door middel van de Winkeltop. In de Winkeltop zitten landelijke partijen die zowel de huurders als de verhuurders vertegenwoordigen te weten: MKB Nederland, Detailhandel Nederland, VNG, Vastgoedbelang, NVM, NEPROM, IPO, VNO-NCW, de Ministeries EZ en I&M. Gewezen kan worden op het onderzoek dat heeft plaats gevonden door Platform 31 in samenwerking met de Winkeltop. Dit onderzoek heeft geleid tot de publicatie «Winkelgebied in de toekomst». Uit dit onderzoek alsmede uit het artikel in de Telegraaf blijkt dat het probleem van leegstaande winkelpanden alleen kan worden opgelost door samenwerking op lokaal, regionaal en provinciaal niveau door de verschillende marktpartijen en de overheid. Het onderzoek heeft meer dan vijftig instrumenten, acties, maatregelen en samenwerkingsverbanden gepresenteerd die partijen in winkelgebieden kunnen inzetten om te werken aan winkelgebieden. In het onderzoek wordt gesteld dat alle belanghebbenden op beleidsmatig, juridisch (-planologisch), financieel, procesmatig of fysiek niveau mogelijkheden hebben om de toekomst van winkelgebieden te beïnvloeden.
Ik ondersteun dan ook samen met mijn ambtgenoot van Economische Zaken van harte initiatieven die hier eventueel zullen worden genomen.
Bent u bereid voor beantwoording van de onderhavige vragen te zorgen voorafgaand aan het Algemeen overleg Ondernemen, Regeldruk en MVO dat vooralsnog gepland staat voor 20 maart 2014?
Ja
Het zelden vooraf bekend maken van dronevluchten |
|
Foort van Oosten (VVD), Ronald Vuijk (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat in 2013 slechts negen procent van de dronevluchten vooraf bekend is gemaakt, tegen maar liefst 87 procent in 2011?
Zie de beantwoording van de vragen van de leden Schouw en Hachchi over dit onderwerp (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 1092). De verklaring is gelegen in mijn beschikking van 13 april 2012 (Instelling tijdelijke bijzondere luchtverkeersgebieden voor UAS-vluchten, EHR 50 tot en met EHR 57, Staatscourant, nr.7878, 24 april 2012). Op grond van deze beschikking hoeft Defensie voor trainingsvluchten boven militaire oefenterreinen niet langer afzonderlijk een bijzonder luchtverkeersgebied (BVG) aan te vragen. Deze vluchten worden wel vooraf bekendgemaakt aan het overige luchtverkeer met een Notice to Airmen (NOTAM).
Wat is uw reactie op de opmerkingen van Prof. Zwenne waar het gaat om de stelling dat slechts zelden dronevluchten vooraf bekend gemaakt worden en zijn zorgen daaromtrent?
Zie de beantwoording van de vragen van de leden Schouw en Hachchi over dit onderwerp (ingezonden 13 januari 2014 met kenmerk 2014Z00288). Er is geen sprake van veelvuldig onaangekondigd gebruik van Unmanned Aerial Vehicles (UAV’s). De inzet van UAV’s op verzoek van het civiel gezag wordt altijd gepubliceerd in de Staatscourant. Het civiel beslist tot publicatie voor of na de inzet. Met het oog op de vertrouwelijkheid en effectiviteit van strafrechtelijke onderzoeken is het doorgaans niet wenselijk om vluchten van te voren aan te kondigen. Overigens leveren de camera’s van de ingezette UAV’s geen beelden op waarop personen herkenbaar in beeld zijn.
Kunt u uitleggen waarom ervoor gekozen wordt om de betreffende dronevluchten met name achteraf bekend te maken in plaats van vooraf? Hoe verhoudt zich dit tot de privacyregelgeving?
Zie antwoord vraag 2.
De politie die regelmatig gebruik zou maken van ov-chipkaartgegevens en de databank van servicehuis parkeer- en verblijfsrechten (SHPV) |
|
Klaas Dijkhoff (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie gluurt in OV»?1
Ja.
Klopt het dat de politie regelmatig ov-chipkaartgegevens opvraagt bij Translink Systems (TLS)? Zo ja, onder welke omstandigheden vinden dergelijke vorderingen plaats?
Ja, politie en justitie vorderen regelmatig gegevens bij TLS en SHPV. De vorderingen vinden alleen plaats op het moment dat voldaan is aan de criteria van artikel 126nd Wetboek van Strafvordering. De inzet van deze vordering wordt elke keer opnieuw overwogen en getoetst door het Openbaar Ministerie.
Daarnaast heeft de politie op grond van artikel 3 Politiewet de mogelijkheid om gegevens op te vragen in het kader van de hulpverlening, indien bijvoorbeeld sprake is van een vermissing van een persoon.
Klopt het dat de politie regelmatig parkeergegevens opvraagt bij het Servicehuis Parkeer- en Verblijfsrechten (SHPV)? Zo ja, onder welke omstandigheden vinden dergelijke vorderingen plaats?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak zijn ten behoeve van wat voor soort opsporingsonderzoeken gegevens gevorderd bij TLS en SHPV in 2012 en 2013?
Bij TLS gaat het om 110 keer in 2012 en 265 keer in 2013. Het betreft zowel onderzoeken door de politie naar vermiste personen als strafrechtelijke onderzoeken door de officier van justitie. Ik heb geen beschikking over dergelijke cijfers met betrekking tot SHPV.
Zijn de vorderingen gericht gedaan of is er ook sprake van ongerichte vorderingen waarbij gegevens van meerdere reizigers/parkeerders over een langere periode zijn opgevraagd?
Het merendeel van de vorderingen is gericht, aan de hand van OV-chipkaartnummer of NAW-gegevens. Het komt ook voor dat gegevens worden gevorderd van een beperkte tijdsduur, bijvoorbeeld welke kaarten zijn ingecheckt op een bepaald apparaat gedurende een kwartier. Deze laatste vorderingen komen weinig voor en zijn vaak gerelateerd aan ernstige delicten als verkrachtingen of overvallen.
Welke juridische waarborgen zijn er om de privacy inzake reis- en parkeergegevens van (niet-verdachte) burgers te beschermen?
De juridische waarborgen om de privacy inzake reis- en parkeergegevens van burgers te beschermen zijn gelegen in de wettelijke criteria en in het zorgvuldig afwegen van politie en justitie om gegevens te vorderen of te vragen bij TLS en SHPV. TLS en de vervoerders zijn gebonden aan de Wet bescherming persoonsgegevens. Daarbij werken partijen continu aan de beveiliging van hun ICT-netwerken.
Welke waarborgen tegen schendingen van de privacy van klanten kent de OV-sector en het parkeerbeheer? Welke maatregelen hebben vervoerders en parkeerbeheerders getroffen om de reis- en parkeergegevens beter te beschermen tegen inbreuken?
Zie antwoord vraag 6.
Het artikel waarin de belangenorganisatie ICC wijst op risico’s van corruptie voor bedrijven |
|
Foort van Oosten (VVD), René Leegte (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Risico’s van corruptie ernstig onderschat»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de zorgen van de International Chamber of Commerce (ICC) omtrent corruptie vooral in opkomende markten?
Het kabinet deelt die zorgen en zet zich daarom in internationaal verband actief in voor de bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren door onder andere in het kader van ontwikkelingssamenwerking hulp voor de rechtsstatelijke opbouw van enkele ontwikkelingslanden te bieden. Daarnaast worden Nederlandse ondernemers onder meer via economische voorlichting door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) gewezen op de gevaren van omkoping en treedt Nederland als examinator op in evaluaties van andere landen in OESO- en VN-verband.
Hoe kijkt u aan tegen aangescherpte wetgeving van met name de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk ten aanzien van corruptiebestrijding en de effecten voor in het bijzonder het MKB daar waar het de introductie van ketenaansprakelijkheid betreft?
Net als Nederland kennen de Verenigde Staten (VS) en het Verenigd Koninkrijk (VK) uitgebreide wetgeving ter bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren, mede op basis van het OESO-verdrag tegen omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties. In het Verenigd Koninkrijk is in 2010 een nieuwe anti-corruptiewet in werking getreden, de UK Anti-Bribery Act. Welke uitwerking deze Britse wetgeving in de praktijk precies heeft, zal de komende tijd moeten blijken.
De in de wetgeving van de VS en het VK opgenomen «ketenaansprakelijkheid» lijkt te betekenen dat een bedrijf de verantwoordelijkheid draagt om gepaste maatregelen te treffen en adequate procedures te implementeren om te waarborgen dat de natuurlijke- en rechtspersonen die binnen de invloedssfeer van het bedrijf vallen, zich conform het verbod op buitenlandse omkoping gedragen. Hoe ver deze ketenaansprakelijkheid in de praktijk reikt, is afhankelijk van een beoordeling van de feiten en omstandigheden in het specifieke geval.
Indien sprake is van handelen te goeder trouw in die zin dat een onderneming gepaste maatregelen heeft getroffen en adequate procedures heeft geïmplementeerd ter bevordering van de integriteit van haar werknemers en contractanten, lijkt dit onder de Amerikaanse en Britse wetgeving een geldig verweer te kunnen opleveren. Een belangrijke vraag daarbij is of de vervolgde onderneming of bestuurder kan aantonen dat alle naar redelijkheid te verwachten maatregelen zijn genomen ter voorkoming van de situatie dat een werknemer of contractant een buitenlandse ambtenaar omkoopt.
De Nederlandse overheid erkent het belang om Nederlandse bedrijven, en in het bijzonder het MKB, voldoende bewust te maken van de consequenties van internationale anti-corruptiewetgeving. Zo heeft de Rijksoverheid, in samenwerking met onder andere MKB-Nederland en VNO-NCW, in 2012 de brochure «Eerlijk zakendoen, zonder corruptie» uitgegeven. In deze brochure voor het Nederlandse bedrijfsleven wordt onder meer ingegaan op de reikwijdte van en de verplichtingen onder de Amerikaanse en Britse anti-corruptie strafwetgeving.
Welke ondersteuning krijgen bedrijven die te goeder trouw bovenbedoelde aangescherpte wetgeving overtreden en daardoor in de problemen komen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw reactie op de kritiek van de ICC ten aanzien van de inspanningen van uw beider ministeries op het terrein van voorlichting aan Nederlanders die in het buitenland ondernemen, op het gebied van corruptie en de daarbij behorende risico’s en het onderzoek naar en de vervolging van fraude en corruptie? Welke inzet verricht u op dit gebied?
Het kabinet herkent zich niet in het beeld dat de ICC schetst. In het evaluatierapport van de OESO Anti-corruptiewerkgroep over de Nederlandse aanpak van buitenlandse omkoping van december 20122 complimenteerde de OESO Nederland juist met zijn inspanningen op het gebied van awareness raising. 3 Ter verdere verbetering is het ministerie van Buitenlandse Zaken sinds afgelopen november in gesprek met de ICC over de mogelijkheden tot samenwerking om meer bedrijven te kunnen bereiken.
Nu de Nederlandse bestrijding van corruptie ook vanuit andere internationale gremia dan de OESO recentelijk is geëvalueerd (Group of States against Corruption, GRECO4), en momenteel nog wordt geëvalueerd (Verenigde Naties en de Europese Commissie), is aan uw Kamer toegezegd5 dat de conclusies en aanbevelingen van de verschillende evaluaties op het terrein van corruptiebestrijding, waar mogelijk, met elkaar in samenhang worden bezien. Na afloop van deze evaluaties zal uw Kamer in een integrale beleidsreactie nader worden geïnformeerd.
Recentelijk heeft Nederland zich in de OESO Anti-corruptiewerkgroep tussentijds verantwoord over de mate en wijze van opvolging van een deel van de aanbevelingen uit het OESO-evaluatierapport uit 2012. De leden van de werkgroep oordeelden positief over de recente inspanningen die Nederland heeft gepleegd, onder andere op het terrein van opsporing en vervolging van buitenlandse omkoping. Voor details over de opvolging van de OESO-aanbevelingen verwijs ik naar de toegezegde integrale beleidsreactie.
Een uitzending waarin aandacht wordt besteed aan het beoordelen van de wilsbekwaamheid door een notaris bij dementie |
|
Michiel van Veen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de recent uitgezonden televisierapportage over onder andere het beoordelen van de wilsbekwaamheid door een notaris bij dementie?1
Ja.
Deelt u het standpunt van notaris Oomen dat notarissen, net als artsen bij vermoedens van huiselijk geweld, uitbuiting of misbruik van wilsonbekwaamheid, niet langer gehouden zouden moeten zijn aan het absoluut beroepsgeheim?
Het is de natuurlijke taak van de notaris om aan zijn cliënten rechtsbescherming te bieden ten aanzien van de inhoud en de rechtsgevolgen van een voorgenomen rechtshandeling. Juist de notaris zal in het rechtsverkeer voorlichting aan partijen moeten geven – de zogenaamde notariële Belehrungspflicht – over de specifieke, bezwarende rechtsgevolgen die kunnen voortvloeien uit bepaalde rechtshandelingen. In dit kader kunnen ook vermoedens van huiselijk geweld, uitbuiting of misbruik van wilsonbekwaamheid worden geplaatst, die immers de zuivere wilsvorming kunnen beïnvloeden. Het is de notaris die vanuit zijn vertrouwenspositie beroepshalve is gehouden om naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht. Wanneer de omstandigheden daar aanleiding toe geven is de notaris gehouden dienaangaande een onderzoek in te stellen. Dit vloeit voort artikel 4 van de Verordening beroeps- en gedragsregels, en is door de Hoge Raad reeds benadrukt in het arrest HR 20 januari 1989, NJ 1989, 766 (Groningse huwelijksvoorwaarden).
Verder kunnen notarissen, hoewel niet wettelijk verplicht, werken met een meldcode. De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) heeft, gebaseerd op de stappen van deze meldcode, een stappenplan ontwikkeld voor notarissen over wat zij kunnen doen bij constatering of vermoeden van financieel misbruik. Dit stappenplan KNB), dat ertoe strekt dat de notaris zich vergewist van de wilsbekwaamheid van zijn cliënt, past goed in de taakopvatting van de notaris zoals hierboven beschreven. Deze actieve houding van de notaris is dus reeds geworteld in zowel de beroepsethiek als in de rechtspraak.
In hoeverre zou u het wenselijk vinden dat er ruimte wordt geboden voor het notariaat om dergelijke vermoedens te melden? Zo ja, is daarvoor aanpassing van de wet noodzakelijk?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er in uw ogen ook stappen die het notariaat in dit kader zonder wetsaanpassing zelfstandig kan zetten, specifiek in het voorkomen van financiële uitbuiting van ouderen? Zo ja, waar denkt u dan aan?
De notarissen kunnen met de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling werken, net zoals allerlei beroepsgroepen dat deden, ook voordat de meldcode voor deze groepen werd verplicht. De meldcode wordt door de beroepsgroepen geschikt gemaakt voor de eigen situatie. Notarissen kunnen dat ook doen. Dat dit al gebeurt, blijkt uit het stappenplan van de KNB, wat te doen bij een constatering of vermoeden van financieel misbruik. Dit stappenplan is gebaseerd op de meldcode. Daarnaast is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in het kader van het Actieplan «Ouderen in veilige handen» gestart met zeven pilots «voorkomen van financiële uitbuiting». In deze pilots wordt, onder regie van de betreffende gemeente (Almere, Den Bosch, Ede, Gouda, Groningen, Haarlem en Rotterdam) nagegaan hoe met verschillende partijen, waaronder de notarissen en de Steunpunten Huiselijk Geweld, dit probleem kan worden aangepakt. De ervaringen en resultaten worden onder andere gebruikt om samen met de KNB na te gaan of en zo ja welke activiteiten / instrumenten er verder nog nodig zijn om het notariaat zo goed mogelijk in staat te stellen om financiële uitbuiting te voorkomen. De pilots lopen tot eind 2014.
De civiele aansprakelijkheid van de Staat der Nederlanden bij militaire uitzendingen |
|
Ard van der Steur (VVD), Han ten Broeke (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van de Hoge Raad van 6 september 2013?1
Ja.
Hebben deze uitspraken gevolgen voor de civiele aansprakelijkheid van de Staat der Nederlanden bij toekomstige militaire uitzendingen? Zo ja, welke? Hoe oordeelt u over deze gevolgen?
De arresten van de Hoge Raad van 6 september jl. berusten op de feiten en omstandigheden zoals die door het Gerechtshof Den Haag zijn vastgesteld. Deze feiten en omstandigheden zagen op de specifieke situatie die zich destijds in Srebrenica heeft voorgedaan. Bij toekomstige militaire uitzendingen zullen andere feiten en omstandigheden aan de orde zijn. Het is dan ook niet mogelijk op voorhand uitspraken te doen over de eventuele aansprakelijkheid van de Staat bij toekomstige uitzendingen.
Hebben deze uitspraken gevolgen voor de wijze waarop gewerkt kan worden met lokaal burgerpersoneel in conflictgebieden bij toekomstige militaire uitzendingen? Zo ja, welke? Hoe oordeelt u over deze gevolgen?
De arresten geven geen aanleiding om de huidige werkwijze ten aanzien van lokaal burgerpersoneel bij toekomstige militaire uitzendingen aan te passen.
Hebben deze uitspraken gevolgen voor de commandostructuur in noodsituaties tijdens bij toekomstige militaire uitzendingen? Zo ja, welke? Hoe oordeelt u over deze gevolgen?
De arresten hebben geen gevolgen voor de commandostructuur bij toekomstige militaire uitzendingen. De lessons learned van eerdere missies hebben geleid tot aanpassingen van de wijze van uitvoering van missies. De Commandant der Strijdkrachten behoudt te allen tijde Full Command over alle uitgezonden Nederlandse militairen en wijst een officier aan die namens hem in het inzetgebied kan optreden. Op deze manier kan Nederland in noodsituaties ingrijpen.
Hebben deze uitspraken gevolgen voor het toetsingskader dat tot stand is gekomen na het parlementair onderzoek van de Tijdelijke Commissie Besluitvorming Uitzendingen (Commissie Bakker)? Moet de eventuele civiele aansprakelijkheid van de Staat der Nederlanden worden meegewogen in dit toetsingskader?
Deze arresten hebben geen gevolgen voor het toetsingskader. Het toetsingskader is ontworpen – en sindsdien twee keer aangepast – ter structurering van de gedachtewisseling met het Parlement over deelname van Nederlandse militaire eenheden aan internationale militaire operaties waartoe het kabinet heeft besloten. De inrichting en afbakening van verantwoordelijkheden van een missie maken hiervan onderdeel uit.
In welke overige landen is sprake van civiele aansprakelijkheid voor het land dat troepen onder VN-vlag uitzendt, analoog aan wat de Hoge Raad nu voor de Nederlandse Staat heeft geoordeeld?
Het kabinet is geen rechterlijke uitspraken bekend in andere landen betreffende aansprakelijkheid van het land dat troepen onder VN-vlag uitzendt, analoog aan het arrest van de Hoge Raad van 6 september jl. Voor de Belgische rechter is een civiele procedure aanhangig tegen de Belgische Staat en drie Belgische militairen betreffende de Belgische deelname aan de VN vredesoperatie in Rwanda. In deze zaak heeft de rechter nog geen einduitspraak gedaan.
Is het mogelijk de civiele aansprakelijkheid van de Staat der Nederlanden bij toekomstige militaire uitzendingen uit te sluiten? Zo ja, hoe? Bent u van plan dat te doen?
Nee.
De gevolgen van het legaliseren van de online kansspelen |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Webgokken grote dreun goede doel, loterijen vrezen verlies inkomsten?»1
Ja.
Deelt u de in het krantenartikel geuite vrees van de directeur van de Goede Doelen Loterijen dat door het openstellen van de markt voor het aanbieden van online kansspelen, de afdracht aan goede doelen substantieel zal verminderen?2 Zo nee, waarom niet?
Nee, die vrees deel ik niet. Geen reden bestaat te verwachten dat de afdracht aan goede doelen en de sport door de regulering van online kansspelen substantieel zal verminderen. Diverse onderzoeken wijzen uit dat substitutie tussen online kansspelen en loterijen niet kan worden aangetoond.3 In feite bestaat al sinds jaren een Nederlandse markt voor kansspelen op afstand. Honderdduizenden Nederlanders nemen namelijk momenteel al deel aan niet-gereguleerde kansspelen op afstand. Spelers die deelnemen aan loterijen zijn veelal een ander type speler dan spelers die deelnemen aan kansspelen op afstand. Uit o.a. het APE onderzoek volgt het bestaan van verschillen in demografische kenmerken tussen online en offline spelers. Verder blijkt uit diverse onderzoeken dat de regulering van kansspelen op afstand in een aantal andere landen heeft uitgewezen dat de loterijopbrengsten niet zijn afgenomen als gevolg van regulering, maar juist zijn gestegen. Ook in Nederland hebben de goede doelen loterijen de afgelopen jaren een omzetgroei weten te realiseren, ondanks de opkomst van online kansspelen, dit blijkt uit hun jaarverslagen en uit marktanalyse rapporten van het bureau H2 Gambing Capital4. Daarnaast wordt in deze rapporten een verwachte groei in de toekomstige deelname aan kansspelen voor alle deelmarkten verwacht, ook voor goede doelen loterijen. Een grafiek met de omzet ontwikkeling van de goede doelen loterijen en de markt voor online kansspelen is opgenomen in de bijlage5.
Tegelijkertijd realiseer ik mij dat geen garantie kan worden gegeven dat geen substitutie zal plaatsvinden. Continuïteit van de afdracht van inkomsten uit loterijen aan goede doelen en de sport is echter wel belangrijk voor de samenleving. Mede om die reden wordt de regulering van kansspelen op afstand met de nodige waarborgen vormgegeven. In het wetsvoorstel kansspelen op afstand wordt o.a. duidelijk onderscheid gemaakt tussen loterijproducten en producten die aanbieders van kansspelen op afstand straks mogen aanbieden.
In het wetsvoorstel Kansspelen op afstand is de mogelijkheid opgenomen om vergunninghouders van kansspelen op afstand verplicht te laten bijdragen aan het goede doel of de sport. Gezien de aard van deze spellen, waarbij een groot deel van de inleg als prijzengeld wordt uitgekeerd, mogen echter van een dergelijke afdracht plicht geen grote inkomsten voor het maatschappelijk belang worden verwacht. Dit leidt tot de principiële vraag of voor deze beperkte inkomsten gekozen moet worden, of voor een heldere scheiding tussen commerciële kansspelen en maatschappelijk georiënteerde kansspelen als de loterijen. De bepaling staat opgenomen in het wetsvoorstel met het oog op eventuele toekomstige ontwikkelingen die hiertoe aanleiding zouden kunnen geven.
Is er al onderzoek gedaan naar de concrete gevolgen voor de afdracht aan goede doelen als het aanbieden van online kansspelen wordt gelegaliseerd? Zo nee, bent u bereid dit onderzoek uit te laten voeren?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan worden bewerkstelligd dat goede doelen profiteren van de regulering van online kansspelen?
Het doel van de regulering van kansspelen is om spelers te beschermen tegen de risico’s op verslaving, misleiding en criminaliteit. Afdrachten aan het goede doel en de sport zijn daarbij een gunstig neveneffect, maar mogen niet het primaire doel zijn. Zo hebben Nederlandse loterijen wel een afdrachtverplichting, maar is bij de regulering van speelautomaten in het verleden gekozen geen afdrachtverplichting op te leggen.
Het staat alle aanbieders met een online vergunning vrij om zich te profileren met afdrachten aan het goede doel, mits de consument hierover juist wordt voorgelicht. Ook vergunninghouders van loterijen wordt ruimte geboden een vergunning voor het organiseren van kansspelen op afstand aan te vragen en daarmee een online productaanbod te ontwikkelen dat complementair is aan hun offline spelaanbod. Daarmee kunnen spelers die hun spelgedrag (mede) laten leiden door de bijdrage die zij daarmee doen aan het goede doel of de sport ook online terecht bij aanbieders die geen commerciële doelstelling hebben, maar rendementen ten gunste laten komen van goede doelen of sport in plaats van ten gunsten van de aandeelhouder.
De aanbevelingen in de dissertatie van mr.dr. R.P. Wijne |
|
Foort van Oosten (VVD), Michiel van Veen (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de dissertatie van mr.dr. R.P. Wijne?
Ja.
Deelt u de conclusie dat patiënten vaak problemen ondervinden bij het civielrechtelijk verhalen van vermijdbare schade, veroorzaakt door hulpverleners in de zorg?
Het is voor slachtoffers van vermijdbare schade niet altijd makkelijk om hun schade te verhalen. Ook is niet altijd duidelijk langs welke wegen zij hun schade kunnen verhalen. Wij willen het op verschillende manieren toegankelijker voor patiënten maken om een schadevergoeding te krijgen als er sprake is van vermijdbare schade en verwijtbaar handelen.
Op dit moment is het wetsvoorstel voor de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (32 402) aanhangig bij de Eerste Kamer. Met dit wetsvoorstel krijgt het slachtoffer een laagdrempelig alternatief voor een procedure bij de rechtbank voor schades. Zorgaanbieders worden met dit wetsvoorstel verplicht aangesloten te zijn bij een geschilleninstantie die bindende uitspraken doet en een schadevergoeding kan toekennen van maximaal € 25.000,00.
Daarnaast wordt een zorgloket opgericht. Dit zal uiterlijk 1 juli 2014 operationeel zijn. Burgers, waaronder slachtoffers van vermijdbare schade, kunnen bij dit zorgloket terecht voor begeleiding wanneer zij een klacht hebben over de zorg.
Hoe oordeelt u over de aanbeveling van mr.dr. Wijne om de bewijslast bij overeenkomsten inzake geneeskundige behandeling ter zake de vermeende normschending door de hulpverlener te herverdelen? Hoe oordeelt u in dat kader over de door haar voorgestelde aanpassing van artikel 7:453 BW? Denkt u dat invoering van dit artikel een claimcultuur in de medische sector zal introduceren?
Mevrouw Wijne stelt in haar dissertatie dat de huidige bewijslastverdeling een knelpunt is voor slachtoffers van vermijdbare schade. Met haar aanpassing van artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek stelt mevrouw Wijne kort samengevat voor om de bewijslast te herverdelen als de patiënt kan aantonen dat hij door de betreffende behandeling schade heeft geleden. Causaal verband moet vaststaan, voordat ingevolge deze door mevrouw Wijne voorgestelde aanpassing de bewijslast wordt gelegd bij de hulpverlener. Het aantonen van deze causaliteit is lastig voor de patiënt. Om die reden stelt mevrouw Wijne ondersteunende aanpassingen voor. Een van deze ondersteunende aanpassingen ziet op de openheid van incidenten. Wij delen met mevrouw Wijne het belang van openheid over incidenten. Het wetsvoorstel voor de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg beoogt ook op dit vlak verbetering aan te brengen door de hulpverlener te verplichten om open te zijn over incidenten en van incidenten aantekening te maken in het dossier (artikel 10, derde lid).
Omdat de patiënt niet zelden lastig kan bewijzen dat een hulpverlener bijvoorbeeld een medische fout heeft gemaakt, heeft de Hoge Raad de hulpverlener een verzwaarde stelplicht opgelegd (HR 20 november 1987, NJ 1988, 500). Van de hulpverlener wordt verlangd dat hij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de patiënt. Dit betekent dat degene op wie de bewijslast eigenlijk niet rust (de hulpverlener), een plicht heeft tot het verstrekken van gegevens als betwisting van wat wordt gesteld door de wederpartij op wie de bewijslast rust (de patiënt). Het niet goed bijhouden van een dossier kan er toe leiden dat de hulpverlener niet in staat is te voldoen aan de op hem rustende verzwaarde stelplicht. De rechter kan in dat geval beslissen welke sanctie hij passend acht. De rechter kan bijvoorbeeld de bewijslast op de hulpverlener leggen (zie bijvoorbeeld Rb. Zwolle–Lelystad 14 juli 2004, LJN AR3130 en Rb. ’s-Hertogenbosch 10 november 2004, LJNBQ3245). De patiënt wordt dus in de jurisprudentie reeds beschermd.
Tot slot, in reactie op het laatste gedeelte van de vraag. De zorg dat er een claimcultuur ontstaat in de medische sector is vaker uitgesproken, bijvoorbeeld bij de start van de vrijwillige geschillencommissie Ziekenhuizen. Deze zorg is sindsdien ongegrond gebleken. Een grote toename van het aantal claims is sinds de start van deze geschillencommissie uitgebleven.
Hoe oordeelt u over de aanbeveling van mr.dr. Wijne om de plicht openheid te verschaffen over de aard en toedracht van een incident wettelijk te verankeren (artikel 7:448 BW)? Hoe oordeelt u over haar zienswijze dat bij uitblijven van deze plicht tevens een sanctie in de bewijslastsfeer nodig is, te weten dat wordt uitgegaan van een vermoeden van de schending van de zorgplicht door de hulpverlener?
Openheid over de aard en toedracht van incidenten is belangrijk. Het wetsvoorstel voor de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg bevat met artikel 10, derde lid, een verplichting die nagenoeg gelijk is aan het voorstel van mevrouw Wijne en net als dat voorstel moet leiden tot meer openheid over incidenten. Het verschil met het voorstel van mevrouw Wijne is dat zij een aanpassing van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst voorstelt. Het toepassingsbereik van het wetsvoorstel voor de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg is breder dan het toepassingsbereik van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Hierdoor profiteert een grotere groep cliënten van de nieuw in te voeren verplichting om incidenten in het dossier op te nemen.
Met artikel 10, derde lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg worden hulpverleners verplicht om van de aard en toedracht van een incident onverwijld mededeling te doen aan de patiënt, een vertegenwoordiger van de patiënt of de nabestaanden van een overleden patiënt, en hiervan aantekening te maken in het dossier. Het niet goed bijhouden van een dossier kan er in beginsel toe leiden dat de hulpverlener niet in staat is te voldoen aan de op hem rustende verzwaarde stelplicht. De rechter kan in dat geval beslissen welke sanctie hij passend acht. De rechter kan bijvoorbeeld de bewijslast op de hulpverlener leggen.
Met artikel 10, derde lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg kan hetzelfde resultaat worden verkregen als wordt beoogd met de door mevrouw Wijne voorgestelde wetswijziging, namelijk openheid over de aard en toedracht van een incident.
Hoe oordeelt u over de aanbeveling van mr.dr. Wijne om wettelijk te verankeren dat bij schending van de informatieplicht op de wijze als bedoeld in artikel 7:448 BW uitgegaan wordt van het vermoeden dat de patiënt geen toestemming heeft gegeven voor behandeling?
Wanneer de informatieplicht wordt geschonden en er sprake is van schade, kan de hulpverlener aansprakelijk worden gesteld. De patiënt dient aan te tonen dat hij geen toestemming voor de behandeling zou hebben gegeven indien hij tevoren ingelicht en juist geïnformeerd zou zijn geweest, waardoor de behandeling niet zou hebben plaatsgevonden en de schade niet zou zijn ingetreden. Mevrouw Wijne stelt voor om een bewijsvermoeden in de wet op te nemen, waardoor het de hulpverlener is die moet aantonen dat de patiënt ook indien de informatievoorziening adequaat zou zijn geweest, zou hebben ingestemd met de behandeling. Kan de hulpverlener dat niet, dan is hij aansprakelijk, zo stelt mevrouw Wijne voor.
Met de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg wordt ingezet op het verbeteren van de communicatie tussen hulpverlener en patiënt. Goede communicatie kan behulpzaam zijn om te voorkomen dat informatieplichten worden geschonden en draagt bij aan de totstandkoming van «informed consent». Wij willen eerst bezien wat de effecten zijn van het wetsvoorstel Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, alvorens te beschouwen of – en zo ja welke – verdere verbetering van de bewijspositie van de patiënt noodzakelijk is.
Een ontslagen notaris die als kandidaat op zijn eigen kantoor verder werkt |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Jan de Wit (SP), Foort van Oosten (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ontslagen notaris, weer kandidaat op eigen kantoor»?1
Ja.
Klopt het dat een uit het ambt gezette notaris zich weer direct heeft ingeschreven als kandidaat-notaris?
Ja.
Hoe kan het dat een uit het ambt gezette notaris als kandidaat-notaris zijn werkzaamheden voortzet, te meer nu de werkzaamheden van een kandidaat-notaris in de praktijk niet veel verschillen van die van een notaris?
Er is een cruciaal verschil tussen de werkzaamheden van een notaris en die van een kandidaat-notaris. Een kandidaat-notaris is iemand die – kort gezegd – notarieel recht heeft gestudeerd en notariële werkzaamheden verricht onder verantwoordelijkheid van een notaris. De kandidaat-notaris kan weliswaar een belangrijke bijdrage leveren aan de totstandkoming van akten, maar de notaris is degene die de akte passeert en is eindverantwoordelijk. Wie uit het ambt ontzet is mag die eindverantwoordelijkheid als notaris niet meer dragen.
In hoeverre verhoudt een dergelijke handelwijze zich tot de strekking en de geest van het notarieel tuchtrecht en het oordeel van Bureau Financieel Toezicht (BFT)?
In deze specifieke casus heeft de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) een klacht ingediend bij de tuchtrechter in eerste aanleg, die heeft inmiddels uitspraak heeft gedaan. De tuchtrechter heeft geoordeeld dat de notaris bij zijn personeelsbeleid zal moeten beoordelen of hij, door een ontzette notaris aan zijn kantoor te binden, niet handelt in strijd met de eer en het aanzien van het ambt. (Kamer voor het notariaat, ’s-Hertogenbosch 18 maart 2013, LJN: YC0924). Het toezicht en het tuchtrecht zijn dus effectieve instrumenten om in situaties als deze in te grijpen.
Deelt u het standpunt van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) dat hier sprake is van een hiaat, nu artikel 103, zevende lid, van de wet op het notarisambt slechts regelt dat een notaris na ontzetting uit het ambt geen waarnemer of toegevoegd notaris kan zijn en nergens in de wet staat dat een uit het ambt gezette notaris effectief aan de slag kan blijven door zich als kandidaat-notaris in te schrijven?
Het verheugt mij dat de KNB haar verantwoordelijkheid heeft genomen en een klacht heeft ingediend tegen de notarissen die verantwoordelijk zijn voor de betreffende kandidaat-notaris. Het is een van de taken van een publiekrechtelijke beroepsorganisatie om in dergelijke gevallen actief op te treden. Zoals ik in het antwoord op vraag 4 al heb aangegeven, toont de genoemde uitspraak aan dat er nu al mogelijkheden zijn om in dit soort situaties op te treden.
In deze zaak is hoger beroep ingesteld. De uitkomst daarvan wacht ik met belangstelling af. Aangezien deze zaak nog onder de tuchtrechter is en de genoemde uitspraak nog niet onherroepelijk is, onthoud ik mij van verder commentaar. Het aanpassen van de Wet op het notarisambt acht ik onder de gegeven omstandigheden niet aangewezen.
Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te treffen een dergelijke lacune in de wet te dichten en op welke termijn mag de Kamer daar voorstellen over verwachten, zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Is het eerder voorgekomen dat een uit het ambt gezette notaris als kandidaat doorwerkt?
Dit is, voor zover mij bekend, de eerste keer sinds de inwerkingtreding van de Wet op het notarisambt in 1999 dat een uit het ambt ontzette notaris werkzaamheden als kandidaat-notaris verricht.
Adoptie uit Ethiopië |
|
Ingrid de Caluwé (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de uitzending van Brandpunt van 24 februari 2013 over misstanden bij adopties van kinderen uit Ethiopië al dan niet door tussenkomst van Wereldkinderen en van het bericht «Nederland telt vele Betty's» in de Volkskrant van 27 februari 2013?
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat Wereldkinderen onderdeel uitmaakt van de alliantie Together4Change, die in 2010 ruim 52 miljoen euro uit het Mede Financierings Stelsel (MFS-II) heeft ontvangen, waarmee Wereldkinderen in onder andere Ethiopië projecten voor kinderrechten en kinderwelzijn uitvoert?
Wereldkinderen maakt inderdaad deel uit van de MFS II-alliantie Together4Change, waarvan de organisatie ICS (Investing in Children and their Societies) penvoerder is. Deze alliantie ontvangt 46 mln. euro financiering uit het Medefinancieringsstelsel MFS II voor de jaren 2011 t/m 2015. Ik kan bevestigen dat Wereldkinderen in Ethiopië in samenwerking met lokale partners projecten uitvoert die op het terrein van kinderrechten, kinderwelzijn, alternatieve zorg en sociaal economische versterking van gezinnen liggen, maar niet op het terrein van interlandelijke adoptie.
Is het mogelijk dat de adopties via Wereldkinderen, waar in Brandpunt aan wordt gerefereerd, uit deze MFS-II-gelden zijn gefinancierd? Zo ja, waarom wordt ervoor gekozen om adoptieactiviteiten met gelden bestemd voor ontwikkelingshulp te ondersteunen? Wat is de relevantie van adoptie voor ontwikkelingshulp?
Het is uitgesloten dat de adopties via Wereldkinderen waaraan in Brandpunt wordt gerefereerd uit MFS-II middelen zijn gefinancierd. De desbetreffende adopties vonden in de periode 2004–2005 plaats. De MFS-II subsidie is pas vanaf 2011 beschikbaar gesteld. De MFS II Alliantie Together4Change werkt juist aan versterking van lokale structuren voor kind- en jeugdbescherming zodat kinderen op een adequate manier binnen hun eigen gezin of gemeenschap kunnen worden opgevangen. De door het ministerie van Buitenlandse Zaken beschikbaar gestelde gelden aan de Together4Change Alliantie worden niet besteed aan activiteiten op het gebied van interlandelijke adoptie.
In hoeverre worden de overige Nederlandse adoptievergunninghouders (deels) uit overheidsgelden gefinancierd, al dan niet via middelen bestemd voor ontwikkelingssamenwerking? Is er ook sprake van indirecte ondersteuning van betreffende adoptieorganisaties door ondersteuning met ontwikkelingsgelden van aan de organisaties gelieerde ontwikkelingsorganisaties of -programma's?
Geeft voornoemde uitzending u aanleiding acties te ondernemen ter zake (lopende) adoptieprocedures uit Ethiopië? Zo ja, welke maatregelen zullen genomen worden?
De extra waarborgen die Nederland heeft ingevoerd om de adoptieprocedures meer in lijn te krijgen met de uitgangspunten van het Haags Adoptieverdrag staan beschreven in mijn brief aan de Tweede Kamer op 16 februari 2010 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2009–2010, 31 265, nr.32). In de brief aan uw Kamer van 13 maart 2012 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 33 199, nr.1) over de beleidsdoorlichting staat tevens vermeld welke maatregelen ik heb genomen om betere controle uit te voeren op de adoptieprocedures. Daarnaast draagt een aanpassing van het kwaliteitskader, de nauwe contacten met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de informatie-uitwisseling tussen de Europese Centrale autoriteiten ertoe bij dat er meer en beter zicht is op de zorgvuldigheid en zuiverheid van de adoptieprocedures. Gelet op deze maatregelen is het niet noodzakelijk om nu actie te ondernemen.
In hoeverre zijn adoptieorganisaties strafbaar of vervolgbaar naar Nederlands recht, indien zou worden vastgesteld dat adoptieprocedures niet conform de regelgeving zouden zijn verlopen?
Adoptieorganisaties zijn niet strafrechtelijk vervolgbaar. In bepaalde situaties kunnen medewerkers wel vervolgd worden. Ook bestaat de mogelijkheid om de vergunning van de vergunninghoudende instelling in te trekken (artikel 18 Wobka).
Wat zijn de familierechtelijke en internationaal privaatrechtelijke gevolgen voor geadopteerde kinderen nadat is vastgesteld dat een adoptieprocedure met misstanden zou zijn omgeven en het betrokken kind onvrijwillig zou zijn afgestaan? Houdt een adoptie dan stand?
Als de adoptiebeschikking in Nederland is erkend, dan geldt ook naar Nederlands recht dat de adoptie tot stand gekomen is. Deze adoptie houdt dan naar Nederlands recht stand, tenzij de Nederlandse rechter een verzoek van de geadopteerde tot herroeping van de adoptie toewijst. Als de in het buitenland tot stand gekomen adoptie niet in Nederland wordt erkend, bijvoorbeeld omdat sprake is van strijd met de openbare orde, dan bestaat die adoptie naar Nederlands recht niet.
Klopt het dat nagenoeg uitgesloten is dat adopties na 2010 zonder medeweten van biologische ouders tot stand zijn gekomen? Hoe wordt bovendien gecontroleerd dat biologische ouders inderdaad dood zijn, indien dit in een adoptieprocedure zou worden opgeworpen?
Eén van de extra waarborgen die in de procedure gevoegd zijn, is dat er een vertegenwoordiger van de Nederlandse vergunninghouder de biologische ouders bezoekt en (nogmaals) uitlegt wat de consequentie is van het afstand doen van hun kind voor interlandelijke adoptie. Hiermee is het risico tot een minimum beperkt dat ouders niet op de hoogte zijn van de consequenties van interlandelijke adoptie. Verder is het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de Ethiopische autoriteiten om zich er zeker van te stellen dat de informatie die in het Ethiopische adoptiedossier aanwezig is, juist is.
Bent u bekend met de uitspraak d.d. 20 februari 2013 van de Rechtbank Noord-Nederland in de zaak met als rolnummer C/18/128340/HA ZA 11–589?
Ja.
Bent u eveneens bekend met de oproep op de website van VNO-NCW van heden met als kop «politiek aan zet na uitspraak rechter acquisitiefraude»?
Ja.
Onderschrijft u de stelling, zoals gepubliceerd op de website van VNO-NCW, dat acquisitiefraude een ernstig probleem is dat ondernemers grote schade toebrengt en dus hard moet worden aangepakt? Wat is de omvang van de schade die jaarlijks wordt geleden als gevolg van acquisitiefraude?
De maatschappelijke schade als gevolg van misleidende handelspraktijken en acquisitiefraude is niet eenduidig vast te stellen. Per ondernemer gaat het doorgaans om bedragen van enkele tientjes tot een paar duizend euro, maar als een groot aantal ondernemers wordt getroffen kan de totale schade flink oplopen. De schade die wordt gemeld bij het Steunpunt Acquisitiefraude bedraagt gemiddeld 9,8 miljoen euro per jaar in de periode 2009–2012 (exclusief incasso- en procedurekosten). Acquisitiefraude en misleidende handelspraktijken ondermijnen het vertrouwen tussen deelnemers aan het handelsverkeer en dienen daarom stevig aangepakt te worden met een combinatie van preventieve maatregelen, toezicht en handhaving (bestuurlijk, civielrechtelijk dan wel strafrechtelijk). De Fraudehelpdesk heeft diverse acties uitgevoerd om ondernemers bewust te maken van deze praktijken, zoals het plaatsen van billboards langs de snelwegen en radiospotjes over de toegepaste technieken van de acquisitiefraudeur. Ook worden barrières opgeworpen om het werk van de fraudeur onmogelijk te maken. Hiertoe is een onderzoek in gang gezet onder leiding van MKB-Nederland naar de mogelijkheden van bijvoorbeeld banken en telecombedrijven om diensten te weigeren aan fraudeurs.
Wacht u de uitkomst van bovenvermelde rechtszaak af alvorens tot een besluit over mogelijke uitbreiding van rechtsbescherming tegen acquisitiefraude voor ondernemers te komen?
Aangezien de termijn voor hoger beroep in deze rechtszaak nog loopt, onthoud ik mij van inhoudelijk commentaar op deze uitspraak.
Om op korte termijn acquisitiefraude aan te pakken zijn hands-on maatregelen zoals ik beschreef in mijn antwoord op vraag 3 van belang. Wetgeving kan een oplossing zijn voor de langere termijn. Daarbij heeft een EU-brede aanpak mijn voorkeur boven een wetgevende aanpak op nationaal niveau, omdat de laatste zich niet kan richten tot bedrijven die zich net over de grens gevestigd hebben. De ervaringen in België leert dat nationale wetgeving uitwijkgedrag in de hand werkt. De Europese Commissie heeft aangekondigd om de EU-Richtlijn tegen misleidende marketingpraktijken aan te gaan scherpen. Ik zal mij in dat verband sterk maken voor een goede bescherming van de ondernemer tegen misleidende acquisitiepraktijken.
Zoals aangegeven in de reactie1 van de toenmalige Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en mijzelf op de initiatiefnota van het lid Koppejan van uw Kamer over acquisitiefraude en spooknota’s, kan de Wet Oneerlijke Handelspraktijken als geheel geen oplossing bieden aan ondernemers voor deze problematiek. Nadere alternatieven worden momenteel verkend in goed overleg met VNO-NCW en MKB-Nederland. De uitkomsten van deze verkenningen zal ik betrekken bij mijn inzet op Europees niveau. Uw Kamer zal over de voortgang van dit traject op de gebruikelijke wijze worden geïnformeerd.
Geeft de uitspraak van de rechter (rechtsoverweging 4.3.6), waarin met zoveel woorden wordt aangegeven dat het aan de wetgever is om regels te formuleren die kleinere ondernemers of ondernemingen dezelfde bescherming zou kunnen bieden als consumenten genieten tegen oneerlijke handelspraktijken, u aanleiding ook tot dergelijke regelgeving te komen? Kan de Wet Oneerlijke Handelspraktijken daarbij tot inspiratie dienen? Zo ja, op welke termijn mag de Kamer daartoe concrete voorstellen van uw zijde tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De opening van een babyhuis met vondelingenkamer te Dordrecht |
|
Foort van Oosten (VVD), Ockje Tellegen (VVD), Brigitte van der Burg (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de uitzending «Altijd Wat» van 29 januari 2013, waarin melding wordt gemaakt van de opening van een babyhuis met vondelingenkamer te Dordrecht?
Ja.
Wat zijn op dit moment de wettelijke mogelijkheden om een kind (anoniem) af te staan? Op welke schaal wordt hiervan gebruik gemaakt?
Wettelijk zijn er momenteel geen mogelijkheden om anoniem een kind af te staan. Wel is het mogelijk om te bevallen en af te staan onder geheimhouding. Dat betekent dat de moeder voor de buitenwereld anoniem kan bevallen. Op deze wijze kan aan de moeder noodzakelijke hulpverlening worden geboden en blijft voor het kind altijd toegang mogelijk tot zijn of haar afstammingsgegevens. De organisaties die zich daar voor inzetten (Raad voor de Kinderbescherming, FIOM, SIRIZ en Bureau Jeugdzorg) zijn hiertoe een inspanningsverplichting aangegaan.
Jaarlijks komt het 40 tot 50 maal voor dat een moeder aangeeft dat ze afstand wenst te doen van haar baby. Ongeveer 20 keer komt het daadwerkelijk zo ver, waarbij vier á vijf maal per jaar door een moeder wordt verzocht om een bevalling en afstand onder geheimhouding.
Is het te vondeling leggen van een pasgeboren kind ook strafbaar als dit kind te vondeling wordt gelegd in een vondelingenkamer (een zogenaamd vondelingenluik)?
Ook het in een vondelingenkamer leggen van een pasgeboren baby is volgens artikel 256 Sr strafbaar. Ook in dit geval gaat het om het verlaten met het oogmerk zich van het kind te ontdoen.
Tevens is het van belang hierbij artikel 236 Sr te betrekken, waarin het onzeker maken van iemand anders» afstamming strafbaar is gesteld.
In hoeverre is bij het geven van de mogelijkheid om een kind te vondeling te leggen in een vondelingenkamer sprake van uitlokking van een strafbaar feit (het te vondeling leggen van een pasgeboren kind)? Aan welke mogelijk reeds bestaande wettelijk criteria zou dan door de initiatiefnemer tot de vondelingenkamer moeten zijn voldaan om niet vervolgd te worden dan wel om een succesvol beroep te kunnen doen op een strafuitsluitingsgrond?
Zoals eerder aangegeven is conform artikel 256 Sr het te vondeling leggen van een kind strafbaar. De wet sluit een vervolging wegens uitlokking tot overtreding van artikel 256 Sr niet uit.
In artikel 47 Sr wordt gesteld dat als daders van een strafbaar feit worden gestraft: zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegen, maar ook zij die door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken. Het beschikbaar stellen van een babyluikje dan wel vondelingenkamer kan geïnterpreteerd worden als het verschaffen van gelegenheid en opzettelijk uitlokken van een strafbaar feit.
De initiatiefneemster van de vondelingenkamer zou, om niet strafbaar te zijn, de moeders met het kind samen moeten opnemen en hulp bieden binnen de bestaande mogelijkheden, zoals ook beschreven bij het antwoord op vraag 2.
Aan welke kwaliteitscriteria zou een dergelijk babyhuis moeten voldoen en op welke wijze zou het toezicht georganiseerd moeten worden?
Het initiatief om een dergelijk babyhuis met een vondelingenkamer in te richten staat op gespannen voet met diverse bepalingen in het Wetboek van Strafrecht. Beantwoording van de vraag naar kwaliteitscriteria en toezicht voor een dergelijk babyhuis is daarom niet aan de orde. Zie ook het antwoord op vraag 6 over relevante internationale verdragen.
Kan een babyhuis een aanvulling zijn op bestaande mogelijkheden om afstand te doen van een kind? Wat zijn de voor- en nadelen van een dergelijk babyhuis vanuit het oogpunt van het kind, de ouder en de maatschappij?
De intentie van de oprichter van het babyhuis is dat moeders hun kind in de vondelingenkamer kunnen leggen. Dat kan dus pas ná de bevalling. Dit kan leiden tot een toename van het aantal bevallingen zonder begeleiding. Dat is medisch gezien riskant voor zowel de moeder als het kind.
Voor het kind betekent het anoniem achtergelaten worden in een babykamer bovendien dat zijn of haar achtergrond nooit bekend kan worden. Volgens artikel 7 van het Kinderrechtenverdrag (IVRK) heeft een kind het recht zijn of haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd.
In een recente VN-resolutie1 is bepaald dat de aangesloten Staten effectieve maatregelen moeten invoeren om het in de steek laten of afstand doen van een kind te voorkomen. Ook is daarin opgenomen dat Staten ervoor moeten zorgen dat geen enkel kind onder de drie jaar in een kindertehuis of tehuisachtige omgeving mag worden opgevangen.
Volgens artikel 18 van het IVRK verleent de staat passende bijstand aan ouders bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden die de opvoeding van het kind betreffen.
Gelet op het kinderrechtenverdrag en de genoemde VN resolutie kan een babyhuis dus geen aanvulling zijn op de bestaande voorzieningen. De bestaande voorzieningen bieden immers de mogelijkheid om met geheimhouding te bevallen waarbij de identiteit van de afstandsmoeder (en waar mogelijk vader) voor het kind bekend kan worden gemaakt. Bovendien kan binnen de huidige voorzieningen aan de moeder hulp worden geboden. Uit de ervaringen van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat ongeveer de helft van de vrouwen die bij de Raad bekend worden met het voornemen om afstand van hun baby te doen daar uiteindelijk toch van afziet.
Wat zijn de consequenties van dit initiatief voor de reguliere procedures inzake pleegouderzorg en adoptie?
Er zijn geen consequenties voor de reguliere procedures. Deze blijven ongewijzigd. Als het babyhuis volgens de regels wil werken, zal het zich aan de bestaande procedures moeten verbinden.
Onnodige afstand van een baby, bijvoorbeeld omdat de aanstaande moeder geen begeleiding heeft gehad tijdens de zwangerschap en daardoor niet weloverwogen een beslissing heeft kunnen nemen, dient te worden voorkomen. Dat kan door de moeder goede voorlichting, begeleiding en concrete hulp te bieden.
Bij de reguliere afstandsprocedures is voorzien in opvang van het kind in een tijdelijk pleeggezin waardoor de moeder in de gelegenheid is om haar beslissing nog te overdenken en heeft ze de gelegenheid om op haar beslissing te kunnen terugkomen. Pleegzorg Nederland geeft aan pleegouders te hebben voor het opvangen van baby’s.
Heeft het babyhuis de verplichting om met bepaalde overheidsinstanties samen te werken? Zo ja, om welke instanties gaat het en op welke wijze moeten ze samenwerken?
Ja.
Bij het aantreffen van een vondeling zal altijd contact moeten worden opgenomen met de Raad voor de Kinderbescherming, omdat er in het gezag over de baby moet worden voorzien en er een pleeggezin moet worden gezocht.
Bent u in contact met de lokale autoriteiten over het babyhuis? Zo ja, waar heeft dat overleg toe geleid?
Op locaal niveau heeft de Raad voor de Kinderbescherming contact met de ketenpartners in Dordrecht. Het is aan het OM om te beslissen of er tot vervolging wordt overgegaan.
Wat zijn in Nederland de mogelijkheden om tijdelijk afstand te doen van een kind? Is het wenselijk dat ouders in zeer ingrijpende situaties (na verkrachting, incest, eerkwesties) de wettelijke mogelijkheid hebben om hun kind tijdelijk over te dragen aan verzorgers?
Als een vrouw in Nederland afstand wil doen van haar kind kan zij daarin worden bijgestaan door de Raad voor de Kinderbescherming, de FIOM, SIRIZ en Bureau Jeugdzorg. Deze organisaties hebben ervaring met hulpverlening bij zwangerschap door seksueel geweld. De ouder krijgt hulp aangeboden en heeft na de bevalling nog drie maanden de tijd om na te denken over de gevolgen van afstand doen van de baby. Voor die bedenkperiode vraagt de Raad aan de kinderrechter een voorlopige voogdijmaatregel voor het kind. Met deze maatregel wordt het gezag van de ouder over het kind overgedragen aan een instelling voor voogdij. De baby gaat in die periode naar een pleeggezin.
Wanneer de bevalling en verzorging voor een moeder te zwaar zijn kan ook ondersteuning worden geboden bij de verzorging en opvoeding, zo nodig met een tijdelijke uithuisplaatsing van de baby of met opname van moeder en kind samen. Dat laatste kan in een pleeggezin of bijvoorbeeld een opvanghuis voor jonge moeders en hun kind(eren).
Hoe oordeelt u over het Duitse stelsel om in geval van het te vondeling leggen van een pasgeboren kind de ouder(s) niet te vervolgen, indien dit kind te vondeling wordt gelegd in een vondelingenluik? Wat zijn de ervaringen hiermee en hoe vaak komt het voor?
Wanneer ouders een kind te vondeling leggen is het meestal niet mogelijk om de identiteit van diegene te achterhalen. Vervolgen is daarom heel lastig.
In Duitsland vinden zelfs de organisaties die de babyluiken beheren deze controversieel2.
In welke andere Europese landen is het mogelijk om een kind te vondeling te leggen in een vondelingenkamer of -luik? Hoe wordt in deze landen gedacht over de consequenties voor het kind, ouders en maatschappij? Hoe wordt in deze landen omgegaan met het recht van het kind op informatie over zijn afstamming (artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en artikelen 7 en 8 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind)?
Uit informatie van International Social Service (ISS) is bekend dat in België en Duitsland ondanks instelling van het babyluikje nog steeds kinderen buiten die luikjes te vondeling worden gelegd, ook in de steden waar die vondelingenluikjes zijn. De instelling van die luikjes blijkt volgens onderzoek geen of nauwelijks effect te hebben op het aantal vondelingen daarbuiten.
In Frankrijk is het mogelijk om anoniem te bevallen. Deze mogelijkheid staat nu ter discussie.
Twee jaar geleden speelde het vraagstuk in Tsjechië en Oostenrijk, bij visitatie over het naleven van het IVRK. Het VN-Comité voor de Rechten van het Kind heeft er bij de regeringen van die landen sterk op aangedrongen om de babyluikjes te sluiten.
Herinnert u zich het debat over het wetsvoorstel Wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (Kamerstuk 32 418) alsmede het nader gewijzigd amendement- Van der Steur/Ulenbelt (Kamerstuk 32 418, nr. 15)?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Nu pas beamen ze dat ze gelijk had»? 1
Ja.
Herkent u het beeld dat voormeld amendement en de wet zouden leiden tot een praktijk die de indieners van het amendement niet beoogden? Zo ja, hoe komt dat?
Artikel 6:96 lid 6 BW bewerkstelligt dat als een schuldeiser meerdere opeisbare vorderingen heeft waarvoor hij nog geen incassohandelingen heeft verricht, hij deze niet los kan incasseren. Hij moet de vorderingen gezamenlijk incasseren met als eerste handeling één gezamenlijke aanmaning voor de verschillende vorderingen. De incassokosten dient hij over het gehele verschuldigde bedrag te berekenen.
Het wetsvoorstel incassokosten bevatte oorspronkelijk een regeling die inhield dat een schuldeiser met meerdere vorderingen op een consument niet verplicht was één aanmaning voor meerdere vorderingen te gebruiken (vgl. Kamerstukken II 2010/11, 32 418, nr. 6). Hij kon ervoor kiezen verschillende aanmaningen te gebruiken.
De Kamerleden Van der Steur en Ulenbelt hebben met betrekking tot deze regeling een amendement ingediend. Dit amendement is als stuk nr. 10 besproken tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel incassokosten op 12 april 2011. In de toelichting op het amendement was het volgende opgenomen: «De samenvoeging van vorderingen ter berekening van de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet niet afhankelijk worden gesteld van de aanmaning. Samenvoeging van vorderingen op dezelfde schuldenaar moet, althans voor de berekening van de hoogte van de kosten, altijd gebeuren». In reactie op het amendement heb ik aangegeven dat de formulering van het wetsvoorstel alleen de optelling van vorderingen regelde in het geval met één aanmaning werd geïnd en dat het amendement regelde dat dit steeds zou moeten gebeuren als er nog geen aanmaning was verstuurd. Verder heb ik opgemerkt dat het voorstel paste bij de verplichting van schuldeisers om hun schade te beperken: als zij nog niet hadden geïncasseerd, zouden zij dat in één keer moeten doen. Ik heb het oordeel over het amendement aan de Kamer gelaten (Handelingen II 2010/11, nr. 72, item 17, blz. 41).
Het amendement is na de plenaire behandeling aangepast. In de voorgestelde wettekst is verduidelijkt dat het gaat om vorderingen van één schuldeiser op dezelfde schuldenaar. Ook is de toelichting op het amendement uitgebreid. De volgende zinnen zijn toegevoegd: «De schuldeiser kan nog steeds regulier aanmanen zodra de schuldeiser in verzuim is. Als een schuldeiser een schuldenaar wil aanmanen voor meer dan een vordering, dan moet hij dit met één aanmaning doen». Het amendement is als stuk nummer 15 in stemming gebracht en aangenomen en na behandeling door de Eerste Kamer tot wet geworden.
In het artikel «Nu pas beamen ze dat ze gelijk had», wordt onder meer het voorbeeld gegeven van een consument die drie maanden de telecomrekeningen van een paar tientjes niet betaalt en vervolgens € 120 incassokosten verschuldigd is. De wettekst voortvloeiend uit het amendement bewerkstelligt dat als de handelingen om de telecomrekening te incasseren plaatsvinden nadat deze rekeningen drie maanden niet betaald zijn, dat dan met één aanmaning dient te geschieden. De consument is daardoor niet € 120, maar € 40 incassokosten verschuldigd. Het beeld derhalve dat het amendement tot hogere incassokosten leidt, is niet juist. Het tegendeel is het geval.
Ik ben ook van mening dat met de thans geldende regeling recht wordt gedaan aan alle betrokken belangen. Wanneer een consument een product koopt, of een dienst afneemt, moet hij daarvoor betalen. Een schuldeiser heeft er belang bij dat hij zijn geld op tijd ontvangt en moet op betaling kunnen aandringen als deze uitblijft. De schuldeiser kan incassokosten in rekening brengen nadat de consument die in verzuim is (de betalingstermijn is verstreken of de consument is in gebreke gesteld en heeft vervolgens niet betaald) vervolgens is aangemaand en veertien dagen de tijd heeft gekregen om alsnog de rekening te betalen. Indien de consument binnen die termijn betaalt, dan is hij geen incassokosten verschuldigd. Laat de consument vervolgens óók deze termijn verlopen, dan is hij wel incassokosten verschuldigd. Een consument die voorziet niet binnen de termijn te kunnen betalen, kan zelf contact opnemen met de schuldeiser om te bezien of een incassotraject kan worden voorkomen.
Wanneer er te laat wordt betaald, kan de schuldeiser niet inschatten of dat een eenmalige gebeurtenis is of dat de schuldenaar meerdere vorderingen niet zal voldoen. Indien hij na een eerste aanmaning ontdekt dat ook een volgende vordering niet wordt voldaan, moet het hem vrijstaan ook voor die tweede vordering een aanmaning te versturen. Hij maakt in dat geval nieuwe kosten.
Ook een schuldenaar heeft er geen baat bij als zijn schuld oploopt. Zo zal wettelijke rente over het verschuldigde bedrag in rekening worden gebracht en kan het voortbestaan van de onderliggende overeenkomst gevaar lopen wegens tekortkoming in de betaling. Wanneer de schuldenaar ziet aankomen dat hij zijn betalingsverplichtingen niet kan nakomen, doet hij er verstandig aan contact te zoeken met de schuldeiser om te zien of het mogelijk is een betalingsregeling overeen te komen of om de overeenkomst op te zeggen. Kan hij zijn verplichtingen langdurig niet nakomen, dan kan hij contact opnemen met een schuldhulpverleningsinstantie.
Deelt u de mening dat alsdan spoedige reparatie geboden is en bent u bereid voorstellen te doen om de wet aan te passen? Welke voorstellen zullen dat zijn en op welke termijn zal reparatie zijn gerealiseerd? Zo nee, waarom meent u dat reparatie niet nodig is?
Zie antwoord vraag 3.
Het te laag vaststellen van de beslagvrije voet door onder andere deurwaarders |
|
Sjoerd Potters (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht op de website van de Nationale Ombudsman van 20 november 2012, waarin staat dat naar zijn oordeel deurwaarders en overheidsinstanties de beslagvrije voet te laag vaststellen?
Ja.
Onderschrijft u de stellingname dat deurwaarders de beslagvrije voet te laag vaststellen? Wat vindt u van het oordeel van de Nationale Ombudsman? Welke maatregelen bent u voornemens te nemen om te voorkomen dat dit blijft voorkomen?
Ik onderschrijf dat ook voor schuldenaren een bestaansminimum te allen tijde moet worden gegarandeerd. Ik acht het dan ook van belang dat de waarborg in de vorm van de beslagvrije voet wordt gehandhaafd.
Op basis van gegevens zoals de samenstelling van het huishouden, inkomsten en uitgaven (vooral woonlasten en ziektekosten) kan de gerechtsdeurwaarder op goede wijze de beslagvrije voet berekenen. Deze gegevens zullen doorgaans van de schuldenaar moeten komen; zijn of haar medewerking is onontbeerlijk voor een correcte berekening van de beslagvrije voet. Dit betekent enerzijds dat de gerechtsdeurwaarder duidelijk om de vereiste informatie dient te vragen. Recent heeft de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) een juridische bijsluiter ontwikkeld die zonder juridisch jargon aan de schuldenaar duidelijk maakt wat er van hem of haar wordt verwacht. Anderzijds is het aan de schuldenaar om tijdig na het door de gerechtsdeurwaarder gedane verzoek de gevraagde informatie te verschaffen, zodat de gerechtsdeurwaarder de juiste berekening maken kan.
Ontbreken de bij de schuldenaar opgevraagde gegevens, dan zal de gerechtsdeurwaarder de beslagvrije voet moeten schatten. Bij het ontbreken van de partnergegevens zal hij op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de beslagvrije voet moeten halveren. Als de schatting te laag uitvalt, heeft de schuldenaar de gelegenheid om correctie te verzoeken onder overlegging van de voor een correcte vaststelling van de beslagvrije voet benodigde gegevens. Ik roep schuldenaren dan ook op om op te komen voor hun beslagvrije voet door tijdig de door de gerechtsdeurwaarder gevraagde gegevens te verschaffen dan wel correctie te vragen van een al vastgestelde beslagvrije voet.
Om het werk van gerechtsdeurwaarders gemakkelijker te maken en hen beter in staat te stellen de beslagvrije voet te berekenen, ben ik met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de KBvG in overleg. Het gaat daarbij onder andere over de haalbaarheid van een register waarin in ieder geval alle ten laste van een schuldenaar gelegde beslagen worden geregistreerd. Dit kan leiden tot een beter inzicht in de aflossingscapaciteit van de schuldenaar, en was een van de aanbevelingen uit het rapport «Paritas Passé» van eerder dit jaar. Over de uitkomsten van dit overleg zal uw Kamer naar verwachting begin volgend jaar worden bericht in het kader van de kabinetsreactie op het genoemde rapport.
Bent u bereid dit onderwerp te bespreken met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders en de Kamer over de uitkomst van dat overleg te informeren? Op welke termijn mag de Kamer de uitkomst van dat gesprek vernemen?
Zie antwoord vraag 2.