Het bericht ‘U-bocht in zaak Poch’ |
|
Maarten Groothuizen (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «U-bocht in zaak Poch»?1
Ja.
Klopt het dat in 2008 twee Nederlandse rechercheurs, betrokken bij het strafrechtelijke onderzoek naar de heer Poch, een bezoek hebben gebracht aan de Argentijnse openbaar aanklager en onderzoeksrechter?
In 2008 hebben twee dienstreizen naar Argentinië plaatsgevonden, beide in het kader van het in opdracht van het Openbaar Ministerie gestarte Nederlandse opsporingsonderzoek tegen de heer Poch. In januari 2008 hebben een Nederlandse rechercheur en een (in Venezuela gestationeerde) Nederlandse liaison officer een bezoek gebracht aan de heer Leandro Despouy, destijds hoofd van de Nationale Rekenkamer in Argentinië. Dit werkbezoek strekte tot voorbereiding voor een latere dienstreis met een officier van justitie, in mei van datzelfde jaar, ter verkenning van de mogelijkheden voor samenwerking.
Tijdens de dienstreis in mei 2008 bezochten de hiervoor genoemde twee politiefunctionarissen, samen met de teamleider van het Team Internationale Misdrijven en de officier van justitie van het Landelijk Parket, een Argentijnse onderzoeksrechter (de heer Torres), leden van het Argentijnse Openbaar Ministerie en vertegenwoordigers van het Argentijns Ministerie van Justitie. Daarnaast is gesproken met personen met specialistische kennis van de te onderzoeken materie (de dodenvluchten). Het ging hierbij om een mensenrechtenactivist, een advocaat en een onderzoeksjournalist. Deze dienstreis vond plaats met medeweten en instemming van zowel de Nederlandse als Argentijnse autoriteiten. Ik beschik niet over verslaglegging van deze gesprekken.
Met welk doel hebben de betreffende rechercheurs dit bezoek afgelegd?
Zie antwoord vraag 2.
In opdracht van wie hebben de betreffende rechercheurs dit bezoek afgelegd?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer hebben de betreffende rechercheurs dit bezoek aan Argentinië precies afgelegd? Was op dat moment het strafrechtelijk onderzoek naar de heer Poch in Nederland al opgestart?
Zie antwoord vraag 2.
Waarover is tijdens de ontmoeting(en) tussen de rechercheurs en de Argentijnse aanklager en onderzoeksrechter gesproken?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er gespreksverslagen beschikbaar van de ontmoeting(en) tussen de rechercheurs en de Argentijnse aanklager en onderzoeksrechter? Zo ja, kunt u deze aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke juridische grondslag werd gesproken met de Argentijnse aanklager en onderzoeksrechter?
Voor dienstreizen, waarin geen opsporingshandelingen worden verricht en die bedoeld zijn om te verkennen of (en zo ja: op welke wijze) samenwerking met een ander land mogelijk is, is geen juridische grondslag vereist. Dat tussen justitiële autoriteiten wordt overlegd over mogelijke vormen van rechtshulp in complexe zaken is gebruikelijk.
In hoeverre heeft het bezoek van de Nederlandse rechercheurs aan de Argentijnse openbaar aanklager en onderzoeksrechter bijgedragen aan de totstandkoming van het rechtshulpverzoek van de Argentijnse autoriteiten aan Nederland om een mogelijk vertrek van de heer Poch naar het buitenland aan Argentinië te melden?
De werkbezoeken in 2008 dienden om de mogelijkheden voor een Nederlands strafrechtelijk onderzoek te verkennen. Tijdens het werkbezoek in mei 2008 gaven de Argentijnse justitiële autoriteiten aan dat zij de heer Poch mogelijk ook zelf wilden berechten. Het OM heeft daar toen geen afspraken over gemaakt; besloten werd eerst het verloop van het onderzoek in beide landen af te wachten. Na de werkbezoeken in 2008 zijn er over en weer – in het kader van elkaars strafzaken – rechtshulpverzoeken gedaan door Nederland en Argentinië. De Argentijnse onderzoeksrechter heeft de aanhouding van de heer Poch in maart 2009 bevolen nadat Argentinië zelf nader onderzoek had gedaan. Het rechtshulpverzoek om de reisbewegingen van de heer Poch door te geven, komt derhalve voort uit Argentijns strafrechtelijk onderzoek.
Kunt u zich uw antwoord herinneren op Kamervragen waarin u stelde: «Het Openbaar Ministerie (OM) heeft mij laten weten dat het Argentijnse onderzoek naar de heer Poch weliswaar is begonnen naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van het OM aan de Argentijnse autoriteiten, maar dat tot de aanhouding van de heer Poch door de Argentijnse onderzoeksrechter pas werd bevolen nadat de Argentijnse autoriteiten zelf al het (op dat moment beschikbare) relevante bewijsmateriaal hadden beoordeeld»?2 Op welke wijze heeft het bezoek van de Nederlandse rechercheurs aan de Argentijnse openbaar aanklager en onderzoeksrechter bijgedragen aan de aanbeveling van de betreffende onderzoeksrechter tot aanhouding van de heer Poch?
Ik herinner mij de antwoorden op de genoemde Kamervragen. De Nederlandse en Argentijnse justitiële autoriteiten hebben – in het kader van elkaars strafrechtelijke onderzoeken – over en weer rechtshulpverzoeken gedaan. De Argentijnse onderzoeksrechter heeft een internationaal aanhoudingsbevel inzake de heer Poch uitgevaardigd in maart 2009, nadat hij zelf getuigen had gehoord en in Argentinië nader onderzoek had laten doen.
Klopt het dat in aanloop naar het bezoek van de betreffende rechercheurs aan Argentinië, de hoogleraar internationaal recht de heer Van Boven is verzocht de rechercheurs in contact te brengen met de Argentijnse aanklager en onderzoeksrechter? Waarom is dit verzoek aan de heer Van Boven gedaan? Waarom is dit verzoek niet via reguliere diplomatieke wegen gelopen?
De heer Van Boven heeft, desgevraagd, aan de politie de heer Despouy genoemd als mogelijk deskundige gesprekspartner. Naar aanleiding van het contact met de heer Despouy zijn afspraken gemaakt voor de gesprekken in mei 2008 die plaatsvonden tussen de teamleider van het Team Internationale Misdrijven, de officier van justitie van het Landelijk Parket en de twee in de vragen aangeduide politiefunctionarissen met de Argentijnse onderzoeksrechter, leden van het Argentijnse Openbaar Ministerie en vertegenwoordigers van het Argentijns Ministerie van Justitie.
Op welke wijze zijn de betreffende rechercheurs in contact gekomen met de voormalig president van de Argentijnse Rekenkamer, de heer Despouy? Klopt het dat via de heer Despouy de betreffende rechercheurs in contact zijn gekomen met de Argentijnse openbaar aanklager en onderzoeksrechter? Waarom is dit contact via de heer Despouy gelegd? Waarom is niet via reguliere diplomatieke wegen gegaan?
Zie antwoord vraag 11.
In hoeverre acht u het bezoek van de twee Nederlandse rechercheurs aan de Argentijnse openbaar aanklager en onderzoeksrechter in lijn met de waarborgen die verdachten door middel van een reguliere uitleveringsprocedure worden gegarandeerd? Bent u het ermee eens dat met een dergelijk bezoek, buiten de officiële routes om, deze waarborgen onvoldoende gegarandeerd kunnen worden? Waarom is voor deze aanpak gekozen?
De gesprekken in Argentinië hadden geen betrekking op uitlevering, maar stonden in het teken van een verkenning van mogelijkheden om samen te werken in het opsporingsonderzoek. Deze werkbezoeken vonden plaats in overeenstemming met de instructie opsporingshandelingen in het buitenland en vormden voor een complexe zaak als deze geen ongebruikelijke gang van zaken.
Zijn er andere contactmomenten tussen Nederlandse en Argentijnse autoriteiten buiten de officiële routes voor bilateraal overleg over strafrechtelijk onderzoek geweest in aanloop naar het strafrechtelijk onderzoek naar Julio Poch in Nederland? Zo ja, wanneer, tussen wie, waarom, in opdracht van wie en kunt u gespreksverslagen van deze contactmomenten aan de Kamer doen toekomen?
Dat tussen justitiële autoriteiten wordt overlegd over mogelijke vormen van rechtshulp in complexe zaken is niet ongebruikelijk. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 13. Welke contactmomenten er in dit kader na 2008 precies zijn geweest is mij niet bekend.
Kent u het bericht «Argentijnse rechters doen aangifte tegen Nederlandse piloten om Poch»?3
Ik heb kennisgenomen van het bericht, maar beschik niet over formele informatie met betrekking tot deze procedure in Argentinië.
Het Nederlandse Openbaar Ministerie is vanaf 2006, mede op basis van een in Nederland afgelegde getuigenverklaring, een opsporingsonderzoek gestart naar de betrokkenheid van de heer Poch bij het uitvoeren van de zogenoemde dodenvluchten in Argentinië en deed in juli 2008 een rechtshulpverzoek aan Argentinië. Nadien besloten ook de Argentijnse autoriteiten om zelf een strafrechtelijk onderzoek naar de heer Poch te starten. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 9.
Hoe duidt u het gegeven dat de Argentijnse rechters die de heer Poch recentelijk vrijspraken, aangifte zullen doen tegen de drie Nederlandse piloten wegens het afleggen van valse verklaringen tegen de heer Poch? Klopt het dat op basis van deze verklaringen het Nederlandse OM in 2008 besloot contact op te nemen met de Argentijnse autoriteiten en er vervolgens een zaak tegen de heer Poch werd aangespannen? Zo ja, hoe duidt u dit?
Zie antwoord vraag 15.
Klopt het dat de verklaringen van de piloten in de loop der jaren zijn gewijzigd? In hoeverre verschillen de in 2008 bij de aangifte afgelegde verklaringen van de betreffende piloten met de laatste verklaringen van deze piloten in 2014?
Voor zover in het Argentijnse vonnis deze vragen worden beantwoord, merk ik op dat ik pas onlangs een vertaling van het Argentijnse vonnis heb ontvangen. Vanwege de omvang is met de bestudering daarvan enige tijd gemoeid.
Het bericht ‘Schiphol laat capaciteit bewust onbenut’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schiphol laat capaciteit bewust onbenut»?1
Ja.
Is het niet van de zotte dat schaarse capaciteit geannuleerd wordt, wetende dat Schiphol weinig speelruimte heeft en dat de druk op de beschikbare jaarlijkse 500.000 vliegbewegingen momenteel zeer groot is? Waarom wil Schiphol 2.000 ongebruikte slots van de winterperiode niet naar de zomer doorschuiven? Vorig jaar ging het blijkbaar mis met de drukte, maar wat is hiervan geleerd? Wat voor maatregelen zijn en kunnen er verder genomen worden om te voorkomen dat straks niet nog meer reizigers de dupe worden van het feit dat Schiphol blijkbaar zijn zaakjes niet op orde heeft?
Schiphol heeft besloten om geen overgebleven slots uit de dagperiode uit het winterseizoen 2017/2018 over te hevelen naar het komende zomerseizoen. Het gaat hier om slots die in dit winterseizoen wel door de slotcoördinator zijn toegewezen aan luchtvaartmaatschappijen, maar niet zijn gebruikt. Overigens zal Schiphol wel de ongebruikte nachtslots vanuit de winter naar de zomer overhevelen. Dat gaat volgens Schiphol om ca. 835 slots.
Na de problemen met de lange wachtrijen in de meivakantie van 2017 heeft Schiphol vorige zomer maatregelen getroffen, onder andere door inzet van meer beveiligingsmedewerkers in de vertrekhallen en de inzet van extra floorwalkers. Omdat het deze zomer volgens Schiphol echter drukker wordt in de pieken dan vorig jaar, acht Schiphol het als additionele maatregel nodig dat overheveling van de overgebleven dagslots uit het winterseizoen achterwege blijft. De schema’s van de luchtvaartmaatschappijen voor het zomerseizoen laten een verhoging van het piekvolume in aantallen passagiers zien. De piekdrukte neemt volgens Schiphol toe vanwege het inzetten van grotere vliegtuigen en hogere bezettingsgraden van de vliegtuigen. Ook wijst Schiphol erop dat men niet kan voorkomen dat overgehevelde slots vooral in en rond de toch al drukke pieken terecht zouden komen, aangezien Schiphol geen middelen voorhanden heeft om te kunnen sturen op de momenten waarop slots beschikbaar zullen komen.
Zijn Schiphol of de mensen die het bepaald hebben, bevoegd om eigenstandig te besluiten om winterslots niet door te schuiven naar een seizoen waarin er meer vraag is? Zijn ze hiertoe ook wettelijk bevoegd? Wie precies namen dit besluit? Wie zijn vooraf hierover geconsulteerd? Als er geen consultatie met belanghebbenden plaatsvond, is dat dan niet vreemd? Hoe beoordeelt u de handelwijze van Schiphol in dezen? Is die juist en correct?
De bevoegdheid voor de vaststelling van het aantal op Schiphol per seizoen te verdelen slots, de zogenaamde capaciteitsdeclaratie, is op grond van artikel 5, lid 3 van het Besluit slotallocatie en artikel 8.18 van de Wet luchtvaart belegd bij Schiphol, de luchtvaartmaatschappijen en de LVNL gezamenlijk. De laatste jaren is het de partijen echter niet gelukt om gezamenlijk tot vaststelling van de capaciteitsdeclaratie te komen. Daarom heeft Schiphol zelf, na consultatie van de andere partijen, de capaciteitsdeclaratie al enkele keren vastgesteld. Zonder tijdige capaciteitsdeclaratie zouden anders geen slots kunnen worden verdeeld door de slotcoördinator aan de luchtvaartmaatschappijen.
Om aan deze onduidelijke situatie rond de vaststelling van de capaciteitsdeclaratie een eind te maken, werk ik aan een aanpassing van het Besluit slotallocatie. Ik zal de Kamer daarover binnenkort nader berichten. Wat rechtszaken betreft heb ik vernomen dat er een kort geding over de kwestie van de overheveling is aangespannen.
Is die proportioneel en evenredig? Zo ja, graag een toelichting. Indien u twijfels heeft, hoor ik dit ook graag. Wat kunt of gaat u eraan doen? Zijn er rechtszaken of procedures te verwachten van gedupeerden die dit besluit aanvechten? Welke mogelijkheden hebben zij hiervoor?
Zie antwoord vraag 3.
Welke rol speelt de slotcoördinatie in dezen? Is het argument van drukte in de vertrekhal of bij de check-in een legitieme reden om slots te annuleren? Welke veiligheidsrisico’s zijn hier van toepassing geweest? Indien er geen veiligheidsredenen zijn, in hoeverre houdt dit besluit dan nog stand? Als de problemen aan de voorkant van de luchthaven, bij de check-in en securitygates zitten, waarom wordt dan aan de achterkant, op het platform en bij de vliegtuigen, ingegrepen? Is het niet logischer om knelpunten op te lossen daar waar ze plaatsvinden?
Het aantal per seizoen te verdelen slots wordt, zoals hiervoor genoemd, vastgelegd in de capaciteitsdeclaratie. Artikel 6, lid 1 van de Europese slotverordening schrijft voor dat in de capaciteitsdeclaratie rekening gehouden moet worden met alle relevante technische, operationele en milieubeperkingen. Dit kan ook de terminalcapaciteit van een luchthaven betreffen. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Als Schiphol drukte in het zomerseizoen of meivakantie nu al ziet aankomen, waarom neemt Schiphol dan niet nu al de passende en bijbehorende maatregelen om hierop te anticiperen in plaats van enkele touroperators en luchtvaartmaatschappijen en daarmee de reizigers te duperen? Waren de problemen in de vertrekhallen met lange wachtrijen vorig jaar ook van toepassing op de vertrekhal waar Corendon, EasyJet en TUI hun reizigers lieten inchecken?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 2. Schiphol heeft laten weten ook dit jaar maatregelen ter voorbereiding op het drukke zomerseizoen te nemen. De problemen hebben zich voorgedaan in alle drie de vertrekhallen. De genoemde luchtvaartmaatschappijen maken met name gebruik van vertrekhal 3 en soms van vertrekhal 1. Schiphol heeft het besluit over het niet overhevelen van de winterslots in de dagperiode aan de genoemde drie luchtvaartmaatschappijen zowel mondeling als schriftelijk toegelicht, waarbij de argumenten zijn genoemd die eveneens in het antwoord op vraag 2 zijn vermeld.
Als de problemen een andere vertrekhal betroffen, waarom worden deze operators dan nu beperkt en niet degenen waar de drukte daadwerkelijk was? Is dat niet krom? Welke toelichtingen hebben de partijen van Schiphol gekregen en kan de Kamer deze argumenten ook inzien?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de technische briefing over slotcoördinatie op 29 maart 2018?
Dit is helaas niet mogelijk gebleken.
De dreigende handelsoorlog tussen de Verenigde Staten en Europa |
|
Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de recente uitspraken van de Amerikaanse president Trump aangaande handelsbarrières richting Europa?
Op 8 maart 2018 heeft President Trump vanuit het Oval Officeaangekondigd dat de Verenigde Staten per 23 maart 2018 tarieven zal instellen op staalimport van 25% en aluminiumimport van 10%. Op 22 maart 2018 is bekend geworden dat de Europese Unie voorlopig (tot 1 mei), net als Canada, Mexico, Australië, Brazilië en Argentinië, wordt uitgezonderd van de voorgestelde heffingen.
Het is teleurstellend dat de Verenigde Staten heeft besloten dergelijke tarieven in te stellen op staal- en aluminiumimport. De Europese Raad heeft op 22 maart geconcludeerd dat deze maatregelen geen gepaste oplossing zijn voor de overcapaciteit van staal. Het kabinet steunt deze conclusie.1
Hoe geeft u de door u aangekondigde dialoog vormgeven en om welke maatregelen gaat het dan?1
Zowel het kabinet als de Europese Commissie heeft in de afgelopen weken op hoog niveau overlegd om de VS te overtuigen de EU, net als Canada en Mexico, uit te zonderen van deze maatregelen. Ik heb hierover meermaals contact gehad met de Amerikaanse ambassadeur Hoekstra. Eurocommissaris Malmström heeft in Brussel gesproken met de United States Trade Representative, Robert Lighthizer, en in Washington met Secretary of Commerce, Wilbur Ross. EU-lidstaten hebben in hun eigen bilaterale contacten de boodschap van eurocommissaris Malström onderstreept. Tot slot, zijn wij als EU ook in multilateraal verband met de VS gesprek om samen de grondoorzaken van staalovercapaciteit te adresseren.
Deze dialoog gaat de komende tijd door. Dit hebben eurocommissaris Malmström en Secretary of CommerceRoss afgesproken.3
Hoe groot is de export van Nederland naar de Verenigde Staten? Kunt u dit weergeven op basis van verschillende sectoren?
De goederenexport bedroeg 20,3 miljard euro in 2017, de dienstenexport 17,3 miljard euro in 2017. CBS en RVO publiceren cijfers over de handel tussen Nederland en de Verenigde Staten. Via de link in de voetnoot vindt u overzicht van de uitvoerwaarde van verschillende sectoren van 2011 tot 2017.4
Hoe groot is de import van Nederland uit de Verenigde Staten? Kunt u dit weergeven op basis van verschillende sectoren?
De goederenimport bedroeg 30,9 miljard euro in 2017, de dienstenimport 24,6 miljard euro in 2017. CBS en RVO publiceren cijfers over de handel tussen Nederland en de Verenigde Staten. Via de link in de voetnoot vindt u overzicht van de invoerwaarde van verschillende sectoren van 2011 tot 2017.5
Zijn de tegenmaatregelen van Europa qua omvang (in euro’s) in verhouding tot de handelsbelemmeringen van de Verenigde Staten?
De Europese Unie is tot 1 mei uitgezonderd van de Amerikaanse maatregelen tegen staal- en aluminiumimport. De Europese Raad heeft aangegeven de Commissie te steunen in een gepaste, proportionele en WTO-conforme reactie op de Amerikaanse maatregelen, indien nodig. De omvang van deze reactie is afhankelijk van de schade voor de EU-export als gevolg van de Amerikaanse maatregelen.
Kunt u aangeven welke Nederlandse sectoren het meest kwetsbaar zijn voor eventuele Amerikaanse handelsbarrières en hoeveel banen hiermee gemoeid zijn?
Dit hangt af van de vorm en reikwijdte van de barrières. De EU is nu uitgesloten van de ingestelde heffingen. Vanwege de tijdelijkheid van deze uitzondering is het verstandig voor bedrijven in de staal- en aluminiumindustrie om via hun Amerikaanse afnemers te pleiten voor productuitzonderingen. Zo vergroten ze de kans dat de huidige export zo min mogelijk verstoord wordt. Nederland had in 2017 een staalexport naar de VS ter waarde van rond de 550 miljoen euro. De exportwaarde van aluminium in 2017 bedroeg zo'n 50 miljoen euro.
Welke handelsbarrières (importheffingen) zijn er nu tussen de Verenigde Staten en Europa?
Binnen de WTO hebben lidstaten afspraken gemaakt over (het verlagen van) invoertarieven. Deze invoertarieven zijn van toepassing op de handelsstromen tussen de VS en de EU.
Daarnaast loopt er een antidumpingmaatregel van de Europese Unie van 9,5% tegen importen van bioethanol uit de Verenigde Staten. Op dit moment wordt door de Commissie van de Europese Unie een verlengingsonderzoek uitgevoerd naar deze maatregel.
Zijn er middelen voor de Nederlandse regering om met de Verenigde Staten te onderhandelen?
De EU is exclusief bevoegd op het terrein van de gemeenschappelijke handelspolitiek. Dit betekent dat de Europese Commissie namens de EU onderhandelt op het gebied van handelspolitiek. Lidstaten worden hierover geïnformeerd en geconsulteerd. De Nederlandse regering heeft ook bilaterale contacten met de VS. In deze contacten onderstreept Nederland de Europese inzet op handelspolitiek gebied. In dit geval betekent dat dat de Nederlandse regering ook bilateraal de Europese zorgen overbrengt, aandringt op een permanente uitzondering voor de EU van de heffingen op staal- en aluminiumimport en de goede economische relaties en gedeelde zorgen benadrukt.
Kunt u per sector aangeven welke voorbereidingen er reeds zijn getroffen voor een mogelijke handelsoorlog tussen Europa en de Verenigde Staten?
Op dit moment wordt de Europese Unie voorlopig uitgezonderd van de Amerikaanse maatregelen. Er is dan ook geen sprake van een handelsoorlog. De Europese Commissie, gesteund door de EU-lidstaten, blijft met de VS in gesprek.
Het postennetwerk in de VS onderhoudt nauwe contacten met alle betrokken partijen in de VS (administratie, congres, bedrijfsleven) om de Nederlandse positie en belangen onder de aandacht te brengen en ondersteunt het in de VS opererende Nederlandse bedrijfsleven. Daarbij vindt nauwe samenwerking plaats met de verantwoordelijke ministeries in Den Haag en de relevante posten in Brussel en Geneve. Hier is op dit moment voldoende capaciteit voor beschikbaar.
Hebben de nieuwe handelsbelemmeringen effect op bestaande contracten?
Op dit moment wordt de Europese Unie voorlopig uitgezonderd van de Amerikaanse maatregelen tegen staal- en aluminiumimporten.
Welke juridische mogelijkheden hebben de bedrijven om eventuele handelsbarrières aan te vechten?
Dit hangt af van de vorm en reikwijdte van de barrières. In het geval van onterechte vrijwaringsmaatregelen, kunnen bedrijven hun zorgen bij de Europese Commissie en Nederlandse overheid kenbaar maken. Daarnaast kunnen bedrijven met een Amerikaanse dochteronderneming via de privaat-rechterlijke weg de maatregelen in de VS aanvechten op basis van het nationale (VS)-recht.
Zoals onder vraag 8 aangegeven valt handelspolitiek onder de exclusieve bevoegdheid van de EU. Dit betekent dat de Europese Commissie namens de EU onderhandelt op het gebied van handelspolitiek. Nederland kan dus in EU-verband pleiten voor een tegenreactie.
De EU kan onterechte handelsbarrières bij de WTO aanvechten middels een WTO-beroepszaak. Daarnaast mag een WTO-lid onder bepaalde voorwaarden zogenaamde «rebalancerende» maatregelen nemen in reactie op vrijwaringsmaatregelen van een ander WTO-lid.
Welke juridische mogelijkheden heeft de Nederlandse staat om eventuele handelsbarrières aan te vechten?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe wordt het Nederlandse postennetwerk in de Verenigde Staten voorbereid op een handelsoorlog tussen Europa en de Verenigde Staten?
Zie antwoord vraag 9.
Is er voldoende capaciteit om eventuele extra administratieve lasten te verwerken en is er voldoende kennis ten behoeve van de ondersteuning aan het Nederlandse bedrijfsleven in de door de handelsbelemmering getroffen sectoren?
Zie antwoord vraag 9.
In welke mate doen Nederlandse bedrijven investeringen in de Amerikaanse staten waar Trump tijdens de afgelopen verkiezingen heeft gewonnen? Kunt u hiervan een overzicht geven per door de Republikeinen gewonnen staat?
Nederland is de oudste handelspartner van de Verenigde Staten, met economische banden die teruggaan tot het begin van de 17e eeuw. Dit is nog altijd zichtbaar in de zeer sterke economische relatie tussen beide landen; Nederland is bijvoorbeeld de #1 bestemming voor Amerikaanse FDI. Meer informatie op statenniveau over onze economische banden met de Verenigde Staten en de activiteit van Nederlandse bedrijven op de Amerikaanse markt is te vinden op de door het postennetwerk samengestelde website economicties.org. Importcijfers per staat zijn te vinden op de site van de Amerikaanse International Trade Administration (tse.export.gov, onderdeel van de Department of Commerce). Hierbij moet opgemerkt worden dat in een wereld van globalisering en ver doorontwikkelde supply chains, importcijfers op statenniveau moeilijk te interpreteren zijn.
In welke mate exporteren Nederlandse bedrijven naar Amerikaanse staten waar Trump tijdens de afgelopen verkiezingen heeft gewonnen? Kunt u hiervan een overzicht geven per door de Republikeinen gewonnen staat?
Zie antwoord vraag 15.
Welke ruimte hebben Amerikaanse staten zelf om de handelsbelemmeringen te omzeilen?
President Trump heeft de tariefverhogingen voor staal en aluminium per decreet («executive order») opgelegd. Het decreet is gebaseerd op de bevoegdheid van de president om importtarieven op te leggen om de nationale veiligheid te beschermen. Een decreet geldt als federale wet waaraan alle staten zich moeten houden en biedt hen geen ruimte deze te omzeilen. Staten hebben echter altijd de mogelijkheid een executive order bij de federale rechter aan te vechten. In dat geval wordt beoordeeld of het opleggen van de importtarieven binnen de wettelijke bevoegdheden van de president valt. De uitkomst hiervan is ongewis, maar ten algemene geldt dat de president aanzienlijke ruimte heeft om maatregelen in het belang van de nationale veiligheid te nemen.
Welke algemene voorbereidingen worden er door de regering genomen inzake een eventuele handelsoorlog met de Verenigde Staten?
Zie antwoord vraag 9.
In welke sectoren kan Nederland de Verenigde Staten treffen middels het opwerpen van handelsbelemmeringen?
Nederland kan niet zelfstandig handelsbelemmeringen opwerpen. Handelspolitiek is een EU-competentie en alle handelsdefensieve maatregelen worden in EU-verband genomen.
Bent u bekend met de de geruchten dat president Trump importheffingen op staal en aluminium zou willen koppelen aan NAVO-bijdragen (landen die verantwoordelijkheid nemen, zouden uitgezonderd kunnen worden)? Hoe zou Nederland hierop moeten reageren?
Nederland blijft gecommitteerd aan de NAVO-afspraken die in 2014 in Wales zijn gemaakt. De NAVO heeft capaciteitendoelstellingen opgesteld voor Nederland, die vragen om vervolgstappen. De eerder deze week uitgebrachte Defensienota, waarin de defensie-uitgaven worden toegelicht, is dus geen eindpunt, maar een stap die past binnen de lange lijnen die zijn uitgezet met de NAVO-afspraken die in 2014 in Wales zijn gemaakt. Een mogelijke invoerheffing op staal- en aluminiumproducten door de VS staat los van de besluitvorming hierover. Het kabinet wijst de koppeling die de VS maakt tussen nationale veiligheid en staal- en aluminiumimport af.
Zouden deze vragen met spoed kunnen worden beantwoord aangezien de gebeurtenissen elkaar snel opvolgen?
Ja.
De zwarte en grijze lijst van belastingparadijzen |
|
Bart Snels (GL) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Is er een reden dat in de geannoteerde agenda voor de Ecofin-raad van 13 maart 2018 niet specifiek vermeld wordt dat Bahrein, de Marshalleilanden & Sint Lucia van de zwarte lijst worden gehaald?
Ten tijde van het schrijven van de geannoteerde agenda konden de specifieke landen nog niet worden genoemd. In mijn antwoord op vraag 7 wordt nader ingegaan op de achterliggende juridische redenen. Nederland heeft overigens wel ingezet op grotere transparantie richting de buitenwereld. Dit heeft geleid tot de toezegging dat aanpassingen van de zwarte en de grijze lijst na afloop van de Coreper (die voorafgaand aan de Ecofinraad plaatsvindt) bekend worden gemaakt. In mijn antwoord op vragen 2 en 3 ga ik hier verder op in.
Hoe werkt de procedure van het agenderen van een discussiepunt (B-punt) in de Ecofin-raad? Wie bepaalt dat de zwarte lijst een hamerstuk (A-punt) moet zijn en hoeveel lidstaten zijn er nodig om hier toch een discussiepunt (B-punt) van te maken?
De Voorzitter van de Raad (op dit moment Bulgarije) stelt de agenda op van de Ecofinraad en bepaalt of de onderwerpen worden opgebracht als een A-punt (hamerstuk) of B-punt (onderwerp van discussie). De inzet van het Voorzitterschap is om de discussies gedurende de Ecofinraad zo overzichtelijk te houden en dus een beperkt aantal B-punten op de agenda te zetten. Lidstaten kunnen voorafgaand aan de Ecofinraad het Voorzitterschap verzoeken om een A-punt om te zetten naar een B-punt. Nederland heeft ten aanzien van de zwarte lijst een dergelijk verzoek gedaan. Vanwege procedurele overwegingen heeft de Voorzitter de voorkeur gegeven aan handhaving van het A-punt, maar ter tegemoetkoming is toegezegd dat de documenten over aanpassingen van de grijze en zwarte lijst waarover in het Coreper overeenstemming is bereikt, na afloop van het Coreper openbaar zullen worden gemaakt. Dat is bij A-punten niet gebruikelijk, en op deze manier wordt het proces wel transparanter.
Welke lidstaten hebben Nederland gesteund in het verzoek om de zwarte lijst niet als hamerstuk (A-punt) maar als discussiepunt (B-punt) te behandelen?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn de brieven met toezeggingen van landen op de zwarte lijst aan de Europese Unie (EU) niet minstens zo belangrijk als de brieven van de EU aan deze landen? Hoe gaat u zich inzetten om deze brieven ook openbaar te maken?
Zoals ik al eerder heb aangegeven1, ben ik, net als uw Kamer, een groot voorstander van meer transparantie van de Gedragscodegroep in zijn algemeenheid en de zwarte lijst in het bijzonder. Ik deel uw mening dat de brieven van de beoordeelde landen ook belangrijk zijn. Tegelijkertijd moeten wij rekening houden met de soevereiniteit van deze landen. Mede op verzoek van Nederland heeft de voorzitter van de Gedragscodegroep de jurisdicties gevraagd of zij akkoord kunnen gaan met openbaarmaking van hun brieven aan de Gedragscodegroep. Van de 62 landen zijn 35 hier al mee akkoord gegaan en deze brieven zijn te vinden op de website van de Raad2.
Heeft u toegang tot de brieven waarin landen aan moeten geven aan de EU, waar het gaat om schadelijke regimes, welke regimes zij gaan afschaffen en wanneer zij dat gaan doen? Zo niet, hoe kunt u beoordelen of landen voldoen aan de criteria?
Nederland is, net als alle andere EU lidstaten, onderdeel van de Gedragscodegroep en heeft als zodanig toegang tot alle documenten die gerelateerd zijn aan de zwarte lijst, waaronder de brieven van de derde landen. Zoals ik al eerder heb aangegeven, kan ik deze brieven niet bij voorbaat delen omdat de landen de brieven in vertrouwelijkheid hebben gestuurd naar de Gedragscodegroep. Openbaarmaking is, nogmaals, wel mogelijk als het andere land daar expliciet mee heeft ingestemd. Om deze reden heeft de voorzitter van de Gedragscodegroep alle relevante jurisdicties gevraagd of deze akkoord kunnen gaan met openbaarmaking van hun naar de Gedragscodegroep verzonden brieven.
Zou u deze brieven met de Kamer willen delen? Zo nee, hoe kan de Kamer beoordelen of toezeggingen van landen zoals Panama voldoende duidelijk en concreet zijn en of ze, tegen het einde van 2018, inderdaad allemaal voldoende zijn uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom is informatie over welke regimes van landen om welke reden als schadelijk zijn beoordeeld vertrouwelijk, waardoor de EU-Gedragscodegroep dit niet kan delen? Op basis van welke regel/wet is dit vertrouwelijk? Wat zijn de mogelijkheden om deze regels/wetten aan te passen? Bent u bereid om zich hiervoor in te zetten?
De formele procedures van de Gedragscodegroep stellen dat het werk van de Gedragscodegroep vertrouwelijk is. Deze procedures zijn onder meer vastgesteld in de Raadsconclusies bij de instelling van de Gedragscodegroep.3 Dit neemt niet weg dat de Gedragscodegroep binnen het toepassingsbereik van Verordening 1049/2001 (Eurowob) valt. De Eurowob geeft het kader voor het recht van toegang tot documenten die in het bezit zijn van de instellingen. De instellingen geven voor zover mogelijk het publiek rechtstreekse toegang tot documenten, in het bijzonder voor wetgevingsdocumenten geldt een strenger openbaarheidsregime. Desondanks kunnen belangen zich verzetten tegen het openbaarmaken van documenten. Zo kan de toegang tot een document worden geweigerd indien openbaarmaking ervan het besluitvormingsproces van de instelling ernstig zou ondermijnen. Daarnaast zijn de instellingen soms verplicht openbaarmaking van een document te weigeren vanwege zwaarwegende belangen. Een absolute weigeringsgrond die in casu relevant is, aangezien de Gedragscodegroep fiscale regimes van andere landen beoordeelt en eventueel veroordeelt, is de bescherming van de internationale betrekkingen.
Het bovenstaande laat onverlet dat ik transparantie in het besluitvormingsproces van de Gedragscodegroep zeer belangrijk vind. Zoals ik al vaker aan uw Kamer heb gesteld4 maak ik mij hard voor meer transparantie van de Gedragscodegroep. Daarbij acht ik het van belang om een balans te vinden tussen het goed informeren van de buitenwereld enerzijds, en recht te doen aan de aard en mogelijke gevoeligheid van besluitvorming anderzijds.
Zowel in 2008 als in 2011 heeft de Commissie voorstellen gedaan voor de herziening van Verordening 1049/2001. De instellingen hebben om uiteenlopende redenen hierover geen overeenstemming weten te bereiken. De Eurowobverordening heeft de afgelopen jaren naar behoren gefunctioneerd. Tegelijkertijd is het kabinet van mening dat de verordening zo snel mogelijk in lijn moet worden gebracht met het Verdrag van Lissabon, onder meer teneinde het bereik van de Eurowob uit te breiden. Gezien de reeds jarenlange impasse is de inschatting van het kabinet dat hiervoor mogelijk pas weer ruimte voor zal ontstaan na de verkiezingen van het Europees parlement en het aantreden van een nieuwe Europese Commissie in 2019. Het kabinet zal het belang van deze herziening bij de EU-instellingen in aanloop naar de verkiezingen blijven benadrukken en nodigt ook uw Kamer uit om naar aanleiding van de vierde aanbeveling in het door uw Kamer opgestelde COSAC-paper, in COSAC-verband het belang van herziening te onderstrepen.
In hoeverre zijn landen op de grijze lijst bereid om brieven met toezeggingen zelf openbaar te maken? Wat zijn volgens u redenen dat een land hier niet toe bereid zou zijn?
Daar is lastig een antwoord op te geven omdat elk land dat op de grijze lijst staat, zijn eigen afweging zal maken. Zoals hiervoor al eerder opgemerkt, zijn 35 landen akkoord gegaan met de openbaarmaking van de brieven en ik hoop dat dat een positieve uitwerking heeft op de landen die nog niet hebben ingestemd met de publicatie.
Zijn andere Europese lidstaten net zo uitgesproken als u over het feit dat landen op de grijze lijst onmiddellijk terug moeten naar de zwarte lijst, als zij niet aan hun toezeggingen hebben voldaan op 1 januari 2019?
Ja.
Hoe groot acht u de kans dat landen, die nu op de grijze lijst staan, er na 1 januari 2019 nog steeds op kunnen blijven staan?
De grijze lijst is bedoeld om landen een overgangsperiode van één jaar te geven. Gedurende deze overgangsperiode krijgen de landen de tijd om hun wetgeving aan te passen aan de geldende internationale fiscale standaard. Als zij dit niet doen komen zij automatisch op de zwarte lijst. Er zit dus een duidelijke houdbaarheidsdatum aan de grijze lijst.
Wel is het zo dat ontwikkelingslanden een overgangsperiode van twee jaar (tot 1 januari 2020) hebben gekregen om te voldoen aan het fiscale transparantie criterium en het criterium ten aanzien van de implementatie van de Base Erosion and Profit Shifting (BEPS)-maatregelen. Op deze manier krijgen de overheden van ontwikkelingslanden meer tijd om bij, bijvoorbeeld de uitwisseling van informatie, ook de daadwerkelijke uitwisseling van informatie in de organisatie uit te werken. Voor de duidelijkheid wil ik hieraan toevoegen dat ten aanzien van het criterium «geen schadelijke preferentiële regimes» ook voor ontwikkelingslanden de normale deadline van 1 januari 2019 geldt.
Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over hoe Nederland om zal gaan met de zwarte lijst? Wat worden de sancties?
In mijn brief over de aanpak van belastingontwijking en belastingontduiking van 23 februari jl.5 heb ik al een aantal maatregelen aangekondigd tegen landen op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties. Zo zal de nieuwe bronbelasting verschuldigd zijn als een in Nederland gevestigde entiteit binnen concernverband dividenden, rente of royalty’s betaalt aan een entiteit die is gevestigd in een land met een laag statutair tarief of een land dat is opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve landen. Verder komt er een aanvullende CFC-maatregel (CFC staat voor «Controlled Foreign Companies») voor CFC’s in landen met een laag statutair tarief of in landen die op de EU-lijst van niet-coöperatieve landen staan.
Daarnaast heb ik aangekondigd dat ik uw Kamer in de tweede helft van dit jaar een brief zal sturen waarin ik in bredere zin inga op de veranderingen in het fiscaal verdragsbeleid sinds het publiceren van de Notitie fiscaal verdragsbeleid 2011. In deze brief zal ik ook reageren op de motie Groot/Schouten,6 waarin wordt gevraagd om de belastingverdragen met jurisdicties op de EU-lijst van niet-coöperatieve landen te heroverwegen.
Hoe verhouden de laag belaste jurisdicties zich tot de niet-coöperatieve jurisdicties en de zwarte lijst? Welke landen staan op welke lijst? Is de zwarte lijst gelijk aan de Nederlandse lijst van niet-coöperatieve jurisdicties?
De EU lijst kijkt naar fiscale transparantie, (geen) schadelijke concurrentie en deelname aan de BEPS-standaard. De landen die op deze EU lijst staan, worden in de Nederlandse aanpak bij de bronbelastingen en de aanvullende CFC-maatregel aangeduid als niet-coöperatieve jurisdicties. Aanvullend daarop zullen de bronbelastingen en de aanvullende CFC-maatregel, onder voorwaarden, tevens gaan zien op betalingen naar respectievelijk winsten in landen met een (te) laag statutair tarief.
Gaat u de bronbelasting op dividend alleen hanteren voor landen op de zwarte lijst of ook voor andere landen? Hoe zit het met de bronbelasting op rente- en royaltybetalingen? Geldt deze bronbelasting alleen voor betalingen aan landen op de zwarte lijst?
Zoals in mijn brief over de aanpak van belastingontwijking en belastingontduiking van 23 februari jl.7 is aangekondigd, zal de nieuwe bronbelasting verschuldigd zijn als een in Nederland gevestigde entiteit binnen concernverband dividenden, rente of royalty’s betaalt aan een entiteit die is gevestigd in een land met een laag statutair tarief of een land dat is opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve landen. De bronbelasting op dividend-, rente- en royaltybetalingen is dus niet alleen verschuldigd bij betalingen aan vennootschappen gevestigd in een land op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties.
Wat is de reden dat de laatste zes landen op de zwarte lijst (Amerikaans Samoa, Guam, Namibië, Palau, Trinidad & Tobago) nog steeds op de zwarte lijst staan? Zijn zij niet bereid om mee te werken? Verwacht u dat deze landen ook nog van de zwarte lijst af gaan?
Op dit moment staan er negen landen op de zwarte lijst. Tijdens de Ecofinraad van 13 maart jl. zijn de Bahamas, Saint Kitts and Nevis en de Amerikaanse Maagdeneilanden aan de zwarte lijst toegevoegd.
Al deze landen voldoen niet aan de internationale fiscale standaard op het gebied van fiscale transparantie, geen schadelijke belastingconcurrentie en deelname aan de OESO/BEPS-standaard. Verder hebben deze landen geen of niet voldoende toezeggingen gedaan om erop te vertrouwen dat deze landen eind 2018 wel zullen voldoen aan de standaard. Het staat overigens deze landen wel vrij om alsnog een toezegging te doen aan de Gedragscodegroep. Als deze toezegging op het juiste hoge politieke niveau wordt afgegeven en de toezegging inhoudelijk concreet omschrijft dat het land zijn wetgeving gaat aanpassen, dan kan deze toezegging worden geaccepteerd. De landen worden dan verplaatst van de zwarte lijst naar de grijze lijst. Zoals ik al in een voorgaand antwoord heb aangegeven, is de grijze lijst van tijdelijke aard en moeten deze landen uiterlijk eind 2018 voldoen aan de standaard. Als dat niet het geval is dan worden deze landen weer op de zwarte lijst geplaatst.
Overigens ben ik niet van mening dat een «gevulde» EU zwarte lijst een doel op zich moet zijn. De EU zwarte lijst is een middel om landen te overtuigen om hun wetgeving aan te passen aan de internationale standaard. Dit betekent dus dat landen die op de EU zwarte lijst staan, de kans moeten kunnen krijgen om hun wetgeving aan te passen aan de geldende fiscale internationale standaard. Wel is dit kabinet van mening dat voor landen met een laag statutair tarief sowieso de nieuwe bronbelasting moet gaan gelden ongeacht of er voldaan wordt aan de gestelde zwarte lijst criteria. Op dat punt gaat Nederland dus verder dan de geldende internationale criteria.
Kunt u deze vragen uiterlijk 48 uur voor het volgende algemeen overleg Ecofin beantwoorden?
Ja.
De euro’s die het raam uitvliegen voor het betalen van het luxeleven van Europarlementariërs |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kosten Europees parlement schieten door het plafond»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het niet uit te leggen valt dat Europarlementariërs bovenop hun salaris van € 8.484 bruto per maand nog de beschikking hebben over een chauffeursdienst en allerlei onkostenvergoedingen ontvangen, zoals € 4.342 voor «kantoorkosten» waarover geen verantwoording hoeft te worden afgelegd?
Het kabinet hecht eraan dat het Europees parlement de middelen heeft om zijn verdragsrechtelijke taken als medewetgever van de Europese Unie en zijn taken ten aanzien van de controle van de EU-begroting waar kan maken.
Het Europees parlement is zelf verantwoordelijke voor transparantie en verantwoording over zijn uitgaven. Het gaat dan eveneens om de verantwoordelijkheid van politieke groepen in het Europees parlement voor correcte uitgaven van toegekende financiële middelen.
In het verlengde hiervan acht het kabinet het van belang dat leden van het Europees parlement zelf transparantie en verantwoording afleggen over de eigen administratieve uitgaven. Hiervoor zijn leden van het Europees parlement zelf verantwoordelijk.
Bent u van plan om tijdens de onderhandelingen over de komende meerjarenbegroting voor de Europese Unie de eis op tafel te leggen dat het maar eens afgelopen moet zijn met het financieren van de luxe levensstijl van deze overbodige instelling? En bent u van plan aan te geven dat zolang het Europees parlement nog bestaat de salarissen en onkostenvergoedingen fors omlaag moeten?
De kabinetsinzet voor het nieuwe MFK is gericht op een ambitieuze modernisering van de EU-begroting en op het vermijden van hogere Nederlandse afdrachten als gevolg van de uittreding van het Verenigd Koninkrijk. Ten aanzien van administratieve uitgaven, waaronder worden begrepen de kosten van het Europees parlement, is het kabinet van mening dat deze uitgavencategorie ook een bijdrage dient te leveren aan de bezuinigingsopgave. In het algemeen maakt het kabinet zich ten aanzien van de EU-instellingen en internationale organisaties sterk voor versobering en modernisering van arbeidsvoorwaarden in lijn met het publieke karakter van de instelling en de sector waarin de instelling opereert.
Deelt u de mening dat het Europees parlement zo snel mogelijk moet worden opgedoekt zodat we ons aandeel in de vrijgekomen miljarden daarmee mooi in Nederland kunnen besteden? Zo nee, waarom niet?
Neen, het kabinet is geen voorstander van het opdoeken van het Europees parlement, onder andere vanwege zijn bijdrage aan de democratische legitimiteit van de totstandkoming van regelgeving op EU-niveau.
Het bericht ‘Luchtmacht baas wil extra aandacht voor veiligheidscultuur na lekken’ |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht Luchtmacht baas wil extra aandacht voor veiligheidscultuur na lekken»?1
Ja.
Bent u vooraf in kennis gesteld van het voornemen van de commandant Luchtstrijdkrachten om per mail zijn militairen te laten weten meer aandacht en bekendheid te willen geven aan de «veiligheidscultuur» bij de Luchtmacht? Zo ja, heeft u hierbij nog specifieke instructies gegeven? Zo nee, is het gebruikelijk dat militairen op deze wijze geïnstrueerd worden?
Nee. Commandanten van Operationele Commando’s, zoals de Commandant Luchtstrijdkrachten (C-LSK), zijn zelf verantwoordelijk voor de communicatie met hun medewerkers. C-LSK publiceert op het intranet van het Commando Luchtstrijdkrachten periodiek berichten (weblogs), waarin hij de aandacht vraagt voor uiteenlopende onderwerpen. De berichten worden naast publicatie op het intranet van tijd tot tijd, zoals in dit geval, ook per e-mail aan CLSK-medewerkers verzonden. In het laatste geval, zoals door C-LSK is gedaan, is de mail verzonden als «dagorder». In een «dagorder» richt de commandant zich tot de medewerkers om persoonlijk een boodschap over te brengen.
Wanneer de veiligheidscultuur is een groot goed is en bovenaan staat, hoe oordeelt u in dat opzicht over de uitspraak «. medewerkers voelden de noodzaak om naar de pers te stappen in plaats van het gesprek aan te gaan met collega's. Zo ontstaat intern en extern het beeld dat wij een onveilige organisatie zijn en niet veilig werken.»?
De Commandant Luchtstrijdkrachten heeft met zijn dagorder actief en persoonlijk medewerkers opgeroepen problemen te melden via daarvoor ingerichte systemen, meldpunt en standaard procedures. In het vervolg van de dagorder benadrukt hij dat onze veiligheidscultuur is gebaat bij een omgeving waarin mensen open en eerlijk hun zorgen kunnen uiten en hun verhaal kunnen doen als iets is misgegaan. In het op 28 maart jongstleden aan uw Kamer verstuurde plan van aanpak «Een veilige defensieorganisatie» nemen we als Defensie maatregelen om de meldingsbereidheid bij medewerkers te verhogen en het lerend vermogen te vergroten.
Kunt u begrijpen dat door de wijze waarop de mail is opgesteld juist een onveilig gevoel bij medewerkers ontstaat om hun zorgen te uitten?
In de mail wordt het belang benadrukt van het bespreken van problematiek met elkaar en wordt opgeroepen hiervoor het meldings- en rapportagesysteem te gebruiken. Daarbij bestaat ook de mogelijkheid om rechtstreeks en anoniem binnen Defensie te melden. Het zou spijtig zijn indien er bij medewerkers een onveilig gevoel is ontstaan. Zoals u weet, hecht ik veel waarde aan het veilig kunnen melden. Defensie moet een organisatie zijn waarin het niet alleen veilig is om vergissingen en veiligheidsincidenten te melden, maar waarin dat wordt gewaardeerd, er geen negatieve gevolgen zijn voor de melder, zodat kan worden onderzocht wat eraan moet worden gedaan. Momenteel wordt juist veel geïnvesteerd in het verhogen van de meldingsbereidheid, onder andere doordat commandanten hiertoe oproepen, er bekendheid wordt gegeven aan de procedures voor het melden en nieuwe klachtregistratieformulieren worden uitgegeven. Dit naast de maatregelen die in het plan van aanpak «Een veilige defensieorganisatie» zijn beschreven waarin de aanbevelingen uit de tussentijdse rapportage van de commissie-Giebels, die onderzoek doet naar de sociale werkomgeving en de meldingsbereidheid, voor zo ver als mogelijk zijn verwerkt.
Zijn er na de recente veiligheidsincidenten – ook buiten de luchtmacht – maatregelen genomen ter verbetering van het oppakken van de interne meldingen?
In de afgelopen maanden hebben alle leidinggevenden binnen de defensieonderdelen het belang van het melden van voorvallen benadrukt. Dit gebeurt op momenten waarbij commandanten met hun personeel spreken, middels nieuwsbrieven en in directe communicatie naar iedere defensiemedewerker. Daarnaast is één van de maatregelen in het plan van aanpak «Een veilige defensieorganisatie» dat het onderwerp veiligheid besproken wordt tijdens werkoverleggen, commandantenvergaderingen en beraden tot op het hoogste niveau van de defensieorganisatie. De maatregelen zoals geïntroduceerd in het plan van aanpak hebben hun weerslag in de strategie, structuur, systeem en cultuur van de defensieorganisatie.
Het Commando Luchtstrijdkrachten implementeert op dit moment een Safety Management Systeem (SMS). Het doel van het SMS is dat onderdeelsoverstijgende veiligheidsgerelateerde problemen centraal in behandeling worden genomen. Een belangrijk onderdeel van het SMS is een werkende en sluitende planning- en controlcyclus, zodat volledige afhandeling van interne meldingen wordt gewaarborgd.
Is het ook mogelijk om eventuele veiligheidsincidenten wel intern, maar niet bij de direct leidinggevende, te melden in geval deze daar direct of indirect te zeer bij betrokken is?
Ja. Voor het op uniforme wijze melden van voorvallen waaronder veiligheidsincidenten beschikt Defensie over het IT-systeem «Melden van Voorvallen (MVV)». Iedere medewerker van Defensie dient een voorval te melden waarvan hij kennis draagt. De melding gaat via het MVV door naar het zogenoemde bevoegd gezag. Dat bevoegd gezag is een commandant of leidinggevende die binnen Defensie geautoriseerd is een initiële melding van een melder te registreren, waarmee de melding wordt doorgezet in de lijn en/of buiten het eigen defensieonderdeel. Indien een melder een voorval anoniem wil melden, kan het voorval via een derde in MVV worden gezet. Dit kan bijvoorbeeld door de vertrouwenspersoon of veiligheidsfunctionaris van de eenheid geschieden. Daarnaast kan elke defensiemedewerker elke andere leidinggevende ofwel het meldpunt van de Centrale Organisatie Integriteit Defensie (COID) via e-mail of telefonisch benaderen.
Is het mogelijk dat juist medewerkers de noodzaak voelden om naar de pers te stappen in plaats van het gesprek aan te gaan met collega's medewerkers, omdat het gevoel ontbreekt dat ze zich in een omgeving bevinden waarin mensen open en eerlijk hun zorgen kunnen uiten en hun verhaal kunnen doen als er iets is misgegaan? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoe beoordeelt u de veiligheidscultuur binnen de defensieorganisatie na de verschillende incidenten waar de commandant Luchtstrijdkrachten naar verwijst?
We zijn de afgelopen periode door verscheidene tragische ongevallen hard met onze neus op de feiten gedrukt. Deze ongevallen kunnen we helaas niet meer ongedaan maken, maar we moeten er wel alles aan doen om herhaling te voorkomen door ervan te leren. Er mag dan ook geen misverstand over bestaan: werken bij Defensie moet en kan veiliger. Het veiliger maken van de werkomgeving is daarom topprioriteit voor de komende jaren.
Het bericht ‘Zevende rechtszaak van Stichting GGZ Momentum tegen verzekeraar om vrije artsenkeuze: Achmea schendt artikel 13 Zorgverzekeringswet’ |
|
Corinne Ellemeet (GL), Linda Voortman (GL) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat GGZ-instelling Momentum opnieuw naar de rechter is gestapt omdat onder andere zorgverzekeraar Achmea dusdanig lage vergoedingen uitbetaalt aan psychiatrische patiënten dat de kosten van zorg naar de patiënt verschuiven en de vrije artsenkeuze in het geding is?1
Ja, vanuit VWS worden rechtszaken en daarmee de jurisprudentie omtrent artikel 13 nauwlettend gevolgd.
Was het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) reeds op de hoogte van deze mogelijke schendingen van artikel 13 van de Zorgverzekeringswet (ZvW)? Zo ja, wanneer is deze informatie u aangereikt en wat is hiermee concreet gedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland op 1 februari 2018 die dit beeld bevestigt en tevens verzekeraar Achmea/De Friesland heeft veroordeeld tot de schending van artikel 13 (Zvw), discriminatoir inkoopbeleid en niet-transparante polisvoorwaarden die niet duidelijk maken dat er mogelijk tienduizenden euro’s zelf moeten worden betaald?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u tevens kennisgenomen van de veroordeling van Achmea Zilveren Kruis op 23 februari 2018 inzake de wijkverpleging (Stichting Zorgrecht), waar ook een schending van artikel 13 is geconstateerd?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u het handelen van de zorgverzekeraar waarbij de zorgverzekeraar niet minimaal 75% van het wettelijke NZa-tarief wil vergoeden aan patiënten bij niet-gecontracteerde aanbieders, met als gevolg dat patiënten met complexe psychiatrische en psychische problemen mogelijk vele duizenden of tienduizenden euro’s zelf moeten bijbetalen?
Uit jurisprudentie blijkt, zoals mr. B.A. van Schelven en mr. M.M. Janssen aangeven in hun artikel uit Tijdschrift voor Gezondheidsrecht2 dat het vergoedingspercentage van 75–80% van het gemiddelde tarief dat de zorgverzekeraar heeft gecontracteerd voor een bepaalde zorgvorm, de afgelopen drie jaar bij zowel de overheidsrechter als de Geschillencommissie Zorgverzekeringen heeft standgehouden.
Overigens betekent een vergoeding van 75–80% van het gemiddelde gecontracteerde tarief niet automatisch dat de patiënt geconfronteerd wordt met het niet-vergoede deel van de door de niet-gecontracteerde aanbieder gedeclareerde rekening. In veel gevallen brengt de betreffende aanbieder deze kosten namelijk niet bij de patiënt in rekening.
Bent u bekend met de voorbeelden uit de praktijk van groeiende bijbetalingen tot wel 77% meer sinds 2014 voor patiënten met complexe persoonlijkheidsstoornissen, eetstoornissen en schizofrenie die in zorg komen bij niet-gecontracteerde aanbieders? Acht u de gemiddelde Nederlander in staat deze rekeningen voor psychiatrische zorg zelf te voldoen? Zo nee, wat gaat u tegen deze praktijken ondernemen?
Zoals ik bij vraag 5 aangaf, wordt in veel gevallen de niet door de zorgverzekeraar vergoede kosten niet door de zorgaanbieder bij de patiënt in rekening gebracht. In dat licht merk ik op dat de rechtszaken die over het vergoedingspercentage zijn aangespannen, veelal door zorgaanbieders zijn aangespannen en niet door patiënten.
Zorgaanbieders kiezen er soms bewust voor om geen contracten met zorgverzekeraars af te sluiten omdat zij niet aan limieten/budgetplafonds gebonden willen zijn. In het geval dat deze zorgaanbieders de niet vergoede kosten niet bij de patiënt in rekening brengen, accepteren zij de lagere vergoeding en zijn zij blijkbaar in staat daarmee in hun bedrijfsvoering te voorzien.
patiënten minder aantrekkelijk zo niet onmogelijk is te kiezen voor ongecontracteerde zorginstellingen?
Zorgverzekeraars hebben een zorgplicht voor hun verzekerden met een naturapolis. Zij dienen derhalve voldoende zorg in te kopen om hieraan te kunnen voldoen. Deze zorginkoop is een van de peilers van de Zorgverzekeringswet omdat daarmee kwalitatief goede en doelmatige zorg wordt bevorderd. Het is de vrijheid van de verzekerde om naar een ongecontracteerde aanbieder te gaan. De zorgaanbieder dient de patiënt in ieder geval te infomeren als er mogelijk kosten in rekening worden gebracht. Voor de precieze hoogte daarvan kan hij naar de zorgverzekeraar verwijzen.
Een verzekerde kan ook kiezen voor een restitutieverzekering, waarbij de kosten van een niet gecontracteerde aanbieder altijd tot het marktconforme tarief worden vergoed.
Deelt u de mening dat deze verschuiving en het potentiële risico dat duizenden euro’s onvoldoende helder wordt bij de keuze voor een restitutiepolis of naturapolis die slechts euro’s van elkaar verschillen?
Zorgverzekeraars zijn uit hoofde van de Wet marktordening gezondheidszorg verplicht informatie openbaar te maken over de eigenschappen van aangeboden producten en diensten op zodanige wijze dat deze gegevens voor consumenten gemakkelijk vergelijkbaar zijn. Hieronder valt ook informatie over contractering bij zorgpolissen. Deze verplichting is uitgewerkt in de Regeling Informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).
Zorgverzekeraars moeten kenbaar maken met welke zorgaanbieders voor welke vormen van zorg een contract is afgesloten voor de betreffende polis. Bovendien moet transparant worden of de keuze voor een niet-gecontracteerde zorgaanbieder leidt tot een vergoedingsbeperking en wat de hoogte van het percentage is van de vergoedingsbeperking.
Wat vindt u ervan dat zorgverzekeraars al meerdere keren door de rechter op de vingers zijn getikt voor dit gedrag, zoals bijvoorbeeld in het Momentum-CZ-arrest (11 juli 2014), maar zorgverzekeraars dit blijven proberen, gezien de recente uitspraak van rechtbank Leeuwarden en de nieuwe rechtsgang?
In het Regeerakkoord is hierover opgemerkt dat het (meerjarige) contract tussen zorgaanbieders en verzekeraars de basis is voor afspraken over prijs, kwaliteit en zorgverlening en dat het kabinet zal onderzoeken hoe het onderscheid tussen gecontracteerde en niet-gecontracteerde zorg verhelderd en versterkt kan worden. Momenteel wordt hier voor de ggz-sector verdiepend onderzoek naar gedaan en zijn we met de sector in gesprek over het thema ongecontracteerde zorg.
Tijdens het AO wijkverpleging heeft de Minister van VWS toegezegd dat hij de Kamer zal berichten over resultaten van het onderzoek naar ongecontracteerde zorg in de wijkverpleging en over mogelijke maatregelen om (meerjarig) contractering te bevorderen.
Bent u voornemens dit te bespreken de desbetreffende zorgverzekeraars en/of Zorgverzekeraars Nederland?
De NZa houdt toezicht op de rechtmatige uitvoering van de Zorgverzekeringswet, waaronder artikel 13, door zorgverzekeraars. De wijze waarop de NZa toezicht houdt op artikel 13 Zvw heeft zij neergelegd in de Beleidsregel toezichtkader zorgplicht zorgverzekeraars Zvw (TH/BR-025). Als blijkt dat zorgverzekeraars handelen in strijd met de uitgangspunten genoemd in deze beleidsregel, dan kan de NZa handhavend optreden. Zorgverzekeraars hebben een eigen verantwoordelijkheid waar het gaat om het volgen van jurisprudentie met betrekking tot de zorginkoop.
Welke rol heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in deze?
Zie antwoord vraag 10.
Heeft de Nza informatie ontvangen over mogelijke schendingen van artikel 13? Zo ja, heeft de NZa een onderzoek ingelast naar aanleiding van deze informatie aangaande de schending van artikel 13?
De NZa heeft een onderzoek ingesteld op basis van meldingen en signalen die zij heeft ontvangen dat zorgverzekeraars mogelijk niet vergoeden wat zij in hun polisvoorwaarden hebben vermeld. In de polisvoorwaarden staat opgenomen wat voor vergoeding een verzekerde krijgt als hij naar een niet-gecontracteerde zorgaanbieder gaat. De NZa onderzoekt of die vergoedingen conform de polisvoorwaarden zijn. Het onderzoek richt zich eveneens op de vergoedingslijsten die de zorgverzekeraars openbaar maken. De NZa onderzoekt of deze lijsten voldoen aan de NZa regeling informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten (TH/NR-010). Het onderzoek richt zich op een groot aantal zorgverzekeraars en behelst ook een onderzoek in de data van verzekeraars.
In hoeveel gevallen heeft de NZa actief gehandhaafd op schendingen van artikel 13 sinds 2006?
Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 10 en 11, houdt de NZa toezicht op de rechtmatige uitvoering van de Zorgverzekeringswet, waaronder artikel 13, door zorgverzekeraars. De Hoge Raad heeft in 2014 geoordeeld dat artikel 13, eerste lid, van de Zvw gelet op de wetsgeschiedenis aldus moet worden uitgelegd, dat de vergoeding voor de kosten van niet-gecontracteerde zorgaanbieders niet zo laag mag zijn dat die voor de verzekerde een feitelijke hinderpaal zou vormen om zich tot een niet-gecontracteerde zorgaanbieder van zijn keuze te wenden. Een vergoeding van 75–80% van het marktconforme tarief als een breed gedragen praktijknorm kan volgens de Hoge Raad worden beschouwd als een vergoeding die geen feitelijke hinderpaal oplevert. Tot de uitspraak van de Hoge Raad stelde de NZa zich op het standpunt dat de vergoeding voor niet gecontracteerde zorg door de zorgverzekeraar mag worden bepaald en dat die niet nul mag zijn. Na de uitspraak van de Hoge Raad heeft de NZa haar toezicht op art 13 Zvw opgenomen in haar beleid (Beleidsregel toezichtkader zorgplicht zorgverzekeraars Zvw (TH/BR-025)). De NZa is op basis van de rechtspraak van oordeel dat het vergoedingspercentage voor niet gecontracteerde zorg ten minste 75% van het gemiddeld gecontracteerde tarief, het door de NZa vastgestelde (maximum- of vaste) tarief, of een vergelijkbare berekeningsmethode, moet zijn. Tenzij de zorgverzekeraar kan motiveren en zo nodig onderbouwen waarom een lager percentage geen feitelijke hinderpaal zal opleveren. Daarbij kan een rol spelen of de verzekeraar in de modelovereenkomst een hardheidsclausule heeft opgenomen. Mocht uit onderzoek van de NZa blijken dat zorgverzekeraars zich niet houden aan de uitgangspunten genoemd in deze beleidsregel, dan kan zij handhavend optreden. Tot op heden heeft de NZa geen aanleiding gezien om sancties op te leggen.
Deelt u de mening dat de NZa actief zou moeten handhaven en optreden tegen zorgverzekeraars die een dusdanig laag tarief willen vergoeden, zodat voorkomen wordt dat een zorginstelling naar de rechter moet stappen? Zo ja, kunt u aangeven welke maatregelen u gaat nemen?
Zie antwoord vraag 13.
Vindt u dat de zorgverzekeraars inzichtelijk zouden moeten maken en moeten kunnen motiveren hoe hun «marktconforme» tarieven zijn opgebouwd, wanneer deze afwijken van de door de NZa vastgestelde tarieven? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om te zorgen dat zorgverzekeraars transparantie geven over de opbouw van hun «marktconforme» tarieven?
Zorgverzekeraars nemen in hun polisvoorwaarden op welke vergoeding, op grond van de Zvw, zij hun verzekerden geven voor zorg verleend door een niet gecontracteerde zorgaanbieder. In de regeling informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten (TH/NR-010) heeft de NZa geregeld welke informatie zorgverzekeraars aan verzekerden moeten verstrekken indien er financiële consequenties zijn als een verzekerde zorg afneemt bij een niet gecontracteerde zorgaanbieder. In de monitor overstapseizoen die ik u in april toestuur, wordt uitgebreid aandacht gegeven aan begrijpelijke informatievoorziening door zorgverzekeraars. Ik heb hierbij expliciet aandacht gevraagd voor het begrip marktconform tarief.
Verder maken veel zorgverzekeraars lijsten openbaar met de vergoedingen voor niet gecontracteerde zorg. Verzekerden kunnen daarop terugvinden welke vergoeding zij voor niet gecontracteerde zorg krijgen.
Het objectieve verdeelmodel Wmo en Jeugd in relatie tot doelmatig medicijngebruik |
|
Jan de Graaf (CDA), Carla Dik-Faber (CU) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de gemeente Asten in overleg met huisartsen en apothekers een doelmatig voorschrijfsysteem van medicijnen heeft ontwikkeld, waardoor het medicijngebruik is teruggedrongen, zorgkosten zijn bespaard en het probleem van «medicijnresten in afvalwater» bij de bron wordt aangepakt? Zijn er andere gemeenten die, al dan niet samen met waterschappen, een vergelijkbare inzet hebben?
Ja, daar ben ik van op de hoogte. Het is mij niet bekend of andere gemeenten een vergelijkbare inzet hebben.
Als het medicijngebruik op een gewenste manier kan worden beïnvloed door beleid, is dan de verdeelmaatstaf Farmaceutische Kosten Groep (FKG) nog te hanteren als objectieve verdeelmaatstaf in de integratie-uitkering sociaal domein Wmo en Jeugd? Hoe kan worden voorkomen dat gemeenten worden «gestraft» voor het doelmatig voorschrijven van medicijnen met een lagere bijdrage uit het Gemeentefonds?
De Financiële-verhoudingswet stelt meerdere eisen aan een verdeelmaatstaf. Het gaat bij het ontwikkelen van een verdeelmodel om het vinden van de goede balans tussen alle eisen en daar is ook naar gekeken bij de totstandkoming van de verdeelmodellen voor Jeugd en Wmo. Bij de totstandkoming van de verdeelmodellen bleek het medicijngebruik in combinatie met de andere verdeelmaatstaven gemiddeld goed aan te sluiten bij de kosten van gemeenten.
Het is van belang om de verdeelmaatstaven, die samen het verdeelmodel vormen, in samenhang te bezien. Een individuele maatstaf kan niet voor iedere gemeente volledig aansluiten op de kosten. Dat past ook niet bij de globaliteit van het gemeentefonds. Op sommige onderdelen zal een individuele gemeente meer ontvangen dan zij aan kosten maakt, op andere onderdelen minder. Het gaat er in de verdeling van het gemeentefonds om dat de uitkering op het niveau van een afgebakend beleidsterrein globaal aansluit bij de kostenstructuur van alle gemeenten gezamenlijk.
Wanneer start de evaluatie van de verdeelmodellen sociaal domein? Bent u bereid daarin specifiek aandacht te besteden aan de verdeelmaatstaf medicijngebruik en de effecten daarvan voor de integratie-uitkering sociaal domein Wmo en Jeugd aan gemeenten die inzetten op het doelmatig voorschrijven van medicijnen?
Na de toezegging aan de Tweede Kamer (Algemeen Overleg Sociaal Domein, 31 mei 2017) van de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om de verdeelmodellen in het sociaal domein te evalueren, is begin oktober 2017 begonnen met een kwalitatieve analyse. Dit onderzoek gaat in op de vraag in hoeverre de beleidsmatige uitgangspunten die zijn gehanteerd bij de ontwikkeling van de verdeelmodellen in het sociaal domein overeenkomen met de daadwerkelijke praktijk. In het kwalitatieve onderzoek komen alle signalen van gemeenten en andere partijen met betrekking tot de verdeelmodellen samen. De kwalitatieve analyse is dit voorjaar afgerond, waarna besluitvorming plaats zal vinden over een kwantitatief vervolgonderzoek. Het vraagstuk van het doelmatig voorschrijven van medicijnen is in het kwalitatief onderzoek geadresseerd. Zodra dit onderzoek is afgerond, zal ik het onderzoeksrapport aan uw Kamer aanbieden. Daarnaast zal ik aan dit vraagstuk ook aandacht besteden in een kwantitatief vervolgonderzoek.
Welke mogelijkheden ziet u op korte termijn om gemeenten zoals Asten te compenseren voor het ondervinden van nadelen in de bekostiging als gevolg van het nemen van wenselijke maatregelen, zoals het doelmatig voorschrijven van medicijnen?
Een integrale benadering van het vraagstuk staat voorop. Compensatie van een individuele gemeente op een enkele verdeelmaatstaf past daar niet bij. In de evaluatie van de verdeelmodellen sociaal domein komen alle signalen van gemeenten met betrekking tot de verdeelmodellen samen en zullen de verdeelformules in relatie tot de kosten van gemeenten integraal worden bezien.
Ziet u mogelijkheden om de Astense aanpak voor het doelmatig voorschrijven van medicijnen breder onder de aandacht te brengen?
Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport juicht maatregelen voor het doelmatig voorschrijven van medicijnen toe en moedigt partijen aan om zelf best practices met elkaar te delen in plaats van dat het Ministerie van VWS dit zelf verspreidt.
Weer een miljard euro belastinggeld voor Oekraïne |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «EU wil weer 1 miljard euro aan Oekraïne doneren»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat de Europese Unie (EU) ook nog maar een cent van het door hardwerkende Nederlanders opgebrachte belastinggeld misbruikt door het aan de corrupte bananenrepubliek Oekraïne te geven?
Nederland en de EU zijn gebaat bij stabiele buitengrenzen van Europa. Het is daarom in ons belang dat Oekraïne zich verder ontwikkelt tot een welvarend land op basis van een sterke rechtsstaat en democratie. De EU ondersteunt derhalve Oekraïne hierbij.
Het voorstel van de Europese Commissie op 9 maart jl. om een macro financieel assistentieprogramma (MFA) á € 1 miljard voor Oekraïne op te zetten, betreft een lening die in twee tranches uitgekeerd wordt. De Europese Commissie stelt de voorwaarden op voor deze lening in een Memorandum of Understanding (MoU), dat aan de Lidstaten wordt voorgelegd en uiteindelijk moet worden goedgekeurd door de Raad en het Europees parlement. Hoewel Oekraïne in de afgelopen jaren – onder meer als voorwaarde voor de steun van het IMF en de EU – diverse hervormingen heeft doorgevoerd, onder andere op het gebied van corruptiebestrijding, blijven verdere hervormingen in Oekraïne noodzakelijk volgens Nederland, de EU en het IMF. Nederland dringt in bilaterale gesprekken met Oekraïne en in multilaterale fora aan op anti-corruptiehervormingen en zal aandringen op strenge voorwaarden op het gebied van anti-corruptiehervormingen in het MoU.
Bent u bereid tijdens de Raad Algemene Zaken van 20 maart 2018 al aan te geven dat Nederland nooit akkoord zal gaan met deze financiële bijdrage? Zo nee, hoe legt u dat uit aan de hardwerkende Nederlandse belastingbetaler?
Nee. Wat Nederland wel zal doen, is het belang van de onverkorte implementatie van hervormingen in Oekraïne benadrukken en inzetten op strenge voorwaarden waaronder de leningen worden uitgekeerd. Op die manier wordt druk gehouden op het hervormingsproces in Oekraïne.
Hoeveel bewijs heeft u nog nodig voordat u gaat inzien dat Nederland het beste zo snel mogelijk uit de EU moet treden?
Het kabinet vindt het belangrijk dat Nederland lid blijft van de EU en integraal deel uitmaakt van Europa. Dit standpunt is opgenomen in het regeerakkoord en is door MP Rutte op 2 maart jl. bevestigd in zijn speech in Berlijn. Het Commissievoorstel voor een MFA Oekraïne doet aan dit standpunt niets af.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor donderdag 15 maart 2018 om 12.00 uur?
Ja.
De ING als huisbankier van de staat |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe verhoudt de voorgenomen salarisverhoging van ING-topman Hamers zich tot de opvatting van de Nederlandse Staat over beheerst beloningsbeleid?
Het voorstel van de raad van commissarissen van ING was – in mijn ogen – buitensporig en deed daardoor afbreuk aan het proces van herwinnen van het vertrouwen in de financiële sector. Ik vind het verstandig dat de raad van commissarissen gevoelig is geweest voor het moreel appel vanuit de samenleving, het kabinet en uw Kamer. De raad van commissarissen en in het verlengde daarvan de aandeelhouders zijn verantwoordelijk voor het beloningsbeleid en beloningen van bestuurders van financiële ondernemingen. Het is aan de raad van commissarissen van ING om zich daarover te verantwoorden en maatschappelijk draagvlak voor het beloningsbeleid te creëren.
In hoeverre speelde tijdens de gunning aan de ING om de rijksbankrekeningen te beheren maatschappelijk verantwoord ondernemen, waaronder een beheerst en redelijk beloningsbeleid, een rol?
Het betalingsverkeer van de rijksoverheid wordt openbaar aanbesteed en exclusief gegund. Bij de aanbestedingen worden eisen en wensen zorgvuldig opgesteld. Zo wordt geëist dat de banken hun maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO)-beleid jaarlijks extern publiceren. Daarnaast wordt gewenst dat banken hun beloningsbeleid van het bestuur extern en transparant te rapporteren. Deze eisen en wensen zijn eerder met uw Kamer gedeeld in een brief van 17 juni 2015.1 Na afweging van de mate waarin banken aan eisen en wensen kunnen voldoen in combinatie met de aangeboden prijs, kwam ING in de afgelopen jaren bij de diverse aanbestedingen steeds als de beste naar voren.
Voldoet de ING in uw ogen nog aan de criteria voor maatschappelijke betamelijkheid, zeker omdat u de salarisverhoging zelf buitensporig noemde?
Zie antwoord vraag 1.
Onder welke voorwaarden kan het contract met de ING als huisbankier van de Staat worden opgezegd?
Het contract kan zonder voorafgaande rechterlijke tussenkomst voortijdig geheel of gedeeltelijk worden opgezegd indien de huisbankier wegens overmacht zijn verplichtingen niet (meer) kan nakomen, in verzuim is zijn verplichtingen voortvloeiend uit het contract of de aanbestedingsdocumentatie na te komen, of niet langer voldoet aan de kredietwaardigheidsvereisten. Ook kan dit als de huisbankier niet langer onder toezicht staat van een toezichthouder, of in surseance van betaling of in staat van faillissement verkeert.
Bent u bereid, als de ING vasthoudt aan de salarisverhoging, te onderzoeken of de overheid af kan van haar contract met de ING en te kiezen voor een huisbankier die wel normale beloningen voor de top heeft?
In het persbericht van 13 maart 2018 maakte ING bekend dat de raad van commissarissen het voorstel tot salarisverhoging heeft heroverwogen en niet aan de algemene vergadering van aandeelhouders zal voorleggen.2
Daarbij komt dat op grond van de Aanbestedingswet (Aanbestedingswet 2012 art. 1.10 eerste lid) bij het tot stand komen van een overheidsopdracht uitsluitend eisen en wensen kunnen worden opgelegd die in een redelijke verhouding staan tot de opdracht (proportionaliteitsbeginsel). Het stellen van een bezoldigingsmaximum of vergelijkbare eis voldoet niet aan dit beginsel.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de loonsverhoging van de ING-topman?
Op 4 april 2018 heb ik een uitstelbrief naar uw Kamer gestuurd omdat de beantwoording van deze Kamervragen nadere afstemming en onderzoek vergde.
Verhoging van het budget voor betalingen aan veroordeelde Palestijnen |
|
Martijn van Helvert (CDA), Kees van der Staaij (SGP), Bente Becker (VVD) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Palestinians increase payments to Palestinian terrorists»?1
Ja.
Klopt de bewering van het lid van de Knesset Avi Dichter (Likud) dat de autorisatie van het budget van de Palestijnse Autoriteit voor 2018 betekent dat betalingen aan veroordeelde Palestijnen en hun families met $ 56 miljoen toenemen?
Volgens de cijfers die het kabinet tot zijn beschikking heeft zou het gaan om een stijging van ongeveer $ 900.000 ten opzichte van 2017.
Herinnert u zich dat het het kabinet eerder vaststelde dat het verbinden van de lengte van de straf aan de hoogte van de uitkering van alleen de «politieke» gevangenen de indruk wekt dat gewelddadige acties gericht tegen Israël worden ondersteund of beloond en dat dit een perverse prikkel in zich heeft?2 Beaamt u dat de nieuwe verhoging van het budget deze prikkel verder versterkt?
Het kabinet is in principe niet tegen betalingen aan gevangenen en hun families, zolang die transparant zijn en gebaseerd op sociaaleconomische behoefte, niet op de duur van de detentie. (Zie ook antwoorden op vragen gesteld op 10 juli 2017, met kenmerk 2017Z10187). Het kabinet is van mening dat de koppeling tussen de duur van de detentie en de hoogte van de betaling een perverse prikkel kan zijn. De Palestijnse Autoriteit heeft het budget verhoogd vanwege het groeiende aantal Palestijnen dat in gevangenschap zit, die op basis van de huidige regelgeving aanspraak kunnen maken op deze betalingen. Het kabinet is van mening dat dit een extra argument zou moeten zijn voor de Palestijnse Autoriteit om het systeem aan te passen; het zet de slechte financiële positie van de Palestijnse Autoriteit verder onder druk.
Nederland brengt de bezwaren tegen de betalingen aan gevangen consequent naar voren in bilaterale gesprekken met vertegenwoordigers van de Palestijnse Autoriteit en Palestinian Liberation Organisation (PLO). Sinds het begin van dit jaar is dit o.a. gedaan tijdens de het bezoek van toenmalig Minister Zijlstra aan Israël en de Palestijnse Gebieden (zie ook de Kamerbrief d.d. 17 januari jl. met kenmerk 2018Z00205/2018D00449), het bezoek van de mensenrechtenambassadeur aan Israël en de Palestijnse Gebieden en marge van de Ad Hoc Liaison Commitee (AHLC) in Brussel. Het kabinet blijft hierop aandringen, ook in multilateraal verband. Zo heeft Nederland in de VN Veiligheidsraad aangedrongen op verandering van het systeem. Dit zou tevens een van de stappen kunnen zijn die de Palestijnse Autoriteit zelf kan zetten om onderling vertrouwen met Israël te verbeteren.
Hoe is of wordt uitvoering gegeven aan de eerdere toezegging vanuit het kabinet om de Palestijnse Autoriteit continu hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe is of wordt daarnaast uitvoering gegeven aan de toezegging daar in Europees verband meer landen achter te krijgen, de Europese coalitie in dezen te verbreden, en zo echt een vuist te kunnen maken tegen deze praktijk?
In bilateraal overleg met EU-partners en instellingen dringt het kabinet bij de partners aan op het opvoeren van druk op de Palestijnse Autoriteit en de PLO om de betalingen aan gevangenen en hun families voortaan te baseren op sociaaleconomische behoeften en niet langer afhankelijk te maken van de duur van de detentie. Mede dankzij de Nederlandse inspanningen kaarten meerdere EU-lidstaten dit aan bij de Palestijnse Autoriteit. Het blijft echter om een klein aantal lidstaten gaan. Het kabinet zal deze inspanningen blijven voortzetten.
Het tekort aan opvanglocaties voor slachtoffers van geweld achter de voordeur |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tekort aan opvangplekken huiselijk geweld»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de in het artikel gestelde tekort aan opvangplekken?
Het is uiteraard niet goed om te vernemen dat Moviera in een aantal regio’s ervaart dat de druk op de vrouwenopvang groot is. Het is de verantwoordelijkheid van de centrumgemeenten vrouwenopvang om slachtoffers van huiselijk geweld voldoende te ondersteunen met opvang en begeleiding. Ook zijn deze centrumgemeenten verantwoordelijk voor het bevorderen van doorstroom in de vrouwenopvang, bijvoorbeeld door de slachtoffers te begeleiden naar passende woonruimte. Daarbij zijn er meer zaken die aandacht en financiering behoeven. De aanpak van ouderenmishandeling, preventie van huiselijk geweld in het algemeen en kosten voor Veilig Thuis worden ook uit de decentralisatie-uitkering vrouwenopvang betaald. Gemeenten maken daarbij beleidsmatige keuzes die van regio tot regio kunnen verschillen. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Klopt het dat 50 procent van het budget voor bestrijding huiselijk geweld na 2015 in de Randstad is besteed? Zo nee, hoe ziet de verdeling er dan uit?
In 2014 is overeenstemming bereikt over een nieuwe verdeling van de middelen in de decentralisatie-uitkering vrouwenopvang. Werden de middelen voorheen verdeeld op basis van een historisch model, nu gebeurt dit op basis van objectieve criteria die met de vraag naar opvangvoorzieningen samenhangen. Dit leidt tot herverdeeleffecten. Daarom is er voor gekozen de verdeling in drie jaar tijd stapsgewijs in te voeren (vanaf 2015), zodat de gemeenten die er bij de objectieve verdeling op achteruit gaan, zich hierop konden instellen. De nieuwe verdeling betekent inderdaad dat de grote steden er geld bij hebben gekregen en sommige centrumgemeenten buiten de Randstand hebben ingeleverd. Ter illustratie: in 2017 bedroeg de decentralisatie-uitkering vrouwenopvang € 118 miljoen. Hiervan kregen de vier grote steden € 35 miljoen. Dat is dus bijna 30% van de middelen. De verdeling over de 35 centrumgemeenten is te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/circulaires/2017/06/01/vo-model-2017–2022/vo-model+2017–2022+mei17.xlsx.
Kunt u toelichten of er meer steden zijn met dergelijke tekorten?
Op 15 februari jongstleden hebben de wethouders van 22 centrumgemeenten mij een brief gestuurd waarin zij hun zorgen uitspraken over de grote financiële druk op de decentralisatie-uitkering vrouwenopvang, gelet op de opgaven waar zij voor staan. Zie verder het antwoord op vraag 6.
Erkent u de in het bericht gestelde constatering dat er sinds de oprichting van Veilig Thuis meer meldingen van huiselijk geweld zijn?
Landelijk is niet vast te stellen of sinds de oprichting van Veilig Thuis in 2015 er meer meldingen van huiselijk geweld zijn dan daarvoor. Overigens betekent meer meldingen niet automatisch dat de vraag naar opvangvoorzieningen stijgt. Afhankelijk van de situatie hebben de centrumgemeenten en de hulpverlening verschillende instrumenten in handen om huiselijk geweld aan te pakken. Bij zeer ernstige gevallen, de zogenaamde code rood situaties, is opvang noodzakelijk (soms zelfs buiten de eigen regio). Daarnaast kan ambulante hulpverlening worden aangeboden of een interventieteam worden ingezet. Ook kan de burgermeester een tijdelijk huisverbod opleggen.
Deelt u de opvatting dat er meer geld naar bestrijding huiselijk geweld moet, om de tekorten zo snel mogelijk weg te werken? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u hiertoe? Zo nee, wat is volgens u een passende oplossing?
In de maartcirculaire gemeentefonds2 is uw Kamer op 20 maart jongstleden geïnformeerd over een toevoeging van middelen vanuit de algemene uitkering naar de decentralisatie-uitkering vrouwenopvang voor de intensivering van de taken van Veilig Thuis naar aanleiding van de aanscherping meldcode en de radarfunctie Veilig Thuis. De middelen komen daarmee terecht bij de gemeenten die de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling vormgeven. Veilig Thuis maakt hier deel van uit. Het gaat om een bedrag van € 11.9 miljoen in 2018 oplopend tot € 38.6 miljoen structureel vanaf 2021.
Bent u bereid de laatste stand van zaken van de door u in het leven geroepen commissie die werkt aan oplossingen te delen? Zo nee, op welke termijn wel?
Eerder heb ik aangekondigd de gemeenten en de vrouwenopvanginstellingen inhoudelijk te willen ondersteunen bij het oplossen van de gesignaleerde knelpunten door het toezicht sociaal domein / samenwerkend toezicht jeugd (mei 2017) en de Nationale ombudsman (juni 2017)3. We zijn aan de slag gegaan samen met SZW en de VNG en zullen u in het najaar van dit jaar informeren over de voortgang.
Onnodige regeldruk voor vrijwillige verkeersregelaars |
|
Chris van Dam (CDA), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op de schriftelijke vragen over de voorgenomen wijziging van de Regeling verkeersregelaars?1
Ja.
Kent u het bericht van RtV Katwijk waarin wordt gesteld dat door steeds strengere eisen voor vrijwilligers het steeds moeilijker wordt om genoeg vrijwilligers te werven?2
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat artikel 9, tweede lid, van de Regeling verkeersregelaars 2009 ervoor zorgt dat vrijwilligers elke twaalf maanden een «e-learning» moeten volgen en dat hierdoor voor de verkeersregelaars een zeer streng regime wordt neergezet, terwijl bijvoorbeeld de bezitter van een rijbewijs nooit aan bijscholing hoeft te doen? Bent u bekend met het feit dat deze jaarlijkse eis al jaren bestaande evenementen, zoals het bloemencorso in de Bollenstreek, ernstig in problemen brengt bij het vinden van geschikte vrijwilligers? Bent u bereid deze termijn te wijzigen om vrijwilligers te ontlasten? Zo nee, waarom niet?
De eisen aan evenementenverkeersregelaars zijn met ingang van 1 oktober 2017 vereenvoudigd. Met name de aanstelling voor 1 jaar levert hieraan een belangrijke bijdrage. Voorheen kwam het veelvuldig voor dat evenementenverkeersregelaars per evenement aangesteld moesten worden en een instructie moesten volgen. Nu moeten ze maximaal eenmaal per jaar de eenvoudige e-instructie volgen om het laagdrempelig te houden. De uitvoeringspraktijk dat de meeste evenementenverkeersregelaars slechts een paar keer per jaar worden ingezet, in combinatie met een beperkte tijdsinvestering voor de e-instructie, heeft vanuit de verkeersveiligheid geleid tot de eis om deze instructie jaarlijks te herhalen. De afweging is zeker gemaakt om deze periode op te rekken, maar daar is onvoldoende onderbouwing voor gevonden. Van elke keer naar eenmaal per jaar is al een grote vooruitgang en de kwaliteit kan zo wel gewaarborgd blijven.
Vanuit de grote organisatoren en NOC*NSF is aangedrongen op het beter benutten van verkeersregelaars door organisatoren. Er is daartoe een zogenaamde poolfunctie voor organisatoren ontwikkeld om deze tekorten te helpen verminderen. Inmiddels maken steeds meer evenementenverkeersregelaars gebruik van de functie om hun voorkeur voor inzet aan te geven na afronding van de e-instructie. Organisatoren kunnen zo ook door voor hen niet bekende verkeersregelaars worden benaderd voor inzet.
Herkent u het beeld dat blijkt uit het bericht van RtV Katwijk dat organisatoren van evenementen vaak kort voor het plaatsvinden van een evenement nog te maken krijgen met aanvullende eisen (bijvoorbeeld inzet van professionele verkeersregelaars) vanuit een gemeente terwijl dit tot hoge kosten leidt? Welke «best practices» bestaan vanuit gemeenten om dit te voorkomen?
De gemeente bepaalt de noodzaak voor verkeersregelend optreden bij evenementen. Evenementenverkeersregelaars mogen alleen worden belast met eenvoudige verkeersregelende taken. De overweging van inzet van professionele of evenementenverkeersregelaars is een gemeentelijke afweging.
De VNG ondersteunt gemeenten met handleidingen en uitwisseling van praktijkervaringen bij de aanstelling van benodigde verkeersregelaars en eventuele vergunningverlening voor het evenement.
Welke vooruitgang is er geboekt in de samenwerking tussen de politie en NOC*NSF om tot administratieve optimalisatie te komen in het licht van gezamenlijke voorbereiding en besluitvorming voor de benodigde besluiten conform de daarvoor in afdeling 3.4.3 (samenhangende besluiten) van de Algemene wet bestuursrecht voorziene procedure?
Het is aan de bij het evenement betrokken gemeenten om de benodigde besluiten af te stemmen en optimaliseren. De regelgeving biedt hiertoe de ruimte en VNG wijst op de mogelijkheid daartoe. Uit navraag van VNG blijkt dat verschillende gemeenten een dergelijke optimalisatie hebben geregeld.
In hoeverre is er in overleg met betrokkenen vooruitgang geboekt met het zoeken naar een pragmatische oplossing voor het probleem dat begeleidende motards van een evenement geen hesje verkeersregelaar mogen dragen en alleen staand naast de motor een verkeerssignaal mogen geven?
Het geven van aanwijzingen vanaf of vanuit een motorrijtuig is niet te aan te merken als een eenvoudige verkeersregelende taak. De bekwaamheidseisen die de uitvoering van deze complexe taak vergt, zijn niet verenigbaar met de eenvoudige taken van evenementenverkeersregelaars op een vaste locatie. Het geven van aanwijzingen aan het verkeer vanuit een motorrijtuig is voorbehouden aan bevoegde weginspecteurs en professionele transportbegeleiders.
Schimmelhuizen in de Venserpolder Zuidoost en de buurt van de Alexander Dumaslaan tot en met de Dickenslaan, Amsterdam |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
|
|
|
|
|
|
Weet u dat er huurders zijn in de Venserpolder Zuidoost en de buurt van de Alexander Dumaslaan tot en met de Dickenslaan in Amsterdam die langdurig in beschimmelde woningen wonen?
Wat vindt u ervan dat de verhuurder niets of niet voldoende doet aan deze ongezonde woonsituatie?
Bent u bereid de directie van de woningcorporatie aan te spreken op de wijze waarop zij huurders in de steek laat en bent u bereid op zo kort mogelijke termijn oplossingen na te streven?
Deelt u de mening dat – indien de Huurcommissie huurverlaging toekent aan de huurder als gevolg van schimmel of achterstallig onderhoud aan de woning – het logisch is om huurders op grond van die uitspaak het recht te geven om het opknappen en oplossen van de schimmel te eisen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vindt u ook in dit geval dat het «gelet op de mogelijke gezondheidsrisico’s die daarmee kunnen samenhangen, onwenselijk is als vocht- en schimmelproblemen of andere ernstige gebreken aan een woning niet voortvarend worden verholpen», zoals u eerder heeft aangegeven?1 Zo ja, bent u bereid om bewoners die mogelijk gezondheidsrisico’s lopen bij te staan?
Deelt u de mening dat het efficiënter en voortvarender is als uw ministerie zelf grootschalig onderzoek doet naar de schaal waarop er in Nederland schimmelwoningen en achterstallig onderhoud is en dat u op grond daarvan met een landelijk actieplan komt om het opknappen en gezond maken van woningen te stimuleren?
Schimmelhuizen in de Indische buurt, Zwijndrecht |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
|
|
|
|
|
|
Weet u dat er huurders zijn in de Indische buurt in Zwijndrecht die langdurig in beschimmelde woningen wonen?
Wat vindt u ervan dat woningcorporatie Woonkracht 10 niets of niet voldoende doet aan deze ongezonde woonsituatie?
Bent u bereid de directie van deze woningcorporatie aan te spreken op de wijze waarop zij huurders in de steek laat en bent u bereid op zo kort mogelijke termijn oplossingen na te streven?
Deelt u de mening dat – indien de Huurcommissie huurverlaging toekent aan de huurder als gevolg van schimmel of achterstallig onderhoud aan de woning – het logisch is om huurders op grond van die uitspaak het recht te geven om het opknappen en oplossen van de schimmelproblematiek te eisen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vindt u ook in dit geval dat het «gelet op de mogelijke gezondheidsrisico’s die daarmee kunnen samenhangen, onwenselijk is als vocht- en schimmelproblemen of andere ernstige gebreken aan een woning niet voortvarend worden verholpen», zoals u eerder heeft aangegeven?1 Zo ja, bent u bereid om bewoners die mogelijk gezondheidsrisico’s lopen bij te staan?
Deelt u de mening dat het efficiënter en voortvarender is als uw ministerie zelf grootschalig onderzoek doet naar de schaal waarop er in Nederland schimmelwoningen en achterstallig onderhoud is, en dat u op grond daarvan met een landelijk actieplan komt om het opknappen en gezond maken van woningen te stimuleren?
De invloed van de fossiele industrie op de inhoud van het onderwijs |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nascholing voor docenten door Shell»?1
Ja.
Deelt u de mening dat bij nascholingen zoals deze het risico bestaat dat de fossiele bedrijfsbelangen van Shell doorsijpelen naar de inhoud van het onderwijs? Zo nee, waarom niet?
De grondwettelijke vrijheid van onderwijs impliceert dat scholen zelf kiezen hoe zij (na)scholing van leerkrachten inrichten. Het is aan leerkrachten, schoolleiders en schoolbesturen om hierin een afweging te maken en kritisch naar het nascholingsaanbod te kijken.
Kent u het bericht «Gaat de duurzaamheidslobby in het klaslokaal te ver?»2
Ja.
Deelt u de, in het artikel geuite zorgen over de invloed van de fossiele industrie op het onderwijs? Zo nee, waarom niet?
De school is verantwoordelijk voor de kwaliteit en inhoud van het onderwijs. Daaronder valt ook het sponsorbeleid van de school. De medezeggenschapsraad moet instemmen met dit sponsorbeleid. Daarbij moet het gesponsorde materiaal voldoen aan het convenant «Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring». Een van de uitgangspunten van het convenant is dat samenwerking tussen scholen en bedrijven ten goede komt aan het leer- en ontwikkelingsproces van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs.
In alle gevallen geldt dat scholen en andere onderwijsinstellingen zelf verantwoordelijk zijn voor het maken van afwegingen voor het onderhouden van banden met het bedrijfsleven en over het gebruik van lesmateriaal dat wordt aangeboden vanuit het bedrijfsleven of maatschappelijke organisaties. Zij maken daarmee dus ook zelf een inschatting van eventuele risico’s die hieraan zijn verbonden.
Deelt u de mening dat lesstof in het algemeen geen achterhaalde informatie zou mogen bevatten?
Wij vinden het belangrijk dat leerlingen het best mogelijke onderwijs krijgen, ondersteund door leermiddelen die de feiten juist weergeven.
Deelt u de mening dat stellingen als «Het lijkt erop alsof het steeds warmer wordt. Sommige wetenschappers denken dat het de schuld is van de mensen» geen recht doen aan de urgentie van- en wetenschappelijke consensus over het klimaatprobleem anno 2018? Zo nee, waarom niet?
Scholen bepalen zelf hoe zij hun onderwijs inrichten en welke methodes zij daarbij gebruiken. Het is niet aan de regering om (specifieke passages in) lespakketten te beoordelen. Als u vraagt naar het standpunt ten aanzien van het klimaat, dan onderschrijft de regering – als ondertekenaar van het klimaatakkoord van Parijs – de wetenschappelijke consensus hierover.
Deelt u de mening dat bedrijven met belangen die schadelijk zijn voor kinderen geen invloed zouden mogen hebben op de inhoud van het onderwijs en de curriculumherziening? Zo nee, waarom niet?
De school is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs, het schoolbeleid en voor de naleving van wet- en regelgeving. Daaronder valt ook het sponsorbeleid van de school. In het convenant «Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring» is onder meer afgesproken dat sponsoring de objectiviteit, de geloofwaardigheid, de betrouwbaarheid en de onafhankelijkheid van het onderwijs, de scholen en de daarbij betrokkenen niet in gevaar mag brengen (artikel 4). Ook mag in lesmateriaal en leermiddelen geen (impliciete) reclame voorkomen en mag daarin geen sprake zijn van onvolledige of subjectieve informatie. Het materiaal mag leerlingen niet stimuleren tot een ongezonde leefstijl of gevaarlijke activiteiten (artikel 5). Zie voorts het antwoord op vraag 2 en 4. In het antwoord op vraag 10 wordt ingegaan op de curriculumherziening.
Deelt u de mening dat de belangen van de fossiele industrie, evenals die van de tabaksindustrie en de fastfoodindustrie, tegengesteld zijn aan de belangen van kinderen, zijnde een duurzaam leefbare aarde? Zo nee, waarom niet?
Zie de antwoorden op vragen 2 en 7.
Deelt u de mening dat het onderwijs vrij zou moeten blijven van door het fossiele bedrijfsleven ingestoken lespakketten, zoals Shell’s met een lobbyprijs bekroonde kinderfestival Generation Discover, de door NAM gesponsorde lesopdracht te zoeken naar geschikte boorlocaties of de deels door Shell, NAM, Gasunie, NOGEPA en Schiphol aangeleverde inhoud van de Bosatlas van de energie?3 4 5 6 7 Zo nee, waarom niet?
Scholen beslissen zelf of zij gebruik maken van door het bedrijfsleven aangeleverde lespakketten. De lespakketten van bedrijven moeten in lijn zijn met het convenant sponsoring. In het convenant staan duidelijke eisen waar het lesmateriaal aan moet voldoen. Zie ook de antwoorden op vragen 2 en 7.
Kunt u een zo uitputtend mogelijk overzicht verschaffen van de bedrijven en hun vertegenwoordigers die, bijvoorbeeld in het Techniekpact 2020, Curriculum.nu of via overige routes meepraten over of invloed uitoefenen op de inhoud van het techniekonderwijs, zowel in het primair onderwijs als in het voortgezet onderwijs?
Binnen het Techniekpact 2020 wordt gewerkt aan het bereiken van twaalf doelen. Het eerste doel: «Basisscholen bieden in 2020 structureel W&T aan» gaat over de inhoud van techniekonderwijs. Hierbij gaat het om techniekonderwijs in brede zin, zodat iedere leerling een vaste basis aan kennis en vaardigheden verkrijgt. Over de inhoud van het techniekonderwijs in het primair en voortgezet onderwijs wordt onder andere gesproken met Jet-Net en TechNet waarbinnen meer dan 3.000 bedrijven, samen met een honderdtal scholen, gezamenlijk vorm geven aan het techniekonderwijs.
Binnen Curriculum.nu, de integrale actualisatie van het curriculum voor het po en vo, zijn ontwikkelteams bestaande uit leraren en schoolleiders begonnen met het ontwikkelen van bouwstenen, onder andere voor het leergebied Mens & Natuur. Techniekonderwijs valt binnen dit leergebied. De eerder genoemde organisaties verenigd in Jet-Net en TechNet kunnen in de openbare consultatierondes vakinhoudelijk commentaar geven, net als iedere andere organisatie of persoon dit via deze rondes kan doen. De processen van curriculum.nu zijn transparant en de feedback wordt op de website openbaar gemaakt. Op de website van curriculum.nu zijn spelregels gepubliceerd voor het leveren van feedback. Daarin is onder andere opgenomen dat anoniem aangeleverde feedback niet wordt meegenomen door de ontwikkelteams.
Bent u bereid om de opstellers van de nog komende voortgangsrapportages van het Techniekpact 2020 te vragen extra aandacht te besteden aan het reële risico dat de invloed van fossiele bedrijven groter wordt dan redelijkerwijs wenselijk kan worden geacht vanuit het oogpunt van een duurzame toekomst? Zo nee, waarom niet?
De voortgangsrapportage van het Techniekpact 2020 geeft een beeld van de voortgang in het bereiken van de 12 doelen van het Techniekpact. Het schetst hoe vanaf het basisonderwijs tot op de arbeidsmarkt de betrokken partijen zich inzetten om de ambities van het Techniekpact waar te maken. Die ambities zijn er juist op gericht om -met voldoende en goed opgeleide technici- een bijdrage te kunnen leveren aan duurzame economische groei.8 De bijdrage van individuele bedrijven wordt hier niet in meegenomen. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid om schooldirecties, leraren, leerlingen, ouders en/of ontwikkelaars en uitgevers van lesmateriaal te waarschuwen voor verstopte belangen van de fossiele industrie in door het bedrijfsleven aangeleverde lesmaterialen? Zo nee, waarom niet? En zo nee, wilt u de uit deze vragen blijkende waarschuwing ter harte nemen?
Ik zal de brochure van het convenant «Spelregels sponsoring op scholen» nogmaals bij scholen onder de aandacht brengen via de digitale nieuwsbrieven van OCW.
Schimmelhuizen in het Gloriantplantsoen, Gouda |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
|
|
|
|
|
|
Weet u dat er huurders zijn in het Gloriantplantsoen in Gouda die langdurig in beschimmelde woningen wonen?
Wat vindt u ervan dat woningcorporatie Mozaïek Wonen niets of niet voldoende doet aan deze ongezonde woonsituatie?
Bent u bereid de directie van deze woningcorporatie aan te spreken op de wijze waarop zij huurders in de steek laten en om op zo kort mogelijke termijn oplossingen na te streven?
Deelt u de mening dat – indien de Huurcommissie huurverlaging toekent aan de huurder als gevolg van schimmel of achterstallig onderhoud aan de woning – het logisch is om huurders op grond van die uitspaak het recht te geven om het opknappen en oplossen van de schimmelproblematiek te eisen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vindt u ook in dit geval dat het «gelet op de mogelijke gezondheidsrisico’s die daarmee kunnen samenhangen, onwenselijk is als vocht- en schimmelproblemen of andere ernstige gebreken aan een woning niet voortvarend worden verholpen», zoals u eerder heeft aangegeven?1 Zo ja, bent u bereid om bewoners die mogelijk gezondheidsrisico’s lopen bij te staan?
Deelt u de mening dat het efficiënter en voortvarender is als uw ministerie zelf grootschalig onderzoek doet naar de schaal waarop er in Nederland schimmelwoningen en achterstallig onderhoud is, en dat u op grond daarvan met een landelijk actieplan komt om het opknappen en gezond maken van woningen te stimuleren?
Het bericht dat ggz-instelling Parnassia ondanks kritiek nog groter mag worden |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u voorstander van de op handen zijnde fusie tussen ggz-instelling Parnassia en Virenze?1
Ik ben geen voor- of tegenstander van fusies in zijn algemeenheid. Fusies kunnen zinvol zijn als de betaalbaarheid, kwaliteit en toegankelijkheid van zorg wordt verbeterd of de continuïteit van zorg hierdoor gewaarborgd blijft. Fusies kunnen ook nadelige gevolgen hebben zoals minder keuze voor de patiënt of hogere prijzen. Het is niet aan mij maar aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) om, als onafhankelijk toezichthouders, fusievoornemens te beoordelen op grond van de wettelijke kaders.
Acht u de uitbreiding van Parnassia, reeds de grootste ggz-instelling van het land, in het belang van de patiënt?
Zie antwoord vraag 1.
Horen zorggiganten van enorme omvang volgens u thuis in de zorg? Hoe past dit bij de doelstelling om zorg dichter bij huis te organiseren? Kunt u dit toelichten?
Voor mij staat voorop dat de zorg betaalbaar, toegankelijk en van een goede kwaliteit is. Het zorgaanbod moet daarbij passen. De omvang van een organisatie is niet allesbepalend voor de manier waarop de zorg wordt geleverd. Ook grote organisaties kunnen zorg kleinschalig en dicht bij huis organiseren.
Wat betekent de uitbreiding van Parnassia voor de interne bedrijfsvoering en de toegankelijkheid van ggz in de regio?
Parnassia heeft mij laten weten dat met betrekking tot de interne bedrijfsvoering de vestigingen van Virenze worden aangesloten op de systemen en werkwijze van Parnassia. Voor wat betreft de toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorg (ggz) in de regio is de overname van Virenze juist bedoeld om de toegankelijkheid van zorg te waarborgen.
Wie toetst of de fusie tussen Parnassia en Virenze in het belang van de patiënt is?
Het fusietoezicht is wettelijk belegd bij de NZa en de ACM. Met de zorgspecifieke fusietoets toetst de NZa op de continuïteit van cruciale zorg en op de zorgvuldige betrokkenheid van cliënten, medewerkers en andere betrokken partijen. Partijen moeten in dat verband een effectrapportage indienen die inzicht biedt in onder meer de redenen van concentratie, de financiële gevolgen, de gevolgen voor de cliënt en mogelijke risico’s. Met het concentratietoezicht op grond van de Mededingingswet toetst de ACM op de mededinging. In haar toets kijkt de ACM of er na een fusie voldoende keuzemogelijkheden overblijven voor patiënten en zorgverzekeraars.
Is het reëel dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) een fusie tegenhoudt, gezien het feit dat dit zeer zelden gebeurt?2
De ACM toetst voorgenomen fusies, voor zover die onder de reikwijdte van de toets vallen, op grond van de Mededingingswet. Over de uitkomst van deze toets zijn op voorhand geen uitspraken te doen. Tot op heden heeft de ACM twee fusies in de zorg verboden en is een aantal zorgfusies onder voorwaarden goedgekeurd. Daarnaast heeft een aantal zorgaanbieders hun melding ingetrokken vanwege initiële bezwaren van de ACM.
Specifiek op het terrein van ziekenhuisfusies heeft de ACM, mede naar aanleiding van de uitkomsten van twee studies naar de gevolgen van ziekenhuisfusies op de prijs en kwaliteit van zorg en ontwikkelingen in de markt, eind vorig jaar aangegeven verscherpte aandacht te hebben voor de concurrentierisico’s.3 Dat betekent dat de ACM mogelijk vaker mededingingsproblemen zal constateren en ziekenhuisfusies mogelijk eerder zal verbieden.
Welke oorzaken liggen volgens u ten grondslag aan de fusiedrift van Parnassia?
Parnassia heeft mij laten weten dat zorginhoudelijke redenen voor hen doorslaggevend zijn bij de beslissing om te fuseren of een zorgaanbieder over te nemen. Het gaat volgens Parnassia om schaalvoordelen en daarmee te behalen doelmatigheidswinst, om het waarborgen van de continuïteit van zorg voor patiënten of om kwaliteitsargumenten.
Welke rol spelen zorgverzekeraars in de totstandkoming van fusies, aangezien zorgaanbieders mogelijkheden zoeken om een tegenwicht te bieden aan de macht van zorgverzekeraars?
Zorgverzekeraars hebben als inkopers van zorg een belangrijke rol in het zorgstelsel. Bij de beoordeling van fusies weegt de ACM het standpunt van zorgverzekeraars dan ook mee in haar oordeel. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat machtsverhoudingen in de zorg sterk per sector kunnen verschillen en dat er in veel sectoren, waaronder de tweedelijns-ggz, juist sprake is van (een risico op) machtsonevenwichtigheden ten faveure van zorgaanbieders.4 Het is dus niet zo dat zorgaanbieders in zijn algemeenheid tegenwicht moeten bieden aan de macht van zorgverzekeraars. Ook hebben zorgaanbieders vaak andere overwegingen om te willen fuseren bijvoorbeeld op het gebied van kwaliteit of continuïteit van zorg.
In hoeverre gaan de conclusies uit het ACM rapport over ziekenhuisfusies, waarin betoogt wordt dat de prijzen stijgen na ziekenhuisfusies, ook op voor ggz-instellingen? Wanneer dit niet bekend is, bent u bereid hier onderzoek naar te laten doen? Zo nee, waarom niet?3
Volgens de ACM kunnen de conclusies uit haar studie naar de prijs- en volume-effecten van ziekenhuisfusies niet één op één worden vertaald naar de ggz. De ziekenhuissector en de ggz verschillen in onder meer regulering en context. Zo gelden er in de ggz maximumtarieven terwijl in de ziekenhuissector het merendeel van de prijzen vrij onderhandelbaar is. Ik zie geen aanleiding onderzoek te laten doen naar de effecten van fusies tussen ggz-instellingen op de prijzen. Het is niet aan mij maar aan de ACM om fusies te toetsen en daarbij rekening te houden met de kenmerken van de zorgsector en het risico op onder meer prijsstijgingen in te schatten. Daarnaast bevat de Marktscan ggz van de NZa een beschrijving van de ontwikkelingen rondom uitgaven aan de ggz, het aantal en soort zorgaanbieders en prijsontwikkeling in de ggz.6
Hoe groot acht u het risico dat de fusie tussen Parnassia en Virenze valt onder de 85% van de zorgfusies die mislukken, zoals onderzocht is door Hoogleraar Hans Schenk? Kunt u dit toelichten?4
Het fusievoornemen tussen Parnassia en Virenze ligt momenteel ter beoordeling voor bij de ACM. Pas na deze toetsing kan een eventuele fusie doorgang vinden. Ik kan niet beoordelen wanneer (voorgenomen) fusies «mislukken».
Zal Parnassia na de fusie de 150 medewerkers van Virenze, die door het faillisement hun baan zijn kwijtgeraakt, weer in dienst nemen?5
Parnassia heeft mij laten weten dat er met de curator van Virenze afspraken zijn gemaakt over de overname van personeel. Overigens wordt volgens mijn informatie een deel van de zorg van Virenze overgenomen door de organisatie «MET ggz». Parnassia heeft mij laten weten dat partijen gezamenlijk ongeveer 320 fte personeel overnemen.
Schimmelhuizen in Casimir State, Arnhem |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
|
|
|
|
|
|
Weet u dat er huurders zijn in Casimir State in Arnhem die langdurig in beschimmelde woningen wonen?
Wat vindt u ervan dat woningcorporatie Vivare niet voldoende doet aan deze ongezonde woonsituatie?
Bent u bereid de directie van deze woningcorporatie aan te spreken op de wijze waarop zij huurders in de steek laat en bent u bereid op zo kort mogelijke termijn oplossingen na te streven?
Deelt u de mening dat – indien de Huurcommissie huurverlaging toekent aan de huurder als gevolg van schimmel of achterstallig onderhoud aan de woning – het logisch is om huurders op grond van die uitspaak het recht te geven om het opknappen en oplossen van de schimmelproblematiek te eisen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vindt u ook in dit geval dat het «gelet op de mogelijke gezondheidsrisico’s die daarmee kunnen samenhangen, onwenselijk is als vocht- en schimmelproblemen of andere ernstige gebreken aan een woning niet voortvarend worden verholpen», zoals u eerder heeft aangegeven?1 Zo ja, bent u bereid om bewoners die mogelijk gezondheidsrisico’s lopen bij te staan?
Deelt u de mening dat het efficiënter en voortvarender is als uw ministerie zelf grootschalig onderzoek doet naar de schaal waarop er in Nederland schimmelwoningen en achterstallig onderhoud is, en dat u op grond daarvan met een landelijk actieplan komt om het opknappen en gezond maken van woningen te stimuleren?
Gestolen politie-uniformen |
|
Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Uniformen van politie Utrecht gestolen»?1
Ja.
Klopt het dat de politie straatuniformen is kwijtgeraakt door diefstal uit een bestelbusje van een pakketbezorger? Zijn de uniformen inmiddels alweer terecht?
Inmiddels is alle politiekleding in deze zaak teruggevonden. Ik kan geen verdere uitspraken doen over het lopende onderzoek hiernaar.
Zijn de gestolen uniformen op enige wijze, bijvoorbeeld door de NAW-gegevens, te herleiden tot de politieagenten voor wie de uniformen bedoeld zijn? Zo ja, acht u dit risicovol?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak zijn er de afgelopen jaren politie-uniformen en/of uitrustingstukken van de politie niet op de bestemde plekken gearriveerd dan wel in handen van onbevoegden geraakt?
Diefstal van politiekleding wordt niet geregistreerd onder een aparte code. Ik kan daarom geen cijfers van voorgaande jaren overleggen.
Hoe duidt u het feit dat politie-uniformen per post naar de privéadressen van agenten worden verstuurd?
Het is van essentieel belang dat pakketten met politie-uniformen en/of uitrustingstukken zorgvuldig en veilig worden verzonden. Met het oog hierop worden sinds 1 juli 2017 politie-uniformen en/of uitrustingstukken door beveiligd transport met een Track & Trace-systeem bezorgd bij medewerkers thuis of op een politielocatie. Dit is een pilot voor tenminste 1 jaar. Gedurende de pilot wordt deze wijze van bezorging geëvalueerd.
In deze pilot is het de keuze van de politiemedewerker om het pakket af te laten leveren op het huisadres, of om het pakket op een politielocatie te laten bezorgen. In beide gevallen gaat het om beveiligd transport.
De pakketten zijn aan de buitenkant niet herkenbaar als politiepakketten.
Zijn gestolen uniformen en/of uitrustingstukken op enigerlei wijze te herleiden tot de politieagenten voor wie oorspronkelijk deze bedoeld zijn? Klopt het dat pakketbezorgers door het verzenden van politie-uniformen naar privéadressen van agenten beschikking hebben over de NAW-gegevens van politieagenten? Zo ja, hoe duidt u dit? Wat vinden politieagenten hier zelf van? Zo nee, op welke wijze is bescherming van de privégegevens gewaarborgd?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat er een zeker risico ontstaat wanneer dergelijke uniformen kwijtraken in de post en gegevens van agenten in verkeerde handen kunnen vallen? Zo ja, ziet u andere mogelijkheden om uniformen aan politieagenten, zonder verstrekking van dergelijke gegevens, te doen toekomen? Bent u bereid onderzoek uit te voeren om de risico’s rondom afleverprocessen van politie-uniformen te verminderen, bijvoorbeeld met behulp van track en trace-technologie?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat in maart een nieuwe aanbesteding plaatsvindt inzake politie-uniformen? Bent u bereid daarbij naar alternatieve mogelijkheden van verzending te kijken, bijvoorbeeld via het politiebureau of op andere wijze?
Er vindt geen nieuwe aanbesteding plaats voor de verzending van politie-uniformen. De politie zal aan de hand van de resultaten van de pilot besluiten hoe zij verder gaat met de bezorging van politiekleding.