Het bericht dat het aantal jonggehandicapten zonder uitkering snel stijgt |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Ken u het bericht dat het aantal jonggehandicapten zonder uitkering snel stijgt?1
Kent u het bericht dat het aantal jonggehandicapten zonder uitkering snel stijgt2
Ja.
Is de stijging van het aantal jonggehandicapten zonder baan en zonder uitkering inderdaad een gevolg van de Participatiewet? Deelt u de mening dat zit zeer onwenselijk is?
Ik vind het ontzettend belangrijk dat ook jonggehandicapten die kunnen werken, kans hebben op werk en dat ze daarbij ondersteuning krijgen. Werk betekent namelijk veel. En ook jonggehandicapten kunnen veel betekenen voor werkgevers. Ik ben dan ook blij dat scholen, gemeenten, ouders en begeleiders, met ondersteuning van het Rijk, zich er volop voor inzetten om te zorgen dat jongeren die extra begeleiding nodig hebben als ze de arbeidsmarkt op komen, niet uit het oog worden verloren. Bij de beantwoording van vraag 5 hier onder leest u meer over de ondernomen acties. Eerst de huidige situatie die aanleiding zijn voor uw vragen:
Uit de rapportage van Toezicht Sociaal Domein (TSD) waaraan het artikel in de Volkskrant refereert blijkt dat het aantal jongeren dat aan het werk gaat vanuit VSO-/Pro-/MBO-Entree-onderwijs in 2016 t.o.v. 2014 is gestegen. Dat geldt voor alle drie de onderwijstypen. Vooral de jongeren in het praktijkonderwijs vinden de laatste jaren makkelijker een baan. Uit recent onderzoek van SEO blijkt dat 18-jarige jonggehandicapten als gevolg van de Participatiewet iets vaker een baan vinden dan vroeger onder de Wajong. Dat is dus goed nieuws.3
Uit de cijfers van TSD blijkt een groei in het aantal schoolverlaters dat geen werk en ook geen uitkering heeft. 3.900 personen hadden in 2016 3 maanden na uitstroom uit het onderwijs geen werk of uitkering (32% van de schoolverlaters). Dat is een groei van 400 personen t.o.v. 2014.
Het is van belang dat deze jongeren niet thuiszitten en geholpen worden om aan het werk te gaan. Deze groep kan een beroep doen op gemeenten voor arbeidsondersteuning, ook als ze geen uitkering ontvangen. Uit onderzoek blijkt dat gemeenten Vso/Pro-schoolverlaters, met en zonder uitkering, goed in beeld hebben en dat er geïnvesteerd wordt in de arbeidsondersteuning van deze groep. Uit ervaringsonderzoek onder cliënten blijkt dat een derde van de jongeren met een arbeidsbeperking en uitkering Participatiewet aangeeft arbeidsondersteuning te hebben ontvangen. Voor de niet-uitkeringsontvangers in deze groep was dit een kwart. Dit is meer dan de helft van de niet-uitkeringsgerechtigden met een arbeidsbeperking die aangeklopt hebben bij de gemeenten voor ondersteuning.4
Deelt u de mening dat de economische zelfstandigheid van gehandicapte jongeren tot 27 jaar op deze manier ondergraven wordt?
Nee, zie antwoord op vraag 2. Er komen meer jongeren aan het werk en zij kunnen een beroep doen op gemeenten voor arbeidsondersteuning.
Waarom slagen gemeenten er niet in om deze groep aan het werk te helpen? Wordt hier meer onderzoek naar gedaan?
Gezien de onderzoeken genoemd in mijn antwoord op vraag 2 deel ik die mening niet. We weten dat gemeenten investeren in de arbeidsondersteuning aan jongeren met een arbeidsbeperking en arbeidsvermogen en dat deze jongeren vaker een baan vinden. Uit cliëntenonderzoek blijkt ook dat de meerderheid van de jonggehandicapten zonder uitkering die geholpen is de ondersteuning zinvol vond en van mening is dat de kans op werk erdoor is toegenomen. Uit onderzoek van o.a. de Inspectie SZW blijkt wel dat jongeren die na werk weer uitvallen en schoolverlaters met een arbeidsbeperking die niet afkomstig zijn van Vso/Pro scholen, minder goed in beeld zijn en daardoor niet de ondersteuning krijgen die zij nodig hebben om aan het werk te komen, en waar zij wel bij gemeenten een beroep op kunnen doen.
Welke maatregelen gaat u nemen om te zorgen dat jonggehandicapten alsnog geholpen worden door de gemeenten?
Uit mijn antwoord op vraag 4 blijkt dat vooral jongeren die niet afkomstig zijn van Vso/Pro scholen en jongeren die na werk weer uitvallen minder goed in beeld zijn bij gemeenten. In de brief aan uw Kamer in december 2017 over de uitvoering Participatiewet heb ik al gewezen op de belangrijke rol van de regionale meld- en coördinatiefunctie van gemeenten (RMC’s) bij het in beeld krijgen van deze groep tot 23 jaar. Om jongeren tot 23 jaar die geen startkwalificatie hebben in beeld te brengen, zijn de betrokken wethouders gevraagd om met elkaar afspraken te maken over de samenwerking tussen de RMC’s en de diensten Werk en Inkomen. Deze afspraken zijn opgenomen in het vierjarige regionale programma voortijdig schoolverlaten.
Ook is in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en op verzoek van gemeenten een functionaliteit ontwikkeld waarmee gemeenten via bestandskoppelingen maandelijks geleverd krijgen welke jongeren van 23–27 jaar geen startkwalificatie hebben, niet staan ingeschreven in het onderwijs, niet werken en geen uitkering ontvangen. Gemeenten kunnen deze jongeren benaderen en een leerwerk-traject aanbieden op grond van de Participatiewet. In maart, april en mei 2018 hebben 19 gemeenten de functionaliteit getest. De eerste ervaringen zijn positief en daarom kunnen ook alle andere gemeenten aansluiten. Gemeenten zijn geïnformeerd over de aanmeldprocedure, o.a. via «Gemeentenieuws van SZW» en regionale contactpersonen van SZW en OCW.
Via het project Ingeschakeld ondersteunen en stimuleren we vanaf september 2017 ook de samenwerking tussen werkgevers, scholen en gemeenten. Door succesvolle voorbeelden van samenwerking te verzamelen en breed onder de aandacht te brengen. En door concreet aan de slag te gaan in de regio om werkgevers- en scholennetwerken en gemeenten aan elkaar te koppelen.
Onderkent u dat gemeenten er geen belang bij hebben om jongeren, die niet uitkeringsgerechtigd zijn, aan werk te helpen? Wat onderneemt u om deze perverse prikkel uit het systeem te halen?
Gemeenten hebben de algemene verplichting om via een verordening beleid te formuleren voor de arbeidsondersteuning aan niet-uitkeringsgerechtigden. Het is aan de gemeenteraden om er op toe te zien dat dit beleid wordt uitgevoerd.
Ook voor kwetsbare jongeren zonder uitkering hebben gemeenten er uit maatschappelijk en financieel oogpunt belang bij om deze jongeren aan het werk te helpen. De kans is anders reëel dat deze jongeren op termijn wel een beroep doen op een uitkering en/of dat deze jongeren een beroep doen op andere (gemeentelijke) voorzieningen. Uit een studie van Cedris en SBCM blijkt bijvoorbeeld dat beschut werk belangrijke financiële en immateriële baten oplevert voor de persoon, zijn directe omgeving en de samenleving als geheel.5
Bent u bereid gehandicapten een wettelijk recht te geven op begeleiding van en bij werk, scholing en aanpassing van de werkplek?
Jonggehandicapten, waaronder niet-uitkeringsgerechtigden, hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het is dus aan de gemeenten om te bepalen welke vorm van ondersteuning iemand krijgt. Dit is maatwerk en past in een gedecentraliseerd stelsel.
Wanneer wordt het rapport van het Toezicht Sociaal Domein naar de Kamer gestuurd? Wilt u dit rapport voorzien van een beleidsreactie?
Het betreft hier nog geen rapport maar een infographic waarin de positie van Vso, Pro en Mbo-entree jongeren die het onderwijs verlaten, is geanalyseerd. De infographic is het vertrekpunt voor het onderzoek dat TSD in 2018 gaat uitvoeren onder de doelgroep en enkele gemeenten en scholen. Dit rapport zal begin 2019 in afstemming met het Ministerie van VWS door TSD naar buiten worden gebracht. Na aanbieding van dat eindrapport zal zo spoedig mogelijk een beleidsreactie naar de Tweede Kamer gestuurd worden.
Kent u het artikel «Het UWV bepaalt wat iemand kan, maar de criteria zijn vaag»?2 Kunt u een reactie daarop geven en daarbij tevens ingaan op de uitspraak van De Groot Heupner dat «(d)e beoordeling (...) niet meer (is) dan een ongrijpbare schatting. Het UWV geeft geen enkele onderbouwing bij hun oordeel»?
Ja, ik ken het artikel.
Met het Besluit van 8 oktober 2014 tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met de Invoeringswet Participatiewet, zijn de criteria voor arbeidsvermogen in de Wajong vastgelegd. De toelichting bij dit besluit bevat een uitgebreide beschrijving van de vier criteria voor het toetsen op arbeidsvermogen: (1) een taak kunnen uitvoeren in een arbeidsorganisatie; (2) basale werknemersvaardigheden bezitten; (3) een uur aaneengesloten kunnen werken; (4) ten minste vier uur per dag belastbaar zijn of ten minste twee uur per dag belastbaar én het minimumloon per uur kunnen verdienen.
De door UWV gehanteerde methode is ontwikkeld in samenwerking met professionals, is wetenschappelijk onderbouwd en wordt breed gedragen door de uitvoerende professionals. UWV heeft om beter inzicht te bieden in hoe deze beoordeling plaatsvindt het Compendium Participatiewet, wat de status heeft van werkinstructie en naslagwerk, beschikbaar gemaakt voor derden. UWV beoordeelt op een aantal criteria, brengt in beeld wat de huidige mogelijkheden en beperkingen zijn en geeft aan of zij verwacht dat dit een duurzame situatie is. Dit samen bepaalt of iemand in aanmerking komt voor de regeling. Minder jongeren komen in aanmerking voor een Wajong uitkering sinds de invoering van de Wajong 2015 en de striktere criteria. Dit is het achterliggende doel geweest van beleid: meer jongeren (met arbeidsvermogen) komen in aanmerking voor een indicatie banenafspraak en worden via de gemeenten geholpen richting werk.
Wanneer gaat u in op het verzoek van de NVVG, de vereniging van verzekeringsartsen, om de criteria voor de Wajong te evalueren op werkbaarheid, meetbaarheid en objectiviteit?
Deze evaluatie heeft reeds plaatsgevonden. Conform een toezegging aan de Eerste Kamer op een vraag van het lid Sent, heeft UWV onderzoek gedaan naar de wijze waarop de beoordeling arbeidsvermogen in de praktijk loopt. Mijn ambtsvoorganger heeft op 27 juni 2017 de Eerste en Tweede Kamer reeds over de uitvoerbaarheid van het nieuwe beoordelingscriterium «arbeidsvermogen» geïnformeerd en het betreffende rapport aan beide Kamers aangeboden.
Hoe en wanneer geeft u uitvoering aan de breed aangenomen motie (Kamerstuk 31 497, nr. 188) uit april 2016 over een Wajong-uitkering voor ernstig, meervoudig gehandicapte kinderen?
Met de kabinetsreactie op de beleidsdoorlichting Wajong ga ik in op de motie van het lid Siderius, waarbij uw Kamer mij oproept om in de Wajong een voorziening te treffen waarbij ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen, die op een cluster 3-onderwijsinstelling ingeschreven staan, aanspraak op een Wajong-uitkering kunnen maken. Ik ben voornemens de beleidsdoorlichting, voorzien van een kabinetsreactie voor de zomer aan uw Kamer aan te bieden.
Bent u bereid een einde te maken aan het dumpen van gehandicapten en chronisch zieken in de bijstand en in plaats daarvan de Wajong in ere te herstellen?
Met de Participatiewet heeft het kabinet ervoor gekozen om te komen tot een inclusieve arbeidsmarkt. Uit onderzoek blijkt dat als gevolg van de Participatiewet meer jonggehandicapten aan het werk zijn, ze vaker voor een vervolgopleiding kiezen en minder in contact komen met justitie. Dit zijn positieve uitkomsten. De werking van de Participatiewet wordt uitvoerig gemonitord. De Kamer wordt jaarlijks over de uitkomsten daarvan geïnformeerd.7 De eindevaluatie van de Participatiewet is voorzien eind 2019.
Ik neem overigens afstand van het begrip «dumpen van gehandicapten». Ik streef naar een situatie waarin gehandicapten kunnen meedoen, een inclusieve samenleving. Daar past dat begrip niet bij.
Het bericht dat consumenten bot vangen bij Tuchtrecht Banken |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat consumenten, die zich melden bij de Stichting Tuchtrecht Banken, bot vangen?1
Ja.
Erkent u dat het uiterst opmerkelijk is dat tot dusver de Stichting Tuchtrecht Banken vooral zaken behandelt die door de banken zelf worden aangedragen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Volgens cijfers die ontleend zijn aan de Stichting Tuchtrecht Banken zijn er tussen 2015 en 2018 in 244 meldingen door consumenten ingediend en 141 door banken. Van deze meldingen hebben er 20 tot een uitspraak van de tuchtcommissie geleid, waarvan er 7 afkomstig zijn van consumenten. Meldingen worden niet doorgestuurd naar de tuchtcommissie als ze ongegrond zijn of als ze onvoldoende ernstig zijn. Uit de cijfers blijkt dat het overgrote deel van de meldingen die de tuchtcommissie niet bereiken ongegrond zijn verklaard. Een melding is volgens het tuchtreglement2 van de Stichting Tuchtrecht Banken onder meer ongegrond wanneer de gedraging waarop de melding betrekking heeft onderdeel is van de interne klacht- of onderzoeksprocedures van de betrokken bank of wanneer die in behandeling is of is geweest bij een toezichthouder uit hoofde van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Hiernaast moet de melding betrekking hebben op een gedraging die plaats heeft gevonden nadat degene tegen wie de melding gericht is de bankierseed heeft afgelegd. Voor personen die voor 1 april 2015 reeds werkzaam waren in de bancaire sector geldt dat zij op 1 april 2016 de eed moeten hebben afgelegd. Bovendien moet de melding zien op een overtreding van de gedragscode3 die op de bankierseed is gebaseerd. In de gedragscode staat onder meer dat bankmedewerkers integer en zorgvuldig zijn, ze een zorgvuldige afweging van belangen maken en zich aan de wet en andere regels houden die voor het werken bij de bank gelden. Indien een individuele medewerker op een moment nadat die de bankierseed heeft afgelegd in strijd met deze regels handelt is die tuchtrechtelijk aan te spreken. Meldingen van consumenten die niet voor de tuchtcommissie zijn gekomen zagen in de regel op een verzoek om schadevergoeding, of gingen over zaken als spaarrente of de beloning van de bestuursvoorzitter, waar het tuchtrecht voor individuele bankmedewerkers niet voor bedoeld is. Voor dergelijke geschillen, waar veelal het beleid van de bank ter discussie staat, en niet de individuele gedraging van de bankmedewerker, hebben consumenten andere mogelijkheden. Consumenten kunnen hiervoor bijvoorbeeld naar KiFiD (het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening) of naar de burgerlijke rechter. De Stichting Tuchtrecht Banken verwijst consumenten actief door naar het KiFiD of de burgerlijke rechter indien daar aanleiding toe is.
Kunt u een overzicht geven van de meldingen die bij de Stichting Tuchtrecht Banken binnen zijn gekomen, van wie ze afkomstig waren en hoe deze klachten zijn behandeld dan wel op welke grond ze zijn afgewezen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat wanneer consumenten nauwelijks gehoord worden door de Stichting Tuchtrecht Banken het beeld ontstaat dat het tuchtrecht er niet voor hen is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Tuchtrecht richt zich bij uitstek op het functioneren van het individu (de medewerker). Tuchtrecht is primair gericht op de beoordeling van de vraag of een individu de voor de groep geldende normen en regels heeft nageleefd. Sanctionering van overtreding van die normen vormt een wezenlijk onderdeel van het tuchtrecht. De tuchtrechtelijke instantie kan met de toetsing van het concrete gedrag van groepsleden normovertredingen zichtbaar maken voor personen binnen en buiten de groep en indien nodig maatregelen opleggen. Medewerkers worden zich hierdoor meer bewust van de normen en waarden die in de sector (behoren te) gelden.
Voor het aanspreken van de bank als organisatie bestaan voldoende andere mogelijkheden. Zo richt het bestuursrechtelijk toezicht van De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM) zich primair op de financiële onderneming. Dit toezicht door DNB en de AFM ziet ook op gedrag en cultuur. Ook het civiele recht biedt mogelijkheden voor consumenten jegens een bank. Zo kan een consument schadevergoeding van een bank vorderen ingeval van bijvoorbeeld schending van de (civielrechtelijke) zorgplicht. Er is dan ook geen aanleiding – en dit zou ook zeer afwijken van andere tuchtrechtelijke stelsels, zoals het medisch tuchtrecht – om banken als organisatie te onderwerpen aan tuchtrecht.
Wel acht ik het van belang dat ook consumenten de Stichting Tuchtrecht Banken goed weten te vinden en dat zoveel mogelijk onduidelijkheid over de bevoegdheden van de stichting en de werking van het tuchtrecht wordt voorkomen. Veel klachten die door consumenten bij de Stichting Tuchtrecht Banken zijn ingediend komen voort uit een geschil met een bank (en hebben de facto geen betrekking op tuchtrechtelijk laakbaar handelen van een individuele medewerker). Deze klachten vallen veeleer onder de competentie van KiFiD of de burgerlijke rechter. De Stichting Tuchtrecht Banken en KiFiD hebben in dit kader afspraken gemaakt. De Stichting Tuchtrecht Banken vermeldt, indien daar aanleiding toe is, in afwijzingsbrieven dat de gedraging waar de melding betrekking op heeft zich leent voor behandeling door KiFiD of de burgerlijke rechter. Omgekeerd is in het reglement van KiFiD opgenomen dat klachten die bij het KiFiD zijn ingediend die zien op tuchtrechtelijk laakbaar handelen worden doorgestuurd naar het relevante tuchtrechtelijke college. Daarnaast heeft de Stichting Tuchtrecht Banken ter ondersteuning van consumenten die een melding willen doen een checklist4 ontwikkeld die ingevuld moet worden voordat een melding daadwerkelijk wordt ingediend en waarmee vooraf reeds duidelijkheid wordt verschaft over de geschiktheid van de melding voor de Stichting Tuchtrecht Banken.
Bent u van mening dat het doel van de bankierseed en het tuchtrecht – namelijk opbouw van professionele integriteit binnen de beroepsgroepen in een bank en daarmee herstel van vertrouwen in de banken – niet behaald wordt als blijkt dat consumenten met klachten geen gehoor krijgen op basis van de bankierseed en het tuchtrecht? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze kan een consument met een klacht over beleid van een bank – dat vaak niet op een individuele bankmedewerker kan worden geprojecteerd – wel zijn recht halen? Blijken de bankierseed en het tuchtrecht voor dit soort klachten ongeschikt?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van de suggestie om banken als organisatie tuchtrechtelijk aan te klagen? Bent u bereid dit mogelijk te maken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Documentatieverplichtingen voor huurwoningen met een huur rondom de liberalisatiegrens |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Welke regels gelden er voor het verstrekken aan verhuurders van inkomensgegevens van huurders die een sociale huurwoning bewonen?
De inkomensafhankelijke (hogere) huurverhoging is alleen van toepassing op zelfstandige woningen die met een gereguleerd (niet-geliberaliseerd) huurcontract zijn verhuurd, in dit kader ook wel sociale huurwoningen genoemd.
Of een huurovereenkomst geliberaliseerd of gereguleerd (niet-geliberaliseerd) is, wordt bij aanvang van de huur bepaald. Een huurovereenkomst voor een zelfstandige woning is (qua huurprijs) geliberaliseerd als de huurprijs op de ingangsdatum van de huurovereenkomst hoger was dan de toenmalige liberalisatiegrens. De liberalisatiegrens van 2018 (€ 710,68 p.m.) bepaalt dus of huurcontracten die in 2018 ingaan geliberaliseerd zijn of niet.
Een gereguleerd (= niet-geliberaliseerd) huurcontract blijft gereguleerd, ook als de huurprijs door huurverhogingen tot boven de huidige liberalisatiegrens is gestegen.
Indien de woning daarvoor voldoende kwaliteit (woningwaarderingspunten) heeft, mag de huurprijs van een gereguleerd huurcontract door huurverhogingen de huidige liberalisatiegrens overstijgen, zolang daarbij niet de maximale huurprijsgrens van de woning op basis van het woningwaarderingsstelsel wordt overschreden1. Dit is onafhankelijk van het inkomen van de huurder(s).
Indien door de voorgestelde huurverhoging wel de maximale huurprijsgrens van de woning wordt overschreden, kan de huurder op die grond bezwaar maken tegen de voorgestelde huurverhoging. En als de huidige huurprijs al hoger is dan de maximale huurprijsgrens van de woning, kan de huurder een huurverlaging tot die maximale huurprijsgrens voorstellen aan de verhuurder en zo nodig afdwingen via de huurcommissie.
Verhuurders mogen voor alle met een gereguleerde huurcontract verhuurde woningen, dus ook voor woningen waarvan de huidige huurprijs rond of boven de huidige liberalisatiegrens (€ 710,68 p.m.) ligt, een inkomensafhankelijke huurverhoging voorstellen zolang zij daarmee de maximale huurprijsgrens van de woning niet overschrijden. Voor al deze gevallen mag een verhuurder dus ook een huishoudverklaring bij de Belastingdienst opvragen om te beoordelen of het betreffende huishouden in aanmerking komt voor een inkomensafhankelijke (hogere) huurverhoging.
Huurders krijgen bericht van de Belastingdienst wanneer hun verhuurder voor hun woning een huishoudverklaring ten behoeve van de inkomensafhankelijke huurverhoging heeft aangevraagd en verkregen. Huurders die een geliberaliseerd huurcontract hebben en huurders van wie de huurprijs door een inkomensafhankelijke hogere huurverhoging (meer dan inflatie +2,5% maar maximaal inflatie +4%) boven de maximale huurprijsgrens van de woning uitkomt2, kunnen dan een klacht indienen bij de Belastingdienst en aangeven dat hun verhuurder voor hun woning geen huishoudverklaring had mogen aanvragen.
De Belastingdienst gaat dan (aan de hand van door de huurder aangeleverde gegevens en wederhoor bij de verhuurder) na of de verhuurder voor de betreffende woning zonder recht een huishoudverklaring heeft aangevraagd. Wanneer de Belastingdienst constateert dat een verhuurder voor een of meer woning(en) ten onrechte een huishoudverklaring bij de Belastingdienst heeft opgevraagd, zendt de Belastingdienst een brief met die constatering naar de verhuurder. Indien het desondanks nog een keer gebeurt houdt de Belastingdienst een gesprek met (een afvaardiging van) de directie van de verhuurder, met de waarschuwing dat een volgende herhaling van onrechtmatige aanvraag van huishoudverklaringen zal worden gezien als stelselmatig misbruik. Bij stelselmatig misbruik van de mogelijkheid om huishoudverklaringen aan te vragen ten behoeve van de inkomensafhankelijke huurverhoging, kan de Belastingdienst de betreffende verhuurder weigeren nog huishoudverklaringen te verstrekken.
Welke regels gelden er voor huurders met een hoger inkomen indien door huurverhogingen de huurprijs van de woning over de liberalisatiegrens terechtkomt?
Zie antwoord vraag 1.
Kunnen verhuurders, ook indien de liberalisatiegrens is overschreden, inkomensgegevens opvragen? Bent u zich ervan bewust dat dit in de praktijk gebeurt? Wat gaat u doen om de privacy van huurders te beschermen en te voorkomen dat dit gebeurt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid om te onderzoeken of de huurcommissie in dit soort zaken een rol kan spelen?
Zoals hiervoor aangegeven, is het verhuurders ook voor gereguleerd verhuurde woningen met een huurprijs die al boven de huidige liberalisatiegrens ligt toegestaan huishoudverklaringen bij de Belastingdienst aan te vragen ten behoeve van de inkomensafhankelijke huurverhoging. Dat is alleen anders wanneer de huidige huurprijs al zo dicht tegen de maximale huurprijsgrens van de woning (zoals die geldt op de ingangsdatum van de voorgestelde huurverhoging) ligt, dat de verhuurder geen ruimte heeft om een inkomensafhankelijke huurverhoging (meer dan inflatie+2,5% maar maximaal inflatie+4%) voor te stellen. De Belastingdienst treedt op als aan de hand van klachten van huurders blijkt dat een verhuurder (voor sommige woningen) ten onrechte gebruik maakt van de mogelijkheid om huishoudverklaringen voor de inkomensafhankelijke huurverhoging aan te vragen. Ik zie hierin geen rol voor de huurcommissie.
De huurcommissie heeft wel een rol in geschillen tussen verhuurders en huurders over een door de verhuurder voorgestelde huurverhoging voor gereguleerde huurcontracten. Huurders kunnen bij de verhuurder bezwaar indienen tegen een huurverhogingsvoorstel, bijvoorbeeld als de voorgestelde huurprijs boven de maximale huurprijsgrens van de woning ligt. De betrokken verhuurder kan naar aanleiding van het bezwaar de huurverhoging terugbrengen of, als hij de gehele huurverhoging willen doorzetten ondanks het bezwaar van de huurder, tijdig (binnen zes weken na de voorgestelde ingangsdatum van de huurverhoging) een uitspraak van de huurcommissie vragen over zijn huurverhogingsvoorstel. Laat de verhuurder na tijdig een uitspraak van de huurcommissie te vragen, dan gaat de gehele huurverhoging niet door3.
De financiering van broodcampagne door de EU |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de campagne ter bevordering van brood «Brood een goed verhaal» en de website brood.net deels wordt gefinancierd door de Europese Unie? Zo ja, waaruit blijkt dat de sector niet in staat is haar campagnes te voeren?1
Ja. Ik ben van mening dat algemene afzetbevordering een verantwoordelijkheid is van de sector zelf en ben geen voorstander van medefinanciering daarvan door de EU via de EU-promotieregeling. Nederland heeft hier destijds ook tegen gestemd. Wel zet ik in op bewustwording bij consumenten van de noodzaak om gezond en duurzaam geproduceerd voedsel te kopen, o.a. door gerichte promotie daarvan (zie Kamerstuk 28 625, nr. 256), zoals bijvoorbeeld gebeurt in het kader van de EU-schoolregeling. Echter, de EU-promotieregeling bestaat en staat open voor organisaties in alle (landbouw)sectoren, dus ook de Nederlandse broodsector kan aanspraak maken op steun en daarvoor een rechtstreeks aanvraag indienen bij de Europese Commissie zonder tussenkomst van de lidstaat. Overigens acht ik de sector prima in staat om zelf haar campagnes te voeren.
Erkent u dat het raar klinkt dat er in de reclame wordt gesproken over «brood uit Europa, een goed verhaal»? Welk brood is «Europees» – en dus niet streek- of landgebonden – te noemen?
Op grond van de subsidiabiliteitscriteria in de EU-promotieregeling moeten promotieprogramma’s een communautaire dimensie hebben, zowel voor wat betreft de inhoud van de boodschap als het effect ervan. Ook mag de boodschap niet gericht zijn op een specifieke oorsprong.
Deze campagne richt zich op het stabiliseren van de dalende broodconsumptie in (vooralsnog) Nederland en België door de positieve kernwaarden van brood te benadrukken en brood naar voren te brengen als onderdeel van de rijke Europese eetcultuur.
Verkeert de broodsector in Nederland en België dusdanig in de problemen dat deze driejarige promotiecampagne met meer dan 5 miljoen euro ondersteund moet worden door de Europese Unie? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 1.
Deelt u de opvatting dat de Europese Unie nu reeds zeer veel geld besteedt aan ondersteuning van producenten in landbouw en veeteelt en de bevordering van de afzet van hun producten dat medefinanciering van promotieprogramma’s niet nodig is? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u hiervoor naar mijn antwoord op vraag 1.
Vindt u dat het steunen van een broodcampagne een goede besteding van Europese middelen is? Zo ja, erkent u dat het uiteindelijk de belastingbetaler is die deze promotiecampagne financiert? Zo nee, wat gaat u hiertegen ondernemen?
Zie mijn antwoord op vraag 1. Verder zal ik, ook in de onderhandelingen over het nieuwe GLB, opnieuw pleiten voor afschaffing van de EU-promotieregeling voor algemene afzetbevordering.
Huiseigenaren die door de energietransitie op kosten worden gejaagd |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energie-omschakeling kost wat»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het knettergek is dat gemeenten – zoals Utrecht, Woerden en Wageningen – «aardgasvrije proefwijken» hebben aangewezen, waar huiseigenaren worden gedwongen binnen tien jaar van het gas af te gaan en worden opgezadeld met kosten oplopend tot tienduizenden euro’s? Zo nee, waarom niet?
De energietransitie kost geld. Deze kosten komen ten laste van de gehele samenleving, zowel bedrijven als huishoudens. Het is mijn inzet om de transitie zo kosteneffectief mogelijk te laten verlopen.
Ik realiseer mij dat kosteneffectief niet betekent dat de gevraagde investeringen in alle gevallen makkelijk op te brengen zijn. De verdeling van de lasten is een van de grootste vraagstukken waar ik me op dit moment mee bezig houd. Het is daarom ook van belang dat er toegesneden financieringsinstrumenten worden ontwikkeld die de gevraagde investeringen van partijen ondersteunen.
Bent u ertoe bereid deze gemeenten tot de orde te roepen en ervoor te zorgen dat deze absurde projecten direct van tafel gaan? Gaat u voorkomen dat huiseigenaren – als gevolg van de torenhoge kosten – worden gedwongen tot «huisgebonden leningen» en daarmee in de financiële ellende worden gestort? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat deze wereldvreemde projecten het failliet van uw eigen krankzinnige energie- en klimaatbeleid aantonen? Deelt u de mening dat dit haaks staat op uw eigen uitspraak dat de energietransitie «betaalbaar» moet zijn en blijven? Zo nee, wat bedoelt u dan met «betaalbaar»?
Nee, dit deel ik niet. Een betaalbare energietransitie wordt in mijn ogen gekenmerkt door effectieve en proportionele maatregelen die gedragen kunnen worden door de samenleving. Daarmee bedoel ik dat we voor de meest kosteneffectieve maatregelen kiezen, waarbij de kosten in verhouding staan tot de te behalen duurzaamheidsopbrengsten en de kosten ook redelijkerwijs door huiseigenaren, bedrijven en overige partijen gedragen kunnen worden.
Deelt u de mening dat de energietransitie onbetaalbaar, onzinnig en – gezien het feit dat burgers niets te zeggen hebben – ondemocratisch is? Zo nee, waarom niet?
Alle landen in de wereld en dus ook Nederland zullen de overstap moeten maken naar meer schone energie en minder CO2-uitstoot. Hierover hebben we afspraken gemaakt met elkaar in het Klimaatakkoord van Parijs. In het regeerakkoord zijn deze ambities verder uitgewerkt en vastgelegd. Het kabinet legt hierover ook verantwoording af. Hoewel het duidelijk is dat de energietransitie geld kost, biedt het ook kansen om onze economie te versterken en nieuwe banen te creëren. De noodzaak van de energietransitie staat voor mij dan ook buiten kijf. Zo kunnen de nieuwe technieken en producten die nu ontwikkeld worden vermarkt worden in het buitenland.
Wanneer zet u eens een streep door de energietransitie en gaat u zorgen voor lagere lasten?
Zie antwoord vraag 5.
De failliet verklaarde Ipadscholen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending «Ondernemer in het onderwijs» van 25 april jl. gezien?1
Ja.
Klopt de bewering dat de Ipadscholen met het concept van Onderwijs 4 Nieuwe Tijd een voorkeursbehandeling kregen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap? Hebben zich in de aanvraagprocedure bijzonderheden voorgedaan?2
Van een voorkeursbehandeling is geen sprake. De onderhavige scholen zijn gesticht met inachtneming van de wettelijke bepalingen voor schoolstichting (artikel 73 e.v. van de Wet op het primair onderwijs). Conform die bepalingen zijn de scholen op het plan van scholen van de gemeente Amsterdam geplaatst nadat die gemeente op grond van de bij de aanvraag overgelegde gegevens had vastgesteld dat aannemelijk was te achten dat de voor de gemeente geldende stichtingsnorm zou worden gehaald. Dit plan van scholen is vervolgens door mijn ambtsvoorganger beoordeeld en goedgekeurd. Dit vond plaats op grond van artikel 79 van de Wet op het primair onderwijs waarin limitatief is opgesomd wanneer goedkeuring moet worden onthouden. Er was op basis van deze wettelijke bepaling geen grond aanwezig om goedkeuring te weigeren.
Van de zijde van het Ministerie van OCW, de PO-Raad, de VO-raad en het Ministerie van EZ bestond interesse voor de scholen in het kader van het zogenoemde doorbraakproject. Het betreft hier een breed onderzoek naar gepersonaliseerd leren met ICT waarmee het ministerie kennis wil opdoen over de werking van uitgangspunten uit innovatieve onderwijsconcepten zoals gebruik van adaptieve software, inzet van tablets en leerlinggestuurd leren3. Een van de onderhavige scholen is meegenomen in dat onderzoek.
Verder is, mede in overleg met uw Kamer, bezien of het wenselijk zou zijn om, in het kader van gepersonaliseerd leren met ICT, experimenten toe te staan waarbij de wettelijk voorgeschreven onderwijstijd flexibeler kan worden ingevuld4. Hiervan is uiteindelijk op advies van de Raad van State afgezien.
Bent u voornemens om bij de oprichting van nieuwe scholen, beter vooraf te toetsen of het onderwijsconcept is gebaseerd op deugdelijk onderzoek, zodat er garanties zijn dat het onderwijs kwalitatief gezien op orde is? Kunnen er lessen getrokken worden uit deze casus voor het wetsvoorstel Nieuwe ruimte voor nieuwe scholen?
Het voornemen is om in het wetsvoorstel Meer ruimte voor nieuwe scholen een kwaliteitstoets te introduceren. Volgens dat wetsvoorstel wordt een aanvraag tot het starten van een nieuwe school nog voor de start getoetst op deugdelijkheidseisen die inzicht geven in de te verwachten kwaliteit van een school.
Kent u het artikel «Schoolstichting Maurice de Hond failliet verklaard»? Hoe kan het dat de Stichting Onderwijs 4 Nieuwe Tijd na oktober 2016 negen maanden lang onderwijsgeld heeft gekregen voor Ipadschool De Voorsprong zonder daar onderwijs te verzorgen?
Ja, het aangehaalde artikel is mij bekend. Alvorens de bekostiging in te trekken of te verlagen, wordt in gevallen als het onderhavige eerst een onderzoek ingesteld naar de financiële rechtmatigheid en de naleving van bij of krachtens onderwijswetten gegeven voorschriften (zie artikel 3 van de Wet op het onderwijstoezicht). Dit onderzoek wordt uitgevoerd door de inspectie van het onderwijs. In het onderhavige geval is dat onderzoek ingesteld naar aanleiding van de mededeling van het bestuur dat op de onderhavige school – iPadschool De Voorsprong – nog slechts één leerling stond ingeschreven die tijdelijk elders onderwijs volgde. Deze mededeling is gedaan tijdens een gesprek in het kader van het aangepast financieel toezicht op 15 februari 2017. Desgevraagd heeft het bestuur op 1 maart 2017 een nadere toelichting gegeven welke voor de inspectie aanleiding vormde nog diezelfde maand een onderzoek in te stellen.
Na het doorlopen van de hoor- en wederhoorprocedure is het rapport van het onderzoek op 1 juni 2017 vastgesteld en op 4 juli 2017 openbaar gemaakt. Rond dezelfde tijd maakte het bestuur door middel van een 29 juni 2017 gedateerd formulier zelf melding van de opheffing van de school per 1 augustus 2017. In de tussentijd was de procedure voor intrekking en terugvordering van bekostiging in gang gezet, maar de voorgeschreven stappen in die procedure lieten geen ruimte voor stopzetting van de bekostiging vóór 1 augustus 2017, de datum die het bestuur zelf al had opgegeven als datum van opheffing van de school. Conform artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de procedure namelijk ingeleid met het voornemen tot het nemen van een besluit waarop het schoolbestuur een zienswijze kan geven. Daarvoor laat DUO schoolbesturen een termijn van vier weken. Gevoegd bij de voorbereidingstijd van het voorgenomen en het definitieve besluit, liet de procedure daarmee geen ruimte voor stopzetting van de bekostiging vóór 1 augustus 2017. In het kader van die procedure is vervolgens de bekostiging teruggevorderd over de 9 maanden dat de school geen onderwijs had verzorgd. Hiertegen heeft het bestuur een bezwaarschrift ingediend dat nog in behandeling is.
Wist de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) dat er sinds oktober 2016 op de betreffende school nog maar één leerling stond ingeschreven? Zo nee, hoe kan dat? Zo ja, heeft DUO hierover contact gezocht met het schoolbestuur en de Inspectie van het Onderwijs? Wat is er vervolgens gebeurd?
Zie het antwoord op vraag 4. Alvorens de bekostiging in een geval als het onderhavige te kunnen intrekken, dient eerst een onderzoek van de inspectie plaats te vinden als bedoeld in artikel 3 van de Wet op het onderwijstoezicht.
Waarom wist de inspectie pas half februari 2017 dat de school gesloten was en dat er nog één leerling ingeschreven stond, terwijl het schoolbestuur al maanden onder aangepast financieel toezicht stond? Waarom heeft de inspectie vervolgens pas eind maart een onderzoek ingesteld naar de bekostiging?
Het schoolbestuur stond sinds september 2016 onder aangepast financieel toezicht. Van de onderhavige school was bij de inspectie bekend dat deze in afbouw was. Op teldatum 1 oktober 2016 stonden nog vijf leerlingen ingeschreven, zodat geen aanleiding bestond voor een onderzoek naar de bekostiging. Die aanleiding diende zich pas aan toen het bestuur de inspectie op 15 februari 2017 meedeelde dat nog slechts één leerling stond ingeschreven die tijdelijk elders onderwijs volgde. Naar aanleiding daarvan heeft de inspectie opheldering gevraagd. Omdat er onvoldoende duidelijkheid kwam, heeft de inspectie vervolgens op 21 maart 2017 besloten niet langer te wachten en per direct een onderzoek in te stellen naar de beëindiging van de onderwijsactiviteiten en naar de bekostiging van de school. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 4 is het rapport van dat onderzoek, na het doorlopen van de hoor- en wederhoorprocedure, op 1 juni 2017 vastgesteld en op 4 juli 2017 openbaar gemaakt.
Waarom liet DUO de bekostiging voor De Voorsprong nog tot en met juli 2017 doorlopen in afwachting van het inspectierapport, terwijl in februari/maart al duidelijk was dat de school gesloten was? Bent u bereid de procedures rondom het terugvorderen van middelen te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op de vragen 4 en 5. De handelwijze van DUO was in overeenstemming met de hier toepasselijke procedure.
Kent u het artikel «Failliete schoolbestuur De Hond laat lege boedel achter?»3 Is het mogelijk om nog een deel van de 196 duizend euro schuld aan DUO terug te vorderen, zodat het bedrag weer in het onderwijs gestoken kan worden?
Onder verwijzing naar het besluit waarbij het genoemde bedrag is teruggevorderd bij het bestuur, heeft DUO inmiddels een vordering ingediend bij de curator. Of een deel van het bedrag kan worden terugontvangen is afhankelijk van het verdere verloop van het faillissement.
Verwaarloosde veiligheidsmaatregelen in en om munitieopslagplaatsen van Defensie |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Wanneer, op welke datum, hebt u het besluit genomen alle munitieopslagen langs de strengste norm te gaan controleren en indien nodig aan te passen?1
De eisen waaraan de bliksembeveiligingsinstallatie op de munitiecomplexen van Defensie moet voldoen, zijn vastgelegd in het «Voorschrift opslag en behandeling ontplofbare stoffen en voorwerpen MP 40-21». Dit voorschrift is in 2015 zodanig aangepast dat deze eisen naast nieuwbouw ook van toepassing zijn op bestaande munitiemagazijnen. In de praktijk is er daarna onduidelijkheid ontstaan over de interpretatie van de eisen over de wijze waarop de bliksembeveiliging mag worden uitgevoerd bij bestaande bouw. Om hieraan een einde te maken is op 23 april jl. besloten dat alle munitiemagazijnen aan de nieuwste norm moeten voldoen.
Welke bevindingen van de 89 tekortkomingen zijn nog niet verholpen, en van de grotendeels al verholpen bevindingen? Kunt u dat toelichten?
De geconstateerde tekortkomingen betreffen voornamelijk infrastructurele voorzieningen, keuringen van gereedschappen en apparatuur, aanwezige kennis van regelgeving en correcte opslag. De belangrijkste geconstateerde tekortkoming betreft de bliksembeveiligingsinstallaties.
De tekortkomingen die de lokale verantwoordelijken van Defensie zelf konden aanpakken zijn opgelost. Zo zijn reparaties uitgevoerd aan luchtbehandelingsinstallaties, markeringsborden vervangen of geplaatst, drempelplaten voorzien van aardkabels en is een calamiteitencentrum verplaatst. Voor het oplossen van de infrastructurele tekortkomingen op onder meer keuringen en bliksembeveiliging (overspanningsbeveiliging) is Defensie afhankelijk van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). De aanpassing van de bliksembeveiliging betreft een groot aantal oude bunkers waarvan de complexe bliksembeveiligingsinstallaties moeten worden aangepast of vervangen. Dit vereist ingrijpende verbouwingen die zorgvuldig moeten worden uitgevoerd. Op dit moment wordt hiervoor, in nauwe samenwerking met het RVB, een plan van aanpak opgesteld en voorgelegd aan de I-SZW.
Daarnaast inventariseert het RVB momenteel of de tekortkomingen in de bliksembeveiliging zich ook op andere munitiecomplexen voordoen. Deze inventarisatie zal naar verwachting in juli 2018 worden voltooid. Tot die tijd worden, in nauw overleg met I-SZW, voorzorgs- en herstelmaatregelen genomen, zodat het werk op een veilige manier kan worden uitgevoerd. Dit uitgangspunt staat uiteraard altijd voorop.
Naast de verbetertrajecten per locatie wordt een defensiebreed verbetertraject opgestart die zich onder meer richt op regelgeving, opleidingen en kennis. Gezien de omvang van dit traject zal dit enige tijd in beslag nemen.
Wanneer denkt u alle geconstateerde problemen verholpen zijn? Kunt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft de Defensie Materieel Organisatie (DMO) de boetes doorgestuurd aan het Rijksvastgoedbedrijf? Zo ja, zijn deze boetes door het Rijksvastgoedbedrijf voldaan? Zo nee, waarom niet en wie heeft ze uiteindelijk betaald?2
Nee, het vorige Nadere Uitwerking Opdrachtgeversconvenant Defensie (NUOD) met het RVB voorzag niet in het kunnen doorsturen van boetes, derhalve heeft Defensie deze voldaan. Het NUOD is recent aangepast, waardoor boetes nu wel worden verrekend.
Deelt u de constateringen van de Volkskrant dat de samenwerking tussen relevante onderdelen van Defensie (met namen de DMO) en het Rijksvastgoedbedrijf niet goed genoeg is om het veiligheidsvraagstuk op het hoogste niveau te kunnen behandelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wordt de samenwerking van DMO met het Rijksvastgoedbedrijf vormgegeven? Denkt u dat die samenwerking kan zonder overleg met Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid en IL&T? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Het Defensie Ondersteuningscommando is namens Defensie de reguliere gesprekspartner van het RVB. Er is voldoende ruimte om elkaar aan te spreken op verantwoordelijkheden. Veiligheidsvraagstukken worden dan ook zonder belemmeringen besproken. Overleg tussen Defensie, het RVB en de inspecteurs van I-SZW en IL&T vindt plaats op basis van de resultaten van de inspecties. Daarnaast vindt er periodiek op hoog ambtelijk niveau overleg plaats over de samenwerking.
Acht u het op basis van deze ervaringen wenselijk de coördinatie van de onderhoudsverantwoordelijkheid (thans bij het Rijksvastgoedbedrijf) en aansprakelijkheid voor ongelukken (DMO) anders te gaan organiseren? Zo ja, hoe en wanneer wilt u dat geregeld hebben? Zo nee, waarom niet? Kunt u dat toelichten?
Defensie moet invulling geven aan de verantwoordelijkheden van werkgever en objectvergunninghouder zoals wettelijk vastgelegd. Het RVB is verantwoordelijk voor de instandhouding van de infrastructuur. Aan beide zijden is er tot op het hoogste niveau het volle besef dat de samenwerking en de prestaties beter moeten en daaraan wordt hard gewerkt.
De Nederlandse deelname aan de Iran Oil Show |
|
Sadet Karabulut (SP), Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de deelname van Nederlandse bedrijven aan het Holland-Paviljoen op de Iran Oil Show?1
Ja.
Deelt u de mening dat deelname van Nederlandse bedrijven haaks staat op een klimaatbeleid waarin afscheid wordt genomen van fossiele energieopwekking?
In het Parijs Akkoord hebben we internationale klimaatdoelen voor de lange termijn vastgelegd. Het bereiken van deze doelen vergt een ambitieus klimaatbeleid. Internationaal hebben landen met elkaar afgesproken dat elk land een eigen invulling geeft aan de benodigde transitie. Tijdens de transitie zullen fossiele brandstoffen nog een belangrijke, maar steeds verder afnemende rol spelen om te voorzien in de mondiale energiebehoefte. Het is aan individuele bedrijven om te bepalen aan welke internationale bijeenkomsten zij willen deelnemen.
Nederlandse bedrijven dragen bij aan de Nederlandse ambitie op klimaatgebied en de energietransitie, onder meer door deelname aan de gesprekken over het nationaal klimaatakkoord.
Deelt u de mening dat om klimaatverandering tegen te gaan steun vanuit Nederland bij de exploitatie van Iraanse gasvelden ongewenst is in het kader van het Nederlands klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van Nederlandse overheidssteun aan de exploitatie van Iraanse gasvelden. Het is aan Iran om te bepalen hoe het de doelen van Parijs wil bereiken en hoe het de benodigde transitie vormgeeft. Voor bedrijven geldt dat zij er verstandig aan doen om in hun hele bedrijfsmodel te anticiperen op de benodigde transitie, zonder dat dit overigens betekent dat er niet meer geïnvesteerd kan worden in de winning van fossiele brandstoffen
Op welke wijze ondersteunt u bedrijven op deze beurs? Kunt u een overzicht geven van bedrijven die directe financiële ondersteuning ontvangen indien directe financiële ondersteuning wordt geboden?
De Nederlandse overheid biedt geen directe financiële steun aan individuele bedrijven.
Vanuit de overheid wordt via de lokale ambassade de beurs gesteund door middel van het organiseren van een netwerk event. De ambassade verleent soortgelijke assistentie aan Nederlandse bedrijven die oplossingen bieden op het gebied van o.m. duurzame energie en water.
Bent u bereid om in het kader van een coherent en effectief klimaatbeleid uw steun en dat van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) aan Dutch Energy Solutions en het FME-programma dat gericht is op het veroveren van de Iraanse gasmarkt2, stop te zetten? Zo nee, waarom niet?
Nee. De Nederlandse energiesector is een belangrijke economische sector die innovatieve producten en diensten biedt waarmee kan worden bijgedragen aan een duurzame(re) exploitatie en productie van energie, zowel op het terrein van hernieuwbare energie als fossiele brandstoffen.
Onderdeel van het programma Partners International Business (PIB) van Dutch Energy Solutions voor Iran is het onderzoeken van mogelijkheden tot vermindering van CO2-uitstoot, onder meer door toepassing van wind- en zonne-energie op installaties.
Kunt u een overzicht geven van directe en indirecte ondersteuning aan de internationale promotie van de Nederlandse olie- en gassector?
Nederland biedt actieve ondersteuning aan de internationalisering van het Nederlandse bedrijfsleven in het buitenland, waaronder bedrijven in de energiesector. Daarbij wordt onder meer in beperkte mate gebruik gemaakt van het economisch instrumentarium binnen de ontwikkelingssamenwerking-portefeuille en het handelsinstrumentarium.
Bij verschillende handelsinstrumenten vindt een IMVO-beoordeling plaats. Zo maakt bijvoorbeeld bij het Dutch Trade and Investment Fund een (I)MVO-beoordeling integraal onderdeel van de financieringsaanvraag. Deze toetsing werkt ondersteunend aan projecten op het terrein van hernieuwbare energie. Voorts kan het voorkomen dat bij handelsmissies aandacht uitgaat naar zakelijke mogelijkheden binnen de energiesector.
Ook binnen de ontwikkelingssamenwerking-portefeuille zijn verschillende instrumenten beperkt inzetbaar voor de ontwikkelingen van de olie- en gassector, zoals het programma voor ontwikkelingsrelevante infrastructuurontwikkeling ORIO (inmiddels Develop2Build en Drive), de Private Sector Development Apps, het Dutch Good Growth Fund, de financiering van fossiele energieprojecten door ontwikkelingsbank FMO en de subsidieregeling voor demonstratieprojecten, haalbaarheids- en investeringsvoorbereidingsstudies. Het merendeel van deze projecten is gericht op training, verbeterde wet- en regelgeving bij de ontwikkeling van de energiesector en veelal ook ondersteuning van een energietransitie op langere termijn.
Het bericht 'Streep door 2500 studentenwoningen na ‘verraad’ ministerie' |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend het artikel «Streep door 2500 studentenwoningen na «verraad» ministerie»?1
Ja.
Is het waar dat de plannen voor uitbreiding van Uilenstede zijn vormgegeven samen met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (later Infrastructuur en Waterstaat)? Wat was de inbreng van het ministerie?
Nee. In de voorbereidingsfase heeft enkele keren overleg plaatsgevonden tussen het toenmalige Ministerie van IenM en de gemeente Amstelveen. Door IenM is tijdens deze overleggen aangegeven aan welke aspecten in een vvgb-aanvraag aandacht moet worden besteed om te komen tot een volledige aanvraag, zodat de afweging van de vvgb-aanvraag goed zou kunnen worden gemaakt. Daarnaast is bij ieder overleg expliciet aangegeven dat pas een standpunt over de vvgb-aanvraag inzake het plan Kronenburg zou worden ingenomen op grond van een ingediende en complete vvgb-aanvraag.
Klopt het dat de plannen voor uitbreiding van Uilenstede nu door datzelfde ministerie zijn afgewezen? Zo ja, op welke gronden? Hoe kan het dat het ministerie plannen mee ontwikkelde waarover de eigen Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) stelt: «Het aantal woningen, ook al zijn het tijdelijke studentenkamers, is zo buiten proportie van wat is toegestaan dat zowel wat betreft veiligheid als gezondheid van toekomstige bewoners risico’s ontstaan»?
Ja. De Minister van IenW heeft haar bevoegdheid om vvgb-aanvragen te beoordelen gemandateerd aan de ILT. Voor dit plan moest een vvgb worden aangevraagd omdat niet werd voldaan aan het maximale aantal woningen toegestaan in dit gebied. Het plan behelst namelijk een uitbreiding van Uilenstede met maximaal 2.500 studentenwoningen waar er op basis van het wijzigingsbesluit LIB maximaal 25 zijn toegestaan. De ILT heeft de vvgb-aanvraag beoordeeld. Vanwege het beroep op bijzondere omstandigheden, en het besef dat het een complexe opgave betreft, heeft de ILT een bredere belangenafweging gemaakt. De ILT heeft besloten de verklaring niet af te geven op grond van risico’s voor veiligheid (groepsrisico) en gezondheid (geluidhinder) als gevolg van het vliegverkeer van- en naar Schiphol. Zie tevens het antwoord op vraag 2.
Vindt u dat de rijksoverheid zich met deze gang van zaken een betrouwbare partner heeft getoond?
Ja.
Deelt u de observatie dat er sprake is van woningnood in de regio Amsterdam, zowel in het algemeen als meer specifiek voor studenten? Wat vindt u ervan dat een belangrijk bouwproject na jarenlange voorbereiding wordt gefrustreerd door een weifelende rijksoverheid?
Ja, de regio Amsterdam kent een grote behoefte aan woningen, voor alle doelgroepen. De wens om zoveel mogelijk woningen bij te bouwen zal steeds moeten worden afgewogen tegen andere belangen. Voor een beoordeling van bouwprojecten zijn de criteria zoals opgenomen in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) het uitgangspunt. Daarin is ook opgenomen dat in geval van bijzondere omstandigheden een verklaring van geen bezwaar kan worden aangevraagd. Er is geen sprake van een weifelende rijksoverheid, maar het toepassen van regelgeving en het maken van een nadere afweging of er redenen zijn die het toestaan van het project rechtvaardigen. Dit in het besef dat het een complexe opgave betreft. In de beoordeling van de vvgb voor Kronenburg is in het bijzonder het belang van studentenhuisvesting afgewogen tegen het belang van gezondheid (geluidhinder) en veiligheid (groepsrisico) als gevolg van het vliegverkeer van- en naar Schiphol. Bij deze beoordeling heeft het belang van gezondheid en veiligheid zwaarder gewogen dan het belang van woningbouw. De gemeente Amstelveen heeft hier bij het opstellen van de vvgb-aanvraag een andere weging in gemaakt. Momenteel is het bezwaar van de gemeente Amstelveen tegen de weigering een vvgb te verlenen in behandeling. Dit zal conform het LIB en de Awb-regels worden afgehandeld.
Hoe beoordeelt u de kwalificatie «verraad» van de gemeente Amstelveen? Snapt u dat de gemeente teleurgesteld is?
Deze kwalificatie laat ik bij de gemeente Amstelveen. Uiteraard is er begrip voor de teleurstelling van de gemeente; het tegengaan van kantorenleegstand, het in stand houden van de leefbaarheid en het toevoegen van studentenhuisvesting in een gebied zo dichtbij Schiphol leiden tot een complexe opgave. De Minister van IenW en de Minister van BZK hebben gegeven de grote vraagstukken die er in het gebied spelen daarom samen met de gemeente Amstelveen gesproken. Door de Minister van IenW is vervolgens aan de gemeente Amstelveen voorgesteld in ORS-verband aandacht te vragen voor de wens meer variatie in soorten woonbestemmingen mogelijk te maken, zodat de ORS zich hierover ook kan uitspreken in het advies inzake de middellang termijn oplossing voor het vraagstuk wonen en vliegen.
Wat gaat u doen om te zorgen dat er alsnog voldoende studentenwoningen in de regio Amsterdam worden gebouwd?
De Minister van BZK werkt samen met de Minister van OCW en met gemeenten, onderwijsinstellingen, studentenhuisvesters en studentenvertegenwoordigers aan een nieuw actieplan en convenant studentenhuisvesting, waartoe ook is opgeroepen via de motie Futselaar/Ozdil. Een regionale/lokale benadering staat hierin voorop; de verantwoordelijkheid voor het zorgdragen voor voldoende huisvesting is daar neergelegd. Vanuit BZK en OCW zal onder andere worden ingezet op het verbeteren van de cijfermatige inzichten, zodat alle partijen over een gedeeld beeld beschikken van de opgaven en de mogelijkheden in het aanbod. Uw Kamer wordt hierover voor de zomer 2018 nader geïnformeerd.
Het ETS in het kader van het rapport Groene groei van het CBS |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het rapport Groene groei van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)?1
Ja.
Hoe verklaart u dat Nederland in 2016 ten opzichte van 2005 een reductie van slechts 4,3% in de ETS2 (Emissions Trading System)-sectoren heeft behaald, ver onder het Europese gemiddelde van 27%?
De prikkels vanuit het ETS om bij te dragen aan CO2-reductie zijn voor Nederlandse energieproducenten en de energie-intensieve industrie beperkt. Dit komt doordat de energiecentrales en bedrijven in Nederland op Europese schaal erg efficiënt zijn en in sterke mate exportgeoriënteerd zijn.
Botst de Europese ETS-richtlijn (2021–2030) waarin bepaald wordt om emissierechten (bij een te groot overschot) op te kopen en toe te voegen aan de markstabilisatiereserve (MSR) of vanuit het MSR terug naar de markt te laten vloeien (bij een te klein overschot) met het Nederlandse voornemen uit de Fiscale Beleidsagenda om vanaf 2020 een minimum CO2-prijs te hanteren voor bepaalde sectoren? Zo nee, waarom niet?3
De maatregelen botsen niet. Met de MSR wordt het overschot aan emissierechten op de markt teruggedrongen, door ze niet te verkopen maar in een reserve op te nemen. Het doel daarvan is het stabieler maken van de markt. Daarnaast wordt vanaf 2023 een deel van de emissierechten in de MSR vernietigd. De nationale minimum CO2-prijs voor elektriciteitsopwekking moet gezien worden als maatregel specifiek gericht op het bieden van zekerheid over de CO2-kosten van de emissies van elektriciteitsopwekking binnen het ETS. De maatregel beprijst CO2-uitstoot in Nederland in aanvulling op het ETS. De minimumprijs bestaat uit een combinatie van de CO2-prijs die volgt uit het ETS en een aanvullende nationale CO2-heffing. De minimumprijs is vooraf vastgesteld waardoor, naarmate de ETS-prijs toeneemt, de nationale heffing zal dalen.
Hoe wordt bepaald hoe groot het jaarlijkse overschot aan emissierechten is, waarvan een gedeelte in de MSR wordt opgenomen (2021–2030)?4
Het overschot aan emissierechten wordt bepaald door het verschil tussen de totale hoeveelheid emissierechten die in circulatie zijn gebracht en de totale hoeveelheid emissies gemeten vanaf 2013.
Leiden de transacties van de MSR (2021–2030) tot een vaste Europese ETS-prijs of een prijs met een bepaalde vastgestelde groeiontwikkeling? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is die prijs, dan wel de vastgestelde groeiontwikkeling?
Met de MSR wordt gestuurd op de hoeveelheid emissierechten in circulatie en niet op een bepaalde CO2-prijs.
Deelt u de mening dat een bindende reductiedoelstelling (dus niet gebaseerd op een prijsmechanisme) veel effectiever en daarmee wenselijker is dan systemen die uitgaan van een prijsmechanisme (zoals het ETS of zoals het invoeren van minimumprijzen)? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening niet. Het ETS werkt weliswaar met een CO2-prijs die op de markt tot stand komt, maar haalt op effectieve wijze de bindende reductiedoelstelling: 21% emissiereductie in 2020 ten opzichte van 2005 en 43% in 2030 ten opzichte van 2005 voor de bedrijven gezamenlijk die onder de reikwijdte van het ETS vallen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over de Fiscale Beleidsagenda op 17 mei 2018?
Dit is helaas niet mogelijk gebleken.
De opties rond de verhuizing van de Van Braam Houckgeestkazerne te Doorn |
|
Isabelle Diks (GL) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u nauwkeurig laten berekenen wat het annuleren van het besluit tot verhuizing van de Van Braam Houckgeestkazerne te Doorn naar Vlissingen zou kosten en de resultaten hiervan aan de Kamer doen toekomen?1 Zo nee, waarom niet?
Ter voorbereiding van de bouw van de marinierskazerne in Vlissingen zijn de volgende kosten gemaakt:
Deze posten bedragen in totaal € 36,8 miljoen. Daarnaast is het mogelijk dat, in het geval van het stopzetten van het aanbestedingsproces, de drie consortia die aan de dialoog deelnemen een vergoeding vragen voor de daadwerkelijk gemaakte kosten. Ik houd er rekening mee dat er in het geval van het annuleren van het besluit nog meer claims voor kostenverrekening worden ingediend en dit zal resulteren in hogere kosten voor Defensie. Bij het annuleren van het besluit tot verhuizing geldt nog steeds dat er een oplossing zal moeten worden gezocht voor de huidige verouderde huisvesting in Doorn.
Bent u bereid scenario's te onderzoeken waarbij de Van Braam Houckgeestkazerne na renovatie als volwaardige marinierskazerne in gebruik blijft en er in Vlissingen een nieuwe multidisciplinaire (voor onderhoud aan schepen, oefenplek etc.) kazerne wordt gebouwd met faciliteiten die momenteel in de rest van het land ontbreken? Zo nee, waarom niet?
In het verleden zijn verschillende scenario’s ten aanzien van de mogelijkheden in Doorn, Vlissingen, De Peel en Budel verkend. Zoals blijkt uit de Kamerbrief van 10 april 2012 (Kamerstuk 32 733, nr. 59) en uit de brief van 22 juni 2012 met antwoorden op schriftelijke vragen (Kamerstuk 32 733, nr. 70) is de businesscasevan de gemeente Utrechtse Heuvelrug indertijd bestudeerd. In een uitvoerige bijlage 3) bij deze antwoorden ontving de Kamer het Onderzoek naar volledigheid financiële onderbouwing businesscase VBHKAZ en rapport Zeeland.
De realiteit is dat er in 2012 een besluit is genomen dat niet zonder consequenties kan worden teruggedraaid. Naar aanleiding van de signalen van vertrekkende mariniers wordt nu wel een analyse van de cijfers van de irreguliere uitstroom gemaakt. Hierbij wordt gekeken naar de eerste zes maanden van dit jaar.
Deelt u de constatering dat bij herbestemming van het beoogde kazerneterrein in Vlissingen ten behoeve van een multifunctionele kazerne voor het Rijk niet alle tot op heden gemaakte kosten voor niets waren? Zo nee, waarom niet? Welke kosten waren dan wel voor niets?
Zie antwoord vraag 2.
Van welke totale kosten voor de bouw van de nieuwe marinierskazerne in Vlissingen gaat u momenteel uit? Hoe verhoudt die raming zich tot de oorspronkelijke raming voor een «state of the art» kazerne zoals door uw ministerie gemaakt in 2012?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de commercieel vertrouwelijke bijlage bij deze brief. Dit antwoord gaat in op de bouwkosten. Daarnaast houdt Defensie in de financiering van het project rekening met exploitatiekosten. Uw Kamer wordt zoals gebruikelijk voorafgaand aan de gunning geïnformeerd over het te sluiten contract en de totale kosten.
Kunt u uw eerdere stellingname in antwoorden op Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 1932), dat het annuleren van het verhuisbesluit «tientallen miljoenen euro's» zou kosten, financieel onderbouwen? Zo nee, waarom niet? Waaruit bestaan bijvoorbeeld de kosten á 13,8 miljoen euro, waarvan de provincie Zeeland zelf zegt dit uit te hebben gegeven aan de kazerne, terwijl er nog geen schep in de grond is gegaan?
Voor de berekening van de kosten die Defensie kwijt zou zijn in geval de aanbesteding wordt afgebroken verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.
In de voortgangsrapportage van de provincie aan provinciale staten van eind maart 2018 over het project MARKAZ staat, dat van het beschikbare budget van ruim € 18 miljoen (€ 15 miljoen van de provincie en ruim € 3 miljoen van de gemeente Vlissingen) nog ca. € 4,2 miljoen resteert. De provincie en de gemeente hebben tot nu toe € 13,8 miljoen besteed aan onderzoek en planvorming, grondverwerving, sloopkosten, explosievenruiming, engineering en aanleg van nutsvoorzieningen, een afkoopsom voor bouwrijp maken, communicatie en promotie.
Welke financiële risico’s zitten er aan de bouw en aan de exploitatie van de nieuw te bouwen kazerne in Vlissingen? Wat is de financiële omvang van deze risico's? Zijn deze risico’s groter door de gekozen DBFMO-constructie?
De financiële risico’s gedurende de bouw en de exploitatie van de kazerne zijn op geld gewaardeerd in de commercieel vertrouwelijke Public Sector Comparator(PSC). De PSC maakt onderdeel uit van de DBFMO-constructie. Voor deze waardering verwijs ik u graag naar de commercieel vertrouwelijke bijlage bij deze brief.
In de DBFMO-overeenkomst betaalt Defensie een prestatie-gerelateerde vergoeding. Daarmee liggen deze risico’s bij het consortium, dat deze risico’s het beste kan mitigeren. Tot die tijd bestaan de financiële risico’s voor Defensie uit mogelijke gevolgen van de ontwerpkeuze, algemene marktrisico’s zoals rente en inflatie, het aanbestedingsresultaat en prijsontwikkelingen in de vastgoedsector.
In hoeverre is de inrichting van de nieuw te bouwen kazerne in Vlissingen vergelijkbaar met de raming in 2012? Klopt het bijvoorbeeld dat de geplande schietbanen bij de nieuw te bouwen kazerne in Vlissingen maar half zo groot zijn als door de mariniers was gevraagd, en dat hierdoor slechts met zes mariniers tegelijk kan worden getraind in plaats van de vaste aanvalsteams van zestien personen, en dat er niet of beperkt geschoten kan worden? Zo ja, bent u voornemens een alternatieve faciliteit in gebruik te nemen voor oefeningen met zestien mariniers waar geen schietbeperkingen zijn en wat zijn daarvan de meerkosten?
Sinds 2012 is de behoeftestelling op onderdelen aangepast. Er is bijvoorbeeld nu voorzien in de huisvesting van marechaussees en van de NATRES op het terrein, en in de opslag van Viking rupsvoertuigen. Daarnaast is het aantal parkeerplaatsen voor civiele personenauto’s conform normering naar beneden bijgesteld.
Het aantal schietpunten van een reguliere schietbaan, zoals op de kazerne in Vlissingen is voorzien, wordt bepaald op basis van gebruiksintensiteit per jaar. De in de huidige ontwerpspecificatie opgenomen schietfaciliteiten zijn op basis van de hierbij horende capaciteitsberekening nog steeds afdoende. Door het treffen van geluidwerende maatregelen, hetgeen onderdeel is van de uitvraag bij de consortia, voldoet het gehele operationele gebied aan de wet- en regelgeving en zijn er geen schietbeperkingen.
Ten aanzien van een aantal onderdelen in de behoeftestelling en bijbehorende outputspecificatie, waaronder onder andere het aantal schietpunten, overkappingen voor het stallen van militaire voertuigen en havenfaciliteiten, heeft de medezeggenschap aangegeven dat zij de huidige outputspecificatieniet vinden voldoen. Hierover is Defensie intern nog in gesprek.
Klopt het dat niet alle gewenste helikoptertrainingen bij de nieuw te bouwen kazerne in Vlissingen uitgevoerd kunnen worden en dat voor bepaalde trainingen uitgeweken gaat moeten worden naar andere locaties? Zo ja, wat zijn daarvan de meerkosten?
Net als nu in Doorn zijn de mariniers na de verhuizing naar Vlissingen voor helikoptertrainingen aangewezen op trainingslocaties zoals de vliegbases Gilze-Rijen en Deelen, en op laagvlieggebieden op een aantal locaties waar ook geïntegreerd geoefend wordt (dit betreft de Oirschotse heide, Leusderheide, Weerter- en Budelerheide, Ederheide en de Marnewaard). Daarnaast zullen de mariniers jaarlijks oefeningen houden op terreinen als ISK Harskamp, ASK Oldebroek en op Texel. Voor het bereiken van deze terreinen is de kazerne in Doorn gunstiger gelegen.
Bij verhuizing naar Vlissingen kan in de toekomst voor het trainingsprogramma van de mariniers ook gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden die de in Zeeland aangeboden terreinen bieden. Momenteel is Defensie in gesprek met terreineigenaren, gemeenten en de provincie Zeeland over het medegebruik van verschillende terreinen. Voor een aantal terreinen is al een contract afgesloten.
De meerkosten van de verhuizing naar Vlissingen betreffen voornamelijk reis- en verblijfkosten. In 2012 zijn de hieruit voortkomende exploitatiekosten op enkele honderdduizenden euro’s geraamd. Deze kosten zijn echter afhankelijk van een aantal factoren, zoals de oefen- en trainingsschema’s van de mariniers en dienstreizen ten behoeve van opleidingen en bedrijfsvoeringactiviteiten. Dit zijn factoren die nog niet vastliggen en per marinier zullen verschillen. Het is daarom niet mogelijk om deze kosten exact te duiden.
Klopt het dat bij de nieuw te bouwen kazerne in Vlissingen geen oefeningen uitgevoerd kunnen worden tijdens het broed- en strandseizoen? Moet hier een alternatief voor worden gezocht? Zo ja, wat zijn daarvan de meerkosten?
Net als op de oefenterreinen van Defensie elders in Nederland wordt in Zeeland rekening gehouden met natuurwaarden. Voor de oefen- en trainingsfaciliteiten op de kazerne leveren het broed- en het strandseizoen geen beperkingen op. Op twee gebieden buiten de kazerne, namelijk de Kop van Schouwen en Krammer-Volkerak, gelden beperkingen gedurende het broedseizoen. Hiermee kan rekening worden gehouden in de planning en hiervoor zijn zodoende geen alternatieven nodig.
Voor het medegebruik van terreinen van Staatsbosbeheer en North Sea Port zal Defensie, zoals gebruikelijk bij dit soort terreinen, rekening houden met recreatieve medegebruikers.
Welke kosten gaan gepaard met de extra reistijd en reiskosten die gemaakt moeten worden voor de veel grotere afstand die mariniers moeten afleggen vanuit Vlissingen ten opzichte van Doorn om bij andere militaire bases te komen, zoals bijvoorbeeld Den Helder, Gilze-Rijen en de Harskamp?
Zie het gecombineerde antwoord op vraag 8 en 10.
Gedurende hoeveel jaren verwacht u dat extra accommodatie nodig is voor personeel dat niet verhuist en daardoor op de nieuw te bouwen kazerne in Vlissingen moet worden gehuisvest? Wat zijn de financiële consequenties als deze verwachting niet uitkomt? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de behoeftestelling is ervan uitgegaan dat gedurende tien jaar extra behoefte aan legering bestaat. Als er gedurende een langere tijd extra legering nodig is, gaat dit gepaard met extra exploitatiekosten. De hoogte hiervan is sterk afhankelijk van de invulling van een contract met een consortium. Deze kosten kunnen daarom nu nog niet worden berekend.
Klopt het dat de gemeente Utrechtse Heuvelrug inmiddels een nabij de Van Braam Houckgeestkazerne gelegen golfbaan heeft opgekocht, terwijl het niet kunnen aankopen van deze golfbaan een struikelblok was voor eventuele uitbreiding van de kazerne?
De gemeenteraad heeft op 14 maart jl. bepaald dat Utrechtse Heuvelrug het perceel zal overnemen. Indertijd heeft Defensie gepoogd dit perceel te kopen, om het bij de kazerne te kunnen trekken. Dit is toen niet gelukt.
Bent u bereid met de gemeente Utrechtse Heuvelrug in gesprek te gaan om te bezien wat de mogelijkheden op het moment zijn en welke oplossingen eventueel kunnen worden gevonden voor de plannen die de gemeente inmiddels heeft voor het terrein van de Van Braam Houckgeestkazerne? Zo nee, waarom niet?
Zie het gecombineerde antwoord op vraag 2, 3, 13 en 14.
Bent u, mede gelet op de uitlating van voormalig Minister Hans Hillen dat hij een scenario van instandhouding van de Van Braam Houckgeestkazerne nooit serieus heeft genomen2, bereid nauwkeurig en serieus te laten onderzoeken welke besparingen ten opzichte van het huidige besluit kunnen worden bereikt met het in stand houden van de Van Braam Houckgeestkazerne, zoals bijvoorbeeld besparingen op het gebied van verhuiskosten en het aantal boordplaatsers? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Welke besluiten met betrekking tot het vastgoed van Defensie zijn sinds 2012 teruggedraaid of aangepast? Wat waren hier de financiële consequenties van?
In de nota «In het belang van Nederland» van 17 september 2013 was onder meer besloten tot de sluiting en afstoting van de Van Ghentkazerne in Rotterdam en de Johan Willem Frisokazerne in Assen. Deze maatregelen zijn in de maanden daarna teruggedraaid. Civiel medegebruik maakte voor deze kazernes kostenverdeling en een meer optimale bezetting mogelijk.
Onlangs is in de Defensienota 2018 aangekondigd dat een aantal defensielocaties openblijft: het Complex Brasserskade in Den Haag, het munitiecomplex in Alphen, de Korporaal van Oudheusdenkazerne in Hilversum, de Joost Dourleinkazerne op Texel, Kamp Nieuw Milligen in Uddel en de Koningin Wilhelminakazerne in Ossendrecht. Enkele andere locaties worden nog onderzocht.
Dit leidt tot een verhoogde exploitatie en in voorkomend geval het wegvallen van geraamde verkoopopbrengsten. Daarnaast zijn op bepaalde locaties investeringen benodigd. Defensie actualiseert de Vastgoedportefeuille Strategie. De daar uit volgende stand van zaken en de financiële gevolgen van de defensielocaties die open zijn, open blijven, en in de toekomst nog open zullen gaan, zullen worden verwerkt in het Materieel Projecten Overzicht, de begroting en het jaarverslag.
Deelt u de mening dat in onze moderne samenleving het werk van de partner even belangrijk is als dat van de marinier en het weinig emancipatoir is van hem of haar te verlangen dat hij/zij zijn/haar werk, familie en sociaal leven achterlaat om met de marinier mee te verhuizen? Bent u bereid bij uw onderzoek naar de oorzaken van de verhoogde uitstroom bij het Korps Mariniers de consequenties voor partners en kinderen expliciet te onderzoeken en mee te laten wegen? Zo nee, waarom niet?
Defensie kent naast de mariniers veel meer uitgezonden militairen van wie velen niet wonen in de nabijheid van hun kazerne, vliegbasis of de marinehaven in Den Helder. De beslissing over het al dan niet meeverhuizen van gezinsleden is altijd aan de individuele militair geweest. Ik ben me er terdege van bewust dat een verhuizing naar Vlissingen invloed zal hebben op de privésituatie van de mariniers, zeker als partners van de mariniers momenteel in de omgeving van Doorn werkzaam zijn.
De daling van het aantal uitzettingen |
|
Sietse Fritsma (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Uitzetting stokt: duizenden afgewezen immigranten gaan niet weg»?1
Ja.
Waarom laat u afgewezen vreemdelingen vrij in onze samenleving rondlopen, zelfs als ze bijvoorbeeld jarenlang als krakersbende door de hoofdstad trekken?
Voor de beantwoording van deze vragen verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen van uzelf en het lid Kops, die op 25 april 2018 naar de Kamer zijn verzonden (Tweede Kamer, Vergaderjaar 2017–2018, Aanhangsel van de Handelingen 1940).
Realiseert u zich dat u het illegalenprobleem door dit laffe gedoogbeleid niet oplost maar erger maakt?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid alle illegalen eindelijk van straat te halen, vast te zetten en uit te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u tevens bereid landen van herkomst die niet meewerken aan uitzettingen eindelijk eens te sanctioneren? Zo nee, waarom niet?
Landen zijn op basis van internationaal recht verplicht hun onderdanen terug te nemen. Dit gebeurt in onvoldoende mate ten aanzien van een aantal landen. Hierin ligt de noodzaak voor een brede aanpak van positieve en negatieve prikkels om die landen tot betere samenwerking te bewegen. Dit staat dit kabinet ook voor. Ook op EU-niveau zet ik mij in voor het behalen van betere terugkeerresultaten. Voor de EU is terugkeer een beleidsprioriteit, waarbij een «more for more» en «less for less»-aanpak wordt gehanteerd. De (onder meer door Nederland gesteunde) aankondiging van mogelijke maatregelen op het terrein van het visumbeleid door de EU heeft geleid tot verbetering van de terugkeersamenwerking met Bangladesh. Met gezamenlijk optreden van de EU kunnen dus resultaten op terugkeer worden bereikt. Net als bij alle maatregelen binnen de strategische landenbenadering is de inzet maatwerk, waarbij steeds moet worden gekeken naar effectiviteit en proportionaliteit. Er zal bij het inzetten van negatieve prikkels altijd oog moeten worden gehouden voor mogelijke repercussies in de bilaterale relaties van zowel NL als van de EU.
Deelt u de mening dat degenen die (nog) niet gedwongen kunnen worden uitgezet ook moeten worden vastgezet totdat ze zelfstandig uit ons land vertrekken? Zo nee, waarom niet?
Nee. De aanwezigheid van een zicht op uitzetting is een uit artikel 5 van het EVRM volgende voorwaarde voor vreemdelingenbewaring. Zonder zicht op uitzetting is bewaring in strijd met dat verdrag. Wel kan een vreemdeling worden vastgehouden als aan zijn uitzetting gewerkt wordt, en er wordt voldaan aan de overige criteria die worden gesteld aan bewaring. Zoals opgenomen in het regeerakkoord zet het kabinet in op het vergroten van de mogelijkheden om vreemdelingen in bewaring te kunnen stellen maar dit vindt vanzelfsprekend zijn grens in de fundamentele waarborgen van het EVRM.
Kunt u Nederland in plaats van een illegalenparadijs niet beter een paradijs voor Nederlanders laten zijn?
Ik kan mij in de omschrijving van Nederland als een illegalenparadijs niet vinden.
Het gelekte water uit kernreactor Doel 1 dat radioactief kan zijn |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Meiler Doel 1: Wasser könnte radioaktiv sein», waaruit blijkt dat het water dat vorige week is gelekt uit de Belgische kenrector Doel 1 radioactief kan zijn?1
Ja.
Bent u door de Belgische autoriteiten op de hoogte gebracht van dit nieuws? Zo ja, wanneer?
De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) heeft op 23 april 2018 contact gezocht met het Federaal Agentschap Nucleaire Controle (FANC) naar aanleiding van de berichtgeving over deze kwestie in de media. Door een administratieve vergissing was de ANVS, tegen de afspraken in, niet actief door de Belgische autoriteiten geïnformeerd over het opgetreden lek in de kerncentrale Doel-1. Het FANC gaf aan dat er geen gevolgen waren voor de veiligheid van de installatie of de omgeving en de bevolking in Nederland.
Doordat er geen melding is gedaan aan de ANVS, heeft de melding mij op dat moment niet bereikt.
Zijn tegelijkertijd ook de lokale autoriteiten op de hoogte gebracht? Zijn zij tevreden over hoe de communicatie heeft plaatsgevonden? Zo nee, waarom niet?
De veiligheidsregio’s Zeeland en Midden- en West-Brabant hebben volgens staande afspraak op 23 april ter informatie een melding over de gebeurtenis ontvangen van de regionale meldkamer in België.
Vanaf 23 april is juist en consequent door alle betrokkenen meegedeeld dat er geen gevolgen waren voor de veiligheid. Daar zijn betrokkenen tevreden over. De veiligheidsregio’s Zeeland en Midden- en West-Brabant achten de eerste communicatie naar het publiek echter, en mijns inziens terecht, onvoldoende, nu daarbij geen duidelijkheid is betracht over de aard en de locatie van het lek. Hierover is vervolgens beroering ontstaan, die wellicht te vermijden was geweest bij adequatere informatievoorziening aan publiek en (regionaal en lokaal) bestuur. De bestaande afspraken hierover zullen door alle betrokken partijen worden bezien.
Kunt u uitleggen waarom pas na een week in een Duitse krant is te lezen dat het gelekte water mogelijk radioactief is? Deelt u de mening dat dit niet bijdraagt aan het vertrouwen in de communicatie van de betreffende energiemaatschappij en de autoriteiten? Zo ja, wat kunt u hier zelf aan verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Ziet u redenen om na deze lekkage in de kernreactor de communicatie naar omwonenden en de samenwerking met buurlanden en lokale autoriteiten aan te passen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Is inmiddels bekend of het gelekte water werkelijk radioactief is? Zo ja, wat zijn de gevolgen hiervan voor mens, dier en milieu? Zo nee, waarom nog niet?
Het gelekte water is licht radioactief. Er zijn geen gevolgen voor mens, dier en milieu omdat het water opgevangen is in een daarvoor ontworpen en gesloten systeem binnen de centrale zelf. Het opgevangen water wordt verder op dezelfde wijze behandeld en gerecycled als de rest van het water in de kringloop waarin zich het lek bevindt. Dit vindt allemaal plaats binnen in de reactorgebouwen, er is geen sprake van radioactief water dat vrijkomt in de omgeving, ook niet bij dit incident. Het was belangrijk geweest, dit meteen voor alle omwonenden helder te maken.
Deelt u de mening van het voormalig hoofd van de Duitse Nuclear Regulatory Authority dat het lek in het nood- en onderkoelsysteem absoluut abnormaal is en dat dit lek betekent dat het kwaliteitsmanagement bij Engie-Electrabel aanzienlijke tekorten vertoont? Zo nee, waarom niet?
Onderzoek moet uitwijzen wat de oorzaak is van het lek. Daarna pas kunnen er door het FANC als toezichthouder conclusies worden getrokken. Vooralsnog heeft het FANC de gebeurtenis ingeschaald als INES-0, dat wil zeggen dat het een afwijking was zonder impact op de veiligheid.
Bent u bereid om u, in het belang van de veiligheid van inwoners en in het belang van het milieu, uit te spreken tegen de levensduurverlenging van de kerncentrales in Doel en Tihange? Zo nee, waarom niet?
Levensduurverlenging van de Belgische kerncentrales en keuzes op het gebied van het Belgische energiebeleid zijn beslissingen die vallen onder de bevoegdheid van de Belgische overheid. Dat neemt niet weg dat ik de besluitvorming over levensduurverlenging van de kerncentrales in België, waartoe onlangs een principebesluit is genomen door het Belgische kabinet, de komende tijd nauwlettend zal volgen en mij zal laten informeren over de veiligheidsaspecten hiervan, voor zover gerelateerd aan de veiligheid van de bevolking in Nederland. Daarbij vormen verouderingsaspecten een bijzonder aandachtspunt, zoals ik hierboven eerder heb aangegeven. Indien hierover twijfel zal ontstaan zal ik niet aarzelen hierover in overleg te treden met de regering van België. Op dit moment vindt een Europese peer review-sessie plaats in Luxemburg door de Europese toezichthouders, specifiek gericht op veroudering in kernreactoren. Nederland zal hierbij specifiek aandacht besteden aan de presentatie en toelichting van België hieromtrent.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het Algemeen Overleg Nucleaire Veiligheid, dat plaats vindt op 17 mei 2018?
Ja.
Het bericht “Companies sign up to pledge to cut plastic pollution” en “UK supermarkets launch voluntary pledge to cut plastic packaging” |
|
Jessica van Eijs (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Companies sign up to pledge to cut plastic pollution» en «UK supermarkets launch voluntary pledge to cut plastic packaging»?1 2
Ja.
Wat vindt u van het UK Plastics Pact?
Zie het antwoord op vraag 2 van het lid Van Brenk.
Zijn de verhoudingen en/of problematiek van plastic verpakkingen en plastic afval in het Verenigd Koninkrijk vergelijkbaar met Nederland?
Het Verenigd Koninkrijk rapporteerde over 2015 een recyclingpercentage van kunststof verpakkingsafval van 39%. Het restant wordt verbrand of gestort. In Nederland recycleden we in 2015 en 2016 51% van de kunststof verpakkingen. Het restant wordt nuttig gepast door middel van verbranding met energieterugwinning. Daarmee is Nederland koploper. De genoemde cijfers lijken erop te wijzen dat Nederland ten opzichte van het Verenigd Koninkrijk voorloopt. Uiteraard neemt dit niet weg dat ook Nederland nog de nodige stappen heeft te zetten bij het sluiten van de kunststof verpakkingsketen en het terugdringen van de hoeveelheid plastic afval, en dat initiatieven uit het Verenigd Koninkrijk ook voor de Nederlandse situatie leerzaam en bruikbaar kunnen zijn.
Zijn de doelen gesteld in het UK Plastics Pact haalbaar voor Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is het aandeel van «single use plastics» anders dan verpakkingen in het Nederlands afval?
Ongeveer 14% van het huishoudelijk restafval betreft kunststoffen; daarvan is 9% verpakkingen en 5% niet-verpakkingen. Van de niet-verpakkingen is de helft vuilniszakken (2,5%). Deze kunnen als single-use gezien worden. Van de overige niet-verpakkingen (ook 2,5%) is niet bekend welk deel hiervan single use genoemd kan worden.
Hoe verhoudt het pact in het Verenigd Koninkrijk zich tot de afspraken gemaakt in de Raamovereenkomst Verpakkingen?
In de Raamovereenkomst zijn doelen gesteld voor het recyclen van verpakkingen. In de brancheverduurzamingsplannen, die uit de Raamovereenkomst zijn voortgekomen, wordt ingezet op preventie van verpakkingen, het beter recyclebaar maken van verpakkingen en het toepassen van recyclaat in verpakkingen. Met de Raamovereenkomst wordt dus invulling gegeven aan de vier onderwerpen waarvoor het Britse pakket ambities heeft gesteld.
Is een vergelijkbaar pact zoals gesloten in het Verenigd Koninkrijk haalbaar voor Nederland als het gaat om «single use plastics»?
In het kader van de kabinetsreactie op de transitieagenda’s zal ik ingaan op het beleid om het gebruik van wegwerpproducten te verminderen. Daarnaast is met de motie Van Eijs/Agnes Mulder3 verzocht om de producentenverantwoordelijkheid uit te breiden naar andere productgroepen en daarbij als eerste te kijken naar wegwerpproducten, meubels en textiel. Hier kom ik in de kabinetsreactie op de transitieagenda’s op terug.
Een mogelijk verbod of andere beleidsmaatregelen voor het terugdringen van single use plastic dienen bij voorkeur in EU-verband te worden uitgewerkt. Zie ook mijn antwoord op vraag 4 van het lid Van Brenk.
Is de Staatssecretaris bereid in gesprek te gaan met producenten en afnemers van «single use plastics» om te kijken of vergelijkbare doelstellingen gesteld kunnen worden voor «single use plastics» in Nederland?
Zie antwoord vraag 7.
Het lot van Nederlandse IS-kinderen |
|
Lilianne Ploumen (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Coalitie oneens over ophalen IS-kinderen»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van de actuele verblijfplaats van de naar schatting 175 Nederlandse kinderen die in voormalig IS-gebied verblijven of hebt u daar tenminste een indicatie van? Zo ja, waar verblijven deze kinderen? Zo nee, waarom bent u hiervan niet op de hoogte?
Op dit moment verblijven er ten minste 145 kinderen met een Nederlandse link in het overgebleven strijdgebied in Syrië en Irak. Daarnaast bevinden zich ten minste 30 kinderen met een Nederlandse link (in de regio) buiten het strijdgebied, waaronder in de opvangkampen in Noord-Syrië. Het gaat om kinderen met de Nederlandse nationaliteit of kinderen die hierop aanspraak kunnen maken.
Beschikt u over signalen dat er kinderen van relatief veilige Koerdische gebieden naar IS-gebieden worden overgebracht? Zo ja, waar bestaan die signalen uit? Zo nee, komt dat omdat u geen actueel beeld hebt van de verblijfplaats van deze kinderen of zijn er andere redenen waarom u dat niet weet?
Deze berichten zijn vanuit meerdere kanalen tot mij gekomen, onder meer vanuit familieleden van uitreizigers. Hen bereikte het bericht dat men mogelijk bezig zou zijn om vrouwen en kinderen uit een vluchtelingenkamp terug naar IS gebied te brengen. Vooralsnog kunnen deze berichten niet bevestigd worden.
Heeft u actief contact gezocht met de autoriteiten van de Koerdische Autonome Regio of gaat Nederland dat nog doen, om u op de hoogte te stellen van de situatie waarin de Nederlandse IS-kinderen zich bevinden en of er sprake is van een verplaatsing naar IS-gebied? Zo ja, wat is de uitkomst van dat contact? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft, via haar Consulaat Generaal in Erbil, structureel contact met de autoriteiten van de Koerdische Autonome Regio in Irak over uiteenlopende onderwerpen. In Noord Syrië is er geen formeel contact met de lokale groepering die de leiding hebben over de kampen, zoals de Syrian Democratic Forces/ Partiya Yekîtiya Demokrat. Wel hebben er recentelijk in Nederland met medewerkers van het Ministerie van BZ en JenV gesprekken plaatsgevonden met deze groepering.
Deelt u de mening dat als blijkt dat er Nederlandse kinderen naar IS-gebied worden overgebracht, dat een groter gevaar voor die kinderen oplevert en er ook toe kan leiden dat zij nog verder van de Nederlandse samenleving komen af te staan? Zo ja, wat verandert dat aan het kabinetsstandpunt ten aanzien van het naar Nederland terugbrengen van IS-kinderen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in mijn reactie op het standpunt van de Kinderombudsman die tegelijkertijd met deze beantwoording naar uw Kamer is gezonden, zie ik deze kinderen in de eerste plaats als slachtoffer van de door hun ouders gemaakte, gevaarlijke keuzes en de als gevolg daarvan ontstane victimisatie. In de belangenafweging worden naast de belangen van de kinderen, diplomatieke verhoudingen, de veiligheid van de betrokkene en nationale veiligheidsbelangen afgewogen. Deze weging leidt ertoe dat dat het kabinet niet actief inzet op het terughalen van volwassen uitreizigers en hun minderjarige kinderen uit Syrië en Irak. Dit laat onverlet dat de situatie voortdurend wordt gemonitord.
Het bericht “Veiligheid schiet tekort bij veel munitiedepots” |
|
Emiel van Dijk (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veiligheid schiet tekort bij veel munitiedepots»?1
Ja.
Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van de tekortkomingen bij de munitiedepots, wat er inmiddels is gedaan om de veiligheid te herstellen en hoe u gaat voorkomen dat dit in de toekomst niet meer zal voorvallen? Kunt u een overzicht geven, uitgesplitst naar locatie, situatie, veiligheidsrisico’s, ondernomen acties en te ondernemen acties met tijdspad?
De geconstateerde tekortkomingen betreffen voornamelijk infrastructurele voorzieningen, keuringen van gereedschappen en apparatuur, aanwezige kennis van regelgeving en correcte opslag. De belangrijkste geconstateerde tekortkoming betreft de bliksembeveiligingsinstallaties.
De tekortkomingen die de lokale verantwoordelijken van Defensie zelf konden aanpakken zijn opgelost. Zo zijn reparaties uitgevoerd aan luchtbehandelingsinstallaties, markeringsborden vervangen of geplaatst, drempelplaten voorzien van aardkabels en is een calamiteitencentrum verplaatst. Voor het oplossen van de infrastructurele tekortkomingen op onder meer keuringen en bliksembeveiliging (overspanningsbeveiliging) is Defensie afhankelijk van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). De aanpassing van de bliksembeveiliging betreft een groot aantal oude bunkers waarvan de complexe bliksembeveiligingsinstallaties moeten worden aangepast of vervangen. Dit vereist ingrijpende verbouwingen die zorgvuldig moeten worden uitgevoerd. Op dit moment wordt hiervoor, in nauwe samenwerking met het RVB, een plan van aanpak opgesteld en voorgelegd aan de I-SZW.
Daarnaast inventariseert het RVB momenteel of de tekortkomingen in de bliksembeveiliging zich ook op andere munitiecomplexen voordoen. Deze inventarisatie zal naar verwachting in juli 2018 worden voltooid. Tot die tijd worden, in nauw overleg met I-SZW, voorzorgs- en herstelmaatregelen genomen, zodat het werk op een veilige manier kan worden uitgevoerd. Dit uitgangspunt staat uiteraard altijd voorop.
Naast de verbetertrajecten per locatie wordt een defensiebreed verbetertraject opgestart die zich onder meer richt op regelgeving, opleidingen en kennis. Gezien de omvang van dit traject zal dit enige tijd in beslag nemen.
Deelt u de mening dat dit het zoveelste brevet van onvermogen is van de Defensie Materieel Organisatie, om de veiligheid van ons defensiepersoneel en omwonenden te garanderen, en dat het hoog tijd is om de bezem grondig door deze organisatie te halen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Om Defensie een organisatie te laten zijn waar veiligheid de norm is, is de gezamenlijke inzet van alle medewerkers, zowel militairen als burgers, op elk niveau nodig. Zoals verwoord in het plan van aanpak «Een veilige defensieorganisatie» dat op 28 maart 2018 is verzonden aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Kamerstuk 34 919, nr. 4) is het veiliger maken van de werkomgeving een topprioriteit voor de komende jaren.
Een lek in het nucleaire gedeelte van kernreactor Doel 1 |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Belgische kernreactor Doel 1 ligt stil tot oktober», waaruit blijkt dat de reactor van de kerncentrale Doel 1 is stilgelegd vanwege een lek in het nucleaire gedeelte?1
Ja.
Kunt u aangeven wanneer u door de Belgische autoriteiten op de hoogte bent gebracht van deze lekkage en met welke risicobeoordeling? Bent u tevreden over de communicatie? Zo nee, waarom niet?
De Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) heeft op 23 april 2018 contact gezocht met het Federaal Agentschap Nucleaire Controle (FANC) naar aanleiding van de berichtgeving over deze kwestie in de media. Door een administratieve vergissing was de ANVS, tegen de afspraken in, niet actief door de Belgische autoriteiten geïnformeerd over het opgetreden lek in de kerncentrale Doel-1. Het FANC gaf aan dat er geen gevolgen waren voor de veiligheid van de installatie of de omgeving en de bevolking in Nederland.
Nu er naar het oordeel van FANC geen gevolgen waren voor veiligheid en milieu heeft de melding mij op dat moment niet bereikt. Dit is wel gebeurd naar aanleiding van vragen vanuit de regio en aandacht in de media, op 28 april 2018.
De voorlopige INES-inschaling als INES-0 (geen impact voor de veiligheid) is door het FANC op 2 mei 2018 vastgesteld en gecommuniceerd. Vanaf 23 april 2018 is juist en consequent door alle betrokkenen meegedeeld dat er geen gevolgen waren voor de veiligheid. Dat is goed gegaan. Waar ik niet tevreden over ben is dat de ANVS niet meteen is geïnformeerd. Ook constateer ik dat uit de eerste publiekscommunicatie vanuit ENGIE onvoldoende duidelijk was wat de aard en locatie van de gebeurtenis was.
Kunt u beoordelen of de Belgische autoriteiten adequaat hebben gereageerd op de lekkage? Zo ja, wat is uw oordeel? Zo nee, waarom niet?
Het FANC heeft bevestigd dat de vergunninghouder ENGIE (als primair verantwoordelijke) de juiste acties heeft ondernomen in reactie op de constatering van de lekkage zoals deze zijn vastgelegd in de technische specificaties van de installatie. Er was dus tijdens het voorval geen noodzaak voor het FANC om vanuit zijn rol als toezichthouder in te grijpen. Wel is geconstateerd dat de Belgische autoriteiten ten onrechte de ANVS niet hebben geïnformeerd.
Ook heeft Minister Jambon aangegeven dat ENGIE 5 dagen te laat (op 30 april 2018) pas een voorstel heeft ingediend voor een INES-inschaling van de gebeurtenis. Het FANC heeft op 2 mei 2018 deze gebeurtenis voorlopig vastgesteld als INES-0, een afwijking zonder gevolgen voor de veiligheid, en deze gecommuniceerd. Het FANC geeft aan dat dit incident geen enkele impact heeft op de veiligheid van de personeelsleden, de bevolking of het leefmilieu.
Kunt u uitsluiten dat Nederlandse burgers gevaar hebben gelopen? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of het lek te maken heeft met de ouderdom van de kerncentrale? Zo nee, waarom niet?
Onderzoek moet uitwijzen wat de oorzaak is van het lek. Daarna pas kunnen er door het FANC als toezichthouder conclusies worden getrokken. Vooralsnog heeft het FANC de gebeurtenis ingeschaald als INES-0. Dat wil zeggen dat het een afwijking was zonder impact op de veiligheid, maar ik vind het belangrijk dat er bij het onderzoeken van dit incident, maar ook in het algemeen, wordt gekeken naar risico’s door veroudering.
Bent u bereid om u, in het belang van de veiligheid van inwoners en in het belang van het milieu, uit te spreken tegen de levensduurverlenging van de kerncentrales in Doel en Tihange? Zo nee, waarom niet?
Levensduurverlenging van de Belgische kerncentrales en keuzes op het gebied van het Belgische energiebeleid zijn beslissingen die vallen onder de bevoegdheid van de Belgische overheid. Dat neemt niet weg dat ik de besluitvorming over levensduurverlenging van de kerncentrales in België, waartoe onlangs een principebesluit is genomen door het Belgische kabinet, de komende tijd nauwlettend zal volgen en mij zal laten informeren over de veiligheidsaspecten hiervan, voor zover gerelateerd aan de veiligheid van de bevolking in Nederland. Daarbij vormen verouderingsaspecten een bijzonder aandachtspunt, zoals ik hierboven eerder heb aangegeven. Indien hierover twijfel zal ontstaan zal ik niet aarzelen hierover in overleg te treden met de regering van België. Op dit moment vindt een Europese peer review-sessie plaats in Luxemburg door de Europese toezichthouders, specifiek gericht op veroudering in kernreactoren. Nederland zal hierbij specifiek aandacht besteden aan de presentatie en toelichting van België hieromtrent.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het algemeen overleg Nucleaire Veiligheid, dat plaatsvindt op 17 mei 2018?
Ja.
Het bericht ‘Proefverlof ophanden voor vader die zijn zes kinderen de dood injoeg.’ |
|
Geert Wilders (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Proefverlof ophanden voor vader die zijn zes kinderen de dood injoeg»? Zo nee, waarom niet?1
Ja.
Deelt u de mening dat een man die zes kinderen in 2002 heeft vermoord en volgens het vonnis nu in tbs had moeten zitten, geen proefverlof mag krijgen?
De rechter heeft de verdachte in deze zaak in 2003 een gevangenisstraf van 15 jaar en tbs met verpleging opgelegd. De tbs-maatregel is erop gericht mensen veilig terug te laten keren in de samenleving. Het proefverlof is een cruciaal onderdeel van de resocialisatie van tbs-gestelden en de laatste fase van een stapsgewijze uitbreiding van vrijheden binnen de behandeling. Voordat een tbs-gestelde met proefverlof kan moet hij eerst de stappen van begeleid verlof, onbegeleid en transmuraal verlof (betrokkene verblijft buiten de tbs-kliniek in een instelling voor Beschermd Wonen (RIBW) of een psychiatrische instelling) succesvol hebben doorlopen. Hierdoor wordt op een verantwoorde wijze toegewerkt naar terugkeer van de tbs-gestelde in de samenleving.
De verlofprocedure vindt zorgvuldig plaats en is alleen mogelijk na uitvoerige beoordeling door verschillende partijen, waaronder het onafhankelijke Adviescollege verloftoetsing tbs (Avt). Ook een slachtofferonderzoek, waarin een analyse van mogelijke gevolgen en veiligheidsrisico’s van het verlenen van verlof voor het slachtoffer of zijn of haar omgeving wordt gemaakt, maakt onderdeel uit van de verlofaanvraag.
Proefverlof betekent overigens niet dat de tbs-maatregel eindigt. Bij proefverlof houdt de reclassering toezicht en blijft de tbs-kliniek verantwoordelijk voor de tbs-gestelde. Na deze laatste verloffase kan de rechter de tbs voorwaardelijk beëindigen. Tijdens de voorwaardelijke beëindiging houdt de reclassering toezicht. De rechter kan de voorwaardelijke beëindiging telkens met één of twee jaar verlengen, zolang hij dit nodig acht.
Deelt u de mening dat van het jarenlang in de watten leggen van deze gruwelijke crimineel, die zijn zes kinderen heeft vermoord, geen enkel afschrikwekkend effect uit gaat? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de rechter om te bepalen welke straf en/of maatregel past bij het gepleegde delict. De rechter houdt daarbij onder andere rekening met de aard en de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden van het individuele geval en het advies van gedragswetenschappers. Het is niet aan mij om een oordeel te geven over de strafmaat in deze zaak.
Wanneer gaat u eens logisch nadenken en komt u tot het heldere inzicht dat het invoeren van hoge minimumstraffen voor dit soort misdaden de enige oplossing is om criminelen ècht rechtvaardig te straffen?
Met het aantreden van het vorige kabinet in 2012 is het wetsvoorstel omtrent het invoeren van minimumstraffen voor recidive bij zware misdrijven ingetrokken. Uw Kamer is hierover bij brief van 12 februari 20132 op de hoogte gesteld. Ik zie op dit moment geen aanleiding voor de invoering van minimumstraffen.
Bent u bereid gebruik te maken van de mogelijkheid dit proefverlof tegen te houden? Zo nee, waarom niet en hoe gaat u dit aan de (nabestaanden van) de slachtoffers uitleggen?
Verloven van tbs-gestelden kunnen als ingrijpend worden ervaren door slachtoffers en nabestaanden. Ik hecht er dan ook aan dat slachtoffers en nabestaanden tijdig geïnformeerd worden over verloven en dat de slachtofferbelangen worden meegewogen bij de verlofaanvraag, zoals ook als vereiste is gesteld in de Verlofregeling tbs. Slachtoffers en nabestaanden worden over verlof geïnformeerd door het Informatiepunt Detentieverloop van het OM.3
Ik ga hier niet verder in op de besluitvorming en de details van deze specifieke zaak.
Veiligheidshuizen en het delen van informatie tussen de ketenpartners |
|
Foort van Oosten (VVD), Leendert de Lange (VVD) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Van opnamewet naar behandelwet»?1
Ja.
Klopt het dat het Veiligheidshuis geen eigen wettelijke taak heeft, waardoor geen rechtsgrond bestaat gegevens te delen die nodig zijn bij de besluitvorming over verplichte zorg, juist ten behoeve van de bescherming van de samenleving? Zo ja, wat vindt u daarvan?
Een zorg- en veiligheidshuis is een samenwerkingsverband van verschillende partijen uit het zorg- en veiligheidsdomein. Een zorg- en veiligheidshuis heeft geen eigenstandige wettelijke basis om persoonsgegevens te verwerken. De partijen die deelnemen aan het samenwerkingsverband hebben wel ieder separate rechtsgronden voor de verwerking van persoonsgegevens, op basis waarvan ook gegevens kunnen worden gedeeld. Op deze wijze kunnen er door partijen gegevens worden gedeeld over verplichte zorg ten behoeve van de bescherming van de samenleving.
Voor een rechtmatige gegevensdeling moet aan een aantal juridische randvoorwaarden zijn voldaan. Deze zijn door alle samenwerkende partijen in het zorg- en veiligheidsdomein uitgewerkt in het handvat gegevensuitwisseling in het zorg- en veiligheidsdomein2. Uitgangspunt is dat het zorg- en veiligheidshuis de juridische basis om gegevens te verwerken en uit te vragen bij ketenpartners uitsluitend kan ontlenen aan de bevoegdheid van de ketenpartner die de casus aanbrengt.
Binnenkort gaat het wetsvoorstel gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden in consultatie. Dit wetsvoorstel heeft tot doel de mogelijkheden te verbeteren tot gezamenlijke verwerking van persoonsgegevens binnen samenwerkingsverbanden.
Voor wat betreft de verplichte geestelijke gezondheidszorg biedt de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), die op 1 januari 2020 in werking treedt, mogelijkheden voor ketenpartners om gegevens te delen ten behoeve van de besluitvorming over verplichte zorg. In de Wvggz zijn voor alle voorzienbare noodzakelijke gegevensverstrekkingen grondslagen in de wet opgenomen die aangeven welke informatie onder welke voorwaarden mag worden uitgewisseld.
Voor ons staat centraal dat de praktijk met het genoemde handvat uit te voeten moet kunnen en professionals gegevens delen die nodig zijn om de samenleving te beschermen. Het genoemde handvat en de trainingen die momenteel aan professionals worden gegeven moeten hierbij helpen.
Om in kaart te brengen welke belemmerende dan wel onnodig complicerende wet- en regelgeving aangepast moet worden lopen verschillende trajecten, bijvoorbeeld in het kader van het programma Sociaal Domein3. Er worden binnen dit programma momenteel drie complexe vraagstukken uitgewerkt waar het mogelijk ontbreken van wettelijke grondslagen centraal staat: 1. gemeentelijke regie, 2. vroegsignalering en 3. integraal werken. Op basis van de uitwerking wordt bezien of en welke wet- en regelgeving moet worden aangepast.
Bent u voornemens een wettelijke grondslag voor het Veiligheidshuis te creëren zodat het uitwisselen van informatie tussen alle cruciale ketenpartners bij het bieden van verplichte zorg mogelijk wordt? In het bijzonder ter bescherming van de samenleving en ter voorkoming van slachtoffers? Zo ja, op welke termijn bent u voornemens een wetsvoorstel hiervoor in te dienen? Zo nee, waarom niet? Is het mogelijk hetzelfde resultaat te bereiken zonder wetswijziging? Kunt u dat uiteenzetten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe voorkomt u dat het medisch beroepsgeheim als reden opgevoerd kan worden teneinde cruciale informatie, die nodig is om adequate inschattingen te maken betreffende noodzakelijk ingrijpen, niet te delen met ketenpartners?
Van belang is voor ogen te houden dat het medisch beroepsgeheim cq. de zwijgplicht van de arts cruciaal is voor de toegankelijkheid van de zorg: een ieder moet ervan uit kunnen gaan dat hetgeen hij deelt met zijn arts ook tussen de arts en patiënt blijft. De hoofdregel is dat informatie gedeeld in de behandelrelatie tussen arts en patiënt alleen met toestemming van de patiënt met anderen gedeeld kan worden. Op die hoofdregel zijn wel uitzonderingen. In bepaalde gevallen mag een zorgverlener – ook zonder toestemming van de patiënt – informatie met anderen delen. Dit is het geval als er sprake is van een wettelijk(e) meldplicht of meldrecht of er een conflict van plichten bestaat. Een dergelijk conflict van plichten kan een rechtvaardiging bieden om de zwijgplicht te doorbreken en informatie over een patiënt te verstrekken aan derden, zoals betrokkenen in een zorg- en veiligheidshuis.
Van een conflict van plichten is sprake als het niet doorbreken van de zwijgplicht, voor de patiënt of cliënt zelf of voor een ander ernstige schade oplevert en de hulpverlener in gewetensnood verkeert door het handhaven van de zwijgplicht. Er geldt een aantal voorwaarden: zo moet geprobeerd zijn om toestemming van de betrokkene te verkrijgen, is het doorbreken van het beroepsgeheim de enige mogelijkheid en moet het duidelijk zijn dat de ernstige schade voorkomen kan worden door het doorbreken van het beroepsgeheim. Of aan deze voorwaarden voldaan is, is een afweging die alleen de betrokken zorgprofessional kan maken op grond van de situatie. Binnen de regels van het medisch beroepsgeheim zijn er dus – zeker als het gaat om cruciale informatie – mogelijkheden om die informatie te delen.
In hoeverre verandert de inwerkingtreding van de Algemene Verordening Gegevensbescherming iets aan de uitwisseling van informatie tussen ketenpartners in dit kader?
De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) geeft aan dat bij gezamenlijke gegevensverwerkingen, zoals bij de zorg- en veiligheidshuizen, de partijen duidelijke en transparante afspraken moeten maken over wie invulling geeft aan diverse rechten en plichten die voortvloeien uit de AVG. Om hier goed aan te kunnen voldoen zijn op landelijk niveau recentelijk een modelconvenant en een protocol voor de zorg- en veiligheidshuizen opgesteld4.
De uitnodiging voor een Defensie Iftar op donderdag 24 mei 2018 |
|
Geert Wilders (PVV), Emiel van Dijk (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitnodiging door Defensie voor een Defensie Iftar op 24 mei in de Marinekazerne Den Helder?1
Ja.
Deelt u de mening dat de islam een totalitaire ideologie is, die haaks staat op de normen en waarden waar wij als samenleving voor staan en die wij met onze militairen wereldwijd ook proberen uit te dragen? Zo nee, waarom niet?
De vrijheid van godsdienst of levensovertuiging is één van de klassieke grondrechten die eenieder in Nederland heeft behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet. Deze vrijheid beschouw ik als een kernwaarde van de Nederlandse samenleving.
De Nederlandse krijgsmacht kent al meer dan 100 jaar een in de krijgsmacht geïntegreerde Diensten Geestelijke Verzorging (DGV). Deze organisatie bestaat uit zes diensten van verschillende religieuze en levensbeschouwelijke overtuigingen.2
De Diensten Geestelijke Verzorging dragen bij aan het (geestelijk) welbevinden van militairen, veteranen, het thuisfront en overig defensiepersoneel. De kerntaken van de DGV zijn het organiseren van bijeenkomsten en activiteiten en het bieden van een vertrouwelijke plaats voor defensiepersoneel om hun verhaal te doen.
Zou het niet beter zijn om in plaats van deze totalitaire ideologie, die vrouwenhaat, Jodenhaat, homohaat en discriminatie voorstaat, te bestrijden in plaats van daarvoor te capituleren en binnen Defensie te faciliteren?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om dit door de belastingbetaler betaalde bewieroken van een gewelddadige ideologie per direct af te blazen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat er binnen onze seculiere krijgsmacht geen plaats is voor extremistische uitingen, zoals die van een totalitaire ideologie zoals de islam dat is? Zo nee, waarom niet?
Binnen de krijgsmacht is geen plaats voor extremistische uitingen op welke grond dan ook. Verder wijs ik u naar het antwoord op de vragen 2, 3 en 4.