Het bericht dat consumenten opzegkosten moeten betalen voor het opzeggen van een schadeverzekering |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Betalen om op te zeggen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat als consumenten die van plan zijn hun schadeverzekering op te zeggen dat niet doen vanwege opzegkosten, dit de marktwerking in deze sector belemmert? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het onverwachts in rekening brengen van opzegkosten kan een drempel opwerpen voor consumenten om over te stappen naar een andere verzekeraar. Opzegkosten mogen alleen in rekening worden gebracht als dit op voorhand duidelijk is gemaakt. Voor goede marktwerking is het belangrijk dat consumenten op basis van volledige informatie de juiste afweging voor een bepaalde verzekering kunnen maken.
Deelt u de mening dat uit het onderzoek van de Consumentenbond blijkt dat verzekeraars drempels opwerpen voor het opzeggen van schadeverzekeringen? Zo nee, waarom niet?
In de Wet op het financieel toezicht (Wft) zijn regels ten aanzien van informatieverstrekking opgenomen. Een consument dient precontractueel op de hoogte te worden gesteld van de kosten en voorwaarden van het betreffende product – zowel het termijnbedrag als de eenmalige kosten. De informatie moet correct, duidelijk en niet misleidend zijn, dat betekent dat er ook geen kosten verborgen mogen worden. De AFM houdt hierop toezicht.
Het Verbond van Verzekeraars (het Verbond) heeft aangegeven dat het overgrote deel van de verzekeraars geen opzegkosten (meer) in rekening brengt. In de Geldgids van de Consumentenbond van april/mei 2018 zijn de meeste genoemde verzekeringen afgesloten via een gevolmachtigd agent. Gevolmachtigde agenten kunnen kosten in rekening brengen voor hun diensten, zoals opzegkosten. Gevolmachtigde agenten dienen ook precontractueel alle voor de consument relevante informatie te geven zodat de consument bewust kan kiezen. De Nederlandse Vereniging van Gevolmachtigde Assurantiebedrijven (NVGA) heeft aangegeven opnieuw het belang van duidelijke en transparante communicatie met de consument in de precontractuele fase bij de gevolmachtigde agenten onder de aandacht te brengen. Het Verbond heeft aangegeven dat in overleg met verzekeraars zal worden bezien hoe de Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen particuliere schade- en inkomensverzekeringen (gedragscode) op het gebied van opzegkosten kan worden aangescherpt.
Deelt u de mening dat uit het bestaan van die drempels blijkt dat de zelfregulering middels een gedragscode niet heeft gewerkt? Zo nee, waarom niet?
In de gedragscode wordt aangesloten bij de Wet Van Dam (Staatsblad 2010, 789). In deze wet, die geen betrekking heeft op verzekeraars, zijn geen bepalingen opgenomen over opzegkosten. De Wet Van Dam zorgt ervoor dat consumenten een stilzwijgend verlengd contract elke maand mogen opzeggen en de opzegtermijn niet meer mag zijn dan een maand. Dit is ook geborgd in de gedragscode. Hierin is opgenomen dat indien de verzekering na de looptijd van een jaar wordt verlengd, de verzekeringnemer het recht heeft de overeenkomst op elk gewenst moment op te zeggen met een opzegtermijn van een maand. Het Verbond heeft aangegeven dat de gedragscode – die op naleving wordt gecontroleerd door de onafhankelijke Stichting Toetsing Verzekeraars – door verzekeraars goed wordt nageleefd.
Wat het in rekening brengen van de opzegkosten betreft, heeft het Verbond aangegeven dat in overleg met verzekeraars zal worden bezien hoe de gedragscode op het gebied van opzegkosten kan worden aangescherpt. Ik vind het een goede zaak dat verzekeraars hiermee aan de slag gaan. Mede gelet hierop zie ik geen aanleiding verzekeraars onder de Wet Van Dam te brengen. Ik houd de ontwikkelingen in de gaten.
Deelt u de mening dat nu gebleken is dat verzekeraars ondanks hun eigen gedragscode toch drempels opwerpen om schadeverzekeringen op te zeggen, zij alsnog onder de reikwijdte van de Wet van Dam moeten komen te vallen? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kan het opnemen van opzegkosten in de algemene voorwaarden van een schadeverzekering als een onredelijk bezwarend geding worden geduid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Een beding dat is opgenomen in de algemene voorwaarden kan onredelijk bezwarend zijn als dat de consument verplicht een geldsom te betalen zonder dat de consument tekortschiet in de nakoming van zijn verbintenis, tenzij het gaat om een redelijke vergoeding voor door de verzekeraar wegens de opzegging geleden verlies of gederfde winst (artikel 237, onderdeel i, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Een dergelijk beding wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn. De verzekeraar kan dit vermoeden weerleggen. Onredelijke bedingen zijn vernietigbaar (artikel 233, onderdeel a, van Boek 6 BW). De consument is er dan niet aan gebonden. Of het beding onredelijk bezwarend is, hangt af van de feiten en omstandigheden van het concrete geval.
Een tekort schietende capaciteit van het stroomnetwerk in Groningen en Drenthe om de geplande zonneparken te faciliteren |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Tennet en Enexis een ondercapaciteit van het Zuid-Gronings en Noord-Drenths stroomnetwerk constateren?1
Ja.
Klopt de constatering van de twee stroomnetbeheerders? Zo ja, wat is uw oordeel hierover? Zo nee, constateert u dat er afdoende capaciteit is?
De netbeheerders hebben de wettelijke taak om te zorgen dat zonneparken tijdig kunnen worden aangesloten op het elektriciteitsnet. Dit doen zij waar mogelijk toekomstgericht, zonder daarbij desinvesteringen te doen. Dit met het oog op de betaalbaarheid van de energievoorziening.
In het gebied waar het hier over gaat, de omgeving van Groningen en Noord-Drenthe, loopt het elektriciteitsnet tegen zijn grenzen aan. Dat heeft drie oorzaken. Allereerst is het gebied relatief dun bevolkt, zonder grote energievragers. Daardoor is de capaciteit van het net bescheiden en passend bij de huidige situatie. De tweede oorzaak is dat de grondprijzen hier vrij laag zijn en projectontwikkelaars hier extra kansen zien voor het plaatsen van grootschalige zonneparken. De derde oorzaak is dat provincies en gemeenten in dit gebied een actief beleid voeren voor vestiging van zonneparken, waardoor in relatief korte tijd de hoeveelheid aan te sluiten zonneparken snel toeneemt.
Deelt u de stelling van de netbeheerders dat een Rijksstructuurvisie voor zonne-energie nuttig is om dergelijke tekorten in netwerken te voorzien en in de toekomst te kunnen voorkomen?
De behoefte aan uitbreiding van de netcapaciteit hangt nauw samen met de ruimtelijke inpassing van nieuwe opwekinstallaties zoals zonneparken. De hoeveelheid zonneparken en de locatie waar ze worden aangesloten op het net bepalen de behoefte aan extra netcapaciteit. De mogelijkheid om zonneparken en netuitbreiding ruimtelijk in te passen speelt hierbij een belangrijke rol, evenals kostenefficiëntie. Deze vraagstukken zijn een belangrijk gespreksonderwerp aan de Klimaattafels, en specifiek aan de Elektriciteitstafel, waar ook decentrale overheden en netbeheerders aanzitten. Dit vraagt een integrale aanpak. Ik zal het belang van voldoende netcapaciteit voor duurzaam opgewekte elektriciteit benadrukken.
Is er naar uw oordeel aanleiding om op korte termijn maatregelen te treffen in overleg met de netbeheerders om te waarborgen dat de opwekking van zonne-energie niet stagneert? Zo ja, welke maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Voor de korte termijn zullen de betrokken overheden, netbeheerders en de sector in overleg een praktische oplossing moeten zoeken. Het vergroten van de netcapaciteit kost tijd, omdat ruimte gevonden moet worden voor stations en voor nieuwe verbindingen met bijbehorende ruimtelijke vergunningprocedures. In de systematiek van de Omgevingswet moet de nationale omgevingsvisie (NOVI) bijdragen aan de ruimtelijke inpassing van de energietransitie. De NOVI wordt parallel aan het Klimaatakkoord voorbereid. Ik zal hierbij de afspraken in het Klimaatakkoord over de uitbreiding van netcapaciteit betrekken.
Het feit dat AOW-gerechtigden vanaf 1 juli 2017 geen extra huurverhoging meer betalen |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het feit dat AOW-gerechtigden vanaf 1 juli 2017 geen extra huurverhoging meer betalen?
Ja. Deze maatregel maakt deel uit van de met de Wet doorstroming huurmarkt 2015 (Kamerstuk 34 373) ingevoerde wijzigingen in de inkomensafhankelijke (hogere) huurverhoging en is per 1 januari 2017 ingegaan. Sinds 2017 worden huishoudens met één of meer AOW-gerechtigden en huishoudens van vier of meer personen vrijgesteld de inkomensafhankelijke (hogere) huurverhoging. Deze uitzonderingsgroepen zijn toegevoegd aan de al sinds de invoering van de inkomensafhankelijke (hogere) huurverhoging bestaande uitzondering voor de aangewezen groep chronisch zieken en gehandicapten.
Is het waar, dat een van de redenen om de AOW-gerechtigden geen extra huurverhoging te laten betalen is, dat deze groep mensen vaak niet of nauwelijks kans heeft om een hypotheek af te sluiten om te kunnen doorstromen naar een koopwoning?
Ja, een van de redenen voor de vrijstelling van AOW-gerechtigden voor de inkomensafhankelijke hogere huurverhoging is dat zij over het algemeen moeilijker een hypothecair krediet kunnen krijgen. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Doorstroming huurmarkt 2015 (Kamerstuk 34 373, nr. 6, pag. 12) is de achtergrond van deze maatregel als volgt geformuleerd:
«Het doel van de inkomensafhankelijke (hogere) huurverhoging is om huishoudens met een hoog inkomen te stimuleren om door te stromen. Het kabinet is van mening dat het voor deze groep minder opportuun is hen met de hogere huurverhoging te prikkelen tot doorstroming. Naast het feit dat het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd veelal leidt tot een inkomensachteruitgang, is het voor ouderen ook lastiger om daadwerkelijk door te stromen naar een andere woning. Dit komt onder meer doordat het verkrijgen van een woninghypotheek voor gepensioneerden, gezien hun leeftijd, over het algemeen moeilijker is.»
Daarbij wil ik opmerken dat de toegang van senioren tot hypothecair krediet sindsdien is verbeterd. Het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering wordt door een deel van de verstrekkers van hypothecair krediet niet meer verplicht gesteld. Daarnaast is het sinds januari 2018 niet meer verplicht om een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten als een consument in aanmerking wil komen voor de Nationale Hypotheek Garantie (NHG).
Deelt u de mening dat eenpersoonshuishoudens met een uitkering Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) in een soortgelijke situatie zitten en dat het voor deze mensen, vanwege hun volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, vaak ook niet mogelijk is om een hypotheek af te sluiten om door te stromen naar een koopwoning? Zo nee, waarom niet?
Bij volledige arbeidsongeschiktheid ontvangt de arbeidsongeschikte een IVA-uitkering tot aan de AOW-leeftijd. Doordat een IVA-uitkering een bestendig karakter heeft, zijn kredietverstrekkers doorgaans bereid om aan arbeidsongeschikten met een IVA-uitkering een hypothecair krediet te verstrekken. Voorwaarde is dan wel vaak dat de arbeidsongeschikte een toekenningsbesluit heeft gekregen. Dat is het besluit waarin het UWV aangeeft dat de verzekerde voldoet aan de voorwaarden voor een IVA-uitkering en dus ook recht heeft op een IVA-uitkering. Het recht op IVA-uitkering blijft in beginsel bestaan tot de AOW-leeftijd is bereikt, tenzij de verzekerde niet meer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is of er een uitsluitingsgrond van toepassing is. Daarnaast wordt een IVA-uitkering waarbij een toekenningsbesluit is afgegeven voor de NHG meegenomen als inkomen uit een blijvende uitkering. De mogelijkheden om een hypothecair krediet te kunnen verkrijgen zijn dus vergelijkbaar met andere huishoudens zonder AOW-gerechtigden met een hoger inkomen. Ik deel uw mening dat het voor (eenpersoons)huishoudens met een IVA-uitkering, net als AOW-gerechtigden, moeilijker is om naar een koopwoning te kunnen doorstromen dan ook niet.
Ik merk daarbij op dat eenpersoonshuishoudens met een IVA-uitkering, waarnaar u specifiek informeert, doorgaans niet te maken hebben met een inkomensafhankelijke (hogere) huurverhoging. De maximale IVA-uitkering (in 2016 ruim € 39.000) ligt namelijk lager dan de inkomensgrens voor de inkomensafhankelijke huurverhoging (2018: € 41.056 in 2016). Indien een eenpersoonshuishouden met een IVA-uitkering geconfronteerd wordt met een inkomensafhankelijk huurverhogingsvoorstel van zijn verhuurder, heeft de uitkeringsontvanger dus naast die IVA-uitkering ook inkomen uit arbeid (het is toegestaan beperkt bij te verdienen met werk) en/of vermogen, hetgeen de mogelijkheid om een hypothecaire lening te verkrijgen vergroot.
Hoeveel mensen die chronisch ziek zijn of een handicap hebben, worden, als zij aan de specifieke voorwaarden voldoen, jaarlijks vrijgesteld van extra huurverhoging? Hoeveel IVA-gerechtigden zitten er in deze groep mensen?
Ik beschik niet over gegevens over hoeveel huishoudens bezwaar maken tegen een inkomensafhankelijke (hogere) huurverhoging op de grond dat zij deel uit maken van de aangewezen groep chronisch zieken en gehandicapten1. Die bezwaren worden bij de verhuurders ingediend. Ik heb ook geen gegevens over hoeveel IVA-gerechtigden op die grond bezwaar maken.
Anders dan AOW-gerechtigden en huishoudens van 4 of meer personen, kunnen huishoudens waarvan een of meer bewoners tot de aangewezen groep chronisch zieken en gehandicapten behoren namelijk wel geconfronteerd worden met een inkomensafhankelijk (hoger) huurverhogingsvoorstel van hun verhuurder, omdat de Belastingdienst geen inzicht heeft in welke huishoudens onder die aangewezen groep chronisch zieken en gehandicapten vallen. De verhuurder verkrijgt voor die huishoudens (zolang die geen AOW-gerechtigden bevatten of geen huishouden van 4 of meer personen zijn) dus op verzoek een verklaring over de inkomenscategorie van het huishouden, maar huishoudens waarvan een van de leden deel uit maakt van de aangewezen groep chronisch zieken en gehandicapten, kunnen met succes bij de verhuurder bezwaar maken tegen een inkomensafhankelijk (hoger) huurverhogingsvoorstel, waarna die huurverhoging wordt teruggebracht tot het maximale huurverhogingspercentage dat voor lagere inkomens geldt.
Bent u bereid om te onderzoeken of de uitzondering die voor AOW-gerechtigden geldt, waardoor zij geen extra huurverhoging hoeven te betalen, ook van toepassing kan zijn voor (een deel) van de IVA-gerechtigden? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb aangegeven, verstrekken kredietverstrekkers doorgaans hypothecair krediet aan mensen met een IVA-uitkering die een toekenningsbesluit hebben ontvangen. Een IVA-uitkering waarbij een toekenningsbesluit is afgegeven wordt daarnaast voor de NHG meegenomen als inkomen uit een blijvende uitkering. De hoogte van het leenbedrag is afhankelijk van de hoogte van de IVA-uitkering, overige inkomsten en vermogen.
Bovendien kan een deel van mensen met een IVA-uitkering al met succes bezwaar maken tegen een inkomensafhankelijke huurverhoging, namelijk zij die deel uit maken van de aangewezen groep chronisch zieken en gehandicapten.
Daarnaast ligt de maximale IVA-uitkering onder de inkomensgrens voor de inkomensafhankelijke huurverhoging en hebben ontvangers van een IVA-uitkering van wie het huishoudinkomen de inkomensgrens overschrijdt dus nog andere inkomsten en/of vermogen.
Om deze redenen zie ik geen reden om ontvangers van een IVA-uitkering per definitie vrij te stellen van de inkomensafhankelijke (hogere) huurverhoging.
Het bericht ‘Klagen over ongelijke behandeling kan niet in Caribisch Nederland’ |
|
Liesbeth van Tongeren (GL), Nevin Özütok (GL) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Ken u het bericht «Klagen over ongelijke behandeling kan niet in Caribisch Nederland»?1 Zo ja, klopt dit bericht?
Ja. In het bericht wordt geconstateerd dat op dit moment de gelijkebehandelingswetgeving niet van toepassing is in Caribisch Nederland. Dat betekent, zoals in het bericht wordt gesteld, dat de taak van het College voor de Rechten van de Mens om klachten over ongelijke behandeling te beoordelen, alleen geldt voor Europees Nederland. Dit neemt niet weg dat inwoners van Caribisch Nederland op dit moment wel naar de rechter kunnen gaan als zij menen slachtoffer te zijn van ongelijke behandeling. Artikel 1 Grondwet, waarin het discriminatieverbod is neergelegd, is onverkort van toepassing, evenals diverse internationale verdragen waarin een discriminatieverbod is neergelegd en enkele vormen van discriminatie zijn verboden in het Burgerlijk Wetboek van Caribisch Nederland, het BWBES.
Welke wetten en regelingen op het gebied van mensenrechten zijn op dit moment wel in het Europese deel van Nederland van toepassing, maar niet in Caribisch Nederland? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de bescherming van discriminatie op de arbeidsmarkt?
De belangrijkste mensenrechtenverdragen zijn van toepassing in Caribisch Nederland, zoals het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en het Internationale Verdrag inzake de Burgerlijke en Politieke Rechten van de Verenigde Naties. Beide verdragen kennen bepalingen die discriminatie verbieden. Daarnaast zijn ook het Internationale Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en het Internationale Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen geldig in Caribisch Nederland. Voor een overzicht van mensenrechtenverdragen die van toepassing zijn in Europees en/of Caribisch Nederland verwijs ik u naar het rapport van de Adviesraad voor Internationale Vraagstukken (AIV), getiteld: «Fundamentele rechten in het Koninkrijk: eenheid in bescherming door verdragen. Theorie en praktijk van territoriale beperkingen bij de ratificatie van mensenrechtenverdragen». Dit rapport is op 10 juli 2018 openbaar geworden en is te vinden op de website van de AIV, https://aiv-advies.nl/.
De wetgeving met betrekking tot arbeidsverhoudingen is neergelegd in het Burgerlijk Wetboek BES (BWBES). In artikel 7A:1614aa van het BWBES is bepaald dat de bepalingen over gelijke behandeling uit het Burgerlijk Wetboek (BW) dat in Europees Nederland geldt, van overeenkomstige toepassing zijn, behalve voor zover het de bevoegdheid van het College voor de Rechten van de Mens betreft om in individuele gevallen te onderzoeken of onderscheid is of wordt gemaakt. Dit betekent dat het ook in Caribisch Nederland verboden is om onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen, op grond van het al dan niet tijdelijke karakter van de arbeidsovereenkomst en op grond van de arbeidsduur van de werknemer. Daarnaast is in artikel 7A:1614y een verplichting opgenomen tot goed werkgeverschap. Daaronder kan ook een verbod om te discrimineren worden begrepen.
Inwoners van Caribisch Nederland kunnen zich tot de rechter wenden als zij zich gediscrimineerd voelen, met een beroep op artikel 1 Grondwet, internationale verdragen of de bovengenoemde bepalingen van het BWBES.
Wat kunnen mensen in Caribisch Nederland die zich gediscrimineerd voelen nu concreet doen en op basis van welke regelgeving?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van het College voor de Rechten van de Mens dat meer wetten en regelingen op het gebied van mensenrechten van toepassing zouden moeten worden verklaard in Caribisch Nederland? Zo nee, waarom niet?
Met de eilanden die samen Caribisch Nederland vormen is, toen de huidige staatkundige indeling in werking trad op 10-10-2010, afgesproken dat legislatieve terughoudendheid zou worden betracht en dat bij de invoering van nieuwe wet- en regelgeving rekening zou worden gehouden met de specifieke omstandigheden van de eilanden. Ook nu, in 2018, is het nodig om rekening te houden met het absorptievermogen van de eilanden. Dit geldt ook ten aanzien van wet- en regelgeving die uitvoering geven aan de mensenrechten. Dit neemt niet weg dat het doel is – op termijn – ongerechtvaardigde verschillen (in wet- en regelgeving) te minimaliseren.
Overigens merk ik op dat de implementatie van de verplichtingen die voortvloeien uit de mensenrechten, op diverse manieren vorm kan krijgen: ook bijvoorbeeld door het aanleggen van wegen of het zorgdragen voor goed onderwijs. De inspanningen van het kabinet om de mensenrechtensituatie in Caribisch Nederland te verbeteren, zijn dan ook breder dan enkel het invoeren van nieuwe regelgeving of het bieden van een klachtrecht.
Bent u bereid om, zoals het College voor de Rechten van de Mens adviseert, met een stappenplan te komen tot geleidelijke invoering van wetten en regels die de gelijke behandeling van burgers in Caribisch Nederland verbetert? Zo nee, waarom niet?
Ik ben, mede naar aanleiding van de aanbeveling van het College in zijn rapport «Vijf jaar College voor de Rechten van de Mens», voornemens om een verkenning te laten uitvoeren naar de mogelijkheid om de gelijkebehandelingswetgeving in te voeren in Caribisch Nederland. Hierover heb ik u bericht in de kabinetsreactie op voornoemd rapport van het College, dat gelijktijdig aan uw Kamer is gezonden.
Het bericht dat de VN coördinaten van Syrische ziekenhuizen doorgeeft aan Rusland |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich hoe het Bureau van de VN voor de Coördinatie van Humanitaire Zaken (UN OCHA) het Humanitarian Response Plan voor Syrië in 2016 zodanig afstemde met het Syrische regime, dat het aantal belegerde burgers niet gerapporteerd werd en de Syrische regering niet werd genoemd als hoofdoorzaak van de belegeringen?
Het 2016 Humanitarian Response Plan voor Syrië is op meerdere punten aangepast door de VN na afstemming met het regime in 2015.
Herinnert u zich hoe UN OCHA destijds de verhaallijn, begroting en hulpprogramma’s van dit Response Plan heeft aangepast op verzoek van de Syrische overheid?
Gebruikmaking van het woord «conflict», de omschrijving van activiteiten gericht op bescherming van burgers en inzet op humanitaire ontmijning (met uitzondering van onderwijsactiviteiten rondom de risico’s van niet-ontplofte explosieven) stuitten op bezwaren van de Syrische regering. De omschrijving (narrative) van het Humanitarian Response Plan (HRP) is op deze en andere punten aangepast. De uiteindelijke hulpprogramma’s en de uitvoering daarvan zijn – met uitzondering van mine action – niet gewijzigd. Het belang van mine actionis echter door de VN uiteengezet in een apart communiqué, welke door Nederland en andere donoren is gesteund.
Kent u het bericht «UN under fire for giving Russia coordinates of Syrian hospitals in «high risk» strategy to stop attacks»?1
Ja.
Klopt het dat de Verenigde Naties (VN) coördinaten van ziekenhuizen op Syrische grondgebied hebben gedeeld met Rusland, om te voorkomen dat deze doelen gebombardeerd zouden worden?
Op vrijwillige basis delen hulporganisaties coördinaten van humanitaire locaties (waaronder ziekenhuizen en ontheemdenkampen) met de VN voor de coördinatie van humanitaire hulp (UN OCHA). Deze informatie wordt vervolgens gedeeld met de VS en Rusland, en waar het Noord-Syrië betreft ook met Turkije. Dit mechanisme dient ter voorkoming van aanvallen op o.a. medische faciliteiten, en zou daarmee de veiligheid van dokters en patiënten moeten vergroten. Dit mechanisme bestaat sinds 2014 maar betreft geen juridisch bindende overeenkomst en biedt geen garantie op veiligheid.
Klopt het dat de door de VN verstrekte coördinaten vervolgens door Rusland zijn gedeeld met de Syrische autoriteiten?
Nederland heeft geen zicht op de mate waarin en of de Russische overheid informatie deelt met derden.
Hoe duidt u het gegeven dat enkele dagen later deze ziekenhuizen gebombardeerd zijn?
Uit de maandelijkse rapportages van de Secretaris-Generaal van de VN aan de VN-veiligheidsraad blijkt dat medische faciliteiten in Syrië veelvuldig het doelwit zijn van militaire aanvallen. Strijdende partijen bij een gewapend conflict dienen zich te houden aan het humanitair oorlogsrecht, waaronder de verplichting tot het respecteren en beschermen van ziekenhuizen en andere faciliteiten die voor medische doeleinden worden gebruikt. Deconfliction mechanismen zijn bedoeld om strijdende partijen te informeren over de locaties die bescherming genieten. Dit betreft niet alleen ziekenhuizen, maar ook locaties van ontheemdenkampen, hulpkonvooien, scholen en registratiecentra.
Nederland veroordeelt aanvallen die in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht ten zeerste. Bewijsmateriaal van de meest ernstige internationale misdrijven gepleegd in Syrië door alle partijen in het conflict, waaronder grove schendingen van het humanitair oorlogsrecht, dient veilig te worden gesteld en te worden onderzocht. Hiertoe steunt Nederland Syrische ngo’s die schendingen vastleggen, alsook de Commission of Inquiry en de bewijzenbank voor misdrijven gepleegd in Syrië (International, Impartial and Independent Mechanism,IIIM).
Bent u het eens dat het delen van dergelijke coördinaten van ziekenhuizen door de VN grote risico’s met zich meedraagt? Waarom wel of waarom niet?
Het delen van dergelijke informatie zou het in principe mogelijk moeten maken dat basisvoorzieningen waar iedereen recht op heeft, zoals ziekenhuizen en veilige toevluchtsoorden, beter beschermd worden en kunnen blijven bestaan – zelfs in een nietsontziend conflict zoals in Syrië. Alle hulpoperaties in Syrië brengen grote risico’s met zich mee, dit was al het geval voordat coördinaten werden gedeeld. Wanneer gevoelige informatie wordt gebruikt voor acties die in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht, dient de internationale gemeenschap dit sterk te veroordelen. Dit, in combinatie met het verzamelen van bewijsmateriaal over de schendingen, kan ertoe bijdragen dat eerder genoemde risico’s verminderd worden. Deelname aan het deconfliction mechanisme is overigens uitsluitend op vrijwillige basis. Op voorhand weten deelnemende organisaties dat de informatie gedeeld zal worden en dat er geen garantie is op veiligheid. Aangezien die garantie op veiligheid er sowieso niet is, kiezen steeds meer organisaties ervoor coördinaten toch te delen.
Klopt het dat het delen van dergelijke coördinaten onderdeel van een nieuw notificatiesysteem zijn dat door de VN gehanteerd wordt, waarvan het doel is dat dergelijke doelwitten juist niet gebombardeerd worden? Zo ja, hoe duidt u de werkwijze van dit notificatiesysteem? Op welke wijze werkt dit nieuwe systeem in het voordeel van dergelijke doelwitten?
Het deconflictionmechanisme bestaat reeds sinds 2014. Via het deconfliction mechanisme kunnen organisaties op vrijwillige basis coördinaten van ziekenhuizen of andere locaties doorgeven aan de VN. Nederland heeft, samen met andere gelijkgezinde landen, het deconfliction mechanisme gesteund omdat het mogelijkheden biedt voor meer veiligheid voor ziekenhuizen en andere kwetsbare civiele locaties. Het biedt, zoals gezegd, geen garanties voor veiligheid, en de berichtgeving over bombardering van vier van de ziekenhuizen die waren aangemeld is natuurlijk zeer zorgwekkend. Nederland heeft de VN opgeroepen om hun onderzoek hierover zo snel mogelijk te delen.
Acht u de bovenstaande werkwijze van de VN wenselijk? Waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het ermee eens dat bovenstaande duidt op een trend van negatieve gevolgen na het delen van informatie door de VN met het Syrische regime? Zo ja, op welke wijze bent u bereid dit binnen de VN aan te kaarten? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft, zoals aangegeven, geen directe informatie over het delen van deze gegevens met het Syrische regime. Alle hulpoperaties in Syrië brengen grote risico’s met zich mee, niet in de laatste plaats het risico vanuit de lucht aangevallen te worden, dit was al het geval voordat coördinaten werden gedeeld. Het is daarom nu te vroeg om een trend te kunnen constateren, daarvoor is meer onderzoek nodig. Nederland heeft de VN meermaals opgeroepen om de resultaten van hun onderzoek naar deze aanvallen van ziekenhuizen die aangemeld waren bij het mechanisme zo snel mogelijk te delen en zal zich hiervoor blijven inzetten in o.a. de wekelijkse bijeenkomsten van de International Syria Support Group. Gerichte aanvallen op ziekenhuizen en medische faciliteiten die worden gebruikt voor medische doeleinden vormen een grove schending van het humanitair oorlogsrecht. De Syrische regering en andere strijdende partijen worden daar herhaaldelijk op aangesproken door de internationale gemeenschap, waaronder Nederland.
Het artikel ‘Ook bij storm moet KLM passagiers compenseren’ |
|
Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ook bij storm moet KLM passagiers compenseren»?1
Ja.
Kunt u inzicht verschaffen in de motivatie van deze rechter in deze casus?
Graag verwijs ik voor de motivatie in deze zaak naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2018 zaaknummer: 6362725 / CV EXPL 17–22728.
Op basis van welke (Europese) richtlijnen blijkt compensatie aan passagiers nodig?
Mogelijk compensatie van passagiers bij vertraging of annulering volgt uit de Verordening (EG) Nr. 261/2004 (hierna: passagiersrechtenverordening) en relevante uitspraken van (onder meer) het EU Hof van Justitie.
Deelt u de mening dat storm, mist of slecht weer een goede reden kan zijn om niet te gaan vliegen? In hoeverre is slecht weer overmacht?
Ja, een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, is niet verplicht compensatie te betalen indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Dergelijke omstandigheden kunnen zich voordoen in gevallen van weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen.
Waarom moet een luchtvaartmaatschappij bij een flinke storm alsnog compensatie betalen aan de passagiers? Als zelfs de luchtverkeersleiding maatregelen neemt om minder vluchten toe te staan en de capaciteit wordt beperkt, waarom leidt het annuleren van een vlucht dan tot compensatie aan passagiers?
Er is bijvoorbeeld sprake van buitengewone omstandigheden wanneer een
besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt. Een luchtvaartmaatschappij kan geen beroep doen op een «buitengewone omstandigheid» indien het besluit van het luchtverkeerbeheer een algemene capaciteitsreductie betrof, ook al heeft de betrokken luchtvaartmaatschappij alle redelijke inspanningen geleverd om de vertragingen of annuleringen te voorkomen. De rechtbank heeft in casu beoordeeld dat het besluit van de LVNL een algemene capaciteitsreductie betrof en niet een specifieke vlucht, zodat er geen sprake is van een buitengewone omstandigheid.
Vindt u het wenselijk dat luchtvaartmaatschappijen hun keuze om te vliegen laten afhangen van eventuele compensatie richting passagiers achteraf? Zo nee, waarom is compensatie dan toch nodig? Deelt u de mening dat veiligheid van groter belang is?
De vliegveiligheid is een voorwaarde en daardoor heeft de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) op 20 maart 2017 een capaciteitsreductie afgekondigd, teneinde de separatieafstand tussen opvolgende vluchten te vergroten. Een dergelijke capaciteitsreductie heeft gevolgen voor passagiers, luchthavens, en luchtvaartmaatschappijen. Ik ben niet bekend met de afwegingen die luchtvaartmaatschappijen maken om een vlucht al dan niet te annuleren bij bijvoorbeeld een capaciteitsreductie. Indien passagiers worden geconfronteerd met een vertraagde of geannuleerde vlucht, dan maken ze mogelijk aanspraak op compensatie op grond van de passagiersrechtenverordening.
Deelt u de mening dat maatregelen ter compensatie van passagiers in de luchtvaart en dit soort situaties zijn doorgeslagen en de Europese consumentenbescherming haar doel eigenlijk voorbij gaat?
Gemeenschappelijke regels op het gebied van passagiersrechten zijn in het belang van zowel de passagier als de vervoerder. De passagiersrechtenverordening heeft bijgedragen aan een forse vermindering van annuleringen en instapweigeringen. Vanwege vele onduidelijkheden heeft zij echter ook geleid tot een aanzienlijk aantal klachten, rechtszaken en Hofzaken over (onder meer) de buitengewone omstandigheden. Daarom vind ik een herziening van de passagiersrechtenverordening wenselijk en noodzakelijk. Uw Kamer is 26 mei 2014 geïnformeerd over het stranden van de laatste poging vanwege een geschil tussen Spanje en het Verenigd Koninkrijk omtrent de status van Gibraltar en de toepasselijkheid van EU-wetgeving op luchtvaartgebied (Kamerstuk: 21501–33 nr. 484).
Deelt u de mening dat op de lange termijn uiteindelijk alle passagiers hiervan de dupe worden? Als verandering wenselijk is, wat is daarvoor dan nodig? Wat is mogelijk om dit soort compensatieregels en definities van overmacht in te perken? Op welk niveau en op basis van welke wetgeving dient dit te gebeuren?
Passagiers en vervoerders hebben baat bij een uniform niveau van passagiersbescherming, waarbij de regels eenvoudig, eerlijk en effectief zijn. Daarvoor is een wijziging van de passagiersrechtenverordening wenselijk en noodzakelijk. Echter, er lijkt vooralsnog geen oplossing te zijn in het geschil tussen Spanje en het Verenigd Koninkrijk omtrent de status van Gibraltar.
De handelsmissie naar China |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is het exacte programma van uw handelsmissie naar China?
Op maandag 9 april had de Minister-President een bilaterale ontmoeting met Acting Chief Executive Cheung in Hongkong, inclusief de officiële opening van het nieuwe Consulaat-Generaal. Diezelfde dag vond tevens een rondetafelgesprek over green finance plaats. De dag werd afgesloten met een diner met de zakengemeenschap in Hongkong.
Op dinsdag 10 april was de Minister-President aanwezig op het Bo’ao Forum in Hainan. Het Bo’ao Forum staat bekend als de Aziatische variant op het World Economic Forum dat jaarlijks in Davos plaatsvindt. Daar gaf Minister-President Rutte een speech, en hij sprak er ook bilateraal met president Xi Jinping en andere regeringsleiders, waaronder bondskanselier Sebastian Kurz van Oostenrijk en premier Lee Hsien Loong van Singapore.
De Minister-President was op woensdag 11 april in Guangzhou. Daar had hij een ontmoeting met Nederlandse ondernemers, bracht hij bedrijfsbezoeken aan Alpha en China Southern Airlines en een beleefdheidsbezoek aan partijsecretaris Li Xi, woonde hij een sessie bij over verantwoord investeren, en sloot hij de dag af met een groot handelsdiner.
Op donderdag 12 april had de Minister-President in Peking een onderhoud met zijn ambtsgenoot Li Keqiang, met aansluitend een banket. Ook sprak hij met de voorzitter van het Nationale Volkscongres, dhr. Li Zhanshu. Daarnaast was hij samen met de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aanwezig bij een rondetafelbijeenkomst met CEO’s. Tot slot had de Minister-President een interactieve bijeenkomst met Chinese studenten Nederlands aan de Beijing Foreign Studies University.
Wat vindt u van de verslechtering van de naleving van mensenrechtenverplichtingen door China sinds de machtsoverdracht naar de huidige president Xi Jinping?
Enerzijds is het indrukwekkend om te zien van hoever China de afgelopen jaren is gekomen. Veel mensen hebben het economisch beter dan voorheen en er is steeds minder sprake van armoede. Tegelijkertijd is het inderdaad zorgelijk dat de mensenrechtensituatie in China op verschillende fronten verslechtert. Er is steeds minder ruimte voor kritische geluiden, de vrijheid van meningsuiting is zowel offline als online sterk ingeperkt, er vindt sterke controle plaats op religies, met name in Tibet en Xinjiang, en het is voor maatschappelijke organisaties steeds moeilijker om hun werk te doen. Dat zijn allemaal zaken waar Nederland en de EU China op aanspreken.
Heeft u stelling genomen tegen de wetgeving uit januari 2017 die niet-gouvernementele organisaties onder toezicht van de overheid plaatst en waarin garanties tegen willekeurige detentie en bescherming van het recht op privacy, vrije meningsuiting en andere mensenrechten ontbreken? Zo ja, wilt u hiervan melding maken in uw verslag? Zo nee, waarom niet?
Nederland uit zowel bilateraal als in EU- en multilateraal verband zorgen over de inperking van de ruimte voor maatschappelijke organisaties en de situatie van individuele mensenrechtenverdedigers in China. In de gesprekken met het Chinese leiderschap tijdens dit bezoek heeft de Minister-President aangegeven dat Nederland zowel vrijheid van religie en levensovertuiging als de rol van ngo’s wederom op de agenda wil zetten voor de bilaterale mensenrechtendialoog met China, die door China is bevestigd voor juli. Tijdens de bilaterale mensenrechtendialoog zal Nederland zoals altijd tevens aandacht vragen voor individuele gevallen.
Heeft u aandacht gevraagd voor de zorgwekkende situatie in Tibet en daarbij met name de Tibetaanse politieke gevangenen genoemd?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u speciale aandacht gevraagd voor de situatie van Jiang Tianyong en gepleitn voor zijn onmiddellijke voorwaardelijke vrijlating waarbij gewaarborgd wordt dat hij niet gemarteld of mishandeld wordt en dat hij regelmatig en onbeperkt toegang krijgt tot medische zorg? Zo ja, wilt u hiervan melding maken in uw verslag? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u speciale aandacht gevraagd voor de situatie van Tashi Wangchuk en gepleit voor zijn onmiddellijke onvoorwaardelijke vrijlating tenzij hij formeel wordt aangeklaagd voor een internationaal erkende misdaad, voor onbeperkte en onmiddellijke toegang tot zijn familie en een advocaat van zijn keuze en garanties dat hij niet wordt gemarteld of mishandeld? Zo ja, wilt u hiervan melding maken in uw verslag? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u ervoor gepleit dat heel China, inclusief Tibet, vrij toegankelijk wordt voor buitenlandse bezoekers?
Zie antwoord vraag 3.
Opleiden 55-plusser is plicht |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Opleiden 55-plusser is plicht?1
Ja.
Heeft het afvloeien van personeel bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) negatieve gevolgen voor de dienstverlening aan werkzoekenden en werkgevers?
Nee. Bij de administratieve processen worden efficiency, automatisering en robotisering steeds belangrijker. Hierdoor zullen administratieve functies verdwijnen. Voor specialistische functies, onder meer arbeidsdeskundigen, bestaat juist een tekort. Het beleid van UWV is erop gericht om boventalligheid zo veel mogelijk te voorkomen en te zorgen dat er een goed beeld bestaat en beleid wordt gevoerd ten behoeve van het werven en behouden van de benodigde capaciteit. In 2017 zijn sessies georganiseerd om voor elk organisatieonderdeel een strategisch meerjarenpersoneelsplan op te leveren. Deze plannen bieden zicht op de schaarse capaciteit voor cruciale functies en een leidraad hoe aan voldoende capaciteit te komen.
Hoe gaat u, samen met het UWV, ervoor zorgen dat alle werkgevers hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen? Hoe kijkt u tegen over belonen en/of quota aan?
Langdurig werklozen vormen een interessant arbeidspotentieel voor werkgevers. In mijn antwoord op vragen van de leden Wiersma en Nijkerken-de Haan geef ik aan dat er veel manieren zijn waarop werkgevers (verder kunnen) bijdragen om langdurig werklozen aan een baan te helpen. Te denken valt aan scholing en het bijstellen of herschikken van functiewerkzaamheden en -eisen, maar ook aan deelname aan speeddaten en andere matchingsbijeenkomsten via werkgeversservicepunten. UWV en gemeenten beschikken over een breed instrumentarium om werkgevers daarbij van dienst te kunnen zijn en om de positie van werkzoekenden beter te laten aansluiten bij de arbeidsmarkt.
Hoe groot is het tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV?
U wordt periodiek geïnformeerd over het tekort aan verzekeringsartsen, voor de laatste maal met de vierde monitor artsencapaciteit op 13 december 2017. In deze laatste monitor zei ik dat fundamentele keuzes gemaakt moeten worden, wil UWV zijn taken waar artsen aan te pas komen toekomstvast kunnen uitvoeren. Hierover brengt een groep van experts advies uit aan UWV, waarna ik u voor de zomer van dit jaar informeer. In die brief kijk ik ook terug naar de resultaten over het hele jaar 2017.
Leidt dit tekort tot een slechtere ondersteuning aan zieke werknemers en mensen die arbeidsongeschiktheid zijn?
Zolang er een tekort aan verzekeringsartsen is, kan UWV niet al zijn taken waar deze artsen aan te pas komen uitvoeren zoals UWV en ik dit zouden willen. Daarbij geldt dat de verzekeringsarts een schakel vormt in de ondersteunende dienstverlening aan zieke werknemers en (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten, maar niet de enige schakel is. Zo wordt de dienstverlening voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten in belangrijke mate uitgevoerd door arbeidsdeskundigen en werkcoaches van UWV. Vanuit het Regeerakkoord zijn middelen ter beschikking gesteld om deze dienstverlening uit te breiden. Voorts hebben UWV en ik de werkzaamheden van de verzekeringsarts zo geprioriteerd, dat het effect op de ondersteuning aan de klant zo klein mogelijk is.
Worden door het tekort aan verzekeringsartsen alle keuringen door medisch specialisten (verzekeringsartsen) verricht? Hoeveel zaken worden door basisartsen, arbeidsdeskundigen en/of medisch secretaressen verricht?
De verzekeringsarts blijft eindverantwoordelijk voor het resultaat van een sociaal-medische beoordeling, ook als deze arts werkt met taakdelegatie. Artsen die werken met taakdelegatie worden ondersteund door een medisch secretaresse of een sociaal medisch verpleegkundige, zoals dat inmiddels gebruikelijk is in de curatieve sector. Ook basisartsen worden op deze manier ingezet.
Vindt u ook niet dat, vanwege de kwetsbare positie van zieke werknemers, zieke werknemers altijd gezien moeten worden door een verzekeringsarts?
Nee. Indien iedere zieke werknemer of uitkeringsgerechtigde gezien wordt door een verzekeringsarts, lopen de wachttijden op en neemt de dienstverlening aan deze klanten af. Dat is onwenselijk. Bovendien is een zieke werknemer of uitkeringsgerechtigde meer gebaat met specifieke ondersteuning gericht op werkhervatting vanuit een andere discipline, zoals een arbeidsdeskundige, dan met een advies van een verzekeringsarts.
Bent u van plan om de zeer hardvochtige plannen voor mensen die arbeidsongeschikt zijn (WIA) en die in de Ziektewet zitten in de ijskast te zetten, totdat er voldoende verzekeringsartsen zijn?
In het Regeerakkoord zijn maatregelen opgenomen die capaciteit opleveren bij verzekeringsartsen en maatregelen die capaciteit kosten. Vooralsnog vormt het tekort aan verzekeringsartsen geen reden om maatregelen niet uit te voeren. Het UWV beoordeelt per maatregel in een «uitvoeringstoets» of de maatregel uitvoerbaar is.
Het bericht ‘Gemeenten misbruiken Crisis- en herstelwet’ |
|
Antoinette Laan-Geselschap (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gemeenten misbruiken Crisis- en herstelwet» in Binnenlands Bestuur van 28 februari 2018?1
Ja.
Wat vindt u van het onderdeel van de brief van de Nederlandse Vereniging van Projectontwikkeling Maatschappijen (NEPROM) waarin de betreffende organisatie aankaart dat gemeenten de Crisis- en herstelwet misbruiken door voor woningbouw aanvullende eisen met betrekking tot duurzaamheid toe te voegen?
Deelt u de mening dat dergelijke aanvullende eisen niet mogen leiden tot vertraging in de bouwproductie? Zo ja, wat doet u om dit te voorkomen?
De Crisis- en herstelwet maakt het voor specifieke bouwprojecten mogelijk om duurzaamheidsmaatregelen voortvarend aan te pakken. Ik zie het als winst om beide opgaven te combineren. Denk bijvoorbeeld aan gasloos bouwen, dit kan in de meeste gevallen gerealiseerd worden zonder dat er tijd verloren gaat.
Wat gaat u doen om gemeenten erop te wijzen dat de wet nageleefd moet worden, namelijk het vlottrekken van (woning-)bouwproductie?
Ik ben in gesprek met gemeenten en provincies over het vlottrekken van de woningbouwproductie. Gemeenten en provincies zijn zich op dit moment goed bewust van de grote vraag naar woningen. Er wordt hard gewerkt om te kunnen voldoen aan de vraag naar woningen.
‘groene leningen’ voor het energieneutraal maken van woningen |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «In aantocht: een financiering die huiseigenaren zonder kosten van het gas af helpt»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het compleet mesjogge is om huiseigenaren «groene leningen» op te dringen en/of met een schuld op te zadelen voor het energieneutraal maken van hun woning?
Het gaat om een proefproject van verschillende partijen in Heerhugowaard bestaande uit zowel koop- als huurwoningen. Het verduurzamen van de woningen kan leiden tot lagere energielasten en tot stijging van de kwaliteit van de woning. Eventuele renovatie van de koopwoningen is op vrijwillige basis. De samenwerkende partijen – bouwbedrijf Dura Vermeer, netbeheerder Liander, ASN Bank en woningcorporatie Woonwaard, dringen niets op.
Deelt u de mening dat dit bizarre plan aantoont dat uw peperdure duurzaamheids- en klimaatbeleid voor de gewone man niet te betalen is? Zo nee, waarom niet?
Lagere energielasten, meer comfort en een betere kwaliteit van de woning zijn directe voordelen van het verduurzamen van de woning voor huiseigenaren. In het geval van Woonwaard c.s. blijven de maandelijkse woonlasten gelijk of dalen ze zelfs voor de huurders. Voor eigenaren wordt nu een studie gedaan naar het zodanig vorm geven van de maandelijkse lasten dat die binnen de draagkracht vallen. Daardoor blijft de transitie voor de woningeigenaren betaalbaar. Overigens is de betaalbaarheid van de energie- en klimaattransitie en daarmee het draagvlak onder de aandacht van de partijen die thans betrokken zijn bij het te sluiten klimaatakkoord.
Welk soort leningen betreft het hier? Wat is het rentepercentage en wat is de looptijd?
Details worden door de betrokken partijen nog uitgewerkt. Ik heb derhalve in dit stadium geen inzicht in de rentepercentages, termijnen en andere voorwaarden.
Wie is tijdens de looptijd van de lening de eigenaar van de installatie? De huiseigenaar of de geldverstrekker?
Ook dit wordt nog uitgewerkt. De 4 partijen onderzoeken gezamenlijk de mogelijkheden. Dat onderzoek doen zij samen met de woningeigenaren. Hun mening en positie zijn hierin heel belangrijk. Rond de zomer hopen de vier partijen de eerste resultaten beschikbaar te hebben, zodat een pilot vervolgens in de praktijk kan worden gebracht.
Wat zijn de gevolgen indien de huiseigenaar de aflossing niet meer kan voldoen? Wordt de installatie dan verwijderd? Zitten de bewoners dan in het donker en de kou? Klopt het dat de bewoners op deze manier geen (enkele vorm van) energie afnemen bij een energiemaatschappij? Wat zijn de gevolgen als de eigen elektriciteitsopwekking niet toereikend is?
Het klopt niet dat de bewoners geen (enkele vorm van) energie afnemen bij een energiemaatschappij. De gevolgen bij het niet voldoen van de maandelijkse betaling worden door de partijen nog nader bestudeerd.
Hoe hoog zal de maximale aflossing, die zo hoog is als de «laatste energierekening» – gezien het feit dat de energierekening almaar stijgt – in de praktijk zijn? Deelt u de mening dat de torenhoge energierekening nu al voor veel huishoudens onbetaalbaar is? Zo nee, waarom niet?
De feitelijke hoogte van de aflossing zal in de praktijk moeten blijken. De energierekening van huishoudens moet worden gezien als onderdeel van de totale huishouduitgaven in relatie tot de totale huishoudinkomsten.
Ik deel de mening niet dat voor veel huishoudens de energierekening nu al onbetaalbaar zou zijn. Bovendien is, zoals meermaals aangegeven door de Minister van Economische Zaken en Klimaat, betaalbaarheid en draagvlak een belangrijk onderwerp bij het sluiten van het Klimaatakkoord.
Wie draait op voor de kosten van het onderhoud van de installatie? Wat gebeurt er met de lening indien de installatie vervangen dient te worden vóórdat deze volledig is afgelost? Hoe gaat u voorkomen dat dit tot een nieuwe lening leidt, er vervolgens een opstapeling van leningen ontstaat en er uiteindelijk nooit volledig afgelost zal worden?
Indien er draagvlak is onder particuliere woningeigenaren voor een volledige Nul-op de-meter (NOM) renovatie dan wil Dura Vermeer de energieprestatiegarantie op NOM, met een soort van onderhoudsabonnement, tegen een gereduceerd tarief aanbieden. Details van onderhouds- en vervangingskosten worden nu door partijen bestudeerd.
Wordt het door deze lening – en de daardoor ontstane schuld – niet nóg moeilijker om een hypotheek te krijgen?
Dit hangt af van de uiteindelijk door partijen te kiezen constructie. Het gaat om de balans tussen dalende energielasten, verbetering van het energielabel en verbetering van de kwaliteit en het comfort van de woning versus een extra maandelijkse last. Bij hypotheekverstrekkingen worden alle financiële verplichtingen meegewogen om ervoor te zorgen dat een toekomstige hypotheeklast gedragen kan worden en de klant in de toekomst niet in betalingsproblemen komt.
Welke gevolgen heeft het gegeven dat de lening komt te rusten op het huis voor de verkoop van het huis (waaronder de prijs)? Deelt u de mening dat potentiële huizenkopers hiermee hun vrije energiekeuze wordt ontnomen? Zo nee, waarom niet?
De gevolgen voor de prijs en courantheid van woningen zijn onbekend en hangen af van vraag- en aanbod factoren. De aan te bieden woning is kwalitatief beter, energiezuiniger en comfortabeler, maar kent aan de andere kant een extra maandelijkse last voor de duur van de afbetaling van de investering. Welke gevolgen dit heeft voor prijs en verkoopbaarheid hangt mede af van de grootte van de vraag naar kwalitatief betere, energiezuinigere, comfortabelere woningen op de betreffende locatie waar een woning gelegen is. Marktomstandigheden bepalen in het algemeen prijzen en verkooptijden.
Woonwaard garandeert opkoop van de woning met overname van de gebouw gebonden financiering als de woning bij verkoop niet courant blijkt te zijn.
De vrije energiekeuze blijft in stand. De netbeheerder zorgt ervoor dat namens de financier via de energierekening wordt gefactureerd en geïncasseerd. Van energiebedrijf kan derhalve vrijelijk gewisseld worden.
Deelt u de mening dat dit soort leningen het failliet van uw duurzaamheids- en klimaatbeleid aantonen, met als gevolg dat huiseigenaren in de financiële ellende van opgedrongen leningen worden gestort?
Nee, ik deel deze mening niet. Zoals aangegeven zijn de betrokken partijen op zoek naar een goede balans tussen een besparing op de energierekening door verduurzaming van de woning en de extra maandelijkse lasten.
Wanneer zet u nu eindelijk eens een streep door uw geldverslindende duurzaamheids- en klimaatbeleid? Deelt u de mening dat dat de enige manier is om tot een lagere energierekening te komen?
Nee, ik deel deze mening niet. Een lagere energierekening wordt onder meer bereikt door woningen energiezuinig te maken, bijvoorbeeld door isolatie van dak, muren, ruiten en vloeren. Een andere manier om tot een lagere energierekening te komen is door het gebruik van zuinige LED-lampen, apparaten en installaties. Overigens is het de inzet van het kabinet om de kosten van de klimaat- en energietransitie zo veel mogelijk te beperken, opdat de financiële gevolgen voor burgers acceptabel blijven. Daarnaast worden jaarlijks de koopkrachtgevolgen in kaart gebracht en vindt koopkrachtreparatie plaats indien dat opportuun is.
Onrecht als gevolg van de invoering van het leenstelsel voor studenten |
|
Frank Futselaar (SP), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het antwoord van uw ambtsvoorganger dat ouders en hun kinderen er niet op achteruitgaan op het moment dat minderjarige studenten gaan studeren in het hoger onderwijs?1
Hieronder worden deze cijfers gepresenteerd inclusief uitleg en aannames bij de cijfers.
De conclusie die uit de cijfers volgt, is dat voor de genoemde posten de situatie na het regeerakkoord op jaarbasis 50 euro voordeliger uitpakt voor een tweeoudergezin waarin het 17-jarige kind in het hoger onderwijs gaat studeren ten opzichte van de situatie voor het regeerakkoord. Voor het eenoudergezin is deze vooruitgang op jaarbasis 945 euro.
Tabel 1 toont de bedragen voor een gezin met twee ouders en voor een gezin met één ouder in de situatie voor het regeerakkoord. De kolom vo bevat de bedragen die gelden op het moment dat de 17-jarige niet ingeschreven is in het hoger onderwijs. De kolom ho (hoger onderwijs) bevat de bedragen wanneer dit wel het geval is. In beide kolommen gaat het om de jaarbedragen van een gezin waarin één kind aanwezig is die het hele jaar 17 jaar oud is. Er is in beide gezinstypen uitgegaan van een gezinsinkomen van 47.000 euro. Ook is ervan uitgegaan dat aan alle voorwaarden voor de betreffende regelingen is voldaan die niet expliciet zijn benoemd. Voor alle regelingen zijn de normbedragen en parameters uit 2018 gebruikt en de bedragen zijn afgerond op hele euro’s. De veronderstelde wettelijke ouderbijdrage is als extra post in de tabel opgenomen, omdat deze geen invloed heeft op het saldo in het gezin: het is een veronderstelde bijdrage van de ouder(s) aan de student die meeweegt in de berekening van de hoogte van de aanvullende beurs, maar niet verplicht is. De reisvoorziening is ook opgenomen omdat deze net als de aanvullende beurs onderdeel is van de prestatiebeurs in het hoger onderwijs. Naast genoemde posten zijn er ook nog het collegegeldkrediet en het studievoorschot. Deze zijn niet opgenomen in het overzicht, maar de student in het hoger onderwijs kan van deze voorzieningen gebruik maken tegen sociale leenvoorwaarden.
kinderbijslag
1.149
0
– 1.149
1.149
0
– 1.149
kindgebonden budget1
0
0
0
2.882
0
– 2.882
collegegeld
0
– 2.060
– 2.060
0
– 2.060
– 2.060
aanvullende beurs
0
670
670
0
1.766
1.766
waarde reisvoorziening
0
1.099
1.099
0
1.099
1.099
extra: veronderstelde ouderbijdrage
0
4.007
4.007
0
2.911
2.911
incl. alleenstaande ouderkop bij het eenoudergezin
Wanneer alleen naar deze posten wordt gekeken gaat het tweeoudergezin er op jaarbasis per saldo 1.440 euro op achteruit als het 17-jarige kind in het hoger onderwijs gaat studeren. Dit wordt veroorzaakt door het wegvallen van de kinderbijslag, het betalen van collegegeld en het ontvangen van de aanvullende beurs en de reisvoorziening.
Het éénoudergezin gaat er 3.225 euro op achteruit als het 17-jarige kind in het hoger onderwijs gaat studeren. Dit wordt veroorzaakt door dezelfde factoren als bij het tweeoudergezin, aangevuld met het wegvallen van het kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop.
Tabel 2 toont de bedragen voor dezelfde gezinnen, maar vanuit de aanname dat de maatregelen uit het regeerakkoord allemaal in werking zijn getreden. Het gaat om de halvering van het collegegeld, de verhoging van de kinderbijslag en de verhoging van de afbouwgrens voor paren in het kindgebonden budget. De in het regeerakkoord vermeldde indicaties voor de wijzigingen zijn toegepast op de normen en parameters die gelden voor 2018. De bedragen zijn hierdoor vergelijkbaar met tabel 1 en bevatten niet de uiteindelijke exacte bedragen. Niet alle regeerakkoordmaatregelen zijn namelijk voorzien voor 2018.
kinderbijslag
1.234
0
– 1.234
1.234
0
– 1.234
kindgebonden budget1
895
0
– 895
2.882
0
– 2.882
collegegeld
0
– 1.030
– 1.030
0
– 1.030
– 1.030
aanvullende beurs
0
670
670
0
1.766
1.766
waarde reisvoorziening
0
1.099
1.099
0
1.099
1.099
extra: veronderstelde ouderbijdrage
0
4.007
4.007
0
2.911
2.911
incl. alleenstaande ouderkop bij het eenoudergezin
Wanneer opnieuw alleen naar deze posten wordt gekeken gaat het tweeoudergezin er op jaarbasis per saldo 1.389 euro op achteruit als het 17-jarige kind in het hoger onderwijs gaat studeren. Dit is 50 euro minder ten opzichte van de situatie voor het regeerakkoord. Dit wordt veroorzaakt door de halvering van het collegegeld en gemitigeerd doordat de kinderbijslag hoger wordt en het paar in aanmerking komt voor kindgebonden budget.
Het éénoudergezin gaat er 2.280 euro op achteruit als het 17-jarige kind in het hoger onderwijs gaat studeren. Dit is 945 euro minder ten opzichte van de situatie voor het regeerakkoord. Dit wordt veroorzaakt door de halvering van het collegegeld en gemitigeerd door de hogere kinderbijslag.
Wilt u inzichtelijk maken wat op jaarbasis de financiële gevolgen zijn voor student en ouders wanneer een 17-jarige naar het hoger onderwijs gaat, zowel in gezinnen met één als twee ouders, bij een inkomen van 47.000 euro en uitgaande van de kinderbijslag, het kindgebonden budget, de alleenstaande-ouderkop, het collegegeld, de aanvullende beurs en de veronderstelde wettelijke ouderbijdrage?
Zie antwoord vraag 1.
Wilt u inzichtelijk maken wat het verschil is in jaarlijkse financiële ondersteuning op rijksniveau tussen studenten die als 17-jarige en 18-jarige in het hoger onderwijs gaan studeren, zowel in gezinnen met één als twee ouders, bij een inkomen van 47.000 euro en uitgaande van de kinderbijslag, het kindgebonden budget, de alleenstaande-ouderkop, het collegegeld, de aanvullende beurs en de veronderstelde wettelijke ouderbijdrage?
Er zijn geen verschillen in de jaarlijkse financiële ondersteuning van een 17-jarige en een 18-jarige student in het hoger onderwijs. Zowel de ouders van de 17-jarige als de 18-jarige hebben geen recht op kinderbijslag en kindgebonden budget. Ook dient in beide gevallen hetzelfde bedrag aan collegegeld betaald te worden. De berekeningen voor aanvullende beurs en veronderstelde wettelijke ouderbijdrage zijn identiek voor zowel de 17-jarige als de 18-jarige.
Wilt u inzichtelijk maken wat het verschil is in jaarlijkse financiële ondersteuning op rijksniveau tussen studenten die als 17-jarige naar het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs gaan, zowel in gezinnen met één als twee ouders, bij een inkomen van 47.000 euro en uitgaande van de kinderbijslag, het kindgebonden budget, de alleenstaande-ouderkop, het collegegeld, de aanvullende beurs en de veronderstelde wettelijke ouderbijdrage?
Een 17-jarige die naar het middelbaar beroepsonderwijs gaat, heeft geen recht op studiefinanciering, met uitzondering van de reisvoorziening, maar betaalt ook nog geen lesgeld. De ouders hebben recht op kinderbijslag en eventueel kindgebonden budget. Voor de gevraagde regelingen is de 17-jarige mbo’er dus vergelijkbaar met een 17-jarige in het voortgezet onderwijs, met uitzondering van de reisvoorziening. De verbeteringen in de situatie na het regeerakkoord ten opzichte van de situatie voor het regeerakkoord, zoals in het tweede antwoord weergegeven, blijven ongewijzigd.
Wilt u bij de berekeningen in de voorgaande vragen eveneens onderscheid maken tussen de situatie op basis van de huidige regelingen en de situatie zoals die na uitvoering van het regeerakkoord zal bestaan?
Ja.
Kunt u aangeven uit welke passages bij de behandeling van het leenstelsel blijkt dat de volle omvang van de financiële gevolgen van de samenloop tussen de kindregelingen en de studiefinanciering voor minderjarigen nadrukkelijk aan de orde is geweest en dat door regering en parlement desondanks welbewust voor de bestaande afbakening zou zijn gekozen?
De aansluiting van de kinderbijslag op de studiefinanciering voor minderjarige studenten en de gevolgen van de invoering van het studievoorschot voor minderjarige studenten is aan de orde geweest in de schriftelijke voorbereiding van de wetsbehandeling in de Tweede Kamer,2 in de amendering door de Tweede Kamer,3 in de plenaire behandeling van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer,4 en in de schriftelijke voorbereiding van de wetsbehandeling in de Eerste Kamer.5
Bent u bereid de vragen te beantwoorden voor de plenaire behandeling van het wetsvoorstel verlaagd wettelijk collegegeld?2
Ja, daartoe ben ik bereid.
De verkoop van verboden nepvuurwapens |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Is inmiddels duidelijk in hoeverre de campagne van de politie ouders en kinderen bewust te maken van de risico’s van neppistolen heeft geholpen of dat er meer nodig is?1 Zijn de incidenten met speelgoedwapens toe- of afgenomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij de eerste campagne is niet gemeten of en in hoeverre de bewustwording bij ouders en kinderen is toegenomen. Wel is het aantal in beslag genomen imitatiewapens tussen 2015 en 2017 afgenomen. De politie herhaalt de campagne in juni weer en zal dan onderzoek doen naar de effecten van de campagne.
In hoeverre deelt u de mening dat het een zeer onwenselijke situatie is dat verkoop en bezit van nepvuurwapens op grond van de Speelgoedrichtlijn is toegestaan, terwijl het dragen van dezelfde nepvuurwapens op grond van de Nederlandse wapenwetgeving verboden is?2 Kunt u uw antwoord toelichten en daarbij ingaan op de incidenten die mede daardoor kunnen worden veroorzaakt?3
Ik stel vast dat, voor zover speelgoedwapens aan de eisen van de speelgoedrichtlijn voldoen, aan de verkoop van deze producten geen beperkingen kunnen en mogen worden opgelegd. Ook ga ik er vanuit dat kinderen te allen tijde vrijelijk gebruik kunnen en mogen maken van dit speelgoed. Slechts indien van speelgoedvoorwerpen redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij voor geen ander doel zijn bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of hiermee te dreigen, kan het dragen ervan een strafbaar feit opleveren. Voorwerpen die zodanig op een wapen lijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden gezien als wapens op grond van artikel 2 Wet wapens en munitie. Hieronder kunnen echter geen speelgoedvoorwerpen worden begrepen (artikel 2, vierde lid Wet wapens en munitie). Het enige alternatief om de juridische status van speelgoedvoorwerpen en nepvuurwapens gelijk te trekken, is ze beide voor de vrije verkoop en gebruik vrij te stellen. Dat acht ik zeer onwenselijk mede in het licht van mogelijke incidenten die mede daardoor kunnen worden veroorzaakt.
Welke mogelijkheden zijn er teneinde recht te doen aan het verbod in de Wet Wapens en Munitie door verkoop en bezit van nepvuurwapens aan banden te leggen?
Ik meen dat aan die situatie reeds recht wordt gedaan. De verkoop en het bezit van voorwerpen die zodanig op een wapen lijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn is in Nederland verboden. Deze voorwerpen worden dan ook niet legaal verkocht.
Indien er geen mogelijkheden zijn de verkoop en het bezit aan banden te leggen, bent u dan bereid zich in te zetten voor het creëren van dergelijke mogelijkheden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Voor de verkoop van speelgoedwapens wijs ik u erop dat de Europese Speelgoedrichtlijn bindend is voor alle lidstaten. Het aanpassen van de Speelgoedrichtlijn vergt een uitgebreide procedure die op dit moment niet aan de orde is. Dit laat onverlet dat de Wet wapens en munitie al een bepaling kent die het mogelijk maakt om strafrechtelijke gevolgen te verbinden aan situaties met voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij zijn bestemd om te dreigen. Hiertoe verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
In dit verband wijs ik u ook naar mijn eerdere antwoorden op Kamervragen inzake nepwapens, door de Kamer ontvangen op 18 maart 20154 en op 18 april 20165.
Wat is het Nederlandse verkoopbeleid aangaande nepvuurwapens? In hoeverre is het bijvoorbeeld verplicht om potentiële consumenten in te lichten over specifiek het verbod van het dragen van nepvuurwapens? Wat kan worden ondernomen tegen verkopers die zich niet aan het verkoopbeleid houden?
Er is geen door de overheid voorgeschreven verkoopbeleid ten aanzien van de verkoop van speelgoedwapens.
De berichten inzake een gifaanval in Douma |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Syrische bewind beschuldigd van gifaanval in Douma»?1 In hoeverre kunt u deze berichtgeving inmiddels verifiëren, en met welke mate van zekerheid kunt u dat doen?
Ja. De OPCW, de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens, doet onderzoek naar deze aanval. Dit onderzoek zal mogelijk uitsluitsel kunnen geven over het gebruik van chemische wapens in Douma, waarbij aangetekend moet worden dat de Fact Finding Mission (FFM) van de OPCW niet direct na de aanval ongehinderde toegang tot de locatie van de aanval kreeg. Het onderzoek van de FFM beperkt zich overigens tot de vraag of er chemische wapens zijn gebruikt, niet wie daar voor verantwoordelijk kan worden gehouden. Zoals u weet blokkeert Rusland in de VN Veiligheidsraad alle resoluties die ten doel hebben een onafhankelijk, onpartijdig mechanisme in het leven te roepen.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief over de actuele situatie in Syrië van 11 april jl. acht het kabinet het waarschijnlijk dat er gifgas, te weten chloorgas, is gebruikt bij de aanval op Douma en dat het Syrische regime waarschijnlijk verantwoordelijk is voor deze aanval.
De Russische Federatie heeft verschillende en elkaar tegensprekende berichten naar buiten gebracht. Aan deze beweringen hecht het kabinet weinig waarde.
Kunt u een overzicht geven van alle stappen die de VN-Veiligheidsraad, al dan niet op aandringen van Nederland, heeft ondernomen om deze gebeurtenissen te onderzoeken en/of te bespreken?
In november 2017 is door een Russisch veto het mandaat van het Joint Investigative Mechanism van de VN en de OPCW (JIM) niet verlengd. Daardoor is er geen internationaal attributiemechanisme meer dat onderzoek doet naar de schuldvraag bij het gebruik van chemische wapen. Sindsdien steunt en is het kabinet continue en actief betrokken bij onderzoek naar mogelijke alternatieven voor een attributiemechanisme.
In de week van 9 april is de VN-Veiligheidsraad, mede op aandringen van het Koninkrijk der Nederlanden meermaals bijeengekomen om de aanval op Douma te bespreken. Voor een overzicht van de bijeenkomsten verwijs ik u naar de Kamerbrieven van 11 april jl. (Kamerstuk 32 623, nr. 202) en 14 april jl.
Nederland drong daarbij aan op onafhankelijk onderzoek en het aansprakelijk houden van degenen die verantwoordelijk zijn voor de inzet van chemische wapens. Een concreet voorstel van de VS voor een nieuw en stevig onderzoekmechanisme (met een «attributiemechanisme» waarmee de daders kunnen worden bepaald en dus aangesproken) stuitte op 10 april jl. op een veto van Rusland. Daarmee werd actie in de Veiligheidsraad om de waarheid te achterhalen wederom geblokkeerd.
Onderzoek naar aanvallen met chemische wapens wordt uitgevoerd door de OPCW, die daarvoor een eigen, van de Veiligheidsraad onafhankelijk, mandaat heeft. De OPCW is direct nadat de eerste berichten binnenkwamen over deze aanval, begonnen met het verzamelen van informatie. Dat moest echter in eerste instantie op afstand gebeuren, omdat het geruime tijd duurde voordat het Syrische regime en Rusland toestemming gaven om naar het onderzoeksgebied af te reizen. Eenmaal aangekomen moest onderzoek in het gebied enige dagen worden uitgesteld omdat de veiligheid van de FFM niet kon worden gegarandeerd.
Nadat de FFM meerdere keren de toegang tot het onderzoeksgebied ontzegd werd, kon op 21 april een start gemaakt worden met het onderzoek ter plaatse. Dit onderzoek is op 4 mei afgerond. Het verwerken van de resultaten neemt enige tijd in beslag en zal, naar verwachting, niet voor juni zijn afgerond.
Het kabinet blijft zich – ongeacht de uitkomsten van het huidig onderzoek – inzetten voor het ter verantwoording roepen van het Syrische regime voor het gebruik van chemische wapens.
Hebt u tevens kennisgenomen van de Russische ontkenningen van de inzet van chemische wapens?2 Hoe beoordeelt u deze berichten?
Zie antwoord vraag 1.
Welke gevolgen heeft de Russische positie tot dusver gehad voor de eensgezindheid in de VN-Veiligheidsraad?
De Russische houding in de Veiligheidsraad leidt bij landen die alle strijdende partijen in Syrië ter verantwoording willen houden voor gebruik van chemische wapens, tot veel frustratie. Nederland spreekt Rusland hier consequent op aan, zowel in de Veiligheidsraad en de Uitvoerende Raad van de OPCW, als bilateraal. Ook landen als VS, VK en Frankrijk uiten stevige kritiek op Rusland vanwege de voortdurende obstructie van onafhankelijk onderzoek naar het gebruik van gifgas in Syrië, inclusief onderzoek naar de schuldvraag. De Russische positie in de Veiligheidsraad over Syrië is echter niet nieuw. Op 10 april heeft Rusland voor de twaalfde keer zijn veto gebruikt tegen een resolutie over Syrië, en zijn zesde veto tegen een resolutie die beoogt de inzet van chemische wapens in Syrië te stoppen, zoals bij de sarin-aanval op Khan Sheikhoen in april 2017.
Hoeveel aanvallen met chemische wapens zijn er de afgelopen vijf jaar in Syrië gedetecteerd en bevestigd?
Volgens cijfers van de OPCW is de FFM tot 7 maart 2018 33 keer ingezet, waarbij onderzoek is gedaan naar 74 incidenten (van de 390 gemelde waarbij mogelijk chemische wapens zijn gebruikt). Er zijn door de FFM 376 mensen geïnterviewd en 257 monsters genomen. De FFM heeft (via de Directeur-Generaal) 8 rapporten aan de lidstaten van de OPCW uitgebracht en in 13 gevallen met zekerheid of grote mate van zekerheid kunnen vaststellen dat er sprake was van de inzet van chemische wapens. Het meest recente rapport van de FFM, van 16 mei jl., stelt dat op 4 februari 2018 in Saraqib, provincie Idlib, waarschijnlijk chloorgas is gebruikt. Het rapport gaat niet in op de vraag wie verantwoordelijk is voor het gebruik, daarvoor heeft de FFM geen mandaat.
Het JIM heeft tot zijn opheffing november jl. in vier gevallen kunnen vaststellen dat het Syrische regime verantwoordelijk was en in twee gevallen dat ISIS verantwoordelijk was.
Kunt u zich herinneren dat de OPCW in 2013 verklaarde dat het Syrische regime destijds over 1.300 ton aan chemische stoffen en nog eens 1.230 ton aan ongevulde munitie beschikte?3 Kan de OPCW inschatten over hoeveel chemische wapens het Syrische regime nu nog beschikt?
De OPCW heeft in 2014 verklaard dat alle door Syrië bij toetreding tot de Chemisch Wapenconventie (CWC) in 2013 opgegeven voorraden chemische wapens, munitie en productiefaciliteiten waren vernietigd. Daar hebben de door de OPCW genoemde hoeveelheden betrekking op. Over niet opgegeven voorraden heeft de OPCW geen informatie en kan daar derhalve ook geen schatting maken.
Echter, het Declaration Assessment Team (DAT) van de OPCW dat bij toetreding van een land tot de CWC onderzoek doet naar de volledigheid en juistheid van de opgave die iedere nieuwe toetreder moet doen, is in Syrië nog altijd niet klaar met zijn werk. Dit gebrek aan voortgang kan geheel op het conto van het Syrische regime worden geschreven, dat nog altijd geen volledige openheid van zaken heeft gegeven en het DAT actief tegenwerkt. Het kabinet dringt er bij iedere gelegenheid bij Syrië op aan om zo snel mogelijk alle informatie te verstrekken aan de OPCW.
Overigens is bezit en productie van en handel in chloor voor civiele doeleinden in beginsel niet verboden onder de CWC. Activiteiten in dit kader hoeven daarom niet te worden opgegeven aan de OPCW. Het gebruik van chloor als (chemisch) wapen is uiteraard wel verboden.
Bent u bereid in de VN Veiligheidsraad het eerder door de Fransen geïnitieerde voorstel dat de Permanente vijf leden van de Veiligheidsraad (P5) hun vetorecht opgeven als het een resolutie betreft aangaande massale wreedheden, opnieuw te agenderen en zo in te vullen dat deze gedragscode automatisch wordt toegepast als sprake is van de inzet van chemische wapens, zoals eerder is voorgesteld door de VVD-fractie?4 Zo ja, kunt u de Kamer na afloop van deze poging informeren over het draagvlak hiervoor?
Het kabinet steunt het Frans-Mexicaanse en andere initiatieven gericht op het vrijwillig afzien van het gebruik van het veto door de permanente leden van de VN Veiligheidsraad wanneer sprake is van massale wreedheden. Wat het kabinet betreft, valt het gebruik van massavernietigingswapens daar onder. Ook in die gevallen zouden de permanente leden van de Veiligheidsraad zich dienen te onthouden van het gebruik van het veto.
Een gedragscode voor vrijwillige terughoudendheid in het gebruik van het veto wordt door een grote meerderheid van de lidstaten van de Verenigde Naties gesteund, inclusief door Nederland. Ik heb het open debat in de VN Veiligheidsraad van 17 mei jl. over het bevorderen van internationaal recht aangegrepen om hiervoor een krachtig pleidooi te houden.
De proefboringen naar olie en gas op Aruba |
|
André Bosman (VVD) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Eerste proefboring Aruba naar olie en gas nabij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de begroting eerst sluitend gemaakt dient te worden en het begrotingstekort moet worden teruggebracht, alvorens over te gaan tot het creëren van fondsen anders dan ter aanwending voor het terugdringen van het begrotingstekort?
De politieke keuze wat te doen met eventuele revenuen uit olie en gas is aan het land Aruba. Wel deel ik de zorgen over de staat van de overheidsfinanciën van het land Aruba, in het bijzonder de hoge overheidsschuld die dient te worden teruggedrongen en het niet hebben van een meerjarige sluitende begroting. In mijn gesprek met de Minister van Financiën van Aruba, mevrouw Ruiz-Maduro, op 22 maart jl. heb ik deze zorgen ook kenbaar gemaakt en heb ik haar gevraagd zo snel mogelijk te komen met een begroting 2018 welke voldoet aan de aanbevelingen van het College Aruba financieel toezicht (CAft). Daarnaast wordt met Aruba gesproken over de vormgeving van het financieel toezicht na het begrotingsjaar 2018 met het oog op het bereiken van duurzame overheidsfinanciën en het terugdringen van de overheidsschuld.
In hoeverre is er voor het College Aruba Financieel Toezicht een rol weggelegd bij het toetsen van dergelijke keuzes?
De verantwoordelijkheden van het CAft zijn vastgelegd in de Landsverordening Aruba tijdelijk financieel toezicht (LAft). Het CAft adviseert over de financiële doorvertaling van dergelijke beleidskeuzes.
De St. Maartenschool te Nijmegen |
|
Peter Kwint (SP), Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot de St. Maartenschool? Heeft de school het komende jaar voldoende financiën om kinderen zorg en onderwijs te bieden? Wat was de betrokkenheid van de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en van Volksgezondheid, Wezijn en Sport (VWS) in dit proces?
De Sint Maartenschool biedt speciaal onderwijs voor leerlingen met een ziekte en/of (meervoudige) beperking. Een aantal leerlingen heeft naast onderwijsondersteuning ook (medische) zorg en begeleiding nodig om het onderwijs te kunnen volgen. Deze zorg kan worden georganiseerd en bekostigd uit de Jeugdwet, Wet langdurige zorg en/of de Zorgverzekeringswet. De regio wil graag komen tot een organisatie waarin één (gecontracteerde) zorgaanbieder de zorg op de school gaat bieden en meer integraal gearrangeerd wordt.
In 2017 hebben de toenmalige staatssecretarissen van OCW en van VWS een bezoek gebracht aan de St. Maartenschool. Op dat moment bleek de organisatie van de zorg in onderwijstijd nog een belangrijk aandachtspunt. Om een goede invulling te geven aan de (organisatie en bekostiging van) deze zorg zijn het schoolbestuur Punt Speciaal, samenwerkingsverband Stromenland, gemeente Nijmegen en zorgkantoor VGZ samen met een zorgaanbieder een traject gestart om de zorgbehoefte en -indicaties van de leerlingen in kaart te brengen. Op basis van deze inventarisatie wordt nu uitgewerkt hoe de organisatie, bekostiging en taakverdeling er komend schooljaar uit komt te zien. De ambitie van de regio is om dit met ingang van het nieuwe schooljaar te realiseren.
De regio geeft aan onder andere behoefte te hebben aan technische bijstand en begeleiding van het proces. Vanuit de ministeries van OCW en VWS is daarom inzet van een procesbegeleider beschikbaar gesteld om het maken van afspraken te bevorderen en te bespoedigen. Verder wordt waar gewenst technische ondersteuning geboden en blijven VWS en OCW de situatie volgen.
Klopt het dat de school noodgedwongen een lening is aangegaan en dat gemeenten garant moesten staan? Zo ja, is dit een wenselijke constructie?
De gemeentes in het Rijk van Nijmegen en het samenwerkingsverband hebben een overbruggingssubsidie aan de school toegekend voor het schooljaar 2017–2018. Gedurende deze periode zou de school samen met de ouders de zorgbehoefte in kaart brengen en zou de regio op basis van de zorganalyse van de leerlingen de invulling vormgeven. Voor aanvang van het schooljaar 2017–2018 was nog niet duidelijk dat deze subsidie zou worden toegekend en is er inderdaad een externe geldschieter geweest die heeft aangeboden de voorfinanciering op deze subsidie te willen verzorgen. Hiervan heeft de school geen gebruik gemaakt, gezien het feit dat al snel duidelijk werd dat de gemeente en het samenwerkingsverband passend onderwijs deze subsidie onder voorwaarden beschikbaar zouden stellen.
De school heeft wel een subsidie gekregen van de externe geldschieter om de inhuur van medewerkers te bekostigen die de zorgaanvraag kunnen begeleiden.
Is er een definitief plan bij het Ministerie van OCW ingediend?1 Zo ja, wat is de stand van zaken? Is er een procescoördinator aangesteld? Zo ja, door wie?
Het bestuur van de Sint Maartenschool en de zorgaanbieder hebben een plan van aanpak gedeeld met de ministeries van OCW en VWS. Wel is men nog bezig met de inventarisatie van de zorgbehoefte van de kinderen en de uitwerking van de constructie. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Bij welk ministerie ligt de regie bij de afstemming van kwesties die zorg en onderwijs raken? Zijn er nog verbeterpunten mogelijk in deze samenwerking tussen de ministeries?
Beide departementen kunnen bij deze kwesties het voortouw nemen, afhankelijk van het zwaartepunt van de kwestie. Meestal wordt in onderlinge afstemming vanuit de beide departementen gezamenlijk meegedacht, zo ook bij de casus van de Sint Maartenschool.
Deelt u de mening dat de landelijke overheid moet zorgen dat de kinderen op scholen voor speciaal onderwijs voldoende zorg en onderwijs krijgen of vindt u het de taak van gemeenten om in te grijpen wanneer dit niet goed lijkt te gaan? Zo ja, bent u ermee bekend dat de St. Maartenschool leerlingen uit 28 gemeenten heeft? Wie moet dan de regie nemen?
De Minister van VWS en ik delen met de Tweede Kamer dat het Rijk voldoende budget voor onderwijs en zorg moet bieden. In principe zijn er vanuit zowel de zorgstelsels als de onderwijsstelsels financiële middelen beschikbaar. Het is verder onze taak ervoor te zorgen dat zorg in onderwijstijd eenvoudig(er) kan worden georganiseerd en bekostigd. Het is ons bekend dat leerlingen op de Sint Maartenschool uit veel verschillende gemeenten komen en dat de zorg die zij nodig hebben via gemeenten, een zorgkantoor en zorgverzekeraars geboden wordt. Dit geldt ook voor een aantal andere scholen in het (voortgezet) speciaal onderwijs. In het regeerakkoord is aangegeven dat OCW en VWS aan de slag gaan om deze situaties te vereenvoudigen. Op dit moment werken de Minister van VWS en ik onze ambities hiervoor uit in een gezamenlijke Kamerbrief.
Met de decentralisatie van passend onderwijs en van de jeugdhulp zijn samenwerkingsverbanden en gemeenten verantwoordelijk voor de invulling van onderwijszorgarrangementen in de regio. De gemeente kan waar nodig of gewenst bij het vormgeven van dit soort arrangementen ook het voortouw nemen om andere zorgpartners, zoals zorgkantoren en zorgverzekeraars, te betrekken. Met betrekking tot de Sint Maartenschool zal het samenwerkingsverband alle regiogemeenten uitnodigen voor deelname aan een multidisciplinair casusoverleg. Gemeente Nijmegen en Land van Cuijk bekijken of het mogelijk is één contactpersoon aan te stellen namens de verschillende wijkteams. Voor de gemeenten van de regio Nijmegen worden nog nadere afspraken gemaakt.
Klopt het dat ouders nu zelf de financiering van de benodigde zorg moeten regelen?2 Wat is uw mening hierover?
Dit is afhankelijk van de wijze waarop voor het kind de financiering van zorg is geregeld. Wanneer ouders hebben gekozen voor financiering via zorg in natura regelt de zorgaanbieder de zorg die wordt ingezet op school. Wanneer er is gekozen voor financiering via pgb hebben ouders de regie over het budget voor zorg en regelen zij de inzet van de zorg op school zelf. Het aanvragen van zorg gebeurt in alle gevallen door ouders. Een school kan geen zorg aanvragen.
De Sint Maartenschool heeft ouders op ouderavonden in maart geïnformeerd dat er individuele gesprekken gevoerd zullen worden met ouders. In die gesprekken is gebleken dat er in een aantal gevallen nieuwe of aanvullende aanvragen voor zorgvoorzieningen nodig zijn omdat zorg in onderwijstijd nog niet was opgenomen in het zorgplan. De school, het zorgkantoor (VGZ) en de gemeentes in het Rijk van Nijmegen hebben medewerkers beschikbaar om ouders te helpen bij het inzetten van pgb’s dan wel zorg in natura op school op basis van het zorgplan. Zorgkantoor VGZ heeft aangegeven dat zij binnen de mogelijkheden van de wet ruimhartig om zullen gaan met nieuwe aanvragen.
Daarnaast zijn de gemeentes in het Rijk van Nijmegen en de gemeentes in het Land van Cuijk samen met de procesbegeleider op zoek naar de mogelijkheden voor capaciteitsfinanciering voor de leerlingen die uit die gemeente komen. Afhankelijk van de definitieve invulling, zullen individuele aanvragen voor zorg in onderwijstijd bij die gemeentes mogelijk niet meer noodzakelijk zijn.
Hoe staat het met de uitvoering van de in het regeerakkoord geformuleerde ambitie om zorg en onderwijs voor kinderen met een ernstig meervoudige beperking rechtstreeks te financieren? Zou deze ambitie de problemen, zoals die nu geconstateerd zijn op de St. Maartensschool, oplossen? Zo ja, bent u bereid een overbruggingsregeling te overwegen voor de scholen en kinderen die dit aangaat?
In de onderwijsparagraaf van het regeerakkoord is de volgende passage opgenomen: «Ook zal het kabinet, mede met het oog op leerlingen met een ernstige meervoudige handicap, bezien hoe de zorg voor leerlingen met complexere casuïstiek binnen een beperkt aantal onderwijsinstellingen direct uit de middelen voor zorg in onderwijstijd kan worden gefinancierd.» Het betreft een complexe situatie, waar de wettelijke kaders vanuit het onderwijs, de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg en de Zorgverzekeringswet op van toepassing zijn. Een aantal scholen voor speciaal onderwijs heeft te maken met veel leerlingen die zorg in onderwijstijd nodig hebben. Om dit te organiseren, moeten zij nu met veel verschillende financiers (gemeenten, zorgkantoren en zorgverzekeraars en ouders) afspraken maken over de inzet van zorg tijdens onderwijstijd. Dat is voor scholen erg belastend en ingewikkeld en vraagt ook veel van ouders en van zorgorganisaties. De ministeries van OCW en VWS zijn op dit moment in gesprek met een fors aantal organisaties om de oplossingsrichtingen te verkennen.
Samen met de Minister van VWS werk ik onze ambities rondom de aansluiting tussen onderwijs en zorg en de uitwerking van de passages in het Regeerakkoord verder uit. Deze oplossingsrichtingen kunnen ook voor de situatie op de Sint Maartenschool bruikbaar zijn. Wel zal de uitwerking enige tijd vergen. In de brief die wij over deze problematiek aan de Tweede Kamer zullen sturen, zullen we ook opnemen op welke wijze wij scholen en ouders in de tussentijd kunnen ondersteunen.
Het bericht ‘Help verstandelijk gehandicapten gezonder te leven’ |
|
Anne Kuik (CDA), Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Blog: Help Verstandelijk gehandicapten gezonder te leven»1
Ik ken de blog en ik ken ook het onderzoek Is it just the tip of the Iceberg? Substance use and misuse in Intellectual Disabilityvan J.E.L. van der Nagel waarnaar in deze blog verwezen wordt.
Wat is uw reactie op de oproep van Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) om meer aandacht te vragen voor (onderzoek naar) gezondheidsbevordering onder de mensen met een (licht) verstandelijke beperking?
Het is een goede zaak dat er in de gehandicaptensector breed aandacht is voor de maatregelen die de gezondheid bevorderen. We zien dat mensen met lichte verstandelijke beperkingen (LVB) gemakkelijker verleidbaar zijn tot het gebruik van middelen, dat hen niet altijd de gezonde leefstijl is aan te leren en dat zij via de gebruikelijke preventie-communicatiekanalen niet of onvoldoende worden bereikt (of folders niet begrijpen). Daarom is het goed dat er in de reguliere aanpak en methodieken wordt nagegaan of de gehanteerde taal en aanpak deze mensen bereikt en of zij het begrijpen. Onderzoek op dit terrein kan een belangrijke bijdrage hieraan leveren, zeker als de resultaten «vertaald» worden in bruikbare en begrijpelijke informatie en instrumenten.
In het kennisprogramma Gewoon Bijzonder (ZonMw) wordt onder andere aan gezonde leefstijl aandacht besteed. Zo is er een onderzoek van start gegaan gericht op jongvolwassenen met LVB met zware problemen (waaronder verslaving) in grote steden. Een ander onderzoek dat in het kader van Gewoon Bijzonder is gestart betreft de ondersteuning van gezonde leefstijl bij mensen met verstandelijke beperkingen. Er is overigens al kennis beschikbaar en toegankelijk. Het gaat hierbij om informatie voor professionals en in mindere mate voor (verslaafde) verstandelijk beperkte mensen. Zo is op het kennisplein gehandicaptensector informatie over verslaving en alcoholgebruik te vinden. Ook biedt het diverse instrumenten zoals een toolkit, een handreiking, en interventie voor professionals en een training «Sterker dan de kick» en een app om van alcoholverslaving af te komen voor cliënten.
Kloppen de cijfers van de in het blog genoemde Enschedese psychiater dat mensen met een verstandelijke beperking vaker een ongezonder leven leiden dan mensen zonder een verstandelijke beperking? Zo ja, kunt u een nadere toelichting geven op de cijfers? Zo nee, kunt u de juiste cijfers aan de Kamer doen toekomen inclusief een toelichting op deze getallen?
Volgens Van der Nagel zijn er geen harde cijfers over alcohol- en drugsgebruik bij mensen met LVB en de schattingen lopen zeer uiteen. Dit hangt samen met een gebrek aan systematische screening, o.a. op risicofactoren voor problematisch gebruik door mensen met LVB. Ook wordt niet gescreend of mensen in de verslavingszorg LVB hebben. Daarnaast maken verschillen in de gehanteerde definities, zowel voor de doelgroep met LVB als voor het (problematisch) middelengebruik, het lastig om cijfers eenduidig te interpreteren. Wel wordt in het algemeen gesteld dat door opeenstapeling van factoren het gebruik niet per se hoger is bij deze groep, maar de kans op problematisch gebruik wel.
Dit komt overeen met eerdere conclusies die werden getrokken in Onderzoek & Praktijk, een uitgave van de VOBC LVG2. Daaruit bleek dat Nederlandse jongeren met LVB ongeveer net zo vaak alcohol en drugs gebruiken als hun normaal begaafde leeftijdgenoten (Bransen e.a., 2008). Volwassenen met LVB lijken minder vaak alcohol en drugs te gebruiken dan volwassenen zonder verstandelijke beperking. Bij jongeren en volwassenen met LVB die middelen gebruiken is echter wel vaker sprake van middelenmisbruik of bingedrinken.3
Mensen met LVB starten doorgaans wel vroeger met middelengebruik4 en het gebruik is vaker problematisch.5 6 Het hogere risico op problematisch middelengebruik hangt samen met een combinatie van risicofactoren zoals een lage sociaal economische status, gedrags- en psychiatrische problemen, gebrekkige copingvaardigheden en problemen op het gebied van werk, dagbesteding en financiën.7 Ook sombere gevoelens en weinig sociale aansluiting komen veel voor bij deze groep, waarbij middelengebruik een compenserende functie kan gaan vervullen.8
In 2013 bleek uit de GOUD studie (gezond ouder met een verstandelijke beperking) van de Erasmus Universiteit dat het percentage mensen met een verstandelijke beperking dat overgewicht heeft vergelijkbaar is met de Nederlandse bevolking (bijna 40% heeft overgewicht), maar dat het percentage mensen met obesitas aanzienlijk hoger is (25% van de populatie) dan het gemiddelde van de Nederlandse bevolking (circa 10%).
Welk percentage van de mensen met een verstandelijke beperking heeft te maken met overgewicht en / of problematisch alcohol-, drugs- en tabaksgebruik? Is dit meer of minder dan het gemiddelde van de gehele bevolking?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de door de in het blog genoemde psychiater gegeven cijfers over het gebruik van alcohol, cannabis, speed en cocaïne door mensen met een verstandelijke handicap?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden worden er op dit moment ingezet om mensen met een verstandelijke beperking te wijzen op de gevaren van het (overmatig) gebruik van alcohol, drugs en tabak? Heeft dit volgens u het juiste effect? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, welke stappen kunt u zetten om hierin wel effect te verkrijgen?
Het Nederlandse beleid op het gebied van middelengebruik is erop gericht te voorkomen dat mensen gaan roken of drugs gebruiken en het gebruik van alcohol uitstellen tot in elk geval na het achttiende levensjaar.
Er zijn diverse programma’s en interventies ontwikkeld gericht op het voorkomen van middelengebruik door mensen met LVB. Voor LVB-settings ontwikkelde het Trimbos-instituut Open en Alert.9 Open en Alert is een preventieprogramma voor organisaties die te maken hebben met (problematisch) alcohol- en drugsgebruik door cliënten en die dat willen veranderen. Eén van de onderdelen is een e-learning voor professionals in de LVB-zorg en de residentiële jeugdhulpverlening. Deze is de afgelopen jaren in toenemende mate ingekocht. De regionale instellingen voor verslavingszorg voeren Open en Alert uit in samenwerking met de betreffende organisaties. Open en Alert is erkend als theoretisch goed onderbouwde interventie door het Centrum Gezond Leven van het RIVM.
Daarnaast is er bijvoorbeeld de folderreeks Zonder Flauwekul over alcohol, drugs en gamen voor LVB-ers, het bordspel TRIPen Bekijk het Nuchter. Ook is er een toolkit LVB en verslavingbeschikbaar op het kennisplein gehandicaptensector.
Overigens is het voor preventieve maatregelen belangrijk verschil te maken tussen mensen met LVB die (min of meer) zelfstandig wonen en mensen met verstandelijke beperkingen die op 24uurs zorg in instellingen zijn aangewezen. Waar binnen de instellingszorg mensen met verstandelijke beperkingen bij het maken van keuzes intensief worden begeleid door persoonlijk begeleiders (en indien daartoe aanleiding is, wordt het gebruik van alcohol, tabak en drugs verboden), is dit voor mensen met LVB (die niet in een instelling verblijven) niet vanzelfsprekend. Immers zij leven zelfstandig met ondersteuning bij bepaalde taken (gedurende een beperkt aantal uren) of worden op afstand begeleid. Er is dan niet voortdurend iemand aanwezig die kan (mee)bepalen wat wel of niet goed voor hen is.
Kunt u aangeven wat u gaat doen om er voor te zorgen dat er landelijk gewerkt gaat worden aan gezondheidsbevordering voor mensen met een verstandelijke beperking?
Zie antwoord vraag 6.
Welke rol ziet u hierin weggelegd voor de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN)? Schuift de VGN aan bij de overlegrondes over het Nationaal Preventieakkoord? Zo nee, waarom niet?
Er is gesproken met de VGN in de eerste verkennende fase van het Nationaal Preventieakkoord. VGN heeft het belang van gezondheidsbevordering van moeilijk bereikbare cliënten (in een instelling of ambulant) hierin naar voren gebracht. Op 20 april 2018 is de fase gestart waarin aan thematafels maatregelen worden afgesproken voor het akkoord. VGN is geen partij aan de thematafels omdat ervoor gekozen is in deze fase deelname te richten op partijen die een bijdrage kunnen leveren in de vorm van maatregelen, financiën of anderszins. Bovendien is het aantal partijen aan de tafels beperkt gehouden. Tegelijkertijd zie ik dat de VGN expertise heeft uiteraard voor cliënten in de gehandicaptenzorg, maar de aanwezige kennis van gezondheidsbevordering is ook bruikbaar voor meer mensen met een lager iq en/of mensen die laaggeletterd zijn. Zoals ik in mijn brief van 20 april jl. heb aangegeven (Kamerstukken 32 792, nr. 297) hebben de voorzitters de ruimte om het proces naar gelang de behoefte van de tafel naar hun wens in te richten. Ik zal de bij de VGN aanwezige expertise onder de aandacht van de voorzitters brengen.
Kunt u aangeven welke partijen, organisaties, zorgaanbieders, verzekeraars, gemeenten en mensen uit de sportwereld aansluiten bij het overleg over het «Nationaal Preventieakkoord»?
Ik verwijs u hiervoor naar mijn brieven van 6 februari 2018 (Kamerstuk 32 793, nr. 289) en 20 april 2018 over de voortgang van het nationaal preventieakkoord (Kamerstukken 32 793, nr 297).
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over preventie van 17 mei 2018?
Ja.
Het bericht dat de versoberde detentieomgeving een succesvolle resocialisatie in de weg staat |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het Nederlands Juristenblad: «De Nederlandse detentieomgeving en het resocialisatiebeginsel»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusies uit de wetenschappelijke onderzoeken, zoals die in het artikel worden aangehaald, die aantonen dat sobere detentieomgevingen belangrijke hersenfuncties van gedetineerden zou kunnen verminderen? Wat is uw reactie op de constatering dat het huidige sobere beleid leidt tot inactieve gedetineerden zowel op lichamelijk als geestelijk gebied die daardoor naar verloop van tijd meer antisociaal gedrag gaan vertonen waardoor de kans op recidive toeneemt?
Ik ben van mening dat verschillende elementen tot uiting moeten komen in de tenuitvoerlegging van straffen. Het vergeldende doel van de straf moet wat mij betreft herkenbaar zijn, zonder dat de aandacht voor re-integratie ten behoeve van recidivevermindering naar de achtergrond verschuift.
Het DBT (Dagprogramma, Beveiliging en Toezicht op maat) is geen sober detentieregime. Het huidige regime is activerend en goed gedrag van gedetineerden wordt beloond met het plusprogramma. Hier wil ik nog steviger op inzetten. Ik verwijs voor de plannen graag naar de visie op het gevangeniswezen die voor de zomer aan uw Tweede Kamer wordt gestuurd.
Daarnaast ben ik van mening dat het detentieklimaat in Nederland voldoende uitdagingen bevat in de vorm van arbeid, re-integratieactiviteiten en de mogelijkheid voor recreatie. Het programma biedt naast het aantal uren dagprogramma dat wettelijk vereist is (18 uur) een uitgebreid aanbod van totaal tenminste 43 uur in het basisprogramma en 48 uur aan activiteiten plus 11 uur verblijf buiten de cel in het plusprogramma.
Deelt u de mening dat resocialisatie een belangrijk uitgangspunt is bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties in een strafrechtelijk kader? Zo ja, waarom acht u het dan verstandig alleen een beperkte groep gedetineerden, namelijk die in het zogenoemde plusprogramma zitten, te laten werken aan hun resocialisatie?
Ja.
Hier lijkt sprake van een misverstand: alle gedetineerden kunnen tijdens detentie werken aan hun re-integratie, ook gedetineerden in het basisprogramma. Alle gedetineerden hebben toegang tot het Re-integratie Centrum (RIC) en casemanagers zijn beschikbaar voor vragen en ondersteuning. Alle gedetineerden kunnen deelnemen aan de Reflector, de Taaltoets en Kies voor Verandering. Ook de vaardigheden die tijdens arbeid worden geoefend (op tijd komen, collegialiteit tonen, etc.) worden daaronder verstaan. Personen die daarvoor gemotiveerd zijn en het bijbehorende positieve gedrag vertonen, kunnen promoveren naar het plusprogramma. Tevens kan degradatie plaatsvinden naar het basisprogramma. Binnen het plusprogramma kunnen gedetineerden deelnemen aan extra re-integratieactiviteiten, vakopleidingen en cursussen, en kunnen zij in aanmerking komen voor interne vrijheden en extra faciliteiten zoals extra bezoek en 11 uur recreatie.
Graag verwijs ik in dit kader opnieuw naar de visie op het gevangeniswezen die voor de zomer aan uw Tweede Kamer wordt gestuurd.
Bent u bereid aanvullend onderzoek te laten doen teneinde er achter te komen in hoeverre de verschraling van het dagprogramma voor gedetineerden bijdraagt aan een moeilijkere resocialisatie en verhoogd recidivegevaar? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit onderzoek verwachten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik ben van mening dat voldoende informatie uit onderzoek voorhanden is om te komen tot een afgewogen dagprogramma waarin de principes van vergelding én van generale en speciale preventie terugkomen. Zie ook mijn antwoord op vraag 1.
Gebruik van levensgevaarlijke doping door amateursporters |
|
Antje Diertens (D66), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Rioolonderzoek: amateursporters gebruiken levensgevaarlijk afslankmiddel?»1
Ja.
Hoeveel personen in Nederland gebruiken specifiek het middel 2,4-dinitrofenol (DNP)?
Cijfers over het gebruik van DNP in Nederland zijn niet bekend. Het rioolonderzoek is uitgevoerd in drie steden, tijdens en na drie sportevenementen. Op basis van dit onderzoek valt enkel te concluderen dat het middel gebruikt is in Nederland, niet hoeveel gebruikers het middel hebben gebruikt.
Op welke manier wordt op dit moment door de rijksoverheid geprobeerd het gebruik van DNP en andere doping onder amateurs te ontmoedigen? Wordt het publiek actief gewaarschuwd over de gevaren van DNP, zoals het Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek onlangs heeft geadviseerd?2 Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Het tegengaan van het gebruik van gevaarlijke middelen zoals DNP gebeurt op verschillende manieren. De Douane probeert te voorkomen dat dergelijke stoffen illegaal de grens over worden gebracht, waardoor ze op de Nederlandse markt komen. Daarnaast waarschuwt de NVWA regelmatig voor gevaarlijke stoffen, waarvan een vermoeden bestaat dat die op de Nederlandse markt aanwezig zijn. In het geval van DNP heeft de NVWA op 11 november 2017 gewaarschuwd voor het gevaar van dit afslankmiddel. Er wordt daarnaast bij amateursporters voorlichting gegeven over de risico’s van dopinggebruik en met name over het gebruik van gevaarlijke of onbekende stoffen. Zo is binnen het programma
«Eigen Kracht» meermaals gewaarschuwd voor de risico’s van de stof DNP.
De Dopingautoriteit ontvangt van VWS financiële middelen voor het geven van voorlichting, waaronder voor het programma «Eigen Kracht».
Wanneer is voor het laatst in kaart gebracht hoeveel Nederlandse amateursporters gebruik maken van doping in het algemeen? Op welke manier is dat gedaan?
Het RIVM heeft in maart 2018 een onderzoek gepubliceerd naar het gebruik en de gezondheidseffecten van doping in de breedtesport.3 Ik heb u hierover op 14 maart 2018 geïnformeerd.4 Het RIVM heeft voor het onderzoek gebruik gemaakt van data afkomstig uit de Leefstijlmonitor, waarin 10.000 Nederlanders van 15 jaar en ouder zijn bevraagd op het gebruik van sportprestatieverhogende middelen. Uit het onderzoek is gebleken dat 1,2 procent van de bevolking ouder dan 15 jaar ooit een sportprestatieverhogend middel heeft gebruikt en 0,5% van de bevolking ouder dan 15 jaar een dergelijk middel afgelopen jaar heeft gebruikt.
Kunt u, in het door u aangekondigde Actieplan Doping, een aanpak van DNP meenemen? Kunt u verder in het actieplan aangeven welke sporten een verhoogd risico vormen (meer gebruik van doping dan gemiddeld onder sporters) en aangeven hoe het actieplan zich specifiek richt op deze sporten?
In het Tweede Kamerdebat van 15 februari 2018 heb ik u toegezegd u voor de zomer te informeren hoe het nadere beleid rondom doping ingevuld zal worden. Binnen dit nader te vormen beleid zal onder andere aandacht zijn voor voorlichting over de gevolgen en gezondheidsrisico’s van dopinggebruik in het algemeen.
Voorlichtingsprogramma’s bieden ruimte voor het delen van informatie omtrent specifieke middelen, zoals in het voorlichtingsprogramma «Eigen Kracht» reeds gebeurd is voor DNP. Ik vind dit een goede aanpak, die zich richt op de brede context van dopingmiddelen en dopingregels.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit heeft ingesteld naar de bestemming van door de douane te Schiphol aangetroffen DNP-partijen?3 Kunt u aangeven wat de uitkomsten van dit onderzoek zijn?
De Douane heeft in 2017 in verschillende pakketten de stof DNP aangetroffen, afkomstig uit China. Er zijn 6 zaken overgedragen aan de NVWA. Uit de beschikbare informatie is vervolgens een aantal afnemers geïdentificeerd.
Deze afnemers zijn allen individuen die het middel via internetsites hebben besteld. Er is dus geen samenhang gevonden tussen de aangetroffen partijen.
Het onderzoek is inmiddels afgerond. Momenteel loopt het vervolgingstraject
van de betrokken verdachten nog.
Op welke wijze controleert de douane op de invoer van illegale middelen zoals DNP? Op basis van welke afweging wordt bij dergelijke middelen bepaald of er sprake kan zijn van een ontheffingsvereiste of een vergunningsvereiste voor de invoer van een bepaald middel?
De Douane is, naast de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd i.o. (IGJ i.o.), belast met de handhaving van de Geneesmiddelenwet en de daaraan gerelateerde wetgeving. Het invoeren van geneesmiddelen is verboden zonder de vereiste Nederlandse fabrikantenvergunning. Als de controleambtenaar van de Douane niet kan vaststellen of een product een geneesmiddel, een werkzame stof voor de vervaardiging van een geneesmiddel of een andersoortig product is, wordt – als de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven – door het Douane Laboratorium een onderzoek verricht. De vrijgave van de goederen wordt opgeschort totdat dit onderzoek is afgerond. Als de Douane een onregelmatigheid constateert, wordt volgens bestaande afspraken en instructies contact opgenomen met de IGJ i.o. De IGJ i.o. bepaalt vervolgens of strafrechtelijk of bestuursrechtelijk wordt opgetreden. De Douane volgt daarbij de instructies van de IGJ i.o. op.
In bepaalde gevallen zijn er onveilige producten die niet onder de Geneesmiddelenwet vallen. In die gevallen wordt door de Douane contact gezocht met de NVWA om de zaak mogelijk over te dragen.
De publicatie ‘Risicomanagement voor collecties’ van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie «Risicomanagement voor collecties» van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed?1
Ja.
Op welke wijze wordt een dergelijke publicatie verspreid onder belanghebbenden? Op welke wijze wordt bevorderd dat er opvolging gegeven wordt aan de aanbevelingen zoals gedaan in deze publicatie, met als doelstelling het beter beschermen van collecties, bijvoorbeeld tegen waterschade en brand?
De publicatie is tot stand gekomen in samenwerking met partners in binnen- en buitenland en is gericht op collectiebeheerders. Met de publicatie, die gratis in zowel het Nederlands als het Engels is te downloaden via www.cultureelerfgoed.nl, wordt informatie en kennis over risicomanagement voor collecties binnen handbereik van collectiebeheerders gebracht. Zij zijn primair verantwoordelijk voor de veiligheid van collecties. Het ontwikkelen en verspreiden van ondersteunende informatie past in de rol van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) als kenniscentrum. Alhoewel er geen actief verspreidingsbeleid is, brengt de RCE de publicatie via kennisplatforms en symposia onder de aandacht van de belanghebbenden en wordt de publicatie ook ingezet in de opleiding van studenten van zowel de Universiteit van Amsterdam als de Reinwardt Academie. Uit reacties en vragen die vanuit het museale veld worden gesteld aan de RCE blijkt dat de publicatie een aanzienlijke bekendheid geniet. Er zijn geen gegevens beschikbaar over de mate waarin de aanbevelingen worden opgevolgd door de belanghebbenden.
Wat is uw reactie op de uitspraak die in deze publicatie wordt gedaan dat om gepaste beveiligingsmaatregelen tegen diefstal te treffen een analyse van de risico’s essentieel is, maar dat hiervoor maar zeer weinig gegevens voorhanden zijn? Is het aantal meldingen door 15 musea van een inbraak, diefstal of poging daartoe in de Database Incidenten Cultureel Erfgoed (DICE) in de periode 2008–2014 ook een weerspiegeling van het daadwerkelijke aantal incidenten of worden mogelijk niet alle incidenten gemeld? Hoe kan in dat laatste geval de meldingsbereidheid worden vergroot?
DICE is een incidentenregistratiesysteem dat de RCE kosteloos aanbiedt aan de musea en andere collectiebeheerders. Zij kunnen dit systeem gebruiken voor de eigen registratie van incidenten en tegelijkertijd levert DICE informatie voor de Erfgoedmonitor. Registratie van incidenten in DICE is niet verplicht en niet alle collectiebeheerders zijn aangesloten. Het is dan ook waarschijnlijk dat het daadwerkelijk aantal incidenten (waaronder diefstal) groter is dan het aantal registraties in DICE in de periode 2008 – 2014. Ter vergroting van het aantal registraties heeft de RCE veel gedaan aan promotie van DICE via studiedagen, symposia, publicaties en artikelen en zijn workshops georganiseerd.
Beheerders van de rijkscollectie zijn verplicht om schade aan, het tenietgaan en vermissing van museale cultuurgoederen direct te melden aan de Erfgoedinspectie. Dit kan via DICE of door een rechtstreekse melding. In de periode 2009–2017 zijn via DICE en daarmee aan de Erfgoedinspectie 3 diefstallen uit de Rijkscollectie gemeld.
Klopt het dat de regeling van het Mondriaan Fonds die middelen aan het erfgoedveld beschikbaar stelde om zelf na te gaan waar hun beveiliging aangepast zou moeten worden, is beëindigd? Zo ja, waarom is er voor gekozen deze regeling te beëindigen?
Dat klopt inderdaad. Mijn voorganger heeft een tijdelijke aanvullende financiële ondersteuning geleverd voor de regeling «Bijdrage Veiligheidszorg» van het Mondriaan Fonds, gericht op het duurzaam verbeteren van de reguliere veiligheidszorg van kunst- en erfgoedinstellingen die een collectie beheren in Nederland en in de Nederlandse Cariben. Musea, kerken, archieven en kunsthallen die regelmatig objecten van landelijk belang tonen konden een aanvraag indienen.2 Hiermee is een bijdrage geleverd aan kwaliteitsverbetering van veiligheidszorg bij kunst en erfgoedinstellingen, maar uiteindelijk is veiligheidszorg een verantwoordelijkheid van de erfgoedinstellingen zelf. Ik blijf via het dossier «Veilig Erfgoed» bij de RCE inzetten op de uitwisseling van kennis en ervaring en er wordt in de Erfgoedmonitor aandacht geschonken aan het onderwerp veiligheidszorg. De Erfgoedinspectie tenslotte houdt toezicht op de veiligheidszorg bij instellingen die rijkscollecties beheren.
Kunt u reageren op de opmerking dat ruim tweederde van de in Nederland gestolen kunst en antiek nauwelijks kan worden opgespoord, doordat slachtoffers vaak niet beschikken over exacte gegevens of foto's van de gestolen objecten en de objecten om die reden niet kunnen worden geregistreerd in de database gestolen kunst van de Landelijke Politie?2 Is het aantal dat kan worden geregistreerd en opgespoord inmiddels verbeterd?
Eigenaren van kunst en antiek zijn zelf verantwoordelijk voor een goede registratie. Verschillende momenten worden aangegrepen om het publiek hierover te informeren, zodat objecten goed kunnen worden beschreven en vastgelegd. Op de websites van bijvoorbeeld de politie4 en de Erfgoedinspectie5 is hieromtrent nadere informatie te vinden.
De ervaring van de politie leert dat slachtoffers van kunst- of antiekdiefstal vaak niet over een adequate beschrijving of foto’s van het gestolen object beschikken, dit bemoeilijkt de opsporing. Daarnaast zijn deze objecten relatief eenvoudig naar het buitenland te brengen. Handelaren die de databases van gestolen voorwerpen raadplegen, zullen informatie over deze objecten dan ook niet aantreffen. Ook opsporingsdiensten kunnen bij gebrek aan informatie de objecten niet achterhalen.
Kunt u reageren op de constatering dat opsporing van erfgoed geen prioriteit zou zijn in de opsporingsagenda, zoals aan de orde kwam tijdens een film- en debatavond in het Filmhuis Den Haag in 2016 waaraan diverse experts deelnamen?3 Bent u van mening dat de opsporing van erfgoed momenteel voldoende prioriteit krijgt? Is er in Nederland voldoende kennis en kunde aanwezig bij betrokken partijen, zoals recherche en politie, verzekeraars en erfgoedbeherende instellingen?
In de Veiligheidsagenda 2015–2018 zijn de veiligheidsthema’s vastgelegd. Dat de opsporing van erfgoed of kunst en antiek hierin ontbreekt, betekent niet dat de opsporing niet adequaat georganiseerd is. Uitgangspunten voor de inrichting van toezicht, handhaving en opsporing van kunstcriminaliteit zijn vastgelegd in de brief die uw Kamer op 13 juli 2012 is toegezonden. Wij staan nog steeds voor deze uitgangspunten. Voor wat betreft specifieke deskundigheid ter zake gestolen objecten kan de politie terugvallen op specialisten van de Erfgoedinspectie, RCE, musea, andere erfgoed beherende instellingen zoals archieven of gerenommeerde deskundigen.
Bent u van mening dat het van belang is om de kans op het terugvinden van een gestolen object te vergroten, de specifieke kenmerken van het object te documenteren? Welk deel van de collecties is momenteel gedigitaliseerd? Op welke manieren worden particulieren gewezen op het belang van de registratie van waardevolle kunst en antiek? Is er behoefte aan een database voor gestolen kunst en antiek die breder toegankelijk is dan alleen voor opsporingsambtenaren, maar bijvoorbeeld ook voor particulieren, handelaren en houders van collecties? Zo ja, kunt u dit stimuleren of faciliteren? Zo nee, waarom niet?
Registratie van collecties is een belangrijke preventieve maatregel en draagt bij aan het opsporen of terugvinden van objecten. Er is veel geïnvesteerd in de registratie van collecties van erfgoedinstellingen en kerken. De mate van registratie en de kwaliteit van registratie door deze instellingen is in Nederland hoog. Museale instellingen in de culturele basisinfrastructuur dienen een beleid te voeren om minimaal 95 procent van de objecten van hun instelling te registreren. Dit uitgangspunt is nu ook vastgelegd in de Erfgoedwet en de bijbehorende Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen die sinds 2016 van kracht zijn. Veel beheerders van de rijkscollectie hebben hun registratiesysteem inmiddels geautomatiseerd of zijn hiermee bezig. Ook stellen diverse beheerders reeds vrijwillig hun eigen registratie beschikbaar voor een centrale toegang. Van beheerders die nog niet alle registraties hebben geautomatiseerd wordt verwacht dat zij inspanningen verrichten om tot een volledig geautomatiseerde registratie en aansluiting op het systeem van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te komen. Het doel is dat de complete rijkscollectie geregistreerd en online toegankelijk wordt voor culturele instellingen en het publiek (zie www.collectienederland.nl).
Kerkelijke collecties in kerken en kloosters zijn geregistreerd, maar nog niet compleet. Via een web tool werken kerken hier verder aan. Alle archeologische sites zijn geregistreerd.
Wat betreft particuliere verzamelaars is met verzekeringsmaatschappijen in het verleden contact geweest. Voor de verzekering van cultuurgoederen bij gespecialiseerde kunstverzekeringen is een taxatierapport nodig. Kunst en antiek dat via inboedelverzekeringen verzekerd is, heeft niet een dergelijke registratie of informatie plicht.
Indien het slachtoffer van gestolen kunst of antiek in de gelegenheid is om adequate informatie omtrent het object te delen met de politie, wordt deze informatie door de politie vastgelegd en gedeeld met de Interpol-database voor gestolen kunst. Deze database is voor een ieder toegankelijk. Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 5 voor de voorlichtingsactiviteiten voor het adequaat registreren van kunst en antiek.
Kunt u een update geven van het werk dat wordt verricht door de eenheid Kunst- en Antiekcriminaliteit van de Nationale Politie? Wanneer was hun laatste analyse van de aard en omvang van kunstdiefstallen? Kunt u tevens inzage geven in de personele bezetting van de afgelopen vijf jaar?
Het team Kunst- en Antiekcriminaliteit van de politie verzamelt, veredelt en analyseert aan kunst, antiek en cultuurgoederen gerelateerde incidenten in Nederland. Daartoe worden naast de politieregistraties ook open bronnen geraadpleegd. Hierin wordt tevens nauw samengewerkt met de Erfgoedinspectie en Veilig Erfgoed van de RCE. Het team coördineert de afhandeling van zowel nationale als internationale verzoeken om informatie en rechtshulpverzoeken. Waar nodig wordt nationaal en internationaal assistentie verleend bij onderzoeken, zowel in persoon als door middel van het leveren van expertise van buiten het politiedomein. De buitengewoon opsporingsambtenaren van de Erfgoedinspectie kunnen desgewenst worden ingezet bij onderzoeken.
Elk kwartaal worden alle in Nederland geconstateerde incidenten verwerkt in een kwartaalrapportage. De aard en omvang van de criminele activiteiten worden daarin uitvoerig beschreven. Daar waar mogelijk wordt tevens de samenhang van de incidenten geanalyseerd. Jaarlijks wordt op basis van de kwartaaloverzichten een jaarbeeld gegenereerd. Operationele zaaks analyses worden door de regionale eenheden uitgevoerd. Bij regio overstijgende incidenten levert het team een concept analyse op, op basis waarvan een eventueel vervolgonderzoek kan worden ingesteld.
Sinds 2013 bestaat het team Kunst- en Antiekcriminaliteit uit vier personen. Omgerekend is dit ongeveer 3 fte. Daarnaast is in elke regionale eenheid een taakaccenthouder kunst- en antiekcriminaliteit aangesteld en is bij het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie een landelijk officier van justitie aangesteld met het taakaccent kunst- en antiekcriminaliteit.
Op welke wijze zou bij zowel het registeren van kunst als het opsporen hiervan gebruik gemaakt kunnen worden van nieuwe innovatieve technieken? Zijn hiervan (bijvoorbeeld uit het buitenland) goede voorbeelden te benoemen?
De diverse nationale organisaties zijn verbonden met internationale en Europese netwerken. In deze netwerken vindt doorlopend uitwisseling van kennis en samenwerking plaats over registratie en opsporing, waaronder ook over innovatieve technieken.
Bent u bekend met het rapport «Handel in producten van beschermde vogels in januari 2018 via Internet»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat er online beschermde vogels illegaal worden verkocht?
Het kabinet is tegen elke vorm van illegale handel van (beschermde) dieren.
Kunt u aangeven op welke manier er gehandhaafd wordt op handel in beschermde dieren?
De handhaving op de handel in beschermde dieren vindt op een aantal manieren plaats, zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk of in een combinatie van deze handhavingsmodaliteiten. De met de handhaving, opsporing en toezicht belaste instanties zijn de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl), de douane, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie. Deze instanties staan in nauw contact met elkaar. Handhaving kan plaatsvinden naar aanleiding van een geplande of ongeplande inspectie, op heterdaad, of naar aanleiding van informatiegestuurd opsporen.
Kunt u verklaren hoe het mogelijk is dat deze eenvoudig te traceren criminaliteit niet opgespoord wordt?
De NVWA doet geregeld onderzoek naar advertenties op het internet waarin beschermde dieren, planten en producten worden aangeboden. De aanbieders worden gecontroleerd. Indien de legaliteit van de goederen, waaronder dieren, niet kan worden aangetoond, worden deze in beslag of in bewaring genomen.
Bent u bereid contact op te nemen met de auteur van het rapport teneinde gebruik te maken van de door hem verzamelde data? Bent u verder bereid maatregelen te nemen waarmee ook in de toekomst de illegale verkoop van dieren aangepakt wordt? Zo nee, waarom niet?
Het rapport is gedeeld met de NVWA, het Openbaar Ministerie en de politie. Op dit moment is al sprake van inzet op de opsporing en handhaving van illegale handel in (beschermde) dieren.
Bent u bekend met het artikel «Handel bedreigde diersoorten: «Levende kolibri’s in onderbroek»»?2
Ja.
Bent u bereid, gezien het wereldwijd ongekende verlies van biodiversiteit, extra capaciteit vrij te maken voor opsporing en vervolging van de handel in beschermde diersoorten? Zo nee, waarom niet? Neemt Nederland naar uw mening de verantwoordelijkheid die past bij een doorvoerland zoals het onze?
Nederland neemt zijn verantwoordelijkheid bij het aanpakken van wildlife criminaliteit. Als handelsland met grote handelsstromen faciliteert Nederland legale handel waar dat kan, terwijl hard wordt gewerkt om illegale handel tegen te gaan. De samenwerking tussen de betrokken overheidsinstanties op het terrein van CITES (Convention on International Trade in Endangered Species of wild fauna and flora) is nauw en kent korte lijnen.
Nederland werkt Europees en mondiaal intensief samen in het kader van CITES en het tegengaan van wildlifecrime. Als voorbeeld van een door Nederland gecoördineerde actie – ook gericht op transitzendingen – in het kader van CITES en het EU Action Plan against Wildlife Trafficking verwijs ik u graag naar de uitkomsten van de recente Operatie Pangolin.3
Deelt u de stelling van criminoloog Daan van Uhm2 dat criminele organisaties steeds vaker extra handelslijnen erbij nemen en nu dus naast bijvoorbeeld drugs ook steeds vaker handelen in beschermde diersoorten? Ziet u hierin reden meer aandacht en capaciteit te besteden aan het opsporen van de handel in beschermde diersoorten? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, in antwoord op vragen over het promotieonderzoek van de heer Van Uhm, laat het onderzoek zien dat binnen de illegale handel in wildlife – net als bij drugscriminaliteit – sprake is van georganiseerde, grensoverschrijdende misdaad.5 Die kennis is ook aanwezig bij de handhavingsautoriteiten, die hun aanpak en capaciteit daarop afstemmen.
Klopt het dat het natuur team van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) capaciteit heeft moeten afstaan? Is dat vanwege personeelstekorten bij andere teams van de NVWA? Wat zijn de consequenties daarvan voor het opsporen van de handel in beschermde dieren? Ziet u hierin reden meer aandacht en capaciteit te besteden aan het opsporen van de handel in beschermde diersoorten? Zo nee, waarom niet?
De capaciteit bij de NVWA voor inspecties op het gebied van de Wet natuurbescherming is niet gewijzigd.
Klopt het dat de overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde soorten wilde dieren en planten (CITES) regelgeving niet langer specifiek onderwezen wordt aan de Politieacademie? Klopt het dat het merendeel van de CITES specialisten, zowel bij de NVWA als bij de politie, de komende tien a vijftien jaar met pensioen gaat? Hoe gaat u dat verlies van kennis opvangen? Waarom wordt CITES handel niet langer onderwezen aan de Politieacademie? Ziet u hierin reden meer aandacht en capaciteit te besteden aan het opsporen van de handel in beschermde diersoorten? Zo nee, waarom niet?
Een deel van het personeel van de NVWA gaat in de genoemde periode met pensioen. De uitstroom van het personeel en de daarmee gepaard gaande kennisoverdracht zijn continue punten die de NVWA borgt binnen de organisatie. Binnen de mogelijkheden van het strategisch personeelsbeleid wordt nieuw personeel geworven dat na training ingewerkt kan worden.
Bij de Politieacademie is de laatste CITES-cursus aangeboden in 2012. De Politieacademie heeft besloten om de inhoud over te hevelen richting de leergang «Milieuagent» en de opleiding «Handhaving en opsporing in het kader van dierenwelzijn». De problematiek over internationale handel in bedreigde uitheemse dieren en planten komt in beide opleidingen aan de orde.
Klopt het dat overtredingen van de CITES regelgeving in het algemeen afgedaan worden met een bestuurlijke boete? Klopt het dat daarbij geen aantekening in het strafblad gemaakt wordt? Klopt het dat er daardoor geen zicht is te krijgen op veelplegers en criminele netwerken? Bent u bereid in de toekomst elke overtreding van de CITES regelgeving waarbij het vermoeden bestaat dat deze bedrijfsmatig is voor te leggen aan de officier van justitie in plaats van af te doen met een bestuurlijke boete?
De bestuurlijke boete is met de inwerkingtreding van de Wet Natuurbescherming per 1 januari 2017 als handhavingsinstrument geïntroduceerd voor de toepassing binnen de bestuursrechtelijke handhaving van CITES-overtredingen door de RVO.nl. Het gaat in zulke gevallen om kleine administratieve overtredingen. Op dit moment is dit instrument nog niet in de praktijk ingevoerd door de RVO.nl. Overtredingen van de CITES-regelgeving worden in het algemeen dus niet afgedaan met een bestuurlijke boete.
De gebruikte punitieve instrumenten voor overtredingen van CITES-regelgeving zijn:
Grotere opsporingsonderzoeken kunnen ook worden ingesteld door opsporingsinstanties in overleg met de officier van justitie.
De door een bestuursorgaan gebruikte reparatoire/bestuursrechtelijke instrumenten zijn de waarschuwing, de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom. Met een last onder bestuursdwang kunnen voorwerpen in bewaring genomen worden op kosten van de overtreder.
Een bestuurlijke boete levert geen aantekening in de justitiële documentatie op. Een bestuurlijke strafbeschikking levert wel een aantekening in de justitiële documentatie op.
Er vindt op beleidsmatig, strategisch, tactisch en operationeel niveau structureel overleg plaats tussen alle handhavingspartners op het terrein van de CITES. In een aantal van deze gremia worden structureel signalen besproken die mogelijk aanleiding geven tot strafrechtelijk onderzoek. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat geen zicht is te krijgen op veelplegers en criminele netwerken.
Overtredingen van de CITES regelgeving waarbij het vermoeden bestaat dat deze bedrijfsmatig zijn worden nu al in beginsel besproken met de officier van justitie.
Hoe zijn de aangevoerde voorbeelden te rijmen met het voornemen uit het regeerakkoord dat de illegale import van beschermde dieren een halt toe moet worden geroepen? Hoe staat het met de uitvoering van dat voornemen?
De in bron 2 en 3 aangevoerde voorbeelden zijn voorbeelden van (lopende) strafrechtelijke onderzoeken die juist zijn ingesteld om de illegale import en handel in beschermde dieren te bestrijden.